Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017R2393

Verordening (EU) 2017/2393 van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2017 tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal

OJ L 350, 29.12.2017, p. 15–49 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2017/2393/oj

29.12.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 350/15


VERORDENING (EU) 2017/2393 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 13 december 2017

tot wijziging van Verordeningen (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo), (EU) nr. 1306/2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1307/2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid, (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en (EU) nr. 652/2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 42, artikel 43, lid 2, en artikel 168, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Rekenkamer (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Om te zorgen voor rechtszekerheid en geharmoniseerde, niet-discriminerende uitvoering van de steun aan jonge landbouwers, moet worden bepaald dat in het kader van de plattelandsontwikkeling de „datum van vestiging” als bedoeld in Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) en in andere relevante regels, de datum is waarop de aanvrager voor het eerst een handeling stelt of voltooit in verband met de vestiging, en dat de steunaanvraag uiterlijk 24 maanden na die datum moet worden ingediend. Voorts leert de ervaring met onderhandelingen over de programma's dat de regels voor de gezamenlijke vestiging van jonge landbouwers en de grenzen voor toegang tot steun als bedoeld in artikel 19, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 moeten worden verduidelijkt, alsmede dat de bepalingen over de looptijd van het bedrijfsplan moeten worden gestroomlijnd.

(2)

Om het de beheersautoriteiten van de lidstaten makkelijker te maken advies- en opleidingsdiensten te implementeren, moet de status van begunstigde uit hoofde van die maatregel tot die autoriteiten worden uitgebreid, en moet er tegelijkertijd voor worden gezorgd dat de verstrekker van de dienst wordt gekozen door een organisatie die functioneel onafhankelijk is van die autoriteiten en dat controles worden uitgevoerd op het niveau van de verstrekker van advies of opleiding.

(3)

Teneinde deelname aan kwaliteitsregelingen te stimuleren, mogen landbouwers of groepen landbouwers die in de vijf jaar voorafgaand aan de steunaanvraag aan dergelijke regelingen hebben deelgenomen, gedurende ten hoogste vijf jaar voor steun in aanmerking komen, waarbij terdege rekening wordt gehouden met de duur van de eerste deelname aan de regeling.

(4)

Om voor de particuliere sector voldoende aantrekkelijk te zijn, is het essentieel dat financieringsinstrumenten flexibel en transparant worden ontworpen en uitgevoerd. De ervaring leert echter dat bepaalde maatregelspecifieke subsidiabiliteitsregels het gebruik van financieringsinstrumenten in plattelandsontwikkelingsprogramma's beperken, evenals het flexibel gebruik van financieringsinstrumenten door fondsenbeheerders. Daarom is het passend te bepalen dat sommige maatregelspecifieke subsidiabiliteitsregels niet van toepassing zijn op financieringsinstrumenten. Om dezelfde reden is het ook dienstig te bepalen dat aanloopsteun voor jonge landbouwers in de zin van artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 ook kan worden verleend in de vorm van financieringsinstrumenten. In het licht van die wijzigingen moet worden bepaald dat wanneer steun wordt verleend in de vorm van financieringsinstrumenten aan investeringen in het kader van artikel 17 van Verordening (EU) nr. 1305/2013, deze investeringen aan een of meer prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling moeten bijdragen.

(5)

Om de administratieve lasten in verband met de toepassing van het verbod op dubbele financiering met betrekking tot vergroening te verminderen, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen een vaste gemiddelde vermindering toe te passen op alle betrokken begunstigden die de betrokken concrete actie of submaatregel uitvoeren.

(6)

Als gevolg van marktontwikkelingen worden landbouwers tegenwoordig aan steeds grotere economische risico's blootgesteld. Niet alle landbouwsectoren zijn evenwel in gelijke mate onderhevig aan die economische risico's. Daarom moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om, in naar behoren gemotiveerde gevallen, landbouwers te helpen met een sectorspecifiek inkomensstabiliseringsinstrument, met name in sectoren waarin de inkomens sterk dalen, met aanzienlijke economische gevolgen voor een specifiek plattelandsgebied, op voorwaarde dat de daling van het inkomen een drempel van ten minste 20 % overschrijdt. Teneinde ervoor te zorgen dat het sectorspecifieke inkomensstabiliseringsinstrument doeltreffend is en is aangepast aan de specifieke omstandigheden van de lidstaten, moeten de lidstaten in hun programma's voor plattelandsontwikkeling op flexibele wijze het inkomen kunnen bepalen dat voor de activering van het instrument in aanmerking dient te worden genomen. Tegelijkertijd moet, om het gebruik van verzekeringen door landbouwers te bevorderen, de drempel voor de productiedaling die op de verzekeringen van toepassing is, worden verminderd tot 20 %. Om bovendien de uitgaven in het kader van het sectorspecifieke inkomensstabiliseringinstrument en de verzekering te monitoren, moet de inhoud van het financieringsplan van het programma worden aangepast.

(7)

Aan de in artikel 36, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde verplichting om in 2018 specifiek verslag uit te brengen over de risicobeheersmaatregel, wordt reeds voldaan met het verslag aan het Europees Parlement en de Raad over de monitoring en evaluatie van het gemeenschappelijk landbouwbeleid (GLB) als bedoeld in artikel 110, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6). Derhalve moet de tweede alinea van artikel 36, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 worden geschrapt.

(8)

Met betrekking tot onderlinge fondsen voor landbouwers uit alle sectoren, blijkt dat het verbod op bijdragen uit openbare middelen aan aanvangskapitaal, als bedoeld in artikel 38, lid 3, en artikel 39, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, de doeltreffende werking van die fondsen belemmert. Dat verbod moet derhalve worden geschrapt. Tevens is het dienstig de gebieden die voor financiële bijdragen aan onderlinge fondsen in aanmerking komen, uit te breiden, zodat bijdragen de jaarlijkse betalingen aan de fondsen kunnen aanvullen en betrekking kunnen hebben op hun aanvangskapitaal.

(9)

Steun voor investeringen voor het herstel van het productiepotentieel na natuurrampen en rampzalige gebeurtenissen overeenkomstig artikel 18, lid 1, onder b), en artikel 24, lid 1, onder d), van Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt gewoonlijk toegekend aan alle subsidiabele aanvragers. Daarom mogen de lidstaten niet worden verplicht selectiecriteria voor concrete herstelacties vast te stellen. Bovendien moeten de lidstaten in naar behoren gemotiveerde gevallen waarin het vanwege de aard van de concrete acties niet mogelijk is om selectiecriteria vast te stellen, alternatieve selectiemethoden kunnen bepalen.

(10)

Het maximale bijdragepercentage van het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) is vastgesteld in artikel 59 van Verordening (EU) nr. 1305/2013. Om de druk op de nationale begroting van sommige lidstaten te verlagen en de hoognodige investeringen in Cyprus te versnellen, moet het in artikel 59, lid 4, onder f), van die verordening, bedoelde maximale bijdragepercentage van 100 % blijven gelden tot het einde van de programmeringsperiode. Bovendien moet in artikel 59, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, een verwijzing worden opgenomen naar het specifieke bijdragepercentage dat bij Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad (7) is ingevoerd voor het in artikel 38, lid 1, onder c), van Verordening (EU) nr. 1303/2013 bedoelde nieuwe financieringsinstrument.

(11)

Overeenkomstig artikel 60, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 kunnen, in het geval van noodmaatregelen wegens natuurrampen, uitgaven met betrekking tot wijzigingen in het programma subsidiabel zijn vanaf de datum waarop de natuurramp zich heeft voorgedaan. Die mogelijkheid om vóór de indiening van een programmawijziging gedane uitgaven voor subsidie in aanmerking te laten komen, moet worden uitgebreid tot andere omstandigheden, zoals rampzalige gebeurtenissen of een plotse, ingrijpende wijziging van de sociaal-economische omstandigheden in de betrokken lidstaat of regio.

(12)

Overeenkomstig de tweede alinea van artikel 60, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013, in verband met investeringen in de landbouwsector, zijn alleen uitgaven die na de indiening van een aanvraag zijn gedaan, subsidiabel. Wanneer echter de investering betrekking heeft op noodmaatregelen wegens natuurrampen, rampzalige gebeurtenissen, ongunstige weersomstandigheden of een plotse, ingrijpende wijziging van de sociaal-economische omstandigheden in de betrokken lidstaat of regio, moeten de lidstaten in de gelegenheid worden gesteld om in hun programma's te bepalen dat de na de gebeurtenis gedane uitgaven subsidiabel zijn, om zo een flexibele en tijdige reactie op dergelijke gebeurtenissen te kunnen verzekeren. Om een efficiënte ondersteuning te kunnen bieden voor concrete noodacties die door de lidstaten zijn uitgevoerd in antwoord op gebeurtenissen in de laatste jaren, moet van die mogelijkheid gebruik kunnen worden gemaakt met ingang van 1 januari 2016.

(13)

Om ervoor te zorgen dat er meer wordt gebruikgemaakt van de vereenvoudigde kostenopties bedoeld in de punten b) tot en met d) van artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, moeten de in artikel 62, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 vastgelegde specifieke voorschriften voor het Elfpo worden beperkt tot steun die wordt toegekend overeenkomstig de punten a) en b) van artikel 21, lid 1, met betrekking tot gederfde inkomsten en onderhoudskosten, en de artikelen 28 tot en met 31, 33 en 34 van Verordening (EU) nr. 1305/2013.

(14)

Krachtens artikel 74 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 moeten de lidstaten het toezichtcomité van het programma voor plattelandsontwikkeling binnen vier maanden na de goedkeuring van het programma raadplegen over de selectiecriteria. Hierdoor zijn de lidstaten indirect verplicht om uiterlijk op die datum alle selectiecriteria te bepalen, ook voor de oproepen tot het indienen van aanvragen die later zullen worden gelanceerd. Om onnodige administratieve lasten te verminderen en er tezelfdertijd voor te zorgen dat de financiële middelen optimaal worden benut, moet het de lidstaten worden toegestaan de selectiecriteria vast te stellen en het toezichtcomité om advies te vragen op om het even welk ogenblik vóór de bekendmaking van de oproepen tot het indienen van aanvragen.

(15)

Met het oog op een intensiever gebruik van oogst-, dier- en plantverzekeringen, en van onderlinge fondsen en het inkomensstabiliseringsinstrument moet het maximumpercentage van de oorspronkelijke overheidssteun worden verhoogd van 65 % naar 70 %.

(16)

Er wordt financiële discipline in acht genomen om ervoor te zorgen dat het budget van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) binnen de grenzen van de respectieve jaarlijkse maxima van het meerjarig financieel kader blijft en om een reserve aan te leggen voor crises in de landbouwsector. Gelet op het technische karakter van de vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt voor rechtstreekse betalingen en de nauwe banden ervan met de in de jaarlijkse ontwerpbegroting van de Commissie vermelde ramingen van de uitgaven, moet de procedure tot vaststelling van de aanpassingscoëfficiënt worden vereenvoudigd door de Commissie te machtigen deze in overeenstemming met de raadplegingsprocedure goed te keuren.

(17)

Om de regels inzake het ambtshalve doorhalen van vastleggingen in artikel 87 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 en artikel 38 van Verordening (EU) nr. 1306/2013 op elkaar af te stemmen, moet de datum waarop de lidstaten de Commissie informatie over de uitzonderingen op het doorhalen als bedoeld in artikel 38, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 moeten toezenden, worden aangepast.

(18)

Om juridische duidelijkheid te verschaffen over de behandeling van de terugvorderingen die voortvloeien uit de tijdelijke verlagingen overeenkomstig artikel 41, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1306/2013, moeten deze verlagingen worden opgenomen in de lijst van bestemmingsontvangsten in artikel 43 van die verordening.

(19)

Ter wille van de administratieve vereenvoudiging is het dienstig de drempel waaronder de lidstaten kunnen besluiten de terugvordering van onverschuldigd betaalde bedragen niet voort te zetten, te verhogen van 150 EUR naar 250 EUR, op voorwaarde dat de lidstaat een gelijke of hogere drempelwaarde toepast voor het niet innen van nationale schulden.

(20)

Het is passend ervoor te zorgen dat, wanneer betalingen als gevolg van de niet-naleving van voorschriften betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten worden geweigerd of teruggevorderd, zulks strookt met de ernst van de niet-naleving en daarbij het evenredigheidsbeginsel wordt geëerbiedigd, zoals dat bijvoorbeeld is geformuleerd in de relevante richtsnoeren van de Commissie voor het vaststellen van financiële correcties voor door de Unie gefinancierde uitgaven in gedeeld beheer, in geval van niet-naleving van dergelijke regels. Voorts is het aangewezen te verduidelijken dat de wettigheid en regelmatigheid van de transactie alleen in het gedrang komt tot op het niveau van het gedeelte van de steun dat niet mag worden betaald of moet worden ingetrokken.

(21)

Om de administratieve lasten voor kleine landbouwbedrijven te verminderen, moet er nog een afwijking worden ingevoerd, zodat kleine landbouwbedrijven worden vrijgesteld van het aangeven van landbouwpercelen waarvoor geen betaling wordt aangevraagd.

(22)

Gelet op de praktische en specifieke moeilijkheden waartoe de harmonisatie van de betalingstermijnen voor areaalgebonden betalingen tussen het ELGF en het Elfpo heeft geleid, moet de overgangsperiode met nog een jaar worden verlengd. Wat echter areaalgebonden maatregelen voor plattelandsontwikkeling betreft, moeten betalingen van voorschotten vóór 16 oktober mogelijk blijven om de kasstroom van de landbouwers in stand te houden.

(23)

Om tegemoet te komen aan de diverse landbouwsystemen in de Unie, is het passend de lidstaten toe te staan het omploegen, dat voor agronomische en ecologische aspecten relevant is, te beschouwen als een criterium voor de indeling als blijvend grasland.

(24)

Bepaalde struiken of bomen die niet rechtstreeks door dieren worden begraasd, kunnen niettemin diervoeder produceren. De lidstaten moeten de mogelijkheid hebben om op hun hele grondgebied of een deel daarvan deze struiken of bomen op te nemen onder blijvend grasland, indien grassen en andere kruidachtige voedergewassen blijven overheersen.

(25)

Om de vóór 2018 geldende en sinds vijf jaar of meer bestaande indeling van braakliggend land als bouwland te verduidelijken, en de betrokken landbouwers zekerheid te bieden, moeten de lidstaten deze indeling als bouwland kunnen handhaven in 2018.

(26)

Begraasbaar land waarop grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet overheersen of helemaal niet voorkomen, en graaspraktijken niet gebruikelijk zijn en evenmin belangrijk zijn voor het behoud van biotopen en habitats, kan in bepaalde gebieden toch een relevante graaswaarde hebben. Het moet de lidstaten toegestaan zijn om deze gebieden op hun hele grondgebied of een deel daarvan als blijvend grasland te beschouwen.

(27)

Uit de in de eerste jaren van de toepassing van Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad (8) opgedane ervaring blijkt dat bepaalde lidstaten die de regeling inzake één enkele areaalbetaling toepassen, de middelen die binnen de in Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1089 van de Commissie (9) vastgelegde begrotingsmaxima beschikbaar zijn, niet volledig hebben opgebruikt. lidstaten die de basisbetalingsregeling toepassen, hebben binnen bepaalde grenzen reeds de mogelijkheid om betalingsrechten te verdelen die een hogere waarde vertegenwoordigen dan het bedrag dat voor hun basisbetalingsregeling beschikbaar is, teneinde een doeltreffender gebruik van de middelen te garanderen. Ook lidstaten die de regeling inzake één enkele areaalbetaling toepassen, moet worden toegestaan om, binnen dezelfde gemeenschappelijke grenzen en onverminderd de inachtneming van de netto-maxima voor rechtstreekse betalingen, te berekenen wat het benodigde bedrag is waarmee het maximum van hun regeling inzake één enkele areaalbetaling kan worden verhoogd.

(28)

Sommige lidstaten houden nationale belasting- of socialezekerheidsregisters bij waarin landbouwers worden geregistreerd voor hun landbouwactiviteiten. Deze lidstaten moeten landbouwers die niet voor dit doel zijn geregistreerd, kunnen uitsluiten van de mogelijkheid rechtstreekse betalingen te ontvangen.

(29)

Aangezien uit ervaring in het verleden is gebleken dat steun in een aantal gevallen werd toegekend aan natuurlijke personen of rechtspersonen wier zakelijk doel niet of nauwelijks gericht was op de uitoefening van een landbouwactiviteit, is bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 de clausule inzake actieve landbouwers ingevoerd. Op grond daarvan moeten de lidstaten afzien van rechtstreekse betalingen aan bepaalde personen, tenzij deze personen kunnen aantonen dat hun landbouwactiviteit meer dan marginaal is. Uit latere ervaring blijkt echter dat de toepassing van de drie criteria om als actieve landbouwer te worden beschouwd, die in artikel 9, lid 2, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 zijn opgenomen, voor veel lidstaten problematisch is gebleken. Om de administratieve lasten in verband met de toepassing van die drie criteria te verminderen, moeten de lidstaten de mogelijkheid hebben om te besluiten dat slechts één of twee ervan hoeven te worden aangevoerd om aan te tonen dat een persoon een actieve landbouwer is.

(30)

Bovendien ondervonden sommige lidstaten dat de moeilijkheden en de administratieve kosten ingevolge de toepassing van de elementen in verband met de lijst van activiteiten of bedrijven waarin artikel 9, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 voorziet, hoger uitvielen dan de baten van het uitsluiten van een zeer beperkt aantal niet-actieve begunstigden uit de regelingen inzake rechtstreekse steunverlening. Indien een lidstaat oordeelt dat dit het geval is, moet hij de toepassing van artikel 9 ervan met betrekking tot de lijst van activiteiten of bedrijven kunnen stopzetten.

(31)

Het is passend om expliciet aan te geven dat de lidstaten conform artikel 11 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ieder jaar een herziening kunnen toepassen op hun besluiten betreffende de verlaging van betalingen van het deel van de aan landbouwers te verlenen basisbetaling dat 150 000 EUR overschrijdt, mits een dergelijke herziening niet leidt tot een verlaging van de voor plattelandsontwikkeling beschikbare bedragen.

(32)

Teneinde de lidstaten in staat te stellen steun uit hoofde van het GLB aan te passen aan hun specifieke behoeften, moeten zij voldoende gelegenheid krijgen om hun besluit inzake de overheveling van middelen van hun maximum voor rechtstreekse betalingen naar hun programma's voor plattelandsontwikkeling en omgekeerd, te herzien. Zij moeten derhalve hun besluit ook met ingang van het kalenderjaar 2019 kunnen herzien, op voorwaarde dat een dergelijk besluit geen vermindering van de voor plattelandsontwikkeling bestemde bedragen inhoudt.

(33)

Naast de toepassing van een lineaire verlaging van de waarde van de betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling, met als doel nationale of regionale reserves aan te vullen en aldus jonge landbouwers en landbouwers die met hun landbouwactiviteit beginnen, gemakkelijker te laten deelnemen aan de steunregeling, moet het de lidstaten tevens worden toegestaan hetzelfde mechanisme te gebruiken voor de financiering van maatregelen om te voorkomen dat de grond wordt verlaten en om landbouwers te vergoeden voor specifieke nadelen.

(34)

Om de regels voor vergroeningsmaatregelen te vereenvoudigen en de samenhang ervan te verbeteren, moet de vrijstelling van de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied, die van toepassing is op bedrijven waar, overeenkomstig artikel 46, lid 4, onder a), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, meer dan 75 % van het bouwland wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen als enig gewas of voor een combinatie van deze teelt met grassen of andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land, worden uitgebreid tot de verplichting tot gewasdiversificatie.

(35)

Om te zorgen voor samenhang in de manier waarop verschillende soorten gewassen, uitgaande van het belangrijke areaalaandeel dat zij vertegenwoordigen, worden beoordeeld ten aanzien van de vereiste tot gewasdiversificatie, moeten de voorschriften inzake gewasdiversificatie uit hoofde van artikel 44, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1307/2013 flexibeler worden toegepast, zodat zij ook gelden voor gewassen die gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus onder water staan.

(36)

Met het oog op het stroomlijnen van de bestaande vrijstellingen van de verplichting tot gewasdiversificatie als bedoeld in artikel 44, lid 3, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, die van toepassing zijn op grond die overwegend wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, of voor de teelt van vlinderbloemige gewassen of voor de teelt van gewassen die onder water staan, of grond die overwegend braak ligt of blijvend grasland is, en teneinde alle landbouwers met dezelfde grondgebruikverhoudingen gelijk te behandelen, moet de bovengrens van 30 hectare bouwland niet langer van toepassing zijn.

(37)

Teneinde rekening te houden met de agronomische specificiteit van Triticum spelta, dient deze voor de toepassing van artikel 44 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 te worden beschouwd als een afzonderlijk gewas.

(38)

Met het oog op het stroomlijnen van de bestaande vrijstellingen van de verplichting tot het hebben van ecologisch aandachtsgebied als vastgesteld in artikel 46, lid 4, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1307/2013, die van toepassing zijn op grond die overwegend wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, of voor de teelt van vlinderbloemige gewassen of voor de teelt van gewassen die onder water staan, of op grond die overwegend braak ligt of blijvend grasland is, de voorwaarde inzake de bovengrens van 30 hectare bouwland niet langer van toepassing te zijn.

(39)

Aangezien bepaalde permanente teelten indirecte milieuvoordelen voor de biodiversiteit kunnen opleveren, moet de lijst van ecologische aandachtsgebieden vervat in artikel 46 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 worden uitgebreid tot Miscanthus en Silphium perfoliatum. Aangezien de soort vegetatiebedekking de bijdrage van braakland aan de biodiversiteit positief kan beïnvloeden, moet braakland voor drachtplanten worden erkend als een afzonderlijk ecologisch aandachtsgebied. Er moeten derhalve wegingsfactoren worden vastgesteld voor Miscanthus, Silphium perfoliatum en braakland voor drachtplanten. Elke wegingsfactor moet in overeenstemming zijn met het respectieve belang ervan voor de biodiversiteit. Vanwege de invoering van extra soorten ecologische aandachtsgebieden moeten de bestaande wegingsfactoren voor arealen met stikstofbindende gewassen en arealen met hakhout met korte omlooptijd worden aangepast, om de nieuwe balans tussen alle soorten ecologische aandachtsgebieden te weerspiegelen.

(40)

Uit ervaring die is opgedaan met de toepassing van de steunregeling voor jonge landbouwers uit hoofde van artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 is gebleken dat jonge landbouwers in sommige gevallen geen gebruik kunnen maken van de volledige steunperiode van vijf jaar. Hoewel die steun zich vooral richt op nieuwe economische activiteiten van jonge mensen die met landbouwactiviteiten beginnen, moeten de lidstaten de volledige betalingsperiode van vijf jaar beter toegankelijk maken voor jonge landbouwers, ook in gevallen waarin zij niet onmiddellijk na vestiging steun hebben aangevraagd.

(41)

Een aantal lidstaten meent dat de betalingen aan jonge landbouwers uit hoofde van artikel 50 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 ontoereikend zijn om jonge landbouwers adequaat te helpen met de financiële problemen van initiële vestiging en de structurele aanpassing van hun landbouwbedrijven. Om de vooruitzichten op deelname van jonge landbouwers aan de landbouw verder te verbeteren, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om te besluiten tot een verhoging, met tussen de 25 % en 50 %, van het percentage dat wordt gebruikt voor de berekening van het aan jonge landbouwers uit te betalen bedrag, ongeacht de gebruikte berekeningsmethode. Een dergelijk besluit moet het nationale maximum van 2 % voor rechtstreekse betalingen voor de financiering van betalingen aan jonge landbouwers onverlet laten.

(42)

Om de verantwoordelijkheden van de lidstaten met betrekking tot het productiebeperkende karakter van vrijwillige gekoppelde steun te verduidelijken, is het dienstig de leden 5 en 6 van artikel 52 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 te herformuleren. Aangezien de herformulering een weerspiegeling vormt van de huidige praktijk, sinds 1 januari 2015, met betrekking tot de betrokken bepalingen is het passend deze van toepassing te maken vanaf aanvraagjaar 2015.

(43)

Om de grootst mogelijke samenhang te waarborgen tussen Unieregelingen die gericht zijn op sectoren die in sommige jaren met structurele marktonevenwichtigheden te maken krijgen, moet de Commissie de bevoegdheid krijgen om gedelegeerde handelingen vast te stellen zodat lidstaten kunnen besluiten dat de betaling van vrijwillige gekoppelde steun kan doorgaan tot en met 2020, op basis van de productie-eenheden waarvoor deze steun in een vroegere referentieperiode werd verleend.

(44)

Om voor meer flexibiliteit te zorgen met betrekking tot vrijwillige gekoppelde steun, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om hun steunbesluiten met ingang van aanvraagjaar 2019 jaarlijks te herzien.

(45)

Een van de grootste belemmeringen voor de oprichting van producentenorganisaties, voornamelijk in de lidstaten die achterlopen qua organisatiegraad, lijkt het gebrek aan wederzijds vertrouwen en eerdere ervaringen te zijn. Deze hindernis zou kunnen worden overwonnen door middel van begeleiding, waarbij goed werkende producentenorganisaties andere producentenorganisaties, producentengroeperingen of individuele telers van groenten en fruit de weg wijzen; dientengevolge zou begeleiding opgenomen moeten worden onder de doelstellingen van producentenorganisaties in de groente- en fruitsector.

(46)

Naast het uit de markt nemen voor gratis verstrekking is het ook aangewezen financiële steun te verstrekken voor acties inzake begeleiding waarmee producenten worden aangemoedigd organisaties op te richten die voldoen aan de criteria voor volledige financiering van de Unie in het kader van de operationele programma's van bestaande producentenorganisaties.

(47)

De crisispreventie- en crisisbeheersingsmaatregelen moeten worden uitgebreid zodat zij ook betrekking hebben op het aanvullen van onderlinge fondsen, die als nieuwe instrumenten kunnen bijdragen aan de bestrijding van crises, en op afzetbevordering en communicatie, met het oog op de diversificatie en consolidering van de markten voor groenten en fruit.

(48)

Om de huidige procedure — waarbij eerst toestemming wordt gegeven aan de lidstaten om extra nationale financiële steun te verlenen aan producentenorganisaties in de regio's van de Unie met een bijzonder lage organisatiegraad en vervolgens een deel van die nationale financiële steun wordt vergoed indien aan bepaalde voorwaarden is voldaan — te vereenvoudigen, moet een nieuw systeem worden vastgesteld voor lidstaten waar de organisatiegraad aanzienlijk onder het gemiddelde van de Unie ligt. Om een soepele overgang te verzekeren van de huidige procedure naar het nieuwe systeem moet een overgangsperiode van een jaar worden voorzien. Het nieuwe systeem moet derhalve gaan gelden met ingang van 1 januari 2019.

(49)

Om wijn-eau-de-vie met een geografische aanduiding te beschermen tegen het risico op misbruik van de bekendheid daarvan, moeten de lidstaten het recht krijgen om de regels voor vergunningen voor het aanplanten van wijnstokken die geschikt zijn voor de productie van wijn met een geografische aanduiding ook toe te passen op wijn die geschikt is voor de productie van wijn-eau-de-vie met een geografische aanduiding.

(50)

In de sector melk en zuivelproducten kan het gebruik van contracten de verantwoordelijkheidszin van marktdeelnemers vergroten en hen beter doen inzien dat zij meer rekening dienen te houden met de signalen van de markt, alsmede bijdragen tot de doorrekening van de prijzen, betere afstemming van het aanbod op de vraag en voorkoming van bepaalde oneerlijke handelspraktijken. Om stimulansen te bieden voor het gebruik van dergelijke contracten in de sector melk en zuivelproducten en andere sectoren, moeten producenten, producentenorganisaties of unies van producentenorganisaties het recht krijgen om een schriftelijk contract te verzoeken, zelfs indien de betrokken lidstaat het gebruik van dergelijke contracten niet verplicht heeft gesteld.

(51)

Hoewel het de partijen bij een contract betreffende de levering van rauwe melk vrij staat om te onderhandelen over de onderdelen van dergelijke contracten, beschikken de lidstaten die het gebruik van dergelijke contracten verplicht hebben gesteld, over de mogelijkheid om bepaalde contractuele clausules op te leggen, met name wat betreft de minimumduur. Om de partijen in staat te stellen in het contract duidelijkheid te verkrijgen over de geleverde hoeveelheden en prijzen, moeten de lidstaten ook de mogelijkheid krijgen om de partijen te verplichten tot overeenstemming te komen over het verband tussen de geleverde hoeveelheid en de prijs die voor die levering moet worden betaald.

(52)

Producentenorganisaties en unies van producentenorganisaties kunnen een nuttige rol spelen bij de concentratie van het aanbod, bij het verbeteren van de afzet, de planning en de afstemming van de productie op de vraag, het optimaliseren van de productiekosten en het stabiliseren van de producentenprijzen, het verrichten van onderzoek, het bevorderen van beste praktijken en het verstrekken van technische bijstand, het beheren van bijproducten en risicobeheersingsinstrumenten waarover hun leden beschikken, en kunnen zodoende bijdragen aan het versterken van de positie van producenten in de voedselketen. Hun activiteiten, waaronder de contractuele onderhandelingen over het aanbod van landbouwproducten door dergelijke producentenorganisaties en hun unies wanneer zij het aanbod concentreren en de producten van hun leden op de markt brengen, dragen dan ook bij tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) inzake het GLB, aangezien zij de positie van landbouwers binnen de voedselvoorzieningsketen versterken en kunnen bijdragen tot een betere werking van de voedselvoorzieningsketen. Door de hervorming van het GLB in 2013 is de rol van producentenorganisaties versterkt. In afwijking van artikel 101 VWEU moet de mogelijkheid om activiteiten te verrichten als productieplanning, kostenoptimalisatie, het op de markt brengen van producten van leden en het voeren van contractuele onderhandelingen derhalve uitdrukkelijk worden erkend als een recht van erkende producentenorganisaties in alle sectoren waarvoor Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10) een gemeenschappelijke marktordening vaststelt. Die afwijking mag uitsluitend betrekking hebben op producentenorganisaties die daadwerkelijk een activiteit uitoefenen die gericht is op economische integratie, het aanbod concentreert en de producten van de leden op de markt brengt. Naast het toepasselijk maken van artikel 102 VWEU op dergelijke producentenorganisaties moeten er evenwel ook waarborgen worden ingevoerd om ervoor te zorgen dat zulke activiteiten noch de mededinging uitsluiten noch afbreuk doen aan de doelstellingen van artikel 39 VWEU. Mededingingsautoriteiten moeten het recht hebben om in dergelijke gevallen op te treden en te besluiten dat zulke activiteiten voor de toekomst moeten worden aangepast, stopgezet of helemaal niet mogen plaatshebben. De activiteiten van producentenorganisaties moeten als rechtmatig worden beschouwd totdat de mededingingsautoriteit hierover een besluit vaststelt. Unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van artikel 156, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1308/2013 moeten, voor de activiteiten die zij zelf uitvoeren, in dezelfde mate en onder dezelfde voorwaarden als producentenorganisaties een beroep kunnen doen op die afwijking.

(53)

Erkende producentenorganisaties worden ingedeeld bij een specifieke sector als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Aangezien producentenorganisaties in meer dan één sector actief kunnen zijn, en om administratieve lasten te voorkomen die zouden voortvloeien uit de verplichting om voor erkenning meerdere producentenorganisaties te creëren, dient een producentenorganisatie meer dan één erkenning te kunnen verkrijgen. In dergelijke gevallen moet de betrokken producentenorganisatie evenwel aan de erkenningsvoorwaarden van elk van de betrokken sectoren voldoen.

(54)

Gelet op de rol die brancheorganisaties kunnen spelen voor een betere werking van de voedselvoorzieningsketen, moet de lijst van mogelijke doelstellingen die brancheorganisaties kunnen nastreven worden uitgebreid, zodat ook preventie- en beheersingsmaatregelen met betrekking tot risico's in verband met diergezondheid, gewasbescherming en het milieu kunnen worden voorzien.

(55)

Erkende brancheorganisaties worden ingedeeld bij een specifieke sector als bedoeld in artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1308/2013. Echter, aangezien brancheorganisaties in meer dan één sector actief kunnen zijn, en om administratieve lasten te voorkomen die zouden voortvloeien uit de verplichting om voor erkenning meerdere brancheorganisaties te creëren, dient een brancheorganisatie meer dan één erkenning te kunnen verkrijgen. In dergelijke gevallen moet de brancheorganisatie evenwel aan de erkenningsvoorwaarden voor elk van de betrokken sectoren voldoen.

(56)

Met het oog op een betere transmissie van marktsignalen en het versterken van de verbanden tussen producentenprijzen en toegevoegde waarde in de hele bevoorradingsketen, moet het landbouwers, met inbegrip van landbouworganisaties, worden toegestaan om met hun eerste koper tot overeenstemming te komen over waardeverdelingsclausules, onder meer over op de markt gegenereerde winsten en verliezen. Aangezien brancheorganisaties een belangrijke rol kunnen spelen door een dialoog tussen de in de bevoorradingsketen actieve partijen mogelijk te maken en door goede praktijken en markttransparantie te stimuleren, moeten zij de mogelijkheid krijgen om standaardclausules inzake waardeverdeling vast te stellen. Het gebruik van waardeverdelingsclausules door landbouwers, landbouworganisaties en hun eerste koper moet evenwel vrijwillig blijven.

(57)

De ervaring die is opgedaan met de toepassing van artikel 188 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 leert dat het feit dat er uitvoeringshandelingen moeten worden vastgesteld voor het beheer van eenvoudige wiskundige processen in verband met de manier waarop quota worden toegewezen, omslachtig is en veel middelen vergt zonder dat deze aanpak specifieke voordelen biedt. De Commissie heeft in dit verband in feite geen beoordelingsmarge, aangezien de desbetreffende formule reeds is vastgesteld in artikel 7, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie (11). Om de hiermee gepaard gaande administratieve lasten te verminderen en het proces te stroomlijnen, moet worden bepaald dat de Commissie de resultaten van de toewijzing van de tariefcontingenten door middel van een passende webpublicatie bekendmaakt. Voorts moet er een specifieke bepaling worden toegevoegd waarin wordt bepaald dat de lidstaten pas certificaten mogen afgeven na de bekendmaking van de resultaten van de toewijzing door de Commissie.

(58)

Om ervoor te zorgen dat landbouwers of producentenorganisaties en hun unies ook daadwerkelijk gebruik zullen maken van artikel 209 van Verordening (EU) nr. 1308/2013, moet er worden voorzien in de mogelijkheid om de Commissie advies te vragen over de verenigbaarheid met de doelstellingen van artikel 39 VWEU van overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van landbouwers of producentenorganisaties en hun unies.

(59)

Om te waarborgen dat de bepalingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013 op grond waarvan collectieve overeenkomsten en besluiten om de betrokken sectoren in tijden van ernstig verstoord marktevenwicht tijdelijk te stabiliseren doeltreffend en tijdig kunnen worden toegepast, moeten de mogelijkheden om van dergelijke collectieve maatregelen gebruik te maken, worden uitgebreid tot landbouwers en landbouworganisaties. Voorts is het dienstig dergelijke tijdelijke maatregelen niet langer uitsluitend toe te staan als laatste redmiddel, maar ook als mogelijke aanvulling van het optreden van de Unie in het kader van openbare interventie, particuliere opslag en de uitzonderlijke maatregelen waarin wordt voorzien door Verordening (EU) nr. 1308/2013.

(60)

Aangezien het dienstig is de sector melk en zuivelproducten te blijven steunen bij de overgang die voortvloeit uit het einde van de quotaregeling, en de sector aan te sporen doeltreffender te reageren op markt- en prijsschommelingen, moeten de bepalingen in Verordening (EU) nr. 1308/2013 ter versterking van de contractuele regelingen in die sector niet langer een einddatum bevatten.

(61)

Landbouwmarkten moeten transparant zijn en prijsinformatie moet voor alle spelers toegankelijk en nuttig zijn.

(62)

De ervaring die is opgedaan met de toepassing van bijlage VIII, deel II, afdeling A, bij Verordening (EU) nr. 1308/2013, leert dat het feit dat er uitvoeringshandelingen moeten worden vastgesteld voor de goedkeuring van kleine verhogingen van de maxima voor de verrijking van wijn, die technisch en niet controversieel zijn, omslachtig is en veel middelen vergt zonder dat deze aanpak specifieke voordelen biedt. Om de daarmee gepaard gaande administratieve lasten te verminderen en het proces te stroomlijnen, dient te worden bepaald dat de lidstaten die besluiten om van deze afwijking gebruik te maken, de Commissie in kennis moeten stellen van dergelijke besluiten.

(63)

Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12) voorziet alleen in de mogelijkheid om begrotingsvastleggingen in jaartranches te verdelen bij goedkeuring van meerjarige nationale programma's voor de uitroeiing, bestrijding en monitoring van dierziekten en zoönosen, voor onderzoek naar de aanwezigheid van plaagorganismen en voor de bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie. Omwille van vereenvoudiging en ter vermindering van de administratieve lasten, moet die mogelijkheid worden uitgebreid tot de andere acties waarin is voorzien bij die verordening.

(64)

Om de wijzigingen van deze verordening te kunnen toepassen met ingang van 1 januari 2018, moet deze verordening in werking treden op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

(65)

Verordeningen (EU) nr. 1305/2013, (EU) nr. 1306/2013, (EU) nr. 1307/2013, (EU) nr. 1308/2013 en (EU) nr. 652/2014 moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1305/2013

Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2, lid 1, wordt de tweede alinea als volgt gewijzigd:

a)

punt n) wordt vervangen door:

„n)   „jonge landbouwer”: een persoon die bij het indienen van de aanvraag niet ouder is dan 40 jaar, beschikt over adequate vakbekwaamheid en deskundigheid en zich voor het eerst als bedrijfshoofd op dat landbouwbedrijf vestigt, hetzij alleen, hetzij samen met andere landbouwers, in ongeacht welke rechtsvorm;”;

b)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„s)   „datum van vestiging”: de datum waarop de aanvrager een handeling of handelingen stelt of voltooit in verband met de vestiging als bedoeld onder n).”.

2)

In artikel 8, lid 1, wordt punt h), onder ii), vervangen door:

„ii)

een tabel met voor elke maatregel, voor elk soort concrete actie met een specifiek Elfpo-bijdragepercentage, voor het soort concrete actie als bedoeld in artikel 37, lid 1, en artikel 39 bis en voor technische bijstand, de totale geplande bijdrage van de Unie en het geldende Elfpo-bijdragepercentage. In voorkomend geval wordt het Elfpo-bijdragepercentage voor minder ontwikkelde regio's en voor andere regio's afzonderlijk aangegeven in deze tabel;”.

3)

In artikel 14 wordt lid 4 vervangen door:

„4.   In het kader van deze maatregel worden de kosten voor het organiseren en uitvoeren van de kennisoverdrachtsacties en de voorlichtingsacties gesubsidieerd. Infrastructuur die geïnstalleerd is in het kader van een demonstratie mag worden gebruikt nadat de concrete actie is voltooid. In het geval van demonstratieprojecten mag tevens steun worden verleend ter dekking van de betrokken investeringskosten. De kosten in verband met de reis-, verblijfs- en dagvergoedingen van de deelnemers, alsmede de kosten voor de vervanging van de landbouwers worden eveneens gesubsidieerd. Alle op grond van dit lid bepaalde kosten worden aan de begunstigde betaald.”.

4)

Artikel 15 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De verstrekker van het advies of de opleiding dan wel de beheersautoriteit is de begunstigde van de steun die is verleend overeenkomstig lid 1, onder a) en c). Wanneer de beheersautoriteit de begunstigde is, wordt de verstrekker van het advies of de opleiding gekozen door een organisatie die functioneel onafhankelijk is van de beheersautoriteit. De in lid 1, onder b), bedoelde steun wordt verleend aan de autoriteit of de organisatie die wordt geselecteerd om de bedrijfsbeheersdiensten, bedrijfsverzorgingsdiensten en bedrijfsadviesdiensten voor de landbouw en de bedrijfsadviesdiensten voor de bosbouw op te richten.”;

b)

in lid 3 wordt de eerste alinea vervangen door:

„3.   De autoriteiten of de organisaties die worden geselecteerd om advies te verstrekken, beschikken over hiertoe gekwalificeerd en geregeld opgeleid personeel en over ervaring inzake adviesverstrekking, en zijn betrouwbaar gebleken op de gebieden waarover advies wordt verstrekt. De verstrekkers uit hoofde van deze maatregel worden geselecteerd door middel van een selectieprocedure die openstaat voor zowel publieke als private organisaties. Die selectieprocedure is objectief en sluit kandidaten met belangenconflicten uit.”;

c)

het volgend lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Voor de toepassing van dit artikel verrichten de lidstaten, overeenkomstig artikel 65, lid 1, alle controles op het niveau van de verstrekker van advies of opleiding.”.

5)

Artikel 16 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de inleiding vervangen door:

„1.   In het kader van deze maatregel wordt steun verleend aan landbouwers en groepen landbouwers die toetreden, of die gedurende de voorgaande vijf jaren zijn toegetreden, tot:”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

„2.   In het kader van deze maatregel kan ook steun worden verleend voor uit informatie- en promotieactiviteiten van producentengroeperingen voortvloeiende kosten voor producten die onder een kwaliteitsregeling vallen waarvoor overeenkomstig lid 1 van dit artikel steun wordt verleend. In afwijking van artikel 70, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 mogen die activiteiten alleen worden uitgevoerd op de interne markt.

3.   De steun uit hoofde van lid 1 wordt gedurende maximaal vijf jaar verleend in de vorm van een jaarlijkse financiële stimulans waarvan het niveau wordt bepaald overeenkomstig de hoogte van de vaste kosten die zijn gemoeid met deelneming aan de regelingen waarvoor de steun wordt verleend.

In het geval van een eerste deelname voorafgaand aan de steunaanvraag uit hoofde van lid 1, wordt de maximale duur van vijf jaar verminderd met het aantal jaren dat is verlopen tussen de eerste deelname aan een kwaliteitsregeling en het tijdstip van de steunaanvraag.

Voor de toepassing van dit lid worden onder „vaste kosten” verstaan, de kosten die worden gemaakt om tot een kwaliteitsregeling waarvoor steun wordt verleend, toe te treden, en de jaarlijkse bijdrage voor deelneming aan die regeling, inclusief, in voorkomend geval, de kosten voor verificatie van de naleving van het productdossier.

Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „landbouwer” een „actieve landbouwer” in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verstaan, zoals dat in de betrokken lidstaat van toepassing is.”.

6)

Artikel 17 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

„b)

betrekking hebben op de verwerking, de afzet en/of de ontwikkeling van in bijlage I bij het VWEU vermelde landbouwproducten of katoen, met uitzondering van visserijproducten. Het productieproces kan een product opleveren dat niet in die bijlage wordt vermeld; wanneer steun wordt verleend in de vorm van financieringsinstrumenten, kan de input ook een product zijn dat niet onder die bijlage valt, op voorwaarde dat de investering bijdraagt tot een of meer van de prioriteiten van de Unie voor plattelandsontwikkeling;”;

b)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Aan jonge landbouwers die zich voor het eerst als bedrijfshoofd op een landbouwbedrijf vestigen, mag steun worden verleend voor investeringen om te voldoen aan de normen van de Unie voor de landbouwproductie, waaronder arbeidsveiligheidsnormen. Deze steun mag worden verleend tot uiterlijk 24 maanden na de datum van vestiging als omschreven in het programma voor plattelandsontwikkeling of tot de handelingen als omschreven in het in artikel 19, lid 4, bedoelde bedrijfsplan zijn voltooid.”.

7)

Artikel 19 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De aanvraag van steun op grond van lid 1, onder a), i), wordt ingediend uiterlijk 24 maanden na de datum van vestiging.

De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt slechts verleend wanneer een bedrijfsplan wordt overgelegd. De uitvoering van het bedrijfsplan gaat uiterlijk negen maanden na de datum van het besluit tot verlening van steun van start. Het bedrijfsplan heeft een looptijd van maximum vijf jaar.

In het bedrijfsplan wordt bepaald dat de jonge landbouwer binnen 18 maanden na de datum van het besluit tot verlening van steun moet voldoen aan artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zoals dat in de betrokken lidstaat van toepassing is.

De lidstaten definiëren de in artikel 2, lid 1, onder s), bedoelde handeling(en) in de plattelandsontwikkelingsprogramma's.

De lidstaten stellen per begunstigde of bedrijf boven- en benedengrenzen vast voor de toegang tot de respectievelijk in lid 1, onder a), i) en iii), bedoelde steun. De benedengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), i), ligt hoger dan de bovengrens voor steunverlening in het kader van lid 1, onder a), iii). De steun wordt uitsluitend verleend aan bedrijven die onder de definitie van kleine en micro-ondernemingen vallen.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„4 bis.   In afwijking van artikel 37, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 mag steun op grond van lid 1, onder a), i), van dit artikel ook worden verleend in de vorm van financieringsinstrumenten, of als een combinatie van subsidies en financieringsinstrumenten.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De in lid 1, onder a), bedoelde steun wordt in ten minste twee tranches betaald. De tranches kunnen degressief zijn. De laatste tranche van de in lid 1, onder a), i) en ii), bedoelde steun mag slechts worden betaald indien het bedrijfsplan correct wordt uitgevoerd.”.

8)

Aan artikel 20 wordt het volgende lid toegevoegd:

„4.   De leden 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer steun wordt verleend in de vorm van financieringsinstrumenten.”.

9)

Artikel 23 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Artikel 23

Invoering, regeneratie of renovatie van boslandbouwsystemen”;

b)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De in artikel 21, lid 1, onder b), bedoelde steun wordt gedurende maximaal vijf jaar ter dekking van de kosten van invoering, regeneratie en/of renovatie verleend aan private grondbezitters, gemeenten en verenigingen waarin zij verenigd zijn, en omvat een jaarlijkse premie per hectare voor de kosten van onderhoudsactiviteiten.”.

10)

Artikel 28 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 6 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Bij de berekening van de in de eerste alinea bedoelde betalingen brengen de lidstaten het nodige bedrag in mindering teneinde dubbele financiering van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde praktijken uit te sluiten. De lidstaten mogen de vermindering berekenen als een vast gemiddeld bedrag dat wordt toegepast op alle betrokken begunstigden die de betrokken soort concrete actie uitvoeren.”;

b)

lid 9 wordt vervangen door:

„9.   Er kan steun voor de instandhouding, het duurzame gebruik en de duurzame ontwikkeling van genetische hulpbronnen in de landbouw, met inbegrip van uitheemse hulpbronnen, worden verleend voor niet onder de leden 1 tot en met 8 vallende concrete acties. Dergelijke verbintenissen kunnen worden uitgevoerd door andere dan de in lid 2 genoemde begunstigden.”.

11)

Artikel 29 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   In het kader van deze maatregel wordt steun verleend, per hectare landbouwareaal, aan landbouwers of groepen van landbouwers die zich op vrijwillige basis verbinden tot de omschakeling naar of de voortzetting van biologische landbouwpraktijken en -methoden zoals omschreven in Verordening (EG) nr. 834/2007 en die „actieve landbouwer” zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zoals dat in de betrokken lidstaat van toepassing is.”;

b)

in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Bij de berekening van de in de eerste alinea van dit lid bedoelde betalingen brengen de lidstaten het nodige bedrag in mindering teneinde dubbele financiering van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde praktijken uit te sluiten. De lidstaten mogen de vermindering berekenen als een vast gemiddeld bedrag dat wordt toegepast op alle betrokken begunstigden die de betrokken submaatregelen uitvoeren.”.

12)

In artikel 30, lid 1, wordt de tweede alinea vervangen door:

„Bij de berekening van de betalingen in verband met de in de eerste alinea bedoelde steun brengen de lidstaten het nodige bedrag in mindering teneinde dubbele financiering van de in artikel 43 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 bedoelde praktijken uit te sluiten. De lidstaten mogen de vermindering berekenen als een vast gemiddeld bedrag dat wordt toegepast op alle betrokken begunstigden die de betrokken submaatregelen uitvoeren.”.

13)

Artikel 31 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De betalingen worden toegekend aan landbouwers die zich ertoe verbinden hun landbouwactiviteit in de overeenkomstig artikel 32 aangewezen gebieden voort te zetten en die „actieve landbouwer” zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zoals dat in de betrokken lidstaat van toepassing is.”;

b)

in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:

„5.   Naast de in lid 2 bedoelde betalingen kunnen de lidstaten in het kader van deze maatregel in de periode 2014-2020 betalingen toekennen aan begunstigden in gebieden die tijdens de programmeringsperiode 2007-2013 in aanmerking kwamen voor steun op grond van artikel 36, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005. Voor begunstigden in gebieden die niet langer voor steun in aanmerking komen na de nieuwe afbakening, bedoeld in artikel 32, lid 3, zijn die betalingen degressief over een periode van ten hoogste vier jaar. Deze periode vangt aan op de datum waarop de afbakening overeenkomstig artikel 32, lid 3, is voltooid en uiterlijk in 2019. Die betalingen bedragen bij hun aanvang niet meer dan 80 % van de gemiddelde betaling die overeenkomstig artikel 36, onder a), ii), van Verordening (EG) nr. 1698/2005 in het programma voor de programmeringsperiode 2007-2013 is vastgesteld, en zij bedragen uiteindelijk in 2020 niet meer dan 20 %. Wanneer ingevolge de degressiviteit het betalingsniveau van 25 EUR is bereikt, kunnen de lidstaten betalingen van dit niveau blijven toekennen totdat de periode van geleidelijke afschaffing is verstreken.”.

14)

In artikel 33 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   In het kader van deze maatregel worden dierenwelzijnsbetalingen toegekend aan landbouwers die zich er op vrijwillige basis toe verbinden concrete acties uit te voeren die bestaan uit een of meer dierenwelzijnsverbintenissen en die „actieve landbouwer” zijn in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013, zoals dat in de betrokken lidstaat van toepassing is.”.

15)

Artikel 36 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt c) wordt vervangen door:

„c)

financiële bijdragen in onderlinge fondsen die fungeren als inkomensstabiliseringsinstrument en waaruit landbouwers uit alle sectoren wier inkomen ernstig is gedaald, worden vergoed.”;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„d)

financiële bijdragen in onderlinge fondsen die fungeren als sectorspecifiek inkomensstabiliseringsinstrument en waaruit landbouwers uit een specifieke sector wier inkomen ernstig is gedaald, worden vergoed.”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Voor de toepassing van dit artikel wordt onder „landbouwer” een „actieve landbouwer” in de zin van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 1307/2013 verstaan, zoals dat in de betrokken lidstaat van toepassing is.”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Voor de toepassing van lid 1, onder b), c), en d), wordt onder „onderling fonds” verstaan een door de lidstaten overeenkomstig de nationale wetgeving geaccrediteerd systeem dat de aangesloten landbouwers in de gelegenheid stelt zich te verzekeren en hen compensatiebetalingen uitkeert voor economische verliezen ten gevolge van ongunstige weersomstandigheden of uitbraken van dier- of plantenziekten of plagen, of van een milieuongeval, of omdat hun inkomen ernstig is gedaald.”;

d)

in lid 5 wordt de tweede alinea geschrapt.

16)

In artikel 37, lid 1, wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   In het kader van artikel 36, lid 1, onder a), wordt slechts steun verleend voor verzekeringscontracten ter dekking van verliezen door ongunstige weersomstandigheden, dier- of plantenziekten of een plaag, of een milieuongeval, of een overeenkomstig Richtlijn 2000/29/EG vastgestelde maatregel om een plantenziekte of plaag uit te roeien of in te dammen waarbij meer dan 20 % van de gemiddelde jaarproductie van de landbouwer van de laatste drie jaar of van de gemiddelde productie van drie van de laatste vijf jaar verloren is gegaan, de hoogste en de laagste productie in laatstgenoemd geval niet meegerekend. Indexen kunnen worden gebruikt voor het berekenen van de jaarproductie van de landbouwer. De gehanteerde berekeningsmethode maakt het mogelijk het feitelijke verlies van en landbouwer in een bepaald jaar te bepalen.”.

17)

Artikel 38 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

de eerste alinea wordt vervangen door:

„3.   De in artikel 36, lid 1, onder b), bedoelde financiële bijdragen hebben slechts betrekking op:

a)

de administratieve kosten van de oprichting van het onderlinge fonds, met dien verstande dat zij over maximaal drie jaar worden gespreid en geleidelijk worden verlaagd;

b)

de bedragen die uit het onderlinge fonds in de vorm van vergoedingen aan de landbouwers worden betaald. De financiële bijdragen mogen tevens betrekking hebben op rente voor commerciële leningen die het onderlinge fonds heeft afgesloten om landbouwers die zich in een crisissituatie bevinden, te vergoeden;

c)

het aanvullen van de jaarlijkse betalingen aan het fonds;

d)

het aanvangskapitaal van het onderlinge fonds.”;

ii)

de derde alinea wordt geschrapt;

b)

in lid 5 wordt de eerste alinea vervangen door:

„5.   De steun mag het in bijlage II vastgestelde maximale steunpercentage niet overschrijden. Bij steun uit hoofde van lid 3, onder b), wordt rekening gehouden met eventuele reeds uit hoofde van lid 3, onder c) en d), verleende steun.”.

18)

Artikel 39 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de titel wordt vervangen door:

„Artikel 39

Inkomensstabiliseringsinstrument voor landbouwers uit alle sectoren”;

b)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   De in artikel 36, lid 1, onder c), bedoelde steun wordt slechts verleend indien het inkomen van een individuele landbouwer is gedaald met meer dan 30 % van het gemiddelde jaarinkomen van die landbouwer in de laatste drie jaar of het gemiddelde inkomen van drie jaren van de laatste vijf jaren, het hoogste en het laagste inkomen niet meegerekend. Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, onder c), wordt onder inkomen verstaan de som van de inkomsten die de landbouwer van de markt ontvangt, inclusief overheidssteun en exclusief de kosten van de productiemiddelen. Betalingen uit het onderlinge fonds aan landbouwers compenseren minder dan 70 % van de gederfde inkomsten van de producent in het jaar waarin hij recht krijgt op deze steun. Indexen kunnen worden gebruikt voor het berekenen van het jaarlijks gederfde inkomen van de landbouwer.”;

c)

de leden 4 en 5 worden vervangen door:

„4.   De in artikel 36, lid 1, onder c), bedoelde financiële bijdragen hebben slechts betrekking op:

a)

de administratieve kosten van de oprichting van het onderlinge fonds, met dien verstande dat zij over maximaal drie jaar worden gespreid en geleidelijk worden verlaagd;

b)

de bedragen die uit het onderlinge fonds in de vorm van vergoedingen aan de landbouwers worden betaald. De financiële bijdragen mogen tevens betrekking hebben op rente voor commerciële leningen die het onderlinge fonds heeft afgesloten om landbouwers die zich in een crisissituatie bevinden, te vergoeden;

c)

het aanvullen van de jaarlijkse betalingen aan het fonds;

d)

het aanvangskapitaal van het onderlinge fonds.

5.   De steun mag het in bijlage II vastgestelde maximale steunpercentage niet overschrijden. Bij steun uit hoofde van lid 4, onder b), wordt rekening gehouden met eventuele reeds uit hoofde van lid 4, onder c) en d), verleende steun.”.

19)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 39 bis

Inkomensstabiliseringsinstrument voor landbouwers uit een specifieke sector

1.   De in artikel 36, lid 1, onder d), bedoelde steun wordt slechts in naar behoren gemotiveerde gevallen verleend indien de daling van het inkomen van een individuele landbouwer de drempel overschrijdt van ten minste 20 % van het gemiddelde jaarinkomen van die landbouwer in de laatste drie jaar of het gemiddelde inkomen van drie jaren van de laatste vijf jaren, het hoogste en het laagste inkomen niet meegerekend. Indexen kunnen worden gebruikt voor het berekenen van het jaarlijks verlies aan inkomen van de landbouwer. Voor de toepassing van artikel 36, lid 1, onder d), wordt onder inkomen verstaan de som van de inkomsten die de landbouwer van de markt ontvangt, inclusief overheidssteun en exclusief de kosten van de productiemiddelen. Betalingen uit het onderlinge fonds aan landbouwers compenseren minder dan 70 % van de gederfde inkomsten van de producent in het jaar waarin hij recht krijgt op deze steun.

2.   Artikel 39, leden 2 tot en met 5, zijn van toepassing voor steun op grond van artikel 36, lid 1, onder d).”.

20)

Artikel 45 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Wanneer steun wordt verleend via een overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1303/2013 ingesteld financieringsinstrument, kan werkkapitaal een subsidiabele uitgave vormen. Dergelijke uitgaven die voor steun in aanmerking komen, bedragen niet meer dan 200 000 EUR of 30 % van het totale bedrag van de voor steun in aanmerking komende uitgaven voor de investering, naargelang wat het hoogste is.”;

b)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„7.   De leden 1, 2 en 3 zijn niet van toepassing wanneer steun wordt verleend in de vorm van financieringsinstrumenten.”.

21)

Artikel 49 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Als afwijking van de eerste alinea kan de beheersautoriteit, in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen waarin geen selectiecriteria kunnen worden vastgesteld vanwege de aard van de betrokken concrete acties, een andere selectiemethode definiëren, die na raadpleging van het toezichtcomité in het plattelandsontwikkelingsprogramma moet worden beschreven.”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

„2.   De voor de selectie van concrete acties bevoegde autoriteit van de lidstaat ziet erop toe dat concrete acties, met uitzondering van de in artikel 18, lid 1, onder b), artikel 24, lid 1, onder d), de artikelen 28 tot en met 31, artikel 33, artikel 34 en de artikelen 36 tot en met 39 bis bedoelde concrete acties, worden geselecteerd overeenkomstig de in lid 1 bedoelde selectiecriteria en overeenkomstig een transparante en goed gedocumenteerde procedure.

3.   De begunstigden mogen worden geselecteerd door middel van een inschrijving waarbij criteria van economische, sociale en milieuefficiëntie worden gehanteerd.”;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„4.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing wanneer steun wordt verleend in de vorm van financieringsinstrumenten.”.

22)

In artikel 59 wordt lid 4 als volgt gewijzigd:

a)

punt f) wordt vervangen door:

„f)

100 % voor een bedrag van 100 miljoen EUR, in prijzen van 2011, toegewezen aan Ierland, voor een bedrag van 500 miljoen EUR, in prijzen van 2011, toegewezen aan Portugal en voor een bedrag van 7 miljoen EUR, in prijzen van 2011, toegewezen aan Cyprus;”;

b)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„h)

het bijdragepercentage bedoeld in artikel 39 bis, lid 13, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 voor het financieringsinstrument bedoeld in artikel 38, lid 1, onder c), van die verordening.”.

23)

Artikel 60 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt vervangen door:

„1.   In afwijking van artikel 65, lid 9, van Verordening (EU) nr. 1303/2013 kan er in de programma's voor plattelandsontwikkeling in het geval van noodmaatregelen wegens natuurrampen, rampzalige gebeurtenissen en ongunstige weersomstandigheden of wegens een plotse, ingrijpende wijziging van de sociaal-economische omstandigheden in de betrokken lidstaat of regio, in worden voorzien dat uitgaven met betrekking tot wijzigingen in het programma subsidiabel zijn vanaf de datum waarop die gebeurtenis zich heeft voorgedaan.”;

b)

in lid 2 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Met uitzondering van algemene kosten zoals omschreven in artikel 45, lid 2, onder c), zijn voor concrete investeringsacties in het kader van maatregelen die binnen het toepassingsgebied van artikel 42 VWEU vallen, alleen uitgaven die zijn gedaan nadat bij de bevoegde autoriteit een aanvraag is ingediend, subsidiabel. De lidstaten kunnen in hun programma's echter bepalen dat uitgaven die betrekking hebben op noodmaatregelen wegens natuurrampen, rampzalige gebeurtenissen en ongunstige weersomstandigheden of wegens een plotse, ingrijpende wijziging van de sociaal-economische omstandigheden in de betrokken lidstaat of regio, en die de begunstigde na de gebeurtenis heeft gemaakt, ook subsidiabel zijn.”;

c)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   Betalingen door begunstigden worden gestaafd door facturen en betalingsbewijzen. Waar dit niet mogelijk is, worden de betalingen gestaafd door documenten met vergelijkbare bewijskracht, behalve voor de vormen van steun bedoeld in artikel 67, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1303/2013, niet zijnde de vorm van steun als bedoeld onder punt a) van dat artikel.”.

24)

In artikel 62 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   Indien steun wordt verleend op basis van standaardkosten of extra kosten en gederfde inkomsten overeenkomstig artikel 21, lid 1, onder a) en b), wat betreft gederfde inkomsten en onderhoudskosten, en de artikelen 28 tot en met 31, artikel 33 en artikel 34, zorgen de lidstaten ervoor dat de betrokken berekeningen deugdelijk en nauwkeurig zijn en op voorhand zijn vastgesteld op basis van een eerlijke, evenwichtige en verifieerbare berekeningsmethode. Hiertoe voert een orgaan dat functioneel onafhankelijk is van de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de uitvoering van het programma en dat over de nodige deskundigheid beschikt, de berekeningen uit of bevestigt de deugdelijkheid en de nauwkeurigheid ervan. Er wordt een verklaring ter bevestiging van de deugdelijkheid en nauwkeurigheid van de berekeningen opgenomen in het plattelandsontwikkelingsprogramma.”.

25)

In artikel 66, lid 1, wordt punt b) geschrapt.

26)

In artikel 74 wordt punt a) vervangen door:

„a)

vóór de publicatie van de concrete oproepen tot het indienen van voorstellen wordt het geraadpleegd en brengt het advies uit over de criteria voor de selectie van de gefinancierde concrete acties; deze criteria worden herzien in het licht van de programmeringsbehoeften;”.

27)

Bijlage II wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage I bij deze verordening.

Artikel 2

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1306/2013

Verordening (EU) nr. 1306/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 26 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt geschrapt;

b)

de leden 3 en 4 worden vervangen door:

„3.   Uiterlijk op 30 juni van het kalenderjaar waarop de aanpassingscoëfficiënt van toepassing is, stelt de Commissie de aanpassingscoëfficiënt vast door middel van uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 116, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.

4.   Tot 1 december van het kalenderjaar waarop de aanpassingscoëfficiënt van toepassing is, kan de Commissie op basis van nieuwe informatie uitvoeringshandelingen vaststellen tot aanpassing van de overeenkomstig lid 3 vastgestelde aanpassingscoëfficiënt. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 116, lid 2, bedoelde raadplegingsprocedure.”.

2)

In artikel 38 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   In geval van een gerechtelijke procedure of administratief beroep met schorsende werking wordt de in lid 1 of lid 2 bedoelde termijn waarna vastleggingen ambtshalve worden doorgehaald, gedurende die procedure of dat administratief beroep geschorst voor het bedrag van de betrokken concrete acties, mits de Commissie uiterlijk op 31 januari van jaar N + 4 een met redenen omklede melding ontvangt van de lidstaat.”.

3)

In artikel 43, lid 1, wordt punt a) vervangen door:

„a)

de bedragen die krachtens de artikelen 40, 52 en 54 en, wat de uitgaven uit het ELGF betreft, krachtens artikel 41, lid 2, en artikel 51 aan de begroting van de Unie moeten worden overgemaakt, met inbegrip van de rente daarop;”.

4)

In artikel 54, lid 3, wordt punt a), onder ii), vervangen door:

„ii)

het van de begunstigde in het kader van een eenmalige betaling voor een steunregeling of steunmaatregel terug te vorderen bedrag, exclusief rente, tussen 100 EUR en 250 EUR bedraagt en de betrokken lidstaat in zijn nationale wetgeving een drempelwaarde voor het niet innen van nationale schulden hanteert die ten minste gelijk is aan het te innen bedrag.”.

5)

Aan artikel 63, lid 1, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Wanneer de niet-naleving betrekking heeft op nationale of Unievoorschriften betreffende het plaatsen van overheidsopdrachten, wordt het gedeelte van de steun dat niet mag worden betaald of moet worden ingetrokken bepaald op basis van de ernst van de niet-naleving en overeenkomstig het evenredigheidsbeginsel. De wettigheid en regelmatigheid van de transactie komt alleen in het gedrang tot op het niveau van het gedeelte van de steun dat niet mag worden betaald of moet worden ingetrokken.”.

6)

In artikel 72 wordt lid 2 vervangen door:

„2.   In afwijking van lid 1, punt a), van dit artikel kunnen de lidstaten besluiten dat:

a)

landbouwpercelen met een oppervlakte van maximaal 0,1 hectare waarvoor geen betaling wordt aangevraagd, niet hoeven te worden aangegeven mits de totale oppervlakte van deze percelen minder dan één hectare bedraagt, en/of dat een landbouwer die geen areaalgebonden rechtstreekse betaling aanvraagt, zijn landbouwpercelen niet hoeft aan te geven indien de totale oppervlakte ervan niet meer bedraagt dan één hectare. In alle gevallen vermeldt deze landbouwer wel in zijn aanvraag of hij over landbouwpercelen beschikt, en geeft hij op verzoek van de bevoegde autoriteiten aan waar deze zich bevinden;

b)

landbouwers die aan de regeling voor kleine landbouwbedrijven deelnemen als bedoeld in titel V van Verordening (EU) nr. 1307/2013, de landbouwpercelen waarvoor geen betaling wordt aangevraagd niet hoeven aan te geven, tenzij deze aangifte vereist is met het oog op andere steun of bijstand.”.

7)

De derde en vierde alinea van artikel 75, lid 1, worden vervangen door:

„Niettegenstaande de eerste en de tweede alinea van dit lid kunnen de lidstaten:

a)

vóór 1 december maar niet vóór 16 oktober, voorschotten betalen van ten hoogste 50 % voor rechtstreekse betalingen;

b)

vóór 1 december, voorschotten betalen van ten hoogste 75 % voor de steun in het kader van de plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 67, lid 2.

Wat betreft de steun in het kader van de plattelandsontwikkeling als bedoeld in artikel 67, lid 2, zijn de eerste en de tweede alinea van dit lid van toepassing op steunaanvragen of betalingsaanvragen die met ingang van het aanvraagjaar 2019 worden ingediend.”.

Artikel 3

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1307/2013

Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 4 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punt h) wordt vervangen door:

„h)   „blijvend grasland en blijvend weiland” (samen „blijvend grasland”): grond met een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen die ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen, en, indien lidstaten daartoe besluiten, die ten minste vijf jaar niet is omgeploegd; andere begraasbare soorten, zoals struiken en/of bomen, en, indien lidstaten daartoe besluiten, andere soorten, zoals struiken en/of bomen die diervoeder produceren, kunnen er deel van uitmaken, mits de grassen en andere kruidachtige voedergewassen blijven overheersen. De lidstaten kunnen ook besluiten om als blijvend grasland te beschouwen:

i)

begraasbaar land dat deel uitmaakt van de gangbare plaatselijke praktijken, waarbij grassen en andere kruidachtige voedergewassen traditioneel niet overheersen in weiland; en/of

ii)

begraasbaar land waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet overheersen of helemaal niet voorkomen in weiland;”;

ii)

de volgende alinea wordt toegevoegd:

„Niettegenstaande punten f) en h) van de eerste alinea, kunnen lidstaten die vóór 1 januari 2018 percelen braakliggend land als bouwland hebben aanvaard, die percelen na die datum verder als bouwland aanvaarden. Met ingang van 1 januari 2018 worden percelen braakliggend land die in 2018 uit hoofde van deze alinea als bouwland zijn aanvaard, blijvend grasland in 2023 of daarna indien de voorwaarden onder h) zijn vervuld.”;

b)

aan lid 2 worden de volgende alinea's toegevoegd:

„De lidstaten kunnen besluiten dat:

a)

grond die ten minste vijf jaar niet is omgeploegd, wordt beschouwd als blijvend grasland als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder h), op voorwaarde dat de grond een natuurlijke of ingezaaide vegetatie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen heeft en ten minste vijf jaar niet in de vruchtwisseling van het bedrijf is opgenomen;

b)

andere soorten, zoals struiken en/of bomen die diervoeder produceren, deel kunnen uitmaken van blijvend grasland, in gebieden waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen overheersen; en/of

c)

begraasbaar land waar grassen en andere kruidachtige voedergewassen niet overheersen of helemaal niet voorkomen in weiland, beschouwd kan worden als blijvend grasland als bedoeld in lid 1, eerste alinea, onder h).

De lidstaten kunnen op basis van objectieve en niet-discriminerende criteria besluiten hun overeenkomstig punten b) en/of c) van de derde alinea van dit lid genomen besluit op hun hele grondgebied of een deel daarvan toe te passen.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 31 maart 2018 in kennis van elk uit hoofde van de derde en de vierde alinea van dit lid genomen besluit.”.

2)

Aan artikel 6, lid 2, wordt de volgende alinea toegevoegd:

„Indien een lidstaat gebruik maakt van de in artikel 36, lid 4, tweede alinea, geboden keuzemogelijkheid kan het in bijlage II voor die lidstaat voor dat jaar vermelde nationale maximum worden overschreden met het overeenkomstig die alinea berekende bedrag.”.

3)

Artikel 9 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„3 bis.   Naast hetgeen bepaald is in de leden 1, 2 en 3, kunnen de lidstaten besluiten dat geen rechtstreekse betalingen worden toegekend aan landbouwers die voor hun landbouwactiviteiten niet in een nationaal belastingregister of socialezekerheidsregister zijn geregistreerd.”;

b)

lid 4 wordt vervangen door:

„4.   De leden 2, 3 en 3 bis zijn niet van toepassing op landbouwers die voor het voorgaande jaar alleen rechtstreekse betalingen hebben ontvangen die een bepaald bedrag niet overschrijden. Dit bedrag wordt door de lidstaten vastgesteld op basis van objectieve criteria, zoals hun nationale en regionale kenmerken, en is niet hoger dan 5 000 EUR.”;

c)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2014 in kennis van de in de leden 2, 3 of 4 bedoelde besluiten, en uiterlijk op 31 maart 2018 van de in lid 3 bis bedoelde besluiten. In geval van wijzigingen van deze besluiten stellen zij de Commissie in kennis binnen twee weken nadat een besluit tot wijziging is genomen.”;

d)

de volgende leden worden toegevoegd:

„7.   De lidstaten kunnen vanaf 2018 of een daaropvolgend jaar besluiten dat het volstaat dat personen of groepen van personen die binnen het toepassingsgebied van de eerste en de tweede alinea van lid 2 vallen, slechts aan een of twee van de drie in lid 2, derde alinea, opgenomen criteria voldoen om aan te tonen dat zij actieve landbouwer zijn. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dat besluit uiterlijk op 31 maart 2018, indien het wordt toegepast vanaf 2018, of uiterlijk op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de toepassing ervan, indien het wordt toegepast vanaf een op 2018 volgend jaar.

8.   De lidstaten kunnen besluiten lid 2 vanaf 2018 of een daaropvolgend jaar niet meer toe te passen. Zij stellen de Commissie in kennis van dat besluit uiterlijk op 31 maart 2018, indien het wordt toegepast vanaf 2018, of, uiterlijk op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de toepassing ervan, indien het wordt toegepast vanaf een op 2018 volgend jaar.”.

4)

In artikel 11 wordt lid 6 vervangen door:

„6.   De lidstaten kunnen hun besluiten betreffende een verlaging van betalingen overeenkomstig dit artikel jaarlijks herzien, mits die herziening niet leidt tot een verlaging van de voor plattelandsontwikkeling beschikbare bedragen.

De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de overeenkomstig dit artikel genomen besluiten, alsmede van de geraamde opbrengst van de verlagingen voor de jaren tot en met 2019, zulks uiterlijk op 1 augustus van het jaar dat voorafgaat aan de toepassing van die besluiten, waarbij 1 augustus 2018 de laatste mogelijke datum voor een dergelijke kennisgeving is.”.

5)

Artikel 14 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten kunnen besluiten om hun in dit lid bedoelde besluiten met ingang van kalenderjaar 2019 te herzien, en zij stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2018 in kennis van hun op deze herziening gebaseerde besluiten. Besluiten gebaseerd op deze herziening mogen niet leiden tot een afname van het percentage waarvan de Commissie overeenkomstig de eerste, de tweede, de derde en de vierde alinea in kennis is gesteld.”;

b)

aan lid 2 wordt de volgende alinea toegevoegd:

„De lidstaten kunnen besluiten om hun in dit lid bedoelde besluiten met ingang van kalenderjaar 2019 te herzien, en zij stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus 2018 in kennis van hun op deze herziening gebaseerde besluiten. Besluiten gebaseerd op deze herziening mogen niet leiden tot een toename van het percentage waarvan de Commissie overeenkomstig de eerste, de tweede, de derde en de vierde alinea in kennis is gesteld.”.

6)

In artikel 31, lid 1, wordt punt g) vervangen door:

„g)

van een lineaire verlaging van de waarde van de betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau om de in artikel 30, lid 6, van deze verordening bedoelde gevallen te dekken, wanneer de lidstaten dit nodig achten. Daarnaast kunnen lidstaten die deze lineaire verlaging reeds toepassen in hetzelfde jaar ook een lineaire verlaging toepassen van de waarde van de betalingsrechten in het kader van de basisbetalingsregeling op nationaal of regionaal niveau om de in artikel 30, lid 7, eerste alinea, onder a) en b), van deze verordening bedoelde gevallen te dekken;”.

7)

Aan artikel 36, lid 4, worden de volgende alinea's toegevoegd:

„Voor elke lidstaat kan het volgens de eerste alinea van dit lid berekende bedrag worden verhoogd met maximum 3 % van het in bijlage II vermelde toepasselijke jaarlijkse nationale maximum, na aftrek van het bedrag dat resulteert uit de toepassing van artikel 47, lid 1, voor het betreffende jaar. Indien een lidstaat deze verhoging toepast, houdt de Commissie met deze verhoging rekening bij het vaststellen van het jaarlijkse nationale maximum voor de regeling inzake een enkele areaalbetaling overeenkomstig de eerste alinea van dit lid. Daartoe stellen de lidstaten de Commissie uiterlijk op 31 januari 2018 in kennis van de jaarlijkse percentages waarmee het volgens lid 1 van dit artikel berekende bedrag vanaf 2018 elk kalenderjaar moet worden verhoogd.

De lidstaten kunnen hun in de tweede alinea van dit lid bedoelde besluit jaarlijks herzien en stellen de Commissie uiterlijk op 1 augustus van het jaar voorafgaand aan de toepassing daarvan in kennis van de op die herziening gebaseerde besluiten.”.

8)

Artikel 44 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   Onverminderd het vereiste aantal gewassen uit hoofde van lid 1, zijn de daarin vastgestelde bovengrenzen niet van toepassing op bedrijven indien grassen of andere kruidachtige voedergewassen of braakliggend land, dan wel land dat een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beteeld met gewassen die onder water staan, meer dan 75 % van het bouwland bestrijken. In dat geval bestrijkt het hoofdgewas op het overblijvende akkerbouwareaal niet meer dan 75 % van dat overblijvende bouwland, uitgezonderd indien dit overblijvende areaal met grassen of andere kruidachtige voedergewassen is begroeid of braak ligt.”;

b)

in lid 3 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)

waar meer dan 75 % van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of voor de teelt van vlinderbloemige gewassen, braak ligt, of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt;

b)

waar meer dan 75 % van het subsidiabele landbouwareaal blijvend grasland is, wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beteeld met gewassen die onder water staan, of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt;”;

c)

in lid 4 wordt de tweede alinea vervangen door:

„Winter- en zomergewassen worden als afzonderlijke gewassen beschouwd, ook al behoren zij tot hetzelfde geslacht. Triticum spelta wordt als afzonderlijk gewas beschouwd ten opzichte van gewassen die tot hetzelfde geslacht behoren.”.

9)

Artikel 46 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de eerste alinea vervangen door:

„1.   Indien het bouwland van een bedrijf meer dan 15 hectare beslaat, zorgen de landbouwers ervoor dat vanaf 1 januari 2015 een areaal dat ten minste 5 % vertegenwoordigt van het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven en, voor zover die gebieden als ecologisch aandachtsgebied worden beschouwd door de lidstaat overeenkomstig lid 2 van dit artikel, waaronder de onder c), d), g), h), k) en l) van dat lid bedoelde gebieden, ecologisch aandachtsgebied is.”

b)

lid 2 wordt als volgt gewijzigd:

i)

aan de eerste alinea worden de volgende punten toegevoegd:

„k)

arealen met Miscanthus;

l)

arealen met Silphium perfoliatum;

m)

braakland met drachtplanten (bestaande uit soorten die veel pollen en nectar bevatten).”;

ii)

de tweede alinea wordt vervangen door:

„Met uitzondering van de in de eerste alinea, onder g), h), k) en l), van dit lid genoemde gebieden van het bedrijf bevindt het ecologisch aandachtsgebied zich op het bouwland van het bedrijf. In het geval van de in de eerste alinea, onder c) en d), van dit lid bedoelde gebieden, kan het ecologisch aandachtsgebied ook grenzen aan het bouwland van het bedrijf dat de landbouwer overeenkomstig artikel 72, lid 1, eerste alinea, onder a), van Verordening (EU) nr. 1306/2013 heeft aangegeven.”;

c)

in lid 4 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)

waar meer dan 75 % van het bouwland wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen, braak ligt, wordt gebruikt voor de teelt van vlinderbloemige gewassen, of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt;

b)

waar meer dan 75 % van het subsidiabele landbouwareaal blijvend grasland is, wordt gebruikt voor de productie van grassen of andere kruidachtige voedergewassen of gedurende een aanzienlijk deel van het jaar of een aanzienlijk deel van de gewascyclus wordt beteeld met gewassen die onder water staan, of voor een combinatie daarvan wordt gebruikt.”.

10)

Artikel 50 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   De betaling voor jonge landbouwers wordt per landbouwer gedurende een periode van vijf jaar toegekend, te rekenen vanaf de eerste indiening van de aanvraag van de betaling voor jonge landbouwers, voor zover die indiening plaatsvindt binnen een periode van vijf jaar na de oprichting als bedoeld in lid 2, onder a). Die periode van vijf jaar geldt ook voor landbouwers die een betaling voor jonge landbouwers hebben ontvangen met betrekking tot aanvragen voorafgaand aan het aanvraagjaar 2018.

In afwijking van de eerste alinea, tweede zin, kunnen de lidstaten besluiten dat voor jonge landbouwers die overeenkomstig lid 2, onder a), een landbouwbedrijf hebben opgericht in de periode 2010-2013, de periode van vijf jaar moet worden verminderd met het aantal jaren dat is verstreken tussen de in lid 2, onder a), bedoelde oprichting en de eerste indiening van de aanvraag van de betaling voor jonge landbouwers.”;

b)

in lid 6 worden de punten a) en b) vervangen door:

„a)

tussen de 25 % en 50 % van de gemiddelde waarde van de betalingsrechten, in eigendom of gehuurd, waarover de landbouwer beschikt; of

b)

tussen de 25 % en 50 % van een bedrag dat wordt berekend door een vast percentage van het nationale maximum voor het kalenderjaar 2019 vermeld in bijlage II, te delen door het aantal subsidiabele hectaren dat overeenkomstig artikel 33, lid 1, in 2015 is aangegeven. Dat vaste percentage komt overeen met het aandeel van het nationale maximum dat overeenkomstig artikel 22, lid 1, is overgebleven voor de basisbetalingsregeling voor 2015.”;

c)

lid 7 wordt vervangen door:

„7.   Lidstaten die artikel 36 toepassen, berekenen het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers elk jaar door een getal dat overeenstemt met een waarde tussen de 25 % en 50 % van de eenmalige areaalbetaling, berekend overeenkomstig artikel 36, te vermenigvuldigen met het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer overeenkomstig artikel 36, lid 2, heeft aangegeven.”;

d)

in lid 8 wordt de eerste alinea vervangen door:

„8.   In afwijking van de leden 6 en 7 van dit artikel kunnen de lidstaten het bedrag van de betaling voor jonge landbouwers elk jaar berekenen door een getal dat overeenstemt met een waarde tussen de 25 % en 50 % van de nationale gemiddelde betaling per hectare, te vermenigvuldigen met het aantal betalingsrechten dat de landbouwer overeenkomstig artikel 32, lid 1, heeft geactiveerd, of met het aantal subsidiabele hectaren dat de landbouwer overeenkomstig artikel 36, lid 2, heeft aangegeven.”;

e)

in lid 10 wordt de eerste alinea vervangen door:

„10.   In plaats van de leden 6 tot en met 9 toe te passen, kunnen de lidstaten een jaarlijks forfaitair bedrag per landbouwer toekennen, dat wordt berekend door een vast aantal hectaren te vermenigvuldigen met een getal dat overeenstemt met een waarde tussen de 25 % en 50 % van de nationale gemiddelde betaling per hectare, zoals vastgesteld overeenkomstig lid 8.”.

11)

Artikel 52 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 5 wordt geschrapt;

b)

lid 6 wordt vervangen door:

„6.   Gekoppelde steun is een productiebeperkingsregeling in de vorm van een jaarlijkse betaling op basis van vaste arealen en opbrengsten of een vast aantal dieren, die de financiële maxima in acht neemt welke door de lidstaten voor iedere maatregel worden bepaald en ter kennis van de Commissie worden gebracht.”;

c)

het volgende lid wordt toegevoegd:

„10.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 70 gedelegeerde handelingen vast te stellen in aanvulling op deze verordening met betrekking tot maatregelen om te vermijden dat begunstigden van vrijwillig gekoppelde steun nadeel ondervinden van structurele onevenwichtigheden op de markt in een sector. Die gedelegeerde handelingen kunnen de lidstaten toestaan te besluiten dat de betaling van dergelijke steun mag worden voortgezet tot 2020 op basis van productie-eenheden waarvoor in een eerdere referentieperiode vrijwillige gekoppelde steun is verleend.”.

12)

In artikel 53 wordt lid 6 vervangen door:

„6.   De lidstaten kunnen uiterlijk op 1 augustus van een bepaald jaar hun uit hoofde van dit hoofdstuk genomen besluit herzien en besluiten om met ingang van het volgende jaar:

a)

het uit hoofde van de leden 1, 2 en 3 vastgestelde percentage ongewijzigd te laten, te verhogen of te verlagen, in voorkomend geval met inachtneming van de daarin vastgestelde grenzen, of het uit hoofde van lid 4 vastgestelde percentage ongewijzigd te laten of te verlagen;

b)

de voorwaarden voor het verlenen van de steun te wijzigen;

c)

de verlening van de steun in het kader van dit hoofdstuk stop te zetten.

De lidstaten stellen de Commissie uiterlijk op de in de eerste alinea vermelde datum in kennis van een dergelijk besluit.”.

13)

Artikel 70 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De in artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 20, lid 6, artikel 35, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, leden 9 en 10, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, artikel 64, lid 5, artikel 67, leden 1 en 2, en artikel 73 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 1 januari 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.”;

b)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 20, lid 6, artikel 35, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, leden 9 en 10, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, artikel 64, lid 5, artikel 67, leden 1 en 2, en artikel 73 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het besluit wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   Een uit hoofde van artikel 2, artikel 4, lid 3, artikel 6, lid 3, artikel 7, lid 3, artikel 8, lid 3, artikel 9, lid 5, artikel 20, lid 6, artikel 35, artikel 36, lid 6, artikel 39, lid 3, artikel 43, lid 12, artikel 44, lid 5, artikel 45, leden 5 en 6, artikel 46, lid 9, artikel 50, lid 11, artikel 52, leden 9 en 10, artikel 57, lid 3, artikel 58, lid 5, artikel 59, lid 3, artikel 64, lid 5, artikel 67, leden 1 en 2, en artikel 73 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.”.

14)

Bijlage X wordt gewijzigd overeenkomstig bijlage II bij deze verordening.

Artikel 4

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 1308/2013

Verordening (EU) nr. 1308/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 33 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt f) vervangen door:

„f)

crisispreventie en crisisbeheersing, waaronder begeleiding van andere producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, producentengroeperingen of individuele producenten;”;

b)

de eerste alinea van lid 3 wordt als volgt gewijzigd:

i)

punten c) en d) worden vervangen door:

„c)

afzetbevordering en communicatie, waaronder acties en activiteiten die zijn gericht op diversificatie en consolidatie van de groente- en fruitmarkten, preventief of gedurende een crisisperiode;

d)

steun voor de administratieve kosten van het opzetten van onderlinge fondsen en een financiële bijdrage voor het aanvullen van onderlinge fondsen na de compensatie van aangesloten producenten wier inkomen ten gevolge van ongunstige marktomstandigheden ernstig is gedaald;”;

ii)

het volgende punt wordt toegevoegd:

„i)

begeleiding van andere producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties, producentengroeperingen of individuele producenten.”;

c)

de tweede en derde alinea van lid 5 worden vervangen door:

„De milieuacties voldoen aan de eisen inzake agromilieu- en klimaatverbintenissen of inzake verbintenissen op het vlak van biologische landbouw die in artikel 28, lid 3, en artikel 29, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn vastgesteld.

Wanneer ten minste 80 % van de bij een producentenorganisatie aangesloten producenten een of meer identieke, in artikel 28, lid 3, en artikel 29, leden 2 en 3, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 bedoelde agromilieu- en klimaatverbintenissen of verbintenissen op het vlak van biologische landbouw is aangegaan, telt elk van die verbintenissen als een milieuactie als bedoeld in punt a) van de eerste alinea van dit lid.”.

2)

In artikel 34 wordt lid 4 vervangen door:

„4.   Het in lid 1 genoemde maximum van 50 % wordt tot 100 % verhoogd in de volgende gevallen:

a)

de hoeveelheden uit de markt genomen groenten en fruit bedragen niet meer dan 5 % van het volume van de in de handel gebrachte productie van elke producentenorganisatie en worden als volgt afgezet:

i)

gratis verstrekking aan daartoe door de lidstaten erkende liefdadigheidsinstellingen of -organisaties voor hun acties ten behoeve van personen die op grond van de nationale wetgeving recht hebben op overheidsbijstand, met name omdat zij over onvoldoende middelen beschikken om in hun levensonderhoud te voorzien;

ii)

gratis verstrekking aan door de lidstaten aangewezen strafinrichtingen, scholen en openbare onderwijsinstellingen, in artikel 22 bedoelde instellingen en kindervakantiekampen, alsmede ziekenhuizen en bejaardentehuizen, waarbij de lidstaten de nodige maatregelen nemen opdat de in dit kader verstrekte hoeveelheden boven de hoeveelheden komen die deze instellingen normaal aankopen;

b)

acties in verband met de begeleiding van andere producentenorganisaties of van overeenkomstig hetzij artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007, hetzij artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 erkende producentengroeperingen, op voorwaarde dat deze organisaties of groeperingen afkomstig zijn uit regio's van de lidstaten als bedoeld in artikel 35, lid 1, van deze verordening, of van individuele producenten.”.

3)

Artikel 35 wordt vervangen door:

„Artikel 35

Nationale financiële steun

1.   In regio's van de lidstaten waar de producenten in de sector groenten en fruit in aanzienlijk mindere mate georganiseerd zijn dan het gemiddelde van de Unie, mogen de lidstaten producentenorganisaties nationale financiële steun toekennen voor een bedrag van ten hoogste 80 % van de in artikel 32, lid 1, onder a) genoemde financiële bijdragen en van ten hoogste 10 % van de waarde van de in de handel gebrachte productie van een dergelijke producentenorganisatie. Die steun komt bovenop de steun uit het actiefonds.

2.   De mate waarin producenten in een regio van een lidstaat georganiseerd zijn, wordt als aanzienlijk onder het gemiddelde van de Unie beschouwd wanneer de gemiddelde organisatiegraad minder dan 20 % is in drie opeenvolgende jaren voorafgaand aan de uitvoering van het operationele programma. De mate van organisatie wordt berekend als de waarde van de productie van groenten en fruit in de desbetreffende regio, die is afgezet door producentenorganisaties, unies van producentenorganisaties en overeenkomstig artikel 125 sexies van Verordening (EG) nr. 1234/2007 of artikel 27 van Verordening (EU) nr. 1305/2013 erkende producentengroeperingen, gedeeld door de totale waarde van de productie van groenten en fruit in die regio.

3.   De lidstaten die uit hoofde van lid 1 nationale financiële steun toekennen, stellen de Commissie in kennis van de regio's die aan de in lid 2 bedoelde criteria voldoen, en van de nationale financiële steun die aan producentenorganisaties in die regio's is toegekend.”.

4)

In artikel 37 wordt punt d), onder ii), vervangen door:

„ii)

voorwaarden in verband met artikel 33, lid 3, eerste alinea, onder a), b), c) en i);”.

5)

In artikel 38, eerste alinea, wordt punt i) vervangen door:

„i)

afzetbevordering, communicatie, opleiding en begeleiding in gevallen van crisispreventie en crisisbeheersing;”.

6)

Aan artikel 62 wordt het volgende lid toegevoegd:

„5.   Lidstaten kunnen dit hoofdstuk toepassen op oppervlakten waarop wijn wordt geproduceerd die geschikt is voor de productie van wijn-eau-de-vie met een geografische aanduiding als geregistreerd in bijlage III bij Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad (*1). Voor de toepassing van dit hoofdstuk kunnen die oppervlakten worden behandeld als oppervlakten waar wijnen met een beschermde oorsprongsbenaming of beschermde geografische aanduiding kunnen worden geproduceerd.

7)

Artikel 64 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in de tweede alinea van lid 1 wordt het volgend punt ingevoegd:

„c bis)

de aanvrager heeft geen wijnstokken aangeplant zonder de in artikel 71 van deze verordening bedoelde vergunning of zonder een in de artikelen 85 bis en 85 ter van Verordening (EG) nr. 1234/2007 bedoeld aanplantrecht;”;

b)

in lid 2 wordt de inleidende formule vervangen door:

„2.   Indien de in lid 1 bedoelde totale oppervlakte waarop de subsidiabele aanvragen in een bepaald jaar betrekking hebben, groter is dan de door de lidstaat beschikbaar gestelde oppervlakte, worden de vergunningen verhoudingsgewijs per hectare over alle aanvragers verdeeld op basis van de oppervlakte waarvoor zij de vergunning hebben aangevraagd. Bij de verlening van de vergunningen kan een minimum- en/of een maximumoppervlakte per aanvrager worden vastgesteld en zij kunnen tevens geheel of gedeeltelijk worden verleend overeenkomstig één of meer van de volgende objectieve en niet-discriminerende prioriteitscriteria:”;

c)

het volgend lid wordt ingevoegd:

„2 bis.   Indien de lidstaat besluit een of meer van de in lid 2 bedoelde criteria toe te passen, kan hij besluiten de extra voorwaarde toe te voegen dat de aanvrager een natuurlijk persoon moet zijn die niet ouder is dan 40 jaar in het jaar van de indiening van de aanvraag.”;

d)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   De lidstaten maken de in de leden 1, 2 en 2 bis bedoelde criteria die zij toepassen, bekend en stellen de Commissie onverwijld daarvan in kennis.”.

8)

Artikel 148 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   Indien de lidstaten geen gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden in lid 1 van dit artikel, kunnen producenten, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties eisen dat voor een levering van rauwe melk aan een verwerker van rauwe melk een schriftelijk contract wordt gesloten tussen de partijen en/of dat een schriftelijk voorstel voor een contract wordt gedaan door de eerste kopers, onder de in lid 4, eerste alinea, van dit artikel vastgestelde voorwaarden.

Indien de eerste koper een kleine, middelgrote of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG is, is het contract en/of het voorstel voor een contract niet verplicht, onverminderd de mogelijkheid voor de partijen om gebruik te maken van een door een brancheorganisatie opgesteld standaardcontract.”;

b)

in lid 2 wordt het inleidende gedeelte vervangen door:

„2.   Het contract en/of het voorstel voor een contract bedoeld in de leden 1 en 1 bis:”;

c)

lid 3 wordt vervangen door:

„3.   In afwijking van de leden 1 en 1 bis is een contract en/of een voorstel voor een contract niet vereist wanneer rauwe melk door een lid van een coöperatie wordt geleverd aan de coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die coöperatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van dezelfde strekking als het bepaalde in lid 2, onder a), b) en c).”;

d)

in lid 4 worden de inleidende formule en punt a) van de tweede alinea vervangen door:

„Niettegenstaande de eerste alinea geldt één of meer van de volgende mogelijkheden:

a)

indien een lidstaat besluit dat voor de levering van rauwe melk overeenkomstig lid 1 een schriftelijk contract moet worden gesloten, kan de lidstaat:

i)

een verplichting voor de partijen vaststellen om een verhouding overeen te komen tussen een bepaalde geleverde hoeveelheid en de prijs die voor die levering moet worden betaald;

ii)

een minimale looptijd vaststellen die echter alleen van toepassing is op schriftelijke contracten tussen een landbouwer en de eerste koper van rauwe melk; de aldus vastgestelde minimale looptijd bedraagt ten minste zes maanden en mag de goede werking van de interne markt niet in het gedrang brengen;”.

9)

In artikel 149 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   Een producentenorganisatie in de sector melk en zuivelproducten die krachtens artikel 161, lid 1, is erkend, kan namens haar leden uit de landbouwsector, met betrekking tot de volledige gezamenlijke productie van die leden of een gedeelte daarvan, onderhandelen over contracten voor de levering van rauwe melk door een landbouwer aan een verwerker van rauwe melk of aan een inzamelaar in de zin van artikel 148, lid 1, derde alinea.”.

10)

Artikel 152 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt punt b) vervangen door:

„b)

zijn opgericht op initiatief van de producenten zelf en ten minste een van de volgende activiteiten verrichten:

i)

gezamenlijke verwerking;

ii)

gezamenlijke distributie, waaronder gezamenlijke verkoopplatformen of gezamenlijk vervoer;

iii)

gezamenlijke verpakking, etikettering of verkoopbevordering;

iv)

gezamenlijke organisatie van kwaliteitscontrole;

v)

gezamenlijk gebruik van uitrusting of opslagfaciliteiten;

vi)

gezamenlijk beheer van afval dat rechtstreeks voortkomt uit de productie;

vii)

gezamenlijke aanschaf van productiemiddelen;

viii)

andere gezamenlijke activiteiten in verband met diensten waarbij een van de onder c) van dit lid opgesomde doelstellingen wordt nagestreefd;”;

b)

de volgende leden worden ingevoegd:

„1 bis.   In afwijking van artikel 101, lid 1, VWEU, kan een op grond van lid 1 van dit artikel erkende producentenorganisatie namens haar leden met betrekking tot de totale productie van die leden of een gedeelte daarvan, de productie plannen, de productiekosten optimaliseren, producten op de markt brengen en over contracten voor de levering van landbouwproducten onderhandelen.

De in de eerste alinea bedoelde activiteiten kunnen worden verricht:

a)

op voorwaarde dat een of meer van de activiteiten als bedoeld in lid 1, onder b), i) tot en met vii), werkelijk worden verricht, waardoor wordt bijgedragen tot de verwezenlijking van de doelstellingen van artikel 39 VWEU;

b)

op voorwaarde dat de producentenorganisatie het aanbod concentreert en de producten van zijn leden op de markt brengt, ongeacht of de eigendom van de landbouwproducten door de producenten wordt overgedragen aan de producentenorganisatie;

c)

ongeacht of de onderhandelde prijs geldt voor de gecombineerde productie van alle, dan wel een deel van de leden;

d)

op voorwaarde dat de betrokken producenten niet zijn aangesloten bij een andere producentenorganisatie wat betreft de producten waarop in de eerste alinea bedoelde activiteiten betrekking hebben;

e)

op voorwaarde dat het lidmaatschap van de landbouwer van een coöperatie die zelf geen lid is van de betrokken producentenorganisaties, geen verplichting inhoudt dat het landbouwproduct dient te worden geleverd overeenkomstig de voorwaarden die in de statuten van de coöperatie of de bij die statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten zijn neergelegd.

Lidstaten kunnen evenwel in naar behoren gemotiveerde gevallen afwijken van de in de tweede alinea, punt d), omschreven voorwaarde indien landbouwers twee verschillende productie-eenheden hebben die zich in verschillende geografische gebieden bevinden.

1 ter.   Voor de toepassing van dit artikel worden met „producentenorganisaties” tevens unies van producentenorganisaties die zijn erkend op grond van artikel 156, lid 1, bedoeld, voor zover dergelijke unies voldoen aan de vereisten van het eerste lid van dit artikel.

1 quater.   De nationale mededingingsautoriteit als bedoeld in artikel 5 van Verordening (EG) nr. 1/2003 kan in individuele gevallen besluiten dat, in de toekomst, een of meer van de in lid 1 bis, eerste alinea, bedoelde activiteiten moeten worden aangepast, stopgezet of helemaal niet mogen plaatshebben, indien zij dit noodzakelijk acht om te voorkomen dat de mededinging wordt uitgesloten of indien zij van oordeel is dat de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.

Het in de eerste alinea van dit lid bedoelde besluit wordt, met betrekking tot onderhandelingen over meer dan één lidstaat, door de Commissie genomen zonder toepassing van de in artikel 229, lid 2 of lid 3, bedoelde procedure.

Wanneer de nationale mededingingsautoriteit overeenkomstig de eerste alinea van dit lid handelt, stelt zij de Commissie vóór of onmiddellijk na het initiëren van de eerste formele maatregel van het onderzoek hiervan schriftelijk op de hoogte, en deelt zij de Commissie de besluiten mee direct nadat ze genomen zijn.

De in dit lid bedoelde besluiten worden pas van toepassing op de datum van kennisgeving van het besluit aan de betrokken ondernemingen.”;

c)

lid 3 wordt geschrapt.

11)

Artikel 154 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   De lidstaten kunnen, op verzoek, besluiten meer dan één erkenning toe te kennen aan een producentenorganisatie die in verscheidene van de in artikel 1, lid 2, bedoelde sectoren werkzaam is, op voorwaarde dat die producentenorganisatie voor elke sector waarvoor zij de erkenning vraagt, aan de in lid 1 van dit artikel bedoelde voorwaarden voldoet.”;

b)

de leden 2 en 3 worden vervangen door:

„2.   De lidstaten kunnen besluiten dat producentenorganisaties die vóór 1 januari 2018 zijn erkend en die aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel voldoen, geacht worden als producentenorganisatie erkend te zijn overeenkomstig artikel 152.

3.   De lidstaten trekken de erkenning van producentenorganisaties die zijn erkend vóór 1 januari 2018, maar die niet voldoen aan de voorwaarden van lid 1 van dit artikel, uiterlijk op 31 december 2020 in.”.

12)

Artikel 157 wordt als volgt gewijzigd:

a)

aan lid 1, punt c), worden de volgende punten toegevoegd:

„xv)

standaardclausules betreffende waardeverdeling, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, in de zin van artikel 172 bis vaststellen, waarin wordt bepaald hoe ontwikkelingen van de relevante marktprijzen van de betrokken producten of andere grondstoffenmarkten tussen hen moeten worden toegewezen;

xvi)

maatregelen uitvoeren om risico's in verband met de gezondheid van dieren, gewasbescherming en het milieu te voorkomen en te beheren.”;

b)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   De lidstaten kunnen, op verzoek, besluiten meer dan één erkenning toe te kennen aan een brancheorganisatie die in verscheidene van de in artikel 1, lid 2, bedoelde sectoren werkzaam is, op voorwaarde dat die brancheorganisatie voor elke sector waarvoor zij de erkenning vraagt, aan de in lid 1 en, in voorkomend geval, lid 3 bedoelde voorwaarden voldoet.”;

c)

aan lid 3, punt c), worden de volgende punten toegevoegd:

„xii)

standaardclausules betreffende waardeverdeling, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, in de zin van artikel 172 bis vaststellen, waarin wordt bepaald hoe ontwikkelingen van de relevante marktprijzen van de betrokken producten of andere grondstoffenmarkten tussen hen moeten worden toegewezen;

xiii)

maatregelen uitvoeren om risico's in verband met de gezondheid van dieren, gewasbescherming en het milieu te voorkomen en te beheren.”.

13)

In artikel 159 wordt de titel vervangen door:

(niet van toepassing op de Nederlandse versie).

14)

Artikel 161 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 worden de inleidende formule en punt a) vervangen door:

„1.   De lidstaten erkennen op verzoek als producentenorganisatie in de sector melk en zuivelproducten alle rechtspersonen of duidelijk omschreven onderdelen van die rechtspersonen, op voorwaarde dat:

a)

zij bestaan uit producenten in de sector melk en zuivelproducten en op hun initiatief zijn opgericht en zij een specifieke doelstelling nastreven, die kan bestaan uit een of meer van de volgende doelen:

i)

verzekeren dat de productie wordt gepland en op de vraag wordt afgestemd, met name wat omvang en kwaliteit betreft;

ii)

het aanbod en het op de markt brengen van de producten van hun leden concentreren;

iii)

de productiekosten optimaliseren en de producentenprijzen stabiliseren;”;

b)

lid 2 wordt vervangen door:

„2.   De lidstaten kunnen besluiten dat producentenorganisaties die krachtens nationaal recht vóór 2 april 2012 zijn erkend en die de in lid 1 bepaalde voorwaarden vervullen, als erkende producentenorganisatie dienen te worden beschouwd.”.

15)

Artikel 168 wordt als volgt gewijzigd:

a)

het volgende lid wordt ingevoegd:

„1 bis.   Indien de lidstaten geen gebruikmaken van de mogelijkheden die worden geboden in lid 1 van dit artikel, kan een producent, een producentenorganisatie of een unie van producentenorganisaties, inzake landbouwproducten afkomstig van een in artikel 1, lid 2, bedoelde andere sector dan melk en zuivelproducten en suiker, eisen dat voor een levering van zijn producten aan een verwerker of een distributeur een schriftelijk contract wordt gesloten tussen de partijen en/of dat een schriftelijk voorstel voor een contract wordt gedaan door de eerste kopers, onder de in lid 4 en lid 6, eerste alinea, van dit artikel vastgestelde voorwaarden.

Indien de eerste koper een kleine, middelgrote of micro-onderneming in de zin van Aanbeveling 2003/361/EG is, is het contract en/of het voorstel voor een contract niet verplicht, onverminderd de mogelijkheid voor de partijen om gebruik te maken van een door een brancheorganisatie opgesteld standaardcontract.”;

b)

in lid 4 wordt het inleidende gedeelte vervangen door:

„4.   Alle in de leden 1 en 1 bis bedoelde contracten of voorstellen voor contracten:”;

c)

lid 5 wordt vervangen door:

„5.   In afwijking van de leden 1 en 1 bis is een contract of een voorstel voor een contract niet vereist wanneer de betrokken producten door een lid van een coöperatie worden geleverd aan de coöperatie waarbij dat lid is aangesloten, op voorwaarde dat in de statuten van die coöperatie of in de bij deze statuten vastgestelde of daaruit voortvloeiende voorschriften en besluiten bepalingen zijn opgenomen van vergelijkbare strekking als het bepaalde in lid 4, onder a), b) en c).”.

16)

De artikelen 169, 170 en 171 worden geschrapt.

17)

De volgende afdeling wordt ingevoegd:

„Afdeling 5 bis

Clausules betreffende waardeverdeling

Artikel 172 bis

Waardeverdeling

Onverminderd eventuele specifieke clausules betreffende waardeverdeling in de suikersector, kunnen landbouwers, met inbegrip van landbouworganisaties, en hun eerste koper clausules betreffende waardeverdeling, waaronder op de markt gegenereerde winsten en verliezen, overeenkomen waarin wordt bepaald hoe ontwikkelingen van de relevante marktprijzen van de betrokken producten of andere grondstoffenmarkten tussen hen moeten worden toegewezen.”.

18)

Artikel 184, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De tariefcontingenten voor de invoer van voor het vrije verkeer in de Unie of een deel daarvan bestemde landbouwproducten en de gedeeltelijk of geheel door de Unie te beheren tariefcontingenten voor de invoer van uit de Unie afkomstige landbouwproducten in derde landen, die voortvloeien uit overeenkomstig het VWEU gesloten internationale overeenkomsten of uit enige andere, op grond van artikel 43, lid 2, of artikel 207 VWEU vastgestelde handeling, worden door de Commissie geopend en/of beheerd door middel van gedelegeerde handelingen op grond van artikel 186 van deze verordening en uitvoeringshandelingen op grond van artikel 187 van deze verordening.”.

19)

Artikel 188 wordt vervangen door:

„Artikel 188

Toewijzing van tariefcontingenten

1.   De Commissie maakt de resultaten van de toewijzing van de tariefcontingenten, naar aanleiding van de aangemelde aanvragen en rekening houdend met de beschikbare tariefcontingenten en de aangemelde aanvragen, openbaar via een passende webpublicatie.

2.   Bij de in lid 1 bedoelde openbaarmaking wordt, in voorkomend geval, ook vermeld of in behandeling zijnde aanvragen moesten worden afgewezen, de indiening van aanvragen moest worden opgeschort of ongebruikte hoeveelheden moesten worden verdeeld.

3.   De lidstaten verlenen invoer- en uitvoercertificaten voor de in het kader van de tariefcontingenten voor invoer en uitvoer aangevraagde hoeveelheden, afhankelijk van de respectieve toewijzingscoëfficiënten en nadat deze door de Commissie overeenkomstig lid 1 openbaar zijn gemaakt.”.

20)

Artikel 209 wordt als volgt gewijzigd:

a)

lid 1, tweede alinea, wordt vervangen door:

„Artikel 101, lid 1, VWEU is niet van toepassing op de overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, krachtens artikel 152 of artikel 161 van deze verordening erkende producentenorganisaties of krachtens artikel 156 van deze verordening erkende unies van producentenorganisaties, voor zover deze betrekking hebben op de productie of de verkoop van landbouwproducten of het gebruik van gemeenschappelijke installaties voor het opslaan, behandelen of verwerken van landbouwproducten, tenzij de doelstellingen van artikel 39 VWEU in gevaar worden gebracht.”;

b)

in lid 2 worden de volgende alinea's ingevoegd na de eerste alinea:

„Landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, krachtens artikel 152 of artikel 161 van deze verordening erkende producentenorganisaties of krachtens artikel 156 van deze verordening erkende unies van producentenorganisaties, kunnen de Commissie evenwel om advies vragen over de verenigbaarheid van die overeenkomsten, besluiten en onderling afgestemde feitelijke gedragingen met de doelstellingen van artikel 39 VWEU.

De Commissie behandelt verzoeken om advies onverwijld en zij stuurt de aanvrager binnen vier maanden na ontvangst van een volledig verzoek haar advies toe. De Commissie kan, op eigen initiatief of op verzoek van een lidstaat, de inhoud van een advies wijzigen, met name wanneer de aanvrager onjuiste gegevens heeft verstrekt of misbruik heeft gemaakt van het advies.”.

21)

Artikel 222 wordt als volgt gewijzigd:

a)

in lid 1 wordt de inleidende formule vervangen door:

„1.   Gedurende perioden van ernstige marktverstoring kan de Commissie uitvoeringshandelingen vaststellen om ervoor te zorgen dat artikel 101, lid 1, VWEU niet van toepassing is op overeenkomsten en besluiten van landbouwers, verenigingen van landbouwers of unies van deze verenigingen, of erkende producentenorganisaties, unies van erkende producentenorganisaties en erkende brancheorganisaties in de in artikel 1, lid 2, van deze verordening bedoelde sectoren, voor zover deze overeenkomsten en besluiten de goede werking van de interne markt niet ondermijnen, uitsluitend tot doel hebben de betrokken sector te stabiliseren en onder een of meer van de volgende categorieën vallen:”;

b)

lid 2 wordt geschrapt.

22)

In artikel 232 wordt lid 2 geschrapt.

23)

De bijlagen VII en VIII worden gewijzigd overeenkomstig bijlage III bij deze verordening.

Artikel 5

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 652/2014

Verordening (EU) nr. 652/2014 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 4 wordt het volgend lid toegevoegd:

„4.   Bij de goedkeuring van meerjarige acties kunnen de vastleggingen in de begroting in jaartranches worden verdeeld. Wanneer vastleggingen in de begroting op die manier worden verdeeld, legt de Commissie de jaartranches vast, rekening houdend met de voortgang van de acties, de geraamde behoeften en de beschikbare middelen.”.

2)

In artikel 13 wordt lid 5 geschrapt.

3)

In artikel 22 wordt lid 5 geschrapt.

4)

In artikel 27 wordt lid 5 geschrapt.

Artikel 6

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2018.

Niettemin geldt het volgende:

a)

artikel 3, punt 11, onder a) en b), is van toepassing met ingang van 1 januari 2015;

b)

artikel 1, punt 23, onder b), is van toepassing met ingang van 1 januari 2016, en

c)

artikel 4, punt 3, is van toepassing met ingang van 1 januari 2019.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 13 december 2017.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

A. TAJANI

Voor de Raad

De voorzitter

M. MAASIKAS


(1)  PB C 91 van 23.3.2017, blz. 1.

(2)  PB C 75 van 10.3.2017, blz. 63.

(3)  PB C 306 van 15.9.2017, blz. 64.

(4)  Standpunt van het Europees Parlement van 12 december 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 12 december 2017.

(5)  Verordening (EU) nr. 1305/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling uit het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo) en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1698/2005 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 487).

(6)  Verordening (EU) nr. 1306/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 inzake de financiering, het beheer en de monitoring van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordeningen (EEG) nr. 352/78, (EG) nr. 165/94, (EG) nr. 2799/98, (EG) nr. 814/2000, (EG) nr. 1290/2005 en (EG) nr. 485/2008 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 549).

(7)  Verordening (EU) nr. 1303/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 houdende gemeenschappelijke bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds, het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en algemene bepalingen inzake het Europees Fonds voor regionale ontwikkeling, het Europees Sociaal Fonds, het Cohesiefonds en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 1083/2006 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 320).

(8)  Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van voorschriften voor rechtstreekse betalingen aan landbouwers in het kader van de steunregelingen van het gemeenschappelijk landbouwbeleid en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 637/2008 van de Raad en Verordening (EG) nr. 73/2009 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 608).

(9)  Uitvoeringsverordening (EU) 2015/1089 van de Commissie van 6 juli 2015 tot vaststelling van begrotingsmaxima voor 2015 voor bepaalde regelingen inzake rechtstreekse steunverlening die zijn ingesteld bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 van het Europees Parlement en de Raad, en tot vaststelling van het aandeel voor de speciale reserve voor mijnenruimen in Kroatië (PB L 176 van 7.7.2015, blz. 29).

(10)  Verordening (EU) nr. 1308/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 17 december 2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten en tot intrekking van de Verordeningen (EEG) nr. 922/72, (EEG) nr. 234/79, (EG) nr. 1037/2001 en (EG) nr. 1234/2007 van de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 671).

(11)  Verordening (EG) nr. 1301/2006 van de Commissie van 31 augustus 2006 houdende gemeenschappelijke voorschriften voor het beheer van door middel van een stelsel van invoercertificaten beheerde invoertariefcontingenten voor landbouwproducten (PB L 238 van 1.9.2006, blz. 13).

(12)  Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad (PB L 189 van 27.6.2014, blz. 1).

(*1)  Verordening (EG) nr. 110/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 15 januari 2008 betreffende de definitie, de aanduiding, de presentatie, de etikettering en de bescherming van geografische aanduidingen van gedistilleerde dranken en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1576/89 van de Raad (PB L 39 van 13.2.2008, blz. 16).”.


BIJLAGE I

Bijlage II bij Verordening (EU) nr. 1305/2013 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De tekst met betrekking tot artikel 17, lid 3, Aard van de steun: Investeringen in materiële activa, Landbouwsector, Maximumbedrag in euro of percentage: 40 %, vierde kolom, inleidende formule tot en met het eerste streepje, wordt vervangen door:

„Van het bedrag aan subsidiabele investeringen in andere regio's

Op voorwaarde dat de som van de steunpercentages niet meer dan 90 % bedraagt, mogen de bovenstaande percentages met een extra 20 procentpunten worden verhoogd voor:

jonge landbouwers tot uiterlijk vijf jaar na de datum van vestiging als omschreven in het programma voor plattelandsontwikkeling of tot de handelingen als omschreven in het in artikel 19, lid 4, bedoelde bedrijfsplan zijn voltooid;”.

2)

De tekst met betrekking tot artikel 17, lid 3, Aard van de steun: Investeringen in materiële activa, De verwerking en de afzet van producten vermeld in bijlage I bij het VWEU, Maximumbedrag in euro of percentage: 40 %, vierde kolom, wordt vervangen door:

„Van het bedrag aan subsidiabele investeringen in andere regio's

Op voorwaarde dat de som van de steunpercentages niet meer dan 90 % bedraagt, mogen de bovenstaande percentages met een extra 20 procentpunten worden verhoogd voor in het kader van het EIP gesteunde concrete acties, voor collectieve investeringen en geïntegreerde projecten, of acties in verband met een fusie van producentenorganisaties”.

3)

De rijen met betrekking tot artikel 37, lid 5, artikel 38, lid 5 en artikel 39, lid 5 worden vervangen door:

„artikel 37, lid 5

Oogst-, dier- en plantverzekering

70 %

van de verschuldigde verzekeringspremie

artikel 38, lid 5

Onderlinge fondsen voor ongunstige weersomstandigheden, dier- en plantenziekten, plagen en milieuongevallen

70 %

van de subsidiabele kosten

Artikel 39, lid 5

Inkomensstabiliseringsinstrument

70 %

van de subsidiabele kosten”


BIJLAGE II

In bijlage X bij Verordening (EU) nr. 1307/2013 wordt de tabel „Omzettings- en wegingsfactoren als bedoeld in artikel 46, lid 3” als volgt gewijzigd:

1)

De rij „Areaal met hakhout met korte omlooptijd” wordt vervangen door:

„Arealen met hakhout met korte omlooptijd (per 1 m2)

n.v.t.

0,5

0,5 m2

2)

De rij „Arealen met stikstofbindende gewassen” wordt vervangen door:

„Arealen met stikstofbindende gewassen (per 1 m2)

n.v.t.

1

1 m2

3)

De volgende rijen worden toegevoegd:

„Arealen met Miscanthus

n.v.t.

0,7

0,7 m2

Arealen met Silphium perfoliatum

n.v.t.

0,7

0,7 m2

Braakland met drachtplanten (bestaande uit soorten die veel pollen en nectar bevatten)

n.v.t.

1,5

1,5 m2


BIJLAGE III

Bijlagen VII en VIII bij Verordening (EU) nr. 1308/2013 worden als volgt gewijzigd:

1)

Bijlage VII, deel II, punt 1), onder c), tweede streepje, wordt vervangen door:

„—

kan de bovengrens van het totale alcoholvolumegehalte tot meer dan 15 % vol worden verhoogd voor wijn met een beschermde oorsprongsbenaming die is verkregen zonder verrijking, of uitsluitend verrijkt door de in bijlage VIII, deel I, afdeling B, punt 1, genoemde procedés van gedeeltelijke concentratie, mits het productdossier in het technisch dossier van de betrokken beschermde oorsprongsbenaming die mogelijkheid bevat;”.

2)

Bijlage VIII, deel I, afdeling A, punt 3, wordt vervangen door:

„3.

In de jaren waarin de weersomstandigheden uitzonderlijk ongunstig zijn geweest, kunnen de lidstaten de in punt 2 genoemde maxima bij wijze van uitzondering voor de betrokken regio's met 0,5 % verhogen. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van dergelijke verhogingen.”.


Verklaringen van de Commissie

Ad artikel 1 — Plattelandsontwikkeling

—   Verlenging van de looptijd van plattelandsontwikkelingsprogramma's

Uitgaven voor de overeenkomstig artikel 10, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1305/2013 goedgekeurde plattelandsontwikkelingsprogramma's in de periode 2014 2020 blijven in aanmerking komen voor ELFPO-bijdragen indien zij uiterlijk op 31 december 2023 aan de begunstigden worden betaald. De Commissie zal zich in het kader van haar voorstel voor het volgende MFK buigen over de voortzetting van de steun voor plattelandsontwikkeling na 2020.

—   Risicobeheer

De Commissie bevestigt haar voornemen om de werking en efficiëntie van de instrumenten voor risicobeheer die momenteel in Verordening (EU) nr. 1305/2013 zijn opgenomen, te evalueren in het kader van haar voorstel voor de modernisering en vereenvoudiging van het gemeenschappelijk landbouwbeleid.

—   Sancties voor Leader

De Commissie bevestigt haar voornemen om de doeltreffendheid en evenredigheid van de in Uitvoeringsverordening (EU) nr. 809/2014 van de Commissie opgenomen sancties voor Leader te evalueren.

Ad artikel 2 — Horizontale verordening

—   Crisisreserve

De Commissie bevestigt dat de werking van de reserve voor crisissituaties in de landbouwsector en de terugbetaling van kredieten in verband met de financiële discipline als bedoeld in artikel 25 en artikel 26, lid 5, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 in het kader van de voorbereidingen voor het volgende MFK zullen worden herzien om een efficiënte en tijdige interventie in tijden van marktcrisis mogelijk te maken.

—   Eén enkele audit

De Commissie steunt de single audit-benadering, zoals wordt bevestigd in haar voorstel voor artikel 123 van het nieuwe Financieel Reglement. De Commissie bevestigt ook dat het huidige wettelijke kader voor het beheer en de controle van de landbouwuitgaven, dat is vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1306/2013, reeds een dergelijke aanpak mogelijk maakt en dat dit is opgenomen in haar auditstrategie voor de periode 2014 2020. Met name wanneer het advies van de overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 1306/2013 uitgebrachte certificeringsinstantie betrouwbaar wordt geacht, houdt de Commissie rekening met dit advies wanneer zij de noodzaak van audits van het betrokken betaalorgaan beoordeelt.

Ad artikel 3 — Rechtstreekse betalingen

—   Eiwitplan

De Commissie bevestigt haar voornemen om de vraag- en aanbodsituatie voor plantaardige eiwitten in de EU te herzien en de mogelijkheid te overwegen om een „Europese strategie voor plantaardige eiwitten” te ontwikkelen om de productie van plantaardige eiwitten in de EU op een economisch en ecologisch verantwoorde wijze verder te stimuleren.

Ad artikel 4 — GMO

—   Vrijwillige regeling ter vermindering van de productie

De Commissie bevestigt dat de artikelen 219 en 221 van Verordening (EU) nr. 1308/2013 tot vaststelling van een gemeenschappelijke ordening van de markten voor landbouwproducten reeds voorzien in de noodzakelijke rechtsgrondslag op basis waarvan de Commissie, onder voorbehoud van de beschikbaarheid van begrotingsmiddelen, marktverstoringen en andere specifieke problemen kan aanpakken, ook op regionaal niveau, met de mogelijkheid om rechtstreekse financiële bijstand aan landbouwers te verlenen. Voorts zal het Commissievoorstel waarbij een sectorspecifiek inkomensstabiliseringsinstrument wordt toegevoegd aan Verordening (EU) nr. 1305/2013 inzake steun voor plattelandsontwikkeling, de lidstaten in staat stellen om in het kader van hun programma's voor plattelandsontwikkeling landbouwers uit een specifieke sector te compenseren bij aanzienlijk inkomensverlies.

Verder bevestigt de Commissie dat zij op grond van artikel 219 van het Verdrag in geval van marktverstoring of dreigende marktverstoring regelingen kan invoeren op grond waarvan EU-steun wordt verleend aan producenten die zich ertoe verbinden hun productie op vrijwillige basis te verminderen, met inbegrip van de nodige bijzonderheden voor de toepassing van een dergelijke regeling (voorbeeld: Gedelegeerde Verordening (EU) nr. 2016/1612 van de Commissie, PB L 242 van 9.9.2016, blz. 4).

—   Erkenning van transnationale IBO's

De Commissie herinnert eraan dat de regels inzake producentencoöperatie voor de erkenning van transnationale producentenorganisaties, transnationale unies van producentenorganisaties of transnationale brancheorganisaties, met inbegrip van de noodzakelijke administratieve samenwerking tussen de betrokken lidstaten, momenteel zijn vastgesteld in gedelegeerde Verordening (EU) 2016/232 van de Commissie. De werking en de toereikendheid van deze regels zullen worden geëvalueerd in het kader van het lopende proces voor de modernisering en vereenvoudiging van het GLB.

—   Oneerlijke handelspraktijken

De Commissie bevestigt dat zij een initiatief heeft gelanceerd voor de voedselvoorzieningsketen, dat nu de verschillende fasen doorloopt die de richtsnoeren voor betere regelgeving voorschrijven. Zij zal een besluit nemen over een eventueel wetgevingsvoorstel zodra deze procedure is afgerond, zo mogelijk in de eerste helft van 2018.

—   Samenwerking tussen producenten

De Commissie neemt nota van het akkoord tussen het Parlement en de Raad over de amendementen op de artikelen 152, 209, 222 en 232. De Commissie merkt op dat de door het Parlement en de Raad goedgekeurde amendementen van substantiële aard zijn en zijn opgenomen zonder effectbeoordeling, zoals echter is voorgeschreven in punt 15 van het interinstitutioneel akkoord „Beter wetgeven”. Dit leidt tot een ongewenste mate van juridische en procedurele onzekerheid waarvan de gevolgen en implicaties niet bekend zijn.

Aangezien de wijzigingen in het oorspronkelijke voorstel van de Commissie samen tot een ingrijpende wijziging van het rechtskader leiden, stelt de Commissie met bezorgdheid vast dat sommige van de nieuwe bepalingen ten gunste van producentenorganisaties tot gevolg kunnen hebben dat de levensvatbaarheid en het welzijn van kleine landbouwbedrijven en het belang van de consumenten in gevaar worden gebracht. De Commissie bevestigt haar toezegging dat zij een daadwerkelijke mededinging in de landbouwsector zal handhaven en dat zij de doelstellingen van het GLB, zoals vastgelegd in artikel 39 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, volledig zal verwezenlijken. In dit verband merkt de Commissie op dat de door de medewetgevers overeengekomen amendementen slechts een zeer beperkte rol voor zowel de Commissie als de nationale mededingingsautoriteiten voorzien om op te treden met het oog op de instandhouding van een daadwerkelijke mededinging.

Het algemene akkoord van de Commissie over het „Omnibus” -voorstel, met inbegrip van de door het Parlement en de Raad overeengekomen amendementen, loopt niet vooruit op eventuele toekomstige voorstellen van de Commissie op deze gebieden in het kader van de hervorming van het gemeenschappelijk landbouwbeleid voor de periode na 2020 en andere initiatieven die specifiek bedoeld zijn om een aantal van de kwesties aan te pakken die in de thans door het Europees Parlement en de Raad goedgekeurde tekst aan de orde worden gesteld.

De Commissie betreurt het dat de kwestie van de zeer beperkte rol van zowel de Commissie als de nationale mededingingsautoriteiten bij het nemen van maatregelen om een daadwerkelijke mededinging in stand te houden, door de medewetgevers niet op bevredigende wijze is aangepakt, en spreekt haar bezorgdheid uit over de mogelijke gevolgen van deze beperking voor landbouwers en consumenten. De Commissie merkt op dat de wetstekst moet worden geïnterpreteerd in overeenstemming met het Verdrag, met name wat betreft de mogelijkheid voor de Commissie en de nationale mededingingsautoriteiten om op te treden wanneer een producentenorganisatie, die een groot deel van de markt bestrijkt, de handelingsvrijheid van haar leden tracht te beperken. De Commissie betreurt het dat deze mogelijkheid in de wetstekst niet duidelijk wordt gewaarborgd.


Top