EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32022D0591

Besluit (EU) 2022/591 van het Europees Parlement en de Raad van 6 april 2022 betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030

PE/83/2021/REV/1

OJ L 114, 12.4.2022, p. 22–36 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2022/591/oj

12.4.2022   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 114/22


BESLUIT (EU) 2022/591 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 6 april 2022

betreffende een algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2030

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overeenkomstig artikel 192, lid 3, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) hebben algemene milieuactieprogramma’s al sinds 1973 de ontwikkeling en coördinatie van het milieubeleid van de Unie gestuurd en het kader voor milieu- en klimaatmaatregelen op Unieniveau gevormd.

(2)

Bij Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (4) is het zevende milieuactieprogramma (“7e MAP”) vastgesteld. Het 7e MAP bevat de milieuagenda van de Unie voor de periode tot en met 31 december 2020 en een langetermijnvisie voor 2050.

(3)

In haar verslag van 15 mei 2019 over de evaluatie van het 7e MAP heeft de Commissie geconcludeerd dat de in het 7e MAP neergelegde visie voor 2050 en de prioritaire doelstellingen nog steeds relevant zijn, dat het 7e MAP er mee heeft toe geleid dat maatregelen op het gebied van milieubeleid voorspelbaarder, sneller en beter gecoördineerd zijn, en dat de structuur en het ondersteunend kader van het 7e MAP synergieën mogelijk hebben gemaakt, waardoor het milieubeleid doeltreffender en doelmatiger is geworden. Bovendien heeft de Commissie geconcludeerd dat het 7e MAP vooruitliep op de Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties (“VN-Agenda 2030”) door te onderstrepen dat economische groei en sociaal welzijn afhangen van voldoende natuurlijke hulpbronnen, en dat het 7e MAP de verwezenlijking van de doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling (SDG’s) heeft bevorderd en de Unie ook in staat heeft gesteld om op het wereldtoneel in klimaat- en milieukwesties eensgezind op te treden, maar dat er onvoldoende vooruitgang is geboekt op het gebied van natuurbescherming, gezondheid en integratie van milieuaspecten in andere beleidsterreinen. In haar verslag heeft de Commissie ook geconcludeerd dat er in het 7e MAP meer aandacht besteed had kunnen worden aan sociale kwesties door voort te bouwen op de bestaande banden tussen milieu- en sociaal beleid, bijvoorbeeld wat betreft de gevolgen voor kwetsbare groepen, de werkgelegenheid, sociale inclusie en ongelijkheid. In haar verslag kwam de Commissie bovendien tot de conclusie dat de uitgaven voor de bescherming van het milieu in Europa, ondanks de steeds ambitieuzere milieudoelstellingen op talloze beleidsterreinen, al jarenlang constant zijn gebleven (ongeveer 2 % van het bbp), en dat het niet uitvoeren van milieuwetgeving de economie van de Unie jaarlijks circa 55 miljard EUR kost aan gezondheidskosten en rechtstreekse milieukosten. In het verslag van de Commissie werd opgemerkt dat de uitvoering van het 7e MAP ondersteund had kunnen worden met een beter monitoringmechanisme.

(4)

Volgens het verslag van het Europees Milieuagentschap (European Environment Agency — EEA) “Het milieu in Europa — stand van zaken en vooruitzichten 2020 — Kennis voor de overgang naar een duurzaam Europa” (“SOER 2020”) biedt het komende decennium een unieke kans voor de Unie om mondiaal leiderschap te tonen op het gebied van duurzaamheid door het hoofd te bieden aan de dringende duurzaamheidsuitdagingen die structurele oplossingen vereisen. Structurele verandering is een fundamentele, transformatieve en horizontale vorm van verandering die vraagt om ingrijpende verschuivingen en heroriëntering van systeemdoelen, stimulansen, technologieën, sociale gebruiken en normen, kennissystemen en bestuurlijke benaderingen. Zoals vermeld in SOER 2020 is een van de belangrijkste oorzaken van de aanhoudende milieu- en duurzaamheidsuitdagingen in Europa dat die onlosmakelijk verbonden zijn met de economische activiteiten en leefgewoonten, met name waar het de maatschappelijke systemen betreft die voorzien in de behoeften van de Europeanen op het gebied van bijvoorbeeld voedsel, energie en mobiliteit. Het waarborgen van beleidscoherentie met en de volledige uitvoering van bestaand milieubeleid zou Europa een eind op weg helpen bij het verwezenlijken van zijn milieudoelstellingen voor 2030 en van de VN-Agenda 2030 en de bijbehorende SDG’s.

(5)

Zoals uiteengezet in de mededeling van de Commissie van 11 december 2019, getiteld “De Europese Green Deal”, heeft de Commissie op de in SOER 2020 vastgestelde uitdagingen gereageerd met een nieuwe groeistrategie voor de groene en de digitale transitie die erop gericht is de Unie om te vormen tot een eerlijke en welvarende samenleving met een duurzame, concurrerende, klimaatneutrale en hulpbronnenefficiënte economie, en het natuurlijk kapitaal van de Unie te beschermen, in stand te houden en te vergroten en tegelijkertijd de levenskwaliteit van de huidige en toekomstige generaties te verbeteren. Er moet prioriteit worden gegeven aan het snel bereiken van de klimaat- en milieudoelstellingen, waarbij de gezondheid en het welzijn van de burgers worden beschermd tegen milieugerelateerde risico’s en effecten en wordt toegezien op een rechtvaardige en inclusieve transitie. Bij Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad (5) wordt de doelstelling van de Unie om uiterlijk in 2050 klimaatneutraliteit te bereiken, vastgelegd in wetgeving.

(6)

In haar resolutie van 28 november 2019 over de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu heeft het Europees Parlement benadrukt dat onmiddellijke en ambitieuze maatregelen cruciaal zijn, en spoorde het de Commissie aan om maatregelen te nemen, onder meer door te waarborgen dat alle relevante toekomstige wetgevings- en begrotingsvoorstellen volledig zijn afgestemd op de doelstelling om de opwarming van de aarde tot onder 1,5 °C te houden en dat ze niet bijdragen aan het biodiversiteitsverlies, en door de inconsistenties in het huidige Uniebeleid ten aanzien van de noodsituatie op het gebied van klimaat en milieu aan te pakken, met name in de vorm van ingrijpende hervormingen van het landbouw-, handels-, vervoers-, energie- en infrastructuurinvesteringsbeleid.

(7)

De Europese Green Deal ondersteunt NextGenerationEU, het herstelplan van de Unie dat investeringen bevordert in sectoren die belangrijk zijn voor de groene en de digitale transitie om veerkracht op te bouwen en groei en banen tot stand te brengen in een eerlijke en inclusieve maatschappij. De herstel- en veerkrachtfaciliteit, die samen met de begroting van de Unie voor 2021-2027 de economie van de Unie na de COVID-19-crisis er weer bovenop zal helpen, is ook gebaseerd op de prioritaire doelstellingen van de Europese Green Deal. Daarnaast moeten alle initiatieven in het kader van NextGenerationEU waar toepasselijk in overeenstemming zijn met het beginsel “geen ernstige afbreuk doen”, zoals uiteengezet in artikel 17 van Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad (6) (de “taxonomieverordening”). NextGenerationEU biedt een belangrijke kans om het tempo van transitie naar klimaatneutraliteit en de bescherming van het milieu te verhogen.

(8)

Het 7e MAP is afgelopen op 31 december 2020 en artikel 4, lid 3, daarvan bepaalde dat de Commissie indien nodig tijdig een voorstel moest indienen voor een achtste milieuactieprogramma (“8e MAP”), om een onderbreking tussen het 7e en het 8e MAP te voorkomen. In haar mededeling over de Europese Green Deal heeft de Commissie aangekondigd dat het 8e MAP een nieuw monitoringmechanisme zou omvatten om te waarborgen dat de Unie op schema blijft bij het halen van haar milieudoelstellingen.

(9)

Overeenkomstig artikel 192, lid 3, VWEU stelt het 8e MAP de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen vast. De voor de uitvoering van het 8e MAP vereiste maatregelen moeten worden vastgesteld uit hoofde van artikel 192, lid 1 of 2, VWEU.

(10)

In het kader van de maatregelen ter uitvoering van het 8e MAP, zoals initiatieven, programma’s, investeringen, projecten en overeenkomsten, moet rekening worden gehouden met het in artikel 17 van de taxonomieverordening vastgestelde beginsel “geen ernstige afbreuk doen”.

(11)

Het 8e MAP moet de doelstellingen van de Europese Green Deal ondersteunen in overeenstemming met de langetermijndoelstelling “goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” tegen uiterlijk 2050, in overeenstemming met wat reeds is vastgesteld in het 7e MAP. Het 8e MAP als het algemene milieuactieprogramma voor de Unie dat tot 2030 loopt, gaat verder dan de Europese Green Deal. De prioritaire doelstellingen van het 8e MAP zetten de bakens uit voor de beleidsvorming van de Unie en bouwen daarbij voort op, maar zijn niet beperkt tot, de verbintenissen van de strategieën en initiatieven in het kader van de Europese Green Deal, zoals de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030, het nieuwe actieplan voor de circulaire economie, de strategie voor duurzame chemische stoffen en het actieplan om vervuiling tot nul terug te brengen.

(12)

De Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (7) (de “Overeenkomst van Parijs”), heeft tot doel de mondiale reactie op de dreiging van klimaatverandering te versterken, onder meer door de stijging van de gemiddelde temperatuur wereldwijd ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden en inspanningen te leveren om de temperatuurstijging te beperken tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau, in het besef dat dat de risico’s en gevolgen van de klimaatverandering aanzienlijk zou verminderen.

(13)

Het 8e MAP vormt de basis voor de verwezenlijking van de uit hoofde van de VN-Agenda 2030 vastgestelde milieu- en klimaatgerelateerde doelstellingen en de bijbehorende SDG’s, en moet worden afgestemd op de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, de Verdragen van Rio en andere relevante internationale overeenkomsten. Het 8e MAP maakt een structurele verandering mogelijk tot een Unie-economie die welzijn waarborgt binnen de grenzen van de planeet, waarin groei regeneratief is, en het moet er ook voor zorgen dat de groene transitie op een rechtvaardige en inclusieve manier wordt verwezenlijkt en bijdraagt tot het terugdringen van ongelijkheden. Volgens een door het Stockholm Resilience Centre ontwikkeld model ondersteunt de verwezenlijking van de milieu- en klimaatgerelateerde SDG’s de sociale en economische SDG’s, aangezien onze samenleving en economie afhankelijk zijn van een gezonde biosfeer, en duurzame ontwikkeling alleen kan plaatsvinden binnen de veilige operationele ruimte van een stabiele en veerkrachtige planeet. Als de Unie mondiaal leider op het gebied van duurzame transitie wil worden, is het van essentieel belang dat zij de SDG’s haalt en ook derde landen daarbij ondersteunt.

(14)

Maatregelen die zijn gericht op het realiseren van de milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie moeten worden uitgevoerd in overeenstemming met de uitvoering van de Europese pijler van sociale rechten.

(15)

Op grond van artikel 191, lid 2, VWEU streeft het milieubeleid van de Unie naar een hoog niveau van bescherming, rekening houdend met de uiteenlopende situaties in de verschillende regio’s van de Unie, en berust haar beleid op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron moeten worden bestreden en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(16)

Het 8e MAP moet op een rechtvaardige en inclusieve manier de groene transitie versnellen naar een klimaatneutrale, duurzame, gifvrije, hulpbronnenefficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde, veerkrachtige en concurrerende circulaire economie waarin meer aan de planeet wordt teruggegeven dan eraan wordt onttrokken. De groene transitie moet plaatsvinden in het kader van een welzijnsgerichte economie waarin groei regeneratief is en die structurele verandering mogelijk maakt, waarin wordt erkend dat het welzijn en de welvaart van onze samenlevingen afhankelijk zijn van een stabiel klimaat, een gezonde omgeving en bloeiende ecosystemen en waarin een veilige operationele ruimte wordt geboden binnen de grenzen van de planeet. Aangezien de wereldbevolking toeneemt en de vraag naar natuurlijke hulpbronnen blijft groeien, moet de economische activiteit zich ontwikkelen op een duurzame manier die geen schade veroorzaakt, maar daarentegen de klimaatverandering ombuigt, de toestand van het milieu beschermt, herstelt en verbetert, onder meer door het verlies aan biodiversiteit tot staan te brengen en om te buigen, de aantasting van het milieu voorkomt, de gezondheid en het welzijn beschermt tegen negatieve milieugerelateerde risico’s en gevolgen, verontreiniging voorkomt en tot een minimum beperkt, en het natuurlijk kapitaal behoudt en verrijkt en een duurzame bio-economie bevordert en bijgevolg zorgt voor een overvloed aan hernieuwbare en niet-hernieuwbare hulpbronnen. Door voortdurend onderzoek en ontwikkeling, transformatie van productie- en consumptiepatronen, en aanpassing aan nieuwe uitdagingen en cocreatie, versterkt de welzijnseconomie de veerkracht en beschermt zij het welzijn van de huidige en toekomstige generaties.

(17)

In het 8e MAP moeten thematische prioritaire doelstellingen worden vastgesteld op het gebied van de matiging van en de aanpassing aan de klimaatverandering, de bescherming en het herstel van de terrestrische en mariene biodiversiteit, een gifvrije circulaire economie, een milieu zonder vervuiling en het tot een minimum beperken van de milieudruk als gevolg van productie en consumptie in alle sectoren van de economie. Die thematische prioritaire doelstellingen, die zowel de oorzaken als gevolgen van milieuaantasting betreffen, zijn inherent met elkaar verbonden. Daarom vergt de verwezenlijking van die doelstellingen een structurele aanpak. Voorts moeten in het 8e MAP voor alle betrokken actoren faciliterende voorwaarden worden vastgesteld om op coherente wijze de langetermijn- en thematische prioritaire doelstellingen te verwezenlijken.

(18)

Bij effectbeoordelingen die worden uitgevoerd in het kader van het 8e MAP moet volledig rekening worden gehouden met alle korte- en langetermijneffecten op het milieu en het klimaat als onderdeel van een geïntegreerde analyse van de economische, sociale en milieueffecten, met inbegrip van de cumulatieve effecten ervan, en met de kosten van zowel optreden als niet-optreden. Die effectbeoordelingen moeten gebaseerd zijn op brede en transparante raadpleging. Binnen acht weken na afsluiting van een openbare raadpleging moet de Commissie gedetailleerde feedback geven op de reacties van belanghebbenden op de raadpleging, waarbij zij onderscheid maakt tussen de bijdragen van verschillende soorten belanghebbenden.

(19)

De transitie naar een welzijnsgerichte economie, waarin groei regeneratief is, is ingebed in het 8e MAP en is verankerd in de prioritaire doelstellingen voor 2030 en in die voor 2050. Om die overgang mogelijk te maken, zal de Unie de beleidsvorming meer holistisch moeten benaderen, onder meer door gebruik te maken van een samenvattend dashboard om de economische, sociale en ecologische vooruitgang niet enkel aan de hand van het bbp te meten. In het kader van de inspanningen van de Unie om de VN-Agenda 2030 uit te voeren, zou een beknopte reeks indicatoren worden opgesteld waarmee de bestaande indicatorsystemen en monitoringprocessen worden samengevat, waarmee indien mogelijk ook informatie wordt verstrekt over de afstand tot de doelstellingen en die uiteindelijk als politieke synthese de beleidsvorming kan helpen sturen. De ontwikkeling van zo’n reeks indicatoren is daarom als faciliterende voorwaarde opgenomen in het 8e MAP.

(20)

Uit het Milieuprogramma van de VN en het Wereldwijd Milieuforum van de OESO is naar voren gekomen dat ecologische veranderingen genderspecifieke gevolgen hebben. Genderspecifieke rollen zorgen er eveneens voor dat vrouwen en mannen in verschillende mate kwetsbaar zijn voor de gevolgen van de klimaatverandering. De gevolgen van de klimaatverandering vergroten genderongelijkheid. Om een eind te maken aan genderongelijkheid, moet het genderperspectief dan ook worden geïntegreerd in de maatregelen en doelen die verband houden met het bereiken van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP.

(21)

Artikel 35 van Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad (8) bepaalt dat het verslag over de stand van de energie-unie onder meer een element van de vooruitgang van de lidstaten moet behelzen met betrekking tot de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen. Artikel 17 van die verordening bepaalt dat de Commissie, met de bijstand van het Comité voor de energie-unie, uitvoeringshandelingen moet vaststellen, met inbegrip van een methode voor de rapportage over de geleidelijke afbouw van energiesubsidies, in het bijzonder voor fossiele brandstoffen. Daarnaast zal de Commissie de lidstaten op basis van de resultaten van een lopende studie ondersteunen bij de geleidelijke afschaffing van andere milieuonvriendelijke subsidies.

(22)

Om aan de behoeften van de EU-biodiversiteitsstrategie voor 2030 te voldoen, met inbegrip van investeringsprioriteiten voor Natura 2000 en groene infrastructuur, moet volgens de inschatting van de Commissie ten minste 20 miljard EUR per jaar worden vrijgemaakt om aan de natuur te besteden. Daarvoor zullen particuliere en publieke middelen op nationaal niveau en op Unieniveau moeten worden vrijgemaakt, onder meer via verschillende programma’s.

(23)

Overeenkomstig de mededeling van de Commissie van 14 oktober 2020 met als titel “Strategie voor duurzame chemische stoffen — Op weg naar een gifvrij milieu” moet het 8e MAP de inspanningen van de Unie ondersteunen om het goed beheer van chemische stoffen te bevorderen door middel van internationale samenwerking en partnerschappen in bilaterale, regionale en multilaterale fora en in samenwerking met derde landen. De Unie zal er overeenkomstig haar internationale verbintenissen voor zorgen dat gevaarlijke chemische stoffen die in de Unie verboden zijn, niet voor uitvoer worden geproduceerd, onder meer door zo nodig de desbetreffende wetgeving te wijzigen.

(24)

Zowel in de Unie als wereldwijd worden land en bodem nog steeds aangetast door een breed scala aan menselijke activiteiten, zoals slecht landbeheer, verandering in landgebruik, niet-duurzame landbouwpraktijken, buitengebruikstelling van grond, verontreiniging, niet-duurzame bosbouwpraktijken, bodemafdekking, verlies aan biodiversiteit en klimaatverandering, vaak in combinatie met andere factoren, waardoor de capaciteit van land en bodem om ecosysteemdiensten en -functies te leveren, wordt beperkt.

(25)

Het mondiale voedselsysteem, met inbegrip van landbouw, visserij en aquacultuur, geldt nog altijd als een van de voornaamste oorzaken van de klimaatverandering en de aantasting van het milieu, met inbegrip van de mondiale ontbossing. De Unie moet haar voedselsysteem omvormen om de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP te waarborgen.

(26)

Volgens het door het intergouvernementeel wetenschapsbeleidplatform inzake biodiversiteit en ecosystemen (IPBES) op 29 oktober 2020 uitgebrachte verslag van de workshop over biodiversiteit en pandemieën zijn de mondiale ecologische veranderingen die ten grondslag liggen aan pandemieën, ook de onderliggende oorzaak van biodiversiteitsverlies en de klimaatverandering, zoals veranderingen in landgebruik, de uitbreiding en intensivering van landbouw en de handel in en consumptie van wilde dieren en andere factoren. De klimaatverandering speelt een rol bij de uitbraak van nieuwe ziekten en brengt waarschijnlijk een aanzienlijk risico op toekomstige pandemieën met zich mee, terwijl biodiversiteitsverlies ook samenhangt met de transformatie van landschappen en in sommige gevallen kan leiden tot een grotere kans op het ontstaan van ziekten. Volgens het verslag zijn de kosten van niet-optreden aanzienlijk hoger dan de kosten van het invoeren van mondiale strategieën ter voorkoming van pandemieën die gebaseerd zijn op het terugdringen van de handel in wilde dieren en veranderingen in landgebruik en het opvoeren van de “één gezondheid”-surveillance.

(27)

Uit de COVID-19-pandemie, die tot een ongekende wereldwijde crisis in de gezondheidszorg en de economie heeft geleid, is eens te meer gebleken hoe belangrijk het is om in de beleidsvorming de multisectorale “één gezondheid”-benadering aan te houden, waarin er rekening mee gehouden wordt dat de menselijke gezondheid afhankelijk is van de toestand van het milieu en verband houdt met de componenten en factoren daarvan, waaronder diergezondheid, en dat de complexe relatie tussen gezondheid en milieu moet worden meegenomen bij maatregelen om gezondheidsbedreigingen aan te pakken. Het 8e MAP moet bijdragen tot de volledige integratie van de “één gezondheid”-benadering op alle beleidsvormingsniveaus.

(28)

Vooruitgang boeken met de erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu, zoals uiteengezet in resolutie 48/13 van de Mensenrechtenraad van de Verenigde Naties, is een faciliterende voorwaarde voor de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP.

(29)

De term “op ecosystemen gebaseerde benadering” wordt in het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit omschreven als een strategie voor het integrale beheer van land, water en levende rijkdommen die de instandhouding en het duurzaam gebruik op een billijke manier bevordert teneinde een evenwicht te bereiken tussen de drie doelstellingen van dat verdrag, namelijk de instandhouding, het duurzaam gebruik en de verdeling van voordelen van biologische diversiteit.

(30)

Volgens het EEA-verslag “Nature-based solutions in Europe: Policy, knowledge and practice for climate change adaptation and disaster risk reduction” zijn op de natuur gebaseerde oplossingen voor aanpassing aan de klimaatverandering en de beperking van het risico op rampen maatregelen die hand in hand gaan met de natuur en die versterken, met als doel om ecosystemen te herstellen en te beschermen, de samenleving te ondersteunen bij de aanpassing aan de gevolgen van de klimaatverandering en verdere opwarming te vertragen, waarbij zij meerdere aanvullende voordelen opleveren. De uitvoering van op de natuur gebaseerde oplossingen moet in overeenstemming zijn met de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP.

(31)

De boekhouding van natuurlijk kapitaal — een instrument dat ertoe strekt de veranderingen in het natuurlijk kapitaal op verschillende schalen te meten en de waarde van ecosysteemdiensten te integreren in administratieve en verslagleggingssystemen — moet de meting ondersteunen van de vooruitgang in de richting van ambitieuze doelstellingen en maatregelen om de broeikasgasemissies te verminderen en de biodiversiteit te beschermen en te herstellen, maar kan die doelstellingen en maatregelen niet vervangen.

(32)

Mariene en kustecosystemen zoals mangroven, koraalriffen, kwelders en zeegrasvelden worden aangetast door en ondervinden negatieve gevolgen van schadelijke praktijken, vervuiling en processen zoals eutrofiëring en verzuring, wat negatieve gevolgen heeft voor de biodiversiteit die zij ondersteunen, hun ecosysteemdiensten en -functies en hun mogelijke werking als koolstofput. Er moeten dringend maatregelen worden getroffen om de mariene en kustecosystemen, met inbegrip van de oceaanbodem, te beschermen en te herstellen. De bescherming en het behoud van de oceanen is een mondiale uitdaging en een collectieve verantwoordelijkheid, en er is behoefte aan meer bewustzijn en verbetering van de kennis over de oceanen om de vaststelling en uitvoering van doeltreffende maatregelen op alle maatschappelijke niveaus en door alle actoren in de samenleving te bevorderen.

(33)

De aantasting van het milieu en de nadelige effecten van de klimaatverandering zullen de komende jaren naar verwachting verder toenemen en ontwikkelingslanden en kwetsbare bevolkingsgroepen het hardst treffen. Om derde landen te helpen veerkracht op te bouwen en ze te ondersteunen in hun inspanningen om de klimaatverandering te matigen en zich eraan aan te passen en om de biodiversiteit te beschermen, moet financiële bijstand van de Unie en de lidstaten aan derde landen bijdragen tot de VN-Agenda 2030, de Overeenkomst van Parijs en het mondiaal kader voor na 2020 van het VN-Verdrag inzake biologische diversiteit, en moet zij in overeenstemming zijn met de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP. Ook moeten de Unie en de lidstaten erop toezien dat de Overeenkomst van Parijs en andere internationale klimaat- en milieuovereenkomsten worden uitgevoerd op een manier die in overeenstemming is met de beginselen van billijkheid en van gezamenlijke, doch verschillende, verantwoordelijkheden en onderscheiden mogelijkheden, zoals vastgelegd in artikel 2, lid 2, van de Overeenkomst van Parijs.

(34)

Groene diplomatie en nauwere samenwerking met derde landen, met inbegrip van ontwikkelingslanden, en ondersteuning van goede wereldwijde milieugovernance, ook via de bevordering van toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden, zijn essentieel om de SDG’s en de milieu- en klimaatdoelstellingen van de Unie te verwezenlijken. Het waarborgen van synergieën en coherentie tussen al het interne en externe beleid van de Unie, met inbegrip van het handelsbeleid en handelsovereenkomsten, evenals de toepassing van beleidscoherentie voor duurzame ontwikkeling, zijn eveneens essentieel.

(35)

Aangezien het milieubeleid sterk gedecentraliseerd is, moeten maatregelen ter verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP op verschillende bestuursniveaus worden genomen, d.w.z. op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau, met een op samenwerking gebaseerde aanpak van bestuur op verschillende niveaus. Efficiënt toezicht, uitvoering, handhaving en verantwoordingsplicht zijn essentieel, en er moet sprake zijn van een doeltreffend bestuur om de samenhang tussen de verschillende beleidsmaatregelen te waarborgen. De geïntegreerde aanpak van beleidsontwikkeling en -uitvoering moet worden versterkt om de synergieën tussen milieu-, sociale en economische doelstellingen te maximaliseren door de mogelijke wisselwerkingen in dat kader systematisch te screenen en, waar passend, te beoordelen en de behoeften van kwetsbare en gemarginaliseerde groepen structureel te evalueren. Die geïntegreerde aanpak moet tegemoetkomen aan de specifieke behoeften van alle regio’s, met inbegrip van zowel stedelijke en plattelandsgebieden als ultraperifere gebieden. Bovendien zijn toegang tot milieugerelateerde informatie, inspraak bij besluitvorming op het gebied van milieuaangelegenheden en toegang tot de rechter, met inbegrip van transparant overleg met en tussen overheidsinstanties op alle besluitvormingsniveaus, niet-gouvernementele actoren en het brede publiek overeenkomstig het Verdrag betreffende toegang tot informatie, inspraak bij besluitvorming en toegang tot de rechter inzake milieuaangelegenheden (9) (het “Verdrag van Aarhus”), van belang om te zorgen voor het welslagen van het 8e MAP.

(36)

De Commissie moet de vooruitgang van de Unie en de lidstaten bij de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP beoordelen in de context van de rechtvaardige en inclusieve transitie naar duurzaamheid, welzijn en veerkracht binnen de grenzen van de planeet. Dat is in overeenstemming met de oproepen van de staatshoofden en regeringsleiders van de lidstaten in de Verklaring van Porto, van de Raad in haar conclusies van 24 oktober 2019 over de economie van het welzijn, en van het Europees Economisch en Sociaal Comité in zijn discussienota “Naar een duurzaam Europa in 2030”, om de economische prestaties en de maatschappelijke vooruitgang niet alleen aan de hand van het bbp te meten en over te schakelen op het gebruik van welzijn als beleidskompas, wat ook wordt ondersteund door de OESO.

(37)

Bij de beoordeling van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP moet rekening worden gehouden met de recentste ontwikkelingen op het gebied van de beschikbaarheid en relevantie van gegevens en indicatoren. De beoordeling moet in overeenstemming zijn met en mag geen afbreuk doen aan monitoring- of governance-instrumenten die betrekking hebben op specifiekere aspecten van het milieu- en klimaatbeleid, zoals met name Verordening (EU) 2018/1999, de evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid, aangekondigd door de Commissie in haar mededeling van 27 mei 2016 getiteld “Voordeel halen uit het milieubeleid van de EU door een regelmatige evaluatie van de tenuitvoerlegging van het milieubeleid” en monitoringinstrumenten met betrekking tot een circulaire economie, het tot nul terugbrengen van vervuiling, biodiversiteit, lucht, water, bodem, afvalstoffen of ander milieubeleid. Samen met instrumenten die in het kader van het Europees Semester worden gebruikt, het SDG-monitoringverslag van Eurostat en de mededeling van de Commissie van 9 september 2020 getiteld “Verslag inzake strategische prognoses 2020”, moet de beoordeling van de vooruitgang bij de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP deel uitmaken van een transversale samenhangende en onderling verbonden reeks monitoring- en governance-instrumenten, die niet alleen milieufactoren, maar ook sociale en economische factoren bestrijken.

(38)

Verdere ontwikkeling van de kennisbasis over de grenzen van de planeet en de ecologische voetafdruk, en de ontwikkeling van relevante indicatorreeksen, zijn belangrijk met het oog op de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP, met name de prioritaire doelstelling voor de lange termijn.

(39)

Er is behoefte aan robuuste en zinvolle gegevens en indicatoren om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP te volgen. De Commissie, het EEA en andere relevante agentschappen moeten toegang hebben tot de door de lidstaten in overeenstemming met de toepasselijke rechtshandelingen van de Unie verstrekte gegevens en indicatoren, die kunnen gebruiken en erop voortbouwen. Daarnaast moet worden gebruikgemaakt van andere gegevensbronnen, zoals satellietgegevens en verwerkte informatie afkomstig van het aardobservatieprogramma van de Unie (Copernicus), het Europees Bosbrandinformatiesysteem, het Biodiversiteitsinformatiesysteem voor Europa, het landbouwpercelenidentificatiesysteem en het Europees waarschuwingssysteem voor overstromingen, en gegevensplatforms zoals het Europees marien observatie- en datanetwerk en het Informatieplatform voor chemische monitoring. Dankzij de toepassing van moderne digitale instrumenten en kunstmatige intelligentie kunnen de gegevens op doeltreffende wijze worden beheerd en geanalyseerd en worden de administratieve lasten aldus verminderd terwijl de tijdigheid en kwaliteit worden vergroot. Om de vooruitgang bij de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP te beoordelen, kunnen in aanvulling op de in het Unierecht vastgestelde wettelijk bindende streefcijfers, streefcijfers worden gebruikt die niet wettelijk bindend zijn.

(40)

Voorts moeten de lidstaten overeenkomstig de vereisten van de Richtlijnen 2003/4/EG (10), 2007/2/EG (11) en (EU) 2019/1024 (12) van het Europees Parlement en de Raad ervoor zorgen dat de relevante gegevens, informatie en indicatoren voor het toezicht op de uitvoering van het 8e MAP vrij beschikbaar, niet-discriminerend, vrij toegankelijk, passend, van hoge kwaliteit, vergelijkbaar, actueel, gebruikersvriendelijk en eenvoudig online beschikbaar zijn.

(41)

Om de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP te verwezenlijken, moeten het EEA en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), evenals de lidstaten, worden uitgerust met passende capaciteit en voldoende middelen zodat zij een degelijke, toegankelijke en transparante kennis- en wetenschappelijke basis kunnen bieden ter ondersteuning van de uitvoering van de strategische prioriteiten van de Europese Green Deal en de beoordeling van de vooruitgang in het kader van het 8e MAP. Waar relevant, moeten andere organen en agentschappen daarbij worden betrokken en een bijdrage leveren aan de uitvoering van die strategische prioriteiten en aan die beoordeling van de vooruitgang.

(42)

In artikel 192, lid 3, eerste alinea, VWEU is bepaald dat het Europees Parlement en de Raad volgens de gewone wetgevingsprocedure algemene actieprogramma’s vaststellen waarin de te verwezenlijken prioritaire doelstellingen op het gebied van het milieubeleid van de Unie worden vastgelegd. Aangezien de mededeling van de Commissie over de Europese Green Deal een routekaart omvat met de belangrijkste acties die de komende jaren relevant zijn op het gebied van milieu en klimaat, worden in dit besluit uitzonderlijk geen acties bepaald ter verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen voor de periode tot en met 2025. Er zullen echter wel acties moeten worden bepaald voor de periode na de uitvoering van de belangrijkste acties in het kader van de Europese Green Deal, die naar verwachting tegen 2024 zullen plaatsvinden, om ervoor te zorgen dat de in dit besluit vastgestelde thematische prioritaire doelstellingen kunnen worden verwezenlijkt en dat in het 8e MAP nog steeds de overkoepelende visie van het milieubeleid van de Unie wordt bepaald. Dat is ook noodzakelijk om de prerogatieven van het Europees Parlement en de Raad op grond van artikel 192, lid 3, eerste alinea, VWEU te eerbiedigen, onverminderd de prerogatieven van de Commissie op grond van artikel 17 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Daartoe moet de Commissie uiterlijk op 31 maart 2024 een tussentijdse evaluatie uitvoeren, waar passend geval uiterlijk op 31 maart 2025 gevolgd door een wetgevingsvoorstel waarbij een bijlage aan dit besluit wordt toegevoegd om de thematische prioritaire doelstellingen te verwezenlijken.

(43)

De Commissie moet in 2029 het 8e MAP evalueren in het licht van de veranderende beleidsdoelstellingen en de geboekte vooruitgang. De Commissie moet bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen met de bevindingen van die evaluatie, waar passend gevolgd door een wetgevingsvoorstel voor het volgende milieuactieprogramma. Een dergelijk wetgevingsvoorstel moet op tijd ingediend worden om een onderbreking tussen het 8e en het 9e MAP te voorkomen.

(44)

Daar de doelstellingen van dit besluit niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen van het voorgestelde actieprogramma beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 VEU neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat dit besluit niet verder dan nodig is om die doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Dit besluit bevat een algemeen milieuactieprogramma voor de periode tot en met 31 december 2030 (het “achtste milieuactieprogramma” of “8e MAP”). In dat actieprogramma worden de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP en de faciliterende voorwaarden die noodzakelijk zijn voor de verwezenlijking van die prioritaire doelstellingen vastgesteld. Het voorziet in een monitoringkader om de vorderingen van de Unie en haar lidstaten bij het verwezenlijken van de prioritaire doelstellingen van het 8e MAP te meten, alsook in een bestuursmechanisme om de verwezenlijking van die prioritaire doelstellingen te waarborgen.

2.   Het 8e MAP is erop gericht de groene transitie naar een klimaatneutrale, duurzame, gifvrije, hulpbronnenefficiënte, op hernieuwbare energie gebaseerde, veerkrachtige en concurrerende circulaire economie op een rechtvaardige, billijke en inclusieve manier te versnellen en de staat van het milieu te beschermen, te herstellen en te verbeteren, onder meer door het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en om te keren. Het programma ondersteunt en versterkt een geïntegreerde aanpak van het beleid en de uitvoering en bouwt daarbij voort op de Europese Green Deal.

3.   Het 8e MAP vormt de basis voor de verwezenlijking van de in het kader van de VN-Agenda 2030 vastgestelde milieu- en klimaatdoelstellingen en SDG’s, alsook de verwezenlijking van de met de multilaterale milieu- en klimaatakkoorden nagestreefde doelstellingen.

4.   Het monitoringkader van het 8e MAP draagt bij tot de inspanningen van de Unie om de vooruitgang op weg naar duurzaamheid, welzijn en veerkracht te meten.

5.   Het 8e MAP berust op het voorzorgsbeginsel, het beginsel van preventief handelen en het beginsel dat vervuiling aan de bron dient te worden bestreden, alsook op het beginsel dat de vervuiler betaalt.

Artikel 2

Prioritaire doelstellingen

1.   De prioritaire langetermijndoelstelling van het 8e MAP is dat mensen uiterlijk in 2050 goed leven, binnen de grenzen van onze planeet, in een welzijnsgerichte economie waar niets wordt verspild, groei regeneratief is, klimaatneutraliteit binnen de Unie is verwezenlijkt en ongelijkheden aanzienlijk zijn verminderd. Een gezond milieu biedt de basis voor het welzijn van alle mensen en is een milieu waarin de biodiversiteit in stand wordt gehouden, ecosystemen floreren en de natuur wordt beschermd en hersteld, hetgeen leidt tot meer veerkracht bij klimaatverandering, weer- en klimaatgerelateerde rampen en andere milieurisico’s. De Unie neemt het voortouw om de welvaart van de huidige en toekomstige generaties wereldwijd te waarborgen, op basis van de intergenerationele verantwoordelijkheid.

2.   Het 8e MAP heeft de volgende zes onderling verbonden prioritaire thematische doelstellingen voor de periode tot en met 31 december 2030:

a)

snelle en voorspelbare vermindering van broeikasgasemissies en tegelijkertijd een grotere verwijdering door natuurlijke koolstofputten in de Unie zodat het broeikasgasemissiereductiedoel voor 2030 kan worden behaald, zoals vastgelegd in Verordening (EU) 2021/1119, in overeenstemming met de klimaat- en milieudoelstellingen van de Unie, waarbij wordt gezorgd voor een rechtvaardige transitie waarbij niemand achterblijft;

b)

voortdurende vergroting en mainstreaming van het aanpassingsvermogen, onder meer op basis van ecosysteembenaderingen, versterking van de veerkracht en aanpassing en vermindering van de kwetsbaarheid van het milieu, de samenleving en alle sectoren van de economie voor klimaatverandering, en verbetering van de preventie en paraatheid ten aanzien van weer- en klimaatgerelateerde rampen;

c)

evolueren naar een welzijnsgerichte economie waarbij meer aan de planeet wordt teruggeven dan wordt onttrokken, en versnelling van de transitie naar een gifvrije circulaire economie waarin groei regeneratief is, hulpbronnen op efficiënte en duurzame wijze worden gebruikt en de afvalhiërarchie wordt toegepast;

d)

streven naar het terugbrengen tot nul van vervuiling van lucht, water en bodem, alsmede de lichtvervuiling en geluidsoverlast, onder meer met betrekking tot schadelijke chemische stoffen, teneinde een gifvrij milieu te bereiken, en de gezondheid en het welzijn van mensen, dieren en ecosystemen beschermen tegen milieugerelateerde risico’s en negatieve gevolgen;

e)

bescherming, behoud en herstel van de mariene en terrestrische biodiversiteit en de biodiversiteit van de binnenwateren, zowel in beschermde gebieden als daarbuiten, door onder meer het biodiversiteitsverlies een halt toe te roepen en om te keren, door de staat van ecosystemen, hun functies en de diensten die zij verlenen, en het milieu, met name lucht, water en bodem, te verbeteren, en door woestijnvorming en bodemdegradatie te bestrijden;

f)

bevordering van de milieuaspecten van duurzaamheid en aanzienlijke vermindering van de grootste milieu- en klimaatdruk in verband met de productie en consumptie in de Unie, met name op het gebied van energie, industrie, gebouwen en infrastructuur, mobiliteit, toerisme, internationale handel en het voedselsysteem.

Artikel 3

Faciliterende voorwaarden voor de verwezenlijking van de prioritaire doelstellingen

Om de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen te verwezenlijken, ondernemen de Commissie, de lidstaten, de regionale en lokale autoriteiten en belanghebbenden, naargelang het geval, de volgende acties:

a)

waarborgen dat de milieu- en klimaatwetgeving en -strategieën van de Unie effectief, snel en volledig worden uitgevoerd, streven naar uitmuntende milieuprestaties op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau, onder meer door te voorzien in voldoende administratieve capaciteit en capaciteit op het gebied van waarborging van de naleving, zoals uiteengezet in de regelmatige evaluatie van de uitvoering van het milieubeleid, en ondersteuning bieden aan en samenwerken met netwerken van deskundigen, zoals het netwerk van de Europese Unie voor de implementatie en handhaving van de milieuwetgeving, het Europees netwerk van openbaar aanklagers voor het milieu, het forum van de Europese Unie van milieurechters en het Europees netwerk voor de bestrijding van milieucriminaliteit;

b)

prioriteit geven aan de handhaving van het milieurecht van de Unie waar de uitvoering te wensen over laat, onder meer via inbreukprocedures en door te waarborgen dat daaraan voldoende financiële en personele middelen worden toegewezen en dat de informatie over die procedures volledig is en goed toegankelijk is, waarbij het Unierecht moet worden geëerbiedigd;

c)

de richtsnoeren en aanbevelingen verbeteren, waaronder over doeltreffende, afschrikkende en evenredige sancties om de risico’s op niet-naleving van het milieurecht terug te dringen, meer optreden op het gebied van milieuaansprakelijkheid en gevallen van niet-naleving, en de justitiële samenwerking en rechtshandhaving bij de aanpak van milieucriminaliteit versterken, zoals vastgelegd in de relevante Uniewetgeving zoals Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad (13);

d)

de geïntegreerde aanpak van beleidsontwikkeling en -uitvoering versterken, met name door:

i)

het mainstreamen van de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen en, waar relevant, de SDG’s in alle relevante strategieën, wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven, programma’s, investeringen en projecten op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau, evenals in relevante internationale overeenkomsten die door de Unie na 2 mei 2022 zijn gesloten, om ervoor te zorgen dat die strategieën, wetgevings- en niet-wetgevingsinitiatieven, programma’s, investeringen, projecten en internationale overeenkomsten en de uitvoering ervan stroken met en waar relevant bijdragen tot en geen afbreuk doen aan de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen;

ii)

het maximaliseren van de voordelen die uit de uitvoering van de Richtlijnen 2011/92/EU (14) en 2001/42/EG (15) van het Europees Parlement en de Raad voortvloeien;

iii)

het voor alle initiatieven systematisch screenen en waar passend beoordelen van de synergieën en mogelijke wisselwerkingen tussen milieu-, sociale en economische doelstellingen zodat op duurzame wijze wordt voorzien in het welzijn van mensen, met name hun behoefte aan een gezond milieu, schone lucht en betaalbare, toegankelijke en kwalitatieve voeding, water, energie, huisvesting, groene infrastructuur en mobiliteit, zonder dat iemand achterblijft;

iv)

het vaststellen van een “eerst over duurzaamheid nadenken”-benadering, onder meer door waar relevant de SDG’s te integreren in de richtsnoeren voor betere regelgeving en de toolbox voor betere regelgeving, alsook het stroomlijnen en in de praktijk brengen van het “berokken geen schade”-beginsel;

v)

het regelmatig evalueren van het bestaande beleid en waar passend het voorstellen van nieuwe wetgeving, op basis van, waar relevant, effectbeoordelingen die voortbouwen op breed en transparant overleg — met inachtneming van verantwoorde, inclusieve, onderbouwde en eenvoudig uit te voeren procedures — waarbij rekening wordt gehouden met het volledige scala aan onmiddellijke en langetermijneffecten op het milieu en het klimaat, als onderdeel van een geïntegreerde analyse van de economische, sociale en milieugevolgen, met inbegrip van de cumulatieve effecten ervan en de kosten van zowel optreden als niet-optreden;

vi)

het verstrekken door de Commissie, binnen acht weken na afsluiting van een openbare raadpleging, van gedetailleerde feedback over de reacties naar aanleiding van de raadpleging van belanghebbenden, waarbij een onderscheid moet worden gemaakt tussen de bijdragen van verschillende typen belanghebbenden;

e)

een samenvattend dashboard en een reeks indicatoren ontwikkelen om vooruitgang niet enkel met het bbp te meten, op basis van onder meer een gerichte raadpleging van alle relevante belanghebbenden, alsook een verslag waarin de onderlinge verbanden tussen de bestaande indicatorreeksen, monitoringkaders en processen op Unieniveau die vooruitgang op sociaal, economisch en milieugebied meten, in kaart worden gebracht en waarin maatregelen worden voorgesteld om de bestaande dashboards en indicatorreeksen te stroomlijnen;

f)

waarborgen dat sociale ongelijkheden als gevolg van klimaat- en milieugerelateerde effecten en beleidsmaatregelen tot een minimum worden beperkt en dat de maatregelen ter bescherming van het milieu en het klimaat op rechtvaardige en inclusieve wijze ten uitvoer worden gelegd;

g)

de genderdimensie in al het klimaat- en milieubeleid integreren, onder meer door in alle stadia van het beleidsvormingsproces een genderperspectief op te nemen;

h)

milieuvriendelijke stimulansen versterken en milieuonvriendelijke subsidies, met name subsidies voor fossiele brandstoffen, op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau onverwijld uitfaseren, onder meer door:

i)

een bindend Uniekader voor monitoring van en rapportage over de vorderingen van de lidstaten met het uitfaseren van subsidies voor fossiele brandstoffen, volgens een overeengekomen methode;

ii)

vaststelling van een deadline voor de afschaffing van subsidies voor fossiele brandstoffen, conform de ambitie om de opwarming van de aarde te beperken tot 1,5 °C;

iii)

een uiterlijk in 2023 door de Commissie in overleg met de lidstaten vastgestelde methodologie voor het in kaart brengen van andere subsidies die schadelijk zijn voor het milieu; op basis van die methodologie brengen de lidstaten andere subsidies die schadelijk zijn voor het milieu in kaart en brengen zij daarover regelmatig verslag uit aan de Commissie, waardoor de Commissie een verslag kan uitbrengen over het niveau en de aard van die subsidies in de Unie en over de vooruitgang op het gebied van de uitfasering ervan;

i)

biodiversiteitsmaatregelen in het Uniebeleid mainstreamen en bijdragen aan de verwezenlijking van de algemene ambitie om in 2024 7,5 % van de jaarlijkse uitgaven uit hoofde van het meerjarig financieel kader 2021-2027 te besteden aan biodiversiteitsdoelstellingen en in 2026 en in 2027 10 %, waarbij dergelijke uitgaven moeten worden getraceerd op basis van een doeltreffende, transparante en alomvattende methode, daarbij rekening houdend met de bestaande overlappingen tussen klimaat- en biodiversiteitsdoelstellingen;

j)

ervoor zorgen dat klimaat en biodiversiteit doeltreffend worden gemainstreamd en getoetst in de Uniebegroting, en zorgen voor coherentie tussen klimaat- en biodiversiteitsfinanciering;

k)

goed beheer van chemische stoffen op internationaal niveau bevorderen en daarbij de mondiale uitfasering van niet in de Unie toegelaten stoffen stimuleren;

l)

zorgwekkende stoffen snel vervangen, met inbegrip van zeer zorgwekkende stoffen, hormoonontregelaars, zeer persistente chemicaliën, neurotoxica en immunotoxica, en de combinatie-effecten van chemicaliën, nanovormen van stoffen alsook de blootstelling aan gevaarlijke chemicaliën uit producten aanpakken, de uitwerking ervan op de gezondheid en het milieu, met inbegrip van het klimaat en de biodiversiteit, beoordelen, veilige en inherent duurzame chemische stoffen en materialen stimuleren en de inspanningen ter bevordering van de ontwikkeling en validering van alternatieven voor dierproeven opvoeren en coördineren;

m)

bodemdegradatie aanpakken en de bescherming en het duurzame gebruik van de bodem waarborgen, onder meer door middel van een specifiek wetgevingsvoorstel inzake bodemgezondheid uiterlijk in 2023;

n)

het voedselsysteem van de Unie hervormen zodat het onder meer bijdraagt tot de bescherming en het herstel van de biodiversiteit in de Unie en daarbuiten, en een hoog niveau van dierenwelzijn waarborgt, waarbij een rechtvaardige transitie voor de betrokken belanghebbenden wordt gewaarborgd;

o)

op holistische wijze het onderlinge verband tussen menselijke gezondheid, diergezondheid en milieu erkennen door middel van een “één gezondheid”-benadering in de beleidsvorming;

p)

vooruitgang boeken op het gebied van de erkenning van het recht op een schoon, gezond en duurzaam milieu op internationaal niveau;

q)

ten volle gebruikmaken van ecosysteembenaderingen en groene infrastructuur, met inbegrip van biodiversiteitsvriendelijke, op de natuur gebaseerde oplossingen, en waarborgen dat met de uitvoering ervan de biodiversiteit wordt hersteld en de integriteit en connectiviteit van ecosystemen wordt verbeterd, duidelijke maatschappelijke nevenvoordelen worden geboden, waarbij de volledige betrokkenheid en instemming van inheemse volkeren en lokale gemeenschappen vereist is, en de maatregelen die zijn genomen om de biodiversiteit te beschermen of de uitstoot van broeikasgassen in de Unie te verminderen niet worden vervangen of ondermijnd;

r)

gebruikmaken van bestaande instrumenten en methoden, en monitoringmethoden, evaluatie-instrumenten en meetbare indicatoren voor op de natuur gebaseerde oplossingen verder verbeteren;

s)

de materiaal- en de consumptievoetafdruk van de Unie aanzienlijk verminderen om die zo snel mogelijk binnen de grenzen van de planeet te brengen, onder meer door indien nodig reductiestreefcijfers voor 2030 in te voeren;

t)

de SDG’s en klimaat- en milieudoelstellingen effectief opnemen in het Europees Semester voor economische governance, onverminderd het oorspronkelijke doel ervan, onder meer in de nationale hervormingsprogramma’s en de nationale herstel- en veerkrachtplannen;

u)

middelen mobiliseren en zorgen voor voldoende duurzame investeringen uit publieke en private bronnen, met inbegrip van de uit hoofde van de Uniebegroting beschikbare middelen en instrumenten, via de Europese Investeringsbank en op nationaal niveau, in overeenstemming met de beleidsagenda van de Unie voor duurzame financiering;

v)

optimaal gebruikmaken van milieubelastingen, marktconforme instrumenten en groene begrotings- en financieringsinstrumenten, met inbegrip van de nodige instrumenten om een sociaal rechtvaardige transitie te waarborgen, en bedrijven en andere belanghebbenden ondersteunen bij de ontwikkeling en toepassing van gestandaardiseerde boekhoudkundige praktijken voor natuurlijk kapitaal;

w)

waarborgen dat milieubeleid en -maatregelen op Unie-, nationaal, regionaal en lokaal niveau op de beste beschikbare wetenschappelijke kennis en technologieën zijn gebaseerd en dat de kennisbasis op milieugebied, met inbegrip van inheemse en lokale kennis, en de toepassing ervan worden versterkt, onder meer door onderzoek, innovatie, de bevordering van groene vaardigheden, opleiding en omscholing en de verdere ontwikkeling van milieu- en ecosysteemboekhouding;

x)

de kennisbasis ontwikkelen over onder meer de vereisten voor systemische verandering, de manier waarop van een verkokerde en sectorale beleidsfocus kan worden overgestapt op een systemische benadering van beleidscoherentie, alsook over de capaciteit van verschillende ecosystemen om als koolstofputten en -voorraden te fungeren, en die consolideren;

y)

het potentieel van digitale en datatechnologieën ter ondersteuning van het milieubeleid benutten, onder meer door waar mogelijk realtimegegevens en informatie over de staat van ecosystemen te verstrekken, de inspanningen opvoeren om de ecologische voetafdruk van die technologieën tot een minimum te beperken en zorgen voor transparantie, authenticiteit, interoperabiliteit en publieke toegankelijkheid van de gegevens en informatie;

z)

de lacunes dichten in de relevante indicatorreeksen, bijvoorbeeld die met betrekking tot systemische verandering, de grenzen van de planeet en de productie- en consumptievoetafdruk van de Unie, evenals die met betrekking tot het raakvlak tussen milieu- en sociaaleconomische factoren, zoals ongelijkheden als gevolg van milieuveranderingen, die indicatorreeksen optimaliseren en waarborgen dat indicatorreeksen op alle beleidsvormingsniveaus vergelijkbaar zijn;

aa)

zorgen voor brede steun van het maatschappelijk middenveld en samenwerken met bedrijven, met name kleine en middelgrote ondernemingen, sociale partners, burgers, gemeenschappen en andere belanghebbenden;

ab)

bewustzijn creëren over het belang van de verwezenlijking van de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen en het vermogen van burgers om te handelen versterken, onder meer door het bevorderen van debat en communicatie op alle niveaus, levenslange milieu-educatie, burgerparticipatie en door de gemeenschap gestuurde actie;

ac)

bijdragen aan de ondersteuning van het maatschappelijk middenveld, overheidsinstanties, burgers en gemeenschappen, sociale partners en de privésector bij het in kaart brengen van klimaat- en milieurisico’s, het beoordelen van de gevolgen ervan en het nemen van maatregelen om dergelijke risico’s te voorkomen, te beperken en zich eraan aan te passen, en hun betrokkenheid bij het dichten van kennishiaten stimuleren, onder meer door de waarneming en melding van milieukwesties en nalevingslacunes door burgers aan te moedigen, waaronder door de bevordering van goede praktijken op het gebied van burgerwetenschap met behulp van digitale technologieën;

ad)

samenwerking aanmoedigen bij de ontwikkeling en uitvoering van strategieën, beleid of wetgeving in verband met het 8e MAP en zorgen voor de volledige medewerking van regionale en lokale autoriteiten in stedelijke en plattelandsgebieden, met inbegrip van de ultraperifere gebieden, bij alle dimensies van de beleidsvorming op milieugebied door middel van een coöperatieve aanpak op verschillende niveaus, en waarborgen dat regionale en lokale gemeenschappen passende middelen hebben voor de uitvoering ter plaatse;

ae)

de samenwerking tussen alle instellingen van de Unie op het gebied van klimaat- en milieubeleid versterken, ook tussen de Commissie en het Comité van de Regio’s in het kader van hun versterkte samenwerking, en nagaan hoe de dialoog en het bundelen van informatie kunnen worden verbeterd;

af)

zowel op Unie- als lidstatelijk niveau hoge normen op het gebied van transparantie, publieke inspraak en toegang tot de rechter effectief toepassen overeenkomstig het Verdrag van Aarhus;

ag)

de gegevens en bewijzen in verband met de uitvoering van het 8e MAP openbaar en eenvoudig toegankelijk maken en ervoor zorgen dat ze begrijpelijk zijn, onverminderd de bepalingen inzake vertrouwelijkheid in domeinspecifieke wetgeving;

ah)

de wereldwijde verwezenlijking van de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen ondersteunen door voor samenhang tussen interne en externe benaderingen en voor gecoördineerde acties te zorgen, met name door:

i)

met derde landen klimaat- en milieumaatregelen af te spreken, hen aan te moedigen op die gebieden regels vast te stellen en uit te voeren die minstens even ambitieus zijn als die van de Unie en hen daarbij te ondersteunen, en ervoor te zorgen dat alle producten die in de Unie in de handel worden gebracht, volledig voldoen aan de toepasselijke vereisten van de Unie in overeenstemming met de internationale verbintenissen van de Unie, waaronder met betrekking tot het tegengaan van ontbossing en bodemdegradatie,

ii)

duurzame corporate governance te stimuleren, onder meer door verplichte zorgvuldigheidsvereisten vast te stellen op het niveau van de Unie, en verantwoord ondernemerschap te bevorderen in het externe beleid van de Unie, waaronder het handelsbeleid,

iii)

een betere samenwerking met regeringen, bedrijven, sociale partners en het maatschappelijk middenveld in derde landen en internationale organisaties om partnerschappen en allianties op het gebied van milieu- en klimaatbescherming tot stand te brengen en samenwerking op het gebied van milieu en klimaatverandering te bevorderen, onder meer in de G-7 en de G20,

iv)

het tonen van leiderschap in internationale fora, onder meer door de verwezenlijking door de Unie van de SDG’s en van de in de Overeenkomst van Parijs, het Verdrag inzake biologische diversiteit, het Verdrag ter bestrijding van woestijnvorming en andere multilaterale milieuovereenkomsten vastgelegde doelstellingen, met name door de uitvoering ervan te verbeteren en derde landen te ondersteunen om hetzelfde te doen, onder meer door meer transparantie en verantwoordingsplicht ten aanzien van de vooruitgang met betrekking tot de verbintenissen die in het kader van die overeenkomsten zijn aangegaan,

v)

het versterken van internationale milieugovernance door resterende lacunes weg te werken en de eerbiediging en toepassing van erkende internationale milieubeginselen te versterken,

vi)

ervoor te zorgen dat de financiële bijstand van de Unie en de lidstaten aan derde landen de VN-Agenda 2030 bevordert.

Artikel 4

Monitoringkader en governance

1.   De Commissie, met steun van het Europees Milieuagentschap (EEA) en het Europees Agentschap voor chemische stoffen (ECHA), en zonder afbreuk te doen aan hun onafhankelijkheid, monitort en evalueert jaarlijks de vooruitgang van de Unie en de lidstaten bij de verwezenlijking van de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen en brengt daarover jaarlijks verslag uit, rekening houdend met de in artikel 3 vastgestelde faciliterende voorwaarden en met het overkoepelende doel van structurele verandering. De uit die monitoring, evaluatie en verslaglegging resulterende informatie wordt openbaar beschikbaar en goed toegankelijk gemaakt.

2.   De in lid 1 bedoelde monitoring, evaluatie en verslaglegging is gericht op het faciliteren van strategische politieke communicatie op hoog niveau. Uiterlijk op 2 mei 2022 presenteert de Commissie, na raadpleging van alle relevante belanghebbenden, een monitoringkader op basis van een beperkt aantal kernindicatoren, waar mogelijk met inbegrip van systemische indicatoren, onder meer betreffende het verband tussen het milieu en de samenleving en het verband tussen het milieu en de economie. De lijst van kernindicatoren blijft stabiel om te zorgen voor verantwoordingsplicht. Hij wordt echter waar passend bijgewerkt om de recentste ontwikkelingen op het gebied van beleid en indicatoren te weerspiegelen.

3.   In de in lid 1 bedoelde monitoring en evaluatie worden de recentste ontwikkelingen met betrekking tot de beschikbaarheid en relevantie van gegevens en indicatoren weergegeven en wordt voortgebouwd op de gegevens die beschikbaar zijn in de lidstaten en op het niveau van de Unie, met name de gegevens en indicatoren die door het EEA en het Europees statistisch systeem worden beheerd, teneinde de administratieve lasten tot een minimum te beperken. Die evaluatie strookt met en doet geen afbreuk aan andere monitoring-, rapportage- en governancekaders en -oefeningen op het gebied van milieu- en klimaatbeleid. Ze wordt gebaseerd op een methode die, waar mogelijk, de meting mogelijk maakt van de afstand die nog moet worden afgelegd met betrekking tot de in artikel 2 uiteengezette prioritaire doelstellingen en geselecteerde kernindicatoren.

4.   Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie houden rekening met en wisselen jaarlijks van gedachten over de in lid 1 bedoelde evaluatie, alsook over de reeds getroffen maatregelen en eventuele toekomstige acties.

5.   Het EEA en het ECHA ondersteunen de Commissie bij het verbeteren van de beschikbaarheid en relevantie van gegevens, indicatoren en kennis, met name door:

a)

met moderne digitale instrumenten gegevens en bewijsmateriaal te verzamelen, te verwerken en te rapporteren, en daarbij de methoden voor het verzamelen en verwerken van gegevens en het ontwikkelen van geharmoniseerde indicatoren te verbeteren;

b)

fundamenteel onderzoek, mapping en monitoring te versterken en te ondersteunen;

c)

de relevante lacunes in de monitoringgegevens trachten weg te werken, samen met de lidstaten en rekening te houden met de noodzaak van systemische verandering;

d)

beleidsrelevante en systemische analysen uit te voeren en bij te dragen aan de verwezenlijking van beleidsdoelstellingen op Unie- en nationaal niveau, ook door aanbevelingen te doen om de voortgang bij de verwezenlijking van de doelstellingen te verbeteren;

e)

gegevens over milieu-, gezondheids-, sociale en economische effecten te integreren en volledig gebruik te maken van andere beschikbare gegevens en diensten, zoals die welke door Copernicus worden aangeleverd;

f)

bij te dragen aan het dichten van cruciale kennishiaten over ecologische omslagpunten, waarbij rekening moet worden gehouden met geografische en ecologische verschillen tussen regio’s;

g)

kwantitatieve en kwalitatieve instrumenten te ontwikkelen, met inbegrip van prognoses en modellen, die onder meer informatie kunnen verschaffen over mogelijke toekomstige systeembrede effecten van beleid in verband met het milieu en het klimaat, alsook over de afstand die nog moet worden afgelegd om de streefdoelen te verwezenlijken;

h)

via programma’s van de Unie de beschikbaarheid en de interoperabiliteit van en de toegang tot gegevens verder te verbeteren;

i)

voor meer transparantie en verantwoordingsplicht te zorgen.

6.   De Commissie onderzoekt regelmatig de behoeften op het gebied van gegevens en kennis op Unie- en nationaal niveau, met inbegrip van de capaciteit van het EEA en het ECHA alsmede van andere organen en agentschappen, waar relevant, om de in lid 5 bedoelde taken uit te voeren.

Artikel 5

Tussentijdse evaluatie

1.   Uiterlijk op 31 maart 2024 voert de Commissie een tussentijdse evaluatie uit van de vooruitgang die is geboekt bij de verwezenlijking van de in artikel 2, lid 2, uiteengezette thematische prioritaire doelstellingen, waarbij rekening wordt gehouden met de status van de in artikel 3 vastgestelde faciliterende voorwaarden, en de vooruitgang die is geboekt bij de monitoring en evaluatie van systemische veranderingen. In het licht van de resultaten van de tussentijdse evaluatie stelt de Commissie waar passend wijzigingen voor van de in artikel 4, lid 2, bedoelde kernindicatoren. De tussentijdse evaluatie is gebaseerd op de op grond van artikel 4, lid 1, uitgevoerde evaluatie en op andere relevante bevindingen. De Commissie legt het Europees Parlement en de Raad een verslag over de tussentijdse evaluatie voor.

2.   In het licht van de in lid 1 van dit artikel bedoelde tussentijdse evaluatie en de mogelijke reacties van het Europees Parlement en de Raad op die evaluatie, van andere relevante beleidsontwikkelingen en van het recentste verslag van het Europees Milieuagentschap over de stand van zaken en de vooruitzichten van het Europese milieu, en teneinde de in artikel 2, lid 2, uiteengezette thematische prioritaire doelstellingen te verwezenlijken, komt de Commissie waar passend met een wetgevingsvoorstel om een bijlage toe te voegen aan het 8e MAP voor de periode na 2025, met een lijst van acties met het oog op de verwezenlijking van die doelstellingen, evenals een tijdsschema voor de respectieve acties.

Artikel 6

Evaluatie

De Commissie evalueert het 8e MAP uiterlijk op 31 maart 2029. De Commissie dient uiterlijk op 31 december 2029 bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in met de belangrijkste bevindingen van die evaluatie en, indien zij dat passend acht, een wetgevingsvoorstel voor het volgende milieuactieprogramma.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Straatsburg, 6 april 2022.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

R. METSOLA

Voor de Raad

De voorzitter

C. BEAUNE


(1)  PB C 123 van 9.4.2021, blz. 76.

(2)  PB C 106 van 26.3.2021, blz. 44.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 10 maart 2022 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 29 maart 2022.

(4)  Besluit nr. 1386/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2013 inzake een nieuw algemeen milieuactieprogramma voor de Europese Unie voor de periode tot en met 2020 “Goed leven, binnen de grenzen van onze planeet” (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 171).

(5)  Verordening (EU) 2021/1119 van het Europees Parlement en de Raad van 30 juni 2021 tot vaststelling van een kader voor de verwezenlijking van klimaatneutraliteit, en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 401/2009 en Verordening (EU) 2018/1999 (“Europese klimaatwet”) (PB L 243 van 9.7.2021, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) 2020/852 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2020 betreffende de totstandbrenging van een kader ter bevordering van duurzame beleggingen en tot wijziging van Verordening (EU) 2019/2088 (PB L 198 van 22.6.2020, blz. 13).

(7)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(8)  Verordening (EU) 2018/1999 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 inzake de governance van de energie-unie en van de klimaatactie, tot wijziging van Richtlijn 94/22/EG, Richtlijn 98/70/EG, Richtlijn 2009/31/EG, Verordening (EG) nr. 663/2009, Verordening (EG) nr. 715/2009, Richtlijn 2009/73/EG, Richtlijn 2009/119/EG van de Raad, Richtlijn 2010/31/EU, Richtlijn 2012/27/EU, Richtlijn 2013/30/EU en Richtlijn (EU) 2015/652 van de Raad, en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 525/2013 (PB L 328 van 21.12.2018, blz. 1).

(9)  PB L 124 van 17.5.2005, blz. 4.

(10)  Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie en tot intrekking van Richtlijn 90/313/EEG van de Raad (PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26).

(11)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).

(12)  Richtlijn (EU) 2019/1024 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 inzake open data en het hergebruik van overheidsinformatie (PB L 172 van 26.6.2019, blz. 56).

(13)  Richtlijn 2008/99/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 inzake de bescherming van het milieu door middel van het strafrecht (PB L 328 van 6.12.2008, blz. 28).

(14)  Richtlijn 2011/92/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 betreffende de milieueffectbeoordeling van bepaalde openbare en particuliere projecten (PB L 26 van 28.1.2012, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2001/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2001 betreffende de beoordeling van de gevolgen voor het milieu van bepaalde plannen en programma’s (PB L 197 van 21.7.2001, blz. 30).


Top