EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R0688

Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/688 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren (Voor de EER relevante tekst) (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 174, 3.6.2020, p. 140–210 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 07/02/2023

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2020/688/oj

3.6.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 174/140


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2020/688 VAN DE COMMISSIE

van 17 december 2019

tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van landdieren en broedeieren

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad van 9 maart 2016 betreffende overdraagbare dierziekten en tot wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (1), en met name artikel 3, lid 5, tweede alinea, artikel 125, lid 2, artikel 131, lid 1, artikel 132, lid 2, artikel 135, artikel 136, lid 2, artikel 137, lid 2, artikel 140, artikel 144, lid 1, artikel 146, lid 1, artikel 147, artikel 149, lid 4, artikel 154, lid 1, artikel 156, lid 1, artikel 160, artikel 162, leden 3 en 4, artikel 163, lid 5, onder b) en c), en artikel 164, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EU) 2016/429 bevat regels voor de preventie en bestrijding van dierziekten die op dieren of mensen kunnen worden overgedragen. In deel IV, titel I, hoofdstukken 3 tot en met 5, van die verordening worden de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van gehouden en wilde landdieren en levende producten daarvan vastgesteld. Ook is de Commissie krachtens de verordening bevoegd om regels vast te stellen om bepaalde niet-essentiële elementen van die verordening door middel van gedelegeerde handelingen aan te vullen. Om de goede werking van het nieuwe rechtskader dat bij Verordening (EU) 2016/429 is vastgesteld, te waarborgen, moeten dergelijke regels worden vastgesteld.

(2)

De in deze verordening vastgestelde regels en risicobeperkingsmaatregelen zijn nodig ter aanvulling van de diergezondheidsvoorschriften van deel IV, titel I, hoofdstukken 3 tot en met 5, van Verordening (EU) 2016/429 wat de verplaatsingen binnen de Unie van gehouden en wilde landdieren en broedeieren betreft, om ervoor te zorgen dat die producten geen significant risico vormen voor de verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 5, lid 1, van en bijlage II bij die verordening, als gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1629 van de Commissie (2), die bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie (3) zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/429. Verordening (EU) 2016/429 is bedoeld om een eenvoudiger en flexibeler regelgevingskader tot stand te brengen in vergelijking met het regelgevingskader dat van toepassing was vóór de vaststelling ervan, terwijl tegelijkertijd wordt gezorgd voor een meer op risico’s gebaseerde aanpak van de diergezondheidsvoorschriften en een betere paraatheid voor en preventie en bestrijding van dierziekten. Zij is ook bedoeld om de regels inzake dierziekten in één enkele handeling vast te stellen in plaats van verspreid over verschillende handelingen. De in deze verordening vastgestelde regels betreffende bepaalde levende producten, met name broedeieren, volgen dezelfde benadering. De regels zijn inhoudelijk met elkaar verbonden, aangezien zij van toepassing zijn op alle exploitanten die gehouden of wilde landdieren of broedeieren verplaatsen. Met het oog op de eenvoud en de transparantie, en om de toepassing ervan te vergemakkelijken en overlapping te voorkomen, moeten de regels worden vastgesteld in één enkele handeling en niet in een aantal afzonderlijke handelingen met kruisverwijzingen.

(3)

In artikel 5, lid 1, van en bijlage II bij Verordening (EU) 2016/429, zoals gewijzigd bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1629 van de Commissie, is de lijst opgenomen van dierziekten die van bijzonder belang zijn met het oog op optreden door de Unie; in Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie worden deze ziekten ingedeeld op basis van de specifieke maatregelen die erop van toepassing zijn, en worden de diersoorten vermeld waarop die regels van toepassing zijn. Ziekten van categorie D worden geacht een aanzienlijk risico op verspreiding te vormen wanneer dieren tussen de lidstaten worden vervoerd.

(4)

Voor de uitroeiing van de ziekten van de categorieën B en C bestaan uitroeiingsprogramma’s. De regels voor deze programma’s zijn vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie (4). Afhankelijk van de betrokken ziekte zijn deze uitroeiingsprogramma’s van toepassing op een inrichting, een zone of een lidstaat, en de vereiste maatregelen omvatten bepaalde garanties in verband met de diergezondheid bij de verplaatsing van dieren. De hierboven vermelde gedelegeerde verordening bevat ook de regels voor de erkenning van ziektevrije lidstaten en zones na de succesvolle voltooiing van het desbetreffende uitroeiingsprogramma. In deze verordening moet daarom ook worden voorzien in dergelijke diergezondheidsgaranties ten aanzien van verplaatsingen van dieren naar andere lidstaten of zones waar uitroeiingsprogramma’s worden uitgevoerd of die een erkende ziektevrije status hebben.

(5)

Om het risico op verspreiding van ziekten tussen de lidstaten te beperken, moeten in deze verordening aanvullende diergezondheidsvoorschriften worden vastgesteld met betrekking tot de in de overwegingen 3 en 4 hierboven bedoelde ziekten, de diersoorten die in Verordening (EU) 2018/1882 voor de desbetreffende ziekte in de lijst zijn opgenomen alsmede tot uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status. Er moet rekening worden gehouden met de relevante normen die worden aanbevolen in de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE).

(6)

In artikel 125 van Verordening (EU) 2016/429 worden de voor het vervoer van dieren vereiste ziektepreventiemaatregelen vastgesteld, en wordt aan de Commissie de bevoegdheid verleend om aanvullende voorschriften voor de reiniging en ontsmetting van de voor gehouden landdieren gebruikte vervoermiddelen vast te stellen alsmede biobeveiligingsmaatregelen om de mogelijke risico’s die verbonden zijn met het vervoer van dieren binnen de Unie te beperken. Daarom moeten in deze verordening meer gedetailleerde regels inzake de structurele voorschriften voor vervoermiddelen en laadkisten en meer gedetailleerde biobeveiligingsvoorschriften voor het vervoer van dieren worden vastgesteld, en moet in bepaalde vrijstellingen worden voorzien. Soortgelijke regels gelden ook voor exploitanten die actief zijn in het vervoer van bepaalde levende producten, met name broedeieren van pluimvee en in gevangenschap levende vogels, en dergelijke regels moeten ook in deze verordening worden vastgesteld op basis van artikel 157, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429.

(7)

In de regelgeving die van toepassing was vóór Verordening (EU) 2016/429, met name de Richtlijnen 64/432/EEG (5), 91/68/EEG (6), 2009/156/EG (7) en 2009/158/EG (8) van de Raad inzake het vervoer van runderen, varkens, schapen, geiten, paardachtigen, pluimvee en broedeieren, waren voorschriften voor de reiniging en ontsmetting van vervoermiddelen vastgesteld alsook biobeveiligingsmaatregelen ter beperking van de mogelijke risico’s die verbonden zijn aan bepaalde transporten van dieren. Die voorschriften zijn doeltreffend gebleken om het risico op verspreiding van dierziekten in de Unie als gevolg van vervoer te voorkomen. Daarom moet de inhoud van die voorschriften worden gehandhaafd en moeten zij worden aangepast zodat zij gelden voor het vervoer van alle gehouden landdieren en broedeieren.

(8)

Krachtens artikel 132, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 moet de Commissie een maximumtermijn vaststellen waarbinnen de exploitant van een slachthuis dat gehouden hoefdieren en pluimvee bestemd voor de slacht uit een andere lidstaat ontvangt, ervoor moet zorgen dat die dieren worden geslacht. Voor de slacht van dieren moet in deze verordening dus een dergelijke maximumtermijn worden vastgesteld zodat gewaarborgd wordt dat de gezondheidsstatus van die te slachten dieren de gezondheidsstatus van de dieren op de plaats van bestemming niet in gevaar brengt. Bij Verordening (EU) 2016/429 zijn ook regels vastgesteld voor het vervoer van zendingen hoefdieren die vatbaar zijn voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), omdat zij een specifiek risico op verspreiding kunnen vormen als gevolg van de overdracht van die ziekte via vectoren. In deze verordening moeten daarom specifieke bepalingen worden vastgesteld inzake het slachten van die dieren.

(9)

Wat verplaatsingen van gehouden hoefdieren en pluimvee naar andere lidstaten betreft, is de Commissie krachtens artikel 131, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 bevoegd om regels vast te stellen met betrekking tot de verblijfsduur en de periode vóór de verplaatsing waarin het binnenbrengen van gehouden hoefdieren of pluimvee in inrichtingen moet worden beperkt, en om aanvullende diergezondheidsvoorschriften vast te stellen om het risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder d), van die verordening te beperken. In deze verordening moeten daarom passende maatregelen worden vastgesteld om de gezondheid van dieren te beschermen en de verspreiding van ziekten door verplaatsingen van hoefdieren, pluimvee en in gevangenschap levende vogels te voorkomen. Bij de vaststelling van deze maatregelen moet rekening worden gehouden met de regels die van toepassing waren vóór de toepassing van Verordening (EU) 2016/429. Dergelijke regels voor hoefdieren, pluimvee en in gevangenschap levende vogels zijn vastgesteld in de Richtlijnen 64/432/EEG, 91/68/EEG en 2009/158/EG, in Richtlijn 2009/156/EG en, gedeeltelijk, in Richtlijn 92/65/EEG van de Raad (9). Waar nodig moeten op basis van die regels nieuwe of andere voorschriften worden ingevoerd, met name om rekening te houden met nieuwe wetenschappelijke ontwikkelingen en normen of met de lijst van ziekten in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1629 alsmede met de indeling van die ziekten uit hoofde van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882.

(10)

Evenzo is de Commissie krachtens artikel 160, lid 2, en artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen naar andere lidstaten van levende producten van pluimvee en in gevangenschap levende vogels, d.w.z. broedeieren. Deze verordening moet derhalve ook in die regels voorzien.

(11)

Als algemene regel moet de verplaatsing van landdieren naar een andere lidstaat rechtstreeks plaatsvinden vanuit de inrichting van oorsprong naar de plaats van bestemming in die lidstaat. In afwijking hiervan kan deze verplaatsing echter worden onderbroken en mogen de dieren in verzamelingen worden samengebracht. Deze activiteiten vormen een specifiek risico op de verspreiding van dierziekten. Krachtens artikel 135 van Verordening (EU) 2016/429 moet de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen met regels ter aanvulling van de in de artikelen 133 en 134 van die verordening vastgestelde regels met betrekking tot de verzameling van gehouden hoefdieren en pluimvee, indien die dieren naar een andere lidstaat worden verplaatst. Daarom moeten dergelijke voorschriften in deze verordening worden vastgesteld.

(12)

Op grond van de in de Richtlijnen 64/432/EEG, 91/68/EEG en 2009/156/EG vastgestelde regels, die van toepassing waren vóór Verordening (EU) 2016/429, zijn sommige zendingen hoefdieren niet rechtstreeks van een inrichting van oorsprong naar een inrichting van bestemming verplaatst. Bij de handelaren en in de verzamelcentra werden dieren met dezelfde gezondheidsstatus die in zendingen uit verschillende inrichtingen waren aangekomen, gegroepeerd voor verzending naar hun respectieve bestemmingen. De in die richtlijnen vastgestelde regels zijn doeltreffend gebleken voor het voorkomen van de verspreiding van overdraagbare dierziekten binnen de Unie. De essentie van die regels moet daarom worden behouden, maar zij moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met de ervaring die bij de toepassing van die regels is opgedaan en met de huidige wetenschappelijke kennis. Er moet rekening worden gehouden met artikel 133 van Verordening (EU) 2016/429, waarin is bepaald dat exploitanten voor gehouden hoefdieren en pluimvee ten hoogste drie verzamelingen mogen inplannen gedurende een verplaatsing van een lidstaat van oorsprong naar een andere lidstaat.

(13)

Daarnaast moet krachtens artikel 140, onder b), van Verordening (EU) 2016/429 worden voorzien in afwijkingen van de regels inzake verzamelingen voor hoefdieren die deelnemen aan tentoonstellingen en sportieve, culturele en soortgelijke evenementen, omdat het risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten als gevolg van deze activiteiten door alternatieve risicobeperkingsmaatregelen wordt beperkt. Die afwijkingen zijn opgenomen in deze verordening.

(14)

Krachtens artikel 136, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om nadere bepalingen vast te stellen voor de verplaatsing tussen lidstaten van bepaalde andere gehouden landdieren dan hoefdieren en pluimvee.

(15)

Vóór de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 waren de voorschriften van de Unie inzake het verkeer tussen de lidstaten van bepaalde gehouden landdieren, waaronder primaten, in gevangenschap levende vogels, honingbijen en hommels, honden, katten en fretten, vastgesteld in Richtlijn 92/65/EEG. Deze regels zijn doeltreffend gebleken om het risico op verspreiding van de in de lijst opgenomen ziekten tussen de lidstaten te voorkomen. De essentie van die regels moet daarom in deze verordening worden behouden, maar de regels moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met de praktische ervaring die bij de toepassing ervan is opgedaan. Daarnaast moet deze verordening voorzien in mogelijkheden voor afwijkingen in gevallen waarin alternatieve risicobeperkingsmaatregelen worden getroffen.

(16)

Krachtens artikel 3, lid 5, van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om regels vast te stellen om ervoor te zorgen dat deel IV van die verordening correct wordt toegepast op verplaatsingen van gezelschapsdieren, met uitzondering van niet-commerciële verplaatsingen. Deze verordening moet daarom voorzien in een aantal van dergelijke regels.

(17)

In Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 worden de soorten carnivoren vermeld die een aanzienlijk risico op verspreiding van Echinococcus multilocularis en het rabiësvirus inhouden wanneer zij tussen lidstaten worden vervoerd. Daarom moeten er voor andere carnivoren aanvullende diergezondheidsvoorschriften worden vastgesteld om het risico op verspreiding van deze ziekten tussen de lidstaten te beperken.

(18)

Krachtens artikel 137, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 moet de Commissie, naast de in artikel 137, lid 1, van die verordening bedoelde voorwaarden, nadere regels vaststellen voor verplaatsingen van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen en voor de verplaatsing van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen waar de getroffen risicobeperkingsmaatregelen waarborgen dat dergelijke verplaatsingen geen significant risico vormen voor de gezondheid van de gehouden landdieren binnen die geconsigneerde inrichting of in naburige inrichtingen.

(19)

Vóór de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 waren de voorschriften van de Unie inzake verplaatsingen van landdieren die in erkende instellingen, instituten of centra worden gehouden, vastgesteld in Richtlijn 92/65/EEG. In de artikelen 95 en 137 van Verordening (EU) 2016/429 wordt het concept “geconsigneerde inrichting” vastgesteld, dat gelijkstaat met een “officieel erkende instelling, officieel erkend instituut of officieel erkend centrum” zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 92/65/EEG. De essentie van die eerdere regels moet daarom worden behouden, maar de regels moeten worden geactualiseerd om rekening te houden met de praktische ervaring die bij de toepassing ervan is opgedaan. Ook moet rekening worden gehouden met de relevante normen die voor primaten worden aanbevolen in de Gezondheidscode voor landdieren van de OIE.

(20)

Krachtens artikel 138, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om regels vast te stellen op basis waarvan de bevoegde autoriteit van de plaats van bestemming afwijkingen kan toestaan ter aanvulling van de in artikel 138, lid 1, en artikel 138, lid 2, van die verordening bedoelde afwijkingen wat de verplaatsing van gehouden landdieren voor wetenschappelijke doeleinden betreft. Vóór de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 was in Richtlijn 92/65/EEG bepaald dat honden, katten en fretten die voor wetenschappelijke doeleinden naar een andere lidstaat moeten worden verplaatst, niet tegen rabiës moeten zijn gevaccineerd, en dat honden niet behandeld moeten zijn tegen infectie met Echinococcus multilocularis, mits de dieren bestemd zijn voor erkende instellingen, instituten of centra. Deze verordening moet in een gelijkaardige afwijking voorzien.

(21)

Krachtens artikel 140, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om specifieke voorschriften vast te stellen ter aanvulling van de in de artikelen 126 tot en met 136 van die verordening vastgestelde regels voor de verplaatsing van gehouden landdieren die bestemd zijn voor circussen, tentoonstellingen en sportevenementen.

(22)

Vóór de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 waren de regels van de Unie inzake verplaatsingen van landdieren die in circussen en dierenverblijven worden gehouden, op basis van Richtlijn 92/65/EEG vastgesteld in Verordening (EG) nr. 1739/2005 van de Commissie (10), die met ingang van 21 april 2021 wordt ingetrokken bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie (11). Aangezien die dieren momenteel zonder begeleidend diergezondheidscertificaat naar andere lidstaten worden verplaatst wanneer het circus of het dierennummer waartoe zij behoren, reist, moet in deze verordening de mogelijkheid van dergelijke verplaatsingen binnen de Unie gehandhaafd worden. Daarom is het passend om in deze verordening de diergezondheidsvoorschriften vast te stellen voor verplaatsingen naar andere lidstaten van landdieren die worden gehouden in het kader van reizende circussen of dierennummers en om te voorzien in een afwijking van de voorschriften inzake diergezondheidscertificering als bedoeld in artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429.

(23)

Vóór de toepassing van Verordening (EU) 2016/429 waren de voorschriften van de Unie inzake verplaatsingen van in gevangenschap levende vogels die bestemd zijn voor tentoonstellingen in een andere lidstaat, vastgesteld in Richtlijn 92/65/EEG en andere handelingen.

(24)

Om het risico op verspreiding van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de verplaatsingen van in gevangenschap levende vogels tussen de lidstaten te voorkomen, is het passend in deze verordening de regels van de Unie voor verplaatsingen van in gevangenschap levende vogels die bestemd zijn voor tentoonstellingen in een andere lidstaat te handhaven. Bovendien moeten in deze verordening ook specifieke bepalingen worden vastgesteld voor roofvogels die in een andere lidstaat deelnemen aan tentoonstellingen over de jacht met roofvogels en voor wedstrijdduiven die naar sportevenementen in andere lidstaten worden verplaatst.

(25)

Krachtens artikel 144, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om voor gehouden landdieren die tussen lidstaten worden verplaatst, afwijkingen van de in artikel 143, lid 1, van die verordening vastgestelde voorschriften inzake diergezondheidscertificering toe te staan.

(26)

Overeenkomstig de in Richtlijn 2009/156/EG vastgestelde regels mogen geregistreerde paardachtigen momenteel zonder begeleidend diergezondheidscertificaat worden vervoerd tussen lidstaten die op basis van wederkerigheid een alternatief controlesysteem hebben ingevoerd dat diergezondheidsgaranties biedt die gelijkwaardig zijn aan die welke in het diergezondheidscertificaat zijn vermeld. Deze verordening moet in een gelijkaardige afwijking voorzien. Er moeten echter bijzondere voorwaarden worden vastgesteld voor de verplaatsing van deze dieren, met inbegrip van de toestemming van de lidstaat van bestemming.

(27)

Krachtens artikel 144, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om de voorschriften vast te stellen met betrekking tot de diergezondheidscertificering voor verplaatsingen naar andere lidstaten van andere gehouden landdieren dan hoefdieren, pluimvee en dieren bestemd voor geconsigneerde inrichtingen, in gevallen waarin een diergezondheidscertificaat vereist is om te waarborgen dat de desbetreffende verplaatsing voldoet aan de diergezondheidsvoorschriften van de artikelen 124 tot en met 142 van Verordening (EU) 2016/429. In deze verordening moeten daarom voorschriften voor diergezondheidscertificering worden vastgesteld op grond waarvan verplaatsingen naar andere lidstaten van zendingen in gevangenschap levende vogels, honingbijen, hommels (met uitzondering van hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen voor hommels), primaten, honden, katten, fretten en andere carnivoren kunnen worden toegestaan.

(28)

Krachtens artikel 164, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie ook bevoegd om de voorschriften inzake diergezondheidscertificering en kennisgeving voor verplaatsingen naar andere lidstaten van levende producten van andere gehouden landdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens en paardachtigen alsmede levende producten van pluimvee vast te stellen. In deze verordening moeten derhalve voorschriften voor diergezondheidscertificering worden vastgesteld op grond waarvan zendingen broedeieren van in gevangenschap levende vogels naar andere lidstaten mogen worden verplaatst.

(29)

Verplaatsingen naar andere lidstaten van andere carnivoren dan honden, katten en fretten moeten ook worden toegestaan in gevallen waarin er voor die carnivoren in de lidstaat van oorsprong geen toegelaten rabiësvaccin is en de vaccinatie wordt uitgevoerd in overeenstemming met artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad (12) waarin wordt voorzien in het gebruik van geneesmiddelen waarvoor geen vergunning voor het in de handel brengen is afgegeven.

(30)

Krachtens artikel 146, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 moet de Commissie nadere regels vaststellen met betrekking tot de inhoud van de diergezondheidscertificaten voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren en voor specifieke soorten verplaatsingen en moet zij bepalen welke aanvullende gegevens in die certificaten moeten worden opgenomen. Krachtens artikel 162, lid 3, van die verordening moet de Commissie gedelegeerde handelingen vaststellen met betrekking tot de gegevens die in het diergezondheidscertificaat moeten worden vermeld voor verplaatsingen tussen lidstaten van broedeieren, rekening houdend met de minimumgegevens die dat diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 162, lid 1, moet bevatten. Daarom moet de inhoud worden vastgesteld van de certificaten die zendingen gehouden landdieren en broedeieren moeten vergezellen wanneer die zendingen naar een andere lidstaat worden verplaatst.

(31)

Krachtens artikel 147 van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot specifieke maatregelen die afwijken van of een aanvulling vormen op de verplichting van de exploitanten om erop toe te zien dat de dieren vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat voor de specifieke soorten verplaatsingen van gehouden landdieren. Daarom moeten in deze verordening de regels voor diergezondheidscertificering worden vastgesteld voor verplaatsingen van hoefdieren en pluimvee via inrichtingen die de in artikel 133 van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde verzamelingen uitvoeren voordat zij hun uiteindelijke plaats van bestemming bereiken.

(32)

Om te waarborgen dat gehouden landdieren die gecertificeerd zijn voor uitvoer naar een derde land en via een andere lidstaat naar de buitengrens van de Unie worden vervoerd, aan de diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie voldoen, zien de exploitanten erop toe dat de zendingen van die dieren vergezeld gaan van diergezondheidscertificaten die ten minste even streng zijn als de certificaten die in de lidstaat waar het punt van uitgang zich bevindt, vereist zijn voor de verplaatsing van gehouden hoefdieren of pluimvee bestemd voor de slacht.

(33)

Krachtens artikel 149, lid 4, van Verordening (EU) 2016/429 is de Commissie bevoegd om gedelegeerde handelingen vast te stellen met regels voor de door de officiële dierenarts uit te voeren documenten-, overeenstemmings- en materiële controles en -onderzoeken voor verschillende soorten en categorieën gehouden landdieren, teneinde de naleving van de diergezondheidsvoorschriften te controleren. Rekening houdend met de reikwijdte van deze verordening, die ook op broedeieren van toepassing is, moeten in deze verordening derhalve de nodige regels voor de toepassing van deze bepaling worden vastgesteld, met inbegrip van de termijnen voor de uitvoering van dergelijke controles en onderzoeken en voor de afgifte door de officiële dierenarts van diergezondheidscertificaten vóór de verplaatsing van zendingen gehouden landdieren en broedeieren, en de geldigheidsduur van diergezondheidscertificaten, met inbegrip van de voorwaarden voor de verlenging ervan.

(34)

Overeenkomstig de artikelen 152, 153 en 163 van Verordening (EU) 2016/429 moeten exploitanten de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van oorsprong vóór de voorgenomen verplaatsing naar een andere lidstaat van gehouden landdieren en broedeieren hiervan in kennis stellen en alle nodige gegevens verstrekken om die bevoegde autoriteit in staat te stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis te stellen van de verplaatsing van gehouden landdieren en broedeieren. In deze verordening moeten daarom nadere regels worden vastgesteld betreffende de voorschriften voor de voorafgaande kennisgeving door exploitanten, de gegevens die nodig zijn om kennisgeving van die verplaatsingen te doen, en de noodprocedures voor die kennisgevingen.

(35)

In artikel 153, leden 2 en 4, artikel 154, lid 1, onder c), en artikel 163, lid 2, van Verordening (EU) 2016/429 is voorzien in het gebruik van het Traces-systeem voor kennisgevingsdoeleinden wanneer zendingen gehouden landdieren en broedeieren bestemd zijn om naar andere lidstaten te worden verplaatst. Traces is het geïntegreerd veterinair computersysteem dat bij de Beschikkingen 2003/24/EG (13) en 2004/292/EG (14) van de Commissie is ingesteld. Omdat artikel 131 van Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad (15) voorziet in de instelling van een informatiemanagementsysteem voor officiële controles (Imsoc) dat functies van het Traces-systeem omvat, moet in deze verordening worden verwezen naar het Imsoc in plaats van naar Traces.

(36)

In artikel 155 van Verordening (EU) 2016/429 zijn de voorwaarden vastgesteld voor de verplaatsing van wilde landdieren van een habitat in een lidstaat naar een habitat of een inrichting in een andere lidstaat. In deze verordening moeten de diergezondheids-, certificerings- en kennisgevingsvoorschriften voor dergelijke verplaatsingen worden vastgesteld overeenkomstig de in artikel 156, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde bevoegdheden.

(37)

Deze verordening moet overeenkomstig de toepassingsdatum van Verordening (EU) 2016/429 met ingang van 21 april 2021 van toepassing zijn,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

DEEL I

ALGEMENE REGELS

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening vormt een aanvulling op de regels voor de preventie en bestrijding van de in artikel 5, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde dierziekten die kunnen worden overgedragen op dieren of mensen, wat de verplaatsingen binnen de Unie van gehouden landdieren, wilde landdieren en broedeieren betreft.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op:

a)

gehouden en wilde landdieren en broedeieren;

b)

inrichtingen waar deze dieren en broedeieren worden gehouden of in verzamelingen worden samengebracht;

c)

exploitanten die deze dieren en broedeieren houden;

d)

exploitanten die landdieren en broedeieren vervoeren;

e)

de bevoegde autoriteiten van de lidstaten.

2.   Deel II is alleen van toepassing op verplaatsingen van gehouden landdieren en broedeieren tussen lidstaten, met uitzondering van de artikelen 4 tot en met 6 en artikel 63, die ook van toepassing zijn op verplaatsingen van gehouden landdieren en broedeieren binnen een lidstaat.

Artikel 3

Definities

In deze verordening wordt verstaan onder:

1)

“vervoermiddelen”: weg- of spoorvoertuigen, vaartuigen en luchtvaartuigen;

2)

“laadkist”: een krat, bak, houder of andere stijve constructie die voor het vervoer van dieren of eieren wordt gebruikt en niet het vervoermiddel is;

3)

“van de omgeving geïsoleerde productie-inrichting”: een inrichting waar de productie van dieren dankzij de structuren ervan en de strenge biobeveiligingsmaatregelen doeltreffend is geïsoleerd van de bijbehorende faciliteiten en van de omgeving;

4)

“rund”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de geslachten Bison, Bos (met inbegrip van de ondergeslachten Bos, Bibos, Novibos en Poephagus) en Bubalus (met inbegrip van het ondergeslacht Anoa) alsook kruisingen van die soorten;

5)

“inrichting vrij van “ziekte”  ”: een inrichting die de ziektevrije status overeenkomstig de voorschriften van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 heeft gekregen;

6)

“status vrij van “ziekte”  ”: ziektevrije status van een lidstaat of een zone daarvan zoals goedgekeurd door de Commissie overeenkomstig artikel 36, van Verordening (EU) 2016/429;

7)

“geen melding gemaakt van “ziekte”  ”: geen dier of groep dieren van de betrokken soorten die in de inrichting worden gehouden, is geclassificeerd als een bevestigd geval van die ziekte en alle vermoedelijke gevallen van die ziekte zijn uitgesloten;

8)

“voor de slacht bestemde “dieren”  ”: gehouden landdieren die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis worden vervoerd;

9)

“erkende quarantaine-inrichting”: een inrichting waaraan een erkenning is verleend overeenkomstig artikel 14 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

10)

“goedgekeurd uitroeiingsprogramma”: een ziekte-uitroeiingsprogramma dat in een lidstaat of een zone daarvan wordt uitgevoerd zoals goedgekeurd door de Commissie overeenkomstig artikel 31, lid 3, van Verordening (EU) 2016/429;

11)

“schaap”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in het geslacht Ovis alsook kruisingen van die soorten;

12)

“geit”: een dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in het geslacht Capra alsook kruisingen van die soorten;

13)

“varken”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Suidae;

14)

“paardachtige”: een dier dat behoort tot de soort eenhoevigen in het geslacht Equus (met inbegrip van paarden, ezels en zebra’s) alsook kruisingen van die soorten;

15)

“kameelachtige”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Camelidae;

16)

“hertachtige”: een in de lijst in bijlage III bij Verordening (EU) 2016/429 opgenomen dier dat behoort tot de hoefdiersoorten in de familie Cervidae;

17)

“andere gehouden hoefdieren”: andere gehouden hoefdieren dan runderen, schapen, geiten, varkens, paardachtigen, kameelachtigen en hertachtigen;

18)

“tegen vectoren beschermde inrichting”: alle faciliteiten of delen van faciliteiten van een inrichting die door middel van passende fysieke en beheersmiddelen beschermd zijn tegen aanvallen van Culicoides, waarbij aan die inrichting door de bevoegde autoriteit de status van tegen vectoren beschermde inrichting is verleend overeenkomstig artikel 44 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

19)

“vectorvrije periode”: in een bepaald gebied de periode van inactiviteit van Culicoides zoals vastgesteld overeenkomstig bijlage V, deel II, hoofdstuk 1, afdeling 5, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

20)

“fokpluimvee”: pluimvee van 72 uur en ouder, bestemd voor de productie van broedeieren;

21)

“gebruikspluimvee”: pluimvee van 72 uur en ouder, dat wordt opgefokt voor de productie van vlees, consumptie-eieren of andere producten, of om in het wild te worden uitgezet;

22)

“koppel”: alle pluimvee of in gevangenschap levende vogels met dezelfde gezondheidsstatus die in hetzelfde lokaal of binnen dezelfde uitloopruimte worden gehouden en die een epidemiologische eenheid vormen; in batterijen omvat deze term alle dieren die hetzelfde omsloten luchtvolume delen;

23)

“eendagskuikens”: alle pluimvee dat nog geen 72 uur oud is;

24)

“eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen”: broedeieren die afkomstig zijn van “koppels kippen die vrij zijn van specifieke pathogenen” zoals beschreven in de Europese Farmacopee (16), en die uitsluitend voor diagnose, onderzoek of farmaceutisch gebruik bestemd zijn;

25)

“geregistreerde paardachtige”:

a)

een raszuiver fokdier van de soorten Equus caballus en Equus asinus dat is ingeschreven of in aanmerking komt voor inschrijving in de hoofdsectie van een stamboek dat is opgesteld door een stamboekvereniging of een overeenkomstig artikel 4 of 34 van Verordening (EU) 2016/1012 erkend fokorgaan;

b)

een gehouden dier van de soort Equus caballus dat rechtstreeks bij een internationale vereniging of organisatie die paarden beheert met het oog op wedstrijden of paardenrennen (“geregistreerd paard”) is geregistreerd, of via een nationale federatie of filiaal daarvan;

26)

“primaten”: dieren van de tot de orde van de Primates behorende soorten, met uitzondering van de mens;

27)

“honingbij”: dier van de soort Apis mellifera;

28)

“hommel”: een dier van de soorten die behoren tot het geslacht Bombus;

29)

“hond”: een gehouden dier van de soort Canis lupus;

30)

“kat”: een gehouden dier van de soort Felis silvestris;

31)

“fret”: een gehouden dier van de soort Mustela putorius furo;

32)

“andere carnivoren”: dieren van de soorten die behoren tot de orde van de Carnivora, met uitzondering van honden, katten en fretten;

33)

“reizend circus”: een tentoonstelling of kermis die dieren of dierennummers omvat en die zich tussen lidstaten verplaatst;

34)

“dierennummer”: een nummer waarin dieren worden opgevoerd die worden gehouden ten behoeve van een tentoonstelling of kermis en dat deel kan uitmaken van een circus;

35)

“wedstrijdduif”: duif die van haar duiventil naar een andere lidstaat wordt of zal worden vervoerd om te worden losgelaten met de bedoeling dat zij naar haar lidstaat van oorsprong terugvliegt.

DEEL II

VERPLAATSINGEN BINNEN DE UNIE VAN GEHOUDEN LANDDIEREN EN BROEDEIEREN

HOOFDSTUK 1

Algemene voorschriften voor verplaatsingen binnen de Unie van gehouden landdieren en broedeieren

Afdeling 1

Ziektepreventiemaatregelen in verband met het vervoer binnen de Unie, tot aanvulling van de bij Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde maatregelen

Artikel 4

Algemene voorschriften met betrekking tot vervoermiddelen

De exploitanten, met inbegrip van de vervoerders, zien erop toe dat de vervoermiddelen die worden gebruikt voor het vervoer van gehouden landdieren of broedeieren, met uitzondering van de vervoermiddelen voor de in artikel 6 bedoelde landdieren:

a)

zo gebouwd zijn dat:

i)

de dieren niet kunnen ontsnappen en de broedeieren er niet uit kunnen vallen;

ii)

de ruimte waar de dieren worden gehouden visueel kan worden gecontroleerd;

iii)

het verlies van dierlijke uitwerpselen, strooisel of voeder wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

iv)

het ontsnappen van veren van pluimvee en in gevangenschap levende vogels wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

b)

zo snel mogelijk na elk vervoer van dieren, broedeieren of andere voorwerpen die een risico voor de diergezondheid vormen, worden gereinigd en ontsmet en vóór een nieuwe lading van dieren of broedeieren indien nodig opnieuw worden gereinigd en ontsmet en in elk geval actief of passief worden gedroogd.

Artikel 5

Voorschriften met betrekking tot de laadkisten waarin gehouden landdieren en broedeieren worden vervoerd

1.   De exploitanten, met inbegrip van de vervoerders, zien erop toe dat de laadkisten waarin gehouden landdieren en broedeieren worden vervoerd, met uitzondering van de laadkisten voor de in artikel 6 bedoelde landdieren:

a)

voldoen aan de voorschriften van artikel 4, onder a);

b)

alleen dieren of broedeieren bevatten van dezelfde soort, dezelfde categorie en hetzelfde type en met dezelfde gezondheidsstatus;

c)

aan de volgende voorwaarden voldoen:

i)

het zijn ongebruikte en speciaal ontworpen laadkisten bestemd om na het eerste gebruik te worden vernietigd;

of

ii)

zij worden na gebruik gereinigd en ontsmet en vóór het volgende gebruik actief of passief gedroogd.

2.   In het geval van pluimvee en broedeieren zien de exploitanten, met inbegrip van de vervoerders, erop toe dat op de laadkisten waarin het pluimvee en de broedeieren in het vervoermiddel worden vervoerd, de volgende gegevens worden vermeld:

a)

voor eendagskuikens en broedeieren:

i)

de naam van de lidstaat van oorsprong;

ii)

het erkennings- of registratienummer van de inrichting van oorsprong;

iii)

de betrokken soort pluimvee;

iv)

het aantal dieren of broedeieren;

b)

voor fokpluimvee en gebruikspluimvee: het erkennings- of registratienummer van de inrichting van oorsprong.

3.   In het geval van bijenkoninginnen die uit hoofde van de in artikel 49 vastgestelde afwijking worden verplaatst, zien de exploitanten, met inbegrip van de vervoerders, erop toe dat de laadkisten of de gehele zending onmiddellijk na het visueel onderzoek door de officiële dierenarts in het kader van de gezondheidscertificering afgedekt worden/wordt met fijnmazig gaas met mazen van maximaal 2 mm.

4.   In het geval van hommels uit van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen voor hommels zien de exploitanten, met inbegrip van de vervoerders, erop toe dat deze tijdens het vervoer in afzonderlijke epidemiologische eenheden worden geïsoleerd waarbij elke kolonie wordt vervoerd in een gesloten laadkist die nieuw is of vóór gebruik gereinigd en ontsmet is.

Artikel 6

Vrijstellingen van de voorschriften met betrekking tot de vervoermiddelen en de laadkisten waarin gehouden landdieren en broedeieren worden vervoerd

1.   De in de artikelen 4 en 5 vastgestelde voorschriften zijn niet van toepassing op het vervoer van:

a)

in reizende circussen en voor dierennummers gehouden landdieren;

b)

dieren van de in bijlage I, deel A, bij Verordening (EU) 2016/429 vermelde soorten waarvan de aantallen de in artikel 246, leden 1 en 2, van die verordening toegestane aantallen overschrijden, indien zij voor niet-commerciële doeleinden worden vervoerd;

c)

dieren van de in bijlage I, deel B, bij Verordening (EU) 2016/429 vermelde soorten die voor niet-commerciële doeleinden worden vervoerd in aantallen die de voor die soorten vastgestelde aantallen overschrijden, wanneer overeenkomstig artikel 246, lid 3, regels zijn vastgesteld met betrekking tot het maximumaantal gezelschapsdieren van de betrokken soorten.

2.   De in artikel 4, onder b), en artikel 5, lid 1, onder b) en c), vastgestelde voorschriften zijn niet van toepassing op het vervoer van paardachtigen binnen een lidstaat, tenzij die paardachtigen bestemd zijn voor de slacht.

3.   De bevoegde autoriteit kan besluiten dat de in artikel 4, onder b), vastgestelde voorschriften niet van toepassing zijn op het vervoer:

a)

binnen een inrichting wanneer:

i)

de vervoerde dieren in de inrichting worden gehouden en het vervoer wordt verricht door de exploitant van die inrichting;

en

ii)

de voor het vervoer van gehouden landdieren gebruikte vervoermiddelen worden gereinigd en ontsmet vóór zij de inrichting verlaten;

of

b)

tussen inrichtingen binnen de lidstaat wanneer:

i)

die inrichtingen tot dezelfde toeleveringsketen behoren;

en

ii)

de voor het vervoer van gehouden landdieren gebruikte vervoermiddelen aan het einde van elke dag worden gereinigd en ontsmet, als met die vervoermiddelen dieren zijn vervoerd.

4.   De in artikel 4 en artikel 5, leden 1 en 2, vastgestelde voorschriften zijn niet van toepassing op het vervoer van honingbijen en hommels.

Afdeling 2

Aanvullende voorschriften voor verplaatsingen van landdieren naar andere lidstaten in verband met vaccinatie

Artikel 7

Voorschriften in verband met vaccinatie tegen ziekten van categorie A voor verplaatsingen van landdieren en broedeieren naar een andere lidstaat

Indien de lidstaat van oorsprong vaccinatie tegen een ziekte van categorie A heeft ingevoerd, verplaatsen exploitanten landdieren of broedeieren alleen naar een andere lidstaat als die dieren en broedeieren voldoen aan de specifieke voorwaarden die overeenkomstig artikel 47 van Verordening (EU) 2016/429 voor de desbetreffende ziekte van categorie A zijn vastgesteld voor dieren van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten.

Afdeling 3

Aanvullende voorschriften voor exploitanten van slachthuizen die gehouden landdieren uit andere lidstaten ontvangen

Artikel 8

Maximumtermijn waarbinnen gehouden hoefdieren en pluimvee uit een andere lidstaat moeten worden geslacht

De exploitanten van slachthuizen zien erop toe dat gehouden hoefdieren en pluimvee die ontvangen zijn uit een andere lidstaat uiterlijk binnen 72 uur na aankomst in het slachthuis worden geslacht.

Artikel 9

Aanvullende risicobeperkingsmaatregelen voor exploitanten van slachthuizen

1.   De exploitanten van slachthuizen zien erop toe dat dieren van in de lijst voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) opgenomen soorten uiterlijk binnen 24 uur na aankomst in het slachthuis worden geslacht wanneer zij uit een andere lidstaat afkomstig zijn en niet aan ten minste één van de volgende criteria voldoen:

a)

zij voldoen aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

of

b)

zij voldoen aan de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden waarmee de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming heeft ingestemd.

2.   Naast de in lid 1 vastgestelde voorschriften geldt dat wanneer dieren van de in de lijst voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) opgenomen soorten via een andere lidstaat worden vervoerd en niet voldoen aan ten minste één van de in artikel 32, lid 1, onder a) tot en met c), of artikel 32, lid 2, vastgestelde voorwaarden, de exploitanten van slachthuizen erop toezien dat deze dieren uiterlijk binnen 24 uur na aankomst in het slachthuis worden geslacht.

HOOFDSTUK 2

Aanvullende diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van gehouden hoefdieren naar andere lidstaten

Afdeling 1

Runderen

Artikel 10

Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden runderen naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden runderen met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder dat de runderen er worden gevaccineerd, en aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat de runderpopulatie betreft;

of

ii)

de dieren zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

of

iii)

de dieren zijn jonger dan twaalf maanden;

of

iv)

de dieren zijn gecastreerd;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting vrij van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis), en aan ten minste één van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M caprae en M. tuberculosis);

of

ii)

de dieren zijn in de laatste 30 dagen voor het vertrek met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 2, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis);

of

iii)

de dieren zijn jonger dan zes weken;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

f)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte bij gehouden dieren van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten;

g)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

h)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

i)

behalve in het geval van de in artikel 11, lid 4, artikel 12, lid 4, en artikel 13 bedoelde gehouden runderen, voldoen de dieren aan ten minste één van de voorschriften ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

j)

aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gehouden runderen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 14.

Artikel 11

Aanvullende voorschriften voor verplaatsingen van gehouden runderen naar andere lidstaten of zones daarvan met ziektevrije status voor specifieke ziekten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van enzoötische boviene leukose als de dieren aan de voorschriften van artikel 10 voldoen en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting vrij van enzoötische boviene leukose;

of

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van enzoötische boviene leukose, dan is in de laatste 24 maanden vóór het vertrek in die inrichting geen melding gemaakt van enzoötische boviene leukose, en

i)

indien de dieren ouder zijn dan 24 maanden, zijn zij met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 4, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test op enzoötische boviene leukose

die is uitgevoerd op monsters die op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen terwijl de dieren geïsoleerd waren van de andere runderen van de inrichting;

of

die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en alle runderen van meer dan 24 maanden die in de inrichting worden gehouden, zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 4, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test op enzoötische boviene leukose, die is uitgevoerd op monsters die in de laatste twaalf maanden voor het vertrek van de dieren op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen;

of

ii)

indien de dieren jonger zijn dan 24 maanden, zijn zij nakomelingen van moederdieren die met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 4, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een serologische test op enzoötische boviene leukose, die is uitgevoerd op monsters die in de laatste twaalf maanden voor het vertrek van de dieren op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen.

2.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis als de dieren aan de voorschriften van artikel 10 voldoen, niet zijn gevaccineerd tegen infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis,

i)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis;

of

ii)

zijn de dieren gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek aan quarantaine onderworpen en met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 5, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het volledige boviene herpesvirus type 1 (BoHV-1), die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 15 dagen voor het vertrek is genomen;

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis, zijn zij gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek in een erkende quarantaine-inrichting gehouden en met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 5, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen volledig BoHV-1, die is uitgevoerd op een monster dat niet minder dan 21 dagen na het begin van de quarantaine is genomen.

3.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van boviene virusdiarree als de dieren aan de voorschriften van artikel 10 voldoen, niet zijn gevaccineerd tegen boviene virusdiarree en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting vrij van boviene virusdiarree,

i)

is die inrichting gevestigd in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van boviene virusdiarree, of is zij met negatief resultaat onderworpen aan een testregeling zoals bedoeld in bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 1, afdeling 2, punt 1, onder c), ii) of iii), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689, die is uitgevoerd in de laatste vier maanden voor het vertrek van de dieren;

of

ii)

zijn de dieren individueel getest om de aanwezigheid van het virus van boviene virusdiarree vóór hun vertrek uit te sluiten;

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van boviene virusdiarree, zijn zij met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 6, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test voor de opsporing van het antigeen of genoom van het virus van boviene virusdiarree, en

i)

de dieren zijn gedurende een periode van ten minste 21 dagen voor hun vertrek in een erkende quarantaine-inrichting gehouden en, in het geval van zwangere moederdieren, met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 6, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van boviene virusdiarree, die is uitgevoerd op monsters die niet minder dan 21 dagen na het begin van de quarantaine zijn genomen;

of

ii)

de dieren zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 6, vermelde diagnostische methoden met positief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van boviene virusdiarree, die is uitgevoerd op monsters die zijn genomen voor het vertrek of, in het geval van zwangere moederdieren, voor de inseminatie die aan de lopende dracht voorafging.

4.   In afwijking van artikel 10, lid 1, onder i), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden runderen die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de voorwaarden van artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

5.   Het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 is niet van toepassing op gehouden runderen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 14.

Artikel 12

Aanvullende voorschriften voor verplaatsingen van gehouden runderen naar andere lidstaten of zones daarvan met goedgekeurde uitroeiingsprogramma’s ten aanzien van specifieke ziekten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor enzoötische boviene leukose als de dieren aan de voorschriften van artikel 10 voldoen en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting vrij van enzoötische boviene leukose;

of

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van enzoötische boviene leukose, dan is in de laatste 24 maanden vóór het vertrek van de dieren in die inrichting geen melding gemaakt van enzoötische boviene leukose, en

i)

indien de dieren ouder zijn dan 24 maanden, zijn zij met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 4, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test op enzoötische boviene leukose

die is uitgevoerd op monsters die op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen terwijl de dieren geïsoleerd waren van de andere runderen van de inrichting;

of

die is uitgevoerd op monsters die in de laatste 30 dagen voor het vertrek zijn genomen, op voorwaarde dat alle runderen van meer dan 24 maanden die in de inrichting worden gehouden, met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 4, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een serologische test op enzoötische boviene leukose, die is uitgevoerd op monsters die in de laatste twaalf maanden voor het vertrek van de dieren op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen;

of

ii)

indien de dieren jonger zijn dan 24 maanden, zijn zij nakomelingen van moederdieren die met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 4, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een serologische test op enzoötische boviene leukose, die is uitgevoerd op monsters die in de laatste twaalf maanden voor het vertrek van de dieren op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste vier maanden zijn genomen.

2.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis als de dieren aan de voorschriften van artikel 10 voldoen en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis,

i)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis;

of

ii)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis;

of

iii)

zijn de dieren gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek aan quarantaine onderworpen en met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 5, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen volledig BoHV-1 of, in het geval van dieren die zijn gevaccineerd met een gE-negatief vaccin, antilichamen tegen het BoHV-1 gE-eiwit, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 15 dagen voor het vertrek is genomen;

of

iv)

zijn de dieren bestemd voor een inrichting waar runderen voor vleesproductie gescheiden worden gehouden van runderen van andere inrichtingen, en van waaruit zij rechtstreeks naar het slachthuis worden verplaatst;

of

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis, zijn zij gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek in een erkende quarantaine-inrichting gehouden en met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 5, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen volledig BoHV-1, die is uitgevoerd op een monster dat niet minder dan 21 dagen na het begin van de quarantaine is genomen.

3.   Exploitanten verplaatsen gehouden runderen alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor boviene virusdiarree als de dieren aan de voorschriften van artikel 10 voldoen en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting vrij van boviene virusdiarree,

i)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van boviene virusdiarree;

of

ii)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor boviene virusdiarree;

of

iii)

is die inrichting met negatief resultaat onderworpen aan een testregeling zoals bedoeld in bijlage IV, deel VI, hoofdstuk 1, afdeling 2, punt 1, onder c), ii) of iii), bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689, die is uitgevoerd in de laatste vier maanden voor het vertrek;

of

iv)

zijn de dieren individueel getest om de aanwezigheid van het virus van boviene virusdiarree vóór het vertrek uit te sluiten;

of

v)

zijn de dieren bestemd voor een inrichting waar runderen voor vleesproductie gescheiden worden gehouden van runderen van andere inrichtingen, en van waaruit zij rechtstreeks naar het slachthuis worden verplaatst;

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van boviene virusdiarree, zijn zij met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 6, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test voor de opsporing van het antigeen of genoom van het virus van boviene virusdiarree,

en

i)

zijn de dieren gedurende een periode van ten minste 21 dagen voor hun vertrek in een erkende quarantaine-inrichting gehouden en, in het geval van zwangere moederdieren, met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 6, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van boviene virusdiarree, die is uitgevoerd op monsters die niet minder dan 21 dagen na het begin van de quarantaine zijn genomen;

of

ii)

zijn de dieren met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 6, vermelde diagnostische methoden met positief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van boviene virusdiarree, die is uitgevoerd op monsters die zijn genomen vóór het vertrek of, in het geval van zwangere moederdieren, vóór de inseminatie die aan de lopende dracht voorafging.

4.   In afwijking van artikel 10, lid 1, onder i), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden runderen die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de voorwaarden van artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

5.   Het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 is niet van toepassing op gehouden runderen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 14.

Artikel 13

Afwijkingen voor verplaatsingen van gehouden runderen naar andere lidstaten of zones daarvan zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus

In afwijking van artikel 10, lid 1, onder i), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden runderen die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of een zone daarvan zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 14

Afwijking voor verplaatsingen naar andere lidstaten van gehouden runderen die voor de slacht bestemd zijn

In afwijking van de voorschriften van de artikelen 10, 11 en 12 mogen exploitanten gehouden runderen die voor de slacht bestemd zijn, naar een andere lidstaat verplaatsen als aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de dieren

i)

zijn afkomstig van een inrichting vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met of zonder vaccinatie van runderen;

of

ii)

zijn gecastreerd;

of

iii)

zijn niet-gecastreerde runderen ouder dan twaalf maanden en zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

b)

de dieren

i)

zijn afkomstig van een inrichting die vrij is van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis);

of

ii)

zijn in de laatste 30 dagen voor het vertrek met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 2, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis);

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24).

Afdeling 2

Schapen en geiten

Artikel 15

Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden schapen en geiten naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden schapen en geiten alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden schapen of geiten met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

behalve wanneer zij overeenkomstig artikel 16 worden verplaatst, zijn zij afkomstig van een inrichting vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis zonder dat de schapen en geiten er worden gevaccineerd, en

i)

de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis wat de schapen- en geitenpopulatie betreft;

of

ii)

de dieren zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

of

iii)

de dieren zijn jonger dan zes maanden;

of

iv)

de dieren zijn gecastreerd;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte bij gehouden dieren van de voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten;

f)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

g)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

h)

tenzij de dieren overeenkomstig artikel 17 worden verplaatst, voldoen zij aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

i)

aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2.   Exploitanten verplaatsen gehouden schapen alleen naar een andere lidstaat als zij voldoen aan de voorschriften van lid 1 en afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) is gemeld.

3.   Exploitanten verplaatsen gehouden geiten alleen naar een andere lidstaat als zij voldoen aan de voorschriften van lid 1 en afkomstig zijn van een inrichting waar de in de inrichting gehouden geiten overeenkomstig bijlage II, deel 1, punten 1 en 2, ten minste in de laatste twaalf maanden voor het vertrek onderworpen zijn aan bewaking met betrekking tot infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis), en tijdens die periode

i)

zijn in de in lid 1, onder a), bedoelde inrichting alleen geiten uit inrichtingen waar de in dit lid vastgestelde maatregelen worden toegepast, binnengebracht;

ii)

zijn maatregelen overeenkomstig bijlage II, deel 1, punt 3, genomen wanneer infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden geiten is gemeld.

4.   Exploitanten verplaatsen gehouden niet-gecastreerde mannelijke schapen alleen naar een andere lidstaat als zij voldoen aan de voorschriften van de leden 1 en 2 en mits aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste twaalf maanden voor het vertrek geen melding is gemaakt van epididymitis bij schapen (Brucella ovis);

b)

de dieren zijn met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test op epididymitis bij schapen (Brucella ovis), die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen.

5.   Het bepaalde in de leden 1 tot en met 4 is niet van toepassing op gehouden schapen en geiten die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 18.

Artikel 16

Afwijking voor verplaatsingen van gehouden schapen en geiten naar andere lidstaten of zones daarvan die niet de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis hebben

In afwijking van de voorschriften van artikel 15, lid 1, onder c), mogen exploitanten gehouden schapen en geiten verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan die niet de status vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis heeft wat schapen en geiten betreft, indien zij afkomstig zijn van een inrichting die vrij is van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis en waar de schapen en geiten worden gevaccineerd.

Artikel 17

Afwijkingen voor verplaatsingen van gehouden schapen en geiten naar andere lidstaten of zones daarvan ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

In afwijking van artikel 15, lid 1, onder h), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden schapen en geiten die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of een zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden;

b)

zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 18

Afwijking voor verplaatsingen naar andere lidstaten van gehouden schapen en geiten die voor de slacht bestemd zijn

In afwijking van de voorschriften van artikel 15 mogen exploitanten gehouden schapen en geiten die voor de slacht bestemd zijn, naar een andere lidstaat verplaatsen als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn individueel geïdentificeerd overeenkomstig artikel 45 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, of zij hebben gedurende ten minste 21 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 21 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven;

b)

de dieren

i)

zijn afkomstig van een inrichting vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met of zonder vaccinatie van schapen en geiten;

of

ii)

zijn ouder dan zes maanden en zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

of

iii)

zijn gecastreerd;

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24).

Afdeling 3

Varkens

Artikel 19

Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden varkens naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden varkens alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden varkens met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

f)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij varkens en waar in de laatste twaalf maanden voor het vertrek

i)

indien nodig biobeveiligings- en risicobeperkingsmaatregelen zijn genomen, met inachtneming van de huisvestingsomstandigheden en voedersystemen, om de overdracht van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis van wilde dieren van voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten naar in de inrichting gehouden varkens te vermijden, en alleen varkens uit inrichtingen waar gelijkwaardige biobeveiligings- en risicobeperkingsmaatregelen worden toegepast, zijn binnengebracht;

of

ii)

de in de inrichting gehouden varkens overeenkomstig bijlage III, punten 1 en 2, gedurende ten minste de laatste twaalf maanden voor het vertrek onderworpen zijn aan bewaking met betrekking tot infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, en gedurende deze periode

zijn alleen varkens uit inrichtingen waar de in dit punt of de onder i) vastgestelde maatregelen worden toegepast, in de onder a) bedoelde inrichting binnengebracht;

zijn maatregelen overeenkomstig bijlage III, punt 3, genomen wanneer infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij in de inrichting gehouden varkens is gemeld.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gehouden varkens die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 21.

Artikel 20

Aanvullende voorschriften voor verplaatsingen van gehouden varkens naar lidstaten of zones daarvan met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden varkens alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky als zij aan de voorschriften van artikel 19 voldoen en niet zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky, en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky,

i)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky;

of

ii)

zijn de dieren met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 7, vermelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het volledige virus van de ziekte van Aujeszky, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 15 dagen voor het vertrek is genomen. Voor varkens van minder dan vier maanden die zijn geboren uit moederdieren die zijn gevaccineerd met een gE-negatief vaccin, kan gebruik worden gemaakt van de in bijlage I, deel 7, bedoelde diagnostische methode voor de opsporing van antilichamen tegen het gE-eiwit van het virus van de ziekte van Aujeszky. Er moeten voldoende varkens worden getest om ten minste een seroprevalentie van 10 % van de zending met een betrouwbaarheid van 95 % te kunnen detecteren;

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky, wordt aan de volgende voorschriften voldaan:

i)

de dieren zijn gedurende een periode van ten minste 30 dagen in een erkende quarantaine-inrichting gehouden;

en

ii)

de dieren zijn met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 7, vermelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het volledige virus van de ziekte van Aujeszky, die is uitgevoerd op monsters die op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste 30 dagen zijn genomen, waarbij het laatste monster in de laatste 15 dagen voor het vertrek is genomen.

2.   Exploitanten verplaatsen gehouden varkens alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky als zij aan de voorschriften van artikel 19 voldoen en mits aan de onder a) of b) vermelde voorschriften is voldaan:

a)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky,

i)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky;

of

ii)

bevindt die inrichting zich in een lidstaat of een zone daarvan met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky;

of

iii)

zijn de dieren met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 7, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het volledige virus van de ziekte van Aujeszky of antilichamen tegen het gE-eiwit van het virus van de ziekte van Aujeszky, naargelang van het geval, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 15 dagen voor het vertrek is genomen. Er moeten voldoende varkens worden getest om ten minste een seroprevalentie van 10 % van de zending met een betrouwbaarheid van 95 % te kunnen detecteren;

b)

indien de dieren afkomstig zijn van een inrichting die niet vrij is van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky, wordt aan de volgende voorschriften voldaan:

i)

zij zijn gedurende een periode van ten minste 30 dagen in een erkende quarantaine-inrichting gehouden;

en

ii)

zij zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 7, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van antilichamen tegen het volledige virus van de ziekte van Aujeszky of antilichamen tegen het gE-eiwit van het virus van de ziekte van Aujeszky, naargelang van het geval, die is uitgevoerd op monsters die op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste 30 dagen zijn genomen, waarbij het laatste monster in de laatste 15 dagen voor het vertrek is genomen.

3.   Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op gehouden varkens die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 21.

Artikel 21

Afwijking voor verplaatsingen naar andere lidstaten van gehouden varkens die voor de slacht bestemd zijn

1.   In afwijking van de voorschriften van artikel 19 mogen exploitanten gehouden varkens die voor de slacht bestemd zijn, naar een andere lidstaat verplaatsen wanneer die dieren afkomstig zijn van een inrichting

a)

waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

b)

waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren.

2.   In afwijking van de voorschriften van artikel 20 mogen exploitanten gehouden varkens die voor de slacht bestemd zijn, verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky of met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky, wanneer zij voldoen aan de voorschriften van lid 1 en mits aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky;

b)

de dieren worden rechtstreeks naar het slachthuis in de lidstaat van bestemming vervoerd zonder dat zij worden verzameld in die lidstaat of een zone daarvan, of in een lidstaat van doorgang of zone daarvan, met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky.

Afdeling 4

Paardachtigen

Artikel 22

Voorschriften voor verplaatsingen van paardachtigen naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen paardachtigen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), of, als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd,

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van het laatste besmette dier uit de inrichting zijn genomen;

b)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste zes maanden voor het vertrek geen melding is gemaakt van dourine, of, als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt van dourine, is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren zijn gedood en vernietigd of geslacht, of de besmette mannelijke paardachtigen zijn gecastreerd;

en

ii)

de overblijvende paardachtigen in de inrichting, met uitzondering van de onder i) bedoelde gecastreerde mannelijke paardachtigen, met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 8, bedoelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van dourine, die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na voltooiing van de onder i) omschreven maatregelen zijn genomen;

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 90 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectieuze anemie bij paarden, of, als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twaalf maanden voor het vertrek melding is gemaakt van infectieuze anemie bij paarden, is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren zijn gedood en vernietigd of geslacht en de inrichting is gereinigd en ontsmet;

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 9, vermelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van infectieuze anemie bij paarden, die is uitgevoerd op monsters die op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste drie maanden na voltooiing van de onder i) omschreven maatregelen zijn genomen;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste zes maanden voor het vertrek geen melding is gemaakt van Venezolaanse paardenencefalomyelitis, of, als de dieren afkomstig zijn van een inrichting die gelegen is in een lidstaat of een zone daarvan waar in de laatste twee jaar melding is gemaakt van Venezolaanse paardenencefalomyelitis, voldoen zij aan de voorwaarden van punt i) en aan die van punt ii) of iii):

i)

zij zijn gedurende een periode van ten minste 21 dagen voor het vertrek klinisch gezond gebleven en elk onder ii) of iii) bedoeld dier met een lichaamstemperatuur, dagelijks genomen, die verhoogd was tot boven de normale fysiologische waarde, is met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 10, punt 1, onder a), vermelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen aan een diagnostische test voor Venezolaanse paardenencefalomyelitis;

en

ii)

de dieren zijn gedurende een periode van ten minste 21 dagen in quarantaine gehouden, beschermd tegen vectorinsecten, en

zijn gevaccineerd tegen Venezolaanse paardenencefalomyelitis door middel van een volledige primaire vaccinatie en overeenkomstig de aanbevelingen van de fabrikant niet minder dan 60 dagen en niet meer dan twaalf maanden vóór de datum van verzending gehervaccineerd;

of

zijn met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 10, punt 1, onder b), vermelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen aan een test voor de opsporing van Venezolaanse paardenencefalomyelitis, die is uitgevoerd op een monster dat niet minder dan 14 dagen na de datum waarop zij in quarantaine zijn geplaatst, is genomen;

iii)

de dieren zijn

met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 10, punt 1, onder b), vermelde diagnostische methode onderworpen aan een test voor de opsporing van Venezolaanse paardenencefalomyelitis, zonder verhoging van de antilichaamtiters, uitgevoerd op gepaarde monsters die op twee tijdstippen met een tussenpoos van 21 dagen zijn genomen en waarvan het tweede monster gedurende een periode van tien dagen voor de datum van vertrek is genomen;

en

met gebruikmaking van de in bijlage I, deel 10, punt 2, vermelde diagnostische methode met negatief resultaat onderworpen aan een test voor de opsporing van het genoom van het virus van Venezolaanse paardenencefalomyelitis, die is uitgevoerd op een monster dat binnen 48 uur voor het vertrek is genomen, en de dieren waren tussen de monstername en het vertrek beschermd tegen vectorinsecten;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

f)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

g)

de dieren zijn niet in contact geweest met gehouden dieren van soorten die voor de in de punten a) tot en met f) bedoelde ziekten in de lijst zijn opgenomen en die gedurende de laatste 30 dagen voor het vertrek niet voldeden aan de voorschriften van de punten a) tot en met e), en gedurende de laatste 15 dagen voor het vertrek niet voldeden aan het voorschrift van punt f).

2.   In afwijking van lid 1, onder a), b) en c), zijn de in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde verplaatsingsbeperkingen van toepassing gedurende ten minste 30 dagen nadat het laatste dier in de inrichting van een soort die voor de desbetreffende in lid 1, onder a), b) en c), bedoelde ziekte in de lijst is opgenomen, is gedood en vernietigd of geslacht, en de ruimten zijn gereinigd en ontsmet.

3.   Op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt de exploitant die om het in artikel 76 bedoelde diergezondheidscertificaat verzoekt, de adresgegevens van elke inrichting met paardachtigen waar de te verplaatsen paardachtigen gedurende de 30 dagen voor de voorgenomen verplaatsing naar een andere lidstaat zijn gehouden.

Afdeling 5

Kameelachtigen

Artikel 23

Voorschriften voor de verplaatsing van gehouden kameelachtigen naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden kameelachtigen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden kameelachtigen met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek bij kameelachtigen geen melding is gemaakt van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, en zijn met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis, die is uitgevoerd op een monster dat in de laatste 30 dagen voor het vertrek is genomen, en in het geval van vrouwelijke dieren die pas hebben geworpen, op een monster dat ten minste 30 dagen na het werpen is genomen;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar de in de inrichting gehouden kameelachtigen overeenkomstig bijlage II, deel 2, punten 1 en 2, ten minste in de laatste twaalf maanden voor het vertrek onderworpen zijn aan bewaking met betrekking tot infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis), en tijdens die periode

i)

zijn alleen kameelachtigen uit inrichtingen waar de in dit punt vastgestelde maatregelen worden toegepast, in de onder a) bedoelde inrichting binnengebracht;

ii)

zijn maatregelen overeenkomstig bijlage II, deel 2, punt 3, genomen wanneer infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden kameelachtigen is gemeld;

f)

wanneer de dieren worden verplaatst naar een lidstaat of een zone daarvan met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectieuze boviene rhinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis bij runderen, zijn zij afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectieuze boviene rhinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis bij kameelachtigen;

g)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek in geen enkele inrichting melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte;

h)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

i)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar vóór het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

j)

tenzij de dieren overeenkomstig artikel 24 worden verplaatst, voldoen zij aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

k)

aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gehouden kameelachtigen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 25.

Artikel 24

Afwijkingen voor verplaatsingen van gehouden kameelachtigen naar andere lidstaten of zones daarvan ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

In afwijking van artikel 23, lid 1, onder j), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden kameelachtigen die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden;

b)

zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 25

Afwijking voor verplaatsingen naar andere lidstaten van gehouden kameelachtigen die voor de slacht bestemd zijn

In afwijking van de voorschriften van artikel 23 mogen exploitanten gehouden kameelachtigen die voor de slacht bestemd zijn, naar een andere lidstaat of een zone daarvan verplaatsen wanneer die dieren afkomstig zijn van een inrichting

a)

waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

b)

waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

c)

waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24).

Afdeling 6

Hertachtigen

Artikel 26

Voorschriften voor de verplaatsing van gehouden hertachtigen naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden hertachtigen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden hertachtigen met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij hertachtigen;

e)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar de in de inrichting gehouden hertachtigen overeenkomstig bijlage II, deel 3, punten 1 en 2, ten minste in de laatste twaalf maanden voor het vertrek onderworpen zijn aan bewaking met betrekking tot infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis), en tijdens die periode

i)

zijn alleen hertachtigen uit inrichtingen waar de in dit punt vastgestelde maatregelen worden toegepast, in de onder a) bedoelde inrichting binnengebracht;

ii)

zijn maatregelen overeenkomstig bijlage II, deel 3, punt 3, genomen wanneer infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden hertachtigen is gemeld;

f)

wanneer de dieren worden verplaatst naar een lidstaat of een zone daarvan met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectieuze boviene rhinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis bij runderen, zijn zij afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectieuze boviene rhinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis bij hertachtigen;

g)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek in geen enkele inrichting melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte;

h)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

i)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar vóór het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

j)

tenzij de dieren overeenkomstig artikel 27 worden verplaatst, voldoen zij aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

k)

aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op gehouden hertachtigen die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 28.

Artikel 27

Afwijkingen voor verplaatsingen van gehouden hertachtigen naar andere lidstaten of zones daarvan ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

In afwijking van artikel 26, lid 1, onder j), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden hertachtigen die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden;

b)

zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 28

Afwijking voor verplaatsingen naar andere lidstaten van gehouden hertachtigen die voor de slacht bestemd zijn

In afwijking van de voorschriften van artikel 26 mogen exploitanten gehouden hertachtigen die voor de slacht bestemd zijn, naar een andere lidstaat of een zone daarvan verplaatsen wanneer die dieren afkomstig zijn van een inrichting

a)

waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

b)

waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

c)

waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24).

Afdeling 7

Andere hoefdieren

Artikel 29

Voorschriften voor de verplaatsing van andere gehouden hoefdieren naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen andere gehouden hoefdieren alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, ononderbroken in de inrichting verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met andere gehouden hoefdieren met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de onder a) bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in de inrichting waar de onder a) bedoelde dieren verbleven, zijn gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het rabiësvirus in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

d)

andere gehouden hoefdieren van voor infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij andere gehouden hoefdieren van voor deze ziekte in de lijst opgenomen soorten;

e)

andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 42 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij gehouden dieren van voor deze ziekte in de lijst opgenomen soorten;

f)

andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte in de lijst opgenomen soorten zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in een gebied met een straal van ten minste 150 km rond die inrichting waarin in de laatste twee jaar voor het vertrek in geen enkele inrichting melding is gemaakt van infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte;

g)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

h)

in het geval van andere gehouden hoefdieren van voor surra (Trypanosoma evansi) in de lijst opgenomen soorten, zijn de dieren afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), en als de dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste twee jaar vóór het vertrek melding is gemaakt van surra (Trypanosoma evansi), is de getroffen inrichting sinds de laatste uitbraak onderworpen aan verplaatsingsbeperkingen tot:

i)

de besmette dieren van de inrichting zijn verwijderd;

en

ii)

de overblijvende dieren in de inrichting met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 3, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van surra (Trypanosoma evansi), die is uitgevoerd op monsters die ten minste zes maanden na de verwijdering van de besmette dieren uit de inrichting zijn genomen;

i)

andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten voldoen aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689. Dit punt is niet van toepassing op de in artikel 30 bedoelde andere gehouden hoefdieren;

j)

aan de voorwaarden van de artikelen 32 en 33 is voldaan, indien van toepassing.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op andere gehouden hoefdieren die voor de slacht bestemd zijn als bedoeld in artikel 31.

Artikel 30

Afwijkingen voor verplaatsingen van andere gehouden hoefdieren naar andere lidstaten of zones daarvan ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

In afwijking van artikel 29, lid 1, onder i), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of een zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden;

b)

zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 31

Afwijking voor verplaatsingen naar andere lidstaten van andere gehouden hoefdieren die voor de slacht bestemd zijn

In afwijking van de voorschriften van artikel 29 mogen exploitanten andere gehouden hoefdieren die voor de slacht bestemd zijn, naar een andere lidstaat of een zone daarvan verplaatsen

a)

wanneer die dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste 15 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van miltvuur bij hoefdieren;

b)

wat andere gehouden hoefdieren van voor infectie met rabiës in de lijst opgenomen soorten betreft: wanneer die dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

c)

wat andere gehouden hoefdieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten betreft: wanneer die dieren afkomstig zijn van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24).

Afdeling 8

Aanvullende diergezondheidsvoorschriften ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

Artikel 32

Biobeveiligings- en risicobeperkende maatregelen voor vervoer naar andere lidstaten of zones daarvan met de status vrij van of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden dieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van die ziekte of met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor die ziekte, als aan ten minste één van de volgende voorschriften is voldaan:

a)

het vervoer vindt plaats in een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24);

b)

de dieren zijn beschermd tegen vectoren;

en

i)

tijdens de geplande reis verlaten de dieren het vervoermiddel niet langer dan gedurende één dag;

of

ii)

de dieren worden gelost in een tegen vectoren beschermde inrichting;

of

iii)

de dieren worden tijdens de vectorvrije periode in een lidstaat of een zone daarvan gelost;

c)

de dieren

i)

zijn gevaccineerd tegen alle serotypen van het bluetonguevirus (serotypen 1-24) waarvan in de afgelopen twee jaar melding is gemaakt in de lidstaat van doorgang of een zone daarvan, en zij bevinden zich nog in de immuniteitsperiode die wordt gegarandeerd in de specificaties van het vaccin;

of

ii)

zijn met positief resultaat onderworpen aan een serologische test voor de opsporing van specifieke antilichamen tegen alle serotypen van het bluetonguevirus (serotypen 1-24) die in de laatste twee jaar voor het vertrek zijn gemeld in de lidstaat van doorgang of een zone daarvan;

d)

de dieren zijn bestemd voor de slacht.

2.   In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om gehouden dieren te verplaatsen als de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden, en mits aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

de dieren voldoen aan de specifieke diergezondheidsvoorschriften die door de bevoegde autoriteit van bestemming zijn vastgesteld om te waarborgen dat de dieren voor het vertrek over voldoende immunologische bescherming beschikken ten aanzien van alle serotypen van het bluetonguevirus (serotypen 1-24) waarvan in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt in de lidstaat van doorgang of een zone daarvan;

of

b)

de dieren voldoen aan de voorschriften van punt a) van dit lid of die van lid 1, punt c), om te waarborgen dat zij beschermd zijn tegen de serotypen van het bluetonguevirus waarvan in de laatste twee jaar voor het vertrek melding is gemaakt in de lidstaat van doorgang of een zone daarvan en waarvan in dezelfde periode geen melding is gemaakt in de lidstaat van bestemming of een zone daarvan.

Artikel 33

Biobeveiligings- en risicobeperkende maatregelen voor vervoer door andere lidstaten of zones daarvan met de status vrij van of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24)

1.   Exploitanten verplaatsen dieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten alleen door een andere lidstaat van doorgang of een zone daarvan met de status vrij van die ziekte of met een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor die ziekte, als aan ten minste één van de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren voldoen aan ten minste één van de voorschriften zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

of

b)

de vervoermiddelen waarin de dieren worden geladen, zijn tijdens het vervoer beschermd tegen vectoren;

en

i)

tijdens de geplande reis verlaten de dieren het vervoermiddel niet langer dan gedurende één dag;

of

ii)

de dieren worden gelost in een tegen vectoren beschermde inrichting of tijdens de vectorvrije periode.

2.   In afwijking van lid 1 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om dieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten te verplaatsen door een andere lidstaat van doorgang of een zone daarvan met de status vrij van die ziekte of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor die ziekte, als de lidstaat van doorgang de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de voorwaarden van artikel 43, lid 2, onder a), c) en d), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

HOOFDSTUK 3

Aanvullende diergezondheidsvoorschriften voor verplaatsingen van pluimvee en broedeieren naar andere lidstaten

Afdeling 1

Pluimvee

Artikel 34

Voorschriften voor verplaatsingen van fokpluimvee en gebruikspluimvee

1.   Exploitanten verplaatsen fokpluimvee en gebruikspluimvee alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben ononderbroken verbleven in een of meer erkende inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden:

i)

sinds zij zijn uitgebroed;

of

ii)

gedurende ten minste:

42 dagen voor het vertrek, in het geval van fokpluimvee en gebruikspluimvee voor de productie van vlees of consumptie-eieren;

of

21 dagen voor het vertrek, in het geval van gebruikspluimvee voor het uitzetten in het wild;

b)

de dieren zijn afkomstig van een koppel waar geen infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae is gemeld, en die dieren zijn afkomstig van inrichtingen waar in geval van bevestiging van infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae in de laatste twaalf maanden voor het vertrek, de volgende maatregelen zijn toegepast:

i)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd;

ii)

nadat het onder i) bedoelde besmette koppel is geslacht of gedood, is de inrichting gereinigd en ontsmet;

iii)

na de onder ii) bedoelde reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae, in twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het in artikel 8, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde bewakingsprogramma;

c)

de dieren zijn afkomstig van een koppel waar geen aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) is gemeld, en die dieren zijn afkomstig van inrichtingen waar in geval van bevestiging van aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis) in de laatste twaalf maanden voor het vertrek, de volgende maatregelen zijn toegepast:

i)

het besmette koppel is met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis), in twee tests die met een tussenpoos van ten minste 60 dagen op het hele koppel zijn verricht overeenkomstig het in artikel 8, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde bewakingsprogramma;

of

ii)

het besmette koppel is geslacht of gedood en vernietigd, de inrichting is gereinigd en ontsmet en na de reiniging en ontsmetting zijn alle koppels in de inrichting met negatief resultaat getest op aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis), in twee tests die met een tussenpoos van ten minste 21 dagen zijn verricht overeenkomstig het in artikel 8, onder b), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 bedoelde bewakingsprogramma;

d)

de dieren zijn afkomstig van koppels die geen klinische tekenen vertonen of aanleiding geven tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

e)

de bewaking als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a) en onder b), ii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 heeft in de laatste 21 dagen voor het vertrek geen bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen in het koppel van oorsprong van de dieren aan het licht gebracht;

f)

gebruikspluimvee dat bestemd is om in het wild te worden uitgezet, is in de laatste 21 dagen voor het vertrek niet in contact geweest met vogels met een lagere gezondheidsstatus;

g)

eenden en ganzen zijn met negatief resultaat onderworpen aan een test voor hoogpathogene aviaire influenza overeenkomstig bijlage IV;

h)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 41 en 42 voor de specifieke categorie pluimvee is voldaan.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op de verplaatsing van minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels die overeenkomstig artikel 37 worden verplaatst.

Artikel 35

Voorschriften voor verplaatsingen van pluimvee dat bestemd is voor de slacht

1.   Exploitanten verplaatsen pluimvee dat bestemd is voor de slacht alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren hebben ononderbroken verbleven in een geregistreerde of erkende inrichting waar pluimvee wordt gehouden:

i)

sinds zij zijn uitgebroed;

of

ii)

gedurende ten minste de laatste 21 dagen voor het vertrek;

b)

de dieren zijn afkomstig van koppels die geen klinische tekenen vertonen of aanleiding geven tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

c)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 41 en 42 voor de specifieke categorie pluimvee is voldaan.

2.   Het bepaalde in lid 1 is niet van toepassing op de verplaatsing van minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels die overeenkomstig artikel 37 worden verplaatst.

Artikel 36

Voorschriften voor verplaatsingen van eendagskuikens

1.   Exploitanten verplaatsen eendagskuikens alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van een erkende broederij;

b)

de dieren zijn uitgebroed uit broedeieren die:

i)

voldoen aan de voorschriften van artikel 38 en afkomstig zijn van koppels die aan controles zijn onderworpen overeenkomstig artikel 91, lid 1, onder f), en artikel 91, lid 2, onder f);

of

ii)

uit een derde land of gebied of een zone daarvan de Unie zijn binnengekomen;

c)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 41 en 42 voor de specifieke categorie pluimvee is voldaan.

2.   In het geval van eendagskuikens uit broedeieren die uit een derde land of gebied of een zone daarvan in de Unie zijn binnengebracht, stelt de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong van die eendagskuikens de bevoegde autoriteit van de lidstaat van de beoogde bestemming ervan in kennis dat de broedeieren uit een derde land de Unie zijn binnengekomen.

3.   Het bepaalde in de leden 1 en 2 is niet van toepassing op de verplaatsing van minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels die overeenkomstig artikel 37 worden verplaatst.

Artikel 37

Afwijking voor verplaatsingen van minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels

In afwijking van de voorschriften van de artikelen 34, 35 en 36 mogen exploitanten minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels naar een andere lidstaat verplaatsen als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn afkomstig van koppels die sinds zij zijn uitgebroed of gedurende ten minste 21 dagen vóór het vertrek zonder onderbreking hebben verbleven in één enkele geregistreerde inrichting;

b)

de dieren zijn afkomstig van koppels die geen klinische tekenen vertonen of aanleiding geven tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

c)

de bewaking als bedoeld in artikel 3, lid 1, onder a) en onder b), ii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 heeft in de laatste 21 dagen voor het vertrek geen bevestigd geval van infectie met laagpathogene aviaire-influenzavirussen in het koppel van oorsprong van de dieren aan het licht gebracht;

d)

de dieren zijn in de laatste 21 dagen voor het vertrek niet in contact geweest met recent aangekomen pluimvee of met vogels met een lagere gezondheidsstatus;

e)

eenden en ganzen, met uitzondering van voor de slacht bestemde eenden en ganzen, zijn met negatief resultaat onderworpen aan een test voor hoogpathogene aviaire influenza overeenkomstig bijlage IV;

f)

de dieren zijn overeenkomstig bijlage V met negatief resultaat onderworpen aan tests voor infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae en aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis);

g)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 41 en 42 voor de specifieke categorie pluimvee is voldaan.

Afdeling 2

Broedeieren van pluimvee

Artikel 38

Voorschriften voor verplaatsingen van broedeieren van pluimvee

Exploitanten verplaatsen broedeieren van pluimvee alleen naar een andere lidstaat als die eieren aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn afkomstig van een erkende inrichting;

b)

zij zijn afkomstig van koppels die sinds zij zijn uitgebroed of gedurende ten minste de laatste 42 dagen voor de verzameling van de eieren onafgebroken in een of meer erkende inrichtingen waar pluimvee wordt gehouden, hebben verbleven;

c)

zij zijn afkomstig van dieren die voldoen aan de voorschriften van artikel 34, lid 1, onder b), c) en d);

d)

zij zijn individueel gemarkeerd met het erkenningsnummer van de inrichting van het koppel van oorsprong zoals bedoeld in artikel 21, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

e)

zij zijn ontsmet;

f)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 41 en 42 is voldaan.

Artikel 39

Afwijking voor verplaatsingen van minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels

In afwijking van de voorschriften van artikel 38 mogen exploitanten minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels naar een andere lidstaat verplaatsen als die eieren aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn afkomstig van een geregistreerde inrichting;

b)

zij zijn afkomstig van koppels die:

i)

sinds zij zijn uitgebroed of gedurende ten minste 21 dagen vóór de verzameling van de eieren ononderbroken in een geregistreerde inrichting hebben verbleven;

ii)

geen klinische tekenen vertonen of aanleiding geven tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

iii)

overeenkomstig bijlage V met negatief resultaat onderworpen zijn aan tests voor infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae en aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis);

c)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 41 en 42 is voldaan.

Artikel 40

Afwijking voor verplaatsingen van eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen

In afwijking van de voorschriften van artikel 38 mogen exploitanten eieren die vrij zijn van specifieke pathogenen alleen naar een andere lidstaat verplaatsen als die eieren aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn afkomstig van een erkende inrichting waar pluimvee wordt gehouden;

b)

zij zijn afkomstig van koppels die vrij zijn van specifieke pathogenen zoals beschreven in de Europese Farmacopee, en de resultaten van alle voor deze specifieke status vereiste tests en klinische onderzoeken zijn gunstig geweest;

c)

zij zijn individueel gemarkeerd met het erkenningsnummer van de inrichting van oorsprong zoals bedoeld in artikel 21, onder a), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035.

Afdeling 3

Voorschriften met betrekking tot vaccinatie

Artikel 41

Voorschriften in verband met vaccinatie tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle

Indien pluimvee, broedeieren van pluimvee of de koppels van oorsprong van broedeieren of eendagskuikens met andere vaccins dan geïnactiveerde vaccins zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, moeten de toegediende vaccins voldoen aan de criteria van bijlage VI.

Afdeling 4

Specifieke voorwaarden met betrekking tot verplaatsingen naar lidstaten of zones daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie

Artikel 42

Aanvullende voorschriften voor verplaatsingen van pluimvee en broedeieren van pluimvee naar een lidstaat of zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie

Exploitanten verplaatsen pluimvee en broedeieren van pluimvee alleen van een lidstaat of zone daarvan die niet de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie heeft naar een lidstaat of zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, als die dieren en broedeieren, in aanvulling op de voorschriften van de afdelingen 1 tot en met 3 voor de specifieke producten, voldoen aan de volgende voorschriften met betrekking tot infectie met het virus van de ziekte van Newcastle:

a)

fokpluimvee en gebruikspluimvee:

i)

is niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

is 14 dagen voor het vertrek geïsoleerd, hetzij in de inrichting van oorsprong onder toezicht van een officiële dierenarts, hetzij in een erkende quarantaine-inrichting, waar:

in de laatste 21 dagen voor het vertrek geen pluimvee is gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

in de laatste 21 dagen voor het vertrek geen andere vogels zijn binnengebracht;

in de quarantaine-inrichting is geen vaccinatie uitgevoerd;

iii)

is in de laatste 14 dagen voor het vertrek met negatief resultaat onderworpen aan serologische tests voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van de ziekte van Newcastle, uitgevoerd op voldoende bloedmonsters om een prevalentie van 5 % met een betrouwbaarheid van 95 % te detecteren;

b)

pluimvee dat bestemd is voor de slacht, is afkomstig van koppels die:

i)

niet gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle en in de laatste 14 dagen voor het vertrek met negatief resultaat onderworpen zijn aan serologische tests voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van de ziekte van Newcastle, uitgevoerd op voldoende bloedmonsters om een prevalentie van 5 % met een betrouwbaarheid van 95 % te detecteren;

of

ii)

gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle en in de laatste 14 dagen voor het vertrek met negatief resultaat onderworpen zijn aan een test voor de opsporing van het virus van de ziekte van Newcastle, zodanig uitgevoerd dat een prevalentie van 5 % met een betrouwbaarheid van 95 % kan worden gedetecteerd;

c)

eendagskuikens:

i)

zijn niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

zijn afkomstig van broedeieren die voldoen aan de voorwaarden van punt d);

iii)

zijn afkomstig van een broederij waar de werkmethode waarborgt dat dergelijke broedeieren op volledig verschillende tijdstippen en op volstrekt andere plaatsen worden uitgebroed dan broedeieren die niet aan de onder d) gestelde voorwaarden voldoen;

d)

broedeieren:

i)

zijn niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

zijn afkomstig van koppels die:

niet gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

of

gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met behulp van geïnactiveerde vaccins;

of

gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met behulp van levende vaccins die voldoen aan de criteria van bijlage VI, en die vaccinatie heeft ten minste 30 dagen voor de verzameling van de broedeieren plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 4

Verzamelingen van gehouden hoefdieren en pluimvee

Artikel 43

Specifieke regels voor de verzameling van hoefdieren en pluimvee

1.   Tijdens de verplaatsing van gehouden hoefdieren en pluimvee van de inrichting van oorsprong naar een inrichting in de lidstaat van bestemming, zien de exploitanten erop toe dat de dieren niet aan meer dan drie verzamelingen worden onderworpen en dat deze onder de volgende voorwaarden worden uitgevoerd in inrichtingen die voor verzamelingen zijn erkend of op vervoermiddelen zoals vastgesteld in artikel 44:

a)

elk gehouden hoefdier en elk stuk pluimvee dat aan verzameling wordt onderworpen, wordt uiterlijk 20 dagen na de datum waarop het de inrichting van oorsprong heeft verlaten, naar zijn uiteindelijke plaats van bestemming in een andere lidstaat verplaatst;

b)

de tijd tussen de datum van vertrek van elk gehouden hoefdier en elk stuk pluimvee uit de inrichting van oorsprong en de datum van het vertrek ervan uit de voor verzameling in de lidstaat van oorsprong erkende inrichting naar een andere lidstaat bedraagt ten hoogste 14 dagen.

2.   Op verzoek van de bevoegde autoriteit verstrekt de exploitant die het diergezondheidscertificaat aanvraagt om te voldoen aan artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429, een geschiedenis van de verplaatsingen van de dieren die deel uitmaken van de zending sinds hun vertrek uit de inrichting van oorsprong, met inbegrip van alle verzamelingen.

3.   In afwijking van lid 1, onder a), kan voor het vervoer over binnenwateren/zee van dieren de in lid 1, onder a), vastgestelde periode van 20 dagen worden verlengd met de duur van de reis over binnenwateren/zee.

Artikel 44

Specifieke regels voor verzamelingen die plaatsvinden op vervoermiddelen

Exploitanten van de inrichtingen waar hoefdieren of pluimvee worden gehouden die/dat bestemd zijn/is om op het vervoermiddel te worden verzameld voordat zij/het naar een andere lidstaat worden/wordt verplaatst, zien erop toe dat de lading in de inrichting wordt uitgevoerd zonder dat het vervoermiddel de ruimten waar dieren worden gehouden, binnenkomt.

Artikel 45

Nadere regels voor biobeveiligingsmaatregelen bij verzamelingen

1.   Exploitanten van inrichtingen die voor verzamelingen zijn erkend, zien erop toe dat:

a)

alle dieren uit de inrichting of de epidemiologisch gescheiden dierenverblijven in de inrichting verwijderd zijn en dat die inrichting of verblijven met regelmatige tussenpozen van ten hoogste 14 dagen ononderbroken bezetting wordt/worden gereinigd en ontsmet;

b)

de banden van de vervoermiddelen waaruit dieren zijn gelost of waarop dieren zijn geladen, worden ontsmet voordat zij de inrichting verlaten.

2.   Exploitanten die gehouden hoefdieren of pluimvee verzamelen op vervoermiddelen, zien erop toe dat de banden van die vervoermiddelen worden ontsmet voordat zij de inrichting van oorsprong verlaten.

Artikel 46

Afwijkingen voor verplaatsingen van hoefdieren voor tentoonstellingen en voor sportieve, culturele en soortgelijke evenementen

1.   De voorwaarden zoals vastgesteld in artikel 126, lid 2, en artikel 134, onder b), van Verordening (EU) 2016/429 en in de artikelen 43, 44 en 45 van deze verordening zijn niet van toepassing op de verplaatsing van gehouden hoefdieren naar een andere lidstaat met het oog op deelname aan tentoonstellingen en sportieve, culturele en soortgelijke evenementen.

2.   De in artikel 133, lid 2, tweede alinea, van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde toestemming van de lidstaat is niet vereist wanneer individueel gecertificeerde geregistreerde paardachtigen een vervoermiddel delen om naar een andere lidstaat te worden vervoerd met het oog op deelname aan een van de in lid 1 bedoelde activiteiten.

HOOFDSTUK 5

Voorschriften voor verplaatsingen van andere gehouden landdieren dan gehouden hoefdieren en pluimvee en voor verplaatsingen van broedeieren van in gevangenschap levende vogels naar andere lidstaten

Afdeling 1

Primaten

Artikel 47

Voorschriften voor verplaatsingen van primaten naar andere lidstaten

Exploitanten verplaatsen primaten alleen naar een andere lidstaat als de dieren

1.

in een geconsigneerde inrichting zijn gehouden en naar een geconsigneerde inrichting in de lidstaat van bestemming worden vervoerd overeenkomstig de voorschriften van artikel 64, lid 1;

of

2.

van een andere inrichting dan een geconsigneerde inrichting afkomstig zijn en naar een geconsigneerde inrichting in de lidstaat van bestemming worden vervoerd overeenkomstig de voorschriften van artikel 63, lid 2, onder b).

Afdeling 2

Honingbijen en hommels

Artikel 48

Voorschriften voor de verplaatsing van honingbijen naar andere lidstaten

Exploitanten verplaatsen honingbijen in om het even welk stadium van hun levenscyclus, met inbegrip van honingbijenbroed, alleen naar andere lidstaten als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren en de bijenkorven of -kasten van oorsprong vertonen geen tekenen van Amerikaans vuilbroed, van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) of van infestatie met Tropilaelaps spp.;

b)

zij zijn afkomstig van een bijenstal die zich bevindt in het midden van een cirkel met een straal van ten minste:

i)

3 km waarbinnen in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van Amerikaans vuilbroed en waarvoor geen beperkingen gelden als gevolg van een uitbraak van Amerikaans vuilbroed;

ii)

100 km waarbinnen geen melding is gemaakt van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) en waarvoor geen beperkingen gelden als gevolg van een vermoedelijk geval van of een bevestigde infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever), tenzij artikel 49 in een afwijking voorziet;

iii)

100 km waarbinnen geen melding is gemaakt van infestatie met Tropilaelaps spp. en waarvoor geen beperkingen gelden als gevolg van een vermoedelijk geval van of een bevestigde infestatie met Tropilaelaps spp.

Artikel 49

Afwijking voor de verplaatsing van bijenkoninginnen naar andere lidstaten

In afwijking van artikel 48, onder b), ii), mogen exploitanten bijenkoninginnen verplaatsen als zij voldoen aan de voorschriften van artikel 48, onder a) en onder b), i) en iii), en aan de volgende voorschriften:

a)

in de bijenstal van oorsprong is geen melding gemaakt van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) en die bijenstal bevindt zich op een afstand van ten minste 30 km van de grenzen van een door de bevoegde autoriteit ingestelde beschermingszone met een straal van ten minste 20 km rond een bevestigd geval van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever);

b)

de bijenstal van oorsprong ligt niet in een zone waarvoor beschermende maatregelen gelden die door de Unie zijn ingesteld als gevolg van bevestigde gevallen van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever);

c)

de bijenstal van oorsprong ligt in een gebied waar de bevoegde autoriteit jaarlijkse bewaking uitvoert met het oog op de detectie van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) om infestatie van ten minste 2 % van de bijenstallen met Aethina tumida (kleine kastkever) met een betrouwbaarheid van ten minste 95 % te kunnen detecteren;

d)

tijdens het productieseizoen wordt de bijenstal van oorsprong elke maand door de bevoegde autoriteit met negatief resultaat geïnspecteerd om infestatie van ten minste 2 % van de bijenstallen met Aethina tumida (kleine kastkever) met een betrouwbaarheid van ten minste 95 % te kunnen detecteren;

e)

zij worden individueel opgesloten, met maximaal 20 begeleidende voedsters.

Artikel 50

Aanvullende voorschriften ten aanzien van infestatie met Varroa spp. voor de verplaatsing van honingbijen naar andere lidstaten

Exploitanten verplaatsen honingbijen in om het even welk stadium van hun levenscyclus, met inbegrip van honingbijenbroed, alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infestatie met Varroa spp., als zij voldoen aan de voorschriften van artikel 48 en mits aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

zij zijn afkomstig van een lidstaat of zone daarvan met de status vrij van infestatie met Varroa spp.;

b)

zij worden tijdens het vervoer beschermd tegen infestatie met Varroa spp.

Artikel 51

Voorschriften voor de verplaatsing van hommels naar andere lidstaten

Exploitanten verplaatsen hommels alleen naar andere lidstaten als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

zij vertonen geen tekenen van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever);

b)

zij zijn afkomstig van een inrichting die zich bevindt in het midden van een cirkel rond de inrichting met een straal van ten minste 100 km waarin geen melding is gemaakt van infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) en waarvoor geen beperkingen gelden als gevolg van een vermoedelijk geval van of een bevestigde infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever). Deze voorschriften zijn niet van toepassing op hommels uit van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen die overeenkomstig artikel 52 worden verplaatst.

Artikel 52

Afwijking voor de verplaatsing van hommels uit van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen voor hommels naar andere lidstaten

In afwijking van artikel 51, onder b), mogen exploitanten hommels uit van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen voor hommels naar andere lidstaten verplaatsen wanneer zij voldoen aan artikel 51, onder a), en als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

zij zijn geïsoleerd en in afzonderlijke epidemiologische eenheden gekweekt met voor elke kolonie een gesloten laadkist die vóór gebruik nieuw of gereinigd en ontsmet was;

b)

tijdens regelmatige onderzoeken van de epidemiologische eenheid, uitgevoerd in overeenstemming met schriftelijke standaardwerkprocedures, is geen infestatie met Aethina tumida (kleine kastkever) ontdekt in de epidemiologische eenheid.

Afdeling 3

Honden, katten en fretten

Artikel 53

Voorschriften voor de verplaatsing van honden, katten en fretten naar andere lidstaten

Exploitanten verplaatsen honden, katten en fretten alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn individueel geïdentificeerd:

i)

overeenkomstig artikel 70 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

of

ii)

aan de hand van een duidelijk leesbare tatoeage die voor 3 juli 2011 is aangebracht;

b)

de dieren gaan vergezeld van een individueel identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 71 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, waarin is gedocumenteerd dat

i)

het geïdentificeerde dier afkomstig is van een inrichting waar de laatste 30 dagen voor het vertrek geen infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren is gemeld en dat het ten minste 21 dagen vóór de verplaatsing een volledige primaire vaccinatie tegen rabiës heeft ontvangen, of opnieuw tegen rabiës is gevaccineerd overeenkomstig de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1. Dit voorschrift is niet van toepassing op honden, katten en fretten die overeenkomstig artikel 54, leden 1 en 2, worden verplaatst;

ii)

honden aan de in bijlage VII, deel 2, punt 1, bedoelde risicobeperkingsmaatregelen met betrekking tot infectie met Echinococcus multilocularis onderworpen zijn en, in voorkomend geval, honden, katten of fretten binnen de in bijlage VII, deel 2, punt 3, voorgeschreven termijn aan de daarin bedoelde risicobeperkingsmaatregelen met betrekking tot andere ziekten zijn onderworpen voordat zij een lidstaat of een zone daarvan die de toepassing van die maatregelen kan vereisen, binnenkomen. Dit voorschrift is niet van toepassing op honden, katten en fretten die overeenkomstig artikel 54, lid 2, worden verplaatst.

Artikel 54

Afwijkingen van de voorschriften met betrekking tot vaccinatie tegen rabiës en behandeling tegen infectie met Echinococcus multilocularis

1.   In afwijking van artikel 53, onder b), i), mogen exploitanten honden, katten en fretten die minder dan twaalf weken oud zijn en die geen rabiësvaccin hebben ontvangen, of die tussen 12 en 16 weken oud zijn en een vaccinatie tegen rabiës hebben ontvangen maar nog niet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1, voldoen, naar een andere lidstaat verplaatsen op voorwaarde dat:

a)

de lidstaat van bestemming dergelijke verplaatsingen in het algemeen heeft toegestaan en het publiek op een speciaal daarvoor opgezette website heeft geïnformeerd dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan, en

b)

aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

i)

het in artikel 86 bedoelde diergezondheidscertificaat is aangevuld met een verklaring van de exploitant dat de dieren vanaf hun geboorte tot en met het tijdstip van vertrek geen contact hebben gehad met gehouden landdieren waarvan wordt vermoed dat zij met het rabiësvirus besmet zijn of met wilde dieren van soorten die voor infectie met het rabiësvirus in de lijst zijn opgenomen;

of

ii)

op basis van het identificatiedocument van het moederdier waarvan de in dit lid bedoelde dieren nog afhankelijk zijn, kan worden vastgesteld dat het moederdier vóór hun geboorte een vaccin tegen rabiës heeft ontvangen dat voldeed aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1.

2.   In afwijking van artikel 53, onder b), i) en ii), mogen exploitanten honden, katten en fretten die niet tegen rabiës zijn gevaccineerd en honden die niet tegen infectie met Echinococcus multilocularis zijn behandeld, via rechtstreeks vervoer naar een geconsigneerde inrichting verplaatsen.

Artikel 55

Verplichtingen voor houders van gezelschapsdieren wat andere verplaatsingen van honden, katten en fretten dan niet-commerciële verplaatsingen betreft

Wanneer niet-commerciële verplaatsingen van als gezelschapsdier gehouden honden, katten of fretten niet kunnen worden uitgevoerd overeenkomstig de in artikel 245, lid 2, of artikel 246, leden 1 en 2, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde voorwaarden, mogen de houders van gezelschapsdieren honden, katten en fretten die als gezelschapsdier worden gehouden alleen naar een andere lidstaat verplaatsen als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn individueel geïdentificeerd:

i)

overeenkomstig artikel 70 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

of

ii)

aan de hand van een duidelijk leesbare tatoeage die voor 3 juli 2011 is aangebracht;

b)

de dieren gaan vergezeld van een individueel identificatiedocument zoals bedoeld in artikel 71 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, waarin is gedocumenteerd dat

i)

het geïdentificeerde dier ten minste 21 dagen voor het vertrek een volledige primaire vaccinatie tegen rabiës heeft ontvangen of opnieuw tegen rabiës is gevaccineerd overeenkomstig de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1. Deze bepaling is niet van toepassing op honden, katten en fretten die overeenkomstig artikel 56 worden verplaatst;

ii)

honden aan de in bijlage VII, deel 2, punt 1, bedoelde risicobeperkingsmaatregelen met betrekking tot infectie met Echinococcus multilocularis onderworpen zijn en, in voorkomend geval, honden, katten of fretten binnen de in bijlage VII, deel 2, punt 3, voorgeschreven termijn aan de daarin bedoelde risicobeperkingsmaatregelen met betrekking tot andere ziekten zijn onderworpen voordat zij een lidstaat of een zone daarvan die de toepassing van die maatregelen kan vereisen, binnenkomen.

Artikel 56

Afwijking van de verplichting tot vaccinatie tegen rabiës voor andere verplaatsingen van honden, katten en fretten dan niet-commerciële verplaatsingen

In afwijking van artikel 55, onder b), i), mogen houders van gezelschapsdieren honden, katten en fretten die minder dan twaalf weken oud zijn en die geen rabiësvaccin hebben ontvangen, of als gezelschapsdier gehouden honden, katten en fretten die tussen 12 en 16 weken oud zijn en een vaccinatie tegen rabiës hebben ontvangen maar nog niet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1, voldoen, naar een andere lidstaat verplaatsen op voorwaarde dat:

a)

de lidstaat van bestemming dergelijke verplaatsingen in het algemeen heeft toegestaan en het publiek op een speciaal daarvoor opgezette website heeft geïnformeerd dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan, en

b)

een van de volgende voorwaarden is vervuld:

i)

het in artikel 86 bedoelde diergezondheidscertificaat is aangevuld met een verklaring van de houder van de gezelschapsdieren dat de dieren vanaf hun geboorte tot en met het tijdstip van vertrek geen contact hebben gehad met gehouden landdieren waarvan wordt vermoed dat zij met het rabiësvirus besmet zijn of met wilde dieren van soorten die voor infectie met het rabiësvirus in de lijst zijn opgenomen;

of

ii)

op basis van het identificatiedocument van het moederdier waarvan de in dit lid bedoelde dieren nog afhankelijk zijn, kan worden vastgesteld dat het moederdier vóór hun geboorte een vaccin tegen rabiës heeft ontvangen dat voldeed aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1.

Artikel 57

Informatieverplichting van de bevoegde autoriteiten wat afwijkingen van de voorschriften met betrekking tot vaccinatie tegen rabiës voor honden, katten en fretten betreft

De lidstaten informeren het publiek over de aanvaarding in het algemeen van uit andere lidstaten afkomstige honden, katten en fretten die minder dan twaalf weken oud zijn en die geen rabiësvaccin hebben ontvangen, of die tussen 12 en 16 weken oud zijn en een vaccinatie tegen rabiës hebben ontvangen maar nog niet aan de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1, voldoen, zoals bedoeld in artikel 54, lid 1, onder a), en artikel 56, onder a).

Afdeling 4

Andere carnivoren

Artikel 58

Voorschriften voor de verplaatsing van andere carnivoren naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen andere carnivoren alleen naar een andere lidstaat als die andere carnivoren aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

de dieren zijn individueel geïdentificeerd of zijn geïdentificeerd als groep dieren van dezelfde soort die tijdens de verplaatsing naar de bestemming samen worden gehouden;

b)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar in de laatste 30 dagen voor het vertrek geen melding is gemaakt van infectie met het rabiësvirus bij gehouden landdieren;

c)

de dieren hebben ten minste 21 dagen voor het vertrek een volledige primaire vaccinatie tegen rabiës ontvangen of zijn opnieuw tegen rabiës gevaccineerd overeenkomstig de geldigheidsvoorschriften van bijlage VII, deel 1;

d)

Canidae zijn binnen de in bijlage VII, deel 2, punt 2, voorgeschreven termijn aan de daarin bedoelde risicobeperkingsmaatregelen met betrekking tot infectie met Echinococcus multilocularis onderworpen voordat zij een lidstaat of een zone daarvan die de toepassing van die maatregelen kan vereisen, binnenkomen;

e)

voor zover er overeenkomstig Verordening (EU) 2016/429 maatregelen zijn vastgesteld voor een voor carnivoren of bepaalde carnivorensoorten in de lijst opgenomen andere infectie dan rabiës, zijn de dieren van de onder die maatregelen vallende soorten binnen de in bijlage VII, deel 2, punt 3, voorgeschreven termijn aan de daarin bedoelde risicobeperkingsmaatregelen voor die carnivorensoorten onderworpen voordat zij een lidstaat of een zone daarvan die de toepassing van die maatregelen voor tot die carnivorensoorten behorende dieren kan vereisen, binnenkomen.

2.   In afwijking van lid 1, onder c) en d), mogen exploitanten andere carnivoren die niet tegen rabiës zijn gevaccineerd en Canidae die niet tegen infectie met Echinococcus multilocularis zijn behandeld, verplaatsen wanneer de dieren rechtstreeks worden vervoerd naar

a)

een geconsigneerde inrichting;

of

b)

een inrichting waar deze dieren als pelsdieren worden gehouden zoals gedefinieerd in bijlage I, punt 1, bij Verordening (EU) nr. 142/2011 (17).

Afdeling 5

In gevangenschap levende vogels en broedeieren van in gevangenschap levende vogels

Artikel 59

Voorschriften voor de verplaatsing van in gevangenschap levende vogels

1.   Exploitanten verplaatsen in gevangenschap levende vogels met uitzondering van papegaaiachtigen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

sinds zij zijn uitgebroed of gedurende ten minste 21 dagen voor het vertrek hebben de dieren ononderbroken in een geregistreerde of geconsigneerde inrichting verbleven;

b)

de dieren zijn afkomstig van koppels die geen klinische tekenen vertonen of aanleiding geven tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

c)

de dieren vertonen geen klinische tekenen of geven geen aanleiding tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

d)

indien de dieren de Unie zijn binnengekomen vanuit een derde land of een gebied of zone daarvan, zijn zij in quarantaine geplaatst overeenkomstig de voorschriften voor binnenkomst in de Unie in de erkende quarantaine-inrichting van bestemming in de Unie;

e)

duiven zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle en zijn afkomstig van een inrichting waar wordt gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

f)

aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 61 en 62 is voldaan.

2.   Exploitanten verplaatsen papegaaiachtigen alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

aan de in lid 1 vastgestelde voorwaarden is voldaan;

b)

de dieren zijn afkomstig van een inrichting waar gedurende de laatste 60 dagen voor het vertrek geen aviaire chlamydiose bevestigd is en waar, indien in de laatste zes maanden vóór het vertrek aviaire chlamydiose is bevestigd, de volgende maatregelen zijn genomen:

i)

besmette vogels en vogels die waarschijnlijk besmet zijn, zijn behandeld;

ii)

na voltooiing van de behandeling zijn zij negatief bevonden in laboratoriumtests op aviaire chlamydiose;

iii)

na voltooiing van de behandeling is de inrichting gereinigd en ontsmet;

iv)

ten minste 60 dagen zijn verstreken sinds de voltooiing van de onder iii) bedoelde reiniging en ontsmetting;

c)

indien de dieren in contact zijn geweest met in gevangenschap levende vogels van inrichtingen waar in de laatste 60 dagen voor het vertrek aviaire chlamydiose is vastgesteld, zijn zij negatief bevonden in laboratoriumtests op aviaire chlamydiose die ten minste 14 dagen na het contact zijn uitgevoerd;

d)

de dieren zijn geïdentificeerd overeenkomstig artikel 76 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035.

Artikel 60

Voorschriften voor verplaatsingen van broedeieren van in gevangenschap levende vogels

Exploitanten verplaatsen broedeieren van in gevangenschap levende vogels alleen naar een andere lidstaat als die eieren aan de volgende voorschriften voldoen:

a)

zij zijn afkomstig van een geregistreerde of geconsigneerde inrichting;

b)

zij zijn afkomstig van koppels die in een geregistreerde of geconsigneerde inrichting zijn gehouden;

c)

zij zijn afkomstig van koppels die geen klinische tekenen vertonen of aanleiding geven tot vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

d)

zij voldoen aan de relevante voorschriften met betrekking tot vaccinatie als bedoeld in de artikelen 61 en 62.

Artikel 61

Voorschriften in verband met vaccinatie tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle

Indien in gevangenschap levende vogels, broedeieren van in gevangenschap levende vogels of de koppels van oorsprong van de broedeieren met andere vaccins dan geïnactiveerde vaccins zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle, moeten de toegediende vaccins voldoen aan de criteria van bijlage VI.

Artikel 62

Voorschriften voor verplaatsingen van in gevangenschap levende vogels en broedeieren van in gevangenschap levende vogels naar een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie

Exploitanten verplaatsen in gevangenschap levende vogels van de orde Galliformes en broedeieren van in gevangenschap levende vogels van de orde Galliformes alleen van een lidstaat of zone daarvan die niet de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie heeft naar een lidstaat of een zone daarvan met de status vrij van infectie met het virus van de ziekte van Newcastle zonder vaccinatie, als aan de voorschriften van de artikelen 59 tot en met 61 voor de specifieke producten is voldaan en die dieren en broedeieren aan de volgende voorschriften met betrekking tot infectie met het virus van de ziekte van Newcastle voldoen:

a)

in gevangenschap levende vogels:

i)

zijn niet gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

zijn 14 dagen voor het vertrek geïsoleerd, hetzij in de inrichting van oorsprong onder toezicht van een officiële dierenarts, hetzij in een erkende quarantaine-inrichting, waar:

in de laatste 21 dagen voor het vertrek geen in gevangenschap levende vogels zijn gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

in de laatste 21 dagen voor het vertrek geen andere vogels zijn binnengebracht;

in de quarantaine-inrichting is geen vaccinatie uitgevoerd;

iii)

zijn in de laatste 14 dagen voor het vertrek met negatief resultaat onderworpen aan serologische tests voor de opsporing van antilichamen tegen het virus van de ziekte van Newcastle, uitgevoerd op bloedmonsters om een prevalentie van 5 % met een betrouwbaarheid van 95 % te detecteren;

b)

broedeieren zijn afkomstig van in gevangenschap levende vogels die:

i)

niet gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

ii)

afkomstig zijn van koppels die:

niet gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

of

gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met behulp van geïnactiveerde vaccins;

of

gevaccineerd zijn tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle met behulp van levende vaccins die voldoen aan de criteria van bijlage VI, en die vaccinatie heeft ten minste 30 dagen voor de verzameling van de broedeieren plaatsgevonden.

HOOFDSTUK 6

Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren naar geconsigneerde inrichtingen

Artikel 63

Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren van andere inrichtingen dan geconsigneerde inrichtingen naar een geconsigneerde inrichting

1.   Exploitanten verplaatsen andere gehouden landdieren dan primaten die afkomstig zijn van andere inrichtingen dan geconsigneerde inrichtingen alleen naar een geconsigneerde inrichting als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

de dieren zijn in quarantaine geplaatst gedurende een periode die gepast is voor de ziekten die voor de te verplaatsen diersoorten in de lijst zijn opgenomen, en in elk geval gedurende ten minste 30 dagen, en gedurende die periode:

i)

zijn zij vóór hun verplaatsing in een erkende quarantaine-inrichting of in quarantainevoorzieningen van een andere geconsigneerde inrichting gehouden;

of

ii)

zijn zij na hun verplaatsing in een quarantainevoorziening van de geconsigneerde inrichting van eindbestemming gehouden;

b)

de dieren vertonen op het tijdstip van de verplaatsing geen klinische tekenen of geven geen aanleiding tot vermoedens van voor de diersoort in de lijst opgenomen ziekten;

c)

de dieren voldoen aan de voor de soort relevante identificatievoorschriften zoals vastgesteld in Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035;

d)

de dieren voldoen aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften voor vaccinatie, behandeling of tests die van toepassing zijn op de verplaatsing van de dieren.

2.   Exploitanten verplaatsen gehouden primaten alleen naar een geconsigneerde inrichting die voldoet aan voorschriften die ten minste even streng zijn als die welke worden vermeld in de editie van 2018 van de Gezondheidscode voor landdieren van de Wereldorganisatie voor diergezondheid (OIE), in de artikelen 5.9.1 tot en met 5.9.5 met betrekking tot de quarantainemaatregelen die van toepassing zijn op primaten en in artikel 6.12.4 met betrekking tot de quarantainevoorschriften voor primaten uit een ongecontroleerde omgeving, en voor die verplaatsing is toestemming verleend:

a)

in het geval van verplaatsing binnen een lidstaat, door de bevoegde autoriteit van die lidstaat,

of

b)

in het geval van verplaatsing naar een andere lidstaat, via een overeenkomst tussen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming.

Artikel 64

Voorschriften voor verplaatsingen van gehouden landdieren van geconsigneerde inrichtingen naar geconsigneerde inrichtingen in andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen gehouden landdieren alleen van een geconsigneerde inrichting naar een geconsigneerde inrichting in een andere lidstaat als die dieren op basis van de resultaten van het bewakingsplan voor die dieren geen significant risico vormen op verspreiding van de ziekten waarvoor zij in de lijst zijn opgenomen.

2.   Exploitanten verplaatsen gehouden dieren die behoren tot de families Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Moschidae of Tragulidae alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan die voldoet aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

3.   In afwijking van lid 2 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om dergelijke dieren die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden;

of

b)

zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

HOOFDSTUK 7

Bijzondere regels en vrijstellingen

Artikel 65

Bijzondere regels voor de verplaatsing van reizende circussen en dierennummers naar andere lidstaten

1.   Exploitanten van reizende circussen en dierennummers verplaatsen hun circussen en dierennummers alleen naar een andere lidstaat als aan de volgende voorschriften is voldaan:

a)

zij bezorgen de bevoegde autoriteit van de lidstaat waar het reizende circus of het dierennummer zich bevindt ten minste tien werkdagen voor het vertrek het reisplan voor hun voorgenomen verplaatsing naar een andere lidstaat;

b)

het verplaatsingsdocument zoals bedoeld in artikel 77 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, dat alle te verplaatsen dieren vergezelt, is naar behoren geactualiseerd;

en

i)

het individueel identificatiedocument voor elke te verplaatsen hond, kat en fret zoals bedoeld in artikel 71 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, is naar behoren ingevuld met de in artikel 53, onder b),i) en ii), bedoelde informatie;

ii)

het identificatiedocument voor de te verplaatsen groep gehouden vogels zoals bedoeld in artikel 79 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035, is naar behoren geactualiseerd;

c)

gedurende de laatste twaalf maanden voor het vertrek:

i)

zijn runderen, schapen, geiten, kameelachtigen en hertachtigen met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis;

ii)

zijn runderen, geiten en hertachtigen met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, vermelde diagnostische methoden met negatief resultaat onderworpen aan een test op infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis);

iii)

zijn duiven gevaccineerd tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle;

d)

alle dieren van reizende circussen en dierennummers zijn in de periode van tien werkdagen vóór het vertrek van het reizende circus en het dierennummer door de officiële dierenarts onderzocht en klinisch gezond bevonden met betrekking tot de voor in de lijst opgenomen soorten of categorieën dieren in de lijst opgenomen ziekten.

2.   Exploitanten van reizende circussen en dierennummers verplaatsen gehouden dieren die behoren tot de families Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Moschidae of Tragulidae alleen naar een andere lidstaat of een zone daarvan die voldoet aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

3.   In afwijking van lid 2 kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om dergelijke dieren die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde voorwaarden;

of

b)

zonder ziektevrije status en zonder goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 66

Verplichting van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de verplaatsing van reizende circussen en dierennummers naar andere lidstaten

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong ondertekent en stempelt het in artikel 65, lid 1, onder a), bedoelde reisplan af op voorwaarde dat:

a)

het reizende circus of het dierennummer niet is onderworpen aan beperkende diergezondheidsmaatregelen ten aanzien van een in de lijst opgenomen ziekte voor een diersoort die in het reizende circus of het dierennummer wordt gehouden;

b)

aan de in artikel 65 vastgestelde diergezondheidsvoorschriften is voldaan;

c)

alle identificatiedocumenten die de dieren tijdens de verplaatsing van het reizende circus en het dierennummer vergezellen, naar behoren zijn geactualiseerd en de dieren voldoen aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften voor vaccinatie, behandeling of tests die van toepassing zijn op de verplaatsing van de betrokken diersoorten.

Artikel 67

Voorschriften voor verplaatsingen van in gevangenschap levende vogels die bestemd zijn voor tentoonstellingen

1.   Exploitanten verplaatsen in gevangenschap levende vogels alleen naar een tentoonstelling in een andere lidstaat als de dieren voldoen aan de voorwaarden van artikel 59.

2.   De exploitant van de tentoonstelling, met uitzondering van tentoonstellingen over de jacht met roofvogels, ziet erop toe dat:

a)

het binnenbrengen van dieren in de tentoonstelling beperkt is tot in gevangenschap levende vogels die vooraf zijn geregistreerd voor deelname aan de tentoonstelling;

b)

het binnenbrengen in de tentoonstelling van vogels die afkomstig zijn van inrichtingen die gelegen zijn in de lidstaat waar de tentoonstelling plaatsvindt, de gezondheidsstatus van de vogels die aan de tentoonstelling deelnemen niet in gevaar brengt door

i)

voor alle in gevangenschap levende vogels die aan de tentoonstelling deelnemen dezelfde gezondheidsstatus te vereisen;

of

ii)

de in gevangenschap levende vogels die afkomstig zijn van de lidstaat waar de tentoonstelling plaatsvindt in aparte gebouwen of uitloopruimten te houden, gescheiden van de in gevangenschap levende vogels die afkomstig zijn van andere lidstaten;

c)

een dierenarts

i)

overeenstemmingscontroles uitvoert op de in gevangenschap levende vogels die aan de tentoonstelling deelnemen voordat zij de tentoonstelling binnenkomen;

ii)

de klinische toestand van de vogels bij binnenkomst en tijdens de tentoonstelling controleert.

3.   De exploitanten zien erop toe dat in gevangenschap levende vogels die overeenkomstig de leden 1 en 2 naar een tentoonstelling worden verplaatst, alleen van dergelijke tentoonstellingen naar een andere lidstaat worden verplaatst als zij aan een van de volgende voorschriften voldoen:

a)

de dieren gaan vergezeld van een diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 81;

of

b)

andere in gevangenschap levende vogels dan roofvogels die hebben deelgenomen aan een tentoonstelling over de jacht met roofvogels gaan vergezeld van een door de in lid 2, onder c), bedoelde dierenarts afgegeven verklaring dat de in het oorspronkelijke diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 81 bevestigde gezondheidsstatus van de vogels niet in gevaar is gebracht tijdens de tentoonstelling, met in de bijlage het geldige originele diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 81, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong voor de verplaatsing van de in gevangenschap levende vogels naar de tentoonstelling;

of

c)

roofvogels die hebben deelgenomen aan een tentoonstelling over de jacht met roofvogels gaan vergezeld van het geldige originele diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 81, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong voor de verplaatsing van de roofvogels naar de tentoonstelling over de jacht met roofvogels, mits zij terug worden verplaatst naar de lidstaat van oorsprong.

4.   De in lid 2, onder c), bedoelde dierenarts geeft de in lid 3, onder b), bedoelde verklaring alleen af mits:

a)

de dieren terug naar de lidstaat van oorsprong worden verplaatst;

b)

de nodige regelingen zijn getroffen om de voorgenomen verplaatsing van de in gevangenschap levende vogels naar de lidstaat van oorsprong te voltooien binnen de geldigheidsduur van het oorspronkelijke diergezondheidscertificaat overeenkomstig artikel 81, afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong voor de verplaatsing van de in gevangenschap levende vogels naar de tentoonstelling;

c)

aan de voorwaarden van lid 2, onder b), is voldaan.

Artikel 68

Specifieke voorschriften voor verplaatsingen van wedstrijdduiven naar sportevenementen in een andere lidstaat

Exploitanten verplaatsen wedstrijdduiven alleen naar sportevenementen in een andere lidstaat als die dieren voldoen aan de voorwaarden van artikel 59.

HOOFDSTUK 8

Diergezondheidscertificaten en kennisgeving van verplaatsingen

Afdeling 1

Voorschriften inzake diergezondheidscertificering

Artikel 69

Afwijking voor verplaatsingen van gehouden paardachtigen naar andere lidstaten

De in artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde voorschriften inzake diergezondheidscertificering zijn niet van toepassing op de verplaatsing van geregistreerde paardachtigen naar een andere lidstaat, mits:

a)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong de afwijking heeft toegestaan;

b)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in de punten c) en d) vermelde voorwaarden;

c)

paardachtigen die op het respectieve grondgebied van de lidstaat van oorsprong en van de lidstaat van bestemming worden gehouden en verplaatst, ten minste aan de diergezondheidsvoorschriften voor de verplaatsing van gehouden paardachtigen naar andere lidstaten voldoen, en met name aan de in artikel 22 vastgestelde aanvullende diergezondheidsvoorschriften;

d)

de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong en de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming over systemen beschikken om de traceerbaarheid van gehouden paardachtigen die onder de in dit artikel gestelde voorwaarden worden verplaatst, te waarborgen.

Artikel 70

Afwijking voor verplaatsingen van landdieren van reizende circussen en dierennummers naar andere lidstaten

De in artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 vastgestelde voorschriften inzake diergezondheidscertificering zijn niet van toepassing op de verplaatsing van landdieren van reizende circussen en dierennummers naar een andere lidstaat.

Artikel 71

Diergezondheidscertificaten voor bepaalde gehouden landdieren

1.   Exploitanten verplaatsen in gevangenschap levende vogels, honingbijen, hommels met uitzondering van hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen, primaten, honden, katten, fretten of andere carnivoren alleen naar een andere lidstaat als zij vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong.

2.   In afwijking van lid 1 mogen exploitanten in gevangenschap levende vogels van tentoonstellingen terug naar de lidstaat van oorsprong van de vogels verplaatsen overeenkomstig artikel 67, lid 3.

3.   In afwijking van lid 1 mag het diergezondheidscertificaat dat door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong is afgegeven voor de verplaatsing van roofvogels van de inrichting in de lidstaat van oorsprong naar een tentoonstelling over de jacht met roofvogels in een andere lidstaat, deze roofvogels tijdens hun terugkeer van die tentoonstelling naar de lidstaat van oorsprong vergezellen, mits de verplaatsing binnen de geldigheidsduur van dat certificaat plaatsvindt.

Artikel 72

Diergezondheidscertificaat voor broedeieren van in gevangenschap levende vogels

Exploitanten verplaatsen broedeieren van in gevangenschap levende vogels alleen naar een andere lidstaat als zij vergezeld gaan van een diergezondheidscertificaat dat is afgegeven door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong.

Afdeling 2

Inhoud van de diergezondheidscertificaten voor gehouden landdieren en broedeieren

Artikel 73

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor gehouden runderen

1.   Het diergezondheidscertificaat voor gehouden runderen met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gehouden runderen, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 10 is voldaan en, in voorkomend geval, aan die van de artikelen 11, 12 en 13.

2.   Het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 afgegeven diergezondheidscertificaat voor gehouden runderen die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis in een andere lidstaat worden verplaatst om daar onmiddellijk te worden geslacht, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 14 is voldaan.

Artikel 74

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor gehouden schapen en geiten

1.   Het diergezondheidscertificaat voor gehouden schapen en geiten met uitzondering van de in de leden 2 en 3 bedoelde gehouden schapen en geiten, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van:

a)

artikel 15, leden 1 en 2, wat schapen met uitzondering van niet-gecastreerde mannelijke schapen betreft;

b)

artikel 15, leden 1 en 3, wat geiten betreft;

c)

artikel 15, leden 1, 2 en 4, wat niet-gecastreerde mannelijke schapen betreft;

d)

artikel 17, in voorkomend geval.

2.   Het overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong afgegeven diergezondheidscertificaat voor gehouden schapen en geiten die worden verplaatst naar een andere lidstaat of zone daarvan met een erkend uitroeiingsprogramma voor infectie met Brucella abortus, B.melitensis en B. suis, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van:

a)

artikel 15, lid 1, onder a), b) en d) tot en met h);

b)

artikel 15, lid 1, onder c), of artikel 16;

c)

artikel 17, in voorkomend geval.

3.   Het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 afgegeven diergezondheidscertificaat voor gehouden schapen en geiten die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis in een andere lidstaat worden verplaatst om daar onmiddellijk te worden geslacht, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 18 is voldaan.

Artikel 75

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor gehouden varkens

1.   Het diergezondheidscertificaat voor gehouden varkens met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gehouden varkens, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 19 is voldaan en, in voorkomend geval, aan die van artikel 20.

2.   Het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 afgegeven diergezondheidscertificaat voor gehouden varkens die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis in een andere lidstaat worden verplaatst om daar onmiddellijk te worden geslacht, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 21 is voldaan.

Artikel 76

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor gehouden paardachtigen

1.   Het diergezondheidscertificaat voor gehouden paardachtigen, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 22.

2.   Het in lid 1 bedoelde diergezondheidscertificaat

a)

wordt afgegeven voor een individuele paardachtige;

of

b)

kan worden afgegeven voor een zending paardachtigen die

i)

rechtstreeks naar een andere lidstaat worden verzonden zonder te zijn onderworpen aan verzameling;

of

ii)

rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis voor onmiddellijke slacht in een andere lidstaat worden vervoerd.

Artikel 77

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor gehouden kameelachtigen

1.   Het diergezondheidscertificaat voor gehouden kameelachtigen met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gehouden kameelachtigen, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 23 is voldaan en, in voorkomend geval, aan die van artikel 24.

2.   Het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 afgegeven diergezondheidscertificaat voor gehouden kameelachtigen die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis in een andere lidstaat worden verplaatst om daar onmiddellijk te worden geslacht, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 25 is voldaan.

Artikel 78

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor gehouden hertachtigen

1.   Het diergezondheidscertificaat voor gehouden hertachtigen met uitzondering van de in lid 2 bedoelde gehouden hertachtigen, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 26 is voldaan en, in voorkomend geval, aan die van artikel 27.

2.   Het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 afgegeven diergezondheidscertificaat voor gehouden hertachtigen die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis in een andere lidstaat worden verplaatst om daar onmiddellijk te worden geslacht, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 28 is voldaan.

Artikel 79

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor andere gehouden hoefdieren

1.   Het diergezondheidscertificaat voor andere gehouden hoefdieren met uitzondering van de in lid 2 bedoelde andere gehouden hoefdieren, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 29 is voldaan en, in voorkomend geval, aan die van artikel 30.

2.   Het door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 afgegeven diergezondheidscertificaat voor andere gehouden hoefdieren die rechtstreeks of na verzameling naar een slachthuis in een andere lidstaat worden verplaatst om daar onmiddellijk te worden geslacht, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 31 is voldaan.

Artikel 80

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor pluimvee

Het diergezondheidscertificaat voor pluimvee, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van:

a)

artikel 34 wat fokpluimvee en gebruikspluimvee betreft, en, indien van toepassing voor de specifieke categorie pluimvee, de artikelen 41 en 42;

b)

artikel 35 wat pluimvee bestemd voor de slacht betreft, en, indien van toepassing voor de specifieke categorie pluimvee, de artikelen 41 en 42;

c)

artikel 36 wat eendagskuikens betreft, en, indien van toepassing voor de specifieke categorie pluimvee, de artikelen 41 en 42;

d)

artikel 37 wat minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels betreft, en, indien van toepassing voor de specifieke categorie pluimvee, de artikelen 41 en 42.

Artikel 81

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor in gevangenschap levende vogels

1.   Het diergezondheidscertificaat voor in gevangenschap levende vogels, met uitzondering van die welke bedoeld zijn in de leden 2 en 3, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 59 en, indien van toepassing voor de specifieke categorie vogels, die van de artikelen 61 en 62 is voldaan.

2.   Het diergezondheidscertificaat voor in gevangenschap levende vogels die bestemd zijn voor tentoonstellingen, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 67, lid 1, is voldaan.

3.   Het diergezondheidscertificaat voor wedstrijdduiven, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 68.

Artikel 82

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor broedeieren van pluimvee

Het diergezondheidscertificaat voor broedeieren van pluimvee, dat overeenkomstig artikel 161, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 2, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van:

a)

artikel 38 wat broedeieren van pluimvee met uitzondering van de onder b) en c), bedoelde broedeieren betreft, en, indien van toepassing voor de specifieke categorie eieren, de artikelen 41 en 42;

b)

artikel 39 wat minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels betreft, en, indien van toepassing voor de specifieke categorie eieren, de artikelen 41 en 42;

c)

artikel 40, wat eieren van pluimvee die vrij zijn van specifieke pathogenen betreft.

Artikel 83

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor broedeieren van in gevangenschap levende vogels

Het diergezondheidscertificaat voor broedeieren van in gevangenschap levende vogels, dat overeenkomstig artikel 72 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 2, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 60 en, indien van toepassing voor de specifieke categorie eieren, die van de artikelen 61 en 62 is voldaan.

Artikel 84

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor honingbijen en hommels

1.   Het diergezondheidscertificaat voor honingbijen, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 48 en, indien van toepassing, die van de artikelen 49 en 50.

2.   Het diergezondheidscertificaat voor hommels met uitzondering van hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 51.

Artikel 85

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor primaten

Het diergezondheidscertificaat voor primaten, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 47.

Artikel 86

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor honden, katten en fretten

1.   Het diergezondheidscertificaat voor honden, katten en fretten met uitzondering van de in lid 2 bedoelde honden, katten en fretten, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 53 is voldaan en, in voorkomend geval, aan die van artikel 54.

2.   Het diergezondheidscertificaat voor als gezelschapsdier gehouden honden, katten en fretten dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie, een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 55 en, in voorkomend geval, van artikel 56, en een link naar het identificatiedocument bedoeld in artikel 71 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035.

Artikel 87

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor andere carnivoren

Het diergezondheidscertificaat voor andere carnivoren, dat overeenkomstig artikel 71, lid 1, door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 58.

Artikel 88

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor landdieren die van een geconsigneerde inrichting naar een geconsigneerde inrichting in een andere lidstaat worden verplaatst

Het diergezondheidscertificaat voor landdieren die van een geconsigneerde inrichting naar een geconsigneerde inrichting in een andere lidstaat worden verplaatst, dat overeenkomstig artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 of artikel 71, lid 1, van deze verordening door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, deel 1, punt 1, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat is voldaan aan de voorschriften van artikel 64.

Afdeling 3

Voorschriften inzake diergezondheidscertificering voor specifieke soorten verplaatsingen van gehouden landdieren

Artikel 89

Diergezondheidscertificering voor de verplaatsing van hoefdieren en pluimvee via inrichtingen die verzamelingen uitvoeren

De bevoegde autoriteit geeft het in de artikelen 73 tot en met 80 bedoelde diergezondheidscertificaat voor de verplaatsing naar een andere lidstaat van aan verzameling onderworpen hoefdieren en pluimvee als volgt af:

a)

de in artikel 91, lid 1, bedoelde documentencontroles, overeenstemmingscontroles, materiële controles en onderzoeken worden vóór de afgifte van het eerste diergezondheidscertificaat als bedoeld in de artikelen 73 tot en met 80 verricht

i)

in de inrichting van oorsprong, indien de dieren bestemd zijn voor

rechtstreekse verplaatsing naar een inrichting die in de lidstaat van doorgang voor het uitvoeren van verzamelingen is erkend;

of

verzameling op een vervoermiddel in de lidstaat van oorsprong om rechtstreeks naar een andere lidstaat te worden verplaatst;

of

ii)

in een voor verzameling erkende inrichting, indien de dieren in de lidstaat van oorsprong zijn verzameld met het oog op verzending naar een andere lidstaat;

of

iii)

in een voor verzameling erkende inrichting in een lidstaat van doorgang, indien de dieren aan verzameling in een dergelijke lidstaat zijn onderworpen;

b)

het in de artikelen 73 tot en met 80 bedoelde diergezondheidscertificaat is ingevuld op basis van officiële informatie:

i)

die beschikbaar is voor de certificerende officiële dierenarts die de onder a), i) en ii), bedoelde controles en onderzoeken heeft verricht in de lidstaat van oorsprong;

of

ii)

die vermeld is in het eerste of tweede diergezondheidscertificaat zoals bedoeld in de artikelen 73 tot en met 80, dat beschikbaar is voor de certificerende officiële dierenarts die de onder a), iii), bedoelde controles en onderzoeken heeft verricht in de lidstaat van doorgang, indien een of meer lidstaten van doorgang zijn bezocht.

Artikel 90

Diergezondheidscertificering van voor de uitvoer naar derde landen bestemde gehouden hoefdieren en pluimvee tijdens hun verplaatsing vanuit de lidstaat van oorsprong over het grondgebied van andere lidstaten naar de buitengrens van de Unie

Exploitanten zien erop toe dat voor uitvoer naar een derde land bestemd(e) gehouden hoefdieren of pluimvee die/dat door een andere lidstaat naar de buitengrens van de Unie worden/wordt vervoerd, vergezeld gaan/gaat van gezondheidscertificaten waarin wordt gecertificeerd dat:

i)

de dieren ten minste voldoen aan de voorschriften van dit hoofdstuk voor de verplaatsing van gehouden hoefdieren of pluimvee bestemd voor de slacht in de lidstaat waar het punt van uitgang zich bevindt;

en

ii)

dieren van voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) in de lijst opgenomen soorten ten minste aan artikel 33 voldoen wanneer het punt van uitgang zich bevindt in een lidstaat of een zone daarvan met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24).

Afdeling 4

Regels met betrekking tot de verantwoordelijkheid van de voor de diergezondheidscertificering bevoegde autoriteit

Artikel 91

Verantwoordelijkheid van de voor de diergezondheidscertificering bevoegde autoriteit

1.   Vóór de officiële dierenarts een diergezondheidscertificaat ondertekent, moet deze de volgende soorten documentencontroles, overeenstemmingscontroles, materiële controles en onderzoeken uitvoeren om na te gaan of aan de voorschriften is voldaan:

a)

wat gehouden hoefdieren betreft, een overeenstemmingscontrole en een klinisch onderzoek van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

b)

wat fokpluimvee, gebruikspluimvee en minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels betreft, een documentencontrole van de bij de inrichting bewaarde gezondheids- en productiegegevens, een overeenstemmingscontrole van de dieren die deel uitmaken van de zending en een klinische inspectie van het koppel van oorsprong en van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

c)

wat pluimvee dat bestemd is voor de slacht betreft, een documentencontrole van de bij de inrichting bewaarde gezondheids- en productiegegevens, een overeenstemmingscontrole van de dieren die deel uitmaken van de zending en een klinische inspectie van het koppel van oorsprong met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

d)

wat eendagskuikens betreft, een documentencontrole van de bij de inrichting van het koppel van oorsprong bewaarde gezondheids- en productiegegevens met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

e)

wat in gevangenschap levende vogels betreft:

i)

een overeenstemmingscontrole van de dieren die deel uitmaken van de zending;

ii)

een documentencontrole van de bij de inrichting bewaarde gezondheids- en productiegegevens en een klinische inspectie van het koppel van oorsprong en van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

f)

wat broedeieren van pluimvee betreft, een documentencontrole van de bij de inrichting van het koppel van oorsprong bewaarde gezondheids- en productiegegevens en, in voorkomend geval, van de in de broederij van verzending bewaarde gegevens, een overeenstemmingscontrole van de broedeieren en

i)

een klinische inspectie van het koppel van oorsprong met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

of

ii)

maandelijkse gezondheidsinspecties van de gezondheidsstatus van het koppel van oorsprong en een evaluatie van de huidige gezondheidsstatus ervan, beoordeeld aan de hand van actuele informatie die door de exploitant is verstrekt;

g)

wat broedeieren van in gevangenschap levende vogels betreft, een documentencontrole van de bij de inrichting bewaarde gezondheids- en productiegegevens, een overeenstemmingscontrole van de broedeieren en een klinische inspectie van het koppel van oorsprong met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

h)

wat honingbijen en hommels betreft, een overeenstemmingscontrole en

i)

een visueel onderzoek van de dieren, hun verpakking en eventueel bijbehorend voeder of ander materiaal met het oog op de opsporing van Amerikaans vuilbroed, Aethina tumida (kleine kastkever) en Tropilaelaps spp. voor honingbijen of Aethina tumida (kleine kastkever) voor hommels;

of

ii)

wat bijenkoninginnen betreft die krachtens de afwijking waarin artikel 49 voorziet, moeten worden gecertificeerd, een documentencontrole van de gegevens over de maandelijkse gezondheidsinspectie tijdens het productieseizoen, een visueel onderzoek van de afzonderlijke kasten met het oog op de controle van het maximumaantal voedsters per kast en een visueel onderzoek van de dieren, de verpakking ervan en eventueel bijbehorend voeder of ander materiaal met het oog op de opsporing van de aanwezigheid van Amerikaans vuilbroed, Aethina tumida (kleine kastkever) en Tropilaelaps spp.;

i)

wat primaten betreft, een documentencontrole van de gezondheidsgegevens, een overeenstemmingscontrole en een klinisch onderzoek of, wanneer dit niet mogelijk is, een klinische inspectie van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

j)

wat honden, katten, fretten en andere carnivoren betreft, een overeenstemmingscontrole en een klinisch onderzoek of, wanneer dit niet mogelijk is, een klinische inspectie van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort;

k)

wat gehouden landdieren betreft die van een geconsigneerde inrichting naar een geconsigneerde inrichting in een andere lidstaat worden verplaatst, een documentencontrole van de gezondheidsgegevens, een overeenstemmingscontrole en een klinisch onderzoek of, wanneer dit niet mogelijk is, een klinische inspectie van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen ziekten die relevant zijn voor de soort.

2.   De officiële dierenarts voert de in lid 1 bedoelde documenten-, overeenstemmings- en materiële controles en onderzoeken uit en geeft het diergezondheidscertificaat af:

a)

wat gehouden hoefdieren behalve paardachtigen betreft, in de laatste 24 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong, of, in voorkomend geval, uit de voor verzameling erkende inrichting;

b)

wat paardachtigen betreft, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong of, wat de in artikel 92, lid 2, bedoelde paardachtigen betreft, op de laatste werkdag voor het vertrek;

c)

wat fokpluimvee, gebruikspluimvee, minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels en in gevangenschap levende vogels betreft, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

d)

wat pluimvee dat bestemd is voor de slacht betreft, in de laatste vijf dagen voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

e)

wat eendagskuikens betreft, in de laatste 24 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

f)

wat broedeieren van pluimvee betreft:

i)

in de laatste 72 uur voor het vertrek van de broedeieren uit de inrichting van oorsprong, in het geval van documentencontroles, overeenstemmingscontroles, klinische inspectie van het koppel van oorsprong en de evaluatie van de huidige gezondheidsstatus ervan, beoordeeld aan de hand van actuele informatie die door de exploitant is verstrekt;

ii)

in de laatste 31 dagen voor het vertrek van de broedeieren uit de inrichting van oorsprong, in het geval van maandelijkse gezondheidsinspecties van het koppel van oorsprong;

g)

wat broedeieren van in gevangenschap levende vogels betreft, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

h)

wat honingbijen en hommels betreft, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong, en wat krachtens een afwijking te certificeren bijenkoninginnen betreft, in de laatste 24 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

i)

wat primaten betreft, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

j)

wat honden, katten, fretten en andere carnivoren betreft, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong;

k)

wat landdieren betreft die uit een geconsigneerde inrichting naar een geconsigneerde inrichting in een andere lidstaat worden verplaatst, in de laatste 48 uur voor het vertrek uit de inrichting van oorsprong.

3.   Het diergezondheidscertificaat is tien dagen geldig vanaf de datum van afgifte, onverminderd de krachtens artikel 92 vastgestelde afwijkingen.

Artikel 92

Afwijking met betrekking tot de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat

1.   In afwijking van artikel 91, lid 3, kan voor het vervoer over binnenwateren/zee van dieren de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat van tien dagen worden verlengd met de duur van de reis over binnenwateren/zee.

2.   Tevens in afwijking van artikel 91, lid 3, is het in artikel 76, lid 2, onder a), bedoelde certificaat voor paardachtigen geldig gedurende 30 dagen, mits:

a)

de te verplaatsen paardachtige vergezeld gaat van zijn in artikel 114, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde unieke, levenslang geldige identificatiedocument waarin een valideringsmerkteken is opgenomen dat voor een periode van ten hoogste vier jaar door de bevoegde autoriteit of door de instantie waaraan deze activiteit is gedelegeerd, is afgegeven en waarmee wordt gedocumenteerd dat het dier gewoonlijk verblijft in een inrichting die door de bevoegde autoriteit is erkend als een inrichting met een laag gezondheidsrisico dankzij frequente diergezondheidsinspecties, aanvullende overeenstemmingscontroles en gezondheidscontroles, alsmede dankzij de afwezigheid van natuurlijke voortplanting in de inrichting, behalve in daarvoor bestemde en gescheiden ruimten;

of

b)

de te verplaatsen geregistreerde paardachtige vergezeld gaat van het in artikel 114, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde unieke, levenslang geldige identificatiedocument waarin een vergunning is opgenomen die voor een periode van ten hoogste vier jaar door de nationale federatie van de Fédération Equestre Internationale voor deelname aan ruiterwedstrijden of door de voor paardenrennen bevoegde instantie voor de deelname aan paardenrennen is afgegeven, en waarmee ten minste twee dierenartsbezoeken per jaar worden gedocumenteerd, met inbegrip van de bezoeken die nodig zijn voor de regelmatige vaccinatie tegen paardengriep en de vereiste onderzoeken voor verplaatsingen naar andere lidstaten of derde landen.

3.   Gedurende de geldigheidsduur volstaat het in lid 2 bedoelde certificaat voor

a)

meerdere binnenkomsten in andere lidstaten;

b)

de terugkeer naar de daarin vermelde inrichting van vertrek.

Afdeling 5

Nadere regels betreffende de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren en broedeieren naar andere lidstaten

Artikel 93

Voorafgaande kennisgeving door exploitanten van de verplaatsing van hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen tussen lidstaten

In het geval van hommels die afkomstig zijn van erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen die naar een andere lidstaat worden verplaatst, stelt de exploitant van de inrichting van oorsprong de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van het vertrek van die hommels.

Artikel 94

Voorafgaande kennisgeving door exploitanten van reizende circussen en dierennummers wanneer zij voornemens zijn gehouden landdieren tussen lidstaten te verplaatsen

In het geval van reizende circussen en dierennummers die naar een andere lidstaat worden verplaatst, stelt de exploitant van die reizende circussen en dierennummers de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong ten minste tien dagen vóór het vertrek van die reizende circussen en dierennummers hiervan in kennis.

Artikel 95

Voorafgaande kennisgeving door exploitanten van verplaatsingen van broedeieren van in gevangenschap levende vogels tussen lidstaten

In het geval van broedeieren van in gevangenschap levende vogels die naar een andere lidstaat worden verplaatst, stelt de exploitant van de inrichting van oorsprong de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong vooraf in kennis van de voorgenomen verplaatsing van die levende producten.

Artikel 96

Informatieverplichting voor exploitanten met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren naar andere lidstaten

De exploitanten die de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van oorsprong in kennis stellen overeenkomstig artikel 152 van Verordening (EU) 2016/429, bezorgen die bevoegde autoriteit voor elke zending gehouden landdieren die naar een andere lidstaat moet worden verplaatst, de informatie bedoeld in:

a)

bijlage VIII, deel 1, punt 1, onder a) tot en met d), wat gehouden landdieren met uitzondering van hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen betreft die naar een andere lidstaat moeten worden verplaatst;

b)

bijlage VIII, deel 2, wat hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen betreft.

Artikel 97

Informatieverplichting voor de bevoegde autoriteit met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van gehouden landdieren naar andere lidstaten

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong die de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming in kennis stelt overeenkomstig artikel 153, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429, verstrekt voor elke zending gehouden landdieren die naar een andere lidstaat moet worden verplaatst, de informatie bedoeld in:

a)

bijlage VIII, deel 1, punt 1, onder a) tot en met d), wat gehouden landdieren met uitzondering van hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen betreft die naar een andere lidstaat moeten worden verplaatst;

b)

bijlage VIII, deel 2, wat hommels uit erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen betreft.

Artikel 98

Kennisgeving van verplaatsingen van broedeieren naar andere lidstaten

De exploitanten die de bevoegde autoriteit in hun lidstaat van oorsprong overeenkomstig artikel 163 van Verordening (EU) 2016/429 en artikel 95 van deze verordening in kennis stellen, bezorgen de bevoegde autoriteit de in bijlage VIII, deel 1, punt 2, onder a) tot en met e), bedoelde informatie voor elke zending broedeieren die naar een andere lidstaat moet worden verplaatst.

Artikel 99

Noodprocedures

Bij stroomonderbrekingen en andere verstoringen van het Imsoc neemt de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong van de gehouden landdieren of broedeieren die naar een andere lidstaat moeten worden verplaatst, de overeenkomstig artikel 134, onder d), van Verordening (EU) 2017/625 vastgestelde noodmaatregelen in acht.

Artikel 100

Aanwijzing van regio’s voor het beheer van kennisgevingen van verplaatsingen

Wanneer de lidstaten regio’s aanwijzen voor het beheer van de in artikel 97 en 98 bedoelde kennisgevingen van verplaatsingen, zien de lidstaten erop toe dat:

a)

alle delen van hun grondgebied onder ten minste één regio vallen;

b)

elke aangewezen regio onder de verantwoordelijkheid van een voor de certificering van de diergezondheid in die regio aangewezen bevoegde autoriteit valt;

c)

de voor de aangewezen regio verantwoordelijke bevoegde autoriteit toegang heeft tot het Imsoc;

d)

het personeel van de bevoegde autoriteit die voor de aangewezen regio verantwoordelijk is, over de nodige bekwaamheid en kennis beschikt en een specifieke opleiding heeft genoten of gelijkwaardige praktische ervaring heeft opgedaan met het gebruik van het Imsoc om de in de artikelen 97 en 98 bedoelde informatie te kunnen produceren, behandelen en verzenden.

DEEL III

VERPLAATSINGEN VAN WILDE LANDDIEREN

Artikel 101

Voorschriften voor de verplaatsing van wilde landdieren naar andere lidstaten

1.   Exploitanten verplaatsen wilde landdieren alleen uit hun habitat van oorsprong door ze rechtstreeks op een vervoermiddel te laden met het oog op overbrenging naar een habitat of een inrichting in een andere lidstaat zonder dat de dieren een inrichting in de lidstaat van oorsprong betreden.

2.   De exploitanten en vervoerders zien erop toe dat de vervoermiddelen die worden gebruikt voor het vervoer van wilde landdieren met uitzondering van honingbijen en hommels:

a)

zo gebouwd zijn dat:

i)

de dieren niet kunnen ontsnappen of uit het vervoermiddel kunnen vallen;

ii)

een visuele inspectie van de dieren op het vervoermiddel mogelijk is;

iii)

het verlies van dierlijke uitwerpselen, gebruikt strooisel of voeder wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

iv)

het ontsnappen van veren van vogels wordt voorkomen of tot een minimum wordt beperkt;

v)

de dieren zo nodig kunnen worden vastgezet of verdoofd kunnen worden vervoerd;

b)

onmiddellijk na elk vervoer van dieren of voorwerpen die een risico voor de diergezondheid inhouden, worden gereinigd en ontsmet en, indien nodig, opnieuw worden ontsmet en in elk geval actief of passief worden gedroogd vóór opnieuw dieren worden geladen.

3.   De exploitanten en vervoerders zien erop toe dat de laadkisten waarin wilde landdieren met uitzondering van honingbijen en hommels worden vervoerd:

a)

voldoen aan de voorwaarden van punt 2, onder a);

b)

alleen wilde dieren bevatten van dezelfde soort en uit dezelfde habitat;

c)

voorzien zijn van een vermelding van de soort en het aantal dieren;

d)

hetzij ongebruikte en speciaal ontworpen laadkisten zijn die bestemd zijn om na het eerste gebruik te worden vernietigd, hetzij na gebruik gereinigd en ontsmet worden en vóór het volgende gebruik actief of passief worden gedroogd.

4.   Exploitanten verplaatsen wilde landdieren alleen van hun habitat van oorsprong naar een habitat of een inrichting in een andere lidstaat wanneer aan de volgende aanvullende voorschriften is voldaan:

a)

de meeste de dieren die deel uitmaken van de zending hebben gedurende ten minste 30 dagen voor het vertrek of, indien zij jonger zijn dan 30 dagen, sedert hun geboorte, in de habitat van oorsprong verbleven en zijn gedurende die periode niet in contact geweest met gehouden dieren met een lagere gezondheidsstatus of waarvoor om diergezondheidsredenen verplaatsingsbeperkingen gelden, of met gehouden dieren die afkomstig zijn van een inrichting die niet aan de onder b) vastgestelde voorschriften voldeed;

b)

dieren die in de laatste 30 dagen voor het vertrek van de in lid 1 bedoelde dieren uit een derde land of gebied de Unie zijn binnengekomen en zijn binnengebracht in een inrichting die zich bevindt in de habitat waar die dieren verbleven, worden gescheiden gehouden om direct en indirect contact met alle andere dieren in die inrichting te voorkomen;

c)

de dieren zijn afkomstig van een habitat waar geen van de volgende ziekten of infecties gedurende de aangegeven periode zijn gemeld:

i)

infectie met het rabiësvirus in de laatste 30 dagen voor het vertrek;

ii)

infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis bij wilde landdieren van voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten in de laatste 42 dagen voor het vertrek;

iii)

infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij wilde landdieren van voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten in de laatste 42 dagen voor het vertrek;

iv)

infectie met het virus van epizoötische hemorragische ziekte bij wilde landdieren van voor die ziekte in de lijst opgenomen soorten in een straal van 150 km in de laatste twee jaar voor het vertrek;

v)

miltvuur bij hoefdieren in de laatste 15 dagen voor het vertrek;

vi)

surra (Trypanosoma evansi) in de laatste 30 dagen voor het vertrek;

d)

wanneer die dieren behoren tot de families Antilocapridae, Bovidae, Camelidae, Cervidae, Giraffidae, Moschidae of Tragulidae, voldoet de habitat van oorsprong aan ten minste één van de voorwaarden ten aanzien van infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24) zoals vastgesteld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689;

e)

voor zover bekend zijn die dieren in de laatste 30 dagen voor het vertrek niet in contact geweest met wilde landdieren die niet voldeden aan de onder c) vermelde voorschriften.

5.   In afwijking van lid 4, onder d), kan de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong toestemming verlenen om wilde landdieren die niet voldoen aan ten minste één van de voorschriften van bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 1 tot en met 3, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 te verplaatsen naar een andere lidstaat of zone daarvan

a)

met ziektevrije status of een goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan onder de in artikel 43, lid 2, van Gedelegeerde Verordening 2020/689 bedoelde voorwaarden;

of

b)

zonder ziektevrije status of goedgekeurd uitroeiingsprogramma voor infectie met het bluetonguevirus (serotypen 1-24), indien de lidstaat van bestemming de Commissie en de andere lidstaten ervan in kennis heeft gesteld dat dergelijke verplaatsingen zijn toegestaan. Als de lidstaat van bestemming voorwaarden verbindt aan de verlening van toestemming voor een dergelijke verplaatsing, moeten dit voorwaarden zijn zoals bedoeld in bijlage V, deel II, hoofdstuk 2, afdeling 1, punten 5 tot en met 8, bij Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689.

Artikel 102

Nadere gegevens over de inhoud van het diergezondheidscertificaat voor wilde landdieren

Het diergezondheidscertificaat voor wilde landdieren, dat overeenkomstig artikel 155, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/429 door de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong wordt afgegeven, bevat de in bijlage VIII, punt 3, bedoelde algemene informatie en een verklaring dat aan de voorschriften van artikel 101, lid 4, en, in voorkomend geval, aan die van artikel 101, lid 5, is voldaan.

Artikel 103

Regels betreffende de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit inzake diergezondheidscertificering voor verplaatsingen van wilde landdieren naar andere lidstaten

1.   Vóór de ondertekening van het in artikel 102 bedoelde diergezondheidscertificaat voor de verplaatsing van wilde landdieren voert de officiële dierenarts de volgende soorten overeenstemmingscontroles en onderzoeken uit:

a)

een onderzoek van de beschikbare informatie waaruit blijkt dat aan de voorschriften van artikel 101, lid 4, is voldaan;

b)

een overeenstemmingscontrole;

c)

een klinisch onderzoek of, wanneer dit niet mogelijk is, een klinische inspectie van de dieren die deel uitmaken van de zending met het oog op de opsporing van klinische tekenen of vermoedens van in de lijst opgenomen of nieuwe ziekten die relevant zijn voor de soort.

2.   In de laatste 24 uur voor het vertrek van de zending uit de habitat voert de officiële dierenarts de in lid 1 bedoelde documenten-, overeenstemmings- en materiële controles en onderzoeken uit en geeft hij het diergezondheidscertificaat af.

3.   Het diergezondheidscertificaat is tien dagen geldig vanaf de datum van afgifte.

4.   In afwijking van lid 3 kan voor het vervoer over binnenwateren/zee van wilde landdieren de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat van tien dagen worden verlengd met de duur van de reis over binnenwateren/zee.

Artikel 104

Voorschriften inzake de voorafgaande kennisgeving door exploitanten van de verplaatsing van wilde landdieren naar andere lidstaten

Andere exploitanten dan vervoerders die wilde landdieren verplaatsen naar een andere lidstaat, stellen de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong ten minste 24 uur voor het vertrek van de zending in kennis van de verplaatsing.

Artikel 105

Verplichting voor de exploitanten met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van wilde landdieren naar andere lidstaten

Ten behoeve van de in artikel 155, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde kennisgeving bezorgen andere exploitanten dan vervoerders die wilde landdieren verplaatsen naar een andere lidstaat, de bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong de in artikel 145, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 en de in bijlage VIII, deel 1, punt 3, onder a) tot en met d), bedoelde informatie over elke zending van die dieren die naar een andere lidstaat moet worden verplaatst.

Artikel 106

Verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit met betrekking tot de kennisgeving van verplaatsingen van wilde landdieren naar andere lidstaten

De bevoegde autoriteit van de lidstaat van oorsprong die de bevoegde autoriteit van de lidstaat van bestemming overeenkomstig artikel 155, lid 1, onder d), van Verordening (EU) 2016/429 van de verplaatsing in kennis stelt, verstrekt voor elke zending wilde landdieren die naar een andere lidstaat moet worden verplaatst, de in bijlage VIII, deel 1, punt 3, onder a) tot en met d), bedoelde informatie.

Artikel 107

Noodprocedures

Bij stroomonderbrekingen en andere verstoringen van het Imsoc neemt de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong van de wilde landdieren de overeenkomstig artikel 134, onder d), van Verordening (EU) 2017/625 vastgestelde noodmaatregelen in acht.

DEEL IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 108

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 21 april 2021.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 december 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 84 van 31.3.2016, blz. 1.

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/1629 van de Commissie van 25 juli 2018 tot wijziging van de lijst van ziekten in bijlage II bij Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad betreffende overdraagbare dierziekten en houdende wijziging en intrekking van bepaalde handelingen op het gebied van diergezondheid (“diergezondheidswetgeving”) (PB L 272 van 31.10.2018, blz. 11).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1882 van de Commissie van 3 december 2018 betreffende de toepassing, op de categorieën in de lijst opgenomen ziekten, van bepaalde regels voor de preventie en bestrijding van ziekten en tot vaststelling van een lijst van soorten en groepen soorten die een aanzienlijk risico vormen in verband met de verspreiding van die ziekten (PB L 308 van 4.12.2018, blz. 21).

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 van de Commissie van 17 december 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor bewaking, uitroeiingsprogramma’s en de ziektevrije status voor bepaalde in de lijst opgenomen ziekten en nieuwe ziekten (zie bladzijde 211 van dit Publicatieblad).

(5)  Richtlijn 64/432/EEG van de Raad van 26 juni 1964 inzake veterinairrechtelijke vraagstukken op het gebied van het intracommunautaire handelsverkeer in runderen en varkens (PB L 121 van 29.7.1964, blz. 1977/64).

(6)  Richtlijn 91/68/EEG van de Raad van 28 januari 1991 inzake veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer in schapen en geiten (PB L 46 van 19.2.1991, blz. 19).

(7)  Richtlijn 2009/156/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het verkeer van paardachtigen en de invoer van paardachtigen uit derde landen (PB L 192 van 23.7.2010, blz. 1).

(8)  Richtlijn 2009/158/EG van de Raad van 30 november 2009 tot vaststelling van veterinairrechtelijke voorschriften voor het intracommunautaire handelsverkeer en de invoer uit derde landen van pluimvee en broedeieren (PB L 343 van 22.12.2009, blz. 74).

(9)  Richtlijn 92/65/EEG van de Raad van 13 juli 1992 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het handelsverkeer en de invoer in de Gemeenschap van dieren, sperma, eicellen en embryo’s waarvoor ten aanzien van de veterinairrechtelijke voorschriften geen specifieke communautaire regelgeving als bedoeld in bijlage A, onder I, van Richtlijn 90/425/EEG geldt (PB L 268 van 14.9.1992, blz. 54).

(10)  Verordening (EG) nr. 1739/2005 van de Commissie van 21 oktober 2005 tot vaststelling van de veterinairrechtelijke voorschriften voor het vervoer van circusdieren tussen de lidstaten (PB L 279 van 22.10.2005, blz. 47).

(11)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2035 van de Commissie van 28 juni 2019 tot aanvulling van Verordening (EU) 2016/429 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft regels voor inrichtingen waar landdieren worden gehouden en broederijen, alsmede voor de traceerbaarheid van bepaalde gehouden landdieren en broedeieren (PB L 314 van 5.12.2019, blz. 115).

(12)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(13)  Beschikking 2003/24/EG van de Commissie van 30 december 2002 met betrekking tot de invoering van een geïntegreerd veterinair computersysteem (PB L 8 van 14.1.2003, blz. 44).

(14)  Beschikking 2004/292/EG van de Commissie van 30 maart 2004 betreffende de toepassing van het Traces-systeem en tot wijziging van Beschikking 92/486/EEG (PB L 94 van 31.3.2004, blz. 63).

(15)  Verordening (EU) 2017/625 van het Europees Parlement en de Raad van 15 maart 2017 betreffende officiële controles en andere officiële activiteiten die worden uitgevoerd om de toepassing van de levensmiddelen- en diervoederwetgeving en van de voorschriften inzake diergezondheid, dierenwelzijn, plantgezondheid en gewasbeschermingsmiddelen te waarborgen, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 999/2001, (EG) nr. 396/2005, (EG) nr. 1069/2009, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 1151/2012, (EU) nr. 652/2014, (EU) 2016/429 en (EU) 2016/2031 van het Europees Parlement en de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 1/2005 en (EG) nr. 1099/2009 van de Raad en de Richtlijnen 98/58/EG, 1999/74/EG, 2007/43/EG, 2008/119/EG en 2008/120/EG van de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 854/2004 en (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad, de Richtlijnen 89/608/EEG, 89/662/EEG, 90/425/EEG, 91/496/EEG, 96/23/EG, 96/93/EG en 97/78/EG van de Raad en Besluit 92/438/EEG van de Raad (verordening officiële controles) (PB L 95 van 7.4.2017, blz. 1).

(16)  http://www.edqm.eu (meest recente uitgave).

(17)  Verordening (EU) nr. 142/2011 van de Commissie van 25 februari 2011 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 1069/2009 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van gezondheidsvoorschriften inzake niet voor menselijke consumptie bestemde dierlijke bijproducten en afgeleide producten en tot uitvoering van Richtlijn 97/78/EG van de Raad wat betreft bepaalde monsters en producten die vrijgesteld zijn van veterinaire controles aan de grens krachtens die richtlijn (PB L 54 van 26.2.2011, blz. 1).


BIJLAGE I

DIAGNOSTISCHE METHODEN

Deel 1

Infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis

1.

Serologische tests voor runderen, schapen, geiten en kameelachtigen:

a)

gebufferde Brucella-antigeentest;

b)

complementbindingsreactie (CBR);

c)

indirecte enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (I-Elisa);

d)

fluorescentiepolarisatietest (FPA);

e)

competitieve enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (C-Elisa).

2.

Serologische tests voor varkens:

a)

gebufferde Brucella-antigeentest;

b)

complementbindingsreactie (CBR);

c)

indirecte enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (I-Elisa);

d)

fluorescentiepolarisatietest (FPA);

e)

competitieve enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (C-Elisa).

3.

Huidtest voor brucelline (BST) voor schapen, geiten en varkens.

Deel 2

Infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis)

1.

Tuberculinetests:

a)

enkelvoudige intradermale tuberculinetest (SITT);

b)

vergelijkende intradermale tuberculinetest (CITT).

2.

Voor bloedmonsters beschikbare tests:

a)

gamma-interferontest.

Deel 3

Surra (Trypanosoma evansi)

Serologische tests:

a)

enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (Elisa) voor trypanosomiasis;

b)

agglutinatietest voor trypanosomiasis (CATT) bij een serumverdunning van 1:4.

Deel 4

Enzoötische boviene leukose

Serologische tests:

a)

tests voor bloedmonsters:

i)

agargel-immunodiffusietest (AGID);

ii)

blocking enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (B-Elisa);

iii)

indirecte enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (I-Elisa);

b)

tests voor melkmonsters:

i)

indirecte enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (I-Elisa).

Deel 5

Infectieuze boviene rinotracheïtis/infectieuze pustuleuze vulvovaginitis

 

Methoden

Niet-gevaccineerde runderen

BoHV-1 I-Elisa (1)

gB-B-Elisa (2)

Met een gE-negatief vaccin gevaccineerde runderen

gE-B-Elisa (3)

Deel 6

Boviene virusdiarree

1.

Directe methoden:

a)

realtime reverse transcriptase-polymerasekettingreactie (realtime RT-PCR);

b)

enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (Elisa) voor de detectie van antigenen van boviene virusdiarree (BVDV).

2.

Serologische tests:

a)

indirecte enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (I-Elisa);

b)

blocking enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (B-Elisa).

Deel 7

Infectie met het virus van de ziekte van Aujeszky

 

Methoden

Varkens

Elisa voor het virus van de ziekte van Aujeszky (ADV) (4)

Varkens die jonger zijn dan vier maanden en nakomelingen zijn van moederdieren die zijn gevaccineerd door middel van een gE-negatief vaccin

gE-Elisa (5)

Deel 8

Dourine

Complementbindingsreactie voor dourine bij een serumverdunning van 1:5.

Deel 9

Infectieuze anemie bij paarden

Serologische tests:

a)

agargel-immunodiffusietest (AGID);

b)

enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (Elisa) voor infectieuze anemie bij paarden.

Deel 10

Venezolaanse paardenencefalomyelitis

1.

Serologische tests:

a)

virusisolatietest voor Venezolaanse paardenencefalomyelitis;

b)

hemagglutinatie-inhibitietest voor Venezolaanse paardenencefalomyelitis.

2.

Directe methode:

reverse transcriptase-polymerasekettingreactie (RT-PCR) voor de detectie van het genoom van het virus van Venezolaanse paardenencefalomyelitis.


(1)  Enzymgekoppelde immuunadsorbent-techniek (Elisa) voor de detectie van antilichamen tegen het volledige BoHV-1-virus.

(2)  Elisa voor de detectie van antilichamen tegen het BoHV-1-gB-eiwit. Deze methode mag ook worden toegepast indien gerefereerd wordt aan tests voor de detectie van antilichamen tegen volledig BoHV-1.

(3)  Elisa voor de detectie van antilichamen tegen het BoHV-1-gE-eiwit.

(4)  ELISA voor de detectie van antilichamen tegen het volledige ADV, het ADV-gB-eiwit of het ADV-gD-eiwit. Bij de controle van de gehele batch van ADV-gB- en ADV-gD- of volledig-ADV-testkits moet met het communautaire referentieserum ADV 1, of afgeleide normen, een positief resultaat worden verkregen bij een verdunning van 1:2.

(5)  Elisa voor de detectie van antilichamen tegen het ADV-gE-eiwit. Bij de controle van de gehele batch moet met het communautaire referentieserum ADV 1, of afgeleide normen, een positief resultaat worden verkregen bij een verdunning van 1:8.


BIJLAGE II

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOORAFGAAND AAN VERPLAATSINGEN WAT INFECTIE MET HET MYCOBACTERIUM TUBERCULOSIS-COMPLEX (M. BOVIS, M. CAPRAE EN M. TUBERCULOSIS) BIJ GEITEN, KAMEELACHTIGEN EN HERTACHTIGEN BETREFT

Deel 1

Minimumvoorschriften voor een aan verplaatsingen voorafgaand programma wat infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij geiten betreft

1.

Het aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma voor de detectie van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) dat in een inrichting wordt uitgevoerd met het oog op de verplaatsing van gehouden geiten naar een andere lidstaat zoals bedoeld in artikel 15, lid 3, moet ten minste de volgende stappen omvatten:

a)

een post-mortemkeuring van alle geslachte geiten afkomstig van de inrichting;

b)

een post-mortemonderzoek van alle gestorven geiten ouder dan negen maanden, tenzij dit om logistieke redenen onmogelijk of om wetenschappelijke redenen niet noodzakelijk is;

c)

een jaarlijkse diergezondheidsinspectie door een dierenarts;

d)

een jaarlijkse test met negatief resultaat van alle geiten in de inrichting die voor fokdoeleinden worden gehouden.

2.

In afwijking van lid 1 is de in punt 1, onder d), bedoelde jaarlijkse test niet vereist indien de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling van oordeel is dat het risico op besmetting in de lidstaat of zone verwaarloosbaar is, en mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de inrichting wordt het in lid 1 bedoelde aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma sinds ten minste 24 maanden uitgevoerd, en tijdens die periode is bij in de inrichting gehouden geiten geen infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) gemeld;

b)

de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan waarvan de runderpopulatie vrij is van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis).

3.

Als infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden geiten is gemeld, mogen die dieren alleen naar een andere lidstaat worden verplaatst wanneer alle in de inrichting gehouden geiten die ouder zijn dan zes weken met negatief resultaat zijn getest. Die tests worden uitgevoerd op monsters die ten vroegste 42 dagen na de verwijdering van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat met gebruikmaking van een diagnostische methode met positief resultaat is getest, zijn genomen.

Deel 2

Minimumvoorschriften voor een aan verplaatsingen voorafgaand programma wat infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij kameelachtigen betreft

1.

Het aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma voor de detectie van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) dat in een inrichting wordt uitgevoerd met het oog op de verplaatsing van gehouden kameelachtigen naar een andere lidstaat zoals bedoeld in artikel 23, lid 1, onder e), moet ten minste de volgende stappen omvatten:

a)

een post-mortemkeuring van alle geslachte kameelachtigen afkomstig van de inrichting;

b)

een post-mortemonderzoek van alle gestorven kameelachtigen ouder dan negen maanden, tenzij dit om logistieke redenen onmogelijk is of om wetenschappelijke redenen niet noodzakelijk is;

c)

een jaarlijkse diergezondheidsinspectie door een dierenarts;

d)

een jaarlijkse test met negatief resultaat van alle kameelachtigen in de inrichting die voor fokdoeleinden worden gehouden.

2.

In afwijking van lid 1 is de in punt 1, onder d), bedoelde jaarlijkse test niet vereist indien de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling van oordeel is dat het risico op besmetting in de lidstaat of zone verwaarloosbaar is, en mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de inrichting wordt het in lid 1 bedoelde aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma sinds ten minste 24 maanden uitgevoerd, en tijdens die periode is bij in de inrichting gehouden kameelachtigen geen infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) gemeld;

b)

de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan waarvan de runderpopulatie vrij is van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis).

3.

Als infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden kameelachtigen is gemeld, mogen die dieren alleen naar een andere lidstaat worden verplaatst wanneer alle in de inrichting gehouden kameelachtigen die ouder zijn dan zes weken met negatief resultaat zijn getest. Die tests worden uitgevoerd op bloedmonsters die ten vroegste 42 dagen na de verwijdering van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat met gebruikmaking van een diagnostische methode met positief resultaat is getest, zijn genomen.

Deel 3

Minimumvoorschriften voor een aan verplaatsingen voorafgaand programma wat infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) bij hertachtigen betreft

1.

Het aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma voor de detectie van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) dat in een inrichting wordt uitgevoerd met het oog op de verplaatsing van gehouden hertachtigen naar een andere lidstaat zoals bedoeld in artikel 26, lid 1, onder e), moet ten minste de volgende stappen omvatten:

a)

een post-mortemkeuring van alle geslachte hertachtigen afkomstig van de inrichting;

b)

een post-mortemonderzoek van alle gestorven hertachtigen ouder dan negen maanden, tenzij dit om logistieke redenen onmogelijk is of om wetenschappelijke redenen niet noodzakelijk is;

c)

een jaarlijkse diergezondheidsinspectie door een dierenarts;

d)

een jaarlijkse test met negatief resultaat van hertachtigen in de inrichting die voor fokdoeleinden worden gehouden.

2.

In afwijking van lid 1 is de in punt 1, onder d), bedoelde jaarlijkse test niet vereist indien de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling van oordeel is dat het risico op besmetting in de lidstaat of zone verwaarloosbaar is, en mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de inrichting wordt het in lid 1 bedoelde aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma sinds ten minste 24 maanden uitgevoerd, en tijdens die periode is bij in de inrichting gehouden hertachtigen geen infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis) gemeld;

b)

de inrichting bevindt zich in een lidstaat of een zone daarvan waarvan de runderpopulatie vrij is van infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis).

3.

Als infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M caprae en M. tuberculosis) bij in de inrichting gehouden hertachtigen is gemeld, mogen die dieren alleen naar een andere lidstaat worden verplaatst wanneer alle in de inrichting gehouden hertachtigen die ouder zijn dan zes weken op twee tijdstippen met een tussenpoos van ten minste zes maanden met negatief resultaat zijn getest op infectie met het Mycobacterium tuberculosis-complex (M. bovis, M. caprae en M. tuberculosis). De eerste test wordt ten vroegste zes maanden na de verwijdering van het laatste bevestigde geval en van het laatste dier dat met gebruikmaking van een diagnostische methode met positief resultaat is getest, uitgevoerd op hertachtigen of op monsters die bij hertachtigen zijn genomen.

BIJLAGE III

MINIMUMVOORSCHRIFTEN VOORAFGAAND AAN VERPLAATSINGEN WAT INFECTIE MET BRUCELLA ABORTUS, B. MELITENSIS EN B. SUIS BIJ VARKENS BETREFT

1.

Het aan verplaatsingen voorafgaand bewakingsprogramma voor de detectie van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis dat in een inrichting wordt uitgevoerd met het oog op de verplaatsing van gehouden varkens naar een andere lidstaat zoals bedoeld in artikel 19, lid 1, onder f), ii), moet ten minste de volgende stappen omvatten:

a)

een jaarlijkse diergezondheidsinspectie door een dierenarts;

b)

als varkens voor fokdoeleinden in de inrichting worden gehouden, een jaarlijks immunologisch onderzoek van de varkenspopulatie van die inrichting, met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, punt 2, vermelde diagnostische methoden, waarmee bij een doelprevalentie van 10 % de afwezigheid van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis met een betrouwbaarheid van ten minste 95 % kan worden aangetoond.

2.

In afwijking van punt 1 is de in punt 1, onder a), bedoelde diergezondheidsinspectie en het in punt 1, onder b), bedoelde onderzoek niet vereist indien de bevoegde autoriteit op basis van een risicobeoordeling van oordeel is dat het risico op infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in de lidstaat of zone daarvan verwaarloosbaar is, en mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

in de laatste vijf jaar is geen infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in de populatie gehouden varkens gemeld;

b)

in de laatste vijf jaar is geen infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis in de populatie wilde dieren van in de lijst opgenomen soorten gemeld, en in die periode maakten wilde zwijnen deel uit van de beoogde dierenpopulatie voor de in artikel 4 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2020/689 bedoelde bewaking;

c)

de runder- schapen- en geitenpopulatie van de lidstaat of zone daarvan is vrij van infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis.

3.

Als bij in de inrichting gehouden varkens infectie met Brucella abortus, B. melitensis en B. suis is gemeld, mogen die dieren alleen naar een andere lidstaat worden overgebracht als alle in de inrichting gehouden varkens op twee tijdstippen met negatief resultaat aan een test zijn onderworpen. De eerste test wordt uitgevoerd op monsters die ten vroegste drie maanden na de verwijdering van de besmette dieren en van de dieren die met gebruikmaking van een van de in bijlage I, deel 1, punt 2, bedoelde diagnostische methoden met positief resultaat zijn getest, zijn genomen. De tweede test wordt uitgevoerd op monsters die ten vroegste zes maanden en ten laatste twaalf maanden na de eerste test zijn genomen.

BIJLAGE IV

TESTEN VAN EENDEN EN GANZEN OP HOOGPATHOGENE AVIAIRE INFLUENZA

Tijdens de week die voorafgaat aan het tijdstip van lading met het oog op verzending moeten de eenden en ganzen met gebruikmaking van een virologische test met negatief resultaat zijn getest op hoogpathogene aviaire influenza, hetzij door middel van virusisolatie, hetzij door middel van moleculaire tests, waarmee met een betrouwbaarheid van 95 % een besmettingsprevalentie van 5 % kan worden gedetecteerd.


BIJLAGE V

VOORSCHRIFTEN VOOR HET TESTEN VAN ZENDINGEN VAN MINDER DAN 20 STUKS ANDER PLUIMVEE DAN LOOPVOGELS OF VAN MINDER DAN 20 BROEDEIEREN VAN ANDER PLUIMVEE DAN LOOPVOGELS

1.

Zendingen van minder dan 20 stuks ander pluimvee dan loopvogels of van minder dan 20 broedeieren van ander pluimvee dan loopvogels moeten ten aanzien van de desbetreffende in de lijst opgenomen soorten overeenkomstig punt 2 met negatief resultaat getest zijn op de volgende ziekteverwekkers:

a)

infectie met Salmonella Pullorum, S. Gallinarum en S. arizonae;

b)

aviaire mycoplasmose (Mycoplasma gallisepticum en M. meleagridis).

2.

Tests:

a)

fokpluimvee, gebruikspluimvee en pluimvee bestemd voor de slacht moet uiterlijk 21 dagen voor het tijdstip van het laden met het oog op verzending met gebruikmaking van serologische en/of bacteriologische tests met negatief resultaat getest zijn op de in punt 1 vermelde ziekten;

b)

voor broedeieren en eendagskuikens moet het koppel van oorsprong uiterlijk 21 dagen voor het tijdstip van het laden met het oog op verzending met gebruikmaking van serologische en/of bacteriologische tests met een betrouwbaarheid van 95 % bij een besmettingsprevalentie van 5 % met negatief resultaat zijn getest op de in punt 1 vermelde ziekten;

c)

als de dieren zijn gevaccineerd tegen infectie met een serotype van salmonella of mycoplasma, mogen alleen bacteriologische tests worden gebruikt. De bevestigingsmethode moet een onderscheid kunnen maken tussen levende vaccinstammen en veldstammen.


BIJLAGE VI

CRITERIA VOOR VACCINS TEGEN INFECTIE MET HET VIRUS VAN DE ZIEKTE VAN NEWCASTLE

Levende verzwakte vaccins tegen infectie met het virus van de ziekte van Newcastle moeten worden bereid op basis van een virusstam van de ziekte van Newcastle waarvoor bij een test van de “master seed” een intracerebrale pathogeniteitsindex (ICPI) is gebleken van:

a)

minder dan 0,4 wanneer in het kader van de ICPI-test aan elke vogel ten minste 107 EID50 (50 % embryo-infectieuze dosis) is toegediend, of

b)

minder dan 0,5 wanneer in het kader van de ICPI-test aan elke vogel ten minste 108 EID50 is toegediend.


BIJLAGE VII

GELDIGHEIDSDUUR VAN VACCINATIES TEGEN RABIËS EN RISICOBEPERKINGSMAATREGELEN VOOR ANDERE ZIEKTEN DAN RABIËS

Deel 1

Geldigheidsduur van vaccinaties tegen rabiës voor honden, katten, fretten en andere carnivoren

De in artikel 53, onder b), i), artikel 55, onder b), i), en artikel 58, lid 1, onder c), bedoelde geldigheidsvoorschriften voor vaccinatie tegen infectie met het rabiësvirus zijn de in bijlage III bij Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad (1) vastgestelde voorschriften.

Wanneer in een lidstaat geen vaccin voor rabiës is toegelaten voor andere carnivoren dan honden, katten en fretten, moet de overeenkomstig artikel 10, lid 1, van Richtlijn 2001/82/EG uitgevoerde rabiësvaccinatie als geldig worden beschouwd.

Deel 2

Risicobeperkingsmaatregelen voor andere ziekten dan rabiës

1.

De in artikel 53, onder b), ii), en artikel 55, onder b), ii), bedoelde risicobeperkingsmaatregelen ten aanzien van infectie met Echinococcus multilocularis zijn de in Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 van de Commissie (2) in samenhang met Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 van de Commissie (3) vastgestelde maatregelen.

2.

In afwijking van lid 1 moet de in artikel 58, lid 1, onder d), bedoelde behandeling van andere Canidae dan honden tegen infectie met Echinococcus multilocularis ten vroegste 48 uur voor het binnenbrengen in een in de lijst in de bijlage bij Verordening (EU) 2018/878 opgenomen lidstaat of zone daarvan worden uitgevoerd en gedocumenteerd.

3.

De risicobeperkingsmaatregelen voor andere ziekten dan infectie met het rabiësvirus en infectie met Echinococcus multilocularis zoals bedoeld in artikel 53, onder b), ii), en artikel 55, onder b), ii), zijn de preventieve gezondheidsmaatregelen die van toepassing zijn op de betrokken soorten carnivoren die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 19, lid 1, van Verordening (EU) nr. 576/2013.

(1)  Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 12 juni 2013 betreffende het niet-commerciële verkeer van gezelschapsdieren en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 998/2003 (PB L 178 van 28.6.2013, blz. 1).

(2)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 van de Commissie van 21 november 2017 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 576/2013 van het Europees Parlement en de Raad inzake preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 1152/2011 (PB L 130 van 28.5.2018, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/878 van de Commissie van 18 juni 2018 tot vaststelling van een lijst van lidstaten of delen van het grondgebied van lidstaten die voldoen aan de voorschriften voor indeling overeenkomstig artikel 2, leden 2 en 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/772 betreffende de toepassing van preventieve gezondheidsmaatregelen voor de bestrijding van infecties met Echinococcus multilocularis bij honden (PB L 155 van 19.6.2018, blz. 1).


BIJLAGE VIII

INFORMATIE DIE IN DIERGEZONDHEIDSCERTIFICATEN EN KENNISGEVINGEN MOET WORDEN VERMELD

Deel 1

Informatie die moet worden vermeld in het diergezondheidscertificaat voor landdieren en broedeieren die naar een andere lidstaat worden verplaatst

1.

Het diergezondheidscertificaat voor de in artikel 143, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 en artikel 71, lid 1, van deze verordening bedoelde gehouden landdieren die naar een andere lidstaat worden verplaatst, moet ten minste de volgende informatie bevatten:

a)

de naam en het adres van de verzender en de ontvanger;

b)

de naam en het adres van de inrichting van verzending, en

i)

wanneer de inrichting van verzending een erkende inrichting is, het unieke erkenningsnummer van die inrichting, of

ii)

wanneer de inrichting van verzending een geregistreerde inrichting is, het unieke registratienummer van die inrichting;

c)

de naam en het adres van de inrichting van bestemming, en

i)

wanneer de inrichting van bestemming een erkende inrichting is, het unieke erkenningsnummer van die inrichting, of

ii)

wanneer de inrichting van bestemming een geregistreerde inrichting is, het unieke registratienummer van die inrichting;

d)

de soort en de categorie dieren en, indien vereist, de identificatie;

e)

informatie over de diergezondheidssituatie en aanvullende waarborgen met betrekking tot:

i)

de lidstaat of zone van oorsprong;

ii)

de inrichting en het koppel van oorsprong van de dieren, indien van toepassing met inbegrip van de testresultaten;

iii)

de te verzenden dieren, indien van toepassing met inbegrip van de testresultaten of vaccinaties;

f)

de datum en plaats van afgifte en de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat, de naam, hoedanigheid en handtekening van de officiële dierenarts en het stempel van de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong van de zending.

2.

Het diergezondheidscertificaat voor de in artikel 161, lid 1, van Verordening (EU) 2016/429 en artikel 72 van deze verordening bedoelde broedeieren die naar een andere lidstaat worden verplaatst, moet ten minste de volgende informatie bevatten:

a)

de naam en het adres van de verzender en de ontvanger;

b)

de naam en het adres van de inrichting van verzending, en

i)

wanneer de inrichting van verzending een erkende inrichting is, het unieke erkenningsnummer van die inrichting, of

ii)

wanneer de inrichting van verzending een geregistreerde inrichting is, het unieke registratienummer van die inrichting;

c)

de naam en het adres van de inrichting van bestemming, en

i)

wanneer de inrichting van bestemming een erkende inrichting is, het unieke erkenningsnummer van die inrichting, of

ii)

wanneer de inrichting van bestemming een geregistreerde inrichting is, het unieke registratienummer van die inrichting;

d)

de categorie broedeieren;

e)

de informatie op basis waarvan broedeieren kunnen worden geïdentificeerd:

i)

de soort en, indien vereist, de identificatie van de dieren waarvan zij afkomstig zijn;

ii)

de op de broedeieren aangebrachte markering, indien vereist;

iii)

de plaats en datum van verzameling;

f)

informatie over de diergezondheidssituatie en aanvullende waarborgen met betrekking tot:

i)

de lidstaat van oorsprong of zone daarvan;

ii)

de inrichting en het koppel van oorsprong, indien van toepassing met inbegrip van de testresultaten;

iii)

de dieren waarvan de broedeieren zijn verzameld, indien van toepassing met inbegrip van de testresultaten;

iv)

de te verzenden broedeieren;

g)

de datum en plaats van afgifte en de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat, alsmede de naam, hoedanigheid en handtekening van de officiële dierenarts en het stempel van de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong van de zending.

3.

Het diergezondheidscertificaat voor de in artikel 155, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2016/429 bedoelde wilde landdieren die naar een andere lidstaat worden verplaatst, moet ten minste de volgende informatie bevatten:

a)

de naam en het adres van de verzender en de ontvanger;

b)

de plaats waar de dieren zijn gevangen en voor verzending zijn geladen;

c)

de plaats van bestemming, en

i)

indien de plaats van bestemming de habitat is, de voorgenomen plaats waar de dieren zullen worden uitgeladen, of

ii)

indien de inrichting van bestemming een geregistreerde inrichting is, het unieke registratienummer van die inrichting;

d)

de soort en de categorie dieren;

e)

de datum en plaats van afgifte en de geldigheidsduur van het diergezondheidscertificaat, de naam, hoedanigheid en handtekening van de officiële dierenarts en het stempel van de bevoegde autoriteit van de plaats van oorsprong van de zending.

Deel 2

Informatie in de kennisgeving van verplaatsingen van bepaalde landdieren waarvoor geen diergezondheidscertificaat vereist is

De kennisgeving voor de verplaatsing van hommels van erkende van de omgeving geïsoleerde productie-inrichtingen naar een andere lidstaat moet ten minste de volgende informatie bevatten:

a)

de naam en het adres van de verzender en de ontvanger;

b)

de naam, het adres en het uniek erkenningsnummer van de inrichting van verzending;

c)

de naam en het adres van de inrichting van bestemming, en

i)

wanneer de inrichting van bestemming een erkende inrichting is, het unieke erkenningsnummer van die inrichting, of

ii)

indien de inrichting van bestemming een geregistreerde inrichting is, het unieke registratienummer van die inrichting;

d)

de soort, de categorie en het aantal kolonies en de omvang ervan;

e)

de datum van verzending.


Top