EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32019D0010

Besluit (EU) 2019/685 van de Europese Centrale Bank van 18 april 2019 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019 (ECB/2019/10)

PB L 115 van 2.5.2019, p. 16–19 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2019/685/oj

2.5.2019   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 115/16


BESLUIT (EU) 2019/685 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 april 2019

betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019 (ECB/2019/10)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), en met name artikel 30,

Gezien Verordening (EU) nr. 1163/2014 van de Europese Centrale Bank van 22 oktober 2014 betreffende een vergoeding voor toezicht (ECB/2014/41) (2), en met name artikel 3, lid 1, en artikel 9, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het totale bedrag van de krachtens artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) aan te rekenen jaarlijkse vergoeding voor toezicht moet de uitgaven van de Europese Centrale Bank (ECB) in verband met haar toezichttaken in de betrokken vergoedingsperiode dekken, maar is niet hoger dan deze uitgaven. Deze uitgaven betreffen primair kosten die rechtstreeks verband houden met de toezichttaken van de ECB, zoals direct toezicht op belangrijke entiteiten, oversight op het toezicht op minder belangrijke entiteiten en het uitvoeren van horizontale taken en gespecialiseerde diensten. Deze uitgaven omvatten tevens kosten die indirect verband houden met de toezichttaken van de ECB, bv. door de ondersteunende diensten van de ECB verleende diensten, waaronder gebouwen, personeelsbeheer, administratieve diensten, budgettering en controlling, accountingdiensten, juridische diensten, communicatie- en vertaaldiensten, interne audit, en statistische en informatietechnologiediensten.

(2)

Ter berekening van de door belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen en door minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen verschuldigde jaarlijkse vergoeding voor toezicht moeten de totale kosten uitgesplitst worden op basis van de uitgaven die zijn toegerekend aan de betreffende functies die het directe toezicht uitoefenen op belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen, en die het indirecte toezicht uitoefenen op minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen.

(3)

Het totale bedrag van de jaarlijkse vergoedingen voor toezicht voor 2019 dient te worden berekend als de som van: (a) de geraamde jaarlijkse toezichtkosten voor 2019, gebaseerd op de voor 2019 goedgekeurde ECB-begroting, rekening houdend met ontwikkelingen in de geraamde jaarlijkse ECB-kosten die bekend waren toen dit Besluit werd vastgesteld; en (b) het overschot of tekort van 2018.

(4)

Het overschot of tekort wordt vastgesteld door de werkelijke jaarlijkse toezichtkosten van 2018, zoals blijkt uit de ECB-jaarrekening voor 2018 (3), in mindering te brengen op de geraamde jaarlijkse kosten voor 2018, zoals vastgelegd in de bijlage bij Besluit (EU) 2018/667 van de Europese Centrale Bank (ECB/2018/12) (4).

(5)

Overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) moet bij het vaststellen van de geraamde jaarlijkse toezichtkosten voor 2019 tevens rekening worden gehouden met niet-inbare vergoedingsbedragen die verband houden met vorige vergoedingsperiodes, met overeenkomstig artikel 14 ontvangen rentebetalingen en met overeenkomstig artikel 7, lid 3, van die verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen, voor zover van toepassing,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Voor de toepassing van dit Besluit zijn de definities in Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (5) en Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) van toepassing.

Artikel 2

Totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019

1.   Het totaalbedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019 bedraagt 576 020 336 EUR, zoals berekend overeenkomstig bijlage I bij dit besluit.

2.   Elke categorie van onder toezicht staande entiteiten en onder toezicht staande groepen betaalt het volgende totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht:

a)

belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen: 524 196 987 EUR;

b)

minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen: 51 823 349 EUR.

De uitsplitsing van het totale voor iedere categorie verschuldigde bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019 is vastgelegd in bijlage II.

Artikel 3

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 april 2019.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 311 van 31.10.2014, blz. 23.

(3)  Gepubliceerd op de ECB-website op: www.ecb.europa.eu in februari 2019.

(4)  Besluit (EU) 2018/667 van de Europese Centrale Bank van 19 april 2018 betreffende het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2018 (ECB/2018/12) (PB L 111 van 2.5.2018, blz. 3).

(5)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).


BIJLAGE I

Berekening van het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019

(EUR)

Geraamde jaarlijkse kosten voor 2019

559 007 136

Salarissen en voordelen

264 525 116

Huur en onderhoud gebouwen

58 866 157

Overige bedrijfskosten

235 615 863

Overschot/tekort voor 2018

15 332 187

Bedragen waarmee overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) rekening moet worden gehouden

1 681 013

Met vorige vergoedingsperiodes verband houdende niet-inbare vergoedingsbedragen

0

Overeenkomstig artikel 14 van de bovengenoemde verordening ontvangen rentebetalingen

– 9 626

Overeenkomstig artikel 7, lid 3 van de van de bovengenoemde verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen

1 690 639

TOTAAL

576 020 336


BIJLAGE II

Uitsplitsing van het totale bedrag van de jaarlijkse vergoeding voor toezicht voor 2019

(EUR)

 

Belangrijke onder toezicht staande entiteiten en belangrijke onder toezicht staande groepen

Minder belangrijke onder toezicht staande entiteiten en minder belangrijke onder toezicht staande groepen

Totaal

Geraamde jaarlijkse kosten voor 2019

508 696 494

50 310 642

559 007 136

Overschot/tekort voor 2018

13 952 290

1 379 897

15 332 187

Bedragen waarmee overeenkomstig artikel 5, lid 3 van Verordening (EU) nr. 1163/2014 (ECB/2014/41) rekening moet worden gehouden

1 548 203

132 810

1 681 013

Met vorige vergoedingsperiodes verband houdende niet-inbare vergoedingsbedragen

0

0

0

Overeenkomstig artikel 14 van de bovengenoemde verordening ontvangen rentebetalingen

– 7 918

– 1 708

– 9 626

Overeenkomstig artikel 7, lid 3, van de van de bovengenoemde verordening ontvangen of terugbetaalde bedragen

1 556 121

134 518

1 690 639

TOTAAL

524 196 987

51 823 349

576 020 336


Top