EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32020Q0214(01)

Praktische Aanwijzingen voor de Partijen Inzake bij het Hof Aangebrachte zaken

OJ L 42I , 14.2.2020, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/proc_rules/2020/214/oj

14.2.2020   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 42/1


PRAKTISCHE AANWIJZINGEN VOOR DE PARTIJEN INZAKE BIJ HET HOF AANGEBRACHTE ZAKEN

INHOUD

(De nummers verwijzen naar de relevante punten)

I.

ALGEMENE BEPALINGEN 1 – 9
Fasen in de procedure bij het Hof en hun wezenlijke kenmerken 1
Vertegenwoordiging van de partijen voor het Ho 2-3
Kosten van de procedure bij het Hof en rechtsbijstand 4-6
Bescherming van persoonsgegevens 7-9

II.

SCHRIFTELIJKE BEHANDELING 10 – 50
Doel van de schriftelijke behandeling 10
Schriftelijke behandeling van prejudiciële verwijzingen 11-12
Schriftelijke behandeling in rechtstreekse beroepen 13-19
Verzoekschrift 13-14
Verweerschrift 15-16
Repliek en dupliek 17
Verzoek om versnelde behandeling 18
Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging of om voorlopige maatregelen (Kort geding) 19
Schriftelijke behandeling van de hogere voorzieningen 20-32
Verzoekschrift in hogere voorziening 21-25
Memorie van antwoord 26
Incidentele hogere voorziening 27
Memorie van antwoord op de incidentele hogere voorziening 28
Memories van repliek en dupliek 29-30
Krachtens artikel 57 van het Statuut ingestelde hogere voorzieningen 31
Vertrouwelijkheid in hogere voorzieningen 32
Interventie in rechtstreekse beroepen en in hogere voorzieningen 33-38
Interventieverzoek 33
Memorie in interventie 34
Opmerkingen naar aanleiding van de memorie in interventie 35
Te laat ingediende interventieverzoeken 36
Interventie in het kader van een verzoek in kort geding of een versnelde procedure 37
Uitsluiting van de interventie in prejudiciële zaken 38
Vorm en structuur van de processtukken 39-45
Neerlegging en toezending van processtukken 46-50

III.

MONDELINGE BEHANDELING 51 – 69
Doel van de pleitzitting 52
Verzoek om een terechtzitting 53
De oproeping voor de terechtzitting en de noodzaak om daar snel op te antwoorden 54
Met het oog op de terechtzitting te nemen maatregelen 55-57
Gebruikelijke verloop van een pleitzitting 58
Eerste fase van de terechtzitting: de pleidooien 59-64
Doel van de pleidooien 59
Spreektijd en eventuele verlenging daarvan 60
Aantal pleiters 61
Taal van de pleidooien 62-64
Tweede fase van de terechtzitting: de vragen van de leden van het Hof 65
Derde fase van de terechtzitting: de replieken 66
Gevolgen en beperkingen van de simultaanvertolking 67-68
Na afloop van de pleitzitting 69

IV.

SLOTBEPALINGEN 70 – 71

HET HOF VAN JUSTITIE,

Gezien het Reglement voor de procesvoering en met name artikel 208,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 25 november 2013 heeft het Hof van Justitie op de grondslag van artikel 208 van zijn Reglement voor de procesvoering nieuwe praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het Hof aangebrachte zaken (1) vastgesteld. Deze aanwijzingen hadden tot doel de partijen en hun vertegenwoordigers concrete aanwijzingen te geven op basis van het op 25 september 2012 vastgestelde nieuwe Reglement voor de procesvoering (2). Daarbij werd met name rekening gehouden met de ervaring die was opgedaan tijdens het eerste jaar van tenuitvoerlegging van dat Reglement.

(2)

Sinds de inwerkingtreding van die aanwijzingen op 1 februari 2014 hebben zich echter zowel op technisch gebied als op het gebied van de regelgeving meerdere belangrijke ontwikkelingen voorgedaan.

(3)

Ten eerste maken de partijen namelijk almaar meer gebruik van elektronische communicatiemiddelen voor de toezending van hun processtukken. Dit draagt bij tot een snellere behandeling van de zaken, maar vereist tevens dat nader wordt gepreciseerd hoe die toezending moet plaatsvinden en welke maatregelen moeten worden genomen om de behandeling en de vertaling van het ingediende stuk te vergemakkelijken en om in voorkomend geval de vertrouwelijkheid van de daarin vervatte informatie te waarborgen.

(4)

Ten tweede is het Reglement voor de procesvoering van het Hof sinds 2012 meermaals gewijzigd, nu eens om de wijze van interventie van de partijen voor de rechterlijke instantie toe te lichten of te preciseren, dan weer om rekening te houden met de wijzigingen die de Uniewetgever heeft doorgevoerd op gebieden als de bescherming van persoonsgegevens of de behandeling van de in artikel 58 bis van het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie bedoelde hogere voorzieningen.

(5)

In het belang van een goede rechtsbedeling en met het oog op een grotere leesbaarheid dienen dan ook nieuwe praktische aanwijzingen te worden vastgesteld waarbij rekening wordt gehouden met de bovengenoemde ontwikkelingen.

(6)

Deze nieuwe aanwijzingen, die van toepassing zijn op alle categorieën van zaken die bij het Hof aanhangig worden gemaakt, zijn niet bedoeld als vervanging van de relevante bepalingen van het Statuut of het Reglement voor de procesvoering. Zij hebben tot doel de partijen en hun vertegenwoordigers de strekking van die bepalingen beter te laten begrijpen en hun een nauwkeuriger beeld te geven van het verloop van de procedure bij het Hof, meer bepaald de beperkingen waarmee het Hof wordt geconfronteerd, in het bijzonder die in verband met de behandeling en de vertaling van de processtukken en de simultaanvertolking van de opmerkingen tijdens de pleitzittingen. Zowel voor de partijen als voor het Hof kan een optimale behandeling van de zaken door de rechterlijke instantie het best worden gegarandeerd wanneer de onderhavige aanwijzingen worden nageleefd en in aanmerking worden genomen,

STELT DE VOLGENDE PRAKTISCHE AANWIJZINGEN VAST:

I.   ALGEMENE BEPALINGEN

Fasen in de procedure bij het Hof en hun wezenlijke kenmerken

1.

Onverminderd bijzondere bepalingen in het Protocol betreffende het Statuut van het Hof van Justitie van de Europese Unie (hierna: “Statuut”) of het Reglement voor de procesvoering, omvat de procedure bij het Hof in de regel een schriftelijke en een mondelinge behandeling. De schriftelijke behandeling heeft tot doel om voor het Hof de grieven, middelen en argumenten van de partijen in de procedure uiteen te zetten of, in prejudiciële zaken, de opmerkingen van de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden ten aanzien van de vragen die door de rechterlijke instanties van de lidstaten van de Unie worden gesteld. De daaropvolgende mondelinge behandeling is bedoeld om het Hof beter kennis te laten nemen van de zaak door het eventuele horen van die partijen of belanghebbenden of, in voorkomend geval, het horen van de advocaat-generaal in zijn conclusie.

Vertegenwoordiging van de partijen voor het Hof

2.

Krachtens artikel 19 van het Statuut moeten de partijen in de procedure bij het Hof worden vertegenwoordigd door een daartoe naar behoren gemachtigde persoon. Met uitzondering van de lidstaten, de overige staten die partij zijn bij de Overeenkomst inzake de Europese Economische Ruimte (hierna: “EER-overeenkomst”), de Toezichthoudende Autoriteit van de Europese Vrijhandelsassociatie (hierna: “EVA”) en de instellingen van de Unie, die gewoonlijk worden vertegenwoordigd door een gemachtigde die voor elke zaak wordt benoemd, worden de overige partijen vertegenwoordigd door een advocaat die bevoegd is op te treden voor een rechterlijke instantie van een lidstaat of van een andere staat die partij is bij de EER-overeenkomst. Het bewijs van die hoedanigheid moet in elk stadium van de procedure op eerste verzoek kunnen worden geleverd. Ingevolge artikel 19, zevende alinea, van het Statuut worden hoogleraren die onderdaan zijn van een lidstaat waarvan de wetgeving hun het recht toekent te pleiten, met advocaten gelijkgesteld.

3.

In de prejudiciële zaken houdt het Hof op het punt van de vertegenwoordiging van de partijen in het hoofdgeding evenwel rekening met de procesregels die gelden voor de rechterlijke instantie die het Hof heeft aangezocht. Elke persoon die bevoegd is een partij voor die rechterlijke instantie te vertegenwoordigen, mag haar dus ook voor het Hof vertegenwoordigen, en indien de nationale procesregels zulks toelaten, kunnen ook de partijen in het hoofdgeding zelf schriftelijke of mondelinge opmerkingen indienen. Indien hierover twijfel bestaat, kan het Hof te allen tijde relevante inlichtingen inwinnen bij deze partijen, hun vertegenwoordigers of de rechterlijke instantie die het Hof heeft aangezocht.

Kosten van de procedure bij het Hof en rechtsbijstand

4.

Onverminderd het bepaalde in artikel 143 van het Reglement voor de procesvoering is de procedure bij het Hof kosteloos, aangezien aan het Hof geen recht of heffing als gevolg van het instellen van een beroep of het neerleggen van een processtuk is verschuldigd. De kosten bedoeld in de artikelen 137 en volgende van het Reglement voor de procesvoering omvatten uitsluitend de zogenoemde “invorderbare” kosten, zijnde de bedragen die eventueel verschuldigd zijn aan getuigen en deskundigen en de in verband met de procedure bij het Hof gemaakte noodzakelijke kosten voor het honorarium van hun vertegenwoordiger en de kosten voor zijn reis naar en verblijf in Luxemburg, wanneer een pleitzitting wordt gehouden. Over de hoogte van die kosten en degene die deze moet dragen, doet het Hof uitspraak in het arrest of de beschikking waardoor een einde komt aan het geding, terwijl het in prejudiciële zaken aan de verwijzende rechterlijke instantie staat om uitspraak te doen over de proceskosten.

5.

Indien een partij, of in prejudiciële zaken een partij in het hoofdgeding, niet of slechts ten dele in staat is de proceskosten te dragen, kan zij te allen tijde rechtsbijstand aanvragen onder de voorwaarden in respectievelijk de artikelen 115 tot en met 118 en 185 tot en met 189 van het Reglement voor de procesvoering. Om in aanmerking te kunnen worden genomen, moeten dergelijke aanvragen evenwel vergezeld gaan van alle noodzakelijke inlichtingen en bewijzen, zodat het Hof de daadwerkelijke financiële situatie van de aanvrager kan onderzoeken. Omdat het Hof in prejudiciële zaken uitspraak doet op het verzoek van een rechterlijke instantie van een lidstaat, moeten de partijen in het hoofdgeding eventuele rechtsbijstand met voorrang bij die rechterlijke instantie of bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaat aanvragen, aangezien de door het Hof toegekende bijstand ondergeschikt is aan de bijstand die op nationaal vlak wordt verleend.

6.

Het is nuttig eraan te herinneren dat het Hof, wanneer het de aanvraag voor rechtsbijstand inwilligt, slechts opkomt voor de kosten in verband met de bijstand en de vertegenwoordiging van de aanvrager voor het Hof, in voorkomend geval binnen de grenzen gesteld door de rechtsprekende formatie. Overeenkomstig de regels in het Reglement voor de procesvoering kunnen deze kosten later door het Hof worden verhaald in de beslissing waardoor een einde komt aan het geding en waarin over de proceskosten wordt beslist. De rechtsprekende formatie die op de aanvraag voor rechtsbijstand heeft beslist, kan voorts de rechtsbijstand te allen tijde intrekken, wanneer de omstandigheden op grond waarvan deze is toegekend hangende het geding wijzigen.

Bescherming van persoonsgegevens

7.

Het Hof behandelt prejudiciële zaken in de regel in geanonimiseerde vorm teneinde te zorgen voor een optimale bescherming van persoonsgegevens, met name in het kader van de bekendmakingen waartoe het overgaat in verband met de aanhangig gemaakte zaken. Deze benadering impliceert in de praktijk dat het Hof, behalve in bijzondere omstandigheden, de naam en de voornaam van de in het verzoek om een prejudiciële beslissing vermelde natuurlijke personen onleesbaar maakt en in voorkomend geval hetzelfde doet met andere gegevens op grond waarvan die personen alsnog geïdentificeerd kunnen worden, wanneer die bewerking niet reeds is uitgevoerd door de verwijzende rechter voordat deze zijn verzoek heeft toegezonden. Alle belanghebbenden als bedoeld in artikel 23 van het Statuut wordt verzocht om in hun schriftelijke of mondelinge opmerkingen de aldus toegekende anonimiteit te eerbiedigen.

8.

Hetzelfde geldt voor hogere voorzieningen. Behalve in bijzondere omstandigheden eerbiedigt het Hof namelijk de door het Gerecht toegekende anonimiteit en wordt de partijen in de procedure verzocht om op hun beurt die anonimiteit te eerbiedigen in het kader van de procedure bij het Hof.

9.

Wanneer een partij in een procedure bij het Hof wenst dat haar identiteit of bepaalde gegevens die op haar betrekking hebben niet openbaar worden gemaakt in het kader van een zaak die bij het Hof wordt aangebracht — of wanneer zij, omgekeerd, wenst dat haar identiteit en die gegevens wel openbaar worden gemaakt in het kader van die zaak — kan zij het Hof altijd verzoeken om te beslissen of tot gehele of gedeeltelijke anonimisering van de betreffende zaak dient te worden overgegaan, dan wel of de reeds toegekende anonimiteit dient te worden gehandhaafd. Wil het effectief zijn, dan moet een dergelijk verzoek echter zo snel mogelijk worden gedaan. Gelet op het steeds toenemende gebruik van nieuwe informatie- en communicatietechnologieën blijkt anonimisering immers veel moeilijker te zijn wanneer de mededeling over de zaak in kwestie reeds in het Publicatieblad van de Europese Unie is bekendgemaakt, of in prejudiciële zaken wanneer het verzoek om een prejudiciële beslissing reeds aan de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden is betekend, hetgeen binnen ongeveer een maand na de neerlegging van het verzoek bij het Hof geschiedt.

II.   SCHRIFTELIJKE BEHANDELING

Doel van de schriftelijke behandeling

10.

De schriftelijke behandeling is essentieel voor het begrip van de zaak door het Hof. Zij moet het Hof in staat stellen om door lezing van de neergelegde memories en opmerkingen een nauwkeurig idee te krijgen van het voorwerp van de zaak die bij hem is aangebracht en de daarbij op het spel staande belangen. Hoewel dit het gemeenschappelijke doel is bij de behandeling van alle zaken die bij het Hof aanhangig worden gemaakt, zijn het verloop en de contouren van de schriftelijke behandeling evenwel verschillend naargelang de aard van het beroep. Daar waar bij rechtstreekse beroepen en hogere voorzieningen partijen wordt verzocht een standpunt in te nemen ten aanzien van de memories die door de andere partijen in de procedure worden neergelegd, wordt de schriftelijke behandeling van de prejudiciële verwijzingen erdoor gekenmerkt dat deze niet op tegenspraak verloopt, aangezien de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden slechts wordt verzocht hun eventuele opmerkingen naar aanleiding van de door een nationale rechter gestelde vragen te maken, in beginsel zonder dat zij het standpunt van de overige belanghebbenden ten aanzien van diezelfde vragen kennen. Hieruit volgt dat verschillende eisen moeten worden gesteld zowel aan de vorm en de inhoud van die opmerkingen als aan het verdere procesverloop, waarbij evenwel dient te worden aangetekend dat de meeste memories of opmerkingen die in de loop van de schriftelijke behandeling worden ingediend, moeten worden vertaald. Het verdient dan ook steeds de voorkeur om korte en eenvoudige zinnen te hanteren, en de argumenten van de partijen moeten voorkomen in hun memorie of in hun opmerkingen, en niet in de eventuele bijlagen daarbij, die doorgaans niet worden vertaald.

Schriftelijke behandeling van prejudiciële verwijzingen

11.

Wegens de niet-contentieuze aard van de prejudiciële procedure hoeven er geen bijzondere vormvereisten te worden gesteld aan de neerlegging van de schriftelijke opmerkingen van de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden. Wanneer het Hof hun een verzoek om een prejudiciële beslissing betekent, kunnen zij desgewenst een memorie indienen waarin zij hun standpunt ten aanzien van het verzoek van de verwijzende rechter uiteenzetten. Deze memorie — die moet worden neergelegd binnen een niet-verlengbare termijn van twee maanden (waarbij de forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen wordt opgeteld), te rekenen vanaf de betekening van het verzoek om een prejudiciële beslissing — is bedoeld om het Hof voor te lichten over de strekking van dit verzoek en bovenal over de antwoorden die op de vragen van de verwijzende rechter zouden moeten worden gegeven.

12.

Deze uiteenzetting moet weliswaar volledig zijn en meer bepaald het betoog bevatten dat ten grondslag kan worden gelegd aan het door het Hof te geven antwoord op de gestelde vragen, maar er hoeft niet te worden teruggekomen op het rechtskader of het feitelijke kader van het geschil zoals uiteengezet in de verwijzingsbeslissing, tenzij daarover aanvullende opmerkingen moeten worden gemaakt. Behoudens bijzondere omstandigheden of specifieke bepalingen in het Reglement voor de procesvoering die voorzien in een beperking van de lengte van de geschriften wegens de urgentie van de zaak, zouden de schriftelijke opmerkingen in een prejudiciële zaak niet langer mogen zijn dan 20 bladzijden.

Schriftelijke behandeling in rechtstreekse beroepen

Verzoekschrift

13.

Wegens de contentieuze aard ervan, gelden er strengere regels voor de schriftelijke behandeling van rechtstreekse beroepen. Deze zijn opgenomen in de artikelen 119 en volgende (van de vierde titel) van het Reglement voor de procesvoering. Deze betreffen zowel de verplichte vertegenwoordiging van partijen door een gemachtigde of een advocaat als de vormvereisten waaraan de inhoud en de opmaak van de memories moeten voldoen. Meer bepaald volgt uit artikel 120 van het Reglement voor de procesvoering dat het gedinginleidend verzoekschrift, naast de naam en de woonplaats van de verzoeker en de aanduiding van de partij tegen wie het verzoekschrift is gericht, een nauwkeurige omschrijving van het voorwerp van het geschil, de aangevoerde middelen en argumenten, in voorkomend geval gestaafd met bewijs, en de conclusie van de verzoeker moet bevatten. Het niet in acht nemen van deze voorschriften leidt tot niet-ontvankelijkheid van het verzoekschrift, dat behoudens bijzondere omstandigheden niet langer dan 30 bladzijden zou mogen zijn.

14.

Uit artikel 120, sub c, van het Reglement voor de procesvoering volgt voorts dat in of bij het verzoekschrift een summiere uiteenzetting van de middelen moet worden opgenomen. Deze uiteenzetting — die niet langer dan 2 bladzijden mag zijn — is bedoeld om de kennisgeving van elke bij het Hof aanhangig gemaakte zaak die overeenkomstig artikel 21, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering in het Publicatieblad van de Europese Unie moet worden bekendgemaakt, eenvoudiger te kunnen opstellen.

Verweerschrift

15.

Voor het verweerschrift, dat voorwerp is van artikel 124 van het Reglement voor de procesvoering, gelden in wezen dezelfde vormvereisten als voor het verzoekschrift. Dit moet binnen twee maanden na de betekening van het verzoekschrift worden ingediend. Deze termijn — waarbij de forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen wordt opgeteld — kan slechts in uitzonderlijke omstandigheden worden verlengd na een tijdig daartoe ingediend verzoek dat naar behoren met redenen moet zijn omkleed, onder vermelding van de omstandigheden die een dergelijke verlenging rechtvaardigen.

16.

Aangezien het rechtskader van het geding door het verzoekschrift wordt bepaald, moet het betoog in het verweerschrift, waar mogelijk, gestructureerd worden aan de hand van de middelen en grieven die in het verzoekschrift zijn aangevoerd. In de loop van het geding mogen geen nieuwe middelen worden voorgedragen, tenzij zij steunen op gegevens, hetzij rechtens of feitelijk, waarvan eerst in de loop van de behandeling is gebleken. Voor het overige hoeven het rechtskader en het feitelijke kader van het geschil in het verweerschrift slechts te worden geschilderd wanneer de omschrijving daarvan in het verzoekschrift wordt betwist of nadere invulling behoeft. Zoals geldt voor het verzoekschrift en behoudens bijzondere omstandigheden, zou het verweerschrift niet langer dan 30 bladzijden mogen zijn.

Repliek en dupliek

17.

Wanneer zij dit noodzakelijk achten, kunnen de verzoeker en de verweerder hun betoog aanvullen, de eerste in een repliek en de tweede in een dupliek. Voor deze memories gelden dezelfde vormvoorschriften als voor het verzoekschrift en het verweerschrift, behalve dan dat zij, gezien de facultatieve en aanvullende aard ervan, noodzakelijkerwijs korter behoren te zijn dan het verzoekschrift en het verweerschrift. Aangezien het kader en de middelen of grieven die in het geschil centraal staan reeds uitgebreid zullen zijn uiteengezet (of bestreden) in het verzoekschrift en het verweerschrift, hebben de repliek en de dupliek uitsluitend tot doel om de verzoeker en de verweerder de gelegenheid te bieden hun standpunt nader te omschrijven of hun betoog ten aanzien van een belangrijke vraag aan te scherpen, waarbij de president overigens krachtens artikel 126 van het Reglement voor de procesvoering zelf kan preciseren op welke punten deze stukken betrekking zouden moeten hebben. Behoudens bijzondere omstandigheden zouden een repliek en een dupliek niet langer mogen zijn dan een tiental bladzijden. Deze stukken moeten binnen de door het Hof gestelde termijnen ter griffie worden neergelegd. Een verlenging van deze termijn wordt slechts uitzonderlijk en op naar behoren met redenen omkleed verzoek door de president toegekend.

Verzoek om versnelde behandeling

18.

Wanneer de aard van de zaak verlangt dat zij binnen korte termijn wordt behandeld, kunnen de verzoekende of de verwerende partij het Hof verzoeken om de zaak te behandelen volgens een versnelde procedure die afwijkt van de bepalingen van het Reglement voor de procesvoering. Deze bij artikel 133 van genoemd Reglement voorziene mogelijkheid hangt echter af van de indiening van een daartoe strekkend uitdrukkelijk verzoek dat bij afzonderlijke akte wordt gedaan, waarin gedetailleerd de omstandigheden worden uiteengezet die het inleiden van een dergelijke procedure rechtvaardigen. Wanneer in een dergelijk verzoek wordt bewilligd, wordt de schriftelijke behandeling aangepast. De gewone termijnen voor het indienen van de memories worden namelijk ingekort, net als de lengte van deze stukken, en krachtens artikel 134 van het Reglement voor de procesvoering kan een repliek, een dupliek of een memorie in interventie slechts worden ingediend indien de president dit noodzakelijk acht.

Verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging of om voorlopige maatregelen (Kort geding)

19.

Een rechtstreeks beroep kan ook vergezeld gaan van een verzoek om opschorting van de tenuitvoerlegging van de bestreden handeling of een verzoek om voorlopige maatregelen als bedoeld in, respectievelijk, de artikelen 278 en 279 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Overeenkomstig artikel 160 van het Reglement voor de procesvoering is een dergelijk verzoek echter slechts ontvankelijk wanneer het afkomstig is van een verzoeker die de in geding zijnde handeling heeft bestreden voor het Hof of van een partij in de zaak die voor het Hof aanhangig is. Het verzoek moet bij afzonderlijke akte worden gedaan, met precisering van zowel het voorwerp van het geschil en de omstandigheden waaruit de spoed waarmee uitspraak moet worden gedaan blijkt, als de middelen, zowel feitelijk als rechtens, op grond waarvan de toekenning van gevraagde maatregel aanvankelijk gerechtvaardigd voorkomt. In het algemeen wordt het verzoek vervolgens betekend aan de andere partij in de procedure, aan wie de president een korte termijn verleent voor schriftelijke of mondelinge opmerkingen. In uiterst spoedeisende gevallen kan de president nog voordat dergelijke opmerkingen zijn gemaakt, voorlopig in het verzoek bewilligen. In dat geval kan de beslissing waarmee een einde komt aan het kort geding pas worden vastgesteld nadat die andere partij is gehoord.

Schriftelijke behandeling van de hogere voorzieningen

20.

Bij de hogere voorzieningen is de schriftelijke behandeling op vele punten vergelijkbaar met het verloop van die fase van de behandeling in het kader van de rechtstreekse beroepen. De relevante regels zijn te vinden in de artikelen 167 en volgende (van de vijfde titel) van het Reglement voor de procesvoering, waarin zowel de vereiste inhoud van het verzoekschrift in hogere voorziening en van de memorie van antwoord als de strekking van de daarin vervatte conclusies nader zijn omschreven.

Verzoekschrift in hogere voorziening

21.

Zoals volgt uit de artikelen 168 en 169 van het Reglement voor de procesvoering — die wat dat aangaat de artikelen 56 tot en met 58 van het Statuut aanvullen — kan een hogere voorziening niet worden ingesteld tegen een handeling van een instelling, orgaan of instantie van de Unie, maar moet zij worden gericht tegen de beslissing van het Gerecht waarin uitspraak wordt gedaan op het tegen die handeling ingestelde beroep. Deze precisering betekent dat de conclusies van de hogere voorziening noodzakelijkerwijs moeten strekken tot gehele of gedeeltelijke vernietiging van de beslissing van het Gerecht zoals die voorkomt in het dictum daarvan, en niet tot nietigverklaring van de handeling die voor het Gerecht is bestreden. Op straffe van niet-ontvankelijkheid moeten de middelen en argumenten rechtens die worden aangevoerd in de hogere voorziening — die behoudens bijzondere omstandigheden niet langer zou mogen zijn dan 25 bladzijden — nauwkeurig aangeven welke overwegingen van bedoelde beslissing worden bestreden en omstandig uiteenzetten waarom daarin blijk wordt gegeven van een onjuiste rechtsopvatting.

22.

Om de kennisgeving die overeenkomstig artikel 21, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie, eenvoudiger te kunnen opstellen, moet de rekwirant ook een summiere uiteenzetting van die middelen van niet meer dan 2 bladzijden in of bij het verzoekschrift opnemen. Voorts moeten ter griffie de nodige stukken en bescheiden worden neergelegd waaruit blijkt dat is voldaan aan de vereisten van artikel 19 van het Statuut, die in artikel 119 van het Reglement voor de procesvoering zijn overgenomen.

23.

In de gevallen als bedoeld in artikel 58 bis van het Statuut moet de rekwirant bovendien bij zijn verzoekschrift een verzoek om toelating van de hogere voorziening voegen. Dit verzoek om toelating mag niet langer dan 7 bladzijden zijn en dient alle gegevens te bevatten die het Hof nodig heeft om op dat verzoek uitspraak te doen, alsook om bij gedeeltelijke toelating van de hogere voorziening vast te stellen op welke middelen van de hogere voorziening de memorie van antwoord betrekking dient te hebben.

24.

In elk geval moet in het verzoek om toelating van de hogere voorziening duidelijk en nauwkeurig worden aangegeven op welke middelen de hogere voorziening berust, moet in dat verzoek met dezelfde duidelijkheid en nauwkeurigheid worden vermeld welke rechtsvraag met elk van de middelen wordt opgeworpen, en moet daarin specifiek worden uiteengezet waarom deze vraag belangrijk is voor de eenheid, de samenhang of de ontwikkeling van het recht van de Unie.

25.

Overeenkomstig artikel 170 bis, lid 1, van het Reglement voor de procesvoering is de hogere voorziening in haar geheel niet-ontvankelijk indien een dergelijk verzoek ontbreekt.

Memorie van antwoord

26.

Binnen een niet-verlengbare termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de betekening aan deze partij — waarbij de forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen worden opgeteld — kan elke partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht een memorie van antwoord neerleggen. Voor de inhoud van deze memorie gelden de vereisten van artikel 173 van het Reglement voor de procesvoering. Overeenkomstig artikel 174 van datzelfde Reglement moeten de conclusies ervan strekken tot gehele of gedeeltelijke toewijzing of afwijzing van de hogere voorziening. Het juridisch betoog in de memorie van antwoord moet waar mogelijk worden gestructureerd aan de hand van de middelen die door de rekwirant zijn aangevoerd, zonder dat in die memorie het rechtskader en het feitelijke kader van het geschil in herinnering hoeven te worden gebracht, tenzij de omschrijving daarvan in het verzoekschrift in hogere voorziening wordt betwist of noopt tot aanvullende preciseringen. Indien daarentegen de ontvankelijkheid van die hogere voorziening geheel of ten dele wordt bestreden, moet dit in de memorie van antwoord zelf worden opgenomen, aangezien de mogelijkheid — in artikel 151 van het Reglement voor de procesvoering — om bij afzonderlijke akte een exceptie van niet-ontvankelijkheid van het beroep op te werpen niet geldt voor hogere voorzieningen. Zoals is aangegeven voor het verzoekschrift in hogere voorziening, zou de memorie van antwoord niet langer dan 25 bladzijden mogen zijn.

Incidentele hogere voorziening

27.

Indien een partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht, nadat haar de hogere voorziening is betekend, de beslissing van het Gerecht wil bestrijden op een ander punt dan in het verzoekschrift in hogere voorziening genoemd, moet deze partij incidentele hogere voorziening tegen de beslissing van het Gerecht instellen. Deze hogere voorziening moet bij afzonderlijke akte worden ingesteld, binnen dezelfde niet-verlengbare termijn als de termijn voor indiening van de memorie van antwoord. Ook moet zij voldoen aan de vereisten in de artikelen 177 en 178 van het Reglement voor de procesvoering. De daarin vervatte middelen en argumenten rechtens moeten noodzakelijkerwijs verschillen van die welke in de memorie van antwoord worden aangevoerd.

Memorie van antwoord op de incidentele hogere voorziening

28.

Wanneer een dergelijke incidentele hogere voorziening wordt ingesteld, kan de rekwirant, evenals elke andere partij in de desbetreffende zaak voor het Gerecht die belang heeft bij de toewijzing of de afwijzing van deze hogere voorziening, een memorie van antwoord indienen waarvan het voorwerp is beperkt tot de middelen die in de incidentele hogere voorziening zijn aangevoerd. Overeenkomstig artikel 179 van het Reglement voor de procesvoering moet deze memorie worden ingediend binnen de niet-verlengbare termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de betekening van de incidentele hogere voorziening (waarbij de forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen wordt opgeteld).

Memories van repliek en dupliek

29.

Bij zowel de principale als de incidentele hogere voorziening kunnen de hogere voorziening en de memorie van antwoord worden aangevuld met een memorie van repliek en een memorie van dupliek, met name om de partijen de gelegenheid te bieden hun standpunt ten aanzien van een exceptie van niet-ontvankelijkheid of van nieuw aangevoerde elementen in de memorie van antwoord kenbaar te maken. Anders dan bij de regels die gelden voor rechtstreekse beroepen, is hiervoor de uitdrukkelijke toestemming van de president van het Hof vereist. Met het oog daarop wordt de rekwirant (of de partij die de incidentele hogere voorziening heeft ingesteld) verzocht om binnen zeven dagen, te rekenen vanaf de betekening van de memorie van antwoord (of de memorie van antwoord op de incidentele voorziening) — waarbij de forfaitaire termijn wegens afstand van tien dagen wordt opgeteld — een naar behoren met redenen omkleed verzoek in te dienen, waarin is uiteengezet waarom naar de mening van deze partij een repliek noodzakelijk is. Dit verzoek — dat niet langer zou mogen zijn dan 3 bladzijden — moet op zich begrijpelijk zijn, zonder dat het verzoekschrift in hogere voorziening of de memorie van antwoord hoeven te worden geraadpleegd.

30.

Wegens de bijzondere aard van de hogere voorzieningen, die beperkt zijn tot het onderzoek van rechtsvragen, kan de president voorts, wanneer hij het verzoek om een repliek inwilligt, het voorwerp en het aantal bladzijden van zulk een memorie van repliek en de daaropvolgende memorie van dupliek beperken. De inachtneming van die aanwijzingen is een zo essentiële voorwaarde voor het goede procesverloop, dat die memorie zal worden teruggezonden aan de opsteller ervan wanneer het toegestane aantal bladzijden wordt overschreden of in de repliek of in de dupliek op andere punten wordt ingegaan.

Krachtens artikel 57 van het Statuut ingestelde hogere voorzieningen

31.

De regels in de punten 20 tot en met 30 van de onderhavige aanwijzingen zijn echter niet integraal van toepassing op de hogere voorzieningen tegen de beslissingen van het Gerecht waarbij een interventieverzoek wordt afgewezen of die zijn vastgesteld na een verzoek in kort geding krachtens de artikelen 278 VWEU of 279 VWEU. Ingevolge artikel 57, derde alinea, van het Statuut is op dergelijke hogere voorzieningen immers dezelfde procedure van toepassing als die op verzoeken om voorlopige maatregelen die rechtstreeks bij het Hof worden ingediend. De partijen wordt dan een korte termijn verleend voor het indienen van hun eventuele opmerkingen ten aanzien van de hogere voorziening, terwijl het Hof daarop uitspraak doet zonder verdere schriftelijke behandeling, of zelfs mondelinge behandeling.

Vertrouwelijkheid in hogere voorzieningen

32.

Zoals blijkt uit de voorgaande bepalingen, worden het verzoekschrift in hogere voorziening en de vervolgens ingediende memories betekend aan alle partijen in de betreffende zaak voor het Gerecht, ongeacht de procedurele hoedanigheid die zij hadden voor die rechterlijke instantie (hoofdpartij of interveniënt). Aangezien op grond van artikel 58 van het Statuut in hogere voorzieningen enkel rechtsvragen aan de orde kunnen worden gesteld, mogen de partijen in beginsel geen geheime of vertrouwelijke gegevens vermelden in hun memories. Indien dit bij wijze van uitzondering niettemin het geval is, wordt de partij die zich beroept op de vertrouwelijkheid van bepaalde gegevens in haar memorie, verzocht om bij afzonderlijke akte een naar behoren met redenen omkleed verzoek om vertrouwelijke behandeling in te dienen waarin zowel wordt gespecificeerd hoever de gevraagde vertrouwelijkheid reikt als op welke partijen in de procedure dat verzoek betrekking heeft, en om een niet-vertrouwelijke versie van haar memorie over te leggen die kan worden betekend aan die andere partijen. Bij gedeeltelijke inwilliging van het verzoek om vertrouwelijke behandeling — waarvan de reikwijdte hoe dan ook niet verder mag gaan dan de vertrouwelijke behandeling die door het Gerecht reeds was toegestaan ten aanzien van een interveniënt — wordt de partij die deze vertrouwelijke behandeling geniet, verzocht om onverwijld een nieuwe, niet-vertrouwelijke versie van haar memorie over te leggen die kan worden betekend aan de andere partijen.

Interventie in rechtstreekse beroepen en in hogere voorzieningen

Interventieverzoek

33.

Overeenkomstig artikel 40 van het Statuut mogen de lidstaten en de instellingen van de Unie en, onder de voorwaarden genoemd in de tweede en de derde alinea van dat artikel, de derde staten die partij zijn bij de EER-overeenkomst, de Toezichthoudende Autoriteit van de EVA, de organen en instanties van de Unie en elke andere natuurlijke of rechtspersoon zich voegen in een voor het Hof aanhangig rechtsgeding ter ondersteuning, geheel of ten dele, van de conclusie van een van de partijen. Om in aanmerking te kunnen worden genomen, moet het interventieverzoek worden ingediend binnen de termijn bedoeld in artikel 130, lid 1 (rechtstreekse beroepen), of 190, lid 2 (hogere voorzieningen), van het Reglement voor de procesvoering en moet het voldoen aan de voorwaarden in artikel 130, leden 2 tot en met 4, van datzelfde Reglement.

Memorie in interventie

34.

Wanneer de interventie wordt toegestaan, worden aan de interveniënt alle aan de partijen betekende processtukken meegedeeld, in voorkomend geval met uitzondering van de vertrouwelijke stukken en bescheiden. Hij beschikt dan over een maand, te rekenen vanaf de ontvangst van deze stukken, om een memorie in interventie in te dienen. Deze memorie moet weliswaar voldoen aan de vereisten in artikel 132, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, maar de inhoud ervan is noodzakelijkerwijs beperkter dan de memorie van de partij die wordt ondersteund, terwijl ook de lengte ervan niet meer dan 10 bladzijden zou mogen bedragen. De interventie is immers ondergeschikt aan het hoofdgeding, zodat de interveniënt in zijn memorie niet de middelen en argumenten dient te herhalen die reeds voorkomen in de geschriften van de partij die hij ondersteunt, maar slechts aanvullende middelen en argumenten dient aan te voeren die steun bieden aan de stelling van deze partij. Het is overbodig om het rechtskader en het feitelijke kader van het geschil nog eens op te nemen, tenzij de omschrijving daarvan in de memories van de hoofdpartijen wordt betwist of nadere invulling behoeft.

Opmerkingen naar aanleiding van de memorie in interventie

35.

Na de neerlegging van de memorie in interventie kan de president, indien hij dit noodzakelijk acht, een termijn voor indiening van korte opmerkingen naar aanleiding van deze memorie vaststellen. De neerlegging van dergelijke opmerkingen, waarvan de lengte niet meer dan 5 bladzijden zou mogen bedragen, is echter facultatief. Dergelijke opmerkingen hebben uitsluitend tot doel de hoofdpartijen de gelegenheid te bieden om te reageren op bepaalde stellingen van de interveniënt of om een standpunt in te nemen over nieuwe middelen of argumenten die door de interveniënt worden aangevoerd. Bij gebreke hiervan wordt aanbevolen om van het neerleggen van dergelijke opmerkingen af te zien, om de schriftelijke behandeling niet onnodig te vertragen.

Te laat ingediende interventieverzoeken

36.

Voor zover het voldoet aan de voorwaarden in artikel 130, leden 2 tot en met 4, van het Reglement voor de procesvoering, kan een interventieverzoek dat na het verstrijken van de termijn in artikel 130, lid 1, of artikel 190, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering is ingediend, niettemin door het Hof in aanmerking worden genomen, mits het wordt ingediend voordat de beslissing tot opening van de mondelinge behandeling bedoeld in artikel 60, lid 4, van genoemd Reglement wordt genomen. In dat geval kan de interveniënt zijn opmerkingen tijdens de pleitzitting maken, indien deze gehouden wordt.

Interventie in het kader van een verzoek in kort geding of een versnelde procedure

37.

In beginsel geldt datzelfde in het kader van een verzoek in kort geding of een verzoek om toepassing van een versnelde procedure. Behoudens bijzondere omstandigheden die de neerlegging van schriftelijke opmerkingen rechtvaardigen, kan de persoon of de entiteit die in het kader van een dergelijke procedure wordt toegelaten tot interventie, zijn opmerkingen slechts mondeling maken, indien een terechtzitting wordt gehouden.

Uitsluiting van interventie in prejudiciële zaken

38.

De hierboven toegelichte regels over interventie zijn daarentegen niet van toepassing op prejudiciële verwijzingen. Gezien de niet-contentieuze aard van deze zaken en de bijzondere functie die het Hof vervult wanneer het zich prejudicieel moet uitspreken over de uitlegging of de geldigheid van het Unierecht, mogen alleen de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden — en in voorkomend geval de instellingen, organen of instanties van de Unie die een verzoek als bedoeld in artikel 24, tweede alinea, van het Statuut hebben ontvangen — schriftelijke of mondelinge opmerkingen maken over de door de rechterlijke instanties van de lidstaten aan het Hof gestelde vragen.

Vorm en structuur van de processtukken

39.

Los van het voorafgaande en de voorschriften over de inhoud van de processtukken, die volgen uit de bepalingen van het Statuut en van het Reglement voor de procesvoering, moeten de bij het Hof neer te leggen memories en schriftelijke opmerkingen aan bepaalde aanvullende vereisten voldoen, bedoeld ter vereenvoudiging van de lezing en de behandeling van deze stukken door het Hof, met name langs elektronische weg. Deze vereisten hebben betrekking op zowel de vorm en de opmaak van de processtukken als de structuur en de lengte ervan.

40.

Wat de vorm betreft, is het om te beginnen absoluut vereist dat de door de partijen neer te leggen memories of opmerkingen zo worden ingediend dat zij door het Hof elektronisch kunnen worden beheerd. Vanuit die optiek moeten de volgende vereisten in acht worden genomen:

de memorie of de opmerkingen worden op ongelijnd, blanco papier van A4-formaat ingediend, met slechts één zijde van de pagina bedrukt (recto), en niet de beide zijden (recto-verso);

het lettertype moet van een gangbaar type zijn (zoals Times New Roman, Courrier of Arial) en een grootte hebben van ten minste 12 punten in de tekst en 10 punten in de voetnoten, met een regelafstand van 1,5 en horizontale en verticale marges van ten minste 2,5 cm (bovenaan, onderaan, links en rechts van de pagina);

alle punten van de memorie of de opmerkingen moeten doorlopend en in oplopende volgorde worden genummerd;

datzelfde geldt voor de pagina’s van de memorie of de opmerkingen, met inbegrip van de eventuele bijlagen en de staat van stukken daarbij, die rechtsboven op de pagina doorlopend en in oplopende volgorde worden genummerd;

elk van de bladzijden van de memorie of van de opmerkingen mag niet meer dan 1 500 tekens bevatten, spaties niet inbegrepen;

wanneer zij tot slot niet langs elektronische weg aan het Hof worden toegezonden, moeten de pagina’s van de memorie of de opmerkingen aan elkaar vast worden gemaakt op een wijze die eenvoudig ongedaan kan worden gemaakt, en niet vast aan elkaar worden gebonden met middelen als lijm of nietjes.

41.

Afgezien van deze vormvereisten moeten de bij het Hof neer te leggen processtukken zodanig zijn opgesteld dat de structuur en de strekking ervan reeds vanaf de eerste bladzijden kan worden begrepen. Niet alleen moeten op de eerste pagina van de betrokken memorie of opmerkingen de vermelding van de titel van dit stuk, het zaaknummer (voor zover reeds door de griffie meegedeeld) en de in de zaak betrokken partijen of hun initialen (wanneer de zaak geanonimiseerd is) voorkomen, de memorie of de schriftelijke opmerkingen moeten ook aanvangen met een korte uiteenzetting van het raamwerk dat de auteur heeft gehanteerd of een inhoudsopgave. Deze memorie of opmerkingen moeten verplicht eindigen met de conclusies van de auteur ervan, of in prejudiciële zaken met de door hem voorgestelde antwoorden op de vragen van de verwijzende rechter.

42.

Hoewel de stukken die aan het Hof worden toegezonden wat hun inhoud betreft aan geen andere vereisten hoeven te voldoen dan die welke volgen uit het Statuut en het Reglement voor de procesvoering, moet niettemin voor ogen worden gehouden dat deze stukken de basis vormen voor de bestudering van het dossier door het Hof en dat zij in de regel door het Hof of de instelling van wie zij afkomstig zijn, moeten worden vertaald. In het belang van een goed procesverloop en in het belang van partijen zelf, moeten de memories of de schriftelijke opmerkingen in eenvoudige en nauwkeurige bewoordingen zijn gesteld, zonder vakinhoudelijke begrippen te gebruiken die eigen zijn aan een nationaal rechtsstelsel. Herhalingen moeten worden vermeden en waar mogelijk moeten korte zinnen boven lange zinnen worden verkozen, zonder tussenzinnen of bijzinnen.

43.

Wanneer de partijen in hun memorie of opmerkingen een specifieke tekst of regeling van nationaal of Unierecht noemen, moeten zij exacte verwijzingen naar deze tekst of deze regels opnemen, zowel wat de datum van vaststelling en, indien mogelijk, de datum van bekendmaking ervan betreft, als de toepasselijkheid ervan in de tijd. Wanneer zij een uittreksel of passage uit een rechterlijke beslissing of een conclusie van een advocaat-generaal aanhalen, wordt partijen eveneens verzocht om zowel de naam en het nummer van de betreffende zaak als het ECLI-nummer (“European Case Law Identifier”) van de beslissing of de conclusie en de exacte vindplaats van het betrokken uittreksel of de betrokken passage te vermelden.

44.

Tot slot moet eraan worden herinnerd dat het juridische betoog van de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden in de memorie of de schriftelijke opmerkingen zelf moet voorkomen, en niet in de eventuele bijlagen daarbij, die doorgaans niet worden vertaald. Alleen de documenten die in de memorie of opmerkingen zelf zijn vermeld die nodig zijn om de inhoud ervan te illustreren of te onderbouwen moeten in de bijlage bij die memorie of opmerkingen worden opgenomen. Ingevolge artikel 57, lid 4, van het Reglement voor de procesvoering mogen bijlagen overigens alleen worden overgelegd indien daarbij een staat van bijlagen wordt gevoegd. Deze staat moet voor elk bijgevoegd document het nummer van de bijlage, een korte aanduiding van de aard ervan en de vermelding bevatten van de pagina of het punt van de memorie of de opmerkingen waarin dit document wordt aangehaald en dat de overlegging ervan rechtvaardigt.

45.

Wanneer een processtuk kennelijk afwijkt van de in de voorgaande punten vastgestelde voorschriften en met name van de aanwijzingen die betrekking hebben op de lengte van dit stuk, kan de griffie de auteur van het neergelegde stuk verzoeken om de verzuimen in dat stuk binnen korte termijn te herstellen.

Neerlegging en toezending van processtukken

46.

Uitsluitend de uitdrukkelijk in de procedureregels voorziene stukken mogen ter griffie worden neergelegd. Deze stukken moeten binnen de voorgeschreven termijnen worden neergelegd, met inachtneming van de vereisten in artikel 57 van het Reglement voor de procesvoering.

47.

De door het Hof aanbevolen manier om een processtuk neer te leggen is de neerlegging met behulp van de applicatie eCuria. Op die manier kunnen processtukken langs uitsluitend elektronische weg worden neergelegd en betekend, zonder dat voor eensluidende afschriften van de aan het Hof toegezonden stukken hoeft te worden gezorgd en zonder dat een extra toezending per post noodzakelijk is. De wijze van toegang tot de applicatie e‐Curia en de gebruiksvoorwaarden ervan zijn nauwkeurig omschreven in het besluit van het Hof van 16 oktober 2018 betreffende de neerlegging en de betekening van processtukken met behulp van de applicatie e‐Curia en in de gebruiksvoorwaarden waarnaar in dit besluit wordt verwezen. Deze documenten zijn te vinden op de website van de instelling (https://curia.europa.eu/jcms/jcms/P_78957/nl).

48.

Wanneer een processtuk niet met behulp van de eerder vermelde applicatie aan het Hof wordt toegezonden, kan het ook per post aan het Hof worden gericht. De zending met daarin het processtuk moet worden geadresseerd aan de griffie van het Hof op het volgende adres: Rue du Fort Niedergrünewald, L‐2925 Luxembourg. Het is in dit verband nuttig eraan te herinneren dat krachtens artikel 57, lid 7, van het Reglement voor de procesvoering alleen de datum en het uur van de neerlegging van het origineel ter griffie in aanmerking worden genomen voor de procestermijnen. Teneinde termijnoverschrijding te voorkomen, wordt daarom dringend aangeraden om de zending enkele dagen vóór het verstrijken van de termijn voor de neerlegging van het stuk aangetekend of met een koerierdienst te versturen, of zelfs om het betreffende stuk in persoon neer te leggen ter griffie van het Hof dan wel buiten de openingstijden van de griffie neer te leggen bij de receptie in de gebouwen van het Hof, waar de dienstdoende bode de ontvangst van dit stuk zal bevestigen door daarop de datum en het tijdstip van de neerlegging aan te brengen.

49.

Ten slotte kan tegenwoordig ook nog het afschrift van het ondertekende origineel van een processtuk als bijlage bij een email (ecj.registry@curia.europa.eu) of per telefax [(+ 352) 43033766] worden toegezonden. Los van de technische beperkingen die inherent zijn aan deze twee wijzen van toezending, wordt in herinnering gebracht dat de neerlegging van een processtuk per e‐mail of per telefax voor de naleving van de procestermijnen slechts geldig is wanneer het ondertekende origineel van het stuk, vergezeld van de bijlagen en afschriften bedoeld in artikel 57, lid 2, van het Reglement voor de procesvoering, de griffie uiterlijk tien dagen na de toezending, per e‐mail of per telefax, van het afschrift van dat ondertekende origineel bereikt. Het origineel moet dus zonder enige vertraging worden verzonden of overhandigd, meteen na de toezending van het afschrift, zonder daarin verbeteringen of wijzigingen aan te brengen, zelfs onbeduidende. Indien het ondertekende origineel afwijkt van het eerder toegezonden afschrift, wordt alleen de datum van neerlegging van het ondertekende origineel in aanmerking genomen.

50.

Teneinde de behandeling van de neergelegde memories of opmerkingen door het Hof en met name de vertaling ervan in een of meer officiële talen van de Unie te vergemakkelijken, wordt de partijen niet alleen verzocht om zorg te dragen voor de toezending, binnen de gestelde termijn, van de originele versie van hun memorie of van hun opmerkingen, die als enige authentiek is, maar ook om een bewerkbare versie (tekstverwerkingsprogramma zoals “Word”, “OpenOffice” of “LibreOffice”) van die memorie of van die opmerkingen te verzenden naar het volgende adres: editable-versions@curia.europa.eu

III.   MONDELINGE BEHANDELING

51.

Zoals volgt uit artikel 20, vierde alinea, van het Statuut, omvat de mondelinge behandeling in beginsel twee afzonderlijke fasen: het horen van de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden en het nemen van de conclusie van de advocaat-generaal. Ingevolge artikel 20, vijfde alinea, van het Statuut kan het Hof evenwel beslissen de zaak zonder conclusie van de advocaat-generaal te berechten, wanneer het van oordeel is dat in de zaak geen nieuwe rechtsvraag aan de orde is. Een pleitzitting wordt niet stelselmatig gehouden.

Doel van de pleitzitting

52.

Gezien het belang van de schriftelijke behandeling in het kader van de zaken die bij het Hof worden aangebracht en — wat prejudiciële verwijzingen betreft — onder voorbehoud van de toepassing van artikel 76, lid 3, van het Reglement voor de procesvoering, is het beslissende criterium voor het houden van een pleitzitting niet zozeer het feit dat een uitdrukkelijk daartoe strekkend verzoek wordt gedaan, als wel de beoordeling door het Hof zelf van de toegevoegde waarde van een dergelijke zitting en van de bijdrage die deze kan leveren tot de oplossing van het geschil of tot de bepaling van de antwoorden die het Hof zou kunnen geven op de vraag van de rechterlijke instantie van een lidstaat. Bijgevolg zal door het Hof een terechtzitting worden gehouden telkens wanneer deze tot een beter begrip van de zaak en de daarbij op het spel staande belangen kan bijdragen, ongeacht of door de partijen dan wel de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden een daartoe strekkend verzoek is ingediend.

Verzoek om een terechtzitting

53.

Wanneer deze partijen of belanghebbenden menen dat in een zaak een terechtzitting moet worden gehouden, staat het in elk geval aan hen om, meteen na de betekening van de sluiting van de schriftelijke behandeling, ten behoeve van het Hof bij brief nauwkeurig uiteen te zetten waarom zij door het Hof wensen te worden gehoord. Deze motivering — die niet mag worden verward met een memorie of met schriftelijke opmerkingen en die niet langer mag zijn dan 3 bladzijden — moet het resultaat zijn van een concrete beoordeling van het nut van een pleitzitting voor de betrokken partij en aangeven welke elementen in het dossier of welk betoog deze partij meent nog verder te moeten ontwikkelen of weerleggen tijdens deze terechtzitting. Een motivering in algemene zin die bijvoorbeeld verwijst naar het belang van de zaak of de vragen waarover het Hof een oordeel heeft te vellen, is niet voldoende.

De oproeping voor de terechtzitting en de noodzaak om daar snel op te antwoorden

54.

Wanneer het Hof besluit in een gegeven zaak een terechtzitting te houden, stelt het de precieze datum en het uur daarvan vast. Meteen daarna worden de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden opgeroepen door de griffie, die hen tevens in kennis stelt van de samenstelling van de rechtsprekende formatie waarnaar de zaak is verwezen, de maatregelen tot organisatie van de procesgang waartoe het Hof heeft besloten en, in voorkomend geval, het feit dat er geen conclusie van de advocaat-generaal zal zijn. Om het Hof in staat te stellen deze terechtzitting optimaal te organiseren, wordt de eerdergenoemde partijen of belanghebbenden verzocht om binnen korte termijn op de brief van de griffie te antwoorden en daarbij met name te vermelden of zij voornemens zijn de terechtzitting ook daadwerkelijk bij te wonen en wie de advocaat of gemachtigde zal zijn die hen tijdens de zitting zal vertegenwoordigen. Een te laat antwoord op de oproepingsbrieven van de griffie brengt de behoorlijke organisatie van de terechtzitting in gevaar, zowel wat de door het Hof aan een partij toegekende spreektijd als de organisatorische beperkingen bij de tolkendienst betreft.

Met het oog op de terechtzitting te nemen maatregelen

55.

Ongeacht hun titel of hoedanigheid moeten personen die voor het Hof verschijnen om te pleiten, de toga dragen. Wanneer een pleitzitting wordt gehouden, moeten de gemachtigden en de advocaten die daaraan zullen deelnemen derhalve hun toga meebrengen. Voor het geval dat de partijen of hun vertegenwoordigers geen toga hebben, houdt het Hof enkele toga’s voor hen ter beschikking. Het aantal toga’s en de beschikbare maten zijn evenwel beperkt. Daarom wordt de betrokken partijen en vertegenwoordigers verzocht het Hof voorafgaandelijk, in hun antwoord op de oproepingsbrief voor de terechtzitting, ervan in kennis te stellen dat zij geen toga hebben.

56.

Teneinde een optimale organisatie van de terechtzitting te waarborgen, wordt de partijen en hun vertegenwoordigers tevens verzocht om het Hof in datzelfde antwoord in kennis te stellen van elke bijzondere maatregel die hun doeltreffende deelname aan de terechtzitting kan vergemakkelijken, met name in geval van een handicap of van beperkte mobiliteit.

57.

Op grond van de verkeerssituatie in Luxemburg en de veiligheidsmaatregelen die van kracht zijn voor de toegang tot gebouwen van het Hof, wordt aangeraden om de nodige maatregelen te nemen om op de dag van de terechtzitting ruim vóór het tijdstip van aanvang van de zitting aanwezig te zijn in de zaal waar de pleidooien zullen worden gehouden. Het is immers gebruikelijk dat de leden van de rechtsprekende formatie nog vóór aanvang van de terechtzitting een kort gesprek over de organisatie van de terechtzitting hebben met de vertegenwoordigers van de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden. Bij die gelegenheid kunnen de rechter-rapporteur en de advocaat-generaal genoemde vertegenwoordigers verzoeken om ter terechtzitting aanvullende preciseringen te geven ten aanzien van bepaalde vragen of het ene of andere specifieke aspect van de zaak in kwestie nog nader uit te diepen.

Gebruikelijk verloop van een pleitzitting

58.

Hoewel het verloop ervan kan variëren naargelang de omstandigheden van elke zaak, omvat een terechtzitting voor het Hof in het algemeen drie afzonderlijke gedeelten: de eigenlijke pleidooien, de vragen van de leden van het Hof en de replieken.

Eerste fase van de terechtzitting: de pleidooien

Doel van de pleidooien

59.

Bijzondere omstandigheden daargelaten, vangt de terechtzitting in de regel aan met de pleidooien van de partijen of van de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden. Gezien de kennis die het Hof reeds van de zaak heeft na de schriftelijke behandeling, hebben deze pleidooien niet tot doel de inhoud van de memories of schriftelijke opmerkingen in herinnering te brengen. Zij strekken ertoe de voormelde partijen of belanghebbenden in staat te stellen om gevolg te geven aan eventuele verzoeken tot concentratie van de pleidooien of om te antwoorden op de vragen die het Hof hun vóór de terechtzitting heeft gesteld. Bovendien wordt de deelnemers aan de terechtzitting die dezelfde stelling verdedigen of hetzelfde standpunt innemen, verzocht om — voor zover mogelijk — vóór de terechtzitting onderling overleg te plegen teneinde nutteloze herhalingen te voorkomen.

Spreektijd en eventuele verlenging daarvan

60.

De president van de rechtsprekende formatie stelt de spreektijd vast na raadpleging van de rechter-rapporteur en in voorkomend geval de advocaat-generaal die met de zaak is belast. In het algemeen wordt deze spreektijd vastgesteld op 15 minuten, ongeacht de rechtsprekende formatie waarnaar de zaak is verwezen. Deze duur kan echter worden verlengd of ingekort, afhankelijk van de aard of de bijzondere complexiteit van de zaak, het aantal deelnemers aan de terechtzitting en hun procedurele status en de eventuele maatregelen tot organisatie van de procesgang. Op een naar behoren met redenen omkleed verzoek van een partij of een in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbende, kan de president van de rechtsprekende formatie bij uitzondering een verlenging van de spreektijd toestaan. Om in aanmerking te kunnen worden genomen, moet een dergelijk verzoek evenwel door de betrokken partij of belanghebbende worden gedaan in zijn of haar antwoord op de oproepingsbrief voor de terechtzitting.

Aantal pleiters

61.

Om redenen die verband houden met het goede verloop van de terechtzitting, kunnen pleidooien namens de ter terechtzitting aanwezige partijen of belanghebbenden telkens door slechts één persoon worden gehouden. Bij uitzondering kan evenwel een tweede persoon het pleiten worden toegestaan, wanneer de aard of bijzondere complexiteit van de zaak dit rechtvaardigt en mits daartoe een naar behoren met redenen omkleed verzoek wordt gedaan in het antwoord van de betrokken partij of belanghebbende op de oproepingsbrief voor de terechtzitting. Indien dit wordt toegestaan, brengt dit evenwel geen verlenging van de spreektijd met zich mee, zodat de twee pleiters de aan de betrokken partij toegekende spreektijd onderling moeten verdelen.

Taal van de pleidooien

62.

Onverminderd de mogelijkheid waarover de lidstaten beschikken om hun eigen officiële taal te hanteren wanneer zij deelnemen aan een pleitzitting, en onverminderd de mogelijkheid waarover derde staten beschikken om een van de in artikel 36 van het Reglement voor de procesvoering vermelde talen te bezigen wanneer zij aan een prejudiciële procedure deelnemen of in een voor het Hof aanhangig geding interveniëren, dienen de andere partijen in de procedure te pleiten in de overeenkomstig de voorschriften van artikel 37 van dat Reglement bepaalde procestaal.

63.

In prejudiciële procedures kunnen de partijen in het hoofdgeding het Hof bij wijze van uitzondering verzoeken om voor de mondelinge behandeling het gebruik van een andere taal dan die van de verwijzende rechter toe te staan. In dit verzoek, dat moet worden opgenomen in het antwoord van de betrokken partij op de oproepingsbrief voor de terechtzitting en dat naar behoren met redenen omkleed moet zijn, dient te worden geëxpliciteerd waarom verzocht wordt om het gebruik van een andere taal en welke redenen pleiten voor die andere in artikel 36 van het Reglement voor de procesvoering vermelde taal. Krachtens artikel 37, lid 4, van dat Reglement dient op dat verzoek, naargelang van het geval, te worden beslist door de president van de rechtsprekende formatie waarnaar de zaak is verwezen, dan wel door het Hof, nadat de andere partij(en) in het hoofdgeding en de advocaat-generaal zijn gehoord. Indien toestemming voor het gebruik van een andere taal wordt verleend, mogen alle in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden die taal bezigen.

64.

De in het vorige punt bedoelde uitzondering geldt evenwel enkel voor prejudiciële procedures. Buiten de in punt 62 van de onderhavige aanwijzingen vermelde gevallen zijn de partijen in de procedure bij een rechtstreeks beroep of een hogere voorziening gehouden om in de procestaal te pleiten, te repliceren en eventuele vragen van het Hof te beantwoorden (3).

Tweede fase van de terechtzitting: de vragen van de leden van het Hof

65.

Onverminderd de vragen die de leden van het Hof kunnen stellen vóór of tijdens de pleidooien, kan de pleiters na afloop van die pleidooien worden verzocht te antwoorden op aanvullende vragen van de leden van het Hof. Deze vragen hebben tot doel om de dossierkennis te vervolledigen en bieden de pleiters de gelegenheid om bepaalde punten te verduidelijken of te verdiepen die in voorkomend geval nog aanvullende preciseringen behoeven.

Derde fase van de terechtzitting: de replieken

66.

Na deze uitwisseling hebben de vertegenwoordigers van de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden tot slot de mogelijkheid om, wanneer zij dit nodig achten, nog kort te repliceren. Deze replieken, die elk maximaal 5 minuten duren, zijn geen tweede pleitronde. Zij hebben uitsluitend tot doel om de pleiters de gelegenheid te bieden kort te reageren op de in de loop van de terechtzitting gemaakte opmerkingen of gestelde vragen door de overige deelnemers of door de leden van het Hof. Indien het twee pleiters werd toegestaan om namens een partij het woord te voeren, mag slechts een van hen repliceren.

Gevolgen en beperkingen van de simultaanvertolking

67.

Of het nu de pleidooien, de replieken of de antwoorden op de vragen van het Hof betreft, de pleiters moeten voor ogen houden dat de leden van de rechtsprekende formatie, de advocaat-generaal en de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden hun interventie vaak via simultaanvertolking volgen. In het belang van het goede verloop van de terechtzitting en om de kwaliteit van de geleverde vertolking te garanderen, wordt de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden dan ook verzocht om, voor zover zij over een tekst beschikken, ook al is die beknopt, of over pleitaantekeningen of een spreekschema, dit of deze zo snel mogelijk vóór de terechtzitting per e‐mail (Interpretation@curia.europa.eu) of per telefax [(+ 352) 43033697] te doen toekomen aan de tolkendienst. Deze tekst of deze pleitaantekeningen zijn uitsluitend bestemd voor de tolken en worden na de terechtzitting vernietigd. Zij worden niet toegezonden aan de leden van de rechtsprekende formatie of aan de advocaat-generaal die met de zaak is belast. Zij worden evenmin in het procesdossier opgenomen.

68.

Om het tolken te vergemakkelijken en de pleidooien dus begrijpelijker te maken voor zowel de leden van de rechtsprekende formatie en de met de zaak belaste advocaat-generaal als de andere ter terechtzitting aanwezige partijen, is het noodzakelijk om tijdens de terechtzitting rustig in de microfoon te spreken, met een normaal en niet-geforceerd ritme. Het tolken wordt vergemakkelijkt wanneer de pleiter van tevoren aangeeft hoe zijn interventie is opgebouwd en wanneer hij systematisch de voorkeur geeft aan korte en eenvoudige zinnen. Indien de pleiter in zijn pleidooi verwijst naar een beslissing van het Hof of van het Gerecht, wordt hem tevens verzocht om de datum van deze beslissing alsook het nummer en de naam van de betreffende zaak te preciseren.

Na afloop van de pleitzitting

69.

De actieve deelname van de partijen of de in artikel 23 van het Statuut bedoelde belanghebbenden eindigt na afloop van de terechtzitting. Behalve in het uitzonderlijke geval dat de mondelinge behandeling wordt heropend als bedoeld in artikel 83 van het Reglement voor de procesvoering, mogen de eerdergenoemde partijen of belanghebbenden geen schriftelijke of mondelinge opmerkingen meer maken, met name niet als reactie op de conclusie van de advocaat-generaal, wanneer de president van de rechtsprekende formatie de pleitzitting voor gesloten heeft verklaard.

IV.   SLOTBEPALINGEN

70.

De praktische aanwijzingen voor de partijen inzake bij het Hof aangebrachte zaken van 25 november 2013 worden ingetrokken en vervangen door de onderhavige praktische aanwijzingen.

71.

De onderhavige praktische aanwijzingen worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. Zij treden in werking op de eerste dag van de maand volgend op die van hun bekendmaking.

Vastgesteld te Luxemburg, 10 december 2019.


(1)  PB L 31 van 31 januari 2014, blz. 1.

(2)  PB L 265 van 29 september 2012, blz. 1, zoals laatstelijk gewijzigd op 26 november 2019 (PB L 316 van 6 december 2019, blz. 103).

(3)  Wat beroepen wegens niet-nakoming betreft, heeft de verwerende lidstaat het recht om tijdens de mondelinge behandeling een andere taal te bezigen dan die welke tijdens de schriftelijke behandeling is gebezigd, mits die andere taal behoort tot de officiële talen van die staat en er tijdig — indien mogelijk in het antwoord op de oproepingsbrief voor de terechtzitting — een daartoe strekkend verzoek is ingediend. Wanneer toestemming voor het gebruik van een andere taal wordt verleend, mogen alle partijen in de procedure die taal bezigen.


Top