Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018R0337

Uitvoeringsverordening (EU) 2018/337 van de Commissie van 5 maart 2018 tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (Voor de EER relevante tekst. )

C/2018/1239

OJ L 65, 8.3.2018, p. 1–16 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2018/337/oj

8.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 65/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2018/337 VAN DE COMMISSIE

van 5 maart 2018

tot wijziging van Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 91/477/EEG van de Raad van 18 juni 1991 inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (1), en met name artikel 10 ter, lid 2,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie (2) zijn voorschriften en technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens in de Unie vastgesteld om ervoor te zorgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn. Die verordening bevat tevens een beschrijving van de wijze waarop de overheidsdiensten van de lidstaten moeten controleren en certificeren dat wapens onbruikbaar zijn gemaakt, evenals voorschriften betreffende de markering van onbruikbaar gemaakte vuurwapens.

(2)

Om het hoogst mogelijke veiligheidsniveau voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens te waarborgen, is bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 in een regelmatige herziening en actualisering van de daarin vastgestelde technische specificaties voorzien, waarbij rekening wordt gehouden met de door de lidstaten opgedane ervaring bij de toepassing van deze voorschriften en eventuele aanvullende maatregelen voor onbruikbaarmaking.

(3)

Daartoe heeft de Commissie in september 2016 binnen het bij Richtlijn 91/477/EEG ingestelde comité een werkgroep van nationale deskundigen inzake de onbruikbaarmaking van vuurwapens opgezet. De werkgroep heeft zich over de herziening van de in bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 vastgestelde technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens gebogen met als doel deze duidelijker te maken, eventuele dubbelzinnigheden voor vakmensen te vermijden en ervoor te zorgen dat de technische specificaties op alle soorten vuurwapens van toepassing zijn.

(4)

Richtlijn 91/477/EEG is gewijzigd bij Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad (3). Onbruikbaar gemaakte vuurwapens vallen onder het toepassingsgebied van de gewijzigde richtlijn, die tevens voorziet in hun indeling en in een definitie ervan die overeenstemt met de algemene beginselen van het onbruikbaar maken van vuurwapens als bedoeld in het Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, delen en onderdelen daarvan en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad, gevoegd bij Besluit 2014/164/EU van de Raad (4), waarbij dat protocol in de rechtsorde van de Unie is opgenomen.

(5)

De in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 vastgestelde voorschriften betreffende onbruikbaarmaking van vuurwapens moeten in overeenstemming zijn met de nieuwe voorschriften betreffende onbruikbaarmaking die bij Richtlijn (EU) 2017/853 zijn geïntroduceerd.

(6)

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 moet van toepassing zijn op alle categorieën vuurwapens in bijlage I, deel II, bij Richtlijn 91/477/EEG.

(7)

Met de technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens moet worden voorkomen dat deze met behulp van gewoon gereedschap weer bruikbaar kunnen worden gemaakt.

(8)

De technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens zijn gericht op de onbruikbaarmaking van de essentiële onderdelen van vuurwapens als gedefinieerd in Richtlijn 91/477/EEG. Richtlijn 91/477/EEG bevat namelijk ook een definitie van onbruikbaar gemaakte vuurwapens overeenkomstig dewelke er moet worden gewaarborgd dat alle essentiële onderdelen van het vuurwapen in kwestie voorgoed onbruikbaar worden gemaakt en onmogelijk zodanig verwijderd, vervangen of aangepast kunnen worden dat het wapen op enigerlei wijze opnieuw gebruiksklaar zou kunnen worden gemaakt. De technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens moeten ook gelden voor de onbruikbaarmaking van verwisselbare lopen die, als afzonderlijke voorwerpen, technisch verbonden zijn met en bedoeld zijn om te worden gemonteerd op het onbruikbaar te maken vuurwapen.

(9)

Op verzoek van de werkgroep van nationale deskundigen inzake onbruikbaarmaking zijn de herziene technische specificaties gedurende vijf weken, van 9 februari tot en met 20 maart 2017, door nationale vakmensen inzake onbruikbaarmaking aan een stresstest onderworpen. Op basis van de resultaten van deze stresstest is met name besloten de presentatie van de specificaties inzake onbruikbaarmaking te herzien. Duidelijkheidshalve moeten de specifieke bewerkingen voor het onbruikbaar maken worden gepresenteerd op een wijze waarbij een onderscheid wordt gemaakt tussen de verschillende typen vuurwapens.

(10)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij Richtlijn 91/477/EEG ingestelde comité.

(11)

Opdat de lidstaten de nodige administratieve wijzigingen kunnen doorvoeren en hun praktijken op deze gewijzigde uitvoeringsverordening kunnen afstemmen, moet deze verordening drie maanden na de inwerkingtreding van toepassing worden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 1, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   Deze verordening is van toepassing op alle categorieën vuurwapens in bijlage I, deel II, bij Richtlijn 91/477/EEG.”.

2)

Artikel 3, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De lidstaten wijzen een bevoegde overheidsdienst aan om te controleren of het vuurwapen onbruikbaar is gemaakt overeenkomstig de technische specificaties van bijlage I („de controlerende entiteit”).”.

3)

Artikel 5 wordt vervangen door:

„Artikel 5

Markering van onbruikbaar gemaakte vuurwapens

Op onbruikbaar gemaakte vuurwapens wordt overeenkomstig het model in bijlage II een gemeenschappelijke unieke markering aangebracht om aan te geven dat zij onbruikbaar zijn gemaakt overeenkomstig de technische specificaties in bijlage I. De markering wordt door de controlerende entiteit aangebracht op alle essentiële onderdelen die voor de onbruikbaarmaking van het vuurwapen zijn gewijzigd, en voldoet aan de volgende criteria:

a)

zij is duidelijk zichtbaar en niet te verwijderen;

b)

zij bevat informatie over de lidstaat waar het vuurwapen onbruikbaar is gemaakt, en over de controlerende entiteit die de onbruikbaarmaking heeft gecertificeerd;

c)

het (de) oorspronkelijke serienummer(s) van het vuurwapen wordt (worden) behouden.”.

4)

Bijlage I wordt vervangen door bijlage I bij deze verordening.

5)

Bijlage II wordt vervangen door bijlage II bij deze verordening.

6)

Bijlage III wordt vervangen door bijlage III bij deze verordening.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 28 juni 2018.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 5 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 256 van 13.9.1991, blz. 51.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/2403 van de Commissie van 15 december 2015 tot vaststelling van gemeenschappelijke richtsnoeren betreffende normen en technieken om te waarborgen dat onbruikbaar gemaakte vuurwapens voorgoed onbruikbaar zijn (PB L 333 van 19.12.2015, blz. 62).

(3)  Richtlijn (EU) 2017/853 van het Europees Parlement en de Raad van 17 mei 2017 tot wijziging van Richtlijn 91/477/EEG van de Raad inzake de controle op de verwerving en het voorhanden hebben van wapens (PB L 137 van 24.5.2017, blz. 22).

(4)  Besluit 2014/164/EU van de Raad van 11 februari 2014 betreffende de sluiting, namens de Europese Unie, van het Protocol tegen de illegale vervaardiging van en handel in vuurwapens, delen en onderdelen daarvan en munitie, tot aanvulling van het Verdrag van de Verenigde Naties tegen grensoverschrijdende georganiseerde misdaad (PB L 89 van 25.3.2014, blz. 7).


BIJLAGE I

Technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens

De bewerkingen die moeten worden uitgevoerd om vuurwapens voorgoed onbruikbaar te maken, worden gedefinieerd op basis van drie tabellen:

tabel I bevat een lijst van de verschillende typen vuurwapens;

tabel II bevat de te volgen algemene beginselen bij het voorgoed onbruikbaar maken van vuurwapens;

tabel III bevat een beschrijving van de specifieke bewerkingen die per type vuurwapen moeten worden uitgevoerd om het vuurwapen voorgoed onbruikbaar te maken.

De technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens zijn bedoeld om te voorkomen dat vuurwapens met behulp van gewoon gereedschap weer bruikbaar kunnen worden gemaakt.

De technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens zijn gericht op de onbruikbaarmaking van essentiële onderdelen van vuurwapens als gedefinieerd in Richtlijn 91/477/EEG. De in bijlage I opgenomen technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens gelden ook voor de onbruikbaarmaking van verwisselbare lopen die, als afzonderlijke voorwerpen, technisch verbonden zijn met en bedoeld zijn om te worden gemonteerd op het onbruikbaar te maken vuurwapen.

Met het oog op een correcte en uniforme toepassing van de bewerkingen voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens stelt de Commissie in samenwerking met de lidstaten definities vast.

Tabel I

Lijst van soorten vuurwapens

Soorten vuurwapens

1

Pistolen (enkelschots, semiautomatisch)

2

Revolvers (met inbegrip van revolvers met cilinderlader)

3

Lange enkelschotsvuurwapens (niet-basculerend)

4

Basculerende vuurwapens (bv. met gladde loop, met getrokken loop, combinatie, valblok-/rolblokmechanisme, korte en lange vuurwapens)

5

Lange repeteervuurwapens (met gladde loop, met getrokken loop)

6

Lange semiautomatische vuurwapens (met gladde loop, met getrokken loop)

7

Automatische vuurwapens: bv. aanvalsgeweren, (sub)machinegeweren, automatische pistolen

8

Voorlaadwapens met inbegrip van basculerende vuurwapens (met uitzondering van revolvers met cilinderlader)

Tabel II

Algemene beginselen

Door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voorkomen dat de essentiële onderdelen van vuurwapens kunnen worden gedemonteerd.

Naargelang de nationale wetgeving kan dit proces worden uitgevoerd na de controle door de nationale autoriteit.

Hardheid van inzetstukken: De instantie die de onbruikbaarmaking uitvoert, moet ervoor zorgen dat de gebruikte pinnen, stoppen of staven een hardheid van ten minste 40 HRC hebben en dat het voor lassen gebruikte materiaal een permanente en doeltreffende hechting garandeert.

Tabel III

Specifieke bewerkingen naargelang het type vuurwapen

1.

PISTOLEN (ENKELSCHOTS, SEMIAUTOMATISCH)

1.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de kamer, indien aanwezig (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: bij getrokken lopen driemaal de lengte van de kamer en bij gladde lopen tweemaal de lengte van de kamer).

1.2

Loop: bij alle andere pistolen dan die met basculerende loop moet door weerszijden van de kamer een gat worden geboord, waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: >

Formula

van de kamer, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen. Zo niet moet een stop ter grootte van de huls in de kamer worden ingebracht en vastgelast.

1.3

Loop: de toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

1.4

Loop: de loop moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid. De in bewerking 1.2 gebruikte pin kan daarvoor worden gebruikt.

1.5

Loop: voor verwisselbare lopen die niet in een pistool zijn gemonteerd, de bewerkingen 1.1 tot en met 1.4 en bewerking 1.19 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

1.6

Afsluiterblok, grendelkop: de slagpin verwijderen of verkorten.

1.7

Afsluiterblok, grendelkop: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele afsluitervlak worden verwijderd. Alle vergrendelingsnokken moeten worden verwijderd of aanzienlijk worden verzwakt.

1.8

Afsluiterblok, grendelkop: het slagpingat dichtlassen.

1.9

Slede: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele oppervlak worden verwijderd.

1.10

Slede: de slagpin verwijderen.

1.11

Slede: de vergrendelingsnokken in de slede verwijderen.

1.12

Slede: indien van toepassing, de binnenzijde van de vergrendelende rand van de uitwerpopening in de slede verspanend bewerken tot een hoek van 45 tot 75 graden.

1.13

Slede: als het afsluiterblok van het sledehuis kan worden genomen, moet het onbruikbaar gemaakte afsluiterblok voorgoed aan het sledehuis worden bevestigd.

1.14

Frame- of kastgroep: toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

1.15

Frame- of kastgroep: ten minste 2/3 van de slederails aan weerszijden van de kast verspanend verwijderen.

1.16

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

1.17

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

1.18

Automatisch systeem: de gaszuiger, de gasbuis en de gasaftapopening vernietigen door snijden of lassen.

1.19

Automatisch systeem: bij afwezigheid van de gaszuiger de gasbuis verwijderen. Indien de loop als gaszuiger wordt gebruikt, de onbruikbaar gemaakte loop aan de behuizing vastlassen. Wanneer de loop van een gasuitlaat is voorzien, moet de gasuitlaat worden dichtgelast.

1.20

Magazijnen: het magazijn puntsgewijs vastlassen of passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid treffen, al naargelang het soort wapen en materiaal, om te voorkomen dat het magazijn kan worden verwijderd.

1.21

Magazijnen: als het magazijn ontbreekt, op de plaats van het magazijn laspunten aanbrengen of passende maatregelen treffen of een grendel plaatsen om voorgoed te voorkomen dat een magazijn wordt ingeschoven.

1.22

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

1.23

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


2.

REVOLVERS (MET INBEGRIP VAN REVOLVERS MET CILINDERLADER)

2.1

Loop: een gleuf in de lengte maken (breedte: >

Formula

kaliber; lengte: ten minste de helft van de lengte van de loop vanaf de looptoevoer).

2.2

Loop: er moet een gat worden geboord door weerszijden van de loop (dicht bij de looptoevoer), waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: > 50 % van het kaliber, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen. Als alternatief kan een passende stop van gehard staal (lengte: ten minste de helft van de lengte van de cilinderkamer) in de loop worden vastgelast, te beginnen vanaf de cilinderzijde.

2.3

Loop: de loop moet voorgoed aan de framegroep worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid. De in bewerking 2.2 gebruikte pin kan daarvoor worden gebruikt.

2.4

Loop: voor verwisselbare lopen die niet aan het vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 2.1 tot en met 2.3 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

2.5

Cilinder: alle binnenwanden uit de cilinder verspanend verwijderen over minimaal ⅔ van de lengte ervan. Zo veel mogelijk van de binnenwanden van de cilinder verwijderen, idealiter tot de diameter van de huls, zonder de buitenwand te doorbreken.

2.6

Cilinder: waar mogelijk vastlassen om te voorkomen dat de cilinder uit de framegroep kan worden verwijderd, of passende maatregelen nemen zoals het inbrengen van een pin zodat de cilinder niet meer kan worden verwijderd.

2.7

Cilinder: voor reservecilinders die niet aan een vuurwapen zijn bevestigd, bewerking 2.5 uitvoeren. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de cilinder nooit meer op een vuurwapen kan worden gemonteerd.

2.8

Frame- of kastgroep: het slagpingat vergroten tot drie keer de oorspronkelijke grootte.

2.9

Frame- of kastgroep: de slagpin verwijderen of verkorten.

2.10

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

2.11

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

2.12

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

2.13

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


3.

LANGE ENKELSCHOTSVUURWAPENS (NIET BASCULEREND)

3.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de kamer, indien aanwezig (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: bij getrokken lopen driemaal de lengte van de kamer en bij gladde lopen tweemaal de lengte van de kamer).

3.2

Loop: er moet door weerszijden van de kamer een gat worden geboord, waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: >

Formula

van de kamer, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen. Zo niet moet een stop ter grootte van de huls in de kamer worden ingebracht en vastgelast.

3.3

Loop: de toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

3.4

Loop: de loop moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid. De in bewerking 3.2 gebruikte pin kan daarvoor worden gebruikt.

3.5

Loop: voor verwisselbare lopen die niet aan het vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 3.1 tot en met 3.4 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

3.6

Afsluiterblok, grendelkop: de slagpin verwijderen of verkorten.

3.7

Afsluiterblok, grendelkop: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele afsluitervlak worden verwijderd. Alle vergrendelingsnokken moeten worden verwijderd of aanzienlijk worden verzwakt.

3.8

Afsluiterblok, grendelkop: het slagpingat dichtlassen.

3.9

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

3.10

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

3.11

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

3.12

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


4.

BASCULERENDE VUURWAPENS (bv. MET GLADDE LOOP, MET GETROKKEN LOOP, COMBINATIE, VALBLOK-/ROLBLOKMECHANISME, KORTE EN LANGE VUURWAPENS)

4.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de kamer, indien aanwezig (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: bij getrokken lopen driemaal de lengte van de kamer en bij gladde lopen tweemaal de lengte van de kamer). Voor vuurwapens waarvan de loop geen kamer bevat, een gleuf in de lengte maken (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: ten minste de helft van de lengte van de loop vanaf de looptoevoer).

4.2

Loop: een nauw passende stop van ten minste ⅔ van de kamerlengte moet in de kamer en zo dicht mogelijk bij de ingang van de loop worden vastgelast.

4.3

Loop: de toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

4.4

Loop: de loop moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid.

4.5

Loop: voor verwisselbare lopen die niet aan het vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 4.1 tot en met 4.4 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

4.6

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

4.7

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

4.8

Mechanisme: door verspanende bewerking een kegel van minimaal 60 graden (apexhoek) maken om een basisdiameter te verkrijgen van minstens 10 mm of de diameter van het afsluitervlak.

4.9

Mechanisme: de slagpin verwijderen, het slagpingat vergroten tot een diameter van minimaal 5 mm en het slagpingat dichtlassen.

4.10

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

4.11

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


5.

LANGE REPETEERVUURWAPENS (MET GLADDE LOOP, MET GETROKKEN LOOP)

5.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de kamer, indien aanwezig (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: bij getrokken lopen driemaal de lengte van de kamer en bij gladde lopen tweemaal de lengte van de kamer). Voor vuurwapens waarvan de loop geen kamer bevat, een gleuf in de lengte maken (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: ten minste de helft van de lengte van de loop vanaf de looptoevoer).

5.2

Loop: er moet door weerszijden van de kamer een gat worden geboord, waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: >

Formula

van de kamer, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen. Zo niet moet een stop ter grootte van de huls in de kamer worden ingebracht en vastgelast.

5.3

Loop: de toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

5.4

Loop: de loop moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid. De in bewerking 5.2 gebruikte pin kan daarvoor worden gebruikt.

5.5

Loop: voor verwisselbare lopen die niet aan het vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 5.1 tot en met 5.4 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

5.6

Afsluiterblok, grendelkop: de slagpin verwijderen of verkorten.

5.7

Afsluiterblok, grendelkop: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele afsluitervlak worden verwijderd. Alle vergrendelingsnokken moeten worden verwijderd of aanzienlijk worden verzwakt.

5.8

Afsluiterblok, grendelkop: het slagpingat dichtlassen.

5.9

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

5.10

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

5.11

Magazijnen: het magazijn puntsgewijs vastlassen of passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid treffen, al naargelang het soort wapen en materiaal, om te voorkomen dat het magazijn kan worden verwijderd.

5.12

Magazijnen: als het magazijn ontbreekt, op de plaats van het magazijn laspunten aanbrengen of passende maatregelen treffen of een grendel plaatsen om voorgoed te voorkomen dat een magazijn wordt ingeschoven.

5.13

Magazijnen: voor buismagazijnen, een of meer pinnen van gehard staal door het magazijn, de kamer en de framegroep slaan zodat deze voorgoed met elkaar worden verbonden. Vastlassen.

5.14

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

5.15

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


6.

LANGE SEMIAUTOMATISCHE VUURWAPENS (MET GLADDE LOOP, MET GETROKKEN LOOP)

6.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de kamer, indien aanwezig (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: bij getrokken lopen driemaal de lengte van de kamer en bij gladde lopen tweemaal de lengte van de kamer). Voor vuurwapens waarvan de loop geen kamer bevat, een gleuf in de lengte maken (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: ten minste de helft van de lengte van de loop vanaf de looptoevoer).

6.2

Loop: er moet door weerszijden van de kamer een gat worden geboord, waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: >

Formula

van de kamer, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen. Zo niet moet een stop ter grootte van de huls in de kamer worden ingebracht en vastgelast.

6.3

Loop: de toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

6.4

Loop: de loop moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid. De in bewerking 6.2 gebruikte pin kan daarvoor worden gebruikt.

6.5

Loop: voor reservelopen die niet aan een vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 6.1 tot en met 6.4 en 6.12 uitvoeren naargelang de toepasselijkheid. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

6.6

Afsluiterblok, grendelkop: de slagpin verwijderen of verkorten.

6.7

Afsluiterblok, grendelkop: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele afsluitervlak worden verwijderd. Alle vergrendelingsnokken moeten worden verwijderd of aanzienlijk worden verzwakt.

6.8

Afsluiterblok, grendelkop: het slagpingat dichtlassen.

6.9

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

6.10

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

6.11

Automatisch systeem: de gaszuiger, de gasbuis en de gasaftapopening vernietigen door snijden of lassen.

6.12

Automatisch systeem: bij afwezigheid van de gaszuiger de gasbuis verwijderen. Indien de loop als gaszuiger wordt gebruikt, de onbruikbaar gemaakte loop aan de behuizing vastlassen. Wanneer de loop van een gasuitlaat is voorzien, moet de gasuitlaat worden dichtgelast.

6.13

Automatisch systeem: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet van het hele oppervlak van het afsluitervlak en elders worden verwijderd, zodat de grendel of het afsluiterblok met ten minste 50 % van de oorspronkelijke massa wordt verkleind. Het afsluiterblok voorgoed aan het vuurwapen bevestigen door vastlassen of vastlijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid.

6.14

Automatisch systeem: in gevallen waarin de grendelkoppen in een afsluiterdraagstuk zijn geïntegreerd, moet de drager met ten minste 50 % worden verkleind. De grendelkop moet voorgoed aan de drager worden bevestigd en de drager moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid.

6.15

Magazijnen: het magazijn puntsgewijs vastlassen of passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid treffen, al naargelang het soort wapen en materiaal, om te voorkomen dat het magazijn kan worden verwijderd.

6.16

Magazijnen: als het magazijn ontbreekt, op de plaats van het magazijn laspunten aanbrengen of passende maatregelen treffen of een grendel plaatsen om voorgoed te voorkomen dat een magazijn wordt ingeschoven.

6.17

Magazijnen: voor buismagazijnen, een of meer pinnen van gehard staal door het magazijn, de kamer en de framegroep slaan zodat deze voorgoed met elkaar worden verbonden. Vastlassen.

6.18

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

6.19

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


7.

AUTOMATISCHE VUURWAPENS: bv. AANVALSGEWEREN, (SUB)MACHINEGEWEREN, AUTOMATISCHE PISTOLEN

7.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de kamer, indien aanwezig (breedte: > 

Formula

 kaliber; lengte: bij getrokken lopen driemaal de lengte van de kamer en bij gladde lopen tweemaal de lengte van de kamer).

7.2

Loop: er moet door weerszijden van de kamer een gat worden geboord, waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: >

Formula

van de kamer, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen. Zo niet moet een stop ter grootte van de huls in de kamer worden ingebracht en vastgelast.

7.3

Loop: de toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

7.4

Loop: de loop moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid. De in bewerking 7.2 gebruikte pin kan daarvoor worden gebruikt.

7.5

Loop: voor verwisselbare lopen die niet aan het vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 7.1 tot en met 7.3 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

7.6

Afsluiterblok, grendelkop: de slagpin verwijderen of verkorten.

7.7

Afsluiterblok, grendelkop: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele afsluitervlak worden verwijderd. Alle vergrendelingsnokken moeten worden verwijderd of aanzienlijk worden verzwakt.

7.8

Afsluiterblok, grendelkop: het slagpingat dichtlassen.

7.9

Slede (voor automatische pistolen): het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet langs het hele oppervlak worden verwijderd.

7.10

Slede (voor automatische pistolen): de slagpin verwijderen.

7.11

Slede (voor automatische pistolen): de vergrendelingsnokken in de slede verwijderen.

7.12

Slede (voor automatische pistolen): indien van toepassing, de binnenzijde van de vergrendelende rand van de uitwerpopening in de slede verspanend bewerken tot een hoek van 45 tot 75 graden.

7.13

Slede (voor automatische pistolen): als het afsluiterblok van het sledehuis kan worden genomen, moet het onbruikbaar gemaakte afsluiterblok voorgoed aan het sledehuis worden bevestigd.

7.14

Frame- of kastgroep (voor automatische pistolen): toevoergeleider verwijderen, indien aanwezig.

7.15

Frame- of kastgroep (voor automatische pistolen): ten minste 2/3 van de slederails aan weerszijden van de kast verspanend verwijderen.

7.16

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

7.17

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

7.18

Automatisch systeem: de gaszuiger, de gasbuis en de gasaftapopening vernietigen door snijden of lassen.

7.19

Automatisch systeem: bij afwezigheid van de gaszuiger de gasbuis verwijderen. Indien de loop als gaszuiger wordt gebruikt, de onbruikbaar gemaakte loop aan de behuizing vastlassen. Wanneer de loop van een gasuitlaat is voorzien, moet de gasuitlaat worden dichtgelast.

7.20

Automatisch systeem: het afsluitervlak verspanend bewerken of verwijderen met een hoek tussen 45 en 75 graden, gemeten vanuit de hoek van het oorspronkelijke vlak. Het materiaal moet van het hele oppervlak van het afsluitervlak en elders worden verwijderd, zodat de grendel of het afsluiterblok met ten minste 50 % van de oorspronkelijke massa wordt verkleind. Het afsluiterblok voorgoed aan het vuurwapen bevestigen door vastlassen of vastlijmen of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid.

7.21

Automatisch systeem: in gevallen waarin de grendelkoppen in een afsluiterdraagstuk zijn geïntegreerd, moet de drager met ten minste 50 % worden verkleind. De grendelkop moet voorgoed aan de drager worden bevestigd en de drager moet voorgoed aan het vuurwapen worden bevestigd door lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid.

7.22

Magazijnen: het magazijn puntsgewijs vastlassen of passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid treffen, al naargelang het soort wapen en materiaal, om te voorkomen dat het magazijn kan worden verwijderd.

7.23

Magazijnen: als het magazijn ontbreekt, op de plaats van het magazijn laspunten aanbrengen of passende maatregelen treffen of een grendel plaatsen om voorgoed te voorkomen dat een magazijn wordt ingeschoven.

7.24

Magazijnen: voor buismagazijnen, een of meer pinnen van gehard staal door het magazijn, de kamer en de framegroep slaan zodat deze voorgoed met elkaar worden verbonden. Vastlassen.

7.25

Geluiddemper: indien de geluiddemper deel uitmaakt van het wapen, voorgoed voorkomen dat deze van de loop kan worden verwijderd, door een pin van gehard staal in te brengen, door de geluiddemper vast te lassen of te lijmen, of door passende maatregelen met een gelijkwaardig niveau van duurzaamheid te treffen.

7.26

Geluiddemper: waar mogelijk alle inwendige delen van de geluiddemper en de bevestigingspunten ervan verwijderen, zodat alleen een buis overblijft. Door de behuizing en tot in de expansiekamer gaten boren met een diameter die groter is dan het kaliber van het vuurwapen, op een interval in de lengte van 3 cm (korte vuurwapens) of 5 cm (lange vuurwapens). Of anders door de behuizing en tot in de expansiekamer een minstens 6 mm brede gleuf in de lengte snijden van het achtereinde tot het vooreinde.


8.

VOORLAADWAPENS MET INBEGRIP VAN BASCULERENDE VOORLADERS (MET UITZONDERING VAN REVOLVERS MET CILINDERLADER)

8.1

Loop: een gleuf maken over de lengte van de loop met inbegrip van de verbrandingskamer, indien aanwezig (breedte: >

Formula

kaliber; lengte: drie keer de kogeldiameter). Voor vuurwapens waarvan de loop geen verbrandingskamer bevat, een gleuf in de lengte maken (breedte: >

Formula

kaliber; lengte: ten minste de helft van de lengte van de loop vanaf de looptoevoer).

8.2

Loop: bij vuurwapens waarvan de loop een verbrandingskamer bevat, moet door weerszijden van de kamer een gat worden geboord, waarlangs een vast te lassen pin van gehard staal moet worden ingebracht (diameter: > Formula van de kamer, minimaal 4,5 mm). Dezelfde pin kan worden gebruikt om de loop aan het mechanisme te bevestigen.

Bij vuurwapens waarvan de loop geen verbrandingskamer bevat, een passende pin van gehard staal vastlassen (lengte: ten minste twee keer de kogeldiameter) in de loop vanaf de looptoevoer.

8.3

Loop: voor verwisselbare lopen die niet aan het vuurwapen zijn bevestigd, de bewerkingen 8.1 tot en met 8.2 uitvoeren naargelang het geval. Daarnaast moet er door snijden, lassen of lijmen, of door middel van passende maatregelen met een gelijkwaardige mate van duurzaamheid voor worden gezorgd dat de lopen nooit meer op een vuurwapen kunnen worden gemonteerd.

8.4

Bij basculerende voorladers: door verspanende bewerking een kegel van minimaal 60 graden (apexhoek) maken om een basisdiameter te verkrijgen van minstens 10 mm of de diameter van het afsluitervlak.

8.5

Bij basculerende voorladers: de slagpin verwijderen, het slagpingat vergroten tot een diameter van minimaal 5 mm en het slagpingat dichtlassen.

8.6

Trekkermechanisme: de fysieke bedieningsverbinding tussen het trekkerblad en de hamer, slagpin of tuimelaar vernietigen. Het trekkermechanisme waar van toepassing aaneenlassen binnen de ontvanger/kastgroep. Kan het trekkermechanisme niet worden aaneengelast, verwijder het dan en vul de ruimte met lasmateriaal of epoxyhars.

8.7

Trekkermechanisme: het trekkermechanisme en/of de trekkerbehuizing moet aan de kast- of framegroep worden vastgelast (in geval van een stalen framegroep) of met hittebestendige lijm aan de kast- of framegroep worden vastgelijmd (in geval van een framegroep van licht metaal of polymeer).

8.8

Nippels/gaten: de nippel(s) verwijderen of vastlassen, het gat (de gaten) dichtlassen.

8.9

Afzonderlijke (meerdere) verbrandingskamers (uitgezonderd cilinders): bij vuurwapens met afzonderlijke of meerdere verbrandingskamers, de binnenwand(en) van de verbrandingskamer(s) verspanend verwijderen over ten minste 2/3 van de lengte ervan. Zo veel mogelijk materiaal van de binnenwand(en) verwijderen, idealiter gelijk aan de kaliberdiameter.


BIJLAGE II

Model voor de markering van onbruikbaar gemaakte vuurwapens

Image

(1)

Markering van onbruikbaarmaking (moet „EU” blijven in alle nationale markeringen)

(2)

Land van onbruikbaarmaking — officiële internationale code

(3)

Logo van de entiteit die de onbruikbaarmaking van het vuurwapen heeft gecertificeerd

(4)

Jaar van onbruikbaarmaking

De volledige markering wordt alleen op de framegroep van het vuurwapen aangebracht, terwijl de markering van onbruikbaarmaking (1) en het land van onbruikbaarmaking (2) op alle andere essentiële onderdelen worden aangebracht.


BIJLAGE III

Modelcertificaat voor onbruikbaar gemaakte vuurwapens

(dit certificaat moet worden opgesteld op onvervalsbaar papier)

EU-logo

 

Naam van de entiteit die de conformiteit van de onbruikbaarmaking heeft gecontroleerd en gecertificeerd

Logo

CERTIFICAAT VAN ONBRUIKBAARMAKING

Certificaatnummer:

De maatregelen voor de onbruikbaarmaking voldoen aan de eisen van de technische specificaties voor de onbruikbaarmaking van vuurwapens van bijlage I bij Uitvoeringsverordening (EU) 2018/337 van de Commissie van 5 maart 2018.

Naam van de entiteit die het vuurwapen onbruikbaar heeft gemaakt:

Land:

Datum/jaar van certificering van de onbruikbaarmaking:

Fabrikant/merk van het onbruikbaar gemaakte vuurwapen:

Type:

Merk/model:

Kaliber:

Serienummer(s):

Opmerkingen:

 

 

 

Officiële EU-markering van onbruikbaarmaking

Naam, titel en handtekening van de bevoegde persoon

 

 

OPMERKING: Dit certificaat is een belangrijk document. Het moet te allen tijde door de eigenaar van het onbruikbaar gemaakte vuurwapen worden bewaard. Op de essentiële onderdelen van het onbruikbaar gemaakte vuurwapen waarop dit certificaat betrekking heeft, is een officiële inspectiemarkering aangebracht; deze markeringen mogen niet worden verwijderd of gewijzigd.

WAARSCHUWING: De vervalsing van een certificaat van onbruikbaarmaking kan op grond van de nationale wetgeving een strafbaar feit zijn.


Top