EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R0878

Verordening (EU) 2020/878 van de Commissie van 18 juni 2020 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) (Voor de EER relevante tekst)

C/2020/4003

OJ L 203, 26.6.2020, p. 28–58 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2020/878/oj

26.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 203/28


VERORDENING (EU) 2020/878 VAN DE COMMISSIE

van 18 juni 2020

tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach)

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen, houdende wijziging van Richtlijn 1999/45/EG en houdende intrekking van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad en Verordening (EG) nr. 1488/94 van de Commissie alsmede Richtlijn 76/769/EEG van de Raad en de Richtlijnen 91/155/EEG, 93/67/EEG, 93/105/EG en 2000/21/EG van de Commissie (1), en met name artikel 131,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 bevat voorschriften voor de samenstelling van veiligheidsinformatiebladen die worden gebruikt om informatie te verschaffen over chemische stoffen en mengsels in de Unie.

(2)

Met ingang van 1 januari 2020 is Verordening (EU) 2018/1881 van de Commissie (2) tot wijziging van de bijlagen I, III en VI tot en met XII bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 van toepassing. Verordening (EU) 2018/1881 voert specifieke eisen voor nanovormen van stoffen in. Aangezien informatie over die eisen moet worden opgenomen in de veiligheidsinformatiebladen, moet bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(3)

Het wereldwijd geharmoniseerd systeem voor de indeling en etikettering van chemische stoffen (GHS), dat is ontwikkeld in het kader van de Verenigde Naties, bevat internationaal geharmoniseerde criteria voor de indeling en etikettering van chemische stoffen en regels voor veiligheidsinformatiebladen. De Unie heeft bevestigd dat zij de GHS-criteria in het recht van de Unie wil opnemen.

(4)

De instrumenten waarin het GHS voorziet om de gevaren van stoffen en mengsels kenbaar te maken, zijn etiketten en veiligheidsinformatiebladen. De GHS-bepalingen betreffende veiligheidsinformatiebladen zijn opgenomen in Verordening (EG) nr. 1907/2006. De voorschriften voor veiligheidsinformatiebladen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 moeten dan ook worden aangepast aan de voorschriften voor veiligheidsinformatiebladen van de zesde en zevende herziening van het GHS.

(5)

Bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad (3) maakt het onder meer mogelijk dat de unieke formule-identificatie alleen op het veiligheidsinformatieblad wordt vermeld voor gevaarlijke mengsels die worden geleverd voor gebruik op industriële locaties. Voor bepaalde mengsels die niet zijn verpakt, vereist zij ook dat de unieke formule-identificatie wordt vermeld op het veiligheidsinformatieblad. Omwille van de consistentie moet bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 die wijzigingen weerspiegelen en bepalen waar de unieke formule-identificatie moet worden vermeld op het veiligheidsinformatieblad.

(6)

Volgens de mededeling van de Commissie van 7 november 2018, “Een alomvattend EU-kader voor hormoonontregelende stoffen” (4), beoordeelt de Commissie hoe de communicatie in de toeleveringsketen voor hormoonontregelende stoffen in het kader van Verordening (EG) nr. 1907/2006 kan worden verbeterd in de context van de werkzaamheden inzake veiligheidsinformatiebladen. Van een aantal specifieke voorschriften voor veiligheidsinformatiebladen is vastgesteld dat zij relevant zijn voor stoffen en mengsels met hormoonontregelende eigenschappen, en bijlage II bij die verordening moet dan ook dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 vastgestelde specifieke concentratiegrenzen, vermenigvuldigingsfactoren en acute toxiciteitsschattingen zijn relevant voor een veilig gebruik van stoffen en mengsels en moeten daarom, indien beschikbaar, in de veiligheidsinformatiebladen worden vermeld.

(8)

Marktdeelnemers die reeds veiligheidsinformatiebladen hebben opgesteld, verplichten om deze onmiddellijk te actualiseren overeenkomstig de bepalingen van deze verordening, zou voor hen een onevenredige belasting betekenen. De marktdeelnemers moet veeleer worden toegestaan om voor een bepaalde tijd veiligheidsinformatiebladen te blijven verstrekken overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1907/2006, zoals gewijzigd bij Verordening (EU) 2015/830 van de Commissie (5). Dit doet geen afbreuk aan de verplichting om de veiligheidsinformatiebladen overeenkomstig artikel 31, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1907/2006 bij te werken, noch aan de gevallen waarin de unieke formule-identificatie is toegevoegd aan veiligheidsinformatiebladen overeenkomstig deel A, punt 5, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1272/2008.

(9)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 133 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1907/2006 wordt vervangen door de tekst in de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

In afwijking van artikel 3 mogen veiligheidsinformatiebladen die niet aan de bijlage bij deze verordening voldoen tot en met 31 december 2022 ter beschikking blijven worden gesteld.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 juni 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) 2018/1881 van de Commissie van 3 december 2018 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (Reach) met betrekking tot de bijlagen I, III, VI, VII, VIII, IX, X, XI en XII teneinde rekening te houden met nanovormen van stoffen (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 1272/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 betreffende de indeling, etikettering en verpakking van stoffen en mengsels tot wijziging en intrekking van de Richtlijnen 67/548/EEG en 1999/45/EG en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 (PB L 353 van 31.12.2008, blz. 1).

(4)  COM(2018) 734.

(5)  Verordening (EU) 2015/830 van de Commissie van 28 mei 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH) (PB L 132 van 29.5.2015, blz. 8).


BIJLAGE

“BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN VOOR DE SAMENSTELLING VAN VEILIGHEIDSINFORMATIEBLADEN

DEEL A

0.1.   Inleiding

0.1.1.

Deze bijlage bevat de voorschriften die de leverancier moet naleven bij de samenstelling van een veiligheidsinformatieblad dat overeenkomstig artikel 31 voor een stof of een mengsel wordt verstrekt.

0.1.2.

De informatie over stoffen die in het veiligheidsinformatieblad wordt gegeven, moet overeenkomen met de informatie in de registratie en het chemischeveiligheidsrapport, indien dat vereist is. Als een chemischeveiligheidsrapport is opgesteld, wordt/worden het/de desbetreffende blootstellingsscenario(’s) als bijlage bij het veiligheidsinformatieblad gevoegd.

0.1.3.

Het veiligheidsinformatieblad vermeldt in elk relevant onderdeel of het nanovormen bestrijkt en welke dat zijn, en koppelt de relevante veiligheidsinformatie aan elk van deze nanovormen. Zoals bepaald in bijlage VI wordt de term “nanovorm” in deze bijlage gebruikt voor een nanovorm of een verzameling van vergelijkbare nanovormen.

0.2.   Algemene voorschriften voor de samenstelling van een veiligheidsinformatieblad

0.2.1.

Het veiligheidsinformatieblad moet het gebruikers mogelijk maken de nodige maatregelen te nemen voor de bescherming van de gezondheid en de veiligheid op het werk en de bescherming van het milieu. De opsteller van het veiligheidsinformatieblad moet er rekening mee houden dat een veiligheidsinformatieblad zijn publiek moet voorlichten over de gevaren van een stof of mengsel en informatie moet verstrekken over hoe de stof of het mengsel veilig kan worden opgeslagen, gehanteerd en verwijderd.

0.2.2.

De informatie die in veiligheidsinformatiebladen wordt verstrekt, moet ook voldoen aan de voorschriften van Richtlijn 98/24/EG. Het veiligheidsinformatieblad moet met name werkgevers in staat stellen na te gaan of er gevaarlijke chemische agentia op de werkplek aanwezig zijn en de eventuele risico’s van het gebruik ervan voor de veiligheid en de gezondheid van de werknemers te beoordelen.

0.2.3.

De informatie in het veiligheidsinformatieblad moet duidelijk en beknopt zijn. Het veiligheidsinformatieblad moet worden opgesteld door een bevoegde persoon, die rekening houdt met de specifieke behoeften en kennis van het gebruikerspubliek, voor zover die bekend zijn. Leveranciers van stoffen en mengsels moeten ervoor zorgen dat die bevoegde personen de juiste opleiding, en ook bijscholing, krijgen.

0.2.4.

In het veiligheidsinformatieblad moet eenvoudige, duidelijke en precieze taal worden gebruikt en moeten jargon, acroniemen en afkortingen worden vermeden. Vermeldingen zoals “kan gevaarlijk zijn”, “geen gevolgen voor de gezondheid”, “veilig in de meeste gebruiksomstandigheden”, “ongevaarlijk” of andere vermeldingen die erop wijzen dat de stof of het mengsel ongevaarlijk is of andere vermeldingen die niet in overeenstemming zijn met de indeling van die stof of dat mengsel, mogen niet worden gebruikt.

0.2.5.

Op de eerste bladzijde moet de datum worden vermeld waarop het veiligheidsinformatieblad werd samengesteld. Wanneer een veiligheidsinformatieblad werd herzien en een nieuwe herziene versie aan de afnemers wordt verstrekt, moeten in rubriek 16 van het veiligheidsinformatieblad de wijzigingen onder de aandacht van de afnemers worden gebracht, tenzij de wijzigingen ergens anders zijn aangegeven. Voor de herziene veiligheidsinformatiebladen wordt op de eerste bladzijde de datum van de samenstelling (“Herziening: (datum)”) vermeld, alsook een of meer indicaties van welke versie vervangen is, zoals een versienummer, herzieningsnummer of datum van vervanging.

0.3.   Vorm van het veiligheidsinformatieblad

0.3.1.

Een veiligheidsinformatieblad heeft geen vaste lengte. De lengte van een veiligheidsinformatieblad staat in verhouding tot het gevaar dat de stof of het mengsel inhoudt, alsook tot de beschikbare informatie.

0.3.2.

Alle bladzijden van een veiligheidsinformatieblad, met inbegrip van de bijlagen, moeten worden genummerd en moeten ofwel een aanduiding bevatten van de lengte van het veiligheidsinformatieblad (zoals “blz. 1 van 3”) ofwel een aanduiding of er nog een bladzijde volgt (zoals “Vervolg op de volgende bladzijde” of “Einde van het veiligheidsinformatieblad”).

0.4.   Inhoud van het veiligheidsinformatieblad

De informatie die overeenkomstig deze bijlage vereist is moet, indien van toepassing en beschikbaar, op het veiligheidsinformatieblad worden opgenomen in de desbetreffende punten die in deel B worden gespecificeerd. Het veiligheidsinformatieblad mag geen blanco punten bevatten.

0.5.   Andere informatievoorschriften

In bepaalde gevallen kan het, gezien de zeer diverse eigenschappen van stoffen en mengsels, nodig zijn in de desbetreffende punten aanvullende relevante en beschikbare informatie te vermelden.

Aanvullende veiligheids- en milieu-informatie is vereist om te voldoen aan de behoeften van zeevarenden en andere personen die werkzaam zijn in het bulkvervoer van gevaarlijke goederen op zee of over de binnenwateren met bulkcarriers of tankschepen waarop de regelgeving van de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) of nationale regelgeving van toepassing is. Punt 14.7 beveelt aan om essentiële informatie over de indeling op te nemen wanneer een dergelijke lading in bulk wordt vervoerd overeenkomstig de desbetreffende instrumenten van de IMO. Schepen die olie of brandstofolie, als omschreven in bijlage I bij het Marpol-Verdrag (1), in bulk vervoeren of stookolie bunkeren, moeten vóór het laden worden voorzien van een “material safety data sheet” overeenkomstig de resolutie “Recommendations for Material Safety Data Sheets (MSDS) for MARPOL Annex I Oil Cargo and Oil Fuel” (MSC.286(86)) van de Maritieme Veiligheidscommissie van de IMO. Met het oog op een geharmoniseerd veiligheidsinformatieblad voor maritiem en niet-maritiem gebruik mogen de aanvullende bepalingen van Resolutie MSC.286(86) daarom in voorkomend geval bij het vervoer over zee van ladingen en mariene stookolie die onder bijlage I bij Marpol vallen, worden opgenomen in de veiligheidsinformatiebladen.

0.6.   Eenheden

De meeteenheden die bij Richtlijn 80/181/EEG van de Raad (2) zijn vastgesteld, moeten worden gebruikt.

0.7.   Bijzondere gevallen

Veiligheidsinformatiebladen zijn ook vereist voor de bijzondere gevallen die zijn opgenomen in punt 1.3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 en waarvoor afwijkingen van de etiketteringsvoorschriften gelden.

1.    RUBRIEK 1: Identificatie van de stof of het mengsel en van de vennootschap/onderneming

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad wordt voorgeschreven hoe de stof of het mengsel moet worden geïdentificeerd en hoe de geïdentificeerde vormen van gebruik, de naam van de leverancier van de stof of het mengsel en de contactgegevens van de leverancier van de stof of het mengsel, inclusief contactgegevens voor noodgevallen, in het veiligheidsinformatieblad moeten worden verstrekt.

1.1.   Productidentificatie

Verstrek de productidentificatie overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wanneer het een stof betreft, en overeenkomstig artikel 18, lid 3, onder a), van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wanneer het een mengsel betreft, en zoals vermeld op het etiket in de officiële taal/talen van de lidstaat/lidstaten wanneer de stof of het mengsel in de handel is gebracht, tenzij de betrokken lidstaat/lidstaten anders bepaalt/bepalen.

Voor registratieplichtige stoffen moet de productidentificatie overeenkomen met de in de registratie opgegeven productidentificatie en moet het krachtens artikel 20, lid 3, van deze verordening toegekende registratienummer eveneens worden vermeld. Er mogen aanvullende identificaties worden verstrekt, ook als ze niet zijn gebruikt in de registratie.

Zonder afbreuk te doen aan de in artikel 39 van deze verordening vastgestelde verplichtingen voor downstreamgebruikers kan het deel van het registratienummer dat naar de individuele registrant van een gezamenlijke indiening verwijst worden weggelaten door een leverancier die een distributeur of een downstreamgebruiker is, op voorwaarde:

a)

dat de leverancier de verantwoordelijkheid op zich neemt om op verzoek het volledige registratienummer voor handhavingsdoeleinden te verstrekken of, wanneer hij niet over het volledige registratienummer beschikt, om het verzoek overeenkomstig punt b) door te sturen naar zijn leverancier, en

b)

dat de leverancier het volledige registratienummer aan de handhavingsautoriteit van de lidstaat (“de handhavingsautoriteit”) verstrekt binnen zeven dagen na ontvangst van een verzoek, dat ofwel direct uitgaat van de handhavingsautoriteit, ofwel is doorgestuurd door zijn afnemer, of dat de leverancier, wanneer hij niet over het volledige registratienummer beschikt, het verzoek binnen zeven dagen na het verzoek doorstuurt naar zijn leverancier en de handhavingsautoriteit daarvan tegelijkertijd op de hoogte stelt.

Er mag één veiligheidsinformatieblad worden verstrekt voor meer dan één stof of mengsel wanneer de informatie in dat veiligheidsinformatieblad voldoet aan de voorschriften van deze bijlage voor elk van die stoffen of mengsels.

Wanneer verschillende vormen van een stof worden behandeld in één veiligheidsinformatieblad, wordt de desbetreffende informatie voor elke vorm opgenomen, waarbij duidelijk wordt aangegeven welke informatie verband houdt met welke vorm. Als alternatief kan per vorm of per groep vormen een afzonderlijk veiligheidsinformatieblad worden opgesteld.

Als het veiligheidsinformatieblad betrekking heeft op een of meer nanovormen of stoffen die nanovormen omvatten, wordt dit aangegeven met het woord “nanovorm”.

Andere identificatiemiddelen

Eventueel mogen ook andere namen of synoniemen waarmee de stof of het mengsel is geëtiketteerd of waaronder het algemeen bekend is, worden verstrekt.

Wanneer het mengsel een unieke formule-identificatie (UFI) heeft overeenkomstig deel A, punt 5, van bijlage VIII bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 en die UFI in het veiligheidsinformatieblad wordt vermeld, wordt de UFI in dit punt vermeld.

1.2.   Relevant geïdentificeerd gebruik van de stof of het mengsel en ontraden gebruik

Geef ten minste een korte beschrijving van het voor de afnemer(s) van de stof of het mengsel relevant geïdentificeerd gebruik (bijvoorbeeld reiniging van de vloer, industrieel gebruik bij de productie van polymeren, professioneel gebruik in reinigingsmiddelen).

Vermeld in voorkomend geval het door de leverancier ontraden gebruik, en de redenen daarvoor. Dit hoeft geen volledige lijst te zijn.

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is, moet de informatie in dit punt van het veiligheidsinformatieblad overeenstemmen met het geïdentificeerde gebruik in het chemischeveiligheidsrapport en de blootstellingsscenario’s van het chemischeveiligheidsrapport als beschreven in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad.

1.3.   Details betreffende de verstrekker van het veiligheidsinformatieblad

De verstrekker van het veiligheidsinformatieblad, of het nu de fabrikant, de importeur, de enige vertegenwoordiger, de downstreamgebruiker of de distributeur is, moet worden geïdentificeerd. Vermeld het volledige adres en het telefoonnummer van de verstrekker, evenals een e-mailadres van een bevoegde persoon die voor het veiligheidsinformatieblad verantwoordelijk is.

Wanneer de verstrekker niet gevestigd is in de lidstaat waar de stof of het mengsel in de handel wordt gebracht en hij voor die lidstaat een verantwoordelijke persoon heeft aangewezen, moet ook het volledige adres en het telefoonnummer van die verantwoordelijke persoon worden vermeld.

Wanneer een enige vertegenwoordiger werd aangewezen, mogen eveneens de contactgegevens van de fabrikant of formuleerder van buiten de Unie worden verstrekt.

Voor registranten moet de informatie over de leverancier van het veiligheidsinformatieblad en, in voorkomend geval, over de leverancier van de stof of het mengsel overeenkomen met de in de registratie gegeven informatie over de identiteit van de fabrikant, de importeur of de enige vertegenwoordiger.

1.4.   Telefoonnummer voor noodgevallen

Verwijs naar diensten voor informatie in noodgevallen. Wanneer er een officieel adviesorgaan bestaat in de lidstaat waar de stof of het mengsel in de handel wordt gebracht (dat kan het orgaan zijn dat verantwoordelijk is voor het ontvangen van informatie in verband met de gezondheid van artikel 45 van Verordening (EG) nr. 1272/2008), moet het telefoonnummer daarvan worden vermeld, en kan dat volstaan. Wanneer de beschikbaarheid van dergelijke diensten om eender welke reden beperkt is, zoals bijvoorbeeld door openingstijden, of wanneer er beperkingen zijn wat het soort informatie betreft dat wordt verstrekt, moet dat duidelijk worden vermeld.

2.    RUBRIEK 2: Identificatie van de gevaren

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad worden de gevaren van de stof of het mengsel en de passende waarschuwingen voor die gevaren beschreven.

2.1.   Indeling van de stof of het mengsel

Voor de indeling van een stof of een mengsel moeten de indelingscriteria van Verordening (EG) nr. 1272/2008 worden toegepast. Wanneer de leverancier voor opname in de inventaris van indelingen en etiketteringen informatie over de stof heeft verstrekt overeenkomstig artikel 40 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 of die informatie heeft verstrekt als onderdeel van een registratie op grond van deze verordening, moet in het veiligheidsinformatieblad dezelfde indeling worden vermeld.

Indien het mengsel niet voldoet aan de indelingscriteria overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008, moet dat duidelijk worden vermeld.

Informatie over de stoffen in het mengsel moet in punt 3.2 worden vermeld.

Indien de indeling, met inbegrip van de gevarenaanduidingen, niet volledig is uitgeschreven, moet worden verwezen naar rubriek 16, waar de volledige tekst van elke indeling, met inbegrip van elke gevarenaanduiding, moet worden vermeld.

De belangrijkste nadelige fysische, gezondheids- en milieueffecten moeten in de rubrieken 9 tot en met 12 van het veiligheidsinformatieblad worden opgenomen en zodanig worden geformuleerd dat een leek de gevaren van de stof of het mengsel kan identificeren.

2.2.   Etiketteringselementen

Overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 moeten, volgens de indeling, minstens de volgende elementen op het etiket voorkomen: gevarenpictogram(men), signaalwoord(en), gevarenaanduiding(en) en veiligheidsaanbeveling(en). Een grafische reproductie van het hele gevarenpictogram in zwart-wit of een grafische reproductie van alleen het symbool mag worden gebruikt in de plaats van het kleurenpictogram van Verordening (EG) nr. 1272/2008.

De passende etiketteringselementen moeten overeenkomstig artikel 25, leden 1 tot en met 6, en artikel 32, lid 6, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 worden verstrekt.

2.3.   Andere gevaren

Vermeld informatie over het feit of de stof voldoet aan de criteria voor persistente, bioaccumulerende en toxische of zeer persistente en zeer bioaccumulerende stoffen overeenkomstig bijlage XIII, of de stof is opgenomen in de overeenkomstig artikel 59, lid 1, opgestelde lijst van stoffen met hormoonontregelende eigenschappen, en of de stof een stof is die overeenkomstig de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 van de Commissie (3) of Verordening (EU) 2018/605 van de Commissie (4) als een stof met hormoonontregelende eigenschappen is aangemerkt. Vermeld voor mengsels informatie voor elke stof die in het mengsel aanwezig is in een concentratie die gelijk is aan of hoger is dan 0,1 gewichtsprocent.

Verstrek informatie over andere gevaren die geen indeling tot gevolg hebben, maar die het algemene gevaar van de stof of het mengsel kunnen vergroten, zoals de vorming van luchtvervuilende stoffen tijdens het harden of verwerken, stofvorming, explosieve eigenschappen die niet voldoen aan de indelingscriteria van deel 2, punt 2.1, van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, gevaar van stofexplosie, kruisgevoeligheid, verstikking, bevriezing, eventuele hoge geur- of smaakkracht, of milieueffecten zoals gevaren voor in de bodem levende organismen of het fotochemische vermogen tot ozonvorming. Bij gevaar voor een stofexplosie is de vermelding “Kan een explosief mengsel van stof en lucht vormen” gepast.

3.    RUBRIEK 3: Samenstelling en informatie over de bestanddelen

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad wordt de chemische identiteit van het (de) ingrediënt(en) van de stof of het mengsel beschreven, alsook de onzuiverheden en stabiliserende additieven zoals hieronder uiteengezet. Vermeld passende en beschikbare veiligheidsinformatie over oppervlaktechemie.

3.1.   Stoffen

Verstrek de chemische identiteit van het hoofdbestanddeel van de stof door ten minste de productidentificatie of een van de andere identificatiemiddelen uit punt 1.1 te vermelden.

De chemische identiteit van eventuele onzuiverheden, stabiliserende additieven, of individuele bestanddelen die niet het hoofdbestanddeel zijn, en die zelf zijn ingedeeld en tot de indeling van de stof bijdragen, moet als volgt worden verstrekt:

a)

de productidentificatie overeenkomstig artikel 18, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1272/2008;

b)

wanneer de productidentificatie niet beschikbaar is, een van de andere namen (triviale naam, handelsnaam, afkorting) of identificatienummers.

De specifieke concentratiegrens, de M-factor en de acute toxiciteitsschatting voor stoffen die zijn opgenomen in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 of zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage I bij die verordening, moeten worden vermeld indien zij beschikbaar zijn.

Als de stof geregistreerd is en een nanovorm omvat, moeten de deeltjeskenmerken die de in bijlage VI beschreven nanovorm specificeren, worden vermeld.

Als de stof niet geregistreerd is, maar het veiligheidsinformatieblad nanovormen bestrijkt waarvan de deeltjeskenmerken gevolgen hebben voor de veiligheid van de stof, moeten die kenmerken worden vermeld.

Leveranciers van stoffen kunnen ervoor kiezen daarnaast ook alle bestanddelen, waaronder ook niet-ingedeelde bestanddelen, te vermelden.

In dit punt kan ook informatie over stoffen met meerdere bestanddelen worden verstrekt.

3.2.   Mengsels

Voor ten minste alle stoffen waarnaar in de punten 3.2.1 of 3.2.2 wordt verwezen, moet de productidentificatie worden vermeld, alsook de concentratie of het concentratiebereik en de indeling. Leveranciers van mengsels kunnen ervoor kiezen daarnaast alle stoffen in het mengsel te vermelden, waaronder ook stoffen die niet aan de indelingscriteria voldoen. Aan de hand van deze informatie moet de afnemer gemakkelijk de gevaren van de stoffen in het mengsel kunnen identificeren. De gevaren van het mengsel zelf moeten in rubriek 2 worden vermeld.

De concentraties van de stoffen in een mengsel moeten op een van de volgende wijzen worden beschreven:

a)

exacte percentages in afnemende volgorde per massa of volume, wanneer dat technisch mogelijk is;

b)

percentagebereik in afnemende volgorde per massa of volume, wanneer dat technisch mogelijk is.

Wanneer een percentagebereik wordt gebruikt en de gevolgen van het mengsel als geheel niet beschikbaar zijn, moeten in de gevaren voor de gezondheid en het milieu de gevolgen van de hoogste concentratie van elk ingrediënt worden beschreven.

Wanneer de gevolgen van het mengsel als geheel beschikbaar zijn, moet de uit die informatie voortvloeiende indeling in rubriek 2 worden opgenomen.

Wanneer overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 het gebruik van een andere chemische naam is toegestaan, mag die naam worden gebruikt.

3.2.1.

Voor een mengsel dat volgens Verordening (EG) nr. 1272/2008 voldoet aan de criteria voor indeling, moeten de volgende stoffen (zie ook tabel 1.1) met hun concentratie of concentratiebereik in het mengsel worden vermeld:

a)

voor de gezondheid of voor het milieu gevaarlijke stoffen in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008 wanneer die stoffen aanwezig zijn in concentraties die gelijk zijn aan of groter zijn dan de laagste van onderstaande concentraties:

i)

de algemene ondergrenzen van tabel 1.1 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;

ii)

de algemene concentratiegrenzen vermeld in de delen 3 tot en met 5 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, rekening houdend met de concentraties bedoeld in de noten bij bepaalde tabellen in deel 3 aangaande de verplichting om op aanvraag een veiligheidsinformatieblad voor het mengsel beschikbaar te stellen, en voor aspiratiegevaar (rubriek 3.10 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008) ≥ 1 %;

iii)

de specifieke concentratiegrenzen in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;

iv)

wanneer een M-factor is opgenomen in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, de algemene ondergrens in tabel 1.1 van bijlage I bij die verordening, aangepast volgens de berekeningsmethode van punt 4.1 van bijlage I bij die verordening;

v)

de specifieke concentratiegrenzen die zijn verstrekt voor opname in de krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 vastgestelde inventaris van indelingen en etiketteringen;

vi)

een tiende van de specifieke concentratiegrens voor een stof die is ingedeeld als huidallergeen of inhalatieallergeen met een specifieke concentratiegrens;

vii)

de concentratiegrenzen in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1272/2008;

viii)

wanneer een M-factor is verstrekt voor opname in de krachtens Verordening (EG) nr. 1272/2008 vastgestelde inventaris van indelingen en etiketteringen, de algemene ondergrens in tabel 1.1 van bijlage I bij die verordening, aangepast volgens de berekeningsmethode van punt 4.1 van bijlage I bij die verordening;

b)

stoffen waarvoor in de Unie grenzen voor de blootstelling op het werk zijn vastgesteld en die nog niet in punt a) zijn opgenomen;

c)

indien de concentratie van een individuele stof gelijk aan of groter dan 0,1 % is, stoffen die aan een van de volgende criteria voldoen:

stoffen die persistent, bioaccumulerend en toxisch, dan wel zeer persistent en sterk bioaccumulerend zijn volgens de criteria van bijlage XIII,

stoffen die wegens andere dan de onder a) van dit punt genoemde gevaren, zoals hormoonontregelende eigenschappen, zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 59, lid 1, opgestelde lijst,

stoffen waarvan overeenkomstig de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 of Verordening (EU) 2018/605 is vastgesteld dat zij hormoonontregelende eigenschappen hebben.

Tabel 1.1

Lijst van gevarenklassen, gevarencategorieën en concentratiegrenzen die tot gevolg hebben dat een stof in punt 3.2.1 als stof in een mengsel moet worden opgenomen

Gevarenklasse en -categorie

Concentratiegrens (%)

Acute toxiciteit, categorie 1, 2 en 3

≥ 0,1

Acute toxiciteit, categorie 4

≥ 1

Huidcorrosie/-irritatie, categorie 1, categorieën 1A, 1B, 1C en categorie 2

≥ 1

Ernstig oogletsel/oogirritatie, categorie 1 en 2

≥ 1

Inhalatieallergeen categorie 1 of categorie 1B

≥ 0,1

Inhalatieallergeen categorie 1A

≥ 0,01

Huidallergeen categorie 1 of categorie 1B

≥ 0,1

Huidallergeen categorie 1A

≥ 0,01

Mutageniteit in geslachtscellen, categorie 1A en 1B

≥ 0,1

Mutageniteit in geslachtscellen, categorie 2

≥ 1

Kankerverwekkendheid, categorie 1A, 1B en 2

≥ 0,1

Giftigheid voor de voortplanting, categorie 1A, 1B en 2 en effecten op en via lactatie

≥ 0,1

Specifieke doelorgaantoxiciteit (STOT) bij eenmalige blootstelling, categorie 1, 2 en 3

≥ 1

Specifieke doelorgaantoxiciteit (STOT) bij herhaalde blootstelling, categorie 1 en 2

≥ 1

Aspiratietoxiciteit

≥ 1

Acuut gevaar voor het aquatisch milieu, categorie 1

≥ 0,1

Chronisch gevaar voor het aquatisch milieu, categorie 1

≥ 0,1

Chronisch gevaar voor het aquatisch milieu, categorie 2, 3 en 4

≥ 1

Gevaarlijk voor de ozonlaag

≥ 0,1

3.2.2.

Voor een mengsel dat volgens Verordening (EG) nr. 1272/2008 niet voldoet aan de criteria voor indeling, moeten de stoffen die aanwezig zijn in een concentratie die afzonderlijk gelijk is aan of hoger is dan de volgende concentraties met hun concentratie of concentratiebereik worden vermeld:

a)

1 gewichtsprocent voor niet-gasvormige mengsels en 0,2 volumeprocent voor gasvormige mengsels voor:

i)

voor de gezondheid of voor het milieu gevaarlijke stoffen in de zin van Verordening (EG) nr. 1272/2008, of

ii)

stoffen waarvoor in de Unie grenzen voor de blootstelling op het werk zijn vastgesteld;

b)

0,1 gewichtsprocent voor stoffen die aan een van de volgende criteria voldoen:

stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII persistent, bioaccumulerend en toxisch zijn;

stoffen die volgens de criteria van bijlage XIII zeer persistent en sterk bioaccumulerend zijn;

stoffen die wegens andere dan de onder a) van dit punt genoemde gevaren, zoals hormoonontregelende eigenschappen, zijn opgenomen in de overeenkomstig artikel 59, lid 1, opgestelde lijst,

stoffen waarvan overeenkomstig de criteria van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 of Verordening (EU) 2018/605 is vastgesteld dat zij hormoonontregelende eigenschappen hebben;

c)

0,1 % van een stof die is ingedeeld als huidallergeen van categorie 1 of 1B, inhalatieallergeen van categorie 1 of 1B of kankerverwekkend van categorie 2;

d)

0,01 % van een stof die is ingedeeld als huidallergeen van categorie 1A of inhalatieallergeen van categorie 1A;

e)

een tiende van de specifieke concentratiegrens voor een stof die is ingedeeld als huidallergeen of inhalatieallergeen met een specifieke concentratiegrens;

f)

0,1 % van een stof die is ingedeeld als giftig voor de voortplanting van categorie 1A, 1B of 2, of voor effecten op of via lactatie.

3.2.3.

Voor de in punt 3.2 vermelde stoffen:

moet de indeling van de stof overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008, met inbegrip van de gevarenklasse(n) en categoriecode(s) van tabel 1.1 van bijlage VI bij die verordening en van de gevarenaanduidingen en aanvullende gevarenaanduidingen, worden verstrekt. De gevarenaanduidingen en de aanvullende gevarenaanduidingen hoeven in dit punt niet volledig uitgeschreven te worden; hun codes volstaan. Wanneer zij niet volledig zijn uitgeschreven, moet worden verwezen naar rubriek 16, waar de volledige tekst van elke relevante gevarenaanduiding moet zijn opgenomen. Indien de stof niet aan de indelingscriteria voldoet, dient de reden waarom de stof in punt 3.2 wordt opgenomen te worden vermeld, bijvoorbeeld: “niet-ingedeelde zPzB-stof” of “stof waarvoor binnen de Unie een blootstellingsgrens op de werkvloer geldt”.

moeten de specifieke concentratiegrens, de M-factor en de acute toxiciteitsschatting voor de stof in deel 3 van bijlage VI bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 of die zijn vastgesteld overeenkomstig bijlage I bij die verordening, worden vermeld indien zij beschikbaar zijn.

als de in het mengsel gebruikte stof een nanovorm is en als zodanig is geregistreerd of vermeld in het chemischeveiligheidsrapport van de downstreamgebruiker, moeten de deeltjeskenmerken die de in bijlage VI beschreven nanovorm specificeren, worden vermeld. Als de in het mengsel gebruikte stof een nanovorm is die niet is geregistreerd of vermeld in het chemischeveiligheidsrapport van de downstreamgebruiker, moeten de deeltjeskenmerken die gevolgen hebben voor de veiligheid van het mengsel worden vermeld.

3.2.4.

Voor de stoffen die in punt 3.2 worden vermeld, moet de naam en, indien dat beschikbaar is, het registratienummer worden vermeld dat overeenkomstig artikel 20, lid 3, van deze verordening moet worden toegekend.

Zonder afbreuk te doen aan de in artikel 39 van deze verordening vastgestelde verplichtingen voor downstreamgebruikers kan het deel van het registratienummer dat naar de individuele registrant van een gezamenlijke indiening verwijst worden weggelaten door de leverancier van het mengsel, op voorwaarde:

a)

dat de leverancier de verantwoordelijkheid op zich neemt om op verzoek het volledige registratienummer voor handhavingsdoeleinden te verstrekken of, wanneer hij niet over het volledige registratienummer beschikt, om het verzoek overeenkomstig punt b) door te sturen naar zijn leverancier, en

b)

dat de leverancier het volledige registratienummer aan de handhavingsautoriteit van de lidstaat (hierna “de handhavingsautoriteit” genoemd) verstrekt binnen zeven dagen na ontvangst van een verzoek, dat ofwel direct uitgaat van de handhavingsautoriteit, ofwel is doorgestuurd door zijn afnemer, of dat de leverancier, wanneer hij niet over het volledige registratienummer beschikt, het verzoek binnen zeven dagen na het verzoek doorstuurt naar zijn leverancier en de handhavingsautoriteit daarvan tegelijkertijd op de hoogte stelt.

Indien beschikbaar moet overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1272/2008 het EG-nummer worden verstrekt. Indien beschikbaar mogen ook het CAS-nummer en de IUPAC-benaming worden vermeld.

Voor stoffen waarvoor in dit punt overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 een andere chemische naam is gebruikt, is het niet nodig het registratienummer, het EG-nummer of andere precieze chemische identificaties te vermelden.

4.    RUBRIEK 4: Eerstehulpmaatregelen

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad moet de eerste hulp zodanig worden beschreven dat een niet-opgeleide persoon deze kan begrijpen en kan verlenen zonder gebruik te maken van ingewikkelde apparatuur en zonder te beschikken over een uitgebreide selectie van geneesmiddelen. Wanneer medische verzorging vereist is, moet dat, en de mate van spoedeisendheid, in de instructies worden vermeld.

4.1.   Beschrijving van de eerstehulpmaatregelen

4.1.1.

Eerstehulpinstructies moeten per relevante manier van blootstelling worden verstrekt. Er moeten onderverdelingen worden aangebracht om de procedure aan te geven voor elke manier van blootstelling zoals inhalatie, contact met huid of ogen en inslikken.

4.1.2.

Geef aan:

a)

of onmiddellijke medische verzorging vereist is en of na een blootstelling uitgestelde effecten kunnen worden verwacht;

b)

of het wenselijk is de blootgestelde persoon in de frisse lucht te brengen;

c)

of het wenselijk is kleding en schoenen van de blootgestelde persoon te verwijderen en te hanteren, en

d)

of persoonlijke beschermingsmiddelen wenselijk zijn voor de personen die de eerste hulp verlenen.

4.2.   Belangrijkste acute en uitgestelde symptomen en effecten

Verstrek kort samengevatte informatie over de belangrijkste acute en uitgestelde symptomen en effecten van blootstelling.

4.3.   Vermelding van eventueel noodzakelijke onmiddellijke medische verzorging en speciale behandeling

Verstrek zo nodig informatie over klinische proeven en medische monitoring voor uitgestelde effecten, alsook specifieke details over tegengiffen (wanneer die bekend zijn) en contra-indicaties.

Voor sommige stoffen of mengsels kan het van belang zijn nadrukkelijk te vermelden dat speciale voorzieningen voor specifieke en onmiddellijke verzorging op de werkplek beschikbaar moeten zijn.

5.    RUBRIEK 5: Brandbestrijdingsmaatregelen

Beschrijf in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad de voorschriften voor de bestrijding van een brand veroorzaakt door of in de nabijheid van de stof of het mengsel.

5.1.   Blusmiddelen

Geschikte blusmiddelen:

verstrek informatie over de geschikte blusmiddelen.

Ongeschikte blusmiddelen:

geef aan of bepaalde blusmiddelen ongeschikt zijn in een specifieke situatie waarbij de stof of het mengsel betrokken is (bv. vermijd middelen onder hoge druk, die zouden kunnen leiden tot het ontstaan van een potentieel explosief mengsel van stof en lucht).

5.2.   Speciale gevaren die door de stof of het mengsel worden veroorzaakt

Verstrek informatie over gevaren die door de stof of het mengsel kunnen worden veroorzaakt, zoals gevaarlijke verbrandingsproducten die zich vormen wanneer de stof of het mengsel brandt, bijvoorbeeld: “kan bij brand giftige koolmonoxidedampen produceren” of “produceert bij verbranding zwavel- en stikstofoxiden”.

5.3.   Advies voor brandweerlieden

Geef advies over beschermende maatregelen die bij de bluswerkzaamheden moeten worden genomen, zoals “recipiënten met een waterstraal koel houden”, en over speciale beschermende uitrusting voor brandweerlieden, zoals laarzen, overalls, handschoenen, oog- en gezichtsmaskers en ademhalingsapparatuur.

6.    RUBRIEK 6: Maatregelen bij het accidenteel vrijkomen van de stof of het mengsel

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad moeten aanbevelingen worden opgenomen voor passende maatregelen wanneer de stof of het mengsel wordt geloosd, lekt of vrijkomt, om schadelijke gevolgen voor personen, eigendommen en het milieu te voorkomen of tot een minimum te beperken. Wanneer het gevaar in aanzienlijke mate afhangt van de geloosde hoeveelheid moet voor de maatregelen ook een onderscheid worden gemaakt tussen grote en kleine lozingen. Wanneer volgens de procedures voor insluiting en terugwinning verschillende praktijken vereist zijn, moeten die in het veiligheidsinformatieblad worden vermeld.

6.1.   Persoonlijke voorzorgsmaatregelen, beschermingsmiddelen en noodprocedures

6.1.1.   Voor andere personen dan de hulpdiensten

Verstrek advies in verband met het onopzettelijk lozen of vrijkomen van de stof of het mengsel, zoals:

a)

het dragen van passende beschermende uitrusting (met inbegrip van de persoonlijke beschermingsmiddelen in rubriek 8 van het veiligheidsinformatieblad) om besmetting van de huid, de ogen en de eigen kleding te voorkomen;

b)

verwijdering van ontstekingsbronnen, maatregelen voor voldoende ventilatie, tegengaan van stofvorming, en

c)

noodprocedures zoals de noodzaak om de gevarenzone te evacueren of een deskundige te raadplegen.

6.1.2.   Voor de hulpdiensten

Verstrek advies over de geschiktheid van stoffen voor persoonlijke beschermende kleding (zoals “geschikt: butyleen”; “niet geschikt: pvc”).

6.2.   Milieuvoorzorgsmaatregelen

Verstrek advies over milieuvoorzorgsmaatregelen die moeten worden genomen in verband met het onopzettelijk lozen of vrijkomen van de stof of het mengsel, zoals vermijden dat het product in afvoerkanalen, oppervlaktewater of grondwater terechtkomt.

6.3.   Insluitings- en reinigingsmethoden en -materiaal

6.3.1.

Verstrek passend advies over hoe het geloosde product moet worden ingesloten. Passende insluitingsmethoden kunnen onder meer zijn:

a)

het afdammen of afdekken van afvoerkanalen;

b)

procedures om het geloosde product af te dekken.

6.3.2.

Verstrek passend advies over hoe het geloosde product moet worden gereinigd. Passende reinigingsprocedures kunnen onder meer zijn:

a)

neutralisatietechnieken;

b)

decontaminatietechnieken;

c)

adsorberende materialen;

d)

reinigingstechnieken;

e)

aanzuigingstechnieken;

f)

benodigd insluitings- en reinigingsmateriaal (in voorkomend geval het gebruik van vonkvrij gereedschap en vonkvrije uitrusting).

6.3.3.

Verstrek alle andere passende informatie met betrekking tot het lozen of vrijkomen van het product, inclusief advies over ongeschikte insluitings- of reinigingstechnieken (zoals vermeldingen: “gebruik nooit …”).

6.4.   Verwijzing naar andere rubrieken

Verwijs zo nodig naar de rubrieken 8 en 13.

7.    RUBRIEK 7: Hantering en opslag

Deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad moet advies bevatten over veilige hanteringspraktijken. De nadruk moet worden gelegd op voorzorgsmaatregelen die passend zijn voor het geïdentificeerde gebruik waarnaar in punt 1.2 wordt verwezen en voor de unieke eigenschappen van de stof of het mengsel.

De informatie in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad moet betrekking hebben op de bescherming van de gezondheid, de veiligheid en het milieu. De werkgever moet aan de hand daarvan geschikte werkmethoden en organisatiemaatregelen overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 98/24/EG en artikel 5 van Richtlijn 2004/37/EG kunnen opstellen.

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is, moet de informatie in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad overeenstemmen met de informatie die in het chemischeveiligheidsrapport voor het geïdentificeerde gebruik is gegeven en met de blootstellingsscenario’s met de beschrijving van de risicobeheersing van het chemischeveiligheidsrapport als beschreven in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad.

Niet alleen deze rubriek, maar ook rubriek 8 kan relevante informatie bevatten.

7.1.   Voorzorgsmaatregelen voor het veilig hanteren van de stof of het mengsel

7.1.1.

Doe specifieke aanbevelingen:

a)

voor het veilig hanteren van de stof of het mengsel, zoals insluiting en maatregelen ter voorkoming van brand en van aerosol- en stofvorming;

b)

om het hanteren van incompatibele stoffen of mengsels te voorkomen;

c)

om de aandacht te vestigen op activiteiten en omstandigheden die nieuwe risico’s opleveren door een wijziging van de eigenschappen van de stof of het mengsel, en op passende tegenmaatregelen, en

d)

om het vrijkomen van de stof of het mengsel in het milieu te beperken en bijvoorbeeld te voorkomen dat het product wordt geloosd of in afvoerkanalen terechtkomt.

7.1.2.

Verstrek ook advies inzake algemene beroepsmatige hygiëne:

a)

niet eten, drinken of roken op plaatsen waar wordt gewerkt;

b)

na gebruik handen wassen, en

c)

verontreinigde kleding en beschermende uitrusting uittrekken alvorens ruimten te betreden waar wordt gegeten.

7.2.   Voorwaarden voor een veilige opslag, met inbegrip van incompatibele producten

Het verstrekte advies moet in overeenstemming zijn met de in rubriek 9 van het veiligheidsinformatieblad beschreven fysische en chemische eigenschappen. Verstrek in voorkomend geval advies over specifieke eisen voor de opslag, zoals:

a)

Maatregelen voor het risicobeheer in verband met:

i)

explosieve atmosferen;

ii)

corrosieve omstandigheden;

iii)

ontvlammingsgevaar;

iv)

incompatibele stoffen of mengsels;

v)

omstandigheden waarin verdamping optreedt, en

vi)

mogelijke ontstekingsbronnen (waaronder elektrische apparatuur);

b)

Maatregelen voor het beheersen van de gevolgen van:

i)

weersomstandigheden;

ii)

omgevingsdruk;

iii)

temperatuur;

iv)

zonlicht;

v)

vochtgehalte, en

vi)

trillingen;

c)

Hoe de stof of het mengsel intact te houden door gebruik te maken van:

i)

stabilisatoren, en

ii)

antioxidanten;

d)

Ander advies zoals:

i)

ventilatievereisten;

ii)

specifieke ontwerpen voor opslagruimten of -vaten (inclusief tussenschotten en ventilatie);

iii)

indien relevant, maximale hoeveelheid die in bepaalde omstandigheden mag worden opgeslagen, en

iv)

compatibele verpakkingen.

7.3.   Specifiek eindgebruik

Voor stoffen en mengsels die voor specifiek eindgebruik zijn ontworpen, moeten gedetailleerde en praktische aanbevelingen worden geformuleerd voor het in punt 1.2 bedoelde geïdentificeerde gebruik. Indien een blootstellingsscenario is bijgevoegd, kan daarnaar worden verwezen; zo niet moet de informatie overeenkomstig de punten 7.1 en 7.2 worden verstrekt. Indien een actor in de toeleveringsketen voor het mengsel een chemischeveiligheidsbeoordeling heeft uitgevoerd, volstaat het dat het veiligheidsinformatieblad en de blootstellingsscenario’s overeenkomen met het chemischeveiligheidsrapport voor het mengsel in plaats van met de chemischeveiligheidsrapporten voor elke stof in het mengsel. Wanneer er specifieke richtsnoeren voor de industrie of de sector bestaan, kan daarnaar in detail worden verwezen (met vermelding van de bron en de datum van afgifte van de richtsnoeren).

8.    RUBRIEK 8: Maatregelen ter beheersing van blootstelling/persoonlijke bescherming

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad moeten de toepasselijke grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en de nodige risicobeheersingsmaatregelen worden beschreven.

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is, moet de informatie in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad overeenstemmen met de informatie die in het chemischeveiligheidsrapport voor het geïdentificeerde gebruik is gegeven en met de blootstellingsscenario’s met de beschrijving van de risicobeheersing van het chemischeveiligheidsrapport als beschreven in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad.

8.1.   Controleparameters

8.1.1.

Indien beschikbaar moeten voor de stof of voor elk van de stoffen in het mengsel de volgende nationale grenswaarden, alsook de rechtsgrondslag van elk van die grenswaarden, worden vermeld die momenteel van toepassing zijn in de lidstaat waar het veiligheidsinformatieblad wordt verstrekt. Bij de vermelding van de grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling moet de in rubriek 3 gespecificeerde chemische identiteit worden gebruikt.

8.1.1.1.

de nationale grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling die overeenstemmen met de grenswaarden van de Unie voor beroepsmatige blootstelling overeenkomstig Richtlijn 98/24/EG, met inbegrip van aantekeningen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Besluit 2014/113/EU van de Commissie (5);

8.1.1.2.

de nationale grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling die overeenstemmen met de grenswaarden van de Unie overeenkomstig Richtlijn 2004/37/EG, met inbegrip van aantekeningen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Besluit 2014/113/EU;

8.1.1.3.

alle andere nationale grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling;

8.1.1.4.

de nationale biologische grenswaarden die overeenstemmen met de biologische grenswaarden van de Unie overeenkomstig Richtlijn 98/24/EG, met inbegrip van aantekeningen als bedoeld in artikel 2, lid 3, van Besluit 2014/113/EU;

8.1.1.5.

alle andere nationale biologische grenswaarden.

8.1.2.

Verstrek minstens voor de meest relevante stoffen informatie over de huidige aanbevolen monitoringprocedures.

8.1.3.

Indien bij het beoogde gebruik van de stof of het mengsel luchtvervuilende stoffen worden gevormd, moeten daarvoor toepasselijke grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling en/of biologische grenswaarden worden vermeld.

8.1.4.

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is, of een DNEL overeenkomstig punt 1.4 van bijlage I dan wel een PNEC overeenkomstig punt 3.3 van bijlage I beschikbaar is, moeten de relevante DNEL’s en PNEC’s voor de stof worden gegeven voor de blootstellingsscenario’s van het chemischeveiligheidsrapport die in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad zijn beschreven.

8.1.5.

Indien de stoffen of mengsels voor beheersingsdoeleinden in groepen worden ingedeeld (“control banding”) om beslissingen te nemen over risicobeheersmaatregelen in verband met specifiek gebruik, moeten voldoende details worden verstrekt om een doeltreffend risicobeheer mogelijk te maken. De context en de beperkingen van de specifieke aanbeveling om de stoffen of mengsels voor beheersingsdoeleinden in groepen in te delen, moeten worden toegelicht.

8.2.   Maatregelen ter beheersing van blootstelling

De informatie waarnaar in dit punt wordt gevraagd, moet worden verstrekt tenzij een blootstellingsscenario met die informatie bij het veiligheidsinformatieblad is gevoegd.

Wanneer de leverancier heeft afgezien van een test krachtens rubriek 3 van bijlage XI, moet hij de specifieke gebruiksomstandigheden vermelden die verantwoorden waarom van de test werd afgezien.

Wanneer een stof is geregistreerd als een (locatiegebonden of vervoerd) geïsoleerd tussenproduct, moet de leverancier verklaren dat dit veiligheidsinformatieblad in overeenstemming is met de specifieke voorwaarden die de registratie overeenkomstig artikel 17 of 18 rechtvaardigen.

8.2.1.   Passende technische maatregelen

De beschrijving van passende maatregelen ter beheersing van blootstelling moet verband houden met het geïdentificeerde gebruik van de stof of het mengsel bedoeld in punt 1.2. Deze informatie moet volstaan om het de werkgever mogelijk te maken in voorkomend geval een beoordeling uit te voeren van het risico voor de veiligheid van de gezondheid van de werknemers ingevolge de aanwezigheid van de stof of het mengsel overeenkomstig de artikelen 4 tot en met 6 van Richtlijn 98/24/EG en de artikelen 3 tot en met 5 van Richtlijn 2004/37/EG.

Deze informatie moet een aanvulling vormen op de reeds in rubriek 7 verstrekte gegevens.

8.2.2.   Individuele beschermingsmaatregelen, zoals persoonlijke beschermingsmiddelen

8.2.2.1.

De informatie over het gebruik van persoonlijke beschermingsmiddelen moet in overeenstemming zijn met goede beroepsmatige hygiënepraktijken en samengaan met andere beheersingsmaatregelen, zoals technische maatregelen, ventilatie en isolatie. In voorkomend geval moet worden verwezen naar rubriek 5 voor specifiek advies inzake persoonlijke beschermingsmiddelen tegen vuur/chemische stoffen.

8.2.2.2.

Rekening houdend met Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad (6) en verwijzend naar de desbetreffende CEN-normen, moeten gedetailleerde specificaties worden verstrekt over welk beschermingsmiddel doeltreffende en geschikte bescherming biedt, zoals:

a)

Bescherming van de ogen/het gezicht

Het vereiste soort bescherming van de ogen/het gezicht moet worden vastgesteld op grond van het gevaar dat de stof of het mengsel inhoudt en van het risico van contact, zoals veiligheidsbrillen, veiligheidsstofbrillen, gezichtsschermen.

b)

Bescherming van de huid

i)

Bescherming van de handen

Specificeer — afhankelijk van het gevaar dat met de stof of het mengsel verbonden is en het risico van contact, alsook met betrekking tot de hoeveelheid en de duur van blootstelling van de huid — duidelijk het soort handschoenen dat bij het werken met de stof of het mengsel moet worden gedragen, met inbegrip van:

het soort materiaal en de dikte,

de typische of minimumdoorbraaktijd van het handschoenmateriaal.

Vermeld zo nodig extra maatregelen voor de bescherming van de handen.

ii)

Andere maatregelen

Specificeer, indien andere lichaamsdelen dan de handen moeten worden beschermd, het soort en de kwaliteit van de vereiste beschermingsmiddelen — zoals kaphandschoenen, laarzen, overalls — afhankelijk van de gevaren die met de stof of het mengsel verbonden zijn en het risico van contact.

Vermeld zo nodig extra maatregelen voor de bescherming van de huid en specifieke hygiënische maatregelen.

c)

Bescherming van de ademhalingswegen

Specificeer voor gassen, dampen, nevel of stof, afhankelijk van het gevaar en het risico van blootstelling, het soort te gebruiken beschermingsmiddel, zoals luchtzuiverende ademhalingstoestellen met vermelding van het eigenlijke zuiverende element (patroon of filterbus), doeltreffende deeltjesfilters en doeltreffende maskers, of onafhankelijke ademhalingsapparatuur.

d)

Thermische gevaren

Wanneer wordt vermeld dat voor materialen die een thermisch gevaar inhouden beschermingsmiddelen moeten worden gedragen, moet bijzondere aandacht worden besteed aan de constructie van het persoonlijke beschermingsmiddel.

8.2.3.   Beheersing van milieublootstelling

Verstrek de informatie die de werkgever nodig heeft om zijn verplichtingen in verband met de Uniewetgeving inzake milieubescherming na te komen.

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is, moet voor de blootstellingsscenario’s als beschreven in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad een samenvatting worden verstrekt van de risicobeheersmaatregelen die de blootstelling van het milieu aan de stof naar behoren beheersen.

9.    RUBRIEK 9: Fysische en chemische eigenschappen

Vermeld indien relevant in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad de empirische gegevens met betrekking tot de stof of het mengsel. Artikel 8, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 is van toepassing.

Verstrek, opdat de juiste beheersingsmaatregelen kunnen worden genomen, alle relevante informatie over de stof of het mengsel. De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de informatie die is verstrekt in de/het eventueel vereiste registratie of chemischeveiligheidsrapport en met de indeling van de stof of het mengsel.

Ingeval de informatie niet geldt voor het mengsel als geheel, moet duidelijk worden vermeld op welke stof in het mengsel de informatie betrekking heeft.

De gerapporteerde eigenschappen moeten duidelijk worden geïdentificeerd en gerapporteerd in de passende meeteenheden. De bepalingsmethode moet worden vermeld, met inbegrip van de meet- en referentieomstandigheden, indien dat relevant is voor de interpretatie van de getalwaarde. Tenzij anders bepaald, zijn de standaardomstandigheden van temperatuur en druk respectievelijk 20 °C en 101,3 kPa.

De in de punten 9.1 en 9.2 genoemde eigenschappen kunnen in de vorm van een lijst worden gepresenteerd. Indien dat passend wordt geacht, kan de volgorde van de eigenschappen in de punten verschillend zijn.

9.1.   Informatie over fysische en chemische basiseigenschappen

Elk veiligheidsinformatieblad moet de hieronder genoemde eigenschappen vermelden. Wanneer wordt vermeld dat een specifieke eigenschap niet van toepassing is of er over een specifieke eigenschap geen informatie beschikbaar is, moet dat duidelijk worden aangegeven, zo mogelijk met vermelding van de redenen daarvoor.

a)

Fysische toestand

Vermeld de fysische toestand (gas, vloeistof of vaste stof), bij voorkeur onder standaardomstandigheden van temperatuur en druk.

De definities van de termen gas, vloeistof en vaste stof in punt 1.0 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 zijn van toepassing.

b)

Kleur

Vermeld de kleur van de stof of het mengsel zoals geleverd.

Wanneer één veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor varianten van een mengsel die verschillende kleuren kunnen hebben, kan de term “verschillende” worden gebruikt om de kleur te beschrijven.

c)

Geur

Geef een kwalitatieve beschrijving van de geur indien de geur algemeen bekend is of in de literatuur wordt beschreven.

Vermeld de geurdrempelwaarde (kwalitatief of kwantitatief) indien deze beschikbaar is.

d)

Smeltpunt/vriespunt

Niet van toepassing op gassen.

Vermeld het smeltpunt en het vriespunt bij standaarddruk.

Als het smeltpunt boven het meetbereik van de methode ligt, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen smeltpunt is waargenomen.

Indien vóór of tijdens het smelten ontleding of sublimatie plaatsvindt, moet dit worden vermeld.

Voor wassen en pasta’s mag in plaats van het smeltpunt en het vriespunt het verwekingspunt/verwekingstraject worden vermeld.

Indien het voor mengsels technisch niet mogelijk is het smeltpunt/vriespunt te bepalen, moet dit worden vermeld.

e)

Kookpunt of beginkookpunt en kooktraject

Vermeld deze eigenschappen bij standaarddruk. Er kan echter een kookpunt bij lagere druk worden vermeld indien het kookpunt zeer hoog is of als ontleding plaatsvindt voordat het kookpunt bij standaarddruk wordt bereikt.

Als het kookpunt boven het meetbereik van de methode ligt, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen kookpunt is waargenomen.

Indien vóór of tijdens het koken ontleding plaatsvindt, moet dit worden vermeld.

Indien het voor mengsels technisch niet mogelijk is het kookpunt of kooktraject te bepalen, moet dit worden vermeld; in dat geval moet ook het kookpunt worden vermeld van het ingrediënt met het laagste kookpunt.

f)

Ontvlambaarheid

Van toepassing op gassen, vloeistoffen en vaste stoffen.

Vermeld of de stof of het mengsel ontvlambaar is, d.w.z. of de stof of het mengsel vuur kan vatten of in brand kan worden gestoken, ook als de stof of het mengsel niet zijn onderworpen aan de indelingsprocedures voor ontvlambaarheid.

Indien nadere informatie beschikbaar is, zoals het antwoord op de vraag of het effect van ontbranding anders is dan bij een normale verbranding (bv. een explosie) en de ontvlambaarheid onder niet-standaardomstandigheden, kan die in voorkomend geval worden vermeld.

Op basis van de desbetreffende gevaarsindeling kan meer specifieke informatie over de ontvlambaarheid worden vermeld. Vermeld in dit punt niet de in punt 9.2.1 bedoelde informatie.

g)

Onderste en bovenste explosiegrens (7)

Niet van toepassing op vaste stoffen.

Vermeld voor brandbare vloeistoffen ten minste de onderste explosiegrens. Als het vlampunt ongeveer -25 °C of hoger is, kan het onmogelijk zijn de bovenste explosiegrens bij standaardtemperatuur te bepalen; in dat geval wordt aanbevolen de bovenste explosiegrens bij een hogere temperatuur te vermelden. Als het vlampunt hoger is dan 20 °C, kan het onmogelijk zijn de onderste of bovenste explosiegrens bij standaardtemperatuur te bepalen; in dat geval wordt aanbevolen zowel de onderste als de bovenste explosiegrens bij een hogere temperatuur te vermelden.

h)

Vlampunt

Niet van toepassing op gassen, aerosolen en vaste stoffen.

Vermeld voor mengsels een waarde voor het mengsel indien deze beschikbaar is. Vermeld anders het/de vlampunt(en) van de stof(fen) met het laagste vlampunt.

i)

Zelfontbrandingstemperatuur

Alleen van toepassing op gassen en vloeistoffen.

Vermeld voor mengsels de zelfontbrandingstemperatuur voor het mengsel indien deze beschikbaar is. Als de waarde voor het mengsel niet beschikbaar is, moet de zelfontbrandingstemperatuur van de ingrediënten met de laagste zelfontstekingstemperatuur worden vermeld.

j)

Ontledingstemperatuur

Alleen van toepassing op zelfontledende stoffen en mengsels, organische peroxiden en andere stoffen en mengsels die kunnen ontleden.

Vermeld de temperatuur van zelfversnellende ontleding (SADT) en het volume waarop die van toepassing is, of de begintemperatuur van de ontleding.

Vermeld of de temperatuur de SADT of de begintemperatuur van de ontleding is.

Als geen ontleding is waargenomen, moet worden vermeld tot welke temperatuur geen ontleding is waargenomen, bv. “geen ontleding waargenomen tot x °C”.

k)

pH

Niet van toepassing op gassen.

Vermeld de pH van de stof die of het mengsel zoals dat is geleverd, of indien het product een vaste stof is, de pH van een waterige vloeistof of oplossing bij een bepaalde concentratie.

Vermeld de concentratie van de teststof of het testmengsel in water.

l)

Kinematische viscositeit

Alleen van toepassing op vloeistoffen.

De meeteenheid is mm2/s.

Vermeld voor niet-newtonse vloeistoffen het thixotrope of reopexe gedrag.

m)

Oplosbaarheid

Vermeld de oplosbaarheid, bij voorkeur bij de standaardtemperatuur.

Vermeld de oplosbaarheid in water.

Ook de oplosbaarheid in andere polaire en niet-polaire oplosmiddelen kan worden vermeld.

Vermeld voor mengsels of het mengsel geheel of alleen gedeeltelijk oplosbaar is in of mengbaar is met water of een ander oplosmiddel.

Vermeld voor nanovormen naast de oplosbaarheid in water ook de oplossingssnelheid in water of in andere relevante biologische of milieumedia.

n)

Verdelingscoëfficiënt n-octanol/water (logwaarde)

Niet van toepassing op anorganische en ionische vloeistoffen en in de regel niet van toepassing op mengsels.

Vermeld of de gerapporteerde waarde is gebaseerd op tests of op berekeningen.

Vermeld voor nanovormen van een stof waarvoor de verdelingscoëfficiënt n-octanol/water niet van toepassing is, de dispersiestabiliteit in verschillende media.

o)

Dampspanning

Vermeld de dampspanning, bij voorkeur bij de standaardtemperatuur.

Vermeld voor vluchtige vloeistoffen ook de dampspanning bij 50 °C.

Wanneer één veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor verschillende varianten van een vloeibaar mengsel of een mengsel van vloeibaar gemaakte gassen, moet voor de dampspanning een bereik worden vermeld.

Vermeld voor vloeibare mengsels of mengsels van vloeibaar gemaakte gassen voor de dampspanning een bereik of ten minste de dampspanning van het/de vluchtigste ingrediënt(en) wanneer de dampspanning van het mengsel vooral wordt bepaald door dat/die ingrediënt(en).

Ook de verzadigde dampconcentratie mag worden vermeld.

p)

Dichtheid en/of relatieve dichtheid

Alleen van toepassing op vloeistoffen en vaste stoffen.

Vermeld de dichtheid en de relatieve dichtheid, bij voorkeur onder standaardomstandigheden van temperatuur en druk.

Vermeld de absolute dichtheid en/of de relatieve dichtheid met water van 4 °C als referentie (ook soortelijk gewicht genoemd).

Wanneer variaties in dichtheid mogelijk zijn, bv. als gevolg van de productie van charges, of wanneer een veiligheidsinformatieblad wordt gebruikt voor verschillende varianten van een stof of mengsel, mag een bereik worden vermeld.

Het veiligheidsinformatieblad vermeldt of de absolute dichtheid (eenheden bv. g/cm3 of kg/m3 ) en/of de relatieve dichtheid (dimensieloos) wordt gehanteerd.

q)

Relatieve dampdichtheid

Alleen van toepassing op gassen en vloeistoffen.

Vermeld voor gassen de relatieve dichtheid van het gas met lucht van 20 °C als referentie.

Vermeld voor vloeistoffen de relatieve dampdichtheid met lucht van 20 °C als referentie.

Voor vloeistoffen mag ook de relatieve dichtheid D m van het damp/luchtmengsel bij 20 °C worden vermeld.

r)

Deeltjeskenmerken

Alleen van toepassing op vaste stoffen.

Vermeld de deeltjesgrootte (mediane equivalente diameter, methode om de diameter te berekenen (op basis van aantal, oppervlakte of volume) en bandbreedte waarbinnen deze mediaanwaarde varieert). Ook andere eigenschappen kunnen worden vermeld, zoals de distributie van de grootte (bv. als een bereik), de vorm en de dimensieverhouding, de aggregatie- en agglomeratietoestand, de specifieke oppervlakte en de stofvorming. Indien de stof in nanovorm voorkomt of indien het verstrekte mengsel een nanovorm bevat, moeten die kenmerken in dit punt worden vermeld of moet ernaar worden verwezen indien dit reeds elders in het veiligheidsinformatieblad is gebeurd.

9.2.   Overige informatie

Vermeld naast de in punt 9.1 genoemde eigenschappen ook andere fysische en chemische parameters, zoals de in de punten 9.2.1 en 9.2.2 genoemde eigenschappen, indien de vermelding ervan relevant is voor het veilige gebruik van de stof of het mengsel.

9.2.1.   Informatie inzake fysische gevarenklassen

In dit punt worden de eigenschappen, de veiligheidskenmerken en de testresultaten vermeld waarvan de opname in het veiligheidsinformatieblad nuttig kan zijn wanneer een stof of mengsel in de desbetreffende fysische gevarenklasse is ingedeeld. Het kan ook passend zijn gegevens te vermelden die relevant worden geacht met betrekking tot een specifiek fysisch gevaar, maar die niet tot indeling leiden (bv. negatieve testresultaten dicht bij het criterium).

De naam van de gevarenklasse waarop de gegevens betrekking hebben, mag samen met de gegevens worden vermeld.

a)

Ontplofbare stoffen

Dit punt is ook van toepassing op stoffen en mengsels als bedoeld in noot 2 van punt 2.1.3 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008, en op andere stoffen en mengsels die bij verwarming in afgesloten toestand een positief resultaat hebben.

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

gevoeligheid voor slagen en stoten;

ii)

reactie bij verwarming in afgesloten toestand;

iii)

reactie bij ontsteking in afgesloten toestand;

iv)

gevoeligheid voor schokken;

v)

gevoeligheid voor wrijving;

vi)

thermische stabiliteit;

vii)

combinatie eigenschappen (type, grootte, nettomassa van de stof of het mengsel) op basis waarvan de stof of mengsel binnen de categorie ontplofbare stoffen is ingedeeld, of op basis waarvan de stof of het mengsel is vrijgesteld van de indeling als ontplofbare stof.

b)

Ontvlambare gassen

Voor zuivere ontvlambare gassen mag naast gegevens over de explosiegrenzen als bedoeld in punt 9.1, onder g), de volgende informatie worden verstrekt:

i)

de T Ci (maximumgehalte aan ontvlambaar gas dat, wanneer gemengd met stikstof, niet ontvlambaar is in de lucht, in molprocent);

ii)

de fundamentele brandsnelheid indien het gas op basis van de fundamentele brandsnelheid is ingedeeld als categorie 1B.

Voor een ontvlambaar gasmengsel mag naast gegevens over de explosiegrenzen als bedoeld in punt 9.1, onder g), de volgende informatie worden verstrekt:

i)

explosiegrenzen, indien getest, of een indicatie of de indeling en toewijzing van de categorie is gebaseerd op berekeningen;

ii)

fundamentele brandsnelheid indien het gasmengsel op basis van de fundamentele brandsnelheid is ingedeeld als categorie 1B.

c)

Aerosolen

Het volgende totale (gewichts)percentage van ontvlambare bestanddelen mag worden verstrekt, tenzij de aerosol is ingedeeld als aerosolcategorie 1 omdat het meer dan 1 (gewichts)percent ontvlambare bestanddelen bevat of een verbrandingswarmte van ten minste 20 kJ/g heeft en niet onderworpen is aan de indelingsprocedures voor ontvlambaarheid (zie de noot in punt 2.3.2.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008);

d)

Oxiderende gassen

Voor zuivere gassen mag de C i (zuurstofequivalentiecoëfficiënt) volgens ISO 10156 “Gassen en gasmengsels — Bepaling van het brandpotentieel en het oxiderend vermogen voor de keuze van cilinderklepopeningen” of volgens een gelijkwaardige methode worden verstrekt;

Voor gasmengsels mogen de woorden “oxiderend gas van categorie 1 (getest volgens ISO 10156 (of een gelijkwaardige methode))” worden vermeld voor geteste mengsels, of het berekende oxiderend vermogen volgens ISO 10156 of een gelijkwaardige methode;

e)

Gassen onder druk

Voor zuivere gassen mag de kritische temperatuur worden vermeld.

Voor gasmengsels mag de pseudo-kritische temperatuur worden vermeld;

f)

Ontvlambare vloeistoffen

Wanneer de stof of het mengsel is ingedeeld als ontvlambare vloeistof, hoeven de gegevens inzake het kookpunt en het vlampunt in dit punt niet te worden vermeld, aangezien die gegevens moeten worden vermeld overeenkomstig punt 9.1. Er mag informatie worden verstrekt over het vermogen om verbranding te doorstaan.

g)

Ontvlambare vaste stoffen

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

verbrandingssnelheid, of verbrandingsduur van metaalpoeders;

ii)

een verklaring over de vraag of de bevochtigde zone is gepasseerd;

h)

Zelfontledende stoffen en mengsels

Naast de vermelding van de SADT als bedoeld in punt 9.1, onder j), mag de volgende informatie worden verstrekt:

i)

ontledingstemperatuur,

ii)

detonatiekenmerken,

iii)

deflagratiekenmerken,

iv)

reactie bij verwarming in afgesloten toestand,

v)

in voorkomend geval, explosief vermogen;

i)

Pyrofore vloeistoffen

Vermeld kan worden of er spontane ontbranding of verkoling van filterpapier optreedt.

j)

Pyrofore vaste stoffen

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

voor vaste stoffen in poedervorm: of spontane ontbranding optreedt bij het gieten of binnen vijf minuten daarna,

ii)

een verklaring over de vraag of de pyrofore eigenschappen na verloop van tijd kunnen veranderen.

k)

Voor zelfverhitting vatbare stoffen en mengsels

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

een verklaring over de vraag of spontane ontbranding optreedt en wat de maximale temperatuurstijging is,

ii)

de resultaten van de in punt 2.11.4.2 van bijlage I bij Verordening (EG) nr. 1272/2008 bedoelde screeningtests, als die relevant en beschikbaar zijn;

l)

Stoffen en mengsels die in contact met water ontvlambare gassen ontwikkelen

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

identiteit van het ontwikkelde gas, indien dat bekend is,

ii)

een verklaring over de vraag of het ontwikkelde gas spontaan ontbrandt,

iii)

gasontwikkeling;

m)

Oxiderende vloeistoffen

Vermeld kan worden of er bij menging met cellulose spontane ontbranding optreedt.

n)

Oxiderende vaste stoffen

Vermeld kan worden of er bij menging met cellulose spontane ontbranding optreedt.

o)

Organische peroxiden

Naast de vermelding van de SADT als bedoeld in punt 9.1, onder j), mag de volgende informatie worden verstrekt:

i)

ontledingstemperatuur,

ii)

detonatiekenmerken,

iii)

deflagratiekenmerken,

iv)

reactie bij verwarming in afgesloten toestand,

v)

explosief vermogen;

p)

Bijtend voor metalen

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

metalen die door de stof of het mengsel gecorrodeerd worden,

ii)

corrosiesnelheid en vermelding of deze betrekking heeft op staal of aluminium,

iii)

verwijzing naar andere delen van het veiligheidsinformatieblad met betrekking tot compatibele of incompatibele materialen.

q)

Ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen

De volgende informatie mag worden verstrekt:

i)

gebruikt ongevoeligheidsagens,

ii)

exotherme ontledingsenergie,

iii)

gecorrigeerde verbrandingssnelheid (Ac);

iv)

explosieve eigenschappen van de ongevoelig gemaakte ontplofbare stof in die toestand.

9.2.2.   Andere veiligheidskenmerken

De hieronder vermelde eigenschappen, veiligheidskenmerken en testresultaten kunnen nuttig zijn om ten aanzien van een stof of mengsel het volgende aan te geven:

a)

mechanische gevoeligheid;

b)

temperatuur van zelfversnellende polymerisatie;

c)

ontstaan van explosieve mengsels van stof en lucht;

d)

zuur/alkalireserve;

e)

verdampingssnelheid;

f)

mengbaarheid;

g)

geleidingsvermogen;

h)

corroderend vermogen;

i)

gasgroep;

j)

redoxpotentiaal;

k)

mogelijkheid tot radicaalvorming;

l)

fotokatalytische eigenschappen.

Vermeld andere fysische en chemische parameters indien dat relevant is voor het veilige gebruik van de stof of het mengsel.

10.    RUBRIEK 10: Stabiliteit en reactiviteit

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad moet de stabiliteit van de stof of het mengsel worden beschreven, alsook de mogelijkheid van gevaarlijke reacties die zich onder bepaalde gebruiksomstandigheden en ook bij het vrijkomen in het milieu kunnen voordoen; in voorkomend geval moet naar de gebruikte testmethoden worden verwezen. Wanneer wordt vermeld dat een specifieke eigenschap niet van toepassing is of er over een specifieke eigenschap geen informatie beschikbaar is, moeten de redenen daarvoor worden aangegeven.

10.1.   Reactiviteit

10.1.1.

Beschrijf de reactiviteitsgevaren van de stof of het mengsel. Verstrek specifieke testgegevens voor de stof of het hele mengsel wanneer die beschikbaar zijn. De informatie kan echter ook op algemene gegevens voor de categorie of soort stof of mengsel zijn gebaseerd wanneer dergelijke gegevens het verwachte gevaar van de stof of het mengsel correct weergeven.

10.1.2.

Wanneer voor mengsels geen gegevens beschikbaar zijn, moeten gegevens over de stoffen in het mengsel worden verstrekt. Bij de vaststelling van incompatibele producten moet rekening worden gehouden met de stoffen, recipiënten en verontreinigingen waaraan de stof of het mengsel tijdens het vervoer, de opslag of het gebruik kan worden blootgesteld.

10.2.   Chemische stabiliteit

Vermeld of de stof of het mengsel bij normale atmosferische omstandigheden en verwachte temperatuur en druk bij opslag en hantering stabiel of onstabiel is. Beschrijf stabilisatoren die worden of misschien moeten worden gebruikt om de stof of het mengsel chemisch stabiel te houden. Vermeld de mogelijke implicatie voor de veiligheid van een verandering in fysisch voorkomen van de stof of het mengsel. Geef voor ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen informatie over de houdbaarheid en instructies over de wijze waarop de desensibilisatie moet worden gecontroleerd, en vermeld dat het verwijderen van het ongevoeligheidsagens het product tot een ontplofbare stof maakt.

10.3.   Mogelijke gevaarlijke reacties

Vermeld in voorkomend geval of de stof of het mengsel kan reageren of polymeriseren, waarbij overdruk of overtollige hitte vrijkomt of andere gevaarlijke omstandigheden worden gecreëerd. Beschrijf de omstandigheden waarin zich gevaarlijke reacties kunnen voordoen.

10.4.   Te vermijden omstandigheden

Vermeld omstandigheden zoals temperatuur, druk, licht, schokken, ontladingen van statische elektriciteit, trillingen of andere vormen van fysische belasting die tot een gevaarlijke situatie kunnen leiden (“te vermijden omstandigheden”), in voorkomend geval met een korte beschrijving van de maatregelen die moeten worden genomen om de met dergelijke gevaren verbonden risico’s te beheren. Geef voor ongevoelig gemaakte ontplofbare stoffen informatie over de maatregelen die moeten worden genomen om de onbedoelde verwijdering van het ongevoeligheidsagens te voorkomen, en vermeld de te vermijden omstandigheden indien de stof of het mengsel onvoldoende ongevoelig is gemaakt.

10.5.   Chemisch op elkaar inwerkende materialen

Vermeld groepen van stoffen of mengsels of specifieke stoffen, zoals water, lucht, zuren, basen of oxiderende stoffen, waarmee de stof of het mengsel kan reageren waardoor een gevaarlijke situatie ontstaat (zoals een ontploffing, het vrijkomen van giftige of ontvlambare materialen, of het vrijkomen van zeer grote hitte), in voorkomend geval met een korte beschrijving van de maatregelen die moeten worden genomen om de met dergelijke gevaren verbonden risico’s te beheren.

10.6.   Gevaarlijke ontledingsproducten

Vermeld bekende en redelijkerwijs te verwachten gevaarlijke ontledingsproducten die bij gebruik, opslag, lozing en verhitting worden geproduceerd. Gevaarlijke verbrandingsproducten moeten worden opgenomen in rubriek 5 van het veiligheidsinformatieblad.

11.    RUBRIEK 11: Toxicologische informatie

Deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad is hoofdzakelijk bedoeld voor gebruik door medici, professionals inzake veiligheid en gezondheid op het werk en toxicologen. Verstrek een beknopte maar volledige en begrijpelijke beschrijving van de verschillende toxicologische (gezondheids)effecten, alsook de beschikbare gegevens die voor de vaststelling van die effecten werden gebruikt, en in voorkomend geval eveneens informatie over toxicokinetiek, metabolisme en verspreiding. De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de informatie die is verstrekt in de/het eventueel vereiste registratie en/of chemischeveiligheidsrapport en met de indeling van de stof of het mengsel.

11.1.   Informatie over gevarenklassen als omschreven in Verordening (EG) nr. 1272/2008

Verstrek informatie over de volgende relevante gevarenklassen:

a)

acute toxiciteit;

b)

huidcorrosie/-irritatie;

c)

ernstig oogletsel/oogirritatie;

d)

sensibilisatie van de luchtwegen/de huid;

e)

mutageniteit in geslachtscellen;

f)

carcinogeniteit;

g)

giftigheid voor de voortplanting;

h)

STOT bij eenmalige blootstelling;

i)

STOT bij herhaalde blootstelling;

j)

gevaar bij inademing.

Deze gevaren moeten op het veiligheidsinformatieblad altijd worden vermeld.

Voor registratieplichtige stoffen worden korte samenvattingen van de informatie die is afgeleid van de toepassing van de bijlagen VII tot en met XI opgenomen, en waar nodig eveneens een verwijzing naar de gebruikte testmethoden. Voor registratieplichtige stoffen omvat de informatie tevens het resultaat van de vergelijking van de beschikbare gegevens met de criteria in Verordening (EG) nr. 1272/2008 voor CMR, categorieën 1A en 1B, overeenkomstig punt 1.3.1 van bijlage I bij deze verordening.

11.1.1.   Voor elke gevarenklasse of onderverdeling daarvan moet informatie worden verstrekt. Wanneer wordt vermeld dat de stof of het mengsel niet is ingedeeld voor een specifieke gevarenklasse of onderverdeling daarvan, moet op het veiligheidsinformatieblad duidelijk worden vermeld of dat toe te schrijven is aan een gebrek aan gegevens, de technische onmogelijkheid om de gegevens te verkrijgen, geen afdoende gegevens of afdoende gegevens die niet volstaan voor indeling; in het laatste geval moet op het veiligheidsinformatieblad worden gespecificeerd: “gebaseerd op beschikbare gegevens; aan de indelingscriteria is niet voldaan.”.

11.1.2.   De gegevens die in dit punt worden vermeld moeten betrekking hebben op de stof of het mengsel zoals die in de handel worden gebracht. Voor een mengsel moeten de gegevens de toxicologische eigenschappen van het mengsel als geheel beschrijven, behalve wanneer artikel 6, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1272/2008 van toepassing is. Indien beschikbaar moeten eveneens de relevante toxicologische eigenschappen van de gevaarlijke stoffen in een mengsel worden verstrekt, zoals de LD50, acute toxiciteitsschattingen of LC50.

11.1.3.   Wanneer er over de stof of het mengsel een groot aantal testgegevens bestaan, kan het nodig zijn de resultaten van de gebruikte kritische studies samen te vatten, bijvoorbeeld per blootstellingsroute.

11.1.4.   Wanneer niet is voldaan aan de indelingscriteria voor een specifieke gevarenklasse, moet informatie voor onderbouwing van die conclusie worden verstrekt.

11.1.5.   Informatie over waarschijnlijke blootstellingsrouten

Verstrek informatie over waarschijnlijke blootstellingsrouten en de effecten van de stof of het mengsel via elke mogelijke blootstellingsroute: inslikken, inademen of contact met de huid of de ogen. Indien de gezondheidseffecten niet bekend zijn, moet dat worden vermeld.

11.1.6.   Symptomen die verband houden met de fysische, chemische en toxicologische eigenschappen

Beschrijf mogelijke schadelijke effecten voor de gezondheid en de symptomen die verband houden met blootstelling aan de stof of het mengsel en de ingrediënten of bekende bijproducten daarvan. Verstrek de beschikbare informatie over de symptomen die verband houden met de fysische, chemische en toxicologische eigenschappen van de stof of het mengsel na blootstelling. Beschrijf de eerste symptomen bij lage blootstelling tot de gevolgen van ernstige blootstelling, zoals “kan hoofdpijn en duizeligheid veroorzaken, gevolgd door flauwvallen of bewusteloosheid; grote dosissen kunnen tot coma en de dood leiden”.

11.1.7.   Uitgestelde en onmiddellijke effecten alsook chronische effecten van kortstondige en langdurige blootstelling

Verstrek informatie over de eventuele uitgestelde of onmiddellijke effecten die mogen worden verwacht na kortstondige of langdurige blootstelling. Verstrek eveneens informatie over acute en chronische gezondheidseffecten in verband met blootstelling van de mens aan de stof of het mengsel. Wanneer gegevens over gezondheidseffecten bij de mens niet beschikbaar zijn, moet de informatie over de experimentele gegevens worden samengevat, waarbij ofwel de gegevens over gezondheidseffecten bij dieren en de diersoorten dan wel de in-vitrotests en de celtypes duidelijk worden geïdentificeerd. Vermeld of de toxicologische gegevens op gegevens over gezondheidseffecten bij mensen of dieren dan wel op in-vitrotests zijn gebaseerd.

11.1.8.   Interactieve effecten

Vermeld informatie over interacties wanneer die relevant en beschikbaar is.

11.1.9.   Gebrek aan specifieke gegevens

Het is niet altijd mogelijk informatie over de gevaren van een stof of een mengsel te verkrijgen. Wanneer er geen gegevens over de specifieke stof of het specifieke mengsel beschikbaar zijn, mogen in voorkomend geval gegevens over soortgelijke stoffen of mengsels worden gebruikt, op voorwaarde dat de relevante soortgelijke stof of het relevante soortgelijke mengsel is vermeld. Wanneer specifieke gegevens niet worden gebruikt, of wanneer er geen gegevens beschikbaar zijn, moet dat duidelijk worden vermeld.

11.1.10.   Mengsels

Wanneer een mengsel niet op zijn gezondheidseffecten als geheel is getest, moet voor een bepaald gezondheidseffect relevante informatie over in rubriek 3 opgenomen relevante stoffen worden verstrekt.

11.1.11.   Informatie over het mengsel versus informatie over de stof

11.1.11.1.

De stoffen in een mengsel kunnen in het lichaam op elkaar inwerken, wat resulteert in verschillende graden van absorptie, metabolisme en excretie. Bijgevolg kan de toxische werking veranderen en kan de totale toxiciteit van het mengsel verschillen van die van de stoffen die het bevat. Daarmee moet rekening worden gehouden bij de verstrekking van toxicologische informatie in dit punt van het veiligheidsinformatieblad.

11.1.11.2.

Er moet worden overwogen of de concentratie van elke stof voldoende is om bij te dragen tot de algemene gezondheidseffecten van het mengsel. De informatie over toxische effecten moet voor elke stof worden verstrekt, behalve in de volgende gevallen:

a)

wanneer dezelfde informatie vaker voorkomt moet die voor het hele mengsel slechts één keer worden vermeld (bijvoorbeeld wanneer twee stoffen allebei braken en diarree veroorzaken);

b)

wanneer het onwaarschijnlijk is dat deze effecten zich zullen voordoen bij de aanwezige concentraties, zoals wanneer een licht irriterende stof tot onder een bepaalde concentratie in een niet-irriterende oplossing wordt verdund;

c)

wanneer er geen informatie over interacties tussen stoffen in een mengsel beschikbaar is, mogen geen veronderstellingen mogen gemaakt, maar moeten de gezondheidseffecten van elke stof afzonderlijk worden vermeld.

11.2   Informatie over andere gevaren

11.2.1.   Hormoonontregelende eigenschappen

Vermeld voor de stoffen waarvan in punt 2.3 is vastgesteld dat zij hormoonontregelende eigenschappen hebben, informatie over schadelijke effecten van die hormoonontregelende eigenschappen voor de gezondheid, voor zover beschikbaar. Die informatie moet bestaan uit korte samenvattingen van de informatie die voortvloeit uit de toepassing van de beoordelingscriteria in de desbetreffende verordeningen (Verordeningen (EG) nr. 1907/2006, (EU) 2017/2100 en (EU) 2018/605) en die relevant is voor de beoordeling van hormoonontregelende eigenschappen voor de menselijke gezondheid.

11.2.2.   Overige informatie

Andere relevante informatie over schadelijke gezondheidseffecten moet worden vermeld, ook al is die krachtens de indelingscriteria niet vereist.

12.    RUBRIEK 12: Ecologische informatie

In deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad wordt informatie verstrekt om het milieueffect van de stof of het mengsel te kunnen evalueren wanneer deze vrijkomen in het milieu. In de punten 12.1 tot en met 12.7 van het veiligheidsinformatieblad wordt een korte samenvatting van de gegevens verstrekt, alsook, wanneer die beschikbaar zijn, relevante testgegevens waarbij soort, middel, eenheden en duur en omstandigheden van de test duidelijk worden vermeld. Deze informatie kan nuttig zijn bij het reageren op lozingen en bij het evalueren van afvalverwerkingspraktijken, de beheersing van het vrijkomen van de stof of het mengsel, maatregelen bij het accidenteel vrijkomen van de stof of het mengsel, en het vervoer. Wanneer wordt vermeld dat een specifieke eigenschap niet van toepassing is (omdat uit de beschikbare gegevens blijkt dat de stof of het mengsel niet aan de indelingscriteria voldoet) of er over een specifieke eigenschap geen informatie beschikbaar is, moeten de redenen daarvoor worden aangegeven. Indien een stof of een mengsel niet is ingedeeld om een andere reden (bijvoorbeeld vanwege de technische onmogelijkheid om de gegevens te verkrijgen of omdat de gegevens geen uitsluitsel geven), moet dit ook duidelijk worden vermeld op het veiligheidsinformatieblad.

Sommige eigenschappen, zoals bioaccumulatie, persistentie en afbreekbaarheid, zijn specifiek voor een bepaalde stof, en voor zover beschikbaar en relevant moet die informatie worden verstrekt voor elke desbetreffende stof in het mengsel (d.w.z. die welke moeten worden vermeld in rubriek 3 van het veiligheidsinformatieblad en gevaarlijk zijn voor het milieu of PBT/zPzB-stoffen zijn). Er moet ook informatie worden verstrekt over gevaarlijke omzettingsproducten die ontstaan bij de afbraak van stoffen of mengsels.

De informatie in deze rubriek moet overeenkomen met de informatie die is verstrekt in de/het eventueel vereiste registratie en/of chemischeveiligheidsrapport en met de indeling van de stof of het mengsel.

Wanneer betrouwbare en relevante experimentele gegevens beschikbaar zijn, moeten die worden vermeld en gaan zij voor op informatie uit modellen.

12.1.   Toxiciteit

Verstrek indien beschikbaar informatie over toxiciteit die gebaseerd is op gegevens van tests op waterorganismen en/of terrestrische organismen. Hieronder vallen relevante beschikbare gegevens over aquatische toxiciteit, zowel acuut als chronisch, voor vis, schaaldieren, algen en andere waterplanten. Vermeld voorts toxiciteitsgegevens over micro- en macro-organismen in de bodem en andere voor het milieu relevante organismen, zoals vogels, bijen en planten, voor zover deze beschikbaar zijn. Indien de stof of het mengsel remmende effecten op de activiteit van micro-organismen heeft, moet het mogelijke effect op rioolwaterzuiveringsinstallaties worden vermeld.

Wanneer geen experimentele gegevens beschikbaar zijn, moet de leverancier nagaan of betrouwbare en relevante informatie uit modellen kan worden verstrekt.

Voor registratieplichtige stoffen worden samenvattingen van de informatie die is afgeleid van de toepassing van de bijlagen VII tot en met XI bij deze verordening opgenomen.

12.2.   Persistentie en afbreekbaarheid

Afbreekbaarheid is het vermogen van de stof of de relevante stoffen in een mengsel om in het milieu te worden afgebroken, hetzij langs biologische weg, hetzij via andere processen, zoals oxidatie of hydrolyse. Persistentie is het ontbreken van aangetoonde afbraak in de situaties die zijn omschreven in de punten 1.1.1 en 1.2.1 van bijlage XIII. Indien er testresultaten beschikbaar zijn die relevant zijn voor het beoordelen van de persistentie en de afbreekbaarheid, moeten die worden vermeld. Wanneer halveringstijden worden vermeld, moet worden verduidelijkt of deze betrekking hebben op mineralisatie of op primaire afbraak. Het vermogen van de stof of bepaalde stoffen in een mengsel om in rioolwaterzuiveringsinstallaties te worden afgebroken, moet eveneens worden vermeld.

Wanneer geen experimentele gegevens beschikbaar zijn, moet de leverancier nagaan of betrouwbare en relevante informatie uit modellen kan worden verstrekt.

Voor zover beschikbaar en relevant moet de informatie worden verstrekt voor elke individuele stof in het mengsel die overeenkomstig de voorschriften in rubriek 3 van het veiligheidsinformatieblad moet worden vermeld.

12.3.   Bioaccumulatie

Bioaccumulatie is het vermogen van de stof of van bepaalde stoffen in een mengsel om zich in biota te accumuleren en uiteindelijk in de voedselketen te worden opgenomen. Testresultaten die relevant zijn voor het beoordelen van de bioaccumulatie moeten worden verstrekt, met vermelding van de verdelingscoëfficiënt octanol/water (Kow) en de bioconcentratiefactor (BCF), of van andere relevante parameters in verband met bioaccumulatie, indien beschikbaar.

Wanneer geen experimentele gegevens beschikbaar zijn, moet worden nagegaan of modelvoorspellingen kunnen worden verstrekt.

Voor zover beschikbaar en relevant moet de informatie worden verstrekt voor elke individuele stof in het mengsel die overeenkomstig de voorschriften in rubriek 3 van het veiligheidsinformatieblad moet worden vermeld.

12.4.   Mobiliteit in de bodem

Mobiliteit in de bodem is het vermogen van de stof of de bestanddelen van een mengsel om, indien zij in het milieu terechtkomen, door natuurkrachten te worden getransporteerd naar het grondwater of tot op een afstand van de plaats waar zij zijn vrijgekomen. Vermeld indien beschikbaar de mogelijke mobiliteit in de bodem. Informatie over mobiliteit in de bodem kan worden verzameld uit relevante mobiliteitsgegevens zoals studies over adsorptie of uitspoeling, bekende of voorspelde verspreiding over milieucompartimenten, of oppervlaktespanning. Zo kan bijvoorbeeld de adsorptiecoëfficiënt van de bodem (Koc) worden voorspeld aan de hand van de Kow. Uitspoeling en mobiliteit kunnen met modellen worden voorspeld.

Voor zover beschikbaar en relevant moet de informatie worden verstrekt voor elke individuele stof in het mengsel die overeenkomstig de voorschriften in rubriek 3 van het veiligheidsinformatieblad moet worden vermeld.

12.5.   Resultaten van PBT- en zPzB-beoordeling

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is, moeten de resultaten van de PBT- en zPzB-beoordeling als vermeld in het chemischeveiligheidsrapport worden verstrekt.

12.6.   Hormoonontregelende eigenschappen

Vermeld voor de stoffen waarvan in punt 2.3 is vastgesteld dat zij hormoonontregelende eigenschappen hebben, informatie over schadelijke milieueffecten van die hormoonontregelende eigenschappen, voor zover beschikbaar. Die informatie moet bestaan uit korte samenvattingen van de informatie die voortvloeit uit de toepassing van de beoordelingscriteria in de desbetreffende verordeningen (Verordeningen ((EG) nr. 1907/2006, (EU) 2017/2100 en (EU) 2018/605) en die relevant is voor de beoordeling van hormoonontregelende eigenschappen voor het milieu.

12.7.   Andere schadelijke effecten

Vermeld indien beschikbaar informatie over andere schadelijke milieueffecten, bijvoorbeeld het milieutraject (blootstelling), vermogen tot vorming van fotochemische ozon, ozonafbrekend vermogen of aardopwarmingspotentieel.

13.    RUBRIEK 13: Instructies voor verwijdering

Deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad bevat informatie over een passend afvalbeheer voor de stof of het mengsel en/of de recipiënt om de lidstaat waar het veiligheidsinformatieblad wordt verstrekt te helpen om veilige en milieuvriendelijke afvalbeheersopties vast te stellen die in overeenstemming zijn met de vereisten van Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad (8). De informatie in rubriek 8 moet worden aangevuld met relevante informatie voor de veiligheid van personen die het afval verwijderen of verwerken.

Indien een chemischeveiligheidsrapport vereist is en een analyse van de afvalfase is uitgevoerd, moet de informatie over afvalbeheermaatregelen overeenstemmen met het geïdentificeerde gebruik in het chemischeveiligheidsrapport en de blootstellingsscenario’s van het chemischeveiligheidsrapport als beschreven in de bijlage bij het veiligheidsinformatieblad.

13.1.   Afvalverwerkingsmethoden

Dit punt van het veiligheidsinformatieblad:

a)

specificeert afvalverwerkingsrecipiënten en -methoden, met inbegrip van de passende afvalverwerkingsmethoden voor zowel de stof en het mengsel als de verontreinigde verpakking (bijvoorbeeld verbranding, recycling, storten);

b)

specificeert de fysische/chemische eigenschappen die van invloed kunnen zijn op de afvalverwerkingsopties;

c)

ontmoedigt de lozing van afvalwater in het milieu;

d)

vermeldt in voorkomend geval speciale voorzorgsmaatregelen voor een aanbevolen afvalverwerkingsoptie.

Er wordt verwezen naar eventuele bepalingen van de Unie inzake afval; indien deze ontbreken, wordt verwezen naar relevante nationale of regionale bepalingen.

14.    RUBRIEK 14: Informatie met betrekking tot het vervoer

Vermeld in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad essentiële informatie over de indeling voor het vervoer/de verzending over de weg, per spoor, over zee, via de binnenwateren of via de lucht van in rubriek 1 vermelde stoffen of mengsels. Wanneer deze informatie niet beschikbaar is of niet relevant is, moet dat worden vermeld.

Verstrek in deze rubriek in voorkomend geval informatie over de transportclassificatie voor elk van de volgende internationale overeenkomsten waarmee uitvoering wordt gegeven aan de modelreglementen van de VN voor specifieke vervoerswijzen: de Overeenkomst betreffende het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de weg (ADR), het Reglement betreffende het internationale spoorwegvervoer van gevaarlijke goederen (RID) en het Europees Verdrag inzake het internationale vervoer van gevaarlijke goederen over de binnenwateren (ADN), die alle drie ten uitvoer zijn gelegd bij Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), alsook de International Maritime Dangerous Goods (IMDG) Code (10) voor het vervoer van verpakte goederen en de desbetreffende IMO-codes voor het vervoer van bulkgoederen over zee (11), en de Technische instructies voor de veiligheid van het luchtvervoer van gevaarlijke goederen (ICAO TI) (12).

14.1.   VN-nummer of ID-nummer

Verstrek het VN-nummer of het ID-nummer (d.w.z. het uit vier cijfers bestaande identificatienummer van de stof, het mengsel of het voorwerp, voorafgegaan door de letters “VN” of “ID”) van de modelreglementen van de VN, de IMDG, de ADR, het RID, het ADN of de ICAO TI.

14.2.   Juiste ladingnaam overeenkomstig de modelreglementen van de VN

Verstrek de juiste ladingnaam overeenkomstig kolom 2 (“Naam en beschrijving”) van tabel A van hoofdstuk 3.2 (Lijst van gevaarlijke goederen) van de modelreglementen van de VN, in de ADR, in het RID en in de tabellen A en C van hoofdstuk 3.2 van het ADN in voorkomend geval aangevuld met de technische benaming tussen haakjes, tenzij die in punt 1.1 als productidentificatie is vermeld. Als het VN-nummer en de juiste ladingnaam in verschillende vervoerswijzen ongewijzigd blijven, hoeft deze informatie niet te worden herhaald. Wat het zeevervoer betreft, moet in voorkomend geval naast de juiste ladingnaam de technische benaming worden aangegeven van te vervoeren goederen die onder de IMDG-code vallen.

14.3.   Transportgevarenklasse(n)

Vermeld de transportgevarenklasse (en secundaire risico’s) waarin de stoffen of de mengsels overeenkomstig de modelreglementen van de VN zijn ingedeeld op grond van het belangrijkste gevaar dat zij inhouden. Vermeld bij vervoer over land de transportgevarenklasse (en secundaire risico’s) waarin de stoffen of de mengsels overeenkomstig de ADR, het RID en het ADN zijn ingedeeld op grond van het belangrijkste gevaar dat zij inhouden.

14.4.   Verpakkingsgroep

Vermeld in voorkomend geval het verpakkingsgroepnummer overeenkomstig de modelreglementen van de VN, zoals vereist door de modelreglementen van de VN, de ADR, het RID en het ADN. Het verpakkingsgroepnummer wordt aan bepaalde stoffen toegekend afhankelijk van de ernst van het gevaar dat zij inhouden.

14.5.   Milieugevaren

Vermeld of de stof of het mengsel gevaarlijk is voor het milieu volgens de criteria van de modelreglementen van de VN (zoals overgenomen in de ADR, het RID en het ADN) en of de stof of het mengsel volgens de IMDG-code en de procedures voor reactie in noodgevallen voor schepen die gevaarlijke goederen vervoeren mariene verontreiniging veroorzaakt. Wanneer vervoer van de stof of het mengsel in tankschepen over de binnenwateren is toegestaan of de bedoeling is, moet worden vermeld of de stof of het mengsel volgens het ADN slechts in tankschepen gevaarlijk is voor het milieu.

14.6.   Bijzondere voorzorgen voor de gebruiker

Vermeld voor alle relevante vervoerswijzen eventuele speciale voorzorgsmaatregelen die een gebruiker moet of zou moeten nemen of waarvan hij op de hoogte moet of zou moeten zijn met betrekking tot het vervoer of de verplaatsing binnen of buiten zijn bedrijfsterrein.

14.7.   Zeevervoer in bulk overeenkomstig IMO-instrumenten

Dit punt is alleen van toepassing wanneer een lading bedoeld is om in bulk te worden vervoerd overeenkomstig instrumenten van de IMO: hoofdstuk VI of hoofdstuk VII van Solas (13), bijlage II of bijlage V bij Marpol, de IBC-code (14), de IMSBC-code (15), en de IGC-code (16) of de eerdere versies ervan, namelijk de EGC-code (17) of de GC-code (18).

Verstrek voor vloeibare bulkladingen de productnaam (wanneer die verschilt van die in punt 1.1) zoals voorgeschreven door het vervoersbewijs en overeenkomstig de naam die wordt gebruikt in de lijst van productnamen in hoofdstuk 17 of 18 van de IBC-code of de laatste editie van de circulaire van de Commissie voor de bescherming van het mariene milieu (MEPC) van de IMO (19). Vermeld de vereiste scheepscategorie en de verontreinigingscategorie, alsmede de IMO-risicoklasse overeenkomstig punt 3, B, onder a), van bijlage I bij Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad (20).

Verstrek voor vaste goederen in bulk de bulkgoederenvervoersnaam. Vermeld of de lading al dan niet wordt beschouwd als schadelijk voor het mariene milieu (HME) overeenkomstig bijlage V bij Marpol, of zij een materiaal betreft dat alleen in bulk gevaarlijk is (MHB) (21) overeenkomstig de IMSBC-code, en als welke vrachtgroep zij volgens de IMSBC moet worden beschouwd.

Verstrek voor ladingen vloeibaar gemaakt gas in bulk de productnaam en het scheepstype die zijn vereist volgens de IGC-code of de eerdere versies daarvan, namelijk de EGC-code of de GC-code.

15.    RUBRIEK 15: Regelgeving

Vermeld in deze rubriek de overige informatie betreffende de toepasselijke wetgeving voor de stof of het mengsel die niet reeds op het veiligheidsinformatieblad is verstrekt (zoals welke verordening of richtlijn van toepassing is op de stof of het mengsel: Verordening (EG) nr. 1005/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de ozonlaag afbrekende stoffen (22), Verordening (EG) nr. 850/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 betreffende persistente organische verontreinigende stoffen en tot wijziging van Richtlijn 79/117/EEG (23) of Verordening (EG) nr. 649/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende de in- en uitvoer van gevaarlijke chemische stoffen (24)).

15.1.   Specifieke veiligheids-, gezondheids- en milieureglementen en -wetgeving voor de stof of het mengsel

Verstrek informatie over relevante bepalingen van de Unie inzake veiligheid, gezondheid en milieu (bijvoorbeeld Seveso-categorie/in bijlage I bij Richtlijn 96/82/EG van de Raad (25) genoemde stoffen) of nationale informatie over de wettelijke status van de stof of het mengsel (inclusief de stoffen in het mengsel), alsook advies over de maatregelen die de afnemer ingevolge deze bepalingen moet nemen. Vermeld de nationale wetten van de desbetreffende lidstaten ter uitvoering van deze bepalingen en eventuele andere nationale maatregelen die relevant kunnen zijn.

Wanneer de stof of het mengsel als behandeld in dit veiligheidsinformatieblad aan specifieke bepalingen van de Unie inzake bescherming van de menselijke gezondheid en het milieu is onderworpen (zoals krachtens titel VII verleende autorisaties of krachtens titel VIII opgelegde beperkingen), moeten deze worden vermeld. Indien een op grond van titel VII verleende autorisatie aan een downstreamgebruiker van de stof of het mengsel voorwaarden of monitoringregelingen oplegt, moeten deze worden vermeld.

15.2.   Chemischeveiligheidsbeoordeling

Vermeld in dit punt van het veiligheidsinformatieblad of de leverancier voor de stof of het mengsel een chemischeveiligheidsbeoordeling heeft uitgevoerd.

16.    RUBRIEK 16: Overige informatie

Neem in deze rubriek van het veiligheidsinformatieblad informatie op die niet voorkomt in de rubrieken 1 tot en met 15, met inbegrip van informatie over de herziening van het veiligheidsinformatieblad, zoals:

a)

in het geval van een herzien veiligheidsinformatieblad, een duidelijke vermelding van waar in de vorige versie van het veiligheidsinformatieblad veranderingen zijn aangebracht, tenzij een dergelijke vermelding elders in het veiligheidsinformatieblad voorkomt, met zo nodig uitleg bij de veranderingen. Een leverancier van een stof of een mengsel moet op verzoek een verklaring voor de veranderingen kunnen verstrekken;

b)

een verklarende lijst van de afkortingen en acroniemen die in het veiligheidsinformatieblad worden gebruikt;

c)

belangrijke literatuurreferenties en gegevensbronnen;

d)

voor mengsels, een indicatie welke van de in artikel 9 van Verordening (EG) nr. 1272/2008 vermelde methoden voor de evaluatie van de informatie voor de indeling is gebruikt;

e)

een lijst van relevante gevarenaanduidingen en/of voorzorgsmaatregelen. Schrijf de tekst van waarschuwingen die in de rubrieken 2 tot en met 15 niet voluit zijn vermeld, hier voluit;

f)

advies over passende opleiding voor werknemers om de bescherming van de gezondheid en het milieu te garanderen.

DEEL B

Het veiligheidsinformatieblad moet overeenkomstig artikel 31, lid 6, de volgende 16 rubrieken bevatten, alsook de vermelde punten, met uitzondering van rubriek 3, waar alleen punt 3.1 of punt 3.2 in voorkomend geval moet worden ingevuld:

RUBRIEK 1: Identificatie van de stof of het mengsel en van de vennootschap/onderneming

1.1.

Productidentificatie

1.2.

Relevant geïdentificeerd gebruik van de stof of het mengsel en ontraden gebruik

1.3.

Details betreffende de verstrekker van het veiligheidsinformatieblad

1.4.

Telefoonnummer voor noodgevallen

RUBRIEK 2: Identificatie van de gevaren

2.1.

Indeling van de stof of het mengsel

2.2.

Etiketteringselementen

2.3.

Andere gevaren

RUBRIEK 3: Samenstelling en informatie over de bestanddelen

3.1.

Stoffen

3.2.

Mengsels

RUBRIEK 4: Eerstehulpmaatregelen

4.1.

Beschrijving van de eerstehulpmaatregelen

4.2.

Belangrijkste acute en uitgestelde symptomen en effecten

4.3.

Vermelding van eventueel noodzakelijke onmiddellijke medische verzorging en speciale behandeling

RUBRIEK 5: Brandbestrijdingsmaatregelen

5.1.

Blusmiddelen

5.2.

Speciale gevaren die door de stof of het mengsel worden veroorzaakt

5.3.

Advies voor brandweerlieden

RUBRIEK 6: Maatregelen bij het accidenteel vrijkomen van de stof of het mengsel

6.1.

Persoonlijke voorzorgsmaatregelen, beschermingsmiddelen en noodprocedures

6.2.

Milieuvoorzorgsmaatregelen

6.3.

Insluitings- en reinigingsmethoden en -materiaal

6.4.

Verwijzing naar andere rubrieken

RUBRIEK 7: Hantering en opslag

7.1.

Voorzorgsmaatregelen voor het veilig hanteren van de stof of het mengsel

7.2.

Voorwaarden voor een veilige opslag, met inbegrip van incompatibele producten

7.3.

Specifiek eindgebruik

RUBRIEK 8: Maatregelen ter beheersing van blootstelling/persoonlijke bescherming

8.1.

Controleparameters

8.2.

Maatregelen ter beheersing van blootstelling

RUBRIEK 9: Fysische en chemische eigenschappen

9.1.

Informatie over fysische en chemische basiseigenschappen

9.2.

Overige informatie

RUBRIEK 10: Stabiliteit en reactiviteit

10.1.

Reactiviteit

10.2.

Chemische stabiliteit

10.3.

Mogelijke gevaarlijke reacties

10.4.

Te vermijden omstandigheden

10.5.

Chemisch op elkaar inwerkende materialen

10.6.

Gevaarlijke ontledingsproducten

RUBRIEK 11: Toxicologische informatie

11.1.

Informatie over gevarenklassen als omschreven in Verordening (EG) nr. 1272/2008

11.2.

Informatie over andere gevaren

RUBRIEK 12: Ecologische informatie

12.1.

Toxiciteit

12.2.

Persistentie en afbreekbaarheid

12.3.

Bioaccumulatie

12.4.

Mobiliteit in de bodem

12.5.

Resultaten van PBT- en zPzB-beoordeling

12.6.

Hormoonontregelende eigenschappen

12.7.

Andere schadelijke effecten

RUBRIEK 13: Instructies voor verwijdering

13.1.

Afvalverwerkingsmethoden

RUBRIEK 14: Informatie met betrekking tot het vervoer

14.1.

VN-nummer of ID-nummer

14.2.

Juiste ladingnaam overeenkomstig de modelreglementen van de VN

14.3.

Transportgevarenklasse(n)

14.4.

Verpakkingsgroep

14.5.

Milieugevaren

14.6.

Bijzondere voorzorgen voor de gebruiker

14.7.

Zeevervoer in bulk overeenkomstig IMO-instrumenten

RUBRIEK 15: Regelgeving

15.1.

Specifieke veiligheids-, gezondheids- en milieureglementen en -wetgeving voor de stof of het mengsel

15.2.

Chemischeveiligheidsbeoordeling

RUBRIEK 16: Overige informatie


(1)  Marpol — Geconsolideerde editie 2006, Londen, IMO 2007, ISBN 978-92-801-4216-7.

(2)  Richtlijn 80/181/EEG van de Raad van 20 december 1979 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen der lidstaten op het gebied van de meeteenheden, en tot intrekking van Richtlijn 71/354/EEG (PB L 39 van 15.2.1980, blz. 40).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/2100 van de Commissie van 4 september 2017 tot vaststelling van wetenschappelijke criteria voor het bepalen van hormoonontregelende eigenschappen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 301 van 17.11.2017, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2018/605 van de Commissie van 19 april 2018 tot wijziging van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 1107/2009 met betrekking tot de vaststelling van wetenschappelijke criteria voor de vaststelling van hormoonontregelende eigenschappen (PB L 101 van 20.4.2018, blz. 33).

(5)  Besluit 2014/113/EU van de Commissie van 3 maart 2014 tot oprichting van een Wetenschappelijk Comité inzake grenswaarden voor beroepsmatige blootstelling aan chemische agentia en tot intrekking van Besluit 95/320/EG (PB L 62 van 4.3.2014, blz. 18).

(6)  Verordening (EU) 2016/425 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende persoonlijke beschermingsmiddelen en tot intrekking van Richtlijn 89/686/EEG van de Raad (PB L 81 van 31.3.2016, blz. 51).

(7)  Noot: de term “explosiegrens” is synoniem met de buiten de Unie gebruikte “ontvlambaarheidsgrens”.

(8)  Richtlijn 2008/98/EG van het Europees Parlement en de Raad van 19 november 2008 betreffende afvalstoffen en tot intrekking van een aantal richtlijnen (PB L 312 van 22.11.2008, blz. 3).

(9)  Richtlijn 2008/68/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 betreffende het vervoer van gevaarlijke goederen over land (PB L 260 van 30.9.2008, blz. 13).

(10)  Naleving van de IMDG-code is verplicht voor het vervoer over zee van verpakte gevaarlijke goederen, zoals bepaald in hoofdstuk VII/Reg. 3 van het Solas-Verdrag en in bijlage III bij het Marpol-Verdrag inzake de voorkoming van verontreiniging door schadelijke stoffen die op zee worden vervoerd in verpakte vorm.

(11)  De IMO heeft verschillende rechtsinstrumenten ontwikkeld die betrekking hebben op gevaarlijke en verontreinigende goederen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen de wijze waarop de goederen worden vervoerd (verpakt en in bulk) en de aard van de vracht (vast, vloeibaar en vloeibaar gemaakte gassen). De voorschriften voor het vervoer van gevaarlijke vracht en de schepen die deze ladingen vervoeren zijn opgenomen in het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee (Solas 1974), zoals gewijzigd, en het Internationaal Verdrag inzake verontreiniging van de zee (Marpol 73/78), zoals gewijzigd. Die verdragen worden aangevuld met de volgende codes: IMDG, IMSBC, IBC en IGC.

(12)  IATA, editie 2007-2008.

(13)  “Solas” is het Internationaal Verdrag voor de beveiliging van mensenlevens op zee, 1974, zoals gewijzigd.

(14)  “IBC-code” is de Internationale Code voor de bouw en de uitrusting van schepen die gevaarlijke chemicaliën in bulk vervoeren, zoals gewijzigd.

(15)  “IMSBC-code” is de Internationale Code voor het zeevervoer van vaste goederen in bulk, zoals gewijzigd.

(16)  “IGC-code” is de Internationale Code voor de bouw en de uitrusting van schepen die vloeibaar gas in bulk vervoeren, met inbegrip van de toepasselijke wijzigingen op grond waarvan het vaartuig is gecertificeerd.

(17)  “EGC-code” is de Code voor bestaande schepen die vloeibaar gas in bulk vervoeren, zoals gewijzigd.

(18)  “GC-code” is de Code voor de bouw en uitrusting van schepen die vloeibaar gemaakte gassen in bulk vervoeren, zoals gewijzigd.

(19)  MEPC.2/Circular, Provisional categorization of liquid substances, versie 19, van kracht sinds 17 december 2013.

(20)  Richtlijn 2002/59/EG van het Europees Parlement en de Raad van 27 juni 2002 betreffende de invoering van een communautair monitoring en informatiesysteem voor de zeescheepvaart en tot intrekking van Richtlijn 93/75/EEG van de Raad (PB L 208 van 5.8.2002, blz. 10).

(21)  Materialen die alleen in bulk gevaarlijk zijn (MHB) zijn materialen andere dan die welke in de IMDG-code zijn ingedeeld als gevaarlijke goederen die chemische gevaren kunnen opleveren wanneer zij worden vervoerd in bulk.

(22)  PB L 286 van 31.10.2009, blz. 1.

(23)  PB L 158 van 30.4.2004, blz. 7.

(24)  PB L 201 van 27.7.2012, blz. 60.

(25)  PB L 10 van 14.1.1997, blz. 13.


Top