Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018L0410

Richtlijn (EU) 2018/410 van het Europees Parlement en de Raad van 14 maart 2018 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen en van Besluit (EU) 2015/1814 (Voor de EER relevante tekst. )

OJ L 76, 19.3.2018, p. 3–27 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2018/410/oj

19.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 76/3


RICHTLIJN (EU) 2018/410 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 14 maart 2018

tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG ter bevordering van kosteneffectieve emissiereducties en koolstofarme investeringen en van Besluit (EU) 2015/1814

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) is een systeem voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Unie vastgesteld teneinde de emissies van broeikasgassen op een kosteneffectieve en economisch efficiënte wijze te verminderen.

(2)

De Europese Raad van oktober 2014 heeft toegezegd de totale broeikasgasemissies van de Unie in 2030 met ten minste 40 % te zullen hebben verminderd ten opzichte van 1990. Alle economische bedrijfstakken dienen bij te dragen aan het behalen van die emissiereducties en de doelstelling zal op de meest kosteneffectieve wijze worden bereikt via het systeem van de Europese Unie voor de handel in emissierechten (EU Emission Trading System, „EU-ETS”), met in 2030 een vermindering met 43 % ten opzichte van 2005. Dat is bevestigd in de voorgenomen nationaal bepaalde reductietoezegging van de Unie en haar lidstaten die op 6 maart 2015 bij het secretariaat van het Raamverdrag van de Verenigde Naties inzake klimaatverandering (United Nations Framework Convention on Climate Change, „UNFCCC”) is ingediend.

(3)

De Overeenkomst van Parijs, die is aangenomen op 12 december 2015 in het kader van het UNFCCC („de Overeenkomst van Parijs”), is in werking getreden op 4 november 2016. De partijen kwamen overeen de stijging van de wereldwijde gemiddelde temperatuur ruim onder 2 °C boven het pre-industriële niveau te houden, en ernaar te blijven streven de temperatuurstijging tot 1,5 °C boven het pre-industriële niveau te beperken. De partijen besloten ook regelmatig de stand van zaken bij de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs op te maken teneinde de gezamenlijke vooruitgang naar verwezenlijking van het doel van de Overeenkomst van Parijs en de langetermijndoelen ervan te beoordelen.

(4)

In overeenstemming met de toezegging van de medewetgevers die in Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad (5) en Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) is geformuleerd, moeten alle bedrijfstakken van de economie bijdragen aan de vermindering van broeikasgasemissies. In het kader van de Overeenkomst van Parijs hebben de Unie en haar lidstaten een reductiestreefcijfer voor de economie in haar geheel afgesproken. Via de Internationale Maritieme Organisatie (IMO) worden er inspanningen geleverd om internationale maritieme emissies te beperken; deze inspanningen moeten worden aangemoedigd. De IMO heeft een proces ingeleid met het oog op de aanneming in 2018 van een initiële emissiereductiestrategie ter vermindering van broeikasgasemissies afkomstig van de internationale scheepvaart. De vaststelling van een ambitieus emissiereductiestreefcijfer als onderdeel van deze initiële strategie is urgent geworden en is belangrijk om ervoor te zorgen dat de internationale scheepvaart een billijke bijdrage levert aan de inspanningen die nodig zijn om de in het kader van de Overeenkomst van Parijs overeengekomen ruim onder de 2 °C-doelstelling te verwezenlijken. De Commissie dient dit regelmatig te herzien, en zij dient ten minste eenmaal per jaar verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en de Raad over de vorderingen die de IMO heeft gemaakt in de richting van een ambitieus emissiereductiestreefcijfer en over bijbehorende maatregelen met het oog op een billijke bijdrage van de sector aan de inspanningen die nodig zijn om de in het kader van de Overeenkomst van Parijs overeengekomen doelstellingen te verwezenlijken. De IMO of de Unie dient vanaf 2023 actie te ondernemen, hetgeen onder meer voorbereidende werkzaamheden inzake vaststelling en uitvoering en passend beraad ter zake door alle stakeholders behelst.

(5)

De Europese Raad van oktober 2014 heeft in zijn conclusies bevestigd dat een goed functionerend, hervormd EU-ETS met een instrument ter stabilisering van de markt het belangrijkste Europese instrument zal zijn om de doelstelling van een reductie met ten minste 40 % te bereiken, met een jaarlijkse reductiefactor van 2,2 % vanaf 2021. De Europese Raad heeft tevens bevestigd dat de kosteloze toewijzing niet zal aflopen en dat de bestaande maatregelen na 2020 zullen blijven bestaan om het koolstofweglekrisico ten gevolge van het klimaatbeleid tegen te gaan, zolang er in andere grote economieën geen vergelijkbare inspanningen worden geleverd, zonder dat het aandeel van de te veilen rechten wordt gereduceerd. Om de planningszekerheid, wat investeringsbeslissingen betreft, te verhogen, de transparantie te vergroten en het systeem in zijn geheel eenvoudiger en gemakkelijker te begrijpen te maken, moet in Richtlijn 2003/87/EG het aandeel dat wordt geveild, als een percentage worden uitgedrukt.

(6)

Het is een essentiële prioriteit van de Unie om een veerkrachtige energie-unie tot stand te brengen om haar burgers en bedrijfstakken betrouwbare, duurzame, concurrerende en betaalbare energie te verstrekken. Om dat te bereiken, moet het ambitieuze klimaatoptreden, met het EU-ETS als de hoeksteen van het klimaatbeleid van de Unie, worden voortgezet, en is verdere vooruitgang ten aanzien van de andere onderdelen van de energie-unie nodig. De uitvoering van de in het klimaat- en energiebeleidskader 2030 van de Unie besloten ambitie draagt bij tot de totstandkoming van een zinvolle koolstofprijs en tot het verder stimuleren van kosteneffectieve broeikasgasemissiereducties.

(7)

Het beleid van de Unie is krachtens artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) gebaseerd op het beginsel dat de vervuiler betaalt en op basis daarvan voorziet Richtlijn 2003/87/EG op termijn in een overgang naar volledige veiling. Zolang andere grote economieën geen vergelijkbare maatregelen inzake klimaatbeleid nemen, is het tijdelijk uitstellen van een volledige veiling gerechtvaardigd ter voorkoming van een koolstofweglekeffect en is gerichte kosteloze toewijzing van emissierechten aan de industrie gerechtvaardigd ter vermindering van het reële risico op een stijging van de broeikasgasemissies in derde landen waar voor de industrie geen vergelijkbare koolstofbeperkingen gelden.

(8)

Veiling van rechten blijft de algemene regel en kosteloze toewijzing de uitzondering. In de effectbeoordeling van de Commissie staat dat het aandeel van de te veilen emissierechten in de periode van 2013 tot 2020 57 % bedraagt. In beginsel moet dat aandeel 57 % blijven. Het bestaat uit namens de lidstaten geveilde rechten, inclusief voor nieuwkomers gereserveerde rechten die niet zijn toegewezen, rechten voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking in bepaalde lidstaten en rechten die op een later tijdstip worden geveild aangezien zij in de bij Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad (7) ingestelde marktstabiliteitsreserve zijn ondergebracht. In dit aandeel moeten 75 miljoen rechten die worden gebruikt om innovatie te stimuleren, begrepen zijn. Ingeval de vraag naar kosteloze rechten ertoe leidt dat er vóór 2030 een uniforme transsectorale correctiefactor moet worden gehanteerd, moet het aandeel van de te veilen rechten gedurende de periode van 10 jaar te rekenen vanaf 1 januari 2021, worden verminderd met maximaal 3 % van de totale hoeveelheid aan rechten. Ter wille van solidariteit, groei en interconnecties, moet 10 % van de door de lidstaten te veilen rechten worden verdeeld onder de lidstaten waarvan het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen niet hoger was dan 90 % van het Uniegemiddelde in 2013, en de resterende rechten moeten op basis van geverifieerde emissies onder alle lidstaten worden verdeeld. De afwijking voor bepaalde lidstaten met een gemiddeld inkomensniveau per hoofd van de bevolking dat meer dan 20 % hoger ligt dan het Uniegemiddelde met betrekking tot die verdeling in de periode van 2013 tot 2020, moet vervallen.

(9)

Onder erkenning van de interactie tussen het klimaatbeleid op het niveau van de Unie en dat op nationaal niveau, moet het voor de lidstaten mogelijk zijn rechten uit hun veilinghoeveelheden te schrappen ingeval op hun grondgebied capaciteit voor de opwekking van elektriciteit wordt gesloten. Opdat de hoeveelheid beschikbare te veilen rechten voorspelbaar is voor exploitanten en marktdeelnemers, moet de mogelijkheid om in dergelijke gevallen rechten te schrappen worden beperkt tot een hoeveelheid die gelijk is aan de gemiddelde geverifieerde emissies van de betrokken installatie gedurende een periode van vijf jaar voorafgaand aan de sluiting.

(10)

Om het milieuvoordeel van de emissiereducties in de Unie te handhaven terwijl maatregelen van derde landen de industrie geen vergelijkbare stimulansen voor emissiereductie bieden, moeten bij wijze van overgang nog steeds kosteloze rechten worden toegewezen aan installaties in bedrijfstakken en deeltakken die een reëel koolstofweglekrisico lopen. De ervaring die tijdens het functioneren van het EU-ETS is opgedaan, heeft bevestigd dat bedrijfstakken en deeltakken in verschillende mate zijn blootgesteld aan een koolstofweglekrisico en dat kosteloze toewijzing een koolstofweglekeffect heeft voorkomen. Terwijl sommige bedrijfstakken en deeltakken kunnen worden geacht een hoger koolstofweglekrisico te lopen, kunnen andere om hun emissies te betalen een aanzienlijk deel van de kosten van de rechten in de productprijzen doorberekenen, zonder marktaandeel te verliezen, en dragen zij alleen het resterende deel van de kosten, zodat zij een laag koolstofweglekrisico lopen. De Commissie moet de relevante bedrijfstakken op basis van hun handelsintensiteit en hun emissie-intensiteit vaststellen en differentiëren om beter te kunnen bepalen welke bedrijfstakken een reëel koolstofweglekrisico lopen.

Terwijl de beoordeling van bedrijfstakken en deeltakken moet plaatsvinden op viercijferniveau (NACE 4-code), moeten er ook specifieke omstandigheden worden voorzien waarin het passend kan zijn om de mogelijkheid te hebben om een beoordeling op zes- of achtcijferniveau te vragen (Prodcom). Die mogelijkheid moet er zijn wanneer bedrijfstakken en deeltakken eerder zijn beschouwd als blootgesteld aan een koolstofweglekeffect op zes- of achtcijferniveau (Prodcom), gelet op het feit dat bepaalde NACE-codes, met name die welke eindigen op 99, heterogene activiteiten omvatten die „niet elders worden ingedeeld”. Wanneer een bedrijfstak of deeltak is onderworpen aan de benchmark voor raffinaderijen en een andere productbenchmark, moet deze omstandigheid in aanmerking worden genomen, zodat in voorkomend geval een kwalitatieve analyse van het koolstofweglekrisico kan worden verricht om te zorgen voor gelijke concurrentievoorwaarden voor producten die zowel in raffinaderijen als in chemische fabrieken worden geproduceerd. Indien op basis van de criteria van handelsintensiteit en emissie-intensiteit een drempel wordt overschreden die is vastgesteld door rekening te houden met de respectieve mogelijkheid van betrokken bedrijfstakken en deeltakken om kosten in de productprijzen door te berekenen, moet die bedrijfstak of deeltak worden geacht een koolstofweglekrisico te lopen. Andere bedrijfstakken en deeltakken moeten worden geacht een laag risico of geen koolstofweglekrisico te lopen. Door rekening te houden met de mogelijkheden van bedrijfstakken en deeltakken buiten de elektriciteitsopwekking om kosten via de productprijzen door te berekenen, moeten tevens onverhoopte winsten worden beperkt. Tenzij anderszins wordt besloten in het kader van een evaluatie overeenkomstig artikel 30 van Richtlijn 2003/87/EG, moeten kosteloze toewijzingen aan bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht geen of een laag koolstofweglekrisico te lopen, met uitzondering van stadsverwarming, na 2026 met gelijke hoeveelheden verminderen om in 2030 een hoeveelheid kosteloze toewijzing van nul te bereiken.

(11)

De vanaf 2013 toepasselijke benchmarkwaarden voor kosteloze toewijzing moeten worden herzien om onverhoopte overwinsten te vermijden en om rekening te houden met de technologische vooruitgang in de betrokken bedrijfstakken tussen de periode 2007-2008 en elke volgende periode waarvoor overeenkomstig artikel 11, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG kosteloze toewijzingen worden vastgesteld. Om rekening te houden met de technologische vooruitgang in de betrokken bedrijfstakken en de benchmarkwaarden voor kosteloze toewijzingen aan installaties, vastgesteld aan de hand van gegevens van de jaren 2007 en 2008, aan de betrokken periode van toewijzing aan te passen, moeten die waarden in overeenstemming met de waargenomen vooruitgang worden geactualiseerd. Omwille van de voorspelbaarheid moet dat geschieden door toepassing van een factor die de beste beoordeling van de vooruitgang in de verschillende bedrijfstakken weerspiegelt en rekening houdt met solide, objectieve en geverifieerde gegevens van de installaties, waarbij de gemiddelde prestaties van de 10 % meest efficiënte installaties in aanmerking worden genomen, zodat benchmarkwaarden stroken met de werkelijke verbeteringspercentages. Indien de gegevens wijzen op een jaarlijkse reductie van minder dan 0,2 % of meer dan 1,6 % van de waarde van 2007-2008 gedurende de betrokken periode, moet de betreffende benchmarkwaarde worden aangepast met andere percentages dan de werkelijke verbeteringspercentages teneinde de stimulansen voor emissiereductie te behouden en innovatie afdoende te belonen. Voor de periode 2021-2025 moeten de benchmarkwaarden voor elk jaar tussen 2008 en het midden van de periode van 2021 tot 2025 worden aangepast met 0,2 % of 1,6 %, wat moet leiden tot een verbetering van respectievelijk 3 % en 24 % ten opzichte van de waarde voor de periode van 2013 tot 2020. Voor de periode van 2026 tot 2030 moeten die benchmarkwaarden op dezelfde wijze worden aangepast, wat moet leiden tot een verbetering van respectievelijk 4 % en 32 % ten opzichte van de waarde voor de periode van 2013 tot 2020. Om gelijke concurrentievoorwaarden voor de productie van aromaten, waterstof en syngas in raffinaderijen en chemische fabrieken te waarborgen, moeten de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas afgestemd blijven op de benchmarks voor raffinaderijen.

(12)

Het niveau van de kosteloze toewijzing aan installaties moet beter worden afgestemd op hun werkelijke productieniveaus. Daartoe moeten de toewijzingen periodiek en op symmetrische wijze worden aangepast in het licht van relevante productiestijgingen en -dalingen. In dit verband gebruikte gegevens moeten volledig, consistent en onafhankelijk geverifieerd zijn, en zij moeten hetzelfde hoge niveau van nauwkeurigheid en kwaliteit hebben als de voor het bepalen van de kosteloze toewijzing gebruikte gegevens. Om manipulatie of misbruik van het systeem voor aanpassingen van toewijzingen te voorkomen en om nodeloze administratieve lasten tegen te gaan, gelet op de uiterste datum voor de kennisgeving van wijzigingen in de productie en op het feit dat moet worden gewaarborgd dat de wijzigingen in de toewijzingen worden uitgevoerd op doeltreffende, niet-discriminerende en uniforme wijze, moet de betrokken drempel worden vastgesteld op 15 % en worden beoordeeld op basis van een voortschrijdend gemiddelde van twee jaar. De Commissie moet het instellen van bijkomende maatregelen kunnen overwegen, zoals het gebruik van absolute drempels voor wijzigingen van de toewijzingen, of met betrekking tot de uiterste datum voor de kennisgeving van wijzigingen in de productie.

(13)

Het is wenselijk dat de lidstaten, in overeenstemming met de regels inzake staatssteun, voorzien in een gedeeltelijke compensatie voor bepaalde installaties in bedrijfstakken of deeltakken waarvan is vastgesteld dat zij zijn blootgesteld aan een aanzienlijk koolstofweglekrisico door kosten in verband met in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissies, onder meer voor de door de installaties zelf verbruikte elektriciteit die wordt opgewekt door de verbranding van afgassen. Door ernaar te streven niet meer dan 25 % van de opbrengsten uit het veilen van rechten te gebruiken voor het compenseren van indirecte kosten, zullen de lidstaten waarschijnlijk zowel het behalen van de doelstellingen van het EU-ETS bevorderen als de integriteit van de interne markt en de concurrentievoorwaarden in stand houden. Om meer transparantie tot stand te brengen in verband met de mate waarin deze compensatie wordt verstrekt, dienen de lidstaten regelmatig verslag aan het publiek uit te brengen over de maatregelen die zij hebben getroffen en over de begunstigden van de compensatie, met dien verstande dat terdege rekening wordt gehouden met de vertrouwelijkheid van bepaalde gegevens en de daarmee samenhangende kwesties inzake gegevensbescherming. Wanneer een lidstaat een aanzienlijk deel van zijn veilingopbrengsten gebruikt ter compensatie van indirecte kosten, neemt het belang van openbaarmaking van de redenen voor deze keuze toe. Wanneer de Commissie de richtsnoeren inzake staatssteun met betrekking tot compensatie voor indirecte emissiekosten evalueert, dient zij onder meer het nut van bovengrenzen van door de lidstaten verstrekte compensaties in overweging te nemen. Bij de evaluatie van Richtlijn 2003/87/EG moet worden nagegaan in hoeverre die financiële maatregelen effectief zijn gebleken in het voorkomen van significante risico's op koolstoflekken als gevolg van indirecte kosten, en moet worden nagegaan of een verdere harmonisering van de maatregelen, met inbegrip van een geharmoniseerd mechanisme, mogelijk is. De publieke sector zal een belangrijke rol blijven spelen bij het mobiliseren van middelen voor klimaatfinanciering na 2020.

Daarom moeten veilingopbrengsten ook worden gebruikt voor het financieren van klimaatacties in kwetsbare derde landen, met name in minst ontwikkelde landen, onder meer voor de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering, onder meer via het Groen Klimaatfonds van het UNFCCC. Welk bedrag voor klimaatfinanciering moet worden gemobiliseerd, zal tevens afhangen van het ambitieniveau en de kwaliteit van de nationaal bepaalde bijdragen, latere investeringsplannen en nationale processen voor adaptatieplanning. Wat betreft de mogelijke sociale gevolgen van de vereiste beleidsmaatregelen en investeringen, moeten de lidstaten de veilingopbrengsten ook gebruiken om bij te dragen tot een rechtvaardige overgang naar een koolstofarme economie door het verwerven van vaardigheden en het herverdelen van arbeid te bevorderen in sociale dialoog met de gemeenschappen en regio's die worden getroffen door een transitie op de arbeidsmarkt.

(14)

De voornaamste stimulans op lange termijn die voortvloeit uit Richtlijn 2003/87/EG voor de CO2-afvang en -opslag („CCS”), voor nieuwe hernieuwbare energietechnologieën en voor baanbrekende innovatie in koolstofarme technologieën en processen, met inbegrip van het milieutechnisch veilig afvangen en toepassen van kooldioxide („CCU”), is het koolstofprijssignaal dat zij tot stand brengt en het feit dat voor CO2-emissies die worden vermeden of permanent opgeslagen, geen rechten hoeven te worden ingeleverd. Ter aanvulling van de middelen die al worden ingezet om de demonstratie van commerciële CCS-faciliteiten en innovatieve hernieuwbare energietechnologieën te versnellen, moeten de rechten ook worden gebruikt als gegarandeerde beloning voor het inzetten van CCS-faciliteiten of –CCU-faciliteiten, nieuwe hernieuwbare energietechnologieën en industriële innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën en processen in de Unie, indien CO2 in voldoende mate wordt opgeslagen of vermeden en op voorwaarde dat er een overeenkomst over kennisdeling is.

Naast de 400 miljoen emissierechten die oorspronkelijk voor de periode vanaf 2021 beschikbaar waren gesteld, moeten inkomsten uit de verkoop van 300 miljoen emissierechten voor de periode van 2013 tot en met 2020 die nog niet zijn vastgelegd voor innovatieactiviteiten, worden aangevuld met 50 miljoen niet-toegewezen rechten uit de marktstabiliteitsreserve, en tijdig worden gebruikt ter ondersteuning van innovatie. Afhankelijk van de mate waarin het aandeel van de te veilen rechten wordt verminderd om te voorkomen dat er een uniforme transsectorale correctiefactor moet worden gehanteerd, moet de hoeveelheid uit dit fonds beschikbare emissierechten worden verhoogd tot maximaal 50 miljoen. Het grootste deel van die steun moet afhangen van de geverifieerde vermijding van broeikasgasemissies, terwijl bepaalde steun moet kunnen worden verleend indien vooraf vastgestelde mijlpalen worden bereikt, rekening houdend met de ingezette technologie en de specifieke omstandigheden van de sector waarin ze wordt ingezet. Mijlpalen moeten worden bepaald, zodat voldoende financiële middelen beschikbaar komen voor het project. Het maximumpercentage van de projectkosten dat kan worden ondersteund, kan verschillen naargelang de categorie van het project. De nodige aandacht moet worden besteed aan projecten met een aanzienlijk innoverend effect voor de gehele Unie.

(15)

Het bbp per capita tegen marktprijzen van Griekenland bedroeg in 2014 minder dan 60 % van het Uniegemiddelde; het land komt niet in aanmerking voor het moderniseringsfonds, en dient derhalve aanspraak te kunnen maken op emissierechten waarmee het koolstofvrij maken van de elektriciteitsvoorziening van de eilanden op zijn grondgebied ten dele kan worden gefinancierd. Die rechten moeten afkomstig zijn van de in artikel 10 bis, lid 5, van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde maximale hoeveelheid rechten, die uiterlijk op 31 december 2020 niet kosteloos zijn toegewezen, en moeten worden geveild overeenkomstig de toepasselijke bepalingen van het moderniseringsfonds.

(16)

Een moderniseringsfonds moet worden ingesteld met 2 % van de totale hoeveelheid rechten, die geveild worden overeenkomstig de regels en modaliteiten voor veilingen die op het bij Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie vastgestelde gemeenschappelijke veilingplatform plaatsvinden (8). Afhankelijk van de mate waarin het aandeel van de te veilen rechten wordt verminderd om te voorkomen dat er een uniforme transsectorale correctiefactor moet worden gehanteerd, moet de hoeveelheid emissierechten die beschikbaar is in het kader van het moderniseringsfondsworden verhoogd met maximaal 0,5 % van de totale hoeveelheid emissierechten. Lidstaten met een bbp per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen van minder dan 60 % van het EU-gemiddelde in 2013, moeten in aanmerking komen voor financiering uit het moderniseringsfonds en moeten tot en met 2030 kunnen afwijken van het beginsel van volledige veiling voor elektriciteitsopwekking door gebruik te maken van de mogelijkheid van kosteloze toewijzing om reële investeringen die hun energiesector moderniseren op een transparante manier te bevorderen en tegelijkertijd verstoringen van de interne energiemarkt te vermijden. Investeringen in het kader van het moderniseringsfonds die gericht zijn op verbetering van energie-efficiëntie, zouden investeringen in elektrificatie van het vervoer, met name het wegvervoer, kunnen omvatten. De regels voor het beheer van het moderniseringsfonds moeten voorzien in een samenhangend, uitgebreid en transparant kader om de efficiëntst mogelijke uitvoering te garanderen en moeten rekening houden met de behoefte aan een eenvoudige toegang voor alle deelnemers en de mogelijkheden voor het aantrekken van investeringen in de lidstaten. De beheersstructuur moet sporen met de doelstelling een goed gebruik van de financiële middelen te waarborgen.

De beheersstructuur moet een investeringscomité omvatten en in het besluitvormingsproces moet terdege rekening worden gehouden met de deskundigheid van de Europese Investeringsbank (EIB), tenzij de steun kleinschalige projecten betreft met leningen van een nationale stimuleringsbank of met subsidies via een nationaal programma dat de doelstellingen van het moderniseringsfonds deelt. Met het oog op de vaststelling en bekendmaking van een potentieel belangenconflict, moet de samenstelling van het investeringscomité, de curricula vitae van zijn leden, en hun belangenverklaring worden gepubliceerd en regelmatig geactualiseerd. Om ervoor te zorgen dat de investeringsbehoeften in lage-inkomenslidstaten adequaat worden aangepakt, moeten de middelen voor het moderniseringsfonds onder de lidstaten worden verdeeld op basis van een combinatie die voor 50 % op geverifieerde emissies en voor 50 % op bbp-criteria is gebaseerd. De financiële steun uit het moderniseringsfonds kan in verschillende vormen worden verleend. Om middelen aan te trekken en ervoor te zorgen dat de betreffende investeringen meer effect sorteren, moeten kosteloze emissierechten voor de modernisering van de elektriciteitsopwekking in bepaalde lidstaten en de middelen uit het moderniseringsfonds voor investeringen die niet op de lijst van prioritaire gebieden staan, worden aangevuld met middelen van particuliere juridische entiteiten, eventueel met inbegrip van middelen afkomstig van particuliere juridische entiteiten die volledig dan wel gedeeltelijk in overheidshanden zijn.

(17)

Om de financieringsmechanismen te stroomlijnen en de administratieve lasten voor de uitvoering daarvan zoveel mogelijk te beperken, moeten de betrokken lidstaten gebruik kunnen maken van hun aandeel van de 10 % herverdeelde emissierechten en van de voorlopige kosteloze toewijzing voor de modernisering van de energiesector in het kader van het moderniseringsfonds. Met het oog op voorspelbaarheid en transparantie met betrekking tot de hoeveelheden emissierechten die ofwel beschikbaar zijn voor veiling, ofwel voor de voorlopige kosteloze toewijzing, en met betrekking tot de activa die beheerd worden door het moderniseringsfonds, moeten de lidstaten de Commissie op de hoogte brengen van hun voornemen om hun middelen uit het moderniseringsfonds vóór 2021 te verhogen.

(18)

De Europese Raad heeft in oktober 2014 bevestigd dat de optie van kosteloze toewijzing aan de energiesector moet gelden tot en met 2030 en dat de modaliteiten, inclusief de transparantie, van de optionele kosteloze toewijzing voor de modernisering van de energiesector in bepaalde lidstaten, moeten worden verbeterd. Investeringen met een waarde van 12,5 miljoen EUR of meer moeten door de betrokken lidstaat via een competitief biedingsproces worden geselecteerd op basis van duidelijke en transparante regels, zodat de kosteloze toewijzing wordt gebruikt ter bevordering van reële investeringen om de energiesector in overeenstemming met de doelstellingen van de energie-unie te moderniseren of te diversifiëren. Investeringen met een waarde van minder dan 12,5 miljoen EUR moeten ook in aanmerking komen voor financiering uit de kosteloze toewijzing. De betrokken lidstaat moet dergelijke investeringen op basis van duidelijke en transparante criteria selecteren. Er moet een openbare raadpleging over de resultaten van dat selectieproces plaatsvinden. In het stadium van de selectie van investeringsprojecten en in dat van de uitvoering moeten de burgers terdege worden geïnformeerd. De investeringen moeten worden aangevuld met middelen van particuliere juridische entiteiten, eventueel met inbegrip van middelen afkomstig van particuliere juridische entiteiten die volledig dan wel gedeeltelijk in overheidshanden zijn.

(19)

De financiering van het EU-ETS moet overeenstemmen met de doelstellingen van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 en de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs, en van andere financieringsprogramma's van de Unie, om ervoor te zorgen dat de overheidsuitgaven doelmatig zijn.

(20)

Krachtens de bestaande bepalingen die kleine installaties van het EU-ETS uitsluiten, kunnen de installaties die zijn uitgesloten dat blijven; het moet mogelijk worden dat lidstaten hun lijst van uitgesloten installaties actualiseren en lidstaten die deze mogelijkheid momenteel niet gebruiken, moeten dat aan het begin van elke toewijzingsperiode kunnen doen. Om onnodige administratieve lasten te vermijden, moeten de lidstaten tevens installaties die in elk van de drie jaren die voorafgaan aan het begin van elke toewijzingsperiode minder dan 2 500 ton koolstofdioxide-equivalent uitstoten, alsmede reserve- of backupeenheden die in elk jaar van die periode van drie jaar minder dan 300 uur operationeel zijn, kunnen uitsluiten van het EU-ETS. Ook moet de mogelijkheid blijven bestaan om bijkomende activiteiten en gassen in het systeem op te nemen, zonder dat die installaties worden gezien als nieuwkomers. Deze mogelijkheid voor de opneming van bijkomende activiteiten en gassen na 2020 dient de hoeveelheid rechten voor de hele Unie uit hoofde van het EU-ETS en daarvan afgeleide hoeveelheden, onverlet te laten.

(21)

Krachtens Richtlijn 2003/87/EG moeten de lidstaten een verslag over de uitvoering van die Richtlijn indienen op basis van een vragenlijst of een schema, opgesteld door de Commissie, volgens de procedure van Richtlijn 91/692/EEG van de Raad (9). De Commissie heeft voorgesteld om de rapportageverplichtingen op grond van Richtlijn 91/692/EEG op te heffen. Het is derhalve dienstig om de verwijzing naar Richtlijn 91/692/EEG te vervangen door een verwijzing naar de in Richtlijn 2003/87/EG genoemde procedure.

(22)

Besluit (EU) 2015/1814 stelt een marktstabiliteitsreserve voor het EU-ETS in om het veilingaanbod flexibeler en het systeem veerkrachtiger te maken. Bij dit besluit wordt ook bepaald dat rechten die uiterlijk in 2020 niet aan nieuwkomers zijn toegewezen en rechten die wegens beëindiging en gedeeltelijke beëindiging niet zijn toegewezen, in de marktstabiliteitsreserve worden ondergebracht.

(23)

Een goed functionerend en hervormd EU-ETS met een instrument om de markt te stabiliseren, is voor de Unie van cruciaal belang om de doelstellingen voor 2030 te bereiken en de toezeggingen uit hoofde van de Overeenkomst van Parijs te eerbiedigen. Om de huidige onevenwichtigheid tussen vraag en aanbod van de op de markt verkrijgbare rechten aan te pakken, zal in 2018 in het kader van Besluit (EU) 2015/1814 een marktstabiliteitsreserve worden ingesteld die vanaf 2019 operationeel wordt. Gelet op de noodzaak een geloofwaardig investeringssignaal af te geven om CO2-emissies op een kosteneffectieve manier terug te dringen, en met het oog op de versterking van het EU-ETS, moet Besluit (EU) 2015/1814 zodanig worden gewijzigd dat tot en met 31 december 2023 het percentage voor de vaststelling van het aantal emissierechten dat elk jaar in de reserve moet worden opgenomen, wordt verhoogd. Voorts, bij wijze van langetermijnmaatregel ter verbetering van het functioneren van het EU-ETS, mogen vanaf 2023 in de reserve gehouden rechten die het totaal aantal tijdens het voorgaande jaar geveilde rechten overschrijden niet langer geldig zijn, tenzij anders wordt bepaald in de eerste evaluatie overeenkomstig artikel 3 van Besluit (EU) 2015/1814. Bij de regelmatige evaluaties van het functioneren van de reserve moet ook worden bezien of deze verhoogde percentages gehandhaafd moeten worden.

(24)

Richtlijn 2003/87/EG moet worden geëvalueerd in het licht van de internationale ontwikkelingen en inspanningen om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken. Ook de in de artikelen 10 bis en 10 ter van Richtlijn 2003/87/EG bedoelde maatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën die risico zouden kunnen lopen op koolstoflekkage moeten worden geëvalueerd in het licht van de klimaatbeleidsmaatregelen van andere grote economieën. In dit verband kan bij de evaluatie van Richtlijn 2003/87/EG worden bekeken of het passend is de bestaande maatregelen ter voorkoming van koolstoflekkage te vervangen, aan te passen en/of aan te vullen met koolstofcorrecties aan de grenzen of alternatieve maatregelen, mits deze maatregelen volledig verenigbaar zijn met de regels van de Wereldhandelsorganisatie, teneinde in het EU-ETS-systeem ook importeurs op te nemen van producten die worden vervaardigd door de overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG vastgestelde bedrijfstakken of deeltakken. De Commissie dient verslag uit te brengen aan het Europees Parlement en aan de Raad bij elke mondiale inventarisatie die is overeengekomen in het kader van de Overeenkomst van Parijs, in het bijzonder betreffende de noodzaak van striktere beleidsinitiatieven en maatregelen van de Unie, met inbegrip van het EU-ETS, om de uitstoot van broeikasgassen in de Unie en haar lidstaten te beperken. De Commissie moet in voorkomend geval het Europees Parlement en de Raad voorstellen kunnen doen om Richtlijn 2003/87/EG te wijzigen. De Commissie dient in het kader van de regelmatige rapportage krachtens Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10) ook de resultaten van de faciliterende dialoog van 2018 in het kader van de UNFCCC (Talanoadialoog) te beoordelen.

(25)

Teneinde niet-wetgevingshandelingen van algemene strekking ter aanvulling of wijziging van niet-essentiële onderdelen van een wetgevingshandeling vast te stellen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van artikel 3 quinquies, lid 3, artikel 10, lid 4, artikel 10 bis, leden 1 en 8, artikel 10 ter, lid 5, artikel 19, lid 3, artikel 22, artikel 24, lid 3, artikel 24 bis, lid 1, artikel 25 bis, lid 1, en artikel 28 ter van Richtlijn 2003/87/EG. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot de nodige raadplegingen overgaat, onder meer op deskundigenniveau, en dat die raadplegingen plaatsvinden conform de in het Interinstitutioneel Akkoord over beter wetgeven van 13 april 2016 (11) vastgelegde beginselen. Met name om te zorgen voor gelijke deelname aan de voorbereiding van gedelegeerde handelingen ontvangen het Europees Parlement en de Raad alle documenten op hetzelfde tijdstip als de deskundigen van de lidstaten, en hebben hun deskundigen systematisch toegang tot de vergaderingen van de deskundigengroepen van de Commissie die zich bezighouden met de voorbereiding van de gedelegeerde handelingen. Inzake de bevoegdheidsdelegatie betreffende artikel 10, lid 4, van Richtlijn 2003/87/EG moeten de lidstaten die geen gebruik maken van het gemeenschappelijke veilingplatform, daarvan kunnen blijven afzien. Daarnaast moet die bevoegdheidsdelegatie het recht van de lidstaten om over het gebruik van hun veilingopbrengsten te beslissen, onverlet laten.

(26)

Om uniforme voorwaarden voor de uitvoering van artikel 10 bis, lid 2, derde tot en met zesde alinea, artikel 10 bis, lid 21, artikel 10 quinquies, artikel 14, leden 1 en 2, de artikelen 15 en 16 en artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2003/87/EG en de bijlagen IV en V bij die richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Deze uitvoeringsbevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr.182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (12).

(27)

Om de bevoegdheidsdelegatie aan de Commissie tot een minimum te beperken, moeten de bestaande bevoegdheden wat betreft het vaststellen van handelingen betreffende het volgende worden ingetrokken: de werking van de bijzondere reserve in artikel 3 septies, lid 9, van Richtlijn 2003/87/EG, de nadere bepaling van hoeveelheden uitwisselbare internationale kredieten en de toewijzing van hoeveelheden uitwisselbare internationale kredieten in artikel 11 bis, lid 8, van die richtlijn, het vaststellen van nadere normen voor wat mag worden uitgewisseld in artikel 11 bis, lid 9, van die richtlijn, en het vaststellen van nadere regels inzake dubbeltellingen artikel 11 ter, lid 7, van die richtlijn. Op grond van die bepalingen vastgestelde handelingen blijven van kracht.

(28)

Op grond van Richtlijn 2003/78/EG vastgestelde handelingen die betrekking hebben op onderwerpen waarvoor de Commissie krachtens deze richtlijn gedelegeerde handelingen of uitvoeringshandelingen kan vaststellen, blijven van toepassing totdat ze worden ingetrokken of gewijzigd. In het geval van Besluit 2011/278/EU van de Commissie (13) zal de laatste kolom van bijlage I bij dat besluit worden ingetrokken indien en wanneer de Commissie een uitvoeringshandeling vaststelt om de herziene benchmarkwaarden voor kosteloze toewijzingen te bepalen. Om de voorspelbaarheid te vergroten en de administratieve procedures te vereenvoudigen, blijft Besluit 2014/746/EU van de Commissie (14) van toepassing tot eind 2020.

(29)

De in deze richtlijn bedoelde gedelegeerde en uitvoeringshandelingen, met name wat betreft de bepalingen inzake bewaking, rapportage en verificatie en inzake het EU-register, moeten gericht zijn op het vereenvoudigen van de regels en het zoveel mogelijk beperken van administratieve lasten, zonder de milieu-integriteit, de veiligheid of de betrouwbaarheid van de het EU-ETS in het gedrang te brengen. Bij het opstellen van die handelingen moet de Commissie in het bijzonder de effectiviteit van vereenvoudigde bewakingsregels beoordelen, onder meer voor nood- en backupgeneratoren, rekening houdend met het aantal bedrijfsuren per jaar, en voor andere kleine emittenten, en moet zij tevens de mogelijkheden om die regels verder te ontwikkelen beoordelen.

(30)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (15) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om indien verantwoord de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsinstrumenten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(31)

Met deze richtlijn wordt beoogd bij te dragen tot verwezenlijking van de doelstelling van een hoog niveau van milieubescherming in overeenstemming met het beginsel van duurzame ontwikkeling op de economisch meest efficiënte wijze, en tegelijkertijd installaties voldoende tijd te geven om zich aan te passen en te voorzien in een gunstiger behandeling van bijzonder getroffen personen, op een evenredige wijze en voor zover dat verenigbaar is met de andere doelstellingen van deze richtlijn.

(32)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn neergelegd in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.

(33)

Daar de doelstellingen van deze richtlijn niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt, maar vanwege de omvang en de gevolgen ervan beter op het niveau van de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan wat nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Richtlijn 2003/87/EG

Richtlijn 2003/87/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In de hele richtlijn wordt de term „Gemeenschapsregeling” vervangen door „EU-ETS” en worden in de tekst de nodige grammaticale aanpassingen aangebracht.

2)

In de hele richtlijn, behalve in de in punt 1) van dit artikel, in artikel 26 van de richtlijn en in bijlage V, deel A, punt 5) bij de richtlijn bedoelde gevallen, wordt het woord „regeling” vervangen door „systeem” en wordt de tekst overeenkomstig aangepast.

3)

In de hele richtlijn, met uitzondering van de onder de punt 1) van dit artikel en in artikel 26 van de richtlijn bedoelde gevallen, wordt het woord „Gemeenschap” vervangen door „Unie”, en worden in de tekst de nodige grammaticale aanpassingen aangebracht.

4)

In de hele richtlijn worden de termen „de in artikel 23, lid 2, bedoelde regelgevingsprocedure” vervangen door „de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure”.

5)

In artikel 3 quater, lid 2, eerste alinea, en artikel 10, lid 1 bis, wordt de verwijzing naar „artikel 13, lid 1” vervangen door een verwijzing naar „artikel 13”.

6)

In artikel 3 octies, artikel 5, eerste alinea, onder d), artikel 6, lid 2, onder c), artikel 10 bis, lid 2, tweede alinea, artikel 14, leden 2, 3 en 4, artikel 19, leden 1 en 4, artikel 24, lid 3, eerste alinea, en artikel 29 bis, lid 4, wordt de term „verordening” vervangen door „handelingen” en worden in de tekst de nodige grammaticale aanpassingen aangebracht.

7)

Artikel 3, punt h), wordt vervangen door:

„h)   „nieuwkomer”: een installatie die een of meer van de in bijlage I vermelde activiteiten uitvoert, en waaraan voor het eerst een vergunning voor broeikasgasemissies is verleend in de periode die begint 3 maanden vóór de indiening van de lijst op grond van artikel 11, lid 1, en die afloopt 3 maanden vóór de datum van indiening van de volgende lijst uit hoofde van dat artikel;”.

8)

In artikel 3 quinquies, wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn wat betreft de gedetailleerde regelingen voor de veiling door de lidstaten van luchtvaartemissierechten in overeenstemming met de leden 1 en 2 van dit artikel of met artikel 3 septies, lid 8. Het aantal door een lidstaat te veilen rechten in elke periode is evenredig met het aandeel van die lidstaat in de totale hoeveelheid aan de luchtvaart toegewezen emissies voor alle lidstaten, voor het referentiejaar als gerapporteerd ingevolge artikel 14, lid 3, en geverifieerd op grond van artikel 15. Voor de in artikel 3 quater, lid 1, bedoelde periode is het referentiejaar 2010; voor elke volgende in artikel 3 quater bedoelde periode is het referentiejaar het kalenderjaar dat 24 maanden voor het begin van de periode waarop de veiling betrekking heeft, afloopt. In de gedelegeerde handelingen wordt de eerbiediging van de beginselen in artikel 10, lid 4, eerste alinea, gewaarborgd.”.

9)

Artikel 3 septies, lid 9, wordt geschrapt.

10)

Artikel 6, lid 1, derde alinea, wordt geschrapt.

11)

Artikel 8 wordt vervangen door:

„Artikel 8

Coördinatie met Richtlijn 2010/75/EU

De lidstaten treffen de nodige maatregelen om ervoor te zorgen dat, wanneer installaties activiteiten verrichten die in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (*1) zijn vermeld, de voorwaarden en de procedure voor het verlenen van een vergunning voor broeikasgasemissies worden gecoördineerd met die voor het verlenen van de in die richtlijn bepaalde vergunning. De in de artikelen 5, 6 en 7 van deze richtlijn vastgestelde eisen kunnen worden opgenomen in de in Richtlijn 2010/75/EU vastgelegde procedures.

(*1)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).”."

12)

In artikel 9 worden de tweede en de derde alinea vervangen door:

„Met ingang van 2021 bedraagt de lineaire factor 2,2 %.”.

13)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Met ingang van 2019 veilen de lidstaten alle emissierechten die niet kosteloos zijn toegewezen overeenkomstig de artikelen 10 bis en 10 quater van deze richtlijn en niet zijn opgenomen in de marktstabiliteitsreserve die is ingesteld bij Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad (*2) („de marktstabiliteitsreserve”) of geannuleerd overeenkomstig artikel 12, lid 4, van deze richtlijn.

Vanaf 2021, en zonder vooruit te lopen op een eventuele verlaging op grond van artikel 10 bis, lid 5 bis, bedraagt het aandeel van de te veilen rechten 57 %.

Tussen 2021 en 2030 wordt 2 % van de totale hoeveelheid rechten geveild om een fonds voor de verbetering van de energie-efficiëntie en de modernisering van de energiesystemen van bepaalde lidstaten in te stellen, zoals vastgesteld in artikel 10 quinquies („het moderniseringsfonds”).

De totale resterende hoeveelheid door de lidstaten te veilen rechten wordt overeenkomstig lid 2 verdeeld.

(*2)  Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).”;"

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

onder a) wordt „88 %” vervangen door „90 %”;

ii)

punt b) wordt vervangen door:

„b)

10 % van de totale hoeveelheid te veilen emissierechten die met het oog op solidariteit, groei en interconnecties binnen de Unie over bepaalde lidstaten wordt verdeeld, zodat de hoeveelheid rechten die deze lidstaten krachtens punt a) veilen, met de in bijlage II bis vermelde percentages wordt verhoogd.”;

iii)

punt c) wordt geschrapt;

iv)

de derde alinea wordt vervangen door:

„Indien nodig worden de onder b) bedoelde percentages evenredig aangepast om te waarborgen dat 10 % wordt verdeeld.”;

c)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt b) wordt vervangen door:

„b)

de ontwikkeling van hernieuwbare energie om te voldoen aan de doelstelling van de Unie inzake hernieuwbare energie, alsook de ontwikkeling van andere technologieën die bijdragen tot de overgang naar een veilige en duurzame, koolstofarme economie, en om te helpen voldoen aan de doelstelling van de Unie om de energie-efficiëntie op te voeren tot de niveaus waartoe is besloten in de toepasselijke wetgevingshandelingen;”;

ii)

punt h) wordt vervangen door:

„h)

maatregelen die tot doel hebben energie-efficiëntie, systemen voor stadsverwarming en isolatie te verbeteren, of financiële steun te verlenen voor de aanpak van maatschappelijke aspecten van huishoudens met een laag en gemiddeld inkomen;”;

iii)

de volgende punten worden toegevoegd:

„j)

de financiering van klimaatacties in kwetsbare derde landen, waaronder de aanpassing aan de gevolgen van klimaatverandering;

k)

de bevordering van het verwerven van vaardigheden en het herverdelen van arbeid om bij te dragen aan een rechtvaardige overgang naar een koolstofarme economie, met name in regio's die het meest te maken krijgen met de overgang naar andere banen, en dat in nauwe samenspraak met de sociale partners.”;

d)

in lid 4 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:

„4.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn wat betreft de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van veilingen om ervoor te zorgen dat deze op een open, transparante, geharmoniseerde en niet-discriminerende wijze worden uitgevoerd. Te dien einde moet dit proces voorspelbaar zijn, met name met betrekking tot het tijdstip en de opeenvolging van veilingen en de geraamde hoeveelheden rechten die worden aangeboden.

Die gedelegeerde handelingen zorgen ervoor dat veilingen op zodanige wijze worden opgezet dat:

a)

de exploitanten, en met name eventuele kleine en middelgrote ondernemingen die onder het EU-ETS vallen, volledige, eerlijke en gelijke toegang krijgen;

b)

alle deelnemers op hetzelfde tijdstip toegang hebben tot dezelfde informatie en dat deelnemers het verloop van de veilingen niet verstoren;

c)

de organisatie van en deelname aan de veilingen kosteneffectief is en dat onnodige administratieve kosten worden vermeden; en

d)

de toegang tot emissierechten wordt toegekend voor kleine emittenten.”;

e)

in lid 5 wordt de tweede zin vervangen door:

„Elk jaar dient zij bij het Europees Parlement en bij de Raad een verslag in over het functioneren van de koolstofmarkt en over andere relevante onderdelen van het klimaat- en energiebeleid, met inbegrip van het verloop van de veilingen, liquiditeit en verhandelde hoeveelheden, waarin tevens de door de lidstaten verstrekte informatie over de in artikel 10 bis, lid 6, bedoelde financiële maatregelen wordt samengevat.”.

14)

Artikel 10 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de eerste en de tweede alinea vervangen door:

„1.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met betrekking tot de volledig geharmoniseerde uitvoeringsmaatregelen voor de hele Unie voor het toewijzen van in de leden 4, 5, 7 en 19 van dit artikel bedoelde emissierechten.”;

b)

in lid 2 worden de volgende alinea's toegevoegd:

„De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast om de herziene benchmarkwaarden voor kosteloze toewijzingen te bepalen. Die handelingen zijn in overeenstemming met de uit hoofde van lid 1 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen en voldoen aan de volgende elementen:

a)

Voor de periode van 2021 tot en met 2025 worden de benchmarkwaarden bepaald op basis van de uit hoofde van artikel 11 ingediende informatie voor de jaren 2016 en 2017. Op grond van een vergelijking van die benchmarkwaarden met de benchmarkwaarden van het op 27 april 2011 vastgestelde Besluit 2011/278/EU van de Commissie (*3) bepaalt de Commissie voor elke benchmark het jaarlijkse verminderingspercentage en past zij dat toe op de benchmarkwaarden voor de periode van 2013 tot 2020, voor elk jaar tussen 2008 en 2023, om de benchmarkwaarden voor de periode van 2021 tot 2025 te bepalen.

b)

Indien het jaarlijkse verminderingspercentage hoger is dan 1,6 % of lager dan 0,2 %, zijn de benchmarkwaarden voor de periode van 2021 tot 2025 de benchmarkwaarden die van toepassing zijn in de periode van 2013 tot 2020, verminderd met een van beide percentages, naargelang welke van deze beide percentages relevant is, voor elk jaar tussen 2008 en 2023.

c)

Voor de periode van 2026 tot 2030 worden de benchmarkwaarden op dezelfde manier als in de punten a) en b) bepaald, op basis van uit hoofde van artikel 11 ingediende informatie voor de jaren 2021 en 2022 en op basis van de toepassing van het jaarlijkse verminderingspercentage dat van toepassing is voor elk jaar tussen 2008 en 2028.

In afwijking hiervan worden de benchmarkwaarden voor aromaten, waterstof en syngas met hetzelfde percentage als de benchmarks voor raffinaderijen aangepast om gelijke concurrentievoorwaarden voor de producenten van die producten te handhaven.

De in de derde alinea bedoelde uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Ter bevordering van de efficiënte terugwinning van energie uit afgassen, wordt de benchmarkwaarde voor vloeibaar ruwijzer, die voornamelijk betrekking heeft op afgassen, gedurende de in punt b) van de derde alinea vermelde periode jaarlijks verlaagd met 0,2 %.

(*3)  Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 130 van 17.5.2011, blz. 1).”;"

c)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Er worden kosteloze toewijzingen gegeven voor stadsverwarming en voor hoogrenderende warmtekrachtkoppeling, zoals gedefinieerd in Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad (*4), voor een economisch aantoonbare vraag, met betrekking tot de productie van warmte of koeling. In elk jaar na 2013 wordt de totale toewijzing aan deze installaties voor de productie van de betrokken warmte aangepast met de in artikel 9 van deze richtlijn vermelde lineaire factor, behalve voor elk jaar waarin deze toewijzingen op uniforme wijze worden aangepast op grond van lid 5 van dit artikel.

(*4)  Richtlijn 2012/27/EU van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 betreffende energie-efficiëntie, tot wijziging van Richtlijnen 2009/125/EG en 2010/30/EU en houdende intrekking van de Richtlijnen 2004/8/EG en 2006/32/EG (PB L 315 van 14.11.2012, blz. 1).”;"

d)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Met het oog op de naleving van het in artikel 10 vastgestelde te veilen aandeel worden voor elk jaar waarin de som van de kosteloze toewijzingen de maximumhoeveelheid die het te veilen aandeel respecteert, niet bereikt, de resterende emissierechten tot aan de maximumhoeveelheid gebruikt ter voorkoming of beperking van de vermindering van de kosteloze toewijzingen om het te veilen aandeel in latere jaren te respecteren. Wanneer de maximumhoeveelheid echter is bereikt, worden de kosteloze toewijzingen dienovereenkomstig aangepast. Elke aanpassing wordt op een eenvormige wijze toegepast.”;

e)

de volgende leden worden ingevoegd:

„5 bis.   In afwijking van lid 5 wordt een extra hoeveelheid van ten hoogste 3 % van de totale hoeveelheid aan rechten voor zover nodig gebruikt ter verhoging van de maximumhoeveelheid die beschikbaar is op grond van lid 5.

5 ter.   Indien minder dan 3 % van de totale hoeveelheid aan rechten nodig is ter verhoging van de maximumhoeveelheid die beschikbaar is op grond van lid 5:

worden maximaal 50 miljoen emissierechten gebruikt voor een verhoging van de hoeveelheid emissierechten die beschikbaar is ter ondersteuning van innovatie overeenkomstig artikel 10 bis, lid 8; en

wordt een maximum van 0,5 % van de totale hoeveelheid emissierechten gebruikt voor een verhoging van de hoeveelheid emissierechten die beschikbaar is voor de modernisering van de energiesystemen van bepaalde lidstaten overeenkomstig artikel 10 quinquies.”;

f)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Lidstaten stellen ten behoeve van bedrijfstakken of deeltakken die aan een reëel koolstofweglekrisico zijn blootgesteld als gevolg van aanzienlijke indirecte kosten die werkelijk zijn opgelopen door in de elektriciteitsprijzen doorberekende broeikasgasemissiekosten, financiële maatregelen overeenkomstig de tweede en de vierde alinea vast, mits die financiële maatregelen stroken met de regels inzake staatssteun en met name geen ongegronde verstoringen van de mededinging op de interne markt veroorzaken. Wanneer het voor zulke financiële maatregelen beschikbare bedrag meer dan 25 % van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten bedraagt, geeft de betrokken lidstaat de redenen voor de overschrijding van dat percentage op.

De lidstaten streven er tevens naar niet meer dan 25 % van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten te gebruiken voor de in de eerste alinea bedoelde financiële maatregelen. Binnen drie maanden na het einde van elk jaar publiceren de lidstaten die dergelijke financiële maatregelen hebben getroffen, het totaalbedrag aan compensatie dat is verstrekt per begunstigde bedrijfstak en deeltak, in een eenvoudig toegankelijke vorm. Vanaf 2018 publiceert een lidstaat in elk jaar waarin hij meer dan 25 % van de opbrengsten uit de veiling van emissierechten voor dergelijke doeleinden gebruikt, een verslag met de redenen voor de overschrijding van dat percentage. Het verslag bevat relevante informatie over de elektriciteitsprijzen voor grote industriële afnemers die van deze financiële maatregelen gebruik mogen maken, zonder dat afbreuk wordt gedaan aan de vereisten inzake de bescherming van vertrouwelijke informatie. Het verslag bevat ook informatie over de vraag of er voldoende aandacht is besteed aan andere maatregelen om de indirecte koolstofkosten op middellange tot lange termijn duurzaam te verlagen.

In het in artikel 10, lid 5, voorziene verslag neemt de Commissie onder meer een beoordeling van de gevolgen van dergelijke financiële maatregelen op de interne markt op en beveelt zij in voorkomend geval eventueel op grond van die beoordeling noodzakelijke maatregelen aan.

Deze maatregelen moeten zorgen voor een passende bescherming tegen het risico op koolstofweglek op basis van ex ante benchmarks voor de indirecte CO2-emissies per geproduceerde eenheid. Deze ex ante benchmarks worden voor een gegeven bedrijfstak of deeltak berekend als het product van het elektriciteitsverbruik per geproduceerde eenheid overeenkomend met de meest efficiënte beschikbare technologieën en de CO2-emissies van de Europese elektriciteitsproductiemix in kwestie.”;

g)

lid 7 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„Emissierechten uit de in lid 5 van dit artikel bedoelde maximale hoeveelheid die uiterlijk in 2020 niet kosteloos zijn toegewezen, worden voor nieuwkomers gereserveerd, samen met 200 miljoen rechten die op grond van artikel 1, lid 3, van Besluit (EU) 2015/1814 in de marktstabiliteitsreserve zijn ondergebracht. Van de gereserveerde emissierechten worden er aan het eind van de periode van 2021 tot 2030 tot 200 miljoen teruggestort in de marktstabiliteitsreserve, indien zij niet voor die periode zijn toegewezen.

Vanaf 2021 worden emissierechten die op grond van de leden 19 en 20 niet aan installaties zijn toegewezen, toegevoegd aan de hoeveelheid van overeenkomstig de eerste zin van de eerste alinea van dit lid gereserveerde emissierechten.”;

ii)

de vierde en de vijfde alinea worden geschrapt.

h)

in lid 8 worden de eerste, de tweede en de derde alinea vervangen door:

„325 miljoen emissierechten van de hoeveelheid die anders kosteloos zou kunnen worden toegewezen uit hoofde van dit artikel, en 75 miljoen emissierechten van de hoeveelheid die anders zou kunnen worden geveild uit hoofde van artikel 10, worden beschikbaar gesteld ter ondersteuning van innovatie op het gebied van koolstofarme technologieën en processen in de in bijlage I vermelde bedrijfstakken, inclusief het milieutechnisch veilig afvangen en toepassen van kooldioxide („CCU”), dat aanzienlijk bijdraagt tot het tegengaan van klimaatverandering, en producten ter vervanging van koolstofintensieve producten die worden geproduceerd in de in bijlage I vermelde bedrijfstakken, en om het opzetten en exploiteren te helpen stimuleren van projecten betreffende het milieutechnisch veilig afvangen en geologisch opslaan („CCS”) van CO2, alsook van innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie en energieopslag, op geografisch gezien evenwichtig gespreide locaties binnen het grondgebied van de Unie (het „innovatiefonds”). Projecten in alle lidstaten, ook kleinschalige projecten, komen hiervoor in aanmerking.

Daarenboven worden 50 miljoen niet-toegewezen emissierechten uit de marktstabiliteitsreserve aangewend ter aanvulling van eventuele resterende opbrengsten uit de 300 miljoen emissierechten die uit hoofde van Besluit 2010/670/EU van de Commissie (*5) in de periode van 2013 tot 2020 beschikbaar zijn, en te zijner tijd gebruikt ter ondersteuning van innovatie als bedoeld in de eerste alinea.

Projecten worden geselecteerd op basis van objectieve en transparante criteria, in voorkomend geval rekening houdend met de mate waarin projecten bijdragen tot het behalen van emissiereducties ruim onder de in lid 2 bedoelde benchmarks. Projecten hebben het potentieel om op ruime schaal te worden toegepast of om de kosten van de overgang naar een koolstofarme economie in de betrokken bedrijfstakken aanzienlijk te verlagen. Projecten op het gebied van CCU leveren een nettoreductie van emissies op en zorgen ervoor dat CO2 wordt vermeden of permanent wordt opgeslagen. De technologieën die worden gesteund zijn nog niet in de handel verkrijgbaar, maar vormen baanbrekende oplossingen of zijn voldoende ontwikkeld om klaar te zijn voor demonstratie op precommerciële schaal. Tot 60 % van de relevante kosten van de projecten mag worden gesubsidieerd, waarvan tot 40 % niet afhankelijk hoeft te zijn van geverifieerde vermijding van broeikasgasemissies, op voorwaarde dat vooraf bepaalde mijlpalen, rekening houdend met de ingezette technologie, worden bereikt.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de richtlijn met voorschriften voor de werking van het innovatiefonds, ook wat betreft de selectieprocedure en -criteria.

(*5)  Besluit 2010/670/EU van de Commissie van 3 november 2010 tot vaststelling van criteria en maatregelen voor de financiering van commerciële demonstratieprojecten ter bevordering van de milieutechnisch veilige afvang en geologische opslag van CO2, alsook voor demonstratieprojecten ter bevordering van innovatieve technologieën voor hernieuwbare energie in het kader van de bij Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad vastgestelde regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 290 van 6.11.2010, blz. 39).”;"

i)

lid 9 wordt vervangen door:

„9.   Griekenland, waarvan het bruto binnenlands product (bbp) per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen in 2014 minder dan 60 % van het EU-gemiddelde bedroeg, kan vóór de toepassing van lid 7 van dit artikel aanspraak maken op ten hoogste 25 miljoen emissierechten uit de in lid 5 van dit artikel bedoelde maximumhoeveelheid die niet kosteloos worden toegewezen uiterlijk op 31 december 2020, om het koolstofvrij maken van de elektriciteitsvoorziening van eilanden op zijn grondgebied voor ten hoogste 60 % mede te financieren. Het bepaalde in artikel 10 quinquies, lid 3, is van overeenkomstige toepassing op deze emissierechten. Op emissierechten kan aanspraak worden gemaakt indien door beperkte toegang tot de internationale schuldenmarkten een project voor het koolstofvrij maken van de elektriciteitsproductie van de eilanden van Griekenland niet op een andere manier zou kunnen worden gerealiseerd, en indien de Europese Investeringsbank (EIB) bevestigt dat het project financieel haalbaar en sociaal-economisch voordelig is.”;

j)

lid 10 wordt geschrapt;

k)

in lid 11 wordt de zinsnede „met als doel geen kosteloze toewijzing meer in 2027” geschrapt;

l)

de leden 12 tot en met 18 worden geschrapt;

m)

lid 20 wordt vervangen door:

„20.   De hoeveelheid kosteloze toewijzingen voor installaties die, volgens een beoordeling op basis van een voortschrijdend gemiddelde van twee jaar, meer dan 15 % meer of minder in bedrijf zijn geweest vergeleken bij het niveau dat aanvankelijk werd gebruikt om de in artikel 11, lid 1, bedoelde relevante periode van kosteloze toewijzing te bepalen, wordt in voorkomend geval aangepast. Dergelijke aanpassingen worden uitgevoerd door de hoeveelheid overeenkomstig lid 7 van dit artikel gereserveerde emissierechten te verlagen of te verhogen.”;

n)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„21.   „Met het oog op de doeltreffende, niet-discriminerende en eenvormige toepassing van de in lid 20 van dit artikel bedoelde aanpassingen en drempel kan de Commissie, ter voorkoming van onnodige administratieve lasten en van manipulatie of misbruik van aanpassingen aan de toewijzingen, uitvoeringshandelingen met de verdere regelingen voor de aanpassingen vaststellen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

15)

De artikelen 10 ter en 10 quater worden vervangen door:

„Artikel 10 ter

Overgangsmaatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën in geval van koolstoflekkage

1.   Bedrijfstakken en deeltakken waarvan het product van de vermenigvuldiging van de intensiteit van hun handel met derde landen, gedefinieerd als de verhouding tussen de totale waarde van de uitvoer naar derde landen plus de waarde van de invoer uit derde landen en de totale grootte van de markt van de Europese Economische Ruimte (jaaromzet plus totale invoer uit derde landen), met hun emissie-intensiteit, gemeten in kgCO2, gedeeld door hun bruto toegevoegde waarde (in EUR), groter is dan 0,2 worden geacht een koolstofweglekrisico te lopen. Dergelijke bedrijfstakken en deeltakken krijgen voor de periode tot en met 2030 kosteloze emissierechten toegewezen ten belope van 100 % van de hoeveelheid die krachtens artikel 10 bis is bepaald.

2.   Bedrijfstakken en deeltakken waarvan het product van de vermenigvuldiging van de intensiteit van hun handel met derde landen met hun emissie-intensiteit groter is dan 0,15 mogen worden opgenomen in de in lid 1 bedoelde groep aan de hand van gegevens voor de jaren van 2014 tot 2016 op basis van een kwalitatieve beoordeling en van de volgende criteria:

a)

de mate waarin individuele installaties in de betrokken bedrijfstak of deeltak hun emissieniveau of elektriciteitsverbruik kunnen verminderen;

b)

huidige en verwachte marktkenmerken, waar van toepassing met inbegrip van een gemeenschappelijke referentieprijs;

c)

winstmarges als een potentiële indicator van beslissingen inzake langetermijninvestering of verplaatsing, rekening houdend met wijzigingen in productiekosten die verband houden met emissiereducties.

3.   Bedrijfstakken en deeltakken die de in lid 1 bedoelde drempel niet overschrijden, maar waarvan de emissie-intensiteit gemeten in kgCO2, gedeeld door hun bruto toegevoegde waarde (in EUR), meer dan 1,5 bedraagt, worden eveneens op viercijferniveau (NACE 4-code) beoordeeld. De Commissie maakt de resultaten van deze beoordeling openbaar.

Binnen drie maanden na de in de eerste alinea bedoelde publicatie kunnen de in die alinea bedoelde bedrijfstakken en deeltakken bij de Commissie een aanvraag doen, hetzij voor een kwalitatieve beoordeling van hun blootstelling aan een koolstofweglekrisico op viercijferniveau (NACE 4-code), hetzij voor een beoordeling op basis van de classificatie van goederen die worden gebruikt voor statistieken inzake industriële productie in de Unie, op achtcijferniveau (Prodcom). Daartoe dienen bedrijfstakken en deeltakken naar behoren gemotiveerde, volledige en onafhankelijk geverifieerde gegevens in, teneinde de Commissie in staat te stellen de beoordeling samen met de aanvraag uit te voeren.

Indien een bedrijfstak of deeltak ervoor kiest om op viercijferniveau (NACE 4-code) te worden beoordeeld, kan hij opgenomen worden in de in lid 1 bedoelde groep op basis van de in lid 2, onder a), b) en c), bedoelde criteria. Indien een bedrijfstak of deeltak ervoor kiest om op achtcijferniveau (Prodcom) te worden beoordeeld, wordt hij opgenomen in de in lid 1 bedoelde groep mits op dat niveau de in lid 1 vermelde drempel van 0,2 wordt overschreden.

Bedrijfstakken en deeltakken waarvoor kosteloze toewijzing wordt berekend op basis van de benchmarkwaarden bedoeld in artikel 10 bis, lid 2, vierde alinea, kunnen eveneens verzoeken overeenkomstig de derde alinea in dit lid te worden beoordeeld.

In afwijking van de leden 1 en 2 kan een lidstaat uiterlijk op 30 juni 2018 verzoeken dat een bedrijfstak of deeltak die is vermeld in de bijlage bij Besluit 2014/746/EU van de Commissie (*6) met betrekking tot classificaties op een zes- of een achtcijferniveau (Prodcom), wordt overwogen voor opname in de in lid 1 bedoelde groep. Een dergelijk verzoek wordt alleen behandeld wanneer de verzoekende lidstaat aantoont dat de toepassing van deze afwijking gerechtvaardigd is op basis van naar behoren gestaafde, volledige, geverifieerde en gecontroleerde gegevens voor de vijf voorgaande jaren, verstrekt door de betrokken bedrijfstak of deeltak en dat het verzoek alle relevante informatie bevat. Op basis van deze gegevens zal de betrokken bedrijfstak of deeltak met betrekking tot die classificaties worden opgenomen in de groep als, binnen een heterogeen viercijferniveau (NACE 4-code), blijkt dat de betrokken bedrijfstak of deeltak een aanzienlijk hogere handels- en emissie-intensiteit heeft op zes- of achtcijferniveau (Prodcom), die hoger is dan de in lid 1 bedoelde drempel.

4.   Andere bedrijfstakken en deeltakken worden geacht in staat te zijn om een groter deel van de kosten van de emissierechten in de productprijzen door te berekenen en krijgen kosteloze emissierechten toegewezen ten belope van 30 % van de hoeveelheid die op grond van artikel 10 bis is bepaald. Tenzij anderszins wordt besloten in het kader van de evaluatie op grond van artikel 30, worden kosteloze toewijzingen aan andere bedrijfstakken en deeltakken, met uitzondering van stadsverwarming, na 2026 met gelijke hoeveelheden verminderd om in 2030 een hoeveelheid kosteloze toewijzing van nul te bereiken.

5.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 23 uiterlijk op 31 december 2019 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn wat betreft de vaststelling van de in de leden 1, 2 en 3 van dit artikel bedoelde bedrijfstakken en deeltakken die worden geacht een koolstofweglekrisico te lopen, voor activiteiten op viercijferniveau (NACE 4-code) voor zover het lid 1 van dit artikel betreft, op basis van de beschikbare gegevens voor de laatste drie kalenderjaren.

Artikel 10 quater

Optionele voorlopige kosteloze toewijzing voor de modernisering van de energiesector

1.   In afwijking van artikel 10 bis, leden 1 tot en met 5, kunnen lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen (in EUR) minder dan 60 % van het Uniegemiddelde bedroeg, een voorlopige kosteloze toewijzing verstrekken aan installaties voor elektriciteitsopwekking voor de modernisering, diversificatie en duurzame transformatie van de energiesector. De ondersteunde investeringen stroken met de overgang naar een veilige en duurzame koolstofarme economie, met de doelstellingen van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie, alsmede met de langetermijndoelstellingen die in de Overeenkomst van Parijs worden genoemd. De in dit lid voorziene afwijking eindigt op 31 december 2030.

2.   Om met kosteloze toewijzing te financieren projecten te selecteren, organiseert de betrokken lidstaat in de periode tussen 2021 en 2030 voor projecten met een totaalbedrag aan investeringen van meer dan 12,5 miljoen EUR een uit één of meer ronden bestaande competitieve biedprocedure. Die competitieve biedprocedure moet:

a)

stroken met de beginselen transparantie, niet-discriminatie, gelijke behandeling en goed financieel beheer;

b)

waarborgen dat enkel projecten die bijdragen tot de diversificatie van de energiemix en de bevoorradingsbronnen van de lidstaat, tot de nodige herstructurering, milieutechnische opwaardering en aanpassing van de infrastructuur, tot schone technologieën, zoals technologieën op het gebied van hernieuwbare energie, of tot de modernisering van de energieproductiesector, zoals een efficiënte en duurzame stadsverwarming, en van de energietransmissie- en distributiesectoren, in aanmerking komen om te bieden;

c)

duidelijke, objectieve, transparante en niet-discriminerende selectiecriteria voor de rangschikking van de projecten vaststellen om te waarborgen dat alleen projecten worden geselecteerd die:

i)

volgens een kosten-batenanalyse een positieve nettowinst voor de emissiereductie opleveren en een vooraf bepaalde aanzienlijke mate van CO2-vermindering verwezenlijken, rekening houdend met de omvang van de projecten;

ii)

een aanvulling zijn, duidelijk tegemoetkomen aan vervangings- en moderniseringsbehoeften en niet leiden tot een marktgestuurde groei van de vraag naar energie;

iii)

de beste prijs-kwaliteitsverhouding bieden; en

iv)

niet bijdragen tot of een verbetering inhouden van de financiële levensvatbaarheid van zeer emissie-intensieve elektriciteitsopwekking, of de afhankelijkheid van emissie-intensieve fossiele brandstoffen verhogen.

In afwijking van artikel 10, lid 1, en onverminderd de laatste zin van lid 1 van dit artikel, kunnen, wanneer een via de competitieve biedprocedure geselecteerde investering geannuleerd wordt of de beoogde prestaties niet worden behaald, de toegewezen emissierechten worden gebruikt via één extra ronde van de competitieve biedprocedure, ten vroegste één jaar later, om andere investeringen te financieren.

Uiterlijk op 30 juni 2019 voorziet elke lidstaat die voornemens is gebruik te maken van de optionele kosteloze overgangstoewijzing met het oog op de modernisering van de energiesector, in de bekendmaking voor openbaar commentaar van een gedetailleerd nationaal kader waarin de competitieve biedprocedure, met inbegrip van het in de eerste alinea bedoelde geplande aantal ronden, en de selectiecriteria staan vermeld.

Indien met kosteloze toewijzingen te ondersteunen investeringen met een waarde van minder dan 12,5 miljoen EUR niet worden geselecteerd volgens de in dit lid bedoelde competitieve biedprocedure, selecteert de lidstaat projecten op basis van objectieve en transparante criteria. De resultaten van dat selectieproces worden bekendgemaakt voor openbaar commentaar. Op basis daarvan gaat de betrokken lidstaat uiterlijk op 30 juni 2019 over tot de opstelling, bekendmaking en indiening bij de Commissie van een lijst met investeringen. Indien in het kader van één installatie meer dan één investering wordt verricht, worden zij in hun geheel beoordeeld om te bepalen of de drempelwaarde van 12,5 miljoen EUR is overschreden, tenzij deze investeringen afzonderlijk technisch of financieel levensvatbaar zijn.

3.   De waarde van de voorgenomen investeringen is op zijn minst gelijk aan de waarde van de kosteloze toewijzing, rekening houdend met het feit dat prijsstijgingen als rechtstreeks gevolg hiervan moeten worden beperkt. De marktwaarde is het gemiddelde van de prijs van emissierechten op het gemeenschappelijke veilingplatform in het voorgaande kalenderjaar. Met de kosteloze toewijzing mag tot 70 % van de relevante kosten van een investering worden gesteund, mits de overblijvende kosten door particuliere juridische entiteiten worden gedragen.

4.   Voorlopige kosteloze toewijzingen worden van de hoeveelheid emissierechten die de lidstaat anders zou veilen, afgetrokken. De totale kosteloze toewijzing bedraagt niet meer dan 40 % van de emissierechten die de betrokken lidstaat, in de periode van 2021 tot 2030, op grond van artikel 10, lid 2, onder a), zal ontvangen, in gelijke jaarlijkse hoeveelheden gespreid over die periode.

5.   Indien een lidstaat uit hoofde van artikel 10 quinquies, lid 4, gebruik maakt van emissierechten die op grond van artikel 10, lid 2, onder c), met het oog op solidariteit, groei en interconnecties binnen de Unie zijn verdeeld, kan die lidstaat, in afwijking van lid 4 van dit artikel, een totale hoeveelheid van 60 % van de emissierechten die krachtens artikel 10, lid 2, onder a), in de periode van 2021 tot 2030 zijn ontvangen, gebruiken voor kosteloze overgangstoewijzing, daarbij gebruik makend van een overeenkomstige hoeveelheid van de in overeenstemming met artikel 10, lid 2, onder b), verdeelde emissierechten.

Emissierechten die uiterlijk in 2020 niet krachtens dit artikel zijn toegewezen, kunnen in de periode van 2021 tot 2030 worden toegewezen aan investeringen die via de in lid 2 bedoelde competitieve biedprocedure zijn geselecteerd, tenzij de betrokken lidstaat de Commissie uiterlijk op 30 september 2019 in kennis stelt van zijn voornemen alle of een deel van deze emissierechten niet toe te wijzen in de periode van 2021 tot 2030, en van het in plaats daarvan in 2020 te veilen aantal emissierechten. Indien die rechten in de periode van 2021 tot 2030 worden toegewezen, wordt met de desbetreffende hoeveelheid aan rechten rekening gehouden voor de toepassing van het in de eerste alinea van dit lid genoemde plafond van 60 %.

6.   Toewijzingen worden aan exploitanten verstrekt nadat door hen is aangetoond dat een overeenkomstig de regels van de competitieve biedprocedure geselecteerde investering heeft plaatsgevonden. Indien een investering leidt tot aanvullende capaciteit voor de opwekking van elektriciteit, toont de betrokken exploitant aan dat hij of een andere gelieerde exploitant uiterlijk bij de ingebruikneming van de aanvullende capaciteit een overeenkomstig volume aan meer emissie-intensieve capaciteit voor de opwekking van elektriciteit buiten werking heeft gesteld.

7.   De lidstaten eisen van begunstigde elektriciteitsproducenten en netwerkexploitanten dat zij, uiterlijk op 28 februari van elk jaar, verslag uitbrengen over de uitvoering van hun geselecteerde investeringen, onder meer over de verhouding tussen de kosteloze toewijzing en de gemaakte investeringsuitgaven en de soorten gesteunde investeringen. De lidstaten brengen hierover verslag uit aan de Commissie en de Commissie maakt dit verslag openbaar.

(*6)  Besluit 2014/746/EU van de Commissie van 27 oktober 2014 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakdeeltakken waarvan wordt vermoed dat ze een significant risico op koolstoflekkage lopen, voor de periode 2015-2019 (PB L 308 van 29.10.2014, blz. 114).”."

16)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 10 quinquies

Moderniseringsfonds

1.   Er wordt voor de periode van 2021 tot 2030 een fonds ingesteld ter ondersteuning van investeringen, voorgesteld door de begunstigde lidstaten, ook om kleinschalige investeringsprojecten te financieren, ter modernisering van de energiesystemen en verbetering van de energie-efficiëntie in lidstaten waarvan in 2013 het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen minder dan 60 % van het Unie-gemiddelde bedroeg (het „moderniseringsfonds”). Het moderniseringsfonds wordt gefinancierd middels de veiling van rechten als bedoeld in artikel 10.

De ondersteunde investeringen stroken met de doelen van deze richtlijn en van het beleidskader voor klimaat en energie 2030 van de Unie, alsmede met de langetermijndoelstellingen die in de Overeenkomst van Parijs worden genoemd. Uit het moderniseringsfonds wordt geen steun verleend aan faciliteiten voor de opwekking van energie met behulp van vaste fossiele brandstoffen, met uitzondering van efficiënte en duurzame stadsverwarming in lidstaten waarvan het bbp per hoofd van de bevolking tegen marktprijzen minder dan 30 % van het Unie-gemiddelde bedroeg in 2013, op voorwaarde dat een hoeveelheid emissierechten van ten minste een equivalente waarde wordt aangewend voor investeringen uit hoofde van artikel 10 quater waarbij geen vaste fossiele brandstoffen betrokken zijn.

2.   Ten minste 70 % van de financiële middelen van het moderniseringsfonds zal worden aangewend ter ondersteuning van investeringen in het opwekken en gebruiken van elektriciteit uit hernieuwbare bronnen, in het verbeteren van de energie-efficiëntie, met uitzondering van energie-efficiëntie met betrekking tot de opwekking van energie met vaste fossiele brandstoffen, in het opslaan van energie en het moderniseren van energienetwerken, waaronder pijpleidingen voor stadsverwarming, netten voor elektriciteitstransmissie, en de verbetering van de interconnecties tussen de lidstaten, alsmede ter ondersteuning van een rechtvaardige overgang in van koolstof afhankelijke regio's in de begunstigde lidstaten, zodat in overleg met de sociale partners steun wordt geboden voor het opnieuw inzetten, bijscholen en nascholen van werknemers, onderwijs, initiatieven voor het zoeken naar een baan en startende ondernemingen. Investeringen in energie-efficiëntie in de sectoren vervoer, gebouwen, landbouw en afval komen ook in aanmerking.

3.   Het moderniseringsfonds valt onder de verantwoordelijkheid van de begunstigde lidstaten. De EIB zorgt ervoor dat de emissierechten in overeenstemming met de beginselen en voorwaarden van artikel 10, lid 4, worden geveild, en is verantwoordelijk voor het beheer van de opbrengsten. De EIB stort de opbrengsten door naar de lidstaten na een uitbetalingsbesluit van de Commissie, indien deze uitbetaling voor investeringen voldoet aan lid 2 van dit artikel of, indien niet op de in lid 2 van dit artikel genoemde gebieden is geïnvesteerd, aan de aanbevelingen van het investeringscomité. De Commissie stelt haar besluit tijdig vast. De opbrengsten worden verdeeld onder de lidstaten volgens de aandelen die zijn bepaald in bijlage II ter, in overeenstemming met de leden 6 tot en met 12 van dit artikel.

4.   Elke betrokken lidstaat mag de uit hoofde van artikel 10 quater, lid 4, verleende totale kosteloze toewijzing, of een gedeelte van die toewijzing, en de hoeveelheid emissierechten die overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder b), met het oog op solidariteit, groei en interconnecties binnen de Unie zijn verdeeld, of een deel van die hoeveelheid, in overeenstemming met artikel 10 quinquies, aanwenden om investeringen in het kader van het moderniseringsfonds te ondersteunen, en zodoende de aan die lidstaat verdeelde middelen te verhogen. Uiterlijk op 30 september 2019 stelt de betrokken lidstaat de Commissie in kennis van de betrokken aantallen emissierechten die overeenkomstig artikel 10, lid 2, onder b), artikel 10 quater en artikel 10 quinquies worden aangewend.

5.   Er wordt een investeringscomité voor het moderniseringsfonds opgericht. Het investeringscomité bestaat uit een vertegenwoordiger van elke begunstigde lidstaat, de Commissie en de EIB, en drie vertegenwoordigers die door de andere lidstaten worden gekozen voor een periode van vijf jaar. De Groep wordt voorgezeten door de vertegenwoordiger van de Commissie. Eén vertegenwoordiger van elke lidstaat die geen deel uitmaakt van het investeringscomité kan de vergaderingen van het Comité als waarnemer bijwonen.

Het investeringscomité gaat op transparante wijze te werk. De samenstelling van het investeringscomité en de curricula vitae en de belangenverklaringen van de leden ervan worden beschikbaar gesteld voor het publiek en zo nodig bijgewerkt.

6.   Voordat een begunstigde lidstaat besluit om uit zijn aandeel in het moderniseringsfonds een investering te financieren, legt hij het investeringsproject voor aan het investeringscomité en de EIB. Wanneer de EIB bevestigt dat een investering tot de in lid 2 genoemde gebieden behoort, kan de lidstaat het investeringsproject uit zijn aandeel financieren.

Wanneer een investering in de modernisering van energiesystemen, waarvoor financiering uit het moderniseringsfonds wordt voorgesteld, niet tot de in lid 2 genoemde gebieden behoort, beoordeelt het investeringscomité de technische en financiële levensvatbaarheid van die investering, met inbegrip van de emissiereducties die zij oplevert, en doet het een aanbeveling inzake de financiering van de investering uit het moderniseringsfonds. Het investeringscomité zorgt ervoor dat alle investeringen in verband met stadsverwarming een aanzienlijke verbetering van energie-efficiëntie en emissiereducties opleveren. Die aanbeveling kan suggesties omvatten met betrekking tot passende financieringsinstrumenten. Tot 70 % van een investering die niet tot de in lid 2 genoemde gebieden behoort, kan worden gesteund met middelen uit het moderniseringsfonds, mits de overblijvende kosten door particuliere juridische entiteiten worden gedragen.

7.   Het investeringscomité streeft ernaar zijn aanbevelingen bij consensus aan te nemen. Indien het investeringscomité niet binnen een door de voorzitter vastgestelde termijn bij consensus kan besluiten, neemt het een besluit bij gewone meerderheid.

Indien de vertegenwoordiger van de EIB niet met de financiering van een investering instemt, wordt een aanbeveling slechts aangenomen indien een meerderheid van twee derde van alle leden vóór stemt. De vertegenwoordiger van de lidstaat waarin de investering plaatsvindt en de vertegenwoordiger van de EIB hebben in dat geval geen stemrecht. Deze alinea is niet van toepassing op kleinschalige projecten die gefinancierd zijn met leningen van een nationale stimuleringsbank of met subsidies die bijdragen tot de uitvoering van een nationaal programma met specifieke doelstellingen die stroken met de doelstellingen van het moderniseringsfonds, op voorwaarde dat niet meer dan 10 % van het in bijlage II ter vastgestelde aandeel van de lidstaten in het kader van het programma wordt gebruikt.

8.   Besluiten of aanbevelingen door de EIB of het investeringscomité uit hoofde van de leden 6 en 7 worden tijdig opgesteld en bevatten de motivering waarop zij zijn gebaseerd. Deze besluiten en aanbevelingen worden openbaar gemaakt.

9.   De begunstigde lidstaten zijn verantwoordelijk voor de follow-up van de uitvoering van de geselecteerde projecten.

10.   De begunstigde lidstaten brengen jaarlijks verslag uit aan de Commissie over de door het moderniseringsfonds gefinancierde investeringen. Het verslag wordt openbaar gemaakt en bevat het volgende:

a)

informatie over de gefinancierde investeringen per begunstigde lidstaat;

b)

een beoordeling van de met de investering bereikte toegevoegde waarde wat betreft energie-efficiëntie of modernisering van het energiesysteem.

11.   Elk jaar brengt het investeringscomité bij de Commissie verslag uit over de ervaringen met de evaluatie van investeringen. Uiterlijk op 31 december 2024 evalueert de Commissie, rekening houdend met de bevindingen van het investeringscomité, de in lid 2 genoemde gebieden voor projecten en de grond waarop het investeringscomité zijn aanbevelingen baseert.

12.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde voorschriften voor de werking van het moderniseringsfonds. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

17)

Aan artikel 11, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Een lijst van onder deze richtlijn vallende installaties voor de periode van vijf jaar die op 1 januari 2021 ingaat, wordt uiterlijk op 30 september 2019 ingediend en nadien om de vijf jaar een lijst voor elke volgende periode van vijf jaar. Elke lijst bevat informatie over de productieactiviteit, de overdracht van warmte en gassen, de elektriciteitsproductie en de emissies op het niveau van de subinstallatie betreffende de vijf kalenderjaren voorafgaand aan de indiening ervan. Kosteloze toewijzingen worden enkel verstrekt aan installaties waarvoor die gegevens zijn ingediend.”.

18)

In artikel 11 bis worden de leden 8 en 9 geschrapt.

19)

In artikel 11 ter wordt lid 7 geschrapt.

20)

Aan artikel 12, lid 4, worden de volgende zinnen toegevoegd:

„Ingeval capaciteit voor de opwekking van elektriciteit op hun grondgebied vanwege aanvullende nationale maatregelen wordt gesloten, kunnen lidstaten emissierechten schrappen uit de totale hoeveelheid door hen te veilen emissierechten als bedoeld in artikel 10, lid 2 tot maximaal een hoeveelheid die overeenkomt met het gemiddelde volume geverifieerde emissies van de betrokken installatie over een periode van vijf jaar vóór de sluiting ervan. De betrokken lidstaat stelt de Commissie in kennis van de voorgenomen schrapping overeenkomstig de gedelegeerde handelingen die krachtens artikel 10, lid 4, worden vastgesteld.”.

21)

Artikel 13 wordt vervangen door:

„Artikel 13

Geldigheid van emissierechten

Emissierechten die met ingang van 1 januari 2013 worden verleend, zijn voor onbepaalde tijd geldig. Emissierechten die met ingang van 1 januari 2021 worden verleend, bevatten een aanduiding waaruit blijkt in welke periode van tien jaar te rekenen vanaf 1 januari 2021 zij zijn verstrekt, en zijn geldig voor emissies met ingang van het eerste jaar van die periode.”.

22)

Artikel 14, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met gedetailleerde voorschriften voor de bewaking en rapportage van emissies en, indien van toepassing, activiteitengegevens betreffende de in bijlage I vermelde activiteiten voor de bewaking en rapportage van tonkilometergegevens met het oog op een aanvraag krachtens de artikelen 3 sexies of 3 septies, die wordt gebaseerd op de in bijlage IV beschreven beginselen voor bewaking en rapportage en de vereisten van lid 2 van dit artikel. In deze uitvoeringshandelingen bevatten de vereisten voor de bewaking en rapportage van elk broeikasgas tevens een vermelding van het aardopwarmingsvermogen van dat gas.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

23)

In artikel 15 worden de derde, vierde en vijfde alinea's vervangen door:

„De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast betreffende de verificatie van emissieverslagen op basis van de in bijlage V vermelde beginselen en voor de accreditatie van en het toezicht op verificateurs. De Commissie kan ook uitvoeringsbepalingen vaststellen voor de verificatie van de verslagen die vliegtuigexploitanten op grond van artikel 14, lid 3, hebben ingediend, alsmede voor de aanvragen op grond van artikel 3 sexies en septies, met inbegrip van de door verificateurs te volgen verificatieprocedures. Deze bepalen in voorkomend geval de voorwaarden voor de accreditatie en intrekking van de accreditatie, wederzijdse erkenning en collegiaal toezicht op accreditatie-instanties.

Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

24)

Artikel 16, lid 12, wordt vervangen door:

„12.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast betreffende gedetailleerde voorschriften voor de in dit artikel bedoelde procedures. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”.

25)

In artikel 19 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn met alle noodzakelijke voorschriften betreffende het EU-register voor de handelsperiode vanaf 1 januari 2013 en daarop volgende periodes, in de vorm van gestandaardiseerde elektronische databanken die gemeenschappelijke gegevens bevatten om de verlening, het bezit, de overdracht en de annulering, naargelang van het geval, van emissierechten te volgen, en om voor toegang van het publiek en geheimhouding te zorgen waar nodig. Die gedelegeerde handelingen bevatten daarnaast bepalingen voor regels inzake de wederzijdse erkenning van emissierechten in overeenkomsten om regelingen voor de handel in emissierechten aan elkaar te koppelen.”.

26)

Artikel 21 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de vierde zin vervangen door:

„Het verslag wordt opgesteld aan de hand van een vragenlijst die of een schema dat door de Commissie in de vorm van uitvoeringshandelingen wordt vastgesteld. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 22 bis, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   Om de drie jaar wordt in het in lid 1 bedoelde verslag ook bijzondere aandacht besteed aan de gelijkwaardige maatregelen die zijn vastgesteld voor kleine installaties die van het EU-ETS zijn uitgesloten. De kwestie van gelijkwaardige maatregelen die zijn vastgesteld voor kleine installaties wordt ook in overweging genomen in de in lid 3 bedoelde uitwisseling van informatie.”.

27)

Artikel 22 wordt vervangen door:

„Artikel 22

Wijziging van de bijlagen

„De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen om waar passend de bijlagen bij deze richtlijn, met uitzondering van bijlagen I, II bis en II ter, te wijzigen in het licht van de in artikel 21 voorgeschreven verslagen en van de ervaring bij de toepassing van deze richtlijn. Bijlagen IV en V kunnen worden gewijzigd teneinde de bewaking, de rapportage en de verificatie van de emissies te verbeteren.”.

28)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 22 bis

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 26 van Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad (*7) ingestelde Comité klimaatverandering. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (*8).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien het comité geen advies uitbrengt, stelt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet vast en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

(*7)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13)."

(*8)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”."

29)

Artikel 23 wordt vervangen door:

„Artikel 23

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3 quinquies, lid 3, artikel 10, lid 4, artikel 10 bis, leden 1 en 8, artikel 10 ter, lid 5, artikel 19, lid 3, artikel 22, artikel 24, lid 3, artikel 24 bis, lid 1, artikel 25 bis, lid 1, en artikel 28 quater bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 8 april 2018.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3 quinquies, lid 3, artikel 10, lid 4, artikel 10 bis, leden 1 en 8, artikel 10 ter, lid 5, artikel 19, lid 3, artikel 22, artikel 24, lid 3, artikel 24 bis, lid 1, artikel 25 bis, lid 1, en artikel 28 quater bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Vóór de vaststelling van een gedelegeerde handeling raadpleegt de Commissie de door elke lidstaat aangewezen deskundigen in overeenstemming met de beginselen die zijn vastgelegd in het Interinstitutioneel Akkoord van 13 april 2016 over beter wetgeven (*9).

5.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

6.   Een overeenkomstig artikel 3 quinquies, lid 3, artikel 10, lid 4, artikel 10 bis, leden 1 en 8, artikel 10 ter, lid 5, artikel 19, lid 3, artikel 22, artikel 24, lid 3, artikel 24 bis, lid 1, artikel 25 bis, lid 1, en artikel 28 quater vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

(*9)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.”."

30)

Artikel 24 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   Vanaf 2008 mogen de lidstaten handel in emissierechten overeenkomstig deze richtlijn toepassen op niet in bijlage I genoemde activiteiten en broeikasgassen, met inachtneming van alle relevante criteria, in het bijzonder de effecten op de interne markt, mogelijke concurrentieverstoringen, de milieu-integriteit van het EU-ETS en de betrouwbaarheid van het geplande bewakings- en rapportagesysteem, op voorwaarde dat de opneming van dergelijke activiteiten en broeikasgassen door de Commissie wordt goedgekeurd, in overeenstemming met de gedelegeerde handelingen die de Commissie overeenkomstig artikel 23 kan vaststellen.”;

b)

in lid 3 wordt de tweede alinea vervangen door:

„De Commissie is overeenkomstig artikel 23 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn in die zin aan te vullen.”.

31)

Artikel 24 bis wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de eerste en de tweede alinea vervangen door:

„1.   Naast de in artikel 24 bedoelde opneming kan de Commissie maatregelen vaststellen voor het verlenen van emissierechten of kredieten voor projecten onder het beheer van de lidstaten die de emissie van niet onder het EU-ETS vallende broeikasgassen verlagen.

Dergelijke maatregelen moeten stroken met de handelingen die zijn vastgesteld op grond van het voormalige artikel 11 ter, lid 7, zoals van kracht vóór 8 april 2018. De Commissie is overeenkomstig artikel 23 bevoegd gedelegeerde handelingen vast te stellen om deze richtlijn aan te vullen met de te volgen procedure.”;

b)

lid 2 wordt geschrapt.

32)

Artikel 25, lid 2, wordt geschrapt.

33)

In artikel 25 bis, lid 1, worden de eerste en tweede alinea vervangen door:

„Indien een derde land maatregelen vaststelt om het klimaatveranderingseffect van vluchten die vanuit dat derde land vertrekken en in de Unie aankomen, te verminderen, bekijkt de Commissie na overleg met dat derde land en met de lidstaten in het comité bedoeld in artikel 22 bis, lid 1, welke mogelijkheden er zijn om in een optimale interactie tussen het EU-ETS en de maatregelen van dat land te voorzien.

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van bijlage I bij deze richtlijn om vluchten vanuit het betrokken derde land van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten uit te sluiten of andere wijzigingen van de in bijlage I genoemde luchtvaartactiviteiten, behalve wat betreft de reikwijdte, ingevolge een uit hoofde van artikel 218 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie gesloten overeenkomst door te voeren.”.

34)

In artikel 27, lid 3, wordt de tweede alinea vervangen door:

„In dergelijke gevallen blijft de installatie in het EU-ETS gedurende de rest van de in artikel 11, lid 1, bedoelde periode waarin ze werd ingevoerd.”.

35)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 27 bis

Facultatieve uitsluiting van installaties die minder dan 2 500 ton uitstoten

1.   De lidstaten kunnen installaties met in elk van de drie jaren voorafgaand aan de onder a) bedoelde melding bij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten gerapporteerde emissies van minder dan 2 500 ton koolstofdioxide-equivalent, emissies uit biomassa niet meegerekend, van het EU-ETS uitsluiten, mits de betrokken lidstaat:

a)

al deze installaties bij de Commissie aanmeldt voordat de lijst van installaties krachtens artikel 11, lid 1, moet worden ingediend of uiterlijk op het moment dat die lijst bij de Commissie wordt ingediend;

b)

bevestigt dat er een vereenvoudigde bewakingsregeling is om te bepalen of een installatie in enig kalenderjaar 2 500 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend;

c)

bevestigt dat een installatie die in enig kalenderjaar 2 500 ton of meer CO2-equivalent uitstoot, emissies uit biomassa niet meegerekend, weer in het EU-ETS zal worden opgenomen; en

d)

de onder a), b) en c) bedoelde informatie ter beschikking stelt van het publiek.

2.   Wanneer een installatie krachtens lid 1, onder c), van dit artikel, weer in het EU-ETS wordt opgenomen, worden alle op grond van artikel 10 bis toegewezen emissierechten verleend met ingang van het jaar van wederopneming. Aan een dergelijke installatie toegewezen emissierechten worden door de lidstaat waarin de installatie gelegen is, afgetrokken van de op grond van artikel 10, lid 2, te veilen hoeveelheid.

3.   De lidstaten kunnen ook reserve- of backupeenheden die niet meer dan 300 uur per jaar operationeel waren in elk van de drie jaren voorafgaand aan de melding uit hoofde van lid 1, onder a), van het EU-ETS uitsluiten, onder dezelfde voorwaarden als in de leden 1 en 2.”.

36)

Artikel 28 quater wordt vervangen door:

„Artikel 28 quater

Bepalingen inzake bewaking, rapportage en verificatie voor de toepassing van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel

De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 23 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van deze richtlijn wat betreft de nodige bewaking, rapportage en verificatie van de emissies met het oog op de tenuitvoerlegging van de wereldwijde marktgebaseerde maatregel van de ICAO voor alle routes die eronder vallen. Die gedelegeerde handelingen stoelen op de relevante, in de ICAO goedgekeurde instrumenten, voorkomen verstoringen van de mededinging en stroken met de beginselen in de in artikel 14, lid 1, bedoelde handelingen, en zorgen ervoor dat de ingediende emissieverslagen worden geverifieerd overeenkomstig de in artikel 15 vastgestelde verificatiebeginselen en -criteria.”.

(37)

Artikel 30 wordt vervangen door:

„Artikel 30

Evaluatie in het licht van de uitvoering van de Overeenkomst van Parijs en de ontwikkeling van koolstofmarkten in andere grote economieën

1.   Deze richtlijn wordt herbekeken in het licht van de internationale ontwikkelingen en inspanningen om de langetermijndoelstellingen van de Overeenkomst van Parijs te verwezenlijken.

2.   Ook de in de artikelen 10 bis en 10 ter bedoelde maatregelen ter ondersteuning van bepaalde energie-intensieve industrieën die een risico op koolstoflekkage lopen worden geëvalueerd in het licht van de maatregelen in het klimaatbeleid van andere grote economieën. In deze context moet de Commissie ook nagaan of maatregelen in verband met de compensatie van indirecte kosten verder moeten worden geharmoniseerd.

3.   De Commissie brengt verslag uit bij het Europees Parlement en de Raad bij elke overeenkomstig de Overeenkomst van Parijs afgesproken algemene inventarisatie, vooral wat betreft de behoefte aan aanvullend beleid en aanvullende maatregelen van de Unie om te komen tot de nodige broeikasgasemissiereducties door de Unie en haar lidstaten, ook in verband met de in artikel 9 vermelde lineaire factor. De Commissie kan voorstellen indienen bij het Europees Parlement en bij de Raad om deze richtlijn zo nodig te wijzigen.

4.   Vóór 1 januari 2020 dient de Commissie een bijgewerkte analyse te presenteren van de niet-CO2-effecten van de luchtvaart, zo nodig vergezeld van een voorstel over de wijze waarop die effecten het best worden aangepakt.”.

38)

In bijlage II bis bij Richtlijn 2003/87/EG worden de vermeldingen voor België, Italië, Luxemburg en Zweden geschrapt.

39)

Bijlage II ter bij Richtlijn 2003/87/EG wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze richtlijn.

40)

Bijlage IV bij Richtlijn 2003/87/EG wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze richtlijn.

Artikel 2

Wijzigingen in Besluit (EU) 2015/1814

Artikel 1 van Besluit (EU) 2015/1814 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan lid 5, eerste alinea, wordt de volgende zin toegevoegd:

„Bij wijze van afwijking van de eerste en de tweede zin worden, tot en met 31 december 2023, de in die zinnen vermelde percentages en 100 miljoen emissierechten verdubbeld.”.

2)

Het volgende lid wordt ingevoegd:

„5 bis.   Tenzij anders wordt bepaald in de eerste evaluatie overeenkomstig artikel 3, zijn met ingang van 2023 in de reserve gehouden emissierechten die het totale aantal tijdens het voorgaande jaar geveilde rechten overschrijden, niet langer geldig.”.

Artikel 3

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 9 oktober 2019 aan deze richtlijn te voldoen. Zij stellen de Commissie daarvan onverwijld in kennis.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

In afwijking van de eerste alinea, doen de lidstaten de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 31 december 2018 te voldoen aan de bekendmakings- en rapportageverplichtingen in artikel 1, punt 14, onder f), van deze richtlijn betreffende artikel 10 bis, lid 6, van Richtlijn 2003/87/EG.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Overgangsbepaling

Bij het naleven van hun verplichtingen uit hoofde van artikel 3, lid 1, eerste alinea, van deze richtlijn zien de lidstaten erop toe dat hun nationale wetgeving ter omzetting van artikel 10, artikel 10 bis, leden 4 tot en met 7, artikel 10 bis, lid 8, eerste en tweede alinea, artikel 10 bis, leden 12 tot en met 18, artikel 10 quater, artikel 11 bis, leden 8 en 9 van Richtlijn 2003/87/EG, en de bijlagen II bis en II ter bij die richtlijn, zoals van kracht op 19 maart 2018, tot en met 31 december 2020 van kracht blijft. De lijst in de bijlage bij Besluit 2014/746/EU blijft van toepassing tot en met 31 december 2020.

Artikel 5

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 6

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 14 maart 2018.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

L. PAVLOVA


(1)  PB C 71 van 24.2.2016, blz. 57.

(2)  PB C 240 van 1.7.2016, blz. 62.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 6 februari 2018 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 27 februari 2018.

(4)  Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 oktober 2003 tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap en tot wijziging van Richtlijn 96/61/EG van de Raad (PB L 275 van 25.10.2003, blz. 32).

(5)  Richtlijn 2009/29/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG teneinde de regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten van de Gemeenschap te verbeteren en uit te breiden (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 63).

(6)  Beschikking nr. 406/2009/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2009 inzake de inspanningen van de lidstaten om hun broeikasgasemissies te verminderen om aan de verbintenissen van de Gemeenschap op het gebied van het verminderen van broeikasgassen tot 2020 te voldoen (PB L 140 van 5.6.2009, blz. 136).

(7)  Besluit (EU) 2015/1814 van het Europees Parlement en de Raad van 6 oktober 2015 betreffende de instelling en de werking van een marktstabiliteitsreserve voor de EU-regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten en tot wijziging van Richtlijn 2003/87/EG (PB L 264 van 9.10.2015, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 1031/2010 van de Commissie van 12 november 2010 inzake de tijdstippen, het beheer en andere aspecten van de veiling van broeikasgasemissierechten overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van een regeling voor de handel in broeikasgasemissierechten binnen de Gemeenschap (PB L 302 van 18.11.2010, blz. 1).

(9)  Richtlijn 91/692/EEG van de Raad van 23 december 1991 tot standaardisering en rationalisering van de verslagen over de toepassing van bepaalde richtlijnen op milieugebied (PB L 377 van 31.12.1991, blz. 48).

(10)  Verordening (EU) nr. 525/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende een bewakings- en rapportagesysteem voor de uitstoot van broeikasgassen en een rapportagemechanisme voor overige informatie op nationaal niveau en op het niveau van de Unie met betrekking tot klimaatverandering, en tot intrekking van Beschikking nr. 280/2004/EG (PB L 165 van 18.6.2013, blz. 13).

(11)  PB L 123 van 12.5.2016, blz. 1.

(12)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(13)  Besluit 2011/278/EU van de Commissie van 27 april 2011 tot vaststelling van een voor de hele Unie geldende overgangsregeling voor de geharmoniseerde kosteloze toewijzing van emissierechten overeenkomstig artikel 10 bis van Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 130 van 17.5.2011, blz. 1).

(14)  Besluit 2014/746/EU van de Commissie van 27 oktober 2014 tot vaststelling, overeenkomstig Richtlijn 2003/87/EG van het Europees Parlement en de Raad, van een lijst van bedrijfstakken en deeltakken waarvan wordt vermoed dat ze een significant risico op koolstoflekkage lopen, voor de periode 2015-2019 (PB L 308 van 29.10.2014, blz. 114).

(15)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14.


BIJLAGE I

Bijlage II ter bij Richtlijn 2003/87/EG wordt vervangen door:

BIJLAGE II ter

VERDELING VAN DE MIDDELEN UIT HET MODERNISERINGSFONDS TOT EN MET 31 DECEMBER 2030

 

Aandeel in het moderniseringsfonds

Bulgarije

5,84 %

Tsjechische Republiek

15,59 %

Estland

2,78 %

Kroatië

3,14 %

Letland

1,44 %

Litouwen

2,57 %

Hongarije

7,12 %

Polen

43,41 %

Roemenië

11,98 %

Slowakije

6,13 %

”.

BIJLAGE II

In bijlage IV, deel A, bij Richtlijn 2003/87/EG wordt de alinea onder de vierde titel „Bewaking van de emissies van andere broeikasgassen” vervangen door:

„Er worden genormaliseerde of aanvaarde methoden gebruikt die door de Commissie in samenwerking met alle belanghebbenden worden ontwikkeld en op grond van artikel 14, lid 1, worden goedgekeurd.”.


Top