EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32021R0654

Gedelegeerde Verordening (EU) 2021/654 van de Commissie van 18 december 2020 houdende aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad waarbij één enkel maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie en één enkel maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie wordt vastgesteld (Voor de EER relevante tekst)

C/2020/8703

OJ L 137, 22.4.2021, p. 1–9 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2021/654/oj

22.4.2021   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 137/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2021/654 VAN DE COMMISSIE

van 18 december 2020

houdende aanvulling van Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad waarbij één enkel maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie en één enkel maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie wordt vastgesteld

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn (EU) 2018/1972 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2018 tot vaststelling van het Europees wetboek voor elektronische communicatie (1), en met name artikel 75, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op grond van artikel 75, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972 moet de Commissie door middel van een gedelegeerde handeling een enkel maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie en een enkel maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie vaststellen om de regeldruk te verlagen door in de hele Unie consistent mededingingsproblemen in verband met gespreksafgifte op wholesaleniveau aan te pakken. De beginselen, criteria en parameters waaraan de Commissie moet voldoen, worden uiteengezet in bijlage III bij die richtlijn.

(2)

Deze verordening laat de bevoegdheden van nationale regelgevende instanties voor het bepalen van de relevante markten die overeenkomen met de nationale omstandigheden, het uitvoeren van de toetsing aan de drie criteria en het opleggen van andere maatregelen dan prijscontrole overeenkomstig artikel 64, lid 3, en de artikelen 67 en 68 van het wetboek, onverlet. Dientengevolge heeft de inwerkingtreding van deze verordening geen gevolgen voor de niet aan prijzen gerelateerde verplichtingen die nationale regelgevende instanties momenteel opleggen aan exploitanten met aanmerkelijke marktmacht in verband met vaste of mobiele afgiftediensten en blijven deze derhalve geldig tot ze in overeenstemming met de nationale en Unieregels worden herzien.

(3)

Uit de regelgevingspraktijk blijkt dat het nummer waarop mobiele of vaste gesprekken worden afgegeven een cruciale rol speelt voor de substitueerbaarheid aan de vraagzijde en de concurrentiedynamiek in de gespreksafgifte; derhalve is dit het belangrijkste element voor het afgiftemonopolie voor het rechtvaardigen van de behoefte aan regulering. Daarom moet de nummerreeks het belangrijkste criterium zijn voor de definitie van afgiftediensten, dat wil zeggen of het gesprek wordt geleverd aan een mobiel nummer, in het geval van mobiele gespreksafgifte, of aan andere soorten nummers, zoals geografische nummers en bepaalde niet-geografische nummers, in het geval van vaste gespreksafgifte.

(4)

Onder de afgiftediensten moeten diensten vallen die worden verleend met alle technologieën die door de afgifteaanbieder worden gebruikt voor het afgeven van oproepen, zoals op een 2G-, 3G-, 4G- of 5G-netwerk en/of via wifi, of een soort vast netwerk, ongeacht waar de oproep vandaan komt.

(5)

Voor elke mobiele of vaste afgiftedienst moet het netwerk van de afgevende exploitant verbonden zijn met ten minste één ander netwerk. Als aanbieders van gespreksafgiftediensten moeten aanbieders worden beschouwd die technische controle hebben over en de wettelijke bevoegdheid hebben voor het gebruiken van het opgeroepen nummer en het routeren van gesprekken naar de ontvanger.

(6)

De bijbehorende faciliteiten die voor het verlenen van afgiftediensten vereist kunnen worden door bepaalde exploitanten of in bepaalde lidstaten moeten worden uitgesloten van de afgiftedienst. Interconnectiepoorten, die op dit moment in veel lidstaten worden gereguleerd, zijn echter voor elke exploitant een essentieel onderdeel van de afgiftediensten, omdat er als er meer verkeer is ook meer interconnectiecapaciteit nodig is, en derhalve moeten deze worden opgenomen in de definitie van de afgiftedienst. Aanbieders van gespreksafgiftediensten mogen voor het afgeven van een oproep aan een gebruiker op zijn netwerk geen andere kosten in rekening brengen dan de relevante tarieven die in deze verordening zijn vastgesteld.

(7)

Diensten voor gespreksafgifte voor oproepen aan bepaalde niet-geografische nummers, zoals nummers voor betaalnummerdiensten, gratis diensten en diensten met kostendeling (ook wel “diensten met toegevoegde waarde” genoemd), gedragen zich niet als “traditionele” afgiftediensten waarbij er een monopolie is van de exploitanten die de oproep afgeven. Aanbieders van dergelijke diensten hebben een goede onderhandelingspositie en kunnen als onderdeel van de overeenkomst over de inkomstenverdeling onderhandelen over het afgiftetarief. Derhalve hebben aanbieders te maken met bepaalde beperkingen bij het vaststellen van de kosten voor het afgeven van oproepen aan deze niet-geografische nummers, in tegenstelling tot de afgifte van oproepen aan geografische of mobiele nummers. Daarom moet de afgifte van oproepen aan dergelijke nummers worden uitgesloten van de werkingssfeer van deze verordening. De nummerreeksen die worden gebruikt voor intermachinale communicatie (M2M) worden meestal niet gebruikt voor interpersoonlijke communicatie, omdat het om dataverkeer en niet om spraakverkeer gaat, en derhalve mogen deze niet worden opgenomen in de werkingssfeer van deze verordening die is beperkt tot spraakcommunicatie.

(8)

Diensten met betrekking tot gespreksafgifte voor oproepen aan andere soorten niet-geografische nummers, zoals de nummers die worden gebruikt voor vaste nomadische diensten en toegang tot hulpdiensten, vertonen kenmerken van het afgiftemonopolie en worden verleend over een vaste infrastructuur. Daarom moeten deze binnen de werkingssfeer van deze verordening vallen en worden behandeld als diensten met betrekking tot vaste gespreksafgifte.

(9)

Sommige spraakdiensten die exploitanten verlenen, kunnen niet puur als mobiele of vaste diensten worden geclassificeerd, maar zijn hybride diensten. “Homezone-diensten” zijn een voorbeeld van dergelijke hybride diensten, waarbij oproepen doorgaans via een mobiel netwerk worden geleverd aan een vast nummer. In lijn met de definitie van diensten voor gespreksafgifte waarbij het opgeroepen nummer het doorslaggevende criterium is, moeten dergelijke hybride diensten afhankelijk van het opgeroepen nummer worden behandeld als diensten voor mobiele of voor vaste spraakafgifte.

(10)

De gereguleerde tarieven voor gespreksafgifte moeten gelden voor gesprekken die afkomstig zijn van en worden afgegeven aan een nummer dat is opgenomen in de nationale nummerplannen dat overeenkomt met E.164-landcodes voor geografische gebieden die bij het grondgebied van de Unie horen (Unie-nummers). Nummers uit derde landen zijn alle nummers die geen Unie-nummers zijn. Het opnemen van gesprekken die afkomstig zijn van nummers uit derde landen en worden afgegeven aan een Unie-nummer, in het geval waarin de exploitanten uit het derde land afgiftetarieven hanteren die hoger zijn dan de enkele maximumtarieven voor gespreksafgifte voor de hele Unie of indien dergelijke afgiftetarieven niet gereguleerd zijn volgens kosteneffectieve beginselen die gelijkwaardig zijn aan de beginselen uit artikel 75 en bijlage III bij het wetboek, zou de doelstellingen van deze verordening en met name die voor het waarborgen van de integratie van de interne markt kunnen ondermijnen.

(11)

De combinatie van lagere gereguleerde afgiftetarieven voor gesprekken die afkomstig zijn van nummers uit derde landen die worden afgegeven aan Unie-nummers en hoge en niet-kosteneffectieve afgiftetarieven voor gesprekken aan nummers uit derde landen zou waarschijnlijk leiden tot hogere afgiftetarieven voor gesprekken die afkomstig zijn van Unie-nummers die worden afgegeven aan nummers uit derde landen, wat een negatieve invloed zou hebben op de retailtarieven in de Unie en op de kostenstructuur van exploitanten in de Unie. De verschillende mate waarin exploitanten in de Unie te maken hebben met gesprekken die worden afgegeven door dergelijke exploitanten in derde landen die hoge en niet-kosteneffectieve afgiftetarieven in rekening brengen, zou leiden tot onevenwichtigheden in de kostenstructuren van exploitanten in de Unie vanwege factoren waarover de exploitanten zelf geen controle hebben. Dit zou waarschijnlijk verhinderen dat er pan-Europese retailaanbiedingen worden gedaan die gesprekken aan bepaalde nummers uit derde landen omvatten, vanwege hogere afgiftetarieven voor gesprekken aan die landen, wat negatieve gevolgen kan hebben voor consumenten en met name bedrijven in de Unie. Bovendien zou dit de concurrentie verstoren, daar de asymmetrische gevolgen van de blootstelling aan hoge afgiftetarieven voor gesprekken die worden afgegeven aan nummers uit derde landen ertoe zouden leiden dat de verschillende exploitanten in de Unie te maken hebben met verschillende concurrentieomstandigheden, wat uiteindelijk het investeringsvermogen en de investeringsstimulansen in de hele Unie zou verstoren (zowel voor investeringen in exploitanten als voor investeringen door exploitanten). Al deze gevolgen zouden duidelijk in strijd zijn met de doelstellingen van deze verordening, namelijk het bevorderen van de integratie van de interne markt door het wegnemen van verstoringen tussen exploitanten vanwege afgiftetarieven die ver boven de kostprijs liggen.

(12)

Met het doel om de enkele maximumtarieven voor gespreksafgifte voor de hele Unie op een open, transparante en niet-discriminerende wijze toe te passen en de uitsluiting van gesprekken die afkomstig zijn van nummers uit derde landen te beperken tot wat strikt noodzakelijk is om ervoor te zorgen dat de doelstellingen betreffende de interne markt worden behaald en dat de evenredigheid wordt gewaarborgd, moeten de tarieven die in deze verordening zijn vastgesteld gelden voor gesprekken die afkomstig zijn van nummers uit derde landen en worden afgegeven aan Unie-nummers wanneer de afgiftetarieven die door aanbieders van afgiftediensten in derde landen worden toegepast op gesprekken die afkomstig zijn van Unie-nummers gelijk zijn aan of lager zijn dan de maximumtarieven voor gespreksafgifte die in deze verordening zijn vastgesteld. Gedurende de overgangsperiode voor de tarieven voor vaste gespreksafgifte in 2021 en de afbouwperiode voor de tarieven voor mobiele gespreksafgifte (van 2021 tot 2023), zijn de tarieven die zijn vermeld in artikel 4, leden 2 tot en met 5, van de verordening de relevante maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte die dit mechanisme in werking zetten. De relevante maximumtarieven voor vaste gespreksafgifte die dit mechanisme in 2021 in werking zetten, zijn de tarieven die zijn vermeld in artikel 5, lid 2, van de gedelegeerde verordening. Aanbieders van gespreksafgiftediensten in de Unie moeten dergelijke tarieven toepassen op basis van de tarieven die worden toegepast of aangeboden door aanbieders van afgiftediensten in derde landen.

(13)

Gezien het feit dat aanbieders van gespreksafgiftediensten in de Unie niet altijd in staat zijn om te weten welke afgiftetarieven exploitanten in derde landen hanteren, moeten deze laatsten doorgaans controleerbare informatie verstrekken als bewijs voor het aangeboden afgiftetarief. Wanneer transitleveranciers (of andere tussenpersonen) afgiftediensten doorverkopen aan exploitanten in de Unie, is het afgiftetarief dat die transitleveranciers toepassen of aanbieden het relevante tarief om te bepalen of dit gelijk is aan of lager is dan de maximumtarieven voor gespreksafgifte die in deze verordening zijn vastgesteld.

(14)

Wanneer exploitanten in derde landen voor gesprekken die afkomstig zijn van Unie-nummers die worden afgegeven aan nummers in derde landen afgiftetarieven in rekening brengen die hoger zijn dan de tarieven voor gespreksafgifte voor de hele Unie, moeten de tarieven die zijn vastgesteld in deze verordening ook gelden voor gesprekken die afkomstig zijn van nummers uit derde landen die worden afgegeven aan Unie-nummers, indien de Commissie op basis van door dergelijke derde landen aan haar verstrekte informatie vaststelt dat de regulering van afgiftetarieven in deze landen gebaseerd is op beginselen die gelijkwaardig zijn aan die uit artikel 75 van Richtlijn (EU) 2018/1972 en bijlage III daarbij. Het overzicht van derde landen die aan dergelijke vereisten voldoen, moet vervolgens worden opgenomen in deze verordening en naar behoren worden bijgewerkt.

(15)

Omdat op basis van de herkomst van de oproep wordt bepaald of de afgiftetarieven voor de hele Unie van toepassing zijn, is het cruciaal dat exploitanten in de Unie het land van herkomst van de oproeper kunnen vaststellen. Hiervoor mogen exploitanten zich baseren op de landcode binnen de identificatie van de oproepende lijn. Om te waarborgen dat deze verordening correct wordt toegepast, moeten exploitanten in de Unie voor elke inkomende oproep een geldige identificatie van de oproepende lijn ontvangen. Dientengevolge hoeven exploitanten in de Unie geen afgiftetarieven voor de hele Unie toe te passen voor het afgeven van gesprekken als deze identificatie van de oproepende lijn ontbreekt, ongeldig is of vals is.

(16)

Voor het ramen van de efficiënte kosten voor het afgeven van een spraakoproep aan een hypothetisch mobiel of vast netwerk in de Unie in overeenstemming met de beginselen uit artikel 75, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972 en bijlage III daarbij, zijn met inachtneming van de kosten in elke lidstaat twee kostenmodellen ontwikkeld: een voor mobiele en een voor vaste afgifte.

(17)

De kostenmodellen voor mobiele en vaste netwerken zijn voltooid op basis van de feedback over de kosten in elke lidstaat die via het raadplegingsproces is ontvangen. Op grond van bijlage III bij Richtlijn (EU) 2018/1972 resulteerden de kostenmodellen in tarieven op basis van het terugverdienen van de kosten die door een efficiënte exploitant gemaakt zijn. Derhalve zijn de tarieven uitsluitend gebaseerd op de incrementele kosten van het verlenen van gespreksafgiftediensten op wholesaleniveau, dat wil zeggen de kosten die met het verkeer samenhangen die alleen vermeden zouden worden wanneer er geen gespreksafgiftediensten op wholesaleniveau zouden worden geleverd.

(18)

De enkele maximumtarieven voor mobiele en vaste gespreksafgifte voor de hele Unie zijn vastgesteld met inachtneming van de efficiënte kosten in het land met de hoogste kosten volgens de kostenmodellen waarvoor opdracht is gegeven, waarbij het beginsel van het terugverdienen van de kosten in de hele Unie wordt gewaarborgd en waarbij vervolgens een kleine veiligheidsmarge is opgeteld om rekening te houden met mogelijke onnauwkeurigheden in de kostenmodellen.

(19)

Het enkele maximumtarief voor gespreksafgifte in de hele Unie dat in deze verordening is vastgesteld moet twee maanden na de inwerkingtreding ervan ingaan om te waarborgen dat exploitanten de tijd hebben om hun informatie-, facturatie- en boekhoudsystemen aan te passen en de nodige aanpassingen te doen in de interconnectieovereenkomsten.

(20)

Wanneer de huidige gemiddelde tarieven voor gespreksafgifte in de Unie aanzienlijk hoger zijn dan de tarieven die in de toekomst moeten worden opgelegd, dat wil zeggen de kosteneffectieve enkele maximumtarieven voor gespreksafgifte voor de hele Unie die in deze verordening zijn vastgesteld, moet er in overeenstemming met de gebruikelijke regelgevingspraktijken een afbouwperiode worden gehanteerd. In dergelijke gevallen moet de afbouwperiode een effectief middel zijn om de toepassing van lagere tarieven in overeenstemming met het evenredigheidsbeginsel te versoepelen.

(21)

Met het oog op de huidige gemiddelde tarieven voor mobiele gespreksafgifte in alle lidstaten moet er een afbouwperiode worden ontwikkeld om het enkele maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie te bereiken. Om een balans te vinden tussen een snelle invoering en de noodzaak om aanzienlijke verstoringen voor exploitanten te voorkomen, moet de afbouwperiode beginnen op een niveau dat dicht bij de huidige gemiddelde tarieven voor mobiele afgifte ligt, dat gedurende een periode van drie jaar jaarlijks wordt verlaagd en vervolgens in 2024 uitkomt op het enkele maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie.

(22)

Derhalve is in deze verordening een afbouwperiode van drie jaar vastgesteld die in 2024 uitkomt op het kosteneffectieve enkele maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie. Er zou geen overgangsperiode nodig moeten zijn voor aanbieders in lidstaten die voor 2021 tarieven boven de enkele maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie hanteren, omdat met de afbouwperiode wordt voldaan aan de doelstelling om de gevolgen van de invoering van het enkele maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie te verzachten.

(23)

In sommige lidstaten liggen de huidige gereguleerde maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte onder de tarieven voor mobiele afgifte die als gevolg van de afbouwperiode zijn vastgesteld voor 2021, 2022 en 2023 en dicht bij het enkele maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie. Om mogelijke stijgingen van de retailprijzen in die lidstaten als gevolg van een tijdelijke stijging van de gereguleerde tarieven voor mobiele gespreksafgifte te voorkomen, moet het mogelijk zijn om de huidige gereguleerde tarieven voor mobiele afgifte in die lidstaten te blijven hanteren tot het jaar waarin het maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte dat in deze verordening voor dat jaar is vastgesteld gelijk is aan of lager is dan de geldende afgiftetarieven van die lidstaten voor dat jaar.

(24)

Daar het verschil tussen de gemiddelde huidige tarieven voor vaste gespreksafgifte en het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie dat in deze verordening is vastgesteld kleiner is dan dat van de tarieven voor mobiele gespreksafgifte, is er geen afbouwperiode voor vaste gespreksafgifte nodig. Het is echter gerechtvaardigd om een overgangsperiode toe te kennen aan bepaalde lidstaten om de soepele overgang naar het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie te waarborgen en onnodige vertraging bij de toepassing ervan te vermijden.

(25)

Op basis van de huidige tarieven voor vaste gespreksafgifte in bepaalde lidstaten en de hoogte van het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie dat in deze verordening is vastgesteld, is het gerechtvaardigd om bepaalde lidstaten een overgangsperiode toe te kennen. De overgangsperiode begint op de toepassingsdatum van deze verordening en eindigt op 31 december 2021. Tijdens de overgangsperiode kunnen in de desbetreffende lidstaten specifieke tarieven gelden die afwijken van het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie.

(26)

In die lidstaten waarin de huidige tarieven voor vaste gespreksafgifte aanzienlijk hoger zijn dan het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie, is het gerechtvaardigd een overgangsperiode toe te kennen voor de geleidelijke aanpassing van die tarieven. In alle lidstaten, met uitzondering van twee lidstaten waarin de huidige tarieven voor vaste gespreksafgifte meer dan 0,000875 EUR bedragen (het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie plus 25 %), moet het maximumtarief voor vaste gespreksafgifte in 2021 gelijk zijn aan het huidige tarief min 20 %. In Polen en Finland, die de beginselen uit Aanbeveling 2009/396/EG van de Commissie (2) tot nu toe niet hebben opgevolgd en op dit moment zeer hoge tarieven voor vaste gespreksafgifte hebben, zou een verlaging van 20 % een te kleine stap in de richting van het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie zijn. Derhalve moet hun tarief voor de overgangsperiode het tarief van de lidstaat met het hoogste tarief tijdens die periode zijn, met uitzondering van die twee lidstaten. Voor de resterende lidstaten, waarin de huidige tarieven voor vaste gespreksafgifte onder het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie liggen of waar een verlaging van 20 % hen op of onder het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie zou brengen, moet geen overgangsperiode worden vastgesteld.

(27)

Het Orgaan van Europese regulerende instanties voor elektronische communicatie is in overeenstemming met artikel 75, lid 1, van Richtlijn (EU) 2018/1972 geraadpleegd en heeft op 15 oktober 2020 een advies uitgebracht,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Met deze verordening worden een enkel maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie en een enkel maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie vastgesteld die aanbieders van gespreksafgiftediensten op wholesaleniveau in rekening moeten brengen voor mobiele en vaste gespreksafgifte.

2.   Deze verordening laat de bevoegdheden van nationale regelgevende instanties op grond van artikel 64, lid 3, en de artikelen 67 en 68 van Richtlijn (EU) 2018/1972 onverlet.

3.   De artikelen 4 en 5 zijn van toepassing op gesprekken die afkomstig zijn van en worden afgegeven aan Unie-nummers.

4.   De artikelen 4 en 5 zijn ook van toepassing op gesprekken die afkomstig zijn van nummers uit derde landen en worden afgegeven aan Unie-nummers indien aan een van de twee volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

indien een aanbieder van gespreksafgiftediensten in een derde land tarieven voor mobiele of vaste gespreksafgifte hanteert voor gesprekken die afkomstig zijn van Unie-nummers die gelijk zijn aan of lager zijn dan de maximumtarieven voor gespreksafgifte die in artikel 4 of 5 voor elk jaar en voor elke lidstaat zijn vastgesteld voor respectievelijk mobiele of vaste gespreksafgifte, op basis van de tarieven die worden toegepast of aangeboden door aanbieders van gespreksafgiftediensten in derde landen aan aanbieders van gespreksafgiftediensten in de Unie, of

b)

indien:

i)

de Commissie op basis van door een derde land verstrekte informatie vaststelt dat de tarieven voor gespreksafgifte voor gesprekken die afkomstig zijn van Unie-nummers en worden afgegeven aan nummers in dat derde land worden gereguleerd in overeenstemming met beginselen die gelijkwaardig zijn aan die uit artikel 75 van Richtlijn (EU) 2018/1972 en bijlage III daarbij, en

ii)

dat derde land is opgenomen in de bijlage bij deze verordening.

5.   De kosten in de artikelen 4 en 5 zijn kosten per minuut (zonder btw) die per seconde in rekening worden gebracht.

Artikel 2

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)

“mobiele gespreksafgiftedienst”: de dienst op wholesaleniveau die nodig is om gesprekken af te geven aan mobiele nummers die openbaar toegewezen nummervoorraden zijn, namelijk nummers uit nationale nummerplannen, verstrekt door exploitanten die zeggenschap over de gespreksafgifte hebben en de afgiftetarieven voor gesprekken aan dergelijke nummers kunnen vaststellen, waarbij sprake is van interconnectie met ten minste één netwerk, ongeacht de gebruikte technologie, met inbegrip van interconnectiepoorten;

b)

“vaste gespreksafgiftedienst”: de dienst op wholesaleniveau die nodig is om gesprekken af te geven aan geografische en niet-geografische nummers die worden gebruikt voor vaste nomadische diensten en voor toegang tot hulpdiensten, die openbaar toegewezen nummervoorraden zijn, namelijk nummers uit nationale nummerplannen, verstrekt door exploitanten die zeggenschap over de gespreksafgifte hebben en de afgiftetarieven voor gesprekken aan dergelijke nummers kunnen vaststellen, waarbij sprake is van interconnectie met ten minste één netwerk, ongeacht de gebruikte technologie, met inbegrip van interconnectiepoorten;

c)

“Unie-nummer”: een nummer uit nationale nummerplannen dat overeenkomt met E.164-landcodes voor geografische gebieden die bij het grondgebied van de Unie horen.

Artikel 3

1.   Aanbieders van mobiele of vaste gespreksafgiftediensten brengen geen tarief in rekening dat hoger is dan het desbetreffende maximumtarief voor het afgeven van een gesprek aan een eindgebruiker op zijn netwerk zoals is vastgesteld in de artikelen 4 en 5.

2.   Indien de tarieven voor gespreksafgifte op dit moment in een andere valuta dan de euro zijn vastgesteld, worden de maximumtarieven voor mobiele en vaste gespreksafgifte op grond van artikel 4, leden 1, 2, 4 en 5, en artikel 5, lid 1, omgerekend naar de nationale valuta door het gemiddelde van de referentiewisselkoersen die de Europese Centrale Bank op 1 januari, 1 februari en 1 maart 2021 heeft gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, toe te passen.

3.   De maximumtarieven voor mobiele en vaste gespreksafgifte die zijn weergegeven in een andere valuta dan de euro worden jaarlijks op 1 januari herzien en bijgewerkt door het meest recente gemiddelde van de referentiewisselkoersen die de Europese Centrale Bank op 1 september, 1 oktober en 1 november heeft gepubliceerd in het Publicatieblad van de Europese Unie, te gebruiken.

Artikel 4

1.   Het enkele maximumtarief voor mobiele gespreksafgifte voor de hele Unie bedraagt 0,002 EUR per minuut.

2.   In afwijking van lid 1 mogen aanbieders van mobiele gespreksafgiftediensten de volgende maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte hanteren:

a)

van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 in de lidstaten die niet worden vermeld in lid 3: 0,007 EUR per minuut;

b)

van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 in de lidstaten die niet worden vermeld in lid 4: 0,0055 EUR per minuut;

c)

van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 in de lidstaten die niet worden vermeld in lid 5: 0,004 EUR per minuut.

3.   In afwijking van lid 1 mogen aanbieders van mobiele gespreksafgiftediensten van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 de volgende maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte hanteren in de volgende lidstaten:

a)

0,045 HRK per minuut in Kroatië;

b)

0,0020 EUR per minuut op Cyprus;

c)

0,0385 DKK per minuut in Denemarken;

d)

0,00622 EUR per minuut in Griekenland;

e)

1,71 HUF per minuut in Hongarije;

f)

0,0043 EUR per minuut in Ierland;

g)

0,0067 EUR per minuut in Italië;

h)

0,004045 EUR per minuut op Malta;

i)

0,00581 EUR per minuut in Nederland;

j)

0,0036 EUR per minuut in Portugal;

k)

0,0064 EUR per minuut in Spanje;

l)

0,0216 SEK per minuut in Zweden.

4.   In afwijking van lid 1 mogen aanbieders van mobiele gespreksafgiftediensten van 1 januari 2022 tot en met 31 december 2022 de volgende maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte hanteren in de volgende lidstaten:

a)

0,0020 EUR per minuut op Cyprus;

b)

0,0052 EUR per minuut in Denemarken;

c)

0,0047 EUR per minuut in Hongarije;

d)

0,0043 EUR per minuut in Ierland;

e)

0,0040 EUR per minuut op Malta;

f)

0,0036 EUR per minuut in Portugal;

g)

0,0021 EUR per minuut in Zweden.

5.   In afwijking van lid 1 mogen aanbieders van mobiele gespreksafgiftediensten van 1 januari 2023 tot en met 31 december 2023 de volgende maximumtarieven voor mobiele gespreksafgifte hanteren in de volgende lidstaten:

a)

0,0020 EUR per minuut op Cyprus;

b)

0,0036 EUR per minuut in Portugal;

c)

0,0021 EUR per minuut in Zweden.

Artikel 5

1.   Het enkele maximumtarief voor vaste gespreksafgifte voor de hele Unie bedraagt 0,0007 EUR per minuut.

2.   In afwijking van lid 1 mogen aanbieders van vaste gespreksafgiftediensten van 1 juli 2021 tot en met 31 december 2021 de volgende maximumtarieven voor vaste gespreksafgifte hanteren in de volgende lidstaten:

a)

0,00089 EUR per minuut in Oostenrijk;

b)

0,00093 EUR per minuut in België;

c)

0,0057 HRK per minuut in Kroatië;

d)

0,0264 CZK per minuut in Tsjechië;

e)

0,00111 EUR per minuut in Finland;

f)

0,00076 EUR per minuut in Letland;

g)

0,00072 EUR per minuut in Litouwen;

h)

0,00110 EUR per minuut in Luxemburg;

i)

0,00111 EUR per minuut in Nederland;

j)

0,005 PLN per minuut in Polen;

k)

0,00078 EUR per minuut in Roemenië;

l)

0,00078 EUR per minuut in Slowakije.

Artikel 6

1.   Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van 1 juli 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 december 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 321 van 17.12.2018, blz. 36.

(2)  Aanbeveling 2009/396/EG van de Commissie van 7 mei 2009 inzake de regelgeving voor afgiftetarieven van vaste en mobiele telefonie in de EU (PB L 124 van 20.5.2009, blz. 67).


BIJLAGE

Lijst van derde landen overeenkomstig artikel 1, lid 4, onder b), van deze verordening:

1.


Top