Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019R0159

Uitvoeringsverordening (EU) 2019/159 van de Commissie van 31 januari 2019 tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten

C/2019/709

OJ L 31, 1.2.2019, p. 27–74 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2019/159/oj

1.2.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 31/27


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2019/159 VAN DE COMMISSIE

van 31 januari 2019

tot instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2015/478 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer (1), en met name artikel 16,

Gezien Verordening (EU) 2015/755 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2015 betreffende de gemeenschappelijke regeling voor de invoer uit bepaalde derde landen (2), en met name artikel 13,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

1.1.   Voorlopige maatregelen

(1)

Op 18 juli 2018 zijn middels Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013 van de Commissie (3) voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten ingesteld („de voorlopige verordening”).

(2)

Het onderzoek werd ambtshalve geopend op 26 maart 2018 („bericht van opening”) (4) voor 26 verschillende staalproductcategorieën op grond van artikel 5 van Verordening (EU) 2015/478 en artikel 3 van Verordening (EU) 2015/755.

(3)

Op 28 juni 2018 breidde de Commissie de productomschrijving van het vrijwaringsonderzoek uit naar twee bijkomende categorieën („bericht van uitbreiding”) (5).

(4)

Zoals vermeld in overweging 20 van de voorlopige verordening, had het onderzoek betrekking op de periode van 2013 tot en met 2017 („de beoordelingsperiode”).

1.2.   Eerlijke rechtsbedeling

(5)

De Commissie heeft 452 antwoorden op de vragenlijst ontvangen van belanghebbenden in het kader van dit onderzoek.

(6)

De Commissie heeft tevens een groot aantal schriftelijke opmerkingen ontvangen over de bevindingen van de voorlopige verordening vanwege producenten in de Unie, producenten-exporteurs, importeurs, gebruikers, verenigingen en instanties uit derde landen.

(7)

Na de vaststelling van de voorlopige maatregelen heeft de Commissie de informatie (met inbegrip van de meest recente gegevens) die door de producenten in de Unie is verstrekt voor de definitieve vaststelling, diepgaander gecontroleerd. Gezien het aantal medewerkende producenten in de EU was het materieel onmogelijk om controlebezoeken ter plaatse uit te voeren bij elke producent in de Unie. De Commissie heeft er derhalve voor gekozen de kwaliteit en betrouwbaarheid van de gegevens te controleren door deze te controleren bij een aantal producenten die zodanig zijn geselecteerd dat zij een voldoende groot segment van de productie vertegenwoordigen alsook het breedst mogelijke spectrum van onderzochte productcategorieën. Op grond hiervan heeft de Commissie de antwoorden op de vragenlijst ter plaatse gecontroleerd bij tien producenten in de Unie die samen meer dan 15 % van de totale verkoop van het onderzochte product in de Unie in 2017 vertegenwoordigden.

(8)

Van juni tot en met september 2018 werd bij de volgende producenten in de Unie ter plaatse een controle verricht:

ArcelorMittal Poland SA, Polen;

Compañía Española de Laminación, S.L (CELSA), Spanje;

Mannesmann Precision Tubes GmbH, (Salzgitter Group), Duitsland;

Mannesmann Stainless Tubes GmbH, (Salzgitter Group), Duitsland;

Marcegaglia Carbon steel Spa, Italië;

Marcegaglia Specialties Spa, Italië;

Riva Stahl GmbH, Duitsland;

SIJ Acroni d.o.o., Slovenië;

U. S. Steel Košice, s.r.o., Slowakije, en

Ugitech SA, Frankrijk.

(9)

Teneinde de meest recente informatie te verkrijgen voor haar definitieve vaststelling heeft de Commissie op 7 september 2018 de verenigingen van producenten in de Unie verzocht een geactualiseerde set gegevens over de onderzochte productcategorieën in te dienen.

(10)

Krachtens artikel 5 van Verordening (EU) 2015/478 en artikel 3 van Verordening (EU) 2015/755 werd aan alle belanghebbenden die binnen de vastgestelde limiet een hoorzitting aanvroegen een hoorzitting toegestaan. Op 12, 13 en 14 september en 1 oktober 2018 heeft de Commissie 93 afzonderlijke hoorzittingen georganiseerd, tijdens dewelke 150 belanghebbenden hun standpunt kenbaar hebben gemaakt.

(11)

Opmerkingen die door belanghebbenden tijdens de hoorzittingen binnen de gestelde termijnen schriftelijk of mondeling zijn ingediend, zijn naar behoren onderzocht en indien passend in aanmerking genomen.

2.   BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK OF RECHTSTREEKS CONCURREREND PRODUCT

(12)

Het betrokken product omvat bepaalde staalproducten die behoren tot de 28 staalproductcategorieën die zijn gedefinieerd in het bovengenoemde bericht van opening zoals gewijzigd door het bericht van uitbreiding. Deze productcategorieën zijn onderworpen aan de tariefmaatregelen van de VS op grond van afdeling 232 van de Trade Expansion Act van 1962 („maatregelen van de VS op grond van afdeling 232”).

2.1.   Een enkele groepsdefinitie

(13)

De Commissie definieerde de productomschrijving van het vrijwaringsonderzoek in de overwegingen 11 tot en met 17 van de voorlopige verordening, waarin zij een gedetailleerde motivering presenteerde van de globale analyse in het licht van de sterke verwevenheid tussen alle aan het onderzoek onderworpen productcategorieën.

(14)

Na de bekendmaking van de voorlopige verordening hebben verscheidene belanghebbenden geopperd dat er geen sprake is van één enkel betrokken product, maar van verschillende betrokken producten. Deze belanghebbenden beweerden dat het bericht van opening niet verwijst naar één enkel betrokken product, maar in sommige passages het meervoud gebruikt en verwijst naar „betrokken producten”.

(15)

Dezelfde partijen betoogden dat de door de Commissie gevolgde aanpak in het huidige onderzoek indruist tegen de uitspraak van de beroepsinstantie voor vrijwaringsmaatregelen van de VS inzake staal (6). In dit geval heeft de beroepsinstantie geoordeeld dat de toepassing van een algemene benadering voor de berekening van „onvoorziene ontwikkelingen” kan leiden tot de toepassing van „vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van een brede categorie producten, zelfs indien de invoer van een of meer van die producten niet toenam en niet voortvloeide uit de onvoorziene ontwikkelingen” en niet aan het vereiste van artikel XIX van de GATT zou voldoen. Deze partijen beweerden eveneens dat de Commissie in het vrijwaringsonderzoek betreffende staal van 2002 (7) een afzonderlijke analyse uitvoerde per productcategorie en dat zij derhalve ook in dit geval dezelfde afzonderlijke beoordelingen moet uitvoeren.

(16)

Ten slotte betwistten verschillende belanghebbenden de verwevenheid en onderlinge verbindingen tussen productcategorieën die de Commissie ter rechtvaardiging van haar enkele analyse naar voren schoof. Hoewel deze partijen erkennen dat dergelijke verbanden bestaan tussen bepaalde productcategorieën, waren zij van mening dat zij niet aanwezig zijn tussen alle categorieën, bijvoorbeeld tussen de categorieën van koolstofstaal en roestvrij staal, of tussen platte producten, lange producten en buizen.

(17)

De Commissie heeft deze argumenten onderzocht en wees ze op de volgende basis van de hand. Ten eerste stelt het bericht van opening herhaaldelijk en ondubbelzinnig dat de 28 onderzochte productcategorieën als een enkele groep producten zijn behandeld om te onderzoeken of de voorwaarden voor het vaststellen van vrijwaringsmaatregelen gerechtvaardigd waren. De voorlopige verordening verwijst daadwerkelijk naar de 28 productcategorieën als het „betrokken product” of „de betrokken productcategorieën” (zie overweging 11 van de voorlopige verordening) en de analyse daarin is uitgevoerd op basis van het samennemen van de 28 betrokken productcategorieën (zie overweging 22 van de voorlopige verordening). De verwijzing naar „betrokken producten” moet derhalve worden begrepen als de productcategorieën die samen worden onderzocht als deel van een enkel betrokken product.

(18)

Ten tweede legt de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen geen specifieke verplichtingen op met betrekking tot de definitie of de productomschrijving van het onderzochte product, noch bevat deze overeenkomst richtsnoeren met betrekking tot deze kwestie, zoals bevestigd door een WTO-panel. Een vrijwaringsmaatregel kan inderdaad worden toegepast op een product waarvan de invoer is toegenomen; een uitgesplitste analyse voor alle gevallen waarin de definitie van het onderzochte product meer dan één product omvat is evenwel niet noodzakelijk. Het is dienovereenkomstig de onderzoekende instantie die het onderzochte product definieert, evenals de manier waarop de relevante gegevens moeten worden geanalyseerd in het onderzoek (8). Daarenboven is er geen argument naar voren gebracht waaruit zou blijken hoe in de omstandigheden van het onderhavige geval de gezamenlijke beoordeling van de productcategorieën de door de Commissie gemaakte analyse kan hebben beïnvloed en/of kan hebben geleid tot een ontoereikende vaststelling van de stijging van de invoer tijdens het onderzoektijdvak. Ten slotte merkt de Commissie terloops op dat de uitspraak van de beroepsinstantie waarnaar de partijen verwijzen betrekking heeft op de analyse van onvoorziene ontwikkelingen en als dusdanig niet op de vraag of een globale analyse is toegestaan in het kader van de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen.

(19)

Ten derde besloot de Commissie — hoewel zij in haar definitieve vaststelling de noodzaak herhaalde en bevestigde om in het onderhavige geval een algemene analyse uit te voeren van de voorwaarden om vrijwaringsmaatregelen op te leggen teneinde verder het verband te onderzoeken tussen bepaalde categorieën zoals werd aangevoerd door sommige belanghebbenden — om de 28 onderzochte productcategorieën, die formeel als een enkele groep behandeld worden, ook als drie „productfamilies” van stalen producten te onderzoeken. Dit besluit is genomen om tevens te onderzoeken of de bevindingen voor de enkele groep worden bevestigd op een meer uitgesplitst niveau en om enige twijfel over de betrouwbaarheid van de op het algemene niveau getrokken conclusies weg te nemen. De drie productfamilies van stalen producten herbergen bepaalde productcategorieën met een nog grotere graad van onderlinge overeenkomst.

(20)

In de staalindustrie is het in feite gebruikelijk om drie productfamilies te hanteren, namelijk: platte producten, lange producten en buizen. In het kader van dit vrijwaringsonderzoek wordt aangenomen dat binnen elk van deze families de producten vergelijkbare eigenschappen vertonen, ze dikwijls dezelfde productieprocessen kennen, ze dikwijls de input voor andere afgeleide producten binnen de familie zijn, ze dezelfde gebruikers of afnemers in de bevoorradingsketen hebben, waardoor de substitueerbaarheid aan de vraag- en de aanbodzijde en de concurrentie binnen de familie zelfs meer uitgesproken is dan als alle staalproductcategorieën samen zouden zijn genomen in een enkele groep.

(21)

De drie „productfamilies” zijn als volgt gedefinieerd:

Tabel 1

Productfamilies

Productfamilie

Productcategorie

1 Platte producten

1, 2, 3, 4, 5, 6, 7, 8, 9, 10, 11

2 Lange producten

12, 13, 14, 15, 16, 17, 18, 19, 27, 28

3 Buizen

20, 21, 22, 23, 24, 25, 26

(22)

Dienovereenkomstig zal de Commissie aan de door bepaalde belanghebbenden gemaakte opmerkingen inzake de brede definitie van het betrokken product tegemoetkomen door de algemene beoordeling van de 28 onderzochte productcategorieën aan te vullen met een analyse per productfamilie zoals hierboven gedefinieerd.

2.2.   Verzoeken met betrekking tot specifieke productcategorieën

(23)

Verschillende belanghebbenden beweerden dat bepaalde specifieke productcategorieën moeten worden uitgesloten van de productomschrijving van het betrokken product wegens een vermeend gebrek aan of de vermeende beperkte beschikbaarheid van productie in de Unie. Deze beweringen betreffen met name de volgende productcategorieën:

elektroplaten zonder gerichte korrels die worden gebruikt bij de productie van motoren en generatoren (behorende tot productcategorie 3);

stalen delen die als input worden gebruikt in de automobielindustrie (behorende tot productcategorie 4);

blik (behorende tot productcategorie 6).

(24)

De Commissie onderzocht deze beweringen nauwgezet en kwam tot de conclusie dat soortgelijke of rechtstreeks concurrerende productcategorieën in feite in de Unie worden geproduceerd door de bedrijfstak van de Unie. Daarnaast heeft de Commissie, zoals wordt uiteengezet in de afdeling over het belang van de Unie hieronder, de vrijwaringsmaatregelen dusdanig vormgegeven dat verstoringen van de invoer tot een minimum worden beperkt en traditionele invoerniveaus van handelspartners worden gehandhaafd. De vermeende waarschijnlijkheid van een tekort aan bepaalde productcategorieën is derhalve niet gerechtvaardigd, ook gezien de aanpassingen en overwegingen in de analyse van het belang van de Unie.

(25)

De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat het verzoek om bepaalde productcategorieën uit te sluiten moet worden afgewezen.

(26)

Aangezien verder geen opmerkingen over het betrokken product en het soortgelijke of rechtstreeks concurrerende product werden ontvangen, worden de in de overwegingen 11 tot en met 17 van de voorlopige verordening getrokken conclusies hierbij bevestigd.

3.   STIJGING VAN DE INVOER

(27)

In de overwegingen 20 tot en met 29 van de voorlopige verordening heeft de Commissie een algemene analyse verricht van de toename van de invoer voor de 28 betrokken productcategorieën gedurende de periode 2013-2017. Bij deze algemene analyse werden productcategorieën waarvan de invoer op individueel niveau niet steeg reeds uitgesloten.

(28)

Voor haar definitieve vaststelling heeft de Commissie dezelfde benadering gevolgd, maar zoals eerder uitgelegd, heeft zij haar analyse aangevuld door de ontwikkeling van de invoer voor elk van de drie in afdeling 2.2 geïdentificeerde productfamilies te onderzoeken teneinde de deugdelijkheid van de op algemene basis getrokken conclusies te bevestigen.

(29)

De Commissie hanteerde in haar analyse de meest recente statistieken, namelijk invoergegevens voor de eerste helft van 2018. Teneinde de vergelijkbaarheid van de gegevens met voorgaande perioden van een volledig jaar heeft de Commissie een bijkomende periode van twaalf maanden vastgesteld die de laatste zes maanden van 2017 en de eerste zes maanden van 2018 omvat („de meest recente periode” of „MRP”). De Commissie corrigeerde tevens enkele kleine administratieve fouten in de gegevens die in de voorlopige fase werden gebruikt.

(30)

Daarnaast heeft de Commissie in haar beoordeling van de ontwikkeling van de invoer geen rekening gehouden met de invoervolumes uit een aantal landen die van het toepassingsgebied van de definitieve maatregelen moeten worden uitgesloten, met name: de landen van de Europese Economische Ruimte (EER) en bepaalde landen waarmee de Unie een economische partnerschapsovereenkomst heeft ondertekend die momenteel van kracht is en waarin specifiek voorzien is in een uitsluiting van het toepassingsgebied van multilaterale vrijwaringsmaatregelen (9).

(31)

Terwijl tijdens de voorlopige fase bleek dat de invoer niet steeg voor vijf productcategorieën (10), blijkt uit het onderzoek van de meest recente invoergegevens dat voor slechts twee van de 28 productcategorieën de invoer niet steeg, namelijk de productcategorieën 11 en 23. De Commissie heeft derhalve besloten om deze twee productcategorieën uit te sluiten van het toepassingsgebied van haar definitieve analyse. De afzonderlijke ontwikkeling van de invoer van elke productcategorie is opgenomen in bijlage II.

(32)

Wat betreft de algemene analyse van de invoer, toont de invoer van de 26 resterende onderzochte productcategorieën de volgende ontwikkelingen:

Tabel 2

Invoervolume (na uitsluiting van bepaalde landen en producten) en marktaandeel

 

2013

2014

2015

2016

2017

MRP

Invoer (× 1 000 ton)

18 329

21 868

26 552

29 141

30 094

31 314

Indexcijfer 2013 = 100

100

119

145

159

164

171

Marktaandeel

12,7 %

14,4 %

16,9 %

17,9 %

18,1 %

18,8 %

Bron: Eurostat en antwoorden van de bedrijfstak van de Unie op de vragenlijst.

(33)

De invoer is in absolute termen toegenomen met 71 % in de analyseperiode en in relatieve termen met een marktaandeel dat steeg van 12,7 % naar 18,8 %. De belangrijkste toename vond plaats in de periode 2013-2016. Daarna nam de invoer toe aan een trager tempo om vervolgens weer aan te trekken in de MRP, toen de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 van kracht werden. De hierboven vermelde trend werd ook bevestigd door de overgrote meerderheid van de ontvangen antwoorden op de vragenlijst van producenten in de belangrijkste landen van uitvoer (11).

(34)

Teneinde de algemene analyse van de invoer aan te vullen, onderzocht de Commissie de ontwikkeling van de invoer voor elk van de drie hierboven geïdentificeerde productfamilies: platte producten, lange producten en buizen. Op basis hiervan ontwikkelden de invoervolumes en de overeenkomstige marktaandelen zich als volgt:

Tabel 3

Invoervolume (na uitsluiting van bepaalde landen en producten) en marktaandeel — per productfamilie

 

2013

2014

2015

2016

2017

MRP

Platte producten

Invoer (× 1 000 ton)

12 327

14 215

18 391

20 281

20 299

20 202

Indexcijfer 2013 = 100

100

115

149

164

164

164

Marktaandeel

14,2 %

15,8 %

19,4 %

20,7 %

20,9 %

20,9 %

Lange producten

Invoer (× 1 000 ton)

4 001

5 258

6 028

6 550

6 465

7 901

Indexcijfer 2013 = 100

100

131

151

164

162

197

Marktaandeel

8,6 %

10,6 %

11,8 %

12,4 %

11,8 %

14,0 %

Buizen

Invoer (× 1 000 ton)

2 001

2 396

2 134

2 310

3 330

3 212

Indexcijfer 2013 = 100

100

120

107

115

166

160

Marktaandeel

20,4 %

20,8 %

19,9 %

20,1 %

25,3 %

25,7 %

Bron: Eurostat en antwoorden van de bedrijfstak van de Unie op de vragenlijst.

(35)

Uit de statistieken blijkt dat alle drie de productfamilies (platte producten, lange producten en buizen) erop vooruitgingen in absolute termen, met respectievelijk 64 %, 97 % en 60 % tijdens de periode van 2013 tot en met de MRP. Tijdens dezelfde periode nam de invoer ook toe in relatieve termen, waarbij de marktaandelen respectievelijk stegen van 14,2 % naar 20,9 %, van 8,6 % naar 14,0 % en van 20,4 % naar 25,7 %.

(36)

De meest aanzienlijke stijging voor de platte producten, zowel in absolute als in relatieve termen, vond plaats in de periode 2013-2016. Daarna bleef de invoer relatief stabiel, maar op een veel hoger niveau dan in de periode 2013-2015. Voor lange producten vond de meest aanzienlijke stijging, zowel in absolute als in relatieve termen, plaats in de periode 2013-2016, gevolgd door een sterke stijging in de MRP. Wat buizen betreft, steeg de invoer gestaag tijdens de periode 2013-2016, gevolgd door een sterke stijging, zowel in absolute als in relatieve termen, in de periode van 2016 tot en met de MRP.

(37)

Wat betreft de door de Commissie ontvangen opmerkingen, beweerde een belanghebbende dat twee van de vijf productcategorieën die werden uitgesloten van het toepassingsgebied van de voorlopige maatregelen, namelijk de productcategorieën 10 en 19, zouden moeten onderworpen aan de definitieve maatregelen aangezien uit recente statistieken een stijging van hun invoer blijkt. Een andere partij deed een gelijkaardige bewering met betrekking tot productcategorie 24. Deze argumenten werden aanvaard aangezien uit de invoerstatistieken met betrekking tot de productcategorieën 10, 19 en 24, zoals eerder uitgelegd, bleek dat er sprake is van een algemene stijging van de invoer tijdens de periode van 2013 tot en met de MRP. Bovendien stegen de invoervolumes voor deze drie productcategorieën ook tijdens de periode van 2017 tot en met de MRP. Daarnaast behoren deze producten, zoals uiteengezet in overweging 34, tot productfamilies die ook een stijging kenden tijdens de periode van 2013 tot en met de MRP.

(38)

Verschillende belanghebbenden beweerden dat er geen sprake was van een plotse, sterke, aanzienlijke en recente stijging van de invoer en verwezen naar het verslag van de beroepsinstantie in Argentina — Footwear (12) en andere WTO-zaken zoals US — Wheat Gluten (13), Ukraine — Passenger Cars (14) en US — Steel Safeguards (15). Samengevat bepaalt deze jurisprudentie dat het voor een onderzoek niet volstaat louter aan te tonen dat de invoer over een periode van vijf jaar is gestegen. De stijging moet voldoende recent, plots en aanzienlijk zijn, zowel kwantitatief als kwalitatief, om ernstige schade te veroorzaken of te dreigen te veroorzaken. Deze jurisprudentie verduidelijkte ook de betekenis van „sterk” („met inbegrip van een plotse verandering van koers; abrupt, steil”) en „plots” („gebeurend of komend zonder waarschuwing; onverwacht” of „abrupt, sterk”). Andere partijen beweerden tevens dat de stijging van de invoer stabiel was of dat de invoer tot 2015 steeg, zonder sterke, plotse of aanzienlijke stijging sindsdien.

(39)

In dit verband wordt er vooreerst aan herinnerd dat de Commissie een grondige analyse uitvoerde van de invoervolumes van de 28 productcategorieën gedurende de periode 2013-2017 (waarbij de trends in de invoer tijdens het onderzoektijdvak werden onderzocht in plaats van louter de eindpunten te vergelijken) en dat zij eveneens de ontwikkeling van de invoer analyseerde in de MRP. Op grond hiervan heeft zij op voorhand bepaalde productcategorieën uitgesloten die geen stijging kenden in de periode van 2013 tot en met de MRP. Tevens concludeerde de Commissie, zoals wordt uiteengezet in de overwegingen 33, 35 en 36, dat de totale invoer in de periode van 2013 tot en met de MRP in absolute termen met 71 % was toegenomen en met tussen 60 % en 97 % indien onderverdeeld volgens productfamilie. Daarnaast blijkt uit statistieken van Eurostat eveneens dat de invoer tussen 2013 en 2015 met 45 % steeg en dat deze sterke stijging aanhield tot de MRP, daarbij aangroeiend tot 71 %. Een vergelijkbare trend werd ook waargenomen met betrekking tot de relatieve stijging van de invoer. Op grond hiervan werd bevestigd dat de stijging van de invoer sterk en plots was, zoals verduidelijkt door de jurisprudentie. Gezien de omvang van de stijging werd eveneens bevestigd dat de stijging aanzienlijk was. Wat het recente karakter betreft, merkt de Commissie op dat er geen specifieke jurisprudentie bestaat met betrekking tot de vraag hoe de term „recent” moet worden geïnterpreteerd. De beroepsinstantie heeft enkel aan de voorwaarde dat een lidstaat slechts een vrijwaringsmaatregel mag toepassen als een product „wordt ingevoerd” in toenemende hoeveelheden de uitleg gegeven dat de stijging van de invoer „recent” genoeg moet zijn om ernstige schade te veroorzaken of te dreigen te veroorzaken (16). De Commissie bevestigde dat de stijging van de invoer, gezien de ontwikkelingen in de periode van 2013 tot en met de MRP en zelfs in de periode van 2015 tot en met de MRP, recent genoeg was om ernstige schade te veroorzaken of te dreigen te veroorzaken. De Commissie heeft dienovereenkomstig de bovengenoemde argumenten betreffende het ontbreken van in aanmerking komende invoer afgewezen.

(40)

Verschillende belanghebbenden beweerden dat de analyse van de Commissie van het ene tot het andere eindpunt op een geaggregeerd niveau ontoereikend was en dat de Commissie ook tussentijdse trends uit de periode 2013-2017 zou moeten hebben geanalyseerd overeenkomstig de jurisprudentie van de WTO, zoals US — Steel Safeguards (17) en Ukraine — Passenger Cars (18). Volgens dergelijke jurisprudentie mag de analyse niet berusten op een vergelijking van de eindpunten van de analyseperiode aangezien dit zou kunnen leiden tot gemanipuleerde resultaten in gevallen waarin er geen duidelijke en ononderbroken opwaartse trend is in de invoervolumes. De jurisprudentie bepaalt ook dat de met het onderzoek belaste instantie een met redenen omklede en adequate toelichting moet verstrekken met betrekking tot de ontwikkeling van de invoer tussen de eindpunten.

(41)

De Commissie is van mening dat zij niet louter een analyse van het ene tot het andere eindpunt heeft gemaakt, aangezien de Commissie, zoals hierboven toegelicht in de overwegingen 33 tot en met 36, ook tussentijdse trends heeft geanalyseerd en een adequate en beredeneerde analyse van de trends in de invoer heeft gemaakt. De argumenten in kwestie zijn derhalve afgewezen.

(42)

Bepaalde belanghebbenden gaven aan dat de ontwikkelingen van de invoer gedurende de periode 2013-2017 analyseren misleidend was aangezien het niveau van de invoer in 2013 abnormaal laag was als gevolg van de wereldwijde economische crisis en de stijging in de daaropvolgende periode slechts een herstel van een normale situatie betrof.

(43)

In dit verband heeft de Commissie geoordeeld dat het nemen van 2013 als uitgangspunt voor de analyse geen afbreuk deed aan die analyse. Terwijl de consumptie van staal in de EU inderdaad steeg met 14 % in de periode 2013-2017 (zie tabel 4 hieronder), werd deze stijging geleidelijk bewerkstelligd over de hele periode. De invoer steeg daarentegen veel meer dan de vraag in de EU, namelijk met 64 % in dezelfde periode en veel sneller dan de consumptie in de EU. Het marktaandeel van de invoer steeg derhalve met 5,4 % procentpunten (van 12,7 % naar 18,1 %) in de periode 2013-2017. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(44)

Verschillende belanghebbenden beweerden dat de invoer door de bedrijfstak van de Unie had moeten zijn uitgesloten van de analyse van de invoervolumes. Dienaangaande moet worden opgemerkt dat een dergelijke uitsluiting geen wettelijke vereiste is. In elk geval blijkt uit de antwoorden van producenten in de Unie op de vragenlijst dat dergelijke invoer stabiel bleef in de periode 2013-2017 en slechts goed was voor een marginaal deel van de totale invoer (variërend van 0,3 % tot 0,7 % van de totale invoer). Het bovenstaande argument werd derhalve afgewezen.

(45)

Een belanghebbende argumenteerde dat invoer via actieve veredeling had moeten worden uitgesloten van de analyse van de invoervolumes in het algemeen en voor productcategorie 25 in het bijzonder. In dit verband moet worden opgemerkt dat voor alle andere productcategorieën dan productcategorie 25 de geobserveerde trend in de invoer niet wijzigt indien actieve veredeling wordt uitgesloten van de analyse. In het specifieke geval van productcategorie 25 werd een verkoop door een producent in de Unie verloren in het voordeel van een producent-exporteur op de markt van een derde land. Bijgevolg werd het passend geacht dergelijke volumes in de beoordeling van de stijging van de invoer op te nemen teneinde het volledige effect van invoer uit derde landen weer te geven. Op grond hiervan werd dit argument afgewezen.

(46)

Bepaalde belanghebbenden beweerden dat het invoervolume en het overeenkomstige marktaandeel voor de productcategorieën 1, 6, 7, 17 en 28 daalde in de periode 2016-2017. In dit verband merkt de Commissie op dat zij in haar definitieve vaststelling ook de ontwikkeling van de invoer tijdens de meest recente periode in overweging nam en dat op grond hiervan de invoer steeg voor al deze categorieën met uitzondering van categorie 7. Zelfs voor deze laatste categorie was de invoer tijdens de MRP aanzienlijk hoger dan in 2013-2014. Daarnaast voerde de Commissie een globale analyse uit voor alle staalproducten en afzonderlijk voor elk van de drie geïdentificeerde productfamilies, en concludeerde dat de invoer over het algemeen is gestegen tijdens de volledige analyseperiode. Dit argument werd derhalve afgewezen.

(47)

Dienovereenkomstig concludeerde de Commissie dat er sprake is van een plotse, sterke en aanzienlijke stijging van de invoer, zowel in absolute als in relatieve termen, voor het betrokken onderzochte product. Deze bevinding wordt ook bevestigd door de gegevens op het niveau van elk van de drie onderzochte productfamilies.

4.   ONVOORZIENE ONTWIKKELINGEN

(48)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 30 tot en met 36 van de voorlopige verordening, had de Commissie voorlopig vastgesteld dat de bovengenoemde toename van de invoer van bepaalde staalproducten in de Unie het resultaat is geweest van onvoorziene ontwikkelingen die het gevolg zijn van een aantal factoren die onevenwichtigheden in de internationale handel in het betrokken product veroorzaken en verergeren.

(49)

Deze factoren omvatten een ongekende overcapaciteit in de staalproductie die aanhoudt ondanks het aanzienlijke aantal maatregelen dat wereldwijd werd genomen om deze terug te dringen, gemarkeerd door verstorende subsidies en ondersteuningsmaatregelen vanwege de overheid, wat heeft geleid tot prijsverlagingen, het toegenomen aanwenden van handelsbeperkende praktijken, handelsbeschermingsinstrumenten en de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 die werden aangenomen in maart 2018.

(50)

Verschillende belanghebbenden beweerden dat onvoorziene ontwikkelingen moeten worden aangetoond voor elke productcategorie. De Commissie is het oneens met deze standpunten en is van oordeel dat het, gezien de grote verwevenheid en onderlinge verbindingen tussen de productcategorieën, zoals toegelicht in afdeling 2.1, volstaat om het bestaan van globale onvoorziene omstandigheden aan te tonen. Op grond hiervan heeft de Commissie dit argument afgewezen.

(51)

Wat overcapaciteit betreft, hebben verschillende belanghebbenden aangevoerd dat overcapaciteit een welgekend fenomeen is voor de Commissie en niet als een onvoorziene ontwikkeling kan worden beschouwd. Zij beweerden tevens dat de Commissie eerder de door de bedrijfstak van de Unie geleden schade heeft gekoppeld aan gedumpte of gesubsidieerde invoer en dat het verband tussen de stijging van de invoer en de onvoorziene ontwikkeling van de overcapaciteit in de staalproductie niet was aangetoond.

(52)

In dit verband moet eerst worden opgemerkt dat, zoals weergegeven in figuur 2.3 van het verslag van het Global Trade Alert getiteld „Going Spare: Steel, Excess Capacity, and Protectionism” (19), de internationale ruwstaalovercapaciteit afnam tussen 2009 en 2011 om vervolgens tussen 2011 en 2016 weer toe te nemen. Aangezien de totale ruwstaalovercapaciteit in 2011 reeds ruimschoots de totale productie van dat jaar oversteeg, werd verwacht dat de totale ruwstaalcapaciteit zou afnemen of op zijn minst stabiel zou blijven teneinde de bezettingsgraad en de kostenefficiëntie te verbeteren. De totale ruwstaalproductiecapaciteit bleef echter onverwacht toenemen na 2011, waardoor een bijkomende internationale overcapaciteit werd gecreëerd, zoals bevestigd door de Unie in haar communicatie „Steel: Preserving Sustainable Jobs and Growth in Europe” (20). Gezien de timing van de hierboven beschreven gebeurtenissen en meer bepaald het feit dat de overtollige productiecapaciteit toenam op een moment waarop een daling werd verwacht, wordt geconcludeerd dat de staalovercapaciteit als een onvoorziene ontwikkeling moet worden beschouwd.

(53)

Wat betreft de causaliteit die is aangetoond in voorgaande onderzoeken inzake oneerlijke handelspraktijken, wordt verwezen naar de bovengenoemde communicatie, waarin is vermeld dat dergelijke onderzoeken worden erkend als „maatregelen met het oog op de matiging van de gevolgen van overcapaciteit”. Op grond hiervan is het duidelijk dat overcapaciteit per definitie nauw verbonden is met gedumpte en gesubsidieerde invoer. Bij antidumping- en antisubsidieonderzoek wordt de overcapaciteit in de staalsector echter niet onderzocht als een onvoorziene ontwikkeling aangezien aan deze vereiste niet wordt voldaan in een beoordeling die ten grondslag ligt aan de instelling van het instrumentarium voor handelsmaatregelen.

(54)

Wat het verband tussen de onvoorziene ontwikkeling van overcapaciteit in de staalproductie en de stijging van de invoer betreft, is het duidelijk dat producenten-exporteurs er belang bij hebben hun bezettingsgraad te maximaliseren. In situaties waarin reservecapaciteit beschikbaar is na bediening van de binnenlandse markt zullen zij andere zakelijke mogelijkheden op de uitvoermarkten opzoeken om op die manier een stijging van de invoervolumes op die markten te genereren. Op grond hiervan moeten de bovengenoemde argumenten worden afgewezen.

(55)

Wat de toename van de aanwending van handelsbeperkende maatregelen betreft, hebben verschillende partijen aangevoerd dat zij niet als onvoorziene ontwikkelingen kunnen worden erkend aangezien het om erkende uitzonderingen op de algemene regels van de WTO gaat, en dat het aantal handelsbeschermende maatregelen in 2017 afnam. Zij beweerden eveneens dat het verband tussen de stijging van de invoer en de onvoorziene ontwikkeling van handelsbeperkende maatregelen niet was aangetoond.

(56)

De Commissie is het oneens met dergelijke argumenten aangezien het feit dat handelsbeperkende acties worden ondernomen binnen het kader van de WTO-regels niet impliceert dat zij niet als onvoorziene ontwikkeling kunnen worden beschouwd. De Commissie stelt het recht van landen om antidumping- of antisubsidiemaatregelen te nemen overeenkomstig de relevante WTO-regels niet in vraag. Het punt aan de orde is evenwel het ongekende en toegenomen aantal van dergelijke door derde landen genomen maatregelen die hebben geleid tot handelsverlegging met een stijging van de invoer in de EU tot gevolg. Er wordt aan herinnerd dat de Commissie in overweging 34 van de voorlopige verordening op basis van WTO-statistieken opmerkte dat terwijl in 2011-2013 gemiddeld 77 staalgerelateerde onderzoeken werden ingeleid, dit gemiddelde opliep tot 117 in 2015-2016. Geen van de partijen heeft deze cijfers, die wijzen op een onvoorziene ontwikkeling die aanleiding gaf tot de hierboven aangetoonde stijging van de invoer, betwist. De bovengenoemde argumenten werden derhalve afgewezen.

(57)

Wat de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 betreft, beweerden verschillende belanghebbenden dat deze maatregelen niet kunnen beschouwd worden als onvoorziene ontwikkeling die een stijging van de invoer genereerde aangezien zij werden ingevoerd na de periode 2013-2017. Andere belanghebbenden gaven aan dat zelfs de invoer die plaatsvond van januari 2018 tot en met maart 2018 geen gevolgen ondervindt van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232.

(58)

In dit verband moet vooreerst worden opgemerkt dat terwijl de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 daadwerkelijk van kracht werden op 8 maart 2018, het onderzoek dat tot hun vaststelling leidde reeds in april 2017 aanving en het verslag op basis waarvan het besluit werd genomen is gepubliceerd op 11 januari 2018. Zelfs indien de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 voor hun vaststelling geen gevolgen zouden kunnen hebben gehad voor de invoer, heeft het loutere openen van het onderzoek ongetwijfeld onzekerheid gecreëerd op de markt en gevolgen gehad voor handelsstromen in staal. Bovendien was de Commissie, zoals hieronder verder bevestigd, sedert de vaststelling van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 van mening dat verlegging van het handelsverkeer reeds plaatsvond met betrekking tot bepaalde productcategorieën.

(59)

Het moet in dit verband tevens worden opgemerkt dat de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 de stijging van de invoer versneld hebben door de heersende voorafgaande stijgende trend aan te vullen met bijkomende handelsverleggingsstromen. Zoals aangegeven in tabel 14, blijkt uit de beschikbare statistieken dat, met uitzondering van april 2018, de maandelijkse invoer van staal in de VS aanzienlijk daalde in vergelijking met het corresponderende volume in 2017. Tezelfdertijd werd in de Unie een tegengestelde stijgende trend in de invoer geconstateerd, waarbij de maandelijkse invoervolumes, zoals aangegeven in tabel 12, aanzienlijk hoger lagen dan een jaar eerder.

(60)

Andere belanghebbenden gaven aan dat de gevolgen van de maatregelen op grond van afdeling 232 buiten beschouwing moeten worden gelaten of niet mogen worden overschat aangezien hun toepassing onderworpen is aan vele productuitsluitingen. In dezelfde context werd beweerd dat de Koreaanse uitvoer irrelevant is aangezien Korea zich bij de Amerikaanse overheid van voldoende uitvoerquotavolume heeft verzekerd.

(61)

In dit verband moet worden opgemerkt dat enkel Australië onvoorwaardelijk is vrijgesteld van de maatregelen op grond van afdeling 232 en dat de invoer uit Australië van de betrokken producten goed was voor ongeveer 1 % van de totale invoer in de VS in 2017 (21). Andere landen zoals Zuid-Korea, Argentinië en Brazilië werd een rechtenvrij contingent toegestaan, maar zij werden niet vrijgesteld van de maatregelen. Wat deze landen betreft, moet worden opgemerkt dat een groter aantal contingenten op nul werden ingesteld en dat talrijke contingenten reeds uitgeput waren bij toewijzing (22). Op grond hiervan wordt geoordeeld dat de toegewezen contingenten geen garantie vormen dat het toegewezen contingent zou volstaan om handelsverlegging te voorkomen. Bovendien blijkt op basis van de beschikbare statistieken dat deze drie landen goed waren voor minder dan 20 % van de totale invoer in 2017. De betrokken argumenten inzake contingenten werden derhalve afgewezen.

(62)

Gezien het voorgaande is bevestigd dat de in overweging 49 beschreven onvoorziene ontwikkelingen hebben geleid tot en verder zullen leiden tot een duidelijke stijging van de invoer van staal in de Unie.

5.   DREIGING VAN ERNSTIGE SCHADE

(63)

In overeenstemming met de globale benadering van de productomschrijving die in dit onderzoek is gedefinieerd, werd de schadeanalyse in de voorlopige fase ook globaal uitgevoerd. Soms werd in de voorlopige verordening met voorbeelden geïllustreerd dat de conclusies inzake schade in het kader van de globale analyse ook bevestigd werden op het niveau van de productcategorieën.

(64)

Op dezelfde wijze werd de schadebeoordeling, met name voor het onderzochte betrokken product, in de definitieve fase uitgevoerd op globale basis, met inbegrip van de 26 productcategorieën waarvoor de Commissie een stijging van de invoer heeft vastgesteld. Zoals voor de ontwikkeling van de invoer heeft de Commissie evenwel haar analyse aangevuld met een beoordeling voor elk van de drie productfamilies waarnaar verwezen wordt in overweging 21 hierboven.

(65)

De schadeanalyse hieronder is gebaseerd op de antwoorden op de vragenlijst van de bedrijfstak van de Unie. Na de ontvangst van meer actuele informatie en de controle van de gegevens werden de schade-indicatoren die zijn omschreven in de voorlopige fase waar nodig geactualiseerd met de meest recente gegevens (van 2018).

5.1.   Algemene ontwikkeling van de situatie van de staalindustrie van de Unie

5.1.1.   Verbruik, binnenlandse verkoop en marktaandelen

(66)

De Commissie heeft het verbruik in de Unie bepaald door bij de verkoop in de Unie van de producenten in de Unie de invoer op te tellen uit alle landen, met uitzondering invoer uit lidstaten van de EER en uit bepaalde landen waarmee de Unie een economische partnerschapsovereenkomst heeft ondertekend die momenteel van kracht is (zie overweging 30 hierboven).

(67)

Op grond hiervan hebben het verbruik in de Unie, de verkoop van producenten in de Unie en het hiermee overeenstemmende marktaandeel zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 4

Verbruik in de Unie, binnenlandse verkoop en marktaandeel

(× 1 000 ton)

2013

2014

2015

2016

2017

Verbruik (totaal)

148 455

155 730

160 742

166 375

169 350

Indexcijfer 2013 = 100

100

105

108

112

114

Binnenlandse verkoop (totaal)

129 592

133 285

133 575

136 586

138 636

Indexcijfer 2013 = 100

100

103

103

105

107

Marktaandeel (totaal)

87,3 %

85,6 %

83,1 %

82,1 %

81,9 %

Bron: Gegevens van Eurostat en de bedrijfstak.

(68)

Het totale verbruik van de betrokken 26 productcategorieën is consistent gestegen in de periode 2013-2017, met een totale stijging van 14 %. De verkoopvolumes van de producenten van de bedrijfstak van de Unie nam toe in deze periode, maar in veel mindere mate dan het verbruik in de Unie, met slechts 7 %. Het totale marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie nam derhalve consistent af gedurende de beoordelingsperiode, met 5,4 procentpunten.

5.1.2.   Productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad en voorraden

(69)

De productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad en voorraden hebben zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 5

Productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, voorraden

(× 1 000 ton)

2013

2014

2015

2016

2017

Productie (totaal)

243 945

249 855

248 763

249 204

254 925

Indexcijfer 2013 = 100

100

102

102

102

105

Productiecapaciteit (totaal)

337 010

334 545

332 427

333 179

335 358

Indexcijfer 2013 = 100

100

99

99

99

100

Bezettingsgraad (totaal)

72 %

75 %

75 %

75 %

76 %

Voorraden (totaal)

11 883

12 734

13 159

12 974

14 140

Indexcijfer 2013 = 100

100

107

111

109

119

Bron: Gegevens en antwoorden op de vragenlijst van de bedrijfstak.

(70)

Tijdens de beoordelingsperiode steeg het productievolume voor het onderzochte betrokken product in totaal met 5 %. De productiecapaciteit bleef stabiel, dus de bezettingsgraad nam in de periode 2013-2017 in totaal toe met 4 procentpunten. De voorraden die in het bezit waren van de medewerkende producenten van de bedrijfstak van de Unie namen in de periode 2013-2017 in totaal toe met 19 %.

5.1.3.   Verkoopprijzen per eenheid, winstgevendheid en kasstroom

(71)

De verkoopprijzen per eenheid, winstgevendheid en kasstroom hebben zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 6

Verkoopprijzen per eenheid, winstgevendheid, kasstroom

 

2013

2014

2015

2016

2017

Verkoopprijs per eenheid (EUR/ton)

693,6

673,4

636,6

591,0

697,7

Indexcijfer 2013 = 100

100

97

92

85

101

Winstgevendheid (% van omzet)

– 0,9 %

0,8 %

0,6 %

2,1 %

5,6 %

Kasstroom (miljoen EUR)

3 721

4 975

6 461

5 508

6 201

Indexcijfer 2013 = 100

100

134

174

148

167

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(72)

Gecontroleerde en geactualiseerde cijfers bevestigen de trend die in de voorlopige verordening werd vastgesteld. Voor alle producten was er sprake van aanzienlijke prijsverlaging op de markt van Unie tot 2016. Daarna herstelden de prijzen zich tot hun niveau van 2013. De bedrijfstak van de Unie kon over het algemeen en ondanks een aanzienlijke prijsdaling zijn productiekosten verlagen om zo een marginale winst te behalen in 2016 en zijn winst in 2017 optrekken tot een duurzamer niveau (5,6 %). De algemene kasstroompositie van de bedrijfstak van de Unie nam toe met 67 % tussen 2013 en 2017.

5.1.4.   Werkgelegenheid

(73)

Wat de werkgelegenheid betreft, gingen in de bedrijfstak van de Unie tussen 2013 en 2017 9 208 banen verloren, zoals weergegeven in de onderstaande tabel.

Tabel 7

Werkgelegenheid

(VTE)

2013

2014

2015

2016

2017

Werkgelegenheid (totaal)

225 607

220 429

218 010

217 460

216 399

Indexcijfer 2013 = 100

100

98

97

96

96

Bron: Gegevens en antwoorden op de vragenlijst van de bedrijfstak.

5.2.   Analyse van de situatie van de staalsector in de Unie voor de drie productfamilies

5.2.1.   Verbruik, binnenlandse verkoop en marktaandelen

(74)

Voor elk van de drie productfamilies hebben het verbruik, de binnenlandse verkoop en de marktaandelen zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 8

Verbruik, binnenlandse verkoop, marktaandeel per productfamilie

(× 1 000 ton)

2013

2014

2015

2016

2017

Verbruik (plat)

87 679

90 729

95 598

98 749

98 124

Indexcijfer 2013 = 100

100

103

109

113

112

Verbruik (lang)

50 829

53 333

54 160

55 890

57 921

Indexcijfer 2013 = 100

100

105

107

110

114

Verbruik (buizen)

9 947

11 667

10 985

11 735

13 305

Indexcijfer 2013 = 100

100

117

110

118

134

 

 

 

 

 

 

Binnenlandse verkoop (plat)

75 212

76 365

77 020

78 274

77 601

Indexcijfer 2013 = 100

100

102

102

104

103

Binnenlandse verkoop (lang)

46 461

47 679

47 757

48 935

51 095

Indexcijfer 2013 = 100

100

103

103

105

110

Binnenlandse verkoop (buizen)

7 920

9 241

8 799

9 377

9 940

Indexcijfer 2013 = 100

100

117

111

118

126

 

 

 

 

 

 

Marktaandeel (plat)

86 %

84 %

81 %

79 %

79 %

Marktaandeel (lang)

91 %

89 %

88 %

88 %

88 %

Marktaandeel (buizen)

80 %

79 %

80 %

80 %

75 %

Bron: Gegevens van Eurostat en de bedrijfstak.

(75)

Het verbruik van platte producten piekte in 2016 en nam marginaal af in 2017, wat resulteerde in een totale stijging van 12 %. Het verbruik van lange producten en buizen steeg consistent tot het einde van 2017, wat resulteerde in een totale stijging van respectievelijk 14 % en 34 %.

(76)

De verkoop van alle staalproducten steeg in totaal met 7 % in de periode 2013-2017. In dezelfde periode werd een gelijkaardige stijging, maar minder uitgesproken dan de stijging van het verbruik, waargenomen in de drie productfamilies: de verkoop door producenten van de bedrijfstak van de Unie van platte producten steeg met 3 %, de verkoop van lange producten met 10 % en de verkoop van buizen met 26 %.

(77)

De algemene trend op de markt van de bedrijfstak van de Unie (– 5 procentpunten) werd bevestigd in de afzonderlijke analyse van platte producten (– 7 procentpunten), lange producten (– 3 procentpunten) en buizen (– 5 procentpunten).

5.2.2.   Productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad en voorraden

(78)

De productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad en voorraden hebben zich voor elk van de drie productfamilies als volgt ontwikkeld:

Tabel 9

Productie, productiecapaciteit, bezettingsgraad, voorraden per productfamilie

(× 1 000 ton)

2013

2014

2015

2016

2017

Productie (plat)

172 873

177 224

176 567

177 247

180 986

Indexcijfer 2013 = 100

100

103

102

103

105

Productie (lang)

59 082

59 535

60 079

59 706

60 572

Indexcijfer 2013 = 100

100

101

102

101

103

Productie (buizen)

11 991

13 096

12 116

12 251

13 366

Indexcijfer 2013 = 100

100

109

101

102

111

 

 

 

 

 

 

Productiecapaciteit (plat)

234 615

233 689

230 216

230 921

232 220

Indexcijfer 2013 = 100

100

100

98

98

99

Productiecapaciteit (lang)

80 833

78 244

79 455

79 736

81 806

Indexcijfer 2013 = 100

100

97

98

99

101

Productiecapaciteit (buizen)

24 053

25 482

27 721

27 255

24 224

Indexcijfer 2013 = 100

100

106

115

113

101

 

 

 

 

 

 

Bezettingsgraad (plat)

74 %

76 %

77 %

77 %

78 %

Bezettingsgraad (lang)

73 %

76 %

76 %

75 %

74 %

Bezettingsgraad (buizen)

50 %

51 %

44 %

45 %

55 %

Voorraden (plat)

7 573

8 171

8 386

8 098

8 623

Indexcijfer 2013 = 100

100

108

111

107

114

Voorraden (lang)

3 449

3 430

3 722

3 740

3 877

Indexcijfer 2013 = 100

100

99

108

108

112

Voorraden (buizen)

861

1 132

1 050

1 137

1 639

Indexcijfer 2013 = 100

100

132

122

132

190

Bron: Gegevens en antwoorden op de vragenlijst van de bedrijfstak.

(79)

Voor de drie productfamilies liep de ontwikkeling van de productie uiteen. De productie steeg met 5 % voor platte producten en met 3 % voor lange producten, en daalde met 11 % voor buizen tijdens de gehele beoordelingsperiode. De productievariatie kan in elk geval stabiel geacht worden.

(80)

De totale productiecapaciteit bleef stabiel. Deze trend werd consistent bevestigd bij de analyse van elke productfamilie: voor platte producten (daling met 1 %), lange producten (stijging met 1 %) en buizen (stijging met 1 %) in de beoordelingsperiode. De bezettingsgraad nam over de hele lijn toe voor elke productfamilie (plat + 4 procentpunten, lang + 1 procentpunt en buizen + 5 procentpunten).

(81)

De voorraden platte en lange producten namen in de periode 2013-2017 toe tot een vergelijkbaar niveau, terwijl ze voor buizen bijna verdubbelden. De gecontroleerde en geactualiseerde cijfers bevestigen dus de trend die in de voorlopige verordening werd vastgesteld.

5.2.3.   Verkoopprijzen per eenheid, winstgevendheid en kasstroom

(82)

Voor elk van de drie productfamilies hebben de verkoopprijzen per eenheid, de winstgevendheid en de kasstroom zich als volgt ontwikkeld:

Tabel 10

Verkoopprijs per eenheid, winstgevendheid, kasstroom per productfamilie

(EUR/ton)

2013

2014

2015

2016

2017

Verkoopprijs per eenheid (EUR/ton, plat)

711,3

689,3

659,8

612,8

744,3

Indexcijfer 2013 = 100

100

97

93

86

105

Verkoopprijs per eenheid (EUR/ton, lang)

607,0

591,3

546,4

509,1

584,4

Indexcijfer 2013 = 100

100

97

90

84

96

Verkoopprijs per eenheid (EUR/ton, buizen)

1 093,9

1 063,5

1 013,9

913,2

949,3

Indexcijfer 2013 = 100

100

97

93

83

87

Winstgevendheid (% van omzet, plat)

– 1,9 %

0,2 %

0,5 %

2,5 %

7,7 %

Winstgevendheid (% van omzet, lang)

0,7 %

2,1 %

1,7 %

2,1 %

3,1 %

Winstgevendheid (% van omzet, buizen)

1,3 %

0,4 %

– 3,4 %

– 1,2 %

– 1,7 %

Kasstroom (miljoen EUR, plat)

2 309

3 997

5 209

4 235

5 177

Indexcijfer 2013 = 100

100

173

226

183

224

Kasstroom (miljoen EUR, lang)

820

1 156

1 534

1 473

1 159

Indexcijfer 2013 = 100

100

141

187

180

141

Kasstroom (miljoen EUR, buizen)

592

– 178

– 283

– 200

– 135

Indexcijfer 2013 = 100

100

– 30

– 48

– 34

– 23

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(83)

De verkoopprijzen voor platte producten daalden met 14 % tot 2016 en herstelden vervolgens in 2017 tot een hoger niveau dan in 2013 (+ 5 %). De verkoopprijs per eenheid voor lange producten en buizen daalde ook aanzienlijk tot 2016 (respectievelijk met 16 % en 17 %) om vervolgens weer enigszins aan te trekken in 2017. Over de hele periode genomen, daalden de prijzen van deze producten met respectievelijk 4 % en 13 %.

(84)

Wat de winstgevendheid betreft, i) slaagde de bedrijfstak van de Unie erin om in 2016 een marginaal winstniveau te bereiken voor platte producten (na verliezen en een break-even in de voorgaande jaren) en zijn winstgevendheid op te trekken tot 7,7 % in 2017; ii) bereikte de winstgevendheid voor lange producten 2,1 % in 2014 om daarna rond hetzelfde niveau te blijven tot 2017, toen een stijging tot 3,1 % plaatsvond, en iii) daalde de winstgevendheid voor buizen aanzienlijk tussen 2013 (– 1,3 %) en 2015 (– 3,4 %), om daarna negatief te blijven in 2016 en 2017 (respectievelijk – 1,2 % en – 1,7 %).

(85)

De kasstroomsituatie voor platte en lange producten verbeterde (stijging met 124 % voor platte producten, tegenover een veel kleinere stijging met 41 % voor lange producten), terwijl de kasstroom voor buizen aanzienlijk afnam (met 130 % in 2014) en daarna negatief bleef tot het einde van 2017.

5.2.4.   Werkgelegenheid

(86)

Wat de werkgelegenheid betreft, werden de producenten van platte producten bijzonder zwaar getroffen, aangezien zij gedurende deze periode 8 600 banen verloren. In procentuele termen was de situatie het ernstigst voor de producenten van buizen, waarin het banenverlies opliep tot 12 % in de beoordelingsperiode.

Tabel 11

Werkgelegenheid per productfamilie

(VTE)

2013

2014

2015

2016

2017

Werkgelegenheid (plat)

134 720

129 256

127 743

126 300

126 124

Indexcijfer 2013 = 100

100

96

95

94

94

Werkgelegenheid (lang)

49 545

49 662

51 288

53 946

53 943

Indexcijfer 2013 = 100

100

100

104

109

109

Werkgelegenheid (buizen)

41 342

41 511

38 978

37 214

36 333

Indexcijfer 2013 = 100

100

100

94

90

88

Bron: Gegevens en antwoorden op de vragenlijst van de bedrijfstak.

5.3.   Conclusie inzake de situatie van de bedrijfstak van de Unie en meest recente ontwikkelingen

(87)

Uit de voorgaande analyse blijkt dat de bedrijfstak van de Unie zich — zowel als geheel als voor elk van de drie productfamilies — in een moeilijke economische situatie bevond tot 2016 en slechts gedeeltelijk herstelde in 2017. De bedrijfstak bevindt zich dus nog steeds in een zwakke en kwetsbare positie.

(88)

In september 2018 verzocht de Commissie de verenigingen van de bedrijfstak van de Unie om economische gegevens te verstrekken voor het eerste semester van 2018, teneinde te onderzoeken hoe de situatie na het onderzoektijdvak, dat de jaren 2013-2017 behelsde, verder ontwikkelde.

(89)

De door de Commissie verkregen informatie kon niet worden geverifieerd. Bovendien kon de Commissie, omdat zij niet over gegevens beschikte voor het eerste semester van 2017 (de informatie werd verstrekt voor het volledige jaar 2017), geen betrouwbare conclusie trekken op basis van de situatie van de bedrijfstak gedurende het eerste semester van 2018. Niettemin kon de trend van 2017, namelijk een gedeeltelijk herstel van de bedrijfstak, op basis van deze gegevens voor 2018 worden bevestigd. Het moet echter worden opgemerkt dat de maandelijkse invoer in de Unie, zoals aangegeven in tabel 12 hieronder, begon toe te nemen vanaf juni 2018. Bovendien begonnen de staalprijzen in de Unie vanaf het derde kwartaal van 2018 een neerwaartse trend te volgen. Het is derhalve niet mogelijk de gevolgen van deze invoer en prijsontwikkeling op de situatie van de bedrijfstak van de Unie gedurende het eerste semester van 2018 waar te nemen. De recente gegevens bevestigden dus de delicate situatie van de bedrijfstak van de Unie en de dreiging die uitging van de meest recente stijging van de invoer.

5.4.   Dreiging van ernstige schade

(90)

In de voorlopige verordening concludeerde de Commissie dat de situatie van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk verslechterde in de periode 2013-2016 en gedeeltelijk herstelde in 2017. De Commissie heeft echter geoordeeld dat de bedrijfstak van de Unie zich, ondank de tijdelijke verbetering, nog steeds in een kwetsbare situatie bevond en ernstige schade dreigde op te lopen indien de stijgende trend in de invoer aanhield, waarbij de prijzen en de winstgevendheid onder houdbare niveaus zouden zakken.

(91)

Deze voorlopige bevinding kan ook in de definitieve fase worden bevestigd in het licht van de hierboven genoemde geactualiseerde analyse van de ontwikkeling van de schade-indicatoren, zowel over het algemeen als op het niveau van de drie productfamilies (platte producten, lange producten en buizen).

(92)

De geactualiseerde schade-indicatoren omvatten de gegevens van drie productcategorieën die eerder in de voorlopige fase waren uitgesloten van de productomschrijving. Voor zover beschikbaar werden de meest recente gegevens geanalyseerd en deze uitvoerige analyse heeft de belangrijkste in de voorlopige fase gemaakte bevindingen bevestigd.

(93)

In de voorlopige fase was een cruciaal element bij het vaststellen van de dreiging van schade dat de aanzienlijke stijging van de invoer die werd waargenomen sinds 2013 niet zou stoppen maar verder zou stijgen en ernstige niveaus van schade zou aanrichten indien remediërende maatregelen zouden uitblijven. Deze verwachte trend is reeds aan de gang, zoals blijkt uit de meest recente gegevens (zie afdeling 5.6 hieronder).

5.5.   Na de voorlopige maatregelen ontvangen opmerkingen

(94)

Verschillende belanghebbenden voerden aan dat de bedrijfstak van de Unie zich niet in een kwetsbare of zwakke situatie bevindt, aangezien de meeste indicatoren tijdens de beoordelingsperiode verbeterden. Zo behaalde de bedrijfstak in 2017 een winstgevendheid van 6,2 % (zoals vermeld in de voorlopige verordening) en stegen de verkoopprijzen met bijna 20 % tussen 2016 en 2017. Ook werd vermeld dat Eurofer zelf had aangekondigd dat de vooruitzichten voor de bedrijfstak van de Unie positief waren. In dezelfde geest beweerden deze partijen ook dat de norm voor de vaststelling van ernstige schade erg hoog ligt en veel hoger dan de norm voor aanmerkelijke schade in de antidumpingovereenkomst en de SCM-overeenkomst, aangezien ernstige schade duidelijk nakend moet zijn en op het punt moet staan plaats te vinden.

(95)

In de voorlopige verordening concludeerde de Commissie dat de bedrijfstak van de Unie zich in een kwetsbare situatie bevond, terwijl hij herstelt van een periode waarin zijn situatie aanzienlijk was verslechterd. Dit herstel werd onder andere toegeschreven aan de doeltreffendheid van de verschillende handelsbeschermende maatregelen die zijn aangenomen, met name sinds 2016. Aangezien de Commissie het bestaan van ernstige schade niet kon vaststellen, beoordeelde zij de dreiging daarvan. In dit verband bevestigde de Commissie dat het huidige voorlopige herstel snel zou kunnen worden omgekeerd indien een verdere stijging van de invoer zou plaatsvinden. Zoals hierboven vastgesteld, was het waarschijnlijk dat een verdere stijging van de invoer zou worden verergerd door de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232. De Commissie heeft derhalve geconcludeerd dat het feit dat de situatie voor de bedrijfstak van de Unie in 2017 verbeterde ten opzichte van de voorgaande jaren geen afbreuk deed aan de bevinding dat er een dreiging van ernstige schade bestond. Deze bevinding is in de bovenstaande analyse bevestigd en het argument wordt derhalve afgewezen.

(96)

Wat het niveau van winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie betreft, hebben verschillende belanghebbenden geargumenteerd dat de Commissie in een aantal handelsbeschermingszaken in de staalsector heeft geoordeeld dat 3 tot 7 % winst als voldoende kan worden beschouwd. Een algemene winstgevendheid van 6,2 %, zoals voorlopig voorzien, moet derhalve volstaan voor de bedrijfstak van de Unie om levensvatbaar en hoogst concurrerend te blijven.

(97)

Zoals uiteengezet in de overwegingen 90 tot en met 93: ondanks het feit dat in 2017 de winstgevendheid aanzienlijk verbeterde ten opzichte van de voorgaande jaren (waarin de bedrijfstak van de Unie ofwel verlies maakte ofwel kostendekkend was), kon deze situatie gauw omslaan indien de invoer zou blijven stijgen (of toenemen als gevolg van onder meer de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232). In een situatie waarin ernstige schade dreigt, moet de analyse in feite verplicht toekomstgerichte aspecten omvatten. In dit verband zou het vastgestelde risico op handelsverlegging een cruciaal element zijn dat negatieve gevolgen zou hebben voor de huidige economische situatie van de bedrijfstak van de Unie indien geen maatregelen worden aangenomen. Vandaar kan de door de bedrijfstak in 2017 behaalde winstgevendheid niet afzonderlijk worden beschouwd en doet deze geen afbreuk aan de vaststelling van dreiging van ernstige schade. Dit argument wordt derhalve afgewezen.

5.6.   Analyse van gegevens van na 2017

(98)

In het kader van de analyse van de dreiging van ernstige schade is het noodzakelijk om een prognose uit te voeren, aangezien de situatie in de beoordelingsperiode niet geacht werd gekenmerkt te zijn door ernstige schade. Met name is bij artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) 2015/478 en artikel 6, lid 3, van Verordening (EU) 2015/755 vereist dat — in geval van een dreiging van schade — onderzoek wordt gevoerd naar het percentage waarmee de uitvoer naar de Unie is gestegen en de waarschijnlijkheid dat beschikbare capaciteit wordt gebruikt voor uitvoer naar de Unie.

(99)

Hoewel het percentage waarmee de uitvoer is gestegen hierboven reeds is onderzocht, heeft de Commissie een nauwkeurigere analyse uitgevoerd van de waarschijnlijkheid van verder gestegen uitvoer op basis van een analyse van de meest recente beschikbare gegevens, namelijk voor de periode januari-september 2018. Op basis van deze geactualiseerde set gegevens kon de Commissie de tijdens de voorlopige fase gemaakte bevindingen bevestigen, met name met betrekking tot de invoertrends en het risico van handelsverlegging.

(100)

Zoals uit de statistieken in de tabellen hieronder blijkt, hield de stijgende trend in de invoer aan en werden de eerste tekenen van handelsverlegging reeds waargenomen in de maanden na de inwerkingtreding van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232, waarbij de invoer uit de VS geleidelijk afnam en de invoer in de Unie toenam (23). De Commissie is om de hieronder uiteengezette redenen van oordeel dat deze stijgende trend meer uitgesproken zal worden in de toekomst indien er geen definitieve maatregelen worden aangenomen.

5.6.1.   Ontwikkeling van de invoer in de Unie

(101)

De beoordelingsperiode voor de ontwikkeling van de invoer is verlengd en omvat nu ook het eerste semester van 2018. Uit deze geactualiseerde analyse blijkt dat de invoer van het onderzochte product op jaarbasis over het algemeen is gestegen. De stijging van de invoer in de periode juli 2017 — juni 2018 in vergelijking met de periode januari 2017 — december 2017 kan worden verklaard door het hoge niveau van de invoer in het eerste semester van 2018, toen het totale volume van de invoer van de onderzochte producten 17,4 miljoen MT in vergelijking met 15,4 miljoen MT in het eerste semester van 2017 en 14,5 miljoen MT in het tweede semester van 2017. Deze recentere gegevens bevestigen derhalve de vaststelling van de Commissie in de voorlopige fase dat de invoer waarschijnlijk verder zou stijgen na 2017.

(102)

De maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 werden ingesteld op 8 maart 2018. Het is derhalve relevant om het volume van de invoer in 2018 op maandelijkse basis te beoordelen door het te vergelijken met het volume in dezelfde periode in het voorgaande jaar (2017). Uit die vergelijking blijkt dat voor elke maand van 2018 de invoervolumes in de Unie hoger lagen dan de invoervolumes in 2017. De verschillen waren aanzienlijker in juni en juli 2018, enkele maanden na de instelling van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232. In augustus en september 2018 was de stijging nog steeds aanzienlijk, zij het minder uitgesproken dan in de twee voorgaande maanden, mogelijk in het licht van de instelling van de voorlopige vrijwaringsmaatregelen op 18 juli 2018.

(103)

Uit beide analyses blijkt een duidelijke tendens van een ononderbroken stijging in de invoer in de Unie, waardoor de beoordeling van de Commissie uit de voorlopige fase dus wordt bevestigd.

Tabel 12

Maandelijkse invoer in de Unie

EU (× 1 000 ton)

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Invoer 2017 (totaal)

2 737

2 464

2 914

2 648

2 984

2 512

2 315

2 308

2 339

Invoer 2018 (totaal)

3 080

2 490

2 934

3 033

2 999

2 940

2 828

2 414

2 587

Stijging 2018 ten opzichte van 2017

+ 13 %

+ 1 %

+ 1 %

+ 15 %

+ 1 %

+ 17 %

+ 22 %

+ 5 %

+ 11 %

Bron: Eurostat.

5.6.2.   Ontwikkeling van de invoer in de VS

(104)

Tijdens de in overweging 10 vermelde hoorzittingen hebben verschillende belanghebbenden geargumenteerd dat de invoerprijzen in de VS sinds de invoering van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 sterk waren toegenomen, zelfs in die mate dat deze ondernemingen ondanks de rechten van 25 % winst konden maken. Derhalve, gezien die situatie, zou er geen enkele incentive bestaan om hun verkoop aan de VS naar andere markten zoals de Unie te verleggen. Ook werd beweerd dat dientengevolge het niveau van de invoer in de VS amper gevolgen ondervond van die maatregelen.

(105)

De Commissie verzamelde statistieke gegevens over de invoer in de VS van de onderzochte producten in 2018 op maandelijkse basis:

Tabel 13

Maandelijkse invoer in de VS in 2018

 

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Invoervolume (totaal)

(× 1 000 ton)

2 087

1 800

2 218

2 585

2 192

1 666

1 969

1 848

1 689

Indexcijfer jan 2018 = 100

100

86

106

124

105

80

94

89

81

Bron: Nationale statistieken van de VS.

(106)

Uit de gegevens blijkt dat de invoer in de VS van de 26 onderzochte producten sterk is gedaald, met name sinds de instelling van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232. In september 2018 lag het niveau van de invoer 35 % lager dan het niveau van de invoer in april 2018. Over de periode van januari tot september 2018 genomen daalde de invoer met 19 %.

(107)

Ook moet worden opgemerkt dat in 2018 een groot aantal VS-producenten van producten die tot het toepassingsgebied van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 behoren belangrijke uitbreidingsplannen hebben aangekondigd (24). Hoewel er op korte termijn misschien weinig of geen alternatieve bronnen bestaan buiten de ingevoerde producten, lijkt het duidelijk dat de bedrijfstak van de VS zich opmaakt om de markt van de VS op veel grotere schaal te bevoorraden op de middellange termijn, ten nadele van de invoer. De markt van de VS zal derhalve niet langer in staat zijn om een toegenomen binnenlandse productie en hetzelfde niveau van invoer als tevoren te absorberen. Dientengevolge zullen producenten-exporteurs naar alternatieve markten op zoek moeten gaan en de markt van de Unie is dan, gezien haar omvang, een ideale vervangingsmarkt. De tendens van stijgende invoer in de Unie, die gedeeltelijk is aangestuurd door de gevolgen van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232, is reeds ingezet, zoals uiteengezet in punt 5.6.1 hierboven. Deze tendens zal derhalve zelfs nog meer uitgesproken worden in de nabije toekomst indien geen verdere maatregelen worden genomen.

(108)

De Commissie analyseerde eveneens het volume van de invoer in de VS in 2018 op maandelijkse basis in vergelijking met dezelfde periode in 2017.

(109)

Tabel 14 bevestigt de tendens die blijkt uit de tabel in overweging 105 hierboven.

Tabel 14

Maandelijkse invoer in de VS

VS (× 1 000 ton)

Jan

Feb

Mrt

Apr

Mei

Jun

Jul

Aug

Sep

Invoer 2017 (totaal)

2 088

1 893

2 284

2 259

2 345

2 684

2 614

2 220

2 259

Invoer 2018 (totaal)

2 087

1 800

2 218

2 585

2 192

1 666

1 969

1 848

1 689

Daling 2018 ten opzichte van 2017

0 %

– 5 %

– 3 %

14 %

– 7 %

– 38 %

– 25 %

– 17 %

– 25 %

Bron: Nationale statistieken van de VS.

De invoer in de VS toont dus consistent, ongeacht de soort vergelijking die wordt uitgevoerd, dat er sprake is van een duidelijke en gestage tendens van een daling in de invoer in de VS. Deze geleidelijke daling veroorzaakt reeds handelsverlegging en zal nog verdere handelsverlegging genereren, waardoor de stijgende tendens in de invoer in de Unie zou kunnen versnellen.

5.7.   Conclusie

(110)

Dienovereenkomstig concludeerde de Commissie in het licht van een geactualiseerde analyse van de situatie van de bedrijfstak van de Unie, een grondige analyse van de opmerkingen die zijn ontvangen na de mededeling van feiten en overwegingen van de voorlopige maatregelen en tijdens de hoorzittingen, alsook een gedetailleerde analyse van de meest recente statistische gegevens geconcludeerd dat de staalsector van de Unie zich voor het betrokken product in een situatie van dreiging van ernstige schade bevindt, met inbegrip van de 26 onderzochte productcategorieën. De overwegingen 58 tot en met 69 van de voorlopige verordening worden daarom bevestigd.

6.   OORZAKELIJK VERBAND

(111)

In de voorlopige verordening heeft de Commissie in de overwegingen 70 tot en met 77 geconcludeerd dat er een oorzakelijk verband bestaat tussen de toegenomen invoer van het onderzochte product en de kwetsbare situatie van en de dreiging van ernstige schade ten opzichte van de bedrijfstak van de Unie, aangezien de door de producenten in de Unie geproduceerde staalproducten doorgaans soortgelijk zijn aan of rechtstreeks concurreren met de betrokken staalproducten.

6.1.   Na de voorlopige maatregelen ontvangen opmerkingen

(112)

Verschillende belanghebbenden hebben geargumenteerd dat er geen oorzakelijk verband bestaat tussen een stijging van de invoer en de toestand van de bedrijfstak van de Unie, aangezien de stijging van de invoer tijdens de beoordelingsperiodehand in hand ging met een stijging van de winstgevendheid en de productie- en verkoopvolumes.

(113)

Om te beginnen wenst de Commissie te verduidelijken dat zij een dreiging van ernstige schade heeft in het vooruitzicht stelt indien de invoer blijft stijgen. Zij heeft geen schade vastgesteld tijdens het onderzoek wegens de stijging van de invoer tijdens de beoordelingsperiode.

(114)

Wat de grond van de zaak betreft, is het met betrekking tot dit argument te benadrukken dat de bedrijfstak van de Unie inderdaad een winstgevend productieniveau heeft behaald in 2017 dat duidelijk hoger lag dan dat van alle andere jaren van de beoordelingsperiode, waarin het slechts dicht bij het kostendekkend niveau lag. De grootste stijging van de invoer in die periode vond evenwel plaats tussen 2014 en 2015 (zie tabel 2 hierboven) en uit de gelijklopende daling van de winstgevendheid in diezelfde periode (van 0,8 % naar 0,6 %, zie tabel 6 hierboven) blijkt dat er een ondubbelzinnig verband bestaat tussen de stijging van de invoer en de toestand van de bedrijfstak van de Unie. Bovendien moet de in 2017 behaalde winstgevendheid, zoals uiteengezet in overweging 45 van de voorlopige verordening, worden beschouwd als tijdelijk onder de huidige omstandigheden van een ononderbroken stijgende tendens in de invoer en uitzonderlijk gunstige verkoopprijzen op de markt in die periode. Niettemin is zelfs een winstniveau van 5,6 % laag in deze kapitaalintensieve bedrijfstak. Dit ligt feitelijk onder het gereguleerde minimumniveau voor de streefwinst dat voor alle industriële sectoren geldt in handelsbeschermingsonderzoeken van de Commissie (25). De Commissie is derhalve van oordeel dat de bedrijfstak van de Unie in een kwetsbare en kritieke situatie zal belanden indien de invoer blijft stijgen. Dit argument wordt daarom afgewezen.

(115)

Ook hebben verschillende belanghebbenden aangevoerd dat de Commissie in voorgaande antidumping- en antisubsidieonderzoeken met betrekking tot dezelfde producten heeft geargumenteerd dat het de vermeende dumping of subsidiëring — en niet een loutere stijging van de invoer — was die prijsverlaging en schade veroorzaakt had. Volgens deze belanghebbenden is de gedumpte of gesubsidieerde invoer reeds succesvol aangepakt middels de vaststelling van antidumping- en antisubsidiemaatregelen die het sluitstuk vormden van die onderzoeken, en moet de Commissie nu dus niet beweren dat dezelfde schade door iets anders, in casu de gestegen invoer, is veroorzaakt.

(116)

Met betrekking tot dit argument is het belangrijk te benadrukken dat antidumping- en antisubsidiemaatregelen niet dezelfde logica volgen als vrijwaringsmaatregelen. Zij hebben in feite verschillende doelstellingen. De Commissie wenst enkele van de meest opvallende en relevante verschillen aan te halen. Antidumping- en antisubsidiemaatregelen worden beperkt tot een specifieke productomschrijving en zijn bedoeld om de kwestie van oneerlijke concurrentie door dumping of subsidiëring aan te pakken in de invoer van bepaalde oorsprong (een bepaald land). Zij worden in de regel vijf jaar toegepast met mogelijkheid van verlenging indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan. Vrijwaringsmaatregelen daarentegen pakken een algemene stijging van de invoer aan, zonder onderscheid naar de aard van de concurrentie of de oorsprong (zij worden dus niet sui generis toegepast op een specifiek soort invoer), en zijn normaalgezien beperkt qua duur. Bovendien, en meer specifiek, betreffen de in dit argument bedoelde antidumping- en antisubsidiemaatregelen slechts enkele van de bij het huidige onderzoek betrokken productcategorieën, en slechts van bepaalde oorsprong. Ondanks deze maatregelen stelde de Commissie een aanzienlijke, plotse en sterke algemene stijging van de invoer en een daaraan gekoppelde dreiging van schade vast. Dit argument wordt daarom afgewezen.

(117)

Verschillende belanghebbenden voerden aan dat de Commissie geen niet-toerekeningsanalyse had uitgevoerd om andere factoren die de schade zouden kunnen hebben veroorzaakt in rekening te nemen, met name de ontwikkeling van de grondstofprijzen, de afnemende uitvoerprestaties en de invoer door de producenten in de Unie. De Commissie wenst te verduidelijken dat zij inderdaad in de voorlopige fase niet alle factoren heeft onderzocht die zouden kunnen hebben bijgedragen aan de ernstige schade die de bedrijfstak van de Unie zou leiden indien er geen maatregelen werden getroffen, omdat, gezien de kritieke omstandigheden, voorlopige maatregelen onverwijld moesten worden vastgesteld en opgelegd. Na de instelling van de voorlopige maatregelen heeft de Commissie de impact van deze drie factoren op de toestand van de bedrijfstak van de Unie en dus hun mogelijke bijdrage aan de dreiging van ernstige schade onderzocht.

(118)

Verschillende partijen hebben aangevoerd dat de Commissie de ontwikkeling van de grondstofprijzen moet onderzoeken. Eén belanghebbende voerde aan dat de veronderstelde marktsituatie, die gelinkt is aan een wereldwijde daling van de grondstofprijzen, de oorzaak is van de door de Commissie „vermeende” moeilijkheden.

(119)

Uit de door de bedrijfstak van de Unie ingediende gegevens blijkt dat de productiekosten van het betrokken product zich als volgt ontwikkelden:

Tabel 15

Productiekosten

 

2013

2014

2015

2016

2017

Productiekosten (EUR/ton)

700

668

633

579

661

Indexcijfer 2013 = 100

100

95

90

83

94

Bron: Antwoorden op de vragenlijst.

(120)

De bovenstaande tendens is gelijkaardig aan de tendens in de verkoopprijzen, zoals hierboven bedoeld in punt 5.1.3, met uitzondering van 2017, toen de verkoopprijzen, zoals uiteengezet, uitzonderlijk gunstig waren in vergelijking met de kosten, wat aanleiding gaf tot een relatief hoge winst (zij het nog steeds onder het streefwinstniveau). Uit deze tendens blijkt geen specifieke band tussen de grondstofprijzen en de ontwikkeling van de winstgevendheid, tenzij dat in het jaar waarin de winst van de bedrijfstak van de Unie het sterkst daalde in vergelijking met het voorgaande jaar (in 2015, daling van 25 %), de productiekost aanzienlijk daalde. Er is derhalve geen grond voor de conclusie dat de ontwikkeling van de grondstofprijzen, zij het stijgend of dalend, een dreiging van schade zou inhouden. Het argument werd daarom afgewezen.

(121)

Belanghebbenden voerden ook de bewering aan als zouden de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie in dalende lijn gaan. Zij baseerden hun beweringen op verklaringen van Eurofer alsook op de aanname of de waarschijnlijkheid dat de uitvoer naar de VS en Turkije zou dalen in het licht van de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 en het Turkse vrijwaringsonderzoek.

(122)

Er werd een analyse van de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie met betrekking tot het betrokken product uitgevoerd op basis van gegevens van Eurostat:

Tabel 16

Uitvoer van de bedrijfstak van de Unie

 

2013

2014

2015

2016

2017

Uitvoervolume (× 1 000 ton)

31 181

31 599

29 449

27 578

27 603

Indexcijfer 2013 = 100

100

101

94

88

89

Uitvoerprijzen (EUR/ton)

962

931

934

850

953

Indexcijfer 2013 = 100

100

97

97

88

99

Bron: Eurostat.

(123)

Uit de tabel hierboven blijken twee zaken. Ten eerste zijn de door de bedrijfstak van de Unie tijdens de gehele beoordelingsperiode uitgevoerde volumes relatief klein in vergelijking met de volumes die worden verkocht op de markt van de Unie — afhankelijk van het jaar waren ze goed voor 17 % tot 19 % van het verkoopvolume van enkel de bedrijfstak van de Unie. Ten tweede was de ontwikkeling van de uitvoerprijs vrij vlak tijdens de beoordelingsperiode, met uitzondering van 2016, toen de uitvoerprijzen over het algemeen aanzienlijk lager lagen dan in de andere jaren (de productiekost zat eveneens op een dieptepunt in 2016). De Commissie vond op basis van de uitvoervolumes, de ontwikkeling van die volumes tijdens de beoordelingsperiode en de uitvoerprijzen geen reden om aan te nemen dat de uitvoerprestaties van de bedrijfstak van de Unie een belangrijke dreiging van ernstige schade inhouden voor de bedrijfstak van de Unie.

(124)

Wat betreft de rol van de invoer van producenten in de Unie of handelaren en distributeurs die aan hen verbonden zijn: deze invoer was, zoals uiteengezet in overweging 44 hierboven, marginaal en relatief stabiel in de beoordelingsperiode, en afhankelijk van het jaar goed voor 0,3 % tot 0,7 % van de gehele invoer. Deze invoer heeft geen invloed gehad op de invoertendensen en het argument wordt derhalve afgewezen.

(125)

Verschillende belanghebbenden voerden aan dat de Commissie de voorwaarden voor concurrentie tussen de ingevoerde producten en binnenlandse producten niet had onderzocht, aangezien zij beweerdelijk geen oog zou hebben gehad voor de breedte en de heterogeniteit van de verschillende productcategorieën uit het vrijwaringsonderzoek en enkel conclusies formuleerde voor alle productcategorieën samen. In dezelfde geest hebben verschillende belanghebbenden aangevoerd dat de Commissie voor elk van de productcategorieën een afzonderlijke analyse van het oorzakelijk verband had moeten uitvoeren.

(126)

Zoals uiteengezet in afdeling 2.1, was de Commissie van oordeel dat het ingevoerde product en het product van de Unie gezien de hoge mate van verwevenheid tussen de productcategorieën van het betrokken product, „soortgelijk of rechtstreeks concurrerend” zijn. De erkenning dat een globale analyse geboden is gezien de sterke verwevenheid tussen alle aan het onderzoek onderworpen productcategorieën betekent ook dat de meest geschikte manier om de analyse van het oorzakelijk verband uit te voeren erin bestaat de drie productfamilies die werden onderscheiden in bepaalde delen van de algemene analyse samen te nemen. Op grond hiervan werd het argument afgewezen.

6.2.   Conclusie

(127)

Uit de cumulatieve analyse van de andere factoren in de overwegingen 79 en 80 in de voorlopige verordening en in punt 6.1 hierboven blijkt dat de andere factoren zowel afzonderlijk als samen het oorzakelijk verband tussen de stijging van de invoer en de dreiging van ernstige schade ten aanzien van de bedrijfstak van de Unie niet verminderden. Aangezien geen andere opmerkingen werden ontvangen, worden de overwegingen 70 tot en met 81 van de voorlopige verordening bevestigd.

7.   BELANG VAN DE UNIE

(128)

Het doel van vrijwaringsmaatregelen is om ernstige schade die heeft plaatsgevonden als gevolg van de toegenomen invoer te verhelpen of te voorkomen. Overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) 2015/478 heeft de Commissie eveneens onderzocht of er dwingende redenen zijn die tot de conclusie leiden dat het niet in het belang van de Unie is maatregelen in te stellen.

(129)

Daartoe zijn op basis van het beschikbare bewijsmateriaal de impact van mogelijke maatregelen op alle producenten, importeurs en gebruikers van het betrokken product in de Unie en de mogelijke gevolgen van het instellen of niet instellen van de maatregelen beschouwd. Waar nodig heeft de Commissie een mechanisme ingesteld dat ernstige schade zou voorkomen en tegelijkertijd traditionele handelsstromen zou mogelijk maken op een wijze die verenigbaar is met een voortgezet concurrerend functioneren van de staalmarkt.

7.1.   Belang van de producenten in de Unie

(130)

Er werd voorlopig geconcludeerd dat het instellen van vrijwaringsmaatregelen in het belang van de producenten van de Unie zou zijn aangezien dit ernstige schade door een verdere aanzienlijke toename van de invoer zou voorkomen. Na het instellen van voorlopige maatregelen ontving de Commissie geen opmerkingen in tegenspraak met dit standpunt vanwege de producenten in de Unie. Bijgevolg werden de voorlopige conclusies bevestigd.

7.2.   Belang van de importeurs en gebruikers in de Unie

(131)

De Commissie heeft vragenlijsten gezonden aan de haar bekende importeurs en gebruikers teneinde na te gaan wat hun belang is.

(132)

De Commissie ontving 61 antwoorden van importeurs en 70 antwoorden van andere gebruikers dan diegenen die banden hebben met de importeurs. De importeurs en gebruikers maakten hun standpunten zowel mondeling als schriftelijk kenbaar.

(133)

Verschillende importeurs en gebruikers in de Unie beweerden dat de instelling van de vrijwaringsmaatregelen niet in het belang van de Unie zou zijn omdat hierdoor de invoerprijzen zouden stijgen en de concurrentie op de markt van de Unie zou worden beperkt. Ook beweerden zij dat de instelling van de maatregelen zou leiden tot een ontoereikend aanbod aangezien de producenten in de Unie beweerdelijk niet alle soorten staalproducten produceren, of niet in voldoende mate om te voldoen aan de vraag in de Unie. Dit wordt beweerdelijk nog verergerd door het feit dat de beschikbaarheid van sommige producten in de Unie beperkt is omdat zij onderworpen zijn aan antidumping- of antisubsidiemaatregelen.

(134)

Na de instelling van de voorlopige maatregelen hebben verschillende gebruikers en importeurs in de Unie aangevoerd dat indien definitieve maatregelen zouden worden genomen de volgende elementen in overweging moeten worden genomen:

een contingent dat is vastgesteld op basis van het gemiddelde van de laatste drie jaar moet worden opgetrokken met 10 % zoals is gedaan ten aanzien van de vrijwaringsmaatregelen die de Unie in 2002 trof met betrekking tot staal, teneinde de waarschijnlijke toename van de vraag in downstreamsectoren op te vangen;

elk contingent moet worden toegewezen aan elk specifiek land van uitvoer in plaats van een toewijzing op basis van het principe „eerst komt, eerst maalt” teneinde traditionele handelsstromen te handhaven en te voorkomen dat bepaalde landen van uitvoer gebruik zouden maken van hun geografische positie of uitvoercapaciteiten om gauw de contingenten op te gebruiken en andere traditionele landen van uitvoer weg te drummen;

economische zekerheid moet worden verzekerd door de instelling van een contingentsysteem op basis van licenties. Hierdoor zou de continuïteit van de aanlevering gewaarborgd blijven en zou worden gegarandeerd dat zendingen via het rechtenvrije contingent passeren op het moment dat zij het land van uitvoer verlaten. Als alternatief werd aangevoerd dat het jaarlijkse contingent moet worden vastgesteld op kwartaalbasis om enorme invoer aan het begin van het jaar te vermijden, die nadelig zou zijn voor gebruikers die zich niet in een positie bevinden om voorraden aan te leggen en op stabiele basis doorheen het jaar moeten worden bevoorraad;

sommige productcategorieën moeten worden onderworpen aan afzonderlijke contingenten omwille van hun specifieke kenmerken in vergelijking met andere productsoorten die in dezelfde categorie vallen. Voor deze producten moeten de contingenten op regelmatige basis verder worden verhoogd om zo de verwachte aanzienlijke toename van de vraag op de markt van de Unie in de komende jaren te weerspiegelen.

(135)

De Commissie heeft deze argumenten in detail onderzocht en is tot de volgende conclusies gekomen.

(136)

Ten eerste is de Commissie het eens met het feit dat traditionele handelsstromen zo lang mogelijk gehandhaafd moeten worden, zoals reeds uiteengezet in de voorlopige verordening. Op grond van de bovenstaande conclusies over het bestaan van een dreiging van ernstige schade zou enkel de invoer die deze traditionele handelsstromen overstijgt ernstige schade toebrengen aan de bedrijfstak van de Unie. Door de instelling van vrijwaringsmaatregelen in de vorm van een tariefcontingent meent de Commissie dat daadwerkelijke concurrentie tussen de invoer en de bedrijfstak van de Unie zal worden gehandhaafd en dat het risico op algemene prijsstijgingen en op enig tekort onwaarschijnlijk wordt. Met een dergelijke vorm van maatregelen wordt inderdaad verwacht dat de invoer zal aanhouden op traditionele niet-schadelijke niveaus en zullen de vrijwaringsmaatregelen enkel van toepassing zijn indien en wanneer het niveau van het contingent is bereikt en de dreiging reëel wordt.

(137)

Bovendien beweerde de bedrijfstak van de Unie in staat te zijn alle soorten staalproducten te produceren. In elk geval zal de invoer — zonder maatregelen — op zijn traditionele niveau worden gehandhaafd en kan deze ook boven het contingent nog steeds plaatsvinden, zij het aan vrijwaringsmaatregelen onderworpen.

(138)

Wat het bestaan van antidumping- of antisubsidiemaatregelen betreft: hun doel is om oneerlijke handelspraktijken te verhelpen. Hoewel deze maatregelen wel degelijk een impact kunnen hebben op het niveau van de uitvoer van sommige landen van uitvoer, heeft dit geen invloed op het niveau van billijk geprijsde invoer die op de markt van de Unie zou zijn gekomen bij afwezigheid van schade veroorzakende dumping- of subsidiëringspraktijken. Deze kwestie, en met name de cumulering van vrijwarings- met antidumping- of antisubsidiemaatregelen, wordt behandeld in overweging 186.

(139)

Om de bovenstaande redenen worden de beweringen van de partijen zoals beschreven in overweging 133, bij deze afgewezen.

(140)

Wat de beweringen aangaande de vorm en het niveau van de maatregelen heeft de Commissie rekening gehouden met de volgende elementen.

Niveau van de tariefcontingenten

(141)

Hoewel de gebruikers en importeurs menen dat elk tariefcontingent moet worden ingesteld op een niveau dat 10 % hoger ligt dan de gemiddelde invoer in de afgelopen drie jaar aangezien het staalverbruik in de Unie in bepaalde productcategorieën naar verwachting zal stijgen met minstens 10 %, beweerden de producenten in de Unie dat het staalverbruik in de Unie de komende jaren relatief vlak zal blijven.

(142)

Overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Verordening (EU) 2015/478 moet een contingent in beginsel worden ingesteld op het gemiddelde niveau van de invoer in de laatste drie representatieve jaren. Deze bepaalde is echter van toepassing wanneer de maatregelen de vorm van een contingent aannemen. Zoals wordt bevestigd door de jurisprudentie ter zake (26), is een rechtenvrij contingent geen kwantitatieve beperking op grond van de WTO-overeenkomst inzake vrijwaringsmaatregelen en is de Commissie derhalve op zich niet eraan gehouden het niveau van het tariefcontingent in dit specifieke geval vast te stellen op een niveau dat strikt overeenkomt met de gemiddelde invoer in de laatste drie jaren.

(143)

In het licht van de in overweging 141 hierboven aangehaalde argumenten en overeenkomstig de grote economische, politieke en juridische bevoegdheid die aan de Commissie is toegekend krachtens artikel 16 van Verordening (EU) 2015/478 en artikel 13 van Verordening (EU) 2015/755, achtte de Commissie het noodzakelijk om het niveau van het tariefcontingent op te trekken boven het gemiddelde niveau van de invoer in de laatste drie jaren teneinde rekening te houden met de belangenconflicten tussen de gebruikers en de importeurs, enerzijds, en de bedrijfstak van de Unie, anderzijds. In dit verband merkt de Commissie op dat, zoals blijkt uit overweging 32, de invoer van de betrokken productcategorieën steeg met 4 % van 2017 tot de MRP zonder ernstige schade te veroorzaken. Het vooruitzicht van een toekomstige, zij het vlakkere, groei van de invoer onder normale marktomstandigheden rechtvaardigt, gecombineerd met de economische en politieke belangen van de bedrijfstak van de bedrijfstak van de Unie in zijn geheel, de instelling van een kwantitatieve hoogte van het contingent net boven de gemiddelde invoer tijdens de periode van 2017 tot de MRP.

(144)

Op grond hiervan en teneinde de stijging van de invoer te beperken tot een niveau dat waarschijnlijk geen ernstige schade toebrengt aan de bedrijfstak van de Unie en tegelijkertijd te waarborgen dat traditionele handelsstromen worden gehandhaafd en bestaande verwerkende en invoerende ondernemingen voldoende worden ondersteund, is de Commissie van oordeel dat het kwantitatieve niveau van het tariefcontingent moet worden gebaseerd op de gemiddelde invoer in de periode 2015-2017 plus 5 %.

Toewijzing van de tariefcontingenten

(145)

Bijna alle belanghebbenden, met inbegrip van de bedrijfstak van de Unie, pleitten voor een toewijzing van tariefcontingenten aan specifieke leverende landen in plaats van een algemeen contingentensysteem zoals vastgesteld in de voorlopige fase.

(146)

De Commissie is het ermee eens dat een landenspecifiek tariefcontingentensysteem het meest geschikte systeem is om de traditionele handelsstromen te waarborgen. Hier zijn echter een aantal beperkingen aan. Ten eerste is voor elke productcategorie het aantal leverende landen aanzienlijk. Het is niet redelijkerwijs uitvoerbaar om elk van hen een tariefcontingent toe te wijzen. Ten tweede acht de Commissie het voor een passende toewijzing van tariefcontingenten noodzakelijk om rekening te houden met bijzondere factoren die de handel in de betrokken producten beïnvloeden. Voor een aantal producten die binnen het toepassingsgebied van dit onderzoek vallen, heeft de Unie onlangs antidumping- en compenserende maatregelen genomen ten aanzien van bepaalde landen van uitvoer. Dit heeft vaak geleid tot een aanzienlijke daling van de invoer uit deze landen in het afgelopen jaar en zal dit blijven doen gedurende de periode waarin deze maatregelen worden ingesteld. Een landenspecifiek tariefcontingent voor deze landen zal derhalve meer dan waarschijnlijk slechts marginaal worden gebruikt aangezien het niveau van het tariefcontingent gebaseerd is op het gemiddelde niveau van invoer in de jaren 2015-2017, dus met inbegrip van een periode waarin de antidumping- en compenserende maatregelen nog niet van kracht waren en het niveau van de invoer aanzienlijk was wegens oneerlijke handelspraktijken. Het zou derhalve niet in het belang van de Unie zijn om een landenspecifiek tariefcontingent toe te wijzen onder deze omstandigheden, aangezien het niveau van de toekomstige invoer onvermijdelijk lager zou liggen dan hun traditionele handelsvolumes.

(147)

De Commissie concludeerde dat gezien de bovengenoemde omstandigheden een gemengde aanpak het meest geschikt zou zijn. Eerst moet een landenspecifiek tariefcontingent worden toegewezen aan landen met een aanzienlijk belang in de aanlevering, op basis van hun invoer in de afgelopen drie jaar. Voor de toepassing van deze verordening wordt aangenomen dat landen met een aandeel van meer dan 5 % in de invoer van de betrokken productcategorie een aanzienlijk belang in de aanlevering hebben. Een algemeen tariefcontingent („het residuele contingent”) op basis van het gemiddelde van de overige invoer in de afgelopen drie jaar moet worden toegewezen aan alle andere leverende landen.

(148)

Een landenspecifiek tariefcontingent moet echter niet worden toegewezen aan landen waarvan het niveau van de uitvoer — voor elke betrokken productcategorie — wezenlijk is gedaald in het recente verleden omwille van antidumping- en compenserende maatregelen die om de bovenstaande redenen zijn ingevoerd. Deze landen moeten binnen het residuele tariefcontingent vallen.

(149)

In het specifieke geval van productcategorie 1 (warmgewalst breedband) is de Commissie van mening dat, aangezien bijna 60 % van de invoer momenteel onderworpen is aan antidumpingmaatregelen, een algemeen contingent het meest passend is, in plaats van een landenspecifieke toewijzing.

(150)

Ten slotte is de Commissie van mening dat het eveneens in het belang van de Unie is om wanneer een leverend land zijn specifieke tariefcontingent heeft uitgeput, het toe te laten toegang te verwerven tot het residuele tariefcontingent. Deze mogelijkheid mag echter enkel worden toegepast tijdens het laatste kwartaal van de periode om een evenwicht te vinden tussen de belangen van de landen met een landenspecifiek tariefcontingent en de landen die uit het algemene tariefcontingent putten. Dit zou niet alleen zorgen voor het behoud van de traditionele handelsstromen, maar ook vermijden dat, in voorkomend geval, delen van het residuele tariefcontingent ongebruikt zouden blijven.

Voorspelbaarheid van de tariefcontingenten doorheen de tijd

(151)

De Commissie is van oordeel dat de invoering van een vergunningstelsel niet noodzakelijk is om de voorspelbaarheid te garanderen.

(152)

Ten eerste zijn gegevens met betrekking tot de ontwikkeling van de invoer onder tariefcontingenten en het gebruik van rechtenvrije contingenten publiekelijk beschikbaar en worden deze dagelijks geactualiseerd. De gegevens met betrekking tot het gebruik van tariefcontingenten zijn beschikbaar op de website

http://ec.europa.eu/taxation_customs/dds2/taric/quota_consultation.jsp

(153)

Bovendien moet een landenspecifieke toewijzing tevens een bijkomend niveau van voorspelbaarheid garanderen voor traditionele leveranciers en gebruikers. Daarnaast zal het voor een land waarvan het landenspecifieke tariefcontingent is uitgeput mogelijk zijn om uit te voeren via het beschikbare residuele contingent, zij het enkel tijdens het laatste kwartaal van de periode, wat de meest kritieke periode is in termen van de beschikbaarheid van contingenten.

(154)

Ten slotte is de Commissie van oordeel dat het residuele tariefcontingent op kwartaalbasis moet worden verdeeld om ervoor te zorgen dat de invoer gelijkmatig verdeeld is over het jaar en om te voorkomen dat aanzienlijke invoervolumes van standaardproducten worden opgeslagen aan het begin van de periode om mogelijke rechten te vermijden. Ongebruikte op kwartaalbasis toegewezen tariefcontingenten zouden ook automatisch worden overgedragen naar de volgende periode.

Productclassificatie

(155)

De Commissie heeft de argumenten van de gebruikers en de importeurs voor het creëren van specifieke subcategorieën voor hun producten onderzocht. De Commissie heeft met name vastgesteld dat twee productcategorieën, namelijk de categorieën 3 en 4, afgetekende kenmerken vertonen waarvoor de argumenten aanvaardbaar zijn.

(156)

Categorie 4 — corrosiebestendige platen — omvat zowel producten die specifiek voor de automobielindustrie worden geproduceerd op basis van precieze productspecificaties en onderworpen aan langetermijncontracten als andere standaardproducten. Voor de eerstgenoemde producten moeten leveranciers eerst een certificering verkrijgen die nodig is om de bedrijfstak voor een langere periode te bevoorraden op basis van een just-in-time-systeem. Voor deze productcategorie erkent de Commissie dat er een risico bestaat dat sommige specifieke producttypes verdrongen worden van de rechtenvrije contingenten door standaardproducten die op grote schaal kunnen worden aangeleverd en opgeslagen aan het begin van het jaar.

(157)

Bovendien zijn de standaardproductsoorten van deze productcategorie momenteel onderworpen aan antidumpingrechten, die ook een impact hebben op de toekomstige ontwikkelingen van de invoer alsook de toewijzing van contingenten, op grond van wat hierboven is uiteengezet. Het feit dat deze meer gespecialiseerde producten niet waren opgenomen in het verzoek van de bedrijfstak voor antidumpingmaatregelen is tevens een indicatie dat deze producten afzonderlijk van de standaardproductsoorten moeten worden beschouwd.

(158)

Wat categorie 3 — elektroplaten — betreft, hebben de betrokken verwerkende ondernemingen ook aangevoerd dat sommige gespecialiseerde producten, zoals elektroplaten met niet-georiënteerde korrel (27), moeten worden afgezonderd van de andere producten in deze categorie. Dit argument is gebaseerd op het feit dat deze productsoorten strategisch zijn voor de economie van de Unie, aangezien zij worden gebruikt in de nieuwe energie- en mobiliteitssectoren (bijv. door nieuwe energie aangedreven voertuigen, windturbines). De gebruikers en de importeurs beweren dat deze producten hoogwaardige gespecialiseerde producten zijn die het risico lopen verdrongen te worden door standaardproducten van dezelfde productcategorie. Daarnaast voerden de gebruikers ook aan dat de vraag in de Unie waarschijnlijk aanzienlijk zal toenemen in de nabije toekomst en dat de specifieke contingenten dienovereenkomstig moeten worden opgetrokken in de toekomst. Hoewel deze laatste bewering niet naar behoren kon worden onderbouwd met bewijsmateriaal, zou een afzonderlijk contingent voor deze producten het mogelijk maken naar behoren gemotiveerde verzoeken in de toekomst verder te onderzoeken.

(159)

De Commissie is verder van oordeel dat het mogelijk is om, zonder het remediërende effect van de maatregel op welke wijze dan ook te ondermijnen, subgroepen van producten te creëren binnen deze twee bestaande productcategorieën, die elk dienovereenkomstig hun eigen contingent zouden krijgen toegewezen.

(160)

Op basis van het bovenstaande heeft de Commissie de argumenten om productcategorie 4 (metallisch beklede platen) en productcategorie 3 (elektroplaten (andere dan met gerichte korrels)) in twee subcategorieën op te splitsen.

Toetsingsclausule

(161)

Ten slotte is de Commissie van oordeel dat zij, op grond van het belang van de Unie, mogelijk het niveau of de toewijzing van de rechtenvrije contingenten zoals bedoeld in de bijlagen IV.1 en IV.2, moet bijstellen in geval van veranderende omstandigheden tijdens de periode van instelling van de maatregelen. Een dergelijke toetsing kan betrekking hebben op eender welke productcategorie die onderworpen is aan maatregelen, met inbegrip van (maar niet beperkt tot) de productcategorieën 3, 4, 6 en 16 die het voorwerp uitmaakten van gedetailleerde en onderbouwde indieningen tijdens de onderzoeken alsook in het kader van de door de Commissie georganiseerde bilaterale raadplegingen. De veranderde omstandigheden kunnen zich bijvoorbeeld manifesteren in het geval van een algemene stijging of daling van de vraag in de Unie voor sommige productcategorieën waardoor een herbeoordeling nodig wordt van het niveau van de tariefcontingenten, alsook de instelling van antidumping- of antisubsidiemaatregelen die aanzienlijke gevolgen kunnen hebben voor de toekomstige ontwikkelingen van de invoer, of zelfs een ontwikkeling met betrekking tot de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 die een rechtstreekse impact kan hebben op de conclusies van dit onderzoek, met name op het vlak van handelsverlegging. De Commissie kan ook onderzoeken of de werking van de maatregelen schadelijke effecten zou kunnen hebben ten aanzien van het behalen van de integratiedoelstellingen die met preferentiële handelspartners worden nagestreefd, bijvoorbeeld door een aanzienlijk risico te vormen voor hun stabilisering of economische ontwikkeling. De Commissie zal regelmatig een beoordeling van de situatie uitvoeren en ten minste op het einde van elk jaar van toepassing van de maatregelen een nieuw onderzoek overwegen. De Commissie zal het eerste nieuwe onderzoek uiterlijk op 1 juli 2019 starten.

7.3.   Conclusie inzake het belang van de unie

(162)

Op grond van de bovenstaande overwegingen en een zorgvuldige bestudering van de diverse betrokken belangen concludeert de Commissie dat het belang van de Unie de vaststelling vereist van definitieve vrijwaringsmaatregelen in de vorm van een tariefcontingent teneinde een verdere verslechtering van de situatie van de producenten in de Unie te voorkomen.

8.   SLOTOPMERKINGEN

(163)

De conclusie luidt dat de staalindustrie van de Unie zich in een situatie van dreigende ernstige schade bevindt voor 26 productcategorieën en dat de situatie zich in de nabije toekomst waarschijnlijk zal ontwikkelen tot werkelijke ernstige schade indien geen vrijwaringsmaatregelen worden ingesteld. Tevens is geconcludeerd dat het in het belang van de Unie is om passende maatregelen te nemen om een verdere stijging van de invoer te voorkomen.

8.1.   Vorm en niveau van de maatregelen

(164)

Tijdens de voorlopige fase heeft de Commissie vastgesteld dat een maatregel in de vorm van een tariefcontingent de beste manier was om de belangen van de staalproducenten en de gebruikers in de Unie te verzoenen. Een dergelijke maatregel zou het mogelijk maken, indien hij passend is afgestemd, om tijdelijk de stijging van de invoer tot een niet-schadelijk niveau voor de staalindustrie van de Unie terug te brengen en tegelijkertijd een passende keuze aan aanleverbronnen beschikbaar te houden voor de afnemers, op een wijze die verenigbaar is met de ononderbroken concurrerende werking van de staalmarkt.

(165)

Op grond van de bovenstaande analyse van het belang van de Unie is de Commissie van oordeel dat een tariefcontingent daadwerkelijk de vorm van maatregel is om een evenwicht te vinden tussen de uiteenlopende betrokken belangen, namelijk ernstige schade voorkomen en het behoud van de traditionele handelsstromen waarborgen.

(166)

Hoewel de meerderheid van de staalgebruikers in de opmerkingen die de Commissie na de voorlopige maatregelen heeft ontvangen, de vaststelling van deze maatregelen aanvocht, gaven zij ook nuttige suggesties om de maatregelen aan te passen en de negatieve gevolgen ervan op de markt tot een minimum te beperken.

(167)

Zeer weinig van de ontvangen opmerkingen hadden betrekking op de microsimulaties en het macromodel die door de Commissie waren voorgesteld om de evenredigheid van het tariefniveau buiten het contingent te controleren.

(168)

Wat het macromodel betreft, bekritiseerde een vereniging van exporteurs in een derde land dat de in het Armingtonmodel gebruikte elasticiteitswaarden voor de productcategorieën als geheel verschillen van de waarden die in bepaalde meer uitgesplitste studies van specifieke staalproductcategorieën worden gebruikt; deze partijen hebben echter geen alternatieve waarden voor de berekening voor het geheel voorgesteld. Dezelfde vereniging voerde ook aan dat de Commissie de aanzienlijke prijsstijging op de markt van de VS, die ondanks de maatregelen op grond van afdeling 232 invoer blijft aantrekken, had genegeerd. Wat de microsimulaties betreft, hebben een gebruikersvereniging in de Unie en verschillende exporteurs aangevoerd dat de benchmarking van microsimulaties enkel was uitgevoerd ten aanzien van een beperkt aantal productcategorieën, terwijl de maatregelen een breder spectrum productcategorieën behelsden. Zij bekritiseerden tevens dat de berekeningen beweerdelijk waren gebaseerd op de kosten van Chinese producenten, die niet representatief kunnen worden geacht voor alle bronnen van invoer. Verschillende exporteurs beweerden dat de Commissie het gebruik van de bovengenoemde modellen onvoldoende heeft uitgelegd en dat het vaststellen op die grond van een tarief van 25 % buiten het contingent willekeurig is.

(169)

De Commissie is van oordeel dat zowel de microsimulaties als het macromodel stileringen zijn van de werkelijkheid, maar dat zij, in tegenstelling tot wat in sommige opmerkingen werd beweerd, middelen zijn die een technische discussie mogelijk maken over alternatieve scenario's om beleidsbeslissingen te nemen op grond van feiten in plaats van willekeurige beoordelingen.

(170)

De Commissie wil graag benadrukken dat het tarief van 25 % buiten het contingent dat de Commissie in de fase van de voorlopige maatregelen vaststelde, de bedoeling heeft een aanzienlijke stijging van de staalinvoer in de Unie op te vangen. Recent is deze stijging versneld als gevolg van het algemene tarief van 25 % dat de VS hebben vastgesteld voor de invoer van staal (met een beperkt aantal uitzonderingen op basis van de oorsprong middels erg beperkte contingenten) en het tarief van 50 % ten aanzien van invoer uit Turkije. De uitdrukkelijke bedoeling van de VS is om middels deze maatregelen de staalinvoer kunstmatig te verminderen met 13,3 miljoen metrische ton, waardoor de staalindustrie in de VS op zijn beurt aan een bezettingsgraad van 80 % zal kunnen draaien.

(171)

Tegen deze achtergrond is een tarief in de Unie van 25 % buiten het contingent, in tegenstelling tot de mening van een aantal belanghebbenden, niet willekeurig maar lijkt het een volledig evenredige maatregel die perfect consistent is met de doelstelling om de staalmarkt van de Unie te beschermen tegen een sterke stijging van de invoer, die recent grotendeels te wijten is aan de handelsverlegging onder invloed van de protectionistische maatregelen van de VS. Staalexporteurs wereldwijd die geconfronteerd worden met tarieven van 25 % of 50 % of met restrictieve contingenten in de VS kunnen wel degelijk hun uitvoer naar de Unie verleggen, boven het niveau van hun traditionele verkoop, en op die manier schade berokkenen aan de staalindustrie van de Unie indien er in de Unie geen voldoende afschrikwekkende hindernis wordt opgericht.

(172)

Het is belangrijk om hierbij opnieuw te benadrukken dat, hoewel de tarieven in het kader van de maatregelen op grond van afdeling 232 geheven worden op de eerste invoer en derhalve de invoerstromen aanzienlijk neerwaarts verstoren, het tariefcontingent van de Unie de voortgezette invoer van welke oorsprong dan ook zonder bijkomende hindernissen mogelijk maakt en enkel gevolgen heeft indien de relevante contingenten, die overeenstemmen met de traditionele invoerstroom van elke oorsprong, met name als gevolg van de verlegging van het handelsverkeer onder impuls van de maatregelen van de VS worden overschreden.

(173)

Onder deze omstandigheden winnen exporteurs naar de VS extra marge of beperken ze hun verlies aan marge door hun verkoop naar de EU te verleggen, tenzij de Unie op de relevante staalinvoer een tarief buiten het contingent toepast dat minstens zo hoog ligt als het door de VS toegepaste tarief. Uit deze analyse blijkt dat het laagst mogelijke tarief buiten het contingent waarmee een minimale bescherming van de Unie jegens de handelsverlegging wordt verzekerd op zijn minst 25 % moet bedragen. Dit tarief zal evenwel geen einde maken aan de handelsverlegging. Nu de invoerprijzen in de VS door protectionistische maatregelen omhoog worden gestuwd, wordt een aanzienlijk deel van de staalproductie in de VS die voorheen niet rendabel was winstgevend, waardoor de invoer en handel zich verleggen naar andere markten, waarvan de Unie de meest aantrekkelijke alternatieve bestemming is.

(174)

In deze context zijn de micro-economische simulaties van de dekkingsbijdrage van aangelande invoer in de Unie die zijn voorgesteld door de bedrijfstak van de Unie en in de voorlopige fase door de Commissie zijn gepresenteerd van cruciaal belang voor de bespreking van het commerciële gedrag van een exporteur die wordt geconfronteerd met de bovengenoemde keuze om te verkopen op de markt van de VS na betaling van de tarieven op grond van afdeling 232 of als alternatief meer en meer naar de Unie gaan uitvoeren en hierbij zijn traditionele verkoop te overstijgen om dergelijke betalingen te vermijden.

(175)

In tegenstelling tot wat door sommige partijen is beweerd, zijn de veronderstellingen in de simulaties realistisch en voorzichtig. Zij zijn niet hoofdzakelijk gebaseerd op Chinese kosten. De belangrijkste component van de in de simulatie gebruikte kosten is een mand grondstoffen aan internationale prijzen. De Chinese benchmarks worden enkel gebruikt voor een in vergelijking kleiner aandeel van ondersteunende variabele kosten bovenop de grondstoffen, omdat China over de productcategorieën heen een van de meest prominente exporteurs is. Tot slot is de keuze voor de transportkosten van China naar de Unie om de invoerkosten te berekenen een erg conservatieve veronderstelling in de berekening, daar de dekkingsbijdrage hoger zou zijn indien lagere transportkosten van andere mogelijke bronnen zouden worden gebruikt.

(176)

Op basis van deze simulaties kan het feitelijke niveau worden berekend van het tarief buiten het contingent waardoor handelsverlegging wordt ontraden. Zoals uiteengezet in de voorlopige verordening, blijkt uit deze simulaties dat de dekkingsbijdrage van de verkoop voor een exporteur van staal naar de Unie in een brede waaier van de meest representatieve onderzochte staalproductcategorieën hoger ligt dan 30 %, met een mediaan van 34 %. Enkel tarieven van dit niveau voor invoer die het contingent overstijgt zouden de dekkingsbijdrage van de relevante staalinvoer op de markt van de Unie volledig kunnen compenseren en op deze wijze de incentive voor een exporteur naar de VS om zijn verkoop te verleggen naar de markt van de Unie wegnemen, aangezien dit omwille van de tarieven niet rendabel is.

(177)

Tegen deze achtergrond heeft de Unie ervoor gekozen het minst verstorende tarief buiten het contingent van 25 % vast te stellen, wat aan de lage kant is binnen de waaier van hierboven besproken opties. Zoals uiteengezet, biedt dit tarief buiten het contingent de Unie geen volledige afscherming tegen handelsverlegging. Integendeel, het zal niet alleen het vrije verkeer van traditionele invoer toelaten, maar daarbovenop zal het genoemde tarief het ook mogelijk maken dat een beperkt deel van verkoop op basis van handelsverlegging ondanks het te betalen tarief mogelijk blijft op de markt van de Unie, zelfs indien de traditionele handelsniveaus worden overschreden om aan een verwachte stijging van de vraag te voldoen.

(178)

Met betrekking tot de opmerkingen van de belanghebbenden over het gebruik van een enkel macro-economisch model waarin alle productcategorieën samen worden genomen in plaats van gebruik te maken van een meer uitgesplitste analyse is de Commissie, zoals uiteengezet in de voorlopige fase en in afdeling 2 hierboven, van oordeel dat een dergelijke globale beoordeling volkomen pertinent is indien conservatieve waarden worden gebruikt voor de elasticiteit, gezien de grote mate van onderlinge verbinding tussen de productcategorieën vanuit het oogpunt van vraag en aanbod.

(179)

In de voorlopige verordening stelde de Commissie dat zij de ontwikkeling van de invoer op de voet zou volgen alvorens een definitief standpunt vast te stellen. Uit de statistieken van de VS en de Unie inzake de invoer van de onderzochte categorieën van staalproducten blijkt dat er ondanks de aanzienlijke prijsstijging door de maatregelen op grond van afdeling 232 op de markt van de VS een aanzienlijke en blijvende daling is van de invoer in de VS gedurende de zes maanden vanaf mei 2018 die gepaard gaat met een aanhoudende stijging in de groei van de invoer in de Unie van dezelfde categorieën van staalproducten gedurende dezelfde periode. Van mei 2018 tot september 2018 nam de invoer in de VS van de onderzochte productcategorieën af met 2,6 miljoen ton ten opzichte van dezelfde periode in 2017, terwijl de invoer in de EU van dezelfde producten aanzienlijk steeg, namelijk met 2 miljoen ton (77 % van de afname in de VS) gedurende dezelfde periode. Dit is een duidelijke stijgende tendens. Uit deze gegevens blijkt duidelijk dat de beoogde gevolgen van de protectionistische maatregelen van de VS op grond van afdeling 232, namelijk om een daling van de invoer van staal ten belope van 13,3 miljoen metrische ton ten opzichte van 2017, zich ontplooien. De waargenomen meest recente invoertendensen lijken de in het model gemaakte veronderstellingen van mogelijke handelsverlegging van circa 70 % niet te weerleggen, aangezien de maatregelen van de VS uiteindelijk, eens hun volledige protectionistische impact zich heeft ontplooid, dit effect kunnen sorteren. Ook de stelling dat er vervolgens een tarief buiten het contingent van meer dan 30 % nodig is om de markt van de Unie volledig af te schermen van de gevolgen wordt niet weerlegd. Dit niveau komt ook overeen met het hierboven beschreven resultaat van de micro-economische simulaties.

(180)

De Commissie heeft dienovereenkomstig besloten het tarief buiten het contingent van 25 % te bevestigen, wat aan de lage kant is en de minst verstorende corrigerende optie tegen de door de maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 veroorzaakte handelsverlegging.

8.2.   Toewijzing van de tariefcontingenten

(181)

Zoals hierboven uiteengezet, is de beste manier om optimaal gebruik van de tariefcontingenten te verzekeren, op basis van overwegingen aangaande het belang van de Unie en teneinde traditionele handelsstromen zo veel mogelijk te behouden, ze te verdelen onder de landen die een groot belang hebben bij de levering van het betrokken product en voor de andere landen de toewijzing te laten gebeuren in chronologische volgorde van de data waarop de aangiften voor het vrije verkeer worden aanvaard, zoals uiteengezet in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie (28). Deze toewijzingsmethode vereist een nauwe samenwerking tussen de lidstaten en de Commissie.

(182)

Goederen die uit ontwikkelingslanden worden ingevoerd, kunnen van de tariefcontingenten worden vrijgesteld, afhankelijk van de oorsprong van deze goederen. De criteria voor de vaststelling van niet-preferentiële oorsprong die momenteel van kracht zijn in de Unie, moeten derhalve worden toegepast.

(183)

Ten behoeve van de definitieve maatregelen, opdat de traditionele handelsstromen kunnen blijven doorgaan, zal een specifiek contingent worden bepaald voor elke productcategorie ten aanzien waarvan bij deze verordening definitieve maatregelen worden ingesteld.

8.3.   Toepasselijke antidumping- en antisubsidiemaatregelen

(184)

Na de instelling van de voorlopige maatregelen hebben verschillende gebruikers en importeurs hun beweringen herhaald dat de producenten in de Unie door de bestaande antidumping- en antisubsidiemaatregelen geen bijkomende bescherming behoeven en dat vrijwaringsmaatregelen en antidumping/antisubsidiemaatregelen in ieder geval niet moeten worden gecumuleerd.

(185)

De Commissie herinnert eraan dat antidumpingmaatregelen en maatregelen op basis van compenserende rechten niet tot doel hebben de markt van de Unie af te sluiten, maar louter schadelijke handelspraktijken te remediëren. Zo zijn deze maatregelen gericht op landenspecifieke situaties van dumping en subsidiëring, hebben ze een ander toepassingsgebied en doel dan de bij deze verordening ingestelde vrijwaringsmaatregel, en sluiten ze elkaar niet uit.

(186)

Zoals vermeld in overweging 117 van de voorlopige verordening, erkent de Commissie evenwel dat een cumulatie van antidumping/antisubsidiemaatregelen met vrijwaringsmaatregelen kan leiden tot een groter dan wenselijk effect. Aangezien de kwestie van cumulering slechts mogelijk zou ontstaan eens de contingenten zijn opgebruikt, zal de Commissie in een later stadium en te zijner tijd onderzoeken of het nodig is de kwestie aan te pakken. Om de instelling van „dubbele corrigerende maatregelen” te voorkomen wanneer het tariefcontingent wordt overschreden, kan de Commissie het noodzakelijk achten het niveau van de bestaande antidumping- en compenserende rechten te schorsen of te verlagen teneinde te waarborgen dat het gecombineerde effect van deze maatregelen het hoogste niveau van de geldende vrijwarings- of antidumping-/compenserende rechten niet overschrijdt.

8.4.   Looptijd

(187)

De Commissie is van oordeel dat de maatregelen van kracht moeten zijn gedurende drie jaar (met inbegrip van de periode van voorlopige maatregelen) en dus aflopen op 30 juni 2021. Een tariefcontingent moet open staan voor de periode van 2 februari 2019 tot en met 30 juni 2019, daarna voor de periode van 1 juli 2019 tot en met 30 juni 2020 en daarna voor de periode van 1 juli 2020 tot en met 30 juni 2021, zoals gespecificeerd in bijlage IV voor elke betrokken productcategorie.

(188)

Aangezien de maatregelen meer dan een jaar duren, moeten de maatregelen gedurende de toepassingsduur met regelmatige tussenpozen geleidelijk worden geliberaliseerd. De Commissie is van oordeel dat de meest geschikte manier om de maatregelen te liberaliseren erin bestaat het niveau van het rechtenvrij contingent elk jaar met 5 % te verhogen. Dit geldt ook voor de periode waarin de voorlopige maatregelen van kracht waren, wat betekent dat de eerste liberalisering zal plaatsvinden op 1 juli 2019 en de tweede op 1 juli 2020. Volgende liberaliseringen zullen hetzelfde patroon volgen.

8.5.   Toezicht op staalproducten

(189)

De toezichtmaatregelen op aan dit onderzoek onderworpen staalproducten werden ingevoerd in april 2016 ingesteld omdat was gebleken dat de ontwikkeling van de invoer ernstige schade dreigde te berokkenen. Gezien de bevindingen van dit onderzoek en de instelling van definitieve vrijwaringsmaatregelen is de Commissie van oordeel dat het systeem van toezicht op staalproducten die zijn onderworpen aan vrijwaringsmaatregelen moet worden geschorst gedurende de instellingsperiode van de vrijwaringsmaatregelen.

9.   UITSLUITING VAN BEPAALDE LANDEN VAN HET TOEPASSINGSGEBIED VAN DE DEFINITIEVE MAATREGELEN

(190)

Overeenkomstig artikel 18 van Verordening (EU) 2015/478 en de internationale verplichtingen van de Unie mogen de voorlopige maatregelen niet worden toegepast ten aanzien van producten van oorsprong uit een ontwikkelingsland dat lid is van de WTO zolang het aandeel van dat land in de invoer in de Unie van dat product niet meer dan 3 % bedraagt, mits de ontwikkelingslanden die lid zijn van de WTO en waarvan het aandeel in de invoer in de Unie minder dan 3 % bedraagt, tezamen niet meer dan 9 % vertegenwoordigen van de totale invoer in de Unie van het betrokken product.

(191)

Uit de definitieve vaststelling van de Commissie blijkt dat de betrokken productcategorieën uit bepaalde ontwikkelingslanden voldoen aan de voorwaarden om voor bovengenoemde afwijking in aanmerking te komen. Voor de toepassing van deze verordening zijn de ontwikkelingslanden opgenomen in bijlage III.2 (lijst van productcategorieën uit ontwikkelingslanden ten aanzien waarvan de definitieve maatregelen gelden). Hierin wordt ook voor elk van de 26 productcategorieën aangegeven ten aanzien van welke ontwikkelingslanden de voorlopige maatregelen gelden. De Commissie acht het zinvol om het volume van de invoer vanuit ontwikkelingslanden te berekenen op basis van de beschikbare statistieken van de meest recente periode voor elke productcategorie, aangezien het tariefcontingent ook wordt vastgesteld aan de hand van de traditionele handelsstromen van elke categorie afzonderlijk.

(192)

Aangezien de uitsluiting van de ontwikkelingslanden die lid zijn van de WTO, moet duren zolang hun aandeel in de invoer van de Unie niet hoger ligt dan 3 %, zal de Commissie op regelmatige basis, en op zijn minst aan het einde van elk jaar van instelling van de maatregelen, een beoordeling uitvoeren van de situatie teneinde te onderzoeken of een land de bovengenoemde drempel heeft overschreden en uiteindelijk in het toepassingsgebied van de vrijwaringsmaatregelen moet worden opgenomen.

(193)

Zoals uiteengezet in overweging 80 van de voorlopige verordening, is de Commissie van mening dat vanwege de nauwe integratie van markten met de EER-landen, de totaalcijfers van de invoer vanuit deze landen, en het lage risico van verlegging van het handelsverkeer, de te beoordelen producten van oorsprong uit Noorwegen, IJsland en Liechtenstein van de toepassing van deze verordening moeten worden uitgesloten. Verder moeten bepaalde landen waarmee de Unie een economische partnerschapsovereenkomst heeft ondertekend die momenteel van kracht is (29) ook worden uitgesloten van de toepassing van deze verordening teneinde te voldoen aan de bilaterale verplichtingen. Na het instellen van de voorlopige maatregelen ontving de Commissie geen opmerkingen die aanleiding zouden hebben gegeven tot een wijziging van deze conclusies, die derhalve worden bevestigd.

10.   VERPLICHTINGEN OP GROND VAN BILATERALE OVEREENKOMSTEN TUSSEN DE UNIE EN DERDE LANDEN

(194)

De Commissie heeft zich ervan verzekerd dat de op grond van deze verordening genomen vrijwaringsmaatregelen tevens voldoen aan de verplichtingen die voortvloeien uit de bilaterale overeenkomsten die zijn ondertekend met een aantal derde landen.

(195)

In dit verband wordt erop gewezen dat is vastgesteld dat de invoer uit de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië in de Unie in het onderzoektijdvak aanzienlijk is gestegen en heeft bijgedragen aan de dreiging van ernstige schade ten aanzien van de staalindustrie van de Unie. Deze invoer voldoet derhalve aan de voorwaarden voor het nemen van vrijwaringsmaatregelen krachtens artikel 37, lid 1, van de stabilisatie- en associatieovereenkomst tussen de Europese Gemeenschappen en hun lidstaten, enerzijds, en de voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, anderzijds (30).

(196)

Tevens wordt er gezien de reikwijdte en de conclusies van het onderzoek van uitgegaan dat er ernstige verstoringen zijn in de staalsector en dat vrijwaringsmaatregelen derhalve ook gerechtvaardigd zijn krachtens artikel 26 van de Overeenkomst tussen de Europese Economische Gemeenschap en de Zwitserse Bondsstaat van 1972 (31).

(197)

Tot slot voldoet de invoer uit Turkije ook aan de voorwaarden van artikel 12 van de Overeenkomst tussen de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal en Turkije betreffende de handel in producten waarop het Verdrag tot oprichting van de Europese Gemeenschap voor Kolen en Staal van toepassing is (32) en artikel 60 van het aanvullend protocol dat is ondertekend op 23 november 1970, gehecht aan de overeenkomst, waarbij een associatie tot stand wordt gebracht tussen de Europese Economische Gemeenschap en Turkije (33).

11.   SLOTOPMERKINGEN

(198)

Gezien de rechtspraak van het Hof van Justitie (34) is het passend te voorzien in de moratoire interest die in geval van mogelijke terugbetaling van definitieve rechten moet worden betaald, omdat de relevante geldende bepalingen inzake douanerechten niet in een dergelijke interest voorzien en de toepassing van nationale voorschriften zou leiden tot onnodige verstoringen tussen de marktdeelnemers, afhankelijk van de lidstaat die voor inklaring wordt gekozen.

(199)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het respectievelijk bij artikel 3, lid 3, van Verordening (EU) 2015/478 en artikel 22, lid 3, van Verordening (EU) 2015/755 ingestelde Comité vrijwaringsmaatregelen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   Onverminderd de artikelen 6 en 7 wordt hierbij een tariefcontingent geopend met betrekking tot de invoer in de Unie van elk van de 26 betrokken productcategorieën (in bijlage I omschreven door verwijzing naar de desbetreffende GN-codes) en elk van de tijdvakken gespecificeerd in de bijlagen IV.1 en IV.2.

2.   Voor elk van de betrokken productcategorieën, met uitzondering van productcategorie 1, wordt een deel van elk tariefcontingent toegewezen aan de in bijlage IV gespecificeerde landen.

3.   Voor de toewijzing van het resterende deel van elk tariefcontingent en het tariefcontingent voor productcategorie 1 wordt uitgegaan van het beginsel dat de aanvragen in chronologische volgorde van binnenkomst worden behandeld, op basis van een gelijk tariefcontingent voor elk kwartaal van de instellingsperiode.

4.   Het opnemen van elk op kwartaalbasis ingesteld continent wordt beëindigd op de twintigste werkdag van de Commissie die volgt op het einde van het kwartaal. Aan het einde van elk kwartaal worden de ongebruikte delen van het tariefcontingent automatisch overgedragen naar het volgende kwartaal. Aan het einde van het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent worden geen ongebruikte delen overgedragen.

5.   Indien het relevante contingent op grond van lid 2 voor een specifiek land is uitgeput, kan de invoer uit dat land verdergaan op basis van het resterende deel van het tariefcontingent voor dezelfde productcategorie. Deze bepaling zal enkel gelden gedurende het laatste kwartaal van elk jaar van toepassing van het definitieve tariefcontingent.

6.   Indien het relevante tariefcontingent is opgebruikt of indien de invoer van de productcategorieën niet in aanmerking komt voor het relevante tariefcontingent wordt een bijkomend recht van 25 % toegepast op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, op de productcategorieën van bijlage IV.1.

Artikel 2

1.   De oorsprong van de producten waarop deze verordening van toepassing is, wordt vastgesteld overeenkomstig de in de Unie geldende voorschriften met betrekking tot niet-preferentiële oorsprong.

2.   Tenzij anders vermeld, zijn de geldende bepalingen inzake douanerechten van toepassing. De moratoire interest die moet worden betaald in geval van terugbetaling waaruit een recht op betaling van moratoire interest voortvloeit, is de op de eerste kalenderdag van de maand van de vervaldag door de Europese Centrale Bank voor haar basisherfinancieringstransacties toegepaste rentevoet zoals bekendgemaakt in de C-serie van het Publicatieblad van de Europese Unie, verhoogd met één procentpunt.

Artikel 3

De in artikel 1 vastgestelde tariefcontingenten worden door de Commissie en de lidstaten beheerd overeenkomstig de methode voor het beheer van tariefcontingenten die is omschreven in de artikelen 49 tot en met 54 van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447.

Artikel 4

De lidstaten en de Commissie werken nauw samen om toe te zien op de naleving van deze verordening.

Artikel 5

1.   Onverminderd het bepaalde in lid 2 is de invoer van de 26 in bijlage IV genoemde productcategorieën van oorsprong uit een van de landen, zoals gespecificeerd in bijlage III, niet aan de in artikel 1 bedoelde maatregelen onderworpen.

2.   Voor elk van de 26 productcategorieën die zijn gespecificeerd in bijlage IV, zijn in bijlage III.2 de landen van oorsprong opgenomen waarop de in artikel 1 bedoelde maatregelen van toepassing zijn.

Artikel 6

1.   Producten van oorsprong uit Noorwegen, IJsland en Liechtenstein zijn niet onderworpen aan de in artikel 1 bedoelde maatregelen.

2.   De volgende landen zijn ook niet onderworpen aan de in artikel 1 bedoelde maatregelen: Botswana, Eswatini, Fiji, Ghana, Ivoorkust, Kameroen, Lesotho, Mozambique, Namibië, Zuid-Afrika.

Artikel 7

De voorgaande toezichtmaatregelen die zijn ingesteld bij Uitvoeringsverordening (EU) 2016/670 van de Commissie (35), worden geschorst voor de in bijlage IV vermelde producten gedurende de instellingsperiode van de vrijwaringsmaatregelen zoals bedoeld in artikel 1.

Artikel 8

Tijdens de in de bijlagen IV.1 en IV.2 vastgestelde periode kan de Commissie de maatregelen evalueren in geval van verandering in de omstandigheden.

Artikel 9

Bedragen die werden betaald op grond van aanvullende rechten die zijn ingesteld overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013 met betrekking tot de producten vermeld in bijlage IV bij deze verordening, worden definitief geïnd tot het niveau dat is vastgesteld in artikel 1, lid 3, van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013.

Artikel 10

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 31 januari 2019.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 83 van 27.3.2015, blz. 16.

(2)  PB L 123 van 19.5.2015, blz. 33.

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1013 van de Commissie van 17 juli 2018 tot instelling van voorlopige vrijwaringsmaatregelen ten aanzien van de invoer van bepaalde staalproducten (PB L 181 van 18.7.2018, blz. 39).

(4)  Bericht van opening van een vrijwaringsonderzoek betreffende de invoer van staalproducten (PB C 111 van 26.3.2018, blz. 29).

(5)  Bericht tot wijziging van het bericht van opening van een vrijwaringsonderzoek betreffende de invoer van staalproducten (PB C 225 van 28.6.2018, blz. 54).

(6)  Verslag van de WTO-beroepsinstantie, US — Definitive Safeguard Measures on Imports of Certain Steel Products, WT/DS259/AB/R, punt 319.

(7)  Verordening (EG) nr. 1694/2002 van de Commissie (PB L 261 van 28.9.2002, blz. 1).

(8)  Verslag van de WTO-beroepsinstantie, Dominican Republic — Safeguard Measures on Imports of Polypropylene Bags and Tubular Fabric, WT/DS415/R, WT/DS416/R, WT/DS417/R, WT/DS418/R, punten 7.177 en 7.236.

(9)  Botswana, Eswatini, Fiji, Ghana, Ivoorkust, Kameroen, Lesotho, Mozambique, Namibië, Zuid-Afrika.

(10)  Het gaat om de productcategorieën 10, 11, 19, 24 en 27.

(11)  India, Rusland, Turkije, de Volksrepubliek China, De voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië en Zuid-Korea.

(12)  Verslag van de WTO-beroepsinstantie, Argentina — Safeguard Measures on Imports of Footwear, WT/DS121/9, punt 131.

(13)  Verslag van het WTO-panel, US — Definitive Safeguard Measures on Imports of Wheat Gluten from the European Communities, WT/DS166/R, punt 8.31.

(14)  Verslag van het WTO-panel, Ukraine — Definitive Safeguard Measures on Passenger Cars, WT/DS468/R, panelverslag van 26 juni 2015, punt 7.146.

(15)  Verslag van het WTO-panel, US — Definitive Safeguard Measures on Imports of Certain Steel Products, WT/DS259/AB/R, punt 10.168.

(16)  Verslag van de WTO-beroepsinstantie, Argentina — Safeguard Measures on Imports of Footwear, WT/DS121/AB/R, aangenomen op 12 januari 2000, punt 130.

(17)  Verslag van het WTO-panel, US — Definitive Safeguard Measures on Imports of Certain Steel Products, WT/DS259/R, voetnoot 17, punt 374.

(18)  Verslag van het WTO-panel, US — Definitive Safeguard Measures on Imports of Certain Steel Products, WT/DS259/R, punt 10.168, voetnoot 16, punt 7.132.

(19)  https://www.globaltradealert.org/reports/download/44, blz. 11.

(20)  COM(2016) 155 final van 16 maart 2016.

(21)  Bron: Global Trade Atlas.

(22)  https://www.cbp.gov/trade/quota/bulletins/qb-18-126-absolute-quota-aluminum-products-argentina-brazil-south-korea

(23)  De maatregelen van de VS op grond van afdeling 232 traden op 8 maart 2018 in werking en de Commissie analyseerde gegevens tot september 2018.

(24)  Onderneming en datum/data van aankondiging(en), miljoen short tons Big River, 25.4.2018 en 29.6.2018, 3,2; US Steel, 5.3.2018, 2,8; JSW Steel, 26.3.2018 en 21.6.2018, 2,5; Nucor, 10.1.2018, 2.3.2018, 11.5.2018 en 7.9.2018, 2,25; North Star Bluescope, 13.8.2018, 0,7-1,0; Liberty Steel Group, 26.6.2018, 0,75; Republic Steel Group, 12.3.2018 en 19.7.2018, 0,66; Steel Dynamics, 26.6.2018, 0,4. De totale geplande capaciteitsuitbreiding die werd aangekondigd door deze niet-uitputtende lijst van persberichten uit 2018 (voornamelijk persberichten van de ondernemingen) bedraagt 13,5 miljoen short tons, oftewel circa 12 miljoen MT.

(25)  Artikel 7, lid 2 quater, van Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad, als gewijzigd bij Verordening (EU) 2018/825 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 (PB L 143 van 7.6.2018, blz. 6).

(26)  Verslag van de WTO-beroepsinstantie, US — Line Pipe, WT/DS202, punt 235.

(27)  GN-codes 7225 19 90, 7226 19 80.

(28)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2447 van de Commissie van 24 november 2015 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) nr. 952/2013 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van het douanewetboek van de Unie (PB L 343 van 29.12.2015, blz. 558).

(29)  Botswana, Eswatini, Fiji, Ghana, Ivoorkust, Kameroen, Lesotho, Mozambique, Namibië, Zuid-Afrika.

(30)  PB L 84 van 20.3.2004, blz. 13.

(31)  PB L 300 van 31.12.1972, blz. 189.

(32)  PB L 227 van 7.9.1996, blz. 3.

(33)  PB L 293 van 29.12.1972, blz. 3.

(34)  Arrest van het Hof (Derde kamer) van 18 januari 2017, Wortmann/Hauptzollamt Bielefeld, C-365/15, ECLI:EU:C:2017:19, punten 35-39.

(35)  Uitvoeringsverordening (EU) 2016/670 van de Commissie van 28 april 2016 tot instelling van voorafgaand Unietoezicht op de invoer van bepaalde ijzer- en staalproducten uit bepaalde derde landen (PB L 115 van 29.4.2016, blz. 37).


BIJLAGE I

Betrokken producten

Productnummer

Productcategorie

GN-codes

1

Bladen en strippen van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, warm gewalst

7208 10 00 , 7208 25 00 , 7208 26 00 , 7208 27 00 , 7208 36 00 , 7208 37 00 , 7208 38 00 , 7208 39 00 , 7208 40 00 , 7208 52 10 , 7208 52 99 , 7208 53 10 , 7208 53 90 , 7208 54 00 , 7211 13 00 , 7211 14 00 , 7211 19 00 , 7212 60 00 , 7225 19 10 , 7225 30 10 , 7225 30 30 , 7225 30 90 , 7225 40 15 , 7225 40 90 , 7226 19 10 , 7226 91 20 , 7226 91 91 , 7226 91 99

2

Niet-gelegeerde en ander gelegeerde koudgewalste platen

7209 15 00 , 7209 16 90 , 7209 17 90 , 7209 18 91 , 7209 25 00 , 7209 26 90 , 7209 27 90 , 7209 28 90 , 7209 90 20 , 7209 90 80 , 7211 23 20 , 7211 23 30 , 7211 23 80 , 7211 29 00 , 7211 90 20 , 7211 90 80 , 7225 50 20 , 7225 50 80 , 7226 20 00 , 7226 92 00

3

Elektroplaten (andere dan met gerichte korrels)

7209 16 10 , 7209 17 10 , 7209 18 10 , 7209 26 10 , 7209 27 10 , 7209 28 10 , 7225 19 90 , 7226 19 80

4

Metallisch beklede bladen

7210 20 00 , 7210 30 00 , 7210 41 00 , 7210 49 00 , 7210 61 00 , 7210 69 00 , 7210 90 80 , 7212 20 00 , 7212 30 00 , 7212 50 20 , 7212 50 30 , 7212 50 40 , 7212 50 61 , 7212 50 69 , 7212 50 90 , 7225 91 00 , 7225 92 00 , 7225 99 00 , 7226 99 10 , 7226 99 30 , 7226 99 70

5

Organisch beklede platen

7210 70 80 , 7212 40 80

6

Blik

7209 18 99 , 7210 11 00 , 7210 12 20 , 7210 12 80 , 7210 50 00 , 7210 70 10 , 7210 90 40 , 7212 10 10 , 7212 10 90 , 7212 40 20

7

Kwartoplaten van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal

7208 51 20 , 7208 51 91 , 7208 51 98 , 7208 52 91 , 7208 90 20 , 7208 90 80 , 7210 90 30 , 7225 40 12 , 7225 40 40 , 7225 40 60

8

Roestvrije warmgewalste platen en banden

7219 11 00 , 7219 12 10 , 7219 12 90 , 7219 13 10 , 7219 13 90 , 7219 14 10 , 7219 14 90 , 7219 22 10 , 7219 22 90 , 7219 23 00 , 7219 24 00 , 7220 11 00 , 7220 12 00

9

Roestvrije koudgewalste platen en banden

7219 31 00 , 7219 32 10 , 7219 32 90 , 7219 33 10 , 7219 33 90 , 7219 34 10 , 7219 34 90 , 7219 35 10 , 7219 35 90 , 7219 90 20 , 7219 90 80 , 7220 20 21 , 7220 20 29 , 7220 20 41 , 7220 20 49 , 7220 20 81 , 7220 20 89 , 7220 90 20 , 7220 90 80

10

Roestvrije warmgewalste kwartoplaten

7219 21 10 , 7219 21 90

11

Elektroplaat met georiënteerde korrels

7225 11 00 , 7226 11 00

12

Niet-gelegeerd en ander gelegeerd staafstaal, waaronder lichte profielen

7214 30 00 , 7214 91 10 , 7214 91 90 , 7214 99 31 , 7214 99 39 , 7214 99 50 , 7214 99 71 , 7214 99 79 , 7214 99 95 , 7215 90 00 , 7216 10 00 , 7216 21 00 , 7216 22 00 , 7216 40 10 , 7216 40 90 , 7216 50 10 , 7216 50 91 , 7216 50 99 , 7216 99 00 , 7228 10 20 , 7228 20 10 , 7228 20 91 , 7228 30 20 , 7228 30 41 , 7228 30 49 , 7228 30 61 , 7228 30 69 , 7228 30 70 , 7228 30 89 , 7228 60 20 , 7228 60 80 , 7228 70 10 , 7228 70 90 , 7228 80 00

13

Betonstaal

7214 20 00 , 7214 99 10

14

Staven en lichte profielen van roestvrij staal

7222 11 11 , 7222 11 19 , 7222 11 81 , 7222 11 89 , 7222 19 10 , 7222 19 90 , 7222 20 11 , 7222 20 19 , 7222 20 21 , 7222 20 29 , 7222 20 31 , 7222 20 39 , 7222 20 81 , 7222 20 89 , 7222 30 51 , 7222 30 91 , 7222 30 97 , 7222 40 10 , 7222 40 50 , 7222 40 90

15

Walsdraad van roestvrij staal

7221 00 10 , 7221 00 90

16

Niet-gelegeerde en ander gelegeerde walsdraad

7213 10 00 , 7213 20 00 , 7213 91 10 , 7213 91 20 , 7213 91 41 , 7213 91 49 , 7213 91 70 , 7213 91 90 , 7213 99 10 , 7213 99 90 , 7227 10 00 , 7227 20 00 , 7227 90 10 , 7227 90 50 , 7227 90 95

17

Walsdraad, staven en profielen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal

7216 31 10 , 7216 31 90 , 7216 32 11 , 7216 32 19 , 7216 32 91 , 7216 32 99 , 7216 33 10 , 7216 33 90

18

Damwand profielen

7301 10 00

19

Spoorwegmateriaal

7302 10 22 , 7302 10 28 , 7302 10 40 , 7302 10 50 , 7302 40 00

20

Gasbuizen

7306 30 41 , 7306 30 49 , 7306 30 72 , 7306 30 77

21

Holle profielen

7306 61 10 , 7306 61 92 , 7306 61 99

22

Naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal

7304 11 00 , 7304 22 00 , 7304 24 00 , 7304 41 00 , 7304 49 10 , 7304 49 93 , 7304 49 95 , 7304 49 99

23

Buizen en pijpen voor kogellagers

7304 51 12 , 7304 51 18 , 7304 59 32 , 7304 59 38

24

Andere naadloze buizen

7304 19 10 , 7304 19 30 , 7304 19 90 , 7304 23 00 , 7304 29 10 , 7304 29 30 , 7304 29 90 , 7304 31 20 , 7304 31 80 , 7304 39 10 , 7304 39 52 , 7304 39 58 , 7304 39 92 , 7304 39 93 , 7304 39 98 , 7304 51 81 , 7304 51 89 , 7304 59 10 , 7304 59 92 , 7304 59 93 , 7304 59 99 , 7304 90 00

25

Grote belaste buizen

7305 11 00 , 7305 12 00 , 7305 19 00 , 7305 20 00 , 7305 31 00 , 7305 39 00 , 7305 90 00

26

Andere gelaste buizen

7306 11 10 , 7306 11 90 , 7306 19 10 , 7306 19 90 , 7306 21 00 , 7306 29 00 , 7306 30 11 , 7306 30 19 , 7306 30 80 , 7306 40 20 , 7306 40 80 , 7306 50 20 , 7306 50 80 , 7306 69 10 , 7306 69 90 , 7306 90 00

27

Staven van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, door koud nabewerken verkregen

7215 10 00 , 7215 50 11 , 7215 50 19 , 7215 50 80 , 7228 10 90 , 7228 20 99 , 7228 50 20 , 7228 50 40 , 7228 50 61 , 7228 50 69 , 7228 50 80

28

Draad van niet-gelegeerd staal

7217 10 10 , 7217 10 31 , 7217 10 39 , 7217 10 50 , 7217 10 90 , 7217 20 10 , 7217 20 30 , 7217 20 50 , 7217 20 90 , 7217 30 41 , 7217 30 49 , 7217 30 50 , 7217 30 90 , 7217 90 20 , 7217 90 50 , 7217 90 90


BIJLAGE II

II.1 — Groei van de invoer voor de 26 productcategorieën (in ton)

Productnummer

Productcategorie

2013

2014

2015

2016

2017

MRP

Groei MRP ten opzichte van 2013

1

Bladen en strippen van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, warm gewalst

4 867 242

5 263 815

7 854 395

8 610 847

7 048 217

7 209 718

48 %

2

Niet-gelegeerde en ander gelegeerde koudgewalste platen

1 837 875

1 906 067

2 761 337

2 007 299

2 463 937

2 463 941

34 %

3

Elektroplaten (andere dan met gerichte korrels)

266 355

284 376

279 777

312 647

377 744

433 526

63 %

4

Metallisch beklede bladen

1 855 325

2 203 135

2 688 830

3 924 906

5 019 132

4 637 052

150 %

5

Organisch beklede platen

681 646

725 004

622 482

730 619

919 000

937 693

38 %

6

Blik

549 941

660 743

634 722

754 638

616 810

735 928

34 %

7

Kwartoplaten van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal

1 439 430

1 968 634

2 573 220

2 834 744

2 549 694

2 374 170

65 %

8

Roestvrije warmgewalste platen en banden

157 197

213 885

247 090

326 631

407 886

408 468

160 %

9

Roestvrije koudgewalste platen en banden

645 004

954 179

697 199

753 058

869 091

972 415

51 %

10

Roestvrije warmgewalste kwartoplaten

26 799

34 700

31 586

25 995

27 704

28 677

7 %

12

Niet-gelegeerd en ander gelegeerd staafstaal, waaronder lichte profielen

942 999

1 265 397

1 233 328

1 429 511

1 419 973

1 792 392

90 %

13

Betonstaal

528 702

972 572

1 430 000

1 292 936

1 191 379

1 755 338

232 %

14

Staven en lichte profielen van roestvrij staal

114 638

149 670

144 875

149 499

161 973

184 811

61 %

15

Walsdraad van roestvrij staal

52 068

71 209

57 542

58 659

63 022

69 786

34 %

16

Niet-gelegeerde en ander gelegeerde walsdraad

1 107 169

1 267 308

1 694 707

2 001 322

2 093 877

2 354 164

113 %

17

Walsdraad, staven en profielen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal

222 797

274 863

267 851

387 353

262 759

373 732

68 %

18

Damwand profielen

15 871

16 497

14 051

36 683

84 549

83 502

426 %

19

Spoorwegmateriaal

14 587

25 532

23 202

12 494

18 232

23 013

58 %

20

Gasbuizen

275 378

349 078

314 471

354 261

401 410

445 569

62 %

21

Holle profielen

485 038

578 426

602 190

757 274

862 889

956 360

97 %

22

Naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal

42 417

55 590

54 948

51 614

49 593

49 781

17 %

24

Andere naadloze buizen

440 696

509 052

448 761

448 333

410 822

480 600

9 %

25

Grote belaste buizen

295 502

418 808

218 549

171 512

1 053 049

720 886

144 %

26

Andere gelaste buizen

462 137

484 915

494 914

526 634

551 764

558 457

21 %

27

Staven van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, door koud nabewerken verkregen

446 086

514 066

479 271

454 924

454 921

501 232

12 %

28

Draad van niet-gelegeerd staal

555 798

700 560

683 041

726 158

714 480

762 600

37 %

II.2 — Groei van de invoer voor de twee productcategorieën (in ton)

Productnummer

Productcategorie

2013

2014

2015

2016

2017

MRP

Groei MRP ten opzichte van 2013

11

Elektroplaat met georiënteerde korrels

114 388

112 258

101 737

109 518

99 917

106 570

– 7 %

23

Buizen en pijpen voor kogellagers

7 475

8 998

8 337

7 035

6 137

6 265

– 16 %


BIJLAGE III

III.1 — Lijst van ontwikkelingslanden die lid zijn van de WTO

Afghanistan, Albanië, Angola, Antigua en Barbuda, Argentinië, Armenië, Bahrein, Bangladesh, Barbados, Belize, Benin, Bolivia, Botswana, Brazilië, Brunei Darussalam, Burkina Faso, Burundi, Cambodja, Centraal-Afrikaanse Republiek, Chili, China, Colombia, Congo, Costa Rica, Cuba, Democratische Republiek Congo, Democratische Volksrepubliek Laos, Djibouti, Dominica, Dominicaanse Republiek, Ecuador, Egypte, El Salvador, Eswatini, Fiji, Filipijnen, Gabon, Gambia, Georgië, Ghana, Grenada, Guatemala, Guinee, Guinee-Bissau, Guyana, Haïti, Honduras, Hongkong, India, Indonesië, Ivoorkust, Jamaica, Jemen, Jordanië, Kaapverdië, Kameroen, Kazachstan, Kenia, Kirgizische Republiek, Koeweit, Lesotho, Liberia, Macao, Madagaskar, Malawi, Maldiven, Maleisië, Mali, Marokko, Mauritanië, Mauritius, Mexico, Moldova, Mongolië, Montenegro, Mozambique, Myanmar, Namibië, Nepal, Nicaragua, Niger, Nigeria, Oeganda, Oekraïne, Oman, Pakistan, Panama, Papoea-Nieuw-Guinea, Paraguay, Peru, Qatar, Rwanda, Saint Kitts en Nevis, Saint Lucia, Saint Vincent en de Grenadines, Salomonseilanden, Samoa, Saudi-Arabië, Senegal, Seychellen, Sierra Leone, Sri Lanka, Suriname, Tajikistan, Tanzania, Thailand, Togo, Tonga, Trinidad en Tobago, Tsjaad, Tunesië, Turkije, Uruguay, Vanuatu, Venezuela, Verenigde Arabische Emiraten, Vietnam, voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië, Zambia, Zimbabwe, Zuid-Afrika

III.2 — Lijst van productcategorieën uit ontwikkelingslanden ten aanzien waarvan de definitieve maatregelen gelden

Land/Productgroep

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

12

13

14

15

16

17

18

19

20

21

22

24

25

26

27

28

Brazilië

x

x

 

 

 

x

x

x

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

China

 

 

x

x

 

x

 

x

 

x

x

 

 

x

 

 

x

x

 

x

x

x

x

x

x

x

Egypte

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

 

 

 

 

x

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

x

 

 

 

 

 

 

India

x

x

x

x

x

x

x

x

x

x

 

 

x

x

 

 

 

 

x

 

x

 

 

x

 

 

Indonesië

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Maleisië

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Mexico

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

Moldavië

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Thailand

 

 

 

 

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Turkije

x

x

 

x

x

 

 

 

x

x

x

x

 

 

x

x

 

x

x

x

 

 

x

x

x

x

Oekraïne

x

x

 

 

 

 

x

 

 

 

 

x

x

 

x

x

 

x

x

x

x

x

 

 

x

x

Verenigde Arabische Emiraten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

x

x

 

x

 

 

 

 

x

 

 

Vietnam

 

x

 

x

 

 

 

 

x

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 


BIJLAGE IV

IV.1 — Omvang tariefcontingenten

Productnummer

Productcategorie

GN-codes

Toewijzing per land (indien van toepassing)

Van 2.2.2019 t.e.m. 30.6.2019

Van 1.7.2019 t.e.m. 30.6.2020

Van 1.7.2020 t.e.m. 30.6.2021

Aanvullend recht

Volgnummers

Omvang tariefcontingent (ton netto)

Omvang tariefcontingent (ton netto)

Omvang tariefcontingent (ton netto)

1

Bladen en strippen van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, warm gewalst

7208 10 00 , 7208 25 00 , 7208 26 00 , 7208 27 00 , 7208 36 00 , 7208 37 00 , 7208 38 00 , 7208 39 00 , 7208 40 00 , 7208 52 10 , 7208 52 99 , 7208 53 10 , 7208 53 90 , 7208 54 00 , 7211 13 00 , 7211 14 00 , 7211 19 00 , 7212 60 00 , 7225 19 10 , 7225 30 10 , 7225 30 30 , 7225 30 90 , 7225 40 15 , 7225 40 90 , 7226 19 10 , 7226 91 20 , 7226 91 91 , 7226 91 99

Alle derde landen

3 359 532,08

8 641 212,54

9 073 273,16

25 %

 (1)

2

Niet-gelegeerde en ander gelegeerde koudgewalste platen

7209 15 00 , 7209 16 90 , 7209 17 90 , 7209 18 91 , 7209 25 00 , 7209 26 90 , 7209 27 90 , 7209 28 90 , 7209 90 20 , 7209 90 80 , 7211 23 20 , 7211 23 30 , 7211 23 80 , 7211 29 00 , 7211 90 20 , 7211 90 80 , 7225 50 20 , 7225 50 80 , 7226 20 00 , 7226 92 00

India

234 714,39

603 720,07

633 906,07

25 %

09.8801

Korea (Republiek)

144 402,99

371 425,82

389 997,11

25 %

09.8802

Oekraïne

102 325,83

263 197,14

276 357,00

25 %

09.8803

Brazilië

65 398,61

168 214,89

176 625,64

25 %

09.8804

Servië

56 480,21

145 275,43

152 539,20

25 %

09.8805

Andere landen

430 048,96

1 106 149,42

1 161 456,89

25 %

 (2)

3A

Elektroplaten (andere dan met gerichte korrels)

7209 16 10 , 7209 17 10 , 7209 18 10 , 7209 26 10 , 7209 27 10 , 7209 28 10

Korea (Republiek)

1 923,96

4 948,72

5 196,15

25 %

09.8806

China

822,98

2 116,84

2 222,68

25 %

09.8807

Rusland

519,69

1 336,71

1 403,54

25 %

09.8808

Iran (Islamitische Republiek)

227,52

585,21

614,47

25 %

09.8809

Andere landen

306,34

787,96

827,35

25 %

 (3)

3B

7225 19 90 , 7226 19 80

Rusland

51 426,29

132 276,00

138 889,80

25 %

09.8811

Korea (Republiek)

31 380,40

80 715,02

84 750,77

25 %

09.8812

China

24 187,01

62 212,57

65 323,20

25 %

09.8813

Taiwan

18 144,97

46 671,54

49 005,12

25 %

09.8814

Andere landen

8 395,39

21 594,19

22 673,90

25 %

 (4)

4A (5)

Metallisch beklede bladen

Taric-codes: 7210410020 , 7210490020 7210610020 , 7210690020 , 7212300020 , 7212506120 , 7212506920 , 7225920020 , 7225990011 , 7225990022 , 7225990040 , 7225990091 , 7225990092 , 7226993010 , 7226997011 , 7226997091 , 7226997094

Korea (Republiek)

69 571,10

178 947,15

187 894,51

25 %

09.8816

India

83 060,42

213 643,66

224 325,84

25 %

09.8817

Andere landen

761 518,93

1 958 739,13

2 056 676,09

25 %

 (6)

4B (7)

GN-codes: 7210 20 00 , 7210 30 00 , 7210 90 80 , 7212 20 00 , 7212 50 20 , 7212 50 30 , 7212 50 40 , 7212 50 90 , 7225 91 00 , 7226 99 10

Taric-codes: 7210410080 , 7210490080 , 7210610080 , 7210690080 , 7212300080 , 7212506180 , 7212506980 , 7225920080 , 7225990025 , 7225990095 , 7226993090 , 7226997019 , 7226997096

China

204 951,07

527 164,42

553 522,64

25 %

09.8821

Korea (Republiek)

249 533,26

641 836,39

673 928,21

25 %

09.8822

India

118 594,25

305 041,91

320 294,00

25 %

09.8823

Taiwan

49 248,78

126 675,12

133 008,88

25 %

09.8824

Andere landen

125 598,05

323 056,72

339 209,55

25 %

 (8)

5

Organisch beklede platen

7210 70 80 , 7212 40 80

India

108 042,36

277 900,89

291 795,94

25 %

09.8826

Korea (Republiek)

103 354,11

265 842,04

279 134,14

25 %

09.8827

Taiwan

31 975,79

82 246,46

86 358,79

25 %

09.8828

Turkije

21 834,45

56 161,42

58 969,49

25 %

09.8829

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

16 331,15

42 006,13

44 106,44

25 %

09.8830

Andere landen

43 114,71

110 897,39

116 442,26

25 %

 (9)

6

Blik

7209 18 99 , 7210 11 00 , 7210 12 20 , 7210 12 80 , 7210 50 00 , 7210 70 10 , 7210 90 40 , 7212 10 10 , 7212 10 90 , 7212 40 20

China

158 139,17

406 757,31

427 095,17

25 %

09.8831

Servië

30 545,88

78 568,52

82 496,95

25 %

09.8832

Korea (Republiek)

23 885,70

61 437,55

64 509,42

25 %

09.8833

Taiwan

21 167,00

54 444,65

57 166,88

25 %

09.8834

Brazilië

19 730,03

50 748,55

53 285,98

25 %

09.8835

Andere landen

33 167,30

85 311,19

89 576,75

25 %

 (10)

7

Kwartoplaten van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal

7208 51 20 , 7208 51 91 , 7208 51 98 , 7208 52 91 , 7208 90 20 , 7208 90 80 , 7210 90 30 , 7225 40 12 , 7225 40 40 , 7225 40 60

Oekraïne

339 678,24

873 702,59

917 387,71

25 %

09.8836

Korea (Republiek)

140 011,38

360 129,93

378 136,43

25 %

09.8837

Rusland

115 485,12

297 044,77

311 897,01

25 %

09.8838

India

74 811,09

192 425,17

202 046,43

25 %

09.8839

Andere landen

466 980,80

1 201 143,58

1 261 200,76

25 %

 (11)

8

Roestvrije warmgewalste platen en banden

7219 11 00 , 7219 12 10 , 7219 12 90 , 7219 13 10 , 7219 13 90 , 7219 14 10 , 7219 14 90 , 7219 22 10 , 7219 22 90 , 7219 23 00 , 7219 24 00 , 7220 11 00 , 7220 12 00

China

87 328,82

224 622,62

235 853,75

25 %

09.8841

Korea (Republiek)

18 082,33

46 510,43

48 835,95

25 %

09.8842

Taiwan

12 831,07

33 003,41

34 653,58

25 %

09.8843

Verenigde Staten van Amerika

11 810,30

30 377,84

31 896,74

25 %

09.8844

Andere landen

10 196,61

26 227,19

27 538,55

25 %

 (12)

9

Roestvrije koudgewalste platen en banden

7219 31 00 , 7219 32 10 , 7219 32 90 , 7219 33 10 , 7219 33 90 , 7219 34 10 , 7219 34 90 , 7219 35 10 , 7219 35 90 , 7219 90 20 , 7219 90 80 , 7220 20 21 , 7220 20 29 , 7220 20 41 , 7220 20 49 , 7220 20 81 , 7220 20 89 , 7220 90 20 , 7220 90 80

Korea (Republiek)

70 813,18

182 141,97

191 249,07

25 %

09.8846

Taiwan

65 579,14

168 679,23

177 113,19

25 %

09.8847

India

42 720,54

109 883,53

115 377,71

25 %

09.8848

Verenigde Staten van Amerika

35 609,52

91 592,94

96 172,59

25 %

09.8849

Turkije

29 310,69

75 391,41

79 160,98

25 %

09.8850

Maleisië

19 799,24

50 926,57

53 472,90

25 %

09.8851

Vietnam

16 832,28

43 295,10

45 459,86

25 %

09.8852

Andere landen

50 746,86

130 528,43

137 054,85

25 %

 (13)

10

Roestvrije warmgewalste kwartoplaten

7219 21 10 , 7219 21 90

China

6 765,50

17 401,86

18 271,95

25 %

09.8856

India

2 860,33

7 357,20

7 725,06

25 %

09.8857

Taiwan

1 119,34

2 879,11

3 023,06

25 %

09.8858

Andere landen

1 440,07

3 704,07

3 889,27

25 %

 (14)

12

Niet-gelegeerd en ander gelegeerd staafstaal, waaronder lichte profielen

7214 30 00 , 7214 91 10 , 7214 91 90 , 7214 99 31 , 7214 99 39 , 7214 99 50 , 7214 99 71 , 7214 99 79 , 7214 99 95 , 7215 90 00 , 7216 10 00 , 7216 21 00 , 7216 22 00 , 7216 40 10 , 7216 40 90 , 7216 50 10 , 7216 50 91 , 7216 50 99 , 7216 99 00 , 7228 10 20 , 7228 20 10 , 7228 20 91 , 7228 30 20 , 7228 30 41 , 7228 30 49 , 7228 30 61 , 7228 30 69 , 7228 30 70 , 7228 30 89 , 7228 60 20 , 7228 60 80 , 7228 70 10 , 7228 70 90 , 7228 80 00

China

166 217,87

427 536,89

448 913,74

25 %

09.8861

Turkije

114 807,87

295 302,79

310 067,93

25 %

09.8862

Rusland

94 792,44

243 820,15

256 011,16

25 %

09.8863

Zwitserland

73 380,52

188 745,54

198 182,81

25 %

09.8864

Wit-Rusland

57 907,73

148 947,24

156 394,60

25 %

09.8865

Andere landen

76 245,19

196 113,88

205 919,57

25 %

 (15)

13

Betonstaal

7214 20 00 , 7214 99 10

Turkije

117 231,80

301 537,50

316 614,37

25 %

09.8866

Rusland

94 084,20

241 998,46

254 098,38

25 %

09.8867

Oekraïne

62 534,65

160 848,36

168 890,77

25 %

09.8868

Bosnië en Herzegovina

39 356,10

101 229,71

106 291,20

25 %

09.8869

Moldavië

28 284,59

72 752,14

76 389,74

25 %

09.8870

Andere landen

217 775,50

560 150,74

588 158,28

 

 (16)

14

Staven en lichte profielen van roestvrij staal

7222 11 11 , 7222 11 19 , 7222 11 81 , 7222 11 89 , 7222 19 10 , 7222 19 90 , 7222 20 11 , 7222 20 19 , 7222 20 21 , 7222 20 29 , 7222 20 31 , 7222 20 39 , 7222 20 81 , 7222 20 89 , 7222 30 51 , 7222 30 91 , 7222 30 97 , 7222 40 10 , 7222 40 50 , 7222 40 90

India

44 433,00

114 288,24

120 002,65

25 %

09.8871

Zwitserland

6 502,75

16 726,03

17 562,33

25 %

09.8872

Oekraïne

5 733,50

14 747,41

15 484,78

25 %

09.8873

Andere landen

8 533,24

21 948,75

23 046,19

25 %

 (17)

15

Walsdraad van roestvrij staal

7221 00 10 , 7221 00 90

India

10 135,23

26 069,31

27 372,78

25 %

09.8876

Taiwan

6 619,68

17 026,79

17 878,13

25 %

09.8877

Korea (Republiek)

3 300,07

8 488,26

8 912,67

25 %

09.8878

China

2 216,86

5 702,09

5 987,20

25 %

09.8879

Japan

2 190,40

5 634,03

5 915,73

25 %

09.8880

Andere landen

1 144,43

2 943,64

3 090,82

25 %

 (18)

16

Niet-gelegeerde en ander gelegeerde walsdraad

7213 10 00 , 7213 20 00 , 7213 91 10 , 7213 91 20 , 7213 91 41 , 7213 91 49 , 7213 91 70 , 7213 91 90 , 7213 99 10 , 7213 99 90 , 7227 10 00 , 7227 20 00 , 7227 90 10 , 7227 90 50 , 7227 90 95

Oekraïne

149 009,10

383 273,39

402 437,06

25 %

09.8881

Zwitserland

141 995,22

365 232,67

383 494,31

25 %

09.8882

Rusland

122 883,63

316 074,84

331 878,59

25 %

09.8883

Turkije

121 331,08

312 081,44

327 685,51

25 %

09.8884

Wit-Rusland

97 436,46

250 620,96

263 152,01

25 %

09.8885

Moldavië

73 031,65

187 848,18

197 240,59

25 %

09.8886

Andere landen

122 013,20

313 835,96

329 527,76

25 %

 (19)

17

Walsdraad, staven en profielen, van ijzer of van niet-gelegeerd staal

7216 31 10 , 7216 31 90 , 7216 32 11 , 7216 32 19 , 7216 32 91 , 7216 32 99 , 7216 33 10 , 7216 33 90

Oekraïne

42 915,19

110 384,21

115 903,42

25 %

09.8891

Turkije

38 465,03

98 937,73

103 884,61

25 %

09.8892

Korea (Republiek)

10 366,76

26 664,84

27 998,09

25 %

09.8893

Rusland

9 424,08

24 240,12

25 452,12

25 %

09.8894

Brazilië

8 577,95

22 063,74

23 166,93

25 %

09.8895

Zwitserland

6 648,01

17 099,66

17 954,65

25 %

09.8896

Andere landen

14 759,92

37 964,70

39 862,93

25 %

 (20)

18

Damwand profielen

7301 10 00

China

12 198,24

31 375,68

32 944,46

25 %

09.8901

Verenigde Arabische Emiraten

6 650,41

17 105,84

17 961,13

25 %

09.8902

Andere landen

480,04

1 234,73

1 296,46

25 %

 (21)

19

Spoorwegmateriaal

7302 10 22 , 7302 10 28 , 7302 10 40 , 7302 10 50 , 7302 40 00

Rusland

2 147,19

5 522,90

5 799,05

25 %

09.8906

China

2 145,07

5 517,42

5 793,30

25 %

09.8907

Turkije

1 744,68

4 487,58

4 711,96

25 %

09.8908

Oekraïne

657,60

1 691,46

1 776,03

25 %

09.8909

Andere landen

1 010,85

2 600,06

2 730,07

25 %

 (22)

20

Gasbuizen

7306 30 41 , 7306 30 49 , 7306 30 72 , 7306 30 77

Turkije

88 914,68

228 701,68

240 136,77

25 %

09.8911

India

32 317,40

83 125,12

87 281,37

25 %

09.8912

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

9 637,48

24 789,01

26 028,46

25 %

09.8913

Andere landen

22 028,87

56 661,52

59 494,59

25 %

 (23)

21

Holle profielen

7306 61 10 , 7306 61 92 , 7306 61 99

Turkije

154 436,15

397 232,59

417 094,22

25 %

09.8916

Rusland

35 406,28

91 070,18

95 623,68

25 %

09.8917

Voormalige Joegoslavische Republiek Macedonië

34 028,95

87 527,48

91 903,85

25 %

09.8918

Oekraïne

25 240,74

64 922,92

68 169,06

25 %

09.8919

Zwitserland

25 265,29

57 369,40

60 237,87

25 %

09.8920

Wit-Rusland

20 898,79

53 754,78

56 442,52

25 %

09.8921

Andere landen

25 265,29

64 986,05

68 235,36

25 %

 (24)

22

Naadloze buizen en pijpen van roestvrij staal

7304 11 00 , 7304 22 00 , 7304 24 00 , 7304 41 00 , 7304 49 10 , 7304 49 93 , 7304 49 95 , 7304 49 99

India

8 315,90

21 389,71

22 459,20

25 %

09.8926

Oekraïne

5 224,94

13 439,33

14 111,29

25 %

09.8927

Korea (Republiek)

1 649,31

4 242,27

4 454,39

25 %

09.8928

Japan

1 590,45

4 090,86

4 295,41

25 %

09.8929

Verenigde Staten van Amerika

1 393,26

3 583,68

3 762,86

25 %

09.8930

China

1 299,98

3 343,74

3 510,92

25 %

09.8931

Andere landen

2 838,17

7 300,20

7 665,21

25 %

 (25)

24

Andere naadloze buizen

7304 19 10 , 7304 19 30 , 7304 19 90 , 7304 23 00 , 7304 29 10 , 7304 29 30 , 7304 29 90 , 7304 31 20 , 7304 31 80 , 7304 39 10 , 7304 39 52 , 7304 39 58 , 7304 39 92 , 7304 39 93 , 7304 39 98 , 7304 51 81 , 7304 51 89 , 7304 59 10 , 7304 59 92 , 7304 59 93 , 7304 59 99 , 7304 90 00

China

49 483,75

127 279,51

133 643,48

25 %

09.8936

Oekraïne

36 779,89

94 603,32

99 333,49

25 %

09.8937

Wit-Rusland

19 655,31

50 556,35

53 084,17

25 %

09.8938

Japan

13 766,04

35 408,29

37 178,71

25 %

09.8939

Verenigde Staten van Amerika

12 109,53

31 147,50

32 704,87

25 %

09.8940

Andere landen

55 345,57

142 356,97

149 474,82

25 %

 (26)

25

Grote belaste buizen

7305 11 00 , 7305 12 00 , 7305 19 00 , 7305 20 00 , 7305 31 00 , 7305 39 00 , 7305 90 00

Rusland

140 602,32

361 649,91

379 732,41

25 %

09.8941

Turkije

17 543,40

45 124,22

47 380,43

25 %

09.8942

China

14 213,63

36 559,56

38 387,54

25 %

09.8943

Andere landen

34 011,86

87 483,52

91 857,70

25 %

 (27)

26

Andere gelaste buizen

7306 11 10 , 7306 11 90 , 7306 19 10 , 7306 19 90 , 7306 21 00 , 7306 29 00 , 7306 30 11 , 7306 30 19 , 7306 30 80 , 7306 40 20 , 7306 40 80 , 7306 50 20 , 7306 50 80 , 7306 69 10 , 7306 69 90 , 7306 90 00

Zwitserland

64 797,98

166 669,96

175 003,46

25 %

09.8946

Turkije

60 693,64

156 113,01

163 918,66

25 %

09.8947

Verenigde Arabische Emiraten

18 676,40

48 038,46

50 440,38

25 %

09.8948

China

18 010,22

46 324,96

48 641,20

25 %

09.8949

Taiwan

14 374,20

36 972,56

38 821,19

25 %

09.8950

India

11 358,87

29 216,69

30 677,53

25 %

09.8951

Andere landen

36 898,57

94 908,57

99 653,99

25 %

 (28)

27

Staven van niet-gelegeerd of ander gelegeerd staal, door koud nabewerken verkregen

7215 10 00 , 7215 50 11 , 7215 50 19 , 7215 50 80 , 7228 10 90 , 7228 20 99 , 7228 50 20 , 7228 50 40 , 7228 50 61 , 7228 50 69 , 7228 50 80

Rusland

117 519,41

302 277,28

317 391,14

25 %

09.8956

Zwitserland

27 173,22

69 893,54

73 388,22

25 %

09.8957

China

20 273,26

52 145,82

54 753,12

25 %

09.8958

Oekraïne

15 969,02

41 074,67

43 128,40

25 %

09.8959

Andere landen

17 540,47

45 116,69

47 372,52

25 %

 (29)

28

Draad van niet-gelegeerd staal

7217 10 10 , 7217 10 31 , 7217 10 39 , 7217 10 50 , 7217 10 90 , 7217 20 10 , 7217 20 30 , 7217 20 50 , 7217 20 90 , 7217 30 41 , 7217 30 49 , 7217 30 50 , 7217 30 90 , 7217 90 20 , 7217 90 50 , 7217 90 90

Wit-Rusland

88 294,51

227 106,51

238 461,84

25 %

09.8961

China

66 719,82

171 613,24

180 193,90

25 %

09.8962

Rusland

41 609,21

107 025,04

112 376,29

25 %

09.8963

Turkije

40 302,46

103 663,89

108 847,08

25 %

09.8964

Oekraïne

26 755,09

68 818,05

72 258,95

25 %

09.8965

Andere landen

39 770,29

102 295,06

107 409,81

25 %

 (30)

IV.2 — Omvang globale tariefcontingenten per kwartaal

 

JAAR 1

JAAR 2

JAAR 3

Productnummer

 

Van 2.2.2019 t.e.m. 31.3.2019

Van 1.4.2019 t.e.m. 30.6.2019

Van 1.7.2019 t.e.m. 30.9.2019

Van 1.10.2019 t.e.m. 31.12.2019

Van 1.1.2020 t.e.m. 31.3.2020

Van 1.4.2020 t.e.m. 30.6.2020

Van 1.7.2020 t.e.m. 30.9.2020

Van 1.10.2020 t.e.m. 31.12.2020

Van 1.1.2021 t.e.m. 31.3.2021

Van 1.4.2021 t.e.m. 30.6.2021

1

Andere landen

1 307 737,32

2 051 794,76

2 172 108,07

2 172 108,07

2 148 498,20

2 148 498,20

2 286 962,00

2 286 962,00

2 237 245,44

2 262 103,72

2

Andere landen

167 401,61

262 647,35

278 048,49

278 048,49

275 026,22

275 026,22

292 750,78

292 750,78

286 386,63

289 568,70

3A

Andere landen

119,25

187,09

198,07

198,07

195,91

195,91

208,54

208,54

204,01

206,27

3B

Andere landen

3 268,01

5 127,39

5 428,05

5 428,05

5 369,05

5 369,05

5 715,07

5 715,07

5 590,82

5 652,94

4A

Andere landen

296 430,19

465 088,74

492 360,66

492 360,66

487 008,91

487 008,91

518 395,07

518 395,07

507 125,61

512 760,34

4B

Andere landen

48 890,51

76 707,53

81 205,51

81 205,51

80 322,84

80 322,84

85 499,39

85 499,39

83 640,71

84 570,05

5

Andere landen

16 782,91

26 331,80

27 875,85

27 875,85

27 572,85

27 572,85

29 349,83

29 349,83

28 711,79

29 030,81

6

Andere landen

12 910,76

20 256,54

21 444,34

21 444,34

21 211,25

21 211,25

22 578,25

22 578,25

22 087,42

22 332,83

7

Andere landen

181 777,76

285 203,04

301 926,80

301 926,80

298 644,99

298 644,99

317 891,70

317 891,70

310 981,01

314 436,35

8

Andere landen

3 969,15

6 227,46

6 592,63

6 592,63

6 520,97

6 520,97

6 941,22

6 941,22

6 790,33

6 865,78

9

Andere landen

19 753,81

30 993,05

32 810,42

32 810,42

32 453,79

32 453,79

34 545,33

34 545,33

33 794,35

34 169,84

10

Andere landen

560,56

879,51

931,08

931,08

920,96

920,96

980,31

980,31

959,00

969,65

12

Andere landen

29 679,33

46 565,85

49 296,38

49 296,38

48 760,55

48 760,55

51 903,01

51 903,01

50 774,69

51 338,85

13

Andere landen

84 771,67

133 003,83

140 802,92

140 802,92

139 272,45

139 272,45

148 248,11

148 248,11

145 025,33

146 636,72

14

Andere landen

3 321,66

5 211,58

5 517,17

5 517,17

5 457,20

5 457,20

5 808,90

5 808,90

5 682,62

5 745,76

15

Andere landen

445,48

698,95

739,93

739,93

731,89

731,89

779,06

779,06

762,12

770,59

16

Andere landen

47 495,07

74 518,13

78 887,73

78 887,73

78 030,25

78 030,25

83 059,05

83 059,05

81 253,42

82 156,24

17

Andere landen

5 745,47

9 014,45

9 543,04

9 543,04

9 439,31

9 439,31

10 047,64

10 047,64

9 829,22

9 938,43

18

Andere landen

186,86

293,18

310,37

310,37

306,99

306,99

326,78

326,78

319,68

323,23

19

Andere landen

393,49

617,37

653,57

653,57

646,46

646,46

688,13

688,13

673,17

680,65

20

Andere landen

8 575,00

13 453,88

14 242,79

14 242,79

14 087,97

14 087,97

14 995,90

14 995,90

14 669,90

14 832,90

21

Andere landen

9 834,81

15 430,48

16 335,29

16 335,29

16 157,73

16 157,73

17 199,05

17 199,05

16 825,16

17 012,10

22

Andere landen

1 104,79

1 733,38

1 835,02

1 835,02

1 815,08

1 815,08

1 932,05

1 932,05

1 890,05

1 911,05

24

Andere landen

21 543,91

33 801,65

35 783,72

35 783,72

35 394,77

35 394,77

37 675,84

37 675,84

36 856,80

37 266,32

25

Andere landen

13 239,52

20 772,34

21 990,39

21 990,39

21 751,37

21 751,37

23 153,17

23 153,17

22 649,84

22 901,51

26

Andere landen

14 363,20

22 535,37

23 856,80

23 856,80

23 597,48

23 597,48

25 118,27

25 118,27

24 572,22

24 845,24

27

Andere landen

6 827,84

10 712,64

11 340,81

11 340,81

11 217,54

11 217,54

11 940,47

11 940,47

11 680,90

11 810,68

28

Andere landen

15 481,05

24 289,24

25 713,51

25 713,51

25 434,02

25 434,02

27 073,16

27 073,16

26 484,61

26 778,88


(1)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8601.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8602.

(2)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8603.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8604.

(3)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8605.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8606.

(4)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8607.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8608.

(5)  Aan antidumpingrechten onderworpen producten.

(6)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8609.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8610.

(7)  Niet aan antidumpingrechten onderworpen producten (met inbegrip van automobielen).

(8)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8611.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8612.

(9)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8613.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8614.

(10)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8615.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8616.

(11)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8617.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8618.

(12)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8619.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8620.

(13)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8621.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8622.

(14)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8623.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8624.

(15)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8625.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8626.

(16)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8627.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8628.

(17)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8629.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8630.

(18)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8631.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8632.

(19)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8633.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8634.

(20)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8635.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8636.

(21)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8637.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8638.

(22)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8639.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8640.

(23)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8641.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8642.

(24)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8643.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8644.

(25)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8645.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8646.

(26)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8647.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8648.

(27)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8649.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8650.

(28)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8651.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8652.

(29)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8653.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8654.

(30)  Van 2.2.2019 tot en met 31.3.2019, van 1.7.2019 tot en met 31.3.2020 en van 1.7.2020 tot en met 31.3.2021: 09.8655.

Van 1.4.2019 tot en met 30.6.2019, van 1.4.2020 tot en met 30.6.2020 en van 1.4.2021 tot en met 30.6.2021: 09.8656.


Top