EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32022R0555

Verordening (EU) 2022/555 van de Raad van 5 april 2022 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 168/2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten

ST/9827/2021/INIT

OJ L 108, 7.4.2022, p. 1–12 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2022/555/oj

7.4.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 108/1


VERORDENING (EU) 2022/555 VAN DE RAAD

van 5 april 2022

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 168/2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 352,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (hierna “het Bureau” genoemd) is bij Verordening (EG) nr. 168/2007 van de Raad (2) opgericht om de instellingen, organen en instanties van de Unie en de lidstaten met betrekking tot de grondrechten bijstand en expertise te bieden.

(2)

Om de reikwijdte van het Bureau aan te passen en het beheer en de efficiëntie van het functioneren van het Bureau te verbeteren, is het noodzakelijk een aantal bepalingen van Verordening (EG) nr. 168/2007 te wijzigen, zonder de doelstelling en de taken van het Bureau te wijzigen.

(3)

In het licht van de inwerkingtreding van het Verdrag van Lissabon moet de reikwijdte van het Bureau ook betrekking hebben op het vanuit het gezichtspunt van de grondrechten bij uitstek gevoelig gebied van politiële samenwerking en justitiële samenwerking in strafzaken.

(4)

Het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid moet buiten de reikwijdte van het Bureau worden gelaten. Dit mag geen afbreuk doen aan de bijstand en expertise, bijvoorbeeld opleidingsactiviteiten over grondrechtenkwesties, die het Bureau biedt aan de instellingen, organen en instanties van de Unie, met inbegrip van de instellingen, organen en instanties van de Unie die werkzaam zijn op het gebied van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.

(5)

Voorts is een aantal gerichte technische wijzigingen van Verordening (EG) nr. 168/2007 noodzakelijk opdat het Bureau wordt bestuurd en beheerd overeenkomstig de beginselen van de gemeenschappelijke aanpak die wordt beschreven in de bijlage bij de gezamenlijke verklaring van het Europees Parlement, de Raad van de EU en de Europese Commissie over de gedecentraliseerde agentschappen van 19 juli 2012 (hierna “de gemeenschappelijke aanpak” genoemd). De aanpassing van Verordening (EG) nr. 168/2007 aan de in de gemeenschappelijke aanpak vermelde beginselen is toegesneden op de specifieke werkzaamheden en aard van het Bureau en is bedoeld om het functioneren van het Bureau te vereenvoudigen, beter te beheren en efficiënter te maken.

(6)

De definitie van het werkterrein van het Bureau moet enkel op het programmeringsdocument van het Bureau worden gebaseerd. De huidige benadering waarbij parallel om de vijf jaar een breed thematisch meerjarig kader wordt opgezet, moet worden stopgezet, aangezien dit overbodig is geworden door het programmeringsdocument dat het Bureau sinds 2017 ieder jaar heeft vastgesteld om te voldoen aan Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie (3), welke is opgevolgd door Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie (4). Op basis van de beleidsagenda van de Unie en de behoeften van de belanghebbenden wordt in het programmeringsdocument duidelijk aangegeven aan welke gebieden en aan welke specifieke projecten het Bureau zich moet wijden. Dit moet het Bureau in staat stellen zijn werkzaamheden en thematische focus gaandeweg te plannen en jaarlijks aan nieuwe prioriteiten aan te passen.

(7)

Het Bureau moet zijn ontwerpprogrammeringsdocument uiterlijk op 31 januari van elk jaar toezenden aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie, en aan de nationale verbindingsfunctionarissen en het wetenschappelijk comité. Het doel is dat het Bureau, hoewel het zijn taken in volledige onafhankelijkheid uitvoert, inspiratie kan putten uit discussies of adviezen over een dergelijk ontwerpprogrammeringsdocument om een zo relevant mogelijk werkprogramma op te stellen ter ondersteuning van de Unie en haar lidstaten door middel van bijstand en expertise op het gebied van grondrechten.

(8)

Om soepele communicatie tussen het Bureau en de lidstaten te waarborgen, moeten het Bureau en de nationale verbindingsfunctionarissen samenwerken in een geest van wederzijdse en nauwe samenwerking. Deze samenwerking mag geen afbreuk doen aan de onafhankelijkheid van het Bureau.

(9)

Een aantal bepalingen in Verordening (EG) nr. 168/2007 moet worden gewijzigd om te zorgen voor een beter beheer en functioneren van de raad van bestuur van het Bureau.

(10)

Gezien de belangrijke rol van de raad van bestuur moeten de leden daarvan onafhankelijk zijn en gedegen kennis op het gebied van de grondrechten en een adequate managementervaring hebben, met inbegrip van administratieve en budgettaire vaardigheden.

(11)

Ook moet worden verduidelijkt dat de ambtstermijn van de leden en de plaatsvervangende leden van de raad van bestuur weliswaar niet met een opeenvolgende termijn kan worden verlengd, maar dat een voormalig lid of plaatsvervangend lid opnieuw moet kunnen worden aangewezen voor een extra niet-opeenvolgende ambtstermijn. Wanneer enerzijds het niet toestaan van opeenvolgende vernieuwingen van de ambtstermijn is gerechtvaardigd om hun onafhankelijkheid te waarborgen, zal anderzijds het toestaan van het opnieuw aanwijzen voor een extra niet-opeenvolgende termijn het voor de lidstaten gemakkelijker maken om geschikte leden aan te wijzen die aan alle voorwaarden voldoen.

(12)

Met betrekking tot de vervanging van de leden van de raad van bestuur of plaatsvervangende leden moet worden verduidelijkt dat in alle gevallen van beëindiging van de ambtstermijn vóór het verstrijken van de periode van vijf jaar, niet alleen in geval van verlies van onafhankelijkheid, maar ook in andere gevallen, zoals vrijwillig ontslag of overlijden, het nieuwe lid of plaatsvervangend lid de ambtstermijn van vijf jaar van zijn voorganger zal voltooien, tenzij de resterende termijn korter is dan twee jaar, in welk geval een nieuwe termijn van vijf jaar kan gaan lopen.

(13)

Om de situatie in overeenstemming te brengen met die binnen de instellingen van de Unie, dient de raad van bestuur van het Bureau de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag te krijgen. Met uitzondering van de benoeming van de directeur, moeten deze bevoegdheden aan de directeur worden gedelegeerd. De raad van bestuur moet de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag met betrekking tot het personeel van het Bureau alleen in uitzonderlijke omstandigheden uitoefenen.

(14)

Om staken van stemmen te voorkomen en de stemprocedures voor de verkiezing van de leden van het dagelijks bestuur te vereenvoudigen, moet worden bepaald dat de raad van bestuur deze leden bij meerderheid van zijn stemgerechtigde leden kiest.

(15)

Om Verordening (EG) nr. 168/2007 verder af te stemmen op de gemeenschappelijke aanpak en de capaciteit van de raad van bestuur om toezicht te houden op het administratieve, operationele en budgettaire beheer van het Bureau verder te versterken, moeten de raad van bestuur tot slot aanvullende taken worden toegewezen en de aan het dagelijks bestuur toegewezen taken nader worden gespecificeerd. De aanvullende taken van de raad van bestuur moeten de vaststelling van een beveiligingsstrategie, met inbegrip van regels voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie van de Unie, een communicatiestrategie en regels voor het voorkomen en het beheer van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden en die van het wetenschappelijk comité, omvatten. Er moet duidelijk worden gemaakt dat de taak van het dagelijks bestuur om toezicht te houden op de voorbereiding van de door de raad van bestuur vast te stellen besluiten, een grondige bestudering van begrotings- en personeelskwesties met zich meebrengt. Daarnaast moet het dagelijks bestuur worden belast met de vaststelling van de door de directeur opgestelde fraudebestrijdingsstrategie en moet het zorgen voor een passende opvolging van auditbevindingen en van onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of van het Europees Openbaar Ministerie (EOM). Voorts moet worden bepaald dat het dagelijks bestuur zo nodig in dringende gevallen namens de raad van bestuur voorlopige beslissingen kan nemen.

(16)

Om de bestaande procedure voor de vervanging van de leden van het wetenschappelijk comité te vereenvoudigen, moet de raad van bestuur wanneer een lid voor het verstrijken van zijn ambtstermijn moet worden vervangen, de mogelijkheid krijgen om de persoon die als eerstvolgende op de reservelijst staat, aan te wijzen voor de resterende duur van die ambtstermijn.

(17)

Gezien de zeer selectieve benoemingsprocedure en het feit dat het aantal kandidaten dat mogelijk aan de selectiecriteria voldoet, vaak laag is, moet de ambtstermijn van de directeur van het Bureau eenmaal met maximaal vijf jaar kunnen worden verlengd, waarbij met name rekening moet worden gehouden met diens prestaties en de taken en behoeften van het Bureau in de komende jaren. Gezien het belang van de functie en de grondige procedure waaraan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie deelnemen, moet die procedure bovendien aanvangen tijdens de 12 maanden die aan het verstrijken van de ambtstermijn van de directeur voorafgaan.

(18)

Om de stabiliteit van het mandaat van de directeur en bijgevolg van het functioneren van het Bureau te verbeteren, moet de meerderheid die thans is vereist voor een voorstel tot diens ontslag, worden verhoogd van een derde van de leden van de raad van bestuur tot twee derde van die leden. Ten slotte moet, om de algemene verantwoordelijkheid van de directeur voor het administratieve beheer van het Bureau te specificeren, worden bepaald dat het de verantwoordelijkheid van de directeur is om de door de raad van bestuur vastgestelde besluiten uit te voeren, een fraudebestrijdingsstrategie voor het Bureau te ontwikkelen en een actieplan voor te bereiden met het oog op de opvolging van interne of externe auditverslagen en onderzoeken van OLAF of het EOM.

(19)

Om Verordening (EG) nr. 168/2007 af te stemmen op de gemeenschappelijke aanpak, moet worden bepaald dat de Commissie om de vijf jaar opdracht moet geven tot evaluatie van het Bureau.

(20)

Verordening (EG) nr. 168/2007 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen in Verordening (EG) nr. 168/2007

Verordening (EG) nr. 168/2007 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt vervangen door:

“Artikel 2

Doel

Het Bureau heeft ten doel de betrokken instellingen, organen en instanties van de Unie en de lidstaten bij de uitvoering van het Unierecht bijstand en expertise te bieden op het gebied van de grondrechten om hen te helpen de grondrechten volledig te eerbiedigen wanneer zij op hun respectieve bevoegdheidsgebieden maatregelen nemen of acties voorstellen.”.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

“Artikel 3

Werkingssfeer

1.   Het Bureau vervult zijn taken ter verwezenlijking van het in artikel 2 vastgestelde doel, binnen de bevoegdheden van de Unie.

2.   Bij de vervulling van zijn taken refereert het Bureau aan de grondrechten zoals bedoeld in artikel 6 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU).

3.   Het Bureau houdt zich bezig met grondrechtenvraagstukken in het kader van de uitvoering van het Unierecht in de Unie en de lidstaten, met uitzondering van handelingen en activiteiten van de Unie of de lidstaten in verband met of in het kader van het gemeenschappelijk buitenlands en veiligheidsbeleid.”.

3)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt a) wordt vervangen door:

“a)

verzamelt, registreert, analyseert en verspreidt het Bureau relevante, objectieve, betrouwbare en vergelijkbare informatie en gegevens, met inbegrip van de resultaten van onderzoek en toezicht die aan het Bureau worden meegedeeld door de lidstaten, door de instellingen, organen en instanties van de Unie, en door onderzoekscentra, nationale instanties, niet-gouvernementele organisaties, derde landen en internationale organisaties, in het bijzonder door de bevoegde instanties van de Raad van Europa;”;

ii)

punten c) en d) wordt vervangen door:

“c)

voert het Bureau wetenschappelijk onderzoek, wetenschappelijke enquêtes, voorbereidende en haalbaarheidsstudies uit en verleent het daaraan zijn medewerking of moedigt het deze aan, in voorkomend geval en indien dit verenigbaar is met zijn prioriteiten en zijn jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s, op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie;

d)

stelt het Bureau ten behoeve van de instellingen van de Unie en de lidstaten wanneer zij het Unierecht uitvoeren op eigen initiatief of op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie conclusies en adviezen over specifieke onderwerpen op en publiceert het deze;”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

“2.   De in lid 1 bedoelde conclusies, adviezen en verslagen kunnen alleen betrekking hebben op voorstellen van de Commissie uit hoofde van artikel 293 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) of op de standpunten van de instellingen in het kader van de wetgevingsprocedures wanneer daartoe overeenkomstig lid 1, onder d), door de betrokken instelling een verzoek is gedaan. Zij hebben geen betrekking op de wettigheid van handelingen in de zin van artikel 263 VWEU, noch op de vraag of een lidstaat een van de krachtens de Verdragen op hem rustende verplichtingen niet is nagekomen in de zin van artikel 258 VWEU.”;

c)

de volgende leden worden toegevoegd:

“3.   Het wetenschappelijk comité wordt geraadpleegd voordat het in lid 1, punt e), bedoelde verslag wordt aangenomen;

4.   Het Bureau legt de in lid 1, punten e) en g), bedoelde verslagen uiterlijk op 15 juni van elk jaar voor aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie, de Rekenkamer, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.”.

4)

Artikel 5 wordt vervangen door:

“Artikel 5

Werkterreinen

Het Bureau vervult zijn taken in het licht van zijn jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s, die in overeenstemming zijn met de beschikbare financiële en personele middelen. Dit geldt onverminderd de behandeling door het Bureau van verzoeken van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten c) en d), die geen betrekking hebben op de gebieden die zijn bepaald in de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s, mits er daarvoor voldoende financiële en personele middelen beschikbaar zijn.”.

5)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

“Artikel 5 bis

Jaarlijkse en meerjarige programmering

1.   Elk jaar stelt de directeur overeenkomstig artikel 32 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 (*1) van de Commissie een ontwerpprogrammeringsdocument op dat met name de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s bevat.

2.   De directeur dient het ontwerpprogrammeringsdocument in bij de raad van bestuur. De directeur legt het door de raad van bestuur goedgekeurde ontwerpprogrammeringsdocument uiterlijk op 31 januari van elk jaar voor aan het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De bevoegde voorbereidende instantie van de Raad bespreken het ontwerp voor het meerjarig werkprogramma kunnen het Bureau verzoeken om dat ontwerp voor te stellen.

3.   De directeur legt het ontwerpprogrammeringsdocument uiterlijk op 31 januari van elk jaar voor aan de in artikel 8, lid 1, bedoelde nationale verbindingsfunctionarissen en aan het wetenschappelijk comité, zodat de betrokken lidstaten en het wetenschappelijk comité advies kunnen uitbrengen over het ontwerp.

4.   In het licht van het resultaat van de besprekingen in de bevoegde voorbereidende instantie van de Raad en van de adviezen van de Commissie, de lidstaten en het wetenschappelijk comité legt de directeur het ontwerpprogrammeringsdocument ter aanneming voor aan de raad van bestuur. De directeur legt het aangenomen programmeringsdocument voor aan het Europees Parlement, de Raad, de Commissie en de in artikel 8, lid 1, bedoelde nationale verbindingsfunctionarissen.

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz.1).”."

6)

In artikel 6, lid 2, wordt punt a) vervangen door:

“a)

de instellingen, organen en instanties van de Unie alsmede de organen, instanties en agentschappen van de lidstaten;”.

7)

Artikel 7 wordt vervangen door:

“Artikel 7

Betrekkingen met de relevante organen en instanties van de Unie

Het Bureau zorgt voor de nodige coördinatie met de relevante organen en instanties van de Unie. De voorwaarden voor de samenwerking worden, zo nodig, vastgelegd in memoranda van overeenstemming.”.

8)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Elke lidstaat wijst een regeringsfunctionaris aan als nationale verbindingsfunctionaris.

De nationale verbindingsfunctionaris is het voornaamste contactpunt voor het Bureau in de lidstaat.

Het Bureau en de nationale verbindingsfunctionarissen werken samen in een geest van wederzijdse en nauwe samenwerking.

Het Bureau doet de nationale verbindingsfunctionarissen alle documenten toekomen die zijn opgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De administratieve regelingen voor de samenwerking krachtens lid 2 zijn in overeenstemming met het Unierecht en worden vastgesteld door de raad van bestuur op basis van een door de directeur ingediend ontwerp en na advies van de Commissie. Indien de Commissie het niet eens is met deze regelingen, worden zij door de raad van bestuur opnieuw bestudeerd en met eventuele wijzigingen goedgekeurd met een meerderheid van twee derde van alle leden.”.

9)

Artikel 9 wordt vervangen door:

“Artikel 9

Samenwerking met de Raad van Europa

Om doublures te voorkomen en om complementariteit en meerwaarde te waarborgen, coördineert het Bureau zijn activiteiten met die van de Raad van Europa, met name met betrekking tot zijn jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s, en met betrekking tot de samenwerking met het maatschappelijke middenveld overeenkomstig artikel 10.

Daartoe sluit de Unie, volgens de procedure van artikel 218 VWEU, een overeenkomst met de Raad van Europa voor nauwe samenwerking van deze Raad met het Bureau. Die overeenkomst omvat de aanwijzing door de Raad van Europa van een onafhankelijke persoon in de raad van bestuur en in het dagelijks bestuur van het Bureau, overeenkomstig de artikelen 12 en 13.”.

10)

In artikel 10, lid 4, wordt punt a) vervangen door:

“a)

het doen van suggesties aan de raad van bestuur voor de krachtens artikel 5 bis vast te stellen jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s;”.

11)

Artikel 12 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de aanhef wordt vervangen door:

“1.   De raad van bestuur is als volgt samengesteld uit personen met gedegen kennis op het gebied van de grondrechten, en met adequate ervaring op het gebied van het beheer van overheids- of particuliere organisaties, met inbegrip van administratieve en budgettaire vaardigheden:”;

ii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

“De lidstaten, de Commissie en de Raad van Europa streven naar een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in de raad van bestuur.”;

b)

de leden 3, 4 en 5 worden vervangen door:

“3.   De ambtstermijn van de leden en de plaatsvervangende leden van de raad van bestuur bedraagt vijf jaar. Een voormalig lid of plaatsvervangend lid kan opnieuw worden aangewezen voor een extra niet-opeenvolgende ambtstermijn.

4.   Afgezien van de normale vervanging of van overlijden eindigt de ambtstermijn van het lid of het plaatsvervangend lid uitsluitend door vrijwillig ontslag. Indien een lid of plaatsvervangend lid echter niet meer voldoet aan het criterium van onafhankelijkheid, neemt het onverwijld ontslag en stelt het de Commissie en de directeur daarvan in kennis. In andere gevallen dan normale vervanging wijst de betrokken partij voor de resterende duur van de ambtstermijn een nieuw lid of een nieuw plaatsvervangend lid aan. De betrokken partij wijst eveneens een nieuw lid of een nieuw plaatsvervangend lid voor de resterende duur van de ambtstermijn aan indien de raad van bestuur op basis van een voorstel van een derde van zijn leden of van de Commissie heeft bepaald dat het betrokken lid of plaatsvervangende lid niet meer voldoet aan het onafhankelijkheidscriterium. Indien de resterende duur van de ambtstermijn minder dan twee jaar bedraagt, kan de ambtstermijn van het nieuwe lid of het nieuwe plaatsvervangende lid tot een volledige termijn van vijf jaar worden verlengd.

5.   De raad van bestuur kiest uit zijn overeenkomstig dit artikel, lid 1, punt a), aangewezen leden een voorzitter en een vicevoorzitter en de andere twee leden van het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 13, lid 1, voor een termijn van twee en een half jaar, die eenmaal kan worden verlengd.

De voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van bestuur worden gekozen bij tweederdemeerderheid van de in dit artikel, lid 1, punten a) en c), bedoelde leden van de raad van bestuur. De andere twee leden van het dagelijks bestuur, bedoeld in artikel 13, lid 1, worden gekozen bij meerderheid van de in dit artikel, lid 1, punten a) en c), bedoelde leden van de raad van bestuur.”;

c)

lid 6 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de punten a) en b) worden vervangen door:

“a)

hij stelt de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s van het Bureau vast;

b)

hij keurt de in artikel 4, lid 1, punten e) en g), bedoelde jaarverslagen goed, waarbij hij in laatstgenoemde verslagen met name de behaalde resultaten afzet tegen de doelstellingen van de jaarlijkse en meerjarige werkprogramma’s;”;

ii)

punt e) wordt vervangen door:

“e)

hij oefent, overeenkomstig de leden 7 bis en 7 ter van dit artikel, met betrekking tot het personeel van het Bureau, de bevoegdheden uit die zijn toegekend bij het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie (“het Statuut”) en bij de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Europese Unie (“de Regeling”), die zijn vastgelegd in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (*2), aan het tot aanstelling bevoegde gezag respectievelijk aan het tot het sluiten van arbeidsovereenkomsten bevoegde gezag (“de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag”);

(*2)  PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1.”;"

iii)

punt i) wordt vervangen door:

“i)

stelt de regels ter uitvoering van het Statuut en de Regeling vast, overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut;”;

iv)

de volgende punten worden toegevoegd:

“m)

hij stelt een beveiligingsstrategie vast, met inbegrip van voorschriften voor de uitwisseling van gerubriceerde informatie van de Unie;

n)

hij stelt regels vast voor het voorkomen en beheersen van belangenconflicten met betrekking tot zijn leden, en met betrekking tot het wetenschappelijk comité;

o)

hij stelt de in artikel 4, lid 1, punt h), bedoelde communicatiestrategie vast en actualiseert deze regelmatig.”;

d)

de volgende leden worden ingevoegd:

“7 bis   De raad van bestuur neemt overeenkomstig artikel 110, lid 2, van het Statuut een besluit dat is gebaseerd op artikel 2, lid 1, van het Statuut en artikel 6 van de Regeling, waarin hij de nodige bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag delegeert aan de directeur en de voorwaarden vastlegt voor de opschorting van die gedelegeerde bevoegdheden. De directeur kan deze bevoegdheden op zijn beurt delegeren.

7 ter   Indien uitzonderlijke omstandigheden dat vereisen, kan de raad van bestuur door middel van een besluit de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag aan de directeur en de bevoegdheden die deze laatste op zijn beurt heeft gedelegeerd, tijdelijk opschorten en deze bevoegdheden zelf uitoefenen of delegeren aan een van zijn leden of aan een ander personeelslid dan de directeur.”;

e)

de leden 8, 9 en 10 worden vervangen door:

“8.   In de regel worden de besluiten van de raad van bestuur genomen bij meerderheid van alle leden.

De in lid 6, punten a) tot en met e), g), k) en l), bedoelde besluiten worden genomen bij tweederdemeerderheid van alle leden.

De in artikel 25, lid 2, bedoelde besluiten worden met eenparigheid van stemmen genomen.

Ieder lid van de raad van bestuur, of bij ontstentenis zijn plaatsvervanger, beschikt over één stem. De voorzitter heeft de beslissende stem.

De door de Raad van Europa aangewezen persoon neemt enkel deel aan stemmingen over de in lid 6, punten a), b) en k), bedoelde besluiten.

9.   De voorzitter roept de raad van bestuur tweemaal per jaar in vergadering bijeen, onverminderd eventuele buitengewone vergaderingen. De voorzitter roept buitengewone vergaderingen bijeen op eigen initiatief of op verzoek van de Commissie of ten minste een derde van de leden van de raad van bestuur.

10.   De voorzitter en de vicevoorzitter van het wetenschappelijk comité en de directeur van het Europees Instituut voor gendergelijkheid kunnen vergaderingen van de raad van bestuur als waarnemer bijwonen. Ook de directeuren van andere betrokken instanties en organen van de Unie en van de andere in de artikelen 8 en 9 vermelde internationale instanties kunnen, wanneer daartoe van het dagelijks bestuur uitgenodigd, als waarnemer aan dergelijke vergaderingen deelnemen.”.

12)

Artikel 13 wordt vervangen door:

“Artikel 13

Dagelijks bestuur

1.   De raad van bestuur wordt bijgestaan door een dagelijks bestuur. Het dagelijks bestuur houdt toezicht op de noodzakelijke voorbereidende werkzaamheden voor de door de raad van bestuur vast te stellen besluiten. Het bestudeert met name aangelegenheden op het gebied van de begroting en de personele middelen.

2.   Het dagelijks bestuur heeft daarnaast de volgende taken:

a)

het evalueert het in artikel 5 bis bedoelde programmeringsdocument van het Bureau op basis van een door de directeur opgesteld ontwerp, en legt dit ter aanneming voor aan de raad van bestuur;

b)

het evalueert de jaarlijkse ontwerpbegroting van het Bureau en legt deze ter aanneming voor aan de raad van bestuur;

c)

het evalueert het ontwerpjaarverslag over de activiteiten van het Bureau en legt het ter aanneming voor aan de raad van bestuur;

d)

het stelt op basis van een door de directeur opgesteld ontwerp een fraudebestrijdingsstrategie vast voor het Bureau die in verhouding staat tot de frauderisico’s en waarbij rekening wordt gehouden met de kosten- batenverhouding van de uit te voeren maatregelen;

e)

het zorgt voor een passende opvolging van de bevindingen en aanbevelingen naar aanleiding van de interne en externe auditverslagen en evaluaties, alsook naar aanleiding van de onderzoeken van het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) of het Europees Openbaar Ministerie (EOM);

f)

onverminderd de in artikel 15, lid 4, bepaalde verantwoordelijkheden van de directeur ondersteunt en adviseert het hem of haar bij de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur om het toezicht op het administratief en begrotingsbeheer te versterken.

3.   Indien dat in dringende gevallen noodzakelijk is, kan het namens de raad van bestuur voorlopige besluiten nemen, ook over de opschorting van de delegatie van de bevoegdheden van het tot aanstelling bevoegde gezag, overeenkomstig de in artikel 12, leden 7 bis en 7 ter, bedoelde voorwaarden, en over begrotingskwesties.

4.   Het dagelijks bestuur bestaat uit de voorzitter en de vicevoorzitter van de raad van bestuur, twee andere overeenkomstig artikel 12, lid 5, door de raad van bestuur gekozen leden van de raad van bestuur, en een van de vertegenwoordigers van de Commissie in de raad van bestuur.

De door de Raad van Europa in de raad van bestuur aangewezen persoon kan aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur deelnemen.

5.   Het dagelijks bestuur wordt bijeengeroepen door de voorzitter. Het kan ook worden bijeengeroepen op verzoek van een van zijn leden. Het stelt zijn besluiten vast bij meerderheid van zijn aanwezige leden. De door de Raad van Europa aangewezen persoon kan deelnemen aan stemmingen over zaken die verband houden met de besluiten ten aanzien waarvan die persoon overeenkomstig artikel 12, lid 8, stemrecht heeft in de raad van bestuur.

6.   De directeur neemt zonder stemrecht deel aan de vergaderingen van het dagelijks bestuur.”.

13)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

“1.   Het wetenschappelijke comité bestaat uit elf onafhankelijke personen die hooggekwalificeerd zijn op het gebied van de grondrechten en over adequate competenties op het gebied van wetenschappelijke kwaliteit en onderzoeksmethoden beschikken. De raad van bestuur wijst de elf leden aan en keurt een in volgorde van verdienste opgestelde reservelijst goed na een transparante sollicitatie- en selectieprocedure en na raadpleging van de bevoegde commissie van het Europees Parlement. De raad van bestuur ziet toe op een evenwichtige geografische vertegenwoordiging en streeft naar een gelijke vertegenwoordiging van vrouwen en mannen in het wetenschappelijk comité. De leden van de raad van bestuur zijn geen lid van het wetenschappelijk comité. De nadere voorwaarden voor benoeming in het wetenschappelijk comité worden bepaald in het huishoudelijk reglement bedoeld in artikel 12, lid 6, punt g).”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

“3.   De leden van het wetenschappelijk comité zijn onafhankelijk. Zij kunnen alleen worden vervangen op eigen verzoek, of indien zij blijvend verhinderd zijn hun taken te vervullen. Indien een lid echter niet meer voldoet aan het criterium van onafhankelijkheid, neemt het onverwijld ontslag en brengt het de Commissie en de directeur daarvan op de hoogte. Anderzijds kan de raad van bestuur op voorstel van een derde van zijn leden of van de Commissie het gebrek aan onafhankelijkheid constateren en de benoeming van de betrokkene herroepen. De raad van bestuur wijst de als eerste op de reservelijst gerangschikte beschikbare persoon aan voor de resterende duur van de ambtstermijn. Indien de resterende duur van de ambtstermijn minder dan twee jaar bedraagt, kan de ambtstermijn van het nieuwe lid tot een volledige termijn van vijf jaar worden verlengd. De lijst van de leden van het wetenschappelijk comité wordt door het Bureau gepubliceerd en bijgewerkt op zijn website.”;

c)

in lid 5 wordt de volgende alinea toegevoegd:

“Het wetenschappelijk comité adviseert met name de directeur en het Bureau over de bij de werkzaamheden van het Bureau toegepaste wetenschappelijke onderzoeksmethode.”.

14)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

“3.   De ambtstermijn van de directeur bedraagt vijf jaar.

Tijdens de 12 maanden die voorafgaan aan het verstrijken die vijfjarige termijn, voert de Commissie een evaluatie uit ter beoordeling van, met name:

a)

de prestaties van de directeur;

b)

de taken en eisen van het Bureau voor de komende jaren.

De raad van bestuur kan, op voorstel van de Commissie en met inachtneming van de evaluatie de ambtstermijn van de directeur eenmaal met maximaal vijf jaar verlengen.

De raad van bestuur stelt het Europees Parlement en de Raad in kennis van zijn voornemen om de ambtstermijn van de directeur te verlengen. Binnen een maand voordat de raad van bestuur formeel tot verlenging van de ambtstermijn besluit, kan de directeur verzocht worden een verklaring af te leggen voor de bevoegde commissie van het Europees Parlement en de vragen van haar leden te beantwoorden.

Indien diens ambtstermijn niet wordt verlengd, blijft de directeur in dienst totdat er een opvolger is aangewezen.

4.   De directeur is verantwoordelijk voor:

a)

de uitvoering van de in artikel 4 omschreven taken en met name de voorbereiding en de publicatie van de documenten die worden opgesteld overeenkomstig artikel 4, lid 1, punten a) tot en met h), in samenwerking met het wetenschappelijk comité;

b)

de voorbereiding en uitvoering van het in artikel 5 bis bedoeld programmeringsdocument van het Bureau;

c)

alle aangelegenheden die verband houden met het dagelijks beheer;

d)

de uitvoering van de besluiten van de raad van bestuur;

e)

de uitvoering van de begroting van het Bureau, overeenkomstig artikel 21;

f)

de uitvoering van doeltreffende monitoring- en evaluatieprocedures voor de prestaties van het Bureau in vergelijking met zijn doelstellingen, overeenkomstig beroepsmatig erkende normen en prestatie-indicatoren;

g)

de opstelling van een actieplan voor de opvolging van de conclusies van evaluaties achteraf van de prestaties van programma’s of activiteiten die aanzienlijke uitgaven met zich meebrengen, overeenkomstig artikel 29 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715;

h)

de jaarlijks verslaglegging aan de raad van bestuur over de resultaten van het monitoring- en evaluatiesysteem;

i)

de opstelling van een fraudebestrijdingsstrategie voor het Bureau en het ter goedkeuring ervan voorleggen aan het dagelijks bestuur;

j)

de opstelling van een actieplan voor de opvolging van de conclusies van interne of externe auditverslagen en evaluaties, alsook van onderzoeken van OLAF, en het uitbrengen van verslag over de geboekte vooruitgang aan de Commissie en de raad van bestuur;

k)

de samenwerking met de nationale verbindingsfunctionarissen; en

l)

de samenwerking met het maatschappelijke middenveld, inclusief de coördinatie van het platform voor de grondrechten overeenkomstig artikel 10.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   In geval van wangedrag, onbevredigende prestaties of aanhoudende of ernstige onregelmatigheden kan de directeur vóór het verstrijken van zijn ambtstermijn worden ontslagen bij besluit van de raad van bestuur, op basis van een voorstel van twee derde van zijn leden of van de Commissie.”.

15)

In artikel 17 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Tegen beslissingen van het Bureau uit hoofde van artikel 8 van Verordening (EG) nr. 1049/2001 kan klacht worden ingediend bij de ombudsman of beroep worden ingesteld bij het Hof van Justitie van de Europese Unie (“het Hof van Justitie”), zoals bepaald in artikel 228 respectievelijk 263 VWEU.”.

16)

Artikel 19 wordt vervangen door:

“Artikel 19

Toetsing door de Ombudsman

De activiteiten van het Bureau staan onder het toezicht van de Ombudsman, overeenkomstig artikel 228 VWEU.”.

17)

Artikel 20 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 3, wordt de eerste alinea vervangen door:

“3.   De ontvangsten van het Bureau omvatten, afgezien van andere middelen, een in de algemene begroting van de Unie (afdeling Commissie) opgenomen subsidie van de Unie.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

“7.   Op basis van deze raming neemt de Commissie de geraamde bedragen die zij nodig acht met betrekking tot de personeelsformatie en het bedrag van de subsidie ten laste van de algemene begroting op in het voorontwerp van algemene begroting van de Europese Unie, dat zij overeenkomstig artikel 314 VWEU voorlegt aan de begrotingsautoriteit.”.

18)

Artikel 24 wordt vervangen door:

“Artikel 24

Personeel

1.   Het Statuut en de Regeling en de regels die de instellingen van de Unie gezamenlijk hebben vastgesteld met het oog op de toepassing van het Statuut en de Regeling, zijn van toepassing op het personeel en op de directeur van het Bureau.

2.   De raad van bestuur kan bepalingen vaststellen waardoor uit de lidstaten gedetacheerde nationale deskundigen voor het Bureau kunnen werken.”.

19)

Artikel 26 wordt vervangen door:

“Artikel 26

Voorrechten en immuniteiten

Protocol nr. 7 betreffende de voorrechten en immuniteiten van de Europese Unie, dat aan het VEU en het VWEU is gehecht, is op het Bureau van toepassing.”.

(20)

In artikel 27 wordt lid 3 vervangen door:

“3.   Het Hof van Justitie is bevoegd uitspraak te doen in gevallen waarin overeenkomstig artikelen 263 en 265 VWEU beroep is ingesteld tegen het Bureau.”.

21)

In artikel 28 worden de leden 2 en 3 vervangen door:

“2.   De in de lid 1 bedoelde deelname en de relevante uitvoeringsbepalingen worden vastgesteld in een besluit van de betrokken Associatieraad, rekening houdend met de specifieke status van elk land. In het besluit worden met name de aard, de omvang en de wijze van deelname van deze landen aan de werkzaamheden van het Bureau als uiteengezet in de artikelen 4 en 5, vermeld, met inbegrip van bepalingen met betrekking tot de deelname aan de door het Bureau ontplooide initiatieven, de financiële bijdragen en het personeel. Het besluit is conform deze verordening en met het Statuut en de Regeling. In het besluit wordt bepaald dat het deelnemende land een onafhankelijk persoon die aan de kwalificaties voor personen in de zin van artikel 12, lid 1, punt a), voldoet kan aanwijzen als waarnemer zonder stemrecht in de raad van bestuur. Bij besluit van de Associatieraad kan het Bureau zich bezighouden met onder artikel 3, lid 1, vallende grondrechtenvraagstukken in het betrokken land, voor zover dat nodig is voor de geleidelijke aanpassing van het betrokken land aan het Unierecht.

3.   De Raad kan met eenparigheid van stemmen op voorstel van de Commissie besluiten een land waarmee door de Unie een stabilisatie- en associatieovereenkomst is gesloten, ertoe uit te nodigen als waarnemer aan het Bureau deel te nemen. Indien de Raad dat doet is lid 2 dienovereenkomstig van toepassing.”.

22)

Artikel 29 wordt geschrapt.

23)

Artikel 30 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

Evaluatie en toetsing”;

b)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

“3.   Uiterlijk op 28 april 2027 en vervolgens om de vijf jaar geeft de Commissie opdracht tot een evaluatie van met name het effect, de doeltreffendheid en de doelmatigheid van het Bureau en zijn werkwijze. In de evaluatie wordt rekening gehouden met de standpunten van de raad van bestuur en andere belanghebbenden op zowel Unie- als nationaal niveau.

4.   Bij elke tweede evaluatie moeten bovendien de door het Bureau bereikte resultaten worden getoetst aan zijn doelstellingen, mandaat en taken. De in lid 3 bedoelde evaluatie kan zich met name op de vraag richten of het noodzakelijk is het mandaat van het Bureau te wijzigen, en op de financiële implicaties van een dergelijke wijziging.

5.   De Commissie legt de conclusies van de in lid 3 bedoelde evaluatie voor aan de raad van bestuur. De raad van bestuur bestudeert de conclusies van de evaluatie en doet de Commissie in voorkomend geval aanbevelingen voor veranderingen in het Bureau, zijn werkmethoden en zijn opdracht.

6.   De Commissie brengt bij het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de bevindingen van de in lid 3 bedoelde evaluatie en de in lid 5 bedoelde aanbevelingen van de raad van bestuur. De bevindingen van die evaluatie en die aanbevelingen worden openbaar gemaakt.”.

24)

Artikel 31 wordt geschrapt.

Artikel 2

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Luxemburg, 5 april 2022.

Voor de Raad

De voorzitter

B. LE MAIRE


(1)  Goedkeuring van 6 juli 2021 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EG) nr. 168/2007 van 15 februari 2007 tot oprichting van een Bureau van de Europese Unie voor de grondrechten (PB L 53 van 22.2.2007, blz. 1).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1271/2013 van de Commissie van 30 september 2013 houdende de financiële kaderregeling van de organen, bedoeld in artikel 208 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 328 van 7.12.2013, blz. 42).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/715 van de Commissie van 18 december 2018 houdende de financiële kaderregeling van de bij het VWEU en het Euratom-Verdrag opgerichte organen, bedoeld in artikel 70 van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 122 van 10.5.2019, blz. 1).


Top