Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32017L1852

Richtlijn (EU) 2017/1852 van de Raad van 10 oktober 2017 betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie

OJ L 265, 14.10.2017, p. 1–14 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2017/1852/oj

14.10.2017   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 265/1


RICHTLIJN (EU) 2017/1852 VAN DE RAAD

van 10 oktober 2017

betreffende mechanismen ter beslechting van belastinggeschillen in de Europese Unie

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 115,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Parlement (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Handelend volgens een bijzondere wetgevingsprocedure,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Situaties waarin verschillende lidstaten de bepalingen van bilaterale belastingovereenkomsten en -verdragen of het Verdrag ter afschaffing van dubbele belasting in geval van winstcorrecties tussen verbonden ondernemingen (90/436/EEG) (3) („het arbitrageverdrag van de Unie”) op een verschillende wijze uitleggen of toepassen, kunnen ernstige fiscale belemmeringen vormen voor ondernemingen die over de grenzen heen actief zijn. Dergelijke belemmeringen leiden tot een buitensporige belastingdruk op ondernemingen en er is een reëel risico dat zij economische verstoringen en inefficiënties veroorzaken en negatieve gevolgen hebben voor grensoverschrijdende investeringen en de groei.

(2)

Om die reden is het noodzakelijk dat er in de Unie mechanismen zijn die zorgen voor de doeltreffende beslechting van geschillen betreffende de uitleg en de toepassing van dergelijke bilaterale belastingverdragen en van het arbitrageverdrag van de Unie, en met name van geschillen die tot dubbele belasting leiden.

(3)

De mechanismen waarin bilaterale belastingverdragen en het arbitrageverdrag van de Unie momenteel voorzien, leiden mogelijk niet in alle gevallen tot een doeltreffende beslechting van dergelijke geschillen binnen een redelijke termijn. De monitoring die in het kader van de tenuitvoerlegging van het arbitrageverdrag van de Unie heeft plaatsgevonden, heeft een aantal belangrijke tekortkomingen aan het licht gebracht, met name wat de toegang tot de procedure en wat de duur en de effectieve sluiting van de procedure betreft.

(4)

Om tot een eerlijker belastingklimaat te komen, moeten de transparantieregels worden verbeterd en de maatregelen ter bestrijding van belastingontwijking worden versterkt. Tegelijkertijd is het in de geest van een eerlijk belastingstelsel noodzakelijk dat ervoor wordt gezorgd dat geschilbeslechtingsmechanismen alomvattend, effectief en duurzaam zijn. In de mechanismen ter beslechting van geschillen moeten ook verbeteringen worden aangebracht om in te spelen op het risico dat er alsmaar meer geschillen over dubbele of meervoudige belasting zullen rijzen, waarmee mogelijk grote bedragen zijn gemoeid, omdat belastingdiensten regelmatiger en doelgerichter controles uitvoeren.

(5)

Om eerlijke en efficiënte belastingstelsels in de Unie tot stand te brengen, is het van essentieel belang dat er een doeltreffend en efficiënt kader voor de beslechting van belastinggeschillen wordt ingevoerd dat voor rechtszekerheid en een bedrijfsvriendelijk klimaat voor investeringen zorgt. De mechanismen ter beslechting van geschillen moeten ook een geharmoniseerd en transparant kader voor de regeling van geschillen bieden en aldus voordelen voor alle belastingplichtigen opleveren.

(6)

De beslechting van geschillen moet gelden voor een verschillende uitleg en verschillende toepassingen van bilaterale belastingverdragen en van het arbitrageverdrag van de Unie, met name voor een verschillende uitleg en verschillende toepassingen die tot dubbele belasting leiden. Dit moet worden verwezenlijkt aan de hand van een procedure waarbij de zaak in een eerste fase aan de belastingautoriteiten van de betrokken lidstaten wordt voorgelegd met de bedoeling het geschil via een procedure voor onderling overleg te beslechten. De lidstaten moeten worden aangemoedigd om gebruik te maken van niet-bindende alternatieve vormen van geschilbeslechting, zoals bemiddeling of verzoening, tijdens de laatste fasen van de periode van de procedure voor onderling overleg. Indien binnen een bepaalde termijn geen overeenstemming wordt bereikt, moet de zaak worden behandeld in het kader van een geschilbeslechtingsprocedure. Er moet flexibiliteit worden betracht bij het kiezen van de methode voor de geschilbeslechting, hetzij door middel van ad-hocstructuren, hetzij door middel van meer permanente structuren. Geschilbeslechtingsprocedures kunnen de vorm aannemen van een raadgevende commissie, samengesteld uit zowel vertegenwoordigers van de betrokken belastingautoriteiten als vooraanstaande onafhankelijke personen, of van een commissie voor alternatieve geschilbeslechting (waarbij deze laatste voor flexibiliteit bij het kiezen van de methode voor de geschilbeslechting zorgt). Waar passend kunnen de lidstaten voorts, via een bilaterale overeenkomst, kiezen voor het gebruik van andere geschilbeslechtingsprocedures, zoals „eindbod”-arbitrage („final offer” arbitration) (ook arbitrage van „het laatste beste bod” („last best offer” arbitration) genoemd), om het geschil op een bindende manier te regelen. De belastingautoriteiten moeten een bindend eindbesluit nemen onder verwijzing naar het advies van een raadgevende commissie of van een commissie voor alternatieve geschilbeslechting.

(7)

Het verbeterde mechanisme ter beslechting van geschillen moet voortbouwen op binnen de Unie bestaande mechanismen, waaronder het arbitrageverdrag van de Unie. Het toepassingsgebied van deze richtlijn moet echter ruimer zijn dan dat van het arbitrageverdrag van de Unie, dat beperkt is tot verrekenprijsgeschillen en de toerekening van winst aan vaste inrichtingen. Deze richtlijn moet van toepassing zijn op alle belastingplichtigen die onderworpen zijn aan belastingen op inkomsten en vermogen die onder bilaterale belastingverdragen en het arbitrageverdrag van de Unie vallen. Tegelijkertijd moeten de administratieve lasten voor natuurlijke personen, micro-ondernemingen en kleine en middelgrote ondernemingen worden verlicht wanneer ze gebruikmaken van de geschilbeslechtingsprocedure. Daarnaast moet de geschilbeslechtingsfase worden versterkt. Het is meer in het bijzonder noodzakelijk om een tijdslimiet vast te stellen voor de duur van de procedures voor de beslechting van geschillen over dubbele belasting en om de voor de belastingplichtigen geldende voorwaarden van de geschilbeslechtingsprocedure vast te leggen.

(8)

Om eensluidende voorwaarden voor de uitvoering van deze richtlijn te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (4).

(9)

Deze richtlijn eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name zijn erkend in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Deze richtlijn beoogt met name te waarborgen dat het recht op een eerlijk proces en de vrijheid van ondernemerschap onverkort worden geëerbiedigd.

(10)

Daar de doelstelling van deze richtlijn, namelijk de vaststelling van een doeltreffende en efficiënte procedure om geschillen te beslechten in de context van de goede werking van de interne markt, niet in voldoende mate door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, maar wegens de omvang en de gevolgen van de maatregel beter op Unieniveau kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(11)

De Commissie dient na vijf jaar een evaluatie van de toepassing van deze richtlijn te verrichten, en de lidstaten moeten de Commissie daarbij helpen door haar passende informatie te verstrekken,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Bij deze richtlijn worden voorschriften vastgesteld met betrekking tot een mechanisme ter beslechting van geschillen tussen lidstaten welke ontstaan naar aanleiding van de uitleg en toepassing van overeenkomsten en verdragen die voorzien in de afschaffing van dubbele belasting op inkomsten en, waar van toepassing, op vermogen. De richtlijn stelt tevens de rechten en plichten van de belanghebbenden vast voor het geval dat dergelijke geschillen zich voordoen. Voor de toepassing van deze richtlijn wordt de kwestie die aanleiding geeft tot een dergelijk geschil hierna in deze richtlijn een „geschilpunt” genoemd.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze richtlijn wordt verstaan onder:

a)   „bevoegde autoriteit”: de autoriteit van een lidstaat die als zodanig door de betrokken lidstaat is aangewezen;

b)   „bevoegde rechtbank”: de rechterlijke of andere instantie van een lidstaat die als zodanig door de betrokken lidstaat is aangewezen;

c)   „dubbele belasting”: de heffing door twee of meer lidstaten van belastingen die onder een overeenkomst of verdrag als bedoeld in artikel 1 vallen, op dezelfde belastbare inkomsten of hetzelfde belastbare vermogen wanneer zulks aanleiding geeft tot i) een additionele belastingheffing, ii) een toename van de belastingverplichtingen of iii) de annulering of vermindering van verliezen die met belastbare winst kunnen worden verrekend;

d)   „belanghebbende”: elke persoon, met inbegrip van een natuurlijke persoon, die een fiscaal ingezetene is van een lidstaat en voor wiens belastingheffing het geschilpunt rechtstreekse gevolgen heeft.

2.   Tenzij de context anders vereist, hebben termen die in deze richtlijn niet worden gedefinieerd de betekenis die zij op dat ogenblik hebben uit hoofde van de betrokken overeenkomsten of verdragen als bedoeld in artikel 1, die van toepassing zijn op de datum van ontvangst van de eerste kennisgeving van de handeling die heeft geleid of zal leiden tot een geschilpunt. Bij gebreke van een definitie uit hoofde van dergelijke overeenkomsten of verdragen hebben termen die niet zijn gedefinieerd de betekenis die zij op dat moment hadden krachtens de wetgeving van de betrokken lidstaat met betrekking tot de belastingen waarop genoemde overeenkomsten of verdragen van toepassing zijn, waarbij een betekenis krachtens de toepasselijke belastingwetgeving van die lidstaat voorrang heeft op een betekenis die krachtens andere wetten van die lidstaat aan de term wordt gegeven.

Artikel 3

Klacht

1.   Elke belanghebbende heeft het recht een klacht in te dienen met betrekking tot een geschilpunt bij elk van de bevoegde autoriteiten van elk van de betrokken lidstaten, waarbij om de beslechting van het geschil wordt verzocht. De klacht moet worden ingediend binnen een termijn van drie jaar, te rekenen vanaf de ontvangst van de eerste kennisgeving van de handeling die tot het geschilpunt aanleiding geeft of zal geven, ongeacht of de belanghebbende de nationale rechtsmiddelen van de betrokken lidstaten aanwendt. De belanghebbende dient de klacht tegelijkertijd en met dezelfde gegevens bij elk van de bevoegde autoriteiten in en geeft in de klacht aan welke andere lidstaten betrokken zijn. De belanghebbende zorgt ervoor dat elke betrokken lidstaat de klacht ontvangt in ten minste één van de volgende talen:

a)

een van de officiële talen van die lidstaat in overeenstemming met nationale wetgeving, of

b)

een andere taal die deze lidstaat hiervoor aanvaardt.

2.   Elke bevoegde autoriteit bevestigt de ontvangst van de klacht binnen een termijn van twee maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht. Elke bevoegde autoriteit stelt tevens de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten binnen twee maanden na ontvangst van de klacht in kennis van die ontvangst. De bevoegde autoriteiten stellen elkaar op dat moment ook in kennis van de taal of talen waarin zij tijdens de desbetreffende procedurehandelingen willen communiceren.

3.   De klacht wordt alleen aanvaard indien de belanghebbende die de klacht indient in een eerste fase de bevoegde autoriteiten van elk van de betrokken lidstaten de volgende inlichtingen verschaft:

a)

het/de naam (namen), adres (adressen), fisca(a)le identificatienummer(s) en alle andere inlichtingen die nodig zijn voor de identificatie van de belanghebbende (belanghebbenden) die de klacht heeft (hebben) ingediend bij de bevoegde autoriteiten, en van elke andere belanghebbende;

b)

de betrokken belastingtijdvakken;

c)

nadere informatie over de relevante feiten en omstandigheden van de zaak (met inbegrip van bijzonderheden over de structuur van de transactie en over de verhouding tussen de belanghebbende en de andere partijen bij de relevante transacties, alsmede van de feiten die te goeder trouw in een wederzijds bindende overeenkomst tussen de belanghebbende en de belastingdienst zijn vastgelegd, waar van toepassing) en meer in het bijzonder de aard en de datum van de handelingen die aanleiding geven tot het geschilpunt (waaronder, in voorkomend geval, bijzonderheden over dezelfde in de andere lidstaat ontvangen inkomsten en over de opneming daarvan in de belastbare inkomsten in de andere lidstaat, en bijzonderheden over de belastingen die in verband met die inkomsten in de andere lidstaat zijn geheven of zullen worden geheven), alsmede de daarmee verband houdende bedragen in de valuta's van de betrokken lidstaten, met een afschrift van eventuele bewijsstukken;

d)

een verwijzing naar de toepasselijke nationale regels en naar de overeenkomsten of verdragen als bedoeld in artikel 1; indien meer dan één overeenkomst of verdrag van toepassing is, vermeldt de belanghebbende die de klacht indient welke overeenkomst of welk verdrag met betrekking tot het geschilpunt in kwestie wordt uitgelegd. Die overeenkomst of dat verdrag is voor de toepassing van deze richtlijn de toepasselijke overeenkomst of het toepasselijke verdrag;

e)

de volgende informatie, verstrekt door de belanghebbende die de klacht heeft ingediend bij de bevoegde autoriteiten, samen met een afschrift van eventuele bewijsstukken:

i)

een verklaring waarom de belanghebbende meent dat er sprake is van een geschilpunt;

ii)

nadere bijzonderheden over elk door de belanghebbende ingesteld beroep en elke door de belanghebbende opgestarte rechtszaak met betrekking tot de relevante transacties, en over elke rechterlijke beslissing in verband met het geschilpunt;

iii)

een toezegging van de belanghebbende dat hij zo volledig en zo snel mogelijk op alle toepasselijke verzoeken van een bevoegde autoriteit zal reageren en op verzoek van de bevoegde autoriteiten alle documentatie zal verstrekken;

iv)

in voorkomend geval, een afschrift van het definitieve besluit over de belastingaanslag — in de vorm van een definitieve belastingaanslag, een verslag van de belastingcontrole of een ander gelijkwaardig document — dat aanleiding geeft tot het geschilpunt, en een afschrift van elk ander document dat de belastingautoriteiten met betrekking tot het geschilpunt hebben verstrekt;

v)

in voorkomend geval, informatie over eventuele klachten die door de belanghebbende zijn ingediend uit hoofde van een andere procedure voor onderling overleg of uit hoofde van een andere geschilbeslechtingsprocedure, als omschreven in artikel 16, lid 5, en een uitdrukkelijke toezegging van de belanghebbende dat hij het bepaalde in artikel 16, lid 5, zal naleven;

f)

alle door de bevoegde autoriteiten gevraagde specifieke aanvullende informatie die noodzakelijk wordt geacht voor een grondig onderzoek van de zaak in kwestie.

4.   De bevoegde autoriteiten van elk van de betrokken lidstaten kunnen om de in lid 3, onder f), bedoelde informatie verzoeken binnen drie maanden, te rekenen vanaf de ontvangst van de klacht. Indien dit door de bevoegde autoriteiten nodig wordt geacht, kunnen verdere verzoeken om informatie worden gedaan tijdens de in artikel 4 bedoelde procedure voor onderling overleg. Nationale wetgeving inzake de bescherming van informatie en de bescherming van het handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of van een fabrieks- of handelswerkwijze is toepasselijk.

Een belanghebbende die een verzoek overeenkomstig lid 3, onder f), ontvangt, antwoordt binnen drie maanden na ontvangst van het verzoek. Tegelijkertijd wordt ook een afschrift van dit antwoord toegezonden aan de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten.

5.   De bevoegde autoriteiten van elk van de betrokken lidstaten nemen een besluit over de aanvaarding of afwijzing van de klacht binnen zes maanden na ontvangst van die klacht of binnen zes maanden na ontvangst van de in lid 3, onder f), bedoelde informatie, indien dat later is. De bevoegde autoriteiten stellen de belanghebbende en de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten onverwijld in kennis van hun besluit.

Een bevoegde autoriteit kan binnen zes maanden na ontvangst van een klacht, of binnen zes maanden na ontvangst van de in lid 3, onder f), bedoelde informatie, indien dat later is, besluiten het geschilpunt eenzijdig te beslechten, zonder de andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten erbij te betrekken. In dat geval stelt de betreffende bevoegde autoriteit de belanghebbende en de andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten daarvan onverwijld in kennis. Na die kennisgeving worden de procedurehandelingen uit hoofde van deze richtlijn beëindigd.

6.   Een belanghebbende die een klacht wenst in te trekken, dient gelijktijdig bij elk van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten een schriftelijke kennisgeving van intrekking in. Met die kennisgeving worden alle procedurehandelingen uit hoofde van deze richtlijn onmiddellijk beëindigd. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten die een dergelijke kennisgeving ontvangen, stellen de andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten onverwijld in kennis van die beëindiging van procedurehandelingen.

Indien een geschilpunt om welke reden dan ook ophoudt te bestaan, worden alle procedurehandelingen uit hoofde van deze richtlijn onmiddellijk beëindigd en stellen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten de belanghebbende onverwijld in kennis van deze situatie met de opgave van de algemene redenen daarvoor.

Artikel 4

Procedure voor onderling overleg

1.   Indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten een klacht aanvaarden, trachten zij binnen een termijn van twee jaar, te rekenen vanaf de laatste kennisgeving van een besluit van een van de lidstaten tot aanvaarding van de klacht, het geschilpunt in onderling overleg te beslechten.

De in de eerste alinea bedoelde termijn van twee jaar kan op verzoek van een bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat aan alle andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten met ten hoogste één jaar worden verlengd, mits de verzoekende bevoegde autoriteit dit verzoek schriftelijk motiveert.

2.   Zodra de bevoegde autoriteiten van de lidstaten binnen de in lid 1 vastgestelde termijn overeenstemming over de beslechting van het geschilpunt hebben bereikt, stelt de bevoegde autoriteit van elk van de betrokken lidstaten de belanghebbende daarvan onverwijld in kennis in de vorm van een besluit dat bindend is voor de autoriteit en afdwingbaar door de belanghebbende, mits de belanghebbende het besluit aanvaardt en, indien toepasselijk, afziet van het recht om andere rechtsmiddelen aan te wenden. Indien er reeds procedurehandelingen met betrekking tot dergelijke andere rechtsmiddelen waren begonnen, wordt het besluit enkel bindend en afdwingbaar zodra de belanghebbende ten overstaan van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten bewijzen heeft verstrekt die aantonen dat er stappen zijn gezet om deze procedurehandelingen te beëindigen. Deze bewijzen worden verstrekt uiterlijk zestig dagen nadat de belanghebbende van het bovengenoemde besluit in kennis is gesteld. Het besluit wordt vervolgens onverwijld uitgevoerd, ongeacht de termijnen waarin de nationale wetgeving van de betrokken lidstaten voorziet.

3.   Indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten binnen de in lid 1 vastgestelde termijn geen overeenstemming bereiken over de beslechting van het geschilpunt, stelt de bevoegde autoriteit van elk van de betrokken lidstaten de belanghebbende daarvan in kennis, met opgave van de algemene redenen waarom geen overeenstemming kon worden bereikt.

Artikel 5

Besluit van de bevoegde autoriteit betreffende de klacht

1.   De bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat kan binnen de in artikel 3, lid 5, vastgestelde termijn tot afwijzing van een klacht besluiten wanneer:

a)

de uit hoofde van artikel 3, lid 3, vereiste inlichtingen ontbreken (waaronder informatie waarom uit hoofde van artikel 3, lid 3, onder f), is verzocht en die niet binnen de in artikel 3, lid 4, vastgestelde termijn is ingediend);

b)

er geen sprake is van een geschilpunt, of

c)

de klacht niet binnen de in artikel 3, lid 1, bedoelde termijn van drie jaar is ingediend.

Wanneer de bevoegde autoriteit de belanghebbende daarvan overeenkomstig het bepaalde in artikel 3, lid 5, in kennis stelt, geeft zij de algemene redenen voor haar afwijzing op.

2.   Indien een bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat binnen de in artikel 3, lid 5, vastgestelde termijn geen besluit over de klacht heeft genomen, wordt de klacht geacht door die bevoegde autoriteit te zijn aanvaard.

3.   Wanneer alle bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten de klacht hebben afgewezen, heeft de belanghebbende het recht om overeenkomstig de nationale voorschriften beroep in te stellen tegen het besluit van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. De belanghebbende die dit recht van beroep uitoefent, kan geen verzoek indienen uit hoofde van artikel 6, lid 1, onder a):

a)

zolang het besluit nog in beroep wordt behandeld overeenkomstig de wetgeving van de betrokken lidstaat;

b)

wanneer het besluit tot afwijzing nog vatbaar is voor beroep in het kader van de beroepsprocedure van de betrokken lidstaten, of

c)

wanneer een besluit tot afwijzing is bevestigd in het kader van de onder a) bedoelde beroepsprocedure, maar het in een van de betrokken lidstaten niet mogelijk is af te wijken van het besluit van de betrokken rechtbank of andere gerechtelijke instanties.

Indien het recht van beroep is uitgeoefend, wordt het besluit van de betrokken rechtbank of andere gerechtelijke instantie in aanmerking genomen voor de toepassing van artikel 6, lid 1, onder a).

Artikel 6

Geschilbeslechting door de raadgevende commissie

1.   Op verzoek van de belanghebbende aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten stellen die bevoegde autoriteiten overeenkomstig artikel 8 een raadgevende commissie (een „raadgevende commissie”) in indien:

a)

de klacht van die belanghebbende op grond van artikel 5, lid 1, werd afgewezen door minstens één maar niet alle bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten, of

b)

de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten de klacht van de belanghebbende hadden aanvaard, maar binnen de in artikel 4, lid 1, vastgestelde termijn geen overeenstemming hebben kunnen bereiken over de beslechting van het geschilpunt in onderling overleg.

De belanghebbende kan een dergelijk verzoek enkel doen indien, overeenkomstig de toepasselijke nationale regels tegen de in artikel 5, lid 1, bedoelde afwijzing, geen beroep kan worden ingesteld, geen beroep aanhangig is of de belanghebbende formeel afstand heeft gedaan van zijn recht van beroep. Het verzoek bevat een verklaring in die zin.

De belanghebbende doet het verzoek om een raadgevende commissie op te richten schriftelijk, uiterlijk vijftig dagen na ontvangst van de kennisgeving op grond van artikel 3, lid 5, of artikel 4, lid 3, of uiterlijk vijftig dagen na afgifte van het besluit door de betrokken rechtbank of gerechtelijke instantie krachtens artikel 5, lid 3, naargelang het geval. De raadgevende commissie wordt uiterlijk 120 dagen na ontvangst van het verzoek ingesteld; zodra dat is gebeurd, stelt de voorzitter van deze commissie de belanghebbende daarvan onverwijld in kennis.

2.   De in het geval van lid 1, onder a), ingestelde raadgevende commissie neemt binnen zes maanden nadat zij is ingesteld een besluit over de aanvaarding van de klacht. Zij stelt de bevoegde autoriteiten in kennis van haar besluit binnen dertig dagen na de vaststelling ervan.

Indien de raadgevende commissie heeft bevestigd dat aan alle voorschriften van artikel 3 is voldaan, wordt op verzoek van een van de bevoegde autoriteiten de procedure voor onderling overleg van artikel 4 opgestart. De betrokken bevoegde autoriteit stelt de raadgevende commissie, de andere betrokken bevoegde autoriteiten en de belanghebbende van dat verzoek in kennis. De in artikel 4, lid 1, genoemde termijn begint vanaf de datum van de kennisgeving van het besluit dat de raadgevende commissie betreffende de aanvaarding van de klacht heeft genomen.

Indien geen van de bevoegde autoriteiten binnen een termijn van zestig dagen na de datum van de kennisgeving van het besluit van de raadgevende commissie heeft verzocht om de procedure voor onderling overleg op te starten, brengt de raadgevende commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, advies uit over de beslechting van het geschilpunt. In dat geval wordt, voor de toepassing van artikel 14, lid 1, de raadgevende commissie geacht te zijn ingesteld op de datum waarop de termijn van zestig dagen verstrijkt.

3.   In het geval van lid 1, eerste alinea, onder b), van dit artikel brengt de raadgevende commissie overeenkomstig artikel 14, lid 1, advies uit over de beslechting van het geschilpunt.

Artikel 7

Benoemingen door bevoegde rechtbanken of nationale benoemingsinstanties

1.   Indien een raadgevende commissie niet is ingesteld binnen de in artikel 6, lid 1, vastgestelde termijn, bepalen de lidstaten dat de belanghebbende in kwestie zich kan wenden tot een bevoegde rechtbank of een andere instantie of persoon die krachtens het nationale recht van die lidstaten bevoegd is om een dergelijke functie te vervullen (nationale benoemingsinstantie), om de raadgevende commissie in te stellen.

Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat heeft nagelaten ten minste één vooraanstaande onafhankelijke persoon en een plaatsvervanger te benoemen, kan de belanghebbende de bevoegde rechtbank of de nationale benoemingsinstantie in die lidstaat verzoeken een vooraanstaande onafhankelijke persoon en een plaatsvervanger te benoemen uit de in artikel 9 bedoelde lijst.

Indien de bevoegde autoriteiten van alle betrokken lidstaten zulks hebben nagelaten, kan de belanghebbende de bevoegde rechtbanken of de nationale benoemingsinstantie van elke lidstaat verzoeken de beide vooraanstaande onafhankelijke personen te benoemen uit de in artikel 9 bedoelde lijst. Deze vooraanstaande onafhankelijke personen benoemen overeenkomstig artikel 8, lid 3, de voorzitter door loting uit de lijst van onafhankelijke personen.

Belanghebbenden delen hun verzoek om de vooraanstaande onafhankelijke personen en hun plaatsvervangers te benoemen mee aan elk van hun respectieve woonstaten indien meer dan één belanghebbende bij de procedurehandelingen betrokken is, dan wel aan de lidstaten waarvan de bevoegde autoriteiten hebben nagelaten ten minste één vooraanstaande onafhankelijke persoon en een plaatsvervanger te benoemen indien het slechts één belanghebbende betreft.

2.   De benoeming van de onafhankelijke personen en hun plaatsvervangers in overeenstemming met lid 1 van dit artikel wordt pas aan een bevoegde rechtbank van een lidstaat of een nationale benoemingsinstantie voorgelegd na het verstrijken van de in artikel 6, lid 1, genoemde termijn van 120 dagen, en binnen een termijn van dertig dagen na het verstrijken van die termijn.

3.   De bevoegde rechtbank of de nationale benoemingsinstantie doet overeenkomstig lid 1 uitspraak en stelt de verzoeker daarvan in kennis. De door de bevoegde rechtbank te volgen procedure voor het benoemen van de onafhankelijke personen wanneer de lidstaten zulks nalaten, is dezelfde procedure als die welke uit hoofde van de nationale voorschriften bij arbitrage in civielrechtelijke en handelszaken toepasselijk is wanneer rechtbanken of nationale benoemingsinstanties arbiters benoemen omdat partijen er niet in geslaagd zijn overeenstemming ter zake te bereiken. De bevoegde rechtbank of nationale benoemingsinstantie van de lidstaat stelt de bevoegde autoriteit van die lidstaat in kennis, die op haar beurt onverwijld de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten in kennis stelt. De bevoegde autoriteit van de lidstaat die in eerste instantie heeft nagelaten de vooraanstaande onafhankelijke persoon en diens plaatsvervanger te benoemen, kan beroep aantekenen tegen het besluit van de rechtbank of nationale benoemingsinstantie in die lidstaat, op voorwaarde dat de bevoegde autoriteit hiertoe het recht heeft krachtens nationale wetgeving. In geval van een afwijzing heeft de verzoeker het recht om tegen de uitspraak van de rechtbank beroep in te stellen overeenkomstig de nationale procedurevoorschriften.

Artikel 8

De raadgevende commissie

1.   De in artikel 6 bedoelde raadgevende commissie is als volgt samengesteld:

a)

één voorzitter;

b)

één vertegenwoordiger van elke betrokken bevoegde autoriteit. Indien de bevoegde autoriteiten het erover eens zijn, kan het aantal vertegenwoordigers worden verhoogd tot twee per bevoegde autoriteit;

c)

één vooraanstaande onafhankelijke persoon die door elke bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaten wordt benoemd uit de in artikel 9 bedoelde lijst. Indien de bevoegde autoriteiten het erover eens zijn, kan het aantal benoemde personen worden verhoogd tot twee per bevoegde autoriteit.

2.   De bepalingen voor de benoeming van de vooraanstaande onafhankelijke personen worden overeengekomen tussen de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. Na de benoeming van de vooraanstaande onafhankelijke personen wordt in overeenstemming met de voor de benoeming van de onafhankelijke personen geldende bepalingen voor ieder van hen een plaatsvervanger benoemd voor gevallen waarin de onafhankelijke personen verhinderd zijn hun functie uit te oefenen.

3.   Indien er over de bepalingen voor de benoeming van vooraanstaande onafhankelijke personen geen overeenstemming is bereikt overeenkomstig lid 2, geschiedt de benoeming van die personen door loting.

4.   Tenzij de vooraanstaande onafhankelijke personen door de bevoegde rechtbank of nationale benoemingsinstantie volgens de bepalingen van artikel 7, lid 1, zijn benoemd, kan de bevoegde autoriteit van elk van de betrokken lidstaten bezwaar maken tegen de benoeming van een bepaalde vooraanstaande onafhankelijke persoon om elke vooraf tussen de betrokken bevoegde autoriteiten overeengekomen reden of om een van de volgende redenen:

a)

deze persoon behoort tot of werkt namens een van de betrokken belastingadministraties of heeft op een bepaald moment tijdens de drie voorafgaande jaren in die situatie verkeerd;

b)

deze persoon heeft een deelneming van betekenis of stemrecht in een van de belanghebbenden in kwestie — of heeft die er in de loop van de vijf jaar vóór zijn benoeming gehad — of is er werknemer of adviseur — of is dat in de loop van de vijf jaar vóór zijn benoeming geweest;

c)

deze persoon biedt onvoldoende garanties om het geschil of de geschillen objectief te behandelen;

d)

deze persoon is een werknemer van een bedrijf dat belastingadvies verleent of anderszins beroepsmatig belastingadvies verleent, of heeft in de loop van een periode van ten minste drie jaar vóór zijn benoeming in die situatie verkeerd.

5.   Een bevoegde autoriteit van een betrokken lidstaat kan eisen dat een overeenkomstig lid 2 of lid 3 benoemde vooraanstaande persoon of diens plaatsvervanger opening van zaken geeft wat betreft belangen, relaties of andere aangelegenheden die naar verwachting de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van die persoon kunnen beïnvloeden, of waarvan redelijkerwijs kan worden aangenomen dat die persoon de procedurehandelingen met vooringenomenheid zal ingaan.

Gedurende een periode van twaalf maanden nadat het besluit van de raadgevende commissie is genomen, mag een vooraanstaande onafhankelijke persoon die deel uitmaakt van de raadgevende commissie, niet in een situatie verkeren die voor een bevoegde autoriteit een aanleiding zou zijn geweest om bezwaar te maken tegen zijn benoeming, als bedoeld in dit lid, indien die persoon in die situatie had verkeerd op het moment van de benoeming voor de bewuste raadgevende commissie.

6.   De vertegenwoordigers van de bevoegde autoriteiten en de vooraanstaande onafhankelijke personen die overeenkomstig lid 1 van dit artikel zijn benoemd, kiezen een voorzitter uit de in artikel 9 bedoelde lijst van personen. Tenzij anders is overeengekomen door de vertegenwoordigers van elke bevoegde autoriteit en de vooraanstaande onafhankelijke personen, is de voorzitter een rechter.

Artikel 9

Lijst van vooraanstaande onafhankelijke personen

1.   De lijst van vooraanstaande onafhankelijke personen bestaat uit alle door de lidstaten benoemde vooraanstaande onafhankelijke personen. Elke lidstaat benoemt daartoe ten minste drie personen die bekwaam en onafhankelijk zijn, en in staat zijn onpartijdig en integer te handelen.

2.   Elke lidstaat stelt de Commissie in kennis van de namen van de vooraanstaande onafhankelijke personen die hij heeft benoemd. Elke lidstaat verstrekt de Commissie tevens volledige en actuele informatie over de professionele en academische achtergrond, bekwaamheid en deskundigheid van deze personen en over elk belangenconflict dat zij mogelijk hebben. De lidstaten kunnen in de kennisgeving specificeren welke van deze personen als voorzitter kan worden benoemd.

3.   De lidstaten stellen de Commissie onverwijld in kennis van alle wijzigingen die in de lijst van onafhankelijke personen worden aangebracht.

Elke lidstaat legt procedures vast voor de verwijdering van de lijst van vooraanstaande onafhankelijke personen van een door die lidstaat benoemde persoon die niet langer onafhankelijk is.

Indien een lidstaat, rekening houdend met de desbetreffende bepalingen van dit artikel, gegronde redenen heeft om er bezwaar tegen te maken dat een vooraanstaande onafhankelijke persoon op de bovengenoemde lijst blijft staan vanwege een gebrek aan onafhankelijkheid, stelt hij de Commissie daarvan in kennis en onderbouwt hij zijn bezorgdheid met passende bewijzen. De Commissie stelt op haar beurt de lidstaat die de persoon in kwestie heeft benoemd in kennis van de bezwaren en de desbetreffende bewijzen. Op grond van deze bezwaren en desbetreffende bewijzen neemt deze laatste lidstaat binnen zes maanden de nodige maatregelen om het bezwaar te onderzoeken, en verder neemt de lidstaat het besluit of de persoon op de lijst gehandhaafd wordt of van de lijst verwijderd wordt. De lidstaat stelt de Commissie vervolgens onverwijld in kennis van zijn besluit.

Artikel 10

De commissie voor alternatieve geschilbeslechting

1.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten kunnen overeenkomen om in plaats van een raadgevende commissie een commissie voor alternatieve geschilbeslechting (een „commissie voor alternatieve geschilbeslechting”) in te stellen om overeenkomstig artikel 14 advies uit te brengen over de beslechting van het geschilpunt. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten kunnen tevens overeenkomen een commissie voor alternatieve geschilbeslechting in te stellen in de vorm van een commissie van permanente aard (een „permanente commissie”).

2.   Behalve wat betreft de bepalingen van artikel 8, leden 4 en 5, inzake de onafhankelijkheid van haar leden, kan de commissie voor alternatieve geschilbeslechting qua vorm en samenstelling verschillen van de raadgevende commissie.

Een commissie voor alternatieve geschilbeslechting kan, waar passend, elke geschilbeslechtingsprocedure of -techniek toepassen om het geschilpunt op bindende wijze op te lossen. Als alternatief voor het soort geschilbeslechtingsprocedure dat de raadgevende commissie uit hoofde van artikel 8 gebruikt, namelijk het onafhankelijk advies, kunnen op grond van dit artikel door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten andere soorten geschilbeslechtingsprocedures zoals „eindbod”-arbitrage („final offer” arbitration) (ook arbitrage van „het laatste beste bod” („last best offer” arbitration) genoemd) worden overeengekomen en door de commissie voor alternatieve geschilbeslechting worden toegepast.

3.   De bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten komen overeenkomstig artikel 11 de werkingsregels overeen.

4.   De artikelen 12 en 13 zijn van toepassing op de commissie voor alternatieve geschilbeslechting, tenzij in de werkingsregels als bedoeld in artikel 11 anders is overeengekomen.

Artikel 11

Werkingsregels

1.   De lidstaten bepalen dat de bevoegde autoriteit van elk van de betrokken lidstaten de belanghebbende binnen de in artikel 6, lid 1, genoemde termijn van 120 dagen in kennis stelt van het volgende:

a)

de werkingsregels van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting;

b)

de termijn waarbinnen het advies over de beslechting van het geschilpunt moet worden uitgebracht;

c)

verwijzingen naar alle toepasselijke bepalingen van intern recht van de lidstaten en alle toepasselijke overeenkomsten of verdragen.

2.   De werkingsregels worden ondertekend tussen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten die bij het geschil betrokken zijn.

De werkingsregels bevatten met name het volgende:

a)

de beschrijving en de kenmerken van het geschilpunt;

b)

het mandaat waarover de bevoegde autoriteiten van de lidstaten overeenstemming bereiken wat de te regelen juridische en feitelijke kwesties betreft;

c)

de vorm van het geschilbeslechtingsorgaan, ofwel een raadgevende commissie, ofwel een commissie voor alternatieve geschilbeslechting, alsmede het soort procedure voor de alternatieve geschilbeslechting, indien de procedure verschilt van die van het onafhankelijke advies door een raadgevende commissie;

d)

het tijdschema van de geschilbeslechtingsprocedure;

e)

de samenstelling van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting (met inbegrip van het aantal en de namen van de leden, gegevens over hun bekwaamheid en kwalificaties, en informatie over eventuele belangenconflicten van de leden);

f)

de regels voor deelname van de belanghebbende (belanghebbenden) en derde partijen aan de procedurehandelingen, de uitwisselingen van memoranda, inlichtingen en bewijsstukken, de kosten, het soort geschilbeslechtingsprocedure dat gebruikt wordt en alle andere relevante procedurele of organisatorische aangelegenheden;

g)

de logistieke regelingen voor de procedurehandelingen van de raadgevende commissie en het uitbrengen van haar advies.

Indien een raadgevende commissie overeenkomstig artikel 6, lid 1, eerste alinea, onder a), is ingesteld om advies uit te brengen, dan bevatten de werkingsregels alleen de in artikel 11, lid 2, tweede alinea, onder a), d), e) en f), bedoelde informatie.

3.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen standaardwerkingsregels op aan de hand van de bepalingen van de tweede alinea van lid 2 van dit artikel. Dergelijke standaardwerkingsregels zijn van toepassing in gevallen waarin de werkingsregels onvolledig zijn of waarin aan de belanghebbende geen kennis werd gegeven van de werkingsregels. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde procedure.

4.   Indien de bevoegde autoriteiten geen kennis hebben gegeven van de werkingsregels aan de belanghebbende overeenkomstig leden 1 en 2, worden deze door de vooraanstaande onafhankelijke personen en de voorzitter op basis van het in lid 3 bedoelde standaardformulier aangevuld en aan de belanghebbende toegezonden binnen een termijn van twee weken, te rekenen vanaf de datum waarop de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting is ingesteld. Wanneer de onafhankelijke personen en de voorzitter geen overeenstemming hebben bereikt over de werkingsregels of de belanghebbende daarvan niet in kennis hebben gesteld, kan of kunnen de belanghebbende of belanghebbenden zich tot een bevoegde rechtbank in een van de betrokken lidstaten wenden om een beschikking te verkrijgen die bevel geeft tot toepassing van de werkingsregels.

Artikel 12

Kosten van de procedurehandelingen

1.   Met uitzondering van het bepaalde in lid 2, en tenzij de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten anders zijn overeengekomen, worden de hierna genoemde kosten gelijk over de lidstaten verdeeld:

a)

de uitgaven van de vooraanstaande onafhankelijke personen, die een bedrag vormen dat gelijk is aan het gemiddelde van de gebruikelijke terugbetaling aan hoge ambtenaren van de betrokken lidstaten, en

b)

de vergoeding van de onafhankelijke personen, indien van toepassing, die beperkt is tot 1 000 EUR per persoon per dag voor iedere dag dat dat de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting bijeenkomt.

De kosten die de belanghebbende maakt, worden niet door de lidstaten gedragen.

2.   Indien de belanghebbende:

a)

een kennisgeving van intrekking van de klacht heeft ingediend, overeenkomstig artikel 3, lid 6, of

b)

na een afwijzing uit hoofde van artikel 5, lid 1, een verzoek overeenkomstig artikel 6, lid 1, heeft ingediend en de raadgevende commissie heeft besloten dat de betrokken bevoegde autoriteiten de klacht terecht hebben afgewezen,

en indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten het erover eens zijn, worden alle kosten als bedoeld in lid 1, onder a) en b), gedragen door de belanghebbende.

Artikel 13

Inlichtingen, bewijsmiddelen en hoorzittingen

1.   Ten behoeve van de in artikel 6 bedoelde procedure kan (kunnen) de belanghebbende (belanghebbenden), indien de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten het erover eens zijn, aan de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting alle inlichtingen, bewijsmiddelen en stukken verschaffen die van dienst kunnen zijn om tot een besluit te komen. Op verzoek van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting verschaffen de belanghebbende (belanghebbenden) en de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten alle inlichtingen, bewijsmiddelen en stukken. Deze bevoegde autoriteiten mogen in de volgende gevallen echter weigeren om inlichtingen aan de raadgevende commissie te verstrekken:

a)

voor het verkrijgen van de inlichtingen moeten administratieve maatregelen worden genomen die in strijd zijn met de nationale wetgeving;

b)

de inlichtingen zijn op grond van de nationale wetgeving van de betrokken lidstaat niet verkrijgbaar;

c)

de inlichtingen hebben betrekking op handelsgeheimen, bedrijfsgeheimen, nijverheidsgeheimen, beroepsgeheimen of op een fabrieks- of handelswerkwijze;

d)

de bekendmaking van de inlichtingen is in strijd met de openbare orde.

2.   Belanghebbenden kunnen op eigen verzoek en met instemming van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten voor een raadgevende commissie of een commissie voor alternatieve geschilbeslechting verschijnen of zich daar laten vertegenwoordigen. Indien de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting zulks verlangt, zijn de belanghebbenden gehouden voor haar te verschijnen of zich er te laten vertegenwoordigen.

3.   De vooraanstaande onafhankelijke personen en alle andere leden zijn volgens de nationale wetgeving van elk van de betrokken lidstaten aan het beroepsgeheim gebonden voor wat betreft de informatie die zij verkrijgen in hun hoedanigheid van lid van een raadgevende commissie of een commissie voor alternatieve geschilbeslechting. Belanghebbenden, en waar van toepassing hun vertegenwoordigers, zeggen toe alle informatie (met inbegrip van kennis van documenten) die zij tijdens deze procedurehandelingen verkrijgen, als vertrouwelijk te behandelen. Indien daarom tijdens de procedurehandelingen wordt verzocht, leggen de belanghebbende en zijn vertegenwoordigers tegenover de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten een verklaring in die zin af. De lidstaten stellen passende sancties vast voor elke inbreuk op de geheimhoudingsplicht.

Artikel 14

Advies van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting

1.   Een raadgevende commissie of commissie voor alternatieve geschilbeslechting brengt uiterlijk zes maanden na de datum waarop zij is ingesteld, advies uit aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten. Indien de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting van oordeel is dat het geschilpunt van zodanige aard is dat meer dan zes maanden nodig zijn om advies te kunnen uitbrengen, kan deze termijn met drie maanden worden verlengd. De raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting stelt de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en de belanghebbenden van elke verlenging in kennis.

2.   De raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting baseert haar advies op de bepalingen van de toepasselijke overeenkomsten of verdragen bedoeld in artikel 1, alsmede op eventuele toepasselijke nationale voorschriften.

3.   De raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting neemt haar advies aan met gewone meerderheid van leden. Indien geen meerderheid kan worden bereikt, is de stem van de voorzitter bepalend voor het definitieve advies. De voorzitter deelt het advies van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting mee aan de bevoegde autoriteiten.

Artikel 15

Eindbesluit

1.   Binnen een termijn van zes maanden na de kennisgeving van het advies van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting bereiken de betrokken bevoegde autoriteiten overeenstemming over de beslechting van het geschilpunt.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen een besluit nemen dat afwijkt van het advies van de raadgevende commissie of van de commissie voor alternatieve geschilbeslechting. Indien zij er echter niet in slagen overeenstemming over de beslechting van het geschilpunt te bereiken, zijn zij aan dat advies gebonden.

3.   Elke lidstaat schrijft voor dat zijn bevoegde autoriteit het eindbesluit betreffende de beslechting van het geschilpunt onverwijld ter kennis brengt van de belanghebbende. Indien de belanghebbende niet binnen een termijn van dertig dagen na het nemen van het besluit daarvan in kennis is gesteld, kan hij overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften in zijn lidstaat van woonplaats beroep instellen om het eindbesluit te verkrijgen.

4.   Het eindbesluit is bindend voor de betrokken lidstaten en vormt geen precedent. Het eindbesluit wordt ten uitvoer gelegd mits de belanghebbende (belanghebbenden) het aanvaardt (aanvaarden) en afziet (afzien) van het recht om enig internrechtelijk rechtsmiddel aan te wenden binnen zestig dagen vanaf de datum waarop het eindbesluit ter kennis is gebracht, indien van toepassing.

Behalve indien de betreffende rechtbank of andere gerechtelijke instantie van een betrokken lidstaat overeenkomstig de toepasselijke nationale voorschriften betreffende rechtsmiddelen en met toepassing van de criteria uit hoofde van artikel 8 besluit dat er sprake was van een gebrek aan onafhankelijkheid, wordt het eindbesluit ten uitvoer gelegd volgens de nationale wetgeving van de betrokken lidstaten, die als gevolg van het eindbesluit hun belastingheffing wijzigen, ongeacht de termijnen in de nationale wetgeving. Indien het eindbesluit niet ten uitvoer is gelegd, kan de belanghebbende zich wenden tot de bevoegde rechtbank van de lidstaat die heeft nagelaten het eindbesluit ten uitvoer te leggen, teneinde de tenuitvoerlegging ervan af te dwingen.

Artikel 16

Wisselwerking met nationale procedures en afwijkingen

1.   Het feit dat een door een lidstaat verrichte handeling die een geschilpunt tot gevolg heeft, definitief wordt volgens de nationale wetgeving, belet de belanghebbenden niet gebruik te maken van de procedures waarin deze richtlijn voorziet.

2.   Het feit dat het geschilpunt het voorwerp is van een procedure voor onderling overleg of een geschilbeslechtingsprocedure uit hoofde van respectievelijk artikel 4 en artikel 6, belet een lidstaat niet om voor diezelfde zaak gerechtelijke procedures of procedures met het oog op de toepassing van administratieve en strafrechtelijke sancties in te stellen of voort te zetten.

3.   De belanghebbenden kunnen de beschikbare nationale rechtsmiddelen van de betrokken lidstaten aanwenden. Wanneer de belanghebbende evenwel een procedure tot aanwending van een dergelijk rechtsmiddel heeft ingesteld, gaan de respectievelijk in artikel 3, lid 5, en artikel 4, lid 1, genoemde termijnen pas in op de datum waarop de beslissing in die procedure definitief is geworden of waarop die procedurehandelingen anderszins definitief zijn gesloten of wanneer de procedurehandelingen zijn opgeschort.

4.   Indien de bevoegde rechtbank of andere gerechtelijke instantie van een lidstaat een beslissing over een geschilpunt heeft genomen, en het nationale recht van die lidstaat hem niet toestaat af te wijken van de beslissing, kan deze lidstaat bepalen dat:

a)

alvorens door de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten in het kader van de procedure voor onderling overleg uit hoofde van artikel 4 overeenstemming is bereikt over dat geschilpunt, de bevoegde autoriteit van die lidstaat de andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten in kennis stelt van de beslissing van de bevoegde rechtbank of andere gerechtelijke instantie, en die procedure wordt beëindigd met ingang van de datum van die kennisgeving;

b)

alvorens de belanghebbende een verzoek heeft ingediend uit hoofde van artikel 6, lid 1, de bepalingen van artikel 6, lid 1, niet van toepassing zijn indien het geschilpunt onopgelost was gebleven tijdens de gehele duur van de procedure voor onderling overleg uit hoofde van artikel 4, in welk geval de bevoegde autoriteit van die lidstaat de andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten in kennis stelt van de gevolgen van de beslissing van de bevoegde rechtbank of andere gerechtelijke instantie;

c)

de geschilbeslechtingsprocedure krachtens artikel 6 wordt beëindigd indien de beslissing van de bevoegde rechtbank of andere gerechtelijke instantie is genomen nadat een verzoek door een belanghebbende was ingediend uit hoofde van artikel 6, lid 1, maar voordat de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting overeenkomstig artikel 14 aan de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten advies heeft uitgebracht, in welk geval de bevoegde autoriteit van de relevante betrokken lidstaat de andere bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten en de raadgevende commissie of de commissie voor alternatieve geschilbeslechting in kennis stelt van de gevolgen van de beslissing van de bevoegde rechtbank of andere gerechtelijke instantie.

5.   De indiening van een klacht zoals voorzien in artikel 3 maakt een einde aan alle andere lopende procedurehandelingen volgens de procedure voor onderling overleg of de geschilbeslechtingsprocedure uit hoofde van een overeenkomst die of een verdrag dat wordt uitgelegd of toegepast in verband met het desbetreffende geschilpunt. Dergelijke lopende procedurehandelingen betreffende het desbetreffende geschilpunt worden beëindigd met ingang van de datum van de eerste ontvangst van de klacht door een van de bevoegde autoriteiten van de betrokken lidstaten.

6.   In afwijking van artikel 6 mag een betrokken lidstaat de toegang tot de geschilbeslechtingsprocedure uit hoofde van dat artikel weigeren indien in die lidstaat sancties zijn opgelegd in verband met gecorrigeerde inkomsten of gecorrigeerd vermogen voor belastingfraude, opzettelijk verzuim en grove nalatigheid. Wanneer er een gerechtelijke of administratieve procedure is opgestart die aanleiding zou kunnen geven tot dergelijke sancties, en deze procedure gelijktijdig met een van de in deze richtlijn bedoelde procedures wordt gevoerd, kan een bevoegde autoriteit de in deze richtlijn bedoelde procedure schorsen vanaf de datum van aanvaarding van de klacht tot de datum van het uiteindelijke resultaat van de procedure.

7.   Een lidstaat kan toegang tot de geschilbeslechtingsprocedure uit hoofde van artikel 6 van geval tot geval weigeren indien een geschilpunt geen betrekking heeft op dubbele belasting. In dat geval stelt de bevoegde autoriteit van bedoelde lidstaat de belanghebbende en de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten daarvan onverwijld in kennis.

Artikel 17

Bijzondere bepalingen voor natuurlijke personen en kleine ondernemingen

Indien de belanghebbende hetzij:

a)

een natuurlijke persoon is, of

b)

geen grote onderneming is en geen deel uitmaakt van een grote groep (beide termen als gedefinieerd in Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (5)),

kan de belanghebbende de klachten, de antwoorden op een verzoek om aanvullende informatie, intrekkingen en verzoeken vermeld in respectievelijk artikel 3, leden 1, 4 en 6, en artikel 6, lid 1, („mededelingen”), bij wijze van afwijking van die bepalingen alleen indienen bij de bevoegde autoriteit van de lidstaat waarvan de belanghebbende ingezetene is. De bevoegde autoriteit van die lidstaat stelt de bevoegde autoriteiten van alle andere betrokken lidstaten daarvan tegelijkertijd in kennis, zulks binnen twee maanden na ontvangst van deze mededelingen. Zodra een dergelijke kennisgeving is geschied, wordt de belanghebbende geacht de mededeling op de datum van die kennisgeving bij alle betrokken lidstaten te hebben ingediend.

Indien er aanvullende informatie wordt ontvangen uit hoofde van artikel 3, lid 4, zendt de bevoegde autoriteit van de lidstaat die de aanvullende informatie heeft ontvangen, tegelijkertijd ook een afschrift daarvan toe aan de bevoegde autoriteiten van de andere betrokken lidstaten. Zodra deze afschriften zijn toegezonden, wordt de aanvullende informatie geacht door alle betrokken lidstaten te zijn ontvangen op de datum waarop deze ontvangst van informatie heeft plaatsgevonden.

Artikel 18

Openbaarmaking

1.   Raadgevende commissies en commissies voor alternatieve geschilbeslechting brengen hun adviezen schriftelijk uit.

2.   De bevoegde autoriteiten kunnen overeenkomen de in artikel 15 bedoelde eindbesluiten in hun geheel te publiceren, indien alle belanghebbenden daarmee instemmen.

3.   Indien de bevoegde autoriteiten of de belanghebbende niet met de publicatie van het volledige eindbesluit instemmen, publiceren de bevoegde autoriteiten een samenvatting van het eindbesluit. Deze samenvatting bevat een beschrijving van de kwestie en het onderwerp, de datum, de betrokken belastingtijdvakken, de rechtsgrondslag, de bedrijfstak en een beknopte beschrijving van het uiteindelijke resultaat. Deze samenvatting omvat ook een beschrijving van de gebruikte wijze van arbitrage.

De bevoegde autoriteiten zenden de overeenkomstig de eerste alinea te publiceren informatie vóór de publicatie ervan toe aan de belanghebbende. Uiterlijk zestig dagen na de ontvangst van deze informatie kan de belanghebbende de bevoegde autoriteiten verzoeken geen informatie te publiceren die op een handels-, bedrijfs-, nijverheids- of beroepsgeheim of op een fabrieks- of handelswerkwijze betrekking heeft, of die in strijd is met de openbare orde.

4.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen standaardformulieren vast voor de mededeling van de in de leden 2 en 3 van dit artikel bedoelde informatie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 20, lid 2, bedoelde procedure vastgesteld.

5.   De bevoegde autoriteiten stellen de Commissie onverwijld in kennis van de overeenkomstig lid 3 te publiceren informatie.

Artikel 19

Rol van de Commissie en administratieve ondersteuning

1.   De Commissie houdt de in artikel 8, lid 4, bedoelde lijst van de bevoegde autoriteiten en van de vooraanstaande onafhankelijke personen actueel en stelt deze lijsten online beschikbaar. Deze lijst bevat alleen de namen van die personen.

2.   De lidstaten stellen de Commissie in kennis van de in artikel 13 bedoelde maatregelen die zij hebben genomen om inbreuken op de geheimhoudingsplicht te bestraffen. De Commissie stelt de andere lidstaten daarvan in kennis.

3.   De Commissie houdt een centraal register bij waarin de overeenkomstig artikel 18, leden 2 en 3, gepubliceerde informatie wordt gearchiveerd en online beschikbaar wordt gesteld.

Artikel 20

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité voor de beslechting van geschillen. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 21

Evaluatie

Uiterlijk op 30 juni 2024 evalueert de Commissie de uitvoering van deze richtlijn en legt zij aan de Raad een verslag voor. Indien nodig gaat dat verslag vergezeld van een wetgevingsvoorstel.

Artikel 22

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 30 juni 2019 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor die verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 23

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing op elke klacht die wordt ingediend met ingang van 1 juli 2019 betreffende geschillen met betrekking tot inkomsten of vermogen verkregen in een belastingjaar dat begint op of na 1 januari 2018. Bevoegde autoriteiten van betrokken lidstaten kunnen evenwel overeenkomen deze richtlijn toe te passen op elke klacht die is ingediend vóór die datum of op eerdere belastingjaren.

Artikel 24

Adressaten

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Luxemburg, 10 oktober 2017.

Voor de Raad

De voorzitter

T. TÕNISTE


(1)  Standpunt van 6 juli 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(2)  Standpunt van 22 februari 2017 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  PB L 225 van 20.8.1990, blz. 10.

(4)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(5)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).


Top