Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R0841

Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (Voor de EER relevante tekst)

PE/68/2017/REV/1

OJ L 156, 19.6.2018, p. 1–25 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2018/841/oj

19.6.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 156/1


VERORDENING (EU) 2018/841 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 30 mei 2018

inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Wat de reductie van de in de EU uitgestoten broeikasgassen betreft, schaarde de Europese Raad zich in zijn conclusies van 23-24 oktober 2014 over het kader voor het klimaat- en energiebeleid 2030 achter een bindend streefcijfer voor 2030 van ten minste 40 % eigen reductie van broeikasgasemissies voor de gehele economie ten opzichte van 1990, en dit streefcijfer werd in de conclusies van de Europese Raad van 17-18 maart 2016 bevestigd.

(2)

Volgens de conclusies van de Europese Raad van 23 en 24 oktober 2014 moet het streefcijfer van een emissiereductie van ten minste 40 % collectief door de Unie op de meest kosteneffectieve wijze worden gehaald, en moet in 2030 binnen het in Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) vastgestelde emissiehandelssysteem van de Europese Unie („EU ETS”) een reductie van 43 % ten opzichte van 2005 tot stand zijn gebracht en in de niet-ETS-sectoren een reductie van 30 %, en moeten de inspanningen worden verdeeld op basis van het relatieve bbp per hoofd van de bevolking.

(3)

Deze verordening maakt deel uit van de implementatie van de toezeggingen van de Unie uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs (5) die in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change — UNFCCC) is goedgekeurd. De Overeenkomst van Parijs is op 5 oktober 2016 bij Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad (6) namens de Unie gesloten. De toezegging van de Unie met betrekking tot een emissiereductie in de gehele economie is vervat in de voorgenomen nationaal bepaalde bijdrage die de Unie en haar lidstaten op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het UNFCCC hebben ingediend in het vooruitzicht van de Overeenkomst van Parijs. De Overeenkomst van Parijs is op 4 november 2016 in werking getreden. De Unie moet, conform de Overeenkomst van Parijs, haar broeikasgasemissies blijven verminderen en het volume van de verwijderingen opvoeren.

4.

De Overeenkomst van Parijs bevat, onder meer, een streefcijfer op lange termijn dat strookt met de doelstelling om de wereldwijde temperatuurstijging ruim onder 2 °C ten opzichte van de pre-industriële niveaus te houden, en ernaar te blijven streven de stijging te beperken tot 1,5 °C. Bossen, landbouwgrond en wetlands zullen bij het verwezenlijken van die doelstelling een belangrijke rol spelen. In de Overeenkomst van Parijs onderkennen de partijen ook dat in de context van duurzame ontwikkeling en inspanningen om armoede uit te bannen, het waarborgen van voedselzekerheid en het beëindigen van honger fundamentele prioriteiten zijn, dat voedselproductiesystemen bijzonder kwetsbaar zijn voor de nadelige gevolgen van klimaatverandering, en dat klimaatveerkracht en broeikasgasarme ontwikkeling moeten worden bevorderd, op een wijze die de voedselproductie niet in gevaar brengt. Om de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken, moeten de partijen hun collectieve inspanningen vergroten. De partijen moeten opeenvolgende nationaal bepaalde bijdragen opstellen, meedelen en aanhouden. De Overeenkomst van Parijs vervangt de aanpak die in het kader van het Protocol van Kyoto van 1997 is gevolgd en die na 2020 niet zal worden voortgezet. In de Overeenkomst van Parijs wordt ook opgeroepen om in de tweede helft van deze eeuw een evenwicht tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, en worden de partijen verzocht maatregelen te treffen om, indien van toepassing, putten en reservoirs van broeikasgassen, waaronder bossen, in stand te houden en uit te breiden.

(5)

De sector van het landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) beschikt over het potentieel om langetermijnklimaatvoordelen op te leveren, en aldus bij te dragen tot het behalen van het streefcijfer van de Unie inzake broeikasgasemissiereducties en de langetermijnklimaatdoelen van de Overeenkomst van Parijs. Tevens levert de LULUCF-sector biomaterialen die fossiele of koolstofintensieve materialen kunnen vervangen, en speelt hij op die wijze een belangrijke rol in de transitie naar een broeikasgasarme economie. Aangezien verwijderingen door middel van LULUCF omkeerbaar zijn, moeten zij in het kader voor klimaatbeleid van de Unie als een afzonderlijke pijler worden behandeld.

(6)

In de conclusies van de Europese Raad van 23-24 oktober 2014 werd gesteld dat de verschillende doelstellingen van de sectoren landbouw en landgebruik, waarvan het mitigatiepotentieel lager is, moeten worden onderkend, evenals de noodzaak om voor coherentie te zorgen tussen de doelstellingen van de Unie inzake voedselzekerheid en die inzake klimaatverandering. De Europese Raad heeft de Commissie verzocht te bekijken wat de beste manier is om een duurzame intensivering van de voedselproductie aan te moedigen en tegelijkertijd de bijdrage die de sector levert aan mitigatie en vastlegging van broeikasgassen, ook via bebossing, te optimaliseren en om zodra de technische voorwaarden dat mogelijk maken, en in ieder geval vóór 2020, een beleid te bepalen over de wijze waarop LULUCF in het kader voor broeikasgasmitigatie 2030 moeten worden opgenomen.

(7)

Duurzame beheerpraktijken in de LULUCF-sector kunnen op verschillende manieren tot mitigatie van klimaatverandering bijdragen, met name door emissiereducties te verwezenlijken en putten en koolstofvoorraden in stand te houden en uit te breiden. Voor de doeltreffendheid van maatregelen die in het bijzonder gericht zijn op het vergroten van de koolstofvastlegging, is het van essentieel belang dat koolstofreservoirs voor lange termijn stabiel en aanpasbaar zijn. Daarnaast kunnen duurzame beheerpraktijken de productiviteit, het regeneratievermogen en de vitaliteit van de LULUCF-sector op peil houden en economische en sociale ontwikkeling bevorderen, en tegelijk de koolstof- en ecologische voetafdruk van die sector verkleinen.

(8)

De ontwikkeling van duurzame en innovatieve praktijken en technologieën, waaronder agro-ecologie en boslandbouw, kan de rol van de LULUCF-sector bij klimaatmitigatie en -adaptatie versterken en kan de productiviteit en de veerkracht van die sector bevorderen. Aangezien de opbrengst binnen de LULUCF-sector wordt gekenmerkt door lange termijnen, zijn er langetermijnstrategieën nodig voor de financiering van onderzoek naar de ontwikkeling van, en investering in, duurzame en innovatieve praktijken en technologieën. Investeringen in preventieve maatregelen zoals duurzame beheerpraktijken, kunnen de risico’s in verband met natuurlijke verstoringen verkleinen.

(9)

De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 22-23 juni 2017 herbevestigd dat de Unie en haar lidstaten volledig toegewijd zijn aan Agenda 2030 voor duurzame ontwikkeling, die er onder meer naar streeft te garanderen dat het bosbeheer duurzaam is.

(10)

Maatregelen om in ontwikkelingslanden ontbossing en bosdegradatie tegen te gaan en duurzaam bosbeheer te bevorderen, zijn belangrijk. In dit verband heeft de Raad in zijn conclusies van 21 oktober 2009 en 14 oktober 2010 opnieuw gewezen op de doelstellingen van de Unie om de bruto-ontbossing in de tropen in 2020 met ten minste 50 % te hebben gereduceerd ten opzichte van de huidige niveaus, en het verlies van bosareaal op wereldschaal uiterlijk in 2030 een halt te hebben toegeroepen.

(11)

In Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) zijn boekhoudregels voor emissies en verwijderingen door de LULUCF-sector vastgesteld en is aldus bijgedragen tot de ontwikkeling van een beleid om de LULUCF-sector in de emissiereductietoezegging van de Unie op te nemen. Deze verordening moet voortbouwen op de bestaande boekhoudregels en deze bijwerken en verbeteren met het oog op de periode van 2021 tot en met 2030. Deze verordening moet de verplichtingen van de lidstaten bij de toepassing van deze boekhoudregels vaststellen en moet tevens de lidstaten verplichten ervoor te zorgen dat de LULUCF-sector in zijn geheel geen netto-emissies veroorzaakt en bijdraagt aan de langetermijndoelstelling om putten uit te breiden. Deze verordening mag geen verplichtingen inzake boekhouding of rapportage vaststellen ten aanzien van private partijen, waaronder landbouwers en bosbouwers.

(12)

De LULUCF-sector, landbouwgrond inbegrepen, heeft een direct en aanzienlijk effect op biodiversiteit en ecosysteemdiensten. Een belangrijke beleidsdoelstelling voor deze sector is daarom te zorgen voor samenhang met de doelstellingen van de biodiversiteitsstrategie van de Unie. Er moeten in deze sector maatregelen worden getroffen om mitigatie- en adaptatieactiviteiten uit te voeren en te ondersteunen. Daarbij moet tevens voor samenhang tussen het gemeenschappelijk landbouwbeleid en deze verordening worden gezorgd. Elke sector moet een eerlijk aandeel leveren in de broeikasgasemissiereductie.

(13)

Wetlands zijn doeltreffende ecosystemen voor het opslaan van koolstof. Het beschermen en herstellen van wetlands zou de broeikasgasemissies in de LULUCF-sector derhalve kunnen verminderen. In deze context moet rekening worden gehouden met de verfijning door de Intergouvernementele Werkgroep inzake klimaatverandering („IPCC”) van de door de IPCC opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006 in verband met wetlands.

(14)

Om ervoor te zorgen dat de LULUCF-sector bijdraagt aan het behalen van het emissiereductiestreefcijfer van de Unie van ten minste 40 % en aan de langetermijndoelstelling van de Overeenkomst van Parijs, is een robuust boekhoudsysteem nodig. Om overeenkomstig de IPCC opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006 („IPCC-richtsnoeren”) een nauwkeurige boekhouding van emissies en verwijderingen te verwerven, moeten de uit hoofde van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) jaarlijks gerapporteerde waarden voor de categorieën landgebruik en omzetting tussen categorieën landgebruik worden gebruikt, waarbij de aanpak in het kader van het UNFCCC en die in het kader van het Protocol van Kyoto moeten worden gestroomlijnd. Land dat wordt omgezet in land in een andere categorie landgebruik moet gedurende de in de IPCC-richtsnoeren aangegeven standaardperiode van twintig jaar worden beschouwd als zijnde in overgang naar die categorie. De lidstaten mogen van die standaardperiode uitsluitend kunnen afwijken voor bebost land en alleen onder beperkte, uit hoofde van de IPCC-richtsnoeren gerechtvaardigde omstandigheden. Wijzigingen in de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert, dienen, waar passend, terug te vinden zijn in de rapportagevoorschriften uit hoofde van deze verordening.

(15)

In de internationaal overeengekomen IPCC-richtsnoeren staat dat in de energiesector emissies uit de verbranding van biomassa als nul mogen worden geboekt op voorwaarde dat die emissies worden geboekt in de LULUCF-sector. In de Unie worden emissies uit de verbranding van biomassa krachtens artikel 38 van Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie (9) en de bepalingen van Verordening (EU) nr. 525/2013 als nul geboekt, en derhalve kan consistentie met de IPCC-richtsnoeren enkel worden gegarandeerd als die emissies in het kader van deze verordening correct worden weergegeven.

(16)

Emissies en verwijderingen door bosgrond hangen af van een aantal natuurlijke omstandigheden, dynamische leeftijdgerelateerde kenmerken van bossen en van vroegere en huidige beheerpraktijken die per lidstaat aanzienlijk verschillen. Die factoren en de cyclische effecten ervan op emissies en verwijderingen, alsmede de jaarlijkse schommelingen van emissies en verwijderingen, zouden niet tot uiting kunnen worden gebracht door een referentiejaar te hanteren. De desbetreffende boekhoudregels moeten in plaats daarvan voorzien in het gebruik van referentieniveaus, teneinde de gevolgen van natuurlijke en landspecifieke eigenschappen uit te sluiten. De referentieniveaus voor bossen moeten rekening houden met iedere onevenwichtigheid in de leeftijdsstructuur van bossen, en mogen de toekomstige intensiteit van het bosbeheer niet onnodig beperken, zodat langetermijnkoolstofputten in stand kunnen worden gehouden of kunnen worden uitgebreid. Gelet op de bijzondere historische situatie van Kroatië, zou in zijn referentieniveau voor bossen ook rekening kunnen worden gehouden met de bezetting van zijn grondgebied, en oorlogse en naoorlogse omstandigheden die gevolgen voor het bosbeheer hebben gehad tijdens de referentieperiode. De desbetreffende boekhoudregels houden rekening met de beginselen van duurzaam bosbeheer zoals vastgesteld op de ministeriële conferentie over de bescherming van bossen in Europa („Forest Europe”).

(17)

De lidstaten moeten bij de Commissie nationale boekhoudkundige plannen voor bosbouw indienen, met inbegrip van referentieniveaus voor bossen. Bij gebrek aan internationale evaluatie in het kader van het UNFCCC of het Protocol van Kyoto, moet een evaluatieprocedure worden vastgesteld om transparantie te verzekeren en de kwaliteit van de boekhouding betreffende de categorie beheerde bosgrond te verbeteren.

(18)

Wanneer de Commissie de nationale boekhoudplannen beoordeelt, met inbegrip van de daarin voorgestelde referentieniveaus voor bossen, moet zij voortbouwen op de goede praktijken en ervaring van de beoordelingen door deskundigen in het kader van het UNFCCC, onder andere wat betreft deelname van deskundigen uit de lidstaten. De Commissie moet erop toezien dat deskundigen van de lidstaten worden betrokken bij de technische beoordeling van de vraag of de voorgestelde referentieniveaus voor bossen zijn vastgesteld overeenkomstig de criteria en voorschriften van deze verordening. De resultaten van de technische beoordeling moeten ter informatie worden toegezonden aan het bij Beschikking 89/367/EEG van de Raad (10) ingestelde Permanent Comité voor de bosbouw. De Commissie dient ook de belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld te raadplegen. De nationale boekhoudplannen op bosbouwgebied moeten overeenkomstig de betrokken wetgeving worden bekendgemaakt.

(19)

Door meer in te zetten op duurzaam gebruik van geoogste houtproducten kunnen door het vervangingseffect emissies van broeikasgassen in de atmosfeer fors worden beperkt en kunnen meer broeikasgassen uit de atmosfeer worden verwijderd. De boekhoudregels moeten ervoor zorgen dat lidstaten op nauwkeurige en transparante wijze in hun LULUCF-boekhouding wijzigingen in het koolstofreservoir van geoogste houtproducten weergeven wanneer dergelijke wijzigingen zich voordoen, om recht te doen aan het gebruik van geoogste houtproducten met lange levenscycli, en dat gebruik te stimuleren. De Commissie moet richtsnoeren verstrekken voor vraagstukken in verband met de methodologie inzake de boekhouding voor geoogste houtproducten.

(20)

Natuurlijke verstoringen, zoals ongecontroleerde bosbranden, insecten- en ziekteplagen, extreme weersomstandigheden en geologische verstoringen, die zich onttrekken aan de controle en de wezenlijke invloed van een lidstaat kunnen in de LULUCF-sector leiden tot broeikasgasemissies van tijdelijke aard of kunnen eerdere verwijderingen ongedaan maken. Aangezien een dergelijke ongedaanmaking ook het resultaat kan zijn van beheerbesluiten, zoals besluiten om bomen te kappen of te planten, moet deze verordening ervoor zorgen dat een door de mens veroorzaakte ongedaanmaking van verwijderingen altijd nauwkeurig wordt weerspiegeld in de LULUCF-boekhouding. Voorts moet deze verordening de lidstaten een beperkte mogelijkheid bieden om emissies die het gevolg zijn van verstoringen waarop zij geen invloed kunnen uitoefenen, uit de LULUCF-boekhouding uit te sluiten. Echter, de manier waarop de lidstaten die bepalingen toepassen, mag niet leiden tot te lage opgaven in de boekhouding.

(21)

Afhankelijk van de nationale voorkeuren moeten de lidstaten adequate nationale beleidskeuzes kunnen maken voor de nakoming van hun toezeggingen in de LULUCF-sector, met inbegrip van de mogelijkheid om emissies door een categorie land in evenwicht te brengen met verwijderingen door een andere categorie land. Zij moeten ook nettoverwijderingen gedurende de periode van 2021 tot en met 2030 kunnen samenvoegen. Tot naleving van deze verordening moeten overdrachten naar andere lidstaten als aanvullende mogelijkheid blijven bestaan, en de lidstaten moeten gebruik kunnen maken van jaarlijkse emissieruimten die worden vastgesteld krachtens Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad (11). Het gebruik van de in deze verordening geboden flexibiliteit zal het totale ambitieniveau van de reductiestreefcijfers inzake broeikasgassen van de Unie niet in het gedrang brengen.

(22)

Op duurzame wijze beheerde bossen vormen normaliter putten, waarmee wordt bijgedragen tot klimaatmitigatie. Tijdens de referentieperiode van 2000 tot en met 2009 bedroegen de gerapporteerde gemiddelde verwijderingen door putten uit bosgrond jaarlijks gemiddeld 372 miljoen ton CO2-equivalent voor de gehele Unie. De lidstaten moeten ervoor zorgen dat putten en reservoirs, met inbegrip van bossen, in stand worden gehouden en uitgebreid, naargelang het geval, teneinde de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs en de ambitieuze streefcijfers van de Unie op het gebied van reductie van broeikasgasemissies in 2050 te behalen.

(23)

Verwijderingen door beheerde bosgrond moeten worden geboekt tegen een toekomstgericht referentieniveau voor bossen. De prognose voor de toekomstige verwijderingen door putten moet gebaseerd zijn op een extrapolatie van praktijken en intensiteit op het gebied van bosbeheer van een referentieperiode. Een afname van een put ten opzichte van het referentieniveau moet als emissies worden geboekt. Specifieke nationale omstandigheden en praktijken, zoals een lager dan normale oogstintensiteit of ouder wordende bossen tijdens de referentieperiode, moeten in aanmerking worden genomen.

(24)

Aan de lidstaten moet een bepaalde flexibiliteit worden toegekend om hun oogstintensiteit tijdelijk te vergroten volgens duurzame praktijken inzake bosbeheer die sporen met de doelstelling van de Overeenkomst van Parijs, voor zover binnen de Unie de totale hoeveelheid emissies niet meer bedraagt dan de totale hoeveelheid verwijderingen in de LULUCF-sector. In het kader van deze flexibiliteit moet aan alle lidstaten een basishoeveelheid compensatie worden toegekend die wordt berekend op grond van een factor — uitgedrukt als een percentage van hun gerapporteerde put voor de periode van 2000 tot en met 2009 — om de door hen geboekte emissies uit beheerde bosgrond te compenseren. Er moet voor worden gezorgd dat de lidstaten slechts kunnen worden gecompenseerd zolang hun bossen putten vormen.

(25)

Lidstaten met een heel hoog bosoppervlak in vergelijking met het Uniegemiddelde, en met name kleinere lidstaten met een heel hoog bosoppervlak, zijn meer afhankelijk van beheerde bosgrond dan andere lidstaten om emissies in balans te brengen met andere boekhoudcategorieën voor land en zouden bijgevolg meer worden getroffen en zouden slechts in beperkte mate in staat zijn hun bosoppervlak te vergroten. De compensatiefactor moet daarom worden verhoogd op basis van bosoppervlak en grondoppervlak, teneinde aan de lidstaten met een heel klein grondoppervlak en een heel hoog bosoppervlak in vergelijking met het Uniegemiddelde, voor de referentieperiode de hoogste compensatiefactor toe te kennen.

(26)

In zijn conclusies van 9 maart 2012 heeft de Raad de bijzondere kenmerken van dichtbeboste landen erkend. Die bijzondere kenmerken betreffen vooral de beperkte mogelijkheden om emissies te compenseren met verwijderingen. Als dichtstbeboste lidstaat en rekening houdend met zijn bijzondere geografische kenmerken, kampt Finland met bijzondere moeilijkheden in dit verband. Daarom moet Finland een beperkte aanvullende compensatie krijgen.

(27)

Om bij te houden hoeveel vooruitgang de lidstaten boeken bij het nakomen van hun toezeggingen uit hoofde van deze verordening en om te waarborgen dat de informatie over emissies en verwijderingen transparant, nauwkeurig, consistent, volledig en vergelijkbaar is, moeten de lidstaten de Commissie de relevante broeikasgasinventarisgegevens verstrekken overeenkomstig Verordening (EU) nr. 525/2013 en moeten de nalevingscontroles uit hoofde van deze verordening rekening houden met die gegevens. Indien een lidstaat voornemens is de in deze verordening geboden flexibiliteit betreffende beheerde bosgrond toe te passen, moet hij in het nalevingsverslag opnemen hoeveel compensatie hij voornemens is te gebruiken.

(28)

Het Europees Milieuagentschap moet, in voorkomend geval overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, de Commissie bijstaan bij het systeem voor jaarlijkse rapportage van broeikasgasemissies en -verwijderingen, bij de beoordeling van informatie over beleidsinitiatieven, maatregelen en nationale prognoses, bij de evaluatie van geplande aanvullende beleidsinitiatieven en maatregelen, en bij de nalevingscontroles die de Commissie uit hoofde van deze verordening uitvoert.

(29)

Om ervoor te zorgen dat transacties, het gebruik van flexibiliteit en de naleving van de traceerbaarheid in het kader van deze verordening correct worden geboekt en ook om het gebruik van houtproducten met lange levenscycli te bevorderen, moet de bevoegdheid om handelingen vast te stellen in overeenstemming met artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de technische aanpassing van definities, waaronder de minimumwaarden voor de definitie van bossen, lijsten van broeikasgassen en koolstofreservoirs, het vaststellen van de referentieniveaus voor bossen voor lidstaten voor de respectieve perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030, de toevoeging van nieuwe categorieën geoogste houtproducten, de herziening van de methode en informatievoorschriften met betrekking tot natuurlijke verstoringen teneinde de wijzigingen in de IPCC-richtsnoeren te weerspiegelen, en de boeking van transacties aan de hand van het register van de Unie. De noodzakelijke bepalingen inzake de boeking van transacties moeten worden opgenomen in één instrument dat de boekhoudkundige bepalingen uit hoofde van Verordening (EU) nr. 525/2013, Verordening (EU) 2018/842, deze verordening en Richtlijn 2003/87/EG combineert. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen geschieden in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (12). Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen.

(30)

Als onderdeel van de regelmatige rapportage uit hoofde van Verordening (EU) nr. 525/2013 moet de Commissie ook het resultaat van de faciliterende dialoog in 2018 in het kader van het UNFCCC (de „Talanoa-dialoog”) evalueren. Deze verordening moet in 2024 en vervolgens elke vijf jaar worden geëvalueerd om het algehele functioneren ervan te beoordelen. Bij de evaluatie moet rekening worden gehouden met de resultaten van de Talanoa-dialoog en de algemene inventarisatie in het kader van de Overeenkomst van Parijs. Het kader voor de periode na 2030 moet in overeenstemming zijn met de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en de toezeggingen die in dat kader zijn gedaan.

(31)

Om te waarborgen dat er een efficiënte, transparante en kosteneffectieve rapportage en verificatie van broeikasgasemissies en -verwijderingen is, evenals rapportage van andere informatie die nodig is om de nakoming van de toezeggingen door de lidstaten te beoordelen, moeten rapportagevoorschriften worden opgenomen in Verordening (EU) nr. 525/2013.

(32)

Met het oog op eenvoudigere gegevensverzameling en verdere verbetering van de methoden, moet voor de inventarisatie van en rapportage over het landgebruik van elk gebied geografische tracering worden gebruikt, overeenkomstig de nationale en Uniesystemen voor gegevensverzameling. Er moet optimaal gebruik worden gemaakt van bestaande Unie- en nationale programma’s en onderzoeken voor gegevensverzameling, waaronder het Land Use Cover Area Frame Survey (Lucas), het programma van de Europese Unie voor aardobservatie en -monitoring Copernicus en het Europees satellietnavigatiesysteem Galileo. Gegevensbeheer, met inbegrip van het delen van gegevens voor rapportage, hergebruik en verspreiding ervan, moet voldoen aan de vereisten van Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad (13).

(33)

Verordening (EU) nr. 525/2013 moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(34)

Besluit nr. 529/2013/EU moet blijven gelden voor de boekhoudings- en rapportageverplichtingen tijdens de boekhoudperiode van 1 januari 2013 tot en met 31 december 2020. Voor de boekhoudperiodes vanaf 1 januari 2021 moet deze verordening van toepassing zijn.

(35)

Besluit nr. 529/2013/EU moet dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(36)

Daar de doelstellingen van deze verordening, met name het vaststellen van de toezeggingen van de lidstaten inzake de LULUCF-sector die bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het behalen van het streefcijfer van de Unie inzake de reductie van broeikasgasemissies voor de periode van 2021 tot en met 2030, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan, beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

In deze verordening worden de toezeggingen van de lidstaten voor de sector landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw (LULUCF) vastgesteld die bijdragen tot het verwezenlijken van de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs en het behalen van het streefcijfer van de Unie inzake de reductie van broeikasgasemissies voor de periode van 2021 tot en met 2030. Deze verordening legt tevens de regels vast voor het boeken van emissies en verwijderingen uit LULUCF en voor het controleren van de naleving van die toezeggingen door de lidstaten.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op emissies en verwijderingen van de in deel A van bijlage I vermelde broeikasgassen, zoals gerapporteerd krachtens artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013, en die zich binnen het grondgebied van de lidstaten voordoen in de volgende boekhoudcategorieën voor land:

a)

tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030:

i)   „bebost land”: landgebruik dat is aangegeven als in bosgrond omgezet(te) bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land;

ii)   „ontbost land”: landgebruik dat is aangegeven als in bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land omgezette bosgrond;

iii)   „beheerd bouwland”: landgebruik dat is aangegeven als:

bouwland dat bouwland blijft;

in bouwland omgezet(te) grasland, wetlands, woongebied of overig land, of

in wetlands, woongebied of overig land omgezet bouwland;

iv)   „beheerd grasland”: landgebruik dat is aangegeven als:

grasland dat grasland blijft;

in grasland omgezet(te) bouwland, wetlands, woongebied of overig land, of

in wetlands, woongebied of overig land omgezet grasland;

v)   „beheerde bosgrond”: landgebruik dat is aangegeven als bosgrond die bosgrond blijft;

b)

vanaf 2026: „beheerde wetlands”: landgebruik aangegeven als:

wetlands die wetlands blijven;

in wetlands omgezet woongebied of overig land, of

in woongebied of overig land omgezette wetlands.

2.   Tijdens de periode van 2021 tot en met 2025 kan een lidstaat emissies en verwijderingen van de in deel A van bijlage I bij deze verordening vermelde broeikasgassen, die zijn gerapporteerd krachtens artikel 7 van Verordening (EU) nr. 525/2013 en plaatsvinden in de boekhoudcategorie beheerde wetlands op zijn grondgebied, meetellen in het kader van zijn toezegging uit hoofde van artikel 4 van deze verordening. Deze verordening is ook van toepassing op dergelijke door een lidstaat meegetelde emissies en verwijderingen.

3.   Indien een lidstaat voornemens is, op grond van lid 2, beheerde wetlands in het kader van zijn toezegging mee te tellen, stelt hij de Commissie hiervan uiterlijk op 31 december 2020 in kennis.

4.   Indien nodig kan de Commissie in het licht van de ervaring die is opgedaan met de toepassing van de verfijning door de IPCC van de IPCC-richtsnoeren, een voorstel doen om de verplichte meetelling van beheerde wetlands met nog eens vijf jaar uit te stellen.

Artikel 3

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „put”: elk proces, elke activiteit of elk mechanisme waarbij broeikasgas, aerosol of een precursor van een broeikasgas wordt verwijderd uit de atmosfeer;

2.   „bron”: elk proces, elke activiteit of elk mechanisme waarbij broeikasgas, aerosol of een precursor van een broeikasgas wordt uitgestoten in de atmosfeer;

3.   „koolstofreservoir”: het geheel of deel van een biogeochemische voorziening of systeem binnen het grondgebied van een lidstaat waarbinnen koolstof en elke koolstofhoudende precursor van een broeikasgas, of elk koolstofhoudend broeikasgas wordt opgeslagen;

4.   „koolstofvoorraad”: de massa koolstof die is opgeslagen in een koolstofreservoir;

5.   „geoogst houtproduct”: elk van houtkap afkomstig product, dat na de kap is afgevoerd;

6.   „bos”: een grondgebied dat voldoet aan de minimumwaarden voor grondoppervlak, kroonbedekking, of een gelijkwaardige staande voorraad, waarvan de potentiële boomhoogte in volwassen staat in situ voor iedere lidstaat is aangegeven in bijlage II. Het omvat gebieden met bomen, inclusief groepen groeiende jonge natuurlijke bomen, of aanplanten die nog de minimumwaarden voor kroonbedekking of een gelijkwaardige staande voorraad of minimumboomhoogte moeten bereiken, zoals aangegeven in bijlage II, inclusief elk gebied dat normaal gesproken deel uitmaakt van het bosgebied maar waarop tijdelijk geen bomen staan als gevolg van menselijk ingrijpen, zoals kap, of als gevolg van natuurlijke oorzaken, maar waarvan verwacht kan worden dat het weer bos zal worden;

7.   „referentieniveau voor bossen”: een raming, uitgedrukt in tonnen CO2-equivalent per jaar, van de gemiddelde jaarlijkse netto-emissies of -verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond op het grondgebied van een lidstaat tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030, op basis van de criteria van deze verordening;

8.   „halfwaardetijd”: het aantal jaren voordat de hoeveelheid koolstof die is opgeslagen in een categorie geoogste houtproducten is afgenomen tot de helft van de oorspronkelijke waarde;

9.   „natuurlijke verstoringen”: elke niet-antropogene gebeurtenis of omstandigheid die aanzienlijke emissies in bossen veroorzaakt en plaatsvindt buiten de wil van de betrokken lidstaat, en waarvan de lidstaat objectief niet in staat is de effecten op emissies aanzienlijk te beperken, zelfs niet nadat die zich hebben voorgedaan;

10.   „instantane oxidatie”: een boekhoudmethode die ervan uitgaat dat op het moment van de kap de volledige hoeveelheid koolstof die in geoogste houtproducten is opgeslagen, in de atmosfeer vrijkomt.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de definities in lid 1 van dit artikel te wijzigen of te schrappen, of nieuwe definities toe te voegen, teneinde dat lid aan te passen aan wetenschappelijke ontwikkelingen of technische vooruitgang en ervoor te zorgen dat die definities stroken met eventuele wijzigingen van de overeenkomstige definities in de IPCC-richtsnoeren, als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert.

Artikel 4

Toezeggingen

Tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030, zorgt elke lidstaat ervoor, rekening houdend met de flexibiliteit geboden door de artikelen 12 en 13, dat de emissies niet hoger liggen dan de verwijderingen, berekend als de som van de totale hoeveelheid emissies en de totale hoeveelheid verwijderingen op zijn grondgebied in alle in artikel 2 genoemde boekhoudcategorieën voor land gecombineerd, zoals geboekt overeenkomstig deze verordening.

Artikel 5

Algemene boekhoudregels

1.   Iedere lidstaat zorgt voor het opstellen en bijhouden van een boekhouding waarin de emissies en verwijderingen afkomstig van de in artikel 2 genoemde boekhoudcategorieën voor land correct worden weerspiegeld. De lidstaten garanderen dat hun boekhouding en andere gegevens die in het kader van deze verordening worden verstrekt nauwkeurig, volledig, consistent, vergelijkbaar en transparant zijn. De lidstaten geven emissies met een plusteken (+) en verwijderingen met een minteken (–) aan.

2.   De lidstaten voorkomen dubbeltelling van emissies en verwijderingen, met name door ervoor te zorgen dat emissies en verwijderingen onder niet meer dan één boekhoudcategorie voor land worden geboekt.

3.   Ingeval van een omzetting van landgebruik, wijzigen de lidstaten, twintig jaar na de datum van die omzetting, de categorisering van bosgrond, bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land van dergelijk land omgezet in een ander soort land naar een dergelijk land dat hetzelfde soort land blijft.

4.   De lidstaten nemen in hun boekhoudingen voor elke boekhoudcategorie voor land alle wijzigingen in de koolstofvoorraad van de in bijlage I, deel B, opgesomde koolstofreservoirs op. De lidstaten kunnen ervoor kiezen om wijzigingen in de koolstofvoorraad van koolstofreservoirs niet in hun boekhoudingen op te nemen, op voorwaarde dat het koolstofreservoir geen bron is. Die optie om de wijzigingen in de koolstofvoorraad niet in de boekhoudingen op te nemen, geldt evenwel niet met betrekking tot de koolstofreservoirs van bovengrondse biomassa, dood hout en geoogste houtproducten in de boekhoudcategorie beheerde bosgrond.

5.   De lidstaten houden een volledig en accuraat register bij van alle gegevens die bij het opstellen van hun boekhouding zijn gebruikt.

6.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen om bijlage I te wijzigen teneinde rekening te houden met wijzigingen in de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert.

Artikel 6

Boekhouding voor bebost land en ontbost land

1.   De lidstaten geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van bebost land en ontbost land weer door de totale hoeveelheid emissies en de totale hoeveelheid verwijderingen van alle jaren tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030 samen te nemen.

2.   In afwijking van artikel 5, lid 3, kan een lidstaat, indien landgebruik is omgezet van bouwland, grasland, wetlands, woongebied of overig land in bosgrond, dertig jaar na de datum van die omzetting, de categorisatie van dat land wijzigen van de categorie land omgezet in bosgrond naar de categorie bosgrond die bosgrond blijft, indien zulks op grond van de IPCC-richtsnoeren gerechtvaardigd is.

3.   Bij het berekenen van emissies en verwijderingen afkomstig van bebost land en ontbost land bepaalt elke lidstaat het bosoppervlak aan de hand van de in bijlage II gespecificeerde parameters.

Artikel 7

Boekhouding voor beheerd bouwland, beheerd grasland en beheerde wetlands

1.   Elke lidstaat geeft in zijn boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd bouwland weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd bouwland tijdens de basisperiode van 2005 tot en met 2009 met vijf te vermenigvuldigen.

2.   Elke lidstaat geeft in zijn boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd grasland weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerd grasland tijdens de basisperiode van 2005 tot en met 2009 met vijf te vermenigvuldigen.

3.   Elke lidstaat die tijdens de periode van 2021 tot en met 2025, op grond van artikel 2, lid 2, beheerde wetlands meetelt in het kader van zijn toezeggingen, en alle lidstaten tijdens de periode van 2026 tot en met 2030, geven in hun boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde wetlands weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de respectieve perioden de waarde af te trekken die wordt verkregen door de voor de lidstaat toepasselijke gemiddelde jaarlijkse emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde wetlands tijdens de basisperiode van 2005 tot en met 2009 met vijf te vermenigvuldigen.

4.   Tijdens de periode van 2021 tot en met 2025 rapporteren lidstaten die er, op grond van artikel 2, lid 2, voor gekozen hebben om beheerde wetlands niet mee te tellen in het kader van hun toezeggingen, melden niettemin aan de Commissie de emissies en verwijderingen uit landgebruik aangegeven als:

a)

wetlands die wetlands blijven;

b)

in wetlands omgezet woongebied of overig land, of

c)

in woongebied of overig land omgezette wetlands.

Artikel 8

Boekhouding voor beheerde bosgrond

1.   Elke lidstaat geeft in zijn boekhouding de emissies en verwijderingen afkomstig van beheerde bosgrond weer door van de emissies en verwijderingen tijdens de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030 de waarde af te trekken die wordt verkregen door het toepasselijke referentieniveau voor bossen van de betrokken lidstaat met vijf te vermenigvuldigen.

2.   Wanneer het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde berekening negatief is ten opzichte van het referentieniveau voor bossen van een lidstaat, neemt de betrokken lidstaat in zijn boekhouding voor beheerde bosgrond maximaal het equivalent van 3,5 % van de emissies van die lidstaat in zijn referentiejaar of -periode, als gespecificeerd in bijlage III, vermenigvuldigd met vijf, op als totale nettoverwijderingen. Nettoverwijderingen die het gevolg zijn van de koolstofreservoirs van dood hout en geoogste houtproducten, met uitzondering van de categorie papier als bedoeld in artikel 9, lid 1, onder a), in de boekhoudcategorie beheerde bosgrond vallen niet onder deze beperking.

3.   De lidstaten dienen bij de Commissie voor de periode van 2021 tot en met 2025 uiterlijk op 31 december 2018 en voor de periode van 2026 tot en met 2030 uiterlijk op 30 juni 2023 hun nationale boekhoudplannen voor bosbouw in met daarin een voorstel voor een referentieniveau voor bossen. Het nationaal boekhoudplan voor bosbouw bevat alle in bijlage IV, deel B, vermelde elementen, en wordt bekendgemaakt, onder meer via het internet.

4.   De lidstaten bepalen hun nieuwe referentieniveau voor bossen op basis van de in bijlage IV, deel A, vastgestelde criteria. Voor Kroatië kunnen voor het referentieniveau voor bossen, naast de criteria van bijlage IV, deel A, ook de bezetting van zijn grondgebied, en oorlogse en naoorlogse omstandigheden die gevolgen voor het bosbeheer hebben gehad tijdens de referentieperiode, worden meegerekend.

5.   Het referentieniveau voor bossen is gebaseerd op de voortzetting van een duurzame bosbeheerpraktijk, zoals dat in de periode van 2000 tot en met 2009 is gedocumenteerd met betrekking tot de dynamische leeftijdgerelateerde kenmerken van de bossen van de lidstaat, met gebruikmaking van de best beschikbare gegevens.

De overeenkomstig de eerste alinea bepaalde referentieniveaus voor bossen houden rekening met de toekomstige effecten van dynamische leeftijdgerelateerde kenmerken van bossen, teneinde de intensiteit van het bosbeheer, als een wezenlijk element van een duurzame bosbeheerpraktijk, niet onnodig te beperken, teneinde koolstofputten op de lange termijn in stand te houden of uit te breiden.

De lidstaten tonen de consistentie aan tussen enerzijds de methoden en gegevens die in het nationale boekhoudplan voor bosbouw zijn gebruikt voor het bepalen van het voorgestelde referentieniveau voor bossen en anderzijds de methoden en gegevens die voor de rapportage over beheerde bosgrond zijn gebruikt.

6.   De Commissie voert, in overleg met door de lidstaten aangestelde deskundigen, een technische evaluatie uit van de nationale boekhoudplannen op bosbouwgebied die de lidstaten overeenkomstig lid 3 van dit artikel hebben ingediend, teneinde te beoordelen in welke mate de voorgestelde referentieniveaus voor bossen zijn bepaald in overeenstemming met de beginselen en vereisten van de leden 4 en 5 van dit artikel, en van artikel 5, lid 1. De Commissie raadpleegt bovendien de belanghebbenden en het maatschappelijk middenveld. De Commissie publiceert een samenvatting van de verrichte werkzaamheden, met inbegrip van de standpunten van de door de lidstaten aangestelde deskundigen en de conclusies die daaruit zijn getrokken.

De Commissie doet, waar nodig, technische aanbevelingen aan de lidstaten die de conclusies van de technische evaluatie weerspiegelen, teneinde de technische herziening van de voorgestelde referentieniveaus voor bossen te faciliteren. De Commissie publiceert die technische aanbevelingen.

7.   Indien zulks noodzakelijk is op basis van de technische evaluaties en, in voorkomend geval, de technische aanbevelingen, delen de lidstaten vóór 31 december 2019 voor de periode van 2021 tot en met 2025 en vóór 30 juni 2024 voor de periode van 2026 tot en met 2030 hun herziene voorstel voor een referentieniveau voor bossen mede aan de Commissie. De Commissie publiceert de door de lidstaten aan haar medegedeelde voorstellen voor referentieniveaus voor bossen.

8.   Op grond van de door de lidstaten ingediende voorstellen voor referentieniveaus voor bossen, van de krachtens lid 6 van dit artikel verrichte technische evaluatie en, in voorkomend geval, van het uit hoofde van lid 7 van dit artikel ingediende herziene voorstel voor een referentieniveau voor bossen, stelt de Commissie overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van bijlage IV ter bepaling van de referentieniveaus voor bossen die door de lidstaten moeten worden toegepast voor de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030.

9.   Indien een lidstaat nalaat om vóór de in lid 3 van dit artikel, en, indien van toepassing, lid 7 van dit artikel vermelde data zijn referentieniveau voor bossen in te dienen bij de Commissie, stelt de Commissie, overeenkomstig artikel 16 en op grond van een krachtens lid 6 van dit artikel verrichte technische evaluatie, gedelegeerde handelingen vast tot wijziging van bijlage IV ter bepaling van het referentieniveau voor bossen dat door de betrokken lidstaat moet worden toegepast voor de periode van 2021 tot en met 2025 of van 2026 tot en met 2030.

10.   De in de leden 8 en 9 bedoelde gedelegeerde handelingen worden vóór 31 oktober 2020 voor de periode van 2021 tot en met 2025 en vóór 30 april 2025 voor de periode van 2026 tot en met 2030 vastgesteld.

11.   Ter waarborging van de consistentie als bedoeld in lid 5 van dit artikel dienen de lidstaten indien nodig uiterlijk op de in artikel 14, lid 1, vermelde data bij de Commissie technische correcties in die geen wijzigingen vergen in de uit hoofde van lid 8 of 9 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen.

Artikel 9

Boekhouding voor geoogste houtproducten

1.   De lidstaten geven in uit hoofde artikel 6, lid 1, en artikel 8, lid 1, opgestelde boekhoudingen inzake geoogste houtproducten de emissies en verwijderingen weer die het gevolg zijn van veranderingen in het koolstofreservoir van geoogste houtproducten die vallen onder de volgende categorieën, en maken daarbij gebruik van de in bijlage V gespecificeerde functie voor eersteordeafname, methoden en standaardhalfwaardetijden:

a)

papier,

b)

houten panelen,

c)

gezaagd hout.

2.   De Commissie stelt overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast om lid 1 van dit artikel en bijlage V te wijzigen door nieuwe categorieën geoogste houtproducten met een koolstofvastleggingseffect toe te voegen, op grond van de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert, en die de milieu-integriteit waarborgen.

3.   De lidstaten kunnen de producten vervaardigd van materialen op basis van hout, waaronder boomschors, die vallen onder de bestaande en nieuwe categorieën als respectievelijk bedoeld in lid 1 en lid 2, nader omschrijven op grond van de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert, mits de beschikbare gegevens transparant en verifieerbaar zijn.

Artikel 10

Boekhouding voor natuurlijke verstoringen

1.   Aan het einde van elk van de perioden van 2021 tot en met 2025 en van 2026 tot en met 2030 mogen de lidstaten uit hun boekhouding voor bebost land en beheerde bosgrond broeikasgasemissies uitsluiten die het gevolg zijn van natuurlijke verstoringen en die de gemiddelde emissies door natuurlijke verstoringen in de periode van 2001 tot en met 2020, statistische uitschieters niet meegerekend („het achtergrondniveau”), overstijgen. Dat achtergrondniveau wordt overeenkomstig dit artikel en bijlage VI berekend.

2.   Wanneer een lidstaat lid 1 toepast:

a)

dient hij bij de Commissie informatie in over het achtergrondniveau voor de in lid 1 bedoelde boekhoudcategorieën voor land en over de gegevens en methoden die overeenkomstig bijlage VI zijn gebruikt, en

b)

sluit hij tot en met 2030 alle latere verwijderingen op het land dat door natuurlijke verstoringen werd aangetast, uit zijn boekhouding uit.

3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 16 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage VI om de voorschriften inzake methodologie en informatie van die bijlage te herzien teneinde rekening te houden met wijzigingen in de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert.

Artikel 11

Flexibiliteit

1.   Een lidstaat kan gebruikmaken van:

a)

de algemene flexibiliteit bedoeld in artikel 12, en

b)

om de toezegging in artikel 4 na te komen, de flexibiliteit voor beheerde bosgrond bedoeld in artikel 13.

2.   Indien een lidstaat niet aan de in artikel 7, lid 1, onder d bis), van Verordening (EU) nr. 525/2013 vastgestelde voorschriften inzake bewaking voldoet, verbiedt de uit hoofde van artikel 20 van Richtlijn 2003/87/EG benoemde centrale administrateur („de centrale administrateur”) deze lidstaat tijdelijk het verrichten van overdrachten of overboekingen krachtens artikel 12, leden 2 en 3, van deze verordening of het gebruik van de flexibiliteit voor beheerde bosgrond krachtens artikel 13 van deze verordening.

Artikel 12

Algemene flexibiliteit

1.   Wanneer in een lidstaat de totale hoeveelheid emissies de totale hoeveelheid verwijderingen overstijgt, en die lidstaat ervoor heeft gekozen om gebruik te maken van zijn flexibiliteit, en heeft gevraagd de jaarlijkse emissieruimte uit hoofde van Verordening (EU) 2018/842 te schrappen, wordt bij de beoordeling of deze lidstaat zijn toezegging krachtens artikel 4 van deze verordening nakomt, rekening gehouden met de hoeveelheid geschrapte emissieruimten.

2.   Voor zover in een lidstaat de totale hoeveelheid verwijderingen de totale hoeveelheid emissies overstijgt en na aftrekking van de hoeveelheden waarmee uit hoofde van artikel 7 van Verordening (EU) 2018/842, rekening wordt gehouden, kan deze lidstaat de overgebleven hoeveelheid verwijderingen aan een andere lidstaat overdragen. Met de overgedragen hoeveelheid wordt rekening gehouden bij de beoordeling of de ontvangende lidstaat zijn toezegging krachtens artikel 4 van deze verordening nakomt.

3.   Voor zover in een lidstaat tijdens de periode van 2021 tot en met 2025 de totale hoeveelheid verwijderingen de totale hoeveelheid emissies overstijgt, kan deze lidstaat, na aftrekking van de hoeveelheden waarmee uit hoofde van artikel 7 van Verordening (EU) 2018/842 rekening wordt gehouden of die krachtens lid 2 van dit artikel aan een andere lidstaat zijn overgedragen, de overgebleven hoeveelheid verwijderingen overboeken naar de periode van 2026 tot en met 2030.

4.   Om dubbeltelling te vermijden, wordt de hoeveelheid nettoverwijderingen waarmee uit hoofde van artikel 7 van Verordening (EU) 2018/842 rekening wordt gehouden, afgetrokken van de hoeveelheid die deze lidstaat ter beschikking heeft voor overdracht aan een andere lidstaat of voor overboeking naar een andere periode krachtens de leden 2 en 3 van dit artikel.

Artikel 13

Flexibiliteit voor beheerde bosgrond

1.   Indien in een lidstaat de totale hoeveelheid emissies de totale hoeveelheid verwijderingen als geboekt overeenkomstig deze verordening overstijgt in de in artikel 2 genoemde boekhoudcategorieën voor land, kan die lidstaat de in dit artikel vastgestelde flexibiliteit voor beheerde bosgrond gebruiken om aan artikel 4 te voldoen.

2.   Indien het resultaat van de berekening bedoeld in artikel 8, lid 1, een positief cijfer is, heeft de betrokken lidstaat het recht die emissies te compenseren op voorwaarde dat:

a)

de lidstaat, in zijn overeenkomstig artikel 4 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingediende strategie, lopende of specifieke geplande maatregelen heeft opgenomen voor de instandhouding of de uitbreiding, naargelang het geval, van putten en reservoirs uit bossen, en

b)

de totale hoeveelheid emissies in de Unie de totale hoeveelheid verwijderingen in de boekhoudcategorieën voor land in artikel 2 van de onderhavige verordening voor de periode waarvoor de lidstaat de compensatie wil gebruiken, niet overstijgt. Bij het beoordelen of binnen de Unie de totale hoeveelheid emissies de totale hoeveelheid verwijderingen overstijgt, zorgt de Commissie ervoor dat dubbeltelling door de lidstaten wordt vermeden, met name bij gebruikmaking van de in de onderhavige verordening en in Verordening (EU) 2018/842 vastgelegde flexibiliteit.

3.   Voor de hoogte van de compensatie kan de betreffende lidstaat alleen het volgende compenseren:

a)

putten geboekt als emissies tegen hun referentieniveau voor bossen, en

b)

tot het maximale compensatiebedrag voor die lidstaat als vermeld in bijlage VII voor de periode van 2021 tot en met 2030.

4.   Finland kan tot 10 miljoen ton CO2-equivalente emissies compenseren, mits het aan de voorwaarden in lid 2, onder a) en b), voldoet.

Artikel 14

Nalevingscontrole

1.   Uiterlijk op 15 maart 2027 voor de periode van 2021 tot en met 2025, en uiterlijk op 15 maart 2032 voor de periode van 2026 tot en met 2030, dienen de lidstaten bij de Commissie een nalevingsrapport in met daarin het saldo van de totale hoeveelheid emissies en de totale hoeveelheid verwijderingen voor de relevante periode betreffende elke in artikel 2 gespecificeerde boekhoudcategorie voor land, waarbij gebruik wordt gemaakt van de in deze verordening vastgestelde boekhoudregels.

Dat rapport bevat, in voorkomend geval, ook details over het voornemen om gebruik te maken van de in artikel 11 vermelde flexibiliteit en de daarmee verband houdende waarden of over het gebruik van die flexibiliteit en de daarmee verband houdende waarden.

2.   De Commissie voert een allesomvattende evaluatie van de uit hoofde van lid 1 van dit artikel verstrekte nalevingsrapporten uit met het oog op beoordeling van de naleving van artikel 4.

3.   De Commissie stelt in 2027, voor de periode van 2021 tot en met 2025, en in 2032, voor de periode van 2026 tot en met 2030, een verslag op over de totale hoeveelheid emissies en de totale hoeveelheid verwijderingen van broeikasgassen in de Unie voor elk van de in artikel 2 bedoelde boekhoudcategorieën voor land, berekend als de totale hoeveelheid gerapporteerde emissies en de totale hoeveelheid gerapporteerde verwijderingen voor de periode verminderd met de waarde die wordt verkregen door de gemiddelde jaarlijkse gerapporteerde emissies en verwijderingen in de Unie voor de periode van 2000 tot en met 2009 met vijf te vermenigvuldigen.

4.   Het Europees Milieuagentschap verleent, overeenkomstig zijn jaarlijkse werkprogramma, aan de Commissie bijstand bij de uitvoering van het bewakings- en nalevingskader van dit artikel.

Artikel 15

Register

1.   De Commissie stelt gedelegeerde handelingen vast overeenkomstig artikel 16 van deze verordening teneinde deze verordening aan te vullen om regels vast te leggen voor de registratie van de hoeveelheid emissies en verwijderingen voor elke boekhoudcategorie voor land in elke lidstaat, en om ervoor te zorgen dat de boeking bij gebruikmaking van de flexibiliteit krachtens de artikelen 12 en 13 van deze verordening, in het krachtens artikel 10 van Verordening (EU) nr. 525/2013 ingestelde register van de Unie, nauwkeurig is.

2.   De centrale administrateur voert een geautomatiseerde controle uit op elke transactie uit hoofde van deze verordening en blokkeert, indien nodig, transacties om ervoor te zorgen dat er geen onregelmatigheden zijn.

3.   De informatie in de leden 1 en 2 is toegankelijk voor het publiek.

Artikel 16

Uitoefening van bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 6, artikel 8, leden 8 en 9, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 3, en artikel 15, lid 1, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van 9 juli 2018. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen een dergelijke verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 6, artikel 8, leden 8 en 9, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 3, en artikel 15, lid 1, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Alvorens een gedelegeerde handeling vast te stellen, raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen overeenkomstig de beginselen die zijn neergelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven.

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een krachtens artikel 3, lid 2, artikel 5, lid 6, artikel 8, leden 8 en 9, artikel 9, lid 2, artikel 10, lid 3, en artikel 15, lid 1, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 17

Evaluatie

1.   Deze verordening wordt geëvalueerd, waarbij onder andere rekening wordt gehouden met internationale ontwikkelingen en inspanningen ter verwezenlijking van de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs.

Op basis van de bevindingen van het krachtens artikel 14, lid 3, opgestelde verslag en de resultaten van de krachtens artikel 13, lid 2, onder b), uitgevoerde beoordeling doet de Commissie in voorkomend geval voorstellen om te waarborgen dat de integriteit van de overkoepelende doelstelling van de Unie voor de reductie van broeikasgasemissies tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van het Akkoord van Parijs worden geëerbiedigd.

2.   De Commissie dient, binnen zes maanden na iedere algemene inventarisatie als bedoeld in artikel 14 van de Overeenkomst van Parijs, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de werking van deze verordening, inclusief, in voorkomend geval, een beoordeling van de gevolgen van de in artikel 11 bedoelde flexibiliteit, alsmede van de bijdrage van deze verordening aan de overkoepelende doelstelling van de Unie voor de reductie van broeikasgasemissies tegen 2030 en haar bijdrage aan de doelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, met name wat betreft de noodzaak van aanvullende beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie in het licht van de noodzakelijke reductie van broeikasgasemissies door de Unie en haar lidstaten, en zij dient, indien opportuun, voorstellen in.

Artikel 18

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 525/2013

Verordening (EU) nr. 525/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 7 wordt lid 1 als volgt gewijzigd:

a)

het volgende punt wordt ingevoegd:

„d bis)

vanaf 2023 hun emissies en verwijderingen die vallen onder artikel 2 van Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad (*1) overeenkomstig de in bijlage III bis bij deze verordening gespecificeerde methoden;

(*1)  Verordening (EU) 2018/841 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 inzake de opname van broeikasgasemissies en -verwijderingen door landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw in het klimaat- en energiekader 2030 en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 en Besluit nr. 529/2013/EU (PB L 156 van 19.6.2018, blz. 1).”;"

b)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Een lidstaat kan de Commissie om afwijking van punt d bis) van de eerste alinea verzoeken teneinde een andere dan in bijlage III bis gespecificeerde methode toe te passen indien de vereiste verbetering van de methode niet tijdig kan worden bereikt om in de broeikasgasinventarissen voor de periode van 2021 tot en met 2030 in aanmerking te worden genomen, of indien de verbeterde methode onevenredig hoge kosten zou meebrengen in vergelijking met de baten van de toepassing van die methode voor een betere boekhouding van emissies en verwijderingen wegens het geringe belang van de emissies en verwijderingen door de betrokken koolstofreservoirs. De lidstaten die gebruik willen maken van deze afwijking, dienen bij de Commissie uiterlijk op 31 december 2020 een met redenen omkleed verzoek in, waarbij zij de termijn waarin de verbeterde methode zou kunnen worden toegepast, de voorgestelde alternatieve methode, of beide, aangeven, samen met een beoordeling van de potentiële effecten op de nauwkeurigheid van de boekhouding. De Commissie kan om aanvullende informatie verzoeken, die binnen een specifieke redelijke termijn moet worden ingediend. Wanneer de Commissie het verzoek gegrond acht, staat zij de afwijking toe. Indien de Commissie het verzoek afwijst, motiveert zij haar besluit.”.

2)

In artikel 13, lid 1, onder c), wordt het volgende punt toegevoegd:

„viii)

vanaf 2023, informatie over nationale beleidsinitiatieven en maatregelen die zijn uitgevoerd om hun verplichtingen uit hoofde van Verordening (EU) 2018/841 na te komen en informatie over aanvullende nationale beleidsinitiatieven en maatregelen die zijn gepland om broeikasgasemissies verder te beperken of putten verder uit te breiden dan hun toezeggingen uit hoofde van deze verordening;”.

3)

In artikel 14, lid 1, wordt het volgende punt ingevoegd:

„b bis)

vanaf 2023, de totale prognoses van broeikasgassen en afzonderlijke ramingen voor de geschatte broeikasgasemissies en verwijderingen die vallen onder Verordening (EU) 2018/841;”.

4)

De volgende bijlage wordt toegevoegd:

„BIJLAGE III BIS

In artikel 7, lid 1, onder d bis), bedoelde methoden voor bewaking en rapportage

Aanpak 3: Geografisch gespecificeerde gegevens inzake de conversie van landgebruik overeenkomstig de door de IPCC opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006.

Een methode van niveau 1 overeenkomstig de door de IPCC opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006.

Bij emissies en verwijderingen voor een koolstofreservoir dat goed is voor ten minste 25 tot 30 % van de emissies of verwijderingen in een categorie bron of put die in het nationale inventarisatiesysteem van een lidstaat als prioriteit is aangeduid omdat de raming ervan een significante invloed heeft op de totale inventaris aan broeikasgassen van een land wat betreft het absolute emissie- en verwijderingsniveau, op de tendens in emissies en verwijderingen of op de onzekerheid inzake emissies en verwijderingen in de categorieën landgebruik, een methode van ten minste niveau 2 overeenkomstig de door de IPCC opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006.

De lidstaten worden aangemoedigd om een methode van niveau 3 toe te passen overeenkomstig de door de IPCC opgestelde richtsnoeren voor nationale broeikasgasinventarissen uit 2006.”.

Artikel 19

Wijziging van Besluit nr. 529/2013/EU

Besluit nr. 529/2013/EU wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 3, lid 2 wordt de eerste alinea geschrapt.

2)

In artikel 6 wordt lid 4 geschrapt.

Artikel 20

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 30 mei 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

L. PAVLOVA


(1)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 103.

(2)  PB C 272 van 17.8.2017, blz. 36.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 17 april 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 mei 2018.

(4)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(5)  PB L 282 van 19.10.2016, blz. 4.

(6)  Besluit (EU) 2016/1841 van de Raad van 5 oktober 2016 betreffende de ondertekening namens de Europese Unie van de Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen in het kader van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (PB L 282 van 19.10.2016, blz. 1).

(7)  Besluit nr. 529/2013/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 inzake boekhoudregels met betrekking tot broeikasgasemissies en -verwijderingen als gevolg van activiteiten met betrekking tot landgebruik, verandering in landgebruik en bosbouw en inzake informatie betreffende acties met betrekking tot deze activiteiten (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 80).

(8)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(9)  Verordening (EU) nr. 601/2012 van de Commissie van 21 juni 2012 inzake de monitoring en rapportage van de emissies van broeikasgassen overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 181 van 12.7.2012, blz. 30)

(10)  Beschikking 89/367/EEG van de Raad van 29 mei 1989 tot instelling van een Permanent Comité voor de bosbouw (PB L 165 van 15.6.1989, blz. 14).

(11)  Verordening (EU) 2018/842 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2018 betreffende bindende jaarlijkse broeikasgasemissiereducties door de lidstaten van 2021 tot en met 2030 teneinde bij te dragen aan klimaatmaatregelen om aan de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te voldoen, en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 525/2013 (zie bladzijde 26 van dit Publicatieblad).

(12)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(13)  Richtlijn 2007/2/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2007 tot oprichting van een infrastructuur voor ruimtelijke informatie in de Gemeenschap (Inspire) (PB L 108 van 25.4.2007, blz. 1).


BIJLAGE I

BROEIKASGASSEN EN KOOLSTOFRESERVOIRS

A.

Broeikasgassen als bedoeld in artikel 2:

a)

koolstofdioxide (CO2),

b)

methaan (CH4),

c)

stikstofoxide (N2O).

Die broeikasgassen worden uitgedrukt in ton CO2-equivalent en bepaald krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013.

B.

Koolstofreservoirs als bedoeld in artikel 5, lid 4:

a)

bovengrondse biomassa,

b)

ondergrondse biomassa,

c)

afval,

d)

dood hout,

e)

organische koolstof in de bodem,

f)

geoogste houtproducten in de boekhoudcategorieën bebost land en beheerde bosgrond.


BIJLAGE II

MINIMUMWAARDEN VOOR PARAMETERS INZAKE GRONDOPPERVLAK, KROONBEDEKKING EN BOOMHOOGTE

Lidstaat

Opp. (ha)

Kroonbedekking (%)

Boomhoogte (m)

België

0,5

20

5

Bulgarije

0,1

10

5

Tsjechië

0,05

30

2

Denemarken

0,5

10

5

Duitsland

0,1

10

5

Estland

0,5

30

2

Ierland

0,1

20

5

Griekenland

0,3

25

2

Spanje

1,0

20

3

Frankrijk

0,5

10

5

Kroatië

0,1

10

2

Italië

0,5

10

5

Cyprus

0,3

10

5

Letland

0,1

20

5

Litouwen

0,1

30

5

Luxemburg

0,5

10

5

Hongarije

0,5

30

5

Malta

1,0

30

5

Nederland

0,5

20

5

Oostenrijk

0,05

30

2

Polen

0,1

10

2

Portugal

1,0

10

5

Roemenië

0,25

10

5

Slovenië

0,25

30

2

Slowakije

0,3

20

5

Finland

0,5

10

5

Zweden

0,5

10

5

Verenigd Koninkrijk

0,1

20

2


BIJLAGE III

REFERENTIEJAAR OF -PERIODE VOOR DE BEREKENING VAN DE IN ARTIKEL 8, LID 2, BEDOELDE DREMPEL

Lidstaat

Referentiejaar/-periode

België

1990

Bulgarije

1988

Tsjechië

1990

Denemarken

1990

Duitsland

1990

Estland

1990

Ierland

1990

Griekenland

1990

Spanje

1990

Frankrijk

1990

Kroatië

1990

Italië

1990

Cyprus

1990

Letland

1990

Litouwen

1990

Luxemburg

1990

Hongarije

1985-87

Malta

1990

Nederland

1990

Oostenrijk

1990

Polen

1988

Portugal

1990

Roemenië

1989

Slovenië

1986

Slowakije

1990

Finland

1990

Zweden

1990

Verenigd Koninkrijk

1990


BIJLAGE IV

NATIONAAL BOEKHOUDPLAN VOOR BOSBOUW MET DAARIN HET REFERENTIENIVEAU VOOR BOSSEN VAN DE LIDSTAAT

A.   Criteria en aanwijzingen voor de vaststelling van het referentieniveau voor bossen

Het referentieniveau voor bossen van een lidstaat wordt bepaald overeenkomstig de volgende criteria:

a)

het referentieniveau is in overeenstemming met de doelstelling om in de tweede helft van deze eeuw een balans tussen antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen te bereiken, inclusief het uitbreiden van de potentiële verwijderingen door ouder wordende bosvoorraden die anders geleidelijk kleiner wordende putten kunnen vertonen;

b)

het referentieniveau zorgt ervoor dat de loutere aanwezigheid van koolstofvoorraden uit de boekhouding wordt uitgesloten;

c)

het referentieniveau zou moeten zorgen voor een solide en geloofwaardig boekhoudingsysteem dat garandeert dat emissies en verwijderingen afkomstig van biomassagebruik naar behoren worden geboekt;

d)

het referentieniveau omvat het koolstofreservoir van geoogste houtproducten, waarbij een vergelijking wordt geboden tussen de situatie met aanname van instantane oxidatie en de situatie waarin voor verval een eersteordefunctie en standaardhalfwaardetijden worden toegepast;

e)

er wordt uitgegaan van een constante verhouding tussen gebruik van biomassa uit bossen voor vaste-biomassadoeleinden en voor energiedoeleinden, zoals gedocumenteerd in de periode van 2000 tot en met 2009;

f)

het referentieniveau zou in overeenstemming moeten zijn met de doelstelling om bij te dragen aan de instandhouding van de biodiversiteit en het duurzame gebruik van natuurlijke rijkdommen, zoals vastgesteld in de EU-bosstrategie, het nationale bosbeleid van de lidstaten en de EU-biodiversiteitsstrategie;

g)

het referentieniveau is in overeenstemming met de nationale prognoses van antropogene emissies per bron en verwijderingen per put van broeikasgassen, waarover uit hoofde van Verordening (EU) nr. 525/2013 wordt gerapporteerd;

h)

het referentieniveau is in overeenstemming met de broeikasgasinventarissen en relevante historische gegevens, en is gebaseerd op transparante, volledige, consistente, vergelijkbare en nauwkeurige informatie. Met name moet het model dat wordt gebruikt voor de totstandbrenging van het referentieniveau, historische gegevens uit de nationale broeikasgasinventaris kunnen weergeven.

B.   Elementen van het nationaal boekhoudplan voor bosbouw

Het op grond van artikel 8 ingediende nationaal boekhoudplan voor bosbouw omvat de volgende elementen:

a)

een algemene omschrijving van de bepaling van het referentieniveau voor bossen en een omschrijving van hoe met de criteria in deze verordening rekening is gehouden;

b)

identificatie van de koolstofreservoirs en broeikasgassen die in aanmerking zijn genomen voor het referentieniveau voor bossen, redenen voor het weglaten van een koolstofreservoir uit de bepaling van het referentieniveau voor bossen en bewijs voor de consistentie tussen de koolstofreservoirs die in aanmerking zijn genomen voor het referentieniveau voor bossen;

c)

een beschrijving van de benaderingen, methoden en modellen, met inbegrip van kwantitatieve informatie, die bij de bepaling van het referentieniveau voor bossen zijn gebruikt, in overeenstemming met het meest recentelijk ingediende nationale inventarisatieverslag, en een beschrijving van de documentatie over de praktijk en de intensiteit van duurzaam bosbeheer, alsook van de genomen nationale beleidsmaatregelen;

d)

informatie over hoe de kapcijfers zich naar verwachting zullen ontwikkelen binnen verschillende beleidsscenario’s;

e)

een beschrijving van hoe bij de bepaling van het referentieniveau voor bossen rekening is gehouden met elk van de volgende elementen:

i)

de oppervlakte onder bosbeheer;

ii)

emissies en verwijderingen afkomstig van bossen en geoogste houtproducten, zoals blijkt uit de broeikasgasinventarissen en relevante historische gegevens;

iii)

de kenmerken van bossen, met inbegrip van hun dynamische leeftijdgerelateerde kenmerken, toenamen, rotatieduur en andere informatie over bosbeheeractiviteiten bij ongewijzigd beleid;

iv)

historische en toekomstige kapcijfers, uitgesplitst naar gebruik voor energie, respectievelijk andere doeleinden.


BIJLAGE V

FUNCTIE VOOR EERSTEORDEAFNAME, METHODEN EN STANDAARDHALFWAARDETIJDEN VOOR GEOOGSTE HOUTPRODUCTEN

Methodologische kwesties

Indien er geen onderscheid kan worden gemaakt tussen geoogste houtproducten in de boekhoudcategorieën bebost land en beheerde bosgrond, kan een lidstaat ervoor kiezen om geoogste houtproducten te boeken op basis van de aanname dat alle emissies en verwijderingen zich op beheerde bosgrond hebben voorgedaan.

Geoogste houtproducten op stortplaatsen voor vast afval en geoogste houtproducten die voor energiedoeleinden zijn geoogst, worden op basis van instantane oxidatie geboekt.

Ingevoerde geoogste houtproducten worden, ongeacht hun herkomst, door de invoerende lidstaat niet in de boekhouding opgenomen („productieaanpak”).

Voor uitgevoerde geoogste houtproducten verwijzen de landspecifieke gegevens naar landspecifieke halfwaardetijden en het gebruik van geoogste houtproducten in het invoerende land.

Landspecifieke halfwaardetijden voor geoogste houtproducten die in de Unie in de handel worden gebracht, zouden niet mogen afwijken van die welke door de invoerende lidstaten worden gebruikt.

De lidstaten kunnen, uitsluitend ter informatie, bij hun indiening gegevens verstrekken over het aandeel voor energiedoeleinden gebruikt hout dat van buiten de Unie is ingevoerd, alsmede over de landen van herkomst daarvan.

De lidstaten mogen landspecifieke methoden en halfwaardetijden gebruiken in plaats van de in deze bijlage gespecificeerde methoden en standaardhalfwaardetijden, mits die methoden en halfwaardetijden worden vastgesteld op basis van transparante en verifieerbare gegevens en de gebruikte methoden ten minste even gedetailleerd en nauwkeurig zijn als die welke in deze bijlage zijn gespecificeerd.

Standaardhalfwaardetijden:

Onder halfwaardetijd wordt verstaan: het aantal jaren voordat de hoeveelheid koolstof in een categorie geoogste houtproducten is afgenomen tot de helft van de oorspronkelijke waarde.

De volgende standaardhalfwaardetijden gelden:

a)

2 jaar voor papier;

b)

25 jaar voor houten panelen;

c)

35 jaar voor gezaagd hout.

De lidstaten kunnen de producten vervaardigd van materialen op basis van hout, waaronder boomschors, die onder de hierboven onder a), b) en c) bedoelde categorieën vallen, nader omschrijven op grond van de IPCC-richtsnoeren als aangenomen door de Conferentie van de Partijen bij het UNFCCC of de Conferentie van de Partijen die als vergadering van de Partijen bij de Overeenkomst van Parijs fungeert, mits de beschikbare gegevens transparant en verifieerbaar zijn. De lidstaten kunnen ook landspecifieke subcategorieën van elk van die categorieën gebruiken.


BIJLAGE VI

BEREKENING VAN HET ACHTERGRONDNIVEAU VOOR NATUURLIJKE VERSTORINGEN

1.

Voor de berekening van het achtergrondniveau wordt de volgende informatie verstrekt:

a)

historische niveaus van emissies die door natuurlijke verstoringen zijn veroorzaakt;

b)

de soort(en) natuurlijke verstoringen die in de raming zijn opgenomen;

c)

ramingen voor de totale jaarlijkse emissies voor die soorten natuurlijke verstoringen voor de periode van 2001 tot en met 2020, vermeld per boekhoudcategorie voor land;

d)

bewijs voor de consistentie van de tijdreeksen in alle relevante parameters, met inbegrip van minimumoppervlakte, methoden voor de raming van emissies en regelingen voor koolstofreservoirs en gassen.

2.

Het achtergrondniveau wordt berekend als het gemiddelde van de tijdreeks 2001-2020, met uitsluiting van alle jaren waarvoor abnormale emissieniveaus zijn geregistreerd, d.w.z. met uitsluiting van alle statistische uitschieters. De statistische uitschieters worden als volgt bepaald:

a)

bereken de rekenkundige gemiddelde waarde en de standaardafwijking van de volledige tijdreeks 2001-2020;

b)

sluit van de tijdreeks alle jaren uit waarvoor de jaarlijkse emissies meer bedragen dan tweemaal de standaardafwijking van het gemiddelde;

c)

bereken de rekenkundige gemiddelde waarde en de standaardafwijking van de tijdreeks 2001-2020 minus de onder b) uitgesloten jaren;

d)

herhaal punten b) en c) totdat er geen uitschieters meer zijn.

3.

Na de berekening van het achtergrondniveau krachtens punt 2 van deze bijlage mag, indien de emissies in een bepaald jaar in de periode van 2021 tot en met 2025 en de periode van 2026 tot en met 2030 het achtergrondniveau plus een marge overschrijden, het aantal emissies dat het achtergrondniveau overschrijdt overeenkomstig artikel 10 worden uitgesloten. De marge stemt overeen met een waarschijnlijkheidsniveau van 95 %.

4.

De volgende emissies worden niet uitgesloten:

a)

emissies die afkomstig zijn van kap- en reddingskapactiviteiten die op land zijn verricht nadat natuurlijke verstoringen zich hebben voorgedaan;

b)

emissies die het gevolg zijn van voorgeschreven afbranding die in dat bepaalde jaar tijdens de periode van 2021 tot en met 2025 of de periode van 2026 tot en met 2030 op land heeft plaatsgevonden;

c)

emissies op gronden die na natuurlijke verstoringen zijn ontbost.

5.

De informatievoorschriften krachtens artikel 10, lid 2, omvatten het volgende:

a)

vermelding van alle gebieden die in dat bepaalde jaar door natuurlijke verstoringen zijn getroffen, met inbegrip van hun geografische locatie, de periode en de soorten natuurlijke verstoringen;

b)

bewijs dat er tijdens het resterende deel van de periode van 2021 tot en met 2025 of de periode van 2026 tot en met 2030 geen ontbossing heeft plaatsgevonden op gronden die door natuurlijke verstoringen zijn getroffen en ten aanzien waarvan emissies uit de boekhouding zijn uitgesloten;

c)

een omschrijving van de verifieerbare methoden en criteria die zullen worden gebruikt om ontbossing op die gronden in de opeenvolgende jaren tijdens de periode van 2021 tot en met 2025 of de periode van 2026 tot en met 2030 te identificeren;

d)

waar mogelijk, een omschrijving van de maatregelen die de lidstaat heeft genomen om de gevolgen van die natuurlijke verstoringen te voorkomen of te beperken;

e)

waar mogelijk, een omschrijving van de maatregelen die de lidstaat heeft genomen om de gronden die door die natuurlijke verstoringen zijn getroffen, te herstellen.


BIJLAGE VII

MAXIMALE COMPENSATIE IN HET KADER VAN DE IN ARTIKEL 13, LID 3, ONDER B), BEDOELDE FLEXIBILITEIT VOOR BEHEERDE BOSGROND

Lidstaat

Gerapporteerde gemiddelde verwijderingen uit putten afkomstig van bosgrond in de periode van 2000 tot en met 2009 in miljoen ton CO2 -equivalent per jaar

Compensatielimiet uitgedrukt in miljoen ton CO2-equivalent voor de periode van 2021 tot en met 2030

België

–3,61

–2,2

Bulgarije

–9,31

–5,6

Tsjechië

–5,14

–3,1

Denemarken

–0,56

–0,1

Duitsland

–45,94

–27,6

Estland

–3,07

–9,8

Ierland

–0,85

–0,2

Griekenland

–1,75

–1,0

Spanje

–26,51

–15,9

Frankrijk

–51,23

–61,5

Kroatië

–8,04

–9,6

Italië

–24,17

–14,5

Cyprus

–0,15

–0,03

Letland

–8,01

–25,6

Litouwen

–5,71

–3,4

Luxemburg

–0,49

–0,3

Hongarije

–1,58

–0,9

Malta

0,00

0,0

Nederland

–1,72

–0,3

Oostenrijk

–5,34

–17,1

Polen

–37,50

–22,5

Portugal

–5,13

–6,2

Roemenië

–22,34

–13,4

Slovenië

–5,38

–17,2

Slowakije

–5,42

–6,5

Finland

–36,79

–44,1

Zweden

–39,55

–47,5

Verenigd Koninkrijk

–16,37

–3,3


Top