EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020R0358

Uitvoeringsverordening (EU) 2020/358 van de Commissie van 4 maart 2020 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wat betreft bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen (Voor de EER relevante tekst)

C/2020/1037

OJ L 67, 5.3.2020, p. 57–81 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2020/358/oj

5.3.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/57


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2020/358 VAN DE COMMISSIE

van 4 maart 2020

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wat betreft bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name de artikelen 23, 27 en 31,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Commissie dient de nodige uitvoeringsbepalingen vast te stellen teneinde de eisen voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen voor zweefvliegen te bepalen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139, voor zover die luchtvaartuigen voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), i) en ii), van die verordening.

(2)

In het licht van de specifieke aard van de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor cockpitbemanning van zweefvliegtuigen, is er behoefte aan specifieke voorschriften en een afzonderlijke verordening inzake bevoegdheidsbewijzen voor zweefvliegen. Die eisen moeten gebaseerd zijn op de algemene regels voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid aan cockpitbemanning als vastgelegd in Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie (2). Die eisen moeten echter worden geherstructureerd en vereenvoudigd om ervoor te zorgen dat zij evenredig zijn en op een risicogebaseerde aanpak berusten en tegelijk te waarborgen dat zweefvliegtuigpiloten bekwaam zijn en blijven om hun activiteiten uit te voeren en hun verantwoordelijkheden uit te oefenen. Voorts moeten de voorschriften voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen worden aangepast om rekening te houden met de overdracht van de regels inzake bewijzen van bevoegdheid van Verordening (EU) nr. 1178/2011 naar Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie (3).

(3)

Overeenkomstig artikel 12, lid 2 bis, punt 3, van Verordening (EU) nr. 1178/2011 mogen de lidstaten tot en met 8 april 2020 nationale regels voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen blijven toepassen voor de toegang tot bepaalde basisbevoegdheden van piloten. Een aantal lidstaten hebben de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA) meegedeeld dat het behoud van die nationale regels voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen, op grond waarvan leerling-piloten zonder toezicht beperkte bevoegdheden mogen uitoefenen en stapsgewijs basisbevoegdheden verwerven, als laagdrempelige en betaalbare toegang tot vliegen bevorderlijk is voor de luchtsport en activiteiten als recreatief piloot. De general aviation toegankelijker maken en promoten ligt in de lijn van de doelstellingen van het stappenplan van het EASA voor de general aviation, namelijk een meer evenredige, flexibele en proactieve regelgeving tot stand brengen (4). Om die redenen moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om de nationale regels voor de afgifte van bevoegdheidsbewijzen te handhaven overeenkomstig de bij Uitvoeringsverordening (EU) 2019/430 van de Commissie (5) ingevoerde beginselen voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen (SPL). De lidstaten moeten de Commissie en het EASA echter op de hoogte brengen wanneer zij degelijke toestemmingen verlenen. Zij dienen ook toe te zien op het gebruik van die mogelijkheid teneinde een aanvaardbaar niveau van luchtvaartveiligheid te handhaven.

(4)

Om een soepele overgang te waarborgen, moeten alle certificaten, toestemmingen en goedkeuringen die vóór de toepassingsdatum van Verordening (EU) nr. 1178/2011 en overeenkomstig die verordening aan piloten van zweefvliegtuigen zijn afgegeven, geldig blijven. Vóór de toepassingsdatum en overeenkomstig deze verordening afgegeven nationale bewijzen van bevoegdheid als zweefvlieger moeten worden omgezet in overeenkomstig deze verordening afgegeven bewijzen van bevoegdheid door middel van omzettingsverslagen die worden opgesteld door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in overleg met het EASA.

(5)

Voor opleidingen tot zweefvlieger die overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 werden aangevat vóór de toepassingsdatum van deze verordening moet volledige vrijstelling worden verleend omdat zij aan identieke of zelfs ruimere opleidingseisen beantwoorden dan de eisen waarin deze verordening voorziet. Voor opleidingen die vóór de toepassingsdatum van deze verordening werden aangevat overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, moet vrijstelling worden verleend op basis van door de lidstaten opgestelde vrijstellingsverslagen.

(6)

De bestaande opleidingsorganisaties moeten voldoende tijd krijgen om hun opleidingsprogramma’s desgevallend aan te passen in het kader van de vereenvoudigde opleidingseisen.

(7)

De maatregelen waarin deze verordening voorziet, zijn gebaseerd op advies nr. 01/2019 (6) van het EASA overeenkomstig artikel 75, lid 2, onder b) en c), en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139.

(8)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139 opgerichte comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel wordt vervangen door:

“Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels inzake vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en de afgifte van bewijzen van bevoegdheid voor cockpitbemanning van zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad”.

2)

In artikel 1 wordt lid 1 vervangen door:

“1.   In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en voor de afgifte en het behoud van bewijzen van bevoegdheid als piloot en de bijbehorende bevoegdverklaringen, bevoegdheden en certificaten voor zweefvliegtuigen, voor luchtvaartuigen die voldoen aan de voorwaarden van artikel 2, lid 1, onder b), i) en ii), van Verordening (EU) 2018/1139.”.

3)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de inleidende zin wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities en, tenzij in dit artikel anders is bepaald, de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1178/2011:”;

b)

punt 10 wordt vervangen door de volgende tekst:

“10.

“dryleaseovereenkomst”: een overeenkomst tussen ondernemingen krachtens welke een zweefvliegtuig wordt geëxploiteerd onder verantwoordelijkheid van de huurder;”;

c)

de volgende punten 11 tot en met 13 worden toegevoegd:

“11.

“nationaal bewijs van bevoegdheid”: een bewijs van bevoegdheid als piloot dat een lidstaat overeenkomstig de nationale wetgeving heeft afgegeven vóór de toepassingsdatum van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening of bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011;

12.

“deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid”: een bewijs van bevoegdheid voor cockpitbemanning dat voldoet aan de eisen van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening;

13.

“conversieverslag”: een verslag op basis waarvan een bewijs van bevoegdheid kan worden omgezet in een deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid;”.

4)

De volgende artikelen 3 bis tot en met 3 quinquies worden ingevoegd na artikel 3:

Artikel 3 bis

Bewijzen van bevoegdheid als piloot en medische keuring

1.   Onverminderd Gedelegeerde Verordening (EU) (*1) van de Commissie (*) dienen piloten van luchtvaartuigen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening te voldoen aan de in bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening en in bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 vastgestelde technische voorschriften en administratieve procedures.

2.   Als uitzondering op de bevoegdheden van de houders van bewijzen van bevoegdheid als gedefinieerd in bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening, mogen houders van dergelijke bewijzen van bevoegdheid vluchten uitvoeren als bedoeld in artikel 3, lid 2, onder a) tot en met d), zonder te voldoen aan punt SFCL.115, onder a), punt 3, van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening.

3.   Een lidstaat mag toestaan dat leerling-piloten die een opleiding volgen voor het behalen van een bewijs van bevoegdheid voor zweefvliegen (SPL) maar die nog niet aan alle eisen voor de afgifte van een SPL overeenkomstig bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening voldoen, zonder toezicht beperkte bevoegdheden uitoefenen indien alle volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het toepassingsgebied van de verleende bevoegdheden is gebaseerd op een door de lidstaat uitgevoerde veiligheidsrisicobeoordeling, rekening houdend met de opleiding die nodig is om het beoogde bekwaamheidsniveau van de piloot te bereiken;

b)

de bevoegdheden blijven beperkt tot:

i)

het nationale grondgebied van de lidstaat die toestemming verleent, of een deel daarvan, en

ii)

zweefvliegtuigen die geregistreerd zijn in de lidstaat die toestemming verleent;

c)

de houder van een toestemming die een aanvraag indient voor de afgifte van een SPL, krijgt op basis van een aanbeveling van een erkende opleidingsorganisatie (ATO) of een aangemelde opleidingsorganisatie (DTO) vrijstellingen voor de opleiding die hij heeft gevolgd;

d)

de lidstaat dient om de drie jaar verslagen en veiligheidsrisicobeoordelingen in bij de Commissie en het Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart (EASA);

e)

de lidstaat houdt toezicht op het gebruik van de in het kader van deze alinea verleende toestemmingen, teneinde een aanvaardbaar niveau van luchtvaartveiligheid te garanderen en passende maatregelen te nemen als er een verhoogd veiligheidsrisico of veiligheidsproblemen wordt geconstateerd.

Artikel 3 ter

Bestaande bewijzen van bevoegdheid als piloot en medische certificaten

1.   Deel-FCL-bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten die vóór de toepassingsdatum van deze verordening door een lidstaat zijn verleend, worden geacht te zijn verleend overeenkomstig deze verordening. De lidstaten vervangen dergelijke bewijzen van bevoegdheid door bewijzen van bevoegdheid die voldoen aan het in bijlage VI (deel‐ARA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 vastgestelde formaat wanneer zij om administratieve redenen of op verzoek van een houder van een bewijs van bevoegdheid een bewijs van bevoegdheid hernieuwen.

2.   Een lidstaat die een bewijs van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten afgeeft overeenkomstig lid 1, dient:

a)

alle tot dusver in deel‐FCL-bewijzen van bevoegdheid opgenomen bevoegdheden over te dragen naar het nieuwe formaat van bevoegdheidsbewijs;

b)

bevoegdverklaringen voor kunstvliegen die zijn afgegeven overeenkomstig punt FCL.800 van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 om te zetten in bevoegdheden voor geavanceerd kunstvliegen overeenkomstig punt SFCL.200, onder c), van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening;

c)

de geldigheidstermijn van een certificaat van vlieginstructeur en het daaraan gekoppelde deel‐FCL-bewijs van bevoegdheid in het logboek van de piloot of een gelijkwaardig document te erkennen. Na die vervaldatum mogen piloten slechts bevoegdheden als instructeur uitoefenen als zij voldoen aan punt SFCL.360 van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening.

3.   Houders van nationale bewijzen van bevoegdheid voor zweefvliegtuigen die vóór de toepassingsdatum van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening door een lidstaat zijn afgegeven, mogen de bevoegdheden van hun bevoegdheidsbewijs blijven uitoefenen tot en met 8 april 2021. Uiterlijk op die datum zetten de lidstaten die bewijzen van bevoegdheid om in deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid en bijbehorende bevoegdverklaringen, bevoegdheden en certificaten overeenkomstig de elementen uit het omzettingsverslag die voldoen aan de eisen van artikel 4, leden 4 en 5, van Verordening (EU) nr. 1178/2011.

4.   Nationale medische certificaten van piloten die gekoppeld zijn aan een bevoegdheidsbewijs als bedoeld in lid 2 van dit artikel en die door een lidstaat zijn afgegeven vóór de datum van toepassing van bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening blijven geldig tot de datum van hun volgende verlenging of tot 8 april 2021, indien dit eerder is. De verlenging van dergelijke medische certificaten moet voldoen aan de eisen van bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

Artikel 3 quater

Vrijstellingen voor opleidingen die vóór de toepassingsdatum van deze verordening zijn begonnen

1.   Met betrekking tot de afgifte van deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten overeenkomstig bijlage III (deel‐SFCL) bij deze verordening, wordt opleiding die vóór de toepassingsdatum van deze verordening is begonnen overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011 geacht te voldoen aan de eisen van deze verordening.

2.   Voor opleiding die is begonnen vóór de toepassingsdatum van deze verordening of van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, overeenkomstig bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, wordt met het oog op de afgifte van deel-SFCL-bewijzen van bevoegdheid vrijstelling verleend op basis van een door de lidstaat in overleg met het EASA opgesteld vrijstellingsverslag.

3.   In het in lid 2 genoemde verslag wordt de reikwijdte van de opleiding beschreven en wordt aangegeven voor welke eisen uit deel-SFCL vrijstelling wordt verleend en, indien van toepassing, aan welke eisen de kandidaat moet voldoen om een deel-SFCL-bewijs van bevoegdheid te krijgen. Het verslag bevat kopieën van alle documenten die nodig zijn om de reikwijdte van de opleiding aan te tonen en kopieën van de nationale regels en procedures op basis waarvan de opleiding is aangevat.

Artikel 3 quinquies

Opleidingsorganisaties

1.   Opleidingsorganisaties voor het behalen van het bewijs van bevoegdheid als piloot als bedoeld in artikel 1, lid 1, van deze verordening moeten voldoen aan de eisen van artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011.

2.   Opleidingsorganisaties als bedoeld in lid 1, die erkend zijn overeenkomstig bijlage VII (deel‐ORA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of die vóór de datum van toepassing van deze verordening een verklaring hebben ingediend overeenkomstig bijlage VIII (deel‐DTO) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, passen hun opleidingsprogramma’s desgevallend uiterlijk op 8 april 2021 aan.

(*1)  Gedelegeerde Verordening (EU) van de Commissie van 4 maart 2020 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad)”."

5)

Bijlage I (deel‐DEF) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

6)

Bijlage II (deel‐SAO) wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

7)

Bijlage III (deel‐SFCL) wordt toegevoegd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Ze is van toepassing met ingang van 8 april 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 maart 2020.

Voor de Commissie

De voorzitter

Ursula VON DER LEYEN


(1)  PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 326 van 20.12.2018, blz. 64).

(4)  https://www.easa.europa.eu/easa-and-you/general-aviation/general-aviation-road-map

(5)  Uitvoeringsverordening (EU) 2019/430 van de Commissie van 18 maart 2019 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1178/2011 voor wat betreft de uitoefening van beperkte bevoegdheden zonder toezicht vóór de afgifte van een bevoegdheidsbewijs als recreatief vlieger (PB L 75 van 19.3.2019, blz. 66).

(6)  “Easier access for GA pilots to IFR flying & Revision of the balloon and sailplane licensing requirements” (Advies nr. 01/2019 (A) & (B) van 19.2.2019), zie https://www.easa.europa.eu/document-library/opinions


BIJLAGE I

Bijlage I “Definities (deel‐DEF)” van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De inleidende zin wordt vervangen door:

“Voor de toepassing van deze verordening gelden de volgende definities en, tenzij in deze bijlage anders is gedefinieerd, de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie en van punt FCL.010 van bijlage I (deel‐FCL) bij die verordening:”.

2)

Punt 13 wordt vervangen door:

“13.

“Nacht”: de periode tussen het einde van de burgerlijke avondschemering en het begin van de burgerlijke ochtendschemering. De burgerlijke schemering eindigt ’s avonds wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat en begint ’s morgens wanneer het centrum van de zonneschijf zes graden onder de horizon staat;”.

3)

De volgende punten 14 tot en met 19 worden toegevoegd:

“14.

“Vaardigheidstest”: het aantonen van vaardigheden ten behoeve van de afgifte van een bewijs van bevoegdheid, een bevoegdverklaring of de uitbreiding van een bevoegdheid, met inbegrip van de eventuele vereiste mondelinge examens;

15.

“Bekwaamheidsbeoordeling”: het aantonen van vaardigheden, kennis en houding ten behoeve van de eerste afgifte, hernieuwde afgifte of verlenging van een certificaat van instructeur of examinator;

16.

“Vliegtijd”:

a)

voor zelfstartende zweefvliegtuigen en touring motor gliders (TMG) is dit de totale tijd vanaf het moment waarop een vliegtuig zich voor het eerst in beweging zet om op te stijgen tot het moment waarop het aan het eind van de vlucht uiteindelijk tot stilstand komt;

b)

voor zweefvliegtuigen is dit de totale tijd vanaf het moment waarop het zweefvliegtuig de aanloop begint voor het opstijgen tot het moment waarop het aan het eind van de vlucht uiteindelijk tot stilstand komt;

17.

“Bekwaamheidsproef”: het aantonen van vaardigheden om te voldoen aan de eisen inzake recentheid zoals vastgesteld in deze verordening, met inbegrip van het eventueel vereiste mondelinge examen;

18.

“Solovlucht”: een vlucht gedurende welke een leerling-piloot de enige inzittende is van een luchtvaartuig;

19.

“Overlandvlucht”: een vlucht met behulp van standaardnavigatieprocedures buiten het zicht of de door bevoegde autoriteit gedefinieerde afstand van het vertrekgebied.”.


BIJLAGE II

Bijlage II (deel‐SAO) van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Punt SAO.GEN.125 “Aanwijzing van de gezagvoerder” wordt vervangen door:

SAO.GEN.125 Aanwijzing van de gezagvoerder

De exploitant wijst een gezagvoerder aan die gekwalificeerd is om als gezagvoerder op te treden overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.”.


BIJLAGE III

De volgende bijlage III wordt toegevoegd na bijlage II bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976:

“BIJLAGE III

EISEN VOOR DE AFGIFTE VAN BEVOEGDHEIDSBEWIJZEN VOOR DE BEMANNING VAN ZWEEFVLIEGTUIGEN

[DEEL‐SFCL]

SUBDEEL GEN

ALGEMENE VOORSCHRIFTEN

SFCL.001   Toepassingsgebied

In deze bijlage zijn de eisen vastgelegd voor de afgifte van bewijzen van bevoegdheid als zweefvliegtuigpiloot (SPL) en de daaraan gekoppelde bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten voor piloten van zweefvliegtuigen alsook de voorwaarden inzake de geldigheid en het gebruik ervan.

SFCL.005   Bevoegde autoriteit

In onderhavige bijlage is de bevoegde autoriteit een door de lidstaat aangewezen instantie waar een persoon een aanvraag indient voor een SPL of de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten.

SFCL.015   Aanvraag en afgifte, verlenging en hernieuwde afgifte van een SPL en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten

a)

Het volgende wordt bij de bevoegde autoriteit ingediend in de vorm en op de wijze die door die bevoegde autoriteit zijn vastgesteld:

1)

een aanvraag voor:

i)

de afgifte van een SPL en de daaraan gekoppelde bevoegdverklaringen;

ii)

de uitbreiding van de bevoegdheden van een SPL, met uitzondering van de bevoegdheden in de punten SFCL.115, onder a), punten 2 en 3, SFCL.155, SFCL.200 en SFCL.215;

iii)

de afgifte van een certificaat voor zweefvlieginstructeurs (FI(S));

iv)

de afgifte, verlenging en hernieuwde afgifte van een certificaat voor zweefvliegexaminatoren (FE(S));

v)

alle wijzigingen van de SPL en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten, m.u.v. de in punt ii) bedoelde bevoegdheden, en

2)

indien verplicht gesteld door de bevoegde autoriteit, een kopie van de relevante logboekgegevens als gespecificeerd in de punten SFCL.115, onder d), SFCL.155, onder b), SFCL.200, onder f), en SFCL.215, onder d).

b)

Een aanvraag als bedoeld onder a) gaat vergezeld van het bewijs dat de kandidaat voldoet aan de desbetreffende voorschriften van deze bijlage en bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

c)

Elke vorm van beperking of uitbreiding van de bevoegdheden die worden toegekend door een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat, moet door de bevoegde autoriteit worden bekrachtigd op het bewijs van bevoegdheid of het certificaat, behalve voor het verkrijgen van de onder a), punt 1, ii), genoemde bevoegdheden.

d)

Een persoon mag op geen enkel moment houder zijn van meer dan één SPL die overeenkomstig deze bijlage is afgegeven.

e)

Een houder van een bewijs van bevoegdheid dient de onder a) bedoelde aanvragen in bij de bevoegde autoriteit die is aangewezen door de lidstaat waar zijn of haar bewijs van bevoegdheid is afgegeven overeenkomstig deze bijlage (deel‐SFCL), bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of bijlage III (deel‐BFCL) bij Verordening (EU) 2018/395, naargelang het geval.

f)

Een houder van een SPL kan een wijziging van de bevoegde autoriteit aanvragen bij de door een andere lidstaat aangewezen bevoegde instantie, waarna de nieuwe bevoegde autoriteit bevoegd wordt voor alle bewijzen van bevoegdheid van die houder.

g)

Uiterlijk zes maanden nadat kandidaten zijn geslaagd voor de vaardigheidstest of beoordeling van vakbekwaamheid dienen zij hun aanvraag in voor de afgifte van een SPL en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten.

SFCL.030   Praktische vaardigheidstest

Kandidaten voor een vaardigheidstest worden, nadat zij hun opleiding hebben voltooid, voorgedragen voor de vaardigheidstest door de ATO of de DTO die verantwoordelijk is voor de door de kandidaten gevolgde opleiding. De opleidingsgegevens worden door de ATO of DTO ter beschikking gesteld van de examinator.

SFCL.035   Vrijstelling van vliegtijd

Kandidaten voor een SPL of een daarmee geassocieerde bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat worden volledig vrijgesteld van alle vliegtijd op solovluchten, met dubbelbesturingsonderricht of als PIC op zweefvliegtuigen als onderdeel van de totale vliegtijd die vereist is voor een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat.

SFCL.045   Verplichting om documenten bij zich te hebben en te tonen

a)

Houders van een SPL moeten bij de uitoefening van de bevoegdheden van een SPL-bevoegdheidsbewijs in het bezit zijn van:

1)

een geldige SPL;

2)

een geldig medisch certificaat;

3)

een persoonlijk identificatiedocument met zijn of haar foto;

4)

voldoende gegevens uit het logboek om aan te tonen dat aan de voorschriften van deze bijlage is voldaan.

b)

Leerling-piloten moeten op alle solo-overlandvluchten in het bezit zijn van:

1)

de onder a), punten 2 en 3, genoemde documenten;

2)

een bewijs van de in punt SFCL.125, onder a), vereiste vergunning.

c)

Houders van een SPL of leerling-piloten leggen op verzoek van een bevoegd vertegenwoordiger van een bevoegde autoriteit onverwijld de onder a) genoemde documenten ter inspectie over.

d)

In afwijking van het bepaalde onder a) en b) mogen de in die punten genoemde documenten worden bewaard op het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie voor vluchten die:

1)

binnen het zicht van het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie blijven, of

2)

binnen een door de bevoegde autoriteit vastgestelde afstand van het luchtvaartterrein of de vluchtuitvoeringslocatie blijven.

SFCL.050   Vastleggen van vliegtijd

Houders van een SPL en leerling-piloten leggen in een betrouwbaar document de details van alle gevlogen vluchten vast op een manier die door de bevoegde autoriteit is bepaald.

SFCL.065   Beperking van bevoegdheden van houders van SPL die 70 jaar of ouder zijn voor commerciële vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen die passagiers vervoeren

Houders van een SPL die de leeftijd van 70 jaar hebben bereikt, mogen niet optreden als piloot van zweefvliegtuigen waarmee commerciële vluchtuitvoeringen met passagiers worden verricht.

SFCL.070   Intrekking, schorsing en beperking van bewijzen van bevoegdheid, bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten

a)

Een SPL en de bijbehorende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten die overeenkomstig deze bijlage zijn afgegeven, kunnen door de bevoegde autoriteit worden beperkt, geschorst of ingetrokken overeenkomstig de voorwaarden en procedures van bijlage VI (deel‐ARA) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 indien een houder van een SPL niet voldoet aan de essentiële eisen van bijlage IV bij Verordening (EU) 2018/1139, aan de eisen van deze bijlage en bijlage II (deel‐SAO) bij deze verordening of aan bijlage IV (deel‐MED) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

b)

Houders van een SPL leveren hun bewijs van bevoegdheid of certificaat onmiddellijk in bij de bevoegde autoriteit als hun bewijs van bevoegdheid, bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat is beperkt, geschorst of ingetrokken.

SUBDEEL SPL

BEWIJS VAN BEVOEGDHEID ALS ZWEEFVLIEGTUIGPILOOT (SPL)

SFCL.115   SPL — Bevoegdheden en voorwaarden

a)

Onder voorbehoud van de naleving van punt SFCL.150 zijn houders van een SPL bevoegd om als PIC op te treden in zweefvliegtuigen:

1)

zonder financiële tegenprestatie in niet-commerciële vluchtuitvoeringen;

2)

en passagiers te vervoeren indien zij:

i)

voldoen aan punt SFCL.160, onder e), en

ii)

ofwel:

A)

na de afgifte van de SPL ten minste 10 vlieguren hebben voltooid of 30 lanceringen of starts en landingen als PIC op zweefvliegtuigen hebben uitgevoerd en bovendien één trainingsvlucht hebben uitgevoerd tijdens welke houders aan een FI(S) de voor het vervoer van passagiers vereiste bekwaamheid moeten aantonen, of

B)

houder zijn van een FI(S)-certificaat overeenkomstig subdeel FI;

3)

in andere dan de in punt 1 genoemde vluchtuitvoeringen, indien zij:

i)

de leeftijd van 18 jaar hebben bereikt;

ii)

na de afgifte van het bewijs van bevoegdheid 75 vlieguren of 200 lanceringen of starts en landingen als PIC op zweefvliegtuigen hebben uitgevoerd.

b)

In afwijking van punt a) mogen houders van een SPL met bevoegdheden als instructeur of examinator een vergoeding ontvangen voor:

1)

het geven van vlieginstructie voor SPL;

2)

het afnemen van vaardigheidstests en bekwaamheidsproeven voor SPL;

3)

de opleiding, het testen en de bekwaamheidsbeoordeling voor de bij een SPL horende bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten.

c)

Houders van een SPL oefenen de SPL-bevoegdheden slechts uit als zij voldoen aan de toepasselijke eisen inzake recentheid en als zij voor de uitgeoefende bevoegdheden over het passende medische certificaat beschikken.

d)

De voltooiing van de trainingsvlucht als omschreven onder a), punt 2, ii), A, wordt opgetekend in het logboek van de piloot en ondertekend door de instructeur die verantwoordelijk is voor de trainingsvlucht.

SFCL.120   SPL — Minimumleeftijd

Een kandidaat voor een SPL moet ten minste 16 jaar oud zijn.

SFCL.125   SPL — Leerling-piloten

a)

Leerling-piloten mogen niet solo vliegen, tenzij toegestaan door en onder toezicht van een FI(S).

b)

Leerling-piloten moeten ten minste 14 jaar oud zijn om toestemming te kunnen krijgen voor de uitvoering van solovluchten.

SFCL.130   SPL — Opleidingscursus en ervaringseisen

a)

Kandidaten voor een SPL volgen een volledige opleidingscursus aan een DTO of ATO. De cursus wordt afgestemd op de beoogde bevoegdheden en omvat:

1)

theoretische kennis als gespecificeerd in punt SFCL.135;

2)

ten minste 15 uur vlieginstructie in zweefvliegtuigen, met inbegrip van ten minste:

i)

10 uur dubbelbesturingsonderricht, met inbegrip van dubbelbesturingsonderricht als gespecificeerd in punt iv), A, of punt v), A, naargelang het geval;

ii)

twee uur solovliegtijd onder toezicht;

iii)

45 lanceringen of starts en landingen;

iv)

als de kandidaat bevoegdheden voor zweefvliegtuigen, uitgezonderd TMG’s, wil verwerven, ten minste zeven uur vlieginstructie in zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, met inbegrip van ten minste:

A)

drie uur dubbelbesturingsonderricht;

B)

ofwel:

a)

één solo-overlandvlucht van ten minste 50 km (27 NM), of

b)

één overlandvlucht met dubbele besturing van ten minste 100 km (55 NM) die, in afwijking van punt 2, iv), in een TMG mag worden uitgevoerd;

v)

als bevoegdheden voor TMG’s, worden gevraagd, ten minste zes uur vlieginstructie in TMG’s, met inbegrip van ten minste:

A)

vier uur dubbelbesturingsonderricht;

B)

één solo-overlandvlucht van ten minste 150 km (80 NM) in een TMG, gedurende welke één landing tot volledige stilstand op een ander luchtvaartterrein dan het luchtvaartterrein van vertrek wordt uitgevoerd.

b)

Kandidaten die houder zijn van een bewijs van bevoegdheid voor een andere categorie luchtvaartuig, met uitzondering van luchtballonnen, krijgen een vrijstelling van 10 % van de totale vliegtijd als PIC op dergelijke luchtvaartuigen, begrensd tot maximaal zeven uur. De toegekende vrijstelling omvat:

1)

in geen geval de eisen onder a), punt 2, ii), onder a), punt 2, iv), B, en onder a), punt 2, v), B, en

2)

met betrekking tot het bepaalde onder a), punt 2, iii), maximaal 10 lanceringen of starts en landingen.

SFCL.135   SPL — Theorie-examen

a)

Theoretische kennis

Een kandidaat voor een SPL moet blijk geven van een niveau van theoriekennis dat afgestemd is op de gewenste bevoegdheden door examens af te leggen over:

1)

algemene onderwerpen:

i)

luchtvaartwetgeving,

ii)

menselijke prestaties,

iii)

meteorologie,

iv)

communicatie;

2)

specifieke onderwerpen betreffende zweefvliegtuigen:

i)

vluchtbeginselen,

ii)

vluchtuitvoeringsprocedures,

iii)

vluchtprestaties en ‐planning,

iv)

algemene kennis over luchtvaartuigen in verband met zweefvliegtuigen,

v)

navigatie.

b)

Verantwoordelijkheden van de kandidaat

1)

Kandidaten leggen de volledige theorie-examenreeks voor een specifieke SPL af onder de verantwoordelijkheid van de bevoegde autoriteit van dezelfde lidstaat.

2)

Kandidaten mogen het theorie-examen pas afleggen wanneer zij worden voorgedragen door de ATO of DTO die verantwoordelijk is voor hun opleiding en nadat zij de toepasselijke onderdelen van de theorieopleiding hebben voltooid op een bevredigend niveau.

3)

Een voordracht door de ATO of DTO blijft twaalf maanden geldig. Als een kandidaat binnen de voornoemde geldigheidsperiode niet ten minste één theorie-examen aflegt, wordt de behoefte aan verdere opleiding bepaald door de ATO of DTO op basis van de behoeften van de kandidaat.

c)

Normen om te slagen

1)

Een kandidaat slaagt voor een onderdeel van het schriftelijk theorie-examen wanneer hij ten minste 75 % scoort van de punten die voor dat examenonderdeel kunnen worden behaald. Er worden geen strafpunten gegeven.

2)

Tenzij anders bepaald in deze bijlage, wordt een kandidaat geacht geslaagd te zijn voor het vereiste theorie-examen voor de SPL als hij of zij voor alle verplichte onderdelen van het theorie-examen is geslaagd binnen een periode van 18 maanden, gerekend vanaf het einde van de kalendermaand waarin de kandidaat voor het eerst aan het examen deelnam.

3)

Indien hij of zij na vier pogingen niet voor elk afzonderlijk onderdeel van het schriftelijk theorie-examen een voldoende heeft behaald, of niet voor alle onderdelen een voldoende heeft behaald binnen de in punt 2 vermelde periode, moet een kandidaat alle onderdelen van het theorie-examen opnieuw afleggen.

4)

Alvorens opnieuw aan de theorie-examens deel te nemen, moet de kandidaat verdere opleiding volgen bij een ATO of DTO. De draagwijdte en inhoud van de vereiste opleiding worden bepaald door de ATO of DTO op basis van de behoeften van de kandidaat.

d)

Geldigheidsperiode

Een voldoende voor een theorie-examen blijft 24 maanden geldig, gerekend vanaf de dag waarop de kandidaat geslaagd is voor het theorie-examen overeenkomstig het bepaalde onder c), punt 2.

SFCL.140   SPL — Erkenning van theoretische kennis

Kandidaten voor een SPL worden vrijgesteld van de in punt SFCL.135, onder a), punt 1, gespecificeerde vereisten inzake theoretische kennis van gemeenschappelijke onderwerpen als zij:

a)

houder zijn van een bewijs van bevoegdheid overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of bijlage III (deel‐BFCL) bij Verordening (EU) 2018/395, of

b)

geslaagd zijn voor de theorie-examens voor een bevoegdheidsbewijs als gespecificeerd onder a), voor zover de in punt SFCL.135, onder d), gespecificeerde geldigheidstermijn niet is verstreken.

SFCL.145   SPL — Praktische vaardigheidstest

a)

Aan de hand van een vaardigheidstest moeten kandidaten voor een SPL aantonen dat zij over de vaardigheden beschikken om, als PIC in zweefvliegtuigen, de relevante procedures en manoeuvres uit te voeren met een voor de gewenste bevoegdheden passende graad van vakbekwaamheid.

b)

De kandidaten moeten de vaardigheidstest afleggen in een zweefvliegtuig, met uitzondering van TMG’s, afhankelijk van de gewenste bevoegdheden en mits de opleidingscursus overeenkomstig punt SFCL.130 de noodzakelijke opleidingsonderdelen voor het betreffende luchtvaartuig omvat. Een kandidaat die een opleidingscursus heeft voltooid die de verplichte opleidingsonderdelen voor zowel zweefvliegtuigen als TMG’s omvat, mag twee vaardigheidstests afleggen: één in een zweefvliegtuig, met uitzondering van TMG’s, en één in een TMG, om de bevoegdheden voor beide luchtvaartuigen te verwerven.

c)

Om een vaardigheidstest voor de afgifte van een SPL af te leggen, moet de kandidaat eerst de verplichte onderdelen van het theorie-examen afleggen.

d)

Normen om te slagen:

1)

de vaardigheidstest bestaat uit verschillende secties die alle verschillende fasen van een vlucht weerspiegelen;

2)

wanneer een kandidaat zakt voor een item van een sectie, zakt hij voor de volledige sectie. Als een kandidaat zakt voor slechts één sectie, moet hij of zij enkel die sectie opnieuw afleggen. Wanneer een kandidaat voor meer dan één sectie zakt, moet hij of zij de volledige test opnieuw afleggen;

3)

als de kandidaat de test opnieuw moet afleggen overeenkomstig punt 2 en voor bepaalde secties een onvoldoende haalt, met inbegrip van secties waarvoor hij of zij bij een eerdere poging een voldoende haalde, moet hij of zij de volledige test opnieuw afleggen.

e)

Kandidaten die na twee pogingen niet slagen voor alle secties van de test, moeten extra praktijkopleiding volgen.

SFCL.150   SPL — Bevoegdheden voor zweefvliegtuigen en TMG

a)

Als de vaardigheidstest zoals gespecificeerd in punt SFCL.145 is afgelegd in een zweefvliegtuig, met uitzondering van TMG’s, gelden de bevoegdheden van een SPL uitsluitend voor zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s.

b)

In het onder a) bedoelde geval worden de bevoegdheden van een SPL uitgebreid tot TMG’s indien een piloot:

1)

aan een ATO of DTO de in SFCL.130, onder a), punt 2, genoemde opleidingsonderdelen heeft voltooid;

2)

geslaagd is voor een vaardigheidstest om bewijs te leveren van een adequaat niveau van praktische vaardigheden in een TMG. Tijdens deze vaardigheidstest moet de kandidaat aan de examinator ook aantonen dat hij over een adequaat niveau van theoretische kennis van TMG’s beschikt over de volgende onderwerpen:

i)

vluchtbeginselen,

ii)

vluchtuitvoeringsprocedures,

iii)

vluchtprestaties en ‐planning;

iv)

algemene kennis inzake luchtvaartuigen, en

v)

navigatie.

c)

Houders van een overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011 afgegeven bewijs van bevoegdheid worden volledig vrijgesteld van de onder b) genoemde eisen, mits zij:

1)

een klassebevoegdverklaring voor TMG’s bezitten, of

2)

TMG-bevoegdheden bezitten en voldoen aan de eisen inzake recentheid van punt FCL.140.A van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

d)

Als de vaardigheidstest zoals gespecificeerd in punt SFCL.145, is afgelegd in een TMG, gelden de bevoegdheden van een SPL uitsluitend voor TMG’s.

e)

In het onder d) bedoelde geval worden de bevoegdheden van een SPL uitgebreid tot zweefvliegtuigen indien een piloot:

1)

aan een ATO of DTO de in SFCL.130, onder a), punt 2, iv), gespecificeerde opleidingsonderdelen heeft voltooid en ten minste 15 lanceringen en landingen in een zweefvliegtuig, met uitzondering van TMG’s, heeft uitgevoerd, en

2)

geslaagd is voor een vaardigheidstest om bewijs te leveren van een adequaat niveau van praktische vaardigheden in een zweefvliegtuig, met uitzondering van TMG’s. Tijdens deze vaardigheidstest moet de piloot aan de examinator ook aantonen dat hij over een adequaat niveau van theoretische kennis van zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, beschikt betreffende de volgende onderwerpen:

i)

vluchtbeginselen,

ii)

vluchtuitvoeringsprocedures,

iii)

vluchtprestaties en ‐planning;

iv)

algemene kennis inzake luchtvaartuigen, en

v)

navigatie.

f)

De voltooiing van de in onder b), punt 1, en onder e), punt 1, gespecificeerde opleiding wordt opgetekend in het logboek van de piloot en ondertekend door het hoofd opleiding van de ATO of DTO die verantwoordelijk is voor de opleiding.

SFCL.155   SPL — Lanceringsmethoden

a)

Houders van een SPL oefenen hun bevoegdheden alleen uit middels lanceringsmethoden waarvoor zij een specifieke opleiding hebben voltooid, hetzij tijdens de opleidingscursus overeenkomstig punt SFCL.130 of punt SFCL.150, onder e), punt 1, hetzij tijdens een aanvullende opleiding die na de afgifte van de SPL door een instructeur wordt gegeven. Die specifieke opleiding omvat het volgende:

1)

in het geval van lier- en autolanceringen: ten minste tien lanceringen met dubbelbesturingsonderricht, en vijf sololanceringen onder toezicht;

2)

in het geval van sleep- of zelfstart: ten minste vijf lanceringen met dubbelbesturingsonderricht en vijf sololanceringen onder toezicht. Bij zelfstart mag het dubbelbesturingsonderricht worden uitgevoerd in TMG’s;

3)

in het geval van bungeestart: ten minste drie lanceringen met dubbelbesturingsonderricht of solo onder toezicht, en

4)

voor andere lanceringsmethoden: de door de bevoegde autoriteit vereiste opleiding.

b)

De voltooiing van de onder a) gespecificeerde opleiding wordt opgetekend in het logboek van de piloot en ondertekend door het hoofd opleiding van de ATO of DTO of de instructeur die verantwoordelijk is voor de opleiding, naargelang het geval.

c)

Om de bevoegdheden voor elke lanceringsmethode te behouden en overeenkomstig de voorschriften onder a) en b), moeten houders van SPL de voorbije twee jaar minimaal vijf lanceringen hebben uitgevoerd, behalve in het geval van een bungeelancering, waarvoor zij slechts twee lanceringen moeten hebben uitgevoerd. Een zelflancering mag worden uitgevoerd door middel van een zelfstart, opstijgen in TMG’s of een combinatie van beide.

d)

Indien houders van een SPL niet voldoen aan de eisen onder c) voor de vernieuwing van hun bevoegdheden, voeren zij het vereiste extra aantal lanceringen uit met dubbelbesturing of solo onder toezicht van een instructeur.

SFCL.160   SPL — Eisen inzake recentheid

a)

Zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s

Houders van een SPL mogen hun SPL-bevoegdheden, met uitzondering van TMG’s, slechts uitoefenen indien zij in de laatste 24 maanden voor de geplande vlucht:

1)

met een zweefvliegtuig ten minste vijf uur vliegtijd als PIC, dan wel met dubbele besturing of solo onder het toezicht van een FI(S), hebben voltooid, waaronder met zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, ten minste:

i)

15 lanceringen en

ii)

twee trainingsvluchten met een FI(S), of

2)

geslaagd zijn voor een bekwaamheidsproef met een FE(S) op een zweefvliegtuig, met uitzondering van TMG’s; de bekwaamheidsproef is gebaseerd op de vaardigheidstest voor de SPL.

b)

TMG’s

Houders van een SPL mogen hun TMG-bevoegdheden slechts uitoefenen als zij in de laatste 24 maanden voor de geplande vlucht:

1)

ten minste twaalf vlieguren als PIC of met dubbele besturing of solo onder het toezicht van een FI(S) hebben voltooid, waaronder op TMG’s, ten minste:

i)

zes vlieguren;

ii)

twaalf starts en landingen, en

iii)

een trainingsvlucht met een instructeur met een totale vliegtijd van ten minste één uur hebben voltooid, of

2)

geslaagd zijn voor een bekwaamheidsproef met een examinator. De bekwaamheidsproef is gebaseerd op de vaardigheidstest als gespecificeerd in SFCL.150, onder b), punt 2.

c)

Houders van een SPL met bevoegdheden om met TMG’s te vliegen die ook houder zijn van een bewijs van bevoegdheid voor TMG’s overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, worden vrijgesteld van de naleving van punt b).

d)

De voltooiing van vluchten met de dubbele besturing, vluchten onder toezicht en de onder a), punt 1, en onder b), punt 1, gespecificeerde trainingsvluchten, alsmede de bekwaamheidsproeven als gespecificeerd onder a), punt 2, en onder b), punt 2, worden in het logboek van de piloot vermeld en ondertekend door de verantwoordelijke FI(S) in het geval onder a), punt 1, en onder b), punt 1, en door de verantwoordelijke FE(S) in het geval onder a), punt 2, en onder b), punt 2.

e)

Vervoer van passagiers

Houders van een SPL mogen alleen passagiers vervoeren als zij in de voorafgaande 90 dagen als PIC ten minste:

1)

drie lanceringen in zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, hebben uitgevoerd indien de passagiers in zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, worden vervoerd, of

2)

drie starts en landingen in TMG’s hebben uitgevoerd, indien de passagiers in een TMG worden vervoerd. Voor nachtelijk vervoer van passagiers in een TMG moet ten minste één van die starts en landingen tijdens de nacht plaatsvinden.

SUBDEEL ADD

AANVULLENDE BEVOEGDVERKLARINGEN EN BEVOEGDHEDEN

SFCL.200   Bevoegdheden voor kunstvliegen

a)

Houders van een SPL mogen alleen kunstvluchten uitvoeren in zweefvliegtuigen met uitgeschakelde motoren of, in het geval als bedoeld onder d) en e), met ingeschakelde motor als zij overeenkomstig dit punt over passende bevoegdheden voor kunstvliegen beschikken.

b)

Bevoegdheden voor basiskunstvliegen:

1)

geven de houder het recht kunstvluchten uit te voeren die beperkt zijn tot de volgende handelingen:

i)

45° in rechte lijn klimmen of duiken als kunstvliegenmanoeuvre,

ii)

inside loops,

iii)

wingover,

iv)

lazy eight,

v)

spins;

2)

opgenomen zijn in de bevoegdheden van een SPL nadat de piloot het volgende heeft voltooid:

i)

na afgifte van het bewijs van bevoegdheid ten minste 30 vlieguren of 120 lanceringen als PIC op zweefvliegtuigen;

ii)

een opleidingscursus aan een ATO of DTO, met inbegrip van:

A)

de op de te verwerven bevoegdheden afgestemde theoretische kennis;

B)

kunstvlieginstructies over de in punt 1 gespecificeerde manoeuvres.

c)

Bevoegdheden voor gevorderd kunstvliegen:

1)

verlenen de houder het recht om kunstvluchten uit te voeren die niet beperkt zijn tot de onder b), punt 1, bedoelde manoeuvres;

2)

worden opgenomen in de bevoegdheden van een SPL nadat de piloot:

i)

aan de eisen onder b), punt 2, i), heeft voldaan;

ii)

een opleidingscursus aan een ATO of DTO heeft voltooid, met inbegrip van:

A)

de op de te verwerven bevoegdheden afgestemde theoretische kennis;

B)

ten minste vijf uur of 20 instructievluchten voor kunstvliegen.

d)

De bevoegdheden voor basis- of gevorderd kunstvliegen omvatten kunstvluchten in zweefvliegtuigen met ingeschakelde motor indien de piloot zijn of haar opleidingscursus kunstvliegen in een gemotoriseerd zweefvlieg heeft gekregen tijdens de opleidingscursus overeenkomstig het bepaalde onder b), punt 2, ii), of onder c), punt 2, ii), naargelang het geval.

e)

De bevoegdheden van een SPL omvatten bevoegdheden voor gevorderd kunstvliegen met TMG’s met ingeschakelde motor indien een piloot ook een bevoegdverklaring voor kunstvliegen bezit overeenkomstig punt FCL.800 van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, die ook bevoegdheden voor kunstvliegen met TMG’s omvat.

f)

De voltooiing van de onder b), punt 2, ii), en onder c), punt 2, ii), gespecificeerde training naargelang het geval, en of de onder d) gespecificeerde training, wordt opgetekend in het logboek van de piloot en ondertekend door het hoofd opleiding van de ATO of DTO die verantwoordelijk is voor de training.

SFCL.205   Bevoegdverklaring voor het slepen van zweefvliegtuigen en banners

a)

SPL-houders die bevoegdheden bezitten voor het vliegen met TMG’s, mogen slechts zweefvliegtuigen of banners slepen als zij overeenkomstig dit punt een passende bevoegdverklaring voor het slepen van zweefvliegtuigen of banners bezitten.

b)

Kandidaten voor een bevoegdverklaring voor het slepen van zweefvliegtuigen moeten het onderstaande hebben uitgevoerd:

1)

ten minste 30 vlieguren als PIC en 60 starts en landingen in TMG’s, na het behalen van de bevoegdheid voor TMG’s;

2)

een opleidingscursus aan een ATO of DTO, met inbegrip van:

i)

theoretische opleiding over operaties en ‐procedures voor het slepen van zweefvliegtuigen;

ii)

ten minste tien trainingsluchten waarbij een zweefvliegtuig wordt gesleept, waaronder vijf trainingsvluchten met dubbele besturing, en

iii)

in het geval de bevoegdheden van een SPL beperkt zijn tot TMG overeenkomstig punt SFCL.150, onder d), vijf vertrouwdmakingsvluchten in een zweefvliegtuig dat door een luchtvaartuig wordt gelanceerd.

c)

Kandidaten voor een bevoegdverklaring voor het slepen van banners moeten het onderstaande hebben uitgevoerd:

1)

ten minste 100 vlieguren als PIC en 200 starts en landingen met TMG’s, na het behalen van de bevoegdheid voor TMG’s;

2)

een opleidingscursus aan een ATO of DTO, met inbegrip van:

i)

theoretische opleiding over operaties en ‐procedures voor het slepen van banners;

ii)

ten minste tien instructievluchten waarbij een banner wordt gesleept, waaronder vijf vluchten met dubbele besturing.

d)

Kandidaten voor een bevoegdverklaring voor het slepen van zweefvliegtuigen of banners overeenkomstig dit punt die reeds houder zijn van een bevoegdverklaring voor het slepen van een zweefvliegtuig of een banner overeenkomstig punt FCL.805, onder b), van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of die voldoen aan alle vereisten voor de afgifte van die bevoegdverklaring, naargelang het geval:

1)

worden volledig vrijgesteld van de vereisten onder b) of c) voor het verkrijgen van een bevoegdverklaring voor het slepen van zweefvliegtuigen of banners, naargelang het geval, als hun desbetreffende bevoegdverklaring, als gespecificeerd onder d), voorziet in bevoegdheden om te slepen met TMG’s, of

2)

ten minste drie instructievluchten in TMG’s met dubbele besturing hebben voltooid die de volledige syllabus over het slepen van een zweefvliegtuig of banner bestrijken, naargelang het geval.

e)

De voltooiing van de onder b), punt 2, onder c), punt 2, en onder d), punt 2, gespecificeerde opleidingscursus wordt opgetekend in het logboek en ondertekend door het hoofd opleiding van de ATO of DTO, of de instructeur die verantwoordelijk is voor de training, naargelang het geval.

f)

Om de bevoegdheden van de bevoegdverklaringen voor het slepen van zweefvliegtuigen of banners te mogen uitoefenen, moet de houder van de bevoegdverklaring de afgelopen twee jaar ten minste vijf sleepvluchten hebben uitgevoerd.

g)

Indien een houder van een bevoegdverklaring voor het slepen van zweefvliegtuigen of banners niet aan de eisen onder f) voldoet alvorens de uitoefening van zijn of haar bevoegdheden te hervatten, voert hij of zij de ontbrekende sleepvluchten uit onder toezicht van een instructeur.

SFCL.210   Bevoegdverklaring voor nachtvliegen met TMG’s

a)

Houders van een SPL met bevoegdheden om met TMG’s te vliegen mogen hun bevoegdheden voor TMG’s alleen 's nachts uitoefenen in VFR-omstandigheden als zij overeenkomstig dit punt een bevoegdverklaring voor nachtvliegen met TMG’s bezitten.

b)

Kandidaten voor een bevoegdverklaring voor nachtvliegen met TMG’s volgen eerst een volledige opleidingscursus aan een ATO of DTO. De cursus omvat het volgende:

1)

theoretische opleiding over nachtvliegen volgens zichtvliegvoorschriften (VFR);

2)

ten minste vijf vlieguren in TMG’s 's nachts, waaronder ten minste drie uren dubbelbesturingsonderricht, met inbegrip van ten minste:

i)

één uur overlandnavigatie met ten minste één overlandvlucht met dubbele besturing van ten minste 50 km (27 NM);

ii)

vijf solostarts, en

iii)

vijf sololandingen tot volledige stilstand;

c)

Om de opleiding 's nachts te voltooien, moet de houder van een SPL eerst de voor de afgifte van een bewijs van bevoegdheid als privépiloot vereiste basisopleiding instrumentvliegen voltooien overeenkomstig de bepalingen van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011.

d)

Kandidaten voor een bevoegdverklaring voor nachtvliegen met TMG overeenkomstig dit punt worden volledig vrijgesteld van de eisen onder b) en c) als zij houder zijn van een bevoegdverklaring voor nachtvliegen overeenkomstig punt FCL.810 van bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of als zij aan alle eisen voor de afgifte van die bevoegdverklaring hebben voldaan.

SFCL.215   Bevoegdverklaring voor wolkenvluchten met zweefvliegtuigen

a)

Houders van een SPL gebruiken een zweefvliegtuig alleen in de wolken als:

1)

alle motoren zijn stilgelegd, en

2)

zij over bevoegdheden voor wolkenvluchten met zweefvliegtuigen beschikken.

b)

De bevoegdheden van een SPL omvatten de bevoegdheden voor wolkenvluchten als de piloot ten miste het volgende heeft voltooid:

1)

30 uur als PIC in zweefvliegtuigen na de verlening van de bevoegdheid;

2)

een opleidingscursus aan een ATO of DTO, met inbegrip van:

i)

theorieonderwijs;

ii)

ten minste twee uur dubbelbesturingsonderricht in zweefvliegtuigen met uitgeschakelde motor, waarbij het luchtvaartuig uitsluitend op basis van de instrumenten wordt bestuurd. Een maximum van 50 % van de dubbelbesturingsinstructie mag echter worden voltooid in gemotoriseerde TMG’s, op voorwaarde dat die trainingsvluchten onder VMC worden uitgevoerd.

c)

Om bevoegdheden voor wolkenvluchten met een zweefvliegtuig te verkrijgen, wordt een houder van een SPL die ook een basisinstrument-bevoegdverklaring (BIR) of een IR(A) bezit overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of die aan alle vereisten voor de afgifte van een van deze bevoegdverklaringen heeft voldaan:

1)

vrijgesteld van de eisen onder b), punt 2, i);

2)

in afwijking van het bepaalde onder b), punt 2, ii), verplicht ten minste één uur dubbelbesturingsonderricht in een zweefvliegtuig te volgen, waarbij dat vliegtuig uitsluitend aan de hand van instrumenten wordt bestuurd.

d)

De voltooiing van de onder b), punt 2, en onder c), punt 2, gespecificeerde opleidingscursus, naargelang het geval, wordt opgetekend in het logboek en ondertekend door het hoofd opleiding van de ATO of DTO dat verantwoordelijk is voor de training.

e)

Houders van SPL oefenen hun bevoegdheden voor wolkenvluchten met zweefvliegtuigen slechts uit indien zij gedurende de laatste twee jaar vóór de geplande wolkenvlucht ten minste één vlieguur, of vijf vluchten, hebben uitgevoerd als PIC die de bevoegdheden voor wolkenvluchten in zweefvliegtuigen uitoefent.

f)

Indien houders van een SPL met bevoegdheden voor wolkenvluchten met zweefvliegtuigen niet aan de vereisten onder e) voldoen en zij hun bevoegdheden voor wolkenvluchten met een zweefvliegtuig wensen te hervatten, dienen zij:

1)

te slagen voor een bekwaamheidsproef met een examinator, of

2)

met een FI(S) de extra vliegtijd of vluchten uit te voeren zoals vereist onder e).

g)

Houders van SPL voor wolkenvluchten met zweefvliegtuigen die ook een BIR of een IR(A) bezitten overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, worden volledig vrijgesteld van de vereisten onder e).

SUBDEEL FI

VLIEGINSTRUCTEURS

Afdeling 1

Algemene voorschriften

SFCL.300   Certificaat van vlieginstructeur

a)

Algemeen

Een instructeur mag alleen vlieginstructie geven in een zweefvliegtuig als hij of zij:

1)

in het bezit is van:

i)

een SPL met de bevoegdheden, bevoegdverklaringen en certificaten waarvoor hij of zij vlieginstructie dient te geven;

ii)

een certificaat van zweefvlieginstructeur (FI(S) dat geschikt is voor de te geven instructie en afgegeven is overeenkomstig dit subdeel;

2)

bevoegd is om tijdens de vlieginstructie te handelen als PIC van het zweefvliegtuig.

b)

Instructie buiten het grondgebied van de lidstaten

1)

In afwijking van het bepaalde onder a), punt 1, geeft de bevoegde autoriteit, in het geval vlieginstructie tijdens een overeenkomstig deze bijlage (deel‐SFCL) goedgekeurde opleidingscursus die plaatsvindt buiten het grondgebied waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn uit hoofde van het Verdrag van Chicago, een certificaat van vlieginstructeur af aan een kandidaat die houder is van een bewijs van bevoegdheid als piloot dat voldoet aan bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, als die kandidaat:

i)

houder is van ten minste een bewijs van bevoegdheid dat, voor zover relevant, bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten omvat die gelijkwaardig zijn aan die waarvoor hij of zij instructie mag geven;

ii)

voldoet aan de in dit subdeel vastgestelde eisen voor de afgifte van een FI(S)-certificaat met de relevante instructiebevoegdheden;

iii)

aan de bevoegde autoriteit aantoont dat hij of zij over passende kennis beschikt van de Europese regels inzake luchtvaartveiligheid om de bevoegdheden van instructeur overeenkomstig deze bijlage te kunnen uitoefenen.

2)

Het certificaat wordt beperkt tot het geven van vlieginstructie:

i)

buiten het grondgebied waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn uit hoofde van het Verdrag van Chicago;

ii)

aan leerling-piloten die voldoende kennis hebben van de taal waarin de vlieginstructie wordt gegeven.

Afdeling 2

Certificaat van vlieginstructeur voor zweefvliegtuigen — FI(S)

SFCL.315   FI(S)-certificaat — Bevoegdheden en voorwaarden

a)

Mits kandidaten voldoen aan punt SFCL.320 en onder de volgende voorwaarden, wordt een FI(S)-certificaat afgegeven met bevoegdheden om vlieginstructie te geven voor:

1)

een SPL;

2)

extra bevoegdheden voor zweefvliegtuigen overeenkomstig punt SFCL.150, onder e);

3)

lanceringsmethoden overeenkomstig punt SFCL.155, op voorwaarde dat de kandidaat als PIC het volgende heeft uitgevoerd:

i)

in het geval van lancering door slepen, ten minste 30 lanceringen, of

ii)

in het geval van lancering middels een lier, ten minste 50 lanceringen;

4)

extra TMG-bevoegdheden overeenkomstig punt SFCL.150, onder b), op voorwaarde dat de kandidaat:

i)

als PIC ten minste 30 uren met TMG’s heeft gevolgen;

ii)

de in punt SFCL.330, onder b), punt 2, gespecificeerde opleidingen heeft voltooid;

iii)

zijn of haar bekwaamheid heeft aangetoond om op TMG’s instructie te geven aan een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig punt 7, en wordt aangesteld door het hoofd opleiding van de ATO of DTO;

5)

bevoegdheden voor kunstvliegen op basis- of gevorderd niveau, wolkenvluchten met zweefvliegtuigen of het slepen van zweefvliegtuigen of banners, op voorwaarde dat de kandidaat:

i)

in het geval van instructie voor kunstvliegen op basis- of gevorderd niveau, bevoegdheden bezit voor gevorderd kunstvliegen overeenkomstig punt SFCL.200, onder c);

ii)

Voor de relevante bevoegdheden of bevoegdverklaringen zijn of haar bekwaamheid heeft aangetoond om instructie te geven aan een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig het bepaalde onder a), punt 7, en wordt aangesteld door het hoofd opleiding van een ATO of DTO;

6)

TMG-nachtvluchten, op voorwaarde dat de kandidaat:

i)

voldoet aan de ervaringseisen voor nachtvliegen van SFCL.160, onder e), punt 2;

ii)

zijn of haar bekwaamheid om ’s nachts instructie te geven op TMG’s heeft aangetoond ten overstaan van een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig punt 7 en wordt aangesteld door het hoofd opleiding van een ATO of DTO;

7)

een FI(S)-certificaat, mits de kandidaat het volgende heeft voltooid:

i)

ten minste 50 uur of 150 lanceringen voor vlieginstructie in zweefvliegtuigen;

ii)

overeenkomstig de daartoe door de bevoegde autoriteiten vastgestelde procedures, heeft aangetoond dat hij of zij in staat is instructie te geven voor het FI(S)-certificaat ten overstaan van een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig deze paragraaf en die is voorgedragen door het hoofd opleiding van een ATO of een DTO.

b)

De onder a) genoemde bevoegdheden omvatten de bevoegdheden om vlieginstructie te geven voor:

1)

de afgifte van de betreffende bewijzen van bevoegdheid, bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten, en

2)

de bevestiging, verlenging of naleving van de relevante eisen inzake recentheid van deze bijlage, naargelang het geval.

SFCL.320   FI(S)-certificaat — Voorwaarden en eisen

Kandidaten voor een FI(S)-certificaat moeten:

a)

ten minste 18 jaar zijn;

b)

voldoen aan de eisen onder a), punt 1, i), en onder a), punt 2, van punt SCL.300;

c)

100 vlieguren en 200 lanceringen hebben uitgevoerd als PIC op zweefvliegtuigen;

d)

aan een ATO of DTO een opleidingscursus voor instructeurs hebben gevolgd overeenkomstig punt SFCL.330, en

e)

geslaagd zijn voor de beoordeling van de vakbekwaamheid overeenkomstig SFCL.345.

SFCL.325   FI(S)-bekwaamheden en beoordeling

Kandidaten voor een FI(S)-certificaat worden opgeleid om de volgende vakbekwaamheden te verwerven:

a)

het voorbereiden van voor de instructie benodigde middelen;

b)

een stimulerend leerklimaat scheppen;

c)

het overdragen van kennis;

d)

het integreren van risico- en foutenbeheer (threat and error management — TEM) en boordpersoneelsbeheer (CRM);

e)

timemanagement om de opleidingsdoelstellingen te bereiken;

f)

het leerproces bevorderen;

g)

het beoordelen van de prestaties van de leerling;

h)

het toezicht houden op en beoordelen van de vorderingen;

i)

het evalueren van opleidingssessies, en

j)

het rapporteren van resultaten.

SFCL.330   LAPL — Opleidingscursus

a)

Kandidaten voor een FI(S)-certificaat moeten eerst slagen voor een specifieke toelatingsproef aan een ATO of DTO, die tijdens de twaalf maanden voor de start van de opleiding wordt afgenomen om te beoordelen of de kandidaat geschikt is om de opleiding te volgen.

b)

De FI(S)-opleidingscursus omvat het volgende:

1)

in verband met zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s:

i)

de in punt SFCL.325 genoemde aspecten;

ii)

25 uur onderricht en leren;

iii)

30 uur theorieonderwijs en oefeningen, met inbegrip van voortgangstests;

iv)

ten minste zes uur, waarvan maximaal drie uur in TMG’s, of 20 lanceringen vlieginstructie;

2)

als de bevoegdheden van het FI(S)-certificaat de in punt SFCL.315, onder a), punten 4 en 6, gespecificeerde rechten omvatten, wordt dit aangevuld met ten minste zes uur dubbelbesturingsonderricht op TMG’s.

c)

Kandidaten die reeds houder zijn van een certificaat van instructeur overeenkomstig bijlage III (deel‐BFCL) bij Verordening (EU) 2018/395 of bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011, worden volledig vrijgesteld van de eisen onder b), punt 1, ii).

d)

Wanneer een piloot die houder is of is geweest van een FI(A), (H) of (As) een FI(S)-certificaat aanvraagt, wordt hij of zij vrijgesteld van 18 van de onder b), punt 1, iii), vereiste uren.

SFCL.345   FI(S) — Beoordeling van de bekwaamheid

a)

Kandidaten voor de afgifte van een FI(S)-certificaat moeten slagen voor een beoordeling van de bekwaamheid door aan een examinator die gekwalificeerd is overeenkomstig punt SFCL.415, onder c), aan te tonen dat zij bekwaam zijn om een leerling-piloot te instrueren tot het niveau dat vereist is voor de afgifte van een SPL.

b)

Die beoordeling omvat:

1)

het aantonen van de in SFCL.325 beschreven vakbekwaamheid voor en na de vlucht en tijdens theorieonderwijs;

2)

mondelinge theorie-examens op de grond, briefings voor en na de vlucht en demonstraties tijdens de vlucht in zweefvliegtuigen;

3)

oefeningen die adequaat zijn om de vakbekwaamheid van de instructeur te beoordelen.

c)

De beoordeling van de bekwaamheid voor de eerste afgifte van een FI(S)-certificaat wordt uitgevoerd in zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s.

SFCL.350   FI(S) — Beperkte bevoegdheden

a)

In de volgende gevallen worden de bevoegdheden van een FI(S) beperkt tot het uitvoeren van vlieginstructie onder toezicht van een FI(S) zonder beperkingen die voor dit doel door de ATO of DTO is aangeduid:

1)

voor de afgifte van een SPL;

2)

voor de uitbreiding van de bevoegdheden van een SPL met extra bevoegdheden voor zweefvliegtuigen of TMG’s overeenkomstig punt SFCL.150;

3)

voor de uitbreiding van de bevoegdheden van een SPL met aanvullende lanceringmethoden overeenkomstig punt SFCL.155, en

4)

voor bevoegdverklaringen voor kunstvliegen op basis- of gevorderd niveau, wolkenvluchten met zweefvliegtuigen of het slepen van zweefvliegtuigen of banners.

b)

Tijdens het geven van opleiding onder toezicht, overeenkomstig punt a), heeft de FI(S) niet de bevoegdheid om leerling-piloten toestemming te verlenen om eerste solovluchten en eerste solo-overlandvluchten uit te voeren.

c)

De onder a) en b) genoemde beperkingen worden van het FI(S)-certificaat geschrapt nadat de FI(S) ten minste 15 uur of 50 lanceringen vlieginstructie die alle fasen van een vlucht met een zweefvliegtuig bestrijkt, heeft voltooid. In het geval van een beperkte FI(S) die voldoet aan punt SFCL.330, onder b), punt 2, mogen 5 van die 15 uren worden voltooid in TMG’s en 15 van die 50 lanceringen worden vervangen door starts en landingen in TMG’s.

SFCL.360   FI(S)-certificaat — Eisen inzake recentheid

a)

Een houder van een FI(S)-certificaat oefent de bevoegdheden van zijn of haar certificaat alleen uit indien hij vóór de geplande uitoefening van die bevoegdheden:

1)

gedurende de voorbije drie jaar het volgende heeft voltooid:

i)

een herhalingsopleiding voor instructeurs aan een ATO, een DTO of bij een bevoegde autoriteit gedurende welke de houder theorieonderwijs volgt om de voor instructeurs van zweefvliegtuigen relevante kennis op te frissen en te actualiseren, en

ii)

bij het verstrekken van vlieginstructie als FI(S), ten minste:

A)

30 uur, of

B)

60 lanceringen of starts en landingen, en

2)

de voorbije negen jaar en overeenkomstig de daartoe door de bevoegde autoriteiten vastgestelde procedures, heeft aangetoond dat hij of zij in staat is op zweefvliegtuigen instructie te geven ten overstaan van een FI(S) die gekwalificeerd is overeenkomstig SFCL.315, onder a), punt 7, en die is voorgedragen door het hoofd opleiding van een ATO of een DTO.

b)

De uren die met een FE(S) worden gevlogen tijdens vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven en beoordelingen van vakbekwaamheid, worden volledig in mindering gebracht van de verplichtingen uit hoofde van punt a), punt 1, ii).

c)

Indien de houder van het FI(S)-certificaat er niet in slaagt de instructievluchten onder toezicht en tot tevredenheid van de FI(S) te voltooien overeenkomstig punt a), punt 2, mag hij of zij de bevoegdheden van het FI(S)-certificaat niet uitoefenen voordat hij of zij met succes een beoordeling van de bekwaamheid overeenkomstig punt SFCL.345 heeft voltooid.

d)

Om de uitoefening van de bevoegdheden van het FI(S)-certificaat te hervatten, moet een houder van een FI(S)-certificaat die niet aan alle vereisten van paragraaf a) voldoet, voldoen aan de eisen van punt a), punt 1, i), en van punt SFCL.345.

SUBDEEL FE

VLIEGEXAMINATOREN

Afdeling 1

Algemene voorschriften

SFCL.400   Certificaten voor zweefvliegexaminatoren

a)

Algemeen

Een examinator mag slechts overeenkomstig deze bijlage vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van de vakbekwaamheid uitvoeren als hij of zij:

1)

in het bezit is van:

i)

een SPL met de bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten waarvoor hij bevoegd is om vaardigheidstest, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van de vakbekwaamheid af te nemen en met de bevoegdheden om daarover instructie te geven;

ii)

een FE(S)-certificaat met de overeenkomstig dit subdeel verleende passende bevoegdheden voor de uitgevoerde vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van de vakbekwaamheid;

2)

gekwalificeerd is om als PIC op te treden in een zweefvliegtuig tijdens een vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van de vakbekwaamheid.

b)

Examens die buiten het grondgebied van de lidstaten worden georganiseerd

1)

Als vaardigheidstests en bekwaamheidsproeven worden georganiseerd buiten het grondgebied waarvoor de lidstaten uit hoofde van het Verdrag van Chicago verantwoordelijk zijn, geeft de bevoegde autoriteit, bij wijze van uitzondering op het bepaalde onder a), punt 1, een examinatorcertificaat af aan kandidaten die houder zijn van een bewijs van bevoegdheid als zweefvliegtuigpiloot dat voldoet aan bijlage 1 bij het Verdrag van Chicago, voor zover die kandidaten:

i)

houder zijn van ten minste een bewijs van bevoegdheid dat, indien van toepassing, de bevoegdheden, bevoegdverklaringen of certificaten omvat die gelijkwaardig zijn aan die waarvoor hij of zij vaardigheidstests of bekwaamheidsproeven mag afnemen;

ii)

voldoen aan de eisen van dit subdeel met betrekking tot de afgifte van het relevante certificaat voor examinatoren;

iii)

aan de bevoegde autoriteit aantonen dat zij over adequate kennis beschikken van de EU-regels inzake luchtvaartveiligheid om de bevoegdheden van examinator overeenkomstig deze bijlage te kunnen uitoefenen.

2)

Het in punt 1 vermelde certificaat is beperkt tot het uitvoeren van vaardigheidstests en bekwaamheidsproeven:

i)

buiten het grondgebied waarvoor de lidstaten verantwoordelijk zijn uit hoofde van het Verdrag van Chicago, en

ii)

van piloten die voldoende kennis hebben van de taal waarin de test/proef wordt afgenomen.

SFCL.405   Beperking van bevoegdheden in het geval van belangenverstrengeling

Het is een zweefvliegexaminator niet toegestaan:

a)

met het oog op de afgifte van een bewijs van bevoegdheid, bevoegdverklaring of certificaat een vaardigheidstest of beoordeling van vakbekwaamheid af te nemen van een kandidaat aan wie hij of zij meer dan 50 % van de voor het bewijs van bevoegdheid, de bevoegdverklaring of het certificaat in kwestie vereiste vlieginstructie heeft gegeven, of

b)

een vaardigheidstests, bekwaamheidsproef of beoordeling van de vakbekwaamheid af te nemen wanneer de examinator zijn of haar objectiviteit niet kan garanderen.

SFCL.410   Uitvoeren van vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven en beoordelingen van vakbekwaamheid

a)

Tijdens het uitvoeren van vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven en beoordelingen van vakbekwaamheid dient de examinator al het volgende te doen:

1)

ervoor zorgen dat de communicatie met de kandidaat zonder taalbarrières kan verlopen;

2)

controleren of de kandidaat voldoet aan alle in deze bijlage vastgestelde eisen inzake kwalificatie, opleiding en ervaring voor de afgifte, verlenging of hernieuwde afgifte van het bewijs van bevoegdheid, de bevoegdheden, de bevoegdverklaring of het certificaat waarvoor de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van vakbekwaamheid wordt afgenomen;

3)

de kandidaat bewust maken van de gevolgen van het verstrekken van onvolledige, onnauwkeurige of valse informatie met betrekking tot zijn of haar opleiding en ervaring als piloot.

b)

Na het voltooien van de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van vakbekwaamheid, dient de examinator voor het zweefvliegtuig:

1)

de kandidaat in kennis te stellen van de resultaten van de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van vakbekwaamheid;

2)

in het geval van het slagen voor een beoordeling van vakbekwaamheid voor de verlenging of hernieuwde afgifte: de nieuwe vervaldatum aan te tekenen op het bewijs van bevoegdheid of certificaat van de kandidaat, indien de examinator daartoe machtiging heeft gekregen van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bewijs van bevoegdheid van de kandidaat;

3)

de kandidaat een ondertekend verslag te overhandigen van de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van de vakbekwaamheid en onverwijld kopieën van het verslag in te dienen bij de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bevoegdheidsbewijs van de kandidaat, en bij de bevoegde autoriteit die het certificaat van examinator heeft afgegeven. Dat verslag bevat:

i)

een verklaring dat de examinator zweefvliegen informatie heeft ontvangen van de kandidaat met betrekking tot zijn ervaring en instructie, en dat die ervaring en instructie in overeenstemming zijn met de toepasselijke eisen van deze bijlage;

ii)

bevestiging dat alle vereiste manoeuvres en oefeningen werden volbracht, evenals informatie over de mondelinge theorie-examens, indien van toepassing. Indien de kandidaat voor een item van die categorieën niet geslaagd is, noteert de examinator de redenen voor die beoordeling;

iii)

het resultaat van de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van vakbekwaamheid;

iv)

een verklaring dat de examinator zweefvliegen kennis heeft genomen van de nationale procedures en eisen van de bevoegde autoriteit van de kandidaat en deze heeft toegepast, indien de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bewijs van bevoegdheid van de kandidaat een andere is dan de bevoegde autoriteit die het certificaat van examinator heeft uitgereikt;

v)

een kopie van het certificaat van de examinator zweefvliegen, met vermelding van de reikwijdte van diens bevoegdheden als examinator zweefvliegen, in het geval van vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van vakbekwaamheid van een kandidaat waarvoor de bevoegde autoriteit een andere is dan de bevoegde autoriteit die het certificaat van examinator heeft uitgereikt.

c)

Examinatoren zweefvliegen bewaren de gegevens van alle vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven en beoordelingen van vakbekwaamheid die ze hebben uitgevoerd, met inbegrip van de resultaten, gedurende vijf jaar.

d)

Op vraag van de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het certificaat van examinator zweefvliegen of de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het bevoegdheidsbewijs van de kandidaat, verstrekt de examinator zweefvliegen alle gegevens, rapporten en andere mogelijke informatie die voor toezichtsactiviteiten vereist zijn.

Afdeling 2

Certificaat van vliegexaminator voor zweefvliegtuigen — FE(S)

SFCL.415   FE(S)-certificaat — Bevoegdheden en voorwaarden

Mits de kandidaat punt SFCL.420 naleeft en onder de volgende voorwaarden, wordt een FE(S)-certificaat afgegeven met bevoegdheden voor het afnemen van:

a)

vaardigheidstests en bekwaamheidsproeven voor de SPL op voorwaarde dat de kandidaat ten minste 300 uur met zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, heeft gevlogen, waarvan ten minste 150 uur of 300 lanceringen vlieginstructie;

b)

vaardigheidstests voor de uitbreiding van de SPL-bevoegdheden naar TMG overeenkomstig punt SFCL.150, onder e), op voorwaarde dat de kandidaat 300 uur met zweefvliegtuigen heeft gevlogen, waarvan 50 uur vlieginstructie in TMG’s;

c)

beoordelingen van de vakbekwaamheid voor de afgifte van FI(S)-certificaten voor zweefvliegtuigen, op voorwaarde dat de kandidaat:

1)

ten minste 500 vlieguren in een zweefvliegtuig heeft voltooid, met inbegrip van, als de bevoegdheden van het FE(S)-certificaat worden uitgeoefend in:

i)

zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s, ten minste 10 uur of 30 lanceringen ter instructie van de kandidaat voor een FI(S)-certificaat voor zweefvliegtuigen, met uitzondering van TMG’s;

ii)

TMG’s, ten minste 10 uur of 30 starts en landingen ter instructie van de kandidaat voor een FI(S)-certificaat in TMG’s;

2)

een specifieke opleiding heeft genoten tijdens een standaardisatiecursus voor examinatoren overeenkomstig punt SFCL.430.

SFCL.420   FE(S)-certificaat — Voorwaarden en eisen

Een kandidaat voor een FE(S)-certificaat:

a)

voldoet aan de eisen onder a), punt 1, i), en onder a), punt 2, van punt SFCL.400;

b)

heeft de FE(S) standaardopleiding afgerond overeenkomstig punt SFCL.430;

c)

is geslaagd voor een beoordeling van de vakbekwaamheid overeenkomstig punt SFCL.445;

d)

toont aan over een relevante achtergrond te beschikken met betrekking tot de bevoegdheden van het FE(S)-certificaat, en

e)

toont aan dat hij de laatste drie jaar niet aan sancties onderworpen is geweest, met inbegrip van de schorsing, beperking of intrekking van een van zijn of haar bewijzen van bevoegdheid, bevoegdverklaringen of certificaten die zijn afgegeven overeenkomstig deze bijlage, overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) bij Verordening (EU) nr. 1178/2011 of bijlage III (deel‐BFCL) bij Verordening (EU) 2018/395, vanwege de niet-naleving van Verordening (EU) 2018/1139 en de gedelegeerde en uitvoeringshandelingen daarvan.

SFCL.430   FE(S)-certificaat — Standaardisatiecursus

a)

Kandidaten voor een FE(S)-certificaat volgen een standaardisatiecursus die wordt gegeven door de bevoegde autoriteit of die door de bevoegde autoriteit is goedgekeurd maar wordt gegeven door een ATO of DTO.

b)

De standaardisatiecursus moet afgestemd zijn op de aangevraagde bevoegdheden van de examinator zweefvliegen en omvat theoretische en praktische instructie, waaronder ten minste:

1)

het uitvoeren van twee vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van de vakbekwaamheid voor de SPL of bijbehorende bevoegdverklaringen of certificaten;

2)

instructie over de toepasselijke eisen van deze bijlage en de toepasselijke eisen voor vluchtuitvoeringen, het uitvoeren van vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven en beoordelingen van vakbekwaamheid, en het documenteren en rapporteren daarvan;

3)

een briefing over:

i)

nationale administratieve procedures;

ii)

voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens;

iii)

de aansprakelijkheid van de examinator;

iv)

de ongevallenverzekering van de examinator;

v)

nationale tarieven, en

vi)

informatie over de toegang tot de informatie in de punten i) tot en met v) bij het uitvoeren van vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van vakbekwaamheid van een kandidaat wiens bevoegde autoriteit niet de instantie is die het certificaat van examinator heeft uitgereikt.

c)

Een houder van een FE(S)-certificaat mag geen vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van vakbekwaamheid afnemen van een kandidaat wiens bevoegde autoriteit een andere is dan de bevoegde autoriteit die het certificaat van examinator heeft uitgereikt, tenzij hij of zij kennis heeft genomen van de recentste beschikbare informatie over de desbetreffende nationale procedures van de bevoegde autoriteit van de kandidaat.

SFCL.445   FE(S)-certificaat — Beoordeling van de vakbekwaamheid

Een kandidaat voor de eerste afgifte van een FE(S)-certificaat toont zijn of haar bekwaamheid als FE(S) aan ten overstaan van een inspecteur van de bevoegde autoriteit of een speciaal daartoe door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het FE(S)-certificaat gemachtigde senior examinator. Tijdens de beoordeling van de vakbekwaamheid voert de kandidaat een vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van de vakbekwaamheid uit, met inbegrip van de briefing, uitvoering van de vaardigheidstest, bekwaamheidsproef of beoordeling van vakbekwaamheid, en van de beoordeling van de persoon die aan de test, proef of beoordeling wordt onderworpen en de debriefing en registratie van documenten.

SFCL.460   FE(S)-certificaat — Geldigheid, hernieuwing en verlenging

a)

Een FE(S)-certificaat is vijf jaar geldig.

b)

Een FE(S)-certificaat wordt verlengd indien de houder:

1)

tijdens de geldigheidsperiode van het FE(S)-certificaat een herhalingscursus voor examinatoren heeft voltooid die is gegeven door hetzij de bevoegde autoriteit dan wel goedgekeurd door de bevoegde autoriteit maar gegeven door een ATO of DTO, tijdens welke de houder theoretische opleiding krijgt om de voor zweefvliegexaminatoren relevante kennis op te frissen en te actualiseren;

2)

in de laatste 24 maanden vóór het einde van de geldigheidsduur van het certificaat aan een inspecteur van de bevoegde autoriteit of aan een speciaal daartoe door de bevoegde autoriteit die verantwoordelijk is voor het FE(S)-certificaat gemachtigde examinator de bekwaamheid heeft aangetoond om vaardigheidstests, bekwaamheidsproeven of beoordelingen van vakbekwaamheid uit te voeren.

c)

Een houder van een FE(S)-certificaat die ook houder is van één of meer certificaten van examinator voor andere luchtvaartuigcategorieën overeenkomstig bijlage I (deel‐FCL) van Verordening (EU) nr. 1178/2011 of bijlage III (deel‐BFCL) van Verordening (EU) 2018/395, kan, in overleg met de bevoegde autoriteit, een gecombineerde verlenging van alle certificaten van examinator aanvragen.

d)

Als het FE(S)-certificaat is verlopen, moet de houder daarvan voldoen aan de eisen van punt b), punt 1, en van punt SFCL.445 voordat hij of zij de uitoefening van de bevoegdheden van het FE(S)-certificaat mag hervatten.

e)

Een FE(S)-certificaat wordt alleen hernieuwd of verlengd als de kandidaat aantoont dat hij te allen tijd voldoet aan de eisen van punt SFCL.410 alsmede aan de eisen van de punten SFCL.420, onder d) en e).

”.

Top