Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R0625

Gedelegeerde Verordening (EU) 2018/625 van de Commissie van 5 maart 2018 ter aanvulling van Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430

C/2018/1231

OJ L 104, 24.4.2018, p. 1–36 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2018/625/oj

24.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 104/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2018/625 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2018

ter aanvulling van Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2017 inzake het Uniemerk (1), en met name artikel 48, artikel 49, lid 3, de artikelen 65 en 73, artikel 96, lid 4, artikel 97, lid 6, artikel 98, lid 5, artikel 100, lid 2, artikel 101, lid 5, artikel 103, lid 3, artikel 106, lid 3, de artikelen 121 en 168, artikel 194, lid 3, en artikel 196, lid 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad (2), die later is gecodificeerd als Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad (3), is een voor de Unie specifiek stelsel in het leven geroepen voor de op grond van een aanvraag bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie („het Bureau”) te verkrijgen bescherming van merken op het niveau van de Unie.

(2)

Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad (4) tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 heeft de bevoegdheden die daarin aan de Commissie zijn verleend, in overeenstemming gebracht met de artikelen 290 en 291 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Om de werking van het nieuwe rechtskader dat uit die aanpassing voortvloeit, te waarborgen, werden Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 van de Commissie (5) en Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 van de Commissie (6) vastgesteld.

(3)

Verordening (EG) nr. 207/2009 is gecodificeerd als Verordening (EU) 2017/1001. In het belang van de duidelijkheid en de vereenvoudiging moeten de in een gedelegeerde verordening vermelde verwijzingen de uit de codificatie van de desbetreffende basishandeling voortvloeiende hernummering van de artikelen weerspiegelen. Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 moet daarom worden ingetrokken en de bepalingen van die gedelegeerde verordening moeten met bijgewerkte verwijzingen naar Verordening (EU) 2017/1001 in deze verordening worden opgenomen.

(4)

De procedurele regels inzake oppositie moeten zorgen voor een doeltreffende, efficiënte en snelle beoordeling en registratie van Uniemerkaanvragen bij het Bureau, volgens een transparante, gedegen, eerlijke en billijke procedure. Met het oog op meer rechtszekerheid en duidelijkheid moeten die regels inzake oppositie rekening houden met de uitgebreide relatieve weigeringsgronden vervat in Verordening (EU) 2017/1001, met name wat betreft de eisen voor ontvankelijkheid en onderbouwing van de oppositieprocedure, en worden aangepast om beter rekening te houden met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie en om de bestaande praktijk van het Bureau te codificeren.

(5)

Met het oog op een meer flexibel, consistent en modern merkenstelsel in de Unie is het, onder waarborging van de rechtszekerheid, passend de administratieve last voor partijen bij inter-partesprocedures te verminderen door een versoepeling van de vereisten inzake onderbouwing van oudere rechten in gevallen waarin de inhoud van het relevante bewijsmateriaal online toegankelijk is via een door het Bureau erkende bron, alsmede van het vereiste van overlegging van bewijsmateriaal in de proceduretaal.

(6)

Met het oog op duidelijkheid en rechtszekerheid is het van belang de vereisten voor wijziging van een Uniemerkaanvraag helder en uitputtend neer te leggen.

(7)

De procedurele regels voor vervallen- en voor nietigverklaring van een Uniemerk moeten ervoor zorgen dat een Uniemerk op doeltreffende en efficiënte wijze door middel van transparante, gedegen, eerlijke en billijke procedures vervallen of nietig kan worden verklaard. Voor meer duidelijkheid, consistentie, efficiëntie en rechtszekerheid moeten de procedurele regels inzake vervallenverklaring en nietigverklaring van een Uniemerk worden afgestemd op die welke van toepassing zijn ten aanzien van oppositieprocedures, en alleen die verschillen in stand worden gehouden die nodig zijn vanwege de specifieke aard van vervallenverklarings- en van nietigheidsprocedures. Bovendien moet er bij verzoeken om overgang van een Uniemerk dat is ingeschreven op naam van een gemachtigde die daarvoor geen toestemming heeft, dezelfde procedurele weg worden gevolgd als bij nietigheidsprocedures, aangezien zij in de praktijk dienen als alternatief voor nietigverklaring van een merk.

(8)

Volgens vaste rechtspraak van het Hof van Justitie (7) heeft het Bureau, tenzij anders is bepaald, een discretionaire bevoegdheid bij de beoordeling van laattijdig overgelegd bewijsmateriaal dat is ingediend ter staving van een oppositie of ten bewijze van het normale gebruik van het oudere merk in het kader van een oppositie- of een nietigheidsprocedure. Met het oog op de rechtszekerheid moeten de grenzen van deze beoordelingsvrijheid nauwkeurig worden weerspiegeld in de voorschriften omtrent oppositieprocedures of procedures voor nietigverklaring van een Uniemerk.

(9)

Om een doeltreffende, efficiënte en, binnen de grenzen van het door de partijen afgebakende beroep, volledige toetsing van beslissingen van het Bureau in eerste instantie mogelijk te maken door middel van een transparante, gedegen, eerlijke en onpartijdige beroepsprocedure die is afgestemd op de specifieke aard van het intellectuele-eigendomsrecht en met inachtneming van de beginselen die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2017/1001, is het dienstig om de rechtszekerheid en de voorspelbaarheid te versterken door verduidelijking en precisering van de procedurele regels en de procedurele waarborgen van partijen, in het bijzonder wanneer een verweerder gebruikmaakt van het recht incidenteel beroep in te stellen.

(10)

Met het oog op een doeltreffende en efficiënte organisatie van de kamers van beroep moeten de president, de voorzitters en de leden van de kamers van beroep bij de uitoefening van de respectieve taken die hun zijn opgelegd bij Verordening (EU) 2017/1001 en bij deze verordening, zorgen voor een hoge kwaliteit en consistentie van de door de kamers van beroep onafhankelijk genomen beslissingen alsmede voor de doeltreffendheid van de beroepsprocedures.

(11)

Teneinde de onafhankelijkheid te waarborgen van de president, de voorzitters en de leden van de kamers van beroep zoals bepaald in artikel 166 van Verordening (EU) 2017/1001, moet de raad van bestuur acht slaan op dat artikel bij de vaststelling van passende uitvoeringsregels waarmee invulling moet worden gegeven aan het Statuut en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie overeenkomstig artikel 110 van het Statuut.

(12)

Met het oog op de transparantie en voorspelbaarheid van de beroepsprocedures moet het reglement voor de procesvoering bij de kamers van beroep dat oorspronkelijk was neergelegd in de Verordeningen (EG) nr. 2868/95 (8) en (EG) nr. 216/96 (9) van de Commissie, worden vastgelegd in een enkele tekst en naar behoren worden gekoppeld aan de procedurele regels die van toepassing zijn op de instanties van het Bureau tegen de beslissingen waarvan beroep kan worden ingesteld.

(13)

Ter wille van de duidelijkheid en rechtszekerheid moeten bepaalde procedurele regels voor mondelinge behandeling, met name inzake de taal voor die procedure, worden gecodificeerd en verduidelijkt. Voorts is het passend te zorgen voor meer efficiëntie en flexibiliteit door invoering van de mogelijkheid om met technische middelen deel te nemen aan de mondelinge behandeling en om het proces-verbaal van de mondelinge behandeling te vervangen door de opname ervan.

(14)

Met het oog op een verdere stroomlijning van procedures en ter verhoging van de consistentie ervan, is het dienstig om de basisstructuur en de vorm waarin bewijsmateriaal in alle procedures bij het Bureau moet worden ingediend, te vermelden, evenals de gevolgen van het niet in overeenstemming met die structuur en vorm indienen van bewijsmateriaal.

(15)

Met het oog op de modernisering van het merkenstelsel in de Unie door dit aan te passen aan het internettijdperk, is het voorts dienstig te voorzien in een definitie van „elektronisch middel” in het kader van kennisgevingen en vormen van kennisgeving die niet achterhaald zijn.

(16)

In het belang van efficiëntie, transparantie en gebruiksvriendelijkheid moet het Bureau standaardformulieren ter beschikking stellen in alle officiële talen van het Bureau voor communicatie in procedures voor het Bureau, die online kunnen worden ingevuld.

(17)

Met het oog op meer duidelijkheid, consistentie en efficiëntie moet een bepaling betreffende de schorsing van procedures inzake oppositie, verval, nietigheid en beroep worden opgenomen, waarin ook de maximale duur van een schorsing op verzoek van beide partijen wordt vastgelegd.

(18)

De regels voor de berekening en de duur van termijnen, de procedures voor de herroeping van een beslissing of voor de doorhaling van een inschrijving in het register, de nadere regels voor de hervatting van procedures, en de nadere gegevens over vertegenwoordiging voor het Bureau moeten zorgen voor een vlotte, doeltreffende en efficiënte werking van het Uniemerkenstelsel.

(19)

Het is noodzakelijk te zorgen voor de effectieve en efficiënte inschrijving van internationale merken op een wijze die volledig in overeenstemming is met de bepalingen van het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken.

(20)

Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 en Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 vervingen de voorschriften die voordien waren vastgesteld bij de Verordeningen (EG) nr. 2868/95 en (EG) nr. 216/96, die daarom werden ingetrokken. Niettegenstaande die intrekking is het noodzakelijk specifieke bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 2868/95 en (EG) nr. 216/96 op bepaalde procedures die zijn ingeleid vóór de datum waarop Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 van toepassing is geworden, te blijven toepassen totdat die procedures zijn afgerond,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Voorwerp

Deze verordening voorziet in regels tot nadere omschrijving van:

a)

de bijzonderheden van de procedure voor het instellen en het onderzoeken van een oppositie tegen de inschrijving van een Uniemerk bij het Bureau voor intellectuele eigendom van de Europese Unie („het Bureau”);

b)

de bijzonderheden van de procedure voor de wijziging van een Uniemerkaanvraag;

c)

de bijzonderheden inzake de vervallen- en de nietigverklaring van een Uniemerk, alsmede de overgang van een Uniemerk dat is ingeschreven op naam van een gemachtigde die daarvoor geen toestemming heeft;

d)

de formele inhoud van een beroepschrift, de procedure voor het instellen en het onderzoeken van een beroep, de formele inhoud en de vorm van de beslissingen van de kamers van beroep en de terugbetaling van de beroepstaksen, de details met betrekking tot de organisatie van de kamers van beroep, en de voorwaarden waaronder beslissingen in beroep door één enkel lid moeten worden genomen;

e)

de nadere regels voor mondelinge behandeling en bewijsvoering;

f)

de nadere regels inzake kennisgeving door het Bureau en de regels inzake de middelen voor communicatie met het Bureau;

g)

de nadere regels inzake de berekening en de duur van termijnen;

h)

de procedure voor de herroeping van een beslissing of de doorhaling van een inschrijving in het register van Uniemerken;

i)

de nadere regels voor de hervatting van de procedure voor het Bureau;

j)

de voorwaarden en de procedure voor de aanwijzing van een gemeenschappelijke vertegenwoordiger, de voorwaarden waaronder werknemers en erkende gemachtigden een volmacht indienen, alsmede de inhoud van die volmacht, en de voorwaarden waaronder een persoon uit de lijst van toegelaten erkende gemachtigden kan worden geschrapt;

k)

de nadere procedure voor internationale inschrijvingen op grond van een basisaanvraag of -inschrijving met betrekking tot een collectief merk, certificeringsmerk of garantiemerk, en de procedure voor het instellen en het onderzoeken van een oppositie tegen een internationale inschrijving.

TITEL II

OPPOSITIEPROCEDURE EN BEWIJS VAN GEBRUIK

Artikel 2

Instelling van oppositie

1.   Oppositie kan worden ingesteld op grond van een of meer oudere merken of andere rechten in de zin van artikel 8 van Verordening (EU) 2017/1001, mits de houders die uit hoofde van artikel 46 van Verordening (EU) 2017/1001 de oppositie instellen of de anderszins uit hoofde van dat artikel daartoe gemachtigde of gerechtigde personen gerechtigd zijn zulks voor alle oudere merken of rechten te doen. Indien een ouder merk meer dan één houder kent (medehouderschap) of een ouder recht door meer dan één persoon kan worden uitgeoefend, kan een oppositie krachtens artikel 46 van Verordening (EU) 2017/1001 door een of meer of alle houders of daartoe gemachtigde of anderszins gerechtigde personen worden ingesteld.

2.   Het oppositiebezwaarschrift omvat:

a)

het dossiernummer van de aanvraag waartegen de oppositie wordt ingesteld, en de naam van de aanvrager van het Uniemerk;

b)

een duidelijke omschrijving van het oudere merk of recht waarop de oppositie berust, te weten:

i)

indien de oppositie berust op een ouder merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder a) of b), van Verordening (EU) 2017/1001, het dossier- of inschrijvingsnummer van het oudere merk, een vermelding of het oudere merk is ingeschreven, dan wel of het een aanvraag om inschrijving van dat merk betreft, alsmede een opgave van de lidstaten, met inbegrip, in voorkomend geval, van de Benelux, waar of waarvoor het oudere merk bescherming geniet, of, in voorkomend geval, de vermelding dat het een Uniemerk betreft;

ii)

indien de oppositie berust op een algemeen bekend merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder c), van Verordening (EU) 2017/1001, een vermelding van de lidsta(a)t(en) waar het merk algemene bekendheid geniet en een weergave van het merk;

iii)

indien de oppositie berust op het ontbreken van toestemming van de merkhouder als bedoeld in artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, een vermelding van het grondgebied waarop het oudere merk wordt beschermd, de weergave van het merk en, indien van toepassing, een vermelding of het oudere merk een aanvraag of een inschrijving betreft, in welk geval het indienings- of inschrijvingsnummer moet worden verstrekt;

iv)

indien de oppositie berust op een ouder merk of een ander teken in de zin van artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001, een opgave van de soort of aard ervan, een weergave van het oudere merk of teken, een vermelding of dit oudere recht of teken bestaat in de gehele Unie dan wel in een of meer lidstaten en, indien dit het geval is, een opgave van die lidstaten;

v)

indien de oppositie berust op een oudere oorsprongsbenaming of geografische aanduiding in de zin van artikel 8, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1001, een opgave van de aard ervan, een weergave van de oudere oorsprongsbenaming of geografische aanduiding, en een vermelding of deze beschermd is in de gehele Unie dan wel in een of meer lidstaten en, indien dit het geval is, een opgave van die lidstaten;

c)

de gronden waarop de oppositie berust, door middel van een daartoe strekkende verklaring dat aan de vereisten van artikel 8, leden 1, 3, 4, 5 of 6, van Verordening (EU) 2017/1001 is voldaan, voor elk van de door de opposant ingeroepen oudere merken of rechten;

d)

in het geval van een oudere merkaanvraag of inschrijving, de datum van indiening en, indien beschikbaar, de datum van inschrijving en de datum van voorrang van het oudere merk;

e)

in het geval van oudere rechten uit hoofde van artikel 8, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1001, de datum van de aanvraag tot inschrijving of, indien die niet beschikbaar is, de datum van ingang van de bescherming;

f)

ingeval het een oudere merkaanvraag of inschrijving betreft, een weergave van het oudere merk zoals ingeschreven of aangevraagd; indien het een ouder merk in kleur betreft, moet de weergave in kleur zijn;

g)

een opgave van de waren of diensten waarop elk van de gronden van de oppositie is gebaseerd;

h)

met betrekking tot de opposant:

i)

de gegevens van de opposant, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 (10);

ii)

indien de opposant een vertegenwoordiger heeft aangewezen, of indien vertegenwoordiging verplicht is op grond van artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, de naam en het kantooradres van de vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

iii)

indien de oppositie wordt ingesteld door een licentienemer of een persoon die op grond van de toepasselijke Uniewetgeving of het toepasselijke nationale recht een ouder recht kan doen gelden, een verklaring in die zin en gegevens omtrent de machtiging of het gerechtigd zijn tot het instellen van de oppositie;

i)

een opgave van de waren of diensten waartegen de oppositie is gericht; bij ontbreken van een dergelijke opgave wordt de oppositie geacht gericht te zijn tegen alle waren of diensten van de aanvraag voor het Uniemerk waartegen oppositie wordt ingesteld.

3.   Indien de oppositie berust op meer dan één ouder merk of ouder recht, is lid 2 op elk van deze merken, tekens, oorsprongsbenamingen of geografische aanduidingen van toepassing.

4.   Het oppositiebezwaarschrift kan tevens een met redenen omklede uiteenzetting van de gronden, de feiten en argumenten waarop de oppositie berust, en bewijsstukken tot staving van de oppositie bevatten.

Artikel 3

Taalgebruik in de oppositieprocedure

De opposant of de aanvrager kan, vóór de datum waarop de contradictoire fase van de oppositieprocedure geacht wordt een aanvang te nemen op grond van artikel 6, lid 1, het Bureau ervan in kennis stellen dat de aanvrager en de opposant overeenstemming hebben bereikt over een andere taal voor de oppositieprocedure in overeenstemming met artikel 146, lid 8, van Verordening (EU) 2017/1001. Indien het oppositiebezwaarschrift niet in die taal is ingediend, kan de aanvrager verzoeken dat de opposant een vertaling in die taal indient. Een dergelijk verzoek moet door het Bureau uiterlijk zijn ontvangen op de datum waarop de contradictoire fase van de oppositieprocedure wordt geacht een aanvang te nemen. Het Bureau stelt een termijn vast voor de opposant om een vertaling in te dienen. Indien die vertaling niet of niet tijdig is ingediend, blijft de proceduretaal zoals bepaald in overeenstemming met artikel 146 van Verordening (EU) 2017/1001 („proceduretaal”) ongewijzigd.

Artikel 4

Informatie aan de partijen bij de oppositieprocedure

Het oppositiebezwaarschrift en alle door de opposant overgelegde documenten, alsook alle voorafgaand aan een beoordeling van de ontvankelijkheid door het Bureau aan een van de partijen gerichte mededelingen worden door het Bureau aan de andere partij toegezonden om deze van de indiening van een oppositie in kennis te stellen.

Artikel 5

Ontvankelijkheid van de oppositie

1.   Indien de oppositietaks niet binnen de in artikel 46, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 neergelegde oppositietermijn is voldaan, wordt de oppositie geacht niet te zijn ingediend. Indien de oppositietaks na het verstrijken van de oppositietermijn is betaald, wordt deze de opposant terugbetaald.

2.   Indien het oppositiebezwaarschrift is ingediend na het verstrijken van de oppositietermijn, verklaart het Bureau de oppositie niet-ontvankelijk.

3.   Indien het oppositiebezwaarschrift niet in een van de talen van het Bureau is ingediend zoals artikel 146, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001 vereist, of het niet voldoet aan artikel 2, lid 2, onder a), b) of c), van deze verordening, en deze gebreken niet vóór het verstrijken van de oppositietermijn zijn verholpen, verklaart het Bureau de oppositie niet-ontvankelijk.

4.   Indien de opposant niet een ingevolge artikel 146, lid 7, van Verordening (EU) 2017/1001 vereiste vertaling overlegt, wordt de oppositie niet-ontvankelijk verklaard. Indien de opposant een onvolledige vertaling overlegt, wordt bij de toetsing van de ontvankelijkheid geen rekening gehouden met het gedeelte van het oppositiebezwaarschrift dat niet vertaald is.

5.   Indien het oppositiebezwaarschrift niet aan de bepalingen van artikel 2, lid 2, onder d) tot en met h), voldoet, doet het Bureau hiervan mededeling aan de opposant en verzoekt het hem de vastgestelde gebreken binnen twee maanden te verhelpen. Indien de gebreken niet tijdig worden opgeheven, verklaart het Bureau de oppositie niet-ontvankelijk.

6.   Het Bureau stelt de aanvrager in kennis van elke vaststelling ingevolge lid 1 dat de oppositie geacht wordt niet te zijn ingesteld, en van elke beslissing waarbij de oppositie op grond van de niet-ontvankelijkheidsgronden uit hoofde van lid 2, 3, 4 of 5 wordt afgewezen. Wanneer een oppositie overeenkomstig lid 2, 3, 4 of 5 wegens niet-ontvankelijkheid in zijn geheel is afgewezen vóór de kennisgeving van artikel 6, lid 1, wordt geen beslissing inzake de kosten genomen.

Artikel 6

Begin van de contradictoire fase van de oppositieprocedure en voortijdige sluiting van de procedure

1.   Wanneer de oppositie overeenkomstig artikel 5 ontvankelijk wordt verklaard, stuurt het Bureau de partijen een mededeling om hen te laten weten dat de contradictoire fase van de oppositieprocedure twee maanden na ontvangst van de mededeling geacht wordt te beginnen. Deze termijn kan tot in totaal 24 maanden worden verlengd indien beide partijen voor het verstrijken van de tweemaandentermijn daarom verzoeken.

2.   Indien de aanvraag binnen de in lid 1 bedoelde termijn wordt ingetrokken of beperkt wordt tot waren of diensten waartegen de oppositie niet is gerichts, of indien het Bureau bericht ontvangt van een schikking tussen de partijen, of indien de aanvraag in een parallelle procedure wordt afgewezen, wordt de oppositieprocedure gesloten.

3.   Indien de aanvrager binnen de in lid 1 bedoelde termijn de aanvraag beperkt door sommige van de waren en diensten waartegen de oppositie is gericht, te schrappen, verzoekt het Bureau de opposant binnen een door het Bureau te stellen termijn mee te delen of hij de oppositie handhaaft en, zo ja, voor welke van de resterende waren of diensten. Indien de opposant de oppositie wegens de beperking intrekt, wordt de oppositieprocedure gesloten.

4.   Indien vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn de oppositieprocedure overeenkomstig lid 2 of lid 3 wordt gesloten, wordt geen beslissing inzake de kosten genomen.

5.   Indien vóór het verstrijken van de in lid 1 bedoelde termijn de oppositieprocedure na een intrekking of beperking van de aanvraag overeenkomstig lid 2 of na een intrekking van de oppositie overeenkomstig lid 3 wordt gesloten, wordt de oppositietaks terugbetaald.

Artikel 7

Onderbouwing van de oppositie

1.   Het Bureau stelt de opposant in de gelegenheid feiten, bewijzen en argumenten aan te dragen ter staving van de oppositie, of om feiten, bewijzen of argumenten die reeds zijn ingediend overeenkomstig artikel 2, lid 4, aan te vullen. Hiertoe stelt het Bureau een termijn vast die ten minste twee maanden bedraagt, te rekenen vanaf de datum waarop de contradictoire fase van de procedure geacht wordt te beginnen overeenkomstig artikel 6, lid 1.

2.   Binnen de in lid 1 bedoelde termijn overlegt de opposant ook bewijsmateriaal ten aanzien van het bestaan, de geldigheid en de reikwijdte van de bescherming van zijn oudere merk of recht, alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat hij gerechtigd is oppositie in te stellen. De opposant verstrekt met name het volgende bewijsmateriaal:

a)

indien de oppositie berust op een ouder merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder a) en b), van Verordening (EU) 2017/1001, dat geen Uniemerk is, bewijsmateriaal betreffende de indiening of inschrijving ervan door overlegging van:

i)

indien het merk nog niet is ingeschreven, een kopie van het desbetreffende indieningsbewijs of een ander gelijkwaardig document van de administratie waarbij de merkaanvraag werd ingediend; of

ii)

indien het oudere merk is ingeschreven, een kopie van het desbetreffende inschrijvingsbewijs en, in voorkomend geval, van het laatste vernieuwingsbewijs, waaruit blijkt dat de beschermingstermijn van het merk langer is dan de in lid 1 bedoelde termijn of de eventuele verlenging daarvan, of gelijkwaardige documenten van de administratie waarbij het merk werd ingeschreven;

b)

indien de oppositie berust op een algemeen bekend merk in de zin van artikel 8, lid 2, onder c), van Verordening (EU) 2017/1001, bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk op het desbetreffende grondgebied algemene bekendheid geniet voor de waren of diensten die zijn vermeld overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder g), van deze verordening;

c)

indien de oppositie berust op het ontbreken van toestemming van de merkhouder als bedoeld in artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, bewijsmateriaal betreffende het houderschap van het oudere merk van de opposant en van zijn relatie tot de gemachtigde of vertegenwoordiger;

d)

indien de oppositie berust op een ouder recht in de zin van artikel 8, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001, bewijsmateriaal waaruit het gebruik van dat recht in het economische verkeer van meer dan alleen plaatselijke betekenis blijkt, alsmede bewijsmateriaal betreffende de verkrijging, het voortbestaan en de reikwijdte van de bescherming, waaronder, indien het oudere recht wordt ingeroepen op grond van het recht van een lidstaat, een duidelijke omschrijving van de inhoud van het nationale recht waarop een beroep wordt gedaan, onder bijvoeging van publicaties van de desbetreffende bepalingen of jurisprudentie;

e)

indien de oppositie berust op een oudere oorsprongsbenaming of geografische aanduiding in de zin van artikel 8, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1001, bewijsmateriaal betreffende de verkrijging, het voortbestaan en de reikwijdte van de bescherming, waaronder, indien op de oudere oorsprongsbenaming of geografische aanduiding een beroep wordt gedaan op grond van het recht van een lidstaat, een duidelijke omschrijving van de inhoud van het nationale recht waarop een beroep wordt gedaan, onder bijvoeging van publicaties van de desbetreffende bepalingen of jurisprudentie;

f)

indien de oppositie berust op een bekend merk in de zin de artikel 8, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001, naast het onder a) van dit lid bedoelde bewijsmateriaal, bewijsmateriaal waaruit blijkt dat het merk in de Unie of in de desbetreffende lidstaat bekendheid geniet voor de aangegeven waren of diensten overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder g), van deze verordening, alsmede bewijsmateriaal of argumenten waaruit blijkt dat gebruik van het aangevraagde merk zonder geldige reden ongerechtvaardigd voordeel zou trekken uit of afbreuk zou doen aan het onderscheidend vermogen of de reputatie van het oudere merk.

3.   Indien het bewijsmateriaal betreffende de indiening of inschrijving van de oudere rechten als bedoeld in lid 2, onder a), of, indien van toepassing, lid 2, onder d) of e), of het bewijsmateriaal betreffende de inhoud van het relevante nationale recht online toegankelijk is via een door het Bureau erkende bron, kan de opposant dergelijk bewijsmateriaal verstrekken door naar die bron te verwijzen.

4.   Elk bewijs van indiening, inschrijving of vernieuwing en gelijkwaardige documenten als bedoeld in lid 2, onder a), d) of e), alsmede de bepalingen van het toepasselijke nationale recht inzake de verkrijging van rechten en de reikwijdte van de desbetreffende bescherming als bedoeld in lid 2, onder d) en e), met inbegrip van bewijsmateriaal dat online beschikbaar is zoals bedoeld in lid 3, worden gesteld in de proceduretaal of gaan vergezeld van een vertaling in die taal. De vertaling wordt door de opposant uit eigen beweging overgelegd binnen de voor de indiening van het origineel gestelde termijn. Al het overige door de opposant overgelegde bewijsmateriaal ter staving van de oppositie geschiedt met inachtneming van artikel 24 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626. Vertalingen die na het verstrijken van de gestelde termijnen zijn ingediend, worden niet in aanmerking genomen.

5.   Het Bureau houdt geen rekening met schriftelijke documenten, of delen daarvan, die niet binnen de door het Bureau gestelde termijn als bedoeld in lid 1 zijn ingediend of in de proceduretaal zijn vertaald.

Artikel 8

Onderzoek van de oppositie

1.   Indien de opposant voor het verstrijken van de in artikel 7, lid 1, genoemde periode geen bewijsmateriaal heeft aangedragen of indien het overgelegde bewijsmateriaal kennelijk irrelevant of kennelijk ontoereikend is om te voldoen aan de in artikel 7, lid 2, vastgestelde eisen voor enig ouder recht, wordt de oppositie als ongegrond afgewezen.

2.   Indien de oppositie niet wordt afgewezen op grond van lid 1, deelt het Bureau de opmerkingen van de opposant aan de aanvrager mee en verzoekt het deze binnen een door het Bureau gestelde termijn zijn opmerkingen in te dienen.

3.   Indien de aanvrager geen opmerkingen indient, baseert het Bureau zijn beslissing aangaande de oppositie op de aan het Bureau voorgelegde stukken.

4.   Het Bureau deelt de opmerkingen van de aanvrager aan de opposant mee en verzoekt deze, wanneer het Bureau zulks noodzakelijk acht, daarop binnen een door het Bureau gestelde termijn te antwoorden.

5.   Indien na het verstrijken van de in artikel 7, lid 1, bedoelde periode de opposant feiten of bewijzen overlegt die een aanvulling zijn op binnen deze termijn overgelegde relevante feiten of bewijzen en deze betrekking hebben op dezelfde vereiste als verankerd in artikel 7, lid 2, oefent het Bureau zijn bevoegdheid uit hoofde van artikel 95, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 uit bij de beslissing of het die aanvullende feiten of bewijzen aanvaardt. Met het oog hierop houdt het Bureau met name rekening met de fase van de procedure, de vraag of de feiten of bewijzen op het eerste gezicht relevant kunnen zijn voor de oplossing van het geschil en of zij op goede gronden niet tijdig zijn overgelegd.

6.   Het Bureau verzoekt de aanvrager om nadere opmerkingen in te dienen indien het dat in de gegeven omstandigheden passend acht.

7.   Indien de oppositie niet op grond van lid 1 is afgewezen en het door de opposant aangedragen bewijsmateriaal niet volstaat ter staving van de oppositie overeenkomstig artikel 7 voor enig ouder recht, wordt de oppositie als ongegrond afgewezen.

8.   Artikel 6, leden 2 en 3, is van overeenkomstige toepassing na de datum waarop de contradictoire fase van de oppositieprocedure geacht wordt te beginnen. Indien de aanvrager de betwiste aanvraag wenst in te trekken of te beperken, doet hij dit door middel van een afzonderlijk document.

9.   Waar nodig kan het Bureau de partijen verzoeken hun opmerkingen tot bepaalde punten te beperken, in welk geval het de partijen in de gelegenheid stelt de andere punten in een later stadium van de procedure aan de orde te stellen. Het Bureau hoeft een partij niet te informeren over de mogelijkheid dat bepaalde relevante feiten of bewijsstukken die een partij eerder niet heeft overgelegd, kunnen worden overgelegd.

Artikel 9

Verscheidene opposities

1.   Indien verscheidene opposities tegen dezelfde aanvraag om inschrijving van een Uniemerk zijn ingesteld, kan het Bureau deze met het oog op de behandeling bijeenvoegen. Het Bureau kan vervolgens beslissen deze opposities afzonderlijk te onderzoeken.

2.   Indien uit een eerste onderzoek van een of meer opposities blijkt dat het Uniemerk waarvoor een inschrijvingsaanvraag is ingediend, voor alle of voor een deel van de waren of diensten waarvoor inschrijving wordt verzocht, mogelijk niet voor inschrijving in aanmerking komt, kan het Bureau de andere oppositieprocedures die met die aanvraag verband houden, opschorten. Het Bureau stelt de opposanten die door de schorsing worden geraakt, in kennis van elke relevante beslissing die in de context van die lopende procedure wordt genomen.

3.   Nadat een beslissing waarbij een aanvraag zoals bedoeld in lid 1 wordt afgewezen, definitief is geworden, worden de opposities waaromtrent een beslissing overeenkomstig lid 2 werd opgeschort, geacht zonder voorwerp te zijn; de betrokken opposanten worden daarvan in kennis gesteld. In dat geval wordt de procedure geacht zonder voorwerp te zijn in de zin van artikel 109, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001.

4.   Het Bureau betaalt de oppositietaks die door elke opposant wiens oppositie op de in lid 3 beschreven wijze wordt geacht zonder voorwerp te zijn, is betaald, voor 50 % terug, op voorwaarde dat de opschorting van de procedure betreffende die oppositie vóór het begin van de contradictoire fase van de procedure heeft plaatsgevonden.

Artikel 10

Bewijs van gebruik

1.   Een verzoek om een bewijs van gebruik van een ouder merk overeenkomstig artikel 47, lid 2 of lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001 is ontvankelijk als het is ingediend als een onvoorwaardelijk verzoek in een afzonderlijk document, binnen de door het Bureau overeenkomstig artikel 8, lid 2, van deze verordening gestelde termijn.

2.   Wanneer de aanvrager heeft verzocht om bewijs van gebruik van een ouder merk conform de eisen van artikel 47, lid 2 of lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, verzoekt het Bureau de opposant het bewijs te leveren binnen een door het Bureau vastgestelde termijn. Indien de opposant binnen de gestelde termijn geen bewijsmateriaal of redenen voor het niet gebruiken verstrekt of indien het aangedragen bewijsmateriaal of de verstrekte redenen kennelijk irrelevant of kennelijk ontoereikend zijn, wijst het Bureau de oppositie af voor zover deze op dat oudere merk is gebaseerd.

3.   De opgaven en het bewijsmateriaal van gebruik tonen de plaats, tijd, omvang en wijze van gebruik van het opponerende merk voor de waren en diensten aan waarvoor het wordt ingeschreven en waarop de oppositie berust.

4.   Het in lid 3 bedoelde bewijs wordt ingediend overeenkomstig artikel 55, lid 2, en de artikelen 63 en 64, en bestaat alleen uit overlegging van tot staving dienende stukken en voorwerpen, zoals verpakkingen, etiketten, prijslijsten, catalogi, facturen, foto's, krantenadvertenties en schriftelijke verklaringen zoals bedoeld in artikel 97, lid 1, onder f), van Verordening (EU) 2017/1001.

5.   Een verzoek om bewijs van gebruik kan tegelijkertijd met de opmerkingen over de gronden waarop de oppositie berust, worden ingediend. Deze opmerkingen kunnen ook tezamen met de opmerkingen in antwoord op het bewijs van het gebruik worden ingediend.

6.   Indien het door de opposant verstrekte bewijsmateriaal niet in de taal van de oppositieprocedure is gesteld, kan het Bureau eisen dat de opposant een vertaling van dat bewijsmateriaal in die taal overlegt in overeenstemming met artikel 24 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626.

7.   Indien de opposant na het verstrijken van de in lid 2 bedoelde termijn opgaven of bewijzen overlegt die een aanvulling vormen op relevante opgaven of bewijzen die reeds vóór afloop van die termijn waren overgelegd en die betrekking hebben op dezelfde verplichting van lid 3, oefent het Bureau zijn bevoegdheid uit hoofde van artikel 95, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 uit bij de beslissing of deze aanvullende opgaven of bewijzen worden aanvaard. Met het oog hierop houdt het Bureau met name rekening met de fase van de procedure, de vraag of de opgaven of bewijzen op het eerste gezicht relevant kunnen zijn voor de oplossing van het geschil en of zij op goede gronden niet tijdig zijn overgelegd.

TITEL III

WIJZIGING VAN DE AANVRAAG

Artikel 11

Wijziging van de aanvraag

1.   Een verzoek tot wijziging van een aanvraag uit hoofde van artikel 49, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 behelst:

a)

het dossiernummer van de aanvraag;

b)

de naam en het adres van de aanvrager, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

c)

een opgave van het onderdeel van de aanvraag dat moet worden gewijzigd alsmede het desbetreffende onderdeel in de gewijzigde vorm ervan;

d)

indien de wijziging betrekking heeft op de weergave van het merk, een weergave van het gewijzigde merk overeenkomstig artikel 3 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626.

2.   Indien niet aan de vereisten voor wijziging van de aanvraag is voldaan, deelt het Bureau de gebreken aan de aanvrager mee en geeft het de termijn aan waarbinnen de tekortkoming moet zijn verholpen. Indien de aanvrager de gebreken niet binnen de gestelde termijn verhelpt, weigert het Bureau het verzoek tot wijziging.

3.   Indien de gewijzigde merkaanvraag wordt gepubliceerd op grond van artikel 49, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, dan zijn de artikelen 2 tot en met 10 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

4.   Voor wijziging van hetzelfde bestanddeel in twee of meer aanvragen van dezelfde aanvrager kan één enkele aanvraag worden ingediend.

5.   De leden 1, 2 en 4 zijn op aanvragen tot verbetering van de naam of van het kantooradres van een door de aanvrager aangewezen vertegenwoordiger van overeenkomstige toepassing.

TITEL IV

VERVAL EN NIETIGHEID OF OVERGANG

Artikel 12

Vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring

1.   Een vordering bij het Bureau tot vervallen- of tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 63 van Verordening (EU) 2017/1001 behelst:

a)

het inschrijvingsnummer van het Uniemerk waarvan de vervallen- of de nietigverklaring wordt verzocht, en de naam van de desbetreffende merkhouder;

b)

de gronden waarop de vordering berust, door middel van een verklaring dat aan de respectieve vereisten van de artikelen 58, 59, 60, 81, 82, 91 of 92 van Verordening (EU) 2017/1001 is voldaan;

c)

met betrekking tot de eiser:

i)

de gegevens van de eiser overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

ii)

indien de eiser een vertegenwoordiger heeft aangewezen, of indien vertegenwoordiging verplicht is in de zin van artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, de naam en het kantooradres van de vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

d)

een opgave van de waren of diensten waarvoor de vervallen- of de nietigverklaring wordt verzocht, bij ontbreken waarvan de vordering wordt geacht gericht te zijn tegen alle waren of diensten waarop het betrokken Uniemerk betrekking heeft.

2.   In aanvulling op de eisen van lid 1 omvat een vordering tot nietigverklaring op relatieve gronden het volgende:

a)

in geval van een vordering krachtens artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 een opgave van het oudere recht waarop de vordering is gebaseerd, overeenkomstig artikel 2, lid 2, onder b), van deze verordening, dat op een dergelijke vordering van overeenkomstige toepassing is;

b)

in geval van een vordering krachtens artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 een beschrijving van de aard van het oudere recht waarop de vordering is gebaseerd, een weergave ervan en een vermelding of dit oudere recht bestaat in de gehele Unie of in een of meer lidstaten, en, indien dit het geval is, een opgave van die lidstaten;

c)

gegevens overeenkomstig het bepaalde in artikel 2, lid 2, onder d) tot en met g), van deze verordening, dat op een dergelijke vordering van overeenkomstige toepassing is;

d)

indien de vordering wordt ingesteld door een licentienemer of een persoon die op grond van de toepasselijke Uniewetgeving of het toepasselijke nationale recht een ouder recht kan doen gelden, een opgave betreffende de machtiging of het recht om de vordering in te stellen.

3.   Wanneer de vordering tot nietigverklaring overeenkomstig artikel 60 van Verordening (EU) 2017/1001 berust op meer dan een ouder merk of recht, zijn de leden 1, onder b), en 2 van dit artikel voor elk van deze merken of rechten van toepassing.

4.   De vordering kan een met redenen omklede uiteenzetting van de gronden, de feiten en argumenten waarop zij berust, en bewijsstukken tot staving bevatten.

Artikel 13

Taalgebruik in procedures tot vervallen- of tot nietigverklaring

De indiener van de vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring of de Uniemerkhouder kan vóór het verstrijken van een termijn van twee maanden na de ontvangst door laatstgenoemde van de in artikel 17, lid 1, bedoelde mededeling, het Bureau ervan in kennis stellen dat overeenkomstig artikel 146, lid 8, van Verordening (EU) 2017/1001 is overeengekomen een andere taal als proceduretaal te hanteren. Indien het verzoek niet in die taal is ingediend, kan de houder verzoeken dat de eiser een vertaling in die taal aanlevert. Een dergelijk verzoek wordt door het Bureau ontvangen vóór het verstrijken van de termijn van twee maanden vanaf de ontvangst door de houder van het Uniemerk van de mededeling bedoeld in artikel 17, lid 1. Het Bureau stelt de termijn vast voor de eiser om een dergelijke vertaling in te dienen. Indien die vertaling niet of niet tijdig wordt ingediend, blijft de proceduretaal ongewijzigd.

Artikel 14

Informatieverstrekking aan de partijen inzake een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring

Een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring en alle door de eiser overgelegde documenten, alsook alle voorafgaand aan een boordeling van de ontvankelijkheid aan een van de partijen gerichte mededelingen van het Bureau worden door het Bureau aan de andere partij toegezonden om deze van de instelling van een vordering tot vervallen- of nietigverklaring in kennis te stellen.

Artikel 15

Ontvankelijkheid van een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring

1.   Indien de krachtens artikel 63, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 vereiste taks niet is betaald, verzoekt het Bureau de eiser de taks binnen een door het Bureau te stellen termijn te betalen. Indien de verschuldigde taks niet binnen de gestelde termijn wordt voldaan, deelt het Bureau de eiser mee dat de vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring wordt geacht niet te zijn ingesteld. Indien de taks na het verstrijken van de vastgestelde termijn is voldaan, wordt deze aan de eiser terugbetaald.

2.   Indien de vordering is ingesteld in een taal die niet een van de talen van het Bureau is zoals artikel 146, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001 vereist, of indien deze niet voldoet aan artikel 12, lid 1, onder a) of b), of in voorkomend geval aan artikel 12, lid 2, onder a) of b), van de onderhavige verordening, verklaart het Bureau de vordering niet-ontvankelijk.

3.   Indien de ingevolge de tweede alinea van artikel 146, lid 7, van Verordening (EU) 2017/1001 vereiste vertaling niet wordt ingediend binnen een maand na de datum van instelling van een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring, verklaart het Bureau de vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring niet-ontvankelijk.

4.   Indien de vordering niet voldoet aan het bepaalde in artikel 12, lid 1, onder c), artikel 12, lid 2, onder c) of d), stelt het Bureau de eiser daarvan in kennis en verzoekt het de eiser de geconstateerde gebreken binnen twee maanden te verhelpen. Indien de gebreken niet tijdig worden verholpen, verklaart het Bureau de vordering niet-ontvankelijk.

5.   Het Bureau stelt de eiser en de houder van het Uniemerk in kennis van elke vaststelling ingevolge lid 1 dat de vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring geacht wordt niet te zijn ingesteld, en van elke beslissing waarbij de vordering tot vervallen- of nietigverklaring op grond van niet-ontvankelijkheidsgronden uit hoofde van de leden 2, 3 of 4, wordt afgewezen. Wanneer een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring vóór de kennisgeving van artikel 17, lid 1, uit hoofde van de leden 2, 3 of 4 wegens niet-ontvankelijkheid in haar geheel is afgewezen, wordt geen beslissing inzake de kosten genomen.

Artikel 16

Onderbouwing van een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring

1.   De eiser levert de feiten, bewijzen en argumenten tot staving van de vordering aan tot de afsluiting van de contradictoire fase van een procedure tot vervallen- of tot nietigverklaring. De eiser verstrekt met name het volgende:

a)

in geval van een vordering overeenkomstig artikel 58, lid 1, onder b) of c), of artikel 59 van Verordening (EU) 2017/1001 feiten, argumenten en bewijzen ter staving van de gronden waarop de vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring berust;

b)

in geval van een vordering krachtens artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 het bewijsmateriaal dat wordt vereist door artikel 7, lid 2, van deze verordening, en artikel 7, lid 3, is van overeenkomstige toepassing;

c)

in geval van een vordering krachtens artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 bewijsmateriaal betreffende de verkrijging, het voortbestaan en de beschermingsomvang van het betrokken oudere recht alsmede bewijsmateriaal waaruit blijkt dat de eiser gerechtigd is tot het indienen van de vordering, waaronder, indien op het oudere recht een beroep wordt gedaan op grond van het recht van een lidstaat, een duidelijke omschrijving van de inhoud van het nationale recht waarop een beroep wordt gedaan onder bijvoeging van publicaties van de bepalingen of jurisprudentie ter zake. Indien het bewijsmateriaal betreffende de indiening of inschrijving van een ouder recht in de zin van artikel 60, lid 2, onder d), van Verordening (EU) 2017/1001 of het bewijsmateriaal betreffende de inhoud van het desbetreffende nationale recht online toegankelijk is via een door het Bureau erkende bron, kan de eiser dergelijk bewijsmateriaal verstrekken door naar die bron te verwijzen.

2.   Bewijsmateriaal betreffende de indiening, de inschrijving of de vernieuwing van oudere rechten of, indien van toepassing, de inhoud van het nationale recht ter zake, waaronder bewijsmateriaal dat online toegankelijk is, zoals bedoeld in lid 1, onder b) en c), wordt ingediend in de taal van de procedure of gaat vergezeld van een vertaling in die taal. De vertaling wordt door de eiser uit eigen beweging ingediend, binnen een maand na de indiening van dat bewijsmateriaal. Al het overige bewijsmateriaal dat ter staving van de vordering wordt overgelegd door de eiser of, in geval van een vordering tot vervallenverklaring op grond van artikel 58, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2017/1001, door de houder van het litigieuze Uniemerk, is onderworpen aan artikel 24 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 Vertalingen die na het verstrijken van de gestelde termijnen zijn ingediend, worden niet in aanmerking genomen.

Artikel 17

Onderzoek over de gegrondheid van een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring

1.   Indien de vordering tegen de achtergrond van artikel 15 ontvankelijk is bevonden, stuurt het Bureau de partijen een mededeling om hen te laten weten dat de contradictoire fase van de procedure tot vervallen- of tot nietigverklaring is begonnen, en nodigt het de houder van het Uniemerk uit om binnen een bepaalde termijn opmerkingen te maken.

2.   Wanneer het Bureau een partij in overeenstemming met artikel 64, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 heeft verzocht opmerkingen te maken binnen een gestelde termijn en deze partij binnen die termijn geen opmerkingen indient, sluit het de contradictoire fase van de procedure en baseert het zijn beslissing over het verval of de nietigverklaring op het bewijsmateriaal waarover het beschikt.

3.   Indien de eiser niet de feiten, argumenten of bewijzen heeft aangedragen die nodig zijn om de vordering te staven, wordt deze als ongegrond afgewezen.

4.   Onverminderd artikel 62 worden alle door een der partijen ingediende opmerkingen aan de andere partij meegedeeld.

5.   Indien de houder afstand doet van het Uniemerk dat voorwerp is van een vordering als bedoeld in artikel 12 ter bescherming van enkel waren of diensten waartegen de vordering niet is gericht, of het Uniemerk in een parallelle procedure vervallen of nietig wordt verklaard, wordt de procedure gesloten, tenzij artikel 57, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 van toepassing is of de eiser blijk geeft van een rechtmatig belang bij het verkrijgen van een beslissing ten gronde.

6.   Indien de houder gedeeltelijk afstand doet van het Uniemerk door sommige van de waren en diensten waartegen de eis gericht is, te schrappen, verzoekt het Bureau de eiser om binnen een door het Bureau te stellen termijn mee te delen of hij de vordering handhaaft en, zo ja, voor welke van de resterende waren of diensten. Wanneer de eiser de eis in het licht van de afstand intrekt, of indien het Bureau bericht ontvangt van een schikking tussen de partijen, wordt de procedure gesloten.

7.   Indien de houder afstand wenst te doen van het litigieuze Uniemerk, doet hij dit door middel van een afzonderlijk document.

8.   Artikel 8, lid 9, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 18

Verscheidene vorderingen tot vervallen- of tot nietigverklaring

1.   Indien met betrekking tot hetzelfde Uniemerk verscheidene vorderingen tot vervallen- of tot nietigverklaring zijn ingesteld, kan het Bureau deze met het oog op de behandeling bijeenvoegen. Het bureau kan vervolgens beslissen deze vorderingen afzonderlijk te onderzoeken.

2.   Artikel 9, leden 2, 3 en 4, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 19

Bewijs van gebruik met betrekking tot een vordering tot vervallen, respectievelijk nietigverklaring

1.   In geval van een vordering tot vervallenverklaring op grond van artikel 58, lid 1, onder a), van Verordening (EU) 2017/1001 verzoekt het Bureau de houder van het Uniemerk binnen een door het Bureau te stellen termijn het bewijs van het normale gebruik van het merk te leveren. Indien de houder binnen de gestelde termijn geen bewijs van het normale gebruik levert of geen redenen voor het niet gebruiken verstrekt, of indien het aangedragen bewijsmateriaal of de verstrekte redenen kennelijk irrelevant of kennelijk ontoereikend zijn, wordt het Uniemerk vervallen verklaard. Het bepaalde in artikel 10, leden 3, 4, 6 en 7, van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.

2.   Een verzoek om een bewijs van gebruik overeenkomstig artikel 64, lid 2 of lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001 is ontvankelijk als de houder van het Uniemerk een dergelijk verzoek als een onvoorwaardelijk verzoek in een afzonderlijk document indient binnen de door het Bureau overeenkomstig artikel 17, lid 1, van deze verordening gestelde termijn. Wanneer de houder van het Uniemerk heeft verzocht om bewijs van gebruik van een ouder merk of van geldige redenen voor het niet-gebruiken in overeenstemming met de eisen van artikel 64, lid 2 of lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, verzoekt het Bureau de eiser die nietigverklaring vordert, om het verlangde bewijs binnen een door het Bureau vastgestelde termijn in te dienen. Indien de eiser die nietigverklaring vordert, binnen de gestelde termijn geen bewijs van het normale gebruik levert of geen redenen voor het niet gebruiken verstrekt, of indien het aangedragen bewijsmateriaal of de verstrekte redenen kennelijk irrelevant of kennelijk ontoereikend zijn, wijst het Bureau de vordering tot nietigverklaring af voor zover deze op dat oudere merk is gebaseerd. Het bepaalde in artikel 10, leden 3 tot en met 7, van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 20

Verzoeken tot overgang

1.   Wanneer de houder van een merk overeenkomstig artikel 21, lid 1, en artikel 21, lid 2, onder a), van Verordening (EU) 2017/1001 verzoekt om een overgang in plaats van nietigverklaring, zijn de artikelen 12 tot en met 19 van deze verordening van overeenkomstige toepassing.

2.   Indien een verzoek tot overgang overeenkomstig artikel 21, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 volledig of gedeeltelijk is toegewezen door het Bureau of door een rechtbank voor het Uniemerk en de beslissing of de uitspraak definitief is, draagt het Bureau er zorg voor dat de daaruit resulterende gedeeltelijke of volledige overgang van het Uniemerk wordt ingeschreven in het register en gepubliceerd.

TITEL V

BEROEPSPROCEDURES

Artikel 21

Beroepschrift

1.   Een beroepschrift als bedoeld in artikel 68, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 omvat:

a)

de naam en het adres van de appellant, overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

b)

indien de appellant een vertegenwoordiger heeft aangewezen, de naam en het kantooradres van laatstgenoemde overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

c)

indien vertegenwoordiging van de appellant verplicht is op grond van artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, de naam en het kantooradres van de vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626;

d)

een duidelijke en ondubbelzinnige vermelding van de bestreden beslissing, met vermelding van de datum waarop deze is genomen en het dossiernummer van de procedure waarmee de beslissing waartegen beroep wordt ingesteld, verband houdt;

e)

wanneer de bestreden beslissing slechts gedeeltelijk wordt betwist, een duidelijke en ondubbelzinnige opgave van de waren of diensten waarvoor tegen de bestreden beslissing wordt opgekomen.

2.   Wanneer het beroepschrift wordt ingediend in een andere officiële taal van de Unie dan de proceduretaal, legt de appellant een vertaling hiervan over binnen vier maanden na de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing.

3.   Wanneer in een ex-parteprocedure de bestreden beslissing in een andere officiële taal dan de proceduretaal is genomen, kan de appellant het beroepschrift hetzij indienen in de proceduretaal, hetzij in de taal waarin de bestreden beslissing is genomen; in beide gevallen wordt de taal waarin het beroepschrift is opgesteld, de taal van de beroepsprocedure, en is lid 2 niet van toepassing.

4.   Zodra het beroepschrift in een inter-partesprocedure is ingediend, wordt het ter kennis van de verweerder gebracht.

Artikel 22

Uiteenzetting van de gronden

1.   Een uiteenzetting van de gronden van het beroep dat is ingesteld overeenkomstig artikel 68, lid 1, vierde volzin, van Verordening (EU) 2017/1001, omvat een duidelijke en ondubbelzinnige vermelding van:

a)

de beroepsprocedure waarop de uiteenzetting van de gronden betrekking heeft, door vermelding van hetzij het desbetreffende nummer van het beroep, hetzij van de bestreden beslissing, met eerbiediging van de eisen van artikel 21, lid 1, onder d), van deze verordening;

b)

de gronden van het beroep op basis waarvan om nietigverklaring van de bestreden beslissing wordt verzocht, met inachtneming van het bepaalde in artikel 21, lid 1, onder e), van deze verordening;

c)

de feiten, bewijzen en argumenten tot staving van de aangevoerde gronden, overgelegd met eerbiediging van de eisen van artikel 55, lid 2.

2.   De uiteenzetting van de gronden wordt ingediend in de proceduretaal van het beroep zoals bepaald overeenkomstig artikel 21, leden 2 en 3. Wanneer de uiteenzetting van de gronden wordt ingediend in een andere officiële taal van de Unie, legt de appellant binnen één maand na de indiening van de oorspronkelijke uiteenzetting een vertaling daarvan over.

Artikel 23

Ontvankelijkheid van een beroep

1.   De kamer van beroep verklaart een beroep niet-ontvankelijk in elk van de volgende gevallen:

a)

wanneer het beroepschrift niet binnen twee maanden na de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing is ingediend;

b)

indien het beroep niet in overeenstemming is met de artikelen 66 en 67 van Verordening (EU) 2017/1001, of met artikel 21, lid 1, onder d), en artikel 21, leden 2 en 3, van deze verordening, tenzij deze gebreken binnen vier maanden na de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing zijn verholpen;

c)

indien het beroepschrift niet voldoet aan de eisen van artikel 21, lid 1, onder a), b), c) en e), en de appellant deze tekortkomingen, hoewel hij daarvan door de kamer van beroep in kennis is gesteld, niet binnen de door die kamer daartoe gestelde termijn heeft verholpen;

d)

indien de uiteenzetting van de gronden niet binnen vier maanden na de datum van kennisgeving van de bestreden beslissing is ingediend;

e)

indien de uiteenzetting van de gronden niet voldoet aan de eisen van artikel 22, lid 1, onder a) en b), en de appellant deze tekortkomingen, hoewel hij daarvan door de kamer van beroep in kennis is gesteld, niet binnen de door die kamer daartoe gestelde termijn heeft verholpen of binnen een maand na de datum van indiening van de oorspronkelijke uiteenzetting geen vertaling van de uiteenzetting van de gronden heeft ingediend overeenkomstig artikel 22, lid 2.

2.   Wanneer het beroep niet-ontvankelijk lijkt te zijn, kan de voorzitter van de kamer van beroep waaraan de zaak is toegewezen op grond van artikel 35, lid 1, de kamer van beroep verzoeken onverwijld over de ontvankelijkheid van het beroep te beslissen, voordat kennisgeving aan de verweerder wordt gedaan van het beroepschrift of van de uiteenzetting van de gronden, naargelang van het geval.

3.   De kamer van beroep verklaart dat een beroep niet wordt geacht te zijn ingesteld, indien de beroepstaks is betaald na het verstrijken van de termijn die is vastgesteld in artikel 68, lid 1, eerste volzin, van Verordening (EU) 2017/1001. In dat geval is lid 2 van dit artikel van toepassing.

Artikel 24

Verweer

1.   In een inter-partesprocedure kan de verweerder een conclusie van antwoord indienen binnen twee maanden te rekenen vanaf de datum van kennisgeving van de uiteenzetting van de gronden van de appellant. In uitzonderlijke omstandigheden kan deze termijn worden verlengd op met redenen omkleed verzoek van de verweerder.

2.   De conclusie van antwoord bevat de naam en het adres van de verweerder overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626, en voldoet mutatis mutandis aan de voorwaarden van artikel 21, lid 1, onder b), c) en d), artikel 22, lid 1, onder a) en c), en artikel 22, lid 2, van deze verordening.

Artikel 25

Incidenteel beroep

1.   Wanneer de verweerder overeenkomstig artikel 68, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 verzoekt om vernietiging of wijziging van de bestreden beslissing op een niet in het beroep aan de orde gestelde kwestie, moet dat incidentele beroep worden ingesteld binnen de termijn voor het indienen van een conclusie van antwoord overeenkomstig artikel 24, lid 1, van deze verordening.

2.   Een incidenteel beroep moet worden ingesteld middels een van de conclusie van antwoord onderscheiden akte.

3.   Het incidentele beroep omvat de naam en het adres van de verweerder overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder b), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 en voldoet mutatis mutandis aan de voorwaarden van artikel 21, lid 1, onder b) tot en met e), en artikel 22 van deze verordening.

4.   Een incidenteel beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard in elk van de volgende gevallen:

a)

indien het niet is ingesteld binnen de in lid 1 bedoelde termijn;

b)

indien het niet is ingediend met inachtneming van de vereisten van hetzij lid 2, hetzij artikel 21, lid 1, onder d);

c)

indien het niet voldoet aan de eisen van lid 3, en de verweerder deze tekortkomingen, hoewel hij daarvan door de kamer van beroep in kennis is gesteld, niet binnen de door de kamer van beroep daartoe gestelde termijn heeft verholpen of binnen een maand na de datum van instelling van het oorspronkelijke beroep geen vertaling van dat beroep en de bijbehorende uiteenzetting van gronden heeft ingediend.

5.   De appellant wordt verzocht opmerkingen in te dienen over het incidentele beroep van de verweerder, binnen twee maanden te rekenen vanaf de kennisgeving aan de appellant. Deze termijn kan in uitzonderlijke omstandigheden worden verlengd door de kamer van beroep op een met redenen omkleed verzoek van de appellant. Artikel 26 is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 26

Repliek en dupliek in inter-partesprocedures

1.   Op met redenen omkleed verzoek van de appellant dat is ingediend binnen twee weken na de kennisgeving van de conclusie van antwoord, kan de kamer van beroep, uit hoofde van artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, de appellant toestaan de uiteenzetting van de gronden binnen een door haar aangegeven termijn aan te vullen in een conclusie van repliek.

2.   In dat geval staat de kamer van beroep de verweerder ook toe de conclusie van antwoord binnen een door haar aangegeven termijn aan te vullen in een conclusie van dupliek.

Artikel 27

Onderzoek van het beroep

1.   In een ex-parteprocedure en met betrekking tot die waren of diensten die deel uitmaken van het voorwerp van het beroep, handelt de kamer van beroep in overeenstemming met artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, overeenkomstig artikel 42 van Verordening (EU) 2017/1001 indien zij bij de toepassing van die bepaling een grond tot afwijzing van de merkaanvraag opwerpt die niet reeds in de bestreden beslissing is aangevoerd.

2.   In een inter-partesprocedure wordt het onderzoek van het beroep en, in voorkomend geval, van het incidentele beroep, beperkt tot de gronden vermeld in de uiteenzetting van de gronden en, in voorkomend geval, in het incidentele beroep. Niet door de partijen opgeworpen rechtsvragen worden door de kamer van beroep alleen onderzocht voor zover zij betrekking hebben op wezenlijke vormvoorschriften of wanneer het nodig is om die rechtsvragen op te lossen met het oog op een correcte toepassing van Verordening (EU) 2017/1001 met betrekking tot de feiten, bewijzen en argumenten die door de partijen zijn aangedragen.

3.   Het onderzoek van het beroep omvat de volgende stellingen of verzoeken, op voorwaarde dat zij tijdig aan de orde zijn gesteld in de uiteenzetting van de gronden van het beroep of, in voorkomend geval, in het incidentele beroep in de procedure voor de instantie van het Bureau die de beslissing waartegen beroep kan worden ingesteld, heeft genomen:

a)

door gebruik verkregen onderscheidend vermogen als bedoeld in artikel 7, lid 3, en artikel 59, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001;

b)

erkenning van het oudere merk op de markt uit hoofde van gebruik in het kader van artikel 8, lid 1, onder b), van Verordening (EU) 2017/1001;

c)

een bewijs van het gebruik overeenkomstig artikel 47, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2017/1001 of artikel 64, leden 2 en 3, van Verordening (EU) 2017/1001.

4.   Overeenkomstig artikel 95, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 kan de kamer van beroep voor het eerst bij de kamer aangedragen feiten of bewijzen uitsluitend aanvaarden voor zover deze feiten en bewijzen aan de volgende eisen voldoen:

a)

zij kunnen op het eerste gezicht relevant zijn voor de oplossing van het geschil, en

b)

zij zijn om geldige redenen niet tijdig overgelegd, met name indien zij enkel eerder en tijdig ingediende relevante feiten en bewijzen aanvullen, of zijn ingediend ter betwisting van vaststellingen die door de eerste instantie in de bestreden beslissing op eigen initiatief zijn gedaan of onderzocht.

5.   De kamer van beroep beslist uiterlijk in haar beslissing op het beroep en, in voorkomend geval, op het incidentele beroep, over verzoeken tot beperking, afsplitsing of gedeeltelijke afstand van het litigieuze merk waarvan de aanvrager of houder in de loop van de beroepsprocedure overeenkomstig de artikelen 49, 50 of 57 van Verordening (EU) 2017/1001 kennis heeft gegeven. Indien de kamer van beroep de beperking, afsplitsing of gedeeltelijke afstand aanvaardt, stelt zij onverwijld de dienst die bevoegd is voor het register en de diensten die zich met parallelle procedures aangaande hetzelfde merk bezighouden, in kennis.

Artikel 28

Mededelingen van de kamer van beroep

1.   Mededelingen van de kamer van beroep in het kader van het onderzoek van het beroep of met het oog op het faciliteren van een minnelijke schikking, worden door de rapporteur opgesteld en door hem ondertekend namens de kamer van beroep, in overleg met de voorzitter van die kamer.

2.   Wanneer een kamer van beroep mededelingen doet aan de partijen over haar voorlopige standpunt over feitelijke of juridische aangelegenheden, vermeldt zij dat zij niet wordt gebonden door een dergelijke mededeling.

Artikel 29

Opmerkingen over vragen van algemeen belang

De kamer van beroep kan, op eigen initiatief of op schriftelijk en met redenen omkleed verzoek van de uitvoerend directeur van het Bureau, de uitvoerend directeur verzoeken opmerkingen te maken over vragen van algemeen belang die rijzen in het kader van een bij de kamer aanhangige procedure. De partijen hebben het recht om hun beschouwingen ten aanzien van de opmerkingen van de uitvoerend directeur in te dienen.

Artikel 30

Heropening van het onderzoek van de absolute gronden

1.   Wanneer in een ex-parteprocedure de kamer van beroep van mening is dat er een absolute weigeringsgrond van toepassing kan zijn op in de merkaanvraag vermelde waren of diensten die geen deel uitmaken van het voorwerp van het beroep, stelt zij de onderzoeker die voor de behandeling van die aanvraag bevoegd is, in kennis en kan deze beslissen tot heropening van het onderzoek op grond van artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001 met betrekking tot die waren of diensten.

2.   Indien tegen een beslissing van de oppositieafdeling beroep is ingesteld, kan de kamer van beroep door middel van een met redenen omklede tussenbeslissing en onverminderd artikel 66, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, de beroepsprocedure schorsen en de betwiste aanvraag terugverwijzen naar de voor het onderzoek van die aanvraag bevoegde onderzoeker, met een aanbeveling tot heropening van het onderzoek op grond van artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, indien zij van mening is dat er een absolute weigeringsgrond geldt voor alle of een deel van de in de merkaanvraag vermelde waren of diensten.

3.   Wanneer de betwiste aanvraag is terugverwezen op grond van lid 2, deelt de onderzoeker de kamer van beroep onverwijld mede of het onderzoek van de litigieuze aanvraag al dan niet is heropend. Wanneer het onderzoek is heropend, blijft de hogere voorziening geschorst totdat de beslissing van de onderzoeker is genomen, en, voor zover de litigieuze aanvraag volledig of gedeeltelijk is afgewezen, totdat de beslissing van de onderzoeker dienaangaande definitief is geworden.

Artikel 31

Onderzoek van een beroep als een prioritaire aangelegenheid

1.   Op met redenen omkleed verzoek van de appellant of de verweerder en na de andere partij te hebben gehoord, kan de kamer van beroep, gelet op de bijzondere spoedeisendheid en de omstandigheden van het geval, het beroep als prioritaire aangelegenheid onderzoeken, onverminderd de artikelen 23 en 26, met inbegrip van de bepalingen inzake termijnen.

2.   Het verzoek om onderzoek van het beroep als een prioritaire aangelegenheid kan gedurende de beroepsprocedure op elk moment worden ingediend. Het wordt in een afzonderlijk document ingediend en gaat vergezeld van bewijsstukken ter staving van de spoedeisendheid en de bijzondere omstandigheden van het geval.

Artikel 32

Formele inhoud van de beslissing van de kamer van beroep

De beslissing van de kamer van beroep behelst:

a)

een vermelding dat de beslissing door de kamer van beroep is genomen;

b)

de datum waarop de beslissing is genomen;

c)

de namen van de partijen en van hun vertegenwoordigers;

d)

het nummer van het beroep waarop zij betrekking heeft, en een omschrijving van de bestreden beslissing overeenkomstig het bepaalde in artikel 21, lid 1, onder d);

e)

een opgave van de formatie van de kamer van beroep;

f)

de naam en, onverminderd artikel 39, lid 5, de handtekening van de voorzitter en van de leden die bij de beslissing waren betrokken, met inbegrip van een vermelding van degene die in de zaak als rapporteur is opgetreden, of, indien de beslissing is genomen door één enkel lid, de naam en de handtekening van het lid dat de beslissing heeft genomen;

g)

de naam en de handtekening van de griffier en, in voorkomend geval, van de griffiemedewerker die namens de griffier ondertekent;

h)

een samenvatting van de feiten en van de argumenten die door de partijen zijn aangedragen;

i)

een uiteenzetting van de gronden waarop de beslissing is gebaseerd;

j)

de uitspraak van de kamer van beroep en, voor zover nodig, een beslissing inzake de kosten.

Artikel 33

Terugbetaling van de beroepstaks

De beroepstaks wordt terugbetaald op last van de kamer van beroep in om het even welk van de volgende gevallen:

a)

indien het beroep niet wordt geacht te zijn ingesteld overeenkomstig artikel 68, lid 1, tweede volzin, van Verordening (EU) 2017/1001;

b)

indien de beslissende instantie van het Bureau die de bestreden beslissing heeft genomen, overgaat tot herziening overeenkomstig artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 of de bestreden beslissing herroept onder toepassing van artikel 103 van Verordening (EU) 2017/1001;

c)

indien na heropening van de onderzoeksprocedure zoals bedoeld in artikel 45, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001 naar aanleiding van de aanbeveling van de kamer van beroep op grond van artikel 30, lid 2, van deze verordening, de litigieuze aanvraag is verworpen bij de eindbeslissing van de onderzoeker en het beroep bijgevolg zonder voorwerp is geraakt;

d)

indien de kamer van beroep die terugbetaling billijk acht uit hoofde van een wezenlijke tekortkoming in de procedure.

Artikel 34

Herziening en herroeping van de bestreden beslissing

1.   Wanneer in een ex-parteprocedure het beroep niet wordt afgewezen op grond van artikel 23, lid 1, overlegt de kamer van beroep het beroepschrift en de uiteenzetting van de gronden aan de instantie van het Bureau die de bestreden beslissing heeft genomen, met het oog op de toepassing van artikel 69 van Verordening (EU) 2017/1001.

2.   Indien de instantie van het Bureau die de bestreden beslissing heeft vastgesteld, beslist het verzoek om herziening in te willigen overeenkomstig artikel 69, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, stelt zij de kamer van beroep daarvan onverwijld in kennis.

3.   Indien de instantie van het Bureau die de bestreden beslissing heeft vastgesteld, de procedure voor herroeping van de bestreden beslissing overeenkomstig artikel 103, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 is gestart, stelt zij de kamer van beroep daarvan onverwijld in kennis met het oog op de toepassing van artikel 71 van deze verordening. Zij stelt ook de kamer van beroep onverwijld in kennis van de uitkomst van die procedure.

Artikel 35

Toewijzing van een beroep aan een kamer en aanwijzing van een rapporteur

1.   Zodra het beroepschrift is ingediend, wijst de president van de kamers van beroep de zaak toe aan een kamer van beroep, overeenkomstig de objectieve criteria als vastgesteld door het presidium van de kamers van beroep zoals bedoeld in artikel 166, lid 4, onder c), van Verordening (EU) 2017/1001.

2.   Voor elke ingevolge lid 1 aan een kamer van beroep toegewezen zaak wijst de voorzitter van die kamer een lid van de kamer van beroep, of de voorzitter, aan als rapporteur.

3.   Indien een zaak door één lid kan worden beslist overeenkomstig artikel 36, lid 1, wijst de kamer van beroep die een zaak behandelt, de rapporteur als enig lid aan overeenkomstig artikel 165, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001.

4.   Wanneer een beslissing van een kamer van beroep in een zaak is vernietigd of gewijzigd bij een definitieve beslissing van het Gerecht of, in voorkomend geval, van het Hof van Justitie, wijst de president van de kamers van beroep, met het oog op de naleving van die uitspraak in overeenstemming met artikel 72, lid 6, van Verordening (EU) 2017/1001, de zaak overeenkomstig lid 1 van dit artikel opnieuw toe aan een kamer van beroep, die niet die leden omvat die de vernietigde beslissing hadden genomen, tenzij de zaak wordt verwezen naar de grote kamer van beroep („de grote kamer”), of wanneer de vernietigde beslissing door de grote kamer was genomen.

5.   Indien tegen dezelfde beslissing verscheidene beroepen worden ingesteld, worden deze in dezelfde procedure behandeld. Indien beroepen waarbij dezelfde partijen zijn betrokken, zijn ingesteld tegen verschillende beslissingen die betrekking hebben op hetzelfde merk, of andere feitelijke of juridische elementen ter zake gemeenschappelijk hebben, kunnen die beroepen met instemming van de partijen worden gevoegd.

Artikel 36

Zaken ten aanzien waarvan er één enkel lid bevoegd is

1.   De kamer van beroep die de zaak behandelt, kan één enkel lid aanwijzen in de zin van artikel 165, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 ten aanzien van de volgende beslissingen:

a)

beslissingen op grond van artikel 23;

b)

beslissingen waarbij de beroepsprocedure wordt gesloten naar aanleiding van intrekking, afwijzing, afstand of nietigheid van het litigieuze of oudere merk;

c)

beslissingen tot afsluiting van de beroepsprocedure na intrekking van de oppositie, van de vordering tot de vervallen- of de nietigverklaring of van het beroep;

d)

beslissingen over maatregelen op grond van artikel 102, lid 1, en artikel 103, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, mits de correctie of, in voorkomend geval, de herroeping van de beslissing inzake het beroep betrekking heeft op een beslissing van één enkel lid;

e)

beslissingen overeenkomstig artikel 104, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001;

f)

beslissingen overeenkomstig artikel 109, leden 4, 5 en 8, van Verordening (EU) 2017/1001;

g)

beslissingen inzake beroepen tegen beslissingen in ex-parteprocedures, genomen op de gronden die zijn verankerd in artikel 7 van Verordening (EU) 2017/1001, die kennelijk ongegrond of kennelijk gegrond zijn.

2.   Indien het enkele lid van mening is dat niet of niet langer aan de voorwaarden van lid 1 of artikel 165, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001 wordt voldaan, verwijst het enkele lid de zaak terug naar de kamer van beroep in haar samenstelling van drie leden, door indiening van een ontwerpbeslissing zoals bedoeld in artikel 41 van deze verordening.

Artikel 37

Verwijzing naar de grote kamer

1.   Onverminderd de mogelijkheid tot verwijzing van een zaak naar de grote kamer op grond van artikel 165, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, verwijst een kamer een aan haar toegewezen zaak naar de grote kamer wanneer zij meent te moeten afwijken van een uitlegging van de desbetreffende wetgeving in een eerdere beslissing van de grote kamer, of als zij merkt dat de kamers van beroep uiteenlopende beslissingen hebben genomen over een rechtsvraag die van invloed kan zijn op de oplossing van het geschil.

2.   Alle beslissingen inzake verwijzingen van beroepszaken naar de grote kamer bevatten een uiteenzetting van de redenen waarom de verwijzende kamer van beroep of, in voorkomend geval, het presidium van de kamers van beroep dit gerechtvaardigd acht, worden meegedeeld aan de partijen in de zaak en bekendgemaakt in het Publicatieblad van het Bureau.

3.   De grote kamer verwijst de zaak onverwijld terug naar de kamer van beroep, waaraan de zaak aanvankelijk was toegewezen, indien zij van oordeel is dat de voorwaarden voor de oorspronkelijke verwijzing niet, of niet langer, zijn vervuld.

4.   Verzoeken om een met redenen omkleed advies over rechtsvragen overeenkomstig artikel 157, lid 4, onder l), van Verordening (EU) 2017/1001 worden schriftelijk verwezen naar de grote kamer, vermelden de rechtsvragen ten aanzien waarvan om uitlegging wordt gevraagd, en kunnen tevens het standpunt vermelden van de uitvoerend directeur over de verschillende mogelijke uitleggingen, alsmede over de respectieve juridische en praktische gevolgen hiervan. Het verzoek wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van het Bureau.

5.   Wanneer een kamer van beroep in een bij haar aanhangige zaak moet beslissen over dezelfde rechtskwestie als reeds aan de orde gesteld in een verwijzing naar de grote kamer op grond van artikel 165, lid 3, of artikel 157, lid 4, onder l), van Verordening (EU) 2017/1001, schorst zij de procedure totdat de grote kamer haar beslissing heeft genomen of haar met redenen omkleed advies heeft uitgebracht.

6.   Groeperingen of entiteiten die fabrikanten, producenten, dienstverleners, handelaren of consumenten vertegenwoordigen die een belang kunnen aantonen bij de uitkomst van een beroep of bij een verzoek om een met redenen omkleed advies dat is gedaan aan de grote kamer, kunnen schriftelijke opmerkingen indienen binnen twee maanden na de bekendmaking in het Publicatieblad van het Bureau van de verwijzingsbeslissing of, naargelang van het geval, het verzoek om een met redenen omkleed advies. Zij zijn geen partij bij de procedure voor de grote kamer en dragen hun eigen kosten.

Artikel 38

Wijziging in de samenstelling van een kamer

1.   Indien na een mondelinge behandeling de samenstelling van een kamer van beroep wordt gewijzigd overeenkomstig artikel 43, leden 2 en 3, worden alle deelnemers aan de procedure ervan in kennis gesteld dat, op verzoek van een deelnemer, een nieuwe mondelinge behandeling plaatsvindt voor de kamer van beroep in haar nieuwe samenstelling. Tot een nieuwe mondelinge behandeling wordt ook overgegaan wanneer het nieuwe lid daarom verzoekt en de andere leden van de kamer van beroep daarmee instemmen.

2.   Het nieuwe lid van de kamer van beroep is, evenals de andere leden, gebonden aan reeds genomen tussenbeslissingen.

Artikel 39

Beraadslaging en stemming inzake alsmede ondertekening van beslissingen

1.   De rapporteur legt een ontwerpbeslissing voor aan de overige leden van de kamer van beroep en stelt een redelijke termijn vast waarbinnen tegenwerpingen kunnen worden gemaakt of om wijzigingen kan worden verzocht.

2.   De kamer van beroep vergadert om over de te nemen beslissing te beraadslagen, indien blijkt dat niet alle leden van de kamer dezelfde mening zijn toegedaan. Aan de beraadslaging nemen slechts leden van de kamer van beroep deel; de voorzitter van de kamer van beroep kan echter andere functionarissen, onder meer griffiers of tolken, tot de beraadslaging toelaten. De beraadslagingen zijn en blijven geheim.

3.   Bij de beraadslagingen tussen de leden van een kamer van beroep maakt de rapporteur als eerste zijn standpunt bekend en, indien deze niet tevens de voorzitter is, maakt de voorzitter als laatste zijn standpunt bekend.

4.   Indien moet worden gestemd, wordt dezelfde volgorde aangehouden, behalve dat de voorzitter altijd als laatste stemt. Stemonthoudingen zijn niet toegestaan.

5.   Alle leden van de kamer van beroep die deelnemen aan de beslissing, ondertekenen deze. Wanneer de kamer van beroep echter reeds tot een eindbeslissing is gekomen en een lid verhinderd is, wordt dat lid niet vervangen en tekent de voorzitter de beslissing namens dat lid. Indien de voorzitter verhinderd is, tekent het oudste lid van de kamer van beroep zoals bepaald overeenkomstig artikel 43, lid 1, de beslissing namens de voorzitter.

6.   De leden 1 tot en met 5 zijn niet van toepassing indien een beslissing moet worden genomen door één enkel lid overeenkomstig artikel 165, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 en artikel 36, lid 1, van deze verordening. In dergelijke gevallen worden de beslissingen ondertekend door dat enkele lid.

Artikel 40

Voorzitter van een kamer van beroep

Een voorzitter zit een kamer van beroep voor en heeft de volgende taken:

a)

aanwijzing van een lid van de kamer van beroep, of van hemzelf of haarzelf, als rapporteur voor elke zaak die aan die kamer van beroep is toegewezen overeenkomstig artikel 35, lid 2;

b)

aanwijzing namens de kamer van beroep van de rapporteur als enig lid overeenkomstig artikel 165, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001;

c)

verzoeken aan de kamer van beroep om te beslissen over de ontvankelijkheid van het beroep overeenkomstig artikel 23, lid 2, van deze verordening;

d)

leiding geven aan het voorbereidend onderzoek van de zaak door de rapporteur, overeenkomstig artikel 41 van deze verordening;

e)

voorzitten van de mondelinge behandeling en de bewijsvoering en ondertekenen van het desbetreffende proces-verbaal.

Artikel 41

Rapporteur van een kamer van beroep

1.   De rapporteur onderwerpt het hem toegewezen beroep aan een voorafgaand onderzoek, bereidt de zaak voor onderzoek en beraadslaging door de kamer van beroep voor en stelt een ontwerpbeslissing van de kamer van beroep op.

2.   De rapporteur heeft, voor zover nodig en onder leiding van de voorzitter van de kamer van beroep, de volgende taken:

a)

de partijen verzoeken hun opmerkingen in te dienen overeenkomstig artikel 70, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001;

b)

besluiten over verzoeken om verlenging van termijnen en, naargelang van het geval, termijnen stellen in de zin van artikel 24, lid 1, artikel 25, lid 5, en artikel 26 van deze verordening, en besluiten over schorsingen overeenkomstig artikel 71;

c)

mededelingen opstellen in overeenstemming met artikel 28 en de hoorzitting;

d)

het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de bewijsvoering ondertekenen.

Artikel 42

Griffie

1.   Er wordt een griffie ingesteld bij de kamers van beroep. Deze is verantwoordelijk voor de ontvangst, verzending, bewaring en kennisgeving van alle documenten die verband houden met de procedure voor de kamers van beroep, en voor de samenstelling van de desbetreffende dossiers.

2.   De griffie wordt geleid door een griffier. De griffier vervult de taken als bedoeld in dit artikel, onder het gezag van de president van de kamers van beroep, onverminderd het bepaalde in lid 3.

3.   De griffier ziet erop toe dat alle formele vereisten en termijnen die zijn vastgesteld in Verordening (EU) 2017/1001, in deze verordening of in de beslissingen van het presidium van de kamers van beroep zoals vastgesteld overeenkomstig artikel 166, lid 4, onder c) en d), van Verordening (EU) 2017/1001, worden nageleefd. Hiertoe is de griffier belast met de volgende taken:

a)

het ondertekenen van de beslissingen van de kamers van beroep inzake beroepen;

b)

het opstellen en ondertekenen van het proces-verbaal van de mondelinge behandeling en de bewijsvoering;

c)

het uitbrengen, hetzij op eigen initiatief, hetzij op verzoek van de kamer van beroep, van met redenen omklede adviezen aan de kamer van beroep inzake procedurele en formele vereisten, waaronder inzake onregelmatigheden, zoals bedoeld in artikel 23, lid 2, van deze verordening;

d)

het beroep overleggen, overeenkomstig artikel 34, lid 1, van deze verordening, aan de instantie van het Bureau die de bestreden beslissing heeft genomen;

e)

het gelasten, namens de kamer van beroep en in de gevallen als bedoeld in artikel 33, onder a) en b), van deze verordening, van de terugbetaling van de beroepstaks.

4.   De griffier heeft, naar aanleiding van delegatie van de kant van de president van de kamers van beroep, de volgende taken:

a)

het toewijzen van zaken overeenkomstig artikel 35, leden 1 en 4;

b)

het uitvoeren, overeenkomstig artikel 166, lid 4, onder b), van Verordening (EU) 2017/1001, van de beslissingen van het presidium van de kamers van beroep in verband met de procesvoering voor de kamers van beroep.

5.   De griffier kan naar aanleiding van delegatie van de kant van het presidium van de kamers van beroep op voorstel van de president van de kamers van beroep andere taken verrichten in verband met het verloop van de beroepsprocedure voor de kamers van beroep en de organisatie van het werk ervan.

6.   De griffier kan de in dit artikel bedoelde taken delegeren aan een personeelslid van de griffie.

7.   Bij verhindering van de griffier in de zin van artikel 43, lid 4, of indien de functie van griffier vacant is, wijst de president van de kamers van beroep een personeelslid van de griffie aan dat de taken van de griffier waarneemt zolang de griffier afwezig is.

8.   De medewerkers van de griffie staan onder de leiding van de griffier.

Artikel 43

Rangorde naar anciënniteit en vervanging van leden en voorzitters

1.   De anciënniteit van voorzitters en leden wordt berekend aan de hand van de datum van hun ambtsaanvaarding zoals gespecificeerd in de benoemingsakte of, bij gebreke daarvan, zoals vastgesteld door de raad van bestuur van het Bureau. Bij gelijke anciënniteit in hun ambt wordt de rangorde naar anciënniteit aan de hand van de leeftijd bepaald. Voorzitters en leden van wie het mandaat is vernieuwd, behouden hun eerdere plaats in de rangorde naar anciënniteit.

2.   Als de voorzitter van een kamer van beroep verhinderd is, wordt die voorzitter vervangen op basis van anciënniteit zoals bepaald overeenkomstig lid 1, door het lid met de hoogste anciënniteit van die kamer van beroep of, wanneer geen lid van die kamer van beroep beschikbaar is, door het lid met de hoogste anciënniteit van de andere leden van de kamers van beroep.

3.   Als een lid van een kamer van beroep verhinderd is, wordt dat lid vervangen op basis van anciënniteit zoals bepaald overeenkomstig lid 1, door het lid met de hoogste anciënniteit van die kamer van beroep of, wanneer geen lid van die kamer van beroep beschikbaar is, door het lid met de hoogste anciënniteit van de andere leden van de kamers van beroep.

4.   Voor de toepassing van de leden 2 en 3, worden voorzitters en leden van de kamers van beroep geacht te zijn verhinderd in geval van verlof, ziekte, verplichtingen waaraan men zich niet kan onttrekken, en uitsluiting op grond van artikel 169 van Verordening (EU) 2017/1001 en artikel 35, lid 4, van de onderhavige verordening. Een voorzitter wordt ook geacht te zijn verhinderd indien hij fungeert als president ad interim van de kamers van beroep overeenkomstig artikel 47, lid 2, van deze verordening. Indien de functie van voorzitter of lid vacant is, worden hun respectieve taken ad interim uitgeoefend overeenkomstig het bepaalde in de leden 2 en 3 van dit artikel inzake vervanging.

5.   Ieder lid dat zichzelf verhinderd acht, geeft hiervan onverwijld kennis aan de voorzitter van de desbetreffende kamer van beroep. Iedere voorzitter die zichzelf verhinderd acht, geeft hiervan onverwijld en tegelijkertijd kennis aan zijn overeenkomstig lid 2 bepaalde vervanger en aan de president van de kamers van beroep.

Artikel 44

Uitsluiting en wraking

1.   Alvorens de kamer van beroep een beslissing neemt op grond van artikel 169, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001, wordt de voorzitter of het betrokken lid uitgenodigd om opmerkingen te maken ten aanzien van de vraag of er reden is voor uitsluiting of wraking.

2.   Wanneer de kamer van beroep kennis verkrijgt, uit een andere bron dan het betrokken lid of een partij bij de procedure, van een mogelijke reden voor uitsluiting of wraking overeenkomstig artikel 169, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, wordt de procedure van artikel 169, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001 toegepast.

3.   De betrokken procedure wordt geschorst totdat een beslissing is genomen over de te nemen maatregelen overeenkomstig artikel 169, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001.

Artikel 45

Grote kamer

1.   De lijst met de namen van alle leden van de kamers van beroep, uitgezonderd de president van de kamers van beroep en de voorzitters van de kamers van beroep, opgesteld in het kader van het roteren van de leden van de grote kamer zoals bedoeld in artikel 167, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, wordt opgesteld in een rangorde naar anciënniteit, in overeenstemming met artikel 43, lid 1, van deze verordening. Wanneer een beroep is verwezen naar de grote kamer overeenkomstig artikel 165, lid 3, onder b), van Verordening (EU) 2017/1001 omvat de grote kamer de vóór de verwijzing aangewezen rapporteur.

2.   Artikel 40 is van toepassing op de president van de kamers van beroep, optredend in de hoedanigheid van voorzitter van de grote kamer. Het bepaalde in artikel 41 is van toepassing op de rapporteur aan de grote kamer.

3.   Is de president van de kamers van beroep verhinderd om als voorzitter van de grote kamer te fungeren, dan wordt de president van de kamers van beroep vervangen in deze functie en, in voorkomend geval, als rapporteur aan de grote kamer, door de voorzitter van de kamers van beroep met de hoogste anciënniteit, zoals bepaald overeenkomstig artikel 43, lid 1. Is een lid van de grote kamer verhinderd, dan wordt dat lid vervangen door een ander lid van de kamers van beroep, aan te wijzen overeenkomstig artikel 167, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 en lid 1 van dit artikel. Het bepaalde in artikel 43, leden 4 en 5, van deze verordening is van overeenkomstige toepassing.

4.   De grote kamer beraadslaagt of stemt niet over zaken, en er wordt niet overgegaan tot mondelinge behandeling voor de grote kamer, tenzij zeven van haar leden aanwezig zijn, onder wie de voorzitter en de rapporteur.

5.   Het bepaalde in artikel 39, leden 1 tot en met 5, is van toepassing op de beraadslagingen en stemmingen van de grote kamer. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

6.   Artikel 32 is van toepassing op beslissingen van de grote kamer en mutatis mutandis op de met redenen omklede adviezen daarvan in de zin van artikel 157, lid 4, onder l), van Verordening (EU) 2017/1001.

Artikel 46

Presidium van de kamers van beroep

1.   Het presidium van de kamers van beroep heeft de volgende taken:

a)

het beslissen over de samenstelling van de kamers van beroep;

b)

het bepalen van de objectieve criteria voor de toewijzing van zaken aan de kamers van beroep en het uitspraak doen in alle geschillen met betrekking tot de toepassing daarvan;

c)

op voorstel van de president van de kamers van beroep, het vaststellen van de behoeften inzake uitgaven van de kamers van beroep, met het oog op de opstelling van de raming van uitgaven van het Bureau;

d)

het vaststellen van zijn reglement van orde;

e)

het vaststellen van regels voor het vervolg geven aan uitsluiting en wraking van leden op grond van artikel 169 van Verordening (EU) 2017/1001;

f)

het vastleggen van werkinstructies voor de griffie;

g)

het nemen van enige andere maatregel met het oog op de uitoefening van zijn taken inzake het vaststellen van de regels en de organisatie van het werk van de kamers van beroep overeenkomstig de artikelen 165, lid 3, onder a), en artikel 166, lid 4, onder a), van Verordening (EU) 2017/1001.

2.   Het presidium kan slechts rechtsgeldig beraadslagen als ten minste twee derde van de leden ervan, met inbegrip van de voorzitter van het presidium en de helft van de voorzitters van de kamers van beroep, indien nodig naar boven afgerond, aanwezig is. Beslissingen van het presidium worden met meerderheid van stemmen genomen. Bij staking van stemmen geeft de stem van de voorzitter de doorslag.

3.   De beslissingen van het presidium krachtens artikel 43, lid 1, artikel 45, lid 1, en lid 1, onder a) en b), van dit artikel worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van het Bureau.

Artikel 47

President van de kamers van beroep

1.   Is de president van de kamers van beroep verhinderd in de zin van artikel 43, lid 4, dan worden de leidinggevende en organisatorische taken die ingevolge artikel 166, lid 4, van Verordening (EU) 2017/1001 door de president worden uitgeoefend, op basis van anciënniteit zoals bepaald overeenkomstig artikel 43, lid 1, van deze verordening, uitgeoefend door de voorzitter van de kamers van beroep met de hoogste anciënniteit.

2.   Is de functie van president van de kamers van beroep vacant, dan worden de taken van de president ad interim uitgeoefend op basis van anciënniteit overeenkomstig artikel 43, lid 1, door de voorzitter van de kamers van beroep met de hoogste anciënniteit.

Artikel 48

Toepasselijkheid op beroepsprocedures van bepalingen inzake andere procedures

Tenzij in deze titel anders is bepaald, zijn de bepalingen inzake de procedures voor de instantie van het Bureau die de bestreden beslissing heeft genomen, van overeenkomstige toepassing op beroepsprocedures.

TITEL VI

MONDELINGE BEHANDELING EN BEWIJSVOERING

Artikel 49

Oproep tot verschijnen in een mondelinge procedure

1.   In de tot de partijen gerichte oproep tot verschijnen in een mondelinge procedure overeenkomstig artikel 96 van Verordening (EU) 2017/1001 wordt op lid 3 van het onderhavige artikel gewezen.

2.   Bij de oproep tot verschijnen verzoekt het Bureau, zo nodig, dat partijen alle relevante inlichtingen en stukken vóór de zitting verstrekken. Het Bureau kan de partijen verzoeken zich tijdens de mondelinge behandeling op een of meer specifieke punten te concentreren. Het kan de partijen tevens de mogelijkheid bieden deel te nemen aan de mondelinge behandeling via videoconferentie of andere technische middelen.

3.   Indien een partij die behoorlijk is opgeroepen om in een mondelinge procedure voor het Bureau te verschijnen, niet verschijnt, kan de procedure buiten de aanwezigheid van die partij worden voortgezet.

4.   Tenzij bijzondere redenen zich hiertegen verzetten, vergewist het Bureau zich ervan dat de zaak na de mondelinge behandeling in staat van wijzen is.

Artikel 50

Talen van de mondelinge behandeling

1.   Mondelinge behandeling vindt plaats in de proceduretaal, mits de partijen overeenkomen een andere officiële taal van de Unie te hanteren.

2.   Het Bureau kan in de mondelinge behandeling communiceren in een andere officiële taal van de Unie en het kan op verzoek een partij toestaan zulks te doen mits simultaanvertolking naar de proceduretaal beschikbaar kan worden gesteld. De kosten van simultaanvertolking komen ten laste van de verzoekende partij of van het Bureau, naargelang van het geval.

Artikel 51

Het horen van partijen, getuigen of deskundigen en bezichtiging

1.   Indien het Bureau het noodzakelijk oordeelt partijen, getuigen of deskundigen te horen of de situatie ter plaatse te bezichtigen, neemt het daartoe een tussenbeslissing waarin het de middelen waarmee het voornemens is bewijsmateriaal te verkrijgen, noemt alsmede de ter zake dienende feiten die bewezen moeten worden en voorts de datum, de tijd en de plaats van de zitting of van de bezichtiging ter plaatse. Indien door een partij om het horen van getuigen of van deskundigen wordt verzocht, wordt in de beslissing van het Bureau de termijn gesteld waarbinnen de verzoekende partij aan het Bureau de namen en adressen van de getuigen of deskundigen moet opgeven.

2.   De oproeping van partijen, getuigen of deskundigen om te worden gehoord bevat:

a)

een uittreksel uit de in lid 1 bedoelde beslissing waarin de datum en tijd waarop en de plaats waar de gelaste hoorzitting zal plaatsvinden, alsmede de feiten waarover de partijen, getuigen en deskundigen zullen worden gehoord, worden genoemd;

b)

de namen van de partijen bij de procedure en de vermelding van de rechten die de getuigen of deskundigen kunnen inroepen uit hoofde van artikel 54, leden 2 tot en met 5.

De oproeping biedt aan de partijen, getuigen of deskundigen die worden opgeroepen tevens de mogelijkheid om aan de mondelinge behandeling deel te nemen via videoconferentie of andere technische middelen.

3.   Artikel 50, lid 2, is van overeenkomstige toepassing.

Artikel 52

Aanwijzing en adviezen van deskundigen

1.   Het Bureau beslist over de vorm waarin een deskundigenadvies moet worden uitgebracht.

2.   De opdracht aan de deskundige behelst:

a)

een nauwkeurige beschrijving van diens taak;

b)

de termijn waarbinnen deze het deskundigenadvies moet indienen;

c)

de namen van de partijen bij de procedure;

d)

de vermelding van de rechten die de deskundige kan inroepen uit hoofde van artikel 54, leden 2, 3 en 4.

3.   Wanneer een deskundige wordt aangesteld, wordt het deskundigenadvies ingediend in de proceduretaal of gaat dit vergezeld van een vertaling in die proceduretaal. Aan de partijen wordt een afschrift van elk schriftelijk advies, en indien nodig van de vertaling, verzonden.

4.   De partijen mogen een deskundige wegens onbekwaamheid wraken of om dezelfde redenen als die op grond waarvan om wraking kan worden verzocht van een onderzoeker of een lid van een afdeling of van een kamer van beroep overeenkomstig artikel 169, leden 1 en 3, van Verordening (EU) 2017/1001. Bezwaren tegen de aanwijzing van een deskundige worden ingediend in de proceduretaal of gaan vergezeld van een vertaling in die proceduretaal. De betrokken dienst van het Bureau beslist over de wraking.

Artikel 53

Proces-verbaal van de mondelinge behandeling

1.   Van een mondelinge behandeling of hoorzitting wordt proces-verbaal opgemaakt, dat het volgende omvat:

a)

het nummer van de zaak waarop de mondelinge behandeling betrekking heeft en de datum van de mondelinge behandeling;

b)

de namen van de ambtenaren van het Bureau, de partijen, hun vertegenwoordigers en de aanwezige getuigen en deskundigen;

c)

de door de partijen gedane indieningen en verzoeken;

d)

de wijze waarop bewijsmateriaal wordt verstrekt of verkregen;

e)

in voorkomend geval, de uitspraken of de beslissing van het Bureau.

2.   Het proces-verbaal wordt opgenomen in het dossier van de desbetreffende aanvraag voor of inschrijving van een Uniemerk. Het wordt ter kennis gebracht van de partijen.

3.   Indien een mondelinge procedure of de bewijsvoering voor het Bureau wordt opgenomen, vervangt de opname het proces-verbaal en is lid 2 van overeenkomstige toepassing.

Artikel 54

Kosten van bewijsvoering bij mondelinge behandeling

1.   De bewijsvoering voor het Bureau kan afhankelijk worden gesteld van het stellen van zekerheid jegens het Bureau, door de partij die om de bewijsvoering heeft verzocht, ter hoogte van een bedrag dat wordt vastgesteld aan de hand van de geschatte kosten.

2.   Getuigen en deskundigen die worden opgeroepen door en die verschijnen voor het Bureau, hebben recht op vergoeding van redelijke uitgaven voor de reis en het verblijf indien dergelijke uitgaven zijn gedaan. Voor deze uitgaven kan het Bureau dezen een voorschot verstrekken.

3.   Getuigen die recht hebben op vergoeding krachtens lid 2, hebben tevens recht op een passende vergoeding voor inkomstenderving; de deskundigen hebben recht op een honorarium voor hun werk. Deze compensatiebetalingen aan de getuigen en deskundigen worden uitgevoerd nadat zij hun plichten of taken hebben vervuld, indien die getuigen en deskundigen door het Bureau op eigen initiatief zijn opgeroepen.

4.   De krachtens de leden 1, 2 en 3 verschuldigde bedragen en voorschotten voor kosten worden vastgesteld door de uitvoerend directeur van het Bureau en in het Publicatieblad van het Bureau bekendgemaakt. De bedragen worden berekend overeenkomstig het Statuut van de ambtenaren van de Europese Unie en de Regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van de Unie, vervat in Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad (11), en bijlage VII daarbij.

5.   De uiteindelijke aansprakelijkheid voor de betaling van de krachtens de leden 1 tot en met 4 verschuldigde of betaalde bedragen berust bij:

a)

het Bureau indien het de getuigen of deskundigen op eigen initiatief heeft opgeroepen;

b)

de betrokken partij, indien deze erom heeft verzocht dat getuigen of deskundigen zouden worden gehoord, behoudens de beslissing over de verdeling en de vaststelling van de kosten overeenkomstig de artikelen 109 en 110 van Verordening (EU) 2017/1001 en artikel 18 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626. Die partij betaalt het Bureau de naar behoren betaalde voorschotten terug.

Artikel 55

Onderzoek van schriftelijk bewijsmateriaal

1.   Het Bureau onderzoekt al het bewijsmateriaal dat in enige procedure voor het Bureau is verstrekt of verkregen, in de mate die nodig is om een beslissing te nemen in de procedure in kwestie.

2.   De tot staving dienende stukken of ander bewijsmateriaal moeten worden opgenomen in de bijlagen bij een indiening ter zake en worden in oplopende volgorde genummerd. De indiening ter zake omvat een inhoudsopgave met voor elk stuk of ander bewijsmateriaal in bijlage een vermelding van:

a)

het nummer van de bijlage;

b)

een korte beschrijving van het document of ander bewijsmateriaal en in voorkomend geval het aantal bladzijden;

c)

het nummer van de bladzijde van de indiening waarin het specifieke document of ander bewijsmateriaal is vermeld.

De partij die het bewijsmateriaal overlegt, kan tevens, in de inhoudsopgave van de bijlagen, aangeven welke specifieke delen van een document zijn argumenten staven.

3.   Indien de indiening of de bijlagen niet in overeenstemming zijn met de eisen van lid 2, kan het Bureau de partij die het bewijsmateriaal overlegt, verzoeken de gebreken binnen een door het Bureau gestelde termijn te verhelpen.

4.   Indien de gebreken niet binnen de door het Bureau gestelde termijn zijn verholpen en wanneer het voor het Bureau nog steeds niet mogelijk is om duidelijk vast te stellen op welke grond of welk argument een stuk of bewijsmiddel betrekking heeft, wordt met dat stuk of dat bewijselement geen rekening gehouden.

TITEL VII

KENNISGEVINGEN DOOR HET BUREAU

Artikel 56

Algemene bepalingen betreffende kennisgevingen

1.   In procedures voor het Bureau geschieden door het Bureau te verrichten kennisgevingen in overeenstemming met artikel 94, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, en bestaan deze in de toezending van het stuk waarvan aan de betrokken partijen kennis moet worden gegeven. De toezending kan plaatsvinden door het verlenen van elektronische toegang tot dat document.

2.   Kennisgevingen geschieden op een van de volgende wijzen:

a)

langs elektronische weg overeenkomstig artikel 57;

b)

per post of koerier overeenkomstig artikel 58;

c)

door openbare kennisgeving overeenkomstig artikel 59.

3.   Wanneer de geadresseerde contactgegevens heeft opgegeven voor communicatie met hem langs elektronische weg, dan heeft het Bureau de keuze tussen deze weg en kennisgeving per post of koerier.

Artikel 57

Kennisgeving langs elektronische weg

1.   Kennisgeving langs elektronische weg heeft betrekking op doorgifte per kabel, radiogolven, optische middelen of andere elektromagnetische middelen, waaronder het internet.

2.   De uitvoerend directeur stelt de nadere voorschriften vast met betrekking tot de te gebruiken specifieke elektronische middelen, de wijze waarop elektronische middelen worden gebruikt, en de termijn voor kennisgeving langs elektronische weg.

Artikel 58

Kennisgeving per post of koerier

1.   Niettegenstaande artikel 56, lid 3, geschiedt de kennisgeving van beslissingen waarvoor een termijn voor beroep geldt, van oproepen en van andere door de uitvoerend directeur van het Bureau aan te wijzen documenten per koerier of aangetekende brief met in beide gevallen ontvangstbevestiging. Alle overige kennisgevingen geschieden hetzij per koerier of aangetekende brief, al dan niet met ontvangstbevestiging, hetzij per gewone post.

2.   Niettegenstaande artikel 56, lid 3, geschiedt kennisgeving aan geadresseerden die in de Europese Economische Ruimte („EER”) geen woonplaats, geen zetel en evenmin een werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel hebben en die geen vertegenwoordiger hebben aangewezen zoals vereist door artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, door het stuk waarvan kennis moet worden gegeven, per gewone post te verzenden.

3.   Wanneer de kennisgeving per koerier of bij aangetekende brief, al dan niet met ontvangstbevestiging, geschiedt, wordt deze geacht te zijn bezorgd op de tiende dag na de datum waarop de brief is gepost, tenzij de brief de geadresseerde niet of pas op een latere datum heeft bereikt. In geval van betwisting moet het Bureau aantonen dat de brief ter bestemming is aangekomen of, naargelang van het geval, de datum aan te tonen waarop de brief de geadresseerde werd bezorgd.

4.   Kennisgeving per koerier of aangetekende post wordt geacht te zijn geschied zelfs al weigert de geadresseerde de brief in ontvangst te nemen.

5.   Kennisgeving per gewone post wordt geacht te hebben plaatsgevonden op de tiende dag na die van de terpostbezorging.

Artikel 59

Kennisgeving door openbare kennisgeving

Indien het adres van de geadresseerde niet kan worden vastgesteld of indien kennisgeving overeenkomstig het vermelde in artikel 56, lid 2, onder a) en b), na ten minste één poging onmogelijk is gebleken, geschiedt de kennisgeving door middel van een openbare kennisgeving.

Artikel 60

Kennisgeving aan vertegenwoordigers

1.   Indien een vertegenwoordiger is aangewezen, of indien de eerstgenoemde aanvrager in een gemeenschappelijke aanvraag als gemeenschappelijke vertegenwoordiger overeenkomstig artikel 73, lid 1, wordt beschouwd, worden de kennisgevingen aan die aangewezen of gemeenschappelijke vertegenwoordiger gericht.

2.   Indien één partij meerdere vertegenwoordigers heeft aangewezen, geschiedt kennisgeving overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626. Indien verscheidene partijen een gemeenschappelijke vertegenwoordiger hebben aangewezen, is kennisgeving van de stukken in enkelvoud aan de gemeenschappelijke vertegenwoordiger toereikend.

3.   Een door het Bureau aan de naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger gerichte kennisgeving of andere mededeling heeft hetzelfde rechtsgevolg als was deze aan de vertegenwoordigde persoon gericht.

Artikel 61

Gebreken in de kennisgeving

Wanneer een stuk de geadresseerde heeft bereikt, wordt, indien het Bureau niet in staat is te bewijzen dat de kennisgeving ervan naar behoren is geschied, of indien de bepalingen inzake de kennisgeving ervan niet zijn nagekomen, de kennisgeving van het stuk geacht te zijn geschied op de als datum van ontvangst vastgestelde datum.

Artikel 62

Kennisgeving van stukken bij verscheidene partijen

Van documenten die afkomstig zijn van partijen, wordt stelselmatig kennis gegeven aan de andere partijen. Van kennisgeving kan worden afgezien indien het stuk geen nieuwe elementen behelst en de zaak zich in staat van wijzen bevindt.

TITEL VIII

SCHRIFTELIJKE MEDEDELINGEN EN FORMULIEREN

Artikel 63

Mededelingen aan het Bureau in schriftelijke vorm of langs andere weg

1.   Aanvragen voor inschrijving van een Uniemerk alsmede enige andere aanvraag waarin Verordening (EU) 2017/1001 voorziet, alsmede alle overige, aan het Bureau gerichte mededelingen moeten als volgt geschieden:

a)

door indiening van een mededeling langs elektronische weg, in welk geval de vermelding van de naam van de afzender wordt geacht gelijkwaardig aan de handtekening te zijn;

b)

door indiening van een ondertekend origineel van het betrokken stuk bij het Bureau, per post of per koerier.

2.   Bij procedures voor het Bureau wordt de datum waarop een mededeling door het Bureau wordt ontvangen, beschouwd als de datum van indiening ervan.

3.   Indien een langs elektronische weg ontvangen mededeling onvolledig of onleesbaar is, of indien het Bureau redenen heeft om aan de nauwkeurigheid van de doorgifte te twijfelen, stelt het Bureau de afzender daarvan in kennis en verzoekt het hem, binnen een door het Bureau te stellen termijn, het origineel opnieuw door te zenden of de mededeling in te dienen overeenkomstig lid 1, onder b). Wordt binnen de gestelde termijn aan het verzoek voldaan, dan geldt als datum van hernieuwde toezending of toezending van het origineel de datum van ontvangst van de oorspronkelijke mededeling. Wanneer de tekortkoming echter de toekenning van een indieningsdatum voor een aanvraag tot inschrijving van een merk betreft, zijn de bepalingen inzake de indieningsdatum van toepassing. Indien binnen de gestelde termijn niet aan het verzoek wordt voldaan, wordt de mededeling als niet-ontvangen beschouwd.

Artikel 64

Bijlagen bij mededelingen per post of per koerier

1.   Bijlagen bij mededelingen kunnen worden ingediend op gegevensdragers, in overeenstemming met de technische specificaties zoals bepaald door de uitvoerend directeur.

2.   Indien een mededeling met bijlagen overeenkomstig artikel 63, lid 1, onder b), wordt ingediend door een partij bij een procedure waarbij meer dan één partij is betrokken, dan dient de partij zoveel kopieën van de bijlagen in als er partijen zijn bij de procedure. De bijlagen worden gemarkeerd overeenkomstig de eisen van artikel 55, lid 2.

Artikel 65

Formulieren

1.   Het Bureau stelt het publiek gratis formulieren ter beschikking, die online kunnen worden ingevuld, voor de volgende doeleinden:

a)

het indienen van een Uniemerkaanvraag, met inbegrip van, indien passend, verzoeken om een rechercheverslag;

b)

het indienen van een oppositiebezwaarschrift;

c)

het vorderen van een verval van rechten;

d)

het vorderen van nietigverklaring of overgang van een Uniemerk;

e)

het aanvragen van inschrijving van een overgang alsmede het in artikel 13, lid 3, onder d), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 bedoelde overgangsformulier of overgangsdocument;

f)

het aanvragen van inschrijving van een licentie;

g)

het aanvragen van vernieuwing van een Uniemerk;

h)

het instellen van beroep;

i)

het machtigen van een vertegenwoordiger, in de vorm van een individuele volmacht of van een algemene volmacht;

j)

het indienen van een internationale aanvraag of een latere aanwijzing uit hoofde van het Protocol bij de Schikking van Madrid betreffende de internationale inschrijving van merken, aangenomen te Madrid op 27 juni 1989 (12) bij het Bureau.

2.   De partijen bij de procedure voor het Bureau mogen ook gebruikmaken van:

a)

de formulieren die zijn vastgesteld in het kader van het Verdrag inzake het merkenrecht of overeenkomstig aanbevelingen van de vergadering van de Unie van Parijs tot bescherming van de industriële eigendom;

b)

met uitzondering van het in lid 1, onder i), bedoelde formulier, formulieren met dezelfde inhoud en hetzelfde format als bedoeld in lid 1.

3.   Het Bureau stelt de in lid 1 genoemde formulieren ter beschikking in alle officiële talen van de Unie.

Artikel 66

Mededelingen door vertegenwoordigers

Door de naar behoren gemachtigde vertegenwoordiger aan het Bureau gerichte mededelingen hebben dezelfde rechtsgevolgen als waren deze afkomstig van de vertegenwoordigde persoon.

TITEL IX

TERMIJNEN

Artikel 67

Berekening en duur van termijnen

1.   Een termijn vangt aan op de dag volgende op die waarop zich de daarvoor relevante gebeurtenis heeft voorgedaan, waarbij deze gebeurtenis een procedurele handeling of het verstrijken van een andere termijn kan zijn. Indien die procedurele handeling een kennisgeving is, geldt, tenzij anders is bepaald, als relevante gebeurtenis de ontvangst van het document waarvan kennisgeving is geschied.

2.   Indien de termijn wordt uitgedrukt als één jaar of in een bepaald aantal jaren, verstrijkt deze in het desbetreffende daaraanvolgende jaar in de maand met dezelfde naam en op de dag met hetzelfde getal als de maand en de dag waarop zich de relevante gebeurtenis heeft voorgedaan. Indien in de desbetreffende maand geen dag met hetzelfde getal voorkomt, verstrijkt de termijn op de laatste dag van die maand.

3.   Indien de termijn wordt uitgedrukt als één maand of een bepaald aantal maanden, verstrijkt deze in de desbetreffende daaraanvolgende maand op de dag met hetzelfde getal als de dag waarop zich de relevante gebeurtenis heeft voorgedaan. Indien in de desbetreffende maand geen dag met hetzelfde getal voorkomt, verstrijkt de termijn op de laatste dag van die maand.

4.   Wanneer een termijn wordt uitgedrukt in één week of in een bepaald aantal weken, verstrijkt deze in de desbetreffende daaraanvolgende week op de dag met dezelfde naam als de dag waarop de bedoelde gebeurtenis zich heeft voorgedaan.

Artikel 68

Verlenging van de termijnen

Met inachtneming van de specifieke of maximumtermijnen die zijn vervat in Verordening (EU) 2017/1001, Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 of deze verordening kan het Bureau naar aanleiding van een met redenen omkleed verzoek een verlenging van een termijn toestaan. Een dergelijk verzoek wordt ingediend door de betrokken partij voordat de desbetreffende termijn verstrijkt. Indien er twee of meer partijen zijn, kan het Bureau de verlenging afhankelijk stellen van de instemming van de andere partij respectievelijk partijen.

Artikel 69

Verstrijken van termijnen in bijzondere gevallen

1.   Indien een termijn verstrijkt op een dag waarop het Bureau niet geopend is voor inontvangstneming van stukken of op een dag waarop, om andere dan de in lid 2 genoemde redenen, op de plaats waar het Bureau gevestigd is, geen normale postbestellingen plaatsvinden, wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag waarop het Bureau geopend is voor inontvangstneming van stukken en waarop de normale postbestellingen plaatsvinden.

2.   Eindigt een termijn op een dag waarop de postbestelling in de lidstaat waar het Bureau gevestigd is, algemeen onderbroken is of, indien en voor zover de uitvoerend directeur toestemming heeft verleend voor het verzenden van mededelingen door middel van elektronische middelen overeenkomstig artikel 100, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, waarop de verbinding van het Bureau met deze elektronische communicatiemiddelen onderbroken is, dan wordt de termijn verlengd tot de eerstvolgende dag na deze onderbreking waarop het Bureau geopend is voor inontvangstneming van stukken en waarop de normale postbestellingen plaatsvinden of de verbinding van het Bureau met die elektronische communicatiemiddelen hersteld is.

TITEL X

HERROEPING VAN BESLISSINGEN

Artikel 70

Herroeping van een beslissing of doorhaling van een inschrijving in het register

1.   Indien het Bureau zelf of op aanwijzing van de partijen bij de procedure vaststelt dat een beslissing vatbaar is voor herroeping of een inschrijving in het register vatbaar is voor doorhaling overeenkomstig artikel 103 van Verordening (EU) 2017/1001, stelt het de betrokken partij in kennis van de voorgenomen herroeping of doorhaling.

2.   De betrokken partij dient binnen een door het Bureau te stellen termijn opmerkingen over de voorgenomen herroeping of doorhaling in.

3.   Indien de betrokken partij met de voorgenomen herroeping of doorhaling instemt of binnen de gestelde termijn geen opmerkingen indient, herroept het Bureau de beslissing of haalt het de inschrijving door. Indien de betrokken partij niet met de voorgenomen herroeping of doorhaling instemt, neemt het Bureau een beslissing inzake de herroeping of doorhaling.

4.   Wanneer waarschijnlijk is dat de voorgenomen herroeping of doorhaling gevolgen heeft voor meer dan één partij, zijn de leden 1, 2 en 3 van overeenkomstige toepassing. In die gevallen worden de door een van de partijen overeenkomstig lid 3 ingediende opmerkingen altijd aan de andere partij of partijen meegedeeld met een verzoek om opmerkingen in te dienen.

5.   Indien de herroeping van een beslissing of de doorhaling van een inschrijving in het register betrekking heeft op een beslissing of inschrijving die is gepubliceerd, wordt de herroeping of doorhaling ook gepubliceerd.

6.   De in de leden 1 tot en met 4 bedoelde herroeping of doorhaling geschiedt door de dienst of eenheid die de beslissing heeft genomen.

TITEL XI

SCHORSING VAN DE PROCEDURE

Artikel 71

Schorsing van de procedure

1.   Wat oppositie-, vervallenverklarings-, nietigheids- en beroepsprocedures betreft, kan de bevoegde dienst of de kamer van beroep de procedure schorsen:

a)

op eigen initiatief wanneer een schorsing in de gegeven omstandigheden van de zaak passend is;

b)

op het met redenen omklede verzoek van een van de partijen bij een inter-partesprocedure indien een schorsing in de gegeven omstandigheden van de zaak passend is, waarbij rekening wordt gehouden met de belangen van de partijen en het stadium waarin de procedure zich bevindt.

2.   Op verzoek van beide partijen bij een inter-partesprocedure schorst de bevoegde dienst of kamer van beroep de procedure gedurende een termijn die maximaal zes maanden bedraagt. Deze schorsing kan worden verlengd op een met redenen omkleed verzoek van beide partijen, tot een totale periode van maximaal twee jaar.

3.   Alle termijnen die verband houden met de betrokken procedure, met uitzondering van de termijn voor betaling van de toepasselijke taks, worden vanaf de datum van de schorsing opgeschort. Onverminderd artikel 170, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001, gaan de termijnen opnieuw lopen op de dag waarop de procedure wordt hervat.

4.   Indien passend in de omstandigheden van de zaak kan de partijen worden verzocht hun opmerkingen in te dienen met betrekking tot de schorsing of hervatting van de procedure.

TITEL XII

ONDERBREKING VAN DE PROCEDURE

Artikel 72

Hervatting van een procedure

1.   Indien de procedure voor het Bureau is onderbroken op grond van artikel 106, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, wordt het Bureau in kennis gesteld van de identiteit van de persoon die bevoegd is de procedure bij het Bureau voort te zetten op grond van artikel 106, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001. Het Bureau deelt aan die persoon en belanghebbende derden mee dat de procedure wordt hervat op een door het Bureau vast te stellen datum.

2.   Indien het Bureau binnen drie maanden na aanvang van de onderbreking van de procedure op grond van artikel 106, lid 1, onder c), van Verordening (EU) 2017/1001, niet in kennis is gesteld van de aanwijzing van een nieuwe vertegenwoordiger, deelt het aan de aanvrager of de houder van het Uniemerk mede dat:

a)

wanneer artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 van toepassing is, de Uniemerkaanvraag wordt geacht te zijn ingetrokken indien de informatie niet is ingediend binnen twee maanden nadat van de mededeling kennis is gegeven;

b)

wanneer artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 niet van toepassing is, de procedure met de aanvrager of de houder van het Uniemerk op de datum van de kennisgeving van deze mededeling zal worden hervat.

3.   De termijnen die gelden voor de aanvrager of de houder van het Uniemerk op de datum van de onderbreking van de procedure, beginnen, met uitzondering van de termijn voor de betaling van de vernieuwingstaksen, opnieuw te lopen op de dag waarop de procedure wordt hervat.

TITEL XIII

VERTEGENWOORDIGING

Artikel 73

Aanwijzing van een gemeenschappelijke vertegenwoordiger

1.   Wanneer er meer dan één aanvrager is en de Uniemerkaanvraag geen gemeenschappelijke vertegenwoordiger vermeldt, wordt de eerste aanvrager in de aanvraag met woonplaats of zetel of een werkelijke en feitelijke vestiging voor bedrijf of handel in de EER, of diens vertegenwoordiger, indien deze is aangewezen, geacht de gemeenschappelijke vertegenwoordiger te zijn. Wanneer alle aanvragers verplicht zijn een erkende gemachtigde aan te wijzen, wordt de erkende gemachtigde die het eerst in de aanvraag wordt genoemd, geacht de gemeenschappelijke vertegenwoordiger te zijn. Dit is van overeenkomstige toepassing op derden die gezamenlijk oppositie hebben ingesteld of een vordering tot vervallen- of tot nietigverklaring hebben ingesteld alsmede op de gezamenlijke houders van een Uniemerk.

2.   Indien tijdens de procedure overgang op meer dan één persoon geschiedt en deze personen geen gemeenschappelijke vertegenwoordiger hebben aangewezen, is lid 1 van toepassing. Indien een dergelijke aanwijzing niet mogelijk is, verzoekt het Bureau die personen binnen twee maanden een gemeenschappelijke vertegenwoordiger aan te wijzen. Indien aan dat verzoek geen gevolg wordt gegeven, wijst het Bureau de gemeenschappelijke vertegenwoordiger aan.

Artikel 74

Volmachten

1.   Werknemers die natuurlijke of rechtspersonen vertegenwoordigen in de zin van artikel 119, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, alsmede beoefenaren van juridische beroepen en erkende gemachtigden die zijn ingeschreven op de lijst die door het Bureau op grond van artikel 120, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 wordt bijgehouden, dienen bij het Bureau een bij het dossier te voegen ondertekende volmacht overeenkomstig artikel 119, lid 3, en artikel 120, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 uitsluitend in wanneer het Bureau hierom uitdrukkelijk verzoekt of wanneer er sprake is van verschillende partijen bij de procedure waarin de gemachtigde voor het Bureau optreedt en de andere partij uitdrukkelijk daarom verzoekt.

2.   Indien op grond van artikel 119, lid 3, of artikel 120, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001 wordt verlangd dat een ondertekende volmacht wordt ingediend, kan die volmacht worden ingediend in een van de officiële talen van de Unie. De volmacht kan op een of meer aanvragen of ingeschreven merken betrekking hebben of de vorm aannemen van een algemene volmacht waarbij de vertegenwoordiger gemachtigd wordt op te treden in alle procedures voor het Bureau waarbij de volmachtgever als partij is betrokken.

3.   Het Bureau geeft een termijn aan waarbinnen deze volmacht moet worden ingediend. Indien de volmacht niet binnen de vastgestelde termijn wordt ingediend, wordt de procedure voortgezet met de vertegenwoordigde persoon. De door de vertegenwoordiger verrichte procedurehandelingen, met uitzondering van de indiening van de aanvraag, worden geacht niet te zijn geschied indien deze door de vertegenwoordigde persoon niet binnen een door het Bureau te stellen termijn worden goedgekeurd.

4.   De leden 1 en 2 zijn van overeenkomstige toepassing op een document waarbij een volmacht wordt ingetrokken.

5.   De vertegenwoordiger die niet langer gemachtigd is, wordt nog als vertegenwoordiger beschouwd zolang de beëindiging van de volmacht niet aan het Bureau is meegedeeld.

6.   Tenzij in de volmacht anders is bepaald, eindigt deze bij het overlijden van de volmachtgever niet automatisch ten opzichte van het Bureau.

7.   Wanneer het Bureau wordt meegedeeld dat een vertegenwoordiger is aangewezen, worden overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder e), van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 diens naam en kantooradres opgegeven. Wanneer een vertegenwoordiger die reeds is aangewezen, verschijnt voor het Bureau, vermeldt hij de naam en het identificatienummer zoals aan hem door het Bureau toegekend. Indien een partij meerdere vertegenwoordigers aanwijst, mogen deze, ook al is in hun volmachten anders bepaald, zowel gezamenlijk als afzonderlijk handelen.

8.   De aanwijzing of machtiging van een samenwerkingsverband van vertegenwoordigers wordt beschouwd als een aanwijzing of machtiging van elke vertegenwoordiger die binnen dat samenwerkingsverband werkt.

Artikel 75

Wijziging van de lijst van erkende gemachtigden

1.   Overeenkomstig artikel 120, lid 5, van Verordening (EU) 2017/1001 wordt de inschrijving van een erkende gemachtigde automatisch geschrapt:

a)

in geval van overlijden of handelingsonbekwaamheid van de erkende gemachtigde;

b)

indien de erkende gemachtigde niet meer de nationaliteit van een lidstaat van de EER bezit, voor zover de uitvoerend directeur van het Bureau van deze eis geen ontheffing heeft verleend op grond van artikel 120, lid 4, onder b), van Verordening (EU) 2017/1001;

c)

indien de erkende gemachtigde geen kantoor of werkadres meer in de EER heeft;

d)

indien de erkende gemachtigde niet langer de bevoegdheid als bedoeld in artikel 120, lid 2, onder c), eerste volzin, van Verordening (EU) 2017/1001 bezit.

2.   De inschrijving van een erkende gemachtigde wordt door het Bureau uit eigen beweging geschorst, wanneer diens bevoegdheid om natuurlijke of rechtspersonen voor het Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom of voor de centrale dienst voor de industriële eigendom van een lidstaat te vertegenwoordigen, zoals bedoeld in artikel 120, lid 2, onder c), eerste volzin, van Verordening (EU) 2017/1001, is opgeschort.

3.   Wanneer de voorwaarden voor schrapping niet langer voorhanden zijn, wordt een persoon wiens inschrijving is geschrapt, op verzoek, met overlegging overeenkomstig artikel 120, lid 3, van Verordening (EU) 2017/1001, van een bewijs, opnieuw op de lijst van erkende gemachtigden ingeschreven.

4.   Het Benelux-Bureau voor de intellectuele eigendom en de centrale diensten voor de industriële eigendom van de betrokken lidstaten stellen, wanneer zij weet hebben van gebeurtenissen die relevant zijn in de zin van de leden 1 en 2, het Bureau daarvan onverwijld in kennis.

TITEL XIV

PROCEDURES VOOR DE INTERNATIONALE INSCHRIJVING VAN MERKEN

Artikel 76

Collectieve merken en certificeringsmerken

1.   Onverminderd artikel 193 van Verordening (EU) 2017/1001 geldt dat, wanneer een internationale inschrijving met aanduiding van de Unie wordt behandeld als een collectief Uniemerk of als een Uniecertificeringsmerk overeenkomstig artikel 194, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, tevens een kennisgeving van ambtshalve voorlopige weigering wordt gedaan overeenkomstig artikel 33 van Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 in de volgende gevallen:

a)

indien er sprake is van een van de weigeringsgronden als bedoeld in artikel 76, lid 1 of lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, juncto lid 3 van dat artikel, of in artikel 85, lid 1 of lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, juncto lid 3 van dat artikel;

b)

indien het reglement voor het gebruik van het merk niet overeenkomstig artikel 194, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 is ingediend.

2.   Kennisgevingen van wijzigingen van het reglement voor het gebruik van het merk in de zin van de artikelen 79 en 88 van Verordening (EU) 2017/1001 worden bekendgemaakt in het Uniemerkenblad.

Artikel 77

Oppositieprocedure

1.   Indien overeenkomstig artikel 196 van Verordening (EU) 2017/1001 oppositie wordt ingesteld tegen een internationale inschrijving met aanduiding van de Europese Unie, omvat het oppositiebezwaarschrift:

a)

het nummer van de internationale inschrijving waartegen de oppositie is gericht;

b)

een opgave van de in de internationale inschrijving vermelde waren of diensten waartegen de oppositie is gericht;

c)

de naam van de houder van de internationale inschrijving;

d)

hetgeen wordt vereist door het bepaalde in artikel 2, lid 2, onder b) tot en met h), van deze verordening.

2.   Artikel 2, leden 1, 3 en 4, alsmede de artikelen 3 tot en met 10 van deze verordening zijn van toepassing in het kader van een oppositieprocedure die betrekking heeft op internationale inschrijvingen met aanduiding van de Unie, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

elke verwijzing naar een aanvraag voor een inschrijving van het Uniemerk moet worden gelezen als een verwijzing naar een internationale inschrijving;

b)

elke verwijzing naar een intrekking van de aanvraag voor de inschrijving van het Uniemerk moet worden gelezen als een verwijzing naar de afstand van de internationale inschrijving ten aanzien van de Unie;

c)

elke verwijzing naar de aanvrager moet worden gelezen als een verwijzing naar de houder van de internationale inschrijving.

3.   Indien voor het verstrijken van de in artikel 196, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 bedoelde periode van één maand oppositie is ingesteld, wordt de oppositie geacht te zijn ingesteld op de eerste dag na het verstrijken van de periode van een maand.

4.   Indien de houder van de internationale inschrijving zich moet laten vertegenwoordigen in procedures voor het Bureau op grond van artikel 119, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001, en de houder van de internationale inschrijving niet reeds een vertegenwoordiger heeft aangewezen in de zin van artikel 120, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, omvat de mededeling van de oppositie aan de houder van de internationale inschrijving overeenkomstig artikel 6, lid 1, van deze verordening een verzoek voor de aanwijzing van een vertegenwoordiger in de zin van artikel 120, lid 1, van Verordening (EU) 2017/1001, binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van de mededeling.

Indien de houder van de internationale inschrijving binnen deze termijn geen vertegenwoordiger benoemt, beslist het Bureau de bescherming van de internationale inschrijving te weigeren.

5.   De oppositieprocedure wordt geschorst indien er ambtshalve een voorlopige weigering van bescherming wordt afgegeven overeenkomstig artikel 193 van Verordening (EU) 2017/1001. Wanneer de ambtshalve voorlopige weigering leidt tot een definitieve beslissing om de bescherming van het merk te weigeren, staakt het Bureau de procedure en vergoedt het de oppositietaks, en wordt geen beslissing over de verdeling van de kosten genomen.

Artikel 78

Kennisgeving van voorlopige weigeringen op basis van een oppositie

1.   Wanneer overeenkomstig artikel 196, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 bij het Bureau tegen een internationale inschrijving oppositie wordt ingesteld of overeenkomstig artikel 77, lid 3, van deze verordening wordt geacht te zijn ingesteld, zendt het Bureau een kennisgeving van voorlopige weigering van bescherming op basis van een oppositie naar het Internationaal Bureau van de Wereldorganisatie voor de Intellectuele Eigendom („het Internationaal Bureau”).

2.   De kennisgeving van voorlopige weigering van bescherming op basis van een oppositie omvat:

a)

het nummer van de internationale inschrijving;

b)

de vermelding dat de weigering is gebaseerd op het feit dat oppositie is ingesteld, met een verwijzing naar de bepalingen van artikel 8 van Verordening (EU) 2017/1001 waarop de oppositie berust;

c)

de naam en het adres van de opposant.

3.   Indien de oppositie op een aanvraag of een inschrijving van een merk berust, bevat de in lid 2 bedoelde kennisgeving de volgende vermeldingen:

a)

de datum van indiening, de inschrijvingsdatum en de eventuele voorrangsdatum;

b)

het dossiernummer en, indien dat daarvan verschilt, het inschrijvingsnummer;

c)

de naam en het adres van de houder;

d)

een weergave van het merk;

e)

de opgave van waren en diensten waarop de oppositie is gebaseerd.

4.   Indien de voorlopige weigering slechts op een deel van de waren of diensten betrekking heeft, vermeldt de in lid 2 bedoelde kennisgeving die waren en diensten.

5.   Het Bureau deelt het Internationaal Bureau het volgende mee:

a)

indien de voorlopige weigering als gevolg van de oppositieprocedure is ingetrokken: dat het merk in de Unie bescherming geniet;

b)

indien een beslissing om bescherming van het merk te weigeren definitief is geworden na een beroep overeenkomstig artikel 66 van Verordening (EU) 2017/1001 of overeenkomstig artikel 72 van Verordening (EU) 2017/1001: dat de bescherming van het merk in de Unie wordt geweigerd;

c)

indien de weigering overeenkomstig het bepaalde onder b) slechts een deel van de waren of diensten betreft: de waren of diensten waarvoor het merk in de Unie bescherming geniet.

6.   Wanneer meer dan een voorlopige weigering is afgegeven voor een internationale inschrijving overeenkomstig artikel 193, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 of lid 1 van dit artikel, heeft de mededeling als bedoeld in lid 5 van dit artikel betrekking op de volledige of gedeeltelijke weigering van bescherming van het merk overeenkomstig de artikelen 193 en 196 van Verordening (EU) 2017/1001.

Artikel 79

Verklaring dat bescherming wordt toegekend

1.   Wanneer het Bureau niet ambtshalve een voorlopige kennisgeving van weigering heeft gedaan overeenkomstig artikel 193 van Verordening (EU) 2017/1001, er binnen de in artikel 196, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 bedoelde oppositietermijn geen oppositiebezwaarschrift is ontvangen, en het Bureau niet ambtshalve een voorlopige weigering heeft afgegeven naar aanleiding van door derden ingediende opmerkingen, zendt het Bureau een verklaring dat bescherming wordt toegekend naar het Internationaal Bureau, waarin wordt aangegeven dat het merk in de Unie bescherming geniet.

2.   Met het oog op de toepassing van artikel 189, lid 2, van Verordening (EU) 2017/1001 heeft de in lid 1 bedoelde verklaring dat bescherming wordt toegekend, hetzelfde rechtsgevolg als een verklaring door het Bureau dat een kennisgeving van weigering is ingetrokken.

TITEL XV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 80

Overgangsmaatregelen

De bepalingen van de Verordeningen (EG) nr. 2868/95 en (EG) nr. 216/96 blijven van toepassing op lopende procedures totdat deze zijn afgerond waar deze verordening, overeenkomstig artikel 82 ervan, niet van toepassing is.

Artikel 81

Intrekking

Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 wordt ingetrokken.

Artikel 82

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Zij is van toepassing met ingang van de in lid 1 bedoelde datum van inwerkingtreding, met inachtneming van de volgende uitzonderingen:

a)

de artikelen 2 tot en met 6 zijn niet van toepassing op opposities die vóór 1 oktober 2017 zijn ingesteld;

b)

de artikelen 7 en 8 zijn niet van toepassing op oppositieprocedures waarvan de contradictoire fase vóór 1 oktober 2017 is aangevangen;

c)

artikel 9 is niet van toepassing op schorsingen die vóór 1 oktober 2017 zijn ingegaan;

d)

artikel 10 is niet van toepassing op verzoeken om bewijs van gebruik die vóór 1 oktober 2017 datum zijn ingediend;

e)

titel III is niet van toepassing op verzoeken tot wijziging die vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend;

f)

de artikelen 12 tot en met 15 zijn niet van toepassing op vorderingen tot vervallen- of tot nietigverklaring of verzoeken tot overgang die vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend;

g)

de artikelen 16 en 17 zijn niet van toepassing op procedures waarvan de contradictoire fase vóór 1 oktober 2017 is aangevangen;

h)

artikel 18 is niet van toepassing op schorsingen die vóór 1 oktober 2017 zijn ingegaan;

i)

artikel 19 is niet van toepassing op verzoeken om bewijs van gebruik die vóór 1 oktober 2017 datum zijn ingediend;

j)

titel V is niet van toepassing op beroepen die vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend;

k)

titel VI is niet van toepassing op mondelinge behandelingen die vóór 1 oktober 2017 zijn aangevangen of schriftelijk bewijsmateriaal waarvan de termijn voor indiening vóór die datum is ingegaan;

l)

titel VII is niet van toepassing op kennisgevingen die vóór 1 oktober 2017 zijn ingediend;

m)

titel VIII is niet van toepassing op mededelingen die vóór 1 oktober 2017 zijn ontvangen en formulieren die vóór de bovengenoemde datum beschikbaar zijn gesteld;

n)

titel IX is niet van toepassing op termijnen die vóór 1 oktober 2017 zijn gesteld;

o)

titel X is niet van toepassing op herroepingen van beslissingen of doorhalingen van inschrijvingen in het register die vóór 1 oktober 2017 hebben plaatsgevonden;

p)

titel XI is niet van toepassing op schorsingen waarom door de partijen vóór de bovengenoemde datum is verzocht of die door het Bureau vóór 1 oktober 2017 zijn opgelegd;

q)

titel XII is niet van toepassing op procedures die vóór 1 oktober 2017 zijn onderbroken;

r)

artikel 73 is niet van toepassing op Uniemerkaanvragen die vóór 1 oktober 2017 zijn ontvangen;

s)

artikel 74 is niet van toepassing op vertegenwoordigers die vóór 1 oktober 2017 zijn aangewezen;

t)

artikel 75 is niet van toepassing op inschrijvingen van erkende gemachtigden die vóór 1 oktober 2017 hebben plaatsgevonden;

u)

titel XIV is niet van toepassing op aanduidingen van het Uniemerk die vóór 1 oktober 2017 hebben plaatsgevonden.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 154 van 16.6.2017, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad van 20 december 1993 inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 11 van 14.1.1994, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad van 26 februari 2009 inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 78 van 24.3.2009, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) 2015/2424 van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2015 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, en van Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 2869/95 van de Commissie inzake de aan het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) te betalen taksen (PB L 341 van 24.12.2015, blz. 21).

(5)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2017/1430 van de Commissie van 18 mei 2017 ter aanvulling van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2868/95 en (EG) nr. 216/96 van de Commissie (PB L 205 van 8.8.2017, blz. 1).

(6)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 van de Commissie van 18 mei 2017 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EG) nr. 207/2009 van de Raad inzake het Uniemerk (PB L 205 van 8.8.2017, blz. 39).

(7)  Arrest van 13 maart 2007, zaak C–29/05 P, BHIM/Kaul GmbH, (ARCOL/CAPOL), ECLI:EU:C:2007:162, punten 42-44; arrest van 18 juli 2013, zaak C–621/11 P, New Yorker SHK Jeans GmbH & Co. KG/BHIM, (FISHBONE/FISHBONE BEACHWEAR), ECLI:EU:C:2013:484, punten 28-30; arrest van 26 september 2013, zaak C–610/11 P, Centrotherm Systemtechnik GmbH/BHIM, (CENTROTHERM), ECLI:EU:C:2013:593, punten 85-90 en 110-113; arrest van 3 oktober 2013, zaak C-120/12 P, Bernhard Rintisch/BHIM, (PROTI SNACK/PROTI), ECLI:EU:C:2013:638, punten 32 en 38-39; arrest van 3 oktober 2013, zaak C–121/12 P, Bernhard Rintisch/BHIM, (PROTIVITAL/PROTI), ECLI:EU:C:2013:639, punten 33 en 39-40; arrest van 3 oktober 2013, zaak C–122/12 P, Bernhard Rintisch/BHIM, (PROTIACTIVE/PROTI), ECLI:EU:C:2013:628; punten 33 en 39-40; arrest van 21 juli 2016, zaak C–597/14 P, EUIPO/Xavier Grau Ferrer, (ARCOL/CAPOL), ECLI:EU:C:2016:579, punten 26-27.

(8)  Verordening (EG) nr. 2868/95 van de Commissie van 13 december 1995 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 40/94 van de Raad inzake het Gemeenschapsmerk (PB L 303 van 15.12.1995, blz. 1).

(9)  Verordening (EG) nr. 216/96 van de Commissie van 5 februari 1996 houdende het Reglement voor de procesvoering bij de kamers van beroep van het Bureau voor harmonisatie binnen de interne markt (merken, tekeningen en modellen) (PB L 28 van 6.2.1996, blz. 11).

(10)  Uitvoeringsverordening (EU) 2018/626 van de Commissie van 5 maart 2018 houdende nadere uitvoeringsvoorschriften voor enkele bepalingen van Verordening (EU) 2017/1001 van het Europees Parlement en de Raad inzake het Uniemerk en tot intrekking van Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1431 (PB L 104 van 24.4.2018, blz. 37).

(11)  Verordening (EEG, Euratom, EGKS) nr. 259/68 van de Raad van 29 februari 1968 tot vaststelling van het Statuut van de ambtenaren van de Europese Gemeenschappen en de regeling welke van toepassing is op de andere personeelsleden van deze Gemeenschappen, alsmede van bijzondere maatregelen welke tijdelijk op de ambtenaren van de Commissie van toepassing zijn (Statuut van de ambtenaren) (PB L 56 van 4.3.1968, blz. 1).

(12)  PB L 296 van 14.11.2003, blz. 22.


Top