EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R1888

Verordening (EU) 2021/1888 van de Raad van 27 oktober 2021 tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/92 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren

ST/12692/2021/INIT

OJ L 384, 29.10.2021, p. 1–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2021/1888/oj

29.10.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 384/1


VERORDENING (EU) 2021/1888 VAN DE RAAD

van 27 oktober 2021

tot vaststelling, voor 2022, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee en tot wijziging van Verordening (EU) 2021/92 wat betreft bepaalde vangstmogelijkheden in andere wateren

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 3,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) moet bij de vaststelling van instandhoudingsmaatregelen rekening worden gehouden met de beschikbare wetenschappelijke, technische en economische adviezen, met inbegrip van, waar relevant, verslagen van het Wetenschappelijk, Technisch en Economisch Comité voor de Visserij en van andere adviesinstanties, alsook met de adviezen van de adviesraden die voor de betrokken geografische bevoegdheidsgebieden zijn opgericht, en de gezamenlijke aanbevelingen van de lidstaten.

(2)

Het is aan de Raad om de maatregelen vast te stellen voor de vaststelling en de verdeling van de vangstmogelijkheden, inclusief, voor zover nodig, bepaalde functioneel daarmee verbonden voorwaarden. In Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de vangstmogelijkheden aan de lidstaten moeten worden toegewezen op een manier die de relatieve stabiliteit van de visserijactiviteiten van iedere lidstaat voor elk visbestand of elke visserij waarborgt.

(3)

In Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat het gemeenschappelijk visserijbeleid tot doel heeft het exploitatieniveau voor maximale duurzame opbrengst (MDO) voor zo veel mogelijk bestanden in 2015 en, geleidelijk toenemend, voor alle bestanden uiterlijk in 2020 te verwezenlijken. De overgangsperiode tot en met 2020 had tot doel een evenwicht te vinden tussen enerzijds het bereiken van de MDO voor alle bestanden en anderzijds de mogelijke sociaal-economische gevolgen van eventuele aanpassingen van de desbetreffende vangstmogelijkheden.

(4)

De totaal toegestane vangsten (TAC’s) moeten derhalve, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1380/2013, worden vastgesteld op basis van de beschikbare wetenschappelijke adviezen, met inachtneming van zowel de biologische en sociaal-economische gevolgen als de verplichting tot billijke behandeling van de visserijsectoren en rekening houdend met de standpunten die kenbaar zijn gemaakt tijdens de raadpleging van de belanghebbenden.

(5)

Bij Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad (2) is een meerjarenplan vastgesteld voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en voor de visserijen die die bestanden exploiteren (het “plan”). Het plan beoogt ervoor te zorgen dat de levende mariene biologische rijkdommen zodanig worden geëxploiteerd dat populaties van gevangen soorten worden hersteld en gehandhaafd op een niveau dat hoger is dan het niveau waarop MDO mogelijk is. In Verordening (EU) nr. 1380/2013 is bepaald dat de vangstmogelijkheden voor bestanden die onder specifieke meerjarenplannen vallen, vastgesteld moeten worden overeenkomstig de in die meerjarenplannen vervatte voorschriften.

(6)

Overeenkomstig artikel 4, lid 1, van het plan moesten de vangstmogelijkheden voor de in artikel 1 van het plan vermelde bestanden zodanig worden vastgesteld dat zo spoedig mogelijk en, geleidelijk toenemend, uiterlijk in 2020 een visserijsterfte op MDO-niveau, uitgedrukt in bandbreedtes, werd bereikt. De vangstbeperkingen voor 2022 voor de betrokken bestanden in de Oostzee moeten derhalve worden vastgesteld overeenkomstig de doelstellingen van het plan.

(7)

De Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) heeft op 28 mei 2021 zijn jaarlijks advies voor de bestanden in de Oostzee gepubliceerd. Volgens de ICES bedroeg de biomassa van haring in het westelijke deel van de Oostzee in de ICES-deelsectoren 20-24 slechts 54 % van het grensreferentiepunt voor paaibiomassa (Blim), waaronder er sprake kan zijn van een verminderde reproductiecapaciteit. Bovendien blijft de populatietoename historisch laag. Daarom heeft de ICES voor het vierde opeenvolgende jaar een advies voor nulvangsten voor haring in het westelijke deel van de Oostzee uitgebracht. Krachtens artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1139 moeten daarom alle passende herstelmaatregelen worden vastgesteld om te waarborgen dat het betrokken bestand snel terugkeert boven het niveau dat de MDO kan opleveren. Volgens die bepaling moeten voorts aanvullende herstelmaatregelen worden genomen. Indien de vangstmogelijkheden voor haring in het westelijke deel van de Oostzee werden vastgesteld op het in het wetenschappelijke advies aanbevolen niveau, zou de verplichting tot aanlanding van alle vangsten uit gemengde visserijen met bijvangsten van haring uit het westelijke deel van de Oostzee tot het fenomeen van de “knelsoorten” leiden. Om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds het laten voortzetten van visserijen voor andere bestanden in het licht van de anders mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen, en anderzijds de noodzaak om een goede biologische toestand van het bestand te bereiken, en rekening houdend met de moeilijkheid om tegelijkertijd alle bestanden in een gemengde visserij op MDO-niveau te bevissen, moet voor bijvangsten van haring in het westelijke deel van de Oostzee een specifieke TAC worden vastgesteld. Visserijverrichtingen op haring in het westelijke deel van de Oostzee die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden en waarbij volledig wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad (3), en ook kleinschalige kustvissers die vissen met bepaalde soorten passief vistuig moeten echter worden toegestaan. De TAC moet worden vastgesteld op een niveau dat de sterfte niet doet stijgen en dat stimulansen biedt voor verbeteringen op het vlak van selectiviteit en vermijding.

(8)

Wat het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee betreft, heeft de ICES zijn voorzorgsadvies sinds 2019 kunnen baseren op een meer gegevensrijke beoordeling. De ICES raamt dat de biomassa van het kabeljauwbestand in het oostelijke deel van de Oostzee nog steeds onder de Blim ligt en sinds 2020 verder is gedaald. Daarom heeft de ICES voor het derde opeenvolgende jaar een advies voor nulvangsten van kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee uitgebracht. Sinds 2019 zijn in de Unie strenge instandhoudingsmaatregelen vastgesteld. Overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1139 is de gerichte visserij op kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee gesloten en is voor onvermijdelijke bijvangsten van kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee een TAC op zeer laag niveau vastgesteld om het fenomeen van de “knelsoorten” in andere visserijen te voorkomen. Bovendien zijn verdere herstelmaatregelen die functioneel met de vangstmogelijkheden verbonden zijn, vastgesteld in de vorm van paaisluitingen en een verbod op recreatievisserij in het belangrijkste verspreidingsgebied. Gezien het advies van de ICES en de ongewijzigde toestand van het bestand is het passend het niveau van de vangstmogelijkheden en de functioneel daarmee verbonden herstelmaatregelen te handhaven.

(9)

Met betrekking tot kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee blijkt uit wetenschappelijk ramingen al sinds jaren dat de paaibiomassa onder het referentiepunt ligt, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moeten worden genomen (Btrigger). Daarom zijn de jongste jaren steeds strengere beheersmaatregelen vastgesteld. In 2021 heeft de ICES besloten een grondigere beoordeling van de toestand van het bestand te maken en heeft hij daarom zijn advies uitgesteld tot 10 september 2021. Uit die beoordeling is gebleken dat de biomassa van het kabeljauwbestand in het westelijk deel van de Oostzee minder dan de helft van de vorige raming bedroeg en reeds meer dan tien jaar meestal onder de Blim ligt. De huidige biomassa wordt op ongeveer de helft van de Blim geraamd. De populatietoename is sinds 2018 historisch laag. De ICES schat met een waarschijnlijkheid van 53 % dat de biomassa van het bestand in 2023 licht boven de Blim zou moeten uitkomen, zelfs indien het in enige mate bevist wordt. Daarom moeten, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1139, herstelmaatregelen worden genomen en moeten de vangstmogelijkheden zodanig worden vastgesteld dat het bestand snel terugkeert boven het niveau waarop MDO mogelijk is. Het niveau van de aanbevolen vangsten is zo laag dat het niet tegelijk gerichte visserij en de onvermijdelijke bijvangsten in andere visserijen, met name in de demersale platvisvisserij, kan dragen Daarom moet een TAC worden vastgesteld die is beperkt tot onvermijdelijke bijvangsten in andere visserijen om het fenomeen van de “knelsoorten” te voorkomen, met een uitzondering voor visserijverrichtingen die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden en waarbij volledig wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.Daarnaast zijn eerder verdere functioneel met de vangstmogelijkheden verbonden herstelmaatregelen genomen in de vorm van paaisluitingen en beperkingen voor de recreatievisserij. Gezien de verdere ernstige verslechtering van de toestand van het bestand moet de paaisluiting worden verlengd van 15 januari tot 31 maart, zodat de periode wordt bestreken waarin de kabeljauw zich vóór het paaien verzamelt. Een extra uitzondering op de paaisluiting moet worden ingevoerd voor vissersvaartuigen die vissen met dreggen voor tweekleppige weekdieren in ICES-deelsector 22 in wateren met een diepte van minder dan 20 meter, aangezien die visserij plaatsvindt buiten de paaiplaatsen van kabeljauw en de bijvangsten van kabeljauw zeer laag zijn. Wat de recreatievisserij betreft, kon de ICES, anders dan in voorgaande jaren, geen onderscheid maken tussen commerciële en recreatieve vangsten, gezien het lage niveau van de totaal aanbevolen vangsten. Gezien de toestand van het bestand moet de meeneemlimiet tot het minimum worden verlaagd om binnen de door de ICES aanbevolen vangstniveaus te blijven. Daarnaast is het passend de recreatievisserij niet langer vrij te stellen van de paaisluitingsperiode.

(10)

In 2020 raamde de ICES dat de biomassa van haring uit het centrale deel van de Oostzee was gedaald tot onder het referentiepunt voor de paaibiomassa van dat bestand, waaronder specifieke en passende beheersmaatregelen moesten worden genomen (Btrigger). Volgens de ramingen van de ICES in 2021 is de biomassa verder gedaald en bevindt zij zich nu dicht bij de Blim. Bijgevolg is het passend de vangstmogelijkheden vast te stellen overeenkomstig artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/1139.

(11)

Volgens het advies van de ICES wordt kabeljauw gevangen als bijvangst bij de visserij op schol. Sprot wordt gevangen in een gemengde visserij met haring en is een prooisoort voor kabeljauw. Het is passend om met die interacties tussen de soorten rekening te houden bij de vaststelling van de vangstmogelijkheden voor schol en sprot.

(12)

Met betrekking tot zalm in ICES-deelsectoren 22-31 zegt de ICES al sinds jaren dat de toestand van de rivierbestanden zeer heterogeen is. Om de deskundigen meer tijd te geven om beter rekening te kunnen houden met die verschillen, heeft de ICES besloten zijn advies uit te stellen tot 15 september 2021. Volgens het ICES-advies moeten alle commerciële en recreatieve vangsten in het hoofdbekken, die per definitie gemengde visserijen zijn waarbij zalm uit zowel gezonde als zwakke rivierbestanden wordt gevangen, worden stopgezet om de zwakke rivierbestanden te beschermen. De ICES is echter van mening dat de bestaande gerichte visserij in de kustgebieden van de Botnische Golf en de Ålandzee tijdens de zalmzomertrek kan worden voortgezet. Om het juiste evenwicht te vinden tussen enerzijds het laten voortzetten van visserijen in het licht van de anders mogelijk ernstige sociaal-economische gevolgen, en anderzijds de noodzaak om een goede biologische toestand van het bestand te bereiken, en rekening houdend met de moeilijkheid om tegelijkertijd alle bestanden in een gemengde visserij op MDO-niveau te bevissen, moet voor bijvangsten van zalm in die gebieden een specifieke TAC worden vastgesteld, behalve voor visserijverrichtingen die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek plaatsvinden en waarbij volledig wordt voldaan aan de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241, en voor de kustvisserij ten noorden van 59°30′NB tijdens de periode van 1 mei tot en met 31 augustus. Gezien het ICES-advies is het passend verdere herstelmaatregelen vast te stellen die functioneel verbonden zijn met de vangstmogelijkheden. Het gebruik van beuglijnen buiten vier zeemijl moet worden verboden, aangezien dit doorgaans een vistuig is dat wordt gebruikt om op zalm te vissen. Bovendien mag in gebieden waar commerciële visserij niet is toegestaan, in de recreatievisserij per hengelaar per dag slechts één zalm met afgeknipte vin aan boord worden gehouden. Ten slotte moeten, om onjuiste rapportering te voorkomen, alle exemplaren van alle aan boord gehouden vissoorten in hun geheel worden aangeland, zodat die ondubbelzinnig kunnen worden geïdentificeerd.

(13)

Om de volledige benutting van de vangstmogelijkheden voor de kustvisserij te waarborgen, werd in 2019 voor zalm een beperkte flexibiliteit van de ICES-deelsectoren 22-31 naar ICES-deelsector 32 ingevoerd. Gezien de wijzigingen van de vangstmogelijkheden voor deze twee bestanden moet deze flexibiliteit worden verkleind.

(14)

De invoering van een verbod op de visserij op zeeforel buiten vier zeemijl en van een beperking van de bijvangst van zeeforel tot 3 % van de gecombineerde vangst van zeeforel en zalm heeft in belangrijke mate bijgedragen tot een aanzienlijke vermindering van de voorheen vaak voorkomende verkeerde aangiften van vangsten in de zalmvisserij, met name als vangsten van zeeforel. Het is derhalve passend die bepaling te handhaven om het aantal verkeerde aangiften laag te houden.

(15)

De bij deze verordening vastgestelde vangstmogelijkheden moeten worden gebruikt overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad (4), en met name de artikelen 33 en 34 betreffende de registratie van de vangsten en de visserijinspanning, respectievelijk de toezending van gegevens over de uitputting van de vangstmogelijkheden aan de Commissie. Daarom moeten in deze verordening de codes worden gespecificeerd die de lidstaten moeten gebruiken wanneer zij gegevens aan de Commissie toezenden betreffende de aangelande hoeveelheden van bestanden die onder deze verordening vallen.

(16)

Bij Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad (5) zijn aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s ingevoerd, waaronder de flexibiliteitsbepalingen van de artikelen 3 en 4 voor voorzorgs- en analytische TAC’s. Krachtens artikel 2 van die verordening moet de Raad bij de vaststelling van de TAC’s bepalen voor welke bestanden de artikelen 3 en 4 niet van toepassing zijn, met name op basis van de biologische situatie van de bestanden. Meer recent is bij artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 het jaarflexibiliteitsmechanisme ingevoerd voor alle bestanden die onder de aanlandingsverplichting vallen. Om te voorkomen dat excessieve flexibiliteit het beginsel van een rationele en verantwoordelijke exploitatie van de levende biologische rijkdommen van de zee zou ondergraven, een belemmering zou vormen voor de verwezenlijking van de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en tot een verslechtering van de biologische toestand van de bestanden zou leiden, moet worden vastgesteld dat de artikelen 3 en 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 alleen op analytische TAC’s van toepassing zijn wanneer geen gebruik wordt gemaakt van de jaarflexibiliteit waarin artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet.

(17)

Aangezien de biomassa van het bestand van kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee, haring in het westelijke deel van de Oostzee en kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee onder de Blim ligt en in 2022 alleen bijvangsten, en visserij voor wetenschappelijke doeleinden en, voor haring in het westelijke deel van de Oostzee, bepaalde kleinschalige kustvisserij, zijn toegestaan, hebben de lidstaten die een quota-aandeel hebben van de betrokken TAC zich er bovendien toe verbonden om de in artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 vastgestelde jaarflexibiliteit in 2022 niet toe te passen voor die bestanden, zodat de vangsten in 2022 niet groter zullen zijn dan de TAC’s die voor kabeljauw in het oostelijke deel van de Oostzee, voor haring in het westelijke deel van de Oostzee en voor kabeljauw in het westelijke deel van de Oostzee zijn vastgesteld. Aangezien de biomassa van de rivierbestanden van zalm ten zuiden van 59°30′NB bijna steeds onder het grensreferentiepunt voor productie van smolt ligt en in dat gebied in 2022 alleen bijvangsten en visserij voor wetenschappelijke doeleinden zijn toegestaan, zijn de betrokken lidstaten bovendien een vergelijkbare verbintenis aangegaan wat betreft de jaarflexibiliteit in verband met de vangst van zalm in het hoofdbekken in 2022.

(18)

Het visseizoen voor kever in ICES-sector 3a en in de wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a en de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van ICES-deelgebied 4 loopt van 1 november tot en met 31 oktober. Om de visserij op 1 november 2021 te kunnen aanvangen en op basis van nieuw wetenschappelijk advies en na overleg met het Verenigd Koninkrijk, is het noodzakelijk een voorlopige TAC voor kever in ICES-sector 3a en de wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a en de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van ICES-deelgebied 4 vast te stellen voor de periode van 1 november 2021 tot en met 31 december 2021. Die voorlopige TAC moet worden vastgesteld in overeenstemming met het op 8 oktober 2021 gepubliceerde ICES-advies.

(19)

In Verordening (EU) 2021/92 van de Raad (6) heeft de tabel met de vangstmogelijkheden voor makreel in de Noordzee betrekking op de wateren van 3a en 4, de wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a, de wateren van de Unie van 3b, 3c en de deelsectoren 22-32 overeenkomstig de Handels- en Samenwerkingsovereenkomst tussen de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, enerzijds, en het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland, anderzijds (7). In 2021 evenwel heeft het overleg tussen de kuststaten over makreel geen akkoord over toegangsregelingen tussen de Unie, het Verenigd Koninkrijk en Noorwegen opgeleverd. De Unie heeft dan ook geen toegang om haar makreelquotum in de Noorse wateren van de Noordzee te vissen.

(20)

In 2021 heeft de Unie onderhandelingen met het Verenigd Koninkrijk over vangstmogelijkheden en beheersmaatregelen voor bepaalde TAC’s voor 2021, ook voor makreel, afgerond, waardoor de Unie haar makreelquotum in de wateren van het Verenigd Koninkrijk kan vissen. Bijgevolg moeten de desbetreffende tabellen met vangstmogelijkheden dienovereenkomstig worden gewijzigd om rekening te houden met de afbakening van de vangstgebieden in de wateren van de Noordzee tot de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie.

(21)

In 2021 heeft de Unie geen toegang tot de visserij op haar makreelquotum in de Noorse wateren van de Noordzee. Verordening (EU) 2021/92 bevat de tabel met vangstmogelijkheden voor makreel in de Noorse wateren van 2a en 4a en het aan Denemarken toegewezen quotum van 13 359 ton moet kunnen worden gevist in de Noordzeewateren van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk. In de desbetreffende tabel met vangstmogelijkheden moet een voetnoot worden toegevoegd om Denemarken in staat te stellen dit quotum in de Noordzeewateren van de Unie en van het Verenigd Koninkrijk te vissen. Het Verenigd Koninkrijk is geraadpleegd over die mogelijkheid en heeft geen bezwaar gemaakt tegen de benadering waarbij dat quotum met ingang van 12 oktober 2021 kan worden gevist in die wateren van het Verenigd Koninkrijk.

(22)

In de Partnerschapsovereenkomst inzake duurzame visserij tussen de Europese Unie, enerzijds, en de regering van Groenland en de regering van Denemarken, anderzijds, en in het bijbehorende uitvoeringsprotocol (8), is bepaald dat 7,7 % van de TAC voor lodde die wordt gevist in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 5 en 14, aan de Unie wordt toegewezen. Op 5 oktober 2021 heeft de Unie van de Groenlandse autoriteiten informatie ontvangen waaruit blijkt dat de ICES voor het seizoen 2021/2022 een advies voor lodde heeft uitgebracht waarin voor die vis een TAC van 904 200 ton wordt aangegeven. Op basis van wetenschappelijk advies en op basis van de overeenkomst tussen Groenland, IJsland en Noorwegen over lodde, heeft de regering van Groenland een quotum van 135 630 ton vastgesteld. Overeenkomstig het uitvoeringsprotocol zou Groenland de Unie 69 623 ton lodde willen aanbieden, wat overeenkomt met 7,7 % van de totale TAC. Die TAC moet nu op die basis worden vastgesteld. Voorts hebben Groenland, IJsland en Noorwegen, als onderdeel van hun kaderovereenkomst inzake de instandhouding en het beheer van lodde, overeenstemming bereikt over nieuwe regelingen voor het visseizoen. Daarom moet ook rekening worden gehouden met de wijziging van het visseizoen, dat nu betrekking moet hebben op een periode van 15 oktober 2021 tot en met 15 april 2022.

(23)

De Commissie verleent vismachtigingen aan vaartuigen die de vlag van Venezuela voeren, op basis waarvan ze in de Uniewateren voor de kust van Frans-Guyana op snapper kunnen vissen. De voorgestelde wijziging moet de continuïteit van de visserijverrichtingen tijdens de vergunningsprocedure tussen twee jaren waarborgen, onder bepaalde voorwaarden.

(24)

Verordening (EU) 2021/92 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(25)

Om een onderbreking van de visserijactiviteiten te voorkomen en het inkomen van de vissers van de Unie veilig te stellen, moeten de bepalingen van deze verordening betreffende de Oostzee van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2022. De vangstbeperkingen van Verordening (EU) 2021/92 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2021. De bepalingen die zijn ingevoerd bij deze verordening betreffende die vangstbeperkingen moeten derhalve eveneens van toepassing zijn met ingang van 1 januari 2021. Deze verordening moet evenwel van 1 november 2021 tot en met 31 oktober 2022 van toepassing zijn op kever in ICES-sector 3a, de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van ICES-deelgebied 4 en de wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a. Gezien de dringende noodzaak om duurzame visserijactiviteiten voort te zetten en met de betrokken visserij tijdig, bij de opening van de visserijseizoenen, te kunnen beginnen, moeten de bepalingen van deze verordening betreffende de vangstbeperkingen voor makreel in de Noorse wateren van de Noordzee en lodde in de Groenlandse wateren van de ICES-deelgebieden 5 en 14 van toepassing zijn met ingang van respectievelijk 12 oktober 2021 en 15 oktober 2021. Aangezien de betrokken vangstmogelijkheden ofwel nog niet zijn opgebruikt of door deze verordening zullen worden verhoogd, worden de beginselen van rechtszekerheid en de bescherming van legitieme verwachtingen niet aangetast door de toepassing met terugwerkende kracht van deze verordening. Gezien de urgentie moet deze verordening onmiddellijk na de bekendmaking ervan in werking treden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden in de Oostzee de vangstmogelijkheden voor 2022 vastgesteld en worden sommige bij Verordening (EU) 2021/92 vastgestelde vangstmogelijkheden in andere wateren gewijzigd.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op vissersvaartuigen van de Unie die actief zijn in de Oostzee.

2.   Deze verordening is tevens van toepassing op de recreatievisserij indien in de toepasselijke bepalingen uitdrukkelijk naar deze visserij wordt verwezen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 4 van Verordening (EU) nr. 1380/2013.

Daarnaast gelden de volgende definities:

1)

“deelsector”: een deelsector van de Internationale Raad voor het onderzoek van de zee (ICES) in de Oostzee als gedefinieerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad (9);

2)

“totale toegestane vangst” (TAC): de hoeveelheid van elk bestand die in een jaar mag worden gevangen;

3)

“quotum”: een gedeelte van de TAC dat is toegewezen aan de Unie, aan een lidstaat of aan een derde land;

4)

“recreatievisserij”: niet-commerciële visserijactiviteiten waarmee mariene biologische rijkdommen worden geëxploiteerd voor recreatieve, toeristische of sportieve doeleinden.

HOOFDSTUK II

VANGSTMOGELIJKHEDEN

Artikel 4

TAC’s en toewijzingen

De TAC’s, de quota en, in voorkomend geval, de functioneel daarmee verbonden voorwaarden worden vastgesteld in de bijlage.

Artikel 5

Bijzondere bepalingen inzake de toewijzing van vangstmogelijkheden

De vangstmogelijkheden worden overeenkomstig deze verordening aan de lidstaten toegewezen, onverminderd:

a)

uitwisselingen van vangstmogelijkheden op grond van artikel 16, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

b)

kortingen en nieuwe toewijzingen op grond van artikel 37 van Verordening (EG) nr. 1224/2009;

c)

extra aanlandingen die worden toegestaan op grond van artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 of artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

d)

hoeveelheden die worden ingehouden overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 of overgedragen op grond van artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013;

e)

verlagingen op grond van de artikelen 105 en 107 van Verordening (EG) nr. 1224/2009.

Artikel 6

Voorwaarden voor het aanlanden van vangsten en bijvangsten

De bestanden van niet-doelsoorten die zich binnen biologisch veilige grenzen bevinden, als bedoeld in artikel 15, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013, en in aanmerking komen voor de afwijking van de verplichting om vangsten in mindering te brengen op de betrokken quota, zijn opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 7

Sluitingen ter bescherming van paaiende kabeljauw

1.   Van 1 mei tot en met 31 augustus is het verboden om met welk vistuig dan ook te vissen in de deelsectoren 25 en 26.

2.   Een vrijstelling van het in lid 1 vastgestelde verbod geldt in de volgende gevallen:

a)

visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241;

b)

vissersvaartuigen van de Unie van minder dan twaalf meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen binnen vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

vissersvaartuigen van de Unie die in deelsector 25 vissen op pelagische bestanden voor rechtstreekse menselijke consumptie, met vistuig met een maaswijdte van 45 mm of minder, in gebieden waar de waterdiepte minder dan 50 meter bedraagt volgens de coördinaten op de officiële zeekaart van de bevoegde nationale autoriteiten, en waarvan de aanlandingen zijn gesorteerd.

3.   Het is van 15 januari tot en met 31 maart verboden met welk vistuig dan ook te vissen in de deelsectoren 22 en 23, en van 15 mei tot en met 15 augustus in de deelsector 24.

4.   Een vrijstelling van het in lid 3 vastgestelde verbod geldt in de volgende gevallen:

a)

visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241;

b)

vissersvaartuigen van de Unie van minder dan twaalf meter lengte over alles die vissen met kieuwnetten, warnetten of schakelnetten, met geankerde beugen, beuglijnen binnen vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen, vrije beuglijnen, handlijnen en peuren of soortgelijk passief vistuig in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaarten van de bevoegde nationale autoriteiten;

c)

vissersvaartuigen van de Unie die in deelsector 24 vissen op pelagische bestanden voor rechtstreekse menselijke consumptie, met vistuig met een maaswijdte van 45 mm of minder, in gebieden waar de waterdiepte minder dan 40 meter bedraagt volgens de coördinaten op de officiële zeekaart van de bevoegde nationale autoriteiten, en waarvan de aanlandingen zijn gesorteerd;

d)

vissersvaartuigen van de Unie die vissen met dreggen op tweekleppige weekdieren in deelsector 22 in gebieden met een waterdiepte van minder dan 20 meter volgens de coördinaten op de officiële zeekaart van de bevoegde nationale autoriteiten.

5.   Kapiteins van vissersvaartuigen als bedoeld in lid 2, punt b) of c), en lid 4, punt b), c) of d), zorgen ervoor dat hun visserijactiviteit te allen tijde door de controleautoriteiten van de lidstaat kan worden gemonitord.

Artikel 8

Maatregelen betreffende de recreatievisserij op kabeljauw in de deelsectoren 22-26

1.   In het kader van de recreatievisserij mag elke visser in de deelsectoren 22 en 23, en in deelsector 24 binnen zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen per dag niet meer dan één kabeljauw in bezit hebben, behalve in de periode van 15 januari tot en met 31 maart, waarin de recreatievisserij op kabeljauw verboden is.

2.   De recreatievisserij op kabeljauw is verboden in deelsector 24 buiten zes zeemijl gemeten vanaf de basislijnen en in de deelsectoren 25 en 26.

3.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen.

Artikel 9

Maatregelen betreffende recreatievisserij op zalm in de deelsectoren 22-31

1.   Recreatievisserij op zalm is verboden in de deelsectoren 22- 31. Elke zalm die wordt gevangen, wordt onmiddellijk terug in zee vrijgelaten.

2.   In afwijking van lid 1 kan recreatieve visserij op zalm worden toegestaan onder de volgende cumulatieve voorwaarden:

a)

per visser per dag mag niet meer dan één zalm waarvan de vetvin niet is afgeknipt, aan boord worden gehouden;

b)

alle exemplaren van alle vissoorten aan boord moeten in gehele staat worden aangeland.

3.   In afwijking van de leden 1 en 2 wordt recreatievisserij op zalm ten noorden van 59° 30′ NB toegestaan van 1 mei tot en met 31 augustus zonder beperkingen in gebieden binnen vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen.

4.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen.

Artikel 10

Maatregelen voor de instandhouding van de zeeforel- en zalmbestanden in de deelsectoren 22-32

1.   Het vissen op zeeforel buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in de deelsectoren 22-32 is voor vissersvaartuigen verboden van 1 januari tot en met 31 december 2022. Bij het vissen op zalm buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in deelsector 32 mogen bijvangsten van zeeforel op elk moment aan boord of bij aanlanding na elke visreis niet meer bedragen dan 3 % van de totale zalm- en zeeforelvangst.

2.   Het is verboden met beuglijnen te vissen buiten vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in de deelsectoren 22-31.

3.   Dit artikel geldt onverminderd strengere nationale maatregelen.

Artikel 11

Flexibiliteit

1.   Tenzij anders vermeld in de bijlage bij deze verordening, is artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 van toepassing op bestanden waarvoor een voorzorgs-TAC geldt, en zijn artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van die verordening van toepassing op bestanden waarvoor een analytische TAC geldt.

2.   Artikel 3, leden 2 en 3, en artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 zijn niet van toepassing wanneer een lidstaat gebruikmaakt van de jaarflexibiliteit waarin artikel 15, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 voorziet.

Artikel 12

Toezending van gegevens

Wanneer de lidstaten overeenkomstig de artikelen 33 en 34 van Verordening (EG) nr. 1224/2009 gegevens met betrekking tot de hoeveelheden gevangen of aangelande vis aan de Commissie toezenden, gebruiken zij daarvoor de in de bijlage bij deze verordening vermelde bestandscodes.

HOOFDSTUK III

SLOTBEPALINGEN

Artikel 13

Wijzigingen van Verordening (EU) 2021/92

Verordening (EU) 2021/92 wordt als volgt gewijzigd:

1)

bijlage IA wordt als volgt gewijzigd:

a)

de tabel met de vangstmogelijkheden voor kabeljauw in ICES-sector 7d wordt vervangen door:

“Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

7d

(COD/07D.)

België

33

(1)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Frankrijk

649

(1)

Nederland

19

(1)

Unie

701

(1)

Verenigd Koninkrijk

71

(2)

TAC

772

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % worden gevangen in de wateren van 4, het gedeelte van 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort, en wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a (COD/*2A3X4).

(2)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 5 % worden gevangen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Europese Unie van 4, het gedeelte van 3a dat niet tot het Skagerrak en het Kattegat behoort, en wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a (COD/*2A3X4)”

b)

de tabel met de vangstmogelijkheden voor makreel in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en de Europese Unie van ICES-sector 2a en ICES-deelgebieden 3 en 4 wordt vervangen door:

“Soort:

Makreel

Scomber scombrus

Gebied:

wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 2a, 3 en 4

(MAC/2A34.)

België

544

(1)(2)

Analytische TAC

Artikel 8, lid 2, van deze verordening is van toepassing.

Denemarken

18 666

(1)(2)

Duitsland

567

(1)(2)

Frankrijk

1 713

(1)(2)

Nederland

1 724

(1)(2)

Zweden

5 108

(1)(2)(3)

Unie

28 322

(1)(2)

Noorwegen

Niet relevant

(4)

Verenigd Koninkrijk

Niet relevant

(1)(2)(3)

TAC

852 284

 

(1)

Bijzondere voorwaarde: hiervan mag tot 60 % worden gevangen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en internationale wateren van 2a, 5b, 6, 7, 8d, 8e, 12 en 14 (MAC/*2AX14.).

(2)

Binnen de limieten van de bovenstaande quota mag ook in de twee onderstaande gebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder vermelde hoeveelheden:

 

Noorse wateren van 2a (MAC/*02AN-)

Wateren van de Faeröer (MAC/*FRO1)

België

0

0

Denemarken

0

0

Duitsland

0

0

Frankrijk

0

0

Nederland

0

0

Zweden

0

0

Unie

0

0

(3)

Bijzondere voorwaarde: inclusief de volgende hoeveelheid in ton in de Noorse wateren van 2a en 4a (MAC/*2A4AN):

 

251

Indien overeenkomstig deze bijzondere voorwaarde wordt gevist, worden bijvangsten van kabeljauw, schelvis, witte koolvis, wijting en zwarte koolvis in mindering gebracht op de quota voor die soorten.

(4)

In mindering te brengen op het Noorse TAC-aandeel (toegangsquotum). Deze hoeveelheid omvat het volgende Noorse aandeel van de Noordzee-TAC:

 

0

Dit quotum mag uitsluitend in 4a worden gevangen (MAC/*04A.), behalve de volgende hoeveelheid (in ton), die mag worden gevangen in 3a (MAC/*03A.):

 

0

Bijzondere voorwaarde: binnen de limieten van de bovenstaande quota mag in de volgende gebieden niet meer worden gevangen dan de hieronder opgegeven hoeveelheden:


 

3a

wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 3a en 4bc

4b

4c

wateren van het Verenigd Koninkrijk en internationale wateren van 2a, 5b, 6, 7, 8d, 8e, 12 en 14

 

(MAC/*03A.)

(MAC/*3A4BC)

(MAC/*04B.)

(MAC/*04C.)

(MAC/*2A6.)

België

0

0

0

0

326

Denemarken

0

4 130

0

0

11 200

Duitsland

0

0

0

0

340

Frankrijk

0

490

0

0

1 028

Nederland

0

490

0

0

1 034

Zweden

0

0

390

10

3 065

Unie

0

5 110

390

10

16 993

Verenigd Koninkrijk

0

Niet relevant

0

0

Niet relevant

Noorwegen

0

0

0

0

0 ”

c)

de tabel met de vangstmogelijkheden voor makreel in de Noorse wateren van ICES-sectoren 2a en 4a wordt vervangen door:

“Soort:

Makreel

Scomber scombrus

Gebied:

Noorse wateren van 2a en 4a

(MAC/2A4A-N)

Denemarken

 

13 359

(1)

Analytische TAC

Unie

 

13 359

(1)

TAC

 

Niet relevant

 

(1)

In 2021 mag dit quotum alleen worden gevangen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 2a, 3a en 4 (MAC/*2A34X).”

d)

de tabel met de vangstmogelijkheden voor kever en geassocieerde bijvangsten in ICES-sector 3a, de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van ICES-deelgebied 4 en de wateren van het Verenigd Koninkrijk van ICES-sector 2a wordt vervangen door:

“Soort:

Kever en geassocieerde bijvangsten

Trisopterus esmarkii

Gebied:

3a; wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van 4; wateren van het Verenigd Koninkrijk van 2a

(NOP/2A3A4.)

Jaar

2021

2022

 

Denemarken

116 447

(1)(3)

24 727

(1)(6)

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

22

(1)(2)(3)

5

(1)(2)(6)

Nederland

86

(1)(2)(3)

18

(1)(2)(6)

Unie

116 555

(1)(3)

24 750

(1)(6)

Verenigd Koninkrijk

11 745

(2)(3)

5 250

(2)(6)

Noorwegen

0

(4)

0

(4)

Faeröer

0

(5)

0

(5)

TAC

Niet relevant

 

Niet relevant

 

(1)

Maximaal 5 % van het quotum mag bestaan uit bijvangsten van schelvis en wijting (OT2/*2A3A4). Overeenkomstig deze bepaling op het quotum in mindering gebrachte bijvangsten van schelvis en wijting en overeenkomstig artikel 5, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1380/2013 op het quotum in mindering gebrachte bijvangsten van soorten mogen samen niet hoger zijn dan 9 % van het quotum.

(2)

Het quotum mag alleen worden gevangen in de wateren van het Verenigd Koninkrijk en van de Unie van de ICES-gebieden 2a, 3a en 4.

(3)

Mag alleen worden gevangen van 1 november 2020 tot en met 31 oktober 2021.

(4)

Er moet een sorteerrooster worden gebruikt.

(5)

Er moet een sorteerrooster worden gebruikt. Met inbegrip van maximaal 15 % onvermijdelijke bijvangsten (NOP/*2A3A4), die op dit quotum in mindering moeten worden gebracht.

(6)

Mag alleen worden gevangen van 1 november 2021 tot en met 31 december 2021.”

e)

de tabel met de vangstmogelijkheden voor andere soorten in de wateren van de Unie van ICES-sector 4 en deelgebied 6a ten noorden van 56° 30′ N.B. wordt vervangen door:

“Soort:

Andere soorten

Gebied:

Wateren van de Unie van 4 en 6a ten noorden van 56° 30′ N.B.

(OTH/2A46AN)

Unie

Niet relevant

 

Voorzorgs-TAC

Noorwegen

1 000

(1)(2)

Faeröer

0

 

TAC

Niet relevant

 

(1)

Beperkt tot 4 (OTH/*2A4-C).

(2)

Soorten waarvoor geen andere TAC’s gelden.”

2)

in bijlage IB wordt de tabel met de vangstmogelijkheden voor lodde in de Groenlandse wateren van 5 en 14 vervangen door:

“Soort:

Lodde

Mallotus villosus

Gebied:

Groenlandse wateren van 5 en 14

(CAP/514GRN)

Denemarken

51 088

 

Analytische TAC

Artikel 3 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

2 224

 

Zweden

3 666

 

Alle lidstaten

2 645

(1)

Unie

59 623

(2)

Noorwegen

10 000

(2)

TAC

Niet relevant

 

(1)

Denemarken, Duitsland en Zweden mogen pas gebruikmaken van het quotum voor “alle lidstaten” wanneer zij hun eigen quotum hebben opgebruikt. Lidstaten waaraan meer dan 10 % van het quotum van de Unie is toegewezen, mogen het quotum voor “alle lidstaten” evenwel niet gebruiken. Vangsten die in mindering moeten worden gebracht op dit gedeelde quotum, worden afzonderlijk gerapporteerd (CAP/514GRN_AMS).

(2)

Voor een vangstperiode van 15 oktober 2021 tot en met 15 april 2022.”

3)

in bijlage V, deel B, wordt de volgende voetnoot betreffende Venezuela toegevoegd aan de tabel met het maximumaantal vismachtigingen voor vaartuigen van derde landen die in de wateren van de Unie vissen:

“(2)

Visserijactiviteiten zijn toegestaan op jaarbasis. Een vissersvaartuig mag zijn visserijactiviteiten echter tot drie maanden na het verstrijken van zijn vismachtiging voortzetten op voorwaarde dat de marktdeelnemer:

de procedure tot vernieuwing van zijn vismachtiging op gang heeft gebracht;

heeft voldaan aan al zijn contractuele en informatie- en communicatieverplichtingen.

Deze verlenging verstrijkt zodra het besluit van de Commissie tot afgifte van een nieuwe vismachtiging of de kennisgeving van weigering van de nieuwe vismachtiging aan dat vaartuig in werking is getreden.”.

Artikel 14

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2022.

In uitzondering op de tweede alinea geldt het volgende:

a)

Artikel 13, punt 1), a), 1) b), en 1), e), en punt 3 zijn van toepassing met ingang van 1 januari 2021;

b)

Artikel 13, punt 1), c), is van toepassing met ingang van 12 oktober 2021;

c)

Artikel 13, punt 2), is van toepassing met ingang van 15 oktober 2021 tot en met 15 april 2022;

d)

Artikel 13, punt 1), punt d), is van toepassing met ingang van 1 november 2021 tot en met 31 oktober 2022.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 oktober 2021.

Voor de Raad

De voorzitter

G. DOVŽAN


(1)  Verordening (EU) nr. 1380/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 inzake het gemeenschappelijk visserijbeleid, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 1954/2003 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordeningen (EG) nr. 2371/2002 en (EG) nr. 639/2004 van de Raad en Besluit 2004/585/EG van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 22).

(2)  Verordening (EU) 2016/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2016 tot vaststelling van een meerjarenplan voor de kabeljauw-, haring- en sprotbestanden in de Oostzee en de visserijen die deze bestanden exploiteren, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2187/2005 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1098/2007 van de Raad (PB L 191 van 15.7.2016, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) 2019/1241 van het Europees Parlement en de Raad van 20 juni 2019 betreffende de instandhouding van visbestanden en de bescherming van mariene ecosystemen door middel van technische maatregelen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1967/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en de Verordeningen (EU) nr. 1380/2013, (EU) 2016/1139, (EU) 2018/973, (EU) 2019/472 en (EU) 2019/1022 van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 894/97, (EG) nr. 850/98, (EG) nr. 2549/2000, (EG) nr. 254/2002, (EG) nr. 812/2004 en (EG) nr. 2187/2005 van de Raad (PB L 198 van 25.7.2019, blz. 105).

(4)  Verordening (EG) nr. 1224/2009 van de Raad van 20 november 2009 tot vaststelling van een controleregeling van de Unie die de naleving van de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid moet garanderen, tot wijziging van Verordeningen (EG) nr. 847/96, (EG) nr. 2371/2002, (EG) nr. 811/2004, (EG) nr. 768/2005, (EG) nr. 2115/2005, (EG) nr. 2166/2005, (EG) nr. 388/2006, (EG) nr. 509/2007, (EG) nr. 676/2007, (EG) nr. 1098/2007, (EG) nr. 1300/2008 en (EG) nr. 1342/2008 en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 2847/93, (EG) nr. 1627/94 en (EG) nr. 1966/2006 (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 847/96 van de Raad van 6 mei 1996 tot invoering van aanvullende voorwaarden voor het meerjarenbeheer van de TAC’s en quota (PB L 115 van 9.5.1996, blz. 3).

(6)  Verordening (EU) 2021/92 van de Raad van 28 januari 2021 tot vaststelling, voor 2021, van de vangstmogelijkheden voor bepaalde visbestanden en groepen visbestanden welke in de wateren van de Unie en, voor vissersvaartuigen van de Unie, in bepaalde wateren buiten de Unie van toepassing zijn (PB L 31 van 29.1.2021, blz. 31).

(7)  PB L 149 van 30.4.2021, blz. 10.

(8)  PB L 175 van 18.5.2021, blz. 3.

(9)  Verordening (EG) nr. 218/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 inzake de verstrekking van statistieken van de nominale vangsten van lidstaten die in het noordoostelijke gedeelte van de Atlantische Oceaan vissen (PB L 87 van 31.3.2009, blz. 70).


BIJLAGE

NAAR SOORT EN GEBIED UITGESPLITSTE TAC’S VOOR VISSERSVAARTUIGEN VAN DE UNIE IN GEBIEDEN WAAR TAC’S GELDEN

De onderstaande tabellen bevatten de TAC’s en quota per bestand (in ton levend gewicht, tenzij anders vermeld) en de functioneel daarmee verbonden voorwaarden.

Tenzij anders vermeld, gaat het bij de genoemde visserijzones om ICES-gebieden.

De visbestanden zijn vermeld in alfabetische volgorde op de Latijnse naam van de soort.

Voor de toepassing van deze verordening geldt de volgende vergelijkende tabel van Latijnse en gewone namen:

Wetenschappelijke naam

Drielettercode

Gewone naam

Clupea harengus

HER

Haring

Gadus morhua

COD

Kabeljauw

Pleuronectes platessa

PLE

Schol

Salmo salar

SAL

Atlantische zalm

Sprattus sprattus

SPR

Sprot


Tabel 1

Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Deelsectoren 30-31

(HER/30/31.)

Finland

91 287

 

Analytische TAC

Zweden

20 058

 

Unie

111 345

 

TAC

111 345

 

 


Tabel 2

Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Deelsectoren 22-24

(HER/3BC+24)

Denemarken

110

(1)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

435

(1)

Finland

0

(1)

Polen

103

(1)

Zweden

140

(1)

Unie

788

(1)

TAC

788

(1)

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op haring worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

In afwijking van de eerste alinea is de visserij op dit quotum toegestaan voor vissersvaartuigen van de Unie met een lengte over alles van minder dan 12 meter, die vissen met kieuwnetten, warnetten, handlijnen, kommen of peuren. Kapiteins van die vissersvaartuigen zorgen ervoor dat hun visserijactiviteit te allen tijde door de controleautoriteiten van de lidstaat kan worden gemonitord.


Tabel 3

Soort:

Haring

Clupea harengus

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 25-27, 28.2, 29 en 32

(HER/3D-R30)

Denemarken

1 180

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

313

 

Estland

6 028

 

Finland

11 766

 

Letland

1 488

 

Litouwen

1 566

 

Polen

13 367

 

Zweden

17 945

 

Unie

53 653

 

TAC

Niet relevant


Tabel 4

Soort:

Haring

Clupea harengus

Zone:

Deelsector 28.1

(HER/03D.RG)

Estland

22 026

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Letland

25 671

 

Unie

47 697

 

TAC

47 697

 


Tabel 5

Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 25-32

(COD/3DX32.)

Denemarken

137

(1)

Voorzorgs-TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

54

(1)

Estland

13

(1)

Finland

10

(1)

Letland

51

(1)

Litouwen

33

(1)

Polen

159

(1)

Zweden

138

(1)

Unie

595

(1)

TAC

Niet relevant

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op kabeljauw worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.


Tabel 6

Soort:

Kabeljauw

Gadus morhua

Gebied:

Deelsectoren 22-24

(COD/3BC+24)

Denemarken

214

(1)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

104

(1)

Estland

5

(1)

Finland

4

(1)

Letland

18

(1)

Litouwen

11

(1)

Polen

57

(1)

Zweden

76

(1)

Unie

489

(1)

TAC

489

(1)

(1)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op kabeljauw worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.


Tabel 7

Soort:

Schol

Pleuronectes platessa

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

(PLE/3BCD-C)

Denemarken

6 483

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

720

 

Polen

1 358

 

Zweden

489

 

Unie

9 050

 

TAC

9 050

 


Tabel 8

Soort:

Atlantische zalm

Salmo salar

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-31

(SAL/3BCD-F)

Denemarken

13 223

(1)(2)

Analytische TAC

Artikel 3, leden 2 en 3, van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Artikel 4 van Verordening (EG) nr. 847/96 is niet van toepassing.

Duitsland

1 471

(1)(2)

Estland

1 344

(1)(2)(3)

Finland

16 488

(1)(2)

Letland

8 411

(1)(2)

Litouwen

989

(1)(2)

Polen

4 011

(1)(2)

Zweden

17 874

(1)(2)

Unie

63 811

(1)(2)

TAC

Niet relevant

(1)

Aantal stuks.

(2)

Uitsluitend voor bijvangsten. In het kader van dit quotum is gerichte visserij niet toegestaan.

In afwijking van de eerste alinea mag in het kader van visserijactiviteiten die uitsluitend ten behoeve van wetenschappelijk onderzoek worden verricht, gericht op zalm worden gevist, mits dat onderzoek wordt uitgevoerd met volledige inachtneming van de voorwaarden van artikel 25 van Verordening (EU) 2019/1241.

In afwijking van de eerste alinea is de visserij op dit quotum voor vissersvaartuigen van de Unie toegestaan benoorden 59° 30′ NB in gebieden binnen vier zeemijl gemeten vanaf de basislijnen in de periode van 1 mei tot en met 31 augustus.

(3)

Bijzondere voorwaarde: van dit quotum mogen niet meer dan 450 exemplaren worden gevist in wateren van de Unie van deelsector 32 (SAL/*3D32).


Tabel 9

Soort:

Atlantische zalm

Salmo salar

Gebied:

Wateren van de Unie van deelsector 32

(SAL/3D32.)

Estland

969

(1)

Voorzorgs-TAC

Finland

8 486

(1)

Unie

9 455

(1)

TAC

Niet relevant

(1)

Aantal stuks.


Tabel 10

Soort:

Sprot

Sprattus sprattus

Gebied:

Wateren van de Unie van de deelsectoren 22-32

(SPR/3BCD-C)

Denemarken

24 852

 

Analytische TAC

Artikel 6 van deze verordening is van toepassing.

Duitsland

15 745

 

Estland

28 859

 

Finland

13 010

 

Letland

34 855

 

Litouwen

12 608

 

Polen

73 969

 

Zweden

48 045

 

Unie

251 943

 

TAC

Niet relevant

 


Top