EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R2199

Gedelegeerde Verordening (EU) 2019/2199 van de Commissie van 17 oktober 2019 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik

C/2019/7313

OJ L 338, 30.12.2019, p. 1–254 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2019/2199/oj

30.12.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 338/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2019/2199 VAN DE COMMISSIE

van 17 oktober 2019

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (1), en met name artikel 15, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Krachtens Verordening (EG) nr. 428/2009 moeten producten voor tweeërlei gebruik aan een doeltreffende controle worden onderworpen bij uitvoer uit of doorvoer door de Unie, of bij levering aan een derde land als gevolg van tussenhandeldiensten welke worden verleend door een tussenhandelaar die een ingezetene van de Unie is, of die in de Unie is gevestigd.

(2)

De gemeenschappelijke lijst van producten voor tweeërlei gebruik die in de Europese Unie aan controle onderhevig zijn, is vastgesteld in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009. Besluiten over de producten die aan controle zijn onderworpen, worden genomen in het kader van internationaal overeengekomen vergunningsregelingen voor goederen voor tweeërlei gebruik, waaronder de Australiëgroep (2), het controleregime voor de uitvoer van rakettechnologie en -onderdelen (MTCR) (3), de Groep van nucleaire exportlanden (4), het Wassenaar Arrangement (5) en het Verdrag inzake chemische wapens (6).

(3)

De lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009 moet regelmatig worden bijgewerkt, zodat aan de verplichtingen inzake internationale veiligheid wordt voldaan, de transparantie wordt gewaarborgd en het concurrentievermogen van de marktdeelnemers wordt behouden. Omdat de controlelijsten die in het kader van de internationale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole waren goedgekeurd in 2018 zijn gewijzigd, moet bijlage I bij Verordening (EG) nr. 428/2009 dienovereenkomstig worden gewijzigd. Teneinde raadpleging door instanties voor uitvoercontrole en door marktdeelnemers te vergemakkelijken, moet bijlage I bij die verordening worden vervangen.

(4)

In de bijlagen IIa tot en met IIf bij Verordening (EG) nr. 428/2009 zijn uniale algemene uitvoervergunningen vastgesteld.

(5)

In bijlage IIg bij Verordening (EG) nr. 428/2009 is een lijst van producten voor tweeërlei gebruik vastgesteld die zijn uitgesloten van het toepassingsgebied van de nationale algemene uitvoervergunningen en de uniale algemene uitvoervergunningen.

(6)

In bijlage IV bij Verordening (EG) nr. 428/2009 zijn de voorwaarden voor vergunningen voor de intracommunautaire overbrenging van producten vastgelegd.

(7)

De wijzigingen van de lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I vereisen dienovereenkomstige wijzigingen in de bijlagen IIa tot en met IIg en bijlage IV voor producten voor tweeërlei gebruik die tevens zijn opgenomen in de bijlagen IIa tot en met IIg en bijlage IV.

(8)

Krachtens Verordening (EG) nr. 428/2009 is de Commissie bevoegd de lijst van producten voor tweeërlei gebruik in bijlage I, alsmede in de bijlagen IIa tot en met IIg en bijlage IV, door middel van gedelegeerde handelingen bij te werken overeenkomstig de desbetreffende verplichtingen en verbintenissen en alle wijzigingen daarin waarmee de lidstaten hebben ingestemd als partij bij de internationale regelingen inzake non-proliferatie en uitvoercontrole of door de bekrachtiging van desbetreffende internationale verdragen.

(9)

Aangezien het van cruciaal belang is dat zo snel als praktisch mogelijk is aan de verplichtingen inzake internationale veiligheid wordt voldaan, moet deze verordening op de dag na die van de bekendmaking ervan in werking treden.

(10)

Verordening (EG) nr. 428/2009 moet bijgevolg dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad wordt als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage I wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening.

2)

De bijlagen IIa tot en met IIg worden vervangen door bijlage II bij deze verordening.

3)

Bijlage IV wordt vervangen door bijlage III bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 17 oktober 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).

(2)  De Australiëgroep (AG) is een informeel forum van landen dat door de harmonisatie van uitvoercontroles tracht te waarborgen dat uitgevoerde producten niet bijdragen tot de ontwikkeling van chemische of biologische wapens. Zie voor meer informatie: http://www.australiagroup.net/

(3)  Het Missile Technology Control Regime (MTCR) is een informele politieke afspraak tussen staten die ernaar streven de proliferatie van raketten, complete raketsystemen, onbemande luchtvaartuigen en verwante technologie te beperken. Zie voor meer informatie: http://mtcr.info/

(4)  De Groep van nucleaire exportlanden (NSG, Nuclear Suppliers Group) is een groep van nucleair materiaal leverende landen die ertoe willen bijdragen de verspreiding van kernwapens te voorkomen door de toepassing van twee reeksen richtsnoeren voor de uitvoer van nucleair materiaal en de uitvoer van producten die met kernenergie verband houden. Zie voor meer informatie: http://www.nuclearsuppliersgroup.org/

(5)  Het Wassenaar Arrangement (WA) is in het leven geroepen om bij te dragen aan de regionale en internationale veiligheid en stabiliteit door het bevorderen van de transparantie en het vergroten van de verantwoordelijkheid met betrekking tot overdrachten van conventionele wapens en van goederen en technologieën voor tweeërlei gebruik, teneinde destabiliserende accumulaties te voorkomen. Zie voor meer informatie: https://www.wassenaar.org/

(6)  Het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens en inzake de vernietiging van deze wapens (Verdrag inzake chemische wapens of CWC) heeft tot doel een volledige categorie massavernietigingswapens te elimineren middels een verbod op het ontwikkelen, produceren, verwerven, opslaan, in bezit houden, overdragen en gebruiken van chemische wapens door de staten die partij zijn. Zie voor meer informatie: https://www.opcw.org/chemical-weapons-convention


BIJLAGE I

LIJST VAN PRODUCTEN VOOR TWEEËRLEI GEBRUIK

(als bedoeld in artikel 3 van deze verordening)

Deze lijst is een technische implementatie van internationaal overeengekomen vergunningsregelingen voor goederen voor tweeërlei gebruik, waaronder de Australiëgroep (1), het “Missile Technology Control Regime” (MTCR) (2), de Groep van Nucleaire Exportlanden (3), het Wassenaar Arrangement (4), en het Verdrag inzake chemische wapens (Chemical Weapons Convention — CWC) (5).

INHOUD

Opmerkingen

Acroniemen en afkortingen

Definities

Categorie 0

Nucleaire goederen

Categorie 1

Speciale materialen en aanverwante apparatuur

Categorie 2

Materiaalverwerking

Categorie 3

Elektronica

Categorie 4

Computers

Categorie 5

Telecommunicatie en “informatiebeveiliging”

Categorie 6

Sensoren en lasers

Categorie 7

Navigatie en vliegtuigelektronica

Categorie 8

Zeewezen en schepen

Categorie 9

Ruimtevaart en voortstuwing

ALGEMENE OPMERKINGEN BIJ BIJLAGE I

1.

Voor de controle op de uitvoer van goederen die zijn ontworpen of aangepast voor militair gebruik, zij verwezen naar de desbetreffende lijst(en) van aan vergunningsplicht onderworpen militaire goederen van de afzonderlijke lidstaten. Verwijzingen in deze bijlage naar de “Lijst militaire goederen” hebben betrekking op deze lijsten.

2.

De doelstelling van de controles op de uitvoer van de goederen, vermeld in deze bijlage, mag niet worden omzeild door de uitvoer van niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen (met inbegrip van fabrieken) die één of meer aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen bevatten, als deze onderdelen het voornaamste element van de goederen vormen en gemakkelijk kunnen worden verwijderd of voor andere doeleinden worden aangewend.

NB: Bij de beoordeling van de vraag of de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element dienen te worden aangemerkt, dienen factoren als hoeveelheid, waarde en technologische knowhow alsmede andere bijzondere omstandigheden op grond waarvan de aan vergunningsplicht onderworpen onderdelen als voornaamste element van de geleverde goederen kunnen worden aangemerkt, een rol te spelen.

3.

Met “goederen” worden in deze bijlage zowel nieuwe als gebruikte goederen bedoeld.

4.

In sommige gevallen zijn stoffen vermeld met naam en CAS-nummer. Onder de lijst vallen stoffen met dezelfde structuurformule (inclusief hydraten), ongeacht naam of CAS-nummer. De CAS-nummers zijn vermeld om een bepaalde stof of een bepaald mengsel gemakkelijker te kunnen identificeren, ongeacht de nomenclatuur. CAS-nummers kunnen niet als eenduidige identificatienummers gebruikt worden, omdat sommige vormen van de op de lijst vermelde stoffen andere CAS-nummers hebben, en ook mengsels die een op de lijst voorkomende stof bevatten, andere CAS-nummers kunnen hebben.

NUCLEAIRE TECHNOLOGIE-NOOT (NTN)

(Te lezen in samenhang met sectie E van categorie 0.)

De “technologie” die rechtstreeks samenhangt met goederen die in categorie 0 vallen, valt onder de bepalingen van categorie 0.

“Technologie” voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van aan vergunningsplicht onderworpen goederen is ook aan vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen.

Het verlenen van een uitvoervergunning voor goederen houdt tevens in dat de uitvoer naar dezelfde eindgebruiker van de minimaal noodzakelijke “technologie” voor installatie, bediening, onderhoud en reparatie van de goederen is toegestaan.

Vergunningsregelingen voor overdracht van “technologie” zijn niet van toepassing op informatie die “voor iedereen beschikbaar” is, en op “fundamenteel wetenschappelijk onderzoek”.

ALGEMENE TECHNOLOGIENOOT (ATN)

(Te lezen in samenhang met sectie E van de categorieën 1 tot en met 9.)

De uitvoer van “technologie” die “noodzakelijk” is voor de “ontwikkeling”, “productie” of het “gebruik” van in de categorieën 1 tot en met 9 bedoelde goederen, is onderworpen aan de op de categorieën 1 tot en met 9 van toepassing zijnde bepalingen.

“Technologie” die “noodzakelijk” is voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van aan vergunningsplicht onderworpen goederen is ook aan vergunningsplicht onderworpen als deze technologie wordt toegepast op niet aan vergunningsplicht onderworpen goederen.

De vergunningsplicht geldt niet voor de minimaal noodzakelijke “technologie” voor installatie, bediening, onderhoud of reparatie van niet onder de vergunningsplicht vallende goederen of op de goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Noot: Deze bepaling laat de controlestatus van de in 1E002.e., 1E002.f., 8E002.a. en 8E002.b. bedoelde “technologie” onverlet.

De vergunningsplicht voor de overdracht van “technologie” is niet van toepassing op informatie die “voor iedereen beschikbaar” is, op “fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” en op de voor octrooiaanvragen noodzakelijke minimuminformatie.

NUCLEAIRE PROGRAMMATUURNOOT (NPN)

(Deze noot heeft voorrang boven het bepaalde in sectie D van categorie 0.)

Sectie D van categorie 0 heeft geen betrekking op “programmatuur” die de minimaal noodzakelijke “objectcode” is voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Het verlenen van een uitvoervergunning voor goederen houdt tevens in dat de uitvoer naar dezelfde eindgebruiker van de minimaal noodzakelijke “objectcode” voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van de goederen is toegestaan.

Noot: De Nucleaire programmatuurnoot laat de controlestatus van de in categorie 5 — deel 2 (“Informatiebeveiliging”) bedoelde “programmatuur” onverlet.

ALGEMENE PROGRAMMATUURNOOT (APN)

(Deze noot heeft voorrang boven het bepaalde in sectie D van de categorieën 1 tot en met 9.)

De categorieën 1 tot en met 9 van deze lijst zijn niet van toepassing op “programmatuur” die:

a.

algemeen voor het publiek verkrijgbaar is doordat de “programmatuur”:

1.

via de detailhandel zonder beperkingen uit voorraad wordt verkocht via:

a.

winkelverkoop;

b.

postorderverkoop;

c.

elektronische transacties; of

d.

telefonische verkoop; en

2.

is ontworpen voor installatie door de gebruiker zonder wezenlijke ondersteuning van de leverancier;

Noot: Punt a. van de Algemene programmatuurnoot laat de controlestatus van de in categorie 5 — deel 2 (“Informatiebeveiliging”) bedoelde “programmatuur” onverlet.

b.

“voor iedereen beschikbaar” is; of

c.

de minimaal noodzakelijke “objectcode” voor de installatie, de bediening, het onderhoud (controle) of de reparatie van goederen waarvan de uitvoer is toegestaan.

Noot: Punt c. van de Algemene programmatuurnoot laat de controlestatus van de in categorie 5 — deel 2 (“Informatiebeveiliging”) bedoelde “programmatuur” onverlet.

ALGEMENE NOOT “INFORMATIEBEVEILIGING” (ANIB)

Producten of functies ten behoeve van “informatiebeveiliging” moeten worden beoordeeld aan de hand van de bepalingen in categorie 5 — deel 2, ook indien het onderdelen, “programmatuur” of functies van andere producten betreft.

REDACTIONELE CONVENTIES IN HET PUBLICATIEBLAD VAN DE EUROPESE UNIE

In overeenstemming met de regels uiteengezet in alinea 6.5 op pagina 108 van de Interinstitutionele schrijfwijzer (editie 2015), voor in het Nederlands gepubliceerde teksten in het Publicatieblad van de Europese Unie:

worden decimalen van gehele getallen gescheiden door een komma,

en gehele getallen worden ingedeeld in blokken van drie cijfers die van elkaar worden gescheiden door een dunne spatie.

In deze bijlage wordt de hierboven beschreven praktijk aangehouden.

IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE ACRONIEMEN EN AFKORTINGEN

Een acroniem of afkorting, gebruikt als gedefinieerde term, is te vinden in ‘Definities van in deze bijlage gebruikte termen’.

ACRONIEM OF AFKORTING — BETEKENIS

ABEC

Annular Bearing Engineers Committee

ADC

Analoog-digitaalomzetters

AGMA

American Gear Manufacturers Association

AHRS

Stand- en koersreferentiesysteem

AISI

American Iron and Steel Institute

ALE

Atomaire-lagenepitaxie

ALU

Logische rekeneenheid

ANSI

American National Standards Institute

APP

Aangepast piekvermogen

APU

Hulpaggregaat

ASTM

American Society for Testing and Materials

ATC

Luchtverkeersleiding

BJT

Bipolaire junctietransistors

BPP

Beam Parameter Product

BSC

Base Station Controller

CAD

Computerondersteund ontwerpen

CAS

Chemical Abstracts Service

CCD

Ladinggekoppelde componenten

CDU

Visualisatie- en bedieningsinrichtingen

CEP

Circular error probable (50 %-trefkanscirkel)

CMM

Coördinatenmeetmachines

CMOS

Componenten met metaaloxide veldeffecttransistoren

CNTD

Thermische ontleding met beheerste nucleatie

CPLD

Complexe programmeerbare logische bouwsteen

CPU

Centrale verwerkingseenheid

CVD

Chemische afzetting uit de dampfase

CW

Chemische oorlogsvoering

CW (voor lasers)

Continugolf

DAC

Digitaal-analoogomzetter

DANL

Gemiddeld ruisniveau

DBRN

Navigatiesystemen met als referentie een gegevensbestand

DDS

Directe digitale synthesizer

DMA

Dynamisch-mechanische analyse

DME

Instrument voor het aangeven van afstand

DMOSFET

Gediffundeerde metaaloxide-halfgeleider-veldeffecttransistor

DS

Gerichte stolling

EB

Exploding Bridge

EB-PVD

Elektronenstraalverdampen

EBW

Exploding Bridge Wire

ECM

Electro-Chemical Machining

EDM

Vonkerosie

EEPROM

Elektrisch wisbaar en programmeerbaar ROM-geheugen

EFI

“Exploding foil”-ontstekingen

EIRP

Effectief isotroop uitgestraald vermogen

ENOB

Effectief aantal bits

ERF

Elektrorheologisch afwerkingsprocedé

ERP

Effectief uitgestraald vermogen

ETO

Emitter Turn-Off Thyristor

ETT

Electrical Triggering Thyristors

EUV

Extreem ultraviolet

FADEC

Digitale elektronische motorregelapparatuur welke volledig zelfstandig in de motorregeling kan ingrijpen

FFT

Snelle Fourier-transformatie

FPGA

Door de gebruiker te programmeren ‹gate array›

FPIC

Door de gebruiker te programmeren ‹interconnect›

FPLA

Door de gebruiker te programmeren ‹logic array›

FPO

Drijvendekommabewerking

FWHM

Brandpuntsvlak met een halfwaardebreedte

GSM

Wereldwijd systeem voor mobiele communicatie

GLONASS

Wereldwijd satellietnavigatiesysteem

GPS

Wereldwijd plaatsbepalingssysteem

GNSS

Wereldwijd satellietnavigatiesysteem

GTO

Uitschakelbare thyristor

HBT

Heterobipolaire transistors

HEMT

Transistor met hoge elektronenmobiliteit

ICAO

Internationale Burgerluchtvaartorganisatie

IEC

Internationale Elektrotechnische Commissie

IED

Geïmproviseerde explosieven

IEEE

Institute of Electrical and Electronic Engineers

IFOV

Momenteel gezichtsveld

IGBT

Bipolaire transistors met geïsoleerde poort

IGCT

Integrated Gate Commutated thyristor

IHO

Internationale Hydrografische Organisatie

ILS

Instrumentlandingssysteem

IMU

Traagheidsmetingseenheid

INS

Traagheidsnavigatiesysteem

IP

Internetprotocol

IRS

Inertieel referentiesysteem

IRU

Inertiële referentie-eenheid

ISA

Internationale standaard-atmosfeer

ISAR

Radarmodus met omgekeerde kunstmatig ingestelde apertuur

ISO

Internationale organisatie voor normalisatie

ITU

Internationale Telecommunicatie-unie

JT

Joule-Thomson

LIDAR

Lichtdetectie- en afstandsbepaling

LIDT

Schadegrens veroorzaakt door lasers

LOA

Lengte over alles

LRU

Line Replaceable Unit

MLS

Microgolflandingssysteem

MMIC

Monolithisch geïntegreerde microgolfschakeling

MOCVD

Chemische afzetting van organometaaldamp

MOSFET

Metaaloxide-halfgeleider-veldeffecttransistor

MPM

Microgolfvermogensmodules

MRAM

Magnetic Random Access Memory

MRF

Magnetorheologisch afwerkingsprocedé

MRF

Minimum resolvable feature size

MRI

Magnetic resonance imaging (beeldvorming door middel van magnetische resonantie)

MTBF

Mean time between failures (gemiddeld storingsvrij interval)

MTTF

Mean time to failure (gemiddeld interval vóór storing)

NA

Numerieke apertuur

NDT

Non-destructive test (niet-destructief onderzoek)

NEH

Netto equivalente hoeveelheid

OAM

Bediening, beheer en onderhoud

OSI

Open Systems Interconnection

PAI

Polyamide-imiden

PAR

Precisienaderingsradar

PCL

Passieve lokalisering

PDK

Process Design Kit

PIN

Persoonlijk identificatienummer

PMR

Particuliere mobiele radio

PVD

Physical Vapour Deposition (fysieke afzetting uit de dampfase)

ppm

parts per million (delen per miljoen)

QAM

Quadrature-Amplitude-Modulation (kwadratuuramplitudemodulatie)

QE

Kwantumefficiëntie

RAP

Reactive Atom Plasma-technologie (reactief atomair plasma)

RF

Radiofrequentie

rms

Root mean square (kwadratisch gemiddelde)

RNC

Radio Network Controller

RNSS

Regionaal satellietnavigatiesysteem

ROIC

Read-out Integrated Circuit (geïntegreerde schakeling voor het uitlezen)

S-FIL

Step and Flash Imprint Lithography

SAR

Synthetic Aperture Radar (radarmodus met kunstmatig ingestelde apertuur)

SAS

Synthetic Aperture Sonar

SC

Single Crystal (eenkristal)

SCR

Gestuurde halfgeleidergelijkrichters

SFDR

Spurious Free Dynamic Range (Storingsvrij dynamisch bereik)

SHPL

Super High Powered Laser

SLAR

Side-looking airborne radar (zijwaarts stralende radarmodus in vliegtuigen)

SOI

Silicon-on-Insulator

SQUID

Superconducting Quantum Interference Device

SRA

Shop replaceable assembly (in de werkplaats vervangbaar moduul)

SRAM

Static Random Access Memory

SSB

Single sideband (enkele zijband)

SSR

Secundaire surveillanceradar

SSS

Side Scan Sonar

TIR

Total Indicated Reading (totale meetklokuitslag)

TVR

Transmitting Voltage Response

u

Atomaire massa-eenheid

UPR

Unidirectional positioning repeatability (herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering)

UV

Ultraviolet

UTS

Ultimate tensile strength (eindtreksterkte)

VJFET

Verticale junctie-veldeffecttransistor

VOR

Very High Frequency Omni-directional Range

WLAN

Wireless Local Area Network (draadloos lokaal netwerk)

DEFINITIES VAN IN DEZE BIJLAGE GEBRUIKTE TERMEN

De definitie van termen tussen enkele aanhalingstekens (‘…’) wordt gegeven in een technische noot bij de betrokken post.

De definitie van de termen tussen dubbele aanhalingstekens (“…”) luidt als volgt:

NB: Na elke gedefinieerde term wordt tussen haakjes verwezen naar de betrokken categorie(ën).

“Nauwkeurigheid” (2 3 6 7 8) (gewoonlijk uitgedrukt in mate van onnauwkeurigheid): de maximale positieve of negatieve afwijking van een aangegeven waarde ten opzichte van een erkende norm of zuivere waarde.

“Actieve vluchtregelsystemen” (7): actieve vluchtregelsystemen die ongewenste bewegingen of structurele belastingen van het “vliegtuig” of de raket voorkomen door de onafhankelijke verwerking van signalen van meerdere sensoren waarna preventieve commando’s voor automatische regeling worden gegeven.

“Actieve pixel” (6): het kleinste (afzonderlijke) element van de halfgeleider-“array” dat nog een foto-elektrische overdrachtsfunctie vervult bij blootstelling aan elektromagnetische straling (licht).

“Aangepast piekvermogen” (4): een aangepaste pieksnelheid waarbij “digitale computers” drijvendekommaoptellingen en -vermenigvuldigingen van 64 bit of meer uitvoeren, die wordt uitgedrukt in gewogen TeraFLOPS (‹Weighted TeraFLOPS (WT)›), in eenheden van 1012 aangepaste drijvendekommabewerkingen per seconde.

NB: Zie categorie 4, Technische noot.

“Vliegtuigen” (1 6 7 9): luchtvaartuigen met vaste, draaibare of roterende vleugel(helikopter) of verticaal opstijgende luchtvaartuigen (met kantelende rotor of vleugel).

NB: Zie ook “civiele vliegtuigen”.

“Luchtschip” (9): een door een motor aangedreven luchtvaartuig dat in de lucht wordt gehouden door een massa aan gas (gewoonlijk helium, voordien waterstof) dat lichter is dan lucht.

“Inclusief alle compensaties” (2): nadat alle uitvoerbare maatregelen waarover de fabrikant beschikt om alle systematische instelfouten voor het betrokken werktuigmachinemodel of alle meetfouten voor de betrokken coördinaten-meetmachine tot een minimum te beperken, bekeken zijn.

“Door de ITU toegewezen” (3 5): toewijzing van de frequentiebanden overeenkomstig de huidige uitgave van het Radioreglement van de ITU voor primaire, toegelaten en secundaire diensten.

NB: Extra en alternatieve toewijzingen vallen hier niet onder.

“Hoekafwijking” (2): het maximale verschil tussen de aangegeven hoekpositie en de feitelijke, zeer nauwkeurig gemeten hoekpositie nadat de houder van het werkstuk op de tafel uit zijn oorspronkelijke positie is weggedraaid.

“Angle random walk” (7): de foutenontwikkeling bij hoekversnellingsmeting in tijd door witte ruis in de snelheid van de hoekbeweging. (IEEE STD 528-2001).

“APP” (4): (“Adjusted Peak Performance”) “Aangepast piekvermogen”.

“Asymmetrisch algoritme” (5): cryptografisch algoritme waarin voor encryptie andere wiskundige sleutels worden gebruikt dan voor decryptie.

NB: Voor sleutelbeheer worden gewoonlijk “asymmetrische algoritmen” gebruikt.

“Authentificatie” (5): verificatie van de identiteit van een gebruiker, programma of apparaat, vaak als voorwaarde voor toegang tot bronnen in een informatiesysteem. Dit omvat een verificatie van de oorsprong of inhoud van een bericht of andere informatie en alle aspecten van toegangscontrole waarbij geen encryptie van bestanden of tekst betrokken is, behalve wanneer deze rechtstreeks verband houdt met de bescherming van wachtwoorden, persoonlijke identificatienummers (PIN-codes) of vergelijkbare informatie ter voorkoming van toegang zonder toestemming.

“Gemiddeld uitgangsvermogen” (6): de totale outputenergie van een “laser” in joules, gedeeld door de periode waarin een reeks opeenvolgende pulsen wordt uitgezonden, in seconden. Voor een reeks gelijkmatig verdeelde pulsen is het gelijk aan het totale uitgangsvermogen van de “laser” in een enkele puls, in joules, vermenigvuldigd met de pulsfrequentie van de “laser”, in Hertz.

“Voortplantingsvertragingstijd van de basispoort” (3): de waarde van de voortplantingsvertragingstijd die overeenkomt met die van de basispoort binnen een “monolithische geïntegreerde schakeling”. Deze kan voor een bepaalde ‘familie’ van “monolithische geïntegreerde schakelingen” gespecificeerd zijn als de voortplantingsvertragingstijd per typerende poort binnen die ‘familie’ of als de typerende voortplantingsvertragingstijd per poort binnen die ‘familie’.

NB 1: De “voortplantingsvertragingstijd van de basispoort” moet niet worden verward met de in/uitgangsvertragingstijd van een complexe “monolithische geïntegreerde schakeling”.

NB 2: Een ‘familie’ bestaat uit alle geïntegreerde schakelingen waarop alle onderstaande elementen zijn toegepast als fabricagemethoden en -specificaties, met uitzondering van hun respectieve functies:

a.

de gebruikelijke hardware- en programmatuurarchitectuur;

b.

de gebruikelijke ontwerp- en verwerkingstechnologie; en

c.

de gebruikelijke basiskenmerken.

“Fundamenteel wetenschappelijk onderzoek” (ATN NTN): experimenteel of theoretisch werk dat hoofdzakelijk wordt gedaan om nieuwe kennis te verkrijgen over de fundamentele beginselen van verschijnselen of waarneembare feiten, en dat in eerste instantie niet is gericht op een bepaald praktisch doel of oogmerk.

“Bias” (versnellingsmeters) (7): het gemiddelde uitgangssignaal van een versnellingsmeter over een bepaalde tijd, gemeten onder gespecificeerde werkingsomstandigheden dat geen correlatie heeft met een aanzetversnelling of -rotatie. “Bias” wordt uitgedrukt in graden of in meter per secondekwadraat (m/s2). (IEEE STD 528-2001) (Micrograden = 1 × 10-6 graden).

“Bias” (gyroscopen) (7): het gemiddelde uitgangssignaal van een gyroscoop over een bepaalde tijd, gemeten onder gespecificeerde werkingsomstandigheden dat geen correlatie heeft met een aanzetrotatie of -versnelling. “Bias” wordt typisch uitgedrukt in graden per uur (graden/u). (IEEE STD 528-2001).

“Biologische stoffen” (1): pathogenen of toxinen, geselecteerd of aangepast (zoals een wijziging van de zuiverheid, houdbaarheid, virulentie, verspreidingskenmerken, of weerstand tegen UV-straling) om menselijke of dierlijke slachtoffers, schade aan uitrusting of aan gewassen, en aantasting van het milieu te veroorzaken.

“Axiale slag” (2): axiale verplaatsing tijdens één omwenteling van de hoofdspil, gemeten in een vlak loodrecht op de stelplaat van de spil aan een punt dat grenst aan de omtrek van de stelplaat van de spil. (Referentie: ISO 230/1 1986, paragraaf 5.63).

“CEP” (7) (“Circular Error Probable”): bij normale cirkelvormige spreiding de straal van de cirkel die 50 % bestrijkt van de afzonderlijke metingen die worden verricht, of de straal van de cirkel waarbinnen er 50 % kans is om te worden gelokaliseerd.

“Chemische laser” (6): een “laser” waarin de geëxciteerde stof wordt geproduceerd door de door een chemische reactie voortgebrachte energie.

“Chemisch mengsel” (1): een vast, vloeibaar of gasvormig product dat bestaat uit twee of meer bestanddelen die niet samen reageren onder de omstandigheden waarin het mengsel is opgeslagen.

“Luchtstroom-beheerste antitorsie- of richtingsregelsystemen” (7): systemen die gebruikmaken van lucht die over aerodynamische vlakken wordt geblazen om de door deze oppervlakken gegenereerde krachten te verhogen en te beheersen.

“Civiele vliegtuigen” (1 3 4 7): die types “vliegtuigen” die als zodanig zijn aangeduid in gepubliceerde overzichten van luchtwaardigheidsbewijzen van de civiele luchtvaartautoriteiten van een of meer EU-lidstaten of “deelnemende staten” aan het “Wassenaar Arrangement” voor het vliegen van commerciële binnenlandse en buitenlandse lijnen of voor wettig civiel, privé of zakelijk gebruik.

NB: Zie ook “vliegtuigen”.

“Communicatiekanaalbesturingseenheid” (4): de fysieke verbinding die de stroom synchrone of asynchrone digitale informatie bestuurt. Deze bestaat uit een samenstelling die in de computer- of telecommunicatieapparatuur kan worden geïntegreerd teneinde toegang tot de communicatie te verschaffen.

“Compensatiesystemen” (6): bestaan uit de primaire scalaire sensor, een of meer referentiesensoren (bv. vector-“magnetometers”), en programmatuur om de starlichaamrotatieruis van het platform te reduceren.

“Composiet” (1 2 6 8 9): een “matrix” en één of meer toegevoegde fasen bestaande uit deeltjes, whiskers, vezels of iedere combinatie daarvan, aanwezig voor een specifiek doel of voor specifieke doelen.

“III/V-verbindingen” (3 6): polykristallijne, binaire of complexe monokristallijne producten bestaande uit elementen uit de groepen IIIA en VA van het periodieke systeem van Mendelejev (galliumarsenide, galliumaluminiumarsenide, indiumfosfide, enz.).

“Contourbesturen” (2): twee of meer “numeriek bestuurde” bewegingen volgens instructies die de eerstvolgende vereiste positie en de vereiste voedingssnelheden naar die positie specificeren. Deze snelheden worden in afhankelijkheid van elkaar gevarieerd, zodat een gewenste contour wordt verkregen. (Referentie: ISO/DIS 2806-1980).

“Kritische temperatuur” (1 3 5): de “kritische temperatuur” (ook wel overgangstemperatuur genoemd) van een bepaald “supergeleidend” materiaal is de temperatuur waarbij de gelijkstroomweerstand van het materiaal nul wordt.

“Cryptografische activatie” (5): een specifieke techniek om cryptografisch vermogen te activeren of mogelijk te maken, via een mechanisme dat door de fabrikant van het product wordt toegepast, waarbij dit mechanisme uniek is voor:

1.

een enkel exemplaar van het item; of

2.

een klant, voor meerdere exemplaren van het item.

Technische noten:

1.

Technieken en mechanismen voor “cryptografische activatie” kunnen de vorm aannemen van hardware, “programmatuur” of “technologie”.

2.

Mechanismen voor “cryptografische activatie” kunnen bijvoorbeeld een vergunningssleutel op basis van een serienummer of een authentificatie-instrument, zoals een digitaal ondertekend certificaat, zijn.

“Cryptografie” (5): de tak van wetenschap die zich bezighoudt met de grondbeginselen, middelen en methoden voor het omzetten van gegevens teneinde de inhoud daarvan te verbergen, te voorkomen dat deze inhoud ongemerkt wordt gewijzigd of zonder toestemming wordt gebruikt. “Cryptografie” is beperkt tot het omzetten van gegevens met gebruikmaking van één of meer ‘geheime parameters’ (bv. cryptovariabelen) of aanverwante sleutels.

Noten:

1.

Tot “cryptografie” worden niet gerekend: technieken van ‘vaste’ gegevenscomprimering of -codering.

2.

“Cryptografie” omvat ook decryptie.

Technische noten:

1.

Een ‘geheime parameter’ is een constante of sleutel die voor anderen geheim wordt gehouden of slechts binnen een groep bekend wordt gemaakt.

2.

‘Vast’: het coderings- of comprimeringsalgoritme kan geen parameters van buitenaf ontvangen (bv. cryptografische of sleutelvariabelen) noch gewijzigd worden door de gebruiker.

“CW-laser” (6): een “laser” die langer dan 0,25 seconden een nominaal constante energie voortbrengt.

“Navigatiesystemen met als referentie een gegevensbestand” (“DBRN-systemen”) (7): systemen die gebruikmaken van verschillende bronnen van eerder gemeten gegevens die aan een geografische referentie zijn toegewezen, welke zijn geïntegreerd om onder dynamische omstandigheden accurate navigatie-informatie te verstrekken. De gegevensbronnen omvatten bathymetrische kaarten, sterrenkaarten, zwaartekrachtkaarten, magnetische kaarten of 3-D digitale terreinkaarten.

“Verarmd uraan” (0): uraan met een gehalte aan de uraan-235-isotoop dat lager is dan in de natuur voorkomt.

“Ontwikkeling” (ATN NTN Alle) bestrijkt alle fasen voorafgaand aan serieproductie, zoals: ontwerp, ontwerponderzoek, ontwerpanalyse, ontwerpideeën, assemblage en testen van prototypen, proefproductieplannen, ontwerpgegevens, het vertalen van ontwerpgegevens in een product, ontwerp van configuraties, integratieontwerp, opmaak.

“Diffusielassen” (1 2 9): het in de vaste fase (‹solid-state›) met elkaar verbinden van tenminste twee aparte metalen tot één stuk met een bindingssterkte tenminste gelijk aan die van het zwakste materiaal waarbij het voornaamste mechanisme bestaat uit interdiffusie van atomen over het oppervlak heen.

“Digitale computer” (4 5): een apparaat dat, in de vorm van één of meer discrete variabelen, alle volgende functies kan verrichten:

a.

gegevens opnemen;

b.

gegevens of opdrachten in onuitwisbare of wijzigbare (beschrijfbare) geheugens opslaan;

c.

gegevens met behulp van een opgeslagen veranderbare reeks opdrachten verwerken; en

d.

gegevens afgeven.

NB: Onder veranderen van een opgeslagen reeks opdrachten wordt mede verstaan het vervangen van onuitwisbare geheugenelementen, doch hieronder valt niet het in fysieke zin wijzigen van bedrading of onderlinge verbindingen.

“Digitale overbrengsnelheid” (def): de totale bitsnelheid van de informatie die direct wordt overgebracht op ieder type medium.

NB: Zie ook “totale digitale overbrengsnelheid”.

“Verloopsnelheid” (gyroscopen) (7): de component van de gyroscoopuitvoer die functioneel onafhankelijk is van de invoerrotatie. Wordt uitgedrukt als hoeksnelheid. (IEEE STD 528-2001).

“Effectieve gram” (0 1) (van “speciale splijtstoffen”):

a.

voor plutoniumisotopen en uraan-233: het gewicht van de isotoop in gram;

b.

voor uraan dat 1 % of meer verrijkt is in de isotoop uraan-235: het gewicht van het element in gram, vermenigvuldigd met het kwadraat van de verrijking, uitgedrukt in decimalen als gewichtsverhouding;

c.

voor uraan dat minder dan 1 % verrijkt is in de isotoop uraan-235: het gewicht van het element in gram, vermenigvuldigd met 0,0001.

“Samenstelling” (2 3 4): een aantal elektronische componenten (bijvoorbeeld ‘schakelelementen’, ‘discrete onderdelen’, geïntegreerde schakelingen, enz.) die onderling verbonden zijn om één of meer specifieke functies te vervullen en die als een eenheid vervangbaar en gewoonlijk demonteerbaar zijn.

NB 1: Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

NB 2: Een ‘discreet onderdeel’ is een afzonderlijk omhuld ‘schakelelement’ met eigen uitwendige aansluitingen.

“Energetische materialen” (1): stoffen of mengsels die chemisch reageren waarbij energie vrijkomt die noodzakelijk is voor de beoogde toepassing ervan. “Springstoffen”, “pyrotechnische middelen” en “stuwstoffen” zijn subklassen van energetische materialen.

“Eindeffectors” (2): grijpers, ‘actieve gereedschapseenheden’ en alle andere gereedschappen die zijn verbonden met de grondplaat aan het uiteinde van de manipulatiearmen van een “robot”.

NB: Een ‘actieve gereedschapseenheid’ is een voorziening die beweegkracht of procesenergie op het werkstuk overbrengt of waarnemingen daarvan verzorgt.

“Equivalente dichtheid” (6): de massa van een optisch element per optische oppervlakte-eenheid geprojecteerd op het optisch oppervlak.

“Springstoffen” (1): stoffen in vaste, vloeibare of gasvorm of mengsels van stoffen die moeten detoneren als primaire, aanjaag- of hoofdlading in koppen, bij sloopwerkzaamheden of bij andere toepassingen.

“Digitale elektronische motorregelsystemen welke volledig zelfstandig in de motorregeling kunnen ingrijpen” (“FADEC-systemen”) (9) (‹full authority digital engine control systems›): digitale elektronische regelsystemen voor gasturbinemotoren die autonoom kunnen ingrijpen in de motorregeling over het hele werkbereik van de motor vanaf de gevraagde motorstart tot het gevraagde stilleggen van de motor, zowel in normale omstandigheden als in het geval van storingen.

“Stapel- en continuvezelmateriaal” (0 1 8 9). Dit omvat:

a.

continue “monofilamenten”;

b.

continu “garens”; en “‹rovings›”;

c.

“banden”, weefsels en onregelmatig gelaagde matten en gevlochten banden;

d.

op lengte gesneden vezels, stapelvezels en samenhangende vezeldekens;

e.

whiskers, hetzij monokristallijn hetzij polykristallijn, ongeacht hun lengte;

f.

aromatische polyamidepulp.

“Geïntegreerde schakeling van het filmtype” (3): een reeks ‘schakelelementen’ en metallieke doorverbindingen, die gevormd zijn door afzetting van een dikke of dunne laag op een isolerend “substraat”.

NB: Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

“‹Fly-by-light›-systeem” (7): een primair digitaal vluchtregelsysteem dat terugkoppeling gebruikt voor de controle van het “vliegtuig” tijdens de vlucht, waarbij de opdrachten aan de effectors/aandrijvers optische signalen zijn.

“‹Fly-by-wire›-systeem” (7): een primair digitaal vluchtregelsysteem dat terugkoppeling gebruikt voor de controle van het “vliegtuig” tijdens de vlucht, waarbij de opdrachten aan de effectors/aandrijvers elektrische signalen zijn.

“‹Focal plane array›” (6 8): een lineaire of tweedimensionale vlakke laag of combinatie van vlakke lagen met afzonderlijke detectorelementen, met of zonder uitlees-elektronica, die in het brandvlak “‹focal plane›” worden geplaatst.

NB: Stapels afzonderlijke detectorelementen of detectoren met twee, drie of vier elementen vallen hier niet onder, op voorwaarde dat in het element geen tijdvertraging en integratie plaatsvindt.

“Fractionele bandbreedte” (3 5): de “momentele bandbreedte” gedeeld door de centrale frequentie, uitgedrukt in procenten.

“‹Frequency hopping›” (5 6): een vorm van “spread spectrum” waarbij de zendfrequentie van één enkel communicatiekanaal wordt verschoven in een willekeurige of pseudowillekeurige reeks discrete stappen.

“Frequentiewisseltijd” (3): de tijd (d.w.z. vertraging) welke benodigd is om van de oorspronkelijke gespecificeerde uitgangsfrequentie over te schakelen naar of te komen binnen:

a.

± 100 Hz van een uiteindelijke gespecificeerde uitgangsfrequentie van minder dan 1 GHz; of

b.

± 0,1 ppm (deel per miljoen) van een uiteindelijke gespecificeerde uitgangsfrequentie van 1 GHz of meer.

“Brandstofcel” (8): een elektrochemische inrichting die chemische energie rechtstreeks in gelijkstroom (DC) omzet door van een externe bron afkomstige brandstof te verbruiken.

“Samensmeltbaar” (vernetbaar) (1): in staat zijn om door verhitting, straling, katalyse, enz., te vernetten of verder te polymeriseren, dan wel zonder pyrolyse (verkoling) te smelten.

“Geleidingssysteem” (7): systemen waarin de meting en berekening van de positie en snelheid van een voertuig (navigatie) worden gecombineerd met de berekening en verzending van opdrachten naar de vluchtregelsystemen van het voertuig om de baan te corrigeren.

“Hybride geïntegreerde schakeling” (3): elke willekeurige combinatie van geïntegreerde schakelingen, ‘schakelelementen’ of “discrete onderdelen” die onderling verbonden zijn om één of meer specifieke functies te vervullen en met alle volgende kenmerken:

a.

met tenminste één niet-omhuld element;

b.

onderling verbonden met gebruikmaking van kenmerkende productiemethoden voor geïntegreerde schakelingen;

c.

als eenheid vervangbaar; en

d.

gewoonlijk niet demonteerbaar.

NB 1: Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

NB 2: Een ‘discreet onderdeel’ is een afzonderlijk omhuld ‘schakelelement’ met eigen uitwendige aansluitingen.

“Beeldverbetering” (4): het verwerken van elders verkregen informatiedragende beelden met behulp van algoritmen, zoals tijdcompressie, filteren, extractie, selectie, correlatie, convolutie of transformatie tussen domeinen (bv. de snelle Fouriertransformatie (‹fast Fourier transform›) of de Walsh-transformatie (‹Walsh transform›)). Hieronder zijn niet begrepen algoritmen die slechts lineaire of draaiende omzettingen op een enkel beeld toepassen, zoals verschuivingen, extractie van specifieke kenmerken, registratie of het vals kleuren.

“Immunotoxine” (1): een samenvoeging van een celspecifieke monoklonale antistof en een “toxine” of een “subeenheid van een toxine” die zieke cellen selectief aantast.

“Voor iedereen beschikbaar” (ATN NTN APN): “technologie” of “programmatuur” die zonder beperkingen aan de verdere verspreiding daarvan beschikbaar zijn gesteld. (Auteursrechtelijke beperkingen hebben niet tot gevolg dat “technologie” of “programmatuur” niet langer “voor iedereen beschikbaar” is.)

“Informatiebeveiliging” (APN ANIB 5): alle middelen en functies ter verzekering van de toegankelijkheid, geheimhouding of integriteit van gegevens of communicaties, zonder inbegrip van de middelen en functies die zijn bedoeld als beveiliging tegen storingen. Het begrip omvat o.a. “cryptografie”, “cryptografische activatie”, ‘cryptanalyse’, bescherming tegen confidentiële uitstralingen en computerbeveiliging.

Technische noot:

‘Cryptanalyse’: de analyse van een cryptografisch systeem of de in- en uitvoer daarvan om daaraan vertrouwelijke variabelen of gevoelige gegevens te ontlenen, met inbegrip van niet-gecodeerde tekst.

“Momentele bandbreedte” (3 5 7): de bandbreedte waarover het uitgangsvermogen binnen 3 dB constant blijft zonder bijstelling van andere werkparameters.

“Geïnstrumenteerd bereik” (6): het gespecificeerde ondubbelzinnige beeldbereik van een radar.

“Isolatie” (9): de isolatie van de onderdelen van een raketmotor, d.w.z. omhulling, straalpijp, inlaten en afdichtingen van de omhulling, waaronder gevulkaniseerd of half-gevulkaniseerd samengesteld rubber plaatmateriaal dat een isolerend of hittebestendig materiaal omvat. Isolatie kan ook zijn aangebracht in de vorm van moffen of flappen om spanningen te ontlasten.

“Binnenbekleding” (9): de hechtlaag tussen de vaste stuwstof en de omhulling of isolerende bekleding. Doorgaans een op vloeibare polymeren gebaseerde dispersie van hittebestendige of isolerende materialen, bijvoorbeeld polybutadieen met hydroxy-eindgroep (HTPB) met koolstof als vulmateriaal of een andere polymeer waaraan hardingsmiddelen zijn toegevoegd, waarmee het inwendige van een omhulling wordt gespoten of bestreken.

“Interleaved-analoog-digitaalomzetter (ADC)” (3): toestellen met meerdere ADC-eenheden die dezelfde analoge input op verschillende tijdstippen bemonsteren, zodat bij het samenvoegen van de outputs de analooginput doeltreffend is bemonsterd en op een hogere bemonsteringsnelheid is omgezet.

“Intrinsieke magnetische gradiëntmeter” (6): één enkel waarnemingselement voor de gradiënt van magnetische velden en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van de gradiënt van het magnetisch veld.

NB: Zie ook “magnetische gradiëntmeter”.

“Inbraakprogrammatuur” (4): ‹intrusion software›, “programmatuur” die speciaal is ontworpen of aangepast om opsporing door ‘bewakingshulpmiddelen’ te voorkomen of om ‘beschermende tegenmaatregelen’ van een computer of apparaat met netwerkcapaciteit te omzeilen en die één van de volgende functies verricht:

a.

het onttrekken van gegevens of informatie uit een computer of apparaat met netwerkcapaciteit of het wijzigen van systeem- of gebruikersgegevens; of

b.

het wijzigen het normale executiepad van een programma of proces om de uitvoering van buitenaf geleverde instructies mogelijk te maken.

Noten:

1.

“Inbraakprogrammatuur” omvat niet het volgende:

a.

‹hypervisors›, ‹debuggers› of hulpmiddelen voor de reverse engineering van programmatuur (SRE);

b.

“programmatuur” voor het beheer van digitale rechten (DRM); of

c.

“programmatuur” die is ontworpen voor installatie door de fabrikanten, beheerders of gebruikers met het oog op goederenbewaking of -herstel.

2.

Apparaten met netwerkcapaciteit omvatten mobiele apparaten en slimme meters.

Technische noten:

1.

‘Bewakingshulpmiddelen’: “programmatuur” of hardwareapparaten die het systeemgedrag of de processen die op een apparaat worden uitgevoerd, bewaken. Dit omvat antivirus (AV)-producten, producten voor eindpuntbeveiliging, producten voor persoonlijke veiligheid (PSP: Personal Security Products), inbraakdetectiesystemen (IDS: Intrusion Detection Systems), inbraakpreventiesystemen (IPS: Intrusion Prevention Systems) of firewalls.

2.

‘Beschermende tegenmaatregelen’: technieken die zijn ontworpen om te zorgen voor de veilige uitvoering van programmacode, zoals preventie van gegevensuitvoering, Data Execution Prevention DEP), willekeurige adresruimte-indeling (ASLR: Address Space Layout Randomisation) of ‹sandboxing›.

“Geïsoleerde levende culturen” (1): levende culturen met inbegrip van culturen waarvan de organismen zich in een ruststadium bevinden en levende culturen in gedroogde preparaten.

“Isostatische persen” (2): apparatuur, geschikt voor het onder druk brengen van een gesloten holte door middel van een bepaalde stof (een gas, een vloeistof, vaste deeltjes, enz.) teneinde te bereiken dat binnen de holte op een werkstuk of materiaal gelijke druk in alle richtingen wordt uitgeoefend.

“Laser” (0 1 2 3 5 6 7 8 9): een product dat zowel in de ruimte als in de tijd coherent licht produceert dat wordt versterkt door de gestimuleerde emissie van straling.

NB: Zie ook

“chemische laser”;

“CW-laser”;

“gepulseerde laser”;

“Super High Power Laser”.

“Bibliotheekprogramma’s” (1) (parametrische technische gegevensbestanden): een verzameling technische gegevens, waarvan de raadpleging de prestaties van relevante apparatuur of systemen kan verhogen.

“Lichter-dan-luchttoestellen” (9): ballonnen of “luchtschepen” die voor het creëren van lift gebruikmaken van hete lucht of andere gassen die lichter zijn dan lucht, bijvoorbeeld helium of waterstof.

“Lineariteit” (2) (gewoonlijk gemeten als non-lineariteit): de maximale positieve of negatieve afwijking van het feitelijke kenmerk (gemiddelde van naar boven en naar beneden gemeten waarden) van een rechte lijn die zo is geplaatst dat de maximale afwijkingen gelijk worden gemaakt en geminimaliseerd.

“Lokaal netwerk” (4 5): een datacommunicatiesysteem dat alle onderstaande eigenschappen combineert:

a.

het stelt een willekeurig aantal onafhankelijke ‘datatoestellen’ in staat, rechtstreeks met elkaar in verbinding te staan; en

b.

het is beperkt tot een geografisch betrekkelijk klein gebied (bijvoorbeeld een kantoorgebouw, een fabriek, een universiteitscomplex of een magazijn).

NB: Een ‘datatoestel’ is een apparaat voor het zenden of ontvangen van reeksen digitale informatie.

“Magnetische gradiëntmeters” (6): deze zijn ontworpen voor het opsporen van de ruimtelijke variaties van magnetische velden van bronnen buiten het instrument. Zij bestaan uit verscheidene “magnetometers” en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van de gradiënt van het magnetisch veld.

NB: Zie ook “intrinsieke magnetische gradiëntmeter”.

“Magnetometers” (6): deze zijn ontworpen voor het opsporen van magnetische velden van bronnen buiten het instrument. Zij bestaan uit één enkel sensorelement voor het waarnemen van magnetische velden en bijbehorende elektronica waarvan de afleeswaarde een maat is van het magnetisch veld.

“Materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6” (0): koper, roestvast staal, aluminium, aluminiumoxide, aluminiumlegeringen, nikkel of legeringen met 60 of meer gewichtspercenten nikkel en gefluoreerde koolwaterstofpolymeren.

“Matrix” (1 2 8 9): een in hoofdzaak continue fase die de ruimte tussen deeltjes, whiskers of vezels vult.

“Meetonzekerheid” (2): de kenmerkende parameter die specificeert binnen welk bereik rond de uitvoerwaarde de juiste waarde van de te meten variabele ligt met een betrouwbaarheidsniveau van 95 %. Deze omvat de ongecorrigeerde systematische afwijkingen, de ongecorrigeerde speling en de willekeurige afwijkingen. (Referentie: ISO 10360-2).

“Microcomputer-microschakeling” (3): een “monolithische geïntegreerde schakeling” of “multichip geïntegreerde schakeling” met een logische rekeneenheid (ALU), die in staat is om vanuit een intern geheugen algemene opdrachten uit te voeren op basis van gegevens opgeslagen in het interne geheugen.

NB: Het interne geheugen kan worden uitgebreid met een extra geheugen.

“Microprocessor-microschakeling” (3): een “monolithische geïntegreerde schakeling” of “multichip geïntegreerde schakeling” met een logische rekeneenheid (ALU), die in staat is om vanuit een extern geheugen een reeks algemene opdrachten uit te voeren.

NB 1: De “microprocessor-microschakeling” bevat gewoonlijk geen toegankelijkheid van het interne geheugen voor de gebruiker, hoewel op de “chip” aanwezig geheugen kan worden gebruikt voor uitvoering van de logische functie.

NB 2: Hieronder vallen tevens “chip sets” die zijn ontworpen om samen de functie van een “microprocessor microschakeling” te leveren.

“Micro-organismen” (1 2): bacteriën, virussen, mycoplasma’s, rickettsiae, chlamydiae of schimmels, natuurlijk, versterkt of gemodificeerd, in de vorm van “geïsoleerde levende culturen” of als materiaal met inbegrip van levend materiaal dat opzettelijk met dergelijke culturen is geïnoculeerd of besmet.

“Raketten” (1 3 6 7 9): complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen die een nuttige lading van tenminste 500 kg kunnen vervoeren over een afstand van ten minste 300 km.

“Monofilament” (1) of filament: de kleinste maat vezel, gewoonlijk enkele μm (micrometer) in diameter.

“Monolithische geïntegreerde schakeling” (3): een combinatie van passieve en/of actieve ‘schakelelementen’ welke:

a.

wordt gevormd door middel van diffusie, implanteren of opdampen in of op één enkel halfgeleidend stukje materiaal, een zogenaamde ‘chip’;

b.

wordt beschouwd als een ondeelbaar iets; en

c.

de functie(s) uitvoert van een schakeling.

NB: Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

“Monolithisch geïntegreerde microgolfschakeling” (“MMIC”) (3 5): een “monolithische geïntegreerde schakeling” die werkzaam is op microgolf- of millimetergolffrequenties.

“Monospectrale beeldsensoren” (6): deze zijn geschikt voor het vergaren van beeldgegevens van één afzonderlijke spectrumband.

“Multichip geïntegreerde schakeling” (3): twee of meer “monolithische geïntegreerde schakelingen”, verbonden op een gemeenschappelijk “substraat”.

“Meerkanalen-analoog-digitaalomzetter (ADC)” (3): toestellen waarin meer dan één ADC is geïntegreerd en die zo zijn ontworpen dat elke ADC een aparte analoge input heeft.

“Multispectrale beeldsensoren” (6): deze zijn geschikt voor het gelijktijdig of serieel vergaren van beeldgegevens van twee of meer afzonderlijke spectrumbanden. Sensoren met meer dan twintig afzonderlijke spectrumbanden worden ook wel hyperspectrale beeldsensoren genoemd.

“Natuurlijk uraan” (0): uraan met dezelfde isotopensamenstelling als in de natuur voorkomt.

“Netwerktoegangsbesturingseenheid” (4): een fysieke verbinding met een gedistribueerd schakelnetwerk. Deze verbinding maakt gebruik van een gemeenschappelijk medium dat steeds met dezelfde “digitale overbrengsnelheid” werkt en voor de transmissie gebruikmaakt van ‹arbitration› (bijvoorbeeld ‹token› of ‹carrier sense›). Geheel onafhankelijk selecteert de eenheid aan haar geadresseerde gegevenspakketten of gegevensgroepen (bv. IEEE 802). Deze bestaat uit een samenstelling die in de computer- of telecommunicatieapparatuur kan worden geïntegreerd teneinde toegang tot de communicatie te verschaffen.

“Kernreactor” (0): een volledige reactor die in staat is om een beheerste zichzelf onderhoudende kettingreactie van kernsplijting te handhaven. Een “kernreactor” omvat de delen in of rechtstreeks bevestigd aan het reactorvat, de uitrusting die het vermogensniveau in de kern regelt, alsmede de onderdelen die gewoonlijk het primaire koelmiddel van de reactorkern bevatten, daarmee in rechtstreeks contact komen of dit reguleren.

“Numerieke besturing” (2): de automatische besturing van een proces, uitgevoerd door een apparaat dat gebruikmaakt van numerieke gegevens die gewoonlijk worden ingevoerd tijdens de voortgang van het proces. (Referentie ISO 2382:2015).

“Objectcode” (APN): een door apparatuur uitvoerbare vorm van een geschikte expressie van één of meer processen (“broncode” (brontaal)) die door een programmeersysteem is gecompileerd.

“Bediening, beheer en onderhoud” (“OAM”) (5): de uitoefening van één of meer van de volgende taken:

a.

instelling of beheer van één van het volgende:

1.

accounts of privileges van gebruikers of administrateurs;

2.

instellingen van een item; of

3.

authenticatie gegevens ter ondersteuning van de taken die worden omschreven in punt a.1. of punt a.2.;

b.

monitoren of beheren van de gebruiksomgeving of prestaties van een product; of

c.

beheersverslagen of auditgegevens ter ondersteuning van een of meer van de taken die worden omschreven in punt a of punt b.

Noot:“Bediening, beheer en onderhoud” (“OAM”) omvat niet één van de volgende taken of de daarmee samenhangende sleutelbeheersfuncties:

a.

toelevering en upgrading van een cryptografische functionaliteit die niet rechtstreeks verband houdt met de instelling of het beheer van authenticatiegegevens ter ondersteuning van de taken die hierboven worden omschreven in punt a.1. of punt a.2.; of

b.

uitvoering van een cryptografische functionaliteit op het doorsturings- of gegevensniveau (“data plane”) van een product.

“Optische geïntegreerde schakeling” (3): een “monolithische geïntegreerde schakeling” of “hybride geïntegreerde schakeling” die één of meer delen bevat die zijn ontworpen om als een fotosensor of foto-emitter te werken of om één of meer optische of elektro-optische functies te vervullen.

“Optisch schakelen” (5): bepaling van de route of schakelen van optische signalen zonder omzetting in elektrische signalen.

“Totale stroomdichtheid” (3): het totale aantal ampèrewikkelingen in de spoel (d.w.z. de som van het aantal wikkelingen vermenigvuldigd met de maximale stroom die door elke wikkeling wordt gevoerd), gedeeld door de totale doorsnede van de spoel (met inbegrip van de supergeleidende draden, de metalen matrix waarin de supergeleidende draden zijn ingebed, het omgevende materiaal, eventuele koelkanalen, enz.).

“Deelnemende staat” (7 9): een staat die deelneemt aan het “Wassenaar Arrangement”. (Zie www.wassenaar.org).

“Piekvermogen” (6): het hoogste vermogensniveau dat tijdens de “pulsduur” wordt bereikt.

“Persoonlijk netwerk” (5): een datacommunicatiesysteem dat alle onderstaande eigenschappen combineert:

a.

het stelt een willekeurig aantal onafhankelijke of onderling verbonden ‘datatoestellen’ in staat, rechtstreeks met elkaar in verbinding te staan; en

b.

het is beperkt tot communicatie tussen toestellen in de onmiddellijke nabijheid van een persoon of toestelbeheerder (bv. één kamer, één kantoor of voertuig en de ruimte in de directe omgeving daarvan).

Technische noot:

Een ‘datatoestel’ is een apparaat voor het zenden of ontvangen van reeksen digitale informatie.

“Door opwerking verkregen” (1): het toepassen van ieder procedé dat tot doel heeft het gehalte van de betrokken isotoop te doen toenemen.

“Voornaamste deel” (4): zoals toegepast in categorie 4, een deel is een “voornaamste deel” wanneer de vervangingswaarde hoger is dan 35 % van de totale waarde van het systeem waarvan het deel uitmaakt. De waarde van een deel is de prijs die door de fabrikant of door degene die het systeem heeft geïntroduceerd voor het deel is betaald. De totale waarde is de normale internationale verkoopprijs bij verkoop aan een niet-gelieerde partij af fabriek of bij bevestiging van de verzending.

“Productie” (ATN NTN Alle): hieronder vallen alle productiestadia, zoals: bouw, productie, engineering, fabricage, integratie, assemblage (monteren), inspectie, testen, kwaliteitsborging.

“Productieapparatuur” (1 7 9): gereedschap, mallen, kalibers, mandrellen, matrijzen, bevestigingsmiddelen, uitlijnmiddelen, testapparatuur, andere apparatuur en componenten daarvoor, beperkt tot datgene dat speciaal is ontworpen of aangepast voor de “ontwikkeling” of voor een of meer fasen van de “productie”.

“Productiefaciliteiten” (7 9): “productieapparatuur” en speciaal ontworpen “programmatuur”, samengesteld tot installaties voor de “ontwikkeling” of voor een of meer fasen van de “productie”.

“Programma” (2 6): een reeks opdrachten voor het volbrengen van een handeling in een vorm, of om te zetten in een vorm, die voor de uitvoering door een elektronische computer geschikt is.

“Pulscompressie” (6): codering en verwerking van een radarsignaalpuls met een lange duur tot een kortstondige puls, met behoud van de voordelen van een hoge pulsenergie.

“Pulsduur” (6) (van een “laser”): de tijd tussen de halfvermogenspunten op de voor- en achterkant van één “laser” puls.

“Gepulseerde laser” (6): een “laser” met een “pulsduur” korter dan of gelijk aan 0,25 seconden.

“Kwantumcryptografie”: (5) een groep technieken voor het opstellen van een gemeenschappelijke encryptiesleutel door meting van de kwantummechanische eigenschappen van een fysisch systeem (met inbegrip van de fysische eigenschappen die expliciet beheerst worden door kwantumoptica, de kwantumveldtheorie en de kwantumelektrodynamica).

“Radar ‹frequency agility›” (6): iedere techniek waarbij de draaggolffrequentie van een gepulseerde radarzender in een pseudo-willekeurige volgorde van puls tot puls of van de ene groep pulsen tot de volgende groep kan veranderen met een hoeveelheid gelijk aan of groter dan de bandbreedte van de puls.

“Radar ‹spread spectrum›” (6): iedere modulatietechniek voor het spreiden van energie afkomstig van een signaal met een relatief smalle frequentieband over een veel bredere frequentieband, met gebruikmaking van willekeurige of pseudo-willekeurige codering.

“Stralingsgevoeligheid” (6): stralingsgevoeligheid (mA/W) = 0,807 × (golflengte in nm) × kwantumefficiëntie (QE).

Technische noot:

QE wordt meestal in procenten uitgedrukt; voor deze formule wordt de QE echter uitgedrukt als een decimaal cijfer kleiner dan één, bv. 78 % is 0,78.

“Onvertraagde verwerking” (‹real time processing›) (6): het verwerken van gegevens door een computersysteem dat afhankelijk van de beschikbare middelen een bepaalde prestatie levert binnen een gewaarborgde responsietijd als reactie op een externe gebeurtenis, ongeacht de belasting van het systeem.

“Herhaalbaarheid” (7): de nauwkeurigheid van overeenstemming tussen herhaalde metingen van dezelfde variabele onder dezelfde gebruiksomstandigheden wanneer zich tussen metingen veranderingen in de omstandigheden of perioden zonder gebruik voordoen. (Referentie: IEEE STD 528-2001 (standaardafwijking van 1 sigma)).

“Noodzakelijk” (ATN 5 6 7 9): met betrekking tot “technologie” wordt hieronder verstaan uitsluitend dat deel van de “technologie” dat in het bijzonder verantwoordelijk is voor het bereiken of te boven gaan van de onder de controle vallende prestatieniveaus, kenmerken of functies. Verschillende producten kunnen dergelijke “noodzakelijke”“technologie” gemeen hebben.

“Resolutie” (2): de kleinste stap van een meettoestel; op digitale instrumenten het minst significante bit (referentie: ANSI B-89.1.12).

“Stoffen voor oproerbeheersing” (1): stoffen die, onder de verwachte gebruiksomstandigheden van het gebruik voor oproerbeheersing, bij mensen snel sensoriële irritatie of fysiek onvermogen veroorzaken, welke effecten echter korte tijd na beëindiging van de blootstelling verdwijnen.

Technische noot:

Traangassen zijn een subklasse van “stoffen voor oproerbeheersing”.

“Robot” (2 8): een manipulatiemechanisme, dat kan zijn van een type dat een continu pad aflegt of van een type dat van punt naar punt gaat, eventueel voorzien van “sensoren”, en dat alle volgende kenmerken heeft:

a.

multifunctioneel;

b.

geschikt voor het positioneren of oriënteren van materialen, onderdelen, gereedschappen of speciale elementen door middel van regelbare bewegingen in de driedimensionale ruimte;

c.

met drie of meer servomechanismen met open of gesloten lus, waarbij inbegrepen kunnen zijn stappenmotoren; en

d.

met “toegankelijkheid van het programma voor de gebruiker” door middel van de leer-en-terugspeelmethode (teach/playback) of door middel van een elektronische computer die een programmeerbare logische regeleenheid kan zijn (PLC), d.w.z. zonder mechanische interventie.

NB: Bovenstaande definitie slaat niet op de volgende toestellen:

1.

manipulatiemechanismen die alleen met de hand of met een mechanisme voor afstandsbediening te regelen zijn;

2.

manipulatiemechanismen die in een vaste volgorde werken en geautomatiseerde bewegende toestellen zijn, die mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma is mechanisch beperkt door vaste aanslagen, zoals pennen of nokken. De volgorde van de bewegingen en de keuze van trajecten of hoeken mag niet op mechanische, elektronische of elektrische wijze beïnvloedbaar zijn;

3.

mechanisch geregelde manipulatiemechanismen met een variabele volgorde van bewegingen, die geautomatiseerde bewegende toestellen zijn welke mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma is mechanisch beperkt door vaste, maar verplaatsbare aanslagen, zoals pennen en nokken. De volgorde van de bewegingen en de keuze van de trajecten of hoeken kan binnen het vaste programmapatroon worden gevarieerd. Variaties of wijzigingen in het programmapatroon (bv. verwisselen van pennen of uitwisselen van nokschijven) in één of meer bewegingsassen mogen alleen langs mechanische weg bewerkstelligd worden;

4.

niet van een servomechanisme voorziene manipulatiemechanismen met een variabele volgorde van bewegingen, die geautomatiseerde bewegende toestellen zijn welke mechanisch vastgelegde, geprogrammeerde bewegingen uitvoeren. Het programma mag variabel zijn maar de volgorde mag slechts op grond van het binaire signaal van mechanisch vaste elektrische binaire voorzieningen of verplaatsbare aanslagen verlopen;

5.

stapelkranen, waaronder te verstaan met cartesische coördinaten werkende manipulatiesystemen, vervaardigd als integraal onderdeel van een verticale opstelling van opslagbakken en ontworpen voor het bereiken van de inhoud van deze bakken voor opslag of leeghalen.

“Roving” (1): een bundel (normaal 12-120) van ongeveer evenwijdige ‘strengen’.

NB:‘Streng’: een bundel “monofilamenten” (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

“Rondloopnauwkeurigheid” (‹run-out›) (2): radiale verplaatsing tijdens één omwenteling van de hoofdspil gemeten in een vlak loodrecht op de hartlijn van de spil aan een punt op het te testen uitwendige of inwendige omwentelingsoppervlak. (Referentie: ISO 230-1:1986, paragraaf 5.61).

“Bemonsteringssnelheid” (3) van een analoog-digitaalomzetter (ADC): het maximale aantal monsters dat gedurende een periode van één seconde bij het analoogoutput wordt gemeten, behalve voor overbemonsterende ADC’s. Voor overbemonsterende ADC’s wordt de outputwoordsnelheid als “bemonsteringssnelheid” genomen. “Bemonsteringssnelheid”, doorgaans uitgedrukt in megasamples per seconde (MSPS) of gigasamples per seconde (GSPS), kan ook worden aangeduid als conversiesnelheid, doorgaans uitgedrukt in Hertz (Hz).

“Satellietnavigatiesysteem” (5 7): een systeem dat bestaat uit grondstations, een constellatie van satellieten, en ontvangers, dat het mogelijk maakt om op basis van signalen die van de satellieten worden ontvangen, de locatie van ontvangers te bepalen. Het omvat wereldwijde satellietnavigatiesystemen (GNSS) en regionale satellietnavigatiesystemen (RNSS).

“Schaalfactor” (gyroscoop of versnellingsmeter) (7): de verhouding tussen de uitvoerverandering en de te meten invoerverandering. De schaalfactor wordt gewoonlijk gegeven als de hellingshoek van de rechte lijn die volgens de kleinste kwadraten-methode past bij de invoer-uitvoergegevens, verkregen door cyclische variatie van de invoer over het ingangstraject.

“Signaalanalysatoren” (3): instrumenten, geschikt voor het meten en afbeelden van de basiseigenschappen van de individuele frequentiecomponenten van meervoudige-frequentiesignalen.

“Signaalverwerking” (3 4 5 6): het verwerken van elders verkregen informatiedragende signalen met behulp van algoritmen, zoals tijdcompressie, filteren, extractie, selectie, correlatie, convolutie of transformatie tussen domeinen (bv. de snelle Fouriertransformatie (‹fast Fourier transform›) of de Walsh-transformatie (‹Walsh transform›)).

“Programmatuur” (APN Alle): een verzameling van één of meer “programma’s” of ‘microprogramma’s’, vastgelegd op enig tastbaar medium.

NB:‘Microprogramma’: een reeks elementaire instructies die in een speciaal geheugen wordt bewaard en waarvan de uitvoering wordt gestart door de invoer van de bijbehorende verwijsopdracht in het instructieregister.

“Broncode” (of brontaal) (6 7 9): een geschikte expressie van één of meer processen, die door een programmeersysteem kan worden omgezet in een door apparatuur uitvoerbare vorm (“objectcode” (of doeltaal)).

“Ruimtevaartuig” (9): actieve en passieve satellieten en ruimtesondes.

“Platform van het ruimtevaartuig” (9): apparatuur die de ondersteunende infrastructuur van het “ruimtevaartuig” vormt en ruimte biedt voor de “nuttige lading van het ruimtevaartuig”.

“Nuttige lading van het ruimtevaartuig” (9): apparatuur die is gekoppeld aan het “platform van het ruimtevaartuig” en ontworpen is voor een taak in de ruimte (bv. communicatie, observatie, wetenschappelijk onderzoek).

“Voor gebruik in de ruimte gekwalificeerd(e)” (3 6 7) (producten): producten die zijn ontworpen, vervaardigd en gekwalificeerd na geslaagde testen om te opereren op hoogten van meer dan 100 km boven het aardoppervlak.

NB: De vaststelling door middel van testen dat een specifiek product “voor gebruik in de ruimte gekwalificeerd” is, impliceert niet dat andere producten van dezelfde productie of modellenserie “voor gebruik in de ruimte gekwalificeerd” zijn indien zij niet individueel getest zijn.

“Speciale splijtstoffen” (0): plutonium-239, uraan-233, “uraan verrijkt in de isotopen 235 of 233”, en elk materiaal dat het voorgaande bevat.

“Specifieke modulus” (0 1 9): Youngs modulus in pascal, gelijk aan N/m2 gedeeld door het soortelijk gewicht in N/m3, gemeten bij een temperatuur van (296 ± 2) K ((23 ± 2) °C) en een relatieve vochtigheid van (50 ± 5) %.

“Specifieke treksterkte” (0 1 9): de breeksterkte in pascal, gelijk aan N/m2 gedeeld door het soortelijk gewicht in N/m3, gemeten bij een temperatuur van (296 ± 2) K ((23 ± 2) °C) en een relatieve vochtigheid van (50 ± 5) %.

“Gyroscopen met draaimassa” (7): gyroscopen die gebruikmaken van een continu roterende massa voor het waarnemen van de hoekbeweging.

“Spread spectrum” (5): de techniek waarbij de energie in een communicatiekanaal met een relatief smalle band wordt gespreid over een veel breder energiespectrum.

“Spread spectrum” radar (6): zie “Radar ‹spread-spectrum›”.

“Stabiliteit” (7): standaardafwijking (1 sigma) van de miswijzing van een bepaalde parameter van de ijkwaarde, gemeten bij stabiele temperatuuromstandigheden. Deze kan worden uitgedrukt als een functie van de tijd.

“Staten die (geen) partij zijn bij het Verdrag inzake chemische wapens” (1): staten waarvoor het Verdrag tot verbod van de ontwikkeling, de productie, de aanleg van voorraden en het gebruik van chemische wapens (niet) in werking is getreden. (Zie www.opcw.org)

“Stationair” (9) wijst op werkingsomstandigheden van de motor, waarbij de parameters ervan, zoals stuwkracht/vermogen, omwentelingen per minuut en andere niet betekenisvol schommelen, wanneer de omgevingstemperatuur van de lucht en de luchtdruk aan de inlaat van de motor constant zijn.

“Substraat” (3): een laag basismateriaal met of zonder een onderlinge verbindingsstructuur waarop of waarin ‘discrete onderdelen’ of geïntegreerde schakelingen of beide aanwezig kunnen zijn.

NB 1: Een ‘discreet onderdeel’ is een afzonderlijk omhuld ‘schakelelement’ met eigen uitwendige aansluitingen.

NB 2: Een ‘schakelelement’ is een enkelvoudig actief of passief functioneel deel van een elektronische schakeling, bijvoorbeeld één diode, één transistor, één weerstand, één condensator, enz.

“Onafgewerkte substraten” (3 6): monolithische verbindingen met afmetingen die geschikt zijn voor de productie van optische elementen zoals spiegels of optische vensters.

“Subeenheid van toxine” (1): een structureel en functioneel losstaand bestanddeel van een hele “toxine”.

“Superlegeringen” (2 9): legeringen op basis van nikkel, kobalt of ijzer, met sterkten hoger dan de standaardwaarden volgens de AIS 300 bij temperaturen boven 922 K (649 °C) onder zware omgevings- en gebruiksomstandigheden.

“Supergeleidend” (1 3 5 6 8): materialen, d.w.z. metalen, legeringen of verbindingen waarvan de elektrische weerstand nul kan worden, d.w.z. dat zij een oneindige elektrische geleidbaarheid kunnen bereiken en zeer grote stromen kunnen geleiden zonder joule-opwarming.

NB: De “supergeleidende” toestand van elk afzonderlijk materiaal wordt gekenmerkt door een “kritische temperatuur”, een kritisch magnetisch veld, dat een functie is van de temperatuur, en een kritische stroomdichtheid, die echter een functie is van zowel het magnetisch veld als de temperatuur.

“Super High Power Laser” (SHPL) (6): een “laser” die geschikt is voor het afgeven van (het totaal of een gedeelte van) de uitgangsenergie van meer dan 1 kJ binnen 50 ms of met een gemiddeld of CW-(continugolf)vermogen van meer dan 20 kW.

“Superplastisch vormen” (1 2): een vervormingsproces waarbij warmte wordt gebruikt om voor metalen die gewoonlijk weinig rek (minder dan 20 %) hebben bij de breeksterktegrens als bepaald bij kamertemperatuur door middel van een conventionele trekproef, tijdens het verwerken minstens tweemaal hogere rekwaarden te bereiken dan genoemde waarden.

“Symmetrisch algoritme” (5): cryptografisch algoritme waarin voor encryptie dezelfde sleutel gebruikt wordt als voor decryptie.

NB:“Symmetrische algoritmen” worden vaak voor vertrouwelijke gegevens gebruikt.

“Band” (1): een materiaal dat bestaat uit in elkaar gevlochten of in één richting liggende “monofilamenten”, ‘strengen’, “‹rovings›”, “linten” of “garens”, enz., gewoonlijk geïmpregneerd met hars.

NB:‘Streng’: een bundel “monofilamenten” (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.

“Technologie” (ATN NTN Alle): specifieke informatie die nodig is voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van een product. De informatie is in de vorm van ‘technische gegevens’ of ‘technische bijstand’.

NB 1:‘Technische bijstand’ kan zijn in de vorm van instructie, vaardigheden, opleiding, praktijkkennis, advies e.d. en kan gepaard gaan met de overdracht van ‘technische gegevens’.

NB 2:‘Technische gegevens’ kunnen o.m. bestaan uit blauwdrukken, tekeningen, schema’s, modellen, formules, tabellen, technische ontwerpen en specificaties, handboeken en instructies, in geschreven vorm of vastgelegd op andere media of apparaten zoals schijf, magneetband, leesgeheugens (ROM’s).

“Driedimensionale geïntegreerde schakelingen” (3): een verzameling met elkaar geïntegreerde halfgeleiderplaatjes of actieve matrijzen, met halfgeleider-viaverbindingen die volledig door een interposer, substraat, plaatje of laag heen gaan om onderlinge verbindingen tussen matrijzen te leggen. Een interposer is een tussenlaag die elektrische verbindingen mogelijk maakt.

“Kantelspil” (2): een spil met gereedschap die gedurende het bewerkingsproces de hoek van zijn hartlijn ten opzichte van een andere as kan wijzigen.

“Reactietijdconstante” (6): de tijd vanaf het toepassen van een lichtprikkel totdat de stroomtoename een waarde heeft bereikt van 1-1/e maal de eindwaarde (d.w.z. 63 % van de eindwaarde).

“Tijd tot stationair werkende toestand is bereikt” (6) (ook de responstijd van de gravimeter genoemd): de tijd waarin de storende effecten van de door het platform veroorzaakte versnellingen (hoogfrequent geluid) worden verminderd.

“Schoepuiteindeversterking” (9): een stationaire ring (vast of gesegmenteerd) aan de binnenkant van het turbinehuis van een motor of een onderdeel aan het buitenste schoepuiteinde van het turbineblad dat in hoofdzaak dient als gasafdichting tussen stationaire en roterende onderdelen.

“Totale vluchtregeling” (7): een geautomatiseerde regeling van de toestandsvariabelen en de vliegbaan van een “vliegtuig” om te voldoen aan de doelstellingen van een missie, waarbij wordt gereageerd op real-time veranderingen in de gegevens betreffende doelstellingen, gevaren en andere “vliegtuigen”.

“Totale digitale overbrengsnelheid” (5): het aantal bits, met inbegrip van regelcodering, organisatorische bits enz., dat per tijdseenheid wordt overgebracht tussen overeenkomstige apparatuur in een digitaal transmissiesysteem.

NB: Zie ook “digitale overbrengsnelheid”.

“Lint” (1): een bundel “monofilamenten”, die gewoonlijk ongeveer parallel lopen.

“Toxinen” (1 2): toxinen in de vorm van opzettelijk geïsoleerde preparaten of mengsels, ongeacht de wijze van bereiding, anders dan toxinen die als contaminant aanwezig zijn in andere materialen zoals pathologische monsters, gewassen, levensmiddelen of culturen van “micro-organismen”.

“Afstembaar” (6): het vermogen van een “laser” om binnen een gebied van verschillende “laser”-overgangen bij elke golflengte een continuvermogen op te wekken. Een laser die slechts kan werken op een beperkt aantal vaste golflengten ‹line selectable› wekt discrete golflengten op binnen één “laser”-overgang en wordt niet beschouwd als “afstembaar”.

“Herhaalbaarheid van de unidirectionele positionering” (“unidirectional positioning repeatability”) (2): de laagste van de waarden R↑ en R↓ (voorwaarts en achterwaarts), zoals omschreven in punt 3.21 van ISO 230-2:2014 of nationale equivalenten, van een individuele as van een werktuigmachine.

“Onbemande luchtvaartuigen” (“UAV”) (9): luchtvaartuigen zonder menselijke aanwezigheid aan boord die kunnen opstijgen en zonder onderbreking gecontroleerde vluchten kunnen uitvoeren en navigatie kunnen aanhouden.

“Uraan verrijkt in de isotopen 235 of 233” (0): uraan dat de isotopen 235 of 233 of beide bevat in een zodanige hoeveelheid, dat de verhouding tussen de som van de hoeveelheden van deze isotopen en de hoeveelheid van de isotoop 238 groter is dan de verhouding tussen de hoeveelheden van de isotoop 235 en de isotoop 238 in natuurlijk uraan (isotoopverhouding: 0,71 %).

“Gebruik” (ATN NTN Alle): bediening, installatie (met inbegrip van installatie ter plaatse), onderhoud (controle), reparatie, revisie en opknappen.

“Toegankelijkheid van het programma voor de gebruiker” (6): de mogelijkheid voor de gebruiker om “programma’s” in te voegen, te veranderen of te vervangen anders dan door middel van:

a.

een fysieke wijziging in de bedrading of andere onderlinge verbindingen; of

b.

het instellen van functiekeuzen, het inbrengen van parameters daarbij inbegrepen.

“Vaccin” (1): een medisch preparaat volgens een chemische formule waarvoor een vergunning is afgegeven of waarvoor een vergunning voor het in de handel brengen of voor klinische proeven is afgegeven door de regelgevende instanties van hetzij het land waar het wordt gefabriceerd, hetzij het land waar het wordt gebruikt, en dat strekt tot stimulering van een beschermende immuunrespons ter voorkoming van ziekten in de mens of het dier aan wie of waaraan het wordt toegediend.

“Elektronische vacuümelementen” (3): elektronische toestellen die werkzaam zijn op basis van de interactie van een elektronenstraal met een elektromagnetische golf die zich voortplant in een vacuümschakelaar of interageert met een radiofrequentievacuümtrilholte. “Elektronische vacuümelementen” omvatten klystrons, lopende golfbuizen en afgeleiden daarvan.

“Garen” (1): een bundel getwijnde ‘strengen’.

NB:‘Streng’: een bundel “monofilamenten” (normaal meer dan 200) die ongeveer parallel lopen.”.

CATEGORIE 0 — NUCLEAIRE GOEDEREN

0A   Systemen, apparatuur en onderdelen

0A001

“Kernreactoren” en speciaal ontworpen en gebouwde uitrusting en onderdelen ervan, als hieronder:

a.

“kernreactoren”;

b.

metalen vaten, of belangrijke speciaal vervaardigde onderdelen ervan, met inbegrip van het deksel van een reactordrukvat, die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd als omhulsel van de kern van een “kernreactor”;

c.

bedieningsapparatuur, speciaal ontworpen of vervaardigd om splijtstof in een “kernreactor” aan- of af te voeren;

d.

regelstaven, d.w.z. staven die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor de beheersing van het splijtingsproces in een “kernreactor”, de draag- of ophangconstructies daarvoor, mechanismen voor het besturen van de regelstaven en buizen voor het geleiden van de regelstaven;

e.

drukpijpen, d.w.z. buizen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd om dienst te doen als houder van zowel de splijtstofelementen en het primaire koelmiddel in een “kernreactor”;

f.

buizen (of samenstellen van buizen) van zirkoniummetaal of zirkoniumlegeringen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor gebruik als splijtstofstaven in een “kernreactor”, in hoeveelheden van meer dan 10 kg;

NB: Voor drukpijpen van zirkonium zie 0A001.e. en voor calandriabuizen zie 0A001.h.

g.

koel- of circulatiepompen, d.w.z. pompen die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor het doen circuleren van het primaire koelmiddel van “kernreactoren”;

h.

‘inwendige delen van kernreactoren’ die speciaal ontworpen of vervaardigd zijn voor gebruik in een “kernreactor”, met inbegrip van draagconstructies voor de reactorkern, brandstofkanalen, calandriabuizen, hitteschilden, keerschotten, roosterplaten van de reactorkern en diffusorplaten;

Technische noot:

In 0A.001.h. wordt onder ‘inwendige delen van kernreactoren’ verstaan iedere grote structuur binnen een reactorvat die één of meer functies heeft, zoals ondersteuning van de kern, handhaving van de brandstofuitlijning, sturing van het primaire koelmiddel, het verschaffen van stralingsschermen voor het reactorvat, en de geleiding van instrumenten in de kern.

i.

warmtewisselaars als hieronder:

1.

stoomgeneratoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het primaire, of intermediaire, koelmiddelcircuit van een “kernreactor”;

2.

andere warmtewisselaars, speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in het primaire koelmiddelcircuit van een “kernreactor”.

Noot: 0A001.i. heeft geen betrekking op warmtewisselaars voor de ondersteuningssystemen van de reactor, bijvoorbeeld het noodkoelsysteem of het koelsysteem voor de afvoer van vervalwarmte.

j.

neutrondetectoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bepalen van de niveaus van de neutronenflux in de kern van een “kernreactor”;

k.

‘externe hitteschilden’ die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een “kernreactor” ter vermindering van warmteverlies en ter bescherming van het insluitingsvat.

Technische noot:

In 0A001.k. betekent ‘externe hitteschilden’ grote structuren die over het reactorvat zijn geplaatst en die warmteverlies van de reactor verminderen en de temperatuur binnen het insluitingsvat verlagen.

0B   Test-, inspectie- en productieapparatuur

0B001

Fabrieken voor de scheiding van isotopen van “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium”, of “speciale splijtstoffen” en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

a.

installaties, speciaal ontworpen voor de scheiding van isotopen van “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium” of “speciale splijtstoffen” als hieronder:

1.

gascentrifuges;

2.

gasdiffusiescheidingsinstallaties;

3.

aerodynamische scheidingsinstallaties;

4.

scheidingsinstallaties met behulp van chemische uitwisselaars;

5.

scheidingsinstallaties met behulp van ionenuitwisselaars;

6.

isotopenscheidingsinstallaties werkend met atomaire-damp-“lasers”;

7.

isotopenscheidingsinstallaties werkend met moleculaire “lasers”;

8.

plasmascheidingsinstallaties;

9.

elektromagnetische scheidingsinstallaties;

b.

gascentrifuges en samenstellingen en onderdelen, speciaal ontworpen of aangepast voor gebruik in gascentrifuges, als hieronder:

Technische noot:

In 0B001.b. betekent ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’:

1.

maragingstaal met een maximale treksterkte van 1,95 GPa of meer;

2.

aluminiumlegeringen met een maximale treksterkte van 0,46 GPa of meer; of

3.

“stapel- en continuvezelmateriaal” met een “specifieke modulus” van meer dan 3,18 × 106 m en een “specifieke treksterkte” van meer dan 7,62 × 104 m;

1.

gascentrifuges;

2.

complete rotoren;

3.

rotorbuiscilinders met een wanddikte van 12 mm of minder, een diameter tussen 75 mm en 650 mm en vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

4.

ringen of balgen met een wanddikte van 3 mm of minder en een diameter tussen 75 mm en 650 mm, speciaal ontworpen om een rotorbuis op bepaalde plaatsen te verstevigen of om een aantal rotorbuizen samen te voegen, vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

5.

keerschotten met een diameter tussen 75 mm en 650 mm, ontworpen om in een rotorbuis gemonteerd te worden en vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

6.

onder- en bovendeksels met een diameter tussen 75 mm en 650 mm, speciaal ontworpen om op de uiteinden van een rotorbuis te passen en vervaardigd van ‘materiaal met een hoge sterkte/dichtheidsverhouding’;

7.

magnetische lagers als hieronder:

a.

lagers bestaande uit een ringvormige magneet in een behuizing, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, bevattende een dempend medium en waarvan de magneet is gekoppeld aan een poolschoen of een tweede magneet die aan het bovendeksel van de rotor is bevestigd;

b.

actieve magnetische lagers speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik met gascentrifuges;

0B001 b.
8.

speciaal ontworpen lagers, bestaande uit een taats/komcombinatie, gemonteerd op een demper;

9.

turbomoleculaire pompen bestaande uit cilinders met inwendige, machinaal vervaardigde of geëxtrudeerde langwerpige spiraalvormige groeven en inwendige, machinaal bewerkte gaten;

10.

ringvormige stators voor meerfasige wisselstroom-hysteresismotoren (magnetische-weerstandsmotoren) voor synchrone werking in vacuüm, met een frequentiebereik van 600 Hz of hoger en een vermogen van 40 VA of hoger;

11.

centrifugebehuizingen/houders, speciaal ontworpen om de rotorbuis van een gascentrifuge te bevatten, bestaande uit een starre cilinder met een wanddikte tot 30 mm met nauwkeurig afgewerkte uiteinden die evenwijdig zijn aan elkaar en staan met een nauwkeurigheid van 0,05 ° of beter loodrecht op de lengteas van de cilinder;

12.

inlaatstukken bestaande uit speciaal ontworpen of vervaardigde buizen voor de extractie van UF6-gas uit de rotorbuis volgens het principe van een Pitotbuis en die aan het centrale gasextractiesysteem kan worden bevestigd;

13.

frequentieomzetters (convertors of invertors), speciaal ontworpen of vervaardigd voor de voeding van motorstators van gascentrifugeverrijkers en speciaal ontworpen onderdelen hiervoor, die aan alle hieronderstaande specificaties voldoen:

a.

een meerfasige frequentieoutput van 600 Hz of hoger; en

b.

hoge stabiliteit (frequentieafwijkingen minder dan 0,2 %);

14.

afsluiters en regelkleppen, als hieronder:

a.

afsluitkleppen speciaal ontworpen of vervaardigd om in werking te treden in reactie op de aanvoer-, product- en restproductstromen van UF6 van een individuele gascentrifuge;

b.

afsluit- of regelkleppen met balgafdichting, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, met een binnendiameter tussen 10 mm en 160 mm, speciaal ontwikkeld of vervaardigd voor gebruik in hoofd- of hulpsystemen van gascentrifuge-verrijkingsinstallaties;

c.

speciaal voor gasdiffusiescheidingsinstallaties ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

membranen voor gasdiffusie vervaardigd van poreus metallisch, polymeer of keramisch “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, met een poriegrootte van 10 tot 100 nm, een dikte van 5 mm of minder en, voor buisvormige membranen, met een diameter van 25 mm of minder;

2.

gasdiffusorvaten, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

3.

compressoren of aanjagers met een aanzuigcapaciteit van 1 m3/min of meer van UF6, met een werkdruk van maximaal 500 kPa, met een werkdrukverhouding van 10:1 of minder, en vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

4.

asafdichtingen voor compressoren of aanjagers bedoeld in 0B001.c.3., ontworpen op een inleksnelheid van het buffergas van minder dan 1 000 cm3/min.;

5.

warmtewisselaars, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, en ontworpen op een leksnelheid die een drukverandering van minder dan 10 Pa per uur veroorzaakt bij een drukverschil van 100 kPa;

6.

afsluit- of regelkleppen met balgafdichting, handmatig of automatisch, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

0B001
d.

speciaal voor aerodynamische scheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

scheidingssproeikoppen, bestaande uit spleetvormige, gebogen kanalen met een kromtestraal van minder dan 1 mm, bestand tegen corrosie door UF6, met in de straalpijp een scherpe scheidingsrand die de gasstroom in tweeën deelt;

2.

cilindrische of conische buizen (vortexbuizen) vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6” en met een of meer tangentiële inlaten;

3.

compressoren of aanjagers vervaardigd van “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, en asafdichtingen daarvoor;

4.

warmtewisselaars, vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

5.

behuizingen van scheidingselementen, vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6” speciaal ontworpen om vortexbuizen of scheidingssproeikoppen te bevatten;

6.

afsluit- of regelkleppen met balgafdichting, handmatig of automatisch, vervaardigd van of beschermd met “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, met een diameter van 40 mm of meer;

7.

processystemen om UF6 van het dragergas (waterstof of helium) te scheiden tot een gehalte van 1 ppm UF6 of minder, met inbegrip van:

a.

cryogene warmtewisselaars en cryogene scheiders die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (– 120 °C) of lager;

b.

cryogene koeleenheden die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (- 120 °C) of lager;

c.

scheidingssproeikoppen of vortexbuizen voor de scheiding van UF6 van het dragergas;

d.

koudevallen voor UF6 die geschikt zijn voor het uitvriezen van UF6;

e.

speciaal voor scheidingsprocessen met behulp van chemische uitwisselaars ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

pulskolommen voor snelle vloeistof-vloeistofuitwisseling met een verblijftijd per trap van 30 s of minder en bestand tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. vervaardigd van of beschermd met geschikte kunststoffen zoals gefluoreerde koolwaterstofpolymeren of glas);

2.

centrifugale contactors voor snelle vloeistof-vloeistofuitwisseling met een verblijftijd per trap van 30 s of minder en bestand tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. vervaardigd van of beschermd met geschikte kunststoffen zoals gefluoreerde koolwaterstofpolymeren of glas);

3.

elektrochemische reductiecellen, bestand tegen oplossingen van geconcentreerd zoutzuur, ontworpen om uranium van valentie te veranderen;

4.

voedingsuitrusting voor elektrochemische reductiecellen, ontworpen om U+4 uit de organische stroom te verwijderen en, voor die onderdelen die met de processtroom in contact komen, vervaardigd van of beschermd met geschikte materialen (bv. glas, fluorkoolwaterstofpolymeren, polyfenylsulfaat, polyethersulfon en met hars geïmpregneerd grafiet);

5.

systemen voor de behandeling van het voedingsmateriaal, ontworpen om een zeer zuivere uraniumchlorideoplossing te produceren, bestaande uit voorzieningen voor het in oplossing brengen, voor vloeistofextractie en/of voor ionenwisseling voor de zuivering en elektrolytische cellen voor de reductie van U+6 of U+4 tot U+3;

6.

oxidatiesystemen voor uranium, ontworpen om U+3 te oxideren tot U+4;

0B001
f.

speciaal voor scheidingsprocessen met behulp van ionenwisselaars ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

ionenwisselharsen met een snelle reactietijd, vliezige of poreuze harsen met een macroscopische vernetting, waarin de actieve chemische uitwisselgroepen alleen voorkomen in een oppervlaktelaag op een inactieve poreuze ondersteunende structuur en andere composiete structuren met een geschikte vorm, waaronder deeltjes of vezels met diameters van 0,2 mm of minder, die bestand zijn tegen geconcentreerd zoutzuur en zijn ontworpen op een uitwisselingshalveringstijd van minder dan 10 s en die geschikt zijn voor werktemperaturen in het gebied van 373 K (100 °C) tot 473 K (200 °C);

2.

ionenwisselkolommen (cilindrisch) met een diameter groter dan 1 000 mm, vervaardigd van of beschermd met materiaal dat bestand is tegen geconcentreerd zoutzuur (bv. kunststoffen op basis van titaan of fluorkoolwaterstof), die geschikt zijn voor werktemperaturen in het gebied van 373 K (100 °C) tot 473 K (200 °C) en werkdrukken boven 0,7 MPa;

3.

ionenwisselrefluxsystemen (chemische of elektrochemische oxidatie- of reductiesystemen) voor het regenereren van de chemische reductie- of oxidatiemiddelen die in ionenwisselverrijkingscascades worden gebruikt;

g.

uitrusting en onderdelen, speciaal ontworpen of vervaardigd voor scheidingsprocessen op basis van lasers door middel van isotopenscheiding met atomaire-damplasers, als hieronder:

1.

systemen voor het verdampen van uraniummetaal die zijn ontworpen om bij laserverrijking een op de target af te geven vermogen van 1 kW of meer te leveren;

2.

systemen voor het hanteren van vloeibaar of verdampt uraniummetaal die speciaal zijn ontworpen of vervaardigd voor het hanteren van gesmolten uranium, gesmolten uraniumlegeringen of uraniummetaaldamp voor gebruik bij laserverrijking, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen;

NB: ZIE OOK 2A225.

3.

opvangsystemen voor de opvang van verarmd en verrijkt uranium in gesmolten of vaste vorm, vervaardigd van of beschermd door materialen die bestand zijn tegen de hitte en corrosie van uraniummetaaldampen of gesmolten uranium, zoals met yttriumoxide bedekt grafiet of tantaal;

4.

behuizingen voor scheidingsmodules (cilindrische of rechthoekige vaten) die zijn ontworpen om de uraniummetaaldampbron, het elektronenkanon en de opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium te bevatten;

5.

“lasers” of “laser”-systemen speciaal ontworpen of vervaardigd voor de scheiding van uraniumisotopen met een stabilisatie voor het frequentiespectrum, bestemd om gedurende langere perioden in bedrijf te zijn;

NB: ZIE OOK 6A005 EN 6A205.

h.

uitrusting en onderdelen, speciaal ontworpen of vervaardigd voor scheidingsprocessen op basis van lasers door middel van isotopenscheiding met moleculaire lasers, als hieronder:

1.

supersone uitstroomstraalpijpen voor het koelen van mengsels van UF6 en dragergas tot 150 K (-123 °C) of minder en vervaardigd van “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

2.

onderdelen of apparaten voor het opvangen van verarmd of verrijkt uranium die speciaal ontworpen en vervaardigd zijn voor het opvangen van uranium of verrijkt uranium na bestraling met laserlicht, vervaardigd van “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”;

3.

compressoren, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, en asafdichtingen daarvoor;

4.

uitrusting om UF5 (vaste stof) te fluoreren tot UF6 (gas);

0B001 h.
5.

processystemen voor het scheiden van UF6 van het transportgas (bv. stikstof, argon of een ander gas) met inbegrip van:

a.

cryogene warmtewisselaars en cryogene scheiders die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (-120 °C) of lager;

b.

cryogene koeleenheden die geschikt zijn voor temperaturen van 153 K (-120 °C) of lager;

c.

koudevallen voor UF6 die geschikt zijn voor het uitvriezen van UF6;

6.

“lasers” of “laser”-systemen speciaal ontworpen of vervaardigd voor de scheiding van uraniumisotopen met een stabilisatie voor het frequentiespectrum, bestemd om gedurende langere perioden in bedrijf te zijn;

NB: ZIE OOK 6A005 EN 6A205.

i.

speciaal voor plasmascheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

microgolfbronnen en antennes voor het produceren of versnellen van ionen, met een uitgangsfrequentie vanaf 30 GHz en een gemiddeld uitgangsvermogen van meer dan 50 kW;

2.

RF-ionisatieaanslagspoelen voor frequenties boven 100 kHz en met een gemiddeld vermogen van meer dan 40 kW;

3.

systemen voor het genereren van een uraniumplasma;

4.

niet gebruikt;

5.

opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium in vaste vorm, vervaardigd van of beschermd met materiaal dat bestand is tegen de hitte en de corrosie van uraniumdampen, zoals met yttriumoxide bedekt grafiet of tantaal;

6.

behuizingen voor scheidingsmodules (cilindrisch), ontworpen om de uraniumplasmabron, de radiofrequentiespoel en de opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium te bevatten en vervaardigd van een geschikt niet-magnetisch materiaal (bv. roestvast staal);

j.

speciaal voor elektromagnetische scheidingsprocessen ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

enkel- of meervoudige ionenbronnen, bestaande uit een dampbron, ionisator en bundelversneller, vervaardigd van geschikte niet-magnetische materialen (bv. grafiet, roestvast staal of koper) en geschikt om een totale ionenbundelstroom te leveren van 50 mA of meer;

2.

ionencollectorplaten voor het opvangen van ionenbundels met verrijkt of verarmd uranium, bestaande uit twee of meer spleten en opvangkamers en vervaardigd van geschikte niet-magnetische materialen (bv. grafiet of roestvast staal);

3.

vacuümbehuizingen voor elektromagnetische uraniumscheiders, vervaardigd van niet-magnetische materialen (bv. roestvast staal) en ontworpen voor een werkdruk van 0,1 Pa of lager;

4.

magnetische poolschoenen met een diameter van meer dan 2 m;

5.

hoogspanningsvoedingen voor ionenbronnen, die alle onderstaande eigenschappen hebben:

a.

geschikt voor continubedrijf;

b.

uitgangsspanning 20 000 V of meer;

0B001 j. 5.
c.

uitgangsstroom 1 A of meer; en

d.

spanningsregeling beter dan 0,01 % over een periode van 8 uur;

NB: ZIE OOK 3A227.

6.

voedingen voor magneten (hoog vermogen, gelijkstroom), die alle onderstaande eigenschappen hebben:

a.

geschikt voor continubedrijf met een uitgangsstroom van 500 A of meer en een spanning van 100 V of meer; en

b.

stroom- of spanningsregeling beter dan 0,01 % over een periode van 8 uur.

NB: ZIE OOK 3A226.

0B002

Speciaal voor isotoopscheidingsinstallaties als bedoeld in 0B001 ontworpen of vervaardigde hulpsystemen voor uitrusting en onderdelen vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”, als hieronder:

a.

voedingsautoclaven, ovens of systemen voor het doorvoeren van UF6 naar het verrijkingsproces;

b.

desublimatoren of koelvallen die gebruikt worden om het UF6 uit het verrijkingsproces te verwijderen voor verder transport na verhitting;

c.

opvangsystemen voor verarmd en verrijkt uranium om UF6 in containers op te slaan;

d.

liquefactors of stollingsstations die worden gebruikt om UF6 uit het verrijkingsproces te verwijderen door UF6 samen te persen, af te koelen en om te zetten in vloeibare of vaste vorm;

e.

speciaal ontworpen stelsels van pijpen en ‹headers› om het UF6 te hanteren binnen de gasdiffusie-, centrifuge- of aerodynamische cascades;

f.

vacuümsystemen en -pompen als hieronder:

1.

speciaal ontworpen vacuümspruitstukken, vacuümverdeelleidingen of vacuümpompen met een afzuigcapaciteit van 5 m3/min. of meer;

2.

vacuümpompen, speciaal ontworpen voor gebruik in een atmosfeer die UF6 bevat, vervaardigd van of beschermd door “materiaal dat bestand is tegen corrosie door UF6”; of

3.

residuen van systemen bestaande uit vacuümspruitstukken, vacuümverdeelleidingen en vacuümpompen, en ontworpen voor gebruik in een atmosfeer die UF6 bevat;

g.

UF6-massaspectrometers/ionenbronnen speciaal ontworpen of vervaardigd om on-linemonsters te kunnen nemen van UF6-gasstromen, met alle volgende eigenschappen:

1.

in staat zijn 320 atomaire massa eenheden (a.m.e.) of meer te meten en een oplossend vermogen hebben dat beter is dan 1 a.m.e. op 320 a.m.e.;

2.

ionenbronnen, vervaardigd van of bekleed met nikkel, nikkel-chroom-legeringen met een nikkelgehalte van 60 of meer gewichtsprocent of nikkel-chroom-legeringen;

3.

ionisatiebronnen die werken met elektronenbeschieting; en

4.

een collectorsysteem dat geschikt is voor isotopenanalyse.

0B003

Fabrieken voor de omzetting van uranium en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting, als hieronder:

a.

systemen voor de omzetting van uraniumertsconcentraten in UO3;

b.

systemen voor de omzetting van UO3 in UF6;

c.

systemen voor de omzetting van UO3 in UO2;

d.

systemen voor de omzetting van UO2 in UF4;

e.

systemen voor de omzetting van UF4 in UF6;

f.

systemen voor de omzetting van UF4 in uraniummetaal;

g.

systemen voor de omzetting van UF6 in UO2;

h.

systemen voor de omzetting van UF6 in UF4;

i.

systemen voor de omzetting van UO2 in UCl4.

0B004

Fabriek voor de productie of concentratie van zwaar water, deuterium en deuteriumverbindingen en speciaal ontworpen en gebouwde uitrusting en onderdelen ervan, als hieronder:

a.

installaties voor de productie van zwaar water, deuterium of deuteriumverbindingen, als hieronder:

1.

water-waterstofsulfide uitwisselinstallaties;

2.

ammoniak-waterstofuitwisselingsinstallaties;

b.

uitrusting en onderdelen, als hieronder:

1.

water-waterstofsulfide-wisseltorens met een diameter van 1,5 m of meer, geschikt voor werking bij een druk van 2 MPa of meer;

2.

eentraps, centrifugale aanjagers of compressoren met lage opvoerdruk (d.w.z. 0,2 MPa), voor de circulatie van waterstofsulfidegas (d.w.z. gas dat meer dan 70 gewichtspercent waterstofsulfide (H2S) bevat) met een verwerkingscapaciteit van ten minste 56 m3/s wanneer er gewerkt wordt bij drukniveaus van ten minste 1,8 MPa aan de zuigzijde, en met afdichtingen, ontworpen voor natte H2S-gassen;

3.

ammoniak-waterstof-wisseltorens van 35 m of hoger met een diameter tussen 1,5 en 2,5 m die kunnen werken bij een druk van meer dan 15 MPa;

4.

inwendige delen van torens, met inbegrip van getrapte contactgroepen, en getrapte pompen met inbegrip van dompelpompen voor de productie van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé;

5.

ammoniak-kraakinstallaties die werken bij een druk van 3 MPa of meer voor de productie van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé;

6.

infraroodabsorptieanalyseapparatuur die “on-line” waterstof-deuterium-verhoudingen kan meten bij deuteriumconcentraties van 90 gewichtspercent of meer;

7.

katalytische branders voor de omzetting van verrijkt deuteriumgas in zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé;

8.

complete systemen voor het veredelen van zwaar water, of kolommen daarvoor, voor het veredelen van zwaar water tot een deuteriumconcentratie die in een kernreactor bruikbaar is;

9.

omzetters voor ammoniaksynthese of ammoniaksynthese-eenheden speciaal ontworpen of vervaardigd voor het veredelen van zwaar water met het ammoniak-waterstof-wisselprocedé.

0B005

Fabrieken, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van splijtstofelementen voor “kernreactoren” en speciaal ontworpen of vervaardigde uitrusting daarvoor.

Technische noot:

Speciaal ontworpen of vervaardigde uitrusting voor de vervaardiging van splijtstofelementen voor “kernreactoren” omvat uitrusting die:

1.

in de regel in rechtstreeks contact komt met de productiestroom van nucleair materiaal of deze rechtstreeks verwerkt of reguleert;

2.

zorgt voor de afdichting van het nucleaire materiaal in de splijtstofstaaf;

3.

de goede staat van de bekleding of van de afdichting van de splijtstofstaaf controleert;

4.

de eindbehandeling van de afgesloten splijtstof controleert; of

5.

wordt gebruikt voor het samenstellen van reactorelementen.

0B006

Fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstofelementen van “kernreactoren” en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting en onderdelen.

Noot: 0B006 omvat:

a.

fabrieken voor het opwerken van bestraalde splijtstofelementen voor “kernreactoren”, met inbegrip van uitrusting en onderdelen die in de regel rechtstreeks in aanraking komen met de bestraalde splijtstof en de voornaamste processtromen van nucleair materiaal en splijtingsproducten, en die rechtstreeks regelen;

b.

hak- en versnipperingsmachines voor splijtstofelementen, d.w.z. op afstand bediende uitrusting voor het snijden, hakken of knippen van bestraalde splijtstofpakketten, -bundels of -staven voor “kernreactoren”;

c.

oplostanks, d.w.z. kritisch veilige tanks (bv. ring- of plaattanks met een kleine diameter), speciaal ontworpen of vervaardigd voor het oplossen van bestraalde splijtstof van “kernreactoren”, die bestand zijn tegen hete, sterk corrosieve vloeistoffen en die op afstand gevuld en onderhouden kunnen worden;

d.

vloeistofextractors, zoals gestapelde kolommen of pulskolommen, mengers-ontmengers of centrifugale extractieapparatuur, bestand tegen de corrosieve werking van salpeterzuur en speciaal ontworpen of vervaardigd voor gebruik in een fabriek voor het opwerken van bestraald “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium” of “speciale splijtstoffen”;

e.

voorraad- of opslagvaten, speciaal ontworpen om kritisch veilig te zijn en bestand tegen de corrosieve werking van salpeterzuur;

Technische noot:

Voorraad- of opslagvaten kunnen de volgende eigenschappen bezitten:

1.

wanden of inwendige structuren met een boorequivalent (berekend voor alle samenstellende delen als gedefinieerd in de noot bij 0C004) van ten minste twee procent;

2.

een maximale diameter van 175 mm voor cilindrische vaten; of

3.

een maximale breedte van 75 mm voor rechthoekige of ringvormige vaten.

f.

neutronenmeetsystemen speciaal ontworpen of vervaardigd voor integratie en gebruik met systemen voor geautomatiseerde procesbeheersing in een fabriek voor het opwerken van bestraald “natuurlijk uranium”, “verarmd uranium” of “speciale splijtstoffen”.

0B007

Fabrieken voor de omzetting van plutonium en speciaal daarvoor ontworpen of vervaardigde uitrusting, als hieronder:

a.

systemen voor de omzetting van plutoniumnitraat in plutoniumoxide;

b.

systemen voor de productie van plutoniummetaal.

0C   Materialen

0C001

“Natuurlijk uranium” of “verarmd uranium” of thorium in de vorm van metaal, legering, chemische verbinding of concentraat en elk materiaal dat het voorgaande bevat;

Noot: 0C001 heeft geen betrekking op:

a.

vier gram of minder “natuurlijk uranium” of “verarmd uranium”, indien in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten;

b.

“verarmd uranium”, speciaal vervaardigd voor de volgende civiele en niet-nucleaire toepassingen:

1.

afschermingsmateriaal;

2.

verpakkingsmateriaal;

3.

ballast met een massa van ten hoogste 100 kg;

4.

contragewichten met een massa van ten hoogste 100 kg;

c.

legeringen met minder dan 5 % thorium;

d.

keramische, thoriumbevattende producten die zijn vervaardigd voor niet-nucleair gebruik.

0C002

“Speciale splijtstoffen”

Noot: 0C002 heeft geen betrekking op vier “effectieve gram” of minder, indien in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten.

0C003

Deuterium, zwaar water (deuteriumoxide) en andere deuteriumverbindingen, en mengsels en oplossingen die deuterium bevatten, waarin de isotoopverhouding van deuterium tot waterstof groter is dan 1:5 000.

0C004

Grafiet met een zuiverheid beter dan 5 delen ppm ‘boorequivalent’ en met een dichtheid groter dan 1,50 g/cm3 voor gebruik in een “kernreactor”, in hoeveelheden groter dan 1 kg.

NB: ZIE OOK 1C107.

Noot 1: Wat betreft de uitvoercontrole, bepalen de bevoegde autoriteiten van de lidstaat waar de exporteur is gevestigd of de uitvoer van grafiet dat aan bovenstaande specificaties voldoet al dan niet bestemd is voor gebruik in “kernreactoren”.

Noot 2: In 0C004 wordt ‘boorequivalent’ (BE) gedefinieerd als de som van BEZ voor onzuiverheden (met uitzondering van BEkoolstof aangezien koolstof niet wordt beschouwd als een onzuiverheid), met inbegrip van boor, waarbij geldt:

BEZ (ppm) = CF × concentratie van element Z in ppm;

Formula

en zijn σB en σZ de doorsneden voor de vangst van thermische neutronen (in barn) voor respectievelijk natuurlijk voorkomend boor en element Z; en zijn AB en AZ de atoommassa’s van respectievelijk natuurlijk voorkomend boor en element Z.

0C005

Speciaal vervaardigde verbindingen of poeders voor de fabricage van membranen voor gasdiffusie die bestand zijn tegen corrosie door UF6 (bv. nikkel of legeringen met 60 gewichtspercent of meer aan nikkel, aluminiumoxide en volledig gefluoreerde koolwaterstofpolymeren), met een zuiverheidsgraad van 99,9 gewichtspercent of meer, met een gemiddelde korrelgrootte van minder dan 10 μm, gemeten volgens Standard B330 van de ASTM (American Society for Testing and Materials) en met een zeer uniforme deeltjesgrootte.

0D   Programmatuur

0D001

“Programmatuur”, speciaal ontworpen of aangepast voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van goederen, bedoeld in deze categorie.

0E   Technologie

0E001

“Technologie” overeenkomstig de nucleaire technologienoot voor de “ontwikkeling”, de “productie” of het “gebruik” van goederen, bedoeld in deze categorie.

CATEGORIE 1 — SPECIALE MATERIALEN EN AANVERWANTE APPARATUUR

1A   Systemen, apparatuur en onderdelen

1A001

Onderdelen vervaardigd van gefluoreerde verbindingen, als hieronder:

a.

afdichtingen, pakkingen, afdichtingsmiddelen of flexibele brandstoftanks (‹fuel bladders›), welke voor meer dan 50 gewichtspercenten bestaan uit enig materiaal als bedoeld in 1C009.b. of 1C009.c., speciaal ontworpen voor gebruik in de ruimte of in “vliegtuigen”;

b.

niet gebruikt;

c.

niet gebruikt.

1A002

“Composieten” of laminaten, als volgt:

NB: ZIE OOK 1A202, 9A010 EN 9A110.

a.

gemaakt van één van de volgende materialen:

1.

een organische “matrix” en “stapel- of continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010.c. of 1C010.d.; of

2.

‹prepregs› en ‹preforms› als bedoeld in 1C010.e.;

b.

gemaakt van een metaal-“matrix” of koolstof-“matrix” en één of meer van de volgende materialen:

1.

koolstof-“stapel- en continuvezelmateriaal” met elk van de onderstaande eigenschappen:

a.

“specifieke modulus” groter dan 10,15 × 106 m; en

b.

“specifieke treksterkte” groter dan 17,7 × 104 m; of

2.

materialen als bedoeld in 1C010.c.

Noot 1: 1A002 heeft geen betrekking op “composieten” of laminaten gemaakt van met epoxyhars geïmpregneerd koolstof-“stapel- of continuvezelmateriaal” voor de reparatie van structuren of laminaten van “civiele vliegtuigen” met de volgende eigenschappen:

a.

een maximale oppervlakte van 1 m2;

b.

een maximale lengte van 2,5 m; en

c.

een breedte van meer dan 15 mm.

Noot 2: 1A002 heeft geen betrekking op halffabricaten die speciaal zijn ontworpen voor zuiver civiele toepassingen, als hieronder:

a.

sportartikelen;

b.

auto-industrie;

c.

werktuigmachine-industrie;

d.

medische toepassingen.

Noot 3: 1A002.b.1. heeft geen betrekking op halffabricaten die maximaal tweedimensionaal geweven filament bevatten en speciaal ontworpen zijn voor de volgende toepassingen:

a.

metalen warmtebehandelingsovens voor het temperen van metalen;

b.

apparatuur voor de productie van silicium monokristallen.

Noot 4: 1A002 heeft geen betrekking op eindproducten die speciaal ontworpen zijn voor een specifieke toepassing.

1A003

Producten vervaardigd van on “smeltbare” aromatische polyimiden in de vorm van film, vellen, band of lint, met een of meer van de onderstaande eigenschappen:

a.

een dikte groter dan 0,254 mm; of

b.

bekleed of gelamineerd met koolstof, grafiet, metalen of magnetische substanties.

Noot: 1A003 heeft geen betrekking op producten bekleed of gelamineerd met koper die zijn ontworpen voor de productie van elektronische gedrukte schakelingen.

NB: Voor “smeltbare” aromatische polyimiden in eender welk vorm, zie 1C008.a.3.

1A004

Beschermings- en detectieapparatuur en onderdelen daarvan die niet onder de lijst militaire goederen vallen, als hieronder:

NB: ZIE OOK DE LIJST VAN MILITAIRE GOEDEREN, 2B351 EN 2B352.

a.

Volgelaatsmaskers, filterbussen en decontaminatieapparatuur daarvoor, die zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

Noot: 1A004.a. omvat elektrische luchtzuiverende ademhalingstoestellen (PAPR’s) die zijn ontworpen of aangepast voor bescherming tegen de in 1A004.a. vermelde stoffen of materialen.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1A004.a. geldt:

1.

Volgelaatsmaskers staan ook bekend als gasmaskers.

2.

Filterbussen vaten omvatten filterpatronen.

1.

“biologische stoffen”;

2.

‘radioactief materiaal’;

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering; of

4.

“stoffen voor oproerbeheersing”, met inbegrip van:

a.

α-broombenzeenacetonitril, (broombenzylcyanide) (CA) (CAS 5798-79-8);

b.

[(2-chloorfenyl)methyleen] propaandinitril, (o-chloorbenzylideenmalononitril) (CS) (CAS 2698-41-1);

c.

2-chloor-1-fenylethanon, fenylacylchloride (ω-chlooracetofenon) (CN) (CAS 532-27-4);

d.

dibenz-(b,f)-1,4-oxazefine (CR) (CAS 257-07-8);

e.

10-chloor-5,10-dihydrofenarsazine, (fenarsazinechloride), (adamsiet), (DM) (CAS 578-94-9);

f.

N-nonanoylmorfoline (MPA) (CAS 5299-64-9);

b.

beschermingspakken, -handschoenen en -schoenen die speciaal zijn ontworpen of aangepast met het oog op bescherming tegen een of meer van de onderstaande stoffen:

1.

“biologische stoffen”;

2.

‘radioactief materiaal’; of

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering;

c.

detectieapparatuur die speciaal is ontworpen of aangepast voor de detectie of identificatie van één of meer van de onderstaande stoffen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1.

“biologische stoffen”;

2.

‘radioactief materiaal’; of

3.

stoffen voor chemische oorlogvoering;

d.

elektronische apparatuur die ontworpen is voor de automatische opsporing of identificatie van springstoffenresten dan wel het vaststellen van hun aanwezigheid, waarbij ‘sporendetectie’technieken worden gebruikt (bv. akoestische oppervlaktegolven, ionenmobiliteitspectrometrie, massaspectrometrie).

Technische noot:

Onder ‘sporendetectie’ wordt verstaan het vermogen om minder dan 1 ppm gas of 1 mg vaste of vloeibare stof te detecteren.

Noot 1: 1A004.d. heeft geen betrekking op speciaal voor laboratoria ontworpen controleapparatuur.

1A004 d.
Noot 2: 1A004.d. heeft geen betrekking op doorloopveiligheidspoorten zonder lichamelijk contact.

Noot: 1A004 heeft geen betrekking op:

a.

individuele dosismeters voor stralingscontrole;

b.

uitrusting voor de bescherming van gezondheid en veiligheid op het werk die door haar ontwerp of functie beperkt is tot bescherming tegen risico’s die eigen zijn aan woonwijken of industriesectoren, waaronder:

1.

de mijnbouw;

2.

steengroeven;

3.

de landbouwsector;

4.

de farmaceutische industrie;

5.

de medische sector;

6.

de diergeneeskundige sector;

7.

de milieusector;

8.

de afvalbeheersector;

9.

de voedingsindustrie.

Technische noten:

1.

1A004 omvat uitrusting en bestanddelen die zijn geïdentificeerd, met succes zijn getoetst aan nationale normen of waarvan op een andere manier de doeltreffendheid is bewezen, wat betreft de detectie van of de bescherming tegen ‘radioactief materiaal’, “biologische stoffen”, stoffen voor chemische oorlogvoering, ‘simulanten’ of “stoffen voor oproerbeheersing”, zelfs wanneer die uitrusting of bestanddelen gebruikt worden in civiele industriesectoren, zoals de mijnbouw, steengroeven, de landbouw, de farmaceutische, medische, diergeneeskundige, milieu-, afvalbeheer- en voedingsindustrie.

2.

‘Simulanten’ zijn stoffen of materialen die bij opleiding, onderzoek, tests of evaluaties worden gebruikt in de plaats van toxische (chemische of biologische) stoffen.

3.

Voor de toepassing van 1A004 is ‘radioactief materiaal’ het materiaal dat is geselecteerd of aangepast om zoveel mogelijk menselijke of dierlijke slachtoffers, schade aan uitrusting of aan gewassen, of aantasting van het milieu te veroorzaken.

1A005

Kogelvrije kleding en onderdelen daarvoor, als hieronder:

NB: ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a.

zachte kogelvrije kleding die niet is vervaardigd volgens militaire normen of specificaties of gelijkwaardige normen of specificaties, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen;

b.

harde kogelvrije kleding die ballistische bescherming biedt welke gelijk is aan of minder is dan niveau IIIA (NIJ 0101.06, juli 2008) of nationale equivalenten.

NB: Voor “stapel- of continuvezelmateriaal” dat gebruikt wordt voor de vervaardiging van kogelvrije kleding, zie 1C010.

Noot 1: 1A005 heeft geen betrekking op kogelvrije kleding en beschermende kleding die de gebruiker bij zich heeft voor zijn eigen bescherming.

Noot 2: 1A005 heeft geen betrekking op kogelvrije kleding die bestemd is om uitsluitend frontale bescherming te bieden tegen door niet-militaire explosieven veroorzaakte luchtverplaatsingen of scherven.

Noot 3: 1A005 heeft geen betrekking op lichaamspantsering die is ontworpen om uitsluitend bescherming te bieden tegen messen, priemen, naalden of stompe voorwerpen.

1A006

Apparatuur als hieronder, die speciaal is ontworpen of aangepast voor het demonteren van geïmproviseerde explosiemiddelen, als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen en toebehoren:

NB: ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a.

op afstand bediende voertuigen;

b.

‘disruptoren’.

Technische noot:

‘Disruptoren’ zijn toestellen die speciaal zijn ontworpen om de ontploffing van een explosiemiddel te voorkomen door het afschieten van een vloeibaar, vast of versplinterend projectiel.

Noot: 1A006 heeft geen betrekking op apparatuur die door de operator wordt meegevoerd.

1A007

Apparatuur en toestellen als hieronder, die speciaal zijn ontworpen om explosieve ladingen en middelen die “energetische materialen” bevatten, op elektrische wijze tot ontploffing te brengen:

NB: ZIE OOK DE LIJST VAN MILITAIRE GOEDEREN, 3A229 EN 3A232.

a.

ontstekingsmechanismen met explosieve detonator die zijn ontworpen voor het starten van explosieve detonatoren als bedoeld in 1A007.b.;

b.

elektrisch gestarte explosieve detonatoren, als hieronder:

1.

‹exploding bridge› (EB);

2.

‹exploding bridge wire› (EBW);

3.

‹slapper›;

4.

‹exploding foil›-ontstekingen (EFI).

Technische noten:

1.

De woorden “initiator” en “ontsteker” worden soms gebruikt in de plaats van het woord “detonator”.

2.

Voor de toepassing van 1A007.b. maken alle bedoelde detonatoren gebruik van een kleine elektrische geleider (‹bridge›, ‹bridge wire› of ‹foil›) die explosief verdampt wanneer er een snelle, elektrische hogestroomstoot doorheen wordt geleid. Bij het “non-slapper”-type brengt de exploderende geleider een chemische ontploffing op gang in een daarmee in aanraking zijnd brisant materiaal, bijvoorbeeld PETN (pentaerytritoltetranitraat). Bij “slapper”-detonatoren wordt een “flyer” of “slapper” door de explosieve verdamping van de elektrische geleider over een spleet gedreven en de schok van de “slapper” op een springstof brengt een chemische ontploffing op gang. Bij sommige constructies wordt de ‹slapper› door een magnetisch veld gestart. Met de uitdrukking ‹exploding foil›-detonator worden zowel EB-detonatoren als ‹slapper›-detonatoren bedoeld.

1A008

Explosieve ladingen, middelen en componenten, waaronder:

a.

‘gevormde ladingen’ met alle hiernavolgende eigenschappen:

1.

netto equivalente hoeveelheid (NEH) van meer dan 90 g; en

2.

buitendiameter van het omhulsel gelijk of groter dan 75 mm;

b.

ladingen voor directionele explosies met alle hiernavolgende eigenschappen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

1.

een springlading van meer dan 40 g/m; en

2.

een breedte van 10 mm of meer;

c.

slagsnoer met springstoflading van meer dan 64 g/m;

d.

cutters, en andere ladingen voor directionele explosies dan die bedoeld in 1A008.b., alsmede snij-explosieven met een netto equivalente hoeveelheid (NEH) van meer dan 3,5 kg.

1A008
Technische noot:

Onder ‘gevormde ladingen’ wordt verstaan explosieve ladingen die zodanig zijn gevormd dat zij het effect van een explosie kunnen sturen.

1A102

Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstofcomponenten bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1A202

Composiete structuren, met uitzondering van de in 1A002 bedoelde composieten, in buisvorm, met beide volgende eigenschappen:

NB: ZIE OOK 9A010 EN 9A110.

a.

een binnendiameter van 75-400 mm; en

b.

vervaardigd van “stapel en continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010.a. of b of 1C210.a. of met koolstof-‹prepreg›-materiaal als bedoeld in 1C210.c.

1A225

Geplatineerde katalysatoren, speciaal ontworpen of vervaardigd voor het bevorderen van de waterstofisotoopuitwisseling tussen waterstof en water voor het terugwinnen van tritium uit zwaar water of voor de productie van zwaar water.

1A226

Specifieke pakkingen die kunnen worden gebruikt voor de scheiding van zwaar water van gewoon water, met beide volgende eigenschappen:

a.

vervaardigd van plaatgaas van fosforbrons (chemisch behandeld ter verbetering van de bevochtigingsgraad); en

b.

ontworpen voor gebruik in vacuüm-distillatietorens.

1A227

Hoge densiteit stralingafschermende ramen (van loodglas of ander materiaal) met alle hiernavolgende eigenschappen en speciaal ontworpen kozijnen daarvoor:

a.

een ‘koude zone’ groter dan 0,09 m2;

b.

een dichtheid groter dan 3 g/cm3; en

c.

een dikte van 100 mm of meer.

Technische noot:

In 1A227 wordt onder ‘koude zone’ verstaan de kijkzone van het raam die is blootgesteld aan het laagste stralingsniveau in de constructietoepassing.

1B   Test-, inspectie- en productieapparatuur

1B001

Apparatuur voor de vervaardiging of de inspectie van “composieten” of laminaten als bedoeld in 1A002 of “stapel- of continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

NB: ZIE OOK 1B101 EN 1B201.

a.

Continuvezelwindmachines waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal ‘in het primaire vlak’ in drie of meer ‘servogestuurde’ richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” of laminaten uit “stapel of continuvezelmateriaal”;

b.

‘bandlegmachines’ waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van banden ‘in het primaire vlak’ in vijf of meer ‘servogestuurde’ richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” voor vliegtuigen en ‘raketten’;

Noot: In 1B001.b. worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan.

Technische noot:

Voor de toepassing van punt 1B001.b. hebben ‘bandlegmachines’ de capaciteit om een of meer ‘filamentbanden’ met een breedte van ten hoogste 25,4 mm en ten hoogste 304,8 mm op te brengen en om afzonderlijke lagen ‘filamentbanden’ tijdens het opleggen af te snijden of herstarten.

1B001
c.

weef- en vlechtmachines welke in verscheidene richtingen en dimensies kunnen werken met inbegrip van aanpassings- of wijzigingsuitrustingen, speciaal ontworpen of aangepast voor het weven, dooreenvlechten of omvlechten van vezelmateriaal voor “composieten”;

Technische noot:

Voor de toepassing van punt 1B001.c. houdt de techniek van het dooreenvlechten tevens breien in.

d.

apparatuur speciaal ontworpen of aangepast voor de vervaardiging van versterkingsvezels, als hieronder:

1.

apparatuur voor het omzetten van polymere vezels (zoals polyacrylonitril, rayon, asfaltbitumen of polycarbosilaan) in koolstofvezels of vezels bestaande uit siliciumcarbide, met inbegrip van speciale voorzieningen voor het strekken van de vezels tijdens verhitting;

2.

apparatuur voor het neerslaan van elementen of verbindingen uit de dampfase op verwarmde continuvezelsubstraten voor de vervaardiging van vezels bestaande uit siliciumcarbide;

3.

apparatuur voor het natspinnen van vuurbestendige keramische materialen (bv. aluminiumoxide);

4.

apparatuur voor het omzetten van aluminiumbevattende voorlopervezelmaterialen in aluminiumoxidevezels door middel van warmtebehandeling;

e.

apparatuur voor het door middel van de heetsmeltmethode vervaardigen van de ‹prepregs› bedoeld in 1C010.e.;

f.

inspectieapparatuur welke gebruikmaakt van niet destructieve technieken (NDT), welke speciaal is ontworpen voor “composieten”, als hieronder:

1.

röntgentomografiesystemen voor het driedimensionaal opsporen van gebreken;

2.

ultrasone inspectieapparatuur met “numerieke besturing”, waarvan de bewegingen voor het positioneren van zenders of ontvangers gelijktijdig in vier of meer richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, om de driedimensionale contouren van het te inspecteren onderdeel te volgen;

g.

‘lintlegmachines’ waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van linten ‘in het primaire vlak’ in twee of meer ‘servogestuurde’ richtingen zijn gecoördineerd en geprogrammeerd, speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” voor vliegtuigen en ‘raketten’.

Technische noot:

Voor de toepassing van 1B001.g. hebben ‘lintlegmachines’ de capaciteit om een of meer ‘filamentbanden’ met een breedte van ten hoogste 25,4 mm op te brengen en om afzonderlijke lagen ‘filamentbanden’ tijdens het opleggen af te snijden of te herstarten.

Technische noten:

1.

Voor de toepassing van 1B001 moet onder ‘in het primaire vlak servogestuurde’ richting worden verstaan, de computergestuurde ruimtelijke positie van de eindeffector (d.w.z. het uiteinde) ten opzichte van het werkstuk, nodig om bij een correcte oriëntatie en richting de beoogde werking te verkrijgen.

2.

Voor de toepassing van 1B001 is een ‘filamentband’ één ononderbroken breedte van gedeeltelijk of geheel met hars geïmpregneerd band, lint of vezel. Geheel of gedeeltelijk met hars geïmpregneerde ‘filamentbanden’ omvatten met droog poeder bedekte banden die bij verhitting hechten.

1B002

Apparatuur voor het vervaardigen van metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, speciaal ontworpen om contaminatie te voorkomen en speciaal ontworpen voor gebruik in één van de in 1C002.c.2. bedoelde procedés.

NB: ZIE OOK 1B102.

1B003

Gereedschap, matrijzen, stempels of klemmen voor het “superplastisch vormen” of “diffusielassen” van titaan of aluminium of legeringen daarvan, speciaal ontworpen voor het vervaardigen van één of meer:

a.

constructies voor lucht- of ruimtevaart,

b.

motoren voor “vliegtuigen” of ruimtevaartuigen; of

c.

speciaal ontworpen onderdelen voor de in 1B003.a. bedoelde constructies of de in 1B003.b. bedoelde motoren.

1B101

Apparatuur, met uitzondering van de onder 1B001 bedoelde apparatuur voor de “productie” van composieten, als hieronder, en speciaal ontworpen onderdelen en toebehoren daarvoor:

NB: ZIE OOK 1B201.

Noot: De in 1B101 bedoelde onderdelen en toebehoren omvatten onder meer matrijzen, doornen, stempels, klemmen en gereedschappen voor het persen van voorvormstukken, of het harden, gieten, sinteren of binden van composieten, laminaten en producten daarvan.

a.

continuvezelwindmachines of vezelpositioneringsmachines (‹fibre placement machines›), waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal in drie of meer richtingen kunnen worden gecoördineerd en geprogrammeerd, ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” of laminaten uit “stapel of continuvezelmateriaal”, alsmede besturingseenheden voor het coördineren en het programmeren daarvan;

b.

bandlegmachines, waarvan de bewegingen voor het gericht opbrengen en leggen van banden en vellen in twee of meer richtingen kunnen worden gecoördineerd en geprogrammeerd, ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” voor casco’s en andere delen van vliegtuigen en “raketten”;

c.

apparatuur, als hieronder, ontworpen of aangepast voor de “productie” van “stapel- of continuvezelmateriaal”:

1.

apparatuur voor het omzetten van polymere vezels (zoals polyacrylonitril, rayon of polycarbosilaan) met inbegrip van speciale voorzieningen voor het strekken van de vezels tijdens verhitting;

2.

apparatuur voor het afzetten van elementen of verbindingen uit de dampfase op verhitte continuvezelsubstraten;

3.

apparatuur voor het natspinnen van vuurbestendige keramische materialen (bv. aluminiumoxide);

d.

apparatuur, ontworpen of aangepast voor speciale oppervlaktebehandeling van vezels of voor het vervaardigen van de ‹prepregs› en ‹preforms›, bedoeld in 9C110.

Noot: 1B101.d. omvat onder meer rollen, strektoestellen, apparatuur voor het aanbrengen van deklagen, snijapparatuur en stansvormen.

1B102

Andere metaalpoeder-“productieapparatuur” dan die bedoeld in 1B002 en onderdelen, als hieronder:

NB: ZIE OOK 1B115.b.

a.

metaalpoeder-“productieapparatuur”, bruikbaar voor de “productie” in een gecontroleerde omgeving van sferische, sferoïdale of vernevelde materialen als bedoeld in 1C011.a., 1C011.b., 1C111.a.1., 1C111.a.2. of in de lijst van militaire goederen;

b.

speciaal ontworpen onderdelen van “productieapparatuur” als bedoeld in 1B002 of 1B102.a.

Noot: 1B102 omvat:

a.

Plasmageneratoren (hogefrequentieboogstraal), bruikbaar voor het verkrijgen van gesputterde of sferische metaalpoeders in een argon-waterig milieu;

b.

‹Electroburst› apparatuur, bruikbaar voor het verkrijgen van gesputterde of sferische metaalpoeders in een argon-waterig milieu;

c.

Apparatuur, bruikbaar voor de “productie” van sferisch aluminiumpoeder door verpulvering van een smelt in een inert medium (bv. stikstof).

1B115

Andere apparatuur dan die bedoeld in 1B002 en 1B102, voor de productie van stuwstoffen en bestanddelen daarvan, als hieronder, en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a.

“productieapparatuur” voor de “productie”, het hanteren of het keuren van vloeibare stuwstoffen of bestanddelen daarvan, als bedoeld in 1C011.a., 1C011.b., 1C111 of in de lijst van militaire goederen;

1B115
b.

“productieapparatuur” voor de “productie”, het hanteren, mengen, harden, gieten, persen, machinaal bewerken, spuitgieten of keuren van vaste stuwstoffen of bestanddelen daarvan, als bedoeld in 1C011.a., 1C011.b., 1C111 of in de lijst militaire goederen.

Noot: 1B115.b. heeft geen betrekking op niet-continumengers, continumengers en luchtstraalmolens. Voor de controle daarop, zie 1B117, 1B118 en 1B119.

Noot 1: Zie de lijst van militaire goederen voor apparatuur speciaal ontworpen voor de “productie” van militaire goederen.

Noot 2: 1B115 heeft geen betrekking op apparatuur voor de “productie”, het hanteren en het keuren van boorcarbide.

1B116

Speciaal ontworpen spuitmonden (sproeikoppen) voor de “productie” van pyrolytisch gevormde materialen op een as, mal of ander substraat van voorlopergassen die ontleden bij temperaturen van 1 573 K (1 300 °C) tot 3 173 K (2 900 °C) en een druk van 130 Pa tot 20 kPa.

1B117

Niet-continumengers met alle hiernavolgende eigenschappen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a.

ontworpen of aangepast voor het mengen onder vacuüm bij een druk van nul tot 13,326 kPa;

b.

met de mogelijkheid om de temperatuur van de mengkamer te regelen;

c.

een totale inhoud van 110 liter of meer; en

d.

ten minste één excentrisch geplaatste meng- of kneedas.

Noot: In 1B117.d. verwijst de term ‘meng- of kneedas’ niet naar deagglomeratoren of mesassen.

1B118

Continumengers met alle hiernavolgende eigenschappen, alsmede speciaal daarvoor ontworpen onderdelen:

a.

ontworpen of aangepast voor het mengen onder vacuüm bij een druk van nul tot 13,326 kPa;

b.

met de mogelijkheid om de temperatuur van de mengkamer te regelen;

c.

één of meer van de volgende eigenschappen:

1.

twee of meer meng- of kneedassen; of

2.

met alle volgende eigenschappen:

a.

één roterende en oscillerende as met mengtanden/-pennen; en

b.

mengtanden/-pennen op de mengkamerwand.

1B119

Luchtstraalmolens die gebruikt kunnen worden om de stoffen, genoemd in 1C011.a., 1C011.b., 1C111 of in de lijst van militaire goederen, te malen of te stampen, en speciaal ontworpen onderdelen daarvoor.

1B201

continuvezelwindmachines, uitgezonderd machines als bedoeld in 1B001 of 1B101, en bijbehorende apparatuur, als hieronder:

a.

continuvezelwindmachines met alle volgende eigenschappen:

1.

de bewegingen voor het gericht opbrengen, wikkelen en winden van vezelmateriaal zijn in twee of meer richtingen gecoördineerd en geprogrammeerd;

2.

de machines zijn speciaal ontworpen voor de vervaardiging van “composieten” of laminaten uit “stapel- of continuvezelmateriaal”; en

3.

geschikt voor het winden van cilindervormige buizen met een interne diameter van 75 tot 650 mm en een lengte van 300 mm of meer;

b.

besturingseenheden voor het coördineren en programmeren van de in 1B201.a. bedoelde draadwindmachines;

c.

zeer nauwkeurige spillen voor de in 1B201.a. bedoelde draadwindmachines.

1B225

Elektrolytische cellen voor de productie van fluor met een capaciteit van meer dan 250 g fluor per uur.

1B226

Elektromagnetische isotopenscheiders, ontworpen voor of uitgerust met enkelvoudige of meervoudige ionenbronnen die een totale ionenbundelstroom van 50 mA of meer kunnen leveren.

Noot: 1B226 omvat tevens scheiders:

a.

geschikt voor het verrijken van stabiele isotopen;

b.

waarbij de ionenbronnen en collectors zich in het magneetveld bevinden en configuraties waarbij deze zich buiten het veld bevinden.

1B228

Kolommen voor de cryogene distillatie van waterstof met alle volgende eigenschappen:

a.

ontworpen om te werken bij een interne temperatuur van 35 K (- 238 °C) of lager;

b.

ontworpen om te werken bij een interne druk van 0,5-5 MPa;

c.

vervaardigd van:

1.

roestvast staal van de 300-serie van de Society of Automotive Engineers (SAE) met een laag zwavelgehalte en een korrelgroottegetal van 5 of hoger volgens de ASTM-standaard (of een gelijkwaardige standaard), voor austenitisch staal; of

2.

gelijkwaardige cryogene materialen die tevens waterstof (H2) verdragen; en

d.

met een binnendiameter van 30 cm of meer en een ‘nuttige lengte’ van 4 m of meer.

Technische noot:

In 1B228 betekent ‘nuttige lengte’ de actieve hoogte van het verpakkingsmateriaal in een kolom van het gestapelde type of de actieve hoogte van de platen van het interne contactorgaan in een kolom van het plaattype.

1B230

Pompen, geschikt voor de circulatie van geconcentreerde of verdunde oplossingen van de katalysator kaliumamide in vloeibare ammoniak (KNH2/NH3), met alle volgende eigenschappen:

a.

luchtdicht (d.w.z. hermetisch afgesloten);

b.

met een capaciteit van meer dan 8,5 m3/uur; en

c.

één van de volgende eigenschappen:

1.

voor geconcentreerde oplossingen van kaliumamide (1 % of meer), een werkdruk van 1,5-60 MPa; of

2.

voor verdunde oplossingen van kaliumamide (minder dan 1 %), een werkdruk van 20-60 MPa.

1B231

Tritiuminstallaties of -fabrieken, en apparatuur daarvoor, als hieronder:

a.

installaties of fabrieken voor het produceren, terugwinnen, extraheren, concentreren of behandelen van tritium;

b.

apparatuur voor tritiuminstallaties of -fabrieken, als hieronder:

1.

waterstof- of heliumkoeleenheden die kunnen koelen tot 23 K (- 250 °C) of lager, met een warmteafvoercapaciteit van meer dan 150 W;

2.

opslag- of zuiveringssystemen voor waterstofisotopen die gebruikmaken van metaalhydriden als opslag- of zuiveringsmedium.

1B232

Turbo expanders of turbo-expansie/compressiesets met beide volgende eigenschappen:

a.

ontworpen om te werken met een uitstroomtemperatuur van 35 K (- 238 °C) of lager; en

b.

ontworpen voor een doorvoer van waterstofgas van 1 000 kg/h of meer.

1B233

Installaties of fabrieken voor het scheiden van lithiumisotopen en systemen en apparatuur daarvoor, als hieronder:

a.

installaties of fabrieken voor het scheiden van lithiumisotopen;

b.

apparatuur voor de scheiding van lithiumisotopen op basis van het kwik-lithiumamalgaamproces, als hieronder:

1.

gestapelde kolommen voor vloeistof-vloeistofwisselkolommen, speciaal ontworpen voor lithiumamalgamen;

2.

kwik- of lithiumamalgaampompen;

3.

lithiumamalgaam-elektrolysecellen;

4.

verdampers voor geconcentreerde lithiumhydroxideoplossingen;

c.

ionenwisselsystemen die speciaal zijn ontworpen voor het scheiden van lithiumisotopen en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen;

d.

chemische uitwisselsystemen (gebruikmakend van kroonethers, cryptanden of ‹lariat ethers› (kroonethers met zijketens of soortgelijke structuren)), speciaal ontworpen voor het scheiden van lithiumisotopen en speciaal daarvoor ontworpen onderdelen.

1B234

Brisante insluitingsvaten, -kamers of -containers en andere soortgelijke insluitingsinrichtingen die zijn ontworpen voor het testen van brisante springstoffen of explosiemiddelen, met beide volgende eigenschappen:

NB: ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

a.

ontworpen om een explosie gelijkstaand aan 2 kg trinitrotolueen (TNT) of meer in te sluiten; en

b.

heeft ontwerpelementen of -eigenschappen die directe of vertraagde overdracht van diagnostische of metingsinformatie mogelijk maken.

1B235

Doelelementen en -onderdelen voor de productie van tritium, als volgt:

a.

doelelementen bestaande uit of bevattende lithium, verrijkt in de lithium-6-isotoop, speciaal ontworpen voor het produceren van tritium door middel van bestraling, waaronder aanvoering in een kernreactor;

b.

onderdelen, speciaal ontworpen voor de doelelementen als bedoeld in 1B235.a.

Technische noot:

Bij onderdelen, speciaal ontworpen voor doelelementen voor de productie van lithium, kunnen zijn inbegrepen lithiumpellets, tritiumgetters en speciaal bedekte hulzen.

1C   Materialen

Technische noot:

Metalen en legeringen:

behoudens andersluidende bepalingen wordt in 1C001 tot en met 1C012 onder ‘metalen’ en ‘legeringen’ verstaan, ruwe of onbewerkte vormen en halffabricaten, als hieronder:

Ruwe of onbewerkte vormen:

anoden, kogels, staven (met inbegrip van gekerfde proefstaven en draadmetaal), knuppels, blokken, blooms, briketten, uitgangsblokken, kathoden, kristallen, kubussen, blokjes, korrels, granules, walsblokken, bobbels, pastilles, gietelingen, poeder, rondellen, schroot, plakken, brokken, sponsen, stiften;

Halffabricaten (al dan niet bekleed, beplaat, geboord of gestanst):

a.

gesmede of bewerkte materialen die zijn vervaardigd door middel van walsen, doortrekken, spuitgieten, smeden, slagextrusie, persen, korrelen, verstuiven en slijpen, namelijk: hoekstaven, gootmetaal, ronde voorprofielen, schijven, stof, vlokken, foelies en bladmetaal, smeedstukken, platen, poeder, geperste stukken allerhande, linten, ringen, staven (met inbegrip van ruwe lasstaven, walsdraad en diverse gewalste draden), profielen, gietvormen, dunne platen, banden en buizen allerhande (met inbegrip van ronde, vierkante en holle pijpen), getrokken of geëxtrudeerde draad;

b.

gegoten metaal vervaardigd door gieten in zand, metaal, gips of andere types gietvormen, met inbegrip van onder hoge druk gegoten producten, gesinterde vormen en door middel van poedermetallurgie vervaardigde producten.

De doelstellingen van de controle mogen niet worden omzeild door de uitvoer van niet gespecificeerde vormen waarvan wordt beweerd dat het om afgewerkte producten gaat, maar die in feite onbewerkte vormen of halffabricaten zijn.

1C001

Materialen, speciaal ontworpen voor het absorberen van elektromagnetische straling, of intrinsiek geleidende polymeren, als hieronder:

NB: ZIE OOK 1C101.

a.

materialen voor het absorberen van frequenties hoger dan 2 × 108 Hz doch lager dan 3 × 1012 Hz;

Noot 1: 1C001.a. heeft geen betrekking op:

a.

absorberende materialen van het haartype, ongeacht of deze zijn gemaakt van natuurlijke of synthetische vezels, welke niet-magnetische stoffen bevatten voor de absorptie;

b.

absorberende materialen waarin geen magnetisch verlies optreedt en waarvan het invallend oppervlak niet vlak is, zoals piramiden, kegels, wiggen en gedraaide oppervlakken;

c.

vlakke absorberende materialen die alle onderstaande eigenschappen vertonen:

1.

gemaakt van één van de volgende materialen:

a.

kunststof schuimmaterialen (al dan niet buigzaam) welke koolstof bevatten, of organische materialen, met inbegrip van binders, met meer dan 5 % echo vergeleken met metaal over een bandbreedte groter dan ± 15 % van de centrale frequentie van de binnenkomende energie, en niet bestand tegen temperaturen hoger dan 450 K (177 °C); of

b.

keramische materialen met meer dan 20 % echo vergeleken met metaal over een bandbreedte groter dan ± 15 % van de centrale frequentie van de binnenkomende energie, en niet bestand tegen temperaturen hoger dan 800 K (527 °C);

Technische noot:

Monsters voor het testen van de absorptie ten behoeve van 1C001.a. Noot: 1.c.1. dienen een vierkant te zijn van ten minste vijf golflengten (van de middenfrequentie) aan één zijde en geplaatst in het verre veld van het stralingselement.

2.

een treksterkte van minder dan 7 × 106 N/m2; en

3.

een druksterkte van minder dan 14 × 106 N/m2;

d.

vlakke absorberende materialen, gemaakt van gesinterd ferriet, met de volgende eigenschappen:

1.

een relatieve dichtheid groter dan 4,4; en

2.

een maximale werktemperatuur van 548 K (275 °C);

e.

vlakke absorberende materialen waarin geen magnetisch verlies optreedt en die vervaardigd zijn van kunststofmateriaal van ‘open-celschuim’ met een dichtheid van maximaal 0,15 g/cm3.

Technische noot:

‘Open-celschuim’ is een verzamelnaam voor flexibele en poreuze materialen met een inwendige structuur die open is naar de buitenlucht. ‘Open-celschuim’ staat ook bekend als vernet schuim.

Noot 2: Magnetische materialen voor absorptiedoeleinden in verf vallen wel onder 1C001.a.

1C001
b.

materialen welke geen zichtbaar licht doorlaten en speciaal zijn ontworpen voor het absorberen van nabije-infraroodstraling met een golflengte van meer dan 810 nm doch minder dan 2 000 nm (frequenties hoger dan 150 THz doch lager dan 370 THz);

Noot: 1C001.b. heeft geen betrekking op materialen die speciaal ontworpen of samengesteld zijn voor de volgende toepassingen:

a.

het “lasermarkeren” van polymeren; of

b.

het “laserlassen” van polymeren.

c.

intrinsiek geleidende polymere materialen met een ‘specifieke elektrische volumegeleidbaarheid’ groter dan 10 000 S/m (Siemens per meter) of een ‘specifieke oppervlakteweerstand’ kleiner dan 100 ohm/vierkant, op basis van één of meer van de volgende polymeren:

1.

polyaniline;

2.

polypyrrool;

3.

polythiofeen;

4.

polyfenyleen-vinyleen; of

5.

polythienyleen-vinyleen.

Noot: 1C001.c. heeft geen betrekking op materialen in vloeibare vorm.

Technische noot:

De ‘specifieke elektrische volumegeleidbaarheid’ en de ‘specifieke oppervlakteweerstand’ dienen te worden bepaald met behulp van ASTM D-257 of nationale gelijkwaardige methoden.

1C002

Metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, als hieronder:

NB: ZIE OOK 1C202.

Noot: 1C002 heeft geen betrekking op: metaallegeringen, metaallegeringspoeder of gelegeerde materialen, speciaal samengesteld voor bekledingsdoeleinden.

Technische noten:

1.

De metaallegeringen bedoeld in 1C002, zijn legeringen waarin het genoemde metaal een hoger gewichtspercentage heeft dan enig ander element.

2.

De ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’, dient te worden gemeten volgens ASTM Standard E-139 of gelijkwaardige nationale methoden.

3.

De ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ dient te worden gemeten volgens ASTM Standard E-606 ‘‹Recommended practice for constant-amplitude low-cycle fatigue testing›’ of gelijkwaardige nationale equivalenten. Het testen dient axiaal te geschieden met een gemiddelde belastingsverhouding gelijk aan 1 en een krachten-concentratiefactor (Kt) gelijk aan 1. De gemiddelde belastingsverhouding wordt gedefinieerd als de maximale belasting min de minimale belasting gedeeld door de maximale belasting.

a.

aluminiden, als hieronder:

1.

nikkelaluminiden met minstens 15 gewichtspercenten aluminium, hoogstens 38 gewichtsprocenten aluminium en minstens één extra legeringselement;

2.

titaanaluminiden met 10 of meer gewichtspercenten aluminium en minstens één extra legeringselement;

b.

metaallegeringen, als hieronder, gemaakt van poeder of uit deeltjes bestaand materiaal als bedoeld in 1C002.c.:

1.

nikkellegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’ van 10 000 uur of meer bij 923 K (650 °C) en een spanning van 676 MPa; of

1C002 b. 1.
b.

een ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 1 095 MPa bij 823 K (550 °C);

2.

niobiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’ van 10 000 uur of meer bij 1 073 K (800 °C) en een spanning van 400 MPa; of

b.

een ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 700 MPa bij 973 K (700 °C);

3.

titaanlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een ‘levensduur voordat spanningsbreuk optreedt’ van 10 000 uur of meer bij 723 K (450 °C) en een spanning van 200 MPa; of

b.

een ‘levensduur bij laagfrequente vermoeidheidsbelasting’ van 10 000 of meer belastingscycli met een maximale spanning van 400 MPa bij 723 K (450 °C);

4.

aluminiumlegeringen met minstens één van de onderstaande eigenschappen:

a.

een treksterkte van 240 MPa of meer bij 473 K (200 °C); of

b.

een treksterkte van 415 MPa of meer bij 298 K (25 °C);

5.

magnesiumlegeringen met alle volgende eigenschappen:

a.

een treksterkte van 345 MPa of meer; en

b.

een corrosiesnelheid lager dan 1 mm/jaar in een 3 %-natriumchlorideoplossing in water, gemeten volgens ASTM Standard G-31 of gelijkwaardige nationale equivalenten;

c.

metaallegeringspoeder of uit deeltjes bestaand materiaal, met alle volgende eigenschappen:

1.

gemaakt van een van onderstaande samenstellingssystemen:

Technische noot:

X staat voor één of meer legeringselementen.

a.

nikkellegeringen (Ni-Al-X, Ni-X-Al) gespecificeerd voor onderdelen of elementen voor turbinemotoren, d.w.z. met minder dan drie niet metallieke deeltjes (verontreinigingen van het fabricageproces) groter dan 100 μm op 109 legeringsdeeltjes;

b.

niobiumlegeringen(Nb-Al-X of Nb-X-Al, Nb-Si-X of Nb-X-Si, Nb-Ti-X of Nb-X-Ti);

c.

titaanlegeringen (Ti-Al-X of Ti-X-Al);

d.

aluminiumlegeringen (Al-Mg-X of Al-X-Mg, Al-Zn-X of Al-X-Zn, Al-Fe-X of Al-X-Fe); of

e.

magnesiumlegeringen (Mg-Al-X of Mg-X-Al);

2.

vervaardigd in een beheerst milieu door middel van één van onderstaande procedés:

a.

‘verstuiving in vacuüm’;

b.

‘verstuiving in gas’;

c.

‘roterend verstuiven’;

d.

‘versplintering door snelle afkoeling’;

e.

‘spinnen uit de smelt’ en ‘vergruizing’;

f.

‘smeltextractie’ en ‘vergruizing’;

g.

‘mechanisch legeren’; of

h.

‘verstuiving via plasma atomisatie’; en

3.

in staat in 1C002.a. of 1C002.b. bedoelde materialen te vormen;

1C002
d.

gelegeerde materialen met alle volgende eigenschappen:

1.

gemaakt van een van de in 1C002.c.1. bedoelde samenstellingssystemen;

2.

in de vorm van niet-vergruisde schilfers, stroken of dunne staven; en

3.

vervaardigd in een beheerst milieu door middel van één van de volgende procedés:

a.

‘versplintering door snelle afkoeling’;

b.

‘spinnen uit de smelt’; of

c.

‘smeltextractie’.

Technische noten:

1.

‘Verstuiving in vacuüm’: een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaal tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder door middel van de snelle uiteenzetting van een opgelost gas bij blootstelling aan een vacuüm.

2.

‘Verstuiving in gas’: een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaallegering tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder door middel van een onder hoge druk staande gasstroom.

3.

‘Roterend verstuiven’: een proces voor het verdelen van een stroom of een plas gesmolten metaal tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder door middel van centrifugale kracht.

4.

‘Versplintering door snelle afkoeling’ (‹splat quenching›): een proces voor het ‘snel stollen’ van een gesmolten stroom metaal die botst op een gekoeld blok, waardoor ‘flakes’ worden gevormd.

5.

‘Smeltspinnen’: een proces voor het ‘snel stollen’ van een stroom gesmolten metaal die botst op een ronddraaiend gekoeld blok, waardoor een schilfer-, lint- of staafvormig product ontstaat.

6.

‘Vergruizing’: een procedé voor het tot deeltjes verdelen van materiaal door stampen of malen.

7.

‘Smeltextractie’: een proces voor het ‘snel stollen’ en extraheren van een lintvormig legeringsproduct door een kort segment van een ronddraaiend gekoeld blok in een bad met een gesmolten metaallegering te brengen.

8.

‘Mechanisch legeren’: een legeringsproces door middel van het binden, breken en opnieuw binden van elementaire en moederlegeringspoeders met behulp van mechanische krachten. Niet-metaaldeeltjes kunnen in de legering worden opgenomen door toevoeging van de geschikte poeders.

9.

‘Verstuiving via plasma atomisatie’: een proces voor het verdelen van een stroom gesmolten metaallegering tot druppeltjes met een diameter van 500 μm of minder met behulp van een plasmabrander in een omgeving met inert gas.

10.

‘Snel stollen’: het stollen van gesmolten materiaal bij een koelsnelheid van meer dan 1 000 K/s.

1C003

Magnetische metalen van alle soorten, ongeacht de vorm, met één of meer van de volgende eigenschappen:

a.

een relatieve beginpermeabiliteit van 120 000 of meer en een dikte van 0,05 mm of minder;

Technische noot:

De relatieve beginpermeabiliteit wordt gemeten aan het gespecificeerde materiaal dat volledig ontlaten is.

b.

magnetostrictieve legeringen met:

1.

een verzadigingsmagnetostrictie van meer dan 5 × 10–4; of

2.

een magnetomechanische koppelingsfactor (k) van meer dan 0,8; of

1C003
c.

strips van amorfe of ‘nanokristallijne’ legeringen met de volgende eigenschappen:

1.

een samenstelling met minimaal 75 gewichtspercenten ijzer, kobalt of nikkel;

2.

een magnetische verzadigingsinductie (Bs) van 1,6 T of meer; en

3.

één of meer van de volgende eigenschappen:

a.

een stripdikte van 0,02 mm of minder; of

b.

een elektrische soortelijke weerstand van 2 × 10–4 ohm cm of meer.

Technische noot:

‘Nanokristallijne’ materialen in 1C003.c. zijn materialen met een kristalkorrelgrootte van hoogstens 50 nm, bepaald door middel van röntgendiffractie.

1C004

Uraan-titaanlegeringen of wolfraamlegeringen met een “matrix” op basis van ijzer, nikkel of koper, met alle volgende eigenschappen:

a.

een dichtheid groter dan 17,5 g/cm3;

b.

een elastische rekgrens groter dan 880 MPa;

c.

een treksterkte groter dan 1 270 MPa; en

d.

een rek groter dan 8 %.

1C005

“Supergeleidende”“composiet”-geleiders in lengten groter dan 100 m of met een massa groter dan 100 g, als hieronder:

a.

“supergeleidende”“composiet”-geleiders welke een of meer niobium-titaan-‘filamenten’ bevatten, met beide volgende eigenschappen:

1.

ingebed in een “matrix” anders dan een koper-“matrix” of in een op koper gebaseerd “matrix”-mengsel; en

2.

met een doorsnedeoppervlak kleiner dan 0,28 × 10–4 mm2 (6 μm diameter voor ronde ‘filamenten’);

b.

“supergeleidende”“composiet”-geleiders, bestaande uit één of meer “supergeleidende”‘filamenten’, anders dan van niobium-titaan, met de volgende eigenschappen:

1.

een “kritische temperatuur” bij afwezigheid van magnetische inductie hoger dan 9,85 K (- 263,31 °C); en

2.

in een “supergeleidende” toestand blijvend bij een temperatuur van 4,2 K (– 268,96 °C) bij blootstelling aan een magnetisch veld dat loodrecht op de lengteas van de geleider is georiënteerd en overeenstemt met een magnetische inductie van 12 T, met een kritische stroomdichtheid van meer dan 1 750 A/mm2 over de totale doorsnede van de geleider;

c.

“supergeleidende”“composiet”-geleiders, bestaande uit één of meer “supergeleidende”‘filamenten’, die “supergeleidend” blijven boven 115 K (- 158,16 °C).

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C005 kunnen de ‘filamenten’ de vorm van een draad, cilinder, film, band of lint hebben.

1C006

Vloeistoffen en smeermiddelen, als hieronder:

a.

niet gebruikt;

b.

smeermiddelen met als voornaamste bestanddeel één of meer van de volgende stoffen:

1.

fenyleen- of alkylfenyleenethers of thio-ethers, of mengsels daarvan, welke meer dan twee ether- of thio-ethergroepen bevatten of combinaties daarvan; of

2.

gefluoreerde siliconevloeistoffen die een kinematische viscositeit hebben van minder dan 5 000 mm2/s (5 000 centistokes) gemeten bij 298 K (25 °C);

1C006
c.

dempingsvloeistoffen en flotatievloeistoffen met alle volgende eigenschappen:

1.

een zuiverheid groter dan 99,8 %;

2.

met minder dan 25 deeltjes van 200 μm of groter per 100 ml; en

3.

gemaakt van ten minste 85 % van één of meer van onderstaande stoffen:

a.

dibroomtetrafluorethaan (CAS 25497-30-7, 124-73-2, 27336-23-8);

b.

polychloortrifluoretheen (uitsluitend olie- en wasmodificaties); of

c.

polybroomtrifluoretheen;

d.

fluorkoolstoffen in koelvloeistoffen voor elektronische systemen met de volgende eigenschappen:

1.

minstens 85 gewichtspercenten van de volgende stoffen of mengsels daarvan:

a.

monomeren van perfluorpolyalkylether-triazinen of perfluoralifatische ethers;

b.

perfluoralkylaminen;

c.

perfluorcycloalkanen; of

d.

perfluoralkanen;

2.

een dichtheid van 1,5 g/ml of meer bij 298 K (25 °C);

3.

vloeibaar bij 273 K (0 °C); en

4.

minstens 60 gewichtspercenten fluor.

Noot: 1C006.d. heeft geen betrekking op als medische producten gespecificeerd en verpakte materialen.

1C007

Keramische poeders, “composieten” met een keramische “matrix”, en ‘voorlopermaterialen’, als hieronder:

NB: ZIE OOK 1C107.

a.

keramische poeders van titaandiboride (TiB2) (CAS 12045-63-5) met een totale hoeveelheid aan metallische verontreiniging, exclusief opzettelijke toevoegingen, van minder dan 5 000 ppm, met een gemiddelde deeltjesgrootte minder dan of gelijk aan 5 μm, terwijl niet meer dan 10 % van de deeltjes groter is dan 10 μm;

b.

niet gebruikt;

c.

“composieten” met een keramische “matrix”, als hieronder:

1.

keramisch-keramische “composieten” met een glas- of oxide-“matrix” en versterkt met:

a.

continuvezels die zijn gemaakt van één van de volgende materialen:

1.

Al2O3 (CAS 1344-28-1); of

2.

Si-C-N; of

Noot: 1C007.c.1.a. heeft geen betrekking op “composieten” die vezels bevatten met een treksterkte van minder dan 700 MPa bij 1 273 K (1 000 °C) of een trek-krimpweerstand van meer dan 1 % krimp bij een belasting van 100 MPa bij 1 273 K (1 000 °C) gedurende 100 uren.

b.

vezels met alle volgende eigenschappen:

1.

gemaakt van één van de volgende materialen:

a.

Si-N;

b.

Si-C;

1C007 c. 1. b. 1.
c.

Si-Al-O-N; of

d.

Si-O-N; en

2.

met een “specifieke treksterkte” groter dan 12,7 × 103 m;

2.

“composieten” met een keramische “matrix”, waarbij carbiden of nitriden van silicium, zirkoon of boor de “matrix” vormen;

d.

niet gebruikt;

e.

‘voorlopermaterialen’, speciaal ontworpen voor de “productie” van in 1C007.c. bedoelde materialen, als hieronder:

1.

polydiorganosilanen;

2.

polysilazanen;

3.

polycarbosilazanen;

Technische noot:

Voor de toepassing van 1C007 zijn ‘voorlopermaterialen’ de voor speciale doeleinden bestemde polymere of organometaalverbindingen die worden gebruikt voor de “productie” van siliciumcarbide, siliciumnitride, of keramische materialen met silicium, koolstof en stikstof.

f.

niet gebruikt.

1C008

Niet-gefluoreerde polymeren, als hieronder:

a.

imiden, als hieronder:

1.

bismale-imiden;

2.

aromatische polyamide-imiden (PAI) met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 563 K (290 °C);

3.

aromatische polyimiden met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 505 K (232 °C);

4.

aromatische polyetherimiden met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 563 K (290 °C);

Noot: 1C008.a. is van toepassing op de stoffen in vloeibare of vaste “smeltbare” vorm, waaronder hars, poeder, pellets, film, vellen, band of lint.

NB: voor onsmeltbare aromatische polyimiden in film, vellen, band of lint, zie 1A003.

b.

niet gebruikt;

c.

niet gebruikt;

d.

polyaryleenketonen;

e.

polyaryleensulfiden, waarbij de arylgroep bestaat uit bifenyleen, trifenyleen of combinaties daarvan;

f.

polybifenyleenethersulfonen met een ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ van meer dan 563 K (290 °C).

Technische noten:

1.

De ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ voor de in 1C008.a.2. bedoelde thermoplatische, de in 1C008.a.4. bedoelde materialen en de in 1C008.f. bedoelde materialen wordt bepaald volgens de methode, beschreven in ISO 11357-2:1999 of nationale equivalenten.

2.

De ‘glasovergangstemperatuur (Tg)’ voor de in 1C008.a.2. bedoelde thermohardende materialen en de in 1C008.a.3. bedoelde materialen wordt bepaald middels de driepuntsbuigproef beschreven in ASTM D 7028-07 of een vergelijkbare nationale norm. De proef wordt uitgevoerd met een droog staal met een vulkaniseringsgehalte van minimaal 90 % als omschreven in ASTM E 2160-04 of een vergelijkbare nationale norm en is gevulkaniseerd met gebruikmaking van een combinatie van standaard- en nahardingsprocessen die de hoogste Tg opbrengen.

1C009

Onbewerkte fluorverbindingen, als hieronder:

a.

niet gebruikt;

b.

gefluoreerde polyimiden die 10 of meer gewichtspercenten gebonden fluor bevatten;

c.

gefluoreerde fosfazeen elastomeren die 30 of meer gewichtspercenten gebonden fluor bevatten.

1C010

“Stapel- en continuvezelmateriaal”, als hieronder:

NB: ZIE OOK 1C210 EN 9C110.

Technische noten:

1.

Voor de berekening van de “specifieke treksterkte”, de “specifieke modulus” of het soortelijk gewicht van “stapel- of continuvezelmateriaal” in 1C010.a., 1C010.b., 1C010.c. of 1C010.e.1.b., moeten de treksterkte en modulus worden bepaald met behulp van methode A, beschreven in ISO 10618:2004 of nationale equivalenten.

2.

Beoordeling van de “specifieke treksterkte”, “specifieke modulus” of het soortelijk gewicht van niet in één richting liggend “stapel- of continuvezelmateriaal” (bijvoorbeeld weefsels, willekeurige matten of vlechten) in 1C010 moet worden gebaseerd op de mechanische eigenschappen van de samenstellende in één richting liggende monofilamenten (bv. monofilamenten, garens, rovings en linten) vóór de verwerking ervan tot de niet in één richting liggende “stapel- of continuvezelmaterialen”.

a.

organisch “stapel- of continuvezelmateriaal” met de volgende eigenschappen:

1.

“specifieke modulus” groter dan 12,7 × 106 m; en

2.

“specifieke treksterkte” groter dan 23,5 × 104 m;

Noot: 1C010.a. heeft geen betrekking op polyethyleen.

b.

koolstof-“stapel- en continuvezelmateriaal” met elk van de onderstaande eigenschappen:

1.

“specifieke modulus” groter dan 14,65 × 106 m; en

2.

“specifieke treksterkte” groter dan 26,82 × 104 m;

Noot: 1C010.b. heeft geen betrekking op:

a.

weefsels, gemaakt van “stapel- of continuvezelmateriaal” voor de reparatie van casco’s of laminaten van “civiele vliegtuigen”, met de volgende eigenschappen:

1.

een maximale oppervlakte van 1 m2;

2.

een maximale lengte van 2,5 m; en

3.

een breedte van meer dan 15 mm.

b.

mechanisch verhakseld, vermalen of gesneden “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met een lengte van 25,0 mm of minder.

c.

anorganisch “stapel- of continuvezelmateriaal” met de volgende eigenschappen:

1.

“specifieke modulus” groter dan 2,54 × 106 m; en

2.

smelt-, verwekings-, en ontledings- of sublimatiepunt hoger dan 1 922 K (1 649 °C) in een inerte atmosfeer;

Noot: 1C010.c. heeft geen betrekking op:

a.

discontinue, meerfasige, polykristallijne aluminiumoxide-vezels als stapelvezels of als onregelmatig gelaagde matten, welke 3 of meer gewichtspercenten siliciumdioxide bevatten, met een “specifieke modulus” kleiner dan 10 × 106 m;

b.

vezels van molybdeen en molybdeenlegeringen;

c.

boorvezels;

d.

discontinue keramische vezels met een smelt-, verwekings-, ontledings- of sublimatiepunt lager dan 2 043 K (1 770 °C) in een inerte atmosfeer.

1C010
d.

“stapel- of continuvezelmateriaal” met één of meer van de onderstaande eigenschappen:

1.

samengesteld uit één of meer van de volgende materialen:

a.

polyetherimiden, als bedoeld in 1C008.a.; of

b.

materialen als bedoeld in 1C008.d. tot en met 1C008.f.; of

2.

samengesteld uit andere materialen als bedoeld in 1C010.d.1.a., of 1C010d.1.b., en “vermengd” (‹commingled›) met andere vezels als bedoeld in 1C010.a., 1C010.b. of 1C010.c.;

Technische noot:

‘Vermengd’: het mengen van filamenten van thermoplastische vezels en versterkingsvezels voor de productie van een vezelversterkings-“matrix”-mengsel in totaalvezelvorm.

e.

geheel of gedeeltelijk met hars of asfaltbitumen geïmpregneerd “stapel- of continuvezelmateriaal” (‹prepregs›), met metaal of koolstof bekleed “stapel- of continuvezelmateriaal” (‹preforms›) of ‘voorvormen (‹preforms›) van koolstofvezels’, met de volgende eigenschappen:

1.

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a.

anorganisch “stapel- of continuvezelmateriaal” als bedoeld in 1C010.c.; of

b.

organisch “stapel- of continuvezelmateriaal” of “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met alle onderstaande eigenschappen:

1.

“specifieke modulus” groter dan 10,15 × 106 m; en

2.

“specifieke treksterkte” groter dan 17,7 × 104 m; en

2.

met één of meer van de volgende eigenschappen:

a.

hars of asfaltbitumen, als bedoeld in 1C008 of 1C009.b.;

b.

‘middels dynamisch-mechanische analyse bepaalde glasovergangstemperatuur (DMA Tg)’ gelijk aan of hoger dan 453 K (180 °C) en met fenolhars; of

c.

‘middels dynamisch-mechanische analyse bepaalde glasovergangstemperatuur (DMA Tg)’ gelijk aan of hoger dan 505 K (232 °C) en met hars of asfaltbitumen, niet nader omschreven in 1C008 of 1C009.b., en niet zijnde een fenolhars;

Noot 1: met metaal of koolstof bekleed “stapel- of continuvezelmateriaal” (‹preforms›) of niet met hars of asfaltbitumen geïmpregneerde ‘voorvormen (‹preforms›) van koolstofvezels’ worden omschreven onder “stapel- of continuvezelmateriaal” in 1C010.a., 1C010.b. of 1C010.c.

Noot 2: 1C010.e. heeft geen betrekking op:

a.

met epoxyhars geïmpregneerd koolstof-“stapel- of continuvezelmateriaal” (‹prepregs›) voor de reparatie van casco’s of laminaten van “civiele vliegtuigen” met de volgende eigenschappen:

1.

een maximale oppervlakte van 1 m2;

2.

een maximale lengte van 2,5 m; en

3.

een breedte van meer dan 15 mm.

b.

geheel of gedeeltelijk met hars of asfaltbitumen geïmpregneerd en mechanisch verhakseld, vermalen of gesneden “stapel- of continuvezelmateriaal” van koolstof met een lengte van 25,0 mm of minder wanneer ander dan onder 1C008 of 1C009.b. vermeld hars of asfaltbitumen wordt gebruikt.

Technische noten:

1.

‘Voorvormen (‹preforms›) van koolstofvezels’: een geordende verzameling vezels, met of zonder deklaag, bestemd om een raamwerk van een deel te vormen alvorens de “matrix” wordt ingebracht, teneinde een “composiet” te vormen.

2.

De ‘middels dynamisch-mechanische analyse bepaalde glasovergangstemperatuur (DMA Tg)’ voor de materialen bedoeld in 1C010.e. wordt bepaald volgens de in ASTM D 7028-07 beschreven methode, of een vergelijkbare nationale norm. Voor thermogeharde materialen bedraagt het vulkaniseringsgehalte van een droog staal minimaal 90 %, als omschreven in ASTM E 2160-04 of een vergelijkbare nationale norm.

1C011

Metalen en verbindingen, als hieronder:

NB: ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN en 1C111.

a.

metalen met een deeltjesgrootte van minder dan 60 μm, hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdaal, in vlokkenvorm of gemalen, vervaardigd uit materiaal dat voor 99 % of meer bestaat uit zirkonium, magnesium en legeringen daarvan;

Technische noot:

Het natuurlijke hafniumgehalte van het zirkonium (normaal 2 % tot 7 %) wordt bij het zirkonium gerekend.

Noot: De metalen of legeringen in 1C011.a. vallen onder de regeling, ongeacht of zij al dan niet zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

b.

boor of boorlegeringen met een deeltjesgrootte van hoogstens 60 μm, als hieronder:

1.

boor met een zuiverheid van minstens 85 gewichtspercenten;

2.

boorlegeringen die minstens 85 gewichtspercenten boor bevatten;

Noot: De metalen of legeringen in 1C011.b. vallen onder de regeling, ongeacht of zij al dan niet zijn ingekapseld in aluminium, magnesium, zirkonium of beryllium.

c.

guanidinenitraat (CAS 506-93-4);

d.

nitroguanidine (NQ) (CAS 556-88-7).

NB: Zie tevens de lijst van militaire goederen voor metaalpoeders die met andere stoffen worden gemengd tot mengsels voor militair gebruik.

1C012

Materialen, als hieronder:

Technische noot:

Deze materialen worden doorgaans voor nucleaire warmtebronnen gebruikt.

a.

plutonium in iedere vorm met een plutonium-isotoopgehalte aan plutonium-238 van meer dan 50 gewichtsprocent;

Noot: 1C012.a. heeft geen betrekking op:

a.

zendingen die hoogstens 1 g plutonium bevatten;

b.

zendingen van hoogstens 3 “effectieve grammen” in een afgesloten gedeelte van een meetelement in instrumenten.

b.

“door opwerking verkregen” neptunium-237 in iedere vorm.

Noot: 1C012.b. heeft geen betrekking op zendingen die hoogstens 1 g neptunium-237 bevatten.

1C101

Materialen voor het beperken van de zichtbaarheid zoals de radarreflectie, het ultraviolet/infrarood of akoestische beeld, anders dan de materialen bedoeld in 1C001, geschikt voor gebruik in ‘raketten’, subsystemen van “raketten” of onbemande luchtvaartuigen, bedoeld in 9A012 of 9A112.a.

Noot 1: 1C101 omvat:

a.

constructiematerialen en deklagen, speciaal ontworpen om de radarreflectie te beperken;

b.

deklagen, inclusief verven, speciaal ontworpen om de reflectie of de uitstraling in het microgolf-, infrarood- of ultravioletgebied te beperken of aan te passen.

Noot 2: 1C101 omvat niet deklagen die speciaal bedoeld zijn om de thermische stabiliteit van satellieten te regelen.

Technische noot:

In 1C101 worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

1C102

Opnieuw verzadigde, door pyrolyse verkregen koolstof-koolstof-materialen bestemd voor ruimtelanceervoertuigen, bedoeld in 9A004, of sonderingsraketten, bedoeld in 9A104.

1C107

Niet in 1C007 beschreven grafiet en keramische materialen, als hieronder:

a.

grafiet met een kleine korrelgrootte en met een volumedichtheid van ten minste 1,72 g/cm3 gemeten bij 288 K (15 °C), met een korrelgrootte van 100 μm of minder, geschikt voor raketstraalpijpen of neuskegels van terugkeervoertuigen, dat gebruikt kan worden bij de productie van:

1.

cilinders met een diameter van ten minste 120 mm en een lengte van ten minste 50 mm;

2.

buizen met een binnendiameter van ten minste 65 mm, een wanddikte van ten minste 25 mm en een lengte van ten minste 50 mm; of

3.

blokken met een minimumomvang van 120 × 120 × 50 mm;

NB: Zie ook 0C004

b.

pyrolytisch of vezelversterkt grafiet, geschikt voor “raket”straalpijpen of neuskegels van terugkeervoertuigen voor gebruik in “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

NB: Zie ook 0C004

c.

keramische composieten (diëlektrische constante kleiner dan 6 bij een frequentie van 100 MHz tot 100 GHz), geschikt voor radarkoepels voor gebruik in “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

d.

bewerkbare, met siliciumcarbide versterkte keramiek in bulk, geschikt voor neuskegels voor gebruik in “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

e.

versterkte siliciumcarbide keramiek composieten, geschikt voor neuskegels, terugkeervoertuigen en straalpijpen, bruikbaar voor “raketten”, ruimtelanceervoertuigen bedoeld in 9A004 of sonderingsraketten bedoeld in 9A104;

f.

bewerkbare, keramische composieten in bulk die bestaan uit een matrix van ‘ultra-hoge-temperatuur keramische materialen (UHTC)’ met een smeltpunt van ten minste 3 000 °C en versterkt zijn met vezels en filamenten, bruikbaar voor raketonderdelen (zoals neuskegels, terugkeervoertuigen, voorranden, vinnen, stuurvlakken of (straalpijp-)halsinzetstukken voor raketmotoren) in “raketten”, in 9A004 bedoelde ruimtelanceervoertuigen, in 9A104 bedoelde sonderingsraketten of ‘raketten’.

Noot: 1C107.f. heeft geen betrekking op ‘ultra-hoge-temperatuur keramische materialen (UHTC)’ die geen “composieten” zijn.

Technische noot 1:

In 1C107.f. worden onder ‘raketten’ complete raketsystemen en systemen voor onbemande luchtvaartuigen verstaan die een afstand van meer dan 300 km kunnen overbruggen.

Technische noot 2:

‘Ultra-hoge-temperatuur keramische materialen (UHTC)’ omvatten:

1.

titaandiboride (TiB2);

2.

zirconiumdiboride (ZrB2);

3.

niobiumdiboride (NbB2);

4.

hafniumdiboride (HfB2);

5.

tantaaldiboride (TaB2);

6.

titaancarbide (TiC);

7.

zirkoniumcarbide (ZrC);

1C107 f.
8.

niobiumcarbide (NbC);

9.

hafniumcarbide (HfC);

10.

tantaalcarbide (TaC).

1C111

Niet in 1C011 beschreven stuwstoffen en chemicaliën voor de vervaardiging van stuwstoffen, als hieronder:

a.

stoffen die stuwkracht leveren:

1.

bolvormig of sferoïdaal aluminiumpoeder, anders dan bedoeld in de Lijst militaire goederen, met een deeltjesgrootte kleiner dan 200 μm en een aluminiumgehalte van 97 % of meer, indien ten minste 10 % van het totaalgewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 63 μm, overeenkomstig ISO 2591-1:1988 of nationale equivalenten;

Technische noot:

Een deeltjesgrootte van 63 μm (ISO R-565) stemt overeen met maasgetal 250 (Tyler) of 230 (ASTM Standard E-11).

2.

metaalpoeders, anders dan bedoeld in de lijst van militaire goederen, als hieronder:

a.

metaalpoeders van zirkonium, beryllium of magnesium, of legeringen van deze metalen, indien minstens 90 % van het totale aantal deeltjes aan deeltjesvolume of -gewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 60 μm (vastgesteld middels metingstechnieken zoals het gebruik van een zeef, laserdiffractie of optische aftasting), hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdaal, in vlokkenvorm of gemalen, voor 97 gewichtsprocent of meer bestaand uit één van de volgende:

1.

zirkonium;

2.

beryllium; of

3.

magnesium;

Technische noot:

Het natuurlijke hafniumgehalte van het zirkonium (normaal 2 % tot 7 %) wordt bij het zirkonium gerekend.

b.

metaalpoeders van borium of boriumlegeringen, met een boriuminhoud van meer dan 85 gewichtsprocent, indien minstens 90 % van het totale aantal deeltjes aan deeltjesvolume of -gewicht bestaat uit deeltjes van minder dan 60 μm (vastgesteld middels metingstechnieken zoals het gebruik van een zeef, laserdiffractie of optische aftasting), hetzij bolvormig, verstoven, sferoïdaal, in vlokkenvorm of gemalen;

Noot: 1C111a.2.a. en 1C111a.2.b. is van toepassing op poedermengsels met een multimodale deeltjesverdeling (bv. mengsels van verschillende korrelgrootte) indien een of meer methoden worden gereguleerd.

3.

oxidatoren geschikt voor raketmotoren voor vloeibare stuwstof, als hieronder:

a.

distikstoftrioxide (CAS 10544-73-7);

b.

stikstofdioxide (CAS 10102-44-0)/distikstoftetraoxide (CAS 10544-72-6);

c.

distikstofpentoxide (CAS 10102-03-1);

d.

mengsels van stikstofoxiden (mixed oxides of nitrogen, MON);

Technische noot:

Mengsels van stikstofoxiden (MON) zijn oplossingen van stikstofoxide (NO) in distikstoftetraoxide/stikstofdioxide (N2O4/NO2) die in raketsystemen kunnen worden gebruikt. Er bestaan diverse verbindingen die als MONi of MONij kunnen worden aangeduid, waarbij i en j hele getallen zijn die het percentage stikstofoxide in het mengsel weergeven (zo bevat MON3 3 % stikstofoxide en MON25 25 %. Een bovengrens is MON40, d.w.z. 40 gewichtsprocent).

1C111 a. 3.
e.

ZIE DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN VOOR geïnhibeerd roodrokend salpeterzuur (Inhibited Red Fuming Nitric Acid, IRFNA);

f.

ZIE DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN EN 1C238 VOOR verbindingen bestaande uit fluor en een of meer andere halogenen, zuurstof of stikstof.

4.

hydrazinederivaten, als hieronder:

NB: ZIE OOK DE LIJST MILITAIRE GOEDEREN.

<