Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R1975

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1975 van de Commissie van 14 december 2018 tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 wat betreft vluchtuitvoeringseisen voor zweefvliegtuigen en electronic flight bags

C/2018/8477

OJ L 326, 20.12.2018, p. 53–63 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/1975/oj

20.12.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 326/53


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/1975 VAN DE COMMISSIE

van 14 december 2018

tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 wat betreft vluchtuitvoeringseisen voor zweefvliegtuigen en electronic flight bags

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2018 inzake gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Agentschap van de Europese Unie voor de veiligheid van de luchtvaart, en tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 2111/2005, (EG) nr. 1008/2008, (EU) nr. 996/2010, (EU) nr. 376/2014 en de Richtlijnen 2014/30/EU en 2014/53/EU van het Europees Parlement en de Raad, en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 552/2004 en (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EEG) nr. 3922/91 van de Raad (1), en met name artikel 31,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 965/2012 (2) van de Commissie zijn de voorwaarden vastgesteld voor de veiligheid van diverse soorten vluchtuitvoeringen met verschillende categorieën luchtvaartuigen, waaronder zweefvliegtuigen.

(2)

Exploitanten die betrokken zijn bij vluchtuitvoeringen als bedoeld in artikel 2, lid 1, onder b), punten i) en ii), van Verordening (EU) 2018/1139 moeten voldoen aan de relevante essentiële eisen van bijlage V bij die verordening.

(3)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 (3) van de Commissie zijn specifieke regels vastgesteld voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen. Vanaf de datum waarop die verordening van toepassing wordt, mogen die vluchtuitvoeringen niet langer onderworpen zijn aan de algemene regels voor vluchtuitvoering van Verordening (EU) nr. 965/2012. De in artikel 3 van Verordening (EU) nr. 965/2012 en in bijlage II bij die verordening vastgestelde regels in verband met het toezicht op vluchtuitvoeringen door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten moeten evenwel van toepassing blijven op vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen aangezien die eisen niet aan een specifiek type vluchtuitvoering zijn gekoppeld maar horizontaal voor alle vluchtuitvoeringen gelden.

(4)

Verordening (EU) nr. 965/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd om rekening te houden met de nieuwe regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen en om te verduidelijken welke bepalingen van die verordening op vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen van toepassing blijven.

(5)

Gelet op de nauwe band tussen de bepalingen van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 en de bepalingen van deze verordening, moeten de toepassingsdatums op elkaar worden afgestemd.

(6)

In 2014 heeft de ICAO aan bijlage 6, deel I en deel III, afdeling II, bepalingen toegevoegd betreffende het gebruik van electronic flight bags (EFB) voor commerciële luchtvervoersactiviteiten. Die bepalingen bevatten algemene voorschriften voor het gebruik van EFB en een vereiste voor de operationele goedkeuring voor het gebruik van EFB-toepassingen voor de veilige exploitatie van luchtvaartuigen. Verordening (EU) nr. 965/2012 moet derhalve in overeenstemming worden gebracht met de ICAO-voorschriften door de invoering van een nieuwe regel met algemene voorschriften voor het gebruik van EBF voor commercieel luchtvervoer en de toevoeging van nieuwe bepalingen ter ondersteuning van de operationele goedkeuring voor het gebruik van EFB-toepassingen waarvan het storingsgedrag als klein of nog minder is geclassificeerd.

(7)

In 2014 heeft de ICAO aan bijlage 6, deel II en deel III, afdeling III, ook bepalingen toegevoegd betreffende het gebruik van electronic flight bags (EFB) in de algemene luchtvaart. Die bepalingen bevatten algemene voorschriften voor het gebruik van EFB en een verplichting voor verdragsluitende landen om criteria vast te stellen voor het gebruik van EFB-toepassingen voor de veilige exploitatie van luchtvaartuigen. Het is daarom noodzakelijk om Verordening (EU) nr. 965/2012 in overeenstemming te brengen met de ICAO-voorschriften door voor niet-commerciële activiteiten met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen en gespecialiseerde vluchtuitvoeringen met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen nieuwe regels in te voeren met algemene voorschriften voor het gebruik van EFB en eisen voor het gebruik van EFB-toepassingen waarvan het storingsgedrag als minimaal of nog kleiner is geclassificeerd. Voorts voorziet deze verordening in de wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 door de vereisten voor draagbare elektronische apparaten voor niet-commerciële vluchtuitvoeringen met andere dan complexe motoraangedreven luchtvaartuigen af te stemmen op de algemene ICAO-bepalingen voor EFB-apparatuur.

(8)

Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft ontwerpuitvoeringsvoorschriften opgesteld in verband met specifieke regels voor de exploitatie van zweefvliegtuigen en dat ontwerp als advies (4) ingediend bij de Commissie overeenkomstig artikel 75, lid 2, onder b) en c), en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139.

(9)

Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart heeft ontwerp- uitvoeringsvoorschriften opgesteld met betrekking tot het gebruik van EFB (5) en die overeenkomstig artikel 75, lid 2, onder b) en c), en artikel 76, lid 1, van Verordening (EU) 2018/1139 als advies ingediend bij de Commissie.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 127 van Verordening (EU) 2018/1139 ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 965/2012

Verordening (EU) nr. 965/2012 wordt als volgt gewijzigd:

(1)

Artikel 1 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de leden 1, 2 en 3 worden vervangen door:

„1.   In deze verordening worden gedetailleerde regels vastgesteld voor vluchtuitvoeringen met vliegtuigen en helikopters, inclusief platforminspecties van luchtvaartuigen van exploitanten onder het veiligheidstoezicht van een andere staat die landen op luchthavens op het grondgebied dat onder de bepalingen van de Verdragen valt.

2.   In deze verordening worden ook gedetailleerde regels vastgesteld voor de afgifte, actualisering, wijziging, beperking, schorsing of intrekking van de certificaten van de in artikel 2, lid 1, onder b), punten i) en ii), van Verordening (EU) 2018/1139 vermelde exploitanten van luchtvaartuigen, met uitzondering van luchtballonnen en zweefvliegtuigen, die commerciële luchtvervoersactiviteiten verrichten, alsook de rechten en plichten van de houders van certificaten en de voorwaarden waaronder de activiteiten worden verboden, beperkt of onderworpen aan bepaalde voorwaarden in het belang van de veiligheid.

3.   In deze verordening worden ook gedetailleerde regels vastgesteld inzake de voorwaarden en procedures voor de eigen verklaring van exploitanten van commerciële gespecialiseerde vluchtuitvoeringen met vliegtuigen en helikopters of van niet-commerciële vluchtuitvoeringen met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen, met inbegrip van niet-commerciële gespecialiseerde vluchtuitvoeringen met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen, waaruit blijkt dat zij over de capaciteiten en middelen beschikken om zich te kwijten van de verantwoordelijkheden die gepaard gaan met de exploitatie van luchtvaartuigen, en inzake het toezicht op de genoemde exploitanten.”;

b)

lid 7 wordt vervangen door:

„7.   Deze verordening is niet van toepassing op vluchtuitvoeringen met luchtballonnen en zweefvliegtuigen. Voor vluchtuitvoeringen met andere ballonnen dan verankerde gasballonnen en zweefvliegtuigen blijven de regels van artikel 3 inzake toezicht echter van toepassing.”;

(2)

Artikel 2 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de punten 1, 1 bis en 1 ter worden vervangen door:

„1.

„vleugelvliegtuig”: een gemotoriseerd luchtvaartuig met vaste vleugels dat zwaarder is dan lucht en tijdens de vlucht wordt ondersteund door de dynamische reactie van lucht tegen de vleugels;

1 bis.

„helikopter”: een luchtvaartuig dat zwaarder is dan lucht en tijdens de vlucht voornamelijk wordt ondersteund door de reacties van de lucht op een of meer door een motor aangedreven rotors op substantieel verticale assen;

1 ter.

„ballon”: een bemand luchtvaartuig dat lichter is dan lucht, niet door een motor wordt aangedreven en in de lucht blijft door middel van gas dat lichter is dan lucht of een brander waarmee de lucht wordt verhit, met inbegrip van gasballonnen, heteluchtballonnen, gas-luchtballonnen en, motoraangedreven, luchtschepen met hete lucht;”;

b)

de volgende punten 1 quater, 1 quinquies en 1 sexies worden ingevoegd:

„1 quater.

„zweefvliegtuig”: een luchtvaartuig dat zwaarder is dan de lucht en dat in de lucht wordt gedragen door de aerodynamische reactie van de lucht tegen de vaste liftoppervlakken, waarvan de vrije vlucht niet afhankelijk is van een motor;

1 quinquies.

„commerciële vluchtuitvoering”: elke vluchtuitvoering met een luchtvaartuig, tegen vergoeding of andere beloning, die voor het publiek beschikbaar is of, wanneer deze niet voor het publiek beschikbaar is, die wordt verricht krachtens een overeenkomst tussen een exploitant en een klant, waarbij de klant geen controle over de exploitant uitoefent;

1 sexies.

„verankerde gasballon”: een ballon met een verankeringssysteem waarmee de ballon tijdens de vluchtuitvoering permanent aan een vast punt verankerd blijft;”;

c)

punt 9 wordt vervangen door de volgende tekst:

„9.

„kennismakingsvlucht”: een rondvlucht van korte duur tegen een beloning of andere vergoeding, die wordt aangeboden door een erkende opleidingsorganisatie als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011 (*1) van de Commissie; of door een organisatie die de luchtvaartsport of het vrijetijdsvliegen wil promoten, met het oog op het aantrekken van nieuwe stagiairs of leden;”;

(*1)  Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie van 3 november 2011 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures met betrekking tot de bemanning van burgerluchtvaartuigen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 311 van 25.11.2011, blz. 1)."

(3)

Artikel 5 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Exploitanten mogen alleen vluchten uitvoeren met een vliegtuig of helikopter voor commerciële luchtvervoersactiviteiten als gespecificeerd in de bijlagen III en IV.”;

b)

lid 2, onder b), wordt vervangen door:

„b)

vliegtuigen en helikopters die worden gebruikt voor het vervoer van gevaarlijke goederen;”;

c)

de leden 4, 5 en 6 worden vervangen door:

„4.   Exploitanten van andere dan complexe motoraangedreven vliegtuigen en helikopters die worden gebruikt voor niet-commerciële vluchtuitvoeringen, met inbegrip van niet-commerciële gespecialiseerde vluchtuitvoeringen, exploiteren luchtvaartuigen overeenkomstig bijlage VII.

5.   Opleidingsorganisaties als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011 en waarvan de hoofdvestiging zich in een lidstaat bevindt, maken tijdens oefenvluchten naar, binnen of vanuit de Unie gebruik van:

a)

complexe motoraangedreven vliegtuigen en helikopters overeenkomstig bijlage VI;

b)

andere vliegtuigen en helikopters overeenkomstig bijlage VII.

6.   Exploitanten verrichten alleen vluchtuitvoeringen met een vliegtuig of helikopter voor commerciële gespecialiseerde activiteiten overeenkomstig de eisen van de bijlagen III en VIII.”;

(4)

Artikel 6 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   In afwijking van artikel 5 van deze verordening en onverminderd artikel 18, lid 2, onder b), van Verordening (EU) 2018/1139 en subdeel P van bijlage I bij Verordening (EU) nr. 748/2012 (*2) van de Commissie inzake vliegvergunningen, blijven de volgende vluchten onderworpen aan de voorwaarden van de nationale wetgeving van de lidstaat waar de exploitant zijn hoofdvestiging heeft of, indien de exploitant geen hoofdvestiging heeft, zijn plaats van vestiging of verblijf:

a)

vluchten die verband houden met de introductie of wijziging van types vliegtuigen of helikopters en die door ontwerp- of productieorganisaties binnen het bereik van hun bevoegdheden worden uitgevoerd;

b)

vluchten zonder passagiers of vracht waarbij een vliegtuig of helikopter wordt getransporteerd voor renovatie, reparatie, onderhoud, controle, inspectie, levering, export of soortgelijke doeleinden.

(*2)  Verordening (EU) nr. 748/2012 van de Commissie van 3 augustus 2012 tot vaststelling van uitvoeringsvoorschriften inzake de luchtwaardigheid en milieucertificering van luchtvaartuigen en aanverwante producten, onderdelen en uitrustingsstukken, alsmede voor de certificering van ontwerp- en productieorganisaties (PB L 224 van 21.8.2012, blz. 1).”;"

b)

lid 4 bis wordt als volgt gewijzigd:

i)

de aanhef wordt vervangen door:

„4 bis.

In afwijking van artikel 5, leden 1 en 6, mogen de volgende vluchtuitvoeringen met andere dan complexe motoraangedreven vliegtuigen en helikopters worden verricht overeenkomstig bijlage VII:”;

ii)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

kennismakingsvluchten, parachuteringsvluchten, sleepvluchten met zweefvliegtuigen of kunstvluchten die worden uitgevoerd door een opleidingsorganisatie die haar hoofdvestiging in een lidstaat heeft en als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011, of door een organisatie die de luchtvaartsport of het vrijetijdsvliegen wil promoten, op voorwaarde dat het luchtvaartuig in eigendom of op grond van een dry-leaseovereenkomst wordt geëxploiteerd, dat de vlucht geen winst oplevert die buiten de organisatie wordt uitgekeerd en dat vluchten waarbij niet-leden van de organisatie betrokken zijn slechts een marginale activiteit van de organisatie zijn.”;

(5)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de alineanummering geschrapt en wordt de tweede alinea vervangen door de volgende tekst:

„Zij is van toepassing vanaf 28 oktober 2012”;

b)

De leden 2 tot en met 6 geschrapt.

(6)

De bijlagen I, II, III, IV, V, VI, VII en VIII worden gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze verordening.

Artikel 2

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 9 juli 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 14 december 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 212 van 22.8.2018, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie van 5 oktober 2012 tot vaststelling van technische eisen en administratieve procedures voor vluchtuitvoering, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 296 van 25.10.2012, blz. 1).

(3)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 (Zie bladzijde 64 van dit Publicatieblad).

(4)  Advies nr. 07/2017 van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart van 23 augustus 2017 voor een ontwerpverordening van de Commissie inzake de herziening van de uitvoeringsvoorschriften voor zweefvliegtuigen.

(5)  Advies nr. 10/2017 van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart van 18 december 2017 voor een ontwerpverordening van de Commissie tot wijziging van Verordening (EU) nr. 965/2012 van de Commissie.


BIJLAGE

De bijlagen I, II, III, IV, V, VI, VII en VIII bij Verordening (EU) nr. 965/2012 worden als volgt gewijzigd:

(1)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

punt 6 wordt geschrapt;

b)

punt 11 bis wordt geschrapt;

c)

de volgende punten 42 bis, 42 ter en 42 quater worden ingevoegd:

„42 bis.

„EFB-toepassing”: op een EFB-hostplatform geïnstalleerde softwaretoepassing die één of meer specifieke operationele functies biedt om vluchtuitvoeringen te ondersteunen;

42 ter.

„EFB-hostplatform”: de hardware waarop de verwerkingscapaciteit en basissoftware zijn geïnstalleerd, met inbegrip van het besturingssysteem en de input-/outputsoftware;

42 quater.

„EFB-systeem”: de hardware (met inbegrip van batterijen, connectiviteitsvoorzieningen, input-/outputcomponenten) en software (met inbegrip van databanken en het besturingssysteem) die nodig zijn om de beoogde EFB-toepassing(en) te ondersteunen;”;

d)

het volgende punt 44 bis wordt ingevoegd:

„44 bis.

„electronic flight bag (EFB)”: een elektronisch informatiesysteem, bestaande uit apparatuur en toepassingen voor de cockpitbemanning, waarmee EFB-functies die de vluchtuitvoering of taken ondersteunen, kunnen worden opgeslagen, geüpdatet, weergegeven of verwerkt;”;

e)

punt 57 wordt geschrapt;

f)

het volgende punt 69 bis wordt ingevoegd:

„69 bis.

„mens-machine-interface (MMI)”: een onderdeel van een aantal voorzieningen dat interactie tussen mens en machine tot stand kan brengen. De interface bestaat uit hard- en software waarmee input van gebruikers kan worden geïnterpreteerd en verwerkt door machines of systemen, die de gebruikers vervolgens het vereiste resultaat verstrekken;”;

g)

punt 78 bis wordt vervangen door:

„78 bis.

„kleine storing”: een storing die de veiligheid van luchtvaartuigen niet significant aantast en die geen buitengewone handelingen van de cockpitbemanning vergt;”;

h)

het volgende punt 78 ter wordt toegevoegd:

„78 ter.

„misbruik van stoffen”: het gebruik van een of meer psychoactieve stoffen door de cockpitbemanning, boordpersoneel en ander veiligheidsgevoelig personeel op zodanige wijze dat dit:

a)

een rechtstreeks gevaar vormt voor de gebruiker of het leven, de gezondheid of het welzijn van anderen; en/of

b)

beroepsgebonden, sociale, mentale of fysieke problemen of aandoeningen veroorzaakt of verergert;”;

i)

de volgende punten 96 bis en 96 ter worden ingevoegd:

„96 bis.

„draagbare EFB”: een draagbaar EFB-hostplatform dat in de cockpit wordt gebruikt maar geen deel uitmaakt van de configuratie van de gecertificeerde luchtvaartuigen;

96 ter.

„draagbare elektronische apparaten”: elektronische apparaten, doorgaans maar niet uitsluitend consumentenelektronica, die door bemanningsleden, passagiers of als onderdeel van de vracht aan boord van het luchtvaartuig worden gebracht maar geen deel uitmaken van de configuratie van de gecertificeerde luchtvaartuigen. Het omvat alle apparatuur die elektrische energie kan verbruiken. De elektrische energie kan worden geleverd door interne bronnen zoals batterijen (al dan niet herlaadbaar), of de apparaten kunnen ook worden aangesloten op specifieke energiebronnen van het luchtvaartuig;”;

j)

de volgende punten 120 bis en 120 ter worden ingevoegd:

„120 bis.

„EFB-toepassing type A”: een EFB-toepassing waarvan de slechte werking of misbruik geen impact heeft op de veiligheid;

120 ter.

„EFB-toepassing type B”: een EFB-toepassing:

a)

waarvan de slechte werking of misbruik is geclassificeerd als een kleine storing of nog minder belangrijk; en

b)

die niet functioneert als back-up of vervanging van functies of systemen die vereist zijn op grond van de luchtwaardigheidsvoorschriften, luchtruimvoorschriften of operationele voorschriften;”;

(2)

Bijlage II wordt als volgt gewijzigd:

a)

In ARO.GEN.120 wordt punt d) vervangen door:

„d)

De bevoegde autoriteit beoordeelt alle door een organisatie voorgestelde alternatieve wijzen van naleving overeenkomstig:

1.

punt b) van ORO.GEN.120 van bijlage III (deel-ORO) bij deze verordening;

2.

voor ballonnen, BOP.ADD.010 van bijlage II (deel-BOP) bij Verordening (EU) 2018/395 van de Commissie (*1), of

3.

voor zweefvliegtuigen, punt c) van SAO.DEC.100 van bijlage II (deel-SAO) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 (*2);

door de verstrekte documentatie te analyseren en, als zij dat nodig acht, de organisatie te inspecteren.

Als de bevoegde autoriteit oordeelt dat de alternatieve wijzen van naleving in overeenstemming zijn met de uitvoeringsvoorschriften, dan dient zij zonder nodeloze vertraging:

1.

de aanvrager ervan in kennis te stellen dat de alternatieve wijzen van naleving mogen worden toegepast en, desgevallend, de erkenning, de vergunning voor gespecialiseerde vluchtuitvoeringen of het certificaat van de aanvrager dienovereenkomstig aan te passen; alsook

2.

het Agentschap in kennis te stellen van de inhoud ervan, met inbegrip van kopieën van alle relevante documenten;

3.

de andere lidstaten in kennis te stellen van de goedgekeurde alternatieve wijzen van naleving.

(*1)  Verordening (EU) 2018/395 van de Commissie van 13 maart 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met ballonnen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 71 van 14.3.2018, blz. 10)."

(*2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 326 van 20.12.2018, blz. 64)”."

b)

in ARO.GEN.345 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Na ontvangst van een eigen verklaring van een organisatie die activiteiten waarvoor een eigen verklaring is vereist, uitvoert of voornemens is uit te voeren, controleert de bevoegde autoriteit of de eigen verklaring alle informatie bevat die vereist is:

1.

overeenkomstig ORO.DEC.100 van bijlage III (deel-ORO) bij deze verordening;

2.

voor exploitanten van luchtballonnen, overeenkomstig BOP.ADD.100 van bijlage II (deel-BOP) bij Verordening (EU) 2018/395, of

3.

voor exploitanten van zweefvliegtuigen, overeenkomstig SAO.DEC.100 van bijlage II (deel-SAO) bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976.

Na verificatie van de vereiste informatie bevestigt de bevoegde autoriteit de ontvangst van de eigen verklaring aan de organisatie.”;

c)

in aanhangsel II wordt de tabel (EASA-FORMULIER 139) vervangen door:

Image Tekst van het beeld Image Tekst van het beeld

3.

Bijlage III wordt als volgt gewijzigd:

a)

in ORO.GEN.110 wordt punt k) vervangen door:

„k)

Onverminderd punt j) zorgen exploitanten die commerciële activiteiten uitvoeren met een van de volgende luchtvaartuigen ervoor dat de vliegtuigbemanning een passende opleiding of briefing met betrekking tot gevaarlijke goederen heeft gekregen, zodat ze niet-aangegeven gevaarlijke goederen kunnen herkennen die door passagiers of als vracht aan boord zijn gebracht:

1.

een eenmotorig, door een propeller aangedreven vliegtuig met MCTOM van 5 700 kg of minder en een MOPSC van 5 of minder dat in een vlucht opstijgt en landt op hetzelfde luchtvaartterrein of dezelfde vluchtuitvoeringslocatie, bij VFR-vluchten overdag;

2.

een andere dan complexe motoraangedreven, eenmotorige helikopter met een MOPSC van 5 of minder die in een vlucht opstijgt en landt op hetzelfde luchtvaartterrein of dezelfde vluchtuitvoeringslocatie, bij VFR-vluchten overdag.”;

b)

in ORO.MLR.101 wordt de aanhef vervangen door:

„Uitgezonderd voor VFR-vluchten overdag met eenmotorige propellervliegtuigen met een MOPSC van 5 of minder of eenmotorige niet-complexe helikopters met een MOPSC van 5 of minder, die opstijgen en landen op hetzelfde luchtvaartterrein of dezelfde vluchtuitvoeringslocatie, dient de hoofdstructuur van het vluchthandboek er als volgt uit te zien:”;

c)

in ORO.FC.005 wordt punt b) vervangen door:

„b)

DEEL 2, waarin aanvullende vereisten worden gespecificeerd voor commercieel luchtvervoer, met uitzondering van commercieel passagiersvervoer volgens VFR overdag, dat begint en eindigt op hetzelfde luchtvaartterrein of dezelfde vluchtuitvoeringslocatie en binnen een door de bevoegde autoriteit bepaalde plaatselijke ruimte, met:

1.

eenmotorige propellervliegtuigen met een MCTOM van 5 700 kg of minder en een MOPSC van 5 of minder; of

2.

andere dan complexe motoraangedreven, eenmotorige helikopters met een MOPSC van ten hoogste 5.”;

d)

in ORO.FTL.105 wordt punt 13 vervangen door:

„13.

„vliegtijd” voor vleugelvliegtuigen, de tijd die verstrijkt tussen het vertrek van een luchtvaartuig van zijn parkeerplaats met als doel op te stijgen en het moment waarop het tot stilstand komt op de aangewezen parkeerpositie en alle motoren of propellers zijn uitgeschakeld;”;

4.

Bijlage IV wordt als volgt gewijzigd:

a)

CAT.GEN.105 wordt geschrapt;

b)

het volgende punt CAT.GEN.MPA.141 wordt toegevoegd:

CAT.GEN.MPA.14 Gebruik van electronic flight bags (EFB's)

a)

Wanneer aan boord van een luchtvaartuig een EFB wordt gebruikt, ziet de exploitant erop toe dat dit geen negatieve impact heeft op de prestaties van de systemen of uitrusting van het luchtvaartuig of op het vermogen van de cockpitbemanning om het luchtvaartuig te besturen.

b)

De exploitant gebruikt geen EFB-toepassing type B, tenzij die is goedgekeurd overeenkomstig subdeel M van bijlage V (Deel-SPA).”;

c)

in subdeel A wordt sectie 2 geschrapt;

d)

in subdeel B wordt sectie 2 geschrapt;

e)

in CAT.POL.MAB.105 wordt punt b) vervangen door:

„b)

Indien de massa- en zwaartepuntgegevens en -documentatie door een geautomatiseerd massa- en zwaartepuntsysteem worden gegenereerd, dient de exploitant:

1.

de integriteit van de verkregen gegevens te verifiëren om zich ervan te vergewissen dat de gegevens binnen de drempelwaarden van het vlieghandboek vallen, en

2.

de instructies en procedures voor het gebruik daarvan in zijn vlieghandboek te specificeren.”;

f)

in CAT.POL.MAB.105 wordt punt e) geschrapt;

g)

in subdeel C wordt sectie 4 geschrapt;

h)

in subdeel D wordt sectie 3 geschrapt;

5.

In bijlage V wordt het volgende subdeel M ingevoegd:

„SUBDEEL M

ELECTRONIC FLIGHT BAGS (EFB's)

SPA.EFB.100 Gebruik van electronic flight bags (EFB's) — operationele goedkeuring

a)

Een exploitant van commercieel luchtvervoer gebruikt alleen een EFB-toepassing type B indien hij voor dat gebruik een goedkeuring van de bevoegde autoriteit heeft ontvangen.

b)

Om een operationele goedkeuring van de bevoegde autoriteit voor het gebruik van een EFB-toepassing type B te verkrijgen, dient de exploitant bewijs te verstrekken dat:

1.

er een risicobeoordeling is verricht met betrekking tot het gebruik van het EFB-toestel waarop de EFB-toepassing is geïnstalleerd en met betrekking tot die toepassing en de daaraan gekoppelde functie(s), waarbij de veroorzaakte risico's in kaart zijn gebracht en waarbij is aangetoond dat die op passende wijze worden beheerd en beperkt;

2.

de mens-machine-interfaces van het EFB-toestel en de EFB-toepassing aan de beginselen inzake menselijke factoren zijn getoetst;

3.

hij een systeem voor het beheer van de EFB heeft opgezet en dat er procedures en opleidingsvereisten voor het beheer en gebruik van het EFB-toestel en de EFB-toepassing zijn opgesteld en ingevoerd; die procedures hebben betrekking op:

i)

de bediening van de EFB;

ii)

het beheer van wijzigingen aan de EFB;

iii)

het beheer van EFB-gegevens;

iv)

onderhoud van de EFB; alsook

v)

de beveiliging van de EFB;

4.

het EFB-platform geschikt is voor het beoogde gebruik van de EFB-toepassing.

Dit wordt specifiek aangetoond voor de EFB-toepassing en het EFB-hostplatform waarop die toepassing is geïnstalleerd.”;

6.

Bijlage VI wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende punt NCC.GEN.131 wordt toegevoegd:

NCC.GEN.131 Gebruik van electronic flight bags (EFB's)

a)

Wanneer aan bood van een luchtvaartuig een EFB wordt gebruikt, ziet de exploitant erop toe dat dit geen negatieve impact heeft op de prestaties van de systemen of uitrusting van het luchtvaartuig of op het vermogen van de cockpitbemanning om het luchtvaartuig te besturen.

b)

Voorafgaand aan het gebruik van een EFB-toepassing type B, dient de exploitant:

1.

een risicobeoordeling te verrichten met betrekking tot het gebruik van het EFB-toestel waarop de EFB-toepassing is geïnstalleerd en met betrekking tot de betrokken EFB-toepassing en de daaraan gekoppelde functie(s), waarbij de veroorzaakte risico's in kaart worden gebracht en waarbij wordt aangetoond dat die op passende wijze worden beheerd en beperkt; de risicobeoordeling heeft betrekking op de risico's in verband met de mens-machine-interface van het EFB-toestel en de betrokken EFB-toepassing, en

2.

een systeem voor het beheer van de EFB op te zetten met procedures en opleidingsvereisten voor het beheer en het gebruik van het EFB-toestel en de EFB-toepassing.”;

b)

in NCC.OP.200 wordt punt b) vervangen door:

„b)

Onverminderd het bepaalde onder a), mogen dergelijke simulaties worden uitgevoerd met leerling-piloten aan boord wanneer het opleidingsvluchten betreft die worden uitgevoerd door een opleidingsorganisatie als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie.”;

7.

Bijlage VII wordt als volgt gewijzigd:

a)

NCO.GEN.102 wordt geschrapt;

b)

in NCO.GEN.103 wordt punt a) vervangen door:

„a)

beginnen en eindigen op hetzelfde luchtvaartterrein of dezelfde vluchtuitvoeringslocatie;”;

c)

in punt NCO.GEN.105 wordt punt a) 4) iii) vervangen door:

„iii)

de instrumenten en uitrusting die vereist zijn voor de uitvoering van de desbetreffende vlucht zijn in het luchtvaartuig geïnstalleerd en functioneren, tenzij vluchtuitvoering met niet-functionerende uitrusting is toegestaan uit hoofde van de minimumuitrustingslijst (MEL) of een gelijkwaardig document, overeenkomstig NCO.IDE.A.105 of NCO.IDE.H.105;”;

d)

NCO.GEN.125 wordt vervangen door:

NCO.GEN.125 Draagbare elektronische apparatuur

De gezagvoerder staat niet toe dat iemand aan boord van een luchtvaartuig gebruik maakt van een draagbaar elektronisch apparaat, met inbegrip van een electronic flight bag (EFB), dat een negatieve invloed kan hebben op de werking van de systemen en apparatuur van het luchtvaartuig of op het vermogen van de cockpitbemanning om het luchtvaartuig te besturen.”;

e)

in punt NCO.GEN.135 wordt punt c) geschrapt;

f)

De titel van NCO.OP.120 wordt vervangen door:

NCO.OP.120 Procedures ter beperking van geluidshinder — vleugelvliegtuigen en helikopters”,

g)

NCO.OP.156 wordt geschrapt;

h)

in NCO.OP.180 wordt punt b) vervangen door:

„b)

Onverminderd punt a), mogen dergelijke simulaties worden uitgevoerd met leerling-piloten aan boord wanneer het opleidingsvluchten betreft die worden uitgevoerd door een opleidingsorganisatie als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011 van de Commissie.”;

i)

in NCO.POL.105 wordt punt b) vervangen door:

„b)

De weging gebeurt door de fabrikant van het luchtvaartuig of door een erkende onderhoudsorganisatie.”;

j)

in NCO.IDE.A.160 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Vliegtuigen, met uitzondering van ELA1-vliegtuigen, worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser:

1.

in de cockpit, en

2.

in elk passagierscompartiment dat gescheiden is van de cockpit, tenzij het compartiment gemakkelijk en snel toegankelijk is voor de cockpitbemanning.”;

k)

in subdeel D wordt sectie 3 geschrapt;

8.

Bijlage VIII wordt als volgt gewijzigd:

a)

in SPO.GEN.005 wordt punt c) 2) vervangen door:

„2.

parachutevluchten, sleepvluchten van vliegtuigen met zweefvliegtuigen of kunstvluchten die worden uitgevoerd door een opleidingsorganisatie welke haar hoofdvestiging in een lidstaat heeft en als bedoeld in artikel 10 bis van Verordening (EU) nr. 1178/2011, of door een organisatie die de bevordering van luchtsporten of recreatievluchten tot doel heeft, op voorwaarde dat het luchtvaartuig in eigendom of op grond van een dry leaseovereenkomst wordt geëxploiteerd, dat de vlucht geen winst buiten de organisatie oplevert, en dat vluchten waarbij niet-leden van de organisatie betrokken zijn, slechts een marginale activiteit van de organisatie vertegenwoordigen.”;

b)

SPO.GEN.102 wordt geschrapt;

c)

in SPO.GEN.107 wordt punt a) 4) iii) vervangen door:

„iii)

de instrumenten en uitrusting die vereist zijn voor de uitvoering van de desbetreffende vlucht zijn in het luchtvaartuig geïnstalleerd en functioneren, tenzij vluchtuitvoering met niet-functionerende uitrusting is toegestaan uit hoofde van de minimumuitrustingslijst (MEL) of een gelijkwaardig document, overeenkomstig SPO.IDE.A.105 of SPO.IDE.H.105;”;

d)

het volgende punt SPO.GEN.131 wordt toegevoegd:

SPO.GEN.131 Gebruik van electronic flight bags (EFB's)

a)

Wanneer aan boord van een luchtvaartuig een EFB wordt gebruikt, ziet de exploitant erop toe dat dit geen negatieve impact heeft op de prestaties van de systemen of uitrusting van het luchtvaartuig of op het vermogen van de cockpitbemanning om het luchtvaartuig te besturen.

b)

Voorafgaand aan het gebruik van een EFB-toepassing type B, dient de exploitant:

1.

een risicobeoordeling te verrichten met betrekking tot het gebruik van het EFB-toestel waarop de EFB-toepassing is geïnstalleerd, de betrokken EFB-toepassing en de daaraan gekoppelde functie(s), waarbij de veroorzaakte risico's in kaart worden gebracht en waarbij wordt aangetoond dat die op passende wijze worden beperkt; de risicobeoordeling heeft betrekking op de risico's in verband met de mens-machine-interface van het EFB-toestel en de betrokken EFB-toepassing, en

2.

een systeem voor het beheer van de EFB op te zetten met procedures en opleidingsvereisten voor het beheer en het gebruik van het EFB-toestel en de EFB-toepassing.”;

e)

in SPO.GEN.140 wordt punt c) geschrapt;

f)

in SPO.POL.105 wordt punt b) vervangen door:

„b)

De weging gebeurt door de fabrikant van het luchtvaartuig of door een erkende onderhoudsorganisatie.”;

g)

in SPO.IDE.A.180 wordt punt a) vervangen door:

„a)

Vliegtuigen, met uitzondering van ELA1-vliegtuigen, worden uitgerust met ten minste één handbrandblusser:

1.

in de cockpit, en

2.

in elk cabinecompartiment dat gescheiden is van de cockpit, tenzij het compartiment gemakkelijk en snel toegankelijk is voor de cockpitbemanning.”;

h)

in subdeel D wordt sectie 3 geschrapt.


(*1)  Verordening (EU) 2018/395 van de Commissie van 13 maart 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met ballonnen, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 71 van 14.3.2018, blz. 10).

(*2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/1976 van de Commissie van 14 december 2018 tot vaststelling van gedetailleerde regels voor vluchtuitvoeringen met zweefvliegtuigen overeenkomstig Verordening (EU) 2018/1139 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 326 van 20.12.2018, blz. 64)”.”


Top