EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R2093

Verordening (EU, Euratom) 2020/2093 van de Raad van 17 december 2020 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027

OJ L 433I , 22.12.2020, p. 11–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/2093/oj

22.12.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 433/11


VERORDENING (EU, Euratom) 2020/2093 VAN DE RAAD

van 17 december 2020

tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2021-2027

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 312,

Gezien het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, en met name artikel 106 bis,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement (1),

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Na raadpleging van het Europees Economisch en Sociaal Comité,

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Omdat er voldoende voorspelbaarheid nodig is met het oog op de voorbereiding en uitvoering van de investeringen voor de middellange termijn, dient de looptijd van het meerjarig financieel kader (MFK) te worden vastgesteld op zeven jaar met ingang van 1 januari 2021.

(2)

De economische impact van de COVID-19-crisis noopt de Unie ertoe te zorgen voor een financieel langetermijnkader dat de weg vrijmaakt voor een eerlijke en inclusieve transitie naar een groene en digitale toekomst, de strategische autonomie van de Unie op langere termijn ondersteunt en haar bestand maakt tegen toekomstige schokken.

(3)

De jaarlijkse maxima voor vastleggingskredieten per uitgavencategorie en de jaarlijkse maxima voor betalingskredieten die bij deze verordening worden vastgesteld, moeten de toepasselijke maxima voor vastleggingskredieten en eigen middelen in acht nemen die worden vastgesteld overeenkomstig het vigerende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie, dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) (het “eigenmiddelenbesluit”).

(4)

Indien gebruik moet worden gemaakt van de garanties die zijn verleend binnen de algemene begroting van de Unie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel 220, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad (2) (het “financieel reglement”), dient het noodzakelijke bedrag ter beschikking te worden gesteld boven de maxima voor de vastleggings- en betalingskredieten van het MFK met inachtneming van het maximum van de eigen middelen.

(5)

In het MFK dient geen rekening te worden gehouden met de begrotingsonderdelen die worden gefinancierd met bestemmingsontvangsten in de zin van het financieel reglement.

(6)

Het MFK dient te worden vastgesteld in prijzen van 2018. De regels inzake de jaarlijkse technische aanpassing van het MFK voor het herberekenen van de maxima en de beschikbare marges dienen eveneens te worden vastgesteld.

(7)

Er moeten regels worden opgesteld voor andere situaties die een aanpassing van het MFK kunnen vergen. Dergelijke aanpassingen kunnen verband houden met de vertraagde vaststelling van nieuwe regels of programma’s in gedeeld beheer, met maatregelen in verband met goed economisch bestuur of met maatregelen die worden vastgesteld uit hoofde van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting. Ook moeten er regels worden vastgesteld voor een mechanisme voor programmaspecifieke aanpassingen.

(8)

Specifiek en maximale flexibiliteit moet worden gerealiseerd om de Unie in staat te stellen overeenkomstig artikel 323 van het VWEU aan haar verplichtingen te voldoen.

(9)

De volgende thematische speciale instrumenten zijn nodig om de Unie in staat te stellen op specifieke onvoorziene omstandigheden of gevolgen te reageren en aldus de begrotingsprocedure vlot te laten verlopen: het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, de reserve voor solidariteit en noodhulp en de reserve voor aanpassing aan de brexit. De reserve voor solidariteit en noodhulp is niet bedoeld voor het aanpakken van de gevolgen van marktgerelateerde crises die de landbouwproductie of -distributie treffen.

(10)

De volgende niet-thematische speciale instrumenten zijn nodig om voor nog meer flexibiliteit te zorgen: het enkelvoudig marge-instrument en het flexibiliteitsinstrument. Het enkelvoudig marge-instrument moet het mogelijk maken beschikbare marges onder de maxima voor vastleggings- en betalingskredieten over te dragen tussen begrotingsjaren en, wat de vastleggingskredieten betreft, tussen MFK-rubrieken, zonder de totale bedragen van de MFK-maxima voor vastleggings- en betalingskredieten voor de gehele periode van het MFK te overschrijden. Het flexibiliteitsinstrument moet de financiering mogelijk maken van specifieke onvoorziene uitgaven voor een bepaald jaar.

(11)

Er moet worden voorzien in een specifieke bepaling om vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten die de in het MFK vastgestelde maxima overschrijden, in de begroting te kunnen opvoeren indien speciale instrumenten moeten worden ingezet.

(12)

Herziening van het MFK moet mogelijk worden gemaakt in geval van herziening van de Verdragen met budgettaire gevolgen, van hereniging van Cyprus of van uitbreiding van de Unie, alsmede naar aanleiding van de uitvoering van de begroting.

(13)

Het kan wellicht ook nodig zijn deze verordening te herzien naar aanleiding van onvoorziene omstandigheden die niet kunnen worden verholpen binnen de in het MFK vastgestelde grenzen. Daarom moet in dergelijke gevallen een herziening van het MFK mogelijk worden gemaakt.

(14)

Verder zijn specifieke regels nodig in verband met grootschalige projecten waarvan de looptijd de periode die voor het MFK is vastgesteld, ruim overschrijdt. Er dienen maximumbedragen te worden vastgesteld voor de bijdragen uit de algemene begroting van de Unie aan deze projecten, opdat zij geen gevolgen hebben voor andere projecten die uit die begroting worden gefinancierd.

(15)

In de begrotingsprocedure dienen algemene regels voor interinstitutionele samenwerking te worden vastgelegd, met inachtneming van de in de Verdragen neergelegde budgettaire bevoegdheden van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (de “instellingen”) alsmede transparantievereisten.

(16)

De Commissie moet vóór 1 juli 2025 een voorstel voor een nieuw meerjarig financieel kader indienen, opdat de instellingen dit voorstel ruim vóór de aanvang van het volgende MFK kunnen aannemen. Overeenkomstig artikel 312, lid 4, VWEU blijven de maximumbedragen voor het laatste jaar van het MFK dat onder deze verordening valt, van toepassing indien vóór het verstrijken van het bij deze verordening vastgestelde MFK geen nieuw meerjarig financieel kader is vastgesteld,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Meerjarig financieel kader

Deze verordening stelt het meerjarig financieel kader (MFK) voor de jaren 2021 tot en met 2027 vast.

Artikel 2

Inachtneming van de maxima van het MFK

1.   Het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (de “instellingen”) nemen tijdens elke begrotingsprocedure en tijdens de uitvoering van de begroting van het betrokken begrotingsjaar de in bijlage I vastgestelde jaarlijkse maximumbedragen aan uitgaven (de “MFK-maxima”) in acht.

Het submaximum van rubriek 3 als opgenomen in bijlage I wordt bepaald onverminderd de flexibiliteit tussen de twee pijlers van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB). Het aangepaste maximum dat van toepassing is op pijler I van het GLB ten gevolge van de overdrachten tussen het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en de directe betalingen wordt vastgesteld in de desbetreffende rechtshandeling en het MFK zal dienovereenkomstig worden aangepast in het kader van de technische aanpassingen krachtens artikel 4 van deze verordening.

2.   Indien een beroep moet worden gedaan op de middelen van de in de artikelen 8, 9, 10 en 12 bedoelde speciale instrumenten, worden in de begroting vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten opgenomen boven de desbetreffende MFK-maxima.

Indien een beroep moet worden gedaan op de middelen van het enkelvoudig marge-instrument als vastgelegd in artikel 11, worden in de begroting vastleggingskredieten en bijbehorende betalingskredieten opgenomen boven de desbetreffende MFK-maxima voor een bepaald jaar.

3.   Indien gebruik moet worden gemaakt van een garantie voor financiële bijstand aan lidstaten die is goedgekeurd overeenkomstig artikel 220, lid 1, van het financieel reglement, wordt het benodigde bedrag ter beschikking gesteld boven de MFK-maxima.

Artikel 3

Inachtneming van het maximum van de eigen middelen

1.   Voor elk van de jaren waarop het MFK betrekking heeft, mag het totaalbedrag van de benodigde kredieten voor betalingen, na jaarlijkse bijstelling en met inachtneming van de aanpassingen en herzieningen, en het bepaalde in artikel 2, leden 2 en 3, niet tot een hoger opvragingspercentage van de eigen middelen leiden dan het in het vigerende besluit van de Raad betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Unie dat is vastgesteld overeenkomstig artikel 311, derde alinea, VWEU (het “eigenmiddelenbesluit”) vastgestelde maximum.

2.   Indien nodig worden de MFK-maxima verlaagd om ervoor te zorgen dat het in het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen in acht wordt genomen.

HOOFDSTUK 2

AANPASSING VAN HET MFK

Artikel 4

Technische aanpassingen

1.   Elk jaar brengt de Commissie, voorafgaand aan de begrotingsprocedure van jaar n+1, de volgende technische aanpassingen aan in het MFK:

a)

een herberekening, tegen de prijzen van jaar n+1, van de maxima en de totaalbedragen van de vastleggings- en betalingskredieten;

b)

een berekening van de marge die onder het in het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen beschikbaar blijft;

c)

een berekening van het bedrag aan vastleggingskredieten dat beschikbaar is in het kader van het in artikel 11, lid 1, eerste alinea, onder a), bedoelde enkelvoudig marge-instrument, alsmede van het in artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder a), bedoelde totale maximumbedrag;

d)

een berekening van de aanpassing van het maximum voor de betalingskredieten in het kader van het enkelvoudig marge-instrument als bedoeld in artikel 11, lid 1, eerste alinea, onder b), en van het in artikel 11, lid 2, eerste alinea, onder b), bedoelde maximumbedrag;

e)

een berekening van de in artikel 5, lid 1, bedoelde extra toewijzingen voor specifieke programma’s en het resultaat van de in artikel 5, lid 2, bedoelde jaarlijkse aanpassing.

2.   De Commissie verricht de in lid 1 bedoelde technische aanpassingen op basis van een vaste deflator van 2 % per jaar.

3.   De Commissie deelt de resultaten van de in lid 1 bedoelde technische aanpassingen en de eraan ten grondslag liggende economische prognoses mee aan het Europees Parlement en aan de Raad.

4.   Onverminderd de artikelen 6 en 7 worden er geen andere technische aanpassingen aangebracht ten aanzien van het betrokken jaar, noch tijdens het begrotingsjaar, noch bij wijze van correctie achteraf in latere jaren.

Artikel 5

Programmaspecifieke aanpassing

1.   Er wordt een bedrag beschikbaar gemaakt dat overeenkomt met de inkomsten uit geldboeten die krachtens Verordeningen (EG) nr. 1/2003 (3) en (EG) nr. 139/2004 (4) van de Raad door Unie-instellingen zijn opgelegd, dat in het jaar n-1 in de begroting is opgenomen overeenkomstig artikel 107 van het financieel reglement, na aftrek van het in artikel 141, lid 1, van het Akkoord inzake de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie (5) bedoelde bedrag voor het jaar n-1, voor een extra toewijzing van:

a)

vastleggingskredieten voor jaar n+1, voor de jaren 2022 tot en met 2027, voor de in bijlage II genoemde programma’s, volgens de percentages voor die programma’s in de kolom getiteld “Verdeelsleutel” van de tabel in bijlage II, en

b)

betalingskredieten voor jaar n+1, voor de jaren 2022 tot en met 2027.

De totale extra toewijzingen voor de periode 2022 tot en met 2027 voor respectievelijk vastleggings- en betalingskredieten bedragen 11 000 miljoen EUR (in prijzen van 2018). Voor elk van de jaren 2022 tot en met 2026 bedragen de extra toewijzingen voor respectievelijk vastleggings- en betalingskredieten jaarlijks minstens 1 500 miljoen EUR (in prijzen van 2018) en hoogstens 2 000 miljoen EUR (in prijzen van 2018).

Het totale bedrag van extra toewijzingen voor vastleggingskredieten voor de programma’s in de periode 2022 tot en met 2027 is opgenomen in de kolom getiteld “Totale extra toewijzing van vastleggingskredieten uit hoofde van artikel 5” van de tabel in bijlage II.

2.   De maxima voor vastleggingskredieten van de betrokken rubrieken voor jaar n+1, voor de jaren 2022 tot en met 2027 worden opwaarts aangepast met de bedragen die overeenkomen met de in lid 1 beschreven extra toewijzingen volgens de percentages voor die rubrieken in de kolom getiteld “Verdeelsleutel” in de tabel in bijlage II. Het maximum voor betalingskredieten voor jaar n+1 voor de jaren 2022 tot en met 2027 wordt automatisch opwaarts aangepast met de bedragen die overeenkomen met de in lid 1 beschreven extra toewijzingen.

Artikel 6

Aanpassingen betreffende maatregelen in verband met goed economisch bestuur of een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting

1.   Ingeval een schorsing van vastleggingen met betrekking tot middelen van de Unie wordt opgeheven overeenkomstig de toepasselijke basishandelingen in het kader van maatregelen in verband met goed economisch bestuur of van maatregelen vastgesteld uit hoofde van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende een algemeen conditionaliteitsregime ter bescherming van de Uniebegroting, worden de bedragen van de geschorste vastleggingen naar de volgende jaren overgedragen en worden de desbetreffende MFK-maxima dienovereenkomstig aangepast.

2.   De Commissie deelt het resultaat van de in lid 1 bedoelde aanpassingen mee aan het Europees Parlement en aan de Raad.

3.   Vastleggingen die zijn geschorst voor jaar n, kunnen na jaar n+2 niet opnieuw op de algemene begroting van de Unie worden opgevoerd.

Artikel 7

Aanpassing naar aanleiding van nieuwe regels of programma’s in gedeeld beheer

1.   Indien na 1 januari 2021 nieuwe regels of programma’s in gedeeld beheer voor de structuurfondsen, het Cohesiefonds, het Fonds voor een rechtvaardige transitie, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling, het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, het Fonds voor asiel en migratie, het Fonds voor interne veiligheid en het instrument voor grensbeheer en visa in het kader van het Fonds voor geïntegreerd grensbeheer worden vastgesteld, worden de toegewezen bedragen die in 2021 niet zijn gebruikt, in gelijke delen naar elk van de jaren 2022 tot en met 2025 overgedragen en worden de betrokken MFK-maxima dienovereenkomstig aangepast.

2.   De Commissie deelt het resultaat van de in lid 1 bedoelde aanpassingen mee aan het Europees Parlement en aan de Raad.

HOOFDSTUK 3

SPECIALE INSTRUMENTEN

AFDELING 1

Thematische speciale instrumenten

Artikel 8

Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering

1.   Het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in de Verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering, mag een jaarlijks maximumbedrag van 186 miljoen EUR (in prijzen van 2018) niet overschrijden.

2.   De kredieten van het Europees Fonds voor aanpassing aan de globalisering worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

Artikel 9

Reserve voor solidariteit en noodhulp

1.   De reserve voor solidariteit en noodhulp kan worden gebruikt ter financiering van:

a)

hulp voor het reageren op noodsituaties als gevolg van grote rampen die gedekt zijn door het Solidariteitsfonds van de Europese Unie, waarvan de doelstellingen en het toepassingsgebied zijn vastgesteld in Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad (6), en

b)

snelle reacties op specifieke dringende behoeften in de Unie of in derde landen ten gevolge van gebeurtenissen die bij de opstelling van de begroting niet te voorzien waren; het gaat hierbij met name om reacties in noodsituaties en hulpoperaties bij natuurrampen die niet onder a) vallen, door mensen veroorzaakte rampen, humanitaire crises, grootschalige bedreigingen voor de gezondheid van mens, dier of plant, en bijzonder prangende situaties aan de buitengrenzen van de Unie ten gevolge van migratiestromen, wanneer de omstandigheden zulks vereisen.

2.   De reserve voor solidariteit en noodhulp mag een jaarlijks maximumbedrag van 1 200 miljoen EUR (in prijzen van 2018) niet overschrijden. Elk in jaar n niet gebruikt deel van het jaarlijkse bedrag kan tot jaar n+1 worden gebruikt. Het deel van het jaarlijkse bedrag uit het voorgaande jaar wordt het eerst aangesproken. Elk deel van het bedrag van jaar n dat in jaar n+1 niet is gebruikt, vervalt.

3.   De kredieten voor de reserve voor solidariteit en noodhulp worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

4.   Op 1 oktober van elk jaar is ten minste een vierde van het in lid 2 bedoelde jaarlijkse bedrag nog beschikbaar om de behoeften te dekken die tot het einde van dat begrotingsjaar ontstaan.

Onverminderd de eerste alinea mogen maximaal de volgende percentages van het totale bedrag dat beschikbaar is tot 1 september van elk jaar ter beschikking worden gesteld:

50 % voor bijstand in het kader van lid 1, onder a); het uit die berekening resulterende bedrag wordt verminderd met bedragen die in het voorgaande jaar ter uitvoering van lid 5 beschikbaar zijn gesteld;

35 % voor bijstand aan derde landen in het kader van lid 1, onder b);

15 % voor bijstand binnen de Unie in het kader van lid 1, onder b).

Onverminderd de eerste alinea mag het overblijvende deel van het beschikbare bedrag vanaf 1 september van elk jaar worden gebruikt voor bijstand als bedoeld in de tweede alinea om de behoeften die tot het einde van dat jaar ontstaan te dekken.

5.   In uitzonderlijke gevallen en indien de bedragen die nodig worden geacht voor de in lid 1, onder a), bedoelde hulp in het jaar waarin een ramp heeft plaatsgevonden als bedoeld in lid 1, onder a), niet op te brengen zijn uit de resterende beschikbare financiële middelen uit de reserve voor solidariteit en noodhulp, kan de Commissie voorstellen om het verschil te financieren via de jaarlijkse bedragen die beschikbaar zijn voor de reserve voor solidariteit en noodhulp in het volgende jaar, tot een maximumbedrag van 400 miljoen EUR (in prijzen van 2018).

Artikel 10

Reserve voor aanpassing aan de brexit

1.   Een reserve voor aanpassing aan de brexit voorziet in hulp ter bestrijding van onvoorziene en negatieve gevolgen in de lidstaten en in de sectoren die het zwaarst getroffen worden door de terugtrekking van het Verenigd Koninkrijk van Groot-Brittannië en Noord-Ierland uit de Europese Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, volgens en overeenkomstig de voorwaarden van het betrokken instrument.

2.   De reserve voor aanpassing aan de brexit mag maximaal 5 000 miljoen EUR bedragen (in prijzen van 2018).

3.   De kredieten van de reserve voor aanpassing aan de brexit worden als voorziening opgenomen in de algemene begroting van de Unie.

AFDELING 2

Niet-thematische speciale instrumenten

Artikel 11

Enkelvoudig marge-instrument

1.   Het enkelvoudig marge-instrument omvat:

a)

vanaf 2022, de bedragen die overeenstemmen met beschikbare marges onder de maxima van het MFK voor vastleggingskredieten van jaar n-1, die beschikbaar zullen worden gesteld boven de maxima voor vastleggingskredieten van het MFK voor de jaren 2022 tot en met 2027;

b)

vanaf 2022, de bedragen die gelijk zijn aan het verschil tussen de uitgevoerde betalingen en het MFK-betalingsmaximum voor jaar n-1, om het maximum van de betalingen voor de jaren 2022 tot en met 2027 naar boven bij te stellen, en

c)

aanvullende bedragen die in een bepaald jaar boven de MFK-maxima beschikbaar kunnen worden gesteld voor vastleggings- of betalingskredieten, of beide, naargelang het geval, mits deze bedragen, wat betreft de vastleggingskredieten, volledig worden verrekend met de marges in een of meer rubrieken van het MFK voor het lopende of de toekomstige begrotingsjaren, en wat betreft de betalingskredieten, volledig worden verrekend met de marges onder het maximum voor betalingen voor toekomstige begrotingsjaren.

Bedragen kunnen alleen op grond van de eerste alinea, onder c), ter beschikking worden gesteld, indien de bedragen die beschikbaar zijn op grond van die alinea, onder a) en b), naargelang het geval, ontoereikend zijn, en in ieder geval als laatste redmiddel om te reageren op onvoorziene omstandigheden.

Gebruikmaking van de eerste alinea, onder c), mag niet leiden tot overschrijding van de totale bedragen van de MFK-maxima voor vastleggings- en betalingskredieten voor het lopende begrotingsjaar en de toekomstige begrotingsjaren. De overeenkomstig dat punt verrekende middelen mogen daarom niet verder binnen het MFK worden aangewend.

2.   Het gebruik van het enkelvoudig marge-instrument uit hoofde van lid 1, eerste alinea, onder a) en c), mag in een bepaald jaar niet hoger zijn dan in totaal:

a)

0,04 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie aan vastleggingskredieten, zoals berekend in de in artikel 4 bedoelde jaarlijkse technische aanpassing van het MFK;

b)

0,03 % van het bruto nationaal inkomen van de Unie aan betalingskredieten, zoals berekend in de in artikel 4 bedoelde jaarlijkse technische aanpassing van het MFK.

Het gebruik van het enkelvoudig marge-instrument in een bepaald jaar is in overeenstemming met de in het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maxima voor de eigen middelen.

3.   Voor de jaren 2025 tot en met 2027 mogen de jaarlijkse aanpassingen bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder b), in vergelijking met het oorspronkelijke betalingsmaximum voor de betrokken jaren niet hoger liggen dan de volgende maximumbedragen (in prijzen van 2018):

2025 — 8 000 miljoen EUR;

2026 — 13 000 miljoen EUR;

2027 — 15 000 miljoen EUR.

De bedragen bedoeld in artikel 5, lid 2, tweede alinea, vormen een aanvulling op de in de eerste alinea van dit lid bedoelde maximumbedragen.

Opwaartse aanpassingen worden volledig gecompenseerd met een overeenkomstige verlaging van het betalingsmaximum voor het jaar n-1.

4.   De in lid 1, eerste alinea, onder a) en c), van dit artikel bedoelde bedragen kunnen door het Europees Parlement en de Raad in het kader van de in artikel 314 van het VWEU bedoelde begrotingsprocedure beschikbaar worden gesteld voor de financiering van uitgaven die niet kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de betreffende MFK-maxima die in een bepaald jaar beschikbaar zijn.

De in lid 1, eerste alinea, onder b), van dit artikel bedoelde opwaartse aanpassing wordt met ingang van 2022 door de Commissie uitgevoerd als onderdeel van de in artikel 4 bedoelde technische aanpassing.

Artikel 12

Flexibiliteitsinstrument

1.   Het flexibiliteitsinstrument kan worden gebruikt voor de financiering, voor een bepaald begrotingsjaar, van specifieke, onvoorziene uitgaven in vastleggingskredieten en de overeenkomstige betalingskredieten die niet op een andere wijze kunnen worden gefinancierd binnen de grenzen van de voor een of meer andere rubrieken beschikbare maxima. Het jaarlijks bedrag voor het flexibiliteitsinstrument bedraagt maximaal 915 miljoen EUR (in prijzen van 2018).

2.   Het ongebruikte deel van het jaarlijks bedrag voor het flexibiliteitsinstrument kan worden aangewend tot en met jaar n+2. Delen van het jaarlijks bedrag uit voorgaande jaren worden het eerst gebruikt, te beginnen met het oudste. Delen van het bedrag van jaar n die in jaar n+2 niet zijn gebruikt, vervallen.

HOOFDSTUK 4

HERZIENING VAN HET MFK

Artikel 13

Herziening van het MFK

1.   Onverminderd artikel 3, lid 2, en de artikelen 14 tot en met 17, kan het MFK in geval van onvoorziene omstandigheden worden herzien met inachtneming van het overeenkomstig het eigenmiddelenbesluit vastgestelde maximum van de eigen middelen.

2.   Als algemene regel wordt een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 vóór het begin van de begrotingsprocedure voor het betrokken begrotingsjaar of het eerste van de betrokken begrotingsjaren ingediend en goedgekeurd.

3.   Bij een voorstel tot herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 worden de mogelijkheden onderzocht voor een herschikking van uitgaven tussen de programma’s die onder de rubriek vallen waarop de herziening betrekking heeft, met name op basis van een verwachte onderbesteding van de kredieten.

4.   Bij elke herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 wordt nagegaan in hoeverre een verhoging van het maximum van een rubriek kan worden gecompenseerd met een verlaging van het maximum van een andere rubriek.

5.   Bij een herziening van het MFK overeenkomstig lid 1 wordt een passende verhouding tussen vastleggings- en betalingskredieten gehandhaafd.

Artikel 14

Herziening met betrekking tot de uitvoering

Wanneer de Commissie het Europees Parlement en de Raad in kennis stelt van de resultaten van de technische aanpassingen van het MFK, dient zij waar nodig tevens een voorstel in tot herziening van het totale bedrag van de betalingskredieten die zij in het licht van de uitvoering van de begroting nodig acht om een goed beheer van de jaarlijkse maxima voor de betalingskredieten en in het bijzonder de geordende ontwikkeling ervan ten opzichte van de vastleggingskredieten te waarborgen.

Artikel 15

Herziening in geval van herziening van de Verdragen

In geval van een herziening van de Verdragen met gevolgen voor de begroting, wordt het MFK dienovereenkomstig herzien.

Artikel 16

Herziening in geval van uitbreiding van de Unie

Indien een of meer nieuwe lidstaten tot de Unie toetreden, wordt het MFK herzien om met de daaruit voortvloeiende uitgaven rekening te houden.

Artikel 17

Herziening in geval van de hereniging van Cyprus

In geval van de hereniging van Cyprus wordt het MFK herzien om rekening te houden met de integrale regeling voor de kwestie-Cyprus en de bijkomende financieringsbehoeften die uit de hereniging voortvloeien.

HOOFDSTUK 5

BIJDRAGE AAN DE FINANCIERING VAN GROOTSCHALIGE PROJECTEN

Artikel 18

Bijdrage aan de financiering van grootschalige projecten

1.   Een maximumbedrag van 13 202 miljoen EUR (in prijzen van 2018) is beschikbaar uit de algemene begroting van de Unie voor de periode 2021 tot en met 2027 voor grootschalige projecten in het kader van de Verordening van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het ruimtevaartprogramma van de Unie en het Agentschap van de Europese Unie voor het ruimtevaartprogramma.

2.   Een maximumbedrag van 5 000 miljoen EUR (in prijzen van 2018) is beschikbaar uit de algemene begroting van de Unie voor de periode 2021 tot en met 2027 voor de internationale thermonucleaire experimentele reactor (ITER).

HOOFDSTUK 6

INTERINSTITUTIONELE SAMENWERKING IN DE BEGROTINGSPROCEDURE

Artikel 19

Interinstitutionele samenwerking in de begrotingsprocedure

1.   De instellingen nemen maatregelen om de jaarlijkse begrotingsprocedure vlot te doen verlopen.

2.   De instellingen werken tijdens de gehele procedure te goeder trouw samen om hun standpunten op één lijn te brengen. Hierbij maken de instellingen in alle stadia van de procedure gebruik van passende interinstitutionele contacten om de voortgang van de werkzaamheden te monitoren en de mate van overeenstemming te analyseren.

3.   De instellingen zorgen ervoor dat hun respectieve tijdschema’s zo veel mogelijk op elkaar worden afgestemd, zodat de besprekingen op samenhangende en convergente wijze kunnen worden gevoerd en leiden tot de definitieve vaststelling van de algemene begroting van de Unie.

4.   Trialogen kunnen in alle stadia van de procedure en op verschillende niveaus van vertegenwoordiging worden gehouden, afhankelijk van de aard van de verwachte bespreking. Iedere instelling wijst overeenkomstig haar eigen reglement van orde de deelnemers aan elke bijeenkomst aan, stelt haar mandaat voor de onderhandelingen vast, en stelt de overige instellingen tijdig in kennis van de voor de bijeenkomsten getroffen regelingen.

Artikel 20

Eenheid van de begroting

De algemene begroting van de Unie omvat alle uitgaven en inkomsten van de Unie en de Europese Gemeenschap voor Atoomenergie, overeenkomstig artikel 7 van het financieel reglement, inclusief uitgaven ten gevolge van een besluit ter zake dat de Raad met eenparigheid van stemmen vaststelt, na raadpleging van het Europees Parlement, in het kader van artikel 332 VWEU.

HOOFDSTUK 7

SLOTBEPALINGEN

Artikel 21

Overgang naar het volgend meerjarig financieel kader

Vóór 1 juli 2025 dient de Commissie een voorstel in voor een nieuw meerjarig financieel kader.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2020.

Voor de Raad

De voorzitter

S. SCHULZE


(1)  Goedkeuring van 16 december 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Verordening (EU, Euratom) 2018/1046 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie, tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1296/2013, (EU) nr. 1301/2013, (EU) nr. 1303/2013, (EU) nr. 1304/2013, (EU) nr. 1309/2013, (EU) nr. 1316/2013, (EU) nr. 223/2014, (EU) nr. 283/2014 en Besluit nr. 541/2014/EU en tot intrekking van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 (PB L 193 van 30.7.2018, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1/2003 van de Raad van 16 december 2002 betreffende de uitvoering van de mededingingsregels van de artikelen 81 en 82 van het Verdrag (PB L 1 van 4.1.2003, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (de “EG-concentratieverordening”) (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).

(5)  PB L 29 van 31.1.2020, blz. 7.

(6)  Verordening (EG) nr. 2012/2002 van de Raad van 11 november 2002 tot oprichting van het Solidariteitsfonds van de Europese Unie (PB L 311 van 14.11.2002, blz. 3).


BIJLAGE I

MEERJARIG FINANCIEEL KADER (EU-27)

(miljoen EUR — prijzen van 2018)

Vastleggingskredieten

2021

2022

2023

2024

2025

2026

2027

Totaal

2021-2027

1.

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

19 712

19 666

19 133

18 633

18 518

18 646

18 473

132 781

2.

Cohesie, veerkracht en waarden

49 741

51 101

52 194

53 954

55 182

56 787

58 809

377 768

2a.

Economische, sociale en territoriale samenhang

45 411

45 951

46 493

47 130

47 770

48 414

49 066

330 235

2b.

Veerkracht en waarden

4 330

5 150

5 701

6 824

7 412

8 373

9 743

47 533

3.

Natuurlijke hulpbronnen en milieu

55 242

52 214

51 489

50 617

49 719

48 932

48 161

356 374

waarvan: marktgerelateerde uitgaven en directe betalingen

38 564

38 115

37 604

36 983

36 373

35 772

35 183

258 594

4.

Migratie en grensbeheer

2 324

2 811

3 164

3 282

3 672

3 682

3 736

22 671

5.

Veiligheid en defensie

1 700

1 725

1 737

1 754

1 928

2 078

2 263

13 185

6.

Nabuurschap en internationaal beleid

15 309

15 522

14 789

14 056

13 323

12 592

12 828

98 419

7.

Europees openbaar bestuur

10 021

10 215

10 342

10 454

10 554

10 673

10 843

73 102

waarvan: administratieve uitgaven van de instellingen

7 742

7 878

7 945

7 997

8 025

8 077

8 188

55 852

TOTAAL VASTLEGGINGSKREDIETEN

154 049

153 254

152 848

152 750

152 896

153 390

155 113

1 074 300

TOTAAL BETALINGSKREDIETEN

156 557

154 822

149 936

149 936

149 936

149 936

149 936

1 061 058


BIJLAGE II

PROGRAMMASPECIFIEKE AANPASSING — LIJST VAN PROGRAMMA'S, VERDEELSLEUTEL EN TOTALE EXTRA TOEWIJZINGEN VAN VASTLEGGINGSKREDIETEN

(in miljoen EUR, prijzen van 2018)

 

Verdeelsleutel

Totale extra toewijzingen van vastleggingskredieten op grond van artikel 5

1.

Eengemaakte markt, innovatie en digitaal beleid

36,36 %

4 000

Horizon Europa

27,27 %

3 000

InvestEU-fonds

9,09 %

1 000

2b.

Veerkracht en waarden

54,55 %

6 000

EU4Health

26,37 %

2 900

Erasmus+

15,46 %

1 700

Creatief Europa

5,45 %

600

Rechten en waarden

7,27 %

800

4.

Migratie en grensbeheer

9,09 %

1 000

Fonds voor geïntegreerd grensbeheer

9,09 %

1 000

TOTAAL

100,00 %

11 000


Top