EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32018D0010(01)

Besluit (EU) 2018/546 van de Europese Centrale Bank van 15 maart 2018 betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van eigenvermogenbesluiten (ECB/2018/10)

PB L 90 van 6.4.2018, p. 105–109 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 26/09/2021

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2018/546/oj

6.4.2018   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 90/105


BESLUIT (EU) 2018/546 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 15 maart 2018

betreffende de delegatie van de bevoegdheid tot vaststelling van eigenvermogenbesluiten (ECB/2018/10)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 26, lid 3, en de artikelen 28, 29, 77 en 78,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (2), en met name artikel 4, lid 1, onder d),

Gezien Besluit (EU) 2017/933 van de Europese Centrale Bank van 16 november 2016 betreffende een algemeen kader voor de delegatie van besluitvormingsbevoegdheden voor met toezichttaken verband houdende rechtsinstrumenten (ECB/2016/40) (3), en met name artikel 4,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Luidens artikel 4, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 moet de Europese Centrale Bank (ECB) als bevoegde autoriteit voor belangrijke onder toezicht staande entiteiten beoordelen of de uitgiften van tier 1-kernkapitaalinstrumenten voldoen aan de in Verordening (EU) nr. 575/2013 uiteengezette criteria. Belangrijke onder toezicht staande entiteiten kunnen kapitaalinstrumenten alleen met voorafgaande toestemming van de ECB als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aanmerken.

(2)

Zoals vereist uit hoofde van artikel 26, lid 3, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, heeft de Europese Bankautoriteit (EBA) een openbare lijst opgesteld van vormen van instrumenten die in elke lidstaat als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt, en werkt zij deze lijst regelmatig bij. Dat een bepaalde vorm van instrumenten op de EBA-lijst staat, impliceert dat het instrument voldoet aan de beleenbaarheidscriteria van artikel 28 van Verordening (EU) nr. 575/2013, of, indien toepasselijk, artikel 29 van die verordening. Gezien het nauwkeurige onderzoek van de vormen van instrumenten door de bevoegde autoriteiten en, na 28 juni 2013, door de EBA, en het openbare karakter en de regelmatige bijwerking van de EBA-lijst, is het aangewezen die lijst te gebruiken om de reikwijdte van de delegatie van besluitvorming uit hoofde van artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vast te stellen.

(3)

Luidens overweging 75 van Verordening (EU) nr. 575/2013 doet die verordening geen afbreuk aan het vermogen van bevoegde autoriteiten om voorafgaande goedkeuringsprocessen in stand te houden met betrekking tot contracten betreffende aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaalinstrumenten. Dienovereenkomstig voert wetgeving van een aantal lidstaten die processen in voor de aanmerking van kapitaalinstrumenten als aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten. De ECB is uit hoofde van artikel 4, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 bevoegd die toestemming aan belangrijke onder toezicht staande entiteiten te verlenen.

(4)

Luidens artikel 4, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 is de ECB is tevens verantwoordelijk voor de verlening van voorafgaande toestemming aan belangrijke onder toezicht staande entiteiten om door hen uitgegeven tier 1-kernkapitaalinstrumenten te verminderen, af te lossen of terug te kopen, zoals toegestaan krachtens nationaal recht, en opvraging, aflossing, terugbetaling of terugkoop van aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten voor hun vervaldag te effectueren.

(5)

Indien de ECB verzoeken van belangrijke onder toezicht staande entiteiten beoordeelt om voorafgaande toestemming tot vermindering van eigen vermogen, past de ECB artikel 78 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en hoofdstuk IV, afdeling 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie (4) toe.

(6)

Als bevoegde autoriteit moet de ECB elk jaar een aanzienlijk aantal eigenvermogenbesluiten vaststellen. Ter bevordering van het besluitvormingsproces is een delegatiebesluit noodzakelijk met betrekking tot de vaststelling van die besluiten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bevestigd dat delegatie van autoriteit noodzakelijk is opdat een instelling die een aanzienlijk aantal besluiten moet vaststellen, haar taken kan vervullen. Evenzo heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie erkend dat het noodzakelijk is de werking van een besluitvormend orgaan te waarborgen, zijnde een beginsel dat inherent is aan alle institutionele stelsels (5).

(7)

Delegatie van besluitvormende bevoegdheden moet beperkt en evenredig zijn en de delegatiereikwijdte moet duidelijk omschreven zijn.

(8)

Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) verduidelijkt de voor de vaststelling van delegatiebesluiten betreffende toezicht te volgen procedure en verduidelijkt tevens aan welke personen besluitvormingsbevoegdheden gedelegeerd mogen worden. Dat besluit doet geen afbreuk aan de vervulling van toezichttaken door de ECB en laat de bevoegdheden van de raad van toezicht onverlet om volledige ontwerpbesluiten aan de Raad van bestuur voor te leggen.

(9)

Indien niet is voldaan aan de in dit besluit vastgelegde criteria voor de vaststelling van een gedelegeerd besluit, moeten besluiten worden vastgesteld overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure van artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2 (6). Voorts moet ook dan de geen-bezwaarprocedure worden gevolgd, indien de hoofden van arbeidseenheden betwijfelen of is voldaan aan de beoordelingscriteria voor eigenvermogenbesluiten, omdat de belangrijke onder toezicht staande entiteit onvoldoende informatie heeft verstrekt, of vanwege de complexiteit van de beoordeling.

(10)

ECB-toezichtbesluiten kunnen administratief getoetst worden overeenkomstig artikel 24 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en zoals nader bepaald in Besluit ECB/2014/16 (7). In geval van een dergelijke administratieve toetsing houdt de raad van toezicht rekening met het advies van de administratieve raad voor toetsing en legt de Raad van bestuur een nieuw ontwerpbesluit voor ter vaststelling uit hoofde van de geen-bezwaarprocedure,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Definities

Binnen het kader van dit besluit zijn de volgende definities van toepassing:

1)   „eigenvermogenbesluit”: een besluit van de ECB betreffende voorafgaande toestemming om een instrument aan te merken als tier 1-kernkapitaalinstrumenten, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten en eigenvermogenverminderingen;

2)   „eigenvermogenvermindering”: elke vorm van in artikel 77 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoeld handelen;

3)   „vermindering met vervanging”: eigenvermogenverminderingen zoals bedoeld in artikel 78, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

4)   „vermindering zonder vervanging”: eigenvermogenverminderingen zoals bedoeld in artikel 78, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

5)   „EBA lijst”: een lijst die het EBA opstelt, bijwerkt en publiceert (8) krachtens artikel 26, lid 3, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 575/2013, welke lijst alle in elke lidstaat voorkomende vormen van kapitaalinstrumenten omvat die op basis van de door elke bevoegde autoriteit verstrekte informatie als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden aangemerkt;

6)   „Tier 1-kernkapitaalinstrument”, „aanvullend-tier 1- en tier 2-instrument”: een kapitaalinstrument dat krachtens Verordening (EU) nr. 575/2013 wordt aangemerkt als tier 1-kernkapitaalinstrument, aanvullend-tier 1- of tier 2-instrument;

7)   „vervangingsinstrument”: het kapitaalinstrument dat het te verminderen, weder in te kopen, op te vragen of af te lossen kapitaalinstrument vervangt, zoals bedoeld in artikel 78, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

8)   „vervangen instrument”: het kapitaalinstrument waarop een in artikel 77 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde handeling van toepassing is en dat wordt vervangen door een vervangingsinstrument binnen het kader van een vermindering met vervanging krachtens artikel 78, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

9)   „Tier 1-kernkapitaalratio”, „tier 1-kapitaalratio” en „totale kapitaalratio”: tier 1-kernkapitaalratio, tier 1-kapitaalratio en totale kapitaalratio zoals bedoeld in artikel 92, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

10)   „SREP-besluit”: een door de ECB op basis van artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1024/2013 vastgesteld besluit, volgend op de jaarlijkse toetsing en evaluatie door de toezichthouder zoals bedoeld in artikel 97 van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (9) en welk besluit prudentiële vereisten vaststelt;

11)   „delegatiebesluit” en „gedelegeerd besluit”: hebben dezelfde betekenis als in artikel 3, onder 2) en 4), van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40);

12)   „hoofden van arbeidseenheden”: hoofden van arbeidseenheden van de ECB aan wie de bevoegdheid werd gedelegeerd om eigenvermogenbesluiten vast te stellen;

13)   „geen-bezwaarprocedure”: de in artikel 26, lid 8, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 uiteengezette procedure die nader uiteengezet wordt in artikel 13 octies van Besluit ECB/2004/2;

14)   „negatief besluit”: een besluit dat geen toestemming verleent of de door de belangrijke onder toezicht staande entiteit verzochte toestemming niet volledig verleent. Een besluit met aanvullende bepalingen, zoals voorwaarden of verplichtingen, wordt als een negatief besluit beschouwd, tenzij die aanvullende bepalingen a) verzekeren dat de onder toezicht staande entiteit voldoet aan eisen van relevant unierecht, zoals bedoeld in artikel 3, lid 4, artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 6, en schriftelijk zijn overeengekomen, of b) slechts één of meer bestaande voorwaarden herhalen waaraan de instelling krachtens artikel 3, lid 4, artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 6, moet voldoen, of informatie vereisen betreffende de naleving van één of meer van die vereisten;

15)   „belangrijke onder toezicht staande entiteit”: een belangrijke onder toezicht staande entiteit zoals bedoeld in artikel 2, punt 16, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (10).

Artikel 2

Delegatie van eigenvermogenbesluiten

1.   Overeenkomstig artikel 4 van Besluit (EU) 2017/933 (ECB/2016/40) delegeert de Raad van bestuur bij deze aan de door de directie overeenkomstig artikel 5 van dat besluit benoemde hoofden van arbeidseenheden de vaststelling van besluiten betreffende a) voorafgaande toestemming voor de aanmerking van kapitaalinstrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten krachtens artikel 26, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013; b) voorafgaande toestemming voor de aanmerking van kapitaalinstrumenten als aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten, indien vereist uit hoofde van nationaal recht, en c) voorafgaande toestemming voor eigenvermogenverminderingen krachtens artikel 77 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

2.   De in lid 1 bedoelde eigenvermogenbesluiten worden middels een gedelegeerd besluit vastgesteld indien is voldaan aan de in de artikelen 3, 4 en 5 bedoelde vaststellingscriteria voor gedelegeerde besluiten.

3.   Eigenvermogenbesluiten worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld indien onvoldoende informatie of de complexiteit van de beoordeling vereist dat ze binnen het kader van de geen-bezwaarprocedure worden vastgesteld.

Artikel 3

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende voorafgaande toestemming om instrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten aan te merken

1.   Besluiten betreffende de aanmerking van kapitaalinstrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten worden middels een gedelegeerd besluit genomen indien de instrumentenvorm, waarvoor om voorafgaande toestemming wordt verzocht, ten tijde van de ontvangst van het verzoek door de ECB op de EBA-lijst stond.

2.   Negatieve besluiten en besluiten krachtens artikel 31 van Verordening (EU) nr. 575/2013 worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld.

3.   Een besluit wordt vastgesteld middels de geen-bezwaarprocedure indien krachtens de leden 1 en 2 een besluit betreffende de aanmerking van kapitaalinstrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten niet kan worden vastgesteld middels een gedelegeerd besluit.

4.   De beoordeling van de aanmerking van kapitaalinstrumenten als tier 1-kernkapitaalinstrumenten wordt overeenkomstig de artikelen 27, 28 en 29 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de artikelen 4 tot en met 11van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 uitgevoerd.

Artikel 4

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende voorafgaande toestemming om instrumenten als aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten aan te merken

1.   Indien uit hoofde van nationaal recht voorafgaande toestemming vereist is, worden besluiten betreffende voorafgaande toestemming om kapitaalinstrumenten aan te merken, als aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten middels een gedelegeerd besluit genomen.

2.   Negatieve besluiten worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld, maar overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure.

3.   De beoordeling van de aanmerking van instrumenten als aanvullend-tier 1- of tier 2-instrumenten wordt overeenkomstig de artikelen 52, 53, 54 en 63 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en de artikelen 8, 9 en 20 tot en met 24 bis van Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 uitgevoerd.

Artikel 5

Criteria voor de vaststelling van gedelegeerde besluiten betreffende voorafgaande toestemming voor eigenvermogenverminderingen

1.   Besluiten betreffende voorafgaande toestemming voor eigenvermogenverminderingen worden middels een gedelegeerd besluit genomen indien is voldaan aan de voorwaarden van hetzij lid 2, hetzij lid 3.

2.   Voor verminderingen met vervanging worden besluiten middels een gedelegeerd besluit genomen indien:

a)

het vervangingsinstrument een tier 1-kernkapitaalinstrument is met een geaggregeerd nominaal bedrag dat minstens gelijk is aan het nominale bedrag van het vervangen instrument, of

b)

het vervangingsinstrument een aanvullend-tier 1-instrument is met een geaggregeerd nominaal bedrag dat minstens gelijk is aan het nominale bedrag van het vervangen instrument, indien het vervangen instrument een aanvullend tier 1-instrument is, of

c)

het vervangingsinstrument een aanvullend-tier 1- of tier 2-instrument is met een geaggregeerd nominaal bedrag dat minstens gelijk is aan het nominale bedrag van het vervangen instrument, indien het vervangen instrument een tier 2-instrument is.

3.   Voor verminderingen zonder vervanging worden besluiten middels een gedelegeerd besluit genomen indien:

a)

volgende op de vermindering het eigen vermogen hoger is dan, en dat naar schatting zo blijft gedurende minstens drie boekjaren na de datum van toepassing, de som van de vereisten van artikel 92, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, het overeenkomstig artikel 16, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013 verplicht aan te houden eigen vermogen, het in artikel 128, punt 6, van Richtlijn 2013/36/EU bedoelde gecombineerdebuffervereiste en de Pijler 2-kaptiaalrichtsnoeren zoals bedoeld in het meest recente SREP-besluit, en

b)

de impact van de verlaging op de tier 1-kernkapitaalratio, de tier 1-kapitaalratio en de totale kapitaalratio minder dan 100 basispunten bedraagt.

4.   Negatieve besluiten worden niet middels een gedelegeerd besluit vastgesteld.

5.   Indien krachtens de leden 1 tot en met 4 een eigenvermogenverminderingbesluit niet kan worden vastgesteld middels een gedelegeerd besluit, wordt het besluit overeenkomstig de geen-bezwaarprocedure vastgesteld.

6.   De beoordeling van een eigenvermogenvermindering wordt uitgevoerd overeenkomstig artikel 78 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en hoofdstuk IV, afdeling 2, van Gedelegeeerde Verordening (EU) nr. 241/2014.

Artikel 6

Overgangsbepaling

Dit besluit is niet van toepassing indien het verzoek bij de ECB werd ingediend voor de inwerkingtreding van dit besluit.

Artikel 7

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag volgende op de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Frankfurt am Main, 15 maart 2018.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(3)  PB L 141 van 1.6.2017, blz. 14.

(4)  Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 241/2014 van de Commissie van 7 januari 2014 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot technische reguleringsnormen betreffende eigenvermogensvereisten voor instellingen (PB L 74 van 14.3.2014, blz. 8).

(5)  AKZO Chemie tegen Commissie, 5/85, ECLI:EU:C:1986:328, punt 37, en Carmine Salvatore Tralli tegen ECB, C-301/02 P, ECLI:EU:C:2005:306, punt 59.

(6)  Besluit ECB/2004/2 van 19 februari 2004 houdende goedkeuring van het reglement van orde van de Europese Centrale Bank (PB L 80 van 18.3.2004, blz. 33).

(7)  Besluit ECB/2014/16 van 14 april 2014 betreffende de oprichting van een administratieve raad voor toetsing en zijn werkwijze (PB L 175 van 14.6.2014, blz. 47).

(8)  Bekendgemaakt op de EBA-website op: www.eba.europa.eu

(9)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(10)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het Gemeenschappelijk Toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).


Top