EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018D0351

Uitvoeringsbesluit (EU) 2018/351 van de Commissie van 8 maart 2018 tot afwijzing van verbintenissen aangeboden in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland

C/2018/1375

OJ L 67, 9.3.2018, p. 46–53 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2018/351/oj

9.3.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 67/46


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2018/351 VAN DE COMMISSIE

van 8 maart 2018

tot afwijzing van verbintenissen aangeboden in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) 2016/1036 van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2016 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Unie (1) („de basisverordening”), en met name artikel 8,

Met kennisgeving aan de lidstaten,

Overwegende hetgeen volgt:

1.   PROCEDURE

(1)

Bij Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 (2) heeft de Europese Commissie („de Commissie”) een definitief antidumpingrecht ingesteld op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal (WPP) van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland, en heeft zij het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië beëindigd („de definitieve verordening”).

(2)

Tijdens het onderzoek dat leidde tot de instelling van dit recht, hebben vijf producenten-exporteurs uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland prijsverbintenissen aangeboden. Aangezien deze verbintenissen werden aangeboden na de aanvullende mededeling van de definitieve bevindingen, die in een vergevorderd stadium van het onderzoek kwam, was de Commissie niet in staat om binnen de termijn voor de vaststelling van de definitieve verordening te analyseren of dergelijke prijsverbintenissen aanvaardbaar waren. Daar de Commissie deze omstandigheden uitzonderlijk achtte, heeft zij zich ertoe verbonden om de analyse van deze vijf aangeboden verbintenissen op een later tijdstip te voltooien. Na afloop van het onderzoek en de bekendmaking van de definitieve verordening bood een zesde producent-exporteur een prijsverbintenis aan.

(3)

Op 18 december 2017 heeft de Commissie alle belanghebbenden in kennis gesteld van de beoordeling van de aangeboden verbintenissen op grond waarvan zij voornemens is alle aangeboden verbintenissen af te wijzen („beoordeling van de Commissie”). Op basis van deze informatie hebben belanghebbenden schriftelijke opmerkingen ingediend naar aanleiding van de beoordeling, alsook, in sommige gevallen, verdere wijzigingen van hun verbintenissen. Belanghebbenden die verzochten gehoord te worden, werden ook gehoord.

(4)

Op 3 januari 2018 ontving de Commissie een verzoek van de regering van Oekraïne om overleg ingevolge artikel 50 bis van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne (3). Op 26 januari 2018 vond het overleg plaats. Op 31 januari 2018 werden schriftelijke opmerkingen ingediend.

2.   VERBINTENISSEN

(5)

De toereikendheid en praktische haalbaarheid van alle aangeboden verbintenissen werden onderzocht in het licht van het geldende wettelijke kader, met inbegrip van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne in het geval van de Oekraïense producent-exporteur.

2.1.   Aangeboden verbintenissen en de beoordeling ervan

2.1.1.   Companhia Siderúrgica Nacional (Brazilië)

(6)

De producent-exporteur heeft een minimuminvoerprijs (MIP) per ton voor een bepaald volume van uitvoer naar de Unie aangeboden en een andere — hogere — MIP voor een groter volume. De producent-exporteur heeft ook een prijsaanpassingsmechanisme aangeboden.

(7)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de door de producent-exporteur door dumping veroorzaakte schade juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade volledig wegneemt, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis betreft voorts transacties tussen verbonden entiteiten. De aard van een dergelijke band geeft aanleiding tot talrijke mogelijkheden voor kruiscompensatie. Elke andere transactie, lening of schenking tussen de twee verbonden entiteiten zou kunnen worden gebruikt om de MIP te compenseren. De Commissie kan deze transacties niet controleren en zij beschikt niet over geschikte benchmarks om te verifiëren of zij echt of compenserend zijn.

(8)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. De producent-exporteur heeft verbonden ondernemingen in verschillende lidstaten, waarvan sommige het betrokken product verder verwerken. De producent-exporteur verkoopt ook andere producten aan afnemers in de Unie en zijn verbonden importeur verkoopt soortgelijke producten uit andere bronnen. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten alsook de uitvoering van twee verschillende MIP's naargelang het uitvoervolume doeltreffend te controleren.

(9)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie stelde de producent-exporteur dat de in zijn verbintenis voorgestelde MIP de schadelijke gevolgen van dumping wegneemt, aangezien dezelfde MIP in een zeker stadium van het onderzoek door de Commissie is voorgesteld. De producent-exporteur wees erop dat de MIP is gebaseerd op de gewogen gemiddelde invoerprijzen van alle productsoorten. De MIP zou derhalve geen schade berokkenen aan de producenten in de Unie, aangezien goedkoper geprijsde productsoorten aan een hogere dan de eigenlijke prijs zouden worden aangeboden, zodat de duurdere productsoorten zouden worden gecompenseerd. Indien deze redenering zou worden toegepast op de samenstelling van productsoorten van zijn uitvoer in het onderzoektijdvak, zou de MIP volgens de producent-exporteur volstaan om de schadelijke gevolgen van dumping weg te nemen. De producent-exporteur voerde voorts aan dat de MIP, onder meer wegens de wijze waarop de uitvoerprijs is vastgesteld in de definitieve verordening, niet zou moeten worden aangepast voor de verkoop via een verbonden onderneming. Vervolgens heeft de producent-exporteur aangevoerd dat kruiscompensatie om een aantal redenen onmogelijk is, met name omdat kruiscompensatie aan het licht zou komen in de jaarverslagen van de producent-exporteur en zijn verbonden ondernemingen. De producent-exporteur wijzigde tevens zijn aangeboden verbintenis. In de nieuwe verbintenis heeft de producent-exporteur zich ertoe verbonden de wederverkoop van WPP via zijn verbonden entiteit in de Unie stop te zetten en verslag uit te brengen over de uitvoer van andere producten naar de Unie.

(10)

Met betrekking tot de opmerking dat de voorgestelde MIP de schadelijke gevolgen van de dumping wegneemt omdat hij identiek is aan de MIP die de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek heeft voorgesteld, heeft de Commissie opgemerkt dat die oplossing uiteindelijk is afgewezen. De redenen voor deze afwijzing zijn onder meer vermeld in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, die hierboven zijn samengevat in overweging 7. De opmerking dat de MIP is gebaseerd op de gewogen gemiddelde invoerprijzen, deed niet af aan de conclusie dat de MIP voor de duurste productsoorten de schadelijke gevolgen van de dumping niet wegneemt. De Commissie kon geen gegevens vinden ter ondersteuning van het argument dat de schadelijke gevolgen van de dumping door de MIP zouden worden weggenomen vanwege de samenstelling van de productsoorten van de uitvoer tijdens het onderzoektijdvak. De aanvrager heeft evenmin dergelijke gegevens verstrekt. Zelfs indien zij over gegevens ter ondersteuning van dit argument zou beschikken, was de Commissie van oordeel dat niets belet dat de samenstelling van de productsoorten verschuift in de richting van de duurdere productsoorten. In feite zou de toepassing van de MIP zelf een dergelijke verschuiving in de hand kunnen werken. Met betrekking tot de opmerking dat de MIP niet zou moeten worden aangepast voor de verkoop via een verbonden onderneming, zou de Commissie ermee kunnen instemmen dat deze aanpassing, gezien de omstandigheden van het geval in het onderzoektijdvak, en met name de wijze waarop de uitvoerprijs van de producent-exporteur in de definitieve verordening is vastgesteld, inderdaad niet gerechtvaardigd zou zijn. Er is echter geen garantie, met name omdat de ondernemingen verbonden zijn, dat de omstandigheden niet zullen wijzigen. Ten slotte merkte de Commissie met betrekking tot de wijziging van de verbintenis en het risico op kruiscompensatie op dat, terwijl de verbintenis om het betrokken product niet weder te verkopen het risico op kruiscompensatie enigszins zou beperken, de belangrijkste kwestie, namelijk de toepassing van de MIP op transacties tussen verbonden entiteiten, onopgelost blijft. Een dergelijke verbinding tussen twee entiteiten biedt talloze mogelijkheden voor kruiscompensatie die de Commissie niet doeltreffend kan controleren. Zij zouden niet allemaal aan het licht komen in de jaarverslagen, en voor de gevallen waarbij dit wel het geval is, mist de Commissie de geschikte benchmarks om te kunnen beoordelen of het compenserende maatregelen betreft. Een verbintenis die betrekking heeft op verbonden verkoop, kan slechts worden aanvaard indien het betrokken product uiteindelijk aan een onafhankelijke afnemer wordt wederverkocht en de correct aangepaste MIP op die transacties kan worden toegepast. Dit is onmogelijk indien het betrokken product in een ander product wordt omgezet.

2.1.2.   Usinas Siderurgicas de Minas Gerais S.A. (Brazilië)

(11)

De producent-exporteur heeft voor zijn hele uitvoer één MIP per ton aangeboden.

(12)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de door de producent-exporteur door dumping veroorzaakte schade juister weerspiegelde dan één enkele MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot één enkele MIP, dat het recht de schade volledig wegneemt, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis is ook ontoereikend omdat de producent-exporteur geen aanpassingsmechanisme heeft voorgesteld, terwijl de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren.

(13)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. De producent-exporteur heeft een aantal verbonden ondernemingen in verschillende lidstaten en buiten de Unie. Daarnaast voert de producent-exporteur ook andere producten uit naar de Unie. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

2.1.3.   Mobarakeh Steel Company (Iran)

(14)

De producent-exporteur heeft voor zijn hele uitvoer één MIP per ton aangeboden die zou worden aangepast voor de verkoop via zijn handelaar in de Unie.

(15)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis is ook ontoereikend omdat de producent-exporteur geen aanpassingsmechanisme heeft voorgesteld, terwijl de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren.

(16)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. Aangezien de producent-exporteur andere producten naar de Unie uitvoert, zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(17)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie stelde de producent-exporteur dat de Commissie niet vermeldde dat zijn aangeboden verbintenis een afspiegeling betrof van het voorstel van de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek. De producent-exporteur verzocht om een verklaring waarom een aangeboden verbintenis die een afspiegeling betreft van dat voorstel, niet geschikt is. De producent-exporteur voerde aan dat de door hem voorgestelde MIP hoger is dan de door de Commissie tijdens het onderzoek voorgestelde MIP en dat de in de verbintenis voorgestelde MIP dus per definitie de schade voor de bedrijfstak van de Unie wegneemt. Verder voerde de producent-exporteur aan dat er wat betreft het wegnemen van de schadelijke gevolgen van de dumping, geen verschil is tussen een MIP en een specifiek recht per ton, en dat dit argument derhalve irrelevant is. De producent-exporteur voerde aan dat het feit dat hij andere producten naar de Unie uitvoert, niet automatisch een risico op kruiscompensatie creëert. Ten slotte voerde hij aan dat bij de verbintenisfacturen enig risico op ontwijking of kruiscompensatie zou worden weggenomen, net zoals dat bij de geldige handelsfactuur die in het definitieve algemene informatiedocument is voorgesteld, het geval zou zijn.

(18)

De Commissie merkte op dat in haar beoordeling niet alleen gewag wordt gemaakt van de gelijkenissen tussen de aangeboden verbintenis en een in een zeker stadium van het onderzoek overwogen optie. In overweging 15 wijst de Commissie op het deel van de definitieve verordening waarin wordt uitgelegd waarom die optie is afgewezen, en vat zij het samen. Dezelfde redenering geldt voor de opmerking van de producent-exporteur waarin hij verbintenisfacturen vergelijkt met een van de oplossingen die de Commissie overwoog tijdens het onderzoek en uiteindelijk afwees. Het feit dat de door de producent-exporteur voorgestelde MIP hoger is dan de MIP die de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek overwoog, betekent niet dat die MIP per definitie de schadelijke gevolgen van de dumping wegneemt. Het verschil is gering en heeft geen invloed gehad op de redenering dat een gemiddelde MIP ontoereikend is, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. De opmerking dat de MIP en een specifiek recht even ondoeltreffend zijn in dit verband, is ook misplaatst. In tegenstelling tot een MIP dwingt een specifiek recht importeurs om meer te betalen voor duurdere productsoorten, aangezien de marktprijs van een productsoort een deel is van de prijs die zij betalen; het andere deel is het recht. Dit ligt anders in het geval van een MIP, die hetzelfde is voor alle productsoorten. Ten slotte is het inderdaad zo dat de uitvoer van andere producten naar de Unie slechts voor kruiscompensatie kan worden gebruikt indien zij aan dezelfde afnemers worden verkocht als WPP. De Commissie merkte evenwel op dat kruiscompensatie en het risico op kruiscompensatie twee afzonderlijke concepten zijn. De Commissie weet bijvoorbeeld dat de producent-exporteur andere producten naar de Unie uitvoert, maar zij heeft geen gegevens over de afnemers van de producent-exporteur voor deze producten. Het zij met name opgemerkt dat de producent-exporteur niet ontkende andere producten aan zijn WPP-afnemers te verkopen en dat hij zich er eveneens niet toe verbond dit in de toekomst niet meer te zullen doen. Hoewel op basis van deze situatie geen kruiscompensatie kan worden bewezen, vormt zij wel duidelijk een risico op kruiscompensatie dat de Commissie niet kan controleren.

2.1.4.   PJSC Magnitogorsk Iron and Steel Works (Rusland)

(19)

De producent-exporteur heeft twee MIP's per ton aangeboden: één voor platen en één voor rollen. De producent-exporteur heeft ook een prijsaanpassingsmechanisme aangeboden en heeft er zich, in een gewijzigde versie van zijn aangeboden verbintenis, toe verbonden het betrokken product uitsluitend rechtstreeks aan onafhankelijke afnemers in de Unie te verkopen en geen andere producten te verkopen aan zijn WPP-afnemers in de Unie.

(20)

De aangeboden verbintenis van de producent-exporteur werd na afloop van het onderzoek ingediend en moet als zodanig worden afgewezen. Hoewel verbintenissen overeenkomstig artikel 8, lid 2, van de basisverordening in uitzonderlijke omstandigheden mogen worden aangeboden na het verstrijken van de periode waarin overeenkomstig artikel 20, lid 5, van de basisverordening opmerkingen kunnen worden gemaakt, moet een dergelijke verbintenis op een redelijk tijdstip vóór de afronding van het onderzoek worden aangeboden.

(21)

Zelfs indien zij tijdig was aangeboden, zou de verbintenis op basis van twee gemiddelde MIP's echter ontoereikend zijn, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd.

(22)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou daarnaast onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. De producent-exporteur heeft een aantal verbonden ondernemingen en voert ook andere staalproducten uit naar de Unie. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(23)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie gaf de producent-exporteur te kennen dat hij niet akkoord is met de beoordeling hierboven en benadrukte hij het belang van zijn aanvullende verbintenissen om slechts één verkoopkanaal te gebruiken en geen andere producten aan zijn WPP-afnemers te verkopen.

(24)

Met betrekking tot de aanvullende verbintenissen merkte de Commissie op dat het, gezien de internationale structuur van de producent-exporteur en de internationale structuur van zijn afnemers, onmogelijk is om alle beschikbare mogelijkheden voor kruiscompensatie te controleren. Indien bijvoorbeeld de onder de verbintenis vallende ondernemingen geen andere producten aan een WPP-afnemer in de Unie verkopen, staat niets hun verbonden ondernemingen, hetzij in de Unie, hetzij erbuiten, in de weg om aan mogelijk kruiscompenserende transacties met deze afnemers of hun verbonden entiteiten deel te nemen. Hoewel de producent-exporteur niet akkoord was met de beoordeling van de toereikendheid van zijn verbintenis, voerde hij geen aanvullende argumenten aan tegen de conclusie van de Commissie.

2.1.5.   Novolipetsk Steel OJSC (Rusland)

(25)

De producent-exporteur heeft eerst verscheidene MIP's per ton aangeboden, afhankelijk van de productsoort. Daarna wijzigde hij zijn aangeboden verbintenis, waarbij hij één enkele MIP per ton voorstelde voor alle productsoorten, met een op de gemiddelde prijzen van WPP gebaseerd aanpassingsmechanisme. Daarnaast stelde de producent-exporteur een jaarlijkse maximumhoeveelheid voor en verbond hij zich ertoe uitsluitend aan zijn verbonden onderneming in de Unie te verkopen en uitsluitend voor verdere verwerking.

(26)

De aangeboden verbintenis op basis van één gemiddelde MIP is ontoereikend, omdat hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De aangeboden verbintenis betreft voorts transacties tussen verbonden entiteiten. De aard van een dergelijke band geeft aanleiding tot talrijke mogelijkheden voor kruiscompensatie. Elke andere transactie, lening of schenking tussen de twee verbonden entiteiten zou kunnen worden gebruikt om de MIP te compenseren. De Commissie kan deze transacties niet controleren en zij beschikt niet over geschikte benchmarks om te verifiëren of zij echt of compenserend zijn.

(27)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou ook onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. Voorts produceren en verkopen verbonden ondernemingen in de Unie ook het soortgelijke product. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(28)

In zijn antwoord op de beoordeling van de Commissie stelde de producent-exporteur dat de Commissie de twee belangrijkste elementen van zijn verbintenis, namelijk de maximumhoeveelheid en de eindgebruiksverbintenis (enkel verdere verwerking) over het hoofd zag. Volgens de producent-exporteur garanderen deze twee verbintenissen dat uitvoer aan dumpingprijzen zou stoppen, aangezien het betrokken product niet naar de vrije markt van de Unie zou worden uitgevoerd. De producent-exporteur voerde vervolgens aan dat de Commissie in de definitieve verordening geen schade vaststelde op de markt voor intern gebruik. Niettegenstaande deze argumenten en in de geest van volledige samenwerking wijzigde de producent-exporteur zijn aangeboden verbintenis in die zin dat hij op basis van de productsoorten 22 MIP's voorstelde. Wat betreft het risico op kruiscompensatie, heeft de producent-exporteur aangevoerd dat het, aangezien er geen verkoop zal plaatsvinden op de vrije markt, in feite irrelevant is tegen welke minimumprijs het betrokken product binnen de groep wordt verkocht. Aangezien een dergelijke minimumprijs irrelevant is, is het risico op kruiscompensatie evenzeer irrelevant. De producent-exporteur voerde verder aan dat transacties binnen de groep onderworpen zijn aan het verrekenprijsbeleid van de groep en derhalve niet voor kruiscompensatie kunnen worden gebruikt.

(29)

De producent-exporteur heeft tijdens het onderzoektijdvak geen WPP verkocht aan zijn verbonden entiteiten in de Unie. Daarnaast werd de verkoop binnen de groep van WPP voor verdere verwerking, in tegenstelling tot wat de producent-exporteur beweerde, in de definitieve verordening niet buiten beschouwing gelaten in de conclusie inzake schade veroorzakende dumping. Op deze verkoop wordt momenteel het geldende recht geheven en dit kan niet ongedaan worden gemaakt middels een verbintenis. Aangezien het argument van de producent-exporteur dat kruiscompensatie binnen de groep onmogelijk zou zijn, berust op de onjuiste aanname dat verkoop binnen de groep voor verwerking geen schade veroorzakende dumping tot gevolg kan hebben, is dat argument afgewezen. Voorts is het interne verrekenprijsbeleid van de groep het gevolg van een eigen interne beslissing van de groep en als dusdanig geen afdoende garantie tegen kruiscompensatie. Zelfs indien dit wel het geval was, kon kruiscompensatie binnen de groep nog op andere manieren dan via de verkoop van goederen gebeuren. Een verbintenis die betrekking heeft op verbonden verkoop, kan slechts worden aanvaard indien het betrokken product uiteindelijk aan een onafhankelijke afnemer wordt wederverkocht en de correct aangepaste MIP op die transacties kan worden toegepast. Dit is onmogelijk indien het betrokken product in een ander product wordt omgezet. Het aanbod van 22 MIP's op basis van groepen productsoorten kon niet worden aanvaard, aangezien effectieve controle door de douane onmogelijk zou zijn.

2.1.6.   Metinvest Group (Oekraïne)

(30)

In zijn oorspronkelijke aangeboden verbintenis stelde de producent-exporteur twee scenario's voor. Het eerste scenario is gebaseerd op één MIP per ton (de gemiddelde prijs gedurende het onderzoektijdvak, vermeerderd met het recht en aangepast voor de prijsstijging van de grondstoffen na het onderzoektijdvak) en met de mogelijkheid om tegen een prijs lager dan die MIP te verkopen, onder het recht. Het tweede scenario is gebaseerd op een lagere MIP per ton (zonder de aanpassing voor de prijsstijging van de grondstoffen na het onderzoektijdvak) en zonder de mogelijkheid om tegen een prijs lager dan die MIP te verkopen. De producent-exporteur wijzigde vervolgens zijn aangeboden verbintenis door een jaarlijkse maximumhoeveelheid voor verkopen in het kader van de verbintenis toe te voegen.

(31)

De selectieve clausules, waarbij de producent-exporteur in het kader van een verbintenis en daarnaast tegen een prijs lager dan de MIP onder het recht kan verkopen, aanvaardt de Commissie niet, waardoor het enige te overwegen scenario het tweede is. De aanvaarding van een dergelijke clausule zou een kruiscompensatiemechanisme mogelijk maken waarbij transacties op MIP-niveau door transacties tegen prijzen lager dan de MIP zouden kunnen worden gecompenseerd.

(32)

In artikel 50 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne is een voorkeur voor verbintenissen uitgedrukt, op voorwaarde dat de Commissie een werkbare aangeboden verbintenis ontvangt die toereikend is en waarvan de aanvaarding niet onpraktisch wordt geacht. In dit geval heeft de Commissie, om de hierna genoemde redenen, geen werkbare aangeboden verbintenis ontvangen en kan er derhalve geen gevolg worden gegeven aan de voorkeur.

(33)

In de beoordeling van de Commissie zijn verschillende redenen vermeld waarom de aangeboden verbintenis niet toereikend is. De aangeboden verbintenis is gebaseerd op één gemiddelde MIP, waardoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste. Zoals erkend in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, was de Commissie van mening dat een maatregel in de vorm van een ondernemingsspecifiek vast bedrag per ton de voor de producent-exporteur vastgestelde schade veroorzakende dumping juister weerspiegelde dan een MIP. Een dergelijke maatregel garandeert ook, in tegenstelling tot een MIP, dat het recht de schade veroorzakende dumping volledig compenseert, waardoor de bedrijfstak van de Unie onmiddellijk wordt beschermd. De producent-exporteur heeft geen aanpassing voorgesteld wat betreft de verkoop via zijn verbonden ondernemingen. Hoewel de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren, stelde de producent-exporteur geen aanpassingsmechanisme voor. Voorts vallen slechts twee van de drie productievestigingen die het betrokken product gedurende het onderzoektijdvak naar de Unie uitvoerden, onder de verbintenis. Ten slotte stelde de producent-exporteur voor om de verkoop aan verbonden entiteiten in de Unie onder de verbintenis te laten vallen. De aard van een dergelijke band geeft aanleiding tot talrijke mogelijkheden voor kruiscompensatie. Elke andere transactie, lening of schenking tussen de twee verbonden entiteiten zou kunnen worden gebruikt om de MIP te compenseren. De Commissie kan deze transacties niet controleren en zij beschikt niet over geschikte benchmarks om te verifiëren of zij echt of compenserend zijn.

(34)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis zou ook onpraktisch zijn. Gezien de internationale structuur en verkoopactiviteiten van de producent-exporteur zou de voorgestelde prijsverbintenis niet doeltreffend kunnen worden gecontroleerd, waardoor verschillende mogelijkheden voor kruiscompensatie zouden ontstaan. De producent-exporteur heeft verscheidene verbonden ondernemingen in verschillende lidstaten en buiten de Unie, waarvan sommige het soortgelijke product produceren en verkopen. De producent-exporteur verkoopt op de markt van de Unie via een of meer van deze ondernemingen. Het is derhalve onmogelijk voor de Commissie om deze activiteiten doeltreffend te controleren.

(35)

Als antwoord op de beoordeling van de Commissie diende de producent-exporteur een derde versie van zijn aangeboden verbintenis in. In de nieuwe versie van de verbintenis stelde de producent-exporteur vier verschillende MIP's voor en verbond hij zich ertoe niet te verkopen aan lagere prijzen. Volgens de producent-exporteur werd deze wijziging aangebracht ondanks het feit dat de Commissie één enkele MIP voor alle productsoorten aanvaardbaar achtte in een zeker stadium van het onderzoek dat tot de instelling van het recht leidde. Voorts verbond de producent-exporteur zich ertoe de derde productievestiging in de aangeboden verbintenis op te nemen, het betrokken product niet via zijn verbonden entiteiten in de Unie te verkopen, bijzonderheden te verschaffen over zijn verkoop in de Unie van andere producten aan zijn WPP-afnemers in de Unie en het betrokken product niet buiten de Unie te verkopen, noch andere producten aan zijn WPP-afnemers in de Unie te verkopen. Ten slotte stelde de producent-exporteur een lagere jaarlijkse maximumhoeveelheid voor. De producent-exporteur bood aan om de verkoop boven die hoeveelheid aan het geldende antidumpingrecht te onderwerpen.

(36)

Naast deze verbintenissen stelde de regering van Oekraïne tijdens het overleg voor om aan de Commissie uitvoerstatistieken voor het betrokken product te verstrekken en een deskundigengroep op te richten die de uitwisseling van statistische gegevens en andere informatie zou vergemakkelijken.

(37)

Op 5 februari 2018 wijzigde de producent-exporteur zijn aangeboden verbintenis nogmaals. De producent-exporteur voerde aan dat al zijn verkoop is onderworpen aan het strikte prijsstellingsbeleid van de groep, waardoor kruiscompensatie wordt voorkomen. Daarnaast voerde de producent-exporteur aan dat het prijsstellingsbeleid van de groep middels de regelmatige controles van de belastingautoriteiten in de Unie en Zwitserland nauwgezet wordt gecontroleerd. Desondanks verbond de producent-exporteur zich ertoe geen in de Unie geproduceerde WPP en andere door zijn groep geproduceerde producten te verkopen aan zijn WPP-afnemers die het betrokken product kopen. Dit zou gelden voor op één na al zijn afnemers. Deze ene afnemer zou WPP kopen uit Oekraïne en de Unie, alsook andere producten van de groep.

(38)

Met betrekking tot de opmerking dat de Commissie in een zeker stadium van het onderzoek één enkele MIP voor alle productsoorten aanvaardbaar achtte, heeft de Commissie opgemerkt dat die oplossing uiteindelijk is afgewezen. De redenen voor deze afwijzing zijn onder meer vermeld in de overwegingen 632 en 655 van de definitieve verordening, die hierboven zijn samengevat in overweging 33.

(39)

De aangeboden verbintenis blijft om verschillende redenen ontoereikend. Van de vier MIP-groepen uit het voorstel is er amper verkoop in één groep, is er prijsvariatie in een andere groep en zijn er aanzienlijke prijsvariaties in de twee overige groepen. Aangezien de MIP's zijn gebaseerd op de gemiddelde prijzen in elke groep, zullen hierdoor de schadelijke gevolgen van de dumping niet worden weggenomen voor alle productsoorten, met name de duurste in elke groep. Daarnaast werden de niveaus van vier MIP's op volkomen willekeurige wijze vastgesteld. De Commissie ontving geen gegevens ter rechtvaardiging van het verschil tussen de MIP's. Ten slotte stelde de producent-exporteur nog steeds geen aanpassingsmechanisme voor, hoewel de prijzen van WPP in de loop der tijd gewoonlijk aanzienlijk variëren.

(40)

De aanvaarding van de aangeboden verbintenis blijft onpraktisch. De producent-exporteur verbond zich ertoe geen producten te verkopen aan buiten de Unie gevestigde entiteiten van zijn afnemers in de Unie. Deze verbintenis heeft evenwel slechts betrekking op de drie producerende ondernemingen en niet op zijn tientallen verbonden ondernemingen, waaronder de Zwitserse handelaar. Zelfs indien al deze ondernemingen onder de verbintenis zouden vallen, zou deze verbintenis onmogelijk kunnen worden gecontroleerd, gezien de omvang van de groep van de producent-exporteur en de omvang van hun afnemersbestand. Daarnaast stelde de producent-exporteur voor om verslag uit te brengen over de verkoop van andere producten aan zijn WPP-afnemers in de Unie. De Commissie zou echter niet over de geschikte benchmarks beschikken om te controleren of deze transacties van compenserende aard zijn. Terwijl de producent-exporteur zich ertoe verbond om niet via zijn verbonden entiteiten in de Unie te verkopen, verkopen deze entiteiten het soortgelijke product op de markt van de Unie. Terwijl deze transacties betrekking kunnen hebben op dezelfde afnemers en dus ter compensatie kunnen worden aangewend, vallen zij volledig buiten het toepassingsgebied van de verbintenis.

(41)

De op 5 februari 2018 voorgestelde wijziging van de aangeboden verbintenis (namelijk om enkel het betrokken product te verkopen aan al zijn WPP-afnemers in de Unie, met uitzondering van één) neemt de hierboven vermelde bezorgdheid omtrent de uitgesloten afnemer niet weg. Voor de andere afnemers zou het, gezien de omvang van de groep van de producent-exporteur, onmogelijk zijn om te controleren of met de producent-exporteur verbonden ondernemingen andere producten aan de WPP-afnemers in de Unie of hun verbonden entiteiten verkopen. Het interne prijsstellingsbeleid van de producent-exporteur en dat van de afnemer waaraan hij wil verkopen, vormen geen afdoende garantie tegen kruiscompensatie. Daarnaast legde de producent-exporteur niet uit hoe de regelmatige controles van de belastingautoriteiten in de Unie en Zwitserland kruiscompenserende prijzen aan het licht zouden brengen. Ermee instemmen om een product aan een lagere prijs dan anders te verkopen, vormt niet noodzakelijk een overtreding van de belastingregels. Dit maakt deel uit van de dagelijkse prijsonderhandelingen.

(42)

Ten slotte kan verkoop boven de jaarlijkse maximumhoeveelheid met toepassing van het geldende antidumpingrecht niet worden aanvaard, aangezien deze verkoop ter compensatie kan worden aangewend. Dit is in feite een variatie op de selectieve clausules die hierboven in overweging 31 zijn beschreven, met uitstel. Door de maximumhoeveelheid tot ruim onder de historische jaarlijkse uitvoerhoeveelheden te verlagen, verhoogt deze nieuwe aangeboden verbintenis het risico op kruiscompensatie.

(43)

Ondanks de voorkeur voor verbintenissen waaraan in artikel 50 van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne uitdrukking is gegeven, kan de aangeboden verbintenis niet worden aanvaard aangezien zij ontoereikend is. Indien zij toereikend zou zijn geweest, zou de aanvaarding ervan, om de hierboven toegelichte redenen, nog steeds onpraktisch zijn. Geen van de hierboven vermelde bezorgdheden zouden voldoende zijn aangepakt door de uitwisseling van statistische gegevens en de oprichting van de deskundigengroep, zoals tijdens het overleg door de regering van Oekraïne voorgesteld.

2.2.   Conclusie

(44)

Om de bovenstaande redenen kan de Commissie geen van deze aangeboden verbintenissen aanvaarden.

2.3.   Opmerkingen van partijen en afwijzing van de aangeboden verbintenissen

(45)

De belanghebbende partijen zijn geïnformeerd over de redenen die ten grondslag liggen aan dit besluit en zijn in de gelegenheid gesteld opmerkingen te maken en te worden gehoord. Tevens is de regering van Oekraïne de gelegenheid tot het voeren van overleg geboden in overeenstemming met artikel 50 bis van de associatieovereenkomst tussen de EU en Oekraïne. Op 26 januari 2018 vond overleg met de Oekraïense autoriteiten plaats en op 31 januari 2018 diende de regering van Oekraïne schriftelijke opmerkingen in. Daarnaast hebben een aantal hoorzittingen plaatsgevonden met de betrokken producenten-exporteurs en Eurofer, de vertegenwoordiger van de bedrijfstak van de Unie. Alle gedurende dit proces ontvangen opmerkingen zijn hierboven behandeld. Noch de opmerkingen van de belanghebbende partijen, noch het overleg met de regering van Oekraïne gaven aanleiding tot een andere conclusie dan de afwijzing van de aangeboden verbintenissen,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De door de producenten-exporteurs aangeboden verbintenissen in verband met de antidumpingprocedure betreffende de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Oekraïne en Rusland, worden afgewezen.

Artikel 2

Dit besluit treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 8 maart 2018.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 176 van 30.6.2016, blz. 21.

(2)  Uitvoeringsverordening (EU) 2017/1795 van de Commissie van 5 oktober 2017 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Brazilië, Iran, Rusland en Oekraïne, en tot beëindiging van het onderzoek naar de invoer van bepaalde warmgewalste platte producten van ijzer, van niet-gelegeerd staal of van ander gelegeerd staal van oorsprong uit Servië (PB L 258 van 6.10.2017, blz. 24).

(3)  PB L 161 van 29.5.2014, blz. 3.


Top