EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018H0910(25)

Aanbeveling van de Raad van 13 juli 2018 over het nationale hervormingsprogramma 2018 van Finland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2018 van Finland

ST/9435/2018/INIT

OJ C 320, 10.9.2018, p. 112–115 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

10.9.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 320/112


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 13 juli 2018

over het nationale hervormingsprogramma 2018 van Finland en met een advies van de Raad over het stabiliteitsprogramma 2018 van Finland

(2018/C 320/25)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 121, lid 2, en artikel 148, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 1466/97 van de Raad van 7 juli 1997 over versterking van het toezicht op begrotingssituaties en het toezicht op en de coördinatie van het economisch beleid (1), en met name artikel 5, lid 2,

Gezien de aanbeveling van de Europese Commissie,

Gezien de resoluties van het Europees Parlement,

Gezien de conclusies van de Europese Raad,

Gezien het advies van het Comité voor de werkgelegenheid,

Gezien het advies van het Economisch en Financieel Comité,

Gezien het advies van het Comité voor sociale bescherming,

Gezien het advies van het Comité voor de economische politiek,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Op 22 november 2017 heeft de Commissie haar goedkeuring gehecht aan de jaarlijkse groeianalyse en daarmee de aanzet gegeven tot het Europees Semester 2018 voor coördinatie van het economisch beleid. Zij heeft daarbij terdege rekening gehouden met de Europese pijler van sociale rechten, die op 17 november 2017 is afgekondigd door het Europees Parlement, de Raad en de Commissie. De prioriteiten van de jaarlijkse groeianalyse zijn op 22 maart 2018 door de Europese Raad bekrachtigd. Op 22 november 2017 heeft de Commissie op grond van Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad (2) ook het waarschuwingsmechanismeverslag aangenomen, waarin zij Finland niet heeft genoemd als een van de lidstaten die aan een diepgaande evaluatie zouden worden onderworpen. Tevens heeft de Commissie op die datum een aanbeveling voor een aanbeveling van de Raad over het economisch beleid van de eurozone aangenomen, die op 22 maart 2018 door de Europese Raad is bekrachtigd. Op 14 mei 2018 heeft de Raad de aanbeveling over het economisch beleid van de eurozone (3) („aanbeveling voor de eurozone”) vastgesteld.

(2)

Als lidstaat die de euro als munt heeft en in het licht van de grote onderlinge verwevenheid tussen de economieën van de Economische en Monetaire Unie, dient Finland ervoor te zorgen dat volledig en tijdig uitvoering wordt gegeven aan de aanbeveling voor de eurozone, zoals weergegeven in de hieronder opgenomen aanbevelingen, met name aanbeveling 3.

(3)

Op 7 maart 2018 is het landverslag 2018 voor Finland gepubliceerd. Daarin werd de vooruitgang beoordeeld die Finland bij de tenuitvoerlegging van de op 11 juli 2017 (4) door de Raad vastgestelde landspecifieke aanbevelingen heeft gemaakt, alsmede het gevolg dat is gegeven aan de aanbevelingen die in de jaren voordien werden goedgekeurd, en de vooruitgang die Finland met betrekking tot zijn nationale Europa 2020-doelstellingen heeft geboekt.

(4)

Op 13 april 2018 heeft Finland zijn nationale hervormingsprogramma 2018 en zijn stabiliteitsprogramma 2018 ingediend. Om met de onderlinge verbanden tussen beide programma's rekening te houden, zijn deze tegelijkertijd geëvalueerd.

(5)

De betrokken landspecifieke aanbevelingen zijn meegenomen in de programmering voor de Europese structuur- en investeringsfondsen (ESI-fondsen) voor de periode 2014-2020. Op grond van artikel 23 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) kan de Commissie een lidstaat verzoeken zijn partnerschapsovereenkomst en de desbetreffende programma's te herzien, en wijzigingen daarop voorstellen, indien dit nodig is om de uitvoering van de betrokken aanbevelingen van de Raad te ondersteunen. De Commissie heeft in richtsnoeren met betrekking tot de toepassing van de maatregelen die de effectiviteit van de ESI-fondsen koppelen aan gezonde economische governance, nader aangegeven hoe zij van die bepaling zou gebruikmaken.

(6)

Finland valt momenteel onder het preventieve deel van het stabiliteits- en groeipact en is onderworpen aan de schuldregel. In haar stabiliteitsprogramma 2018 gaat de regering uit van een — ten opzichte van het vorige jaar ongewijzigd — nominaal saldo van – 0,6 % van het bbp in 2018. De regering verwacht een verbetering van het saldo in 2019 en een gering overschot in 2020 en 2021. De budgettaire middellangetermijndoelstelling — een structureel tekort van 0,5 % van het bbp — is ruimschoots bereikt in 2017. Naar raming zou het herberekende structurele tekort (6) echter marginaal hoger liggen (0,6 % van het bbp in 2018-2019) en daarna afnemen. De overheidsschuldquote bereikte in 2015 een hoogtepunt van 63,6 % en is dan teruggelopen tot 61,4 % in 2017. Volgens het stabiliteitsprogramma 2018 zal de schuldquote verder dalen en in 2021 uitkomen op 56,7 % van het bbp. Het macro-economische scenario dat aan die begrotingsprognoses ten grondslag ligt, lijkt al bij al plausibel. De grootste risico's voor de begrotingsprognoses houden verband met de mogelijk hoger dan verwachte aanloopkosten voor de geplande hervorming van de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg.

(7)

In het stabiliteitsprogramma 2018 wordt eraan herinnerd dat de kosten ten gevolge van de uitzonderlijke toestroom van vluchtelingen zijn toegenomen en dat de budgettaire impact daarvan aanzienlijk was in 2015-2016. Volgens het stabiliteitsprogramma 2017 zouden de kosten naar raming dalen met 0,15 % van het bbp in 2017. Dit cijfer is niet bevestigd in het stabiliteitsprogramma 2018 en is bijgevolg niet in aanmerking genomen door de Commissie. Bovendien werd in 2017 aan Finland een tijdelijke afwijking (0,5 % van het bbp) van het vereiste aanpassingstraject in de richting van de budgettaire middellangetermijndoelstelling toegestaan in het licht van belangrijke structurele hervormingen, in het bijzonder de pensioenhervorming van 2017 en het pact voor concurrentievermogen, met een positief effect op de langetermijnhoudbaarheid van de overheidsfinanciën. Voorts heeft Finland in 2017 een tijdelijke afwijking van 0,1 % van het bbp gekregen om rekening te houden met nationale investeringsuitgaven in door de Unie medegefinancierde projecten. Volgens een van de criteria om voor de laatstbedoelde afwijking in aanmerking te komen, mogen de totale overheidsinvesteringen niet dalen. De begrotingsresultaten voor 2017 laten een daling van de overheidsinvesteringen in 2017 zien ten opzichte van het voorgaande jaar, terwijl de investeringen in verband met de fondsen van de Unie naar schatting stabiel zijn gebleven. Daarom wordt ervan uitgegaan dat Finland niet meer in aanmerking komt voor een tijdelijke afwijking van 0,1 % van het bbp met betrekking tot nationale investeringsuitgaven in door de Unie medegefinancierde projecten in 2017. De resterende tijdelijke afwijkingen van het aanpassingstraject in de richting van de begrotingsdoelstelling op middellange termijn worden overgedragen zodat ze een periode van drie jaar bestrijken. Bijgevolg belopen de tijdelijke afwijkingen uit hoofde van de clausule inzake buitengewone gebeurtenissen en de clausule inzake structurele hervormingen 0,67 % van het bbp in 2018 en 0,5 % van het bbp in 2019.

(8)

De Raad heeft Finland aanbevolen ervoor te zorgen dat de afwijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in 2018 beperkt blijft tot de marge in verband met de budgettaire gevolgen van buitengewone gebeurtenissen (toegekend voor 2016) en tot de marge in verband met de tenuitvoerlegging van structurele hervormingen en investeringen (toegekend voor 2017). Dit is in overeenstemming met een maximale nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven van 1,9 % in 2018, wat overeenkomt met een toegestane verslechtering van het structurele saldo met 0,1 % van het bbp. Op basis van de voorjaarsprognoses 2018 van de Commissie bestaat het risico dat in 2018 enigszins van de aanbevolen begrotingsaanpassing zal worden afgeweken. Vanwege het beter dan verwachte resultaat voor 2017 zal het verschil ten opzichte van de doelstelling op middellange termijn volgens de huidige raming echter kleiner uitvallen dan de marge uit hoofde van de clausule inzake buitengewone gebeurtenissen en de clausule inzake structurele hervormingen. Indien dit wordt bevestigd, zal hiermee rekening worden gehouden in de ex-postbeoordeling voor 2018.

(9)

Op basis van de voorjaarsprognoses 2018 van de Commissie moet Finland er in 2019 voor zorgen dat de afwijking van de middellangetermijndoelstelling voor de begroting in 2019 beperkt blijft tot de marge in verband met de budgettaire gevolgen van de tenuitvoerlegging van de structurele hervormingen waarvoor in 2017 een tijdelijke afwijking is toegekend. Dit is in overeenstemming met een maximale nominale groeivoet van de netto primaire overheidsuitgaven van 2,9 %, wat overeenkomt met een toegestane verslechtering van het structurele saldo met 0,2 % van het bbp. Geraamd wordt dat Finland bij ongewijzigd beleid zal voldoen aan de vereisten voor 2019. Verder wordt verwacht dat Finland zowel in 2018 als in 2019 aan de schuldreductiebenchmark voldoet. In het algemeen is de Raad van oordeel dat Finland bereid moet zijn verdere maatregelen te nemen om naleving in 2018 te garanderen en naar verwachting in 2019 aan de bepalingen van het stabiliteits- en groeipact zal voldoen.

(10)

Als gevolg van de vergrijzing en de krimpende beroepsbevolking zullen de uitgaven voor pensioenen, gezondheidszorg en langdurige zorg naar verwachting stijgen van 22 % van het bbp in 2016 tot 24 % van het bbp in 2030. De administratieve hervorming en de hervorming van de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg — momenteel in behandeling in het parlement — moeten de stijging van de uitgaven op dit gebied beperken. Andere doelstellingen zijn gelijke toegang tot de gezondheidszorg en inkorting van de wachttijden voor patiënten, met name in probleem- of afgelegen gebieden. Het aandeel zelfverklaarde onvervulde medische behoeften ligt boven het Uniegemiddelde. Vooral mensen die niet tot de beroepsbevolking behoren, ervaren problemen bij het vinden van de nodige medische zorg. Een nieuwe regionale openbare bestuurslaag zal vanaf 2020 de bevoegdheid voor de sociale voorzieningen en de gezondheidszorg in Finland op zich nemen. De hervorming zal de middelen op dit regionale niveau bundelen zodat deze doeltreffender kunnen worden benut. Verder moet een toename van het gebruik van digitale en elektronische diensten de productiviteit verhogen. Tot slot zouden sociale en primaire gezondheidszorgdiensten worden aangeboden door zowel openbare als particuliere sociale en zorgcentra. Dit zou patiënten meer keuzevrijheid geven en zou bovendien kostenbesparingen moeten opleveren vanwege de concurrentie tussen de dienstverleners. De verwezenlijking van deze ambitieuze doelstellingen zal ook afhangen van de keuzes die worden gemaakt tijdens de uitvoering van de hervorming.

(11)

Met een arbeidsparticipatie van 74 % van de beroepsbevolking (20-64 jaar) in 2017 scoorde Finland relatief laag in vergelijking met de andere Noordse landen. De participatie op de arbeidsmarkt lag ook lager, met name voor vrouwen, laaggeschoolde mannen en personen met een migratieachtergrond. De structurele werkloosheid in 2017 was hoog (ca. 7,5 % van de totale beroepsbevolking). Met het oog op de groei van de werkgelegenheid blijft het — ondanks de recente maatregelen van de Finse autoriteiten — zaak om meer prikkels voor het aanvaarden van een baan vast te stellen en een actiever arbeidsmarktbeleid te voeren.

(12)

De val van inactiviteit en werkloosheid vormt nog steeds een obstakel voor een ruimere inzet van de beroepsbevolking. Een belangrijke inactiviteitsval vindt haar oorsprong in het uitkeringsstelsel en de combinatie van verschillende soorten vergoedingen in dat verband. De sociale bijstand en de woonsubsidie vormen een wezenlijk onderdeel van deze val. Deze en andere voordelen worden in zeer snel tempo gekort naarmate het inkomen toeneemt. Hierdoor ontstaat het risico dat het wellicht onvoldoende opbrengt om weer op de arbeidsmarkt aan de slag te gaan. Er wordt van uitgegaan dat de complexiteit van de voorschriften inzake uitkeringen, in combinatie met administratieve praktijken, aanleiding geeft tot aanzienlijke werkloosheidsvallen of „bureaucratische vallen”. Onzekerheid over de omvang van de uitkeringen en de tijd om deze uitkeringen opnieuw toe te kennen, maakt kortstondig of deeltijdwerk minder aantrekkelijk. Tot slot is het mogelijk dat het gebrek aan betaalbare huisvesting in de groeicentra — ondanks een recente toename in de bouw van nieuwe woningen — een extra belemmering vormt voor de arbeidsmobiliteit. Het lopende experiment met het basisinkomen, waarvan de eerste resultaten in 2019 worden verwacht, zal waarschijnlijk informatie opleveren voor de herziening van het socialezekerheidsstelsel. Een hervorming van het ouderschapsverlof is onderzocht om de participatiegraad van vrouwen in de vruchtbare leeftijd te verhogen en gendergelijkheid te bevorderen. De lopende werkzaamheden aan een realtime inkomensregister kunnen een gelegenheid bieden om de efficiëntie van de openbare dienstverlening te verbeteren en de uitkeringen op een doeltreffende manier in evenwicht te brengen.

(13)

De loonvormingspraktijken veranderen en evolueren in de richting van sectorale en lokale loononderhandelingen. Dit zou meer loondifferentiatie tussen (vaak in zeer verschillende omstandigheden werkende) ondernemingen mogelijk moeten maken en zou ervoor moeten zorgen dat de reële loonstijgingen in overeenstemming zijn met de productiviteitsgroei en dat tegelijkertijd betere resultaten worden geboekt op werkgelegenheidsgebied. De meest recente loonovereenkomsten (van eind 2017 en begin 2018) geven georganiseerde werkgevers meer mogelijkheden om lokale loononderhandelingen te voeren. Voor niet-georganiseerde werkgevers blijft een aantal belemmeringen overeind. Er zijn al positieve resultaten geconstateerd en de stand van zaken in het kader van de recente loononderhandelingen wijst op een resultaat met een vrijwel neutraal effect op het kostenconcurrentievermogen. Hoewel formele coördinatie op het gebied van loonovereenkomsten ontbreekt, zijn er praktische aanwijzingen voor het ontstaan van een Fins model, waarin loonstijgingen in de niet-verhandelbare sector gekoppeld zijn aan de verhogingen die worden overeengekomen in de verhandelbare sector.

(14)

Terwijl de activiteits- en de arbeidsparticipatiepercentages geleidelijk weer in de buurt komen van het niveau van voor de crisis, blijkt dat de lagere inzetbaarheid van werklozen en inactieven waarschijnlijk een groot probleem zal worden dat een belemmering kan vormen voor het herstel van de arbeidsmarkt en daardoor afbreuk kan doen aan de duurzaamheid van de Finse socialezekerheidsmaatschappij op lange termijn. De situatie vereist passende en geïntegreerde activerings- en re-integratiediensten voor het werkloze en inactieve deel van de bevolking. De middelen die worden besteed aan openbare arbeidsbemiddelingsdiensten, en meer bepaald gerichte begeleiding, liggen echter onder het Uniegemiddelde. Diensten voor werklozen, met name werklozen met slechtere werkgelegenheidsvooruitzichten, zijn verspreid over een aantal afzonderlijke aanbieders. Integratie of betere coördinatie zou helpen om de schakels in de dienstenketen naadloos op elkaar te laten aansluiten (een „éénloketprocedure” voor werklozen/inactieven). Er zijn verdere inspanningen nodig om de inactieven weer op de arbeidsmarkt te brengen, met name personen in de leeftijdsgroep van 25-49 jaar en personen met een migratieachtergrond. Migranten kunnen de huidige krimp in de beroepsbevolking gedeeltelijk compenseren, mits zij goed geïntegreerd zijn in de arbeidsmarkt en in de Finse samenleving. Tot slot nemen de tekorten aan arbeidskrachten toe, wat waarschijnlijk is terug te voeren op aan de gang zijnde structurele veranderingen in de economie, zoals de vergrijzing. Dit wijst op de noodzaak van verdere investeringen in volwassenenonderwijs en beroepsopleiding om de arbeidsmobiliteit te faciliteren en de discrepantie tussen gevraagde en aangeboden vaardigheden te verminderen.

(15)

De regering heeft maatregelen genomen om het ondernemerschap en de oprichting van bedrijven te bevorderen en heeft ook de beschikbaarheid van leningen en exportgaranties voor kleine en middelgrote ondernemingen verbeterd. Verder mogen werklozen die een bedrijf opstarten, nu gedurende de eerste maanden na de oprichting van hun bedrijf een werkloosheidsuitkering ontvangen. Deze regeling maakt de meeste kans op succes indien ze wordt gecombineerd met opleiding en begeleiding en heeft een korte looptijd zodat de impact ervan kan worden beperkt. Voorts is de sociale bescherming van ondernemers en zelfstandigen op sommige punten nog steeds zwak en is het risico op armoede in Finland voor zelfstandigen hoog in vergelijking met werknemers.

(16)

De schuldenlast van de huishoudens is nog steeds historisch hoog (67 % van het bbp in 2016). De rente over de schuld is voornamelijk variabel, hetgeen een risico inhoudt als de rentevoeten op middellange termijn stijgen. De consumentenkredieten nemen snel toe en een toenemend aandeel van deze leningen wordt verstrekt door buitenlandse banken, andere financiële instellingen dan kredietinstellingen, en bedrijven die kleine leningen verstrekken, alsmede in de vorm van peer-to-peerleningen. De financiële toezichthoudende autoriteit van Finland heeft een aantal maatregelen vastgesteld om de stijging van de schuldenlast van de huishoudens onder controle te houden. Met name vanwege de aanhoudend lage rentevoeten en het sterke consumentenvertrouwen wordt op korte termijn echter geen actieve schuldafbouw verwacht. Het ontbreken van een alomvattend kredietregister (met zowel positieve als negatieve informatie over debiteuren) kan banken beletten een duidelijk overzicht te krijgen van de totale schuldenlast van huishoudens.

(17)

In de context van het Europees Semester 2018 heeft de Commissie een brede analyse van het economische beleid van Finland verricht. Deze analyse is gepubliceerd in het landverslag 2018. Voorts heeft de Commissie zowel het stabiliteitsprogramma 2018 als het nationale hervormingsprogramma 2018 doorgelicht en onderzocht welk gevolg is gegeven aan de aanbevelingen die in eerdere jaren tot Finland zijn gericht. Daarbij heeft de Commissie niet alleen gekeken naar de relevantie ervan voor een houdbaar begrotings- en sociaal-economisch beleid in Finland, maar is zij ook nagegaan in hoeverre de Unieregels en -richtsnoeren in acht zijn genomen, gezien de noodzaak de algehele economische governance van de Unie te versterken door middel van een inbreng op Unieniveau in toekomstige nationale besluiten.

(18)

In het licht van deze beoordeling heeft de Raad het stabiliteitsprogramma 2018 onderzocht, en zijn advies daarover (7) is met name in de onderstaande aanbeveling 1 weergegeven,

BEVEELT AAN dat Finland in 2018 en 2019 de volgende actie onderneemt:

1.

De begrotingsdoelstelling op middellange termijn halen in 2019, rekening houdend met de marges in verband met de tenuitvoerlegging van de structurele hervormingen waarvoor een tijdelijke afwijking is verleend. Ervoor zorgen dat de administratieve hervorming wordt goedgekeurd en uitgevoerd met het oog op een betere kosteneffectiviteit van en gelijke toegang tot sociale voorzieningen en gezondheidszorg.

2.

Zorgen voor betere prikkels om werk te aanvaarden, en zorgen voor adequate en goed geïntegreerde diensten voor werklozen en inactieven.

3.

De monitoring van de schuldenlast van de huishoudens versterken, onder meer door het opzetten van een kredietregistersysteem.

Gedaan te Brussel, 13 juli 2018.

Voor de Raad

De voorzitter

H. LÖGER


(1)  PB L 209 van 2.8.1997, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1176/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 november 2011 betreffende de preventie en correctie van macro-economische onevenwichtigheden (PB L 306 van 23.11.2011, blz. 25).

(3)  PB C 179 van 25.5.2018, blz. 1.

(4)  PB C 261 van 9.8.2017, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(6)  Conjunctuurgezuiverd begrotingssaldo, ongerekend eenmalige en andere tijdelijke maatregelen, herberekend door de Commissie volgens de algemeen aanvaarde methode.

(7)  Op grond van artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1466/97.


Top