Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017R2400

Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie van 12 december 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (Voor de EER relevante tekst. )

OJ L 349, 29.12.2017, p. 1–247 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2400/oj

29.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 349/1


VERORDENING (EU) 2017/2400 VAN DE COMMISSIE

van 12 december 2017

tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 18 juni 2009 betreffende de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie, tot wijziging van Verordening (EG) nr. 715/2007 en Richtlijn 2007/46/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 80/1269/EEG, 2005/55/EG en 2005/78/EG (1), en met name artikel 4, lid 3, en artikel 5, lid 4, onder e),

Gezien Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 5 september 2007 tot vaststelling van een kader voor de goedkeuring van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan en van systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd (Kaderrichtlijn) (2), en met name artikel 39, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 595/2009 is een van de bijzondere regelgevingshandelingen in het kader van de bij Richtlijn 2007/46/EG vastgestelde typegoedkeuringsprocedure. Bij die verordening is aan de Commissie de bevoegdheid verleend maatregelen met betrekking tot de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen vast te stellen. Deze verordening strekt tot vaststelling van maatregelen om accurate informatie te verkrijgen over de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen die in de Unie in de handel worden gebracht.

(2)

Richtlijn 2007/46/EG bevat de noodzakelijke vereisten voor de typegoedkeuring van volledige voertuigen.

(3)

Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (3) bevat vereisten betreffende de goedkeuring van zware bedrijfsvoertuigen wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft. Het bij die verordening ingestelde typegoedkeuringssysteem moet ook maatregelen betreffende de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe zware bedrijfsvoertuigen omvatten. Om goedkeuring te kunnen verkrijgen, zal een licentie vereist zijn voor de uitvoering van simulaties om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van een voertuig te bepalen.

(4)

De emissies van vrachtwagens, bussen en touringcars, de meest voorkomende categorieën zware bedrijfsvoertuigen, vertegenwoordigen momenteel zo'n 25 % van de totale CO2-emissies van het wegverkeer en verwacht wordt dat dit percentage nog verder zal toenemen. Om de doelstelling te kunnen verwezenlijken om de CO2-emissies door het vervoer in 2050 met 60 % te verlagen, moeten doeltreffende maatregelen worden genomen om de uitstoot door zware bedrijfsvoertuigen terug te dringen.

(5)

Tot dusver is er in de wetgeving van de Unie geen gemeenschappelijke methode vastgesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen te meten, waardoor het onmogelijk is een objectieve vergelijking van de prestaties van voertuigen te maken of maatregelen op het niveau van de Unie of de lidstaten in te voeren ter bevordering van de introductie van energiezuinigere voertuigen. Hierdoor is de markt niet transparant wat de energiezuinigheid van zware bedrijfsvoertuigen betreft.

(6)

De sector zware bedrijfsvoertuigen is zeer divers en omvat veel verschillende voertuigtypen en modellen, die ook nog eens in hoge mate aan de wensen van klanten worden aangepast. De Commissie heeft een diepgaande analyse van de beschikbare opties voor het meten van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van deze voertuigen verricht en is tot de conclusie gekomen dat de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen met behulp van simulatiesoftware bepaald moeten worden om tegen de laagste kosten unieke gegevens voor elk geproduceerd voertuig te verkrijgen.

(7)

Vanwege de diversiteit van de sector moeten zware bedrijfsvoertuigen worden onderverdeeld in groepen voertuigen met een soortgelijke asconfiguratie, chassisconfiguratie en technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand. Aangezien deze parameters het doel van het voertuig bepalen, moet het daarvan afhangen welke reeks testcycli voor de simulatie wordt gebruikt.

(8)

Aangezien er nog geen software op de markt is waarmee voldaan kan worden aan de eisen voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen, moet de Commissie speciale software ontwikkelen die voor dat doeleinde moet worden gebruikt.

(9)

Die software moet openbaar toegankelijk zijn, aan het opensourcebeginsel voldoen en downloadbaar en uitvoerbaar zijn. In de software moet een simulatietool zijn opgenomen waarmee de CO2-emissies en het brandstofverbruik van specifieke zware bedrijfsvoertuigen kunnen worden berekend. De input van die tool moet bestaan uit gegevens over de kenmerken van de onderdelen, technische eenheden en systemen die een significante invloed hebben op de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen: de motor, de versnellingsbak en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn, de assen, de banden, de aerodynamica en hulpapparatuur. In de software moeten ook voorbewerkingstools zijn opgenomen die gebruikt moeten worden om de inputgegevens van de simulatietool betreffende de motor en de luchtweerstand van het voertuig te controleren en voor te bewerken, alsook een hashingtool dat gebruikt moet worden voor de encryptie van de input- en outputbestanden van de simulatietool.

(10)

Om een realistische beoordeling mogelijk te maken, moet de simulatietool een aantal functies hebben waarmee voertuigen met verschillende ladingen en brandstoffen kunnen worden gesimuleerd voor specifieke testcycli die aan een voertuig worden toegewezen op grond van het gebruik ervan.

(11)

Erkend wordt dat het voor de juiste bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen belangrijk is dat de software goed functioneert en dat het belangrijk is dat de software aan de technologische vooruitgang wordt aangepast; daarom moet de Commissie de software onderhouden en zo nodig actualiseren.

(12)

De simulaties moeten door de voertuigfabrikanten worden uitgevoerd voordat een nieuw voertuig in de Unie geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht wordt. Er moeten ook bepalingen worden vastgesteld betreffende de licentie voor de processen die de voertuigfabrikanten moeten toepassen om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen te berekenen. De processen die de voertuigfabrikanten toepassen bij de verwerking en het gebruik van gegevens om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen met de simulatietool te berekenen, moeten door de goedkeuringsinstanties worden beoordeeld en nauwgezet worden gevolgd om te waarborgen dat de simulaties op de juiste wijze worden verricht. Daarom moet worden bepaald dat voertuigfabrikanten een licentie voor het gebruik van de simulatietool moeten hebben.

(13)

De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de onderdelen, technische eenheden en systemen die een significante invloed op de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen hebben, moeten als input voor de simulatietool worden gebruikt.

(14)

Om de specifieke kenmerken van de individuele onderdelen, technische eenheden en systemen te weerspiegelen en een nauwkeuriger bepaling van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen ervan mogelijk te maken, moeten bepalingen betreffende de certificering van die eigenschappen op basis van tests worden vastgesteld.

(15)

Om de kosten van de certificering te beperken, moeten fabrikanten de mogelijkheid hebben onderdelen, technische eenheden en systemen met soortgelijke kenmerken qua ontwerp en CO2-emissie en brandstofverbruik in families te groeperen. Per familie moet één onderdeel, technische eenheid of systeem met de minst gunstige kenmerken wat CO2-emissies en brandstofverbruik betreft binnen die familie worden getest, en de resultaten daarvan moeten voor de hele familie gelden.

(16)

De kosten van tests kunnen, met name voor bedrijven die onderdelen, technische eenheden of systemen in kleine aantallen fabriceren, een belangrijke belemmering vormen. Om een economisch haalbaar alternatief voor certificering te bieden, moeten voor bepaalde onderdelen, technische eenheden of systemen standaardwaarden worden vastgesteld, die in plaats van de op basis van tests vastgestelde gecertificeerde waarden mogen worden gebruikt. De standaardwaarden moeten echter zodanig worden gekozen dat leveranciers van onderdelen, technische eenheden en systemen worden aangemoedigd een aanvraag tot certificering in te dienen.

(17)

Om te waarborgen dat de door leveranciers van onderdelen, technische eenheden en systemen en door voertuigfabrikanten opgegeven resultaten betreffende de CO2-emissies en het brandstofverbruik juist zijn, moet worden bepaald dat de conformiteit van het gebruik van de simulatietool en van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de relevante onderdelen, technische eenheden en systemen moet worden gecontroleerd en gewaarborgd.

(18)

Om de nationale autoriteiten en het bedrijfsleven voldoende voorbereidingstijd te geven, moet de verplichting om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen en op te geven geleidelijk worden ingevoerd voor de verschillende voertuiggroepen, te beginnen met de voertuigen die binnen de sector van de zware bedrijfsvoertuigen de grootste bijdrage aan de CO2-emissies leveren.

(19)

De in deze verordening vervatte bepalingen maken deel uit van het bij Richtlijn 2007/46/EG vastgestelde kader en vormen een aanvulling op de in Verordening (EU) nr. 582/2011 vastgestelde bepalingen betreffende de typegoedkeuring wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft. Om een duidelijk verband tussen die bepalingen en deze verordening te leggen, moeten Richtlijn 2007/46/EG en Verordening (EU) nr. 582/2011 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(20)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Technisch Comité motorvoertuigen,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening wordt het bij Verordening (EU) nr. 582/2011 vastgestelde wettelijk kader voor de typegoedkeuring van motorvoertuigen en motoren wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, aangevuld door regels vast te stellen voor de verlening van licenties voor het gebruik van een simulatietool ter bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen voordat deze in de Unie verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht worden, voor het gebruik van die simulatietool en voor het opgeven van de aldus bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikswaarden.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is, behoudens artikel 4, tweede alinea, van toepassing op voertuigen van categorie N2, zoals gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG, met een technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand van meer dan 7 500 kg, alsmede op alle voertuigen van categorie N3, zoals gedefinieerd in die bijlage.

2.   In het geval van meerfasentypegoedkeuring van de in lid 1 bedoelde voertuigen is deze verordening alleen van toepassing op basisvoertuigen die ten minste zijn uitgerust met een chassis, een motor, een transmissie, assen en banden.

3.   Deze verordening is niet van toepassing op terreinvoertuigen, voertuigen voor speciale doeleinden en terreinvoertuigen voor speciale doeleinden, zoals gedefinieerd in respectievelijk punt 2.1, punt 2.2 en punt 2.3 van deel A van bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen”: specifieke, voor een onderdeel, technische eenheid of systeem afgeleide eigenschappen die het effect daarvan op de CO2-emissies en het brandstofverbruik van een voertuig bepalen;

2.   „inputgegevens”: informatie over de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid of systeem die door de simulatietool voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van een voertuig wordt gebruikt;

3.   „inputinformatie”: informatie over de kenmerken van een voertuig die door de simulatietool voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van het voertuig wordt gebruikt en niet tot de inputgegevens behoort;

4.   „fabrikant”: de persoon of instantie die jegens de goedkeuringsinstantie verantwoordelijk is voor alle aspecten van het certificeringsproces en voor het waarborgen van de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen. Het is niet essentieel dat die persoon of instantie rechtstreeks betrokken is bij alle constructiefasen van het onderdeel, de technische eenheid of het systeem waarop de certificering betrekking heeft;

5.   „gemachtigde entiteit”: nationale autoriteit die door een lidstaat gemachtigd is van fabrikanten en voertuigfabrikanten relevante informatie over de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een bepaald onderdeel, een bepaalde technische eenheid of een bepaald systeem, respectievelijk over de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen op te vragen;

6.   „transmissie”: voorziening die bestaat uit ten minste twee versnellingen waartussen kan worden geschakeld, waardoor het koppel en het toerental volgens bepaalde verhoudingen worden gewijzigd;

7.   „koppelomvormer”: hydrodynamisch startonderdeel, dat een afzonderlijk onderdeel van de aandrijflijn of de transmissie is, waarbij door seriële overbrenging van vermogen het toerental tussen motor en wiel wordt aangepast en koppelvergroting plaatsvindt;

8.   „ander koppeloverbrengingsonderdeel” (OTTC): met de aandrijflijn verbonden roterend onderdeel dat, afhankelijk van de eigen rotatiesnelheid, koppelverlies produceert;

9.   „aanvullend onderdeel van de aandrijflijn” (ADC): roterend onderdeel van de aandrijflijn dat vermogen naar andere onderdelen van de aandrijflijn overbrengt of verdeelt en, afhankelijk van de eigen rotatiesnelheid, koppelverlies produceert;

10.   „as”: centrale aandrijfas van een draaiend wiel of een tandwiel, die als aandrijvende as van een voertuig fungeert;

11.   „luchtweerstand”: kenmerk van een voertuigconfiguratie betreffende de aerodynamische kracht die in tegengestelde richting van de luchtstroom op een voertuig wordt uitgeoefend en die bij omstandigheden zonder zijwind wordt bepaald als het product van de weerstandscoëfficiënt en de oppervlakte van de dwarsdoorsnede;

12.   „hulpapparatuur”: voertuigonderdelen zoals een motorventilator, stuursysteem, elektrisch systeem, pneumatisch systeem en klimatiseringssysteem (AC) waarvan de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen in bijlage IX zijn gedefinieerd;

13.   „familie van onderdelen”, „familie van technische eenheden” en „familie van systemen”: door de fabrikant bepaalde groep van respectievelijk onderdelen, technische eenheden en systemen die door hun ontwerp soortgelijke CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen hebben;

14.   „ouderonderdeel”, „technische oudereenheid” en „oudersysteem”: respectievelijk onderdeel, technische eenheid en systeem dat/die op zodanige wijze uit een familie van respectievelijk onderdelen, technische eenheden en systemen is gekozen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen ervan het minst gunstige geval van die familie zullen zijn.

Artikel 4

Voertuiggroepen

Voor de toepassing van deze verordening worden motorvoertuigen overeenkomstig tabel 1 van bijlage I in voertuiggroepen ingedeeld.

De artikelen 5 tot en met 22 zijn niet van toepassing op motorvoertuigen van de voertuiggroepen 0, 6, 7, 8, 13, 14, 15 en 17.

Artikel 5

Elektronische hulpmiddelen

1.   De Commissie verstrekt kosteloos de volgende elektronische hulpmiddelen in de vorm van downloadbare en uitvoerbare software:

a)

een simulatietool;

b)

voorbewerkingstools;

c)

een hashingtool.

De Commissie onderhoudt de elektronische hulpmiddelen en verstrekt aanpassingen en updates ervan.

2.   De Commissie stelt de in lid 1 bedoelde elektronische hulpmiddelen beschikbaar via een speciaal elektronisch distributieplatform dat openbaar toegankelijk is.

3.   De simulatietool wordt gebruikt om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen. Deze tool wordt zodanig ontworpen dat bij het gebruik uitgegaan wordt van de in bijlage III gespecificeerde inputinformatie en de in artikel 12, lid 1, bedoelde inputgegevens.

4.   De voorbewerkingstools worden gebruikt om de testresultaten te controleren en te verzamelen en om aanvullende berekeningen voor de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van bepaalde onderdelen, technische eenheden of systemen uit te voeren en die eigenschappen in een door de simulatietool gebruikte vorm om te zetten. De fabrikant gebruikt de voorbewerkingstools nadat hij de in bijlage V, punt 4, bedoelde motortests en de in bijlage VIII, punt 3, bedoelde luchtweerstandstests heeft uitgevoerd.

5.   De hashingtools worden gebruikt om de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid of systeem ondubbelzinnig te koppelen aan het certificeringsdocument ervan, alsook om een voertuig ondubbelzinnig te koppelen aan het in bijlage IV, punt 1, bedoelde gegevensdossier van de fabrikant.

HOOFDSTUK 2

LICENTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL MET HET OOG OP TYPEGOEDKEURING BETREFFENDE EMISSIES EN REPARATIE- EN ONDERHOUDSINFORMATIE

Artikel 6

Aanvraag van een licentie voor het gebruik van de simulatietool om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen

1.   De voertuigfabrikant dient bij de goedkeuringsinstantie een aanvraag in voor een licentie voor het gebruik van de in artikel 5, lid 3, bedoelde simulatietool om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te bepalen van nieuwe voertuigen die tot een of meer voertuiggroepen behoren (hierna „licentie” genoemd).

2.   De licentieaanvraag heeft de vorm van een inlichtingenformulier dat is opgesteld overeenkomstig het model in aanhangsel 1 van bijlage II.

3.   De licentieaanvraag gaat vergezeld van een adequate beschrijving van de door de fabrikant ingestelde processen, overeenkomstig bijlage II, punt 1, om de CO2-emissies en het brandstofverbruik voor alle betrokken voertuiggroepen te bepalen.

De licentieaanvraag gaat ook vergezeld van het beoordelingsverslag dat de goedkeuringsinstantie heeft opgesteld na uitvoering van een beoordeling overeenkomstig bijlage II, punt 2.

4.   De voertuigfabrikant dient uiterlijk tegelijkertijd met de aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft ingevolge artikel 7 van Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie of de aanvraag van EG-typegoedkeuring voor een voertuig wat emissies en de toegang tot reparatie- en onderhoudsinformatie betreft ingevolge artikel 9 van die verordening een overeenkomstig de leden 2 en 3 opgestelde licentieaanvraag bij de goedkeuringsinstantie in. De licentieaanvraag betreft de voertuiggroep waartoe het type voertuig behoort waarop de aanvraag van EG-typegoedkeuring betrekking heeft.

Artikel 7

Administratieve bepalingen betreffende de verlening van de licentie

1.   De goedkeuringsinstantie verleent de licentie indien de fabrikant een aanvraag overeenkomstig artikel 6 indient en aantoont dat voor de betrokken voertuiggroepen voldaan is aan de voorschriften in bijlage II.

Als slechts voor enkele van de in de licentieaanvraag vermelde voertuiggroepen aan de voorschriften in bijlage II wordt voldaan, wordt de licentie alleen voor die voertuiggroepen verleend.

2.   De verleende licentie is in overeenstemming met het model in aanhangsel 2 van bijlage II.

Artikel 8

Latere wijziging van de ingestelde processen om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van voertuigen te bepalen

1.   Een licentie wordt uitgebreid tot andere voertuiggroepen dan die waarvoor overeenkomstig artikel 7, lid 1, een licentie is verleend, als de voertuigfabrikant aantoont dat de processen die hij heeft ingesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de onder de licentie vallende voertuiggroepen te bepalen, ook voor die andere voertuiggroepen volledig aan de voorschriften van bijlage II voldoen.

2.   De voertuigfabrikant verzoekt overeenkomstig artikel 6, leden 1, 2 en 3, om uitbreiding van de licentie.

3.   Nadat de licentie aan de voertuigfabrikant is verleend, stelt hij de goedkeuringsinstantie onverwijld in kennis van wijzigingen in de processen die hij heeft ingesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de onder de licentie vallende voertuiggroepen te bepalen die van invloed kunnen zijn op de nauwkeurigheid, betrouwbaarheid en stabiliteit van die processen.

4.   Bij ontvangst van de in lid 3 bedoelde kennisgeving informeert de goedkeuringsinstantie de voertuigfabrikant of de processen waarop de wijzigingen betrekking hebben, onder de verleende licentie blijven vallen, dan wel of de licentie overeenkomstig de leden 1 en 2 moet worden uitgebreid, dan wel of een nieuwe licentie overeenkomstig artikel 6 moet worden aangevraagd.

5.   Als de wijzigingen niet onder de licentie vallen, dient de fabrikant binnen een maand na ontvangst van de in lid 4 bedoelde informatie een aanvraag tot uitbreiding van de licentie of tot verlening van een nieuwe licentie in. Als de fabrikant binnen die termijn geen aanvraag tot uitbreiding van de licentie of tot verlening van een nieuwe licentie indient, of als de aanvraag wordt afgewezen, wordt de licentie ingetrokken.

HOOFDSTUK 3

GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK TE BEPALEN MET HET OOG OP REGISTRATIE, VERKOOP EN IN HET VERKEER BRENGEN VAN NIEUWE VOERTUIGEN

Artikel 9

Verplichting om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen te bepalen en op te geven

1.   Voor elk nieuw voertuig dat in de Unie verkocht, geregistreerd of in het verkeer gebracht zal worden, bepaalt de voertuigfabrikant de CO2-emissies en het brandstofverbruik met behulp van de meest recente versie van de in artikel 5, lid 3, bedoelde simulatietool die beschikbaar is.

Een voertuigfabrikant mag de simulatietool alleen voor de doeleinden van dit artikel gebruiken als hij beschikt over een licentie die overeenkomstig artikel 7 voor de betrokken voertuiggroep is verleend of overeenkomstig artikel 8, lid 1, tot de betrokken voertuiggroep is uitgebreid.

2.   De voertuigfabrikant legt de resultaten van de overeenkomstig lid 1, eerste alinea, verrichte simulatie vast in het gegevensdossier van de fabrikant, dat overeenkomstig het model in bijlage IV, deel I, wordt opgesteld.

Met uitzondering van de in artikel 21, lid 3, tweede alinea, en artikel 23, lid 6, bedoelde gevallen, is het verboden later wijzigingen in het gegevensdossier van de fabrikant aan te brengen.

3.   De fabrikant maakt met behulp van de in artikel 5, lid 5, bedoelde hashingtool een cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant.

4.   Elk voertuig dat geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zal worden, gaat vergezeld van het klanteninformatiedossier, dat de fabrikant overeenkomstig het model in bijlage IV, deel II, opstelt.

Elk klanteninformatiedossier bevat een afdruk van de in lid 3 bedoelde cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant.

5.   Elk voertuig dat geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zal worden, gaat vergezeld van een certificaat van overeenstemming dat een afdruk van de in lid 3 bedoelde cryptografische hash van het gegevensdossier van de fabrikant bevat.

De eerste alinea is niet van toepassing op voertuigen die overeenkomstig artikel 24 van Richtlijn 2007/46/EG worden goedgekeurd.

Artikel 10

Wijzigingen, updates en storingen van de elektronische hulpmiddelen

1.   Als de simulatietool wordt gewijzigd of geüpdatet, gebruikt de voertuigfabrikant de gewijzigde of geüpdatete simulatietool uiterlijk vanaf drie maanden nadat de wijzigingen en updates op het speciale elektronische distributieplatform beschikbaar zijn gesteld.

2.   Als de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen door een storing van de simulatietool niet overeenkomstig artikel 9, lid 1, kunnen worden bepaald, stelt de voertuigfabrikant de Commissie daarvan onverwijld in kennis via het speciale elektronische distributieplatform.

3.   Als de CO2-emissies en het brandstofverbruik van nieuwe voertuigen door een storing van de simulatietool niet overeenkomstig artikel 9, lid 1, kunnen worden bepaald, verricht de voertuigfabrikant de simulatie voor die voertuigen uiterlijk zeven kalenderdagen na de in lid 1 bedoelde datum. Tot die tijd worden de uit artikel 9 voortvloeiende verplichtingen opgeschort voor de voertuigen waarvoor de CO2-emissies en het brandstofverbruik niet kunnen worden bepaald.

Artikel 11

Toegankelijkheid van de input- en outputinformatie van de simulatietool

1.   De voertuigfabrikant bewaart het gegevensdossier van de fabrikant gedurende ten minste twintig jaar na de productie van het voertuig, samen met de certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, systemen en technische eenheden; zij moeten op verzoek voor de goedkeuringsinstantie en de Commissie beschikbaar zijn.

2.   Op verzoek van een gemachtigde entiteit van een lidstaat of van de Commissie verstrekt de voertuigfabrikant binnen vijftien werkdagen het gegevensdossier van de fabrikant.

3.   Op verzoek van een gemachtigde entiteit van een lidstaat of van de Commissie verstrekt de goedkeuringsinstantie die de licentie overeenkomstig artikel 7 heeft verleend of de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een onderdeel, technische eenheid of systeem overeenkomstig artikel 17 heeft gecertificeerd, binnen vijftien werkdagen het in artikel 6, lid 2, respectievelijk artikel 16, lid 2, bedoelde inlichtingenformulier.

HOOFDSTUK 4

CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN ONDERDELEN, TECHNISCHE EENHEDEN EN SYSTEMEN

Artikel 12

Onderdelen, technische eenheden en systemen die van belang zijn voor de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik

1.   De in artikel 5, lid 3, bedoelde inputgegevens van de simulatietool omvatten informatie over de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de volgende onderdelen, technische eenheden en systemen:

a)

motoren;

b)

transmissies;

c)

koppelomvormers;

d)

andere koppeloverbrengingsonderdelen;

e)

aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

f)

assen;

g)

luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen;

h)

hulpapparatuur;

i)

banden.

2.   De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in lid 1, onder b) tot en met g) en i), bedoelde onderdelen, technische eenheden en systemen worden gebaseerd op hetzij de waarden die voor elke familie van onderdelen, technische eenheden of systemen overeenkomstig artikel 14 zijn bepaald en overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd („gecertificeerde waarden”), hetzij, als er geen gecertificeerde waarden zijn, de overeenkomstig artikel 13 bepaalde standaardwaarden.

3.   De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van motoren worden gebaseerd op de waarden die voor elke familie van motoren overeenkomstig artikel 14 zijn bepaald en overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd.

4.   De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van hulpapparatuur worden gebaseerd op de overeenkomstig artikel 13 bepaalde standaardwaarden.

5.   In het in artikel 2, lid 2, bedoelde geval worden de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in lid 1, onder g) en h), bedoelde onderdelen, technische eenheden en systemen die niet voor het basisvoertuig kunnen worden bepaald, op de standaardwaarden gebaseerd. Voor de onder h) bedoelde onderdelen, technische eenheden en systemen kiest de voertuigfabrikant de technologie met de grootste vermogensverliezen.

Artikel 13

Standaardwaarden

1.   De standaardwaarden voor transmissies worden overeenkomstig aanhangsel 8 van bijlage VI bepaald.

2.   De standaardwaarden voor koppelomvormers worden overeenkomstig aanhangsel 9 van bijlage VI bepaald.

3.   De standaardwaarden voor andere koppeloverbrengingsonderdelen worden overeenkomstig aanhangsel 10 van bijlage VI bepaald.

4.   De standaardwaarden voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn worden overeenkomstig aanhangsel 11 van bijlage VI bepaald.

5.   De standaardwaarden voor assen worden overeenkomstig aanhangsel 3 van bijlage VII bepaald.

6.   De standaardwaarden voor de luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen worden overeenkomstig aanhangsel 7 van bijlage VIII bepaald.

7.   De standaardwaarden voor hulpapparatuur worden overeenkomstig bijlage IX bepaald.

8.   De standaardwaarde voor banden is de waarde voor C3-banden die vermeld is in tabel 2 van deel B van bijlage II bij Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad (4).

Artikel 14

Gecertificeerde waarden

1.   De voertuigfabrikant mag de overeenkomstig de leden 2 tot en met 9 bepaalde waarden als inputgegevens van de simulatietool gebruiken als zij overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd.

2.   De gecertificeerde waarden voor motoren worden overeenkomstig bijlage V, punt 4, bepaald.

3.   De gecertificeerde waarden voor transmissies worden overeenkomstig bijlage VI, punt 3, bepaald.

4.   De gecertificeerde waarden voor koppelomvormers worden overeenkomstig bijlage VI, punt 4, bepaald.

5.   De gecertificeerde waarden voor andere koppeloverbrengingsonderdelen worden overeenkomstig bijlage VI, punt 5, bepaald.

6.   De gecertificeerde waarden voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn worden overeenkomstig bijlage VI, punt 6, bepaald.

7.   De gecertificeerde waarden voor assen worden overeenkomstig bijlage VII, punt 4, bepaald.

8.   De gecertificeerde waarden voor de luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen worden overeenkomstig bijlage VIII, punt 3, bepaald.

9.   De gecertificeerde waarden voor banden worden overeenkomstig bijlage X bepaald.

Artikel 15

Familieconcept voor onderdelen, technische eenheden en systemen waarbij gecertificeerde waarden worden gebruikt

1.   Behoudens de leden 3 tot en met 6 gelden de voor een ouderonderdeel, technische oudereenheid of oudersysteem bepaalde gecertificeerde waarden, zonder nadere tests, voor alle leden van de familie overeenkomstig de familiedefinitie in:

aanhangsel 6 van bijlage VI voor het familieconcept van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

aanhangsel 4 van bijlage VII voor het familieconcept van assen;

aanhangsel 5 van bijlage VIII voor het familieconcept met het oog op het bepalen van de luchtweerstand.

2.   Onverminderd lid 1 worden de gecertificeerde waarden voor alle motoren die lid zijn van een overeenkomstig de familiedefinitie in aanhangsel 3 van bijlage V gecreëerde familie van motoren, overeenkomstig bijlage V, onderdelen 4, 5 en 6, afgeleid.

Een familie van banden bestaat uit slechts één bandentype.

3.   De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem mogen niet beter zijn dan de eigenschappen van een van de leden van dezelfde familie.

4.   De fabrikant verstrekt bewijzen aan de goedkeuringsinstantie waaruit blijkt dat het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem volledig representatief is voor de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen.

Als de goedkeuringsinstantie bij tests voor de doeleinden van artikel 16, lid 3, tweede alinea, vaststelt dat het gekozen ouderonderdeel, de gekozen technische oudereenheid of het gekozen oudersysteem niet volledig representatief is voor de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen, kan de goedkeuringsinstantie een ander onderdeel, een andere technische eenheid of een ander systeem kiezen dat als referentie dient, wordt getest en het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem wordt.

5.   Op verzoek van de fabrikant kunnen, met toestemming van de goedkeuringsinstantie, in het certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen in plaats van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem de eigenschappen van een ander specifiek onderdeel, een andere specifieke technische eenheid of een ander specifiek systeem worden vermeld.

De CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van dat specifieke onderdeel, die specifieke technische eenheid of dat specifieke systeem worden overeenkomstig artikel 14 bepaald.

6.   Als de overeenkomstig lid 5 bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het specifieke onderdeel, de specifieke technische eenheid of het specifieke systeem hogere waarden opleveren dan die van respectievelijk het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem, wordt dat onderdeel, die technische eenheid of dat systeem door de fabrikant van de bestaande familie uitgesloten en aan een nieuwe familie toegewezen en als het nieuwe ouderonderdeel, de nieuwe technische oudereenheid of het nieuwe oudersysteem van die familie aangeduid, of dient de fabrikant een aanvraag tot uitbreiding van de certificering ingevolge artikel 18 in.

Artikel 16

Aanvraag tot certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden of systemen

1.   De aanvraag tot certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een familie van onderdelen, technische eenheden of systemen wordt ingediend bij de goedkeuringsinstantie.

2.   De aanvraag tot certificering heeft de vorm van een inlichtingenformulier dat is opgesteld overeenkomstig het model in:

aanhangsel 2 van bijlage V voor motoren;

aanhangsel 2 van bijlage VI voor transmissies;

aanhangsel 3 van bijlage VI voor koppelomvormers;

aanhangsel 4 van bijlage VI voor andere koppeloverbrengingsonderdelen;

aanhangsel 5 van bijlage VI voor aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

aanhangsel 2 van bijlage VII voor assen;

aanhangsel 2 van bijlage VIII voor luchtweerstand;

aanhangsel 2 van bijlage X voor banden.

3.   De aanvraag tot certificering gaat vergezeld van een toelichting op de ontwerpelementen van de familie van onderdelen, technische eenheden of systemen die een niet-verwaarloosbaar effect hebben op de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken onderdelen, technische eenheden of systemen.

De aanvraag gaat ook vergezeld van de desbetreffende testrapporten van een goedkeuringsinstantie, de testresultaten en een door een goedkeuringsinstantie afgegeven verklaring van overeenstemming ingevolge punt 1 van bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG.

Artikel 17

Administratieve bepalingen betreffende de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

1.   Als aan alle toepasselijke voorschriften is voldaan, certificeert de goedkeuringsinstantie de waarden betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen.

2.   In het in lid 1 bedoelde geval geeft de goedkeuringsinstantie een certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen af overeenkomstig het model in:

aanhangsel 1 van bijlage V voor motoren;

aanhangsel 1 van bijlage VI voor transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

aanhangsel 1 van bijlage VII voor assen;

aanhangsel 1 van bijlage VIII voor luchtweerstand;

aanhangsel 1 van bijlage X voor banden.

3.   De goedkeuringsinstantie kent een certificeringsnummer toe overeenkomstig het nummeringssysteem in:

aanhangsel 6 van bijlage V voor motoren;

aanhangsel 7 van bijlage VI voor transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

aanhangsel 5 van bijlage VII voor assen;

aanhangsel 8 van bijlage VIII voor luchtweerstand;

aanhangsel 1 van bijlage X voor banden.

De goedkeuringsinstantie mag hetzelfde nummer niet aan een andere familie van onderdelen, technische eenheden of systemen toekennen. Het certificeringsnummer dient als identificatiemiddel van het testrapport.

4.   De goedkeuringsinstantie maakt met behulp van de in artikel 5, lid 5, bedoelde hashingtool een cryptografische hash van het bestand met de testresultaten, dat ook het certificeringsnummer omvat. Dit gebeurt onmiddellijk nadat de testresultaten zijn geproduceerd. De goedkeuringsinstantie drukt die hash, evenals het certificeringsnummer, af op het certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

Artikel 18

Uitbreiding van een familie van onderdelen, technische eenheden of systemen met een nieuw onderdeel, een nieuwe technische eenheid of een nieuw systeem

1.   Op verzoek van de fabrikant kan, met goedkeuring van de goedkeuringsinstantie, een nieuw onderdeel, een nieuwe technische eenheid of een nieuw systeem in een gecertificeerde familie van onderdelen, technische eenheden of systemen worden opgenomen, mits voldaan wordt aan de criteria voor de familiedefinitie in:

aanhangsel 3 van bijlage V voor het familieconcept van motoren;

aanhangsel 6 van bijlage VI voor het familieconcept van transmissies, koppelomvormers, andere koppeloverbrengingsonderdelen en aanvullende onderdelen van de aandrijflijn;

aanhangsel 4 van bijlage VII voor het familieconcept van assen;

aanhangsel 5 van bijlage VIII voor het familieconcept met het oog op het bepalen van de luchtweerstand.

In dat geval geeft de goedkeuringsinstantie een herzien certificaat af, dat voorzien is van een uitbreidingsnummer.

De fabrikant wijzigt het in artikel 16, lid 2, bedoelde inlichtingenformulier en verstrekt dit aan de goedkeuringsinstantie.

2.   Als de overeenkomstig lid 1 bepaalde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van het specifieke onderdeel, de specifieke technische eenheid of het specifieke systeem hogere waarden opleveren dan die van respectievelijk het ouderonderdeel, de technische oudereenheid of het oudersysteem, wordt dat onderdeel, die technische eenheid of dat systeem respectievelijk het nieuwe ouderonderdeel, de nieuwe technische oudereenheid of het nieuwe oudersysteem.

Artikel 19

Latere wijzigingen die van belang zijn voor de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

1.   De fabrikant stelt de goedkeuringsinstantie in kennis van wijzigingen in het ontwerp of het fabricageproces van de betrokken onderdelen, technische eenheden of systemen die plaatsvinden na de certificering van de waarden betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen uit hoofde van artikel 17 en die een niet-verwaarloosbaar effect kunnen hebben op de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van die onderdelen, technische eenheden en systemen.

2.   Bij ontvangst van de in lid 1 bedoelde kennisgeving informeert de goedkeuringsinstantie de fabrikant of de onderdelen, technische eenheden of systemen waarop de wijzigingen betrekking hebben, onder het afgegeven certificaat blijven vallen, dan wel of aanvullende tests overeenkomstig artikel 14 noodzakelijk zijn om het effect van de wijzigingen op de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken onderdelen, technische eenheden of systemen te controleren.

3.   Als de onderdelen, technische eenheden of systemen waarop de wijzigingen betrekking hebben, niet onder het certificaat vallen, dient de fabrikant binnen een maand nadat hij die informatie van de goedkeuringsinstantie heeft ontvangen, een nieuwe aanvraag tot certificering of een aanvraag tot uitbreiding uit hoofde van artikel 18 in. Als de fabrikant binnen die termijn geen nieuwe aanvraag tot certificering of aanvraag tot uitbreiding indient, of als de aanvraag wordt afgewezen, wordt het certificaat ingetrokken.

HOOFDSTUK 5

CONFORMITEIT VAN HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL, DE INPUTINFORMATIE EN DE INPUTGEGEVENS

Artikel 20

Verantwoordelijkheden van de voertuigfabrikant en de goedkeuringsinstantie in verband met de conformiteit van het gebruik van de simulatietool

1.   De voertuigfabrikant neemt de nodige maatregelen om te waarborgen dat de ingestelde processen om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te bepalen van alle voertuiggroepen die onder de krachtens artikel 7 verleende licentie of de uitbreiding van de licentie krachtens artikel 8, lid 1, vallen, toereikend blijven voor dat doel.

2.   De goedkeuringsinstantie verricht vier keer per jaar een beoordeling, zoals bedoeld in punt 2 van bijlage II, om te controleren of de processen die de fabrikant heeft ingesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik te bepalen van alle voertuiggroepen die onder de licentie vallen, nog toereikend zijn. Bij die beoordeling wordt ook de selectie van de inputinformatie en de inputgegevens gecontroleerd en worden de door de fabrikant uitgevoerde simulaties herhaald.

Artikel 21

Corrigerende maatregelen in verband met de conformiteit van het gebruik van de simulatietool

1.   Als de goedkeuringsinstantie ingevolge artikel 20, lid 2, vaststelt dat de processen die de voertuigfabrikant heeft ingesteld om de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de betrokken voertuiggroepen te bepalen, niet in overeenstemming zijn met de licentie of met deze verordening, of kunnen leiden tot een onjuiste bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de betrokken voertuigen, verzoekt de goedkeuringsinstantie de fabrikant uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek van de goedkeuringsinstantie een plan van corrigerende maatregelen in te dienen.

Als de voertuigfabrikant aantoont dat er meer tijd nodig is om het plan van corrigerende maatregelen in te dienen, kan de goedkeuringsinstantie de termijn met ten hoogste dertig kalenderdagen verlengen.

2.   Het plan van corrigerende maatregelen is van toepassing op alle voertuiggroepen die de goedkeuringsinstantie in haar verzoek heeft aangeduid.

3.   Het plan van corrigerende maatregelen wordt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd of afgewezen. De goedkeuringsinstantie stelt de fabrikant en alle andere lidstaten in kennis van haar besluit om het plan van corrigerende maatregelen goed te keuren of af te wijzen.

De goedkeuringsinstantie kan van de voertuigfabrikant verlangen dat deze een nieuw gegevensdossier van de fabrikant, klanteninformatiedossier en certificaat van overeenstemming op basis van een nieuwe bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik verstrekt, waarin de overeenkomstig het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen toegepaste wijzigingen tot uitdrukking komen.

4.   De fabrikant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen.

5.   Als de goedkeuringsinstantie het plan van corrigerende maatregelen heeft afgewezen of vaststelt dat de corrigerende maatregelen niet op de juiste wijze worden toegepast, neemt zij de nodige maatregelen om de conformiteit van het gebruik van de simulatietool te waarborgen of trekt zij de licentie in.

Artikel 22

Verantwoordelijkheden van de fabrikant en de goedkeuringsinstantie in verband met de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

1.   De fabrikant neemt de nodige maatregelen overeenkomstig bijlage X bij Richtlijn 2007/46/EG om te waarborgen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in artikel 12, lid 1, vermelde onderdelen, technische eenheden en systemen die overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd, niet afwijken van de gecertificeerde waarden.

Deze maatregelen omvatten ook:

de in aanhangsel 4 van bijlage V beschreven procedures voor motoren;

de in bijlage VI, punt 7, beschreven procedures voor transmissies;

de in bijlage VII, punten 5 en 6, beschreven procedures voor assen;

de in aanhangsel 6 van bijlage VIII beschreven procedures voor de luchtweerstand van de carrosserie of de aanhangwagen;

de in bijlage X, punt 4, beschreven procedures voor banden.

Wanneer de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een lid van een familie van onderdelen, technische eenheden of systemen overeenkomstig artikel 15, lid 5, zijn gecertificeerd, dient de voor dat lid van de familie gecertificeerde waarde als referentiewaarde voor de controle van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

Als bij de in de eerste en tweede alinea bedoelde maatregelen een afwijking van de gecertificeerde waarden wordt vastgesteld, stelt de fabrikant de goedkeuringsinstantie daarvan onmiddellijk in kennis.

2.   De fabrikant verstrekt jaarlijks testrapporten met de resultaten van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde procedures aan de goedkeuringsinstantie die de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen heeft gecertificeerd. De fabrikant stelt de testrapporten op verzoek ter beschikking van de Commissie.

3.   De fabrikant zorgt ervoor dat van de in lid 1, tweede alinea, bedoelde procedures er ten minste 1 op de 25, of, met uitzondering van de banden, ten minste één procedure per jaar, betreffende een familie van onderdelen, technische eenheden of systemen, wordt gecontroleerd door een andere goedkeuringsinstantie dan de instantie die heeft deelgenomen aan de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen uit hoofde van artikel 16.

4.   Alle goedkeuringsinstanties mogen te allen tijde controles betreffende onderdelen, technische eenheden en systemen in de bedrijfsruimten van de fabrikant of de voertuigfabrikant verrichten om te controleren of de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van die onderdelen, technische eenheden en systemen niet afwijken van de gecertificeerde waarden.

De fabrikant en de voertuigfabrikant verstrekken de goedkeuringsinstantie op haar verzoek binnen vijftien werkdagen alle relevante documenten, monsters en andere materialen die in zijn bezit zijn en nodig zijn om de controles betreffende een onderdeel, technische eenheid of systeem te verrichten.

Artikel 23

Corrigerende maatregelen in verband met de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van onderdelen, technische eenheden en systemen

1.   Als de goedkeuringsinstantie ingevolge artikel 22 vaststelt dat de maatregelen die de fabrikant heeft genomen om te waarborgen dat de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de in artikel 12, lid 1, vermelde onderdelen, technische eenheden en systemen die overeenkomstig artikel 17 zijn gecertificeerd, niet afwijken van de gecertificeerde waarden, ontoereikend zijn, verzoekt de goedkeuringsinstantie de fabrikant uiterlijk dertig kalenderdagen na ontvangst van het verzoek van de goedkeuringsinstantie een plan van corrigerende maatregelen in te dienen.

Als de fabrikant aantoont dat er meer tijd nodig is om het plan van corrigerende maatregelen in te dienen, kan de goedkeuringsinstantie de termijn met ten hoogste dertig kalenderdagen verlengen.

2.   Het plan van corrigerende maatregelen is van toepassing op alle families van onderdelen, technische eenheden of systemen die de goedkeuringsinstantie in haar verzoek heeft aangeduid.

3.   Het plan van corrigerende maatregelen wordt binnen dertig kalenderdagen na ontvangst door de goedkeuringsinstantie goedgekeurd of afgewezen. De goedkeuringsinstantie stelt de fabrikant en alle andere lidstaten in kennis van haar besluit om het plan van corrigerende maatregelen goed te keuren of af te wijzen.

De goedkeuringsinstantie kan van de voertuigfabrikanten die de betrokken onderdelen, technische eenheden en systemen in hun voertuigen hebben gemonteerd, verlangen dat zij een nieuw gegevensdossier van de fabrikant, klanteninformatiedossier en certificaat van overeenstemming verstrekken op basis van de door middel van de in artikel 22, lid 1, bedoelde maatregelen verkregen CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van die onderdelen, technische eenheden en systemen.

4.   De fabrikant is verantwoordelijk voor de uitvoering van het goedgekeurde plan van corrigerende maatregelen.

5.   De fabrikant bewaart een dossier van elk van de teruggeroepen en gerepareerde of aangepaste onderdelen, technische eenheden of systemen en van de werkplaats waar de reparatie is uitgevoerd. De goedkeuringsinstantie heeft gedurende de uitvoering van het plan van corrigerende maatregelen en gedurende een termijn van vijf jaar na de voltooiing van de uitvoering ervan toegang tot deze dossiers.

6.   Als de goedkeuringsinstantie het plan van corrigerende maatregelen heeft afgewezen of vaststelt dat de corrigerende maatregelen niet op de juiste wijze worden toegepast, neemt zij de nodige maatregelen om de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van de betrokken familie van onderdelen, technische eenheden of systemen te waarborgen, of trekt zij het certificaat betreffende CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen in.

HOOFDSTUK 6

SLOTBEPALINGEN

Artikel 24

Overgangsbepalingen

1.   Onverminderd artikel 10, lid 3, verbieden de lidstaten, wanneer de in artikel 9 bedoelde verplichtingen niet zijn nagekomen, de registratie, de verkoop of het in het verkeer brengen van:

a)

voertuigen van de groepen 4, 5, 9 en 10, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 juli 2019;

b)

voertuigen van de groepen 1, 2 en 3, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 januari 2020;

c)

voertuigen van de groepen 11, 12 en 16, als gedefinieerd in tabel 1 van bijlage I, vanaf 1 juli 2020.

2.   Onverminderd lid 1, onder a), zijn de in artikel 9 bedoelde verplichtingen vanaf 1 januari 2019 van toepassing op alle voertuigen van de groepen 4, 5, 9 en 10 waarvan de productiedatum 1 januari 2019 of later is. De productiedatum is de datum van ondertekening van het certificaat van overeenstemming of de datum van afgifte van het individuelegoedkeuringscertificaat.

Artikel 25

Wijziging van Richtlijn 2007/46/EG

De bijlagen I, III, IV, IX en XV bij Richtlijn 2007/46/EG worden gewijzigd overeenkomstig bijlage XI bij deze verordening.

Artikel 26

Wijziging van Verordening (EU) nr. 582/2011

Verordening (EU) nr. 582/2011 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 3, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Om EG-typegoedkeuring te verkrijgen voor een voertuig met een goedgekeurd motorsysteem wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft of voor een voertuig wat emissies en reparatie- en onderhoudsinformatie betreft, toont de fabrikant tevens aan dat voor de betrokken voertuiggroep voldaan is aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie (*1) en bijlage II bij die verordening. Deze bepaling is echter niet van toepassing als de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van Verordening (EU) 2017/2400 voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.

(*1)  Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie van 12 december 2017 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van zware bedrijfsvoertuigen betreft, en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie (PB L 349 van 29.12.2017, blz. 1).”."

2)

Artikel 8 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 bis wordt punt d) vervangen door:

„d)

alle andere uitzonderingen in punt 3.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2.1, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10.1 van bijlage XIII en punt 1.1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing;”;

b)

aan lid 1 bis wordt het volgende punt toegevoegd:

„e)

er wordt voor de betrokken voertuiggroep voldaan aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 en bijlage II bij die verordening, behalve indien de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van die verordening voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.”.

3)

Artikel 10 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 bis wordt punt d) vervangen door:

„d)

alle andere uitzonderingen in punt 3.1 van bijlage VII, de punten 2.1 en 6.1 van bijlage X, de punten 2.1, 4.1, 5.1, 7.1, 8.1 en 10.1.1 van bijlage XIII en punt 1.1 van aanhangsel 6 van bijlage XIII, zijn van toepassing;”;

b)

aan lid 1 bis wordt het volgende punt toegevoegd:

„e)

er wordt voor de betrokken voertuiggroep voldaan aan de voorschriften in artikel 6 van Verordening (EU) 2017/2400 en bijlage II bij die verordening, behalve indien de fabrikant aangeeft dat in de Unie op of na de in artikel 24, lid 1, onder a), b) en c), van die verordening voor de betrokken voertuiggroep vermelde datum geen nieuwe voertuigen van het goed te keuren type geregistreerd, verkocht of in het verkeer gebracht zullen worden.”.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 12 december 2017.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 188 van 18.7.2009, blz. 1.

(2)  PB L 263 van 9.10.2007, blz. 1.

(3)  Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie van 25 mei 2011 tot uitvoering en wijziging van Verordening (EG) nr. 595/2009 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot emissies van zware bedrijfsvoertuigen (Euro VI) en tot wijziging van de bijlagen I en III bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 167 van 25.6.2011, blz. 1).

(4)  Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).


BIJLAGE I

INDELING VAN VOERTUIGEN IN VOERTUIGGROEPEN

1.   Indeling van de voertuigen voor de toepassing van deze verordening

1.1.   Indeling van voertuigen van categorie N

Tabel 1

Voertuiggroepen voor voertuigen van categorie N

Beschrijving van de elementen die van belang zijn voor de indeling in voertuiggroepen

Voertuiggroep

Toewijzing van opdrachtprofiel en voertuigconfiguratie

Toewijzing standaardcarrosserie

Assenconfiguratie

Chassisconfiguratie

Technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand (ton)

Lange afstanden

Lange afstanden (EMS)

Regionale bezorging

Regionale bezorging (EMS)

Stadsbezorging

Gemeentelijke voorzieningen

Bouwnijverheid

4 × 2

Enkelvoudig

>3,5 – < 7,5

(0)

 

Enkelvoudig (of trekker) (**)

7,5 – 10

1

 

 

R

 

R

 

 

B1

Enkelvoudig (of trekker) (**)

>10 – 12

2

R+T1

 

R

 

R

 

 

B2

Enkelvoudig (of trekker) (**)

> 12 – 16

3

 

 

R

 

R

 

 

B3

Enkelvoudig

> 16

4

R + T2

 

R

 

 

R

 

B4

Trekker

> 16

5

T + ST

T + ST + T2

T + ST

T + ST + T2

 

 

 

 

4 × 4

Enkelvoudig

7,5 – 16

(6)

 

Enkelvoudig

> 16

(7)

 

Trekker

> 16

(8)

 

6 × 2

Enkelvoudig

elk gewicht

9

R + T2

R + D + ST

R

R + D + ST

 

R

 

B5

Trekker

elk gewicht

10

T + ST

T + ST + T2

T + ST

T + ST + T2

 

 

 

 

6 × 4

Enkelvoudig

elk gewicht

11

R + T2

R + D + ST

R

R + D + ST

 

R

R

B5

Trekker

elk gewicht

12

T + ST

T + ST + T2

T + ST

T + ST + T2

 

 

R

 

6 × 6

Enkelvoudig

elk gewicht

(13)

 

Trekker

elk gewicht

(14)

 

8 × 2

Enkelvoudig

elk gewicht

(15)

 

8 × 4

Enkelvoudig

elk gewicht

16

 

 

 

 

 

 

R

(generiek gewicht + Cd × A)

8 × 6

8 × 8

Enkelvoudig

elk gewicht

(17)

 

(*)

EMS - Europees modulair systeem


(**)  In deze voertuigklassen worden trekkers beschouwd als enkelvoudige chassis, maar met een specifiek ledig gewicht van de trekker

T

=

Trekker

R

=

Enkelvoudig chassis & standaardcarrosserie

T1, T2

=

Standaardaanhangwagens

ST

=

Standaardoplegger

D

=

Standaarddolly


BIJLAGE II

VOORSCHRIFTEN EN PROCEDURES VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL

1.   Door de voertuigfabrikant in te stellen processen voor het gebruik van de simulatietool

1.1.

De fabrikant stelt ten minste de volgende processen in:

1.1.1.

een databeheersysteem voor het verzamelen, opslaan, verwerken en ophalen van de inputinformatie en -gegevens voor de simulatietool en het verwerken van certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van families van onderdelen, technische eenheden en systemen. Het databeheersysteem voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a)

het waarborgt dat voor specifieke voertuigconfiguraties de juiste inputinformatie en -gegevens worden gebruikt;

b)

het waarborgt dat de standaardwaarden correct worden berekend en toegepast;

c)

het controleert, door vergelijking van cryptografische hashes, of de voor de simulatie gebruikte inputbestanden van de families van onderdelen, technische eenheden en systemen overeenkomen met de inputgegevens van de families van onderdelen, technische eenheden en systemen waarvoor de certificering is verleend;

d)

het omvat een beschermde databank voor de opslag van inputgegevens voor de families van onderdelen, technische eenheden en systemen en de bijbehorende certificaten betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen;

e)

het waarborgt een correct beheer van de specificatiewijzigingen en updates van onderdelen, technische eenheden en systemen;

f)

het zorgt ervoor dat de onderdelen, technische eenheden en systemen getraceerd kunnen worden nadat het voertuig is geproduceerd;

1.1.2.

een databeheersysteem voor het ophalen van de inputinformatie en -gegevens en berekeningen met behulp van de simulatietool en het opslaan van de outputgegevens. Het databeheersysteem voldoet ten minste aan de volgende eisen:

a)

het waarborgt dat de cryptografische hashes correct worden toegepast;

b)

het omvat een beschermde databank voor de opslag van de outputgegevens;

1.1.3.

een proces voor het raadplegen van het in artikel 5, lid 2, en artikel 10, leden 1 en 2, bedoelde speciale elektronische distributieplatform en het ophalen en installeren van de laatste versies van de simulatietool;

1.1.4.

passende opleiding van het personeel dat met de simulatietool werkt.

2.   Beoordeling door de goedkeuringsinstantie

2.1.

De goedkeuringsinstantie controleert of de in punt 1 beschreven processen voor het gebruik van de simulatietool zijn ingesteld.

De goedkeuringsinstantie controleert ook:

a)

de werking van de in de punten 1.1.1, 1.1.2 en 1.1.3 beschreven processen en de toepassing van punt 1.1.4;

b)

of de tijdens de demonstratie toegepaste processen op dezelfde wijze worden toegepast in alle productiefaciliteiten waar de betrokken voertuiggroep wordt gefabriceerd;

c)

de volledigheid van de beschrijving van de gegevens- en processtromen van de operaties in verband met de bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van de voertuigen.

De controle met het oog op de toepassing van punt a) van de tweede alinea omvat een bepaling van de CO2-emissies en het brandstofverbruik van ten minste één voertuig uit elk van de voertuiggroepen waarvoor de licentie is aangevraagd.

Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN INLICHTINGENFORMULIER BETREFFENDE HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN NIEUWE VOERTUIGEN TE BEPALEN

AFDELING I

1.   Naam en adres van de fabrikant:

2.   Assemblagefabrieken waarvoor de in bijlage II, punt 1, bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie bedoelde processen zijn ingesteld met het oog op het gebruik van de simulatietool:

3.   Betrokken voertuiggroepen:

4.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.   Aanvullende informatie

1.1.   Beschrijving van de gegevens- en processtroom (bv. stroomschema)

1.2.   Beschrijving van het kwaliteitsborgingsproces

1.3.   Eventuele aanvullende kwaliteitsborgingscertificaten

1.4.   Beschrijving van de verzameling, verwerking en opslag van de gegevens van de simulatietool

1.5.   Eventuele aanvullende documenten

2.   Datum: …

3.   Handtekening: …

Aanhangsel 2

MODEL VAN EEN LICENTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN NIEUWE VOERTUIGEN TE BEPALEN

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

LICENTIE VOOR HET GEBRUIK VAN DE SIMULATIETOOL OM DE CO2-EMISSIES EN HET BRANDSTOFVERBRUIK VAN NIEUWE VOERTUIGEN TE BEPALEN

Mededeling betreffende de:

verlening (1)

uitbreiding (1)

weigering (1)

intrekking (1)

Stempel instantie

van een licentie voor het gebruik van de simulatietool in verband met Verordening (EG) nr. 595/2009, ten uitvoer gelegd bij Verordening (EU) 2017/2400.

Licentie nummer:

Reden van de uitbreiding: …

AFDELING I

0.1.   Naam en adres van de fabrikant:

0.2.   Assemblagefabrieken waarvoor de in bijlage II, punt 1, bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie bedoelde processen zijn ingesteld met het oog op het gebruik van de simulatietool:

0.3.   Betrokken voertuiggroepen:

AFDELING II

1.   Aanvullende informatie

1.1.   Verslag van beoordeling door een goedkeuringsinstantie

1.2.   Beschrijving van de gegevens- en processtroom (bv. stroomschema)

1.3.   Beschrijving van het kwaliteitsborgingsproces

1.4.   Eventuele aanvullende kwaliteitsborgingscertificaten

1.5.   Beschrijving van de verzameling, verwerking en opslag van de gegevens van de simulatietool

1.6.   Eventuele aanvullende documenten

2.   Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de beoordeling

3.   Datum van het beoordelingsverslag

4.   Nummer van het beoordelingsverslag

5.   Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.   Plaats

7.   Datum

8.   Handtekening


(1)  Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn)


BIJLAGE III

INPUTINFORMATIE OVER DE KENMERKEN VAN HET VOERTUIG

1.   Inleiding

In deze bijlage worden de parameters beschreven die de voertuigfabrikant als input voor de simulatietool moet verstrekken. Het te gebruiken xml-schema en voorbeeldgegevens zijn beschikbaar op het elektronische distributieplatform.

2.   Definities

1)

„Parameter-ID”: unieke identificatiecode die in de tool voor de berekening van het energieverbruik van het voertuig (VECTO) voor een specifieke inputparameter of reeks inputgegevens wordt gebruikt.

2)

„Type”: datatype van de parameter:

string …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

token …

:

tekenreeks in ISO 8859-1-codering, zonder lege karakters aan begin en eind;

date …

:

datum en tijd (UTC) in de vorm YYYY-MM-DDTHH:MM:SSZ, waarbij de cursieve letters vaste tekens zijn, bv. „2002-05-30T09:30:10Z”;

integer …

:

waarde van een geheel getal zonder voorafgaande nullen, bv. „1800”;

double, X …

:

gebroken getal met precies X cijfers na het scheidingsteken (.) en zonder voorafgaande nullen, bv. voor „double, 2”: „2345.67”; voor „double, 4”: „45.6780”.

3)

„Eenheid” … natuurkundige eenheid van de parameter.

4)

„Gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig”: de „feitelijke massa van het voertuig” overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1230/2012 (1) van de Commissie, met uitzondering van de tank(s) die tot ten minste 50 % van zijn (hun) inhoud gevuld moeten zijn, zonder bovenbouw en gecorrigeerd met het in punt 4.3 vermelde aanvullende gewicht van niet-geïnstalleerde standaardapparatuur en de massa van de standaardcarrosserie, de standaardoplegger of de standaardaanhangwagen, om het volledige voertuig of de volledige combinatie van voertuig en oplegger of aanhangwagen te simuleren.

Alle delen die op en boven het hoofdframe worden gemonteerd, worden als delen van de bovenbouw beschouwd indien zij uitsluitend worden aangebracht om een bovenbouw mogelijk te maken en niet behoren tot de delen die voor het voertuig in rijklare toestand nodig zijn.

3.   Reeks inputparameters

Tabel 1

Inputparameters „Vehicle/General”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Manufacturer

P235

token

[-]

 

ManufacturerAddress

P252

token

[-]

 

Model

P236

token

[-]

 

VIN

P238

token

[-]

 

Date

P239

dateTime

[-]

Datum en tijd waarop de onderdeel-hash is gecreëerd

LegislativeClass

P251

string:

[-]

Toegestane waarden: „N3”

VehicleCategory

P036

string

[-]

Toegestane waarden: „Rigid Truck”, „Tractor”

AxleConfiguration

P037

string

[-]

Toegestane waarden: „4x2”, „6x2”, „6x4”, „8x4”

CurbMassChassis

P038

int

[kg]

 

GrossVehicleMass

P041

int

[kg]

 

IdlingSpeed

P198

int

[min– 1]

 

RetarderType

P052

string

[-]

Toegestane waarden: „None”, „Losses included in Gearbox”, „Engine Retarder”, „Transmission Input Retarder”, „Transmission Output Retarder”

RetarderRatio

P053

double, 3

[-]

 

AngledriveType

P180

string

[-]

Toegestane waarden: „None”, „Losses included in Gearbox”, „Separate Angledrive”

PTOShaftsGearWheels

P247

string

[-]

Toegestane waarden: „none”, „only the drive shaft of the PTO”, „drive shaft and/or up to 2 gear wheels”, „drive shaft and/or more than 2 gear wheels”, „only one engaged gearwheel above oil level”

PTOOtherElements

P248

string

[-]

Toegestane waarden:„none”,„shift claw, synchronizer, sliding gearwheel”, „multi-disc clutch”, „multi-disc clutch, oil pump”

CertificationNumberEngine

P261

token

[-]

 

CertificationNumberGearbox

P262

token

[-]

 

CertificationNumberTorqueconverter

P263

token

[-]

 

CertificationNumberAxlegear

P264

token

[-]

 

CertificationNumberAngledrive

P265

token

[-]

 

CertificationNumberRetarder

P266

token

[-]

 

CertificationNumberTyre

P267

token

[-]

 

CertificationNumberAirdrag

P268

token

[-]

 


Tabel 2

Inputparameters „Vehicle/AxleConfiguration” per wielas

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

TwinTyres

P045

boolean

[-]

 

AxleType

P154

string

[-]

Toegestane waarden: „VehicleNonDriven”, „VehicleDriven”

Steered

P195

boolean

 

 


Tabel 3

Inputparameters „Vehicle/Auxiliaries”

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Fan/Technology

P181

string

[-]

Toegestane waarden: „Crankshaft mounted - Electronically controlled visco clutch”, „Crankshaft mounted - Bimetallic controlled visco clutch”, „Crankshaft mounted - Discrete step clutch”, „Crankshaft mounted - On/off clutch”, „Belt driven or driven via transm. - Electronically controlled visco clutch”, „Belt driven or driven via transm. - Bimetallic controlled visco clutch”, „Belt driven or driven via transm. - Discrete step clutch”, „Belt driven or driven via transm. - On/off clutch”, „Hydraulic driven - Variable displacement pump”, „Hydraulic driven - Constant displacement pump”, „Electrically driven - Electronically controlled”

SteeringPump/Technology

P182

string

[-]

Toegestane waarden: „Fixed displacement”, „Fixed displacement with elec. control”, „Dual displacement”, „Variable displacement mech. controlled”, „Variable displacement elec. controlled”, „Electric”

Voor elke gestuurde wielas is een afzonderlijke vermelding vereist.

ElectricSystem/Technology

P183

string

[-]

Toegestane waarden: „Standard technology”, „Standard technology - LED headlights, all”

PneumaticSystem/Technology

P184

string

[-]

Toegestane waarden: „Small”, „Small + ESS”, „Small + visco clutch” , „Small + mech. clutch”, „Small + ESS + AMS”, „Small + visco clutch + AMS”, „Small + mech. clutch + AMS”, „Medium Supply 1-stage”, „Medium Supply 1-stage + ESS”, „Medium Supply 1-stage + visco clutch” , „Medium Supply 1-stage + mech. clutch”, „Medium Supply 1-stage + ESS + AMS”, „Medium Supply 1-stage + visco clutch + AMS”, „Medium Supply 1-stage + mech. clutch + AMS”, „Medium Supply 2-stage”, „Medium Supply 2-stage + ESS”, „Medium Supply 2-stage + visco clutch” , „Medium Supply 2-stage + mech. clutch”, „Medium Supply 2-stage + ESS + AMS”, „Medium Supply 2-stage + visco clutch + AMS”, „Medium Supply 2-stage + mech. clutch + AMS”, „Large Supply”, „Large Supply + ESS”, „Large Supply + visco clutch” , „Large Supply + mech. clutch”, „Large Supply + ESS + AMS”, „Large Supply + visco clutch + AMS”, „Large Supply + mech. clutch + AMS”; „Vacuum pump”

HVAC/Technology

P185

string

[-]

Toegestane waarden: „Default”


Tabel 4

Inputparameters „Vehicle/EngineTorqueLimits” per versnelling (facultatief)

Parameternaam

Parameter-ID

Type

Eenheid

Beschrijving/referentie

Gear

P196

integer

[-]

Er moeten alleen versnellingsnummers worden gespecificeerd indien er overeenkomstig punt 6 voertuiggerelateerde motorkoppelbegrenzingen gelden.

MaxTorque

P197

integer

[Nm]

 

4.   Voertuigmassa

4.1.   De gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig is de voertuigmassa die als input van de simulatietool wordt gebruikt.

Deze gecorrigeerde feitelijke massa wordt gebaseerd op voertuigen die zodanig zijn uitgerust dat zij voldoen aan alle in de bijlagen IV en XI bij Richtlijn 2007/46/EG vermelde regelgevingshandelingen die op de voertuigklasse van toepassing zijn.

4.2.   Als niet alle standaarduitrusting is gemonteerd, vermeerdert de fabrikant de gecorrigeerde feitelijke massa van het voertuig met het gewicht van de volgende constructie-elementen:

a)

bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad (2);

b)

bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad;

c)

zijdelingse bescherming overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad;

d)

koppelschotel overeenkomstig Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad.

4.3.   Het gewicht van de in punt 4.2 bedoelde constructie-elementen bedraagt:

 

voor voertuigen van de groepen 1, 2 en 3:

a)

:

bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden

:

45 kg;

b)

:

bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden

:

40 kg;

c)

:

zijdelingse bescherming

:

8,5 kg/m × wielbasis [m] – 2,5 kg;

d)

:

koppelschotel

:

210 kg;

 

voor voertuigen van de groepen 4, 5, 9 tot en met 12 en 16

a)

:

bescherming aan de voorzijde tegen klemrijden

:

50 kg;

b)

:

bescherming aan de achterzijde tegen klemrijden

:

45 kg;

c)

:

zijdelingse bescherming

:

14 kg/m × wielbasis [m] – 17 kg;

d)

:

koppelschotel

:

210 kg.

5.   Hydraulisch en mechanisch aangedreven assen

Bij voertuigen die zijn uitgerust met:

a)

hydraulisch aangedreven assen, worden die assen als niet-aandrijfbare assen beschouwd en houdt de fabrikant daarmee geen rekening bij de vaststelling van de assenconfiguratie van een voertuig;

b)

mechanisch aangedreven assen, worden die assen als aandrijfbare assen beschouwd en houdt de fabrikant daarmee rekening bij de vaststelling van de assenconfiguratie van een voertuig.

6.   Versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzingen die door de voertuigcontrole worden ingesteld

Voor de hoogste 50 % van de versnellingen (d.w.z. voor de versnellingen 7 t/m 12 van een transmissie met 12 versnellingen) kan de voertuigfabrikant een versnellingsafhankelijke motorkoppelbegrenzing opgeven die ten hoogste 95 % van het maximummotorkoppel bedraagt.

7.   Voertuigspecifiek stationair toerental

7.1.   Het stationaire toerental moet voor elk individueel voertuig in VECTO worden opgegeven. Dit opgegeven stationaire toerental van het voertuig moet gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarde die gespecificeerd is in de inputgegevens van de motor bij de goedkeuring.


(1)  Verordening (EU) nr. 1230/2012 van de Commissie van 12 december 2012 tot uitvoering van Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad wat de typegoedkeuringsvoorschriften voor massa’s en afmetingen van motorvoertuigen en aanhangwagens daarvan betreft en tot wijziging van Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 353 van 21.12.2012, blz. 31).

(2)  Verordening (EG) nr. 661/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 betreffende typegoedkeuringsvoorschriften voor de algemene veiligheid van motorvoertuigen, aanhangwagens daarvan en daarvoor bestemde systemen, onderdelen en technische eenheden (PB L 200 van 31.7.2009, blz. 1).


BIJLAGE IV

MODEL VAN GEGEVENSDOSSIER VAN DE FABRIKANT EN VAN KLANTENINFORMATIEDOSSIER

DEEL I

CO2-emissies en brandstofverbruik van voertuig — Gegevensdossier van de fabrikant

Het gegevensdossier van de fabrikant wordt door de simulatietool samengesteld en bevat ten minste de volgende informatie:

1.   Gegevens over voertuig, onderdelen, technische eenheden en systemen

1.1.   Voertuiggegevens

1.1.1.   Naam en adres van de fabrikant

1.1.2.   Voertuigmodel

1.1.3.   Voertuigidentificatienummer (VIN) …

1.1.4.   Voertuigcategorie (N1, N2, N3, M1, M2, M3) …

1.1.5.   Assenconfiguratie ….

1.1.6.   Max. brutogewicht van het voertuig (t) …

1.1.7.   Voertuiggroep volgens tabel 1 …

1.1.8.   Gecorrigeerde feitelijke eigen massa (kg) …

1.2.   Voornaamste motorspecificaties

1.2.1.   Motormodel

1.2.2.   Motorcertificeringsnummer …

1.2.3.   Nominaal motorvermogen (kW) …

1.2.4.   Stationair toerental (min– 1) …

1.2.5.   Nominaal toerental (min– 1) …

1.2.6.   Cilinderinhoud (L) …

1.2.7.   Referentiebrandstoftype van de motor (diesel/lpg/cng…) …

1.2.8.   Hash van bestand/document van brandstofdiagram …

1.3.   Voornaamste transmissiespecificaties

1.3.1.   Transmissiemodel

1.3.2.   Transmissiecertificeringsnummer …

1.3.3.   Hoofdoptie die gebruikt is voor het genereren van de verliesdiagrammen (optie 1/optie 2/optie 3/standaardwaarden) …

1.3.4.   Transmissietype (SMT, AMT, APT-S, APT-P) …

1.3.5.   Aantal versnellingen …

1.3.6.   Eindoverbrengingsverhouding …

1.3.7.   Type retarder …

1.3.8.   Krachtafnemer (ja/nee) …

1.3.9.   Hash van bestand/document van efficiëntiediagram …

1.4.   Retarderspecificaties

1.4.1.   Model van retarder

1.4.2.   Certificeringsnummer van retarder …

1.4.3.   Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting) …

1.4.4.   Hash van bestand/document van efficiëntiediagram …

1.5.   Koppelomvormerspecificatie

1.5.1.   Model van koppelomvormer

1.5.2.   Certificeringsnummer van koppelomvormer …

1.5.3.   Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting) …

1.5.4.   Hash van bestand/document van efficiëntiediagram …

1.6.   Specificaties haakse overbrenging

1.6.1.   Model van haakse overbrenging

1.6.2.   Ascertificeringsnummer …

1.6.3.   Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting) …

1.6.4.   Verhouding haakse overbrenging …

1.6.5.   Hash van bestand/document van efficiëntiediagram …

1.7.   Asspecificaties

1.7.1.   Asmodel …

1.7.2.   Ascertificeringsnummer …

1.7.3.   Toegepaste certificeringsoptie om een verliesdiagram te genereren (standaardwaarden/meting) …

1.7.4.   Astype (bv. standaard enkelvoudig aangedreven as) …

1.7.5.   Asverhouding …

1.7.6.   Hash van bestand/document van efficiëntiediagram …

1.8.   Aerodynamica

1.8.1.   Model

1.8.2.   Toegepaste certificeringsoptie om Cd × A te berekenen (standaardwaarde/meting) …

1.8.3.   Cd × A-certificeringsnummer (indien van toepassing) …

1.8.4.   Cd × A-waarde …

1.8.5.   Hash van bestand/document van efficiëntiediagram …

1.9.   Voornaamste bandspecificaties

1.9.1.   Bandmaten as 1 …

1.9.2.   Certificeringsnummer van band …

1.9.3.   Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 1 …

1.9.4.   Bandmaten as 2 …

1.9.5.   Tweeassig (ja/nee) as 2 …

1.9.6.   Certificeringsnummer van band …

1.9.7.   Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 2 …

1.9.8.   Bandmaten as 3 …

1.9.9.   weeassig (ja/nee) as 3 …

1.9.10.   Certificeringsnummer van band …

1.9.11.   Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 3 …

1.9.12.   Bandmaten as 4 …

1.9.13.   Tweeassig (ja/nee) as 4 …

1.9.14.   Certificeringsnummer van band …

1.9.15.   Specifieke rolweerstandscoëfficiënt van alle banden op as 4 …

1.10.   Voornaamste aanvullende specificaties

1.10.1.   Ventilatortechnologie voor motorkoeling …

1.10.2.   Stuurpomptechnologie …

1.10.3.   Technologie elektrisch systeem …

1.10.4.   Technologie pneumatisch systeem …

1.11.   Motorkoppelbegrenzingen

1.11.1.   Motorkoppelbegrenzing in versnelling 1 (% van max. motorkoppel) …

1.11.2.   Motorkoppelbegrenzing in versnelling 2 (% van max. motorkoppel) …

1.11.3.   Motorkoppelbegrenzing in versnelling 3 (% van max. motorkoppel) …

1.11.4.   Motorkoppelbegrenzing in versnelling … (% van max. motorkoppel)

2.   Opdrachtprofiel en belastingafhankelijke waarden

2.1.   Simulatieparameters (voor iedere combinatie van profiel/belasting/brandstof)

2.1.1.   Opdrachtprofiel (lange afstanden/regionaal/stad/bouw) …

2.1.2.   Belasting (als bepaald in simulatietool) (kg) …

2.1.3.   Brandstof (diesel/benzine/lpg/cng/…) …

2.1.4.   Totale voertuigmassa bij simulatie (kg) …

2.2.   Rijprestaties van het voertuig en informatie voor kwaliteitscontrole van de simulatie

2.2.1.   Gemiddelde snelheid (km/h) …

2.2.2.   Minimale momentane snelheid (km/h) …

2.2.3.   Maximale momentane snelheid (km/h) …

2.2.4.   Maximumvertraging (m/s2) …

2.2.5.   Maximumversnelling (m/s2) …

2.2.6.   Percentage volle belasting tijdens rijtijd …

2.2.7.   Totaal aantal versnellingswisselingen …

2.2.8.   Totale afgelegde afstand (km) …

2.3.   Brandstof- en CO2-resultaten

2.3.1.   Brandstofverbruik (g/km) …

2.3.2.   Brandstofverbruik (g/t-km) …

2.3.3.   Brandstofverbruik (g/p-km) …

2.3.4.   Brandstofverbruik (g/m3-km) …

2.3.5.   Brandstofverbruik (L/100 km) …

2.3.6.   Brandstofverbruik (L/t-km) …

2.3.7.   Brandstofverbruik (L/p-km) …

2.3.8.   Brandstofverbruik (L/m3-km) …

2.3.9.   Brandstofverbruik (MJ/km) …

2.3.10.   Brandstofverbruik (MJ/t-km) …

2.3.11.   Brandstofverbruik (MJ/p-km) …

2.3.12.   Brandstofverbruik (MJ/m3-km) …

2.3.13.   CO2 (g/km) …

2.3.14.   CO2 (g/t-km) …

2.3.15.   CO2 (g/p-km) …

2.3.16.   CO2 (g/m3-km) …

3.   Software- en gebruikersinformatie

3.1.   Software- en gebruikersinformatie

3.1.1.   Versie simulatietool (X.X.X) …

3.1.2.   Datum en tijd van de simulatie

3.1.3.   Hash van inputinformatie en inputgegevens simulatietool …

3.1.4.   Hash van resultaat simulatietool …

DEEL II

CO2-emissies en brandstofverbruik van voertuig — Klanteninformatiedossier

1.   Gegevens over voertuig, onderdelen, technische eenheden en systemen

1.1.   Voertuiggegevens

1.1.1.   Voertuigidentificatienummer (VIN) …

1.1.2.   Voertuigcategorie (N1, N2, N3, M1, M2, M3) …

1.1.3.   Assenconfiguratie …

1.1.4.   Max. brutogewicht van het voertuig (t) …

1.1.5.   Voertuiggroep …

1.1.6.   Naam en adres van de fabrikant …

1.1.7.   Merk (handelsnaam van de fabrikant) …

1.1.8.   Gecorrigeerde feitelijke eigen massa (kg) …

1.2.   Gegevens over onderdelen, technische eenheden en systemen

1.2.1.   Nominaal motorvermogen (kW) …

1.2.2.   Cilinderinhoud (L) …

1.2.3.   Referentiebrandstoftype van de motor (diesel/lpg/cng…) …

1.2.4.   Transmissiewaarden (gemeten/standaard) …

1.2.5.   Transmissietype (SMT, AMT, AT-S, AT-S) …

1.2.6.   Aantal versnellingen …

1.2.7.   Retarder (ja/nee) …

1.2.8.   Asverhouding …

1.2.9.   Gemiddelde rolweerstandscoëfficiënt (rolling resistance coefficient, RRC) van alle banden

DEEL III

CO2-emissies en brandstofverbruik van het voertuig (voor iedere combinatie van belasting en brandstof)

Belasting laag [kg]:

 

Gemiddelde voertuig-snelheid

CO2-emissies

Brandstofverbruik

Lange afstanden

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Lange afstanden (EMS)

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Regionale bezorging

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Regionale bezorging (EMS)

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Stads-bezorging

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Gemeente-lijke voorzie-ningen

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Bouw-nijverheid

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Belasting representatief [kg]:

 

Gemiddelde voertuig-snelheid

CO2-emissies

Brandstofverbruik

Lange afstanden

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Lange afstanden (EMS)

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Regionale bezorging

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Regionale bezorging (EMS)

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Stads-bezorging

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Gemeente-lijke voorzie-ningen

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km

Bouw-nijverheid

… km/h

… g/km

… g/t-km

… g/m3-km

… l/100 km

… l/t-km

… l/m3-km


Software- en gebruikersinformatie

Versie simulatietool

[X.X.X]

Datum en tijd van de simulatie

[-]

Cryptografische hash van het outputbestand:


BIJLAGE V

CONTROLE VAN MOTORGEGEVENS

1.   Inleiding

De in deze bijlage beschreven motortestprocedure levert de inputgegevens voor de simulatortool betreffende motoren op.

2.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage gelden de definities in VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, en wordt bovendien verstaan onder:

1)   „CO2-familie van motoren”: een door de fabrikant bepaalde groep motoren overeenkomstig de definitie in punt 1 van aanhangsel 3;

2)   „CO2-oudermotor”: een uit een CO2-familie van motoren overeenkomstig aanhangsel 3 gekozen motor;

3)   „onderste verbrandingswaarde” of „NCV”(net calorific value): de in punt 3.2 gespecificeerde calorische waarde van een brandstof;

4)   „specifieke massa-emissies”: de totale massa-emissies in een bepaalde periode, gedeeld door de totale motorarbeid in die periode, uitgedrukt in g/kWh;

5)   „specifiek brandstofverbruik”: het totale brandstofverbruik in een bepaalde periode, gedeeld door de totale motorarbeid in die periode, uitgedrukt in g/kWh;

6)   „FCMC” (fuel consumption mapping cycle): cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik;

7)   „volle belasting” of „vollast”: bij een bepaald toerental door de motor geleverd koppel/vermogen wanneer de motor bij maximumvraag van de operator draait.

De definities in de punten 3.1.5 en 3.1.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, zijn niet van toepassing.

3.   Algemene voorschriften

De faciliteiten van het kalibratielaboratorium moeten voldoen aan de eisen van ISO/TS 16949, ISO 9000-reeks of ISO/IEC 17025. Alle voor kalibraties en/of controles gebruikte referentiemeetapparatuur van het laboratorium moet herleidbaar zijn naar nationale of internationale standaarden.

De motoren moeten zijn gegroepeerd in overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-families van motoren. In punt 4.1 wordt uitgelegd welke tests moeten worden uitgevoerd met het oog op de certificering van een specifieke CO2-familie van motoren.

3.1.   Testomstandigheden

Alle tests die met het oog op de certificering van een specifieke, overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, worden verricht met dezelfde fysieke motor en zonder wijzigingen aan te brengen in de opstelling van de motordynamometer en het motorsysteem, afgezien van de in punt 4.2 en aanhangsel 3 vermelde uitzonderingen.

3.1.1.   Laboratoriumtestomstandigheden

De omgevingsomstandigheden voldoen gedurende de volledige test aan de volgende voorwaarden:

1)

voor de overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, bepaalde parameter fa, die de laboratoriumtestomstandigheden beschrijft, geldt: 0,96 ≤ fa ≤ 1,04;

2)

voor de overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, bepaalde absolute temperatuur (Ta) van de inlaatlucht van de motor, uitgedrukt in kelvin, geldt: 283 K ≤ Ta ≤ 303 K;

3)

voor de overeenkomstig punt 6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, bepaalde atmosferische druk, uitgedrukt in kPa, geldt: 90 kPa ≤ ps ≤ 102 kPa.

Indien tests worden uitgevoerd in meetcellen waarin andere luchtdrukomstandigheden kunnen worden gesimuleerd dan op de plaats van de test heersen, worden de gesimuleerde luchtdrukwaarden van het regelsysteem gebruikt bij de bepaling van de waarde van fa. Voor de inlaatlucht- en uitlaatroute en alle andere relevante motorsystemen wordt dezelfde referentiewaarde voor de gesimuleerde luchtdruk gebruikt. De werkelijke waarde van de gesimuleerde luchtdruk voor de inlaatlucht- en uitlaatroute en alle andere relevante motorsystemen moet binnen het in punt 3) vermelde bereik liggen.

Als de omgevingsdruk op de plaats van de test hoger is dan de bovengrens van 102 kPa, mogen toch tests overeenkomstig deze bijlage worden verricht. In dat geval worden de tests uitgevoerd met de specifieke omgevingsluchtdruk in de atmosfeer.

Als in de meetcel de temperatuur, de druk en/of de vochtigheid van de inlaatlucht van de motor onafhankelijk van de atmosferische omstandigheden kunnen worden geregeld, worden voor alle tests die met het oog op de certificering van een specifieke, overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, dezelfde instellingen van deze parameters gebruikt.

3.1.2.   Installatie van de motor

De testmotor wordt overeenkomstig de punten 6.3 tot en met 6.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, geïnstalleerd.

Als apparatuur en hulpapparatuur die noodzakelijk zijn voor de werking van het motorsysteem, overeenkomstig punt 6.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, niet zijn gemonteerd, worden voor de toepassing van deze bijlage alle gemeten motorkoppelwaarden overeenkomstig punt 6.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, gecorrigeerd voor het vermogen dat nodig is om die onderdelen aan te drijven.

Voor de volgende motoronderdelen wordt het opgenomen vermogen dat resulteert in het voor de aandrijving ervan vereiste motorkoppel, overeenkomstig aanhangsel 5 van deze bijlage bepaald:

1)

ventilator;

2)

elektrisch aangedreven apparatuur en hulpapparatuur die noodzakelijk zijn voor de werking van het motorsysteem.

3.1.3.   Carteremissies

In het geval van een gesloten carter zorgt de fabrikant ervoor dat het ventilatiesysteem van de motor geen cartergassen in de atmosfeer laat ontsnappen. Als het carter van een open type is, worden de emissies overeenkomstig punt 6.10 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, gemeten en bij de uitlaatemissies opgeteld.

3.1.4.   Motoren met tussenkoeling

Tijdens alle tests wordt het op de testbank gebruikte tussenkoelsysteem gebruikt onder omstandigheden die representatief zijn voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden. De referentieomgevingsomstandigheden zijn gedefinieerd als een luchttemperatuur van 293 K en een luchtdruk van 101,3 kPa.

De voor tests overeenkomstig deze verordening toegepaste laboratoriumtussenkoeling moet voldoen aan punt 6.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

3.1.5.   Motorkoelsysteem

1)

Tijdens alle tests wordt het op de testbank gebruikte motorkoelsysteem gebruikt onder omstandigheden die representatief zijn voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden. De referentieomgevingsomstandigheden zijn gedefinieerd als een luchttemperatuur van 293 K en een luchtdruk van 101,3 kPa.

2)

Het motorkoelsysteem moet zijn voorzien van thermostaten overeenkomstig de specificaties van de fabrikant voor montage in een voertuig. Als een niet-werkende thermostaat is gemonteerd of geen thermostaat wordt gebruikt, is punt 3) van toepassing. Het koelsysteem wordt overeenkomstig punt 4) ingesteld.

3)

Als geen thermostaat wordt gebruikt of een niet-werkende thermostaat is gemonteerd, moet het systeem van de testbank onder alle testomstandigheden het gedrag van de thermostaat simuleren. Het koelsysteem wordt overeenkomstig punt 4) ingesteld.

4)

Het debiet van het motorkoelmiddel (of de drukverandering aan de motorzijde van de warmtewisselaar) en de temperatuur van het motorkoelmiddel moeten worden ingesteld op een waarde die representatief is voor de toepassing in het voertuig onder referentieomgevingsomstandigheden wanneer de motor bij nominaal toerental en volle belasting werkt met de motorthermostaat in volledig open stand. Deze instelling bepaalt de referentietemperatuur van het koelmiddel. De instelling van het koelsysteem mag voor alle tests die met het oog op de certificering van één specifieke motor binnen een CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, noch aan de motorzijde, noch aan de testbankzijde van het koelsysteem worden gewijzigd. De temperatuur van het koelmiddel aan de testbankzijde moet naar goede ingenieursinzichten redelijk constant gehouden worden. De temperatuur van het koelmiddel aan de testbankzijde van de warmtewisselaar mag niet hoger zijn dan de nominale inschakeltemperatuur van de thermostaat voorbij de warmtewisselaar.

5)

De temperatuur van het motorkoelmiddel wordt voor alle tests die met het oog op de certificering van één specifieke motor binnen een CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, tussen de door de fabrikant opgegeven nominale inschakeltemperatuur van de thermostaat en de overeenkomstig punt 4) bepaalde referentietemperatuur van het koelmiddel gehouden, nadat het motorkoelmiddel na een koude start van de motor de opgegeven inschakeltemperatuur van de thermostaat heeft bereikt.

6)

Voor de uitvoering van een WHTC-koudstarttest overeenkomstig punt 4.3.3 zijn specifieke initiële voorwaarden vastgesteld in de punten 7.6.1 en 7.6.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06. Als het thermostaatgedrag overeenkomstig punt 3) wordt gesimuleerd, hoeft er geen koelmiddelstroom in de warmtewisselaar te zijn zolang het motorkoelmiddel na een koude start niet de opgegeven inschakeltemperatuur van de thermostaat heeft bereikt.

3.2.   Brandstoffen

De referentiebrandstof voor de geteste motorsystemen wordt gekozen uit de in tabel 1 vermelde brandstoftypen. De eigenschappen van de in tabel 1 vermelde referentiebrandstoffen komen overeen met de specificaties in bijlage IX bij Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie.

Om te waarborgen dat dezelfde brandstof wordt gebruikt voor alle tests die met het oog op de certificering van een specifieke CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, mag de tank niet worden bijgevuld en mag niet worden overgeschakeld op een andere tank die het motorsysteem van brandstof voorziet. Bij wijze van uitzondering kan worden toegestaan dat de tank wordt bijgevuld of wordt overgeschakeld op een andere tank, mits kan worden gewaarborgd dat de vervangende brandstof exact dezelfde eigenschappen heeft als de eerder gebruikte brandstof (zelfde productiepartij).

De onderste verbrandingswaarde van de brandstof wordt bepaald met twee afzonderlijke metingen overeenkomstig de desbetreffende normen voor elk in tabel 1 vermeld brandstoftype. De twee afzonderlijke metingen worden verricht door twee verschillende laboratoria die onafhankelijk zijn van de fabrikant die de certificeringsaanvraag indient. Het laboratorium dat de metingen verricht, moet aan de eisen van ISO/IEC 17025 voldoen. De goedkeuringsinstantie zorgt ervoor dat het voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde gebruikte brandstofmonster wordt genomen uit de partij brandstof die voor alle tests wordt gebruikt.

Als de twee afzonderlijke waarden van de onderste verbrandingswaarde meer dan 440 joule per gram brandstof van elkaar afwijken, worden de bepaalde waarden ongeldig verklaard en worden nieuwe metingen verricht.

Als de twee afzonderlijke waarden van de onderste verbrandingswaarde niet meer dan 440 joule per gram brandstof van elkaar afwijken, wordt het gemiddelde van beide waarden, overeenkomstig ASTM E 29-06 op drie decimalen afgerond, vastgelegd.

Voor gasvormige brandstoffen moet volgens de in bijlage 1 vermelde normen die voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde moeten worden toegepast, de verbrandingswaarde op basis van de brandstofsamenstelling worden berekend. Hiervoor wordt de brandstofsamenstelling gebruikt die is gevonden in de analyse van de voor de certificeringstests gebruikte partij van het referentiegas. Voor de bepaling van de samenstelling van de gasvormige vloeistof met het oog op de bepaling van de onderste verbrandingswaarde ervan, wordt slechts één analyse gebruikt die verricht moet worden door een laboratorium dat onafhankelijk is van de fabrikant die de certificeringsaanvraag indient. Voor gasvormige brandstoffen wordt de onderste verbrandingswaarde op deze ene analyse gebaseerd in plaats van op het gemiddelde van twee afzonderlijke metingen.

Tabel 1

Referentiebrandstoffen voor tests

Brandstoftype/motortype

Type referentie-brandstof

Norm die voor de bepaling van de onderste verbrandingswaarde wordt gebruikt

Diesel / CI

B7

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Ethanol / CI

ED95

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Benzine / PI

E10

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Ethanol / PI

E85

ten minste ASTM D240 of DIN 59100-1

(ASTM D4809 wordt aanbevolen)

Lpg / PI

Lpg-brandstof B

ASTM 3588 of DIN 51612

Aardgas / PI

G25

ISO 6976 of ASTM 3588

3.3.   Smeermiddelen

Bij alle overeenkomstig deze bijlage verrichte tests wordt als smeermiddel een in de handel verkrijgbare olie gebruikt waarvan de toepassing door de fabrikant zonder beperkingen is goedgekeurd voor normale gebruiksomstandigheden, zoals gedefinieerd in punt 4.2 van bijlage 8 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06. Smeermiddelen die alleen mogen worden gebruikt in bepaalde bedrijfsomstandigheden van het motorsysteem of die ongewoon snel vervangen moeten worden, mogen niet bij de overeenkomstig deze bijlage verrichte tests worden gebruikt. De in de handel verkrijgbare olie mag op geen enkele wijze worden gewijzigd en er mogen geen middelen aan worden toegevoegd.

Bij alle tests die met het oog op de certificering van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een specifieke CO2-familie van motoren worden uitgevoerd, moet hetzelfde type smeerolie worden gebruikt.

3.4.   Systeem voor de meting van het brandstofdebiet

Alle brandstofstromen die door het volledige motorsysteem worden verbruikt, moeten met het brandstofdebietmeetsysteem worden gemeten. Aanvullende brandstofstromen die niet rechtstreeks naar het verbrandingsproces in de motorcilinders worden geleid, moeten worden opgenomen in het brandstofstroomsignaal voor alle uitgevoerde tests. Aanvullende brandstofinjectoren (bv. koudstartinrichtingen) die niet noodzakelijk zijn voor de werking van het motorsysteem, moeten tijdens alle uitgevoerde tests zijn losgekoppeld van de brandstoftoevoerleiding.

3.5.   Specificaties voor meetapparatuur

De meetapparatuur moet voldoen aan punt 9 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

Onverminderd punt 9 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, moeten de in tabel 2 vermelde meetsystemen aan de in die tabel vermelde grenswaarden voldoen.

Tabel 2

Voorschriften voor meetsystemen

 

Lineariteit

 

Meetsysteem

Intercept

| xmin Í (a1 – 1) + a0 |

Helling

a1

Standaardfout van de schatting (SEE)

Determinatie-coëfficiënt

r2

Nauwkeurigheid (1)

Stijg-tijd (2)

Motortoerental

≤ 0,2 % max. kalibratie (3)

0,999 - 1,001

≤ 0,1 % max. kalibratie (3)

≥ 0,9985

0,2 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,1 % van max. kalibratie (3) van het toerental

≤ 1 s

Motorkoppel

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

0,995 - 1,005

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

≥ 0,995

0,6 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,3 % van max. kalibratie (3) van het koppel

≤ 1 s

Brandstofmassa-debiet voor vloeibare brandstoffen

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

0,995 - 1,005

≤ 0,5 % max. kalibratie (3)

≥ 0,995

0,6 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,3 % van max. kalibratie (3) van het debiet

≤ 2 s

Brandstofmassa-debiet voor gasvormige brandstoffen

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,99 - 1,01

≤ 1 % max. kalibratie (3)

≥ 0,995

1 % van afgelezen waarde of, als dat meer is, 0,5 % van max. kalibratie (3) van het debiet

≤ 2 s

Elektrisch vermogen

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,990

n.v.t.

≤ 1 s

Elektrische stroom

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,990

n.v.t.

≤ 1 s

Spanning

≤ 1 % max. kalibratie (3)

0,98 - 1,02

≤ 2 % max. kalibratie (3)

≥ 0,990

n.v.t.

≤ 1 s

„xmin”, in tabel 2 gebruikt voor de berekening van de interceptwaarde, is 0,9 keer de minimale voorspelde waarde die tijdens alle tests voor het meetsysteem wordt verwacht.

De in tabel 2 vermelde meetsystemen moeten, met uitzondering van het meetsysteem voor het brandstofmassadebiet, met een frequentie van ten minste 5 Hz een signaal geven (≥ 10 Hz wordt aanbevolen). Het meetsysteem voor het brandstofmassadebiet moet met een frequentie van ten minste 2 Hz een signaal geven.

Alle meetgegevens worden vastgelegd met een bemonsteringsfrequentie van ten minste 5 Hz (≥ 10 Hz wordt aanbevolen).

3.5.1.   Controle van de meetapparatuur

Voor elk meetsysteem wordt gecontroleerd of aan de in tabel 2 vermelde eisen wordt voldaan. Als input van het meetsysteem worden ten minste tien referentiewaarden tussen xmin en de waarde „max. kalibratie”, zoals beschreven in punt 3.5, ingevoerd en de respons van het meetsysteem wordt geregistreerd als de gemeten waarde.

Voor de lineariteitscontrole worden de gemeten waarden met de referentiewaarden vergeleken door toepassing van lineaire regressie volgens de kleinstekwadratenmethode overeenkomstig punt A.3.2 van aanhangsel 3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

4.   Testprocedure

Tenzij in deze bijlage anders is bepaald, worden alle meetgegevens overeenkomstig bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, verkregen.

4.1.   Overzicht van de te verrichten tests

Tabel 3 bevat een overzicht van alle tests die moeten worden uitgevoerd met het oog op de certificering van een specifieke, overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren.

De cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik overeenkomstig punt 4.3.5 en de vastlegging van de motorweerstandscurve overeenkomstig punt 4.3.2 worden voor alle andere motoren dan de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren weggelaten.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, moeten de cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik overeenkomstig punt 4.3.5 en de vastlegging van de motorweerstandscurve overeenkomstig punt 4.3.2 ook voor die specifieke motor plaatsvinden.

Tabel 3

Overzicht van de te verrichten tests

Test

Verwijzing naar punt

Verplicht voor CO2-oudermotor?

Verplicht voor andere motoren binnen de CO2-familie?

Vollastcurve

4.3.1

ja

ja

Motorweerstands-curve

4.3.2

ja

nee

WHTC-test

4.3.3

ja

ja

WHSC-test

4.3.4

ja

ja

Cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik

4.3.5

ja

nee

4.2.   Toegestane veranderingen van het motorsysteem

De streefwaarde voor de regelaar van het stationaire toerental van de motor mag voor alle tests waarin de motor met stationair toerental draait, in de elektronische regeleenheid van de motor worden verlaagd om interferentie tussen de regelaar van het stationaire toerental van de motor en de toerentalregelaar van de testbank te voorkomen.

4.3.   Tests

4.3.1.   Vollastcurve van de motor

De vollastcurve van de motor wordt overeenkomstig de punten 7.4.1 tot en met 7.4.5 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vastgelegd.

4.3.2.   Motorweerstandscurve

De vastlegging van de motorweerstandscurve overeenkomstig dit punt wordt voor alle andere motoren dan de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren weggelaten. Overeenkomstig punt 6.1.3 geldt de voor de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren vastgelegde motorweerstandscurve voor alle motoren binnen dezelfde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, vindt de vastlegging van de motorweerstandscurve ook voor die specifieke motor plaats.

De motorweerstandscurve wordt overeenkomstig optie b) in punt 7.4.7 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vastgelegd. Met deze test wordt het negatieve koppel bepaald dat vereist is om de motor van het maximum- naar het minimumtoerental te brengen bij minimumvraag van de operator.

De test wordt direct aansluitend aan het uitzetten van de vollastcurve overeenkomstig punt 4.3.1 uitgevoerd. Op verzoek van de fabrikant kan de motorweerstandscurve afzonderlijk worden vastgelegd. In dat geval wordt aan het eind van de overeenkomstig punt 4.3.1 uitgevoerde test ter bepaling van de vollastcurve de motorolietemperatuur vastgelegd en toont de fabrikant tot tevredenheid van de goedkeuringsinstantie aan dat de motorolietemperatuur bij het beginpunt van de motorweerstandscurve niet meer dan ± 2 K van die temperatuur verschilt.

Bij het begin van de test ter bepaling van de motorweerstandscurve laat men de motor bij minimale vraag van de operator draaien met het maximumtoerental overeenkomstig punt 7.4.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06. Zodra de koppelwaarde bij de motor in vrijloop zodanig is gestabiliseerd dat zij gedurende ten minste tien seconden binnen ± 5 % van de gemiddelde waarde ligt, begint de gegevensregistratie en wordt het toerental met een gemiddeld tempo van 8 ± 1 min– 1/s van het maximum- tot het minimumtoerental verlaagd overeenkomstig punt 7.4.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

4.3.3.   WHTC-test

De WHTC-test wordt overeenkomstig bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, uitgevoerd. De gewogen emissietestresultaten moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden die in Verordening (EG) nr. 595/2009 zijn vastgesteld.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiecyclus en alle berekeningen van referentiewaarden die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, worden uitgevoerd.

4.3.3.1.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Naast het bepaalde in bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa geregistreerd.

4.3.4.   WHSC-test

De WHSC-test wordt overeenkomstig bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, uitgevoerd. De emissietestresultaten moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden die in Verordening (EG) nr. 595/2009 zijn vastgesteld.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiecyclus en alle berekeningen van referentiewaarden die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, worden uitgevoerd.

4.3.4.1.   Meetsignalen en gegevensregistratie

Naast het bepaalde in bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa geregistreerd.

4.3.5.   Cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik (FCMC)

De cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik (FCMC) overeenkomstig dit punt wordt voor alle andere motoren dan de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren weggelaten. De voor de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren vastgelegde brandstofdiagramgegevens gelden voor alle motoren binnen dezelfde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, vindt de cyclus voor het bepalen van de diagram van het brandstofverbruik ook voor die specifieke motor plaats.

De waarden van het brandstofdiagram van de motor worden gemeten bij een overeenkomstig punt 4.3.5.2 bepaalde reeks punten waarbij de motor in statische toestand draait. In dit diagram wordt het van het toerental in min– 1 afhankelijke brandstofverbruik in g/h uitgezet tegen het motorkoppel in Nm.

4.3.5.1.   Onderbrekingen tijdens de FCMC

Als tijdens de FCMC van motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd, zoals gedefinieerd in punt 6.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, een regeneratieproces plaatsvindt, worden alle metingen bij die toerentalmodus ongeldig verklaard. Het regeneratieproces wordt voltooid, waarna de procedure overeenkomstig punt 4.3.5.1.1 wordt voortgezet.

Als tijdens de FCMC een onverwachte onderbreking, storing of fout optreedt, worden alle metingen bij die toerentalmodus ongeldig verklaard en kiest de fabrikant een van de volgende opties:

1)

de procedure wordt overeenkomstig punt 4.3.5.1.1 voortgezet;

2)

de volledige FCMC wordt overeenkomstig de punten 4.3.5.4 en 4.3.5.5 herhaald.

4.3.5.1.1.   Voortzetting van de FCMC

De motor wordt gestart en overeenkomstig punt 7.4.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, opgewarmd. Na het warmlopen wordt de motor voorgeconditioneerd door hem gedurende twintig minuten te laten draaien in modus 9, zoals gedefinieerd in tabel 1 van punt 7.2.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiewaarden van modus 9 die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt uitgevoerd.

Direct na voltooiing van de voorconditionering worden het toerental en het koppel binnen 20 tot 46 seconden lineair veranderd tot het hoogste koppelinstelpunt bij het eerstvolgende hogere toerentalinstelpunt na het toerentalinstelpunt waarbij de onderbreking van de FCMC plaatsvond. Als het instelpunt in minder dan 46 seconden wordt bereikt, wordt het resterende deel van de 46 seconden voor stabilisatie gebruikt.

Met het oog op stabilisatie wordt de werking van de motor vanaf dat punt overeenkomstig de in punt 4.3.5.5 beschreven testsequentie voortgezet zonder de meetwaarden te registreren.

Wanneer het hoogste koppelinstelpunt bij het toerentalinstelpunt waarbij de onderbreking plaatsvond, is bereikt, wordt de registratie van de meetwaarden vanaf dat punt overeenkomstig de in punt 4.3.5.5 beschreven testsequentie voortgezet.

4.3.5.2.   Raster van instelpunten

Het raster van instelpunten wordt op genormaliseerde wijze bepaald en bestaat uit tien toerentalinstelpunten en elf koppelinstelpunten. De omzetting van de vastgestelde genormaliseerde instelpunten naar werkelijke streefwaarden voor de instelpunten van het toerental en het koppel wordt gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

4.3.5.2.1.   Bepaling van toerentalinstelpunten

De tien toerentalinstelpunten bestaan uit vier basisinstelpunten en zes aanvullende instelpunten.

De toerentallen nidle, nlo, npref, n95h en nhi worden afgeleid uit de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren door de definities van de karakteristieke toerentallen overeenkomstig punt 7.4.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, toe te passen.

Het toerental n57 wordt bepaald met de volgende vergelijking:

n57 = 0,565 × (0,45 × nlo + 0,45 × npref + 0,1 × nhi – nidle) × 2,0327 + nidle.

De vier basisinstelpunten worden als volgt bepaald:

1)

basistoerental 1: nidle;

2)

basistoerental 2: nA = n57 – 0,05 × (n95h – nidle);

3)

basistoerental 3: nB = n57 + 0,08 × (n95h – nidle);

4)

basistoerental 4: n95h.

De potentiële afstanden tussen de toerentalinstelpunten worden bepaald met de volgende vergelijkingen:

1)

dnidleA_44 = (nA – nidle) / 4;

2)

dnB95h_44 = (n95h – nB) / 4;

3)

dnidleA_35 = (nA – nidle) / 3;

4)

dnB95h_35 = (n95h – nB) / 5;

5)

dnidleA_53 = (nA – nidle) / 5;

6)

dnB95h_53 = (n95h – nB) / 3.

De absolute waarden van de potentiële afwijkingen tussen de twee segmenten worden bepaald met de volgende vergelijkingen:

1)

dn44 = ABS(dnidleA_44 – dnB95h_44);

2)

dn35 = ABS(dnidleA_35 – dnB95h_35);

3)

dn53 = ABS(dnidleA_53 – dnB95h_53).

De zes aanvullende instelpunten worden als volgt bepaald op basis van de kleinste van de drie waarden dn44, dn35 en dn53:

1)

als dn44 de kleinste van de drie waarden is, worden de zes aanvullende instelpunten bepaald door twee bereiken, een van nidle tot nA en een van nB tot n95h, elk in vier gelijke segmenten te verdelen;

2)

als dn35 de kleinste van de drie waarden is, worden de zes aanvullende instelpunten bepaald door het bereik van nidle tot nA in drie gelijke segmenten en het bereik van nB tot n95h in vijf gelijke segmenten te verdelen;

3)

als dn53 de kleinste van de drie waarden is, worden de zes aanvullende instelpunten bepaald door het bereik van nidle tot nA in vijf gelijke segmenten en het bereik van nB tot n95h in drie gelijke segmenten te verdelen.

In figuur 1 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de toerentalinstelpunten volgens punt 1).

Figuur 1

Bepaling van toerentalinstelpunten

Image

4.3.5.2.2.   Bepaling van koppelinstelpunten

De elf koppelinstelpunten bestaan uit twee basisinstelpunten en negen aanvullende instelpunten. De twee basisinstelpunten zijn het nulkoppelpunt en het overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde maximumkoppelpunt bij vollast van de CO2-oudermotor (algeheel maximumkoppel Tmax_overall). De negen aanvullende instelpunten worden bepaald door het bereik van het nulkoppel tot het algehele maximumkoppel, Tmax_overall, in tien gelijke segmenten te verdelen.

Alle koppelinstelpunten bij een bepaald toerentalinstelpunt die hoger zijn dan de grenswaarde die bepaald is door de vollastkoppelwaarde bij dit toerentalinstelpunt min 5 % van Tmax_overall, worden vervangen door de vollastkoppelwaarde bij dit toerentalinstelpunt. In figuur 2 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de koppelinstelpunten.

Figuur 2

Bepaling van koppelinstelpunten

Image

4.3.5.3.   Meetsignalen en gegevensregistratie

De volgende meetgegevens worden geregistreerd:

1)

het toerental;

2)

het overeenkomstig punt 3.1.2 gecorrigeerde motorkoppel;

3)

de door het volledige motorsysteem verbruikte brandstofmassastroom overeenkomstig punt 3.4;

4)

verontreinigende gassen zoals gedefinieerd in VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06. Tijdens de FCMC-test is geen meting van de emissie van verontreinigende deeltjes en ammoniak vereist.

De verontreinigende gassen worden gemeten overeenkomstig de punten 7.5.1, 7.5.2, 7.5.3, 7.5.5, 7.7.4, 7.8.1, 7.8.2, 7.8.4 en 7.8.5 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

Voor de toepassing van punt 7.8.4 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt onder het in dat punt gebruikte begrip „testcyclus” verstaan de volledige sequentie van de voorconditionering overeenkomstig punt 4.3.5.4 tot de beëindiging van de testsequentie overeenkomstig punt 4.3.5.5.

4.3.5.4.   Voorconditionering van het motorsysteem

Het verdunningssysteem (in voorkomend geval) en de motor worden gestart en overeenkomstig punt 7.4.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, opgewarmd.

Na het warmlopen worden de motor en het bemonsteringssysteem voorgeconditioneerd door de motor gedurende twintig minuten te laten draaien in modus 9, zoals gedefinieerd in tabel 1 van punt 7.2.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, en tegelijkertijd het verdunningssysteem te laten werken.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren wordt gebruikt voor de denormalisering van de referentiewaarden van modus 9 die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt uitgevoerd.

Direct na voltooiing van de voorconditionering worden het toerental en het koppel binnen 20 tot 46 seconden lineair veranderd totdat zij overeenkomen met het eerste instelpunt van de testsequentie overeenkomstig punt 4.3.5.5. Als het eerste instelpunt in minder dan 46 seconden wordt bereikt, wordt het resterende deel van de 46 seconden voor stabilisatie gebruikt.

4.3.5.5.   Testsequentie

De testsequentie bestaat uit statische instelpunten met de overeenkomstig punt 4.3.5.2 vastgestelde toerental- en koppelwaarden, en vastgestelde overgangen om van het ene instelpunt naar het volgende te gaan.

Bij het hoogste koppelinstelpunt voor elk toerentalinstelpunt werkt de motor bij maximale vraag van de operator.

Het eerste instelpunt is het hoogste toerentalinstelpunt en het hoogste koppelinstelpunt.

De volgende stappen worden gezet om alle instelpunten af te werken:

1)

de motor draait gedurende 95 ± 3 seconden bij elk instelpunt. De eerste 55 ± 1 seconden van elk instelpunt worden als stabilisatieperiode beschouwd. Daarna wordt gedurende 30 ± 1 seconden de gemiddelde waarde van het toerental als volgt geregeld:

a)

de gemiddelde toerentalwaarde wordt op het toerentalinstelpunt gehouden met een marge van ± 1 % van het hoogste doeltoerental;

b)

behalve voor de vollastpunten, wordt de gemiddelde koppelwaarde op het koppelinstelpunt gehouden met een marge van ± 20 Nm of, als dat meer is, ± 2 % van het algehele maximumkoppel, Tmax_overall.

De overeenkomstig punt 4.3.5.3 geregistreerde waarden worden opgeslagen als gemiddelde waarde over de periode van 30 ± 1 seconden. De resterende periode van 10 ± 1 seconden kan zo nodig worden gebruikt voor de verwerking en opslag van de gegevens. Tijdens deze periode wordt de motor op het instelpunt gehouden;

2)

nadat de meting op één instelpunt is voltooid, wordt het toerental constant gehouden op het toerentalinstelpunt, met een marge van ± 20 min– 1, en wordt het koppel binnen 20 ± 1 seconden lineair verlaagd totdat het overeenkomt met het eerstvolgende lagere koppelinstelpunt. Vervolgens wordt de meting overeenkomstig punt 1) verricht;

3)

nadat het nulkoppelinstelpunt overeenkomstig punt 1) is gemeten, wordt binnen 20 tot 46 seconden het toerental lineair verlaagd totdat het overeenkomt met het eerstvolgende lagere toerentalinstelpunt, terwijl tegelijkertijd het koppel lineair wordt verhoogd totdat het overeenkomt met het hoogste koppelinstelpunt bij het eerstvolgende lagere toerentalinstelpunt. Als het volgende instelpunt in minder dan 46 seconden wordt bereikt, wordt het resterende deel van de 46 seconden voor stabilisatie gebruikt. Vervolgens wordt de meting overeenkomstig punt 1) verricht door de stabilisatieprocedure te starten, waarna de koppelinstelpunten bij constant motortoerental overeenkomstig punt 2) worden aangepast.

In figuur 3 zijn de drie verschillende stappen geïllustreerd die bij elk meetinstelpunt overeenkomstig punt 1) moeten worden uitgevoerd.

Figuur 3

Stappen die bij elk meetinstelpunt moeten worden uitgevoerd

Image

In figuur 4 wordt een voorbeeld gegeven van de sequentie van statische meetinstelpunten.

Figuur 4

Sequentie van statische meetinstelpunten

Image

4.3.5.6.   Beoordeling van gegevens voor emissiebewaking

Tijdens de FCMC moeten de verontreinigende gassen overeenkomstig punt 4.3.5.3 worden bewaakt. De definities van de karakteristieke toerentallen overeenkomstig punt 7.4.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, zijn van toepassing.

4.3.5.6.1.   Bepaling van het controlegebied

Het controlegebied voor de emissiebewaking tijdens de FCMC wordt overeenkomstig de punten 4.3.5.6.1.1 en 4.3.5.6.1.2 bepaald.

4.3.5.6.1.1.   Toerentalbereik voor het controlegebied

1)

Het toerentalbereik voor het controlegebied wordt gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

2)

Het controlegebied omvat alle toerentallen die hoger zijn dan of gelijk zijn aan het 30e percentiel van de cumulatieve toerentalverdeling, bepaald op basis van alle toerentallen, met inbegrip van het stationaire toerental, in oplopende volgorde, tijdens de overeenkomstig punt 4.3.3 uitgevoerde WHTC-testcyclus met warme start (n30), voor de onder 1) bedoelde vollastcurve.

3)

Het controlegebied omvat alle toerentallen die lager dan of gelijk aan nhi zijn, bepaald op basis van de onder 1) bedoelde vollastcurve.

4.3.5.6.1.2.   Koppel- en vermogensbereik voor het controlegebied

1)

De ondergrens van het koppelbereik voor het controlegebied wordt gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de laagst gekwalificeerde motor van alle motoren binnen de CO2-familie van motoren.

2)

Het controlegebied omvat alle motorbelastingstoestanden waarbij het koppel ten minste ten minste 30 % bedraagt van het op basis van de onder 1) bedoelde vollastcurve bepaalde maximumkoppel.

3)

Onverminderd punt 2) worden toerental- en koppelpunten beneden 30 % van het op basis van de onder 1) bedoelde vollastcurve bepaalde maximumvermogen, van het controlegebied uitgesloten.

4)

Onverminderd de punten 2) en 3) wordt de bovengrens van het controlegebied gebaseerd op de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren. De op basis van de vollastcurve van de CO2-oudermotor bepaalde koppelwaarde voor elk toerental wordt verhoogd met 5 % van het overeenkomstig punt 4.3.5.2.2 bepaalde algehele maximumkoppel, Tmax_overall. De gewijzigde verhoogde vollastcurve van de CO2-oudermotor wordt gebruikt als bovengrens van het controlegebied.

In figuur 5 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de toerental-, koppel- en vermogensbereiken van het controlegebied.

Figuur 5

Voorbeeld van de bepaling van de toerental-, koppel- en vermogensbereiken van het controlegebied

Image

Tekst van het beeld

4.3.5.6.2.   Bepaling van de rastercellen

Het overeenkomstig punt 4.3.5.6.1 bepaalde controlegebied wordt met het oog op de emissiebewaking tijdens de FCMC in een aantal rastercellen verdeeld.

Het raster omvat negen cellen voor motoren met een nominaal toerental van minder dan 3 000 min– 1 en twaalf cellen voor motoren met een nominaal toerental van 3 000 min– 1 of meer. Het raster wordt als volgt gevormd:

1)

de buitengrenzen van de het raster komen overeen met het overeenkomstig punt 4.3.5.6.1 bepaalde controlegebied;

2)

twee verticale lijnen op gelijke afstand tussen de motortoerentallen n30 en 1,1 × n95h voor een raster met negen cellen, of drie verticale lijnen op gelijke afstand tussen de motortoerentallen n30 en 1,1 × n95h voor een raster met twaalf cellen;

3)

twee lijnen op gelijke afstand van het koppel (d.w.z. 1/3) bij elke overeenkomstig de punten 1) en 2) bepaalde verticale lijn van het toerental.

Alle toerentalwaarden in min– 1 en koppelwaarden in newtonmeter die de grenzen van de rastercellen vormen, worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond.

In figuur 6 wordt een voorbeeld gegeven van de bepaling van de rastercellen van het controlegebied voor een raster met negen cellen.

Figuur 6

Voorbeeld van een bepaling van de rastercellen van het controlegebied voor een raster met negen cellen.

Image

Tekst van het beeld

4.3.5.6.3.   Berekening van de specifieke massa-emissies

Bij de bepaling van de specifieke massa-emissies van de verontreinigende gassen wordt uitgegaan van de gemiddelde waarde voor elke overeenkomstig punt 4.3.5.6.2 bepaalde rastercel. De gemiddelde waarde voor elke rastercel wordt bepaald als het rekenkundige gemiddelde van de specifieke massa-emissies van alle binnen dezelfde rastercel gelegen toerental- en koppelpunten die tijdens de FCMC worden gemeten.

De tijdens de FCMC gemeten specifieke massa-emissies van één toerental en koppel worden bepaald als het gemiddelde van een meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, onder 1).

Als een toerental- en koppelpunt precies op een scheidingslijn van verschillende rastercellen ligt, wordt dat punt voor de gemiddelde waarden van alle aangrenzende rastercellen in aanmerking genomen.

De tijdens de FCMC voor elk toerental- en koppelpunt gemeten totale massa-emissies van elk verontreinigend gas, mFCMC,i in grammen, in de meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, onder 1), worden berekend overeenkomstig punt 8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

De tijdens de FCMC voor elk toerental- en koppelpunt gemeten werkelijke motorarbeid, WFCMC,i in kWh, in de meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, onder 1), wordt op basis van de overeenkomstig punt 4.3.5.3 geregistreerde toerental- en koppelwaarden bepaald.

De tijdens de FCMC voor elk toerental- en koppelpunt gemeten specifieke massa-emissies van verontreinigende gassen, eFCMC,i in g/kWh, worden met de volgende vergelijking bepaald:

eFCMC,i = mFCMC,i / WFCMC,i

4.3.5.7.   Geldigheid van de gegevens

4.3.5.7.1.   Voorschriften voor validatiestatistieken van de FCMC

Voor de FCMC wordt een lineaire regressieanalyse tussen de werkelijke waarden van het toerental (nact), het koppel (Mact) en het vermogen (Pact) en de overeenkomstige referentiewaarden (nref, Mref, Pref) gemaakt. De werkelijke waarden voor nact, Mact en Pact worden op basis van de overeenkomstig punt 4.3.5.3 geregistreerde waarden bepaald.

De overgangen om van het ene instelpunt naar het volgende te gaan, blijven bij deze regressieanalyse buiten beschouwing.

Om de onzuiverheid als gevolg van het tijdsverschil tussen de werkelijke en de referentiecycluswaarden zo veel mogelijk te beperken, mag de hele werkelijke signaalreeks van het motortoerental en -koppel vroeger of later gesteld worden ten opzichte van de referentietoerental- en referentiekoppelreeks. Wanneer de werkelijke signalen worden verschoven, moeten zowel het toerental als het koppel eenzelfde hoeveelheid in dezelfde richting worden verschoven.

Voor de regressieanalyse overeenkomstig de punten A.3.1 en A.3.2 van aanhangsel 3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt de kleinstekwadratenmethode toegepast met de best passende formule met de in punt 7.8.7 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vermelde vorm. Aanbevolen wordt deze analyse met een frequentie van 1 Hz uit te voeren.

Uitsluitend voor deze regressieanalyse mogen vóór de berekening van de regressie punten worden geschrapt, mits dit is aangegeven in tabel 4 (Punten die in de regressieanalyse mogen worden geschrapt) van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06. Bovendien worden, uitsluitend voor deze regressieanalyse, alle koppel- en toerentalwaarden op punten met maximumvraag van de operator geschrapt. De voor de regressieanalyse geschrapte punten worden echter voor de overige berekeningen overeenkomstig deze bijlage niet weggelaten. Het schrappen van punten kan voor de hele cyclus of voor een gedeelte ervan worden toegepast.

De gegevens worden alleen geldig geacht als zij voldoen aan de criteria van tabel 3 (Regressierechtetoleranties voor de WHSC) van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06.

4.3.5.7.2.   Voorschriften voor emissiebewaking

De in de FCMC-tests verkregen gegevens zijn geldig als de overeenkomstig punt 4.3.5.6.3 voor elke rastercel bepaalde specifieke massa-emissies van de gereguleerde verontreinigende gassen voldoen aan de in punt 5.2.2 van bijlage 10 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vastgestelde toepasselijke grenswaarden voor verontreinigende gassen. Als het aantal toerental- en koppelpunten binnen één rastercel minder dan drie bedraagt, is dit punt niet van toepassing op die specifieke rastercel.

5.   Verwerking van meetgegevens

Alle in dit punt beschreven berekeningen worden specifiek uitgevoerd voor elke motor binnen één CO2-familie van motoren.

5.1.   Berekening van motorarbeid

De totale motorarbeid in een cyclus of in een bepaalde periode wordt bepaald op basis van de overeenkomstig punt 3.1.2 en de punten 6.3.5 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, geregistreerde waarden.

De motorarbeid in een volledige testcyclus of in elke WHTC-subcyclus wordt bepaald door de geregistreerde motorvermogenswaarden met de volgende formule te integreren:

Formula

waarbij:

Wact, i

=

totale motorarbeid in het tijdvak tussen t0 en t1;

t0

=

tijd bij het begin van het tijdvak;

t1

=

tijd bij het eind van het tijdvak;

n

=

aantal geregistreerde waarden in het tijdvak tussen t0 en t1;

Pk [0 … n]

=

in het tijdvak tussen t0 en t1 geregistreerde motorvermogenswaarden in chronologische volgorde, waarbij k gaat van 0 op het tijdstip t0 tot n op het tijdstip t1;

h

=

interval tussen twee aangrenzende geregistreerde waarden, gegeven door. Formula

5.2.   Berekening van het geïntegreerde brandstofverbruik

Als er negatieve waarden voor het brandstofverbruik zijn geregistreerd, worden die bij de berekeningen voor de geïntegreerde waarde als zodanig gebruikt en niet gelijkgesteld aan nul.

De totale door de motor verbruikte brandstofmassa in een volledige testcyclus of in elke WHTC-subcyclus wordt bepaald door de geregistreerde brandstofmassadebietwaarden met de volgende formule te integreren:

Formula

waarbij:

Σ FCmeas, i

=

totale door de motor verbruikte brandstofmassa in het tijdvak tussen t0 en t1;

t0

=

tijd bij het begin van het tijdvak;

t1

=

tijd bij het eind van het tijdvak;

n

=

aantal geregistreerde waarden in het tijdvak tussen t0 en t1;

mffuel,k [0 … n]

=

in het tijdvak tussen t0 en t1 geregistreerde brandstofmassadebietwaarden in chronologische volgorde, waarbij k gaat van 0 op het tijdstip t0 tot n op het tijdstip t1;

h

=

interval tussen twee aangrenzende geregistreerde waarden, gegeven door Formula

5.3.   Berekening van de specifieke brandstofverbruikswaarden

De correctie- en vereffeningsfactoren die als input voor de simulatietool moeten worden verstrekt, worden door de motorvoorbewerkingstool berekend op basis van de overeenkomstig de punten 5.3.1 en 5.3.2 bepaalde gemeten specifieke brandstofverbruikswaarden van de motor.

5.3.1.   Specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHTC-correctiefactor

De voor de WHTC-correctiefactor vereiste specifieke brandstofverbruikswaarden worden als volgt berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.3 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor de WHTC met warme start:

 

SFCmeas, Urban = Σ FCmeas, WHTC-Urban / Wact, WHTC-Urban

 

SFCmeas, Rural = Σ FCmeas, WHTC- Rural / Wact, WHTC- Rural

 

SFCmeas, MW = Σ FCmeas, WHTC-MW / Wact, WHTC-M)

waarbij:

SFCmeas, i

=

specifiek brandstofverbruik in WHTC-subcyclus i [g/kWh];

Σ FCmeas, i

=

totale door de motor verbruikte brandstofmassa in WHTC-subcyclus i [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2;

Wact, i

=

totale motorarbeid in WHTC-subcyclus i [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1.

De drie subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) worden als volgt gedefinieerd:

1)

stad: van het begin van de cyclus tot ≤ 900 seconden na het begin van de cyclus;

2)

platteland: van > 900 seconden tot ≤ 1 380 seconden na het begin van de cyclus;

3)

snelweg (MW): van > 1 380 seconden tot het eind van de cyclus.

5.3.2.   Specifieke brandstofverbruikswaarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies

De voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies vereiste specifieke brandstofverbruikswaarden worden berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.3 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor zowel de WHTC-test met warme start als de WHTC-test met koude start. De berekeningen voor de WHTC met warme en koude start worden op de volgende wijze afzonderlijk verricht:

 

SFCmeas, hot = Σ FCmeas, hot / Wact, hot

 

SFCmeas, cold = Σ FCmeas, cold / Wact, cold

waarbij:

SFCmeas, j

=

specifiek brandstofverbruik [g/kWh];

Σ FCmeas, j

=

totaal brandstofverbruik in de WHTC [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2 van deze bijlage;

Wact, j

=

totale motorarbeid in de WHTC [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1 van deze bijlage.

5.3.3.   Specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC

De specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC worden als volgt berekend op basis van de overeenkomstig punt 4.3.4 geregistreerde werkelijke gemeten waarden voor de WHSC:

SFCWHSC = (Σ FCWHSC) / (WWHSC)

waarbij:

SFCWHSC

=

specifiek brandstofverbruik in de WHSC [g/kWh];

Σ FCWHSC

=

totaal brandstofverbruik in de WHSC [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2 van deze bijlage.

WWHSC

=

totale motorarbeid in de WHSC [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1 van deze bijlage.

5.3.3.1.   Gecorrigeerde specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHSC

Het overeenkomstig punt 5.3.3 bepaalde berekende specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, wordt met de volgende vergelijking omgezet in een gecorrigeerde waarde, SFCWHSC,corr, om rekening te houden met het verschil tussen de onderste verbrandingswaarde van de tijdens de test gebruikte brandstof en de standaardwaarde voor de betrokken motorbrandstoftechnologie:

Formula

waarbij:

SFCWHSC,corr

=

gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik in de WHSC [g/kWh];

SFCWHSC

=

specifiek brandstofverbruik in de WHSC [g/kWh];

NCVmeas

=

onderste verbrandingswaarde van de tijdens de test gebruikte brandstof, bepaald overeenkomstig punt 3.2 [MJ/kg];

NCVstd

=

standaard-NCV volgens tabel 4 [MJ/kg].

Tabel 4

Standaard-NCV voor verschillende brandstoftypen

Brandstoftype/ motortype

Type referentie-brandstof

Standaard-NCV [MJ/kg]

Diesel / CI

B7

42,7

Ethanol / CI

ED95

25,7

Benzine / PI

E10

41,5

Ethanol / PI

E85

29,1

Lpg / PI

Lpg-brandstof B

46,0

Aardgas / PI

G25

45,1

5.3.3.2.   Bijzondere bepalingen voor referentiebrandstof B7

Als overeenkomstig punt 3.2 referentiebrandstof van het type B7 (diesel/CI) tijdens de test is gebruikt, wordt de normalisatiecorrectie overeenkomstig punt 5.3.3.1 niet toegepast en is de gecorrigeerde waarde, SFCWHSC,corr, gelijk aan de ongecorrigeerde waarde SFCWHSC.

5.4.   Correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd

Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd, zoals gedefinieerd in punt 6.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt een correctiefactor op het brandstofverbruik toegepast om rekening te houden met regeneratieprocessen.

Deze correctiefactor, CFRegPer, wordt overeenkomstig punt 6.6.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, bepaald.

Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem met continue regeneratie, zoals gedefinieerd in punt 6.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt geen correctiefactor bepaald en heeft de factor CFRegPer de waarde 1.

De overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor wordt gebruikt voor de denormalisering van de WHTC-referentiecyclus en alle berekeningen van referentiewaarden die overeenkomstig de punten 7.4.6, 7.4.7 en 7.4.8 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, worden uitgevoerd.

Naast het bepaalde in bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, wordt het overeenkomstig punt 3.4 gemeten werkelijke debiet van de door de motor verbruikte brandstofmassa geregistreerd voor elke overeenkomstig punt 6.6.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, uitgevoerde WHTC-test met warme start.

Het specifieke brandstofverbruik voor elke uitgevoerde WHTC-test met warme start wordt berekend met de volgende vergelijking:

SFCmeas, m = (Σ FCmeas, m) / (Wact, m)

waarbij:

SFCmeas, m

=

specifiek brandstofverbruik [g/kWh];

Σ FCmeas,m

=

totaal brandstofverbruik in de WHTC [g], bepaald overeenkomstig punt 5.2 van deze bijlage;

Wact, m

=

totale motorarbeid in de WHTC [kWh], bepaald overeenkomstig punt 5.1 van deze bijlage;

m

=

index waarmee elke individuele WHTC-test met warme start wordt aangeduid.

De specifieke brandstofverbruikswaarden voor de individuele WHTC-tests worden gewogen met de volgende vergelijking:

Formula

waarbij:

n

=

aantal WHTC-warmestarttests zonder regeneratie;

nr

=

aantal WHTC-warmestarttests met regeneratie (ten minste één test);

SFCavg

=

gemiddeld specifiek brandstofverbruik voor alle WHTC-warmestarttests zonder regeneratie [g/kWh];

SFCavg,r

=

gemiddeld specifiek brandstofverbruik voor alle WHTC-warmestarttests met regeneratie [g/kWh].

De correctiefactor, CFRegPer, wordt berekend met de volgende vergelijking:

Formula

6.   Gebruik van de motorvoorbewerkingstool

De motorvoorbewerkingstool wordt voor elke motor binnen één CO2-familie van motoren gebruikt met de in punt 6.1 beschreven input.

De outputgegevens van de motorvoorbewerkingstool vormen het eindresultaat van de motortestprocedure en worden gedocumenteerd.

6.1.   Inputgegevens voor de motorvoorbewerkingstool

Met de in deze bijlage beschreven testprocedures worden de volgende inputgegevens gegenereerd, die de input vormen voor de motorvoorbewerkingstool:

6.1.1.   vollastcurve van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, worden de waarden van de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van die specifieke motor als inputgegevens gebruikt.

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.2.   vollastcurve:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve van de motor.

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.3.   motorweerstandscurve van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.2 vastgelegde motorweerstandscurve van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, worden de waarden van de overeenkomstig punt 4.3.2 vastgelegde motorweerstandscurve van die specifieke motor als inputgegevens gebruikt.

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.4.   brandstofverbruikdiagram van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 4.3.5 vastgelegde waarden voor het toerental, het koppel en het brandstofmassadebiet van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 van deze bijlage samengestelde CO2-familie van motoren.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, worden de overeenkomstig punt 4.3.5 vastgelegde waarden van het toerental, het koppel en het brandstofmassadebiet van die specifieke motor als inputgegevens gebruikt.

De inputgegevens bestaan uitsluitend uit de gemiddelde meetwaarden van het toerental, het koppel en het brandstofmassadebiet van een meetperiode van 30 ± 1 seconden, zoals gedefinieerd in punt 4.3.5.5, onder 1).

De inputgegevens worden verstrekt als kommagescheiden bestand (CSV-bestand), waarbij als scheidingsteken het Unicodeteken „komma” (U+002C) („,”) wordt gebruikt. De eerste regel van het bestand wordt als kopregel gebruikt en bevat geen vastgelegde gegevens. De vastgelegde gegevens beginnen bij de tweede regel van het bestand.

De eerste kolom van het bestand betreft het toerental van de motor in min– 1, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De tweede kolom van het bestand betreft het koppel in Nm, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond. De derde kolom van het bestand betreft het brandstofmassadebiet in g/h, overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.5.   specifieke brandstofverbruikswaarden voor de WHTC-correctiefactor:

deze inputgegevens betreffen de drie overeenkomstig punt 5.3.1 bepaalde waarden voor het specifieke brandstofverbruik in de subcycli van de WHTC (stad, platteland en snelweg) in g/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.6.   specifieke brandstofverbruikswaarden voor de vereffeningsfactor voor koude/warme emissies:

deze inputgegevens betreffen de twee overeenkomstig punt 5.3.2 bepaalde waarden voor het specifieke brandstofverbruik in de WHTC met warme en koude start in g/kWh.

De waarden worden overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.7.   correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 5.4 bepaalde correctiefactor CFRegPer.

Voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem met continue regeneratie, zoals gedefinieerd in punt 6.6.1 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, heeft deze factor overeenkomstig punt 5.4 de waarde 1.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op twee decimalen afgerond;

6.1.8.   onderste verbrandingswaarde van de testbrandstof:

deze inputgegevens betreffen de overeenkomstig punt 3.2 bepaalde onderste verbrandingswaarde van de testbrandstof in KJ/kg.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op drie decimalen afgerond;

6.1.9.   type testbrandstof:

deze inputgegevens betreffen het type van de overeenkomstig punt 3.2 gekozen testbrandstof;

6.1.10.   stationair toerental van de CO2-oudermotor:

deze inputgegevens betreffen het stationaire toerental, nidle, in min– 1 van de CO2-oudermotor van de overeenkomstig aanhangsel 3 samengestelde CO2-familie van motoren, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig het model in aanhangsel 2 opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

Als op verzoek van de fabrikant de in artikel 15, lid 5, van deze verordening vastgestelde bepalingen worden toegepast, wordt het stationaire toerental van die specifieke motor als inputgegeven gebruikt.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.11.   stationair toerental van de motor:

deze inputgegevens betreffen het stationaire toerental, nidle, in min– 1 van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig het model in aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.12.   cilinderinhoud:

deze inputgegevens betreffen de cilinderinhoud in cm3 van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig het model in aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.13.   nominaal toerental:

deze inputgegevens betreffen het nominale toerental in min– 1 van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in punt 3.2.1.8 van het overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.14.   nominaal motorvermogen:

deze inputgegevens betreffen het nominale vermogen in kW van de motor, zoals opgegeven door de fabrikant in punt 3.2.1.8 van het overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering.

De waarde wordt overeenkomstig ASTM E 29-06 op het dichtstbijzijnde gehele getal afgerond;

6.1.15.   fabrikant:

deze inputgegevens betreffen de naam van de motorfabrikant als tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

6.1.16.   model:

deze inputgegevens betreffen de naam van het motormodel als tekenreeks in ISO 8859-1-codering;

6.1.17.   identificatiecode van technisch verslag:

deze inputgegevens betreffen een unieke identificatiecode van het technisch verslag dat is opgesteld voor de typegoedkeuring van de specifieke motor. Deze identificatiecode is een tekenreeks in ISO 8859-1-codering.


(1)  „Nauwkeurigheid” is de mate waarin de van de analysator afgelezen waarde afwijkt van een naar een nationale of internationale standaard herleidbare referentiewaarde.

(2)  „Stijgtijd” is het tijdverschil tussen de 10 %- en de 90 %-respons van de eindwaarde die van de analysator wordt afgelezen (t90 – t10).

(3)  De waarden van de „max. kalibratie” zijn 1,1 keer de maximale voorspelde waarde die tijdens alle tests voor het meetsysteem wordt verwacht.

Aanhangsel 1

MODEL VAN EEN CERTIFICAAT VOOR EEN ONDERDEEL, TECHNISCHE EENHEID OF SYSTEEM

Maximumformaat: A4 (210 × 297 mm)

CERTIFICAAT BETREFFENDE DE CO2-EMISSIE- EN BRANDSTOFVERBRUIKSEIGENSCHAPPEN VAN EEN FAMILIE VAN MOTOREN

Mededeling betreffende de:

verlening (1)

uitbreiding (1)

weigering (1)

intrekking (1)

Stempel instantie

van een certificaat betreffende de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van een familie van motoren overeenkomstig Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie.

Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie, zoals laatstelijk gewijzigd bij …

Certificeringsnummer:

Hash:

Reden van de uitbreiding:

AFDELING I

0.1.   Merk (handelsnaam van de fabrikant):

0.2.   Type:

0.3.   Middel tot identificatie van het type:

0.3.1.   Plaats van het certificeringsmerk:

0.3.2.   Wijze van aanbrenging van het certificeringsmerk:

0.5.   Naam en adres van de fabrikant:

0.6.   Naam en adres van de assemblagefabriek(en):

0.7.   Naam en adres van de eventuele vertegenwoordiger van de fabrikant:

AFDELING II

1.   Eventuele aanvullende informatie: zie addendum

2.   Goedkeuringsinstantie die verantwoordelijk is voor de uitvoering van de tests:

3.   Datum van het testrapport:

4.   Nummer van het testrapport:

5.   Eventuele opmerkingen: zie addendum

6.   Plaats:

7.   Datum:

8.   Handtekening:

Bijlagen:

Informatiepakket. Testrapport.

Aanhangsel 2

Inlichtingenformulier motor

Opmerkingen betreffende het invullen van de tabellen

De letters A, B, C, D en E staan voor de leden van een CO2-familie van motoren en moeten door de namen van de leden van de CO2-familie van motoren in kwestie worden vervangen.

Wanneer voor een bepaald motorkenmerk dezelfde waarde/beschrijving van toepassing is op alle leden van de CO2-familie van motoren, moeten de cellen voor de leden A tot en met E worden samengevoegd.

Wanneer de CO2-familie van motoren uit meer dan 5 leden bestaat, mogen nieuwe kolommen worden toegevoegd.

Het „Aanhangsel van het inlichtingenformulier” moet worden gekopieerd en afzondelijk worden ingevuld voor elke motor binnen een CO2-familie van motoren.

De voetnoten zijn te vinden aan het einde van dit aanhangsel.

 

 

CO2-oudermotor

Leden van de CO2-familie van motoren

A

B

C

D

E

0.

Algemeen

0.l.

Merk (handelsnaam van de fabrikant)

 

0.2.

Type

 

0.2.1.

Handelsnaam (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

0.5.

Naam en adres van de fabrikant

 

0.8.

Naam en adres van de assemblagefabriek(en)

 

 

 

 

 

 

0.9.

Naam en adres van de vertegenwoordiger van de fabrikant (indien van toepassing)

 

DEEL 1

Essentiële kenmerken van de (ouder)motor en de motortypen binnen een familie van motoren

 

 

Oudermotor of motortype

Leden van de CO2-familie van motoren

A

B

C

D

E

3.2.

Verbrandingsmotor

 

 

 

 

 

 

3.2.1.

Specifieke informatie over de motor

 

 

 

 

 

 

3.2.1.1.

Werkingsprincipe: elektrische ontsteking/ compressieontsteking (1)

viertakt-/tweetakt-/draaizuigercyclus (1)

 

3.2.1.2.

Aantal en opstelling van de cilinders

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.1.

Boring (3) mm

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.2.

Slag (3) mm

 

 

 

 

 

 

3.2.1.2.3.

Ontstekingsvolgorde

 

 

 

 

 

 

3.2.1.3.

Cilinderinhoud (4) cm3

 

 

 

 

 

 

3.2.1.4.

Volumetrische compressieverhouding (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.5.

Tekeningen van verbrandingskamer, zuigerkop en, bij elektrischeontstekingsmotoren, zuigerveren

 

 

 

 

 

 

3.2.1.6.

Normaal stationair toerental (5) min– 1

 

 

 

 

 

 

3.2.1.6.1.

Hoog stationair toerentall (5) min– 1

 

 

 

 

 

 

3.2.1.7.

Volumepercentage koolstofmonoxide in de uitlaatgassen bij stationair draaiende motorl (5): % volgens opgave van de fabrikant (alleen voor elektrischeontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.8.

Nettomaximumvermogenl (6) … kW bij … min– 1 (volgens opgave van de fabrikant)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.9.

Maximaal toegestaan motortoerental zoals voorgeschreven door de fabrikant (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.10.

Nettomaximumkoppell (6) (Nm) bij (min– 1) (volgens opgave van de fabrikant)

 

 

 

 

 

 

3.2.1.11.

Verwijzingen van de fabrikant naar het krachtens de punten 3.1, 3.2 en 3.3 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vereiste documentatiepakket dat de goedkeuringsinstantie in staat stelt de emissiebeheersingsstrategieën en de in de motor opgenomen systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd, te beoordele

 

 

 

 

 

 

3.2.2.

Brandstof

 

 

 

 

 

 

3.2.2.2.

Zware bedrijfsvoertuigen: diesel/benzine/lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL/ethanol (ED95)/ethanol (E85))l (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.2.2.1.

Brandstoffen die voor de motor kunnen worden gebruikt zoals opgegeven door de fabrikant overeenkomstig punt 4.6.2 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06 (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

 

3.2.4.

Brandstoftoevoer

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.

Door brandstofinspuiting (alleen compressieontsteking): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.1.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.2.

Werkingsprincipe: directe inspuiting/voorkamer/wervelkamer (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.

Inspuitpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.3.

Maximale brandstofopbrengst (1) (5) … mm3 /slag of cyclus bij een motortoerental van … min– 1 of eventueel karakteristiek diagram

(Als aanjaagdrukregeling wordt toegepast, de karakteristieke brandstofopbrengst vermelden, alsmede de aanjaagdruk met bijbehorend motortoerental)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.4.

Vast inspuittijdstip (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.5.

Inspuitvervroegingscurve (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.3.6.

Kalibratieprocedure: testbank/motor (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.

Regulateur

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.1.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.

Uitschakelingspunt

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.1.

Uitschakelingspunt onder belasting (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.2.

Maximumtoerental in onbelaste toestand (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.4.2.3.

Stationair toerental (min– 1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.

Inspuitleidingen

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.1.

Lengte (mm)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.2.

Binnendiameter (mm)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.5.3.

Common rail, merk en type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.6.3.

Openingsdruk (5):

kPa of karakteristiek diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.

Koudstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.7.3.

Beschrijving

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.

Hulpstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.8.3.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.

Elektronisch geregelde inspuiting: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.

Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.1.

Merk en type van de regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.2.

Merk en type van de brandstofregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.3.

Merk en type van de luchtmassasensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.4.

Merk en type van de brandstofverdelerpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.5.

Merk en type van het smoorklephuis

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.6.

Merk en type van de watertemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.7.

Merk en type van de luchttemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.8.

Merk en type van de luchtdruksensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.2.9.3.9.

Softwarekalibratienummer(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.

Door brandstofinspuiting (alleen elektrische ontsteking): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.1.

Werkingsprincipe: inlaatspruitstuk (monopoint/multipoint/directe inspuiting (1)/andere (specificeren))

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.2.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.3.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.

Beschrijving van het systeem (bij andere dan continue inspuitsystemen soortgelijke gegevens verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.1.

Merk en type van de regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.2.

Merk en type van de brandstofregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.3.

Merk en type van de luchtmassasensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.4.

Merk en type van de brandstofverdelerpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.5.

Merk en type van de drukregelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.6.

Merk en type van de microschakelaar

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.7.

Merk en type van de instelschroef voor stationair draaien

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.8.

Merk en type van het smoorklephuis

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.9.

Merk en type van de watertemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.10.

Merk en type van de luchttemperatuursensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.11.

Merk en type van de luchtdruksensor

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.4.12.

Softwarekalibratienummer(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.

Inspuiters: openingsdruk (5) (kPa) of karakteristiek diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.5.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.6.

Inspuittiming

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.

Koudstartsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.1.

Werkingsprincipe(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.3.7.2.

Bedrijfsgrenzen/instellingen (1) (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.4.4.

Brandstofpomp

 

 

 

 

 

 

3.2.4.4.1.

Druk (5) (kPa) of karakteristiek diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.5.

Elektrisch systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.5.1.

Nominale spanning (V), positieve/negatieve massaverbinding (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.

Generator

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.1.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.5.2.2.

Nominale output (VA)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.

Ontstekingssysteem (alleen bij elektrischeontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.3.

Werkingsprincipe

 

 

 

 

 

 

3.2.6.4.

Ontstekingsvervroegingscurve of -diagram (5)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.5.

Vast ontstekingstijdstip (5) (graden vóór BDP)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.

Bougies

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.6.6.3.

Elektrodenafstand (mm)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.

Bobine(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.6.7.2.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.7.

Koelsysteem: vloeistof/lucht (1)

 

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.

Vloeistof

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.1.

Aard van de vloeistof

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.2.

Circulatiepomp(en): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.

Kenmerken

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.2.4.

Aandrijvingsverhouding(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.

Lucht

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.1.

Ventilator: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.

Kenmerken

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.7.3.3.

Aandrijvingsverhouding(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.

Inlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.

Drukvulling: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.1.3.

Beschrijving van het systeem (bv. maximale vuldruk … kPa, overdrukklep, indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.2.

Tussenkoeler: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.2.1.

Type: lucht-lucht/lucht-water (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.

Inlaatonderdruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen bij compressieontstekingsmotoren)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.1.

Toelaatbaar minimum (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.3.2.

Toelaatbaar maximum (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.4.

Beschrijving en tekeningen van de inlaatpijpen en bijbehorende onderdelen (drukkamer, voorverwarmingssysteem, extra luchtinlaten enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.8.4.1.

Beschrijving van het inlaatspruitstuk (met tekeningen en/of foto's)

 

 

 

 

 

 

3.2.9.

Uitlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.1.

Beschrijving en/of tekeningen van het uitlaatspruitstuk

 

 

 

 

 

 

3.2.9.2.

Beschrijving en/of tekening van het uitlaatsysteem

 

 

 

 

 

 

3.2.9.2.1.

Beschrijving en/of tekening van de elementen van het uitlaatsysteem die een deel van het motorsysteem vormen

 

 

 

 

 

 

3.2.9.3.

Maximaal toelaatbare uitlaattegendruk bij nominaal motortoerental en bij 100 % belasting (alleen bij compressieontstekingsmotoren) (kPa) (7)

 

 

 

 

 

 

 

3.2.9.7.

Inhoud van het uitlaatsysteem (dm3)

 

 

 

 

 

 

3.2.9.7.1.

Acceptabele inhoud van het uitlaatsysteem: (dm3)

 

 

 

 

 

 

3.2.10.

Minimumdwarsdoorsnede van inlaat- en uitlaatpoorten en poortconfiguratie

 

 

 

 

 

 

3.2.11.

Kleptiming of gelijkwaardige gegevens

3.2.11.1.

Maximale lichthoogte van de kleppen, openings- en sluitingshoeken of gegevens over de timing van alternatieve distributiesystemen, ten opzichte van de dode punten. Bij variabele kleptiming, de minimum- en maximumtiming

 

 

 

 

 

 

3.2.11.2.

Referentie- en/of afstelbereik (7)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.

Genomen maatregelen tegen luchtverontreiniging

 

3.2.12.1.1.

Voorziening voor het recycleren van cartergassen: ja/nee (1)

Zo ja, beschrijving en tekeningen

Zo nee, naleving van punt 6.10 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, verplicht

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.

Extra voorzieningen voor verontreinigingsbeheersing (indien aanwezig en niet elders vermeld)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.

Katalysator: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.1.

Aantal katalysatoren en elementen (deze informatie voor elke eenheid verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.2.

Afmetingen, vorm en inhoud van de katalysator(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.3.

Soort katalytische werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.4.

Totale hoeveelheid edelmetalen

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.5.

Relatieve concentratie

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.6.

Substraat (structuur en materiaal)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.7.

Celdichtheid

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.8.

Type katalysatorhuis

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.9.

Plaats van de katalysator(en) (plaats en referentieafstand in de uitlaatlijn)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.10.

Hitteschild: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.

Regeneratiesystemen/-methode van de uitlaatgasnabehandelingssystemen, beschrijving

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.5.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik (K)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.6.

Verbruiksreagentia: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.7.

Type en concentratie van het reagens dat nodig is voor de katalytische werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.8.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik van het reagens K

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.9.

Internationale norm

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.11.10.

Vulfrequentie reagens: continu/bij onderhoud (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.12.

Merk van de katalysator

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.1.13.

Onderdeelidentificatienummer

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.

Zuurstofsensor: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.1.

Merk

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.2.

Plaats

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.3.

Controlebereik

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.4.

Type

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.2.5.

Onderdeelidentificatienummer

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.3.

Luchtinjectie: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.3.1.

Type (pulse air, luchtpomp enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.4.

Uitlaatgasrecirculatie (EGR): ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.4.1.

Kenmerken (merk, type, debiet enz.)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.

Deeltjesvanger: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.1.

Afmetingen, vorm en inhoud van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.2.

Ontwerp van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.3.

Plaats (referentieafstand in de uitlaatlijn)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.4.

Regeneratiemethode of -systeem, beschrijving en/of tekening

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.5.

Merk van de deeltjesvanger

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.6.

Onderdeelidentificatienummer

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.7.

Normaal bedrijfstemperatuurbereik (K) en drukbereik (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.

Bij periodieke regeneratie

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.1.1.

Aantal WHTC-testcycli zonder regeneratie (n)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.8.2.1.

Aantal WHTC-testcycli met regeneratie (nR)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.9.

Andere systemen: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.6.9.1.

Beschrijving en werking

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.

Boorddiagnosesysteem (OBD-systeem)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.0.1.

Aantal OBD-motorenfamilies binnen de familie van motoren

 

3.2.12.2.7.0.2.

Lijst van de OBD-motorenfamilies (indien van toepassing)

OBD-motorenfamilie 1: …

OBD-motorenfamilie 2: …

enz.

3.2.12.2.7.0.3.

Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de oudermotor/het familielid behoort

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.0.4.

Verwijzingen van de fabrikant naar de krachtens punt 3.1.4, onder c), en punt 3.3.4 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vereiste OBD-documentatie die wordt beschreven in bijlage 9A bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, met het oog op de goedkeuring van het OBD-systeem

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.0.5.

Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor het installeren van een motorsysteem met boorddiagnose in een voertuig

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.2.

Lijst en doel van alle onderdelen die door het OBD-systeem worden bewaakt (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.

Beschrijving in woorden (algemene werkingsprincipes) voor

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.1.

Motoren met elektrische ontsteking (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.1.1.

Bewaking van de katalysator (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.1.2.

Detectie van ontstekingsfouten (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.1.3.

Bewaking van de zuurstofsensor (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.1.4.

Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.2.

Compressieontstekingsmotoren (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.2.1.

Bewaking van de katalysator (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.2.2.

Bewaking van de deeltjesvanger (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.2.3.

Bewaking van het elektronische brandstoftoevoersysteem (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.2.4.

Bewaking van het NOx-verwijderingssysteem (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.3.2.5.

Andere door het OBD-systeem bewaakte onderdelen (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.4.

Criteria voor activering van de storingsindicator (MI) (vast aantal rijcycli of statistische methode) (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.5.

Lijst van alle gebruikte OBD-outputcodes en -formaten (met telkens een verklaring) (8)

 

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.6.5.

Norm van het OBD-communicatieprotocol (8)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.7.

Verwijzing van de fabrikant naar de krachtens punt 3.1.4, onder d), en punt 3.3.4 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vereiste OBD-gerelateerde informatie met het oog op de naleving van de bepalingen inzake toegang tot de OBD-informatie van het voertuig, of

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.7.7.1.

Als alternatief voor een verwijzing van de fabrikant zoals beschreven in punt 3.2.12.2.7.7, een verwijzing naar het bijvoegsel bij deze bijlage dat de volgende tabel bevat die volgens onderstaand voorbeeld is ingevuld:

Onderdeel – Foutcode – Bewakingsstrategie – Foutdetectiecriteria – MI-activeringcriteria – Secundaire parameters – Voorconditionering – Demonstratietest

SCR-katalysator – P20EE – Signalen NOx-sensor 1 en 2 – Verschil tussen de signalen van sensor 1 en sensor 2 – 2e cyclus – Motortoerental, motorbelasting, katalysatortemperatuur, reagensactiviteit, uitlaatgasmassadebiet – Eén OBD-testcyclus (WHTC, warm gedeelte) – OBD-testcyclus (WHTC, warm gedeelte)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.

Ander systeem (beschrijving en werking)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.1.

Systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.2.

Motor met permanente deactivering van het aansporingssysteem voor de bestuurder, voor gebruik door hulpverleningsdiensten of in voertuigen die zijn ontworpen en gebouwd voor gebruik door het leger, de burgerbescherming, de brandweer en de ordediensten: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.3.

Aantal OBD-motorenfamilies binnen de betrokken familie van motoren ter waarborging van de correcte werking van NOx-beperkingsmaatregelen:

 

3.2.12.2.8.4.

Lijst van de OBD-motorenfamilies (indien van toepassing)

OBD-motorenfamilie 1: …

OBD-motorenfamilie 2: …

enz.

3.2.12.2.8.5.

Nummer van de OBD-motorenfamilie waartoe de oudermotor/het familielid behoort

 

 

 

 

 

 

3.2.12.2.8.6.

Laagste concentratie van het in het reagens aanwezige werkzame ingrediënt, waarbij het waarschuwingssysteem niet wordt geactiveerd (CDmin) (vol. %)

 

3.2.12.2.8.7.

Indien van toepassing, verwijzing van de fabrikant naar de documentatie voor installatie in een voertuig van de systemen waarmee de correcte werking van de NOx-beperkingsmaatregelen wordt gegarandeerd

 

 

 

 

 

 

 

3.2.17.

Specifieke informatie over gasmotoren voor zware bedrijfsvoertuigen (voor systeemvarianten soortgelijke informatie verstrekken)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.1.

Brandstof: lpg/aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.

Drukregelaar(s) of verdamper(s)/drukregelaar(s) (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.3.

Aantal drukreduceerfasen

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.4.

Druk in de eindfase, minimaal (kPa) – maximaal (kPa)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.5.

Aantal hoofdafstelpunten

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.6.

Aantal afstelpunten stationair

 

 

 

 

 

 

3.2.17.2.7.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.

Brandstofsysteem: mengeenheid/gasinspuiting/ vloeistofinspuiting/directe inspuiting (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.1.

Mengverhoudingregeling

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.2.

Systeembeschrijving en/of -diagram en tekeningen

 

 

 

 

 

 

3.2.17.3.3.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.

Mengeenheid

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.1.

Aantal

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.2.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.3.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.4.

Plaats

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.5.

Afstelmogelijkheden

 

 

 

 

 

 

3.2.17.4.6.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.

Inspuiting in het inlaatspruitstuk

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.1.

Inspuiting: monopoint/multipoint (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.2.

Inspuiting: continu/simultaan/sequentieel (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.

Inspuitapparatuur

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.3.

Afstelmogelijkheden

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.3.4.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.

Brandstofpomp (indien van toepassing)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.4.3.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.5.5.3.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.

Directe inspuiting

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.

Inspuitpomp/drukregelaar (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.3.

Inspuittiming

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.1.4.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.

Inspuiter(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.3.

Openingsdruk of karakteristiek diagram (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.6.2.4.

Typegoedkeuringsnummer

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.

Elektronische regeleenheid (ECU)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.3.

Afstelmogelijkheden

 

 

 

 

 

 

3.2.17.7.4.

Softwarekalibratienummer(s)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.

Specifieke aardgasapparatuur

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.

Variant 1 (alleen bij goedkeuring van motoren voor diverse specifieke brandstofsamenstellingen)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.0.1.

Voorziening voor automatische aanpassing? ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.0.2.

Kalibratie voor een specifieke gassamenstelling aardgas-H/aardgas-L/aardgas-HL1

Omzetting voor een specifieke gassamenstelling aardgas-Ht/aardgas-Lt/ aardgas-HLt1

 

 

 

 

 

 

3.2.17.8.1.1.

methaan (CH4) … basis (mol %)

ethaan (C2H6) … basis (mol %)

propaan (C3H8) … basis (mol %)

butaan (C4H10) … basis (mol %)

C5/C5+: … basis (mol %)

zuurstof (O2) … basis (mol %)

inert gas (N2, He enz.) … basis (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

min. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

max. (mol %)

3.5.5.

Specifiek brandstofverbruik en correctiefactoren

 

 

 

 

 

 

3.5.5.1.

Specifiek brandstofverbruik in de WHSC (SFCWHSC) overeenkomstig punt 5.3.3 in g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.5.2.

Gecorrigeerd specifiek brandstofverbruik in de WHSC (SFCWHSC,corr) overeenkomstig punt 5.3.3.1: … g/kWh

 

 

 

 

 

 

3.5.5.3.

Correctiefactor voor stadsgedeelte van WHTC (output van motorvoorbewerkingstool)

 

 

 

 

 

 

3.5.5.4.

Correctiefactor voor plattelandsgedeelte van WHTC (output van motorvoorbewerkingstool)

 

 

 

 

 

 

3.5.5.5.

Correctiefactor voor snelweggedeelte van WHTC (output van motorvoorbewerkingstool)

 

 

 

 

 

 

3.5.5.6.

Vereffeningsfactor voor koude/warme emissies (output van motorvoorbewerkingstool)

 

 

 

 

 

 

3.5.5.7.

Correctiefactor voor motoren met een uitlaatgasnabehandelingssysteem dat periodiek wordt geregenereerd CFRegPer (output van motorvoorbewerkingstool)

 

 

 

 

 

 

3.5.5.8.

Correctiefactor naar standaard-NCV (output van motorvoorbewerkingstool)

 

 

 

 

 

 

3.6.

Door de fabrikant toegestane temperaturen

 

 

 

 

 

 

3.6.1.

Koelsysteem

 

 

 

 

 

 

3.6.1.1.

Vloeistofkoeling, maximumtemperatuur bij de uitlaat (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.

Luchtkoeling

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.1.

Referentiepunt

 

 

 

 

 

 

3.6.1.2.2.

Maximumtemperatuur op het referentiepunt (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.2.

Maximumuitlaattemperatuur van de inlaattussenkoeler (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.3.

Maximumtemperatuur van de uitlaatgassen op het punt in de uitlaatpijp(en) ter hoogte van de buitenflens (buitenflenzen) van het (de) uitlaatspruitstuk(ken) of de turbocompressor(en) (K)

 

 

 

 

 

 

3.6.4.

Brandstoftemperatuur, minimum (K) – maximum (K)

Voor dieselmotoren bij de inlaat van de inspuitpomp, voor gasmotoren bij de eindtrap van de drukregelaar

 

 

 

 

 

 

3.6.5.

Smeermiddeltemperatuur

minimum (K) – maximum (K)

 

 

 

 

 

 

 

3.8.

Smeersysteem

 

 

 

 

 

 

3.8.1.

Beschrijving van het systeem

 

 

 

 

 

 

3.8.1.1.

Plaats van het smeermiddelreservoir

 

 

 

 

 

 

3.8.1.2.

Toevoersysteem (pomp/inspuiting in het inlaatsysteem/vermenging met brandstof enz.) (1)

 

 

 

 

 

 

3.8.2.

Smeerpomp

 

 

 

 

 

 

3.8.2.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.2.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

3.8.3.

Vermenging met brandstof

 

 

 

 

 

 

3.8.3.1.

Percentage

 

 

 

 

 

 

3.8.4.

Oliekoeler: ja/nee (1)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.

Tekening(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.1.

Merk(en)

 

 

 

 

 

 

3.8.4.1.2.

Type(n)

 

 

 

 

 

 

Voetnoten:

(1)

Doorhalen wat niet van toepassing is (soms hoeft niets te worden doorgehaald als meerdere antwoorden mogelijk zijn).

(3)

Dit cijfer moet op het dichtstbijzijnde tiende van een millimeter worden afgerond.

(4)

Deze waarde moet worden berekend en op de dichtstbijzijnder cm3 worden afgerond.

(5)

Tolerantie aangeven.

(6)

Bepaald volgens de voorschriften van Reglement nr. 85.

(7)

Vul voor elke variant de hoogste en laagste waarde in.

(8)

Te documenteren in geval van één OBD-motorenfamilie en indien het nog niet is gedocumenteerd in het documentatiepakket (of de documentatiepakketten) waarnaar wordt verwezen in punt 3.2.12.2.7.0.4 van deel 1 van dit aanhangsel.

Aanhangsel van het inlichtingenformulier

Informatie over de testomstandigheden

1.   Bougies

1.1.   Merk

1.2.   Type

1.3.   Instelling van de elektrodenafstand

2.   Ontstekingsbobine

2.1.   Merk

2.2.   Type

3.   Gebruikt smeermiddel

3.1.   Merk

3.2.   Type (het percentage olie in het mengsel vermelden, indien smeermiddel en brandstof vermengd zijn)

3.3.   Specificaties van het smeermiddel

4.   Gebruikte testbrandstof

4.1.   Brandstoftype (overeenkomstig punt 6.1.9 van bijlage V bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

4.2.   Uniek identificatienummer (nummer van de productiepartij) van de gebruikte brandstof

4.3.   Onderste verbrandingswaarde (NCV) (overeenkomstig punt 6.1.8 van bijlage V bij Verordening (EU) 2017/2400 van de Commissie)

5.   Door de motor aangedreven apparatuur

5.1.   Het door de (hulp)apparatuur opgenomen vermogen moet alleen worden bepaald:

a)

indien de vereiste (hulp)apparatuur niet op de motor is gemonteerd en/of

b)

indien niet-vereiste (hulp)apparatuur op de motor is gemonteerd.

Noot:

De voorschriften voor door de motor aangedreven apparatuur zijn bij emissietests en vermogenstests niet dezelfde.

5.2.   Lijst en aanduiding van bijzonderheden

5.3.   Vermogen dat wordt opgenomen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen

Tabel 1

Vermogen dat wordt opgenomen bij voor de emissietest specifieke motortoerentallen

Apparatuur

 

 

Stationair

Laag toerental

Hoog toerental

Aanbevolen toerental (2)

n95h

Pa

Overeenkomstig bijlage 4, aanhangsel 6, van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vereiste (hulp)apparatuur

 

 

 

 

 

Pb

Overeenkomstig bijlage 4, aanhangsel 6, van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, niet-vereiste (hulp)apparatuur

 

 

 

 

 

5.4.   Overeenkomstig aanhangsel 5 van deze bijlage bepaalde ventilatorconstante (indien van toepassing)

5.4.1.   Cavg-fan (indien van toepassing)

5.4.2.   Cind-fan (indien van toepassing)

Tabel 2

Waarde van ventilatorconstante Cind-fan voor verschillende motortoerentallen

Waarde

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

Motor-toeren-tal

1

2

3

4

5

6

7

8

9

10

Motor-toerental [min– 1]

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ventilator-constante Cind-fan,i

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

6.   Motorprestaties (opgegeven door de fabrikant)

6.1.   Motortoerentallen voor emissietest overeenkomstig bijlage 4 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06 (1)

Laag toerental (nlo)

… min– 1

Hoog toerental (nhi)

… min– 1

Stationair toerental

… min– 1

Aanbevolen toerental

… min– 1

n95h

… min– 1

6.2.   Opgegeven waarden voor vermogenstest overeenkomstig Reglement nr. 85

6.2.1.

Stationair toerental

… min– 1

6.2.2.

Toerental bij maximumvermogen

… min– 1

6.2.3.

Maximumvermogen

… kW

6.2.4.

Toerental bij maximumkoppel

… min– 1

6.2.5.

Maximumkoppel

… Nm


(1)  De tolerantie aangeven; binnen ± 3 % van de door de fabrikant opgegeven waarden.

Aanhangsel 3

CO2-familie van motoren

1.   Parameters die de CO2-familie van motoren bepalen

De door de fabrikant bepaalde CO2-familie van motoren moet voldoen aan de in punt 5.2.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, vastgestelde criteria voor lidmaatschap. Een CO2-familie van motoren kan uit slechts één motor bestaan.

Behalve aan die criteria voor lidmaatschap, moet de door de fabrikant bepaalde CO2-familie van motoren ook aan de in de punten 1.1 tot en met 1.9 van dit aanhangsel vermelde criteria voor lidmaatschap voldoen.

Behalve de hieronder genoemde parameters kan de fabrikant ook aanvullende criteria opgeven op basis waarvan families van kleinere omvang kunnen worden bepaald. Dat zijn niet noodzakelijkerwijs parameters die het brandstofverbruik beïnvloeden.

1.1.   Gegevens over de configuratie die van belang zijn voor de verbranding

1.1.1.   Slagvolume per cilinder

1.1.2.   Aantal cilinders

1.1.3.   Gegevens over boring en slag

1.1.4.   Configuratie van de verbrandingskamer en compressieverhouding

1.1.5.   Klepdiameters en poortconfiguratie

1.1.6.   Brandstofinjectoren (ontwerp en plaats)

1.1.7.   Ontwerp cilinderkoppen

1.1.8.   Ontwerp zuigers en zuigerveren

1.2.   Onderdelen die van belang zijn voor de luchtregeling

1.2.1.   Type drukvulapparatuur (overdrukklep, VGT, twee trappen, andere) en thermodynamische kenmerken

1.2.2.   Tussenkoelingsconcept

1.2.3.   Kleptimingsconcept (vast, gedeeltelijk variabel, variabel)

1.2.4.   EGR-concept (zonder koeling/met koeling, hoge/lage druk, EGR-regeling)

1.3.   Inspuitsysteem

1.4.   Concept voor de aandrijving van (hulp)apparatuur (mechanisch, elektrisch, anders)

1.5.   Terugwinning van afvalwarmte (ja/nee; concept en systeem)

1.6.   Nabehandelingssysteem

1.6.1.   Kenmerken reagensdoseringssysteem (reagens en doseringsconcept)

1.6.2.   Katalysator en roetfilter (opstelling, materiaal en coating)

1.6.3.   Kenmerken HC-doseringssysteem (reagens en doseringsconcept)

1.7.   Vollastcurve

1.7.1.   De koppelwaarden bij elk toerental van de vollastcurve van de overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde CO2-oudermotor moeten binnen het hele geregistreerde toerentalbereik gelijk zijn aan of hoger zijn dan de waarden voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie bij hetzelfde toerental.

1.7.2.   De koppelwaarden bij elk toerental van de vollastcurve van de motor met het laagste vermogen van alle motoren binnen de overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde CO2-familie van motoren moeten binnen het hele geregistreerde toerentalbereik gelijk zijn aan of lager zijn dan de waarden voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie bij hetzelfde toerental.

1.8.   Karakteristieke toerentallen van motortest

1.8.1.   Het stationaire toerental, nidle, van de CO2-oudermotor, zoals opgegeven door de fabrikant in het overeenkomstig aanhangsel 2 van deze bijlage opgestelde inlichtingenformulier van de aanvraag tot certificering, moet gelijk zijn aan of lager zijn dan de waarde voor alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie.

1.8.2.   Het toerental n95h van alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie dan de CO2-oudermotor, afgeleid uit de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve door de definities van de karakteristieke toerentallen overeenkomstig punt 7.4.6 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, toe te passen, mogen niet meer dan ± 3 % afwijken van het toerental n95h van de CO2-oudermotor.

1.8.3.   Het toerental n57 van alle andere motoren binnen dezelfde CO2-familie dan de CO2-oudermotor, afgeleid uit de overeenkomstig punt 4.3.1 vastgelegde vollastcurve door de definities overeenkomstig punt 4.3.5.2.1 toe te passen, mogen niet meer dan ± 3 % afwijken van het toerental n57 van de CO2-oudermotor.

1.9.   Minimumaantal punten van het brandstofverbruikdiagram

1.9.1.   Op het brandstofverbruikdiagram van alle motoren binnen een CO2-familie moeten ten minste 54 punten onder de overeenkomstig punt 4.3.1 bepaalde vollastcurve van de motor liggen.

2.   Keuze van de CO2-oudermotor

De CO2-oudermotor van de CO2-familie van motoren wordt gekozen aan de hand van de volgende criteria:

2.1.   Motor met het hoogste vermogen binnen de CO2-familie van motoren.

Aanhangsel 4

Conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

1.   Algemene bepalingen

1.1.   De conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd op basis van de beschrijving in de certificaten volgens het model in aanhangsel 1 van deze bijlage en op basis van de beschrijving in het inlichtingenformulier volgens het model in aanhangsel 2 van deze bijlage.

1.2.   Indien het certificaat van een motor een of meer keren is uitgebreid, worden de tests uitgevoerd op de motoren die zijn beschreven in het informatiepakket voor de betrokken uitbreiding.

1.3.   Alle motoren die worden getest, worden volgens de in punt 3 van dit aanhangsel beschreven selectiecriteria uit de serieproductie genomen.

1.4.   De tests mogen worden uitgevoerd met de toepasselijke in de handel verkrijgbare brandstoffen. Op verzoek van de fabrikant mogen echter de in punt 3.2 gespecificeerde referentiebrandstoffen worden gebruikt.

1.5.   Als tests betreffende de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen van gasmotoren (aardgas, lpg) met in de handel verkrijgbare brandstoffen worden uitgevoerd, toont de fabrikant tegenover de goedkeuringsinstantie aan dat de samenstelling van de gasvormige brandstof met het oog op de bepaling van de onderste verbrandingswaarde ervan overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel op correcte wijze naar goede ingenieursinzichten is bepaald.

2.   Aantal te testen motoren en CO2-families van motoren

2.1.   Voor het aantal CO2-families van motoren en het aantal motoren binnen die CO2-families dat jaarlijks moet worden getest om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren, wordt uitgegaan van 0,05 % van alle onder het toepassingsgebied van deze verordening vallende motoren die in het afgelopen productiejaar zijn geproduceerd. Het resultaat van de berekening van 0,05 % van die motoren wordt afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal. Dit resultaat wordt nCOP,base genoemd.

2.2.   Onverminderd het bepaalde in punt 2.1, bedraagt nCOP,base ten minste 30.

2.3.   Om het aantal CO2-families van motoren dat jaarlijks moet worden getest om de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen te controleren, nCOP,fam, te verkrijgen, wordt het overeenkomstig de punten 2.1 en 2.2 van dit aanhangsel verkregen resultaat van nCOP,base gedeeld door 10 en vervolgens afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal.

2.4.   Als een fabrikant minder CO2-families heeft dan nCOP,fam, zoals bepaald overeenkomstig punt 2.3, wordt het aantal te testen CO2-families, nCOP,fam, bepaald door het totale aantal CO2-families van de fabrikant.

3.   Keuze van de te testen CO2-families van motoren

De eerste twee CO2-families van motoren die worden getest van het overeenkomstig punt 2 van dit aanhangsel bepaalde aantal, zijn die met de hoogste productievolumes.

De resterende CO2-families van motoren van het aantal dat moet worden getest, worden in overleg tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie willekeurig geselecteerd uit alle bestaande CO2-families van motoren.

4.   Te verrichten test

Het minimumaantal motoren dat voor elke CO2-familie van motoren getest moet worden, nCOP,min, wordt bepaald door nCOP,base te delen door nCOP,fam (beide waarden bepaald overeenkomstig punt 2). Als de resulterende waarde van nCOP,min minder dan 4 bedraagt, wordt de waarde op 4 vastgesteld.

Voor elke van de overeenkomstig punt 3 van dit aanhangsel bepaalde CO2-familie van motoren wordt een minimumaantal van nCOP,min uit die familie getest om een goedkeuringsbesluit overeenkomstig punt 9 van dit aanhangsel te kunnen verkrijgen.

Het aantal tests dat binnen een CO2-familie van motoren moet worden uitgevoerd, wordt willekeurig toegewezen aan de verschillende motoren binnen die CO2-familie en deze toewijzing vindt plaats in overleg tussen de fabrikant en de goedkeuringsinstantie.

De conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen wordt gecontroleerd door de motoren overeenkomstig punt 4.3.4 aan een WHSC-test te onderwerpen.

Alle in deze bijlage gespecificeerde grenstoestanden voor certificeringstests zijn van toepassing, met uitzondering van hetgeen volgt:

1)

de laboratoriumtestomstandigheden overeenkomstig punt 3.1.1 van deze bijlage. Naleving van de in punt 3.1.1 vermelde voorwaarden is niet verplicht, maar wordt wel aanbevolen. Afwijkingen zijn onder bepaalde omgevingsomstandigheden op de testlocatie toegestaan en moeten zo veel mogelijk worden beperkt door goede ingenieursinzichten toe te passen;

2)

als overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage de referentiebrandstof van het type B7 (diesel/CI) wordt gebruikt, is de bepaling van de onderste verbrandingswaarde overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage niet verplicht;

3)

als een in de handel verkrijgbare brandstof of een andere referentiebrandstof dan B7 (diesel/CI) wordt gebruikt, wordt de onderste verbrandingswaarde van de brandstof bepaald overeenkomstig de in tabel 1 van deze bijlage vermelde toepasselijke normen. Behalve voor gasmotoren wordt de meting van de onderste verbrandingswaarde verricht door slechts één laboratorium dat onafhankelijk is van de motorfabrikant, en niet door twee zoals vereist overeenkomstig punt 3.2 van deze bijlage. Voor referentiegasbrandstoffen (G25, lpg-brandstof B) wordt de onderste verbrandingswaarde overeenkomstig de in tabel 1 van deze bijlage vermelde toepasselijke normen berekend op basis van de door de leverancier van de referentiegasbrandstof verstrekte brandstofanalyse;

4)

het gebruikte smeermiddel is het middel dat tijdens de motorproductie is aangebracht en dit wordt niet vervangen met het oog op de test betreffende de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

5.   Inlopen van nieuwe motoren

5.1.   De tests worden verricht op nieuwe motoren die uit de serieproductie zijn genomen en die ten hoogste 15 uur zijn ingelopen voor het begin van de test ter controle van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel.

5.2.   Op verzoek van de fabrikant kunnen de tests echter worden uitgevoerd op motoren die ten hoogste 125 uur zijn ingelopen. In dat geval wordt de inloopprocedure uitgevoerd door de fabrikant, die de motoren niet mag bijstellen.

5.3.   Wanneer de fabrikant verzoekt de motor overeenkomstig punt 5.2 van dit aanhangsel in te mogen laten lopen, mag dat met:

a)

alle motoren die worden getest; of

b)

één nieuwe motor, waarbij als volgt een evolutiecoëfficiënt wordt bepaald:

A)

het specifieke brandstofverbruik in de WHSC-test wordt eerst na een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel bij de nieuwe motor gemeten en vervolgens opnieuw in een tweede test op de eerste geteste motor, voordat het in punt 5.2 van dit aanhangsel vermelde maximum van 125 uur is bereikt;

B)

de waarden van het specifieke brandstofverbruik van beide tests worden overeenkomstig de punten 7.2 en 7.3 van dit aanhangsel omgezet in een gecorrigeerde waarde voor de tijdens de tests gebruikte brandstof;

C)

de evolutiecoëfficiënt van het brandstofverbruik wordt berekend door het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik van de tweede test te delen door het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik van de eerste test. De evolutiecoëfficiënt mag een waarde van minder dan één hebben.

5.4.   Als de bepalingen van punt 5.3, onder b), van dit aanhangsel worden toegepast, wordt de inloopprocedure niet toegepast op de motoren die geselecteerd worden voor de daaropvolgende tests betreffende de conformiteit van de CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen, maar wordt het specifieke brandstofverbruik in de WHSC ervan, zoals bepaald op de nieuwe motor met een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel, vermenigvuldigd met de evolutiecoëfficiënt.

5.5.   In het in punt 5.4 van dit aanhangsel beschreven geval worden de volgende waarden voor het specifieke brandstofverbruik in de WHSC toegepast:

a)

voor de motor die wordt gebruikt voor de bepaling van de evolutiecoëfficiënt overeenkomstig punt 5.3, onder b), van dit aanhangsel: de waarde uit de tweede test;

b)

voor de overige motoren: de waarden die bepaald zijn op de nieuwe motor met een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel, vermenigvuldigd met de overeenkomstig punt 5.3, onder b), C), van dit aanhangsel bepaalde evolutiecoëfficiënt.

5.6.   In plaats van de inloopprocedure overeenkomstig de punten 5.2 tot en met 5.5 van dit aanhangsel toe te passen, mag op verzoek van de fabrikant ook een generieke evolutiecoëfficiënt van 0,99 worden gebruikt. In dat geval wordt het op de nieuwe motor met een inlooptijd van ten hoogste 15 uur overeenkomstig punt 5.1 van dit aanhangsel bepaalde specifieke brandstofverbruik in de WHSC vermenigvuldigd met de generieke evolutiecoëfficiënt 0,99.

5.7.   Als de evolutiecoëfficiënt overeenkomstig punt 5.3, onder b), van dit aanhangsel wordt bepaald op de oudermotor van een familie van motoren, zoals beschreven in de punten 5.2.3 en 5.2.4 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, mag deze worden toegepast voor alle leden van elke CO2-familie die overeenkomstig punt 5.2.3 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06, tot dezelfde familie van motoren behoren.

6.   Streefwaarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

De streefwaarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen is het gecorrigeerde specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC,corr, in g/kWh dat overeenkomstig punt 5.3.3 is bepaald en is gedocumenteerd in het inlichtingenformulier als onderdeel van de in aanhangsel 2 van deze bijlage beschreven certificaten voor de specifieke geteste motor.

7.   Werkelijke waarde voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

7.1.   Het specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, wordt overeenkomstig punt 5.3.3 van deze bijlage bepaald op basis van de overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel uitgevoerde tests. Op verzoek van de fabrikant wordt de bepaalde waarde van het specifieke brandstofverbruik gewijzigd door de punten 5.3 tot en met 5.6 van dit aanhangsel toe te passen.

7.2.   Als bij de tests overeenkomstig punt 1.4 van dit aanhangsel een in de handel verkrijgbare brandstof is gebruikt, wordt het overeenkomstig punt 7.1 van dit aanhangsel bepaalde specifieke brandstofverbruik in de WHSC, SFCWHSC, overeenkomstig punt 5.3.3.1 van deze bijlage omgezet in een gecorrigeerde waarde, SFCWHSC,corr.

7.3.   Als bij de tests overeenkomstig punt 1.4 van dit aanhangsel een referentiebrandstof is gebruikt, worden de bijzondere bepalingen van punt 5.3.3.2 van deze bijlage toegepast op de overeenkomstig punt 7.1 van dit aanhangsel bepaalde waarde.

7.4.   Op de in de overeenkomstig punt 4 uitgevoerde WHSC gemeten emissie van verontreinigende gassen worden de desbetreffende verslechteringsfactoren (DF's) voor die motor toegepast, zoals vastgelegd in het addendum bij het EG-typegoedkeuringscertificaat dat overeenkomstig Verordening (EU) nr. 582/2011 van de Commissie is verleend.

8.   Grenswaarde voor de conformiteit van één test

Voor dieselmotoren is de grenswaarde voor de beoordeling van de conformiteit van één geteste motor de overeenkomstig punt 6 bepaalde streefwaarde + 3 %.

Voor gasmotoren is de grenswaarde voor de beoordeling van de conformiteit van één geteste motor de overeenkomstig punt 6 bepaalde streefwaarde + 4 %.

9.   Beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen

9.1.   De overeenkomstig punt 7.4 van dit aanhangsel bepaalde emissietestresultaten van de WHSC moeten voldoen aan de toepasselijke grenswaarden in bijlage I bij Verordening (EG) nr. 595/2009 voor alle verontreinigende gassen met uitzondering van ammoniak; anders wordt de test ongeldig geacht voor de beoordeling van de conformiteit van de gecertificeerde CO2-emissie- en brandstofverbruikseigenschappen.

9.2.   Eén test van één overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel geteste motor wordt niet-conform geacht als de overeenkomstig punt 7 van dit aanhangsel bepaalde werkelijke waarde hoger is dan de in punt 8 van dit aanhangsel bedoelde grenswaarde.

9.3.   Voor de overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel bepaalde grootte van de steekproef van binnen één CO2-familie geteste motoren wordt de toetsingsgrootheid bepaald waarin het cumulatieve aantal niet-conforme tests overeenkomstig punt 9.2 van dit aanhangsel bij de ne test wordt uitgedrukt:

a)

als het overeenkomstig punt 9.3 van dit aanhangsel bepaalde cumulatieve aantal niet-conforme tests bij de ne test lager dan of gelijk aan het in tabel 4 van aanhangsel 3 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 6, vermelde getal voor een goedkeuringsbesluit voor de desbetreffende steekproefgrootte is, wordt een goedkeuringsbesluit genomen;

b)

als het overeenkomstig punt 9.3 van dit aanhangsel bepaalde cumulatieve aantal niet-conforme tests bij de ne test hoger dan of gelijk aan het in tabel 4 van aanhangsel 3 van VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 6, vermelde getal voor een afkeuringsbesluit voor de desbetreffende steekproefgrootte is, wordt een afkeuringsbesluit genomen;

c)

in alle overige gevallen wordt een extra motor overeenkomstig punt 4 van dit aanhangsel getest en wordt de berekeningsmethode overeenkomstig punt 9.3 van dit aanhangsel toegepast op de met één verhoogde steekproefgrootte.

9.4.   Indien geen goedkeurings- of afkeuringsbesluit wordt genomen, mag de fabrikant te allen tijde besluiten de tests te beëindigen. In dat geval wordt een afkeuringsbesluit genoteerd.

Aanhangsel 5

Bepaling van het door motoronderdelen opgenomen vermogen

1.   Ventilator

Het motorkoppel wordt volgens de volgende procedure met in- en uitgeschakelde ventilator gemeten bij de motor in vrijloop:

i)

monteer de ventilator voor het begin van de test volgens de instructies van het product;

ii)

opwarmfase: laat de motor warmlopen zoals aanbevolen door de fabrikant en door goede ingenieursinzichten toe te passen (bijvoorbeeld door hem gedurende twintig minuten te laten draaien in modus 9, zoals gedefinieerd in tabel 1 van punt 7.2.2 van bijlage 4 bij VN/ECE-Reglement nr. 49, rev. 06);

iii)

stabilisatiefase: laat de motor na afloop van de opwarmfase of de facultatieve opwarmfase (stap v)) gedurende 130 ± 2 seconden bij minimale vraag van de operator (motor in vrijloop) met uitgeschakelde ventilator draaien met motortoerental npref (nfan_disengage < 0,25 × nengine × rfan). De eerste 60 ± 1 seconden van deze periode worden beschouwd als stabilisatieperiode, waarin het werkelijke motortoerental binnen ± 5 min– 1 van npref moet worden gehouden;

iv)

meetfase: tijdens de volgende periode van 60 ± 1 seconden moet het werkelijke motortoerental binnen ± 2 min– 1 van npref worden gehouden en mag de koelmiddeltemperatuur niet meer dan ± 5 °C variëren, terwijl het koppel van de motor in vrijloop met uitgeschakelde ventilator, het ventilatortoerental en het motortoerental worden geregistreerd als gemiddelde waarde voor deze periode van 60 ± 1 seconden. De resterende periode van 10 ± 1 seconden kan zo nodig worden gebruikt voor de verwerking en opslag van de gegevens;

v)

facultatieve opwarmfase: op verzoek van de fabrikant en naar goede ingenieursinzichten kan stap ii) worden herhaald (bv. als de temperatuur meer dan 5 °C is gedaald);

vi)

stabilisatiefase: laat de motor na afloop van de facultatieve opwarmfase gedurende 130 ± 2 seconden bij minimale vraag van de operator (motor in vrijloop) met ingeschakelde ventilator draaien met motortoerental npref (nfan_engage > 0,9 × nengine × rfan). De eerste 60 ± 1 seconden van deze periode worden beschouwd als stabilisatieperiode, waarin het werkelijke motortoerental binnen ± 5 min– 1 van npref moet worden gehouden;

vii)

meetfase: tijdens de volgende periode van 60 ± 1 seconden moet het werkelijke motortoerental binnen ± 2 min– 1 van npref worden gehouden en mag de koelmiddeltemperatuur niet meer dan ± 5 oC variëren, terwijl het koppel van de motor in vrijloop met ingeschakelde ventilator, het ventilatortoerental en het motortoerental worden geregistreerd als gemiddelde waarde voor deze periode van 60 ± 1 seconden. De resterende periode van 10 ± 1 seconden kan zo nodig worden gebruikt voor de verwerking en opslag van de gegevens;

viii)

herhaal de stappen iii) tot en met vii) met de motortoerentallen n95h en nhi in plaats van npref, waarbij voorafgaand aan elke stabilisatiestap naar goede ingenieursinzichten een facultatieve opwarmstap v) wordt ingelast als dat nodig is om de koelmiddeltemperatuur constant te houden (± 5 °C);

ix)

als de standaardafwijking van alle met onderstaande vergelijking berekende waarden van Ci bij de drie toerentallen npref, n95h en nhi 3 % of meer bedraagt, wordt de meting verricht voor alle motortoerentallen waarop overeenkomstig punt 4.3.5.2.1 het raster van de procedure voor de bepaling van het brandstofdiagram (FCMC) is gebaseerd.

De werkelijke ventilatorconstante wordt met de volgende vergelijking op basis van de meetgegevens berekend:

Formula

waarbij:

Ci

ventilatorconstante bij een bepaald motortoerental;

MDfan_disengage

gemeten motorkoppel van de motor in vrijloop met uitgeschakelde ventilator (Nm);

MDfan_engage

gemeten motorkoppel van de motor in vrijloop met ingeschakelde ventilator (Nm);

nfan_engage

ventilatortoerental met ingeschakelde ventilator (min– 1);

nfan_disengage

ventilatortoerental met uitgeschakelde ventilator (min– 1);

rfan

ventilatorverhouding.

Als de standaardafwijking van alle berekende waarden van Ci bij de drie toerentallen npref, n95h en nhi minder dan 3 % bedraagt, wordt het gemiddelde Cavg-fan voor de drie toerentallen npref, n95h en nhi als ventilatorconstante gebruikt.

Als de standaardafwijking van alle berekende waarden van Ci bij de drie toerentallen npref, n95h en nhi 3 % of meer bedraagt, worden de overeenkomstig punt ix) bepaalde individuele waarden voor alle motortoerentallen als ventilatorconstante Cind-fan,i gebruikt. De waarde van de ventilatorconstante voor het werkelijke motortoerental Cfan wordt bepaald door lineaire interpolatie tussen de individuele waarden Cind-fan,i van de ventilatorconstante.

Het motorkoppel voor de aandrijving van de ventilator wordt met de volgende vergelijking berekend:

Mfan = Cfan · nfan 2 · 10– 6

waarbij:

Mfan

motorkoppel voor de aandrijving van de ventilator (Nm);

Cfan

ventilatorconstante Cavg-fan of Cind-fan,i voor nengine.

Het door de ventilator opgenomen mechanische vermogen wordt berekend op basis van het motorkoppel voor de aandrijving van de ventilator en het werkelijke motortoerental. Met het mechanische vermogen en het motorkoppel wordt overeenkomstig punt 3.1.2 rekening gehouden.

2.   Elektrische onderdelen/apparatuur

Het elektrische vermogen dat extern aan de elektrische motoronderdelen wordt afgestaan, wordt gemeten. Deze gemeten waarde wordt in mechanisch vermogen omgezet door haar te delen door een generieke rendementswaarde van 0,65. Met dit mechanische vermogen en het daarmee overeenkomende motorkoppel wordt overeenkomstig punt 3.1.2 rekening gehouden.

Aanhangsel 6

1.   Opschriften

Als een motor overeenkomstig deze bijlage wordt gecertificeerd, worden de volgende opschriften op de motor aangebracht:

1.1.   de naam en het handelsmerk van de fabrikant;

1.2.   het merk en het type, zoals vastgelegd in de in de punten 0.1 en 0.2 van aanhangsel 2 van deze bijlage bedoelde informatie;

1.3.   het certificeringsmerk in de vorm van een rechthoek met daarin de kleine letter „e”, gevolgd door het nummer van de lidstaat die het certificaat heeft verleend:

 

1 voor Duitsland;

 

2 voor Frankrijk;

 

3 voor Italië;

 

4 voor Nederland;

 

5 voor Zweden;

 

6 voor België;

 

7 voor Hongarije;

 

8 voor Tsjechië;