EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R0452

Verordening (EU) 2019/452 van het Europees Parlement en de Raad van 19 maart 2019 tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie

PE/72/2018/REV/1

OJ L 79I , 21.3.2019, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2019/452/oj

21.3.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

LI 79/1


VERORDENING (EU) 2019/452 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 19 maart 2019

tot vaststelling van een kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen in de Unie

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 207, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Buitenlandse directe investeringen dragen bij tot de groei van de Unie door het concurrentievermogen te versterken, werkgelegenheid en schaalvoordelen te scheppen, kapitaal, technologieën, innovatie en deskundigheid aan te brengen en nieuwe markten voor EU-uitvoer te ontsluiten. Zij ondersteunen de doelstellingen van het investeringsplan voor Europa en dragen bij tot andere EU-projecten en -programma's.

(2)

Artikel 3, lid 5, van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) bepaalt dat de Unie in haar betrekkingen met de rest van de wereld haar waarden en belangen handhaaft en zich ervoor inzet, en bijdraagt tot de bescherming van haar burgers. Bovendien hebben de Unie en de lidstaten een open investeringsklimaat dat is vastgelegd in het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) en is ingebed in de internationale verplichtingen van de Unie en haar lidstaten met betrekking tot buitenlandse directe investeringen.

(3)

Uit hoofde van hun internationale verplichtingen in de Wereldgezondheidsorganisatie (WTO), in de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling en in de met derde landen gesloten handels- en investeringsovereenkomsten kunnen de Unie en de lidstaten onder bepaalde voorwaarden beperkende maatregelen ten aanzien van buitenlandse directe investeringen nemen om redenen van veiligheid of openbare orde. Het bij deze verordening ingestelde kader heeft betrekking op buitenlandse directe investeringen in de Unie. Uitgaande investeringen en de toegang tot de markten van derde landen vallen onder andere beleidsinstrumenten voor handel en investeringen.

(4)

Deze verordening laat het recht van de lidstaten om af te wijken van het vrije verkeer van kapitaal als bepaald in artikel 65, lid 1, punt b), VWEU onverlet. Diverse lidstaten hebben maatregelen genomen waarmee zij dat verkeer kunnen beperken op grond van de openbare orde of de openbare veiligheid. Die maatregelen weerspiegelen de doelstellingen en bezorgdheid van de lidstaten met betrekking tot buitenlandse directe investeringen en zouden kunnen leiden tot een aantal mechanismen die verschillend zijn wat toepassingsgebied en procedure betreft. De lidstaten die dergelijke mechanismen in de toekomst willen invoeren, kunnen rekening houden met de werking van bestaande mechanismen, de ervaringen daarmee en de beste praktijken ter zake.

(5)

Er bestaat momenteel op Unieniveau geen alomvattend kader voor het screenen van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid of openbare orde, terwijl de belangrijkste handelspartners van de Unie reeds zulke kaders hebben ontwikkeld.

(6)

Buitenlandse directe investeringen vallen onder de gemeenschappelijke handelspolitiek. Overeenkomstig artikel 3, lid 1, punt e), VWEU is de Unie exclusief bevoegd voor de gemeenschappelijke handelspolitiek.

(7)

Het is belangrijk om rechtszekerheid te scheppen voor de om redenen van veiligheid en openbare orde ingestelde screeningmechanismen van de lidstaten, en om te zorgen voor een Uniebrede coördinatie en samenwerking inzake de screening van buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de openbare orde. Dit gemeenschappelijk kader doet geen afbreuk aan het feit dat de lidstaten uitsluitend verantwoordelijk zijn voor het vrijwaren van hun nationale veiligheid, als bepaald in artikel 4, lid 2, VEU. Het doet evenmin afbreuk aan de bescherming van de wezenlijke belangen van hun veiligheid overeenkomstig artikel 346 VWEU.

(8)

Het kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen en voor samenwerking ter zake moet de lidstaten en de Commissie de middelen geven om risico's voor de veiligheid of de openbare orde op een alomvattende wijze aan te pakken en zich aan te passen aan wijzigende omstandigheden, en er tegelijkertijd voor zorgen dat de lidstaten over de nodige flexibiliteit blijven beschikken om — rekening houdend met hun individuele situatie en nationale bijzonderheden — buitenlandse directe investeringen te screenen om redenen van veiligheid en openbare orde. Het besluit om een screeningmechanisme in te voeren of een bepaalde buitenlandse directe investering te screenen, blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van de betrokken lidstaat.

(9)

De verordening moet betrekking hebben op een breed scala van investeringen waarmee duurzame en directe betrekkingen worden gevestigd of gehandhaafd tussen investeerders uit derde landen, met inbegrip van staatsentiteiten, en ondernemingen die een economische activiteit uitoefenen in de lidstaten. Deze verordening mag echter niet betrekking hebben op beleggingen in effecten.

(10)

Lidstaten die een screeningmechanisme hebben ingevoerd, moeten, in overeenstemming met het Unierecht, voorzien in de nodige maatregelen om de omzeiling van hun screeningmechanismen en -besluiten ter bescherming te voorkomen. Dit moet van toepassing zijn op investeringen van binnen de Unie met behulp van kunstmatige regelingen die de economische realiteit niet weerspiegelen en waarmee de screeningmechanismen en -besluiten worden omzeild, waarbij de investeerder uiteindelijk het eigendom is of onder zeggenschap staat van een natuurlijke persoon of een onderneming uit een derde land. Dit doet geen afbreuk aan de vrijheid van vestiging en het vrije verkeer van kapitaal zoals vastgelegd in het VWEU.

(11)

De lidstaten moeten een beoordeling kunnen verrichten van de risico's voor de veiligheid of de openbare orde die voortvloeien uit belangrijke wijzigingen in de eigendomsstructuur of de hoofdkenmerken van een buitenlandse investeerder.

(12)

Om de toepassing van de verordening door de lidstaten en de Commissie aan te sturen, is het dienstig te voorzien in een lijst van factoren die in aanmerking kunnen worden genomen bij de beoordeling of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde. Door deze lijst zullen de screeningmechanismen van de lidstaten ook transparanter worden voor investeerders die buitenlandse directe investeringen in de Unie overwegen of hebben gedaan. De lijst van factoren die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de openbare orde moet niet-uitputtend blijven.

(13)

Wanneer de lidstaten en de Commissie moeten beoordelen of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde, moeten de lidstaten en de Commissie de mogelijkheid hebben rekening te houden met alle relevante factoren, inclusief de gevolgen voor kritieke infrastructuur, technologieën (inclusief sleuteltechnologieën) en grondstoffen die van essentieel belang zijn voor de veiligheid of de handhaving van de openbare orde en waarvan de verstoring, het falen, het verlies of de vernietiging aanzienlijke gevolgen zou hebben voor een lidstaat of de Unie. In dat verband moeten de lidstaten en de Commissie tevens de mogelijkheid hebben de context en de omstandigheden van de buitenlandse directe investering in aanmerking te nemen, met name de vraag of een buitenlandse investeerder direct of indirect onder zeggenschap staat van de overheid van een derde land, bijvoorbeeld via aanzienlijke financiering, waaronder subsidies, dan wel of hij door de overheid gestuurde uitgaande investeringsprojecten of -programma's uitvoert.

(14)

De lidstaten of de Commissie, naargelang het geval, kunnen rekening houden met relevante informatie van economische actoren, maatschappelijke organisaties of sociale partners zoals vakbonden, met betrekking tot een buitenlandse directe investering die gevolgen voor de veiligheid of de openbare orde kan hebben.

(15)

Het is dienstig de essentiële elementen van het kader voor de screening van buitenlandse directe investeringen door een lidstaat vast te stellen om investeerders, de Commissie en andere lidstaten een inzicht te verschaffen in de wijze waarop dergelijke investeringen waarschijnlijk worden gescreend. Deze elementen moeten ten minste termijnen voor de screening en de mogelijkheid voor buitenlandse investeerders om tegen een screeningbesluit in beroep te gaan, omvatten. Regels en procedures inzake screeningmechanismen moeten transparant zijn en mogen geen onderscheid tussen derde landen maken.

(16)

Er moet een mechanisme tot stand worden gebracht dat onderlinge samenwerking en ondersteuning door de lidstaten mogelijk maakt wanneer een buitenlandse directe investering in een lidstaat gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde in andere lidstaten. lidstaten moeten de mogelijkheid hebben opmerkingen in te dienen bij een lidstaat waarin de investering wordt gepland of is voltooid, ongeacht of die lidstaat over een screeningmechanisme beschikt dan wel of die investering aan een screening wordt onderworpen. Verzoeken om informatie, antwoorden en opmerkingen van lidstaten moeten ook aan de Commissie worden toegezonden. De Commissie moet de mogelijkheid hebben om, in voorkomend geval, een advies in de zin van artikel 288 VWEU te richten tot de lidstaat waarin de investering wordt gepland of is voltooid. Een lidstaat moet ook de mogelijkheid hebben de Commissie om advies of andere lidstaten om opmerkingen te vragen met betrekking tot een buitenlandse directe investering die wordt gedaan op zijn grondgebied.

(17)

Wanneer een lidstaat opmerkingen van andere lidstaten of een advies van de Commissie ontvangt, moet hij met deze opmerkingen of dit advies terdege rekening houden, in voorkomend geval door maatregelen waarin zijn nationale recht voorziet of in het kader van zijn ruimere beleidsvorming, conform zijn plicht tot loyale samenwerking als vastgesteld in artikel 4, lid 3, VEU.

Het definitieve besluit inzake een aan screening onderworpen buitenlandse directe investering of een maatregel in verband met een niet aan screening onderworpen buitenlandse directe investering blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van de lidstaat waar de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid.

(18)

Het samenwerkingsmechanisme mag alleen worden gebruikt ter bescherming van de veiligheid of de openbare orde. Om die reden moeten de lidstaten verzoeken om informatie betreffende een bepaalde buitenlandse directe investering in een andere lidstaat, alsmede eventuele opmerkingen hunnerzijds aan die lidstaat, naar behoren motiveren. Dezelfde vereisten dienen te gelden wanneer de Commissie om informatie over een bepaalde buitenlandse directe investering verzoekt of een advies aan een lidstaat uitbrengt. Het naleven van deze vereisten is ook belangrijk in situaties waarin een investeerder van een lidstaat met investeerders uit derde landen concurreert voor het doen van investeringen in een andere lidstaat zoals het verwerven van activa.

(19)

Bovendien moet de Commissie, om redenen van veiligheid of openbare orde, een advies in de zin van artikel 288 VWEU kunnen uitbrengen met betrekking tot buitenlandse directe investeringen die gevolgen voor projecten en programma's van Uniebelang kunnen hebben. Zo zou de Commissie beschikken over een instrument ter bescherming van projecten en programma's die de Unie in haar geheel ten goede komen en een belangrijke bijdrage aan de economische groei, de werkgelegenheid en het concurrentievermogen leveren. Hieronder moeten met name projecten en programma's vallen waarmee een aanzienlijke financiering door de Unie gemoeid is of die zijn vastgesteld bij het Unierecht met betrekking tot kritieke infrastructuur, kritieke technologieën of kritieke inputs. Deze projecten of programma's van Uniebelang moeten worden vermeld in een lijst in deze verordening. Een naar een lidstaat toegezonden advies moet ook tegelijkertijd aan de andere lidstaten worden toegezonden.

Conform zijn plicht tot loyale samenwerking uit hoofde van artikel 4, lid 3, VEU, moet de lidstaat ten volle rekening houden met het advies van de Commissie, in voorkomend geval door middel van maatregelen waarin zijn nationale recht voorziet of in het kader van zijn ruimere beleidsvorming, en de Commissie een verklaring verstrekken wanneer hij dit advies niet volgt. Het definitieve besluit inzake een aan screening onderworpen buitenlandse directe investering of een maatregel betreffende een niet aan screening onderworpen buitenlandse directe investering blijft uitsluitend de verantwoordelijkheid van de lidstaat waar de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid.

(20)

Om rekening te houden met ontwikkelingen in verband met projecten en programma's van Uniebelang, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden gedelegeerd om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen tot wijziging van de lijst van projecten en programma's van Uniebelang als vervat in de bijlage bij deze verordening. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (4). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(21)

Met het oog op meer zekerheid voor investeerders moeten de lidstaten opmerkingen kunnen indienen en moet de Commissie advies kunnen uitbrengen met betrekking tot voltooide, niet aan screening onderworpen investeringen gedurende een periode die beperkt is tot 15 maanden na de voltooiing van de buitenlandse directe investering. Het samenwerkingsmechanisme mag niet van toepassing zijn op buitenlandse directe investeringen die zijn voltooid vóór 10 april 2019.

(22)

De lidstaten moeten de Commissie kennisgeven van hun screeningmechanismen en van alle wijzigingen van die mechanismen; daarnaast moeten zij jaarlijks verslag uitbrengen over de toepassing van hun screeningmechanismen, ook inzake de besluiten waarbij buitenlandse directe investeringen worden toegestaan, verboden of onderworpen aan voorwaarden of risicobeperkende maatregelen en inzake besluiten inzake buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor projecten of programma's van Uniebelang. Alle lidstaten moeten verslag uitbrengen over de buitenlandse directe investeringen die op hun grondgebied hebben plaatsgevonden, op basis van de informatie waarover zij beschikken. Teneinde de kwaliteit en de vergelijkbaarheid van door de lidstaten verstrekte informatie te verbeteren en de naleving van de kennisgevings- en verslagleggingsverplichtingen te faciliteren, moet de Commissie standaardformulieren ter beschikking stellen, waarbij zij onder meer de toepasselijke formulieren voor verslaglegging aan Eurostat, waar dienstig, in aanmerking neemt.

(23)

Met het oog op een doeltreffend samenwerkingsmechanisme is het ook belangrijk te zorgen voor een minimumhoeveelheid informatie en coördinatie met betrekking tot binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallende buitenlandse directe investeringen in alle lidstaten. De lidstaten moeten deze informatie verstrekken voor aan screening onderworpen buitenlandse directe investeringen alsmede, op verzoek, voor andere buitenlandse directe investeringen. Onder relevante informatie moeten aspecten vallen zoals de eigendomsstructuur van de buitenlandse investeerder en de financiering van de geplande of voltooide investering, daaronder begrepen, indien beschikbaar, informatie over subsidies van derde landen. De lidstaten moeten ernaar streven accurate, volledige en betrouwbare informatie te verstrekken.

(24)

De buitenlandse investeerder of de betrokken onderneming moet de informatie verstrekken die wordt gevraagd door de lidstaat waar een buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid. In uitzonderlijke omstandigheden, wanneer een lidstaat ondanks alle mogelijke inspanningen die informatie niet kan verkrijgen, moet hij de betrokken lidstaten of de Commissie daarvan onverwijld in kennis stellen. In dat geval moet het mogelijk zijn dat de opmerkingen van een andere lidstaat of de adviezen van de Commissie die in het kader van het samenwerkingsmechanisme zijn ingediend c.q. uitgebracht, kunnen worden gebaseerd op de informatie waarover zij beschikken.

(25)

Bij het beschikbaar stellen van de gevraagde informatie, moeten de lidstaten voldoen aan het recht van de Unie of aan nationaal recht dat in overeenstemming is met het recht van de Unie.

(26)

De communicatie en de samenwerking op het niveau van de lidstaten en van de Unie moeten worden versterkt door in elke lidstaat en bij de Commissie een contactpunt voor de uitvoering van deze verordening tot stand te brengen.

(27)

De door de lidstaten en de Commissie opgezette contactpunten moeten een passende plaats binnen de bestuursdiensten krijgen en over gekwalificeerd personeel en over de nodige bevoegdheden beschikken om hun taken in het kader van het coördinatiemechanisme uit te voeren en te zorgen voor een deugdelijke behandeling van vertrouwelijke informatie.

(28)

De ontwikkeling en uitvoering van een alomvattend en doeltreffend beleid moet worden ondersteund door de deskundigengroep van de Commissie inzake de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie, ingesteld bij besluit van de Commissie van 29.11.2017 (5), die is samengesteld uit vertegenwoordigers van de lidstaten. Die groep moet met name onderwerpen bespreken in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen, beste praktijken en getrokken lering delen en opvattingen uitwisselen over tendenzen en onderwerpen van gemeenschappelijk belang in verband met buitenlandse directe investeringen. De Commissie dient te overwegen het advies van de groep in te winnen over systemische vraagstukken in verband met de uitvoering van deze verordening. De Commissie moet de deskundigengroep raadplegen over ontwerpen van gedelegeerde handelingen overeenkomstig de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016.

(29)

De lidstaten en de Commissie moeten worden aangespoord om samen te werken met de bevoegde autoriteiten van gelijkgestemde derde landen inzake vraagstukken in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de openbare orde. Die administratieve samenwerking moet ertoe strekken het kader voor het screenen van buitenlandse directe investeringen door de lidstaten en de samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie overeenkomstig deze verordening doeltreffender te maken. Het moet voor de Commissie ook mogelijk zijn om de ontwikkelingen inzake screeningmechanismen in derde landen te monitoren.

(30)

De lidstaten en de Commissie moeten alle nodige maatregelen nemen om de bescherming van vertrouwelijke informatie te waarborgen, zulks met inachtneming van met name Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie (6), Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie (7) en de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie (8).Dit omvat met name het verbod gerubriceerde informatie een lagere rubriceringsgraad te geven of te derubriceren zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller (9).Niet-gerubriceerde informatie of informatie die op vertrouwelijke basis wordt verstrekt, moet door de autoriteiten als dusdanig worden behandeld.

(31)

Indien op grond van deze verordening persoonsgegevens worden verwerkt, moeten de toepasselijke voorschriften inzake de bescherming van persoonsgegevens in acht worden genomen. De verwerking van persoonsgegevens door de contactpunten en andere entiteiten binnen de lidstaten moet conform Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad (10) verlopen. De verwerking van persoonsgegevens door de Commissie moet overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad (11) verlopen.

(32)

Op basis van onder meer de jaarverslagen die door alle lidstaten zijn ingediend en met de gepaste inachtneming van het vertrouwelijke karakter van bepaalde informatie die in deze verslagen is opgenomen, stelt de Commissie een jaarverslag op over de uitvoering van deze verordening, dat zij indient bij het Europees Parlement en de Raad. Met het oog op meer transparantie moet het verslag openbaar worden gemaakt.

(33)

Het Europees Parlement moet de mogelijkheid hebben de Commissie op een vergadering van zijn bevoegde commissie uit te nodigen om systemische vraagstukken met betrekking tot de uitvoering van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten.

(34)

Uiterlijk op 12 oktober 2023 en nadien om de vijf jaar moet de Commissie het functioneren en de doeltreffendheid van deze verordening toetsen en bij het Europees Parlement en de Raad een verslag indienen. In dat verslag moet worden beoordeeld of deze verordening gewijzigd moet worden. Wanneer in het verslag wordt voorgesteld deze verordening te wijzigen, kan het vergezeld gaan van een wetgevingsvoorstel.

(35)

De uitvoering van deze verordening door de Unie en de lidstaten moet voldoen aan de toepasselijke voorschriften voor het opleggen van beperkingsmaatregelen op grond van veiligheid en openbare orde in de WTO-overeenkomsten, met name in artikel XIV, punt a), en artikel XIV bis van de Algemene Overeenkomst betreffende de handel in diensten (12) (GATS). Ook moet de uitvoering voldoen aan het Unierecht en sporen met de toezeggingen in het kader van andere handels- en investeringsovereenkomsten waarbij de Unie of lidstaten partij zijn en handels- en investeringsregelingen waarbij de Unie of lidstaten zich hebben aangesloten.

(36)

Wanneer een buitenlandse directe investering een concentratie vormt die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad (13) valt, moet de toepassing van deze verordening de toepassing van artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 139/2004 onverlet laten. Deze verordening en artikel 21, lid 4, van Verordening (EG) nr. 139/2004 moeten op een consistente wijze worden toegepast. Voor zover bij het respectieve toepassingsgebied van deze twee verordeningen sprake is van overlapping moeten de in artikel 1 van deze verordening vastgestelde redenen voor screening en het begrip „gewettigde belangen” in de zin van artikel 21, lid 4, derde alinea, van Verordening (EG) nr. 139/2004 op een samenhangende wijze worden uitgelegd, onverminderd de beoordeling van de verenigbaarheid van de op de bescherming van die belangen gerichte nationale maatregelen met de algemene beginselen en de overige bepalingen van het Unierecht.

(37)

Deze verordening heeft geen gevolgen voor de Unieregels inzake de prudentiële beoordeling van gekwalificeerde deelnemingen in de financiële sector, die een afzonderlijke procedure met een specifieke doelstelling blijft (14).

(38)

Deze verordening strookt met en doet geen afbreuk aan andere kennisgevings- en screeningprocedures van het sectorale Unierecht,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening strekt tot vaststelling van een kader voor de screening door de lidstaten van buitenlandse directe investeringen in de Unie om redenen van veiligheid of openbare orde en voor een mechanisme voor samenwerking tussen de lidstaten, en tussen de lidstaten en de Commissie, met betrekking tot buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid of de openbare orde. Binnen dit kader heeft de Commissie de mogelijkheid adviezen over zulke investeringen uit te brengen.

2.   Deze verordening doet geen afbreuk aan de uitsluitende verantwoordelijkheid die elke lidstaat heeft voor zijn nationale veiligheid, als bepaald in artikel 4, lid 2, VEU, noch aan het recht van elke lidstaat om zijn wezenlijke veiligheidsbelangen te verdedigen overeenkomstig artikel 346 VWEU.

3.   Niets in deze verordening beperkt het recht van elke lidstaat om te besluiten een bepaalde buitenlandse directe investering al dan niet te screenen in het kader van deze verordening.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „buitenlandse directe investering”: elke soort investering door een buitenlandse investeerder die gericht is op het vestigen of handhaven van duurzame directe betrekkingen tussen de buitenlandse investeerder en de ondernemer of de onderneming waaraan het kapitaal ter beschikking wordt gesteld met het oog op de uitoefening van een economische activiteit in een lidstaat, met inbegrip van investeringen die de daadwerkelijke deelname aan het beheer van of de zeggenschap over een onderneming die een economische activiteit uitoefent, mogelijk maken;

2.   „buitenlandse investeerder”: een natuurlijke persoon uit een derde land of een onderneming uit een derde land die voornemens is een buitenlandse directe investering te doen of deze heeft gedaan;

3.   „screening”: een procedure in het kader waarvan buitenlandse directe investeringen kunnen worden beoordeeld, onderzocht, toegestaan, aan voorwaarden onderworpen, verboden of afgewikkeld;

4.   „screeningmechanisme”: een algemeen toepasselijk instrument, bijvoorbeeld wet- of regelgeving, en begeleidende administratieve voorschriften, uitvoeringsvoorschriften of richtsnoeren waarin de voorwaarden en procedures worden vastgesteld om buitenlandse directe investeringen te beoordelen, te onderzoeken, toe te staan, aan voorwaarden te onderwerpen, te verbieden of af te wikkelen om redenen van veiligheid of openbare orde;

5.   „aan screening onderworpen buitenlandse directe investering”: een buitenlandse directe investering die in het kader van een screeningmechanisme wordt onderworpen aan een formele beoordeling of een formeel onderzoek;

6.   „screeningbesluit”: een in het kader van de uitvoering van een screeningmechanisme vastgestelde maatregel;

7.   „onderneming uit een derde land”: een naar het recht van een derde land opgerichte of anderszins georganiseerde onderneming.

Artikel 3

Screeningmechanismen van de lidstaten

1.   Overeenkomstig deze verordening kunnen de lidstaten mechanismen voor de screening van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid of openbare orde op hun grondgebied handhaven, wijzigen of vaststellen.

2.   De regels en procedures met betrekking tot de screeningmechanismen, met inbegrip van desbetreffende termijnen, zijn transparant en maken geen onderscheid tussen derde landen. De lidstaten stellen met name de omstandigheden die de screening in gang zetten, de redenen voor screening en de geldende gedetailleerde procedurevoorschriften vast.

3.   De lidstaten passen termijnen in het kader van hun screeningmechanismen toe. De screeningmechanismen bieden de lidstaten de mogelijkheid rekening te houden met de in de artikelen 6 en 7 bedoelde opmerkingen van andere lidstaten en met de in de artikelen 6, 7 en 8 bedoelde adviezen van de Commissie.

4.   Vertrouwelijke informatie, met inbegrip van commercieel gevoelige informatie, die ter beschikking wordt gesteld van de lidstaat die de screening uitvoert, wordt beschermd.

5.   Buitenlandse investeerders en de betrokken ondernemingen hebben de mogelijkheid om tegen een screeningbesluit van de nationale autoriteiten in beroep te gaan.

6.   De lidstaten die beschikken over een screeningmechanisme, zorgen voor de handhaving, wijziging of vaststelling van maatregelen die nodig zijn om het omzeilen van screeningmechanismen en screeningbesluiten op te sporen en te voorkomen.

7.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 10 mei 2019 in kennis van hun bestaande screeningmechanismen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van nieuw ingevoerde screeningmechanismen of van wijzigingen in een bestaand screeningmechanisme binnen 30 dagen na de inwerkingtreding van het nieuw ingevoerde screeningmechanisme of van de wijziging in een bestaand screeningmechanisme.

8.   Uiterlijk drie maanden nadat zij de in lid 7 bedoelde kennisgevingen heeft ontvangen maakt de Commissie een lijst van de screeningmechanismen van de lidstaten openbaar. Deze lijst wordt door de Commissie geactualiseerd.

Artikel 4

Factoren waarmee de lidstaten of de Commissie rekening kunnen houden

1.   Bij hun beoordeling of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde, kunnen de lidstaten en de Commissie rekening houden met de mogelijke gevolgen ervan voor onder meer:

a)

kritieke infrastructuur, zowel fysiek als virtueel, waaronder infrastructuur voor energie, vervoer, water, gezondheid, communicatie, media, gegevensverwerking of -opslag, lucht- en ruimtevaart en defensie, verkiezingsinfrastructuur of financiële infrastructuur, en gevoelige installaties, alsmede grond en onroerend goed die van cruciaal belang zijn voor het gebruik van zulke infrastructuur;

b)

kritieke technologieën en producten voor tweeërlei gebruik als bepaald in artikel 2, punt 1, van Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad (15), met inbegrip van artificiële intelligentie, robotica, halfgeleiders, cyberbeveiliging, lucht- en ruimtevaart, defensie, energieopslag, quantum- en nucleaire technologieën alsmede nano- en biotechnologieën;

c)

de voorziening van kritieke inputs, waaronder energie of grondstoffen, alsmede voedselzekerheid;

d)

de toegang tot gevoelige informatie, waaronder persoonsgegevens, of de mogelijkheid om zulke informatie te controleren, of

e)

de vrijheid en pluriformiteit van de media.

2.   Bij hun beoordeling of een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde, kunnen de lidstaten en de Commissie met name ook het volgende in aanmerking nemen:

a)

of de buitenlandse directe investering direct of indirect onder zeggenschap staat van de overheid, met inbegrip van overheidsinstanties of strijdkrachten in een derde land, onder meer via eigendomsstructuur of aanzienlijke financiering;

b)

of de buitenlandse investeerder reeds betrokken is geweest bij activiteiten die gevolgen hebben voor de veiligheid of openbare orde van een lidstaat, of

c)

of er een ernstig risico bestaat dat de buitenlandse investeerder zich bezighoudt met illegale of criminele activiteiten.

Artikel 5

Jaarlijkse verslaglegging

1.   Uiterlijk op 31 maart van elk jaar dienen de lidstaten bij de Commissie een verslag in over het vorige kalenderjaar, dat geaggregeerde informatie bevat over buitenlandse directe investeringen die op hun grondgebied hebben plaatsgevonden, op basis van informatie waarover zij beschikken, alsmede geaggregeerde informatie over de van andere lidstaten ontvangen verzoeken overeenkomstig artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 5.

2.   Voor elke verslagleggingsperiode verstrekken de lidstaten die over screeningmechanismen beschikken, naast de in lid 1 bedoelde informatie ook geaggregeerde informatie over de toepassing van hun screeningmechanismen.

3.   De Commissie dient jaarlijks een verslag over de uitvoering van deze verordening in bij het Europees Parlement en de Raad. Dat verslag wordt openbaar gemaakt.

4.   Het Europees Parlement kan de Commissie op een vergadering van zijn bevoegde commissie uitnodigen om systemische kwesties met betrekking tot de uitvoering van deze verordening uiteen te zetten en toe te lichten.

Artikel 6

Samenwerkingsmechanisme in verband met aan screening onderworpen buitenlandse directe investeringen

1.   De lidstaten stellen de Commissie en de andere lidstaten in kennis van een buitenlandse directe investering op hun grondgebied die aan een screening wordt onderworpen, door de in artikel 9, lid 2, van deze verordening bedoelde informatie zo spoedig mogelijk te verstrekken. In de kennisgeving kan een lijst worden opgenomen van lidstaten die naar verwachting gevolgen voor hun veiligheid of openbare orde kunnen ondervinden. In voorkomend geval streeft de lidstaat die de screening uitvoert, ernaar in het kader van de kennisgeving aan te geven of hij van oordeel is dat de buitenlandse directe investering die aan screening wordt onderworpen, allicht binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 139/2004 valt.

2.   Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een buitenlandse directe investering die in een andere lidstaat aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, of over relevante informatie voor zulke screening beschikt, kan hij opmerkingen indienen bij de lidstaat die de screening uitvoert. De lidstaat die opmerkingen indient zendt deze opmerkingen tegelijkertijd aan de Commissie toe.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat opmerkingen werden ingediend.

3.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat een buitenlandse directe investering die aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde in meer dan één lidstaat, of over relevante informatie in verband met die buitenlandse directe investering beschikt, kan zij een advies uitbrengen dat gericht is aan de lidstaat die de screening uitvoert. De Commissie kan een advies uitbrengen ongeacht of andere lidstaten opmerkingen hebben ingediend. De Commissie kan een advies uitbrengen naar aanleiding van opmerkingen van de andere lidstaten. De Commissie brengt dat advies uit indien zulks gerechtvaardigd is, nadat ten minste een derde van de lidstaten van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor hun veiligheid of openbare orde.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat een advies is uitgebracht.

4.   Een lidstaat die terdege van oordeel is dat een buitenlandse directe investering op zijn grondgebied gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, kan de Commissie verzoeken een advies uit te brengen, of kan andere lidstaten verzoeken opmerkingen in te dienen.

5.   De in lid 2 bedoelde opmerkingen en de in lid 3 bedoelde adviezen worden naar behoren gemotiveerd.

6.   Uiterlijk 15 kalenderdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie, stellen de andere lidstaten en de Commissie de lidstaat die de screening uitvoert, in kennis van hun voornemen opmerkingen krachtens lid 2 in te dienen of een advies krachtens lid 3 uit te brengen. De kennisgeving kan een verzoek om aanvullende informatie op de in lid 1 bedoelde informatie bevatten.

Een verzoek om aanvullende informatie wordt naar behoren gemotiveerd, beperkt zich tot informatie die nodig is om opmerkingen krachtens lid 2 in te dienen of een advies krachtens lid 3 uit te brengen, staat in verhouding tot het doel van het verzoek en mag niet te belastend zijn voor de lidstaat die de screening uitvoert. Verzoeken om informatie en antwoorden van lidstaten worden tegelijkertijd aan de Commissie toegezonden.

7.   Opmerkingen bedoeld in lid 2 of adviezen bedoeld in lid 3 worden gericht aan de lidstaat die de screening uitvoert en worden hem toegezonden binnen een redelijke termijn, en in geen geval later dan 35 kalenderdagen na ontvangst van de in lid 1 bedoelde informatie.

Niettegenstaande de eerste alinea worden, indien krachtens lid 6 om aanvullende informatie is verzocht, deze opmerkingen of adviezen ingediend c.q. uitgebracht uiterlijk 20 kalenderdagen na ontvangst van de aanvullende informatie of de kennisgeving krachtens artikel 9, lid 5.

Niettegenstaande lid 6 kan de Commissie een advies uitbrengen naar aanleiding van opmerkingen van de andere lidstaten, indien mogelijk binnen de in dit lid bedoelde termijnen en in geen geval later dan vijf kalenderdagen na het verstrijken van die termijnen.

8.   In het uitzonderlijke geval dat de lidstaat die de screening uitvoert, van oordeel is dat zijn veiligheid of openbare orde noopt tot een onmiddellijk optreden, stelt hij de andere lidstaten en de Commissie in kennis van zijn voornemen een screeningbesluit te nemen vóór het verstrijken van de in lid 7 bedoelde termijnen, en motiveert hij naar behoren waarom een onmiddellijk optreden noodzakelijk is. De andere lidstaten en de Commissie streven ernaar met bekwame spoed opmerkingen in te dienen of een advies uit te brengen.

9.   De lidstaat die de screening uitvoert, houdt terdege rekening met de in lid 2 bedoelde opmerkingen van de andere lidstaten en met het in lid 3 bedoelde advies van de Commissie. Het definitieve screeningbesluit wordt genomen door de lidstaat die de screening uitvoert.

10.   De samenwerking krachtens dit artikel vindt plaats via de overeenkomstig artikel 11 opgezette contactpunten.

Artikel 7

Samenwerkingsmechanisme in verband met niet aan screening onderworpen buitenlandse directe investeringen

1.   Wanneer een lidstaat van oordeel is dat een in een andere lidstaat geplande of voltooide buitenlandse directe investering die in die lidstaat niet aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, of beschikt over relevante informatie in verband met die buitenlandse directe investering, kan hij opmerkingen indienen bij de andere lidstaat. De lidstaat die opmerkingen indient zendt deze opmerkingen tegelijkertijd aan de Commissie toe.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat opmerkingen werden ingediend.

2.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat een in een andere lidstaat geplande of voltooide buitenlandse directe investering die in die lidstaat niet aan screening wordt onderworpen, gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde in meer dan één lidstaat, of beschikt over relevante informatie in verband met die buitenlandse directe investering, kan zij een advies uitbrengen dat gericht is aan de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid. De Commissie kan een advies uitbrengen ongeacht of andere lidstaten opmerkingen hebben ingediend. De Commissie kan een advies uitbrengen naar aanleiding van opmerkingen van de andere lidstaten. De Commissie brengt dat advies uit indien zulks gerechtvaardigd is, nadat ten minste een derde van de lidstaten van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor hun veiligheid of hun openbare orde.

De Commissie deelt de andere lidstaten mede dat een advies is uitgebracht.

3.   Een lidstaat die terdege van oordeel is dat een buitenlandse directe investering op zijn grondgebied gevolgen kan hebben voor zijn veiligheid of openbare orde, kan de Commissie verzoeken een advies uit te brengen, of kan andere lidstaten verzoeken opmerkingen in te dienen.

4.   De in lid 1 bedoelde opmerkingen en de in lid 2 bedoelde adviezen worden naar behoren gemotiveerd.

5.   Indien een lidstaat of de Commissie van oordeel is dat een niet aan screening onderworpen buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor de veiligheid of de openbare orde als bedoeld in lid 1 of lid 2, kan zij of hij de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, verzoeken om de in artikel 9 bedoelde informatie.

Een verzoek om informatie wordt naar behoren gemotiveerd, beperkt zich tot informatie die nodig is om opmerkingen krachtens lid 1 in te dienen of een advies krachtens lid 2 uit te brengen, staat in verhouding tot het doel van het verzoek en is niet te belastend voor de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid.

Verzoeken om informatie en antwoorden van lidstaten worden tegelijkertijd aan de Commissie toegezonden.

6.   Opmerkingen overeenkomstig lid 1 of adviezen overeenkomstig lid 2 worden gericht tot de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid en worden hem toegezonden binnen een redelijke termijn en in geen geval later dan 35 kalenderdagen na ontvangst van de in lid 5 bedoelde informatie of de overeenkomstig artikel 9, lid 5, bedoelde kennisgeving. Wanneer aan het advies van de Commissie opmerkingen van de lidstaten voorafgaan, beschikt de Commissie over 15 extra kalenderdagen om dat advies uit te brengen.

7.   Een lidstaat waarin een buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, houdt naar behoren rekening met de opmerkingen van de andere lidstaten en het advies van de Commissie.

8.   Lidstaten kunnen opmerkingen krachtens lid 1 indienen en de Commissie kan een advies krachtens lid 2 uitbrengen uiterlijk 15 maanden nadat de buitenlandse directe investering is voltooid.

9.   De samenwerking op grond van dit artikel verloopt via de overeenkomstig artikel 11 opgezette contactpunten.

10.   Dit artikel is niet van toepassing op buitenlandse directe investeringen die zijn voltooid vóór 10 april 2019.

Artikel 8

Buitenlandse directe investeringen die gevolgen kunnen hebben voor projecten of programma's van Uniebelang

1.   Wanneer de Commissie van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor projecten of programma's van Uniebelang om redenen van veiligheid of openbare orde, kan zij een advies richten tot de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid.

2.   De in de artikelen 6 en 7 beschreven procedures zijn van dienovereenkomstige toepassing, zij het met de volgende wijzigingen:

a)

een lidstaat kan in de in artikel 6, lid 1, bedoelde kennisgeving of in de in artikel 6, lid 2, en artikel 7, lid 1, bedoelde opmerkingen aangeven of hij van oordeel is dat een buitenlandse directe investering gevolgen kan hebben voor projecten en programma's van Uniebelang;

b)

het advies van de Commissie wordt toegezonden aan de andere lidstaten;

c)

de lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, houdt zo veel mogelijk rekening met het advies van de Commissie en verstrekt de Commissie uitleg indien haar advies niet wordt opgevolgd.

3.   Voor de toepassing van dit artikel omvatten projecten of programma's van Uniebelang onder meer de projecten en programma's waarbij een substantieel bedrag of een significant aandeel Uniefinanciering is betrokken, of die vallen onder het Unierecht inzake kritieke infrastructuur, kritieke technologieën of kritieke inputs die van essentieel belang zijn voor de veiligheid of de openbare orde. De lijst van projecten of programma's van Uniebelang is opgenomen in de bijlage.

4.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van de lijst van projecten en programma's van Uniebelang.

Artikel 9

Vereisten voor de informatie

1.   De lidstaten waarborgen dat de informatie die overeenkomstig artikel 6, lid 1, ter kennis wordt gegeven, en waarom overeenkomstig artikel 6, lid 6, en artikel 7, lid 5, door de Commissie en de andere lidstaten is verzocht, zonder onnodige vertraging aan de Commissie en de desbetreffende lidstaten ter beschikking wordt gesteld.

2.   De in lid 1 bedoelde informatie omvat:

a)

de eigendomsstructuur van de buitenlandse investeerder en van de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, inclusief informatie over de uiteindelijke investeerder en deelneming in het kapitaal;

b)

de waarde bij benadering van de buitenlandse directe investering;

c)

de producten, diensten en ondernemingsactiviteiten van de buitenlandse investeerder en van de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid;

d)

de lidstaten waarin de buitenlandse investeerder en de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid relevante ondernemingsactiviteiten uitvoeren;

e)

de financiering van de investering en de bron ervan, op basis van de beste informatie waarover de lidstaten beschikken;

f)

de datum of de geplande datum van voltooiing van de buitenlandse directe investering.

3.   De lidstaten stellen alles in het werk om de verzoekende lidstaten en de Commissie zonder onnodige vertraging informatie te verstrekken naast de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie, indien beschikbaar.

4.   De lidstaat waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid kan de buitenlandse investeerder of de onderneming waarin de buitenlandse directe investering wordt gepland of is voltooid, verzoeken de in lid 2 bedoelde informatie te verstrekken. De buitenlandse investeerder of de betrokken onderneming verstrekt de gevraagde informatie zonder onnodige vertraging.

5.   Indien een lidstaat er in uitzonderlijke omstandigheden ondanks al zijn inspanningen niet in slaagt de in lid 1 bedoelde informatie te verkrijgen, stelt hij de Commissie en de andere betrokken lidstaten daarvan onverwijld in kennis. De lidstaat motiveert in zijn kennisgeving naar behoren waarom hij die informatie niet verstrekt en geeft uitleg bij de inspanningen die zijn geleverd om de gevraagde informatie te verkrijgen, waaronder een verzoek op grond van lid 4.

Wanneer geen informatie wordt verstrekt, kunnen de opmerkingen van een andere lidstaat of de adviezen van de Commissie worden gebaseerd op de informatie waarover zij beschikken.

Artikel 10

Vertrouwelijkheid van toegezonden informatie

1.   Informatie die naar aanleiding van de toepassing van deze verordening is ontvangen, wordt slechts gebruikt voor het doel waarvoor zij werd gevraagd.

2.   De lidstaten en de Commissie waarborgen de bescherming van bij de toepassing van deze verordening verzamelde vertrouwelijke informatie overeenkomstig het Unierecht en het toepasselijke nationale recht.

3.   De lidstaten en de Commissie zorgen ervoor dat op grond van deze verordening verstrekte of uitgewisselde gerubriceerde informatie geen lagere rubriceringsgraad krijgt of gederubriceerd wordt zonder voorafgaande schriftelijke toestemming van de opsteller.

Artikel 11

Contactpunten

1.   Elke lidstaat en de Commissie zetten een contactpunt op voor de uitvoering van deze verordening. De lidstaten en de Commissie betrekken deze contactpunten bij alle vraagstukken in verband met de uitvoering van deze verordening.

2.   De Commissie zorgt voor een beveiligd en versleuteld systeem om rechtstreekse samenwerking en uitwisseling van informatie tussen de contactpunten te bevorderen.

Artikel 12

Deskundigengroep inzake de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie

De deskundigengroep inzake de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie, die de Commissie bijstaat met advies en deskundigheid, gaat door met het bespreken van onderwerpen in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen, het delen van beste praktijken en getrokken lering en het uitwisselen van opvattingen over tendenzen en onderwerpen van gemeenschappelijk belang in verband met buitenlandse directe investeringen. De Commissie overweegt ook het advies van die groep in te winnen over systemische vraagstukken in verband met de uitvoering van deze verordening.

De in die groep gevoerde discussies worden vertrouwelijk gehouden.

Artikel 13

Internationale samenwerking

De lidstaten en de Commissie kunnen met de bevoegde autoriteiten van derde landen samenwerken op het gebied van vraagstukken in verband met de screening van buitenlandse directe investeringen om redenen van veiligheid en openbare orde.

Artikel 14

Verwerking van persoonsgegevens

1.   Indien op grond van deze verordening persoonsgegevens worden verwerkt, geschiedt dit overeenkomstig Verordening (EU) 2016/679 en Verordening (EU) 2018/1725, en slechts voor zover noodzakelijk voor het screenen van buitenlandse directe investeringen door de lidstaten en voor het waarborgen van de doeltreffendheid van de samenwerking waarin deze verordening voorziet.

2.   Persoonsgegevens die verband houden met de uitvoering van deze verordening worden niet langer bewaard dan nodig is om de doeleinden waarvoor ze werden verzameld, te verwezenlijken.

Artikel 15

Toetsing

1.   Uiterlijk op 12 oktober 2023 en nadien om de vijf jaar toetst de Commissie het functioneren en de doeltreffendheid van deze verordening en dient zij een verslag in bij het Europees Parlement en de Raad. De lidstaten worden hierbij betrokken en verstrekken de Commissie indien nodig extra informatie voor de opstelling van dat verslag.

2.   Wanneer in het verslag wordt aanbevolen deze verordening te wijzigen, kan het vergezeld gaan van een passend wetgevingsvoorstel.

Artikel 16

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 10 april 2019.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8, lid 4, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 8, lid 4, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 11 oktober 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 19 maart 2019.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

G. CIAMBA


(1)  PB C 262 van 25.7.2018, blz. 94.

(2)  PB C 247 van 13.7.2018, blz. 28.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 14 februari 2019 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 5 maart 2019.

(4)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(5)  Besluit van de Commissie van 29.11.2017 tot het opzetten van de deskundigengroep inzake de screening van buitenlandse directe investeringen in de Europese Unie (niet bekendgemaakt in het Publicatieblad), C(2017) 7866 final.

(6)  Besluit (EU, Euratom) 2015/443 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende veiligheid binnen de Commissie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 41).

(7)  Besluit (EU, Euratom) 2015/444 van de Commissie van 13 maart 2015 betreffende de veiligheidsvoorschriften voor de bescherming van gerubriceerde EU-informatie (PB L 72 van 17.3.2015, blz. 53).

(8)  PB C 202 van 8.7.2011, blz. 13.

(9)  Artikel 4, lid 1, punt a), van de Overeenkomst tussen de lidstaten van de Europese Unie, in het kader van de Raad bijeen, betreffende de bescherming van in het belang van de Europese Unie uitgewisselde gerubriceerde informatie en artikel 4, lid 2, van Besluit (EU, Euratom) 2015/444.

(10)  Verordening (EU) 2016/679 van het Europees Parlement en de Raad van 27 april 2016 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens en tot intrekking van Richtlijn 95/46/EG (algemene verordening gegevensbescherming) (PB L 119 van 4.5.2016, blz. 1).

(11)  Verordening (EU) 2018/1725 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2018 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de instellingen, organen en instanties van de Unie en betreffende het vrije verkeer van die gegevens, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 45/2001 en Besluit nr. 1247/2002/EG (PB L 295 van 21.11.2018, blz. 39).

(12)  PB L 336 van 23.12.1994, blz. 191.

(13)  Verordening (EG) nr. 139/2004 van de Raad van 20 januari 2004 betreffende de controle op concentraties van ondernemingen (PB L 24 van 29.1.2004, blz. 1).

(14)  Als ingevoerd door Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338); Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1); Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(15)  Verordening (EG) nr. 428/2009 van de Raad van 5 mei 2009 tot instelling van een communautaire regeling voor controle op de uitvoer, de overbrenging, de tussenhandel en de doorvoer van producten voor tweeërlei gebruik (PB L 134 van 29.5.2009, blz. 1).


BIJLAGE

Lijst van projecten of programma's van Uniebelang als bedoeld in artikel 8, lid 3

1.   Europese GNSS-programma's (Galileo & Egnos):

Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

2.   Copernicus:

Verordening (EU) nr. 377/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 tot instelling van het Copernicus-programma en tot intrekking van Verordening (EU) nr. 911/2010 (PB L 122 van 24.4.2014, blz. 44).

3.   Horizon 2020:

Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104), inclusief de daarin opgenomen maatregelen met betrekking tot cruciale ontsluitende technologieën zoals kunstmatige intelligentie, robotica, halfgeleiders en cyberbeveiliging.

4.   trans-Europese vervoersnetwerken (TEN-T):

Verordening (EU) nr. 1315/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende richtsnoeren van de Unie voor de ontwikkeling van het trans-Europees vervoersnetwerk en tot intrekking van Besluit nr. 661/2010/EU (PB L 348 van 20.12.2013, blz. 1).

5.   trans-Europese energienetwerken (TEN-E):

Verordening (EU) Nr. 347/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 april 2013 betreffende richtsnoeren voor de trans-Europese energie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1364/2006/EG en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 713/2009, (EG) nr. 714/2009 en (EG) nr. 715/2009 (PB L 115 van 25.4.2013, blz. 39).

6.   trans-Europese telecommunicatienetwerken:

Verordening (EU) nr. 283/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2014 betreffende richtsnoeren voor trans-Europese netwerken op het gebied van telecommunicatie-infrastructuur en tot intrekking van Beschikking nr. 1336/97/EG (PB L 86 van 21.3.2014, blz. 14).

7.   Industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie:

Verordening (EU) 2018/1092 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juli 2018 tot instelling van het industrieel ontwikkelingsprogramma voor de Europese defensie ter ondersteuning van het concurrentievermogen en de innovatieve capaciteit van de defensie-industrie van de Unie (PB L 200 van 7.8.2018, blz. 30).

8.   Permanente gestructureerde samenwerking (PESCO):

Besluit (GBVB) 2018/340 van de Raad van 6 maart 2018 tot vaststelling van de lijst van projecten die in het kader van de PESCO zullen worden ontwikkeld (PB L 65 van 8.3.2018, blz. 24).


Verklaring van de Commissie

Naar aanleiding van het verzoek van het Europees Parlement verbindt de Europese Commissie zich ertoe:

de gestandaardiseerde formulieren die zij zal opstellen om de naleving door de lidstaten van de jaarlijkse verslagleggingsverplichtingen uit hoofde van artikel 5 van de verordening te vergemakkelijken, met het Europees Parlement te delen zodra de definitieve versie ervan is vastgesteld, en

de overeenkomstige gestandaardiseerde formulieren elk jaar met het Europees Parlement te delen, gelijktijdig met de presentatie van het jaarverslag aan het Europees Parlement en aan de Raad in overeenstemming met artikel 5, lid 3, van de verordening.


Top