Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R2067

Verordening (EU) 2016/2067 van de Commissie van 22 november 2016 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 betreft (Voor de EER relevante tekst )

C/2016/7445

OJ L 323, 29.11.2016, p. 1–164 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/2067/oj

29.11.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 323/1


VERORDENING (EU) 2016/2067 VAN DE COMMISSIE

van 22 november 2016

houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 betreft

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 19 juli 2002 betreffende de toepassing van internationale standaarden voor jaarrekeningen (1), en met name artikel 3, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie (2) is een aantal op 15 oktober 2008 bestaande internationale standaarden en interpretaties goedgekeurd.

(2)

Op 24 juli 2014 heeft de International Accounting Standard Board (IASB) International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 Financiële instrumenten gepubliceerd. Deze standaard beoogt de financiële rapportage van financiële instrumenten te verbeteren door het aanpakken van punten van zorg die zich op dit gebied tijdens de financiële crisis hebben aangediend. IFRS 9 beantwoordt met name aan de G20-oproep om tot een meer toekomstgericht model voor de opname van verwachte verliezen op financiële activa te komen.

(3)

De goedkeuring van IFRS 9 brengt met zich dat International Accounting Standard (IAS) 1, IAS 2, IAS 8, IAS 10, IAS 12, IAS 20, IAS 21, IAS 23, IAS 28, IAS 32, IAS 33, IAS 36, IAS 37, IAS 39, IFRS 1, IFRS 2, IFRS 3, IFRS 4, IFRS 5, IFRS 7, IFRS 13, Interpretatie van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) 2, IFRIC 5, IFRIC 10, IFRIC 12, IFRIC 16, IFRIC 19 en Interpretatie van het Standing Interpretations Committee (SIC) 27 moeten worden gewijzigd teneinde de samenhang tussen de internationale standaarden voor jaarrekeningen te waarborgen. Om te zorgen voor samenhang met het recht van de Unie is een wijziging dienovereenkomstig van IAS 39 met betrekking tot administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties niet bewerkstelligd in deze verordening. Voorts trekt IFRS 9 IFRIC 9 in.

(4)

Na overleg met de European Financial Reporting Advisory Group en na inaanmerkingneming van de kwesties die voortvloeien uit dat overleg, met name betreffende de impact van de toepassing van IFRS 9 op de verzekeringssector, wordt geconcludeerd dat IFRS 9 voldoet aan de goedkeuringscriteria vervat in artikel 3, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1606/2002.

(5)

De goedkeuring van internationale standaarden voor jaarrekeningen door de Commissie moet tijdig gebeuren zodat het begrip en vertrouwen van de beleggers niet wordt ondermijnd. Niettemin wordt, hoewel IFRS 9 wordt goedgekeurd, de noodzaak van een facultatieve opschorting van de toepassing ervan voor de verzekeringssector in aanmerking genomen. De IASB heeft een initiatief ondernomen om deze kwestie aan te pakken en zal naar verwachting een voorstel indienen om één enkele internationaal erkende oplossing zeker te stellen. Ingeval echter de door de IASB tegen 31 juli 2016 goedgekeurde bepalingen niet bevredigend worden geacht, is de Commissie voornemens de verzekeringssector de mogelijkheid te bieden IFRS 9 niet toe te passen voor een beperkte periode.

(6)

Verordening (EG) nr. 1126/2008 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(7)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Regelgevend Comité voor financiële verslaglegging,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

1.   De bijlage bij Verordening (EG) nr. 1126/2008 wordt als volgt gewijzigd:

a)

de in de bijlage bij deze verordening opgenomen International Financial Reporting Standard (IFRS) 9 Financiële instrumenten wordt ingevoegd;

b)

de volgende in de bijlage bij deze verordening opgenomen internationale standaarden voor jaarrekeningen worden gewijzigd in overeenstemming met IFRS 9 Financiële instrumenten:

i)

IAS 1 Presentatie van de jaarrekening;

ii)

IAS 2 Voorraden;

iii)

IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten;

iv)

IAS 10 Gebeurtenissen na de verslagperiode;

v)

IAS 12 Winstbelastingen;

vi)

IAS 20 Administratieve verwerking van overheidssubsidies en informatieverschaffing over overheidssteun;

vii)

IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen;

viii)

IAS 23 Financieringskosten;

ix)

IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures;

x)

IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie;

xi)

IAS 33 Winst per aandeel;

xii)

IAS 36 Bijzondere waardevermindering van activa;

xiii)

IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa;

xiv)

IAS 39 Financiële instrumenten: opname en waardering;

xv)

IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards;

xvi)

IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betaling;

xvii)

IFRS 3 Bedrijfscombinaties;

xviii)

IFRS 4 Verzekeringscontracten;

xix)

IFRS 5 Vaste activa aangehouden voor verkoop en beëindigde bedrijfsactiviteiten;

xx)

IFRS 7 Financiële instrumenten: informatieverschaffing;

xxi)

IFRS 13 Waardering tegen reële waarde;

xxii)

Interpretatie van het International Financial Reporting Interpretations Committee (IFRIC) 2 Aandelen van leden in coöperatieve entiteiten en soortgelijke instrumenten;

xxiii)

IFRIC 5 Belangen in ontmantelings-, herstel- en milieusaneringsfondsen;

xxiv)

IFRIC 10 Tussentijdse financiële verslaggeving en bijzondere waardevermindering;

xxv)

IFRIC 12 Dienstverlening uit hoofde van concessieovereenkomsten;

xxvi)

IFRIC 16 Afdekking van een netto-investering in een buitenlandse activiteit;

xxvii)

IFRIC 19 Aflossing van financiële verplichtingen met eigenvermogensinstrumenten;

xxviii)

Interpretatie van het Standing Interpretations Committee SIC 27 Evaluatie van de economische realiteit van transacties in de juridische vorm van een leaseovereenkomst;

c)

IFRIC 9 Herbeoordeling van in contracten besloten derivaten wordt ingetrokken overeenkomstig IFRS 9 als vervat in de bijlage bij deze verordening.

2.   Geen enkele onderneming past nog de volgende bepalingen betreffende verwijzingen naar IFRS 9 toe vanaf de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2018 van start gaat:

a)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1254/2012 van de Commissie (3);

b)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1255/2012 van de Commissie (4);

c)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 183/2013 van de Commissie (5);

d)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 313/2013 van de Commissie (6);

e)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1174/2013 van de Commissie (7);

f)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1361/2014 van de Commissie (8);

g)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2015/28 van de Commissie (9);

h)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2173 van de Commissie (10);

i)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2015/2441 van de Commissie (11);

j)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1703 van de Commissie (12);

k)

artikel 1, lid 2, van Verordening (EU) 2016/1905 van de Commissie (13).

3.   Als een onderneming ervoor kiest IFRS 9 Financiële instrumenten voor haar boekjaren die vóór 1 januari 2018 aanvangen toe te passen, past zij de bepalingen van lid 2 voor die boekjaren toe.

Artikel 2

Elke onderneming past de in artikel 1 bedoelde wijzigingen toe vanaf uiterlijk de aanvangsdatum van haar eerste boekjaar dat op of na 1 januari 2018 van start gaat.

Artikel 3

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 november 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 243 van 11.9.2002, blz. 1.

(2)  Verordening (EG) nr. 1126/2008 van de Commissie van 3 november 2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 320 van 29.11.2008, blz. 1).

(3)  Verordening (EU) nr. 1254/2012 van de Commissie van 11 december 2012 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad met het oog op de invoeging van International Financial Reporting Standard 10, International Financial Reporting Standard 11, International Financial Reporting Standard 12, International Accounting Standard 27 (2011) en International Accounting Standard 28 (2011) (PB L 360 van 29.12.2012, blz. 1).

(4)  Verordening (EU) nr. 1255/2012 van de Commissie van 11 december 2012 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot International Accounting Standard 12, International Financial Reporting Standards 1 en 13 en Interpretatie 20 van het International Financial Reporting Interpretations Committee (PB L 360 van 29.12.2012, blz. 78).

(5)  Verordening (EU) nr. 183/2013 van de Commissie van 4 maart 2013 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 1 betreft (PB L 61 van 5.3.2013, blz. 6).

(6)  Verordening (EU) nr. 313/2013 van de Commissie van 4 april 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van Geconsolideerde jaarrekening, Gezamenlijke overeenkomsten en Informatieverschaffing over belangen in andere entiteiten: Overgangsleidraden (wijzigingen in IFRS 10, IFRS 11 en IFRS 12) (PB L 95 van 5.4.2013, blz. 9).

(7)  Verordening (EU) nr. 1174/2013 van de Commissie van 20 november 2013 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standards 10 en 12 en International Accounting Standard 27 betreft (PB L 312 van 21.11.2013, blz. 1).

(8)  Verordening (EU) nr. 1361/2014 van de Commissie van 18 december 2014 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standards 3 en 13 en International Accounting Standard 40 betreft (PB L 365 van 19.12.2014, blz. 120).

(9)  Verordening (EU) 2015/28 van de Commissie van 17 december 2014 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standards 2, 3 en 8 en International Accounting Standards 16, 24 en 38 betreft (PB L 5 van 9.1.2015, blz. 1).

(10)  Verordening (EU) 2015/2173 van de Commissie van 24 november 2015 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard (IFRS) 11 betreft (PB L 307 van 25.11.2015, blz. 11).

(11)  Verordening (EU) 2015/2441 van de Commissie van 18 december 2015 houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Accounting Standard 27 betreft (PB L 336 van 23.12.2015, blz. 49).

(12)  Verordening (EU) 2016/1703 van 22 september 2016 van de Commissie houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standards 10 en 12 en International Accounting Standard 28 betreft (PB L 257 van 23.9.2016, blz. 1).

(13)  Verordening (EU) 2016/1905 van 22 september 2016 van de Commissie houdende wijziging van Verordening (EG) nr. 1126/2008 tot goedkeuring van bepaalde internationale standaarden voor jaarrekeningen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1606/2002 van het Europees Parlement en de Raad wat International Financial Reporting Standard 15 betreft (PB L 295 van 29.10.2016, blz. 19).


BIJLAGE

IFRS 9   Financiële instrumenten

International Financial Reporting Standard 9

Financiële instrumenten

HOOFDSTUK 1   Doel

1.1.   Het doel van deze standaard is het vastleggen van beginselen voor de financiële verslaggeving over financiële activa en financiële verplichtingen op grond waarvan gebruikers van jaarrekeningen relevante en nuttige informatie wordt verschaft voor de beoordeling van de bedragen, tijdstippen en onzekerheid van toekomstige kasstromen van een entiteit.

HOOFDSTUK 2   Toepassingsgebied

2.1.   Deze standaard moet door alle entiteiten worden toegepast op alle soorten financiële instrumenten, met uitzondering van:

a)

belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen en joint ventures die administratief worden verwerkt overeenkomstig IFRS 10 Geconsolideerde jaarrekening, IAS 27 Enkelvoudige jaarrekening of IAS 28 Investeringen in geassocieerde deelnemingen en joint ventures. In bepaalde gevallen wordt door IFRS 10, IAS 27 of IAS 28 echter voorgeschreven of toegestaan dat een entiteit een belang in een dochteronderneming, geassocieerde onderneming of joint venture administratief verwerkt overeenkomstig sommige of alle vereisten van deze standaard. Entiteiten moeten deze standaard eveneens toepassen op derivaten gekoppeld aan belangen in dochterondernemingen, geassocieerde deelnemingen of joint ventures, tenzij de derivaten aan de in IAS 32 Financiële instrumenten: presentatie opgenomen definitie van een eigenvermogensinstrument van de entiteit voldoen;

b)

rechten en verplichtingen uit hoofde van leaseovereenkomsten waarvoor IAS 17 Leaseovereenkomsten geldt. Daarbij geldt echter het volgende:

i)

door een lessor opgenomen leasevorderingen vallen onder de vereisten van deze standaard inzake het niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie en bijzondere waardevermindering;

ii)

door een lessee opgenomen schulden uit hoofde van financiële leases vallen onder de vereisten van deze standaard inzake het niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie; en

iii)

derivaten die in leaseovereenkomsten zijn besloten, zijn onderworpen aan de vereisten van deze standaard inzake in contracten besloten derivaten;

c)

rechten en verplichtingen van werkgevers uit hoofde van beloningsregelingen voor het personeel, waarop IAS 19 Personeelsbeloningen van toepassing is;

d)

door de entiteit uitgegeven financiële instrumenten die voldoen aan de in IAS 32 vermelde definitie van een eigenvermogensinstrument (met inbegrip van opties en warrants) of die overeenkomstig de alinea's 16A en 16B of de alinea's 16C en 16D van IAS 32 als eigenvermogensinstrumenten moeten worden geclassificeerd. De houder van dergelijke eigenvermogensinstrumenten moet deze standaard echter op die instrumenten toepassen, tenzij deze op grond van punt (a) hierboven zijn uitgezonderd;

e)

rechten en verplichtingen die voortvloeien uit: (i) een verzekeringscontract zoals gedefinieerd in IFRS 4 Verzekeringscontracten, met uitzondering van rechten en verplichtingen van een emittent uit hoofde van een verzekeringscontract dat aan de definitie van een financiëlegarantiecontract voldoet, of (ii) een contract dat binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 valt omdat het een discretionairewinstdelingselement bevat. Deze standaard is echter wel van toepassing op een derivaat dat is besloten in een contract dat binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 valt indien het derivaat zelf geen contract is dat binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 valt. Indien een emittent van een financiëlegarantiecontract bovendien eerder uitdrukkelijk heeft bevestigd dat hij dergelijke contracten als verzekeringscontract beschouwt en deze administratief heeft verwerkt op een voor verzekeringscontracten geldende wijze, mag hij ervoor kiezen ofwel deze standaard, ofwel IFRS 4 op dergelijke financiëlegarantiecontracten toe te passen (zie de alinea's B2.5 en B2.6). De emittent mag deze keuze per contract maken, maar de voor elk contract gemaakte keuze is onherroepelijk;

f)

alle termijncontracten tussen een overnemende partij en een verkopende aandeelhouder tot aankoop of verkoop van een overgenomen partij welke op een toekomstige overnamedatum zullen resulteren in een bedrijfscombinatie die binnen het toepassingsgebied van IFRS 3 Bedrijfscombinaties valt. De looptijd van het termijncontract mag niet langer zijn dan de redelijke termijn die normaliter noodzakelijk is om alle vereiste goedkeuringen te verkrijgen en de transactie te voltooien;

g)

andere leningtoezeggingen dan die welke in alinea 2.3 zijn beschreven. Een emittent van leningtoezeggingen moet de vereisten van deze standaard inzake bijzondere waardevermindering echter toepassen op leningtoezeggingen die anders niet binnen het toepassingsgebied van deze standaard vallen. Ook zijn alle leningtoezeggingen onderworpen aan de vereisten van deze standaard inzake het niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie;

h)

financiële instrumenten, contracten en verplichtingen uit hoofde van op aandelen gebaseerde betalingstransacties waarop IFRS 2 Op aandelen gebaseerde betalingen van toepassing is, behoudens contracten die binnen het toepassingsgebied van de alinea's 2.4 tot en met 2.7 van deze standaard vallen, waarop deze standaard van toepassing is;

i)

rechten van de entiteit op vergoedingen voor uitgaven die zij diende te maken om een verplichting af te wikkelen die zij opneemt als een voorziening in overeenstemming met IAS 37 Voorzieningen, voorwaardelijke verplichtingen en voorwaardelijke activa, of waarvoor zij in een vroegere periode een voorziening heeft opgenomen in overeenstemming met IAS 37;

j)

binnen het toepassingsgebied van IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten vallende rechten en verplichtingen die financiële instrumenten zijn, behalve die waarvoor in IFRS 15 is bepaald dat zij administratief worden verwerkt overeenkomstig deze standaard.

2.2.   Met het oog op het opnemen van bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen worden de vereisten van deze standaard inzake bijzondere waardevermindering toegepast op de rechten waarvoor in IFRS 15 is bepaald dat zij administratief worden verwerkt overeenkomstig deze standaard.

2.3.   De volgende leningtoezeggingen vallen binnen het toepassingsgebied van deze standaard:

a)

leningtoezeggingen die de entiteit aanwijst als financiële verplichtingen die worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (zie alinea 4.2.2). Een entiteit waarbij het gangbare praktijk is om activa die uit leningtoezeggingen voortvloeien kort na creatie te verkopen, moet deze standaard op alle tot dezelfde categorie behorende leningtoezeggingen toepassen;

b)

leningtoezeggingen die op nettobasis kunnen worden afgewikkeld in geldmiddelen, dan wel door levering of uitgifte van een ander financieel instrument. Deze leningtoezeggingen zijn derivaten. Een leningtoezegging wordt echter niet louter als op nettobasis afgewikkeld beschouwd omdat de lening in termijnen wordt verstrekt (bijvoorbeeld een bouwhypotheeklening die in termijnen wordt verstrekt naarmate de bouw vordert);

c)

toezeggingen tot het verstrekken van een lening tegen een rente die lager is dan de marktrente (zie alinea 4.2.1(d)).

2.4.   Deze standaard moet worden toegepast op contracten tot aankoop of verkoop van een niet-financieel goed die op nettobasis kunnen worden afgewikkeld in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door ruil van financiële instrumenten, alsof de contracten financiële instrumenten waren, met uitzondering van contracten die zijn gesloten en worden gehouden in verband met de ontvangst of levering van een niet-financieel goed overeenkomstig de verwachte behoeften van de entiteit ten aanzien van inkoop, verkoop of gebruik. Deze standaard moet echter wel worden toegepast op de contracten die een entiteit in overeenstemming met alinea 2.5 aanwijst als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

2.5.   Een contract tot aankoop of verkoop van een niet-financieel goed dat op nettobasis kan worden afgewikkeld in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door ruil van financiële instrumenten, alsof het contract een financieel instrument was, mag onherroepelijk worden aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, zelfs als het is gesloten in verband met de ontvangst of levering van een niet-financieel goed overeenkomstig de verwachte behoeften van de entiteit ten aanzien van inkoop, verkoop of gebruik. Deze aanwijzing is slechts mogelijk bij het afsluiten van het contract en alleen als het een inconsistentie in de opname (soms een „accounting mismatch” genoemd) elimineert of aanzienlijk beperkt die anders uit het niet opnemen van dat contract zou ontstaan omdat het buiten het toepassingsgebied van deze standaard valt (zie alinea 2.4).

2.6.   Er zijn verschillende manieren waarop een contract tot aankoop of verkoop van een niet-financieel goed op nettobasis kan worden afgewikkeld in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door financiële instrumenten te ruilen. Deze omvatten:

a)

gevallen waarin de contractvoorwaarden elk van de partijen toestaan het contract op nettobasis af te wikkelen in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door financiële instrumenten te ruilen;

b)

gevallen waarin de mogelijkheid om het contract op nettobasis af te wikkelen in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door financiële instrumenten te ruilen, niet expliciet in de contractvoorwaarden is opgenomen, maar het voor de entiteit gangbare praktijk is om vergelijkbare contracten op nettobasis af te wikkelen in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door financiële instrumenten te ruilen (hetzij met de tegenpartij, hetzij door het afsluiten van tegengestelde contracten, hetzij door het contract vóór de uitoefening of het verlopen ervan te verkopen);

c)

gevallen waarin het bij de entiteit voor vergelijkbare contracten gangbare praktijk is dat de onderliggende waarde wordt ontvangen om deze kort na ontvangst met winst te verkopen door te profiteren van prijsschommelingen op de korte termijn, of van de handelsmarge; en

d)

gevallen waarin het niet-financiële goed waarop het contract betrekking heeft onmiddellijk in geldmiddelen kan worden omgezet.

Een contract waarop (b) of (c) van toepassing zijn, wordt niet gesloten met het oog op de ontvangst of levering van het niet-financiële goed overeenkomstig de verwachte behoeften van de entiteit ten aanzien van inkoop, verkoop of gebruik, en valt derhalve binnen het toepassingsgebied van deze standaard. Andere contracten waarvoor alinea 2.4 geldt, worden beoordeeld om te bepalen of zij zijn gesloten en worden gehouden om het niet-financiële goed te ontvangen of te leveren overeenkomstig de verwachte behoeften van de entiteit ten aanzien van inkoop, verkoop of gebruik, en dus of zij binnen het toepassingsgebied van deze standaard vallen.

2.7.   Een geschreven optie tot aankoop of verkoop van een niet-financieel goed die op nettobasis kan worden afgewikkeld in geldmiddelen of een ander financieel instrument, dan wel door financiële instrumenten te ruilen, valt overeenkomstig alinea 2.6(a) of (d) binnen het toepassingsgebied van deze standaard. Een dergelijk contract kan niet worden gesloten met het oog op de ontvangst of levering van het niet-financiële goed overeenkomstig de verwachte behoeften van de entiteit ten aanzien van inkoop, verkoop of gebruik.

HOOFDSTUK 3   Opname en niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie

3.1   EERSTE OPNAME

3.1.1.

Een entiteit moet een financieel actief of financiële verplichting in het overzicht van de financiële positie opnemen als en alleen als de entiteit partij wordt bij de contractuele bepalingen van het instrument (zie de alinea's B3.1.1 en B3.1.2). Wanneer een entiteit een financieel actief voor het eerst opneemt, moet zij dat classificeren in overeenstemming met de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.5 en waarderen in overeenstemming met de alinea's 5.1.1, 5.1.2 en 5.1.3. Wanneer een entiteit een financiële verplichting voor het eerst opneemt, moet zij deze classificeren in overeenstemming met de alinea's 4.2.1 en 4.2.2 en waarderen in overeenstemming met alinea 5.1.1.

Aankoop of verkoop volgens standaardmarktconventies van financiële activa

3.1.2.

Een aankoop of verkoop volgens standaardmarktconventies van financiële activa moet, afhankelijk van de situatie, worden opgenomen of niet langer worden opgenomen op de transactiedatum of de afwikkelingsdatum (zie de alinea's B3.1.3 tot en met B3.1.6).

3.2   NIET LANGER OPNEMEN VAN FINANCIËLE ACTIVA

3.2.1.

In de geconsolideerde jaarrekening worden de alinea's 3.2.2 tot en met 3.2.9, B3.1.1, B3.1.2 en B3.2.1 tot en met B3.2.17 op geconsolideerd niveau toegepast. Daarom consolideert een entiteit eerst alle dochterondernemingen overeenkomstig IFRS 10 en past zij vervolgens op de hieruit voortvloeiende groep de genoemde alinea's toe.

3.2.2.

Voordat wordt beoordeeld of, en in hoeverre, niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie op grond van de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.9 gepast is, bepaalt een entiteit of die alinea's op een deel van een financieel actief (of een deel van een groep van vergelijkbare financiële activa) moeten worden toegepast, dan wel op een financieel actief (of een groep van vergelijkbare financiële activa) in zijn geheel. Dit geschiedt als volgt:

a)

de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.9 worden uitsluitend toegepast op een deel van een financieel actief (of een deel van een groep van vergelijkbare financiële activa) als en alleen als het deel waarvan wordt overwogen het niet langer in het overzicht van de financiële positie op te nemen, één van de volgende drie voorwaarden vervult:

i)

het deel omvat alleen specifiek geïdentificeerde kasstromen van een financieel actief (of een groep van vergelijkbare financiële activa). Bijvoorbeeld indien een entiteit een „interest rate strip” aangaat waarbij de tegenpartij het recht verkrijgt op rentekasstromen, maar niet op de hoofdsomkasstromen van een schuldbewijs, worden de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.9 op de rentekasstromen toegepast;

ii)

het deel omvat alleen een geheel proportioneel (pro rata) deel van de kasstromen van een financieel actief (of een groep van vergelijkbare financiële activa). Indien een entiteit bijvoorbeeld een overeenkomst aangaat op grond waarvan de tegenpartij het recht verwerft op een 90 %-belang in alle kasstromen van een schuldbewijs, dan worden de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.9 toegepast op 90 % van die kasstromen. Indien er meer dan één tegenpartij is, is het niet noodzakelijk dat iedere tegenpartij een evenredig belang in de kasstromen heeft, mits de overdragende entiteit een geheel evenredig belang heeft;

iii)

het deel omvat alleen een geheel proportioneel (pro rata) belang in specifiek geïdentificeerde kasstromen van een financieel actief (of een groep van vergelijkbare financiële activa). Indien een entiteit bijvoorbeeld een overeenkomst aangaat op grond waarvan de tegenpartij het recht verwerft op een 90 %-belang in de rentekasstromen van een financieel actief, dan worden de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.9 toegepast op 90 % van die kasstromen. Indien er meer dan één tegenpartij is, is het niet noodzakelijk dat iedere tegenpartij een evenredig belang in de specifiek geïdentificeerde kasstromen heeft, mits de overdragende entiteit een geheel evenredig belang heeft;

b)

in alle overige gevallen worden de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.9 toegepast op het financiële actief in zijn geheel (of op de groep van vergelijkbare financiële activa in hun geheel). Indien een entiteit bijvoorbeeld (i) de rechten op de eerste of de laatst 90 % van geldontvangsten uit een financieel actief (of een groep van financiële activa) overdraagt, of (ii) de rechten op 90 % van de kasstromen van een groep van vorderingen overdraagt, maar een garantie verstrekt ter compensatie van de koper voor eventuele kredietverliezen tot en met 8 % van het hoofdsombedrag van de vorderingen, dan worden de alinea's 3.2 tot en met 3.2.9 toegepast op het financiële actief (of een groep van vergelijkbare financiële activa) in zijn geheel.

Het begrip „financieel actief” in de alinea's 3.2.3 tot en met 3.2.12 heeft betrekking op hetzij een deel van een financieel actief (of een deel van een groep van vergelijkbare financiële activa), zoals hiervoor onder (a) vermeld, hetzij een financieel actief (of een groep van vergelijkbare financiële activa) in zijn geheel.

3.2.3.

Een entiteit mag een financieel actief niet langer opnemen als en alleen als:

a)

de contractuele rechten op de kasstromen van het financiële actief aflopen; of

b)

de entiteit het financiële actief overeenkomstig de alinea's 3.2.4 en 3.2.5 overdraagt en de overdracht op grond van alinea 3.2.6 voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komt.

(Zie alinea 3.1.2 voor verkopen volgens standaardmarktconventies van financiële activa.)

3.2.4.

Er is sprake van de overdracht van een financieel actief door een entiteit als en alleen als zij:

a)

de contractuele rechten op de ontvangst van de kasstromen van het financiële actief overdraagt; of

b)

de contractuele rechten op de ontvangst van de kasstromen van het financiële actief behoudt, maar een contractuele verplichting aangaat om de kasstromen aan één of meer ontvangende partijen te betalen volgens een afspraak die aan de voorwaarden in alinea 3.2.5 voldoet.

3.2.5.

Indien een entiteit het contractuele recht op de ontvangst van de kasstromen van een financieel actief (het „oorspronkelijke actief”) behoudt, maar een contractuele verplichting aangaat om die kasstromen aan een of meer entiteiten (de „uiteindelijke ontvangers”) te betalen, behandelt de entiteit de transactie als een overdracht van een financieel actief als en alleen als alle volgende drie voorwaarden zijn vervuld:

a)

de entiteit heeft geen verplichting om bedragen te betalen aan uiteindelijke ontvangers, tenzij de entiteit equivalente bedragen uit het oorspronkelijke actief ontvangt. Door de entiteit tegen marktrente verstrekte kortlopende voorschotten met het recht op volledige terugontvangst van het uitgeleende bedrag plus opgelopen rente zijn niet in strijd met deze voorwaarde;

b)

het is de entiteit op grond van de bepalingen van het overdrachtscontract niet toegestaan om het oorspronkelijke actief te verkopen of tot zekerheid te stellen op een andere wijze dan als zekerheid voor de uiteindelijke ontvangers voor de verplichting om hun kasstromen te betalen;

c)

de entiteit heeft een verplichting om eventuele kasstromen die zij namens de uiteindelijke ontvangers ontvangt, onverwijld over te maken. Bovendien mag de entiteit dergelijke kasstromen niet herbeleggen, behalve in geldmiddelen of kasequivalenten (zoals gedefinieerd in IAS 7 Het Kasstroomoverzicht), tijdens de korte afwikkelingsperiode tussen de inningsdatum en de datum waarop de betaling aan de uiteindelijke ontvangers moet geschieden; op dergelijke beleggingen verdiende rente wordt aan de uiteindelijke ontvangers doorgegeven.

3.2.6.

Indien een entiteit een financieel actief overdraagt (zie alinea 3.2.4), moet zij beoordelen in welke mate zij de risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief behoudt. In dit geval:

a)

mag de entiteit het financiële actief niet langer opnemen en moet ze eventueel bij de overdracht gecreëerde of behouden rechten en verplichtingen afzonderlijk als activa of verplichtingen opnemen indien de entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief overdraagt;

b)

moet de entiteit het financiële actief blijven opnemen indien ze nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief behoudt;

c)

moet de entiteit bepalen of zij de beschikkingsmacht over het financiële actief heeft behouden indien ze nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief noch overdraagt, noch behoudt. In dit geval:

i)

mag zij het financiële actief niet langer opnemen en moet ze eventuele bij de overdracht gecreëerde of behouden rechten en verplichtingen afzonderlijk opnemen als rechten en verplichtingen indien de entiteit de beschikkingsmacht niet heeft behouden;

ii)

moet zij het financiële actief blijven opnemen overeenkomstig de omvang van de aanhoudende betrokkenheid bij het financiële actief (zie alinea 3.2.16) indien de entiteit de beschikkingsmacht heeft behouden.

3.2.7.

De overdracht van risico's en voordelen (zie alinea 3.2.6) wordt beoordeeld door vergelijking van de positie van de entiteit, vóór en na de overdracht, uitgaande van de variabiliteit van de bedragen en tijdstippen van de nettokasstromen van het overgedragen actief. Een entiteit heeft nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van een financieel actief behouden indien de blootstelling aan de variabiliteit van de contante waarde van de toekomstige nettokasstromen van het financiële actief niet in significante mate verandert als gevolg van de overdracht (bijvoorbeeld omdat de entiteit een financieel actief heeft verkocht onder voorbehoud van een overeenkomst om het tegen een vaste prijs of de verkoopprijs plus een rendementsopslag van een leninggever terug te kopen. Een entiteit heeft nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van een financieel actief overgedragen indien haar blootstelling aan een dergelijke variabiliteit niet langer significant is in verhouding tot de totale variabiliteit van de contante waarde van de aan het financiële actief verbonden toekomstige nettokasstromen (bijvoorbeeld omdat de entiteit een financieel actief heeft verkocht onder voorbehoud van een optie om het terug te kopen tegen de reële waarde op het moment van de terugkoop, of een volkomen evenredig deel van de kasstromen van een groter financieel actief heeft overgedragen op grond van een overeenkomst, zoals bij een „loan sub-participation” (waarbij (een deel van) de aan een lening verbonden rechten en verplichtingen aan een nieuwe leninggever worden (wordt) overgedragen), die aan de voorwaarden in alinea 3.2.5 voldoet).

3.2.8.

Het zal vaak duidelijk zijn of de entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom heeft overgedragen of behouden zonder dat het noodzakelijk is om berekeningen uit te voeren. In andere gevallen zal het wel noodzakelijk zijn om berekeningen uit te voeren en de blootstelling van de entiteit aan de variabiliteit van de contante waarde van de toekomstige nettokasstromen vóór en na de overdracht te vergelijken. De berekening en vergelijking worden uitgevoerd met een relevante actuele marktrente als disconteringsvoet. Alle redelijkerwijs mogelijke variabiliteit van de nettokasstromen wordt in aanmerking genomen, waarbij aan de meer waarschijnlijke uitkomsten het meeste gewicht wordt toegekend.

3.2.9.

Of de entiteit de beschikkingsmacht over het overgedragen actief heeft behouden (zie alinea 3.2.6(c)) is afhankelijk van de mogelijkheid van de verkrijger om het actief te verkopen. De entiteit heeft de beschikkingsmacht verloren indien de verkrijger in de praktijk de mogelijkheid heeft om het actief in zijn geheel aan een derde te verkopen en in staat is om eenzijdig van deze mogelijkheid gebruik te maken, zonder daarvoor aanvullende beperkingen op de overdracht te hoeven opleggen. In alle overige gevallen heeft de entiteit de beschikkingsmacht behouden.

Overdrachten die voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komen

3.2.10.

Indien een entiteit een financieel actief overdraagt via een overdracht die in zijn geheel voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komt en het recht behoudt om tegen een provisie beheersdiensten („servicing”) met betrekking tot het financiële actief te verlenen, moet zij hetzij een servicingactief, hetzij een servicingverplichting opnemen voor dat servicingcontract. Indien de te ontvangen provisie naar verwachting ontoereikend is om de entiteit te compenseren voor het verlenen van de beheersdiensten, moet een servicingverplichting tegen reële waarde worden opgenomen uit hoofde van de plicht de dienst te verzorgen. Indien de te ontvangen provisie naar verwachting een meer dan toereikende vergoeding voor de beheersdiensten is, moet voor het servicingrecht een servicingactief worden opgenomen tegen een bedrag dat overeenkomstig alinea 3.2.13 wordt bepaald op basis van een toerekening van de boekwaarde van het grotere financiële actief.

3.2.11.

Indien een financieel actief als gevolg van een overdracht in zijn geheel niet langer wordt opgenomen, maar de overdracht ertoe leidt dat de entiteit een nieuw financieel actief verkrijgt, dan wel een nieuwe financiële verplichting of een servicingverplichting aangaat, moet de entiteit het nieuwe financiële actief, dan wel de nieuwe financiële of servicingverplichting tegen reële waarde opnemen.

3.2.12.

Bij het niet langer in zijn geheel opnemen van een financieel actief moet het verschil tussen:

a)

de boekwaarde (bepaald op de datum van verwijdering uit het overzicht van de financiële positie) en

b)

de ontvangen vergoeding (vermeerderd met elk nieuw verkregen actief en verminderd met elke nieuw aangegane verplichting)

in winst of verlies worden opgenomen.

3.2.13.

Indien het overgedragen actief deel uitmaakt van een groter financieel actief (bijvoorbeeld indien een entiteit rentekasstromen overdraagt die onderdeel zijn van een schuldbewijs, zie alinea 3.2.2(a)) en het overgedragen deel in zijn geheel voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komt, moet de vorige boekwaarde van het grotere financiële actief worden verdeeld over het deel dat in het overzicht van de financiële positie opgenomen blijft en het deel dat niet langer wordt opgenomen, op basis van de relatieve reële waarde van die delen op de datum van de overdracht. In dit verband moet een behouden servicingactief worden behandeld als een deel dat verder wordt opgenomen. Het verschil tussen:

a)

de aan het niet langer opgenomen deel toegerekende boekwaarde (bepaald op de datum van verwijdering uit het overzicht van de financiële positie) en

b)

de voor het niet langer opgenomen deel ontvangen vergoeding (vermeerderd met elk nieuw verkregen actief en verminderd met elke nieuw aangegane verplichting)

moet in winst of verlies worden opgenomen.

3.2.14.

Wanneer een entiteit de vorige boekwaarde van een groter financieel actief verdeelt tussen het deel dat verder wordt opgenomen en het deel dat niet langer wordt opgenomen, moet de reële waarde van het verder opgenomen deel worden bepaald. Indien de entiteit in het verleden vaak delen heeft verkocht die vergelijkbaar zijn met het deel dat verder wordt opgenomen, of als er andere markttransacties voor dergelijke delen bestaan, bieden recente prijzen van werkelijke transacties de beste schatting van de reële waarde. Indien er geen prijsnoteringen of recente markttransacties zijn om de reële waarde te bepalen van het deel dat verder wordt opgenomen, dan is de beste schatting van de reële waarde het verschil tussen de reële waarde van het grotere financiële actief als geheel en de van de verkrijger ontvangen vergoeding voor het niet langer in het overzicht van de financiële positie opgenomen deel.

Overdrachten die niet voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komen

3.2.15.

Indien een overdracht niet resulteert in het niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie omdat de entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het overgedragen actief heeft behouden, moet de entiteit het overgedragen actief in zijn geheel blijven opnemen en moet zij voor de ontvangen vergoeding een financiële verplichting opnemen. De entiteit moet in daaropvolgende perioden baten uit het overgedragen actief en lasten in verband met de financiële verplichting opnemen.

Aanhoudende betrokkenheid bij overdragen activa

3.2.16.

Indien een entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van een overgedragen actief noch overdraagt, noch behoudt, en de beschikkingsmacht over het overgedragen actief behoudt, blijft de entiteit het overgedragen actief opnemen overeenkomstig de omvang van de aanhoudende betrokkenheid. De omvang van de aanhoudende betrokkenheid van de entiteit bij het overgedragen actief is gelijk aan de mate waarin zij blootstaat aan waardeveranderingen van het overgedragen actief. Bijvoorbeeld:

a)

bij aanhoudende betrokkenheid van de entiteit in de vorm van het afgeven van een garantie met betrekking tot het overgedragen actief is de omvang van de aanhoudende betrokkenheid gelijk aan de laagste van (i) het bedrag van het actief en (ii) het deel van de ontvangen vergoeding dat de entiteit ten hoogste verplicht zou kunnen worden terug te betalen („het garantiebedrag”);

b)

bij aanhoudende betrokkenheid van de entiteit in de vorm van een geschreven of gekochte optie (of beide) op het overgedragen actief is de omvang van de aanhoudende betrokkenheid van de entiteit gelijk aan het bedrag van het overgedragen actief dat de entiteit kan terugkopen. Bij een geschreven putoptie op een actief dat tegen reële waarde wordt gewaardeerd, is de omvang van de aanhoudende betrokkenheid van de entiteit echter beperkt tot de laagste waarde van de reële waarde van het overgedragen actief en de uitoefenprijs van de optie (zie alinea B3.2.13);

c)

bij aanhoudende betrokkenheid van de entiteit in de vorm van een in geldmiddelen afgewikkelde optie of een vergelijkbaar instrument op het overgedragen actief, wordt de omvang van de aanhoudende betrokkenheid van de entiteit op dezelfde wijze bepaald als die welke voortvloeit uit niet in geldmiddelen afgewikkelde opties, zoals uiteengezet in punt (b) hierboven.

3.2.17.

Indien een entiteit een actief overeenkomstig de omvang van haar aanhoudende betrokkenheid blijft opnemen, neemt de entiteit tevens een gerelateerde verplichting op. Ondanks de overige waarderingsvereisten van deze standaard worden het overgedragen actief en de gerelateerde verplichting gewaardeerd op een basis die een afspiegeling is van de rechten en verplichtingen die de entiteit heeft behouden. De gerelateerde verplichting wordt op zodanige wijze gewaardeerd dat de nettoboekwaarde van het overgedragen actief en de gerelateerde verplichting gelijk is aan:

a)

de geamortiseerde kostprijs van de door de entiteit behouden rechten en verplichtingen, indien het overgedragen actief tegen geamortiseerde kostprijs wordt gewaardeerd; dan wel

b)

de reële waarde van de door de entiteit behouden rechten en verplichtingen (gewaardeerd op losstaande basis), indien het overgedragen actief tegen reële waarde wordt gewaardeerd.

3.2.18.

De entiteit moet eventuele baten uit het overgedragen actief blijven opnemen voor zover deze overeenkomen met de omvang van de aanhoudende betrokkenheid. Tevens moet zij eventuele lasten in verband met de gerelateerde verplichting opnemen.

3.2.19.

Voor de waardering na eerste opname geldt dat opgenomen veranderingen in de reële waarde van het overgedragen actief en de gerelateerde verplichting administratief op consistente wijze worden verwerkt, overeenkomstig alinea 5.7.1, en niet mogen worden gesaldeerd.

3.2.20.

Indien de aanhoudende betrokkenheid van een entiteit slechts een deel van een financieel actief betreft (bijvoorbeeld indien een entiteit een optie behoudt om een deel van een overgedragen actief terug te kopen, of een overblijvend belang behoudt dat niet neerkomt op het behoud van nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom, en de entiteit de beschikkingsmacht behoudt), verdeelt de entiteit de vorige boekwaarde van het financiële actief tussen het deel dat zij op grond van aanhoudende betrokkenheid blijft opnemen en het deel dat zij niet langer opneemt. Dit geschiedt op basis van de relatieve reële waarde van die delen op de datum van de overdracht. Hierbij gelden de vereisten in alinea 3.2.14. Het verschil tussen:

a)

de aan het niet langer opgenomen deel toegerekende boekwaarde (bepaald op de datum van verwijdering uit het overzicht van de financiële positie) en

b)

de voor het niet langer opgenomen deel ontvangen vergoeding

moet in winst of verlies worden opgenomen.

3.2.21.

Indien het overgedragen actief tegen geamortiseerde kostprijs wordt gewaardeerd, kan voor de gerelateerde verplichting geen gebruik worden gemaakt van de mogelijkheid in deze standaard om een financiële verplichting te waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

Alle overdrachten

3.2.22.

Indien een overgedragen actief verder wordt opgenomen, mogen het actief en de gerelateerde verplichting niet worden gesaldeerd. Evenzo mag de entiteit eventuele baten uit het overgedragen actief niet salderen met eventuele kosten in verband met de gerelateerde verplichting (zie IAS 32, alinea 42).

3.2.23.

Indien een overdragende partij andere zekerheden dan geldmiddelen (zoals schuldbewijzen of eigenvermogensinstrumenten) aan de verkrijger verstrekt, is de administratieve verwerking van de zekerheden door de overdragende partij en de verkrijger afhankelijk van het feit of de verkrijger het recht heeft om de zekerheden te verkopen of tot zekerheid aan derden te verstrekken, en of de overdragende partij in gebreke is gebleven. De administratieve verwerking van de zekerheden door de overdragende partij en de verkrijger wordt hieronder beschreven:

a)

indien de verkrijger op grond van een overeenkomst of gebruikelijke praktijk het recht heeft om de zekerheden te verkopen of als zekerheid aan derden te verstrekken, dan moet de overdragende partij dat actief in het overzicht van de financiële positie in een afzonderlijke post onderbrengen (bijvoorbeeld als een geleend actief, als zekerheid aan derden verstrekte eigenvermogensinstrumenten of als terugkoopvordering);

b)

indien de verkrijger aan hem verstrekte zekerheden als zekerheid verstrekt aan derden, moet hij de verkoopopbrengst opnemen, alsook een verplichting tegen reële waarde in verband met de plicht om de zekerheid terug te leveren;

c)

indien de overdragende partij volgens de contractvoorwaarden in gebreke blijft en niet langer gerechtigd is de zekerheden terug te nemen, mag zij de zekerheden niet langer opnemen. De verkrijger moet de zekerheden als actief opnemen, waarbij de waardering bij eerste opname geschiedt tegen reële waarde, of hij moet, indien hij de zekerheden reeds heeft verkocht, de verplichting tot teruglevering van de zekerheden uit het overzicht van de financiële positie verwijderen;

d)

behoudens het vermelde in punt (c) moet de overdragende partij de zekerheden als haar actief blijven opnemen, en mag de verkrijger de zekerheden niet als actief opnemen.

3.3   NIET LANGER OPNEMEN VAN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN

3.3.1.

Een entiteit mag een financiële verplichting (of een deel daarvan) niet langer opnemen als en alleen als de financiële verplichting tenietgaat, dat wil zeggen wanneer de in het contract vastgelegde verplichting nagekomen of ontbonden wordt, dan wel afloopt.

3.3.2.

Een ruil tussen een bestaande leningnemer en leninggever van schuldbewijzen met aanzienlijk verschillende voorwaarden moet worden verwerkt als een delging van de oorspronkelijke financiële verplichting en de opname van een nieuwe financiële verplichting. Evenzo moet een aanzienlijke wijziging van de voorwaarden van een bestaande financiële verplichting of een deel daarvan (al dan niet als gevolg van financiële problemen van de debiteur) administratief worden verwerkt als een delging van de oorspronkelijke financiële verplichting en de opname van een nieuwe financiële verplichting.

3.3.3.

Het verschil tussen de boekwaarde van de financiële verplichting (of deel van een financiële verplichting) die is gedelgd of aan een derde is overgedragen en de betaalde vergoeding, met inbegrip van eventueel overgedragen activa niet zijnde geldmiddelen of aangegane verplichtingen, moet in winst of verlies worden opgenomen.

3.3.4.

Indien een entiteit een deel van een financiële verplichting terugkoopt, moet de entiteit de vorige boekwaarde van de financiële verplichting verdelen tussen het deel dat zij blijft opnemen en het deel dat niet langer wordt opgenomen op basis van de relatieve reële waarde van die delen op de terugkoopdatum. Het verschil tussen (a) de boekwaarde die aan het niet langer opgenomen deel is toegerekend en (b) de voor het niet langer opgenomen deel betaalde vergoeding, met inbegrip van overgedragen activa niet zijnde geldmiddelen of aangegane verplichtingen, moet in winst of verlies worden opgenomen.

HOOFDSTUK 4   Classificatie

4.1   CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE ACTIVA

4.1.1.

Tenzij alinea 4.1.5 van toepassing is, moet een entiteit financiële activa classificeren als activa die na eerste opname worden gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, dan wel tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies op basis van:

a)

zowel het bedrijfsmodel van de entiteit voor het beheer van de financiële activa,

b)

als de eigenschappen van de contractuele kasstromen van het financiële actief.

4.1.2.

Een financieel actief moet tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd als beide volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het financiële actief wordt aangehouden binnen een bedrijfsmodel dat erop gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, en

b)

de contractvoorwaarden van het financiële actief geven op bepaalde data aanleiding tot kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

De alinea's B4.1.1 tot en met B4.1.26 verschaffen leidraden voor de toepassing van deze voorwaarden.

4.1.2A

Een financieel actief moet tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gewaardeerd als beide volgende voorwaarden zijn vervuld:

a)

het financiële actief wordt aangehouden binnen een bedrijfsmodel waarvan het doel wordt bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen, en

b)

de contractvoorwaarden van het financiële actief geven op bepaalde data aanleiding tot kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

De alinea's B4.1.1 tot en met B4.1.26 verschaffen leidraden voor de toepassing van deze voorwaarden.

4.1.3.

Voor de toepassing van de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b):

a)

is de hoofdsom de reële waarde van het financiële actief bij eerste opname. Alinea B4.1.7B verschaft aanvullende leidraden voor wat onder hoofdsom moet worden verstaan;

b)

bestaat rente uit een vergoeding voor de tijdswaarde van geld, voor het tijdens een bepaalde periode aan het uitstaande hoofdsombedrag verbonden kredietrisico, en voor andere met kredietverlening samenhangende basisrisico's en -kosten, alsook uit een winstmarge. De alinea's B4.1.7A en B4.1.9A tot en met B4.1.9E verschaffen aanvullende leidraden voor wat onder rente en tijdswaarde van geld moet worden verstaan.

4.1.4.

Een financieel actief moet tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden gewaardeerd, tenzij het overeenkomstig alinea 4.1.2 tegen geamortiseerde kostprijs of overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gewaardeerd. Bij eerste opname mag een entiteit evenwel de onherroepelijke keuze maken om voor bepaalde beleggingen in eigenvermogensinstrumenten die anders tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zouden worden gewaardeerd, latere veranderingen in de reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren (zie de alinea's 5.7.5 en 5.7.6).

Mogelijkheid om een financieel actief aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

4.1.5.

Niettegenstaande de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.4 mag een entiteit bij eerste opname de onherroepelijke keuze maken om een financieel actief aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies indien een dergelijke keuze een inconsistentie in waardering of opname (soms een „accounting mismatch” genoemd) elimineert of aanzienlijk beperkt die anders zou ontstaan mocht de waardering van activa of verplichtingen of de opname van de winsten en verliezen hierop op basis van verschillende grondslagen plaatsvinden (zie de alinea's B4.1.29 tot en met B4.1.32).

4.2   CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN

4.2.1.

Een entiteit moet alle financiële verplichtingen classificeren als verplichtingen die na eerste opname tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd, uitgezonderd:

a)

financiële verplichtingen gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Dergelijke verplichtingen, waaronder derivaten die verplichtingen zijn, moeten na eerste opname tegen reële waarde worden gewaardeerd;

b)

financiële verplichtingen die ontstaan wanneer de overdracht van een financieel actief niet in aanmerking komt voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie of wanneer de benadering bij aanhoudende betrokkenheid van toepassing is. De alinea's 3.2.15 en 3.2.17 zijn van toepassing bij de waardering van dergelijke financiële verplichtingen;

c)

financiëlegarantiecontracten. Na eerste opname moet een emittent van een dergelijk contract (tenzij alinea 4.2.1(a) of alinea 4.2.1(b) van toepassing is) dit waarderen tegen het hoogste van de volgende bedragen:

i)

het bedrag van de voorziening voor verliezen dat overeenkomstig afdeling 5.5 is bepaald; en

ii)

het oorspronkelijk opgenomen bedrag (zie alinea 5.1.1), verminderd met, in voorkomend geval, het cumulatieve bedrag van de baten dat in overeenstemming met de beginselen van IFRS 15 is opgenomen;

d)

verplichtingen tot het verstrekken van een lening tegen een lagere rente dan de marktrente. Een emittent van een dergelijke verplichting moet deze (tenzij alinea 4.2.1(a) van toepassing is) na eerste opname waarderen tegen het hoogste van de volgende bedragen:

i)

het bedrag van de voorziening voor verliezen dat overeenkomstig afdeling 5.5 is bepaald; en

ii)

het oorspronkelijk opgenomen bedrag (zie alinea 5.1.1), verminderd met, in voorkomend geval, het cumulatieve bedrag van de baten dat in overeenstemming met de beginselen van IFRS 15 is opgenomen;

e)

een voorwaardelijke vergoeding die wordt opgenomen door een overnemende partij in een bedrijfscombinatie waarop IFRS 3 van toepassing is. Een dergelijke voorwaardelijke vergoeding wordt bij eerste opname gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

Mogelijkheid om een financiële verplichting aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

4.2.2.

Bij eerste opname mag een entiteit een financiële verplichting onherroepelijk aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies indien dit op grond van alinea 4.3.5 is toegestaan of indien dit tot meer relevante informatie leidt, omdat:

a)

het een inconsistentie in waardering of opname (soms een „accounting mismatch” genoemd) elimineert of aanzienlijk beperkt die anders zou ontstaan mocht de waardering van activa of verplichtingen of de opname van de winsten en verliezen hierop op basis van verschillende grondslagen plaatsvinden (zie de alinea's B4.1.29 tot en met B4.1.32); of

b)

een groep van financiële verplichtingen of van financiële activa en financiële verplichtingen wordt beheerd en de prestaties ervan worden beoordeeld op basis van de reële waarde, in overeenstemming met een gedocumenteerde risicobeheer- of beleggingsstrategie, en informatie over de groep intern op die basis wordt verstrekt aan managers van de entiteit op sleutelposities (zoals gedefinieerd in IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen), bijvoorbeeld de raad van bestuur en de „chief executive officer” van de entiteit (zie de alinea's B4.1.33 tot en met B4.1.36).

4.3   IN CONTRACTEN BESLOTEN DERIVATEN

4.3.1.

Een in een contract besloten derivaat is een component van een hybride contract dat tevens een niet-afgeleid basisinstrument omvat. Het gevolg is dat sommige kasstromen van het samengestelde instrument op dezelfde wijze veranderen als die van een losstaand derivaat. Een in een contract besloten derivaat veroorzaakt herzieningen in sommige of alle kasstromen die anders door het contract zouden zijn vereist, op basis van een bepaalde rente, prijs van een financieel instrument, commodityprijs, wisselkoers, index van prijzen of rentevoeten, creditrating of kredietwaardigheidsindex, of andere variabele, mits, in geval van een niet-financiële variabele, de variabele niet specifiek voor een contractpartij is. Een derivaat dat aan een financieel instrument is gekoppeld, maar contractueel onafhankelijk van dat instrument overdraagbaar is, of waarbij een andere tegenpartij is betrokken, is geen in een contract besloten derivaat, maar een afzonderlijk financieel instrument.

Hybride contracten met financiële activa als basisinstrument

4.3.2.

Indien een hybride contract een basisinstrument omvat dat een actief is dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt, dan moet een entiteit de vereisten in de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.5 op het gehele hybride contract toepassen.

Overige hybride contracten

4.3.3.

Indien een hybride contract een basisinstrument omvat dat geen actief is dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt, moet een in een contract besloten derivaat van het basisinstrument worden afgescheiden en administratief overeenkomstig deze standaard worden verwerkt als een derivaat als en alleen als:

a)

er geen nauw verband bestaat tussen de economische kenmerken en risico's van het in het contract besloten derivaat en de economische kenmerken en risico's van het basisinstrument (zie de alinea's B3.5 en B4.3.8);

b)

een afzonderlijk instrument met dezelfde voorwaarden als het in het contract besloten derivaat zou voldoen aan de definitie van een derivaat; en

c)

het hybride contract niet tegen reële waarde wordt gewaardeerd met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (dat wil zeggen dat een derivaat dat is besloten in een financiële verplichting gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies niet wordt afgescheiden).

4.3.4.

Indien een in een contract besloten derivaat wordt afgescheiden, dan moet het basiscontract administratief worden verwerkt in overeenstemming met de toepasselijke standaarden. Deze standaard gaat niet in op de vraag of een in een contract besloten derivaat afzonderlijk in het overzicht van de financiële positie moet worden gepresenteerd.

4.3.5.

Als een contract één of meer daarin besloten derivaten omvat en het basisinstrument geen actief is dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt, mag een entiteit, niettegenstaande de alinea's 4.3.3 en 4.3.4, het gehele hybride contract aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, tenzij:

a)

het (de) in een contract besloten deriva(a)t(en) niet leid(t)(en) tot een significante herziening van de kasstromen die anders door het contract vereist zouden zijn; dan wel

b)

het bij een eerste onderzoek van een vergelijkbaar hybride instrument na weinig of geen analyse duidelijk is dat de afscheiding van het (de) in een contract besloten deriva(a)t(en) niet is toegestaan, zoals een optie tot vervroegde aflossing die besloten is in een lening die de houder ervan toestaat om de lening vervroegd af te lossen voor ongeveer de geamortiseerde kostprijs ervan.

4.3.6.

Als een entiteit op grond van deze standaard verplicht is een in een contract besloten derivaat van het basisinstrument af te scheiden, maar bij verwerving of aan het einde van een latere verslagperiode de waarde van dat derivaat niet individueel kan bepalen, moet zij het gehele hybride contract aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

4.3.7.

Als een entiteit niet in staat is om de reële waarde van een in een contract besloten derivaat betrouwbaar te bepalen op basis van de voorwaarden van dat derivaat, is de reële waarde van het in het contract besloten derivaat het verschil tussen de reële waarde van het hybride contract en de reële waarde van het basisinstrument. Als de entiteit niet in staat is om via deze methode de reële waarde van het in het contract besloten derivaat te bepalen, is alinea 4.3.6 van toepassing en wordt het hybride contract aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

4.4   HERCLASSIFICATIE

4.4.1.

Als en alleen als een entiteit haar bedrijfsmodel voor het beheer van financiële activa wijzigt, moet zij alle betrokken financiële activa herclassificeren in overeenstemming met de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.4. Zie de alinea's 5.6.1 tot en met 5.6.7, B4.4.1, B4.4.2, B4.4.3, B5.6.1 en B5.6.2 voor aanvullende leidraden voor de herclassificatie van financiële activa.

4.4.2.

Een entiteit mag geen enkele financiële verplichting herclassificeren.

4.4.3.

De volgende veranderingen in omstandigheden zijn geen herclassificaties in de zin van de alinea's 4.4.1 en 4.4.2:

a)

een post die voorheen was aangewezen als afdekkingsinstrument en effectief was bij een kasstroomafdekking of afdekking van een netto-investering, maar dat niet langer is;

b)

een post wordt aangewezen als afdekkingsinstrument en is effectief bij een kasstroomafdekking of afdekking van een netto-investering; en

c)

veranderingen in waardering in overeenstemming met afdeling 6.7.

HOOFDSTUK 5   Waardering

5.1   EERSTE WAARDERING

5.1.1.

Behalve bij handelsvorderingen die binnen het toepassingsgebied van alinea 5.1.3 vallen, moet een entiteit een financieel actief of financiële verplichting bij eerste opname waarderen tegen de reële waarde ervan plus of minus, in het geval van een financieel actief dat, of een financiële verplichting die, niet tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies wordt gewaardeerd, de transactiekosten die direct aan de verwerving of uitgifte van het financiële actief of de financiële verplichting kunnen worden toegerekend.

5.1.1A

Als de reële waarde van het financiële actief of de financiële verplichting bij eerste opname echter verschilt van de transactieprijs, moet een entiteit alinea B5.1.2A toepassen.

5.1.2.

Indien een entiteit een actief dat administratief op basis van de afwikkelingsdatum wordt verwerkt, na eerste opname tegen geamortiseerde kostprijs waardeert, wordt het actief eerst tegen de reële waarde op de transactiedatum opgenomen (zie de alinea's B3.1.3 tot en met B3.1.6).

5.1.3.

Ondanks het vereiste in alinea 5.1.1 moet een entiteit handelsvorderingen die geen significante financieringscomponent hebben (bepaald in overeenstemming met IFRS 15) bij eerste opname tegen hun transactieprijs waarderen.

5.2   WAARDERING VAN FINANCIËLE ACTIVA NA EERSTE OPNAME

5.2.1.

Na eerste opname moet een entiteit een financieel actief in overeenstemming met de alinea's 4.1.1 tot en met 4.1.5 waarderen tegen:

a)

geamortiseerde kostprijs;

b)

reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat; of

c)

reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

5.2.2.

Een entiteit moet de vereisten van afdeling 5.5 inzake bijzondere waardevermindering toepassen op financiële activa die overeenkomstig alinea 4.1.2 tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd, alsook op financiële activa die overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gewaardeerd.

5.2.3.

Een entiteit moet de vereisten in de alinea's 6.5.8 tot en met 6.5.14 inzake hedge accounting (en, indien van toepassing, de alinea's 89 tot en met 94 van IAS 39 voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties („fair value hedge accounting”) ter afdekking van het renterisico van een portefeuille) toepassen op een financieel actief dat als afgedekte positie is aangewezen  (1) .

5.3   WAARDERING VAN FINANCIËLE VERPLICHTINGEN NA EERSTE OPNAME

5.3.1.

Na eerste opname moet een entiteit een financiële verplichting in overeenstemming met de alinea's 4.2.1 en 4.2.2 waarderen.

5.3.2.

Een entiteit moet de vereisten in de alinea's 6.5.8 tot en met 6.5.14 inzake hedge accounting (en, indien van toepassing, de alinea's 89 tot en met 94 van IAS 39 voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties ter afdekking van het renterisico van een portefeuille) toepassen op een financiële verplichting die als afgedekte positie is aangewezen.

5.4   WAARDERING TEGEN GEAMORTISEERDE KOSTPRIJS

Financiële activa

Effectieverentemethode

5.4.1.

Renteopbrengsten moeten worden berekend volgens de effectieverentemethode (zie bijlage A en de alinea's B5.4.1 tot en met B5.4.7). Deze opbrengsten moeten worden berekend door de effectieverentemethode toe te passen op de brutoboekwaarde van een financieel actief, behalve voor:

a)

verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid. Voor die financiële activa moet de entiteit de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet toepassen op de geamortiseerde kostprijs van het financiële actief bij eerste opname;

b)

financiële activa die geen verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid zijn, maar die nadien financiële activa met verminderde kredietwaardigheid geworden zijn. Voor die financiële activa moet de entiteit de effectieve rentevoet toepassen op de geamortiseerde kostprijs van het financiële actief in latere verslagperioden.

5.4.2.

Een entiteit die tijdens een verslagperiode de renteopbrengsten berekent door overeenkomstig alinea 5.4.1(b) de effectieverentemethode op de geamortiseerde kostprijs van een financieel actief toe te passen, moet in latere verslagperioden de renteopbrengsten berekenen door de effectieverentemethode op de brutoboekwaarde toe te passen indien het aan het financiële instrument verbonden kredietrisico zodanig verbetert dat het financiële actief niet langer door een verminderde kredietwaardigheid wordt gekenmerkt en de verbetering objectief in verband kan worden gebracht met een gebeurtenis die na de toepassing van de vereisten in alinea 5.4.1(b) plaatsvond (zoals een verbetering van de creditrating van de leningnemer).

Herziening van contractuele kasstromen

5.4.3.

Wanneer de contractuele kasstromen van een financieel actief na heronderhandeling of anderszins worden herzien en de heronderhandeling of herziening overeenkomstig deze standaard niet in het niet langer opnemen van het betrokken financiële actief resulteert, moet een entiteit de brutoboekwaarde van het financiële actief herberekenen en een herzieningswinst of -verlies in winst of verlies opnemen. De brutoboekwaarde van het financiële actief moet worden herberekend als de contante waarde van de heronderhandelde of herziene contractuele kasstromen, gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rentevoet van het financiële actief (of de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid), dan wel, in voorkomend geval, de herziene effectieve rentevoet berekend overeenkomstig alinea 6.5.10. De gemaakte kosten of betaalde provisies vormen een aanpassing van de boekwaarde van het herziene financiële actief en worden geamortiseerd over de resterende looptijd van het herziene financiële actief.

Afschrijving

5.4.4.

Een entiteit moet de brutoboekwaarde van een financieel actief direct verminderen wanneer zij niet in redelijkheid verwacht dat een financieel actief geheel of gedeeltelijk realiseerbaar zal zijn. Een afschrijving is een verwijderingsgebeurtenis (zie alinea B3.2.16(r)).

5.5   BIJZONDERE WAARDEVERMINDERING

Opname van te verwachten kredietverliezen

Algemene benadering

5.5.1.

Een entiteit moet een voorziening voor verliezen opnemen voor te verwachten kredietverliezen op een financieel actief dat overeenkomstig alinea 4.1.2 of alinea 4.12A wordt gewaardeerd, een leasevordering, een contractactief of een leningtoezegging en een financiëlegarantiecontract waarop overeenkomstig de alinea's 2.1(g), 4.2.1(c) of 4.2.1(d) de vereisten inzake bijzondere waardevermindering van toepassing zijn.

5.5.2.

Een entiteit moet de vereisten inzake bijzondere waardevermindering voor de opname en waardering van een voorziening voor verliezen toepassen op financiële activa die overeenkomstig alinea 4.1.2A worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat. De voorziening voor verliezen moet echter in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen en mag de boekwaarde van het financiële actief in het overzicht van de financiële positie niet verminderen.

5.5.3.

Behoudens de alinea's 5.5.13 tot en met 5.5.16 moet een entiteit de waarde van de voorziening voor verliezen op een financieel instrument op elke verslagdatum bepalen op een bedrag dat gelijk is aan de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen indien het aan het financiële instrument verbonden kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen.

5.5.4.

Het doel van de vereisten inzake bijzondere waardevermindering is te voorzien in de opname van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen op alle financiële instrumenten waarvoor het kredietrisico — hetzij op individuele, hetzij op collectieve basis — sinds de eerste opname significant is toegenomen, rekening houdend met alle redelijke en gefundeerde informatie, met inbegrip van toekomstgerichte informatie.

5.5.5.

Behoudens de alinea's 5.5.13 tot en met 5.5.16 moet een entiteit, indien het aan een financieel instrument verbonden kredietrisico op de verslagdatum niet significant is toegenomen sinds de eerste opname, de waarde van de voorziening voor verliezen op dat financiële instrument bepalen op een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen.

5.5.6.

Wat leningtoezeggingen en financiëlegarantiecontracten betreft, moet de datum waarop de entiteit partij wordt bij de onherroepelijke toezegging, worden beschouwd als de datum van eerste opname voor de toepassing van de vereisten inzake bijzondere waardevermindering.

5.5.7.

Indien een entiteit de waarde van de voorziening voor verliezen op een financieel instrument tijdens de voorgaande verslagperiode heeft bepaald op een bedrag dat gelijk is aan de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, maar op de actuele verslagdatum vaststelt dat niet langer aan alinea 5.5.3 is voldaan, moet de entiteit de waarde van de voorziening voor verliezen op de actuele verslagdatum bepalen op een bedrag dat gelijk is aan de binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen.

5.5.8.

Een entiteit moet het bedrag van de te verwachten kredietverliezen (of terugboeking) dat vereist is om de vergoeding voor verliezen op de verslagdatum aan te passen aan het bedrag dat overeenkomstig deze standaard moet worden opgenomen, als een bijzonderewaardeverminderingswinst of -verlies in winst of verlies opnemen.

Bepaling van significante toenamen van het kredietrisico

5.5.9.

Op elke verslagdatum moet een entiteit beoordelen of het aan een financieel instrument verbonden kredietrisico niet significant is toegenomen sinds de eerste opname. Bij de beoordeling moet een entiteit gebruikmaken van de verandering in het risico dat er tijdens de verwachte looptijd van het financiële instrument een wanbetaling plaatsvindt en niet van de verandering in het bedrag van de te verwachten kredietverliezen. Bij het verrichten van de beoordeling moet een entiteit het op de verslagdatum bestaande risico dat er een wanbetaling met betrekking tot het financiële instrument plaatsvindt, vergelijken met het op de datum van eerste opname bestaande risico dat er een wanbetaling met betrekking tot het financiële instrument plaatsvindt, waarbij rekening wordt gehouden met redelijke, gefundeerde en zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen beschikbare informatie die indicatief is voor significante toenamen van het kredietrisico sinds de eerste opname.

5.5.10.

Een entiteit mag aannemen dat het aan een financieel instrument verbonden kredietrisico sinds de eerste opname niet significant is toegenomen als op de verslagdatum wordt vastgesteld dat aan het financiële instrument een laag kredietrisico verbonden is (zie de alinea's B5.5.22, B5.5.23 en B5.5.24).

5.5.11.

Indien er redelijke en gefundeerde toekomstgerichte informatie beschikbaar is die geen ongerechtvaardigde kosten of inspanningen vereist, mag een entiteit niet alleen op achterstalligheidsinformatie vertrouwen bij het uitmaken of het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen. Wanneer informatie die meer op de toekomst is gericht dan achterstalligheidsinformatie (hetzij op individuele, hetzij op collectieve basis) echter niet zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen beschikbaar is, mag een entiteit achterstalligheidsinformatie gebruiken om uit te maken of het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen. Ongeacht op welke wijze een entiteit significante toenamen van het kredietrisico beoordeelt, is er een weerlegbaar vermoeden dat het aan een financieel instrument verbonden kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen wanneer contractuele betalingen meer dan 30 dagen achterstallig zijn. Een entiteit kan dit vermoeden weerleggen als zij beschikt over redelijke, gefundeerde en zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen beschikbare informatie die aantoont dat het kredietrisico sinds de eerste opname niet significant is toegenomen, ook al zijn de contractuele betalingen meer dan 30 dagen achterstallig. Wanneer een entiteit voordat contractuele betalingen meer dan 30 dagen achterstallig zijn, vaststelt dat het kredietrisico significant is toegenomen, is het weerlegbaar vermoeden niet van toepassing.

Herziene financiële activa

5.5.12.

Indien de contractuele kasstromen van een financieel actief heronderhandeld en herzien zijn en het financiële actief niet uit het overzicht van de financiële positie is verwijderd, moet een entiteit overeenkomstig alinea 5.5.3 beoordelen of het aan het financiële instrument verbonden kredietrisico significant is toegenomen door een vergelijking te maken tussen:

a)

het op de verslagdatum bestaande risico dat er een wanbetaling plaatsvindt (op basis van de herziene contractvoorwaarden); en

b)

het bij eerste opname bestaande risico dat er een wanbetaling plaatsvindt (op basis van de oorspronkelijke, niet-herziene contractvoorwaarden).

Verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid

5.5.13.

Niettegenstaande de alinea's 5.5.3 en 5.5.5 moet een entiteit op de verslagdatum alleen de cumulatieve veranderingen in de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen sinds de eerste opname opnemen als een voorziening voor verliezen op verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid.

5.5.14.

Op elke verslagdatum moet een entiteit het bedrag van de veranderingen in de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen als een bijzonderewaardeverminderingswinst of -verlies in winst of verlies opnemen. Een entiteit moet positieve veranderingen in de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen als een bijzonderewaardeverminderingswinst opnemen, ook al zijn de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen kleiner dan het bedrag van de te verwachten kredietverliezen die bij eerste opname in de geschatte kasstromen waren opgenomen.

Vereenvoudigde benadering voor handelsvorderingen, contractactiva en leasevorderingen

5.5.15.

Niettegenstaande de alinea's 5.5.3 en 5.5.5 moet een entiteit de voorziening voor verliezen steeds waarderen op een bedrag dat gelijk is aan de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen op:

a)

handelsvorderingen of contractactiva die voortvloeien uit transacties die binnen het toepassingsgebied van IFRS 15 vallen, en die:

i)

geen significante financieringscomponent bevatten (of wanneer de entiteit het praktisch hulpmiddel voor contracten met een looptijd van ten hoogste een jaar toepast) in overeenstemming met IFRS 15; of

ii)

een significante financieringscomponent bevatten in overeenstemming met IFRS 15, indien de entiteit de waardering van de voorziening voor verliezen op een bedrag dat gelijk is aan de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen als grondslag voor financiële verslaggeving kiest. Die grondslag voor financiële verslaggeving moet op alle dergelijke handelsvorderingen of contractactiva worden toegepast, maar mag afzonderlijk op handelsvorderingen en contractactiva worden toegepast;

b)

leasevorderingen die resulteren uit transacties die binnen het toepassingsgebied van IAS 17 vallen, indien de entiteit de waardering van de voorziening voor verliezen op een bedrag dat gelijk is aan de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen als grondslag voor financiële verslaggeving kiest. Deze grondslag voor financiële verslaggeving moet op alle leasevorderingen worden toegepast, maar mag afzonderlijk op vorderingen uit hoofde van financiële en operationele leases worden toegepast.

5.5.16.

Een entiteit mag haar grondslagen voor financiële verslaggeving over handelsvorderingen, leasevorderingen en contractactiva onafhankelijk van elkaar kiezen.

Waardering van te verwachten kredietverliezen

5.5.17.

Een entiteit moet te verwachten kredietverliezen op een financieel instrument op zodanige wijze waarderen dat het volgende wordt weergegeven:

a)

een onvertekend en kansgewogen bedrag dat is bepaald door een reeks van mogelijke uitkomsten te evalueren;

b)

de tijdswaarde van geld; en

c)

redelijke, gefundeerde en zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen op de verslagdatum beschikbare informatie over gebeurtenissen uit het verleden, de heersende omstandigheden en prognoses van toekomstige economische omstandigheden.

5.5.18.

Bij de waardering van te verwachten kredietverliezen hoeft een entiteit niet noodzakelijkerwijze elk mogelijk scenario in aanmerking te nemen. De entiteit moet echter wel het risico of de kans onderzoeken dat er zich een kredietverlies voordoet door de mogelijkheid in aanmerking te nemen dat er zich een kredietverlies voordoet en de mogelijkheid dat er zich geen kredietverlies voordoet, ook al is de mogelijkheid dat er zich een kredietverlies voordoet zeer gering.

5.5.19.

De maximumperiode die bij de waardering van te verwachten kredietverliezen in aanmerking moet worden genomen, is de maximale contractuele periode (inclusief verlengingsopties) gedurende welke de entiteit aan kredietrisico is blootgesteld en geen langere periode, ook al sluit die langere periode aan bij de bedrijfspraktijken.

5.5.20.

Sommige financiële instrumenten omvatten echter zowel een leninggedeelte als een niet-opgenomen gedeelte van de toegezegde lening en de blootstelling van de entiteit aan kredietverliezen tijdens de contractuele opzegtermijn wordt niet beperkt door de contractuele mogelijkheid van de entiteit om terugbetaling te eisen en het niet-opgenomen gedeelte te annuleren. Voor dergelijke financiële instrumenten, en alleen voor dergelijke financiële instrumenten, moet de entiteit de te verwachten kredietverliezen waarderen over de periode waarin de entiteit aan kredietrisico is blootgesteld en de te verwachten kredietverliezen niet door kredietrisicobeheermaatregelen zouden worden beperkt, ook al is deze periode langer dan de maximale contractuele periode.

5.6   HERCLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE ACTIVA

5.6.1.

Indien een entiteit financiële activa in overeenstemming met alinea 4.4.1 herclassificeert, moet zij de herclassificatie prospectief toepassen vanaf de herclassificatiedatum. De entiteit mag voorheen opgenomen winsten, verliezen (met inbegrip van bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen) of rente niet aanpassen. In de alinea's 5.6.2 tot en met 5.6.7 worden de herclassificatievereisten uiteengezet.

5.6.2.

Indien een entiteit een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs herclassificeert naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt de reële waarde bepaald op de herclassificatiedatum. Elke winst die of elk verlies dat uit het verschil tussen de eerder gehanteerde geamortiseerde kostprijs van het financiële actief en de reële waarde voortvloeit, wordt in winst of verlies opgenomen.

5.6.3.

Indien een entiteit een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies herclassificeert naar de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, wordt de reële waarde van het financiële actief op de herclassificatiedatum de nieuwe brutoboekwaarde ervan. (Zie alinea B5.6.2 voor leidraden betreffende de bepaling van een effectieve rentevoet en van een voorziening voor verliezen op de herclassificatiedatum.)

5.6.4.

Indien een entiteit een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs herclassificeert naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, wordt de reële waarde bepaald op de herclassificatiedatum. Elke winst die of elk verlies dat uit het verschil tussen de eerder gehanteerde geamortiseerde kostprijs van het financiële actief en de reële waarde voortvloeit, wordt in de overige onderdelen van het totaalresultaat opgenomen. De effectieve rentevoet en de waardering van te verwachten kredietverliezen worden niet aangepast als gevolg van de herclassificatie. (Zie alinea B5.6.1)

5.6.5.

Indien een entiteit een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat herclassificeert naar de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs, wordt het financiële actief geherclassificeerd tegen de reële waarde ervan op de herclassificatiedatum. De cumulatieve winst die of het cumulatieve verlies dat voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat was opgenomen, wordt uit het eigen vermogen overgeboekt en verwerkt in de reële waarde van het financiële actief op de herclassificatiedatum. Dit heeft tot gevolg dat het financiële actief op de herclassificatiedatum wordt gewaardeerd alsof het altijd tegen geamortiseerde kostprijs was gewaardeerd. Deze aanpassing is van invloed op de overige onderdelen van het totaalresultaat maar niet op winst of verlies en is bijgevolg geen herclassificatieaanpassing (zie IAS 1 Presentatie van de jaarrekening). De effectieve rentevoet en de waardering van te verwachten kredietverliezen worden niet aangepast als gevolg van de herclassificatie. (Zie alinea B5.6.1)

5.6.6.

Indien een entiteit een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies herclassificeert naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, wordt het financiële actief verder tegen reële waarde gewaardeerd. (Zie alinea B5.6.2 voor leidraden betreffende de bepaling van een effectieve rentevoet en van een voorziening voor verliezen op de herclassificatiedatum.)

5.6.7.

Indien een entiteit een financieel actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat herclassificeert naar de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt het financiële actief verder tegen reële waarde gewaardeerd. De cumulatieve winst die of het cumulatieve verlies dat voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat was opgenomen, wordt op de herclassificatiedatum overgeboekt van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1).

5.7   WINSTEN EN VERLIEZEN

5.7.1.

Een winst of een verlies op een financieel actief dat of een financiële verplichting die tegen reële waarde wordt gewaardeerd, moet in winst of verlies worden opgenomen, tenzij:

a)

het actief of de verplichting deel uitmaakt van een afdekkingsrelatie (zie de alinea's 6.5.8 tot en met 6.5.14 en, indien van toepassing, de alinea's 89 tot en met 94 van IAS 39 voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties ter afdekking van het renterisico van een portefeuille);

b)

het een belegging in een eigenvermogensinstrument betreft en de entiteit er overeenkomstig alinea 5.7.5 voor gekozen heeft de winsten en verliezen op die belegging in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren;

c)

het een financiële verplichting betreft die is aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en de entiteit verplicht is de gevolgen van wijzigingen in het aan de verplichting verbonden kredietrisico overeenkomstig alinea 5.7.7 in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren; of

d)

het een financieel actief betreft dat overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gewaardeerd en de entiteit verplicht is sommige veranderingen in de reële waarde overeenkomstig alinea 5.7.10 in de overige onderdelen van het totaalresultaat op te nemen.

5.7.1 A

Dividenden worden alleen in winst en verlies opgenomen wanneer:

a)

de entiteit het recht heeft verkregen op ontvangst van de betaling van het dividend;

b)

het waarschijnlijk is dat de economische voordelen met betrekking tot het dividend naar de entiteit zullen vloeien; en

c)

het bedrag van het dividend betrouwbaar kan worden bepaald.

5.7.2.

Een winst of een verlies op een financieel actief dat tegen geamortiseerde kostprijs wordt gewaardeerd en dat geen deel uitmaakt van een afdekkingsrelatie (zie de alinea's 6.5.8 tot en met 6.5.14 en, indien van toepassing, de alinea's 89 tot en met 94 van IAS 39 voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties ter afdekking van het renterisico van een portefeuille), moet in winst of verlies worden opgenomen wanneer het financiële actief niet meer in het overzicht van de financiële positie wordt opgenomen, en in overeenstemming met alinea 5.6.2 wordt geherclassificeerd, via het amortisatieproces, dan wel met het oog op de opname van bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen. Een entiteit moet de alinea's 5.6.2 en 5.6.4 toepassen indien zij financiële activa uit de categorie gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs herclassificeert. Een winst of een verlies op een financiële verplichting die tegen geamortiseerde kostprijs wordt gewaardeerd en die geen deel uitmaakt van een afdekkingsrelatie (zie de alinea's 6.5.8 tot en met 6.5.14 en, indien van toepassing, de alinea's 89 tot en met 94 van IAS 39 voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties ter afdekking van het renterisico van een portefeuille), moet in winst of verlies worden opgenomen wanneer de financiële verplichting niet meer in het overzicht van de financiële positie wordt opgenomen, en via het amortisatieproces. (Voor leidraden betreffende winsten of verliezen uit wisselkoersverschillen, zie alinea B5.7.2.)

5.7.3.

Een winst of een verlies op financiële activa of financiële verplichtingen die afgedekte posities zijn die van een afdekkingsrelatie deel uitmaken, worden overeenkomstig de alinea's 6.5.8 tot en met 6.5.14 en, indien van toepassing, de alinea's 89 tot en met 94 van IAS 39 opgenomen voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties ter afdekking van het renterisico van een portefeuille.

5.7.4.

Indien een entiteit financiële activa opneemt op de afwikkelingsdatum (zie de alinea's 3.1.2, B3.1.3 en B3.1.6), wordt een wijziging in de reële waarde van het tussen de transactiedatum en de afwikkelingsdatum te ontvangen actief niet opgenomen bij activa die tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd. Bij activa die tegen reële waarde worden gewaardeerd, moet de wijziging in de reële waarde overeenkomstig alinea 5.7.1 echter in winst of verlies, dan wel in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen, al naargelang het geval. Voor de toepassing van de vereisten inzake bijzondere waardevermindering moet de transactiedatum als de datum van eerste opname worden beschouwd.

Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten

5.7.5.

Bij eerste opname mag een entiteit de onherroepelijke keuze maken latere veranderingen in de reële waarde van een belegging in een eigenvermogensinstrument dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt en dat niet voor handelsdoeleinden aangehouden wordt, en evenmin een voorwaardelijke vergoeding is van een overnemende partij bij een bedrijfscombinatie waarop IFRS 3 van toepassing is, in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren. (Voor leidraden betreffende winsten of verliezen uit wisselkoersverschillen, zie alinea B5.7.3.)

5.7.6.

Indien een entiteit de in alinea 5.7.5 beschreven keuze maakt, moet zij de dividenden van die belegging overeenkomstig alinea 5.7.1A in winst of verlies opnemen.

Verplichtingen aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

5.7.7.

Een entiteit moet een winst of verlies op een financiële verplichting die overeenkomstig alinea 4.2.2 of alinea 4.3.5 is aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies als volgt presenteren:

a)

het bedrag van de verandering in de reële waarde van de financiële verplichting dat aan veranderingen in het aan die verplichting verbonden kredietrisico toe te rekenen is, moet in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gepresenteerd (zie de alinea's B5.7.13 tot en met B5.7.20), en

b)

het resterende bedrag van de verandering in de reële waarde van de verplichting moet in winst of verlies worden gepresenteerd,

tenzij de onder (a) beschreven verwerkingswijze van de gevolgen van veranderingen in het aan de verplichting verbonden kredietrisico aanleiding zou geven tot het ontstaan of de vergroting van een accounting mismatch in winst of verlies (in welk geval alinea 5.7.8 van toepassing is). In de alinea's B5.7.5, B7.7.6, B5.7.7 en B5.7.10 tot en met B5.7.12 worden leidraden verstrekt om uit te maken of een accounting mismatch zou ontstaan of worden vergroot.

5.7.8.

Indien de vereisten in alinea 5.7.7 aanleiding zouden geven tot het ontstaan of de vergroting van een accounting mismatch in winst of verlies, dan moet een entiteit alle winsten of verliezen op die verplichting (met inbegrip van de gevolgen van veranderingen in het aan die verplichting verbonden kredietrisico) in winst of verlies presenteren.

5.7.9.

Ondanks de vereisten in de alinea's 5.7.7 en 5.7.8 moet een entiteit alle winsten en verliezen op leningtoezeggingen en financiëlegarantiecontracten die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zijn aangewezen, in winst of verlies presenteren.

Activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat

5.7.10.

Een winst of verlies op een financieel actief dat overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gewaardeerd, moet, met uitzondering van bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen (zie afdeling 5.5) en winsten en verliezen uit wisselkoersverschillen (zie de alinea's B5.7.2 en B5.7.2A), in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen totdat het financiële actief niet langer wordt opgenomen of wordt geherclassificeerd. Wanneer het financiële actief niet langer wordt opgenomen, wordt de cumulatieve winst die of het cumulatieve verlies dat voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat was opgenomen, overgeboekt van het eigen vermogen naar de winst of het verlies als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1). Indien het financiële actief uit de categorie gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt geherclassificeerd, moet de entiteit de cumulatieve winst die of het cumulatieve verlies dat voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat was opgenomen, overeenkomstig de alinea's 5.6.5 en 5.6.7 administratief verwerken. De volgens de effectieverentemethode berekende rente wordt in winst of verlies opgenomen.

5.7.11.

Zoals in alinea 5.7.10 is uiteengezet, geldt dat indien een financieel actief overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gewaardeerd, de in winst of verlies opgenomen bedragen dezelfde zijn als de bedragen die in winst of verlies zouden zijn opgenomen mocht het financiële actief tegen geamortiseerde kostprijs zijn gewaardeerd.

HOOFDSTUK 6   Hedge accounting (administratieve verwerking van afdekkingstransacties)

6.1   DOEL EN TOEPASSINGSGEBIED VAN HEDGE ACCOUNTING

6.1.1.

Het doel van hedge accounting is in de jaarrekening het effect weer te geven van de risicobeheeractiviteiten van een entiteit waarbij wordt gebruikgemaakt van financiële instrumenten om blootstellingen te beheren die voortvloeien uit bepaalde risico's die van invloed zouden kunnen zijn op winst of verlies (of de overige onderdelen van het totaalresultaat, in geval van beleggingen in eigenvermogensinstrumenten waarvoor een entiteit overeenkomstig alinea 5.7.5 de keuze heeft gemaakt veranderingen in reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren). Deze benadering is erop gericht de context weer te geven van afdekkingsinstrumenten waarop hedge accounting wordt toegepast met de bedoeling inzicht te bieden in het doel en het effect van deze instrumenten.

6.1.2.

Een entiteit mag ervoor kiezen een afdekkingsrelatie tussen een afdekkingsinstrument en een afgedekte positie aan te wijzen in overeenstemming met de alinea's 6.2.1 tot en met 6.3.7 en B6.2.1 tot en met B6.3.25. Voor afdekkingsrelaties die aan de criteria voldoen, moet een entiteit de winst of het verlies op het afdekkingsinstrument en de afgedekte positie administratief verwerken overeenkomstig de alinea's 6.5.1 tot en met 6.5.14 en B6.5.1 tot en met 6.5.28. Wanneer de afgedekte positie een groep van posities is, moet een entiteit aan de additionele vereisten in de alinea's 6.6.1 tot en met 6.6.6 en B6.6.1 tot en met B6.6.16 voldoen.

6.1.3.

Bij een reëlewaardeafdekking van het renterisico van een portefeuille van financiële activa of financiële verplichtingen (en uitsluitend bij een dergelijke afdekking) mag een entiteit de vereisten van IAS 39 inzake hedge accounting toepassen in plaats van die van deze standaard. In dat geval moet de entiteit ook de specifieke vereisten voor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties ter afdekking van het renterisico van een portefeuille toepassen en een deel dat een geldbedrag is, als afgedekte positie aanwijzen (zie de alinea's 81A, 89A en TL114 tot en met TL132 van IAS 39).

6.2   AFDEKKINGSINSTRUMENTEN

In aanmerking komende instrumenten

6.2.1.

Een derivaat gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, met uitzondering van sommige geschreven opties, mag als afdekkingsinstrument worden aangewezen (zie alinea B6.2.4).

6.2.2.

Een niet-afgeleid financieel actief of niet-afgeleide financiële verplichting gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies mag als afdekkingsinstrument worden aangewezen, tenzij het een financiële verplichting betreft die als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies is aangewezen en waarvan het bedrag van de verandering in de reële waarde ervan dat aan veranderingen in het aan die verplichting verbonden kredietrisico is toe te rekenen, overeenkomstig alinea 5.7.7 in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gepresenteerd. Bij afdekking van een valutarisico mag de valutarisicocomponent van een niet-afgeleid financieel actief of een niet-afgeleide financiële verplichting als afdekkingsinstrument worden aangewezen, op voorwaarde dat het geen belegging in een eigenvermogensinstrument betreft ten aanzien waarvan een entiteit er overeenkomstig alinea 5.7.5 voor heeft gekozen veranderingen in reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren.

6.2.3.

Ten behoeve van hedge accounting kunnen alleen contracten als afdekkingsinstrument worden aangewezen waarbij een partij buiten de verslaggevende entiteit (dat wil zeggen buiten de groep of de individuele entiteit waarover wordt gerapporteerd) is betrokken.

Aanwijzing van afdekkingsinstrumenten

6.2.4.

Een in aanmerking komend instrument moet in zijn geheel als afdekkingsinstrument worden aangewezen. De enige toegestane uitzonderingen zijn:

a)

splitsing van de intrinsieke waarde en de tijdswaarde van een optiecontract, waarbij alleen de verandering in de intrinsieke waarde van een optie als afdekkingsinstrument wordt aangewezen en niet de verandering in de tijdswaarde ervan (zie de alinea's 6.5.15 en B6.5.29 tot en met B6.5.33);

b)

splitsing van het termijnelement en het contante element van een termijncontract en aanwijzing van enkel de waardeverandering van het contante element van een termijncontract en niet het termijnelement als afdekkingsinstrument; in dezelfde zin mag de valutabasisspread worden afgesplitst en uitgesloten van de aanwijzing van een financieel instrument als afdekkingsinstrument (zie de alinea's 6.5.16 en 6.5.34 tot en met 6.5.39); en

c)

een gedeelte van het gehele afdekkingsinstrument, zoals 50 procent van het nominale bedrag, mag worden aangewezen als afdekkingsinstrument in een afdekkingsrelatie. Een afdekkingsinstrument mag echter niet worden aangewezen voor een deel van zijn verandering in reële waarde dat voortvloeit uit slechts een deel van de periode waarin het afdekkingsinstrument uitstaat.

6.2.5.

Een entiteit mag de volgende instrumenten in combinatie beschouwen en gezamenlijk als afdekkingsinstrument aanwijzen (ook in omstandigheden waarin het risico dat, of de risico's die, uit sommige afdekkingsinstrumenten voortvloeit, respectievelijk voortvloeien, het risico dat, of de risico's die, uit sommige andere afdekkingsinstrumenten voortvloeien, compenseert, respectievelijk compenseren):

a)

derivaten of een deel daarvan; en

b)

niet-derivaten of een deel daarvan.

6.2.6.

Een afgeleid instrument waarin een geschreven optie en een gekochte optie worden gecombineerd (bijvoorbeeld een interest rate collar), komt echter niet in aanmerking als afdekkingsinstrument indien dit afgeleide instrument op de datum van aanwijzing in feite een op nettobasis geschreven optie is (tenzij het overeenkomstig alinea B6.2.4 wel in aanmerking komt). Evenzo kunnen twee of meer instrumenten (of delen daarvan) alleen gezamenlijk als afdekkingsinstrument worden aangewezen indien zij, in combinatie beschouwd, op de datum van aanwijzing in feite geen op nettobasis geschreven optie zijn (tenzij zij overeenkomstig alinea B6.2.4 wel in aanmerking komen).

6.3   AFGEDEKTE POSITIES

In aanmerking komende posities

6.3.1.

Een afgedekte positie kan een opgenomen actief of verplichting, een niet-opgenomen vaststaande toezegging, een verwachte toekomstige transactie of een netto-investering in een buitenlandse activiteit zijn. De afgedekte positie kan:

a)

één positie zijn; dan wel

b)

een groep van posities (onderworpen aan de vereisten in de alinea's 6.6.1 tot en met 6.6.6 en B6.6.1 tot en met B6.6.16).

Een afgedekte positie kan ook een component van een dergelijke positie of groep van posities zijn (zie de alinea's 6.3.7 en B6.3.7 tot en met B6.3.25).

6.3.2.

De afgedekte positie moet betrouwbaar te waarderen zijn.

6.3.3.

Indien een afgedekte positie een verwachte toekomstige transactie (of een deel daarvan) is, moet die transactie zeer waarschijnlijk zijn.

6.3.4.

Een geaggregeerde blootstelling die een combinatie is van een blootstelling die overeenkomstig alinea 6.3.1 als afgedekte positie in aanmerking kan komen en een derivaat, mag als afgedekte positie worden aangewezen (zie de alinea's B6.3.3 en B6.3.4). Dat geldt ook voor een verwachte toekomstige transactie betreffende een geaggregeerde blootstelling (dat wil zeggen een toekomstige transactie waarvoor nog geen toezegging is gedaan maar die waarschijnlijk is, en die zou resulteren in een blootstelling en een derivaat), indien die geaggregeerde blootstelling zeer waarschijnlijk is en, zodra zij zich heeft voorgedaan en bijgevolg niet langer te verwachten is, als afgedekte positie in aanmerking komt.

6.3.5.

Ten behoeve van hedge accounting kunnen alleen activa, verplichtingen, vaststaande toezeggingen en zeer waarschijnlijke verwachte toekomstige transacties met een partij buiten de verslaggevende entiteit als afgedekte positie worden aangewezen. De toepassing van hedge accounting op transacties tussen entiteiten in dezelfde groep is alleen toegestaan in de individuele of enkelvoudige jaarrekening van die entiteiten en niet in de geconsolideerde jaarrekening van de groep, behalve wat de geconsolideerde jaarrekening van een beleggingsentiteit (zoals gedefinieerd in IFRS 10) betreft, waarin transacties tussen een beleggingsentiteit en haar dochterondernemingen die worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, niet in de geconsolideerde jaarrekening worden geëlimineerd.

6.3.6.

Een uitzondering op alinea 6.3.5 is evenwel het valutarisico van een monetaire intragroepspost (bijvoorbeeld een vordering-schuldverhouding tussen twee dochterondernemingen), die in de geconsolideerde jaarrekening als afgedekte positie in aanmerking kan komen indien deze resulteert in een blootstelling waarbij winsten of verliezen uit wisselkoersverschillen kunnen optreden die overeenkomstig IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen bij consolidatie niet volledig worden geëlimineerd. Overeenkomstig IAS 21 worden winsten en verliezen uit wisselkoersverschillen op monetaire intragroepsposten bij consolidatie niet volledig geëlimineerd indien de monetaire intragroepspost een transactie betreft tussen twee groepsentiteiten met een verschillende functionele valuta. Daarnaast kan het valutarisico van een zeer waarschijnlijke verwachte toekomstige intragroepstransactie in de geconsolideerde jaarrekening als afgedekte positie in aanmerking komen, mits de transactie luidt in een valuta die verschilt van de functionele valuta van de entiteit die die transactie aangaat, en het valutarisico de geconsolideerde winst of het geconsolideerde verlies beïnvloedt.

Aanwijzing van afgedekte posities

6.3.7.

Een entiteit mag een positie in haar geheel of een component van een positie als afgedekte positie in een afdekkingsrelatie aanwijzen. Een positie in haar geheel omvat alle veranderingen in de kasstromen of reële waarde van een positie. Een component bestrijkt niet de volledige verandering in reële waarde of variabiliteit van kasstromen van een positie. In dat geval mag een entiteit alleen de volgende soorten componenten (met inbegrip van combinaties) als afgedekte posities aanwijzen:

a)

alleen veranderingen in de kasstromen of reële waarde van een positie welke aan een specifiek risico of specifieke risico's (risicocomponent) zijn toe te rekenen, mits de risicocomponent op basis van een beoordeling binnen de context van de specifieke marktstructuur afzonderlijk identificeerbaar en betrouwbaar te waarderen is (zie de alinea's B6.3.8 tot en met B6.3.15). Risicocomponenten omvatten een aanwijzing van alleen veranderingen in de kasstromen of de reële waarde van een afgedekte positie boven of onder een gespecificeerde prijs of andere variabele (een eenzijdig risico);

b)

één of meer geselecteerde contractuele kasstromen;

c)

componenten van een nominaal bedrag, dat wil zeggen een gespecificeerd deel van het bedrag van een positie (zie de alinea's B6.3.16 tot en met B6.3.20).

6.4   CRITERIA WAARAAN MOET WORDEN VOLDAAN OM VOOR HEDGE ACCOUNTING IN AANMERKING TE KOMEN

6.4.1.

Een afdekkingsrelatie komt pas voor hedge accounting in aanmerking indien aan alle onderstaande criteria is voldaan:

a)

de afdekkingsrelatie bestaat alleen uit in aanmerking komende afdekkingsinstrumenten en in aanmerking komende afgedekte posities;

b)

bij de aanvang van de afdekkingsrelatie worden de afdekkingsrelatie, alsook de risicobeheerdoelstelling en -strategie van de entiteit bij het aangaan van de afdekkingstransactie formeel aangewezen en gedocumenteerd. In die documentatie moet het volgende worden opgenomen: een aanduiding van het afdekkingsinstrument, de afgedekte positie, de aard van het af te dekken risico en hoe de entiteit zal beoordelen of de afdekkingsrelatie aan de vereisten inzake afdekkingseffectiviteit voldoet (met inbegrip van haar analyse van de bronnen van afdekkingseffectiviteit en van de wijze waarop zij de afdekkingsverhouding bepaalt);

c)

de afdekkingsrelatie voldoet aan alle volgende vereisten inzake afdekkingseffectiviteit:

i)

er is sprake van een economische relatie tussen de afgedekte positie en het afdekkingsinstrument (zie de alinea's B6.4.4, B6.4.5 en B6.4.6);

ii)

de waardeveranderingen die uit deze economische relatie voortvloeien zijn niet hoofdzakelijk terug te voeren op het effect van het kredietrisico (zie de alinea's B6.4.7 en B6.4.8); en

iii)

de afdekkingsverhouding van de afdekkingsrelatie is gelijk aan die welke resulteert uit de hoeveelheid van de afgedekte positie die de entiteit werkelijk afdekt, en de hoeveelheid van het afdekkingsinstrument waarvan de entiteit daadwerkelijk gebruikmaakt om die hoeveelheid van de afgedekte positie af te dekken. Deze aanwijzing mag echter geen onevenwichtigheid tussen de wegingsfactor van de afgedekte positie en de wegingsfactor van het afdekkingsinstrument weerspiegelen welke aanleiding zou geven tot (al dan niet opgenomen) afdekkingsineffectiviteit die in een uitkomst van de administratieve verwerking kan resulteren welke inconsistent is met het doel van hedge accounting (zie de alinea's B6.4.9, B6.4.10 en B6.4.11).

6.5   ADMINISTRATIEVE VERWERKING VAN IN AANMERKING KOMENDE AFDEKKINGSRELATIES

6.5.1.

Een entiteit past hedge accounting toe op afdekkingsrelaties die voldoen aan de criteria in alinea 6.4.1 (die het besluit van de entiteit tot aanwijzing van de afdekkingsrelatie omvatten).

6.5.2.

Er zijn drie soorten afdekkingsrelaties:

a)

reëlewaardeafdekking: een afdekking van de blootstelling aan veranderingen in de reële waarde van een opgenomen actief of verplichting, een niet-opgenomen vaststaande toezegging, of een onderdeel van een dergelijke post, welke toe te rekenen is aan een bepaald risico en invloed zou kunnen hebben op de winst of het verlies;

b)

kasstroomafdekking: een afdekking van de blootstelling aan variabiliteit van kasstromen welke toe te rekenen is aan een bepaald risico dat aan het geheel, of een onderdeel, van een opgenomen actief of verplichting (zoals een aantal of alle toekomstige rentebetalingen op een schuld met een variabele rente) of een zeer waarschijnlijke, verwachte toekomstige transactie verbonden is, en invloed zou kunnen hebben op de winst of het verlies;

c)

afdekking van een netto-investering in een buitenlandse activiteit zoals gedefinieerd in IAS 21.

6.5.3.

Indien de afgedekte positie een eigenvermogensinstrument betreft ten aanzien waarvan een entiteit er overeenkomstig alinea 5.7.5 voor heeft gekozen veranderingen in reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren, moet de in alinea 6.5.2(a) bedoelde afgedekte blootstelling een blootstelling zijn die op de overige onderdelen van het totaalresultaat van invloed kan zijn. In dat geval, en alleen in dat geval, wordt de opgenomen afdekkingsineffectiviteit in de overige onderdelen van het totaalresultaat gepresenteerd.

6.5.4.

Een afdekking van het valutarisico van een vaststaande toezegging mag administratief worden verwerkt als een reëlewaardeafdekking of een kasstroomafdekking.

6.5.5.

Indien een afdekkingsrelatie niet meer aan het op de afdekkingsverhouding betrekking hebbende vereiste inzake afdekkingseffectiviteit voldoet (zie alinea 6.4.1(c)(iii)), maar de risicobeheerdoelstelling voor die aangewezen afdekkingsrelatie gelijk blijft, moet een entiteit de afdekkingsverhouding van de afdekkingsrelatie zodanig aanpassen dat deze wederom aan de criteria voldoet (dit wordt in deze standaard „herbalancering” genoemd — zie de alinea's B6.5.7 tot en met B6.5.21).

6.5.6.

Een entiteit moet hedge accounting alleen prospectief beëindigen wanneer de afdekkingsrelatie (of een deel van een afdekkingsrelatie) niet meer aan de criteria voldoet (in voorkomend geval, na met herbalancering van de afdekkingsrelatie rekening te hebben gehouden). Het betreft onder meer gevallen waarin het afdekkingsinstrument afloopt of wordt verkocht, beëindigd of uitgeoefend. Voor de toepassing van het bovenstaande wordt vervangen of telkens vernieuwen („rollover”) van een afdekkingsinstrument door een ander afdekkingsinstrument niet als aflopen of beëindigen beschouwd indien deze vervanging of vernieuwing deel uitmaakt van, en consistent is met, de gedocumenteerde risicobeheerdoelstelling van de entiteit. Daarnaast is er voor de toepassing van deze alinea geen sprake van aflopen of beëindigen van het afdekkingsinstrument indien:

a)

de partijen bij het afdekkingsinstrument als gevolg van wet- of regelgeving of de invoering van wet- of regelgeving overeenkomen dat een of meer clearingtegenpartijen in de plaats komen van hun oorspronkelijke tegenpartij en de nieuwe tegenpartij van elk van de partijen worden. Voor de toepassing van dit punt is een clearingtegenpartij een centrale tegenpartij (soms een „clearingorganisatie” of „clearinginstituut” genoemd), dan wel een entiteit of entiteiten, zoals een clearing member van een clearingorganisatie of een cliënt van een clearing member van een clearingorganisatie, die als tegenpartij optreden om tot clearing door een centrale tegenpartij over te gaan. Als de partijen bij het afdekkingsinstrument hun oorspronkelijke tegenpartijen echter door andere tegenpartijen vervangen, is het vereiste in dit punt enkel van toepassing indien elk van deze partijen met dezelfde centrale tegenpartij tot clearing overgaan;

b)

eventuele andere wijzigingen in het afdekkingsinstrument beperkt blijven tot de wijzigingen die noodzakelijk zijn om tot een dergelijke vervanging van de tegenpartij over te gaan. Deze wijzigingen blijven beperkt tot wijzigingen die in overeenstemming zijn met de te verwachten voorwaarden indien het afdekkingsinstrument oorspronkelijk met de clearingtegenpartij zou zijn gecleard. Deze wijzigingen omvatten wijzigingen in de zekerheidsvereisten, in de rechten om handelsvorderingen en -schulden te salderen, en in geheven lasten.

Het beëindigen van hedge accounting kan een afdekkingsrelatie in haar geheel of voor een deel (in welk geval voor het resterende deel van de afdekkingsrelatie hedge accounting wordt voortgezet) beïnvloeden.

6.5.7.

Een entiteit moet overgaan tot de toepassing van:

a)

alinea 6.5.10 wanneer zij hedge accounting beëindigt voor een reëlewaardeafdekking waarbij de afgedekte positie een tegen geamortiseerde kostprijs gewaardeerd financieel instrument (of een deel daarvan) is; en

b)

alinea 6.5.12 wanneer zij hedge accounting beëindigt voor kasstroomafdekkingen.

Reëlewaardeafdekking

6.5.8.

Zolang een reëlewaardeafdekking aan de criteria van alinea 6.4.1 voldoet, moet de afdekkingsrelatie administratief als volgt worden verwerkt:

a)

de winst of het verlies op het afdekkingsinstrument moet worden opgenomen in winst of verlies (of in de overige onderdelen van het totaalresultaat indien het afdekkingsinstrument een eigenvermogensinstrument afdekt ten aanzien waarvan een entiteit er overeenkomstig alinea 5.7.5 voor heeft gekozen veranderingen in reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren);

b)

de afdekkingswinst of het afdekkingsverlies op de afgedekte positie moet leiden tot aanpassing van de boekwaarde van de afgedekte positie (indien van toepassing) en moet in winst of verlies worden opgenomen. Indien de afgedekte positie een financieel actief (of een deel daarvan) is dat overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gewaardeerd, dan moeten de afdekkingswinst of het afdekkingsverlies op de afgedekte positie in winst of verlies worden opgenomen. Indien de afgedekte positie echter een eigenvermogensinstrument is ten aanzien waarvan een entiteit er overeenkomstig alinea 5.7.5 voor heeft gekozen veranderingen in reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren, dan moeten die bedragen in de overige onderdelen van het totaalresultaat opgenomen blijven. Wanneer een afgedekte positie een niet-opgenomen vaststaande toezegging (of een deel daarvan) is, wordt de cumulatieve verandering in de reële waarde van de afgedekte positie na de aanwijzing ervan als een actief of verplichting opgenomen, samen met een overeenkomstige winst die, of een overeenkomstig verlies dat, in winst of verlies wordt opgenomen.

6.5.9.

Wanneer een afgedekte positie in een reëlewaardeafdekking een vaststaande toezegging (of een deel daarvan) is om een actief te verwerven of een verplichting aan te gaan, dan wordt de eerste boekwaarde van het actief of de verplichting die voortvloeit uit het feit dat de entiteit de vaststaande toezegging nakomt, aangepast voor de cumulatieve verandering in de reële waarde van de afgedekte positie die in het overzicht van de financiële positie is opgenomen.

6.5.10.

Aanpassingen naar aanleiding van alinea 6.5.8(b) moeten in winst of verlies worden geamortiseerd indien de afgedekte positie een financieel instrument (of een deel daarvan) is dat tegen geamortiseerde kostprijs wordt gewaardeerd. De amortisatie kan beginnen zodra een aanpassing zich voordoet en moet uiterlijk aanvangen wanneer de afgedekte positie niet meer voor afdekkingswinsten en -verliezen wordt aangepast. De amortisatie wordt gebaseerd op een herberekende effectieve rentevoet op de datum waarop met die amortisatie wordt begonnen. Bij een financieel actief (of een deel daarvan) dat een afgedekte positie is en dat overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat wordt gewaardeerd, wordt de amortisatie op dezelfde wijze toegepast, maar op het bedrag dat overeenstemt met de cumulatieve winst die, of het cumulatieve verlies dat, voorheen overeenkomstig alinea 6.5.8(b) was opgenomen, en niet door de boekwaarde aan te passen.

Kasstroomafdekking

6.5.11.

Zolang een kasstroomafdekking aan de criteria van alinea 6.4.1 voldoet, moet de afdekkingsrelatie administratief als volgt worden verwerkt:

a)

de afzonderlijke, met de afgedekte positie samenhangende eigenvermogenscomponent (kasstroomafdekkingsreserve) wordt aangepast naar de laagste van de volgende waarden (in absolute bedragen):

i)

de cumulatieve winst of het cumulatieve verlies op het afdekkingsinstrument vanaf afsluiting van de afdekkingstransactie; en

ii)

de cumulatieve verandering in de reële waarde (contante waarde) van de afgedekte positie (dat wil zeggen de contante waarde van de cumulatieve verandering in de afgedekte verwachte toekomstige kasstromen) vanaf afsluiting van de afdekkingstransactie;

b)

het deel van de winst of het verlies op het afdekkingsinstrument waarvan is vastgesteld dat het een effectieve afdekking is (dat wil zeggen het deel dat door de overeenkomstig punt (a) berekende verandering in de kasstroomafdekkingsreserve is gecompenseerd) moet in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen;

c)

een eventueel resterende winst of resterend verlies op het afdekkingsinstrument (of de eventueel benodigde winst of het eventueel benodigde verlies om de overeenkomstig punt (a) berekende verandering in de kasstroomafdekkingsreserve te compenseren) is de afdekkingsineffectiviteit die in winst of verlies moet worden overgenomen;

d)

het bedrag dat overeenkomstig punt (a) in de kasstroomafdekkingsreserve is geaccumuleerd, moet als volgt administratief worden verwerkt:

i)

indien een afgedekte verwachte toekomstige transactie tot de opname van een niet-financieel actief of niet-financiële verplichting leidt, of indien een afgedekte verwachte toekomstige transactie betreffende een niet-financieel actief of niet-financiële verplichting een vaststaande toezegging wordt waarvoor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties wordt toegepast, dan moet de entiteit dat bedrag uit de kasstroomafdekkingsreserve verwijderen en direct in de eerste kostprijs of andere boekwaarde van het actief of de verplichting opnemen. Dit is geen herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) en is dus niet van invloed op de overige onderdelen van het totaalresultaat;

ii)

voor iedere andere kasstroomafdekking dan die welke onder (i) valt, moet dat bedrag als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) van de kasstroomafdekkingsreserve naar de winst of het verlies worden overgeboekt in dezelfde periode(n) waarin de afgedekte verwachte toekomstige kasstromen de winst of het verlies beïnvloeden (bijvoorbeeld in de perioden waarin rentebaten of rentelasten zijn opgenomen of wanneer een verwachte verkoop werkelijk plaatsvindt);

iii)

indien dat bedrag echter een verlies is en een entiteit verwacht dat dat verlies in zijn geheel of voor een deel in één of meer toekomstige perioden niet realiseerbaar zal zijn, dan moet zij het naar verwachting niet realiseerbare bedrag onmiddellijk als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) naar de winst of het verlies overboeken.

6.5.12.

Wanneer een entiteit hedge accounting voor een kasstroomafdekking beëindigt (zie de alinea's 6.5.6 en 6.5.7(b)), dan moet zij het bedrag dat overeenkomstig alinea 6.5.11(a) in de kasstroomafdekkingsreserve is geaccumuleerd, als volgt administratief verwerken:

a)

indien wordt verwacht dat de afgedekte toekomstige kasstromen nog wel kunnen plaatsvinden, dan moet dat bedrag in de kasstroomafdekkingsreserve opgenomen blijven totdat de toekomstige kasstromen plaatsvinden of totdat alinea 6.5.11(d)(iii) van toepassing is. Wanneer de toekomstige kasstromen plaatsvinden, is alinea 6.5.11(d) van toepassing;

b)

indien wordt verwacht dat de afgedekte toekomstige kasstromen niet meer zullen plaatsvinden, dan moet dat bedrag onmiddellijk als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) van de kasstroomafdekkingsreserve naar de winst of het verlies worden overgeboekt. Een afgedekte toekomstige kasstroom die niet langer zeer waarschijnlijk zal plaatsvinden, kan nog wel naar verwachting plaatsvinden.

Afdekking van een netto-investering in een buitenlandse activiteit

6.5.13.

Afdekking van een netto-investering in een buitenlandse activiteit, met inbegrip van een monetaire post die als deel van de netto-investering wordt verwerkt (zie IAS 21), moet op vergelijkbare wijze worden verwerkt als een kasstroomafdekking:

a)

het deel van de winst of het verlies op het afdekkingsinstrument waarvan is vastgesteld dat het een effectieve afdekking is, moet in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen (zie alinea 6.5.11); en

b)

het niet-effectieve deel moet in winst of verlies worden opgenomen.

6.5.14.

De cumulatieve winst of het cumulatieve verlies op het afdekkingsinstrument met betrekking tot het effectieve deel van de afdekking die, respectievelijk dat, in de valutaomrekeningsreserve is opgenomen, moet bij afstoting of gedeeltelijke afstoting van de buitenlandse activiteit overeenkomstig de alinea's 48 en 49 van IAS 21 als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) van het eigen vermogen naar de winst of het verlies worden overgeboekt.

Administratieve verwerking van de tijdswaarde van opties

6.5.15.

Wanneer een entiteit de intrinsieke waarde en de tijdswaarde van een optiecontract splitst en alleen de verandering in de intrinsieke waarde van een optie als afdekkingsinstrument aanwijst (zie alinea 6.2.4(a)), dan moet zij de tijdswaarde van de optie als volgt administratief verwerken (zie de alinea's B6.5.29 tot en met B6.5.33):

a)

een entiteit moet een onderscheid maken tussen de tijdswaarde van opties naar gelang van het type afgedekte positie dat de optie afdekt (zie alinea B6.5.29):

i)

een transactiegerelateerde afgedekte positie; dan wel

ii)

een periodegerelateerde afgedekte positie;

b)

de verandering in reële waarde van de tijdswaarde van een optie die een transactiegerelateerde afgedekte positie afdekt, moet in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen voor zover deze verandering met de afgedekte positie verband houdt, en moet in een afzonderlijke eigenvermogenscomponent worden geaccumuleerd. De uit de tijdswaarde van de optie voortvloeiende cumulatieve verandering in de reële waarde die in een afzonderlijke eigenvermogenscomponent is geaccumuleerd (het „bedrag”), wordt administratief verwerkt als volgt:

i)

indien de afgedekte positie later leidt tot de opname van een niet-financieel actief of niet-financiële verplichting, dan wel tot een vaststaande toezegging betreffende een niet-financieel actief of niet-financiële verplichting waarvoor de administratieve verwerking van reëlewaardeafdekkingstransacties wordt toegepast, moet de entiteit het bedrag uit de afzonderlijke eigenvermogenscomponent verwijderen en direct in de eerste kostprijs of andere boekwaarde van het actief of de verplichting opnemen. Dit is geen herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) en is dus niet van invloed op de overige onderdelen van het totaalresultaat;

ii)

voor andere afdekkingsrelaties dan die welke onder (i) vallen, moet het bedrag als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) van de afzonderlijke eigenvermogenscomponent naar de winst of het verlies worden overgeboekt in dezelfde periode(n) waarin de afgedekte verwachte toekomstige kasstromen de winst of het verlies beïnvloeden (bijvoorbeeld wanneer een verwachte toekomstige verkoop werkelijk plaatsvindt);

iii)

indien echter niet wordt verwacht dat het bedrag in zijn geheel of voor een deel in één of meer toekomstige perioden realiseerbaar zal zijn, dan moet het naar verwachting niet realiseerbare bedrag onmiddellijk als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) naar de winst of het verlies worden overgeboekt;

c)

de verandering in reële waarde van de tijdswaarde van een optie die een periodegerelateerde afgedekte positie afdekt, moet in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden opgenomen voor zover deze verandering met de afgedekte positie verband houdt, en moet in een afzonderlijke eigenvermogenscomponent worden geaccumuleerd. De tijdswaarde op de datum van aanwijzing van de optie als afdekkingsinstrument moet, voor zover zij met de afgedekte positie verband houdt, op systematische en rationele basis worden geamortiseerd over de periode waarin de aanpassing van de afdekking voor de intrinsieke waarde van de optie van invloed kan zijn op winst of verlies (of de overige onderdelen van het totaalresultaat indien de afgedekte positie een eigenvermogensinstrument is ten aanzien waarvan een entiteit er overeenkomstig alinea 5.7.5 voor heeft gekozen veranderingen in reële waarde in de overige onderdelen van het totaalresultaat te presenteren). In elke verslagperiode moet het amortisatiebedrag derhalve als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) van de afzonderlijke eigenvermogenscomponent naar de winst of het verlies worden overgeboekt. Indien hedge accounting echter wordt beëindigd voor de afdekkingsrelatie die de verandering in de intrinsieke waarde van de optie als afdekkingsinstrument omvat, dan moet het in de afzonderlijke eigenvermogenscomponent geaccumuleerde nettobedrag (dat wil zeggen met inbegrip van de cumulatieve amortisatie) onmiddellijk als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) naar de winst of het verlies worden overgeboekt.

Administratieve verwerking van het termijnelement van termijncontracten en van valutabasisspreads van financiële instrumenten

6.5.16.

Wanneer een entiteit het termijnelement en het contante element van een termijncontract splitst en enkel de waardeverandering van het contante element van het termijncontract als afdekkingsinstrument aanwijst, of wanneer een entiteit de valutabasisspread van een financieel instrument afsplitst en van de aanwijzing van het financiële instrument als afdekkingsinstrument uitsluit (zie alinea 6.2.4(b)), dan mag de entiteit alinea 6.5.15 op dezelfde wijze op het termijnelement van het termijncontract en op de valutabasisspread van het financiële instrument toepassen als deze alinea op de tijdswaarde van een optie wordt toegepast. In dat geval moet de entiteit de toepassingsleidraad in de alinea's B6.5.34 tot en met B6.5.39 toepassen.

6.6   AFDEKKING VAN EEN GROEP VAN POSITIES

Kwalificatie van een groep van posities als afgedekte positie

6.6.1.

Een groep van posities (met inbegrip van een groep van posities die een nettopositie vormen, zie de alinea's B6.6.1 tot en met B6.6.8) is slechts een in aanmerking komende afgedekte positie indien:

a)

de groep bestaat uit posities (met inbegrip van onderdelen van posities) die, elk afzonderlijk, in aanmerking komende afgedekte posities zijn;

b)

de tot de groep behorende posities voor risicobeheerdoeleinden samen op groepsbasis worden beheerd; en

c)

bij een kasstroomafdekking van een groep van posities waarvan de variabiliteit van kasstromen niet geacht wordt ongeveer evenredig te zijn aan de totale variabiliteit van de kasstromen van de groep zodat elkaar compenserende risicoposities ontstaan:

i)

het een afdekking van een valutarisico betreft; en

ii)

bij de aanwijzing van die nettopositie zowel de verslagperiode waarin de verwachte toekomstige transacties naar verwachting op de winst of het verlies van invloed zullen zijn, als de aard en omvang ervan worden gespecificeerd (zie de alinea's B6.6.7 en B6.6.8).

Aanwijzing van een component van een nominaal bedrag

6.6.2.

Een component die een deel van een in aanmerking komende groep van posities is, is een in aanmerking komende afgedekte positie, mits die aanwijzing consistent is met de risicobeheerdoelstelling van de entiteit.

6.6.3.

Een tranchecomponent van een gehele groep van posities (bijvoorbeeld de onderste tranche) komt slechts voor hedge accounting in aanmerking indien:

a)

deze afzonderlijk identificeerbaar en betrouwbaar te waarderen is;

b)

de risicobeheerdoelstelling het afdekken van een tranchecomponent is;

c)

de posities die deel uitmaken van de groep als geheel waarvoor de tranche is geïdentificeerd, aan hetzelfde afgedekte risico zijn blootgesteld (zodat de waardering van de afgedekte tranche niet aanzienlijk wordt beïnvloed door de specifieke posities van de groep als geheel die van de afgedekte tranche deel uitmaken);

d)

een entiteit voor de afdekking van bestaande posities (bijvoorbeeld een niet-opgenomen vaststaande toezegging of een opgenomen actief) de gehele groep van posities kan identificeren en opsporen waarvoor de afgedekte tranche is bepaald (zodat de entiteit in staat is te voldoen aan de vereisten inzake de administratieve verwerking van in aanmerking komende afdekkingsrelaties); en

e)

van de groep deel uitmakende posities die opties tot vervroegde aflossing omvatten, voldoen aan de voor componenten van een nominaal bedrag geldende vereisten (zie alinea B6.3.20).

Presentatie

6.6.4.

Bij de afdekking van een groep van posities met compenserende risicoposities (dat wil zeggen de afdekking van een nettopositie) waarvan het afgedekte risico op verschillende posten in het overzicht van het totaalresultaat van invloed is, moeten alle afdekkingswinsten of -verliezen in dat overzicht worden gepresenteerd in een afzonderlijke post die verschilt van de posten die door de afgedekte posities zijn beïnvloed. In dat overzicht wordt het bedrag van de post die op de afgedekte positie zelf betrekking heeft (bijvoorbeeld opbrengsten of kostprijs van de omzet), bijgevolg niet beïnvloed.

6.6.5.

Bij activa en verplichtingen die samen als een groep in een reëlewaardeafdekking worden afgedekt, moet de winst of het verlies op de individuele activa en verplichtingen overeenkomstig alinea 6.5.8(b) in het overzicht van de financiële positie worden opgenomen als een aanpassing van de boekwaarde van de respectieve individuele posities die de groep vormen.

Nettoposities die gelijk zijn aan nul

6.6.6.

Wanneer de afgedekte positie een groep is die een nettopositie is die gelijk is aan nul (dat wil zeggen dat het risico dat op groepsbasis wordt beheerd, volledig wordt gecompenseerd door de afgedekte posities onder elkaar), is het een entiteit toegestaan de afgedekte positie aan te wijzen in een afdekkingsrelatie die geen afdekkingsinstrument bevat, op voorwaarde dat:

a)

de afdekking deel uitmaakt van een roulerende strategie tot afdekking van het nettorisico, waarbij de entiteit stelselmatig nieuwe posities van hetzelfde type afdekt naarmate de tijd verstrijkt (bijvoorbeeld wanneer transacties in de tijdshorizon komen waarvoor de entiteit tot afdekking overgaat);

b)

de omvang van de afgedekte nettopositie tijdens de duur van de roulerende strategie tot afdekking van het nettorisico verandert en de entiteit van in aanmerking komende afdekkingsinstrumenten gebruik maakt om het nettorisico af te dekken (dat wil zeggen wanneer de nettopositie niet gelijk is aan nul);

c)

op dergelijke nettoposities gewoonlijk hedge accounting wordt toegepast wanneer de nettopositie niet gelijk is aan nul en deze met in aanmerking komende afdekkingsinstrumenten wordt afgedekt; en

d)

het niet toepassen van hedge accounting op de nettopositie die gelijk is aan nul, aanleiding zou geven tot inconsistente uitkomsten van de administratieve verwerking omdat daarbij de compenserende risicoposities niet zouden worden opgenomen die anders als afdekking van een nettopositie zouden worden opgenomen.

6.7   MOGELIJKHEID OM EEN KREDIETPOSITIE AAN TE WIJZEN ALS GEWAARDEERD TEGEN REËLE WAARDE MET VERWERKING VAN WAARDEVERANDERINGEN IN WINST OF VERLIES

In aanmerking komende kredietposities die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

6.7.1.

Indien een entiteit gebruik maakt van een kredietderivaat dat is gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies om het aan een financieel instrument of een deel daarvan verbonden kredietrisico (kredietpositie) te beheren, mag zij dat financiële instrument, voor zover het (in zijn geheel of voor een deel) op die wijze wordt beheerd, aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies indien:

a)

de tegenpartij van de kredietpositie (bijvoorbeeld de leningnemer of de houder van een leningtoezegging) overeenstemt met de referentie-entiteit van het kredietderivaat („name matching”); en

b)

de rangorde van het financiële instrument overeenstemt met die van de instrumenten die op grond van het kredietderivaat kunnen worden geleverd.

Een entiteit mag tot een dergelijke aanwijzing overgaan, ongeacht of het financiële instrument waarvoor het kredietrisico wordt beheerd, binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt (een entiteit mag bijvoorbeeld leningtoezeggingen aanwijzen die buiten het toepassingsgebied van deze standaard vallen). De entiteit mag dat financiële instrument aanwijzen bij eerste opname of later, dan wel terwijl het niet opgenomen is. De entiteit moet de aanwijzing documenteren op het moment dat zij daartoe overgaat.

Administratieve verwerking van kredietposities die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

6.7.2.

Indien een financieel instrument na eerste opname overeenkomstig alinea 6.7.1 is aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, of voorheen niet was opgenomen, moet het op het tijdstip van de aanwijzing bestaande verschil tussen de eventuele boekwaarde en de reële waarde onmiddellijk in winst of verlies worden opgenomen. Bij financiële activa die overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gewaardeerd, moet de cumulatieve winst die, of het cumulatieve verlies dat, voorheen in de overige onderdelen van het totaalresultaat was opgenomen, onmiddellijk als een herclassificatieaanpassing (zie IAS 1) van het eigen vermogen naar de winst of het verlies worden overgeboekt.

6.7.3.

Een entiteit mag het financiële instrument dat tot het kredietrisico aanleiding geeft, of een deel van dat financiële instrument, niet langer waarderen tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies indien:

a)

niet langer aan de criteria van alinea 6.7.1 is voldaan, bijvoorbeeld omdat:

i)

het kredietderivaat of het gerelateerde financiële instrument dat tot het kredietrisico aanleiding geeft, afloopt of wordt verkocht, beëindigd of afgewikkeld; of

ii)

het aan het financiële instrument verbonden kredietrisico niet meer met behulp van kredietderivaten wordt beheerd. Dat kan zich bijvoorbeeld voordoen wegens verbeteringen in de kredietkwaliteit van de leningnemer of de houder van de leningtoezegging, of wegens veranderingen in de aan een entiteit opgelegde kapitaalvereisten; en

b)

het financiële instrument dat tot het kredietrisico aanleiding geeft, anderszins niet moet worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (het bedrijfsmodel van de entiteit is met andere woorden intussen niet zodanig veranderd dat een herclassificatie in overeenstemming met alinea 4.4.1 is vereist).

6.7.4.

Op de datum waarop een entiteit het financiële instrument dat tot het kredietrisico aanleiding geeft, of een deel van dat financiële instrument, niet langer waardeert tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt de reële waarde van dat financiële instrument de nieuwe boekwaarde daarvan. Daarna moet dezelfde waardering worden toegepast als die welke werd gehanteerd vóór de aanwijzing van het financiële instrument als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (inclusief de amortisatie die uit de nieuwe boekwaarde resulteert). Een financieel actief dat bijvoorbeeld oorspronkelijk als gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs was geclassificeerd, zou wederom op die wijze worden gewaardeerd en de effectieve rentevoet ervan zou worden herberekend op basis van de nieuwe brutoboekwaarde ervan op de datum waarop de waardering ervan tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies werd beëindigd.

HOOFDSTUK 7   Ingangsdatum en overgang

7.1   INGANGSDATUM

7.1.1.

Een entiteit moet deze standaard toepassen op jaarperioden die op of na 1 januari 2018 aanvangen. Eerdere toepassing is toegestaan. Indien een entiteit ervoor kiest deze standaard eerder toe te passen, moet zij dit feit vermelden en alle vereisten van deze standaard op hetzelfde tijdstip toepassen (maar zie ook de alinea's 7.1.2, 7.2.21 en 7.3.2). Tegelijkertijd moet zij ook de wijzigingen in bijlage C toepassen.

7.1.2.

Ondanks de vereisten in alinea 7.1.1 mag een entiteit ervoor kiezen op jaarperioden die vóór 1 januari 2018 aanvangen, alleen de vereisten inzake de presentatie van winsten en verliezen op financiële verplichtingen die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies toe te passen welke in de alinea's 5.7.1(c), 5.7.7, 5.7.8, 5.7.9, 7.2.14 en B5.7.5 tot en met B5.7.20 zijn vervat, zonder de andere vereisten van deze standaard toe te passen. Indien een entiteit ervoor kiest alleen deze alinea's toe te passen, moet zij dit feit vermelden en voortdurend de gerelateerde informatie verschaffen die in de alinea's 10 en 11 van IFRS 7 (als gewijzigd door IFRS 9 (2010)) is beschreven. (Zie ook de alinea's 7.2.2 en 7.2.15.)

7.1.3.

De alinea's 4.2.1 en 5.7.5 zijn gewijzigd door de in december 2013 uitgegeven Jaarlijkse verbeteringen in IFRSs cyclus 2010-2012 als gevolg van een wijziging die daardoor in IFRS 3 is aangebracht. Een entiteit moet deze wijziging prospectief toepassen op bedrijfscombinaties waarop de wijziging in IFRS 3 van toepassing is.

7.1.4.

De alinea's 3.1.1, 4.2.1, 5.1.1, 5.2.1, 5.7.6, B3.2.13, B5.7.1, C5 en C42 zijn gewijzigd en alinea C16 en het bijbehorende kopje zijn verwijderd door IFRS 15, uitgegeven in mei 2014. De alinea's 5.1.3 en 5.7.1A en een definitie in bijlage A zijn toegevoegd. Een entiteit moet deze wijzigingen toepassen wanneer zij IFRS 15 toepast.

7.2   OVERGANG

7.2.1.

Een entiteit moet deze standaard retroactief toepassen overeenkomstig IAS 8 Grondslagen voor financiële verslaggeving, schattingswijzigingen en fouten, behoudens het bepaalde in de alinea's 7.2.4 tot en met 7.2.26 en 7.2.28. Deze standaard mag niet worden toegepast op posten die op de datum van eerste toepassing reeds uit het overzicht van de financiële positie zijn verwijderd.

7.2.2.

De datum van eerste toepassing van de overgangsbepalingen van de alinea's 7.2.1, 7.2.3 tot en met 7.2.28 en 7.3.2 is de datum waarop een entiteit voor het eerst deze vereisten van deze standaard toepast; deze datum moet samenvallen met het begin van een verslagperiode die aanvangt na de uitvaardiging van deze standaard. Afhankelijk van de aanpak waarvoor de entiteit heeft gekozen om IFRS 9 toe te passen, kan bij de overgang van één of meer dan één datum van eerste toepassing van verschillende vereisten sprake zijn.

Overgang voor classificatie en waardering (hoofdstukken 4 en 5)

7.2.3.

Op de datum van eerste toepassing moet een entiteit op basis van de feiten en omstandigheden op die datum beoordelen of een financieel actief aan de voorwaarde in alinea 4.1.2(a) of alinea 4.1.2A(a) voldoet. De resulterende classificatie moet retroactief worden toegepast, ongeacht het bedrijfsmodel van de entiteit in eerdere verslagperioden.

7.2.4.

Indien het op de datum van eerste toepassing praktisch onhaalbaar is (zoals gedefinieerd in IAS 8) voor een entiteit om overeenkomstig de alinea's B4.1.9B, B4.1.9C en B4.1.9D de herziene tijdswaarde van geld op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de eerste opname van het financiële actief te beoordelen, moet een entiteit de eigenschappen van de contractuele kasstromen van dat financiële actief beoordelen op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de eerste opname van het financiële actief, zonder rekening te houden met de vereisten in de alinea's B4.1.9B, B4.1.9C en B4.1.9D die met de herziening van de tijdswaarde van geld verband houden. (Zie ook alinea 42R van IFRS 7.)

7.2.5.

Indien het op de datum van eerste toepassing praktisch onhaalbaar is (zoals gedefinieerd in IAS 8) voor een entiteit om overeenkomstig alinea B4.1.12(c) op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de eerste opname van het financiële actief te beoordelen of de reële waarde van een kenmerk van vervroegde aflossing insignificant was, moet een entiteit de eigenschappen van de contractuele kasstromen van dat financiële actief beoordelen op basis van de feiten en omstandigheden ten tijde van de eerste opname van het financiële actief, zonder rekening te houden met de uitzondering voor kenmerken van vervroegde terugbetaling in alinea B4.1.12. (Zie ook alinea 42S van IFRS 7.)

7.2.6.

Als een entiteit een hybride contract overeenkomstig alinea 4.1.2A, alinea 4.1.4 of alinea 4.1.5 tegen reële waarde waardeert, maar de reële waarde van het hybride contract niet werd bepaald in vergelijkende verslagperioden, moet de reële waarde van het hybride contract in de vergelijkende verslagperioden gelijk zijn aan de som van de reële waarden van de componenten (dat wil zeggen het niet-afgeleide basisinstrument en het in het contract besloten derivaat) aan het einde van elke vergelijkende verslagperiode indien de entiteit eerdere perioden aanpast (zie alinea 7.2.15).

7.2.7.

Indien een entiteit alinea 7.2.6 heeft toegepast, dan moet de entiteit op de datum van eerste toepassing een eventueel verschil tussen de reële waarde van het gehele hybride contract op de datum van eerste toepassing en de som van de reële waarden van de componenten van het hybride contract op de datum van eerste toepassing opnemen in het beginsaldo van ingehouden winsten (of een andere eigenvermogenscomponent, al naargelang het geval) voor de verslagperiode waarin de datum van eerste toepassing valt.

7.2.8.

Op de datum van eerste toepassing mag een entiteit:

a)

een financieel actief overeenkomstig alinea 4.1.5 aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies; of

b)

een belegging in een eigenvermogensinstrument overeenkomstig alinea 5.7.5 aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat.

Een dergelijke aanwijzing moet plaatsvinden op basis van de feiten en omstandigheden op de datum van eerste toepassing. Die classificatie moet retroactief worden toegepast.

7.2.9.

Op de datum van eerste toepassing:

a)

moet een entiteit haar eerdere aanwijzing van een financieel actief als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies intrekken indien dat financiële actief niet aan de voorwaarde in alinea 4.1.5 voldoet;

b)

mag een entiteit haar eerdere aanwijzing van een financieel actief als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies intrekken indien dat financiële actief aan de voorwaarde in alinea 4.1.5 voldoet;

Een dergelijke intrekking moet plaatsvinden op basis van de feiten en omstandigheden op de datum van eerste toepassing. Die classificatie moet retroactief worden toegepast.

7.2.10.

Op de datum van eerste toepassing:

a)

mag een entiteit een financiële verplichting overeenkomstig alinea 4.2.2(a) aanwijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies;

b)

moet een entiteit haar eerdere aanwijzing van een financiële verplichting als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies intrekken indien deze aanwijzing ten tijde van de eerste opname heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de thans in alinea 4.2.2(a) vermelde voorwaarde en indien deze aanwijzing op de datum van eerste toepassing niet aan die voorwaarde voldoet;

c)

mag een entiteit haar eerdere aanwijzing van een financiële verplichting als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies intrekken indien deze aanwijzing ten tijde van de eerste opname heeft plaatsgevonden in overeenstemming met de thans in alinea 4.2.2(a) vermelde voorwaarde en indien deze aanwijzing op de datum van eerste toepassing aan die voorwaarde voldoet.

Een dergelijke aanwijzing en een dergelijke intrekking moeten plaatsvinden op basis van de feiten en omstandigheden op de datum van eerste toepassing. Die classificatie moet retroactief worden toegepast.

7.2.11.

Indien het voor een entiteit praktisch onhaalbaar is (zoals gedefinieerd in IAS 8) om de effectieverentemethode retroactief toe te passen, moet de entiteit:

a)

de reële waarde van het financiële actief of de financiële verplichting aan het einde van elke gepresenteerde vergelijkende periode administratief verwerken als de brutoboekwaarde van dat financiële actief of de geamortiseerde kostprijs van die financiële verplichting indien de entiteit voorgaande perioden aanpast; en

b)

de reële waarde van het financiële actief of de financiële verplichting op de datum van eerste toepassing administratief verwerken als de nieuwe brutoboekwaarde van dat financiële actief of de nieuwe geamortiseerde kostprijs van die financiële verplichting op de datum van eerste toepassing van deze standaard.

7.2.12.

Als een entiteit een belegging in een eigenvermogensinstrument waarvoor geen op een actieve markt genoteerde prijs voor een identiek instrument voorhanden is (dat wil zeggen een input van niveau 1) (of een afgeleid actief dat is gekoppeld aan, en moet worden afgewikkeld door levering van, een dergelijk eigenvermogensinstrument), voorheen administratief verwerkte tegen kostprijs (in overeenstemming met IAS 39), moet ze dat instrument op de datum van eerste toepassing tegen reële waarde waarderen. Een eventueel verschil tussen de vorige boekwaarde en de reële waarde moet worden opgenomen in het beginsaldo van ingehouden winsten (of een andere eigenvermogenscomponent, al naargelang het geval) voor de verslagperiode waarin de datum van eerste toepassing valt.

7.2.13.

Als een entiteit een afgeleide verplichting die is gekoppeld aan, en moet worden afgewikkeld door levering van, een eigenvermogensinstrument waarvoor geen op een actieve markt genoteerde prijs voor een identiek instrument voorhanden is (dat wil zeggen een input van niveau 1), voorheen administratief verwerkte tegen kostprijs (in overeenstemming met IAS 39), moet ze die afgeleide verplichting op de datum van eerste toepassing tegen reële waarde waarderen. Een eventueel verschil tussen de vorige boekwaarde en de reële waarde moet worden opgenomen in het beginsaldo van ingehouden winsten voor de verslagperiode waarin de datum van eerste toepassing valt.

7.2.14.

Op de datum van eerste toepassing moet een entiteit op basis van de feiten en omstandigheden op die datum bepalen of de in alinea 5.7.7 beschreven administratieve verwerking aanleiding zou geven tot het ontstaan of de vergroting van een accounting mismatch in winst of verlies. Deze standaard moet retroactief worden toegepast op basis van die bepaling.

7.2.15.

Ondanks het vereiste in alinea 7.2.1 moet een entiteit die de classificatie- en waarderingsvereisten van deze standaard (met inbegrip van de vereisten van de afdelingen 5.4 en 5.5 inzake de waardering van financiële activa tegen geamortiseerde kostprijs en inzake bijzondere waardevermindering) toepast, de in de alinea's 42L tot en met 42O van IFRS 7 beschreven informatie verschaffen, maar hoeft zij voorgaande perioden niet aan te passen. De entiteit mag voorgaande perioden aanpassen als en alleen als zulks zonder gebruik van kennis achteraf mogelijk is. Indien een entiteit voorgaande perioden niet aanpast, moet zij een eventueel verschil tussen de vorige boekwaarde en de boekwaarde aan het begin van de jaarlijkse verslagperiode waarin de datum van eerste toepassing valt, opnemen in het beginsaldo van ingehouden winsten (of een andere eigenvermogenscomponent, al naargelang het geval) voor de jaarlijkse verslagperiode waarin de datum van eerste toepassing valt. Indien een entiteit voorgaande perioden aanpast, moet de aangepaste jaarrekening evenwel alle vereisten van deze standaard weerspiegelen. Indien de aanpak die een entiteit voor de toepassing van IFRS 9 heeft gekozen, in meer dan één datum van eerste toepassing van verschillende vereisten resulteert, is deze alinea op elke datum van eerste toepassing van toepassing (zie alinea 7.2.2). Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn indien een entiteit ervoor kiest alleen de vereisten inzake de presentatie van winsten of verliezen op financiële verplichtingen die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in overeenstemming met alinea 7.1.2 toe te passen voordat zij de andere vereisten van deze standaard toepast.

7.2.16.

Indien een entiteit overeenkomstig IAS 34 Tussentijdse financiële verslaggeving tussentijdse financiële verslagen opstelt, hoeft de entiteit de vereisten van deze standaard vóór de datum van eerste toepassing niet op tussentijdse perioden toe te passen indien zulks praktisch onhaalbaar is (zoals gedefinieerd in IAS 8).

Bijzondere waardevermindering (afdeling 5.5)

7.2.17.

Een entiteit moet de vereisten van afdeling 5.5 inzake bijzondere waardevermindering overeenkomstig IAS 8 retroactief toepassen, behoudens de alinea's 7.2.15, 7.2.18, 7.2.19 en 7.2.20.

7.2.18.

Op de datum van eerste toepassing moet een entiteit van redelijke, gefundeerde en zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen beschikbare informatie gebruikmaken om het kredietrisico op de datum van eerste opname van een financieel instrument te bepalen (of, wat leningtoezeggingen en financiëlegarantiecontracten betreft, op de datum waarop de entiteit partij werd bij de onherroepelijke toezegging in overeenstemming met alinea 5.5.6) en te vergelijken met het kredietrisico op de datum van eerste toepassing van deze standaard.

7.2.19.

Bij het bepalen of het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen, mag een entiteit het volgende toepassen:

a)

de vereisten in de alinea's 5.5.10, B5.5.22, B5.5.23 en B5.5.24; en

b)

het in alinea 5.5.11 beschreven weerlegbaar vermoeden voor contractuele betalingen die meer dan 30 dagen achterstallig zijn, indien een entiteit de vereisten inzake bijzondere waardevermindering toepast door significante toenamen van het kredietrisico sinds de eerste opname voor die financiële instrumenten vast te stellen op basis van achterstalligheidsinformatie.

7.2.20.

Indien het bepalen op de datum van eerste toepassing of het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen ongerechtvaardigde kosten of inspanningen zou vereisen, dan moet een entiteit op elke verslagdatum een voorziening voor verliezen opnemen ter grootte van een bedrag dat gelijk is aan de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen, totdat het financiële instrument niet langer wordt opgenomen (tenzij aan dat financiële instrument op een verslagdatum een gering kredietrisico verbonden is, in welk geval alinea 7.2.19(a) van toepassing is).

Overgang voor hedge accounting (hoofdstuk 6)

7.2.21.

Bij de eerste toepassing van deze standaard mag een entiteit ervoor kiezen om de vereisten van IAS 39 inzake hedge accounting als grondslag voor financiële verslaggeving te blijven toepassen in plaats van de vereisten van hoofdstuk 6 van deze standaard. Een entiteit moet deze grondslag op al haar afdekkingsrelaties toepassen. Een entiteit die voor deze grondslag kiest, moet ook IFRIC 16 Afdekking van een netto-investering in een buitenlandse activiteit toepassen, maar zonder de wijzigingen die deze interpretatie aan de vereisten van hoofdstuk 6 van deze standaard conformeren.

7.2.22.

Behoudens het bepaalde in alinea 7.2.26 moet een entiteit de vereisten van deze standaard inzake hedge accounting prospectief toepassen.

7.2.23.

Om hedge accounting vanaf de datum van eerste toepassing van de vereisten van deze standaard inzake hedge accounting te kunnen toepassen, moet op die datum aan alle desbetreffende criteria zijn voldaan.

7.2.24.

Afdekkingsrelaties die overeenkomstig IAS 39 voor hedge accounting in aanmerking kwamen en die ook voor hedge accounting in overeenstemming met de criteria van deze standaard (zie alinea 6.4.1) in aanmerking komen na met een eventuele herbalancering van de afdekkingsrelatie bij de overgang (zie alinea 7.2.25(b)) rekening te hebben gehouden, moeten als voortdurende afdekkingsrelaties worden aangemerkt.

7.2.25.

Bij eerste toepassing van de vereisten van deze standaard inzake hedge accounting:

a)

mag een entiteit deze vereisten beginnen toe te passen vanaf hetzelfde tijdstip waarop zij de vereisten van IAS 39 inzake hedge accounting niet langer toepast; en

b)

moet een entiteit de overeenkomstig IAS 39 bepaalde afdekkingsverhouding beschouwen als uitgangspunt voor de herbalancering van een voortdurende afdekkingsrelatie, indien van toepassing. Elke winst of elk verlies uit hoofde van een dergelijke herbalancering moet in winst of verlies worden opgenomen.

7.2.26.

Bij wijze van uitzondering op de prospectieve toepassing van de vereisten van deze standaard inzake hedge accounting:

a)

moet een entiteit de tijdswaarde van opties retroactief overeenkomstig alinea 6.5.15 administratief verwerken indien overeenkomstig IAS 39 alleen de verandering in de intrinsieke waarde van een optie als afdekkingsinstrument in een afdekkingsrelatie was aangewezen. Deze retroactieve administratieve verwerking is alleen van toepassing op de afdekkingsrelaties die aan het begin van de eerste vergelijkende periode bestonden of daarna zijn aangewezen;

b)

mag een entiteit het termijnelement van termijncontracten retroactief overeenkomstig alinea 6.5.16 administratief verwerken indien overeenkomstig IAS 39 alleen de verandering in het contante element van een termijncontract als afdekkingsinstrument in een afdekkingsrelatie was aangewezen. Deze retroactieve administratieve verwerking is alleen van toepassing op de afdekkingsrelaties die aan het begin van de eerste vergelijkende periode bestonden of daarna zijn aangewezen. Indien een entiteit voor deze retroactieve administratieve verwerking kiest, dan moet zij deze daarenboven op alle afdekkingsrelaties toepassen die voor deze keuze in aanmerking komen (dat wil zeggen dat deze keuze bij de overgang niet per individuele afdekkingsrelatie kan worden gemaakt). De administratieve verwerking van valutabasisspreads (zie alinea 6.5.16) mag retroactief worden toegepast op de afdekkingsrelaties die aan het begin van de eerste vergelijkende periode bestonden of daarna zijn aangewezen;

c)

moet een entiteit overgaan tot de retroactieve toepassing van het vereiste in alinea 6.5.6 dat er geen sprake is van aflopen of beëindigen van het afdekkingsinstrument indien:

i)

de partijen bij het afdekkingsinstrument als gevolg van wet- of regelgeving of de invoering van wet- of regelgeving overeenkomen dat een of meer clearingtegenpartijen in de plaats komen van hun oorspronkelijke tegenpartij en de nieuwe tegenpartij van elk van de partijen worden; en

ii)

eventuele andere wijzigingen in het afdekkingsinstrument beperkt blijven tot de wijzigingen die noodzakelijk zijn om tot een dergelijke vervanging van de tegenpartij over te gaan.

Entiteiten die IFRS 9 (2009), IFRS 9 (2010) of IFRS 9 (2013) eerder hebben toegepast

7.2.27.

Een entiteit moet de overgangsbepalingen van de alinea's 7.2.1 tot en met 7.2.26 op de desbetreffende datum van eerste toepassing toepassen. Een entiteit moet elke overgangsbepaling van de alinea's 7.2.3 tot en met 7.2.14 en van de alinea's 7.2.17 tot en met 7.2.26 slechts eenmaal toepassen (dat wil zeggen dat indien een entiteit voor een aanpak van de toepassing van IFRS 9 kiest waarbij er van meer dan één datum van eerste toepassing sprake is, zij geen van deze bepalingen opnieuw kan toepassen indien deze al op een eerdere datum zijn toegepast). (Zie de alinea's 7.2.2 en 7.3.2.)

7.2.28.

Een entiteit die IFRS 9 (2009), IFRS 9 (2010) of IFRS 9 (2013) toepaste en vervolgens deze standaard toepast:

a)

moet haar eerdere aanwijzing van een financieel actief als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies intrekken indien deze aanwijzing voorheen in overeenstemming met de in alinea 4.1.5 vermelde voorwaarde heeft plaatsgevonden, maar er als gevolg van de toepassing van deze standaard niet langer aan die voorwaarde wordt voldaan;

b)

mag een financieel actief als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies aanwijzen indien deze aanwijzing voorheen niet aan de in alinea 4.1.5 vermelde voorwaarde zou hebben voldaan, maar er als gevolg van de toepassing van deze standaard thans wel aan die voorwaarde wordt voldaan;

c)

moet haar eerdere aanwijzing van een financiële verplichting als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies intrekken indien deze aanwijzing voorheen in overeenstemming met de in alinea 4.2.2(a) vermelde voorwaarde heeft plaatsgevonden, maar er als gevolg van de toepassing van deze standaard niet langer aan die voorwaarde wordt voldaan; en

d)

mag een financiële verplichting als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies aanwijzen indien deze aanwijzing voorheen niet aan de in alinea 4.2.2(a) vermelde voorwaarde zou hebben voldaan, maar als gevolg van de toepassing van deze standaard thans wel aan die voorwaarde wordt voldaan;

Een dergelijke aanwijzing en een dergelijke intrekking moeten plaatsvinden op basis van de feiten en omstandigheden op de datum van eerste toepassing van deze standaard. Die classificatie moet retroactief worden toegepast.

7.3   INTREKKING VAN IFRIC 9, IFRS 9 (2009), IFRS 9 (2010) EN IFRS 9 (2013)

7.3.1.

Deze standaard vervangt IFRIC 9 Herbeoordeling van in contracten besloten derivaten. In de in oktober 2010 aan IFRS 9 toegevoegde vereisten waren de vereisten vervat die eerder in de alinea's 5 en 7 van IFRC 9 waren opgenomen. Als gevolg van deze wijziging zijn in IFRS 1 Eerste toepassing van International Financial Reporting Standards de vereisten opgenomen die eerder in alinea 8 van IFRIC 9 waren vervat.

7.3.2.

Deze standaard vervangt IFRS 9 (2009), IFRS 9 (2010) en IFRS 9 (2013). Een entiteit mag er evenwel voor kiezen op jaarperioden die vóór 1 januari 2018 aanvangen, de genoemde eerdere versies van IFRS 9 in plaats van deze standaard toe te passen, als en alleen als de desbetreffende datum van eerste toepassing vóór 1 februari 2015 valt.

Bijlage A

Definities

Deze bijlage maakt integraal deel uit van de standaard.

binnen twaalf maanden te verwachten kredietverliezen

Het gedeelte van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen dat de te verwachten kredietverliezen vertegenwoordigt die voortvloeien uit gebeurtenissen waardoor wanbetaling met betrekking tot een financieel instrument ontstaat, en die zich binnen een periode van twaalf maanden na de verslagdatum kunnen voordoen.

geamortiseerde kostprijs van een financieel actief of een financiële verplichting

Het bedrag waartegen het financiële actief of de financiële verplichting bij eerste opname wordt gewaardeerd, verminderd met de hoofdsomaflossingen en vermeerderd of verminderd met de volgens de effectieverentemethode bepaalde cumulatieve amortisatie van het eventuele verschil tussen dat eerste bedrag en het aflossingsbedrag, en, voor financiële activa, aangepast voor een eventuele voorziening voor verliezen.

contractactiva

De rechten waarvoor in IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten is vermeld dat zij administratief worden verwerkt in overeenstemming met deze standaard met het oog op de opname en waardering van bijzonderewaardeverminderingswinsten of -verliezen.

financieel actief met verminderde kredietwaardigheid

Een financieel actief heeft een verminderde kredietwaardigheid wanneer er zich één of meer gebeurtenissen hebben voorgedaan die een negatief effect op de geschatte toekomstige kasstromen van dat financiële actief sorteren. Aanwijzingen dat een financieel actief een verminderde kredietwaardigheid heeft, omvatten waarneembare gegevens over de volgende gebeurtenissen:

a)

significante financiële problemen van de emittent of leningnemer;

b)

een contractbreuk, zoals een wanbetaling of een gebeurtenis waardoor het financiële actief achterstallig is;

c)

een concessie die de leninggever(s) van de leningnemer om economische of contractuele redenen wegens financiële problemen van de leningnemer aan de leningnemer heeft (hebben) verleend en die de leninggever(s) anders niet zou(den) overwegen;

d)

waarschijnlijkheid van faillissement of van een andere financiële reorganisatie van de leningnemer;

e)

het wegvallen van een actieve markt voor dat financiële actief vanwege financiële moeilijkheden; of

f)

de verwerving of creatie van een financieel actief tegen een grote korting die het gevolg is van geleden kredietverliezen.

Het kan onmogelijk blijken om één afzonderlijke gebeurtenis te identificeren. In plaats daarvan kan een combinatie van diverse gebeurtenissen ertoe hebben geleid dat financiële activa een verminderde kredietwaardigheid hebben.

kredietverlies

Het verschil tussen alle contractuele kasstromen die overeenkomstig het contract aan een entiteit verschuldigd zijn en alle kasstromen die de entiteit verwacht te zullen ontvangen (dat wil zeggen alle kastekorten), gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rentevoet (of de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid), Een entiteit moet de kasstromen schatten door alle contractvoorwaarden van het financiële instrument over de verwachte looptijd van dat financiële instrument in aanmerking te nemen (bijvoorbeeld een optie tot vervroegde aflossing en verlengings-, call- en vergelijkbare opties). De in aanmerking genomen kasstromen moeten de kasstromen omvatten die voortvloeien uit de verkoop van zekerheden of andere vormen van kredietbescherming die integraal deel uitmaken van de contractvoorwaarden. Er wordt verondersteld dat de verwachte looptijd van een financieel instrument betrouwbaar kan worden geschat. In het zeldzame geval waarin de verwachte looptijd van een financieel instrument niet betrouwbaar kan worden geschat, moet de entiteit echter uitgaan van de resterende contractduur van het financiële instrument.

voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet

De rente die de verwachte toekomstige geldbetalingen of -ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van het financiële actief exact disconteert tot de geamortiseerde kostprijs van een financieel actief dat een verworven of gecreëerd financieel actief met verminderde kredietwaardigheid is. Bij de berekening van de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet moet een entiteit een schatting maken van de verwachte kasstromen door rekening te houden met alle contractvoorwaarden van het financiële actief (bijvoorbeeld een optie tot vervroegde aflossing en verlengings-, call- en vergelijkbare opties) en met de te verwachten kredietverliezen. In de berekening worden alle door de contractpartijen betaalde of ontvangen provisies en vergoedingen opgenomen die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet (zie de alinea's B5.4.1, B5.4.2 en B5.4.3), alsmede transactiekosten en alle overige premies en kortingen. Er wordt verondersteld dat de kasstromen en de verwachte looptijd van een groep van vergelijkbare financiële instrumenten betrouwbaar kunnen worden geschat. In het zeldzame geval waarin de kasstromen of de resterende looptijd van het financiële instrument (of groep van financiële instrumenten) niet betrouwbaar kunnen, respectievelijk kan, worden geschat, moet de entiteit echter uitgaan van de contractuele kasstromen over de gehele contractduur van het financiële instrument (of groep van financiële instrumenten).

niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie

Het verwijderen van een voorheen opgenomen financieel actief of financiële verplichting uit het overzicht van de financiële positie van een entiteit.

derivaat

Een financieel instrument of een ander contract dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt en dat de volgende drie kenmerken bezit:

a)

de waarde ervan verandert als gevolg van veranderingen in een bepaalde rente, prijs van een financieel instrument, commodityprijs, wisselkoers, index van prijzen of rentevoeten, creditrating of kredietwaardigheidsindex, of andere variabele, mits, in geval van een niet-financiële variabele, de variabele niet specifiek voor een contractpartij is (soms „de onderliggende waarde” genoemd);

b)

er is geen nettoaanvangsinvestering benodigd of een geringe nettoaanvangsinvestering in verhouding tot andere soorten contracten die naar verwachting op vergelijkbare wijze op veranderingen in marktfactoren reageren;

c)

het wordt op een tijdstip in de toekomst afgewikkeld.

dividenden

Uitkeringen van winsten aan houders van eigenvermogensinstrumenten naar rato van hun participaties in een specifieke vermogensklasse.

effectieverentemethode

De methode die wordt gebruikt bij de berekening van de geamortiseerde kostprijs van een financieel actief of een financiële verplichting en bij de toerekening en opname van rentebaten of rentelasten aan, respectievelijk in, de winst of het verlies over de desbetreffende periode.

effectieve rentevoet

De rente die de verwachte toekomstige geldbetalingen of -ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van het financiële actief of de financiële verplichting exact disconteert tot de brutoboekwaarde van een financieel actief of de geamortiseerde kostprijs van een financiële verplichting. Bij de berekening van de effectieve rentevoet moet een entiteit een schatting maken van de verwachte kasstromen, waarbij rekening wordt gehouden met alle contractvoorwaarden van het financiële instrument (bijvoorbeeld een optie tot vervroegde aflossing en verlengings-, call- en vergelijkbare opties), maar niet met de te verwachten kredietverliezen. In de berekening worden alle door de contractpartijen betaalde of ontvangen provisies en vergoedingen opgenomen die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet (zie de alinea's B5.4.1, B5.4.2 en B5.4.3), alsmede transactiekosten en alle overige premies en kortingen. Er wordt verondersteld dat de kasstromen en de verwachte looptijd van een groep van vergelijkbare financiële instrumenten betrouwbaar kunnen worden geschat. In het zeldzame geval waarin de kasstromen of de verwachte looptijd van het financiële instrument (of groep van financiële instrumenten) niet betrouwbaar kunnen, respectievelijk kan, worden geschat, moet de entiteit echter uitgaan van de contractuele kasstromen over de gehele contractduur van het financiële instrument (of groep van financiële instrumenten).

te verwachten kredietverliezen

Het gewogen gemiddelde van kredietverliezen waarbij de respectieve risico's van een wanbetaling als wegingsfactoren worden gebruikt.

financiëlegarantiecontract

Een contract op grond waarvan de emittent verplicht is bepaalde betalingen te verrichten om de houder te compenseren voor een door hem geleden verlies omdat een bepaalde debiteur zijn betalingsverplichting uit hoofde van de oorspronkelijke of herziene voorwaarden van een schuldbewijs niet nakomt.

financiële verplichting gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies

Een financiële verplichting die aan één van de volgende voorwaarden voldoet:

a)

zij voldoet aan de definitie van het begrip voor handelsdoeleinden aangehouden;

b)

zij is bij eerste opname overeenkomstig alinea 4.2.2 of 4.3.5 door de entiteit aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies;

c)

zij is ofwel bij eerste opname, ofwel daarna overeenkomstig alinea 6.7.1 aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

vaststaande toezegging

Een bindende overeenkomst tot ruil van een bepaalde hoeveelheid economische middelen tegen een bepaalde prijs op een bepaalde datum of op bepaalde data in de toekomst.

verwachte toekomstige transactie

Een toekomstige transactie waarvoor nog geen verplichting is aangegaan maar die waarschijnlijk is.

brutoboekwaarde van een financieel actief

De geamortiseerde kostprijs van een financieel actief, vóór aanpassing voor een eventuele voorziening voor verliezen.

afdekkingsverhouding

De verhouding tussen de hoeveelheid van het afdekkingsinstrument en de hoeveelheid van de afgedekte positie in termen van hun relatieve wegingsfactoren.

voor handelsdoeleinden aangehouden

Een financieel actief dat of een financiële verplichting die:

a)

hoofdzakelijk wordt verworven of aangegaan met het doel dit actief of deze verplichting op korte termijn te verkopen of terug te kopen;

b)

bij eerste opname deel uitmaakt van een portefeuille van geïdentificeerde financiële instrumenten die gezamenlijk worden beheerd en waarvoor aanwijzingen bestaan van een recent, feitelijk patroon van winstnemingen op korte termijn; of

c)

een derivaat is (behalve een derivaat dat een financiëlegarantiecontract is of dat wordt aangewezen als afdekkingsinstrument en effectief is);

bijzonderewaardevermin-deringswinst of -verlies

Winsten of verliezen die overeenkomstig alinea 5.5.8 in winst of verlies worden opgenomen en die uit de toepassing van de vereisten van afdeling 5.5 inzake bijzondere waardevermindering voortvloeien.

tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen

De te verwachten kredietverliezen die voortvloeien uit alle mogelijke gebeurtenissen waardoor tijdens de verwachte looptijd van een financieel instrument wanbetaling met betrekking tot het financiële instrument ontstaat.

voorziening voor verliezen

De voorziening voor te verwachten kredietverliezen op financiële activa gewaardeerd overeenkomstig alinea 4.1.2, leasevorderingen en contractactiva, het cumulatieve bedrag van de bijzondere waardevermindering van financiële activa gewaardeerd overeenkomstig alinea 4.1.2A en de voorziening voor te verwachten kredietverliezen op leningtoezeggingen en financiëlegarantiecontracten.

herzieningswinst of -verlies

Het bedrag dat voortvloeit uit de aanpassing van de brutoboekwaarde van een financieel actief om de heronderhandelde of herziene contractuele kasstromen weer te geven. De entiteit herberekent de brutoboekwaarde van een financieel actief als de contante waarde van de geschatte toekomstige geldbetalingen of -ontvangsten tijdens de verwachte looptijd van het heronderhandelde of herziene financiële actief, gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rentevoet van het financiële actief (of de oorspronkelijke voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid), dan wel, in voorkomend geval, de herziene effectieve rentevoet berekend overeenkomstig alinea 6.5.10. Bij de schatting van de verwachte kasstromen van een financieel actief moet een entiteit rekening houden met alle contractvoorwaarden van het financiële actief (bijvoorbeeld een optie tot vervroegde aflossing en verlengings-, call- en vergelijkbare opties), maar niet met de te verwachten kredietverliezen, tenzij het financiële actief een verworven of gecreëerd financieel actief met verminderde kredietwaardigheid is, in welk geval een entiteit ook rekening moet houden met de aanvankelijk te verwachten kredietverliezen waarmee bij de berekening van de oorspronkelijke voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet rekening was gehouden.

achterstallig

Een financieel actief is achterstallig wanneer een tegenpartij in gebreke is gebleven met het verrichten van een betaling toen de betaling contractueel betaalbaar was.

verworven of gecreëerd financieel actief met verminderde kredietwaardigheid

Verworven of gecreëerd(e) financieel (financiële) actief (activa) met verminderde kredietwaardigheid bij eerste opname.

herclassificatiedatum

De eerste dag van de eerste verslagperiode die volgt op de wijziging in het bedrijfsmodel die resulteert in de herclassificatie van financiële activa door een entiteit.

Een aankoop of verkoop volgens standaardmarkt-conventies

Een aankoop of verkoop van een financieel actief op grond van een contract waarvan de voorwaarden levering van het actief voorschrijven binnen de termijn die op de desbetreffende markt algemeen voorgeschreven of overeengekomen is.

transactiekosten

Extra kosten die direct zijn toe te rekenen aan de verwerving, uitgifte of vervreemding van een financieel actief of een financiële verplichting (zie alinea B5.4.8). Extra kosten zijn kosten die niet zouden zijn gemaakt indien de entiteit het financiële instrument niet had verworven, uitgegeven of afgestoten.

De volgende begrippen zijn gedefinieerd in alinea 11 van IAS 32, bijlage A bij IFRS 7, bijlage A bij IFRS 13 of bijlage A bij IFRS 15 en worden in deze standaard gebruikt met de in IAS 32, IFRS 7, IFRS 13 of IFRS 15 vermelde betekenis:

a)

kredietrisico (2);

b)

eigenvermogensinstrument;

c)

reële waarde;

d)

financieel actief;

e)

financieel instrument;

f)

financiële verplichting;

g)

transactieprijs.

Bijlage B

Toepassingsleidraad

Deze bijlage maakt integraal deel uit van deze standaard.

TOEPASSINGSGEBIED (HOOFDSTUK 2)

B2.1

Sommige contracten schrijven een betaling voor gebaseerd op klimatologische, geologische of andere natuurlijke variabelen. (Contracten op basis van klimatologische variabelen worden ook wel „weerderivaten” genoemd.) Indien die contracten niet binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 vallen, vallen zij binnen het toepassingsgebied van deze standaard.

B2.2

Deze standaard brengt geen wijziging aan in de vereisten met betrekking tot beloningsregelingen voor het personeel die in overeenstemming zijn met IAS 26 Administratieve verwerking en verslaggeving door werknemerspensioenfondsen, en evenmin in de vereisten met betrekking tot royalty-overeenkomsten gebaseerd op de omvang van de omzet van goederen of diensten die administratief overeenkomstig IFRS 15 Opbrengsten van contracten met klanten worden verwerkt.

B2.3

Soms doet een entiteit wat ze beschouwt als een „strategische belegging” in door een andere entiteit uitgegeven eigenvermogensinstrumenten met het oog op het tot stand brengen of handhaven van een langdurige operationele relatie met de entiteit waarin wordt belegd. De investerende entiteit of deelnemer in een joint venture gebruikt IAS 28 om vast te stellen of de „equity”-methode moet worden toegepast voor de administratieve verwerking van een dergelijke belegging.

B2.4

Deze standaard is van toepassing op de financiële activa en financiële verplichtingen van verzekeraars, met uitzondering van de rechten en verplichtingen die in alinea 2.1(e) worden uitgesloten omdat zij voortvloeien uit contracten die binnen het toepassingsgebied van IFRS 4 Verzekeringscontracten vallen.

B2.5

Financiëlegarantiecontracten kunnen verschillende juridische vormen aannemen, zoals die van een garantie, bepaalde categorieën van kredietbrieven, een kredietderivaat („credit default contract”) of een verzekeringscontract. De wijze van administratieve verwerking is niet afhankelijk van de juridische vorm. Voorbeelden van de geëigende behandeling (zie alinea 2.1(e)) zijn onderstaand opgenomen:

a)

hoewel een financiëlegarantiecontract aan de in IFRS 4 vermelde definitie van een verzekeringscontract voldoet indien er sprake is van een significante risico-overdracht, past de emittent deze standaard toe. Indien de emittent eerder uitdrukkelijk heeft bevestigd dat hij dergelijke contracten als verzekeringscontract beschouwt en deze administratief heeft verwerkt op een voor verzekeringscontracten geldende wijze, mag hij er niettemin voor kiezen ofwel deze standaard, ofwel IFRS 4 op dergelijke financiëlegarantiecontracten toe te passen. Indien deze standaard van toepassing is, moet de emittent overeenkomstig alinea 5.1.1 een financiëlegarantiecontract in eerste instantie tegen reële waarde opnemen. Indien het financiëlegarantiecontract werd uitgegeven aan een niet-verbonden partij in een losstaande zakelijke, objectieve transactie tussen onafhankelijke partijen, is de reële waarde bij het afsluiten ervan waarschijnlijk gelijk aan de ontvangen premie, tenzij er aanwijzingen zijn die op het tegendeel duiden. Tenzij het financiëlegarantiecontract bij de afsluiting is aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, of tenzij de alinea's 3.2.15 tot en met 3.2.23 en de alinea's B3.2.12 tot en met B3.2.17 van toepassing zijn (wanneer de overdracht van een financieel actief niet in aanmerking komt voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie of wanneer de benadering bij aanhoudende betrokkenheid van toepassing is), waardeert de emittent het contract na eerste opname tegen het hoogste van de volgende bedragen:

i)

het bedrag dat overeenkomstig afdeling 5.5 is bepaald; en

ii)

het oorspronkelijk opgenomen bedrag, verminderd met, in voorkomend geval, het cumulatieve bedrag van de baten dat in overeenstemming met de beginselen van IFRS 15 is opgenomen (zie alinea 4.2.1(c));

b)

bij sommige kredietgerelateerde garanties wordt niet als voorwaarde voor betaling gesteld dat de houder moet zijn blootgesteld aan een verlies en een verlies moet hebben geleden omdat de debiteur zijn betalingsverplichting met betrekking tot het gegarandeerde actief niet nakomt. Een voorbeeld van een dergelijke garantie is een garantie waarbij betalingen moeten worden gedaan naar aanleiding van veranderingen in een bepaalde creditrating of kredietwaardigheidsindex. Dergelijke garanties zijn geen financiëlegarantiecontracten zoals gedefinieerd in deze standaard en evenmin een verzekeringscontract zoals gedefinieerd in IFRS 4. Dergelijke garanties zijn derivaten en de emittent past er dan ook deze standaard op toe;

c)

indien een financiëlegarantiecontract is uitgegeven in verband met de verkoop van goederen, past de emittent IFRS 15 toe om te bepalen wanneer de uit de garantie en uit de verkoop van goederen resulterende opbrengsten worden opgenomen.

B2.6

Bevestiging van het feit dat een emittent contracten als een verzekeringscontract beschouwt, kan gewoonlijk in alle communicatie met cliënten en toezichthoudende en regelgevende instanties, contracten, bedrijfsdocumentatie en jaarrekeningen van de emittent worden aangetroffen. Bovendien zijn verzekeringscontracten vaak onderworpen aan verwerkingsvereisten die verschillen van die welke gelden voor andere categorieën van transacties, zoals contracten uitgegeven door banken of commerciële ondernemingen. In dergelijke gevallen bevat de jaarrekening van een emittent gewoonlijk een verklaring dat de emittent deze verwerkingsvereisten heeft toegepast.

Opname en niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie (hoofdstuk 3)

EERSTE OPNAME (AFDELING 3.1)

B3.1.1

Naar aanleiding van de grondslag van alinea 3.1.1 neemt een entiteit alle contractuele rechten en verplichtingen uit hoofde van derivaten als activa, respectievelijk verplichtingen, op in het overzicht van de financiële positie, uitgezonderd derivaten die de administratieve verwerking van een overdracht van financiële activa als verkoop in de weg staan (zie alinea B3.2.14). Indien een overdracht van een financieel actief niet voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komt, neemt de verkrijger het overgedragen actief niet op als actief (zie alinea B3.2.15).

B3.1.2

Hieronder volgen enkele voorbeelden van toepassing van de grondslag van alinea 3.1.1:

a)

onvoorwaardelijke vorderingen en schulden worden als activa of verplichtingen opgenomen wanneer de entiteit een contractpartij wordt en daardoor een in rechte afdwingbaar recht op ontvangst, of een in rechte afdwingbare verplichting tot betaling, van geldmiddelen heeft;

b)

te verwerven activa en aan te gane verplichtingen als gevolg van een vaststaande toezegging om goederen of diensten te kopen of te verkopen, worden over het algemeen niet opgenomen totdat ten minste één van de partijen de overeenkomst is nagekomen. Een entiteit die bijvoorbeeld een vaste order ontvangt, neemt deze veelal niet op als actief (en de entiteit die de order plaatst, neemt deze niet op als verplichting) op het tijdstip dat de toezegging wordt gedaan, maar pas wanneer de bestelde goederen of diensten zijn verzonden, geleverd of verleend. Indien een vaststaande toezegging om niet-financiële goederen te kopen of te verkopen overeenkomstig alinea 2.4 tot en met 2.7 binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt, wordt de netto reële waarde daarvan op de datum waarop de toezegging wordt gedaan als een actief of een verplichting in het overzicht van de financiële positie opgenomen (zie alinea B4.1.30(c)). Indien een voorheen niet-opgenomen vaststaande toezegging als afgedekte positie bij een reëlewaardeafdekking wordt aangewezen, wordt bovendien elke nettoverandering in de reële waarde die aan het afgedekte risico is toe te rekenen, vanaf afsluiting van de afdekkingstransactie als een actief of een verplichting opgenomen (zie de alinea's 6.5.8(b) en 6.5.9);

c)

een termijncontract dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt (zie alinea 2.1) wordt als actief of verplichting opgenomen op de datum waarop de verplichting wordt aangegaan, in plaats van op de datum waarop de afwikkeling plaatsvindt. Wanneer een entiteit partij bij een termijncontract wordt, is de reële waarde van het recht en van de verplichting veelal gelijk, zodat de netto reële waarde van het termijncontract gelijk is aan nul. Indien de netto reële waarde van het recht en de verplichting niet gelijk is aan nul, wordt het contract als een actief of een verplichting opgenomen;

d)

optiecontracten die binnen het toepassingsgebied van deze standaard vallen (zie alinea 2.1) worden opgenomen als activa en verplichtingen wanneer de houder of de schrijver een contractpartij wordt;

e)

geplande toekomstige transacties, ongeacht hoe waarschijnlijk deze zijn, zijn geen activa en verplichtingen omdat de entiteit geen contractpartij is geworden.

Aankoop of verkoop volgens standaardmarktconventies van financiële activa

B3.1.3

Een aankoop of verkoop volgens standaardmarktconventies van financiële activa wordt administratief verwerkt op basis van hetzij de transactiedatum, hetzij de afwikkelingsdatum, zoals beschreven in de alinea's B3.1.5 en B3.1.6. Een entiteit moet dezelfde methode consequent toepassen op alle aankopen en verkopen van financiële activa die overeenkomstig deze standaard op dezelfde wijze worden geclassificeerd. In dit verband vormen activa die verplicht te waarderen zijn tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies een afzonderlijke categorie ten opzichte van activa die zijn aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Daarnaast vormen ook beleggingen in eigenvermogensinstrumenten die administratief worden verwerkt volgens de door alinea 5.7.5 geboden mogelijkheid, een afzonderlijke categorie.

B3.1.4

Een contract dat nettoafwikkeling van de waardeverandering van het contract voorschrijft of toestaat, is geen contract volgens standaardmarktconventies. In plaats daarvan wordt een dergelijk contract in de periode tussen de transactiedatum en de afwikkelingsdatum administratief verwerkt als een derivaat.

B3.1.5

De transactiedatum is de datum waarop een entiteit zich ertoe verbindt een actief te kopen of te verkopen. Administratieve verwerking op basis van de transactiedatum verwijst naar (a) het opnemen van een te ontvangen actief en de verplichting ervoor te betalen op de transactiedatum, en (b) het niet langer opnemen van een actief dat verkocht is, het opnemen van een eventuele winst of een eventueel verlies bij vervreemding en het opnemen van een vordering op de koper in verband met betaling op de transactiedatum. In het algemeen begint de rente over het actief en de overeenkomstige verplichting pas te lopen op de afwikkelingsdatum, als de andere partij eigenaar van het actief wordt.

B3.1.6

De afwikkelingsdatum is de datum waarop een actief aan of door een entiteit wordt geleverd. De administratieve verwerking op basis van de afwikkelingsdatum houdt in dat (a) een actief wordt opgenomen op de dag dat het door de entiteit wordt ontvangen, en (b) een actief niet langer wordt opgenomen vanaf de datum dat het door de entiteit wordt geleverd; op deze datum wordt tevens een eventuele winst of een eventueel verlies bij vervreemding opgenomen. Als administratieve verwerking op basis van de afwikkelingsdatum wordt toegepast, verwerkt een entiteit een eventuele verandering in de reële waarde van het te ontvangen actief in de periode tussen de transactiedatum en de afwikkelingsdatum administratief op dezelfde wijze als het verworven actief. De waardeverandering wordt met andere woorden niet opgenomen bij activa die tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd. Bij activa die zijn geclassificeerd als financiële activa gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, wordt de waardeverandering in winst of verlies opgenomen. Bij financiële activa die overeenkomstig alinea 4.1.2A tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gewaardeerd en bij beleggingen in eigenvermogensinstrumenten die overeenkomstig alinea 5.7.5 administratief worden verwerkt, wordt de waardeverandering in de overige onderdelen van het totaalresultaat opgenomen.

Niet langer opnemen van financiële activa (afdeling 3.2)

B3.2.1

Het volgende stroomschema toont de stappen in de beoordeling van of en in hoeverre een financieel actief uit het overzicht van de financiële positie wordt verwijderd.

Image

Overeenkomsten op grond waarvan een entiteit de contractuele rechten op de ontvangst van de kasstromen van een financieel actief behoudt, maar een contractuele verplichting aangaat om de kasstromen aan één of meer ontvangende partijen te betalen (alinea 3.2.4(b))

B3.2.2

De in alinea 3.2.4(b) beschreven situatie (waarin een entiteit de contractuele rechten op de ontvangst van de kasstromen van een financieel actief behoudt, maar een contractuele verplichting aangaat om de kasstromen aan een of meer ontvangende partijen te betalen) doet zich bijvoorbeeld voor indien de entiteit een trust is, en aan de beleggers een economisch belang in de onderliggende financiële activa uitgeeft waarvan de entiteit eigenaar is en met betrekking tot welke zij beheersdiensten verleent. In dat geval komen de financiële activa voor niet langer opnemen in aanmerking indien aan de voorwaarden in de alinea's 3.2.5 en 3.2.6 wordt voldaan.

B3.2.3

Bij de toepassing van alinea 3.2.5 zou de entiteit bijvoorbeeld de oorspronkelijke bezitter („originator”) van het financiële actief kunnen zijn, dan wel een groep die een dochteronderneming omvat die het financiële actief heeft verworven en de kasstromen aan derden doorgeeft.

Beoordeling van de overdracht van risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief (alinea 3.2.6)

B3.2.4

Voorbeelden van wanneer een entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief overdraagt, zijn:

a)

een onvoorwaardelijke verkoop van een financieel actief;

b)

een verkoop van een financieel actief met een optie om het financiële actief terug te kopen tegen de reële waarde op het moment van de terugkoop; en

c)

een verkoop van een financieel actief met een put- of een calloptie die diep „out of the money” is (dat wil zeggen een optie die zo diep „out of the money” is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat deze vóór de afloopdatum „in the money” geraakt).

B3.2.5

Voorbeelden van wanneer een entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief heeft behouden, zijn:

a)

een verkoop- en terugkooptransactie waarbij de terugkoopprijs een vaste prijs is of de verkoopprijs plus een rendementsopslag van de leninggever;

b)

een effectenuitleenovereenkomst;

c)

een verkoop van een financieel actief in combinatie met een „total return swap” waarmee het marktrisico weer aan de entiteit wordt overdragen;

d)

een verkoop van een financieel actief in combinatie met een put- of een calloptie die diep „in the money” is (dat wil zeggen een optie die zo diep „in the money” is dat het zeer onwaarschijnlijk is dat deze vóór de afloopdatum „out of the money” geraakt); en

e)

een verkoop van kortlopende vorderingen waarbij de entiteit garandeert de verkrijger te zullen compenseren voor kredietverliezen die waarschijnlijk zullen optreden.

B3.2.6

Indien een entiteit bepaalt dat zij als gevolg van de overdracht nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het overgedragen actief heeft overgedragen, neemt zij het overgedragen actief daarna niet meer op, tenzij de entiteit het overgedragen actief in een nieuwe transactie opnieuw verwerft.

Beoordeling van de overdracht van beschikkingsmacht

B3.2.7

Een entiteit heeft de beschikkingsmacht over een overgedragen actief niet behouden indien de verkrijger in de praktijk de mogelijkheid heeft om het overgedragen actief te verkopen. Een entiteit heeft de beschikkingsmacht over een overgedragen actief behouden indien de verkrijger in de praktijk niet de mogelijkheid heeft om het overgedragen actief te verkopen. Een verkrijger heeft in de praktijk de mogelijkheid om het overgedragen actief te verkopen indien dit op een actieve markt wordt verhandeld, omdat de verkrijger het overgedragen actief op de markt zou kunnen terugkopen indien hij het actief aan de entiteit moet teruggeven. Een verkrijger kan bijvoorbeeld in de praktijk de mogelijkheid hebben om een overgedragen actief te verkopen indien de entiteit met betrekking tot het overgedragen actief de optie heeft om het terug te kopen, maar de verkrijger het overgedragen actief op eenvoudige wijze op de markt kan verwerven indien van de optie wordt gebruikgemaakt. Een verkrijger heeft in de praktijk niet de mogelijkheid om het overgedragen actief te verkopen indien de entiteit een dergelijke optie behoudt en de verkrijger het overgedragen actief niet op eenvoudige wijze op de markt kan verwerven indien de entiteit de optie uitoefent.

B3.2.8

De verkrijger heeft in de praktijk alleen de mogelijkheid om het overgedragen actief te verkopen indien de verkrijger het overgedragen actief in zijn geheel aan een derde kan verkopen en in staat is eenzijdig van die mogelijkheid gebruik te maken, zonder de overdracht aan aanvullende beperkingen te onderwerpen. De essentiële vraag is wat de verkrijger in de praktijk kan doen, niet welke contractuele rechten de verkrijger heeft betreffende wat hij met het overgedragen actief kan doen, of welke contractuele verboden er bestaan. Met name geldt dat:

a)

een contractueel recht om het overgedragen actief te vervreemden in de praktijk weinig betekenis heeft indien er geen markt voor het overgedragen actief bestaat; en

b)

een mogelijkheid om het overgedragen actief te vervreemden in de praktijk van geringe betekenis is indien men niet vrij is om hiervan gebruik te maken. Daarom:

i)

moet de mogelijkheid van de verkrijger om het overgedragen actief te vervreemden onafhankelijk te zijn van de handelingen van anderen (dat wil zeggen dat er sprake moet zijn van een mogelijkheid waarvan eenzijdig kan worden gebruikgemaakt);

ii)

moet de verkrijger in staat zijn het overgedragen actief te vervreemden zonder restrictieve voorwaarden of „verplichtingen” te hoeven opleggen (bijvoorbeeld wat betreft de inhoud van de beheersdiensten of een optie op grond waarvan de verkrijger het recht heeft het actief terug te kopen).

B3.2.9

Het feit dat het onwaarschijnlijk is dat de verkrijger het overgedragen actief zal verkopen, betekent op zich niet dat de overdragende partij de beschikkingsmacht over het overgedragen actief heeft behouden. Indien er echter een putoptie of garantie bestaat die de verkrijger beperkingen oplegt ten aanzien van de verkoop van het overgedragen actief, dan heeft de overdragende partij de beschikkingsmacht over het overgedragen actief behouden. Indien bijvoorbeeld een putoptie of garantie van voldoende waarde is, beperkt deze de verkrijger bij de verkoop van het overgedragen actief omdat de verkrijger in de praktijk het overgedragen actief niet aan een derde zou verkopen zonder daaraan een vergelijkbare optie of andere restrictieve voorwaarden te verbinden. De verkrijger zou in plaats daarvan het overgedragen actief houden teneinde betalingen uit hoofde van de garantie of putoptie te ontvangen. De verkrijger heeft onder deze omstandigheden de beschikkingsmacht over het overgedragen actief behouden.

Overdrachten die voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komen

B3.2.10

Een entiteit kan het recht op een deel van de rentebetalingen op overgedragen activa behouden als vergoeding voor beheersdiensten („servicing”) met betrekking tot deze activa. Het deel van de rentebetalingen waarvan de entiteit bij beëindiging of overdracht van het servicingcontract zou afzien, wordt aan het servicingactief of de servicingverplichting toegerekend. Het deel van de rentebetalingen waarvan de entiteit niet zou afzien, is een te ontvangen rentecoupon. Indien de entiteit bijvoorbeeld bij beëindiging of overdracht van het servicingcontract niet van de rente zou afzien, is de gehele rentemarge een te ontvangen rentecoupon. Voor de toepassing van alinea 3.2.13 worden de reële waarde van het servicingactief en die van de te ontvangen rentecoupon gebruikt om de boekwaarde van de vordering toe te rekenen aan het deel van het actief dat niet langer wordt opgenomen en het deel dat verder wordt opgenomen. Indien er geen provisie voor beheersdiensten is vastgelegd, of indien de te ontvangen provisie naar verwachting ontoereikend is om de entiteit voldoende te compenseren voor het verlenen van de beheersdiensten, wordt een servicingverplichting tegen reële waarde opgenomen uit hoofde van de plicht de dienst te verzorgen.

B3.2.11

Bij het bepalen van de reële waarde van het deel dat verder wordt opgenomen en het deel dat niet langer wordt opgenomen in het kader van de toepassing van alinea 3.2.13, moet een entiteit naast alinea 3.2.14 ook de vereisten van IFRS 13 inzake waardering tegen reële waarde toepassen.

Overdrachten die niet voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komen

B3.2.12

Het volgende is een toepassing van het beginsel dat in alinea 3.2.15 is uiteengezet. Indien een door de entiteit verstrekte garantie in verband met verliezen als gevolg van wanbetaling op het overgedragen actief het niet mogelijk maakt om een overgedragen actief niet langer in het overzicht van de financiële positie op te nemen omdat de entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het overgedragen actief heeft behouden, blijft het overgedragen actief in zijn geheel opgenomen en wordt de ontvangen vergoeding opgenomen als een verplichting.

Aanhoudende betrokkenheid bij overdragen activa

B3.2.13

Hierna volgen voorbeelden van de wijze waarop een entiteit een overgedragen actief en de gerelateerde verplichting overeenkomstig alinea 3.2.16 waardeert.

Alle activa

a)

Indien een door een entiteit verstrekte garantie voor verliezen als gevolg van wanbetaling op een overgedragen actief het niet langer opnemen van het overgedragen actief tot de omvang van de aanhoudende betrokkenheid in de weg staat, wordt het overgedragen actief gewaardeerd op (i) de boekwaarde van het actief of, indien lager, (ii) het bedrag van de bij de overdracht ontvangen vergoeding dat de entiteit maximaal zou moeten terugbetalen („het garantiebedrag”). De gerelateerde verplichting wordt bij eerste opname gewaardeerd op het garantiebedrag vermeerderd met de reële waarde van de garantie (die normaliter overeenkomt met de voor de garantie ontvangen vergoeding). Na eerste opname wordt de eerste reële waarde van de garantie in winst of verlies opgenomen wanneer (of naarmate) de verplichting wordt nagekomen (overeenkomstig de beginselen van IFRS 15), en de boekwaarde van het actief wordt verminderd met een eventuele voorziening voor verliezen.

Activa gewaardeerd tegen geamortiseerde kostprijs

b)

Indien een verplichting uit hoofde van een door een entiteit geschreven putoptie of een recht uit hoofde van een door een entiteit gehouden calloptie het niet langer opnemen van een overgedragen actief in de weg staat, en de entiteit het overgedragen actief tegen geamortiseerde kostprijs waardeert, wordt de gerelateerde verplichting tegen kostprijs (dat wil zeggen de ontvangen vergoeding) gewaardeerd, gecorrigeerd voor het verschil tussen die kostprijs en de brutoboekwaarde van het overgedragen actief op de vervaldatum van de optie. Stel bijvoorbeeld dat de brutoboekwaarde van het actief op de datum van overdracht VE 98 bedraagt en dat de ontvangen vergoeding VE 95 bedraagt. De brutoboekwaarde van het actief op de uitoefendatum van de optie zal VE 100 bedragen. De eerste boekwaarde van de gerelateerde verplichting bedraagt VE 95 en het verschil tussen VE 95 en VE 100 wordt in winst of verlies opgenomen volgens de effectieverentemethode. Indien de optie wordt uitgeoefend, wordt een eventueel verschil tussen de boekwaarde van de gerelateerde verplichting en de uitoefenprijs in winst of verlies opgenomen.

Activa gewaardeerd tegen reële waarde

c)

Indien een door een entiteit behouden recht uit hoofde van een calloptie het niet langer opnemen van een overgedragen actief in de weg staat, en de entiteit het overgedragen actief tegen reële waarde waardeert, wordt het actief verder tegen reële waarde gewaardeerd. De gerelateerde verplichting wordt gewaardeerd tegen (i) de uitoefenprijs van de optie verminderd met de tijdswaarde van de optie indien de optie „in the money” of „at the money” is, of (ii) de reële waarde van het overgedragen actief verminderd met de tijdswaarde van de optie indien de optie „out of the money” is. Met de aanpassing van de waardering van de gerelateerde verplichting wordt bewerkstelligd dat de nettoboekwaarde van het actief en de gerelateerde verplichting gelijk is aan de reële waarde van het calloptierecht. Indien bijvoorbeeld de reële waarde van het onderliggende actief VE 80, de uitoefenprijs VE 95 en de tijdswaarde van de optie VE 5 bedragen, beloopt de boekwaarde van de gerelateerde verplichting VE 75 (VE 80 — VE 5) en bedraagt de boekwaarde van het overgedragen actief VE 80 (de reële waarde).

d)

Indien een door een entiteit geschreven optie het niet langer opnemen van een overgedragen actief in de weg staat, en de entiteit het overgedragen actief tegen reële waarde waardeert, wordt de gerelateerde verplichting gewaardeerd tegen de uitoefenprijs van de optie vermeerderd met de tijdswaarde van de optie. De waardering van het actief tegen reële waarde geschiedt tegen de laagste van de reële waarde en de uitoefenprijs van de optie, omdat de entiteit geen recht heeft op een toename van de reële waarde van het overgedragen actief die boven de uitoefenprijs van de optie uitstijgt. Hierdoor is de nettoboekwaarde van het actief en de gerelateerde verplichting gelijk aan de reële waarde van de verplichting uit hoofde van de putoptie. Indien bijvoorbeeld de reële waarde van het onderliggende actief VE 120, de uitoefenprijs VE 100 en de tijdswaarde van de optie VE 5 bedragen, beloopt de boekwaarde van de gerelateerde verplichting VE 105 (VE 100 + VE 5) en bedraagt de boekwaarde van het overgedragen actief VE 100 (in dit geval de uitoefenprijs van de optie).

e)

Indien een collar, in de vorm van een gekochte calloptie en een geschreven putoptie, het niet langer opnemen van een overgedragen actief in de weg staat, en de entiteit het actief tegen reële waarde waardeert, blijft zij het actief tegen reële waarde waarderen. De gerelateerde verplichting wordt gewaardeerd op (i) de som van de uitoefenprijs van de calloptie en de reële waarde van de putoptie verminderd met de tijdswaarde van de calloptie indien de calloptie „in the money” of „at the money” is, of (ii) de som van de reële waarde van het actief en de reële waarde van de putoptie verminderd met de tijdswaarde van de calloptie indien de calloptie „out of the money” is. Met de aanpassing van de gerelateerde verplichting wordt bewerkstelligd dat de nettoboekwaarde van het actief en de gerelateerde verplichting gelijk is aan de reële waarde van de door de entiteit gehouden en geschreven opties. Stel bijvoorbeeld dat een entiteit een financieel actief overdraagt dat tegen reële waarde wordt gewaardeerd, en tegelijkertijd een calloptie met een uitoefenprijs van VE 120 koopt en een putoptie met een uitoefenprijs van VE 80 schrijft. Tevens wordt aangenomen dat de reële waarde van het actief op de datum van de overdracht VE 100 bedraagt. De tijdswaarde van de putoptie bedraagt VE 1 en die van de calloptie VE 5. De entiteit neemt in dit geval een actief op van VE 100 (de reële waarde van het actief) en een verplichting van VE 96 [(VE 100 + VE 1) — VE 5]. Dat levert een nettoboekwaarde van het actief op van VE 4, hetgeen overeenkomt met de reële waarde van de door de entiteit gehouden en geschreven opties.

Alle overdrachten

B3.2.14

Voor zover een overdracht van een financieel actief niet voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komt, worden de aan de overdracht verbonden contractuele rechten en verplichtingen niet afzonderlijk als derivaten verwerkt indien de opname van zowel het derivaat als hetzij het overgedragen actief, hetzij de uit de overdracht voortvloeiende verplichting ertoe zou leiden dat dezelfde rechten of verplichtingen tweemaal zouden worden opgenomen. Als bijvoorbeeld de overdragende partij een calloptie behoudt, dan kan dit de administratieve verwerking van een overdracht van financiële activa als een verkoop in de weg staan. De calloptie wordt in dat geval niet afzonderlijk opgenomen als een afgeleid actief.

B3.2.15

Voor zover een overdracht van een financieel actief niet voor verwijdering uit het overzicht van de financiële positie in aanmerking komt, neemt de verkrijger het overgedragen actief niet op als actief. De verkrijger boekt de geldmiddelen of een andere betaalde vergoeding af en neemt een vordering op de overdragende partij op. Indien de overdragende partij zowel een recht als een verplichting heeft om de beschikkingsmacht over een geheel overgedragen actief opnieuw te verwerven (zoals op grond van een terugkoopovereenkomst), mag de verkrijger zijn vordering tegen geamortiseerde kostprijs waarderen indien deze aan de criteria van alinea 4.1.2 voldoet.

Voorbeelden

B3.2.16

De volgende voorbeelden laten zien hoe de in deze standaard vastgelegde beginselen inzake het niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie worden toegepast.

a)

Terugkoopovereenkomsten en effectenuitlening. Indien een financieel actief wordt verkocht op grond van een overeenkomst waarbij het actief tegen een vaste prijs wordt teruggekocht, of tegen de verkoopprijs verhoogd met een rendementsopslag van een leninggever, of indien het actief wordt geleend op grond van de overeenkomst waarbij het aan de overdragende partij wordt teruggeleverd, wordt het niet uit het overzicht van de financiële positie verwijderd omdat de overdragende partij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het actief behoudt. Indien de verkrijger het recht verkrijgt om het actief te verkopen of te verpanden, herclassificeert de overdragende partij het actief in het overzicht van de financiële positie, bijvoorbeeld als een geleend actief of een terugkoopvordering.

b)

Terugkoopovereenkomsten en effectenuitleningactiva die nagenoeg gelijk zijn. Indien een financieel actief wordt verkocht op grond van een overeenkomst om (nagenoeg) hetzelfde actief tegen een vaste prijs of tegen de verkoopprijs verhoogd met een rendementsopslag van een leninggever terug te kopen, of indien het actief wordt geleend of uitgeleend op grond van een overeenkomst om (nagenoeg) hetzelfde actief aan de overdragende partij terug te leveren, wordt het niet uit het overzicht van de financiële positie verwijderd omdat de overdragende partij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief behoudt.

c)

Terugkoopovereenkomsten en effectenuitleningsubstitutierecht. Indien een terugkoopovereenkomst tegen een vaste terugkooprijs of een prijs die gelijk is aan de verkoopprijs verhoogd met een rendementsopslag van een leninggever, of een vergelijkbare effectenuitleentransactie, de verkrijger het recht verschaft om op de terugkoopdatum vergelijkbare activa met dezelfde reële waarde als het overgedragen actief te vervangen, wordt het op grond van een terugkoopovereenkomst of effectenuitleentransactie verkochte of uitgeleende actief niet uit het overzicht van de financiële positie verwijderd, omdat de overdragende partij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het actief behoudt.

d)

Eerste recht van terugkoop tegen reële waarde. Indien een entiteit een financieel actief verkoopt en alleen een eerste recht van terugkoop van het overgedragen actief tegen reële waarde behoudt en indien de verkrijger het vervolgens verkoopt, neemt de entiteit het actief niet langer op, omdat zij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief heeft overgedragen.

e)

„Wash sale”-transactie. De terugkoop van een financieel actief kort nadat het verkocht is, wordt soms een „wash sale” genoemd. Een dergelijke terugkoop sluit de mogelijkheid van niet langer opnemen niet uit, mits de oorspronkelijke transactie aan de verwijderingsvereisten voldeed. Indien een overeenkomst voor de verkoop van een financieel actief echter gelijktijdig wordt aangegaan met een overeenkomst om hetzelfde actief tegen een vaste prijs terug te kopen, of tegen de verkoopprijs vermeerderd met een rendementsopslag van een leninggever, dan wordt het actief niet uit het overzicht van de financiële positie verwijderd.

f)

Putopies en callopties die diep „in the money” zijn. Indien een overgedragen financieel actief door de overdragende partij kan worden teruggekocht en de calloptie diep „in the money” is, komt de overdracht niet voor niet langer opnemen in aanmerking omdat de overdragende partij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het actief heeft behouden. Evenzo geldt dat indien het financiële actief door de verkrijger kan worden terugverkocht en de putoptie diep „in the money” is, de overdracht niet voor niet langer opnemen in aanmerking komt omdat de overdragende partij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief heeft behouden.

g)

Putopies en callopties die diep „out of the money” zijn. Een financieel actief dat wordt overgedragen en waarbij de verkrijger een putoptie houdt die diep „out of the money” is, of waarbij de overdragende partij een calloptie houdt die diep „out of the money” is, wordt niet langer opgenomen. De reden hiervoor is dat de overdragende partij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief heeft overgedragen.

h)

Op eenvoudige wijze verkrijgbare activa waarop een calloptie uitstaat die noch diep „in the money”, noch diep „out of the money” is. Indien een entiteit een calloptie heeft op een actief dat op eenvoudige wijze op de markt verkrijgbaar is en de optie noch diep „in the money”, noch diep „out of the money” is, wordt het actief niet langer opgenomen. Dit komt doordat de entiteit (i) nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het actief noch heeft behouden, noch heeft overgedragen, en (ii) geen beschikkingsmacht heeft behouden. Indien het actief echter niet op eenvoudige wijze op de markt verkrijgbaar is, mag het actief niet verder uit het overzicht van de financiële positie worden verwijderd dan tot het bedrag van het actief waarop een calloptie uitstaat, omdat de entiteit de beschikkingsmacht over het actief heeft behouden.

i)

Een niet op eenvoudige wijze verkrijgbaar actief waarop een geschreven putoptie uitstaat die noch diep „in the money”, noch diep „out of the money” is. Indien een entiteit een financieel actief overdraagt dat niet op eenvoudige wijze op de markt verkrijgbaar is, en een putoptie schrijft die niet diep „out of the money” is, worden, door de geschreven putoptie, nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het actief door de entiteit noch gehouden noch overgedragen. De entiteit behoudt de beschikkingsmacht over het actief indien de putoptie een zodanige waarde heeft dat de verkrijger het actief niet verkoopt. In dat geval blijft het actief opgenomen worden overeenkomstig de omvang van de aanhoudende betrokkenheid van de overdragende partij (zie alinea B3.2.9). De entiteit draagt de beschikkingsmacht over het actief over indien de putoptie niet een zodanige waarde heeft dat de verkrijger het actief niet zal verkopen. In dat geval wordt het actief niet langer opgenomen.

j)

Activa waarop een reëlewaardeputoptie of -calloptie uitstaat of die onder een termijnterugkoopovereenkomst vallen. Een overdracht van een financieel actief waarop alleen een put- of calloptie uitstaat of die onder een termijnterugkoopovereenkomst vallen waarbij een uitoefenprijs of terugkoopprijs geldt die gelijk is aan de reële waarde van het financiële actief op het moment van de terugkoop, resulteert in het niet langer opnemen van het actief, omdat via de overdracht nagenoeg alle risico's en voordelen van de eigendom van het financiële actief zijn overgedragen.

k)

In geldmiddelen afgewikkelde call- en putopties. Een entiteit beoordeelt de overdracht van een financieel actief waarop een put- of calloptie uitstaat of dat onder een terugkoopovereenkomst valt die op nettobasis in geldmiddelen zal worden afgewikkeld om te bepalen of zij nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het actief heeft behouden of overgedragen. Indien de entiteit niet nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het overgedragen actief heeft behouden, bepaalt zij of zij de beschikkingsmacht over het overgedragen actief heeft behouden. Dat de put- of calloptie of de terugkoopovereenkomst op nettobasis in geldmiddelen wordt afgewikkeld, betekent niet automatisch dat de entiteit de beschikkingsmacht heeft overgedragen (zie alinea B3.2.9 en de punten (g), (h) en (i) hierboven).

l)

„Removal of accounts”-bepaling. Een „removal of accounts”-bepaling is een onvoorwaardelijke calloptie die een entiteit het recht geeft om onder bepaalde voorwaarden activa die zijn overgedragen, terug te kopen. Mits een dergelijke optie niet resulteert in hetzij het behouden of overdragen door de entiteit van nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van de activa, sluit deze optie de mogelijkheid van niet langer opnemen alleen uit tot het bedrag waarop de terugkoop betrekking heeft (waarbij ervan wordt uitgegaan dat de verkrijger niet alle activa kan verkopen). Indien bijvoorbeeld de boekwaarde en opbrengsten uit de overdracht van leningen VE 100 000 bedragen, en elke individuele lening teruggekocht zou kunnen worden, maar het totale bedrag aan leningen die zouden kunnen worden teruggekocht, niet meer zou kunnen bedragen dan VE 10 000, dan zou VE 90 000 van de leningen in aanmerking komen voor niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie.

m)

Restantaankoopopties („clean-up calls”) Een entiteit, die een overdragende partij kan zijn, die beheersdiensten verleent met betrekking tot overgedragen activa kan een restantaankoopoptie houden die het recht geeft om overblijvende overgedragen activa te verwerven als het bedrag van de uitstaande activa onder een bepaald niveau zakt, dat wil zeggen het niveau waarbij de kosten van de beheersdiensten met betrekking tot die activa niet opwegen tegen de voordelen van het verlenen van de beheersdiensten. Een dergelijke restantaankoopoptie sluit de mogelijkheid van niet langer opnemen uit tot het bedrag van de activa waarop de calloptie van toepassing is, mits een dergelijke restantaankoopoptie niet resulteert in het behoud of de overdracht door de entiteit van nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van de activa, en de verkrijger de activa niet kan verkopen.

n)

Achtergestelde behouden belangen en kredietgaranties. Een entiteit kan voor de verkrijger kredietbescherming voorzien door (een deel van) haar behouden belang in het overgedragen actief achter te stellen. Anderzijds kan een entiteit voor de verkrijger kredietbescherming voorzien door een kredietgarantie te verstrekken die ongelimiteerd kan zijn, of gelimiteerd tot een bepaald bedrag. De entiteit blijft het financiële actief in zijn geheel opnemen, indien de entiteit nagenoeg alle risico's en voordelen van eigendom van het financiële actief behoudt. Indien de entiteit niet nagenoeg alle, maar een deel van de risico's en voordelen van eigendom van het actief behoudt, en de beschikkingsmacht over het actief heeft behouden, is de mogelijkheid van niet langer opnemen in het overzicht van de financiële positie uitgesloten tot het bedrag aan geldmiddelen of andere activa dat de entiteit verschuldigd zou kunnen zijn.

o)

Total return swaps. Een entiteit kan een financieel actief aan een verkrijger verkopen en met de verkrijger een „total return swap” aangaan, op grond waarvan de ontvangen rente uit het onderliggende actief aan de entiteit wordt overgemaakt in ruil voor een vaste betaling of variabele rentebetaling, waarbij eventuele stijgingen of dalingen van de reële waarde van het onderliggende actief ten gunste of ten laste van de entiteit komen. In een dergelijk geval is het niet toegestaan om het actief niet langer op te nemen.

p)

Renteswaps. Een entiteit kan een vastrentend financieel actief aan een verkrijger overdragen en met de verkrijger een renteswap aangaan, waardoor de entiteit een vaste rente ontvangt en een variabele rente betaalt op basis van een referentiebedrag dat gelijk is aan het hoofdsombedrag van het overgedragen financiële actief. De renteswap sluit niet de mogelijkheid uit dat het overgedragen actief niet langer wordt opgenomen, mits de betalingen op grond van de swap niet afhankelijk zijn van betalingen die worden gedaan uit hoofde van het overgedragen actief.

q)

Renteswaps op basis van amortisatie van het referentiebedrag. Een entiteit kan aan een verkrijger een vastrentend financieel instrument overdragen dat in de loop van de tijd wordt afbetaald en een renteswap op basis van amortisatie met de verkrijger aangaan, op grond waarvan de entiteit een vaste rente ontvangt en een variabele rente betaalt op basis van een referentiebedrag. Indien de amortisatie van het referentiebedrag van de swap zodanig plaatsvindt dat het referentiebedrag op elk moment gelijk is aan het uitstaande hoofdsombedrag van het overgedragen financiële actief, zou de swap er over het algemeen toe leiden dat de entiteit een aanzienlijk risico van vervroegde aflossing behoudt. In dat geval blijft de entiteit hetzij het gehele overgedragen actief opnemen, hetzij het overdragen actief opnemen overeenkomstig de omvang van de aanhoudende betrokkenheid. Daartegenover staat dat, indien de amortisatie van het referentiebedrag van de swap niet aan het uitstaande hoofdsombedrag van het overgedragen actief is gekoppeld, een dergelijke swap niet zou leiden tot een situatie waarin de entiteit het risico van vervroegde aflossing van het actief behoudt. Vandaar dat niet langer opnemen van het overgedragen actief hierdoor niet wordt uitgesloten, mits de betalingen op grond van de swap niet afhankelijk zijn van de rentebetalingen met betrekking tot het overgedragen actief en het afsluiten van de swap niet resulteert in een situatie waarin de entiteit andere significante risico's en voordelen van eigendom van het overgedragen actief behoudt.

r)

Afschrijving. Een entiteit verwacht niet in redelijkheid dat de contractuele kasstromen van een financieel actief geheel of gedeeltelijk realiseerbaar zullen zijn.

B3.2.17

Deze alinea illustreert de toepassing van de methode bij aanhoudende betrokkenheid als de aanhoudende betrokkenheid van een entiteit een deel van een financieel actief betreft.

Stel dat een entiteit een portefeuille van vervroegd aflosbare leningen heeft waarvan de couponrente en de effectieve rentevoet 10 procent bedragen en waarvan het hoofdsombedrag en de geamortiseerde kostprijs gelijk zijn aan VE 10 000. De entiteit gaat een transactie aan waarbij de verkrijger, in ruil voor een betaling van VE 9 115, het recht verwerft op VE 9 000 aan geïnde hoofdsomaflossingen, verhoogd met rente daarover van 9,5 procent. De entiteit behoudt het recht op VE 1 000 van de hoofdsomaflossingen, verhoogd met rente daarover van 10 procent, plus de extra marge van 0,5 procent over de resterende hoofdsom van VE 9 000. De geïnde vervroegde aflossingen worden over de entiteit en de verkrijger verdeeld op basis van de verhouding 1:9, maar oninbare bedragen worden op het belang van de entiteit van VE 1 000 in mindering gebracht, totdat dat belang gelijk is aan nul. De reële waarde van de leningen op de datum van de transactie bedraagt VE 10 100 en de reële waarde van het batig rentesaldo van 0,5 procent bedraagt VE 40.

De entiteit bepaalt dat zij een aantal significante risico's en voordelen van eigendom van het actief (bijvoorbeeld een aanzienlijk risico van vervroegde aflossing) heeft overgedragen, maar tevens een aantal significante risico's en voordelen van eigendom van het actief heeft behouden (vanwege haar achtergestelde behouden belang) en de beschikkingsmacht heeft behouden. Daarom past de entiteit de benadering bij aanhoudende betrokkenheid toe.

De entiteit beschouwt bij de toepassing van deze standaard de transactie als (a) het behouden van een volledig evenredig behouden belang van VE 1 000, plus (b) de achterstelling van dat behouden belang om de verkrijger kredietbescherming tegen kredietverliezen te verschaffen.

De entiteit berekent dat VE 9 090 (90 procent × VE 10 100) van de ontvangen vergoeding van VE 9 115 de vergoeding is voor een volledig evenredig aandeel van 90 procent. Het restant van de ontvangen vergoeding (VE 25) is de ontvangen vergoeding voor het achterstellen van het behouden belang om de verkrijger kredietbescherming tegen kredietverliezen te verschaffen. Daarnaast is de extra marge van 0,5 procent een vergoeding die voor de kredietbescherming wordt ontvangen. De totale vergoeding die voor de kredietbescherming wordt ontvangen, bedraagt derhalve VE 65 (VE 25 + VE 40).

De entiteit berekent de winst of het verlies op de verkoop van het 90 %-belang in de kasstromen. In de veronderstelling dat er voor het overgedragen 90 %-deel en het behouden 10 %-deel geen afzonderlijke reële waarden beschikbaar zijn op de datum van de overdracht, moet de entiteit de boekwaarde van het actief in overeenstemming met alinea 3.2.14 van IFRS 9 als volgt toerekenen:

 

Reële waarde

Percentage

Toegerekende boekwaarde

Overgedragen deel

9 090

90 %

9 000

Behouden deel

1 010

10 %

1 000

Totaal

10 100

 

10 000

De entiteit berekent de winst of het verlies op de verkoop van het 90 %-belang in de kasstromen door de toegerekende boekwaarde van het overgedragen deel in mindering te brengen op de ontvangen vergoeding, dat wil zeggen VE 90 (VE 9 090 — VE 9 000). De boekwaarde van het deel dat door de entiteit wordt behouden, bedraagt VE 1 000.

Bovendien houdt de entiteit rekening met de aanhoudende betrokkenheid als gevolg van de achterstelling van haar behouden belang in geval van kredietverliezen. De entiteit neemt derhalve een actief op van VE 1 000 (het maximale kasstroombedrag dat zij als gevolg van de achterstelling niet zou ontvangen), en een gerelateerde verplichting van VE 1 065 (het maximale kasstroombedrag dat zij als gevolg van de achterstelling niet zou ontvangen, dat wil zeggen VE 1 000 verhoogd met de reële waarde van de achterstelling van VE 65).

De entiteit gebruikt alle bovenstaande informatie om de transactie als volgt administratief te verwerken:

 

Debet

Credit

Oorspronkelijk actief

9 000

Actief in verband met achterstelling of het overblijvende belang

1 000

Actief in verband met de ontvangen vergoeding in de vorm van extra rentemarge

40

Winst of verlies (op de overdracht)

90

Verplichting

1 065

Ontvangen geldmiddelen

9 115

Totaal

10 155

10 155

De boekwaarde van het actief onmiddellijk na de transactie bedraagt VE 2 040, bestaande uit de toegerekende kostprijs van het behouden deel van VE 1 000 en de aanvullende aanhoudende betrokkenheid van de entiteit als gevolg van de achterstelling van haar behouden belang in geval van kredietverliezen van VE 1 040 (inclusief de extra rentemarge van VE 40).

De entiteit neemt in de perioden daarna de voor de verlaging van het kredietrisico ontvangen vergoeding (VE 65) op basis van tijdsevenredigheid op, neemt rente op over het opgenomen actief volgens de effectieverentemethode en verwerkt eventuele bijzondere waardeverminderingen op de onderliggende leningen. Stel, bij wijze van voorbeeld van dit laatste, dat er in het volgende jaar sprake is van een bijzonderewaardeverminderingsverlies op de onderliggende leningen van VE 300. De entiteit verlaagt het opgenomen actief met VE 600 (waarvan VE 300 betrekking heeft op het behouden belang en VE 300 op de aanvullende aanhoudende betrokkenheid als gevolg van de achterstelling van haar behouden belang bij kredietverliezen), en verlaagt de opgenomen verplichting met VE 300. Het nettoresultaat is een bijzonderewaardeverminderingsverlies van VE 300 dat ten laste komt van winst of verlies.

Niet langer opnemen van financiële verplichtingen (afdeling 3.3)

B3.3.1

Een financiële verplichting (of een deel daarvan) gaat teniet wanneer de debiteur:

a)

hetzij de verplichting (of een deel daarvan) voldoet door betaling aan de crediteur, gewoonlijk in geldmiddelen, andere financiële activa, goederen of diensten;

b)

hetzij juridisch wordt ontheven van de primaire verantwoordelijkheid voor de verplichting (of een deel daarvan), hetzij van rechtswege, hetzij door de crediteur. (Indien de debiteur een garantie heeft afgegeven, kan nog steeds aan deze voorwaarde zijn voldaan.)

B3.3.2

Indien een emittent van een schuldbewijs dat schuldbewijs terugkoopt, gaat de schuld teniet, zelfs indien de emittent marktmaker is in dat schuldbewijs of voornemens is het op korte termijn wederom te verkopen.

B3.3.3

Betaling aan een derde, met inbegrip van betaling aan trusts (soms „in-substance defeasance” genoemd), ontheft de debiteur op zich niet van zijn primaire verplichting jegens de crediteur, indien hierbij geen sprake is van een ontheffing van rechtswege.

B3.3.4

Indien een debiteur een derde betaalt om een verplichting aan te gaan en de crediteur ervan op de hoogte stelt dat de derde zijn schuldverplichting is aangegaan, verwijdert de debiteur de schuldverplichting niet uit het overzicht van de financiële positie, tenzij aan de voorwaarde in alinea B3.3.1(b) wordt voldaan. Indien de debiteur een derde betaalt om een verplichting aan te gaan en de crediteur van zijn verplichting wordt gekweten, heeft de debiteur de schuld tenietgedaan. Indien de debiteur akkoord gaat het met het doen van schuldbetalingen aan de derde, of direct aan de oorspronkelijke crediteur, neemt de debiteur een nieuwe schuldverplichting jegens de derde op.

B3.3.5

Hoewel kwijting, ongeacht of die langs gerechtelijke weg tot stand komt of door de crediteur wordt verleend, tot gevolg heeft dat een verplichting niet langer wordt opgenomen, mag de entiteit een nieuwe verplichting opnemen indien met betrekking tot de overgedragen financiële activa niet wordt voldaan aan de in alinea's 3.2.1 tot en met 3.2.23 beschreven criteria voor het niet langer opnemen. Indien niet aan deze criteria wordt voldaan, worden de overgedragen activa niet uit het overzicht van de financiële positie verwijderd en neemt de entiteit met betrekking tot de overgedragen activa een nieuwe verplichting op.

B3.3.6

Voor de toepassing van alinea 3.3.2 wijken de voorwaarden aanzienlijk af indien de contante waarde van de kasstromen onder de nieuwe voorwaarden, met inbegrip van het saldo van betaalde en ontvangen provisies gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rentevoet, ten minste 10 % verschilt van de contante waarde van de resterende kasstromen van de oorspronkelijke financiële verplichting. Indien een ruil van schuldbewijzen of wijziging van voorwaarden administratief als schulddelging wordt verwerkt, worden gemaakte kosten of provisies opgenomen als deel van de winst of het verlies op de gedelgde schuld. Als de ruil of wijziging administratief niet als een schulddelging wordt verwerkt, vormen de gemaakte kosten of betaalde provisies een aanpassing van de boekwaarde van de verplichting en worden ze geamortiseerd over de resterende looptijd van de gewijzigde verplichting.

B3.3.7

In sommige gevallen verleent een crediteur een debiteur kwijting van zijn bestaande verplichting tot betaling, maar neemt de debiteur een garantieverplichting tot betaling op zich indien de partij die de primaire aansprakelijkheid op zich neemt, in gebreke blijft. In dat geval:

a)

neemt de debiteur een nieuwe financiële verplichting op gebaseerd op de reële waarde van zijn verplichting uit hoofde van de garantie; en

b)

neemt de debiteur een winst of verlies op gebaseerd op het verschil tussen (i) de eventueel betaalde opbrengst en (ii) de boekwaarde van de oorspronkelijke financiële verplichting verminderd met de reële waarde van de nieuwe financiële verplichting.

CLASSIFICATIE (HOOFDSTUK 4)

Classificatie van financiële activa (afdeling 4.1)

Het bedrijfsmodel van de entiteit voor het beheer van financiële activa

B4.1.1

Overeenkomstig alinea 4.1.1(a) moet een entiteit financiële activa classificeren op basis van het bedrijfsmodel van de entiteit voor het beheer van de financiële activa, tenzij alinea 4.1.5 van toepassing is. Een entiteit beoordeelt of haar financiële activa aan de voorwaarde in alinea 4.1.2(a) of de voorwaarde in alinea 4.1.2A(a) voldoen op basis van het bedrijfsmodel dat is bepaald door managers van de entiteit op sleutelposities (zoals gedefinieerd in IAS 24 Informatieverschaffing over verbonden partijen).

B4.1.2

Het bedrijfsmodel van een entiteit wordt bepaald op een niveau dat weerspiegelt hoe groepen van financiële activa samen worden beheerd om een bepaald bedrijfsdoel te bereiken. Het bedrijfsmodel van de entiteit is niet afhankelijk van de voornemens van het management met betrekking tot een individueel instrument. Bij het bepalen of aan deze voorwaarde wordt voldaan, wordt derhalve niet uitgegaan van een classificatieaanpak per instrument, maar moet een hoger aggregatieniveau in aanmerking worden genomen. Eenzelfde entiteit kan echter meer dan één bedrijfsmodel hanteren voor het beheer van haar financiële instrumenten. De classificatie hoeft bijgevolg niet op het niveau van de verslaggevende entiteit te worden bepaald. Een entiteit kan bijvoorbeeld een portefeuille van beleggingen bezitten die zij beheert voor het ontvangen van contractuele kasstromen en een andere portefeuille van beleggingen die zij voor handelsdoeleinden beheert met de bedoeling veranderingen in reële waarde te realiseren. Evenzo kan het in sommige omstandigheden passend zijn een portefeuille van financiële activa in subportefeuilles uit te splitsen om het niveau te weerspiegelen waarop een entiteit die financiële activa beheert. Dat kan bijvoorbeeld het geval zijn indien een entiteit een portefeuille van hypotheekleningen creëert of verwerft en sommige van de leningen beheert met als doel contractuele kasstromen te ontvangen en de andere leningen beheert met als doel deze te verkopen.

B4.1.2A

Het bedrijfsmodel van een entiteit geeft aan hoe een entiteit haar financiële activa beheert om kasstromen te genereren. Dat wil zeggen dat het bedrijfsmodel van de entiteit bepaalt of de kasstromen resulteren uit het ontvangen van contractuele kasstromen, het verkopen van financiële activa of beide. Deze beoordeling wordt bijgevolg niet uitgevoerd op basis van scenario's waarvan de entiteit niet in redelijkheid verwacht dat deze zullen plaatsvinden, zoals zogeheten worstcase- of stressscenario's. Indien een entiteit bijvoorbeeld verwacht dat zij een specifieke portefeuille van financiële activa alleen in een stressscenario zal verkopen, dan zou dat scenario geen invloed hebben op de beoordeling door de entiteit van het bedrijfsmodel voor die activa indien de entiteit in redelijkheid verwacht dat een dergelijk scenario zich niet zal voordoen. Indien kasstromen worden gerealiseerd op een andere wijze dan de entiteit verwachtte op de datum waarop zij het bedrijfsmodel beoordeelde (indien de entiteit bijvoorbeeld meer of minder financiële activa verkoopt dan zij verwachtte toen zij de activa classificeerde), geeft dat geen aanleiding tot een in een voorgaande periode gemaakte fout (zie IAS 8), en verandert dat evenmin de classificatie van de resterende financiële activa die binnen dat bedrijfsmodel worden aangehouden (dat wil zeggen de activa die de entiteit in voorgaande perioden heeft opgenomen en nog steeds aanhoudt), mits de entiteit rekening heeft gehouden met alle relevante informatie die beschikbaar was op het tijdstip waarop zij de beoordeling van het bedrijfsmodel heeft uitgevoerd. Wanneer een entiteit echter het bedrijfsmodel voor nieuw gecreëerde of nieuw verworven financiële activa beoordeelt, moet zij rekening houden met informatie over de wijze waarop kasstromen in het verleden zijn gerealiseerd, in combinatie met alle andere relevante informatie.

B4.1.2B

Het bedrijfsmodel van een entiteit voor het beheer van financiële activa is een feit en niet louter een bewering. Het is gewoonlijk waarneembaar in de activiteiten die de entiteiten uitvoert om het doel van het bedrijfsmodel te bereiken. De beoordeling van haar bedrijfsmodel voor het beheer van financiële activa zal oordeelsvorming van de entiteit vereisen en deze mag zich bij die beoordeling niet door één enkele factor of activiteit laten leiden. In plaats daarvan moet de entiteit rekening houden met alle relevante bewijsmateriaal dat op de datum van de beoordeling beschikbaar is. Dit relevante bewijsmateriaal omvat, maar is niet beperkt tot:

a)

hoe de prestaties van het bedrijfsmodel en van de financiële activa die binnen dit bedrijfsmodel worden aangehouden, worden beoordeeld en hoe daarover verslag wordt uitgebracht aan de managers van de entiteit op sleutelposities;

b)

de risico's die van invloed zijn op de prestaties van het bedrijfsmodel (en van de binnen dat bedrijfsmodel aangehouden financiële activa) en, met name, de wijze waarop deze risico's worden beheerd; en

c)

hoe managers van het bedrijf worden beloond (bijvoorbeeld of de beloning is gebaseerd op de reële waarde van de beheerde activa, dan wel op de ontvangen contractuele kasstromen).

Een bedrijfsmodel dat erop gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen

B4.1.2C

Financiële activa die worden aangehouden binnen een bedrijfsmodel dat erop gericht is activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, worden beheerd met de bedoeling kasstromen te realiseren door contractuele betalingen over de looptijd van het instrument te ontvangen. Dat houdt in dat de entiteit de in de portefeuille aangehouden activa beheert om die specifieke contractuele kasstromen te ontvangen (in plaats van het totale rendement op de portefeuille te beheren door zowel activa aan te houden als activa te verkopen). Bij het uitmaken of de kasstromen zullen worden gerealiseerd door de contractuele kasstromen van de financiële activa te ontvangen, is het noodzakelijk om de frequentie, de waarde en het tijdstip van de verkopen in voorgaande perioden, de redenen voor die verkopen en de verwachtingen betreffende toekomstige verkoopactiviteiten in aanmerking te nemen. De verkopen op zich zijn niet bepalend voor het bedrijfsmodel en mogen derhalve niet afzonderlijk worden beschouwd. In plaats daarvan leveren gegevens over verkopen in het verleden en verwachtingen betreffende toekomstige verkopen een indicatie op van de wijze waarop het doel dat de entiteit met het beheer van de financiële activa beoogt, wordt bereikt en, meer in het bijzonder, van de wijze waarop kasstromen worden gerealiseerd. Een entiteit moet met gegevens over verkopen in het verleden rekening houden binnen de context van de redenen voor die verkopen en van de toen bestaande omstandigheden in vergelijking met de heersende omstandigheden.

B4.1.3

Hoewel het bedrijfsmodel van een entiteit erop gericht kan zijn financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, hoeft de entiteit al deze instrumenten niet aan te houden tot het einde van de looptijd. Aldus kan het bedrijfsmodel van een entiteit erop gericht zijn financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, ook al vinden er verkopen van financiële activa plaats of zullen er naar verwachting in de toekomst dergelijke verkopen plaatsvinden.

B4.1.3A

Het bedrijfsmodel kan erin bestaan activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, ook al verkoopt de entiteit financiële activa wanneer er zich een toename van het aan de activa verbonden kredietrisico voordoet. Om uit te maken of er zich een toename van het aan de activa verbonden kredietrisico heeft voorgedaan, houdt de entiteit rekening met redelijke en gefundeerde informatie, met inbegrip van toekomstgerichte informatie. Ongeacht de frequentie en waarde ervan, zijn verkopen die aan een toename van het aan de activa verbonden kredietrisico toe te schrijven zijn, niet inconsistent met een bedrijfsmodel dat erop gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, omdat de kredietkwaliteit van financiële activa relevant is voor de mogelijkheid van de entiteit om contractuele kasstromen te ontvangen. Kredietrisicobeheeractiviteiten die erop gericht zijn potentiële kredietverliezen die aan een verslechtering van de kredietwaardigheid te wijten zijn, tot een minimum te beperken, maken integraal deel uit van een dergelijk bedrijfsmodel. Het verkopen van een financieel actief omdat het niet meer voldoet aan de kredietcriteria die in het gedocumenteerde beleggingsbeleid van de entiteit zijn vermeld, is een voorbeeld van een verkoop die als gevolg van een toename van het kredietrisico heeft plaatsgevonden. Bij gebreke van een dergelijk beleid mag de entiteit evenwel op andere manieren aantonen dat de verkoop als gevolg van een toename van het kredietrisico heeft plaatsgevonden.

B4.1.3B

Ook verkopen die om andere redenen plaatsvinden, zoals verkopen om het kredietconcentratierisico te beheren (zonder een toename van het aan activa verbonden kredietrisico), kunnen consistent zijn met een bedrijfsmodel dat erop gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen. Dergelijke verkopen kunnen meer in het bijzonder consistent zijn met een bedrijfsmodel dat erop gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, indien die verkopen infrequent zijn (ook al zijn ze significant in waarde), dan wel zowel op individueel als op geaggregeerd niveau insignificant in waarde zijn (ook al zijn ze frequent). Indien er sprake is van een niet infrequent aantal dergelijke verkopen uit een portefeuille en indien deze verkopen niet insignificant in waarde zijn (hetzij individueel, hetzij samen), dan moet de entiteit beoordelen of en hoe dergelijke verkopen consistent zijn met het doel contractuele kasstromen te ontvangen. Of een derde de verplichting tot verkoop van de financiële activa oplegt, dan wel of die activiteit op initiatief van de entiteit plaatsvindt, is niet relevant in het kader van die beoordeling. Een toename van de frequentie of van de waarde van verkopen tijdens een bepaalde periode is niet noodzakelijkerwijze inconsistent met het doel financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen indien een entiteit de redenen voor die verkopen kan toelichten en kan aantonen waarom die verkopen geen verandering in het bedrijfsmodel van de entiteit weerspiegelen. Daarnaast kunnen verkopen consistent zijn met het doel financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen indien de verkopen dicht bij het einde van de looptijd van de financiële activa plaatsvinden en de verkoopopbrengsten de resterende te ontvangen contractuele kasstromen benaderen.

B4.1.4

Hieronder worden voorbeelden gegeven van gevallen waarin het bedrijfsmodel van een entiteit erop gericht kan zijn financiële activa aan te houden om de contractuele kasstromen te ontvangen. Deze lijst van voorbeelden is niet limitatief. Met deze voorbeelden wordt bovendien niet beoogd om alle factoren te behandelen die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bedrijfsmodel van een entiteit, en evenmin om het relatieve belang van de factoren aan te geven.

Voorbeeld

Analyse

Voorbeeld 1

Een entiteit houdt beleggingen aan om de contractuele kasstromen daarvan te ontvangen. De financieringsbehoeften van de entiteit zijn voorspelbaar en de looptijd van de financiële activa van de entiteit is afgestemd op de geschatte financieringsbehoeften van de entiteit.

De entiteit verricht kredietrisicobeheeractiviteiten die erop gericht zijn kredietverliezen tot een minimum te beperken. In het verleden vonden er gewoonlijk verkopen plaats wanneer het aan de financiële activa verbonden kredietrisico zodanig sterk was toegenomen dat de activa niet meer voldeden aan de kredietcriteria die in het gedocumenteerde beleggingsbeleid van de entiteit waren vermeld. Daarnaast hebben er als gevolg van onverwachte financieringsbehoeften infrequente verkopen plaatsgevonden.

In de verslagen aan managers op sleutelposities wordt de nadruk gelegd op de kredietkwaliteit van de financiële activa en het contractuele rendement. Daarnaast monitort de entiteit onder meer ook de reële waarde van de financiële activa.

Hoewel de entiteit, naast andere informatie, de reële waarde van de financiële activa uit liquiditeitsoogpunt (dat wil zeggen het geldbedrag dat zou worden gerealiseerd indien de entiteit activa moet verkopen) in aanmerking neemt, is het doel van de entiteit de financiële activa aan te houden om de contractuele kasstromen te ontvangen. Verkopen zouden niet in tegenspraak zijn met dat doel, mits zij plaatsvinden in reactie op een toename van het aan activa verbonden kredietrisico, bijvoorbeeld indien de activa niet meer voldoen aan de kredietcriteria die in het gedocumenteerde beleggingsbeleid van de entiteit zijn vermeld. Ook infrequente verkopen die uit onverwachte financieringsbehoeften voortvloeien (bijvoorbeeld in stressscenario's), zouden niet in tegenspraak zijn met deze doelstelling, ook al zouden die verkopen significant in waarde zijn.

Voorbeeld 2

Het bedrijfsmodel van een entiteit is erop gericht portefeuilles van financiële activa, zoals leningen, te verwerven. Deze portefeuilles kunnen al dan niet financiële activa met verminderde kredietwaardigheid bevatten.

Indien de betaling met betrekking tot de leningen niet tijdig plaatsvinden, tracht de entiteit de contractuele kasstromen op diverse manieren te realiseren (bijvoorbeeld door per post, per telefoon of langs andere weg contact op te nemen met de debiteur). Het doel van de entiteit is de contractuele kasstromen te ontvangen en de entiteit beheert geen van de leningen in deze portefeuille met de bedoeling kasstromen te realiseren door deze leningen te verkopen.

In sommige gevallen gaat de entiteit renteswaps aan om de rente op bepaalde financiële activa in een portefeuille om te zetten van een variabele in een vaste rente.

Het bedrijfsmodel van de entiteit is erop gericht financiële activa aan te houden om de contractuele kasstromen te ontvangen.

Dezelfde analyse zou van toepassing zijn ook al verwacht de entiteit niet alle contractuele kasstromen te zullen ontvangen (bijvoorbeeld omdat sommige financiële activa bij eerste opname een verminderde kredietwaardigheid hadden).

Bovendien brengt het feit dat de entiteit haar toevlucht neemt tot derivaten om de kasstromen van de portefeuille te wijzigen, op zich geen verandering teweeg in het bedrijfsmodel van de entiteit.

Voorbeeld 3

Een entiteit heeft een bedrijfsmodel dat erop gericht is leningen aan klanten te creëren en deze leningen vervolgens aan een securitisatievehikel te verkopen. Het securitisatievehikel geeft instrumenten voor beleggers uit.

De creërende entiteit oefent zeggenschap over het securitisatievehikel uit en consolideert het bijgevolg.

Het securitisatievehikel ontvangt de contractuele kasstromen van de leningen en geeft deze door aan zijn beleggers.

In het kader van dit voorbeeld wordt aangenomen dat de leningen verder in het geconsolideerde overzicht van de financiële positie worden opgenomen, omdat het securitisatievehikel deze niet uit zijn overzicht van de financiële positie heeft verwijderd.

De geconsolideerde groep heeft de leningen gecreëerd met de bedoeling deze aan te houden om de contractuele kasstromen te ontvangen.

De creërende entiteit heeft evenwel de bedoeling de kasstromen van de leningenportefeuille te realiseren door de leningen aan het securitisatievehikel te verkopen. Wat haar enkelvoudige jaarrekening betreft, zou de entiteit dus niet worden geacht deze portefeuille te beheren om de contractuele kasstromen te ontvangen.

Voorbeeld 4

Een financiële instelling houdt financiële activa aan om in een stressscenario (bijvoorbeeld een run op de deposito's van de bank) aan haar liquiditeitsbehoeften te kunnen voldoen. De entiteit verwacht niet dat zij deze activa zal moeten verkopen, behalve in dergelijke scenario's.

De entiteit monitort de kredietkwaliteit van de financiële activa en haar beheer van de financiële activa is erop gericht de contractuele kasstromen te ontvangen. De entiteit evalueert de prestaties van de activa op basis van verdiende renteopbrengsten en gerealiseerde kredietverliezen.

De entiteit monitort echter ook de reële waarde van de financiële activa uit liquiditeitsoogpunt om erop toe te zien dat het geldbedrag dat zou worden gerealiseerd indien de entiteit de activa in een stressscenario zou moeten verkopen, toereikend zou zijn om aan de liquiditeitsbehoeften van de entiteit te voldoen. De entiteit gaat periodiek over tot verkopen die insignificant in waarde zijn om de liquiditeit aan te tonen.

Het bedrijfsmodel van de entiteit is erop gericht de financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen.

De analyse zou niet veranderen ook al is de entiteit in een eerder stressscenario overgegaan tot verkopen die significant in waarde waren om aan haar liquiditeitsbehoeften te voldoen. Evenzo zijn herhaalde verkoopactiviteiten die insignificant in waarde zijn, niet inconsistent met het aanhouden van financiële activa om contractuele kasstromen te ontvangen.

Indien een entiteit daarentegen financiële activa aanhoudt om aan haar dagelijkse liquiditeitsbehoeften te voldoen en indien voor het bereiken van dit doel wordt overgegaan tot frequente verkopen die significant in waarde zijn, is het bedrijfsmodel van de entiteit er niet op gericht de financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen.

Evenzo geldt dat als de entiteit er door haar regelgevende instantie toe wordt verplicht stelselmatig financiële activa te verkopen om aan te tonen dat de activa liquide zijn, en als de waarde van de verkochte activa significant is, het bedrijfsmodel van de entiteit er niet op gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen. Of een derde de verplichting tot verkoop van de financiële activa oplegt, dan wel of die activiteit op initiatief van de entiteit plaatsvindt, is niet relevant in het kader van de analyse.

Een bedrijfsmodel waarvan het doel wordt bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen

B4.1.4A

Een entiteit kan financiële activa aanhouden binnen een bedrijfsmodel waarvan het doel wordt bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. Bij dit type bedrijfsmodel hebben de managers op sleutelposities van de entiteit besloten dat zowel het ontvangen van contractuele kasstromen als het verkopen van financiële activa een belangrijke rol speelt bij het bereiken van het doel van het bedrijfsmodel. Er zijn diverse doelen die consistent kunnen zijn met dit type bedrijfsmodel. Het bedrijfsmodel kan er bijvoorbeeld op gericht zijn de dagelijkse liquiditeitsbehoeften te beheren, een specifiek renterendementsprofiel te handhaven of de duration van de financiële activa af te stemmen op de duration van de verplichtingen die met deze activa worden gefinancierd. Om een dergelijk doel te bereiken, zal de entiteit zowel contractuele kasstromen ontvangen als financiële activa verkopen.

B4.1.4B

Anders dan het bedrijfsmodel dat erop gericht is financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen, wordt dit bedrijfsmodel gewoonlijk gekenmerkt door een grotere frequentie en waarde van de verkopen. Dat komt omdat de verkoop van financiële activa geen incidentele maar een belangrijke rol speelt bij het bereiken van het doel van het bedrijfsmodel. Er is echter geen drempel voor de frequentie of waarde van de verkopen die binnen dit bedrijfsmodel moeten plaatsvinden, omdat zowel het ontvangen van contractuele kasstromen als het verkopen van financiële activa een belangrijke rol speelt bij het bereiken van het doel van dit model.

B4.1.4C

Hieronder worden voorbeelden gegeven van gevallen waarin het doel van het bedrijfsmodel van een entiteit kan worden bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. Deze lijst van voorbeelden is niet limitatief. Met deze voorbeelden wordt bovendien niet beoogd om alle factoren te beschrijven die relevant kunnen zijn voor de beoordeling van het bedrijfsmodel van de entiteit, en evenmin om het relatieve belang van de factoren aan te geven.

Voorbeeld

Analyse

Voorbeeld 5

Een entiteit verwacht over een paar jaar investeringsuitgaven te zullen verrichten. De entiteit belegt haar surplus aan geldmiddelen in kort- en langlopende financiële activa, zodat zij de uitgaven kan financieren wanneer dat nodig is. Vele financiële activa hebben een langere contractuele looptijd dan de verwachte beleggingsperiode van de entiteit.

De entiteit zal financiële activa aanhouden om de contractuele kasstromen te ontvangen en, wanneer de mogelijkheid zich voordoet, de financiële activa verkopen om de geldmiddelen te herbeleggen in financiële activa met een hoger rendement.

De voor de portefeuille verantwoordelijke managers worden beloond op basis van het totale rendement op de portefeuille.

Het doel van het bedrijfsmodel wordt bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. De entiteit zal voortdurend moeten beslissen of het ontvangen van contractuele kasstromen of het verkopen van financiële activa het rendement op de portefeuille zal maximaliseren totdat er behoefte is aan de belegde geldmiddelen.

Stel daarentegen dat een entiteit over vijf jaar een uitstroom van geldmiddelen verwacht voor de financiering van investeringsuitgaven en het surplus aan geldmiddelen in kortlopende financiële activa belegt. Wanneer de beleggingen het einde van hun looptijd bereiken, herbelegt de entiteit de geldmiddelen in nieuwe kortlopende financiële activa. De entiteit blijft deze strategie volgen totdat de middelen nodig zijn. Op dat moment gebruikt de entiteit de opbrengsten van de financiële activa die het einde van hun looptijd bereiken, om de investeringsuitgaven te financieren. Vóór het einde van de looptijd vinden alleen verkopen plaats die insignificant in waarde zijn (tenzij er zich een toename van het kredietrisico voordoet). Dit contrasterende bedrijfsmodel is erop gericht financiële activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen.

Voorbeeld 6

Een financiële instelling houdt financiële activa aan om aan haar dagelijkse liquiditeitsbehoeften te voldoen. De entiteit streeft ernaar de kosten van het beheer van deze liquiditeitsbehoeften tot een minimum te beperken en beheert het rendement op de portefeuille daarom op actieve wijze. Dat rendement bestaat uit zowel ontvangen contractuele betalingen als winsten en verliezen op de verkoop van financiële activa.

Dat heeft tot gevolg dat de entiteit financiële activa aanhoudt om contractuele kasstromen te ontvangen en financiële activa verkoopt om in financiële activa met een hoger rendement te herbeleggen, of om de duration van haar financiële activa beter op de duration van haar verplichtingen af te stemmen. In het verleden heeft deze strategie geresulteerd in frequente verkopen en die verkopen waren significant in waarde. Verwacht wordt dat deze verkoopactiviteit in de toekomst zal aanhouden.

Het bedrijfsmodel is erop gericht het rendement op de portefeuille te maximaliseren om aan de dagelijkse liquiditeitsbehoeften te voldoen en de entiteit bereikt dit doel door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. Zowel het ontvangen van contractuele kasstromen als het verkopen van financiële activa speelt met andere woorden een belangrijke rol bij het bereiken van het doel van het bedrijfsmodel.

Voorbeeld 7

Een verzekeraar houdt financiële activa aan om verplichtingen uit hoofde van verzekeringscontracten te financieren. De verzekeraar gebruikt de opbrengst van de contractuele kasstromen van de financiële activa om verplichtingen uit hoofde van verzekeringscontracten af te wikkelen wanneer deze komen te vervallen. Om te waarborgen dat de contractuele kasstromen van de financiële activa toereikend zijn om deze verplichtingen af te wikkelen, ontplooit de verzekeraar regelmatig significante koop- en verkoopactiviteiten om zijn portefeuille van activa te herbalanceren en om aan de kasstroombehoeften te voldoen wanneer deze zich voordoen.

Het bedrijfsmodel is erop gericht de verplichtingen uit hoofde van het verzekeringscontract te financieren. Om dat doel te bereiken, ontvangt de entiteit contractuele kasstromen wanneer deze verschuldigd zijn en verkoopt zij financiële activa om het gewenste profiel van de activaportefeuille te handhaven. Zowel het ontvangen van contractuele kasstromen als het verkopen van financiële activa speelt aldus een belangrijke rol bij het bereiken van het doel van het bedrijfsmodel.

Andere bedrijfsmodellen

B4.1.5

Financiële activa worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies indien zij niet worden aangehouden binnen een bedrijfsmodel dat erop gericht is activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen of binnen een bedrijfsmodel waarvan het doel wordt bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen (maar zie ook alinea 5.7.5). Een bedrijfsmodel dat resulteert in waardering tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies is een bedrijfsmodel waarbij een entiteit de financiële activa beheert met de bedoeling kasstromen te realiseren door de activa te verkopen. De entiteit neemt besluiten op basis van de reële waarde van de activa en beheert de activa met de bedoeling deze reële waarden te realiseren. In dat geval zal het doel van de entiteit gewoonlijk aanleiding geven tot actief kopen en verkopen. Hoewel de entiteit contractuele kasstromen zal ontvangen terwijl zij de financiële activa aanhoudt, wordt het doel van een dergelijk bedrijfsmodel niet bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. Dat komt omdat het ontvangen van contractuele kasstromen geen belangrijke maar slechts een incidentele rol speelt bij het bereiken van het doel van het bedrijfsmodel.

B4.1.6

Een portefeuille van financiële activa die wordt beheerd en waarvan de prestaties worden beoordeeld op basis van de reële waarde (zoals beschreven in alinea 4.2.2(b)), wordt niet aangehouden om contractuele kasstromen te ontvangen en evenmin om zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. De entiteit concentreert zich vooral op informatie over de reële waarde en gebruikt die informatie om de prestaties van de activa te beoordelen en beslissingen te nemen. Daarnaast wordt een portefeuille van financiële activa die aan de definitie van aangehouden voor handelsdoeleinden voldoet, niet aangehouden om contractuele kasstromen te ontvangen of om zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen. Voor dergelijke portefeuilles speelt het ontvangen van contractuele kasstromen slechts een incidentele rol bij het bereiken van het doel van het bedrijfsmodel. Dergelijke portefeuilles van financiële activa moeten bijgevolg worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

Contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen

B4.1.7

Overeenkomstig alinea 4.1.1(b) moet een entiteit een financieel actief op basis van de eigenschappen van de contractuele kasstromen ervan classificeren indien het financiële actief wordt aangehouden binnen een bedrijfsmodel dat erop gericht is activa aan te houden om contractuele kasstromen te ontvangen of binnen een bedrijfsmodel waarvan het doel wordt bereikt door zowel contractuele kasstromen te ontvangen als financiële activa te verkopen, tenzij alinea 4.1.5 van toepassing is. Daartoe moet een entiteit overeenkomstig de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) uitmaken of de contractuele kasstromen van het actief uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

B4.1.7A

Contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen, zijn consistent met een basisleningsovereenkomst. In het kader van een basisleningsovereenkomst zijn de vergoeding voor de tijdswaarde van geld (zie de alinea's B4.1.9A tot en met B4.1.9E) en de vergoeding voor het kredietrisico gewoonlijk de voornaamste elementen van de rente. In het kader van een dergelijke overeenkomst kan de rente ook een vergoeding omvatten voor andere met kredietverlening samenhangende basisrisico's (bijvoorbeeld liquiditeitsrisico) en -kosten (bijvoorbeeld administratieve kosten) die verband houden met het aanhouden van een financieel actief tijdens een bepaalde periode. Daarnaast kan de rente een winstmarge omvatten die consistent is met een basisleningsovereenkomst. In extreme economische omstandigheden kan de rente negatief zijn indien de houder van een financieel actief bijvoorbeeld expliciet of impliciet betaalt voor het deponeren van zijn geld tijdens een bepaalde periode (en die provisie hoger is dan de vergoeding die de houder voor de tijdswaarde van geld, het kredietrisico en andere met kredietverlening samenhangende basisrisico's en -kosten ontvangt). Contractvoorwaarden die voorzien in de introductie in de contractuele kasstromen van een blootstelling aan risico's of volatiliteit die niet met een basisleningsovereenkomst verband houdt, zoals een blootstelling aan veranderingen in aandelenkoersen of commodityprijzen, geven echter geen aanleiding tot contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Een gecreëerd of verworven financieel actief kan een basisleningsovereenkomst zijn, ongeacht of het de juridische vorm van een lening heeft.

B4.1.7B

Overeenkomstig alinea 4.1.3(a) is de hoofdsom de reële waarde van het financiële actief bij eerste opname. Dat hoofdsombedrag kan echter veranderen over de looptijd van het financiële actief (bijvoorbeeld indien er hoofdsomaflossingen plaatsvinden).

B4.1.8

Een entiteit moet beoordelen of contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen voor de valuta waarin het financiële actief luidt.

B4.1.9

Hefboomwerking is een eigenschap van de contractuele kasstromen van sommige financiële activa. Hefboomwerking vergroot de variabiliteit van de contractuele kasstromen met als gevolg dat zij niet de economische kenmerken van rente hebben. Losstaande optie- termijn- en swapcontracten zijn voorbeelden van financiële activa met een dergelijke hefboomwerking. Dergelijke contracten voldoen derhalve niet aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) en kunnen bijgevolg na eerste opname niet tegen geamortiseerde kostprijs of tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gewaardeerd.

Vergoeding voor de tijdswaarde van geld

B4.1.9A

De tijdswaarde van geld is het element van de rente waarvoor de vergoeding alleen op het verstrijken van tijd betrekking heeft. Dat betekent dat de tijdswaarde van geld niet voorziet in een vergoeding voor andere risico's of kosten die met het aanhouden van een financieel actief verband houden. De beoordeling of de vergoeding van het element alleen op het verstrijken van tijd betrekking heeft, vereist oordeelsvorming van de entiteit, die daarbij rekening houdt met relevante factoren zoals de valuta waarin het financiële actief luidt en de periode waarvoor de rente is vastgesteld.

B4.1.9B

In sommige gevallen kan de tijdswaarde van geld evenwel worden herzien (dat wil zeggen imperfect zijn). Dat zou bijvoorbeeld het geval zijn indien de rente van een financieel actief periodiek opnieuw wordt vastgesteld maar de frequentie van deze vaststelling niet met de rentelooptijd („tenor”) overeenstemt (de rente wordt bijvoorbeeld elke maand opnieuw vastgesteld als een jaarrente), of indien de rente van een financieel actief periodiek opnieuw wordt vastgesteld als een gemiddelde van bepaalde rentevoeten op korte en lange termijn. In dergelijke gevallen moet een entiteit de herziening beoordelen om uit te maken of de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag vertegenwoordigen. In sommige omstandigheden kan de entiteit in staat zijn dit uit te maken door een kwalitatieve beoordeling van de tijdswaarde van geld uit te voeren, terwijl het in andere omstandigheden noodzakelijk kan blijken een kwantitatieve beoordeling uit te voeren.

B4.1.9C

Het doel van de beoordeling van een herziene tijdswaarde van geld is uit te maken hoe sterk de contractuele (niet-gedisconteerde) kasstromen kunnen verschillen van de (niet-gedisconteerde) kasstromen die zouden worden gegenereerd indien de tijdswaarde van geld niet was herzien (de referentiekasstromen). Indien het beoordeelde financiële actief bijvoorbeeld een variabele rente omvat die elke maand opnieuw wordt vastgesteld als een jaarrente, dan moet de entiteit dat financiële actief vergelijken met een financieel instrument met identieke contractvoorwaarden en een identiek kredietrisico, behalve dat de variabele rente maandelijks als een maandrente wordt vastgesteld. Indien de herziene tijdswaarde van geld kan resulteren in contractuele (niet-gedisconteerde) kasstromen die significant verschillen van de (niet-gedisconteerde) referentiekasstromen, dan voldoet het financiële actief niet aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b). Om dit uit te maken, moet de entiteit het effect van de herziene tijdswaarde van geld in elke verslagperiode en cumulatief over de looptijd van het financiële instrument in aanmerking nemen. De reden waarom de rente op deze wijze wordt vastgesteld, is niet relevant voor de analyse. Indien het na weinig of geen analyse duidelijk is of de contractuele (niet-gedisconteerde) kasstromen van het beoordeelde financiële actief (al dan niet) significant kunnen verschillen van de (niet-gedisconteerde) referentiekasstromen, hoeft een entiteit geen gedetailleerde beoordeling uit te voeren.

B4.1.9D

Bij de beoordeling van een herziene tijdswaarde van geld moet een entiteit rekening houden met factoren die op toekomstige contractuele kasstromen van invloed kunnen zijn. Indien een entiteit een obligatie met een looptijd van vijf jaar beoordeelt en de variabele rente om de zes maanden opnieuw wordt vastgesteld als een vijfjaarsrente, kan de entiteit niet gewoon omdat de rentecurve er op het tijdstip van de beoordeling zodanig uitziet dat het verschil tussen een vijfjaarsrente en een zesmaandsrente niet significant is, concluderen dat de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. In plaats daarvan moet de entiteit er ook rekening mee houden of de relatie tussen de vijfjaarsrente en de zesmaandsrente over de looptijd van het instrument zodanig kan veranderen dat de contractuele (niet-gedisconteerde) kasstromen over de looptijd van het instrument significant kunnen verschillen van de (niet-gedisconteerde) referentiekasstromen. Een entiteit moet alleen redelijkerwijze mogelijke scenario's in aanmerking nemen in plaats van elk mogelijk scenario. Indien een entiteit concludeert dat de contractuele (niet-gedisconteerde) kasstromen significant kunnen verschillen van de (niet-gedisconteerde) referentiekasstromen, voldoet het financiële actief niet aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) en kan het dus niet tegen geamortiseerde kostprijs of tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat worden gewaardeerd.

B4.1.9E

In sommige rechtsgebieden stelt de overheid of een regelgevende autoriteit de rente vast. Een dergelijke overheidsregulering van de rente kan deel uitmaken van een breed macro-economisch beleid of kan zijn ingevoerd om entiteiten ertoe aan te sporen in een specifieke sector van de economie te investeren. In sommige van die gevallen is het doel van de tijdswaarde van geld niet om in een vergoeding te voorzien die alleen op het verstrijken van tijd betrekking heeft. Niettegenstaande de alinea's B4.1.9A tot en met B4.1.9D moet een gereguleerde rente voor de toepassing van de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) echter als indicator voor de tijdswaarde van geld worden beschouwd, indien die gereguleerde rente een vergoeding oplevert die algemeen genomen consistent is met het verstrijken van tijd en niet resulteert in een blootstelling aan risico's of volatiliteit in de contractuele kasstromen die inconsistent zijn met een basisleningsovereenkomst.

Contractvoorwaarden die het tijdstip of het bedrag van contractuele kasstromen wijzigen

B4.1.10

Indien een financieel actief een contractvoorwaarde bevat die het tijdstip of het bedrag van contractuele kasstromen kan wijzigen (bijvoorbeeld indien het actief vóór het einde van de looptijd kan worden betaald of indien de looptijd ervan kan worden verlengd), dan moet de entiteit uitmaken of de contractuele kasstromen die als gevolg van die contractvoorwaarde over de looptijd van het instrument kunnen worden gegenereerd uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Om dat te kunnen uitmaken, moet de entiteit de contractuele kasstromen beoordelen die zowel vóór als na de verandering in de contractuele kasstromen kunnen worden gegenereerd. De entiteit kan ook de aard moeten beoordelen van enigerlei onvoorziene gebeurtenis (dat wil zeggen de aanleiding) die het tijdstip of het bedrag van de contractuele kasstromen zou wijzigen. Hoewel de aard van de onvoorziene gebeurtenis op zich geen bepalende factor is bij het beoordelen of de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen betreffen, kan het een indicator zijn. Vergelijk bijvoorbeeld een financieel instrument met een rente die wordt verhoogd indien de debiteur een specifiek aantal betalingen met betrekking tot een financieel instrument heeft gemist, met een rente die wordt verhoogd indien een specifieke aandelenindex een bepaald niveau bereikt. In het eerste geval is het waarschijnlijker dat de contractuele kasstromen over de looptijd van het instrument uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen wegens de relatie tussen de gemiste betalingen en de toename van het kredietrisico. (Zie ook alinea B4.1.18.)

B4.1.11

Hieronder worden voorbeelden gegeven van contractvoorwaarden die resulteren in contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen:

a)

een variabele rente die bestaat uit een vergoeding voor de tijdswaarde van geld, voor het tijdens een bepaalde periode aan het uitstaande hoofdsombedrag verbonden kredietrisico (de vergoeding voor het kredietrisico kan uitsluitend bij eerste opname worden bepaald en kan dus vast zijn), en voor andere met kredietverlening samenhangende basisrisico's en -kosten, alsook uit een winstmarge.

b)

een contractvoorwaarde die de emittent (dat wil zeggen de debiteur) toestaat een schuldbewijs vervroegd af te lossen of die de houder (dat wil zeggen de crediteur) toestaat een schuldbewijs vóór het einde van de looptijd weer aan de emittent verkopen, en het vervroegd afgeloste bedrag vertegenwoordigt in wezen onbetaalde bedragen van aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag, die een redelijke aanvullende compensatie voor de voortijdige beëindiging van het contract kunnen omvatten; en

c)

een contractvoorwaarde die de emittent of de houder toestaat de contractuele looptijd van een schuldbewijs te verlengen (dat wil zeggen een verlengingsoptie) en de voorwaarden van de verlengingsoptie resulteren tijdens de verlengde termijn in contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen en die een redelijke aanvullende compensatie voor de voortijdige beëindiging van het contract kunnen omvatten.

B4.1.12

Niettegenstaande alinea B4.1.10 komt een financieel actief dat anders aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) zou voldoen maar in dit geval niet als gevolg van een contractvoorwaarde die de emittent toestaat (of verplicht) een schuldbewijs vervroegd af te lossen of die de houder toestaat (of verplicht) een schuldbewijs vóór het einde van de looptijd weer aan de emittent verkopen, toch in aanmerking voor waardering tegen geamortiseerde kostprijs of tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat (mits het aan de voorwaarde in alinea 4.1.2(a) of aan de voorwaarde in alinea 4.1.2A(a) voldoet), indien:

a)

de entiteit het financiële actief verwerft of creëert met een premie of korting ten opzichte van het contractueel bepaalde nominale bedrag;

b)

het vervroegd afgeloste bedrag in wezen staat voor het contractueel bepaalde nominale bedrag en de opgelopen (maar onbetaalde) contractuele rente, die een redelijke aanvullende compensatie voor de voortijdige beëindiging van het contract kunnen omvatten; en

c)

bij eerste opname van het financiële actief door de entiteit, de reële waarde van het kenmerk van vervroegde aflossing insignificant is.

B4.1.13

De volgende voorbeelden vormen een illustratie van contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Deze lijst van voorbeelden is niet limitatief.

Instrument

Analyse

Instrument A

Instrument A is een obligatie met een overeengekomen vervaldatum. De aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag zijn gekoppeld aan een inflatie-index van de valuta waarin het instrument is uitgegeven. Er is geen sprake van hefboomwerking met betrekking tot de koppeling aan de inflatie en de hoofdsom is beschermd.

De contractuele kasstromen betreffen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag. Door de koppeling van de aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag aan een inflatie-index zonder dat er sprake is van hefboomwerking, wordt de tijdswaarde van geld telkens opnieuw vastgesteld op een actueel niveau. De rente op het instrument komt met andere woorden overeen met de „reële” rente. De rentebedragen zijn bijgevolg een vergoeding voor de tijdswaarde van geld met betrekking tot het uitstaande hoofdsombedrag.

Indien de rentebetalingen echter op basis van een andere variabele, zoals de prestaties van de debiteur (bv. het netto-inkomen van de debiteur) of een aandelenindex zouden worden geïndexeerd, dan betreffen de contractuele kasstromen geen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag (tenzij de indexering op basis van de prestaties van de debiteur resulteert in een aanpassing die de houder alleen zodanig voor veranderingen in het aan het instrument verbonden kredietrisico compenseert dat de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen betreffen). Dat komt omdat de contractuele kasstromen een rendement weerspiegelen dat inconsistent is met een basisleningsovereenkomst (zie alinea B4.1.7A).

Instrument B

Instrument B is een instrument met variabele rente en een overeengekomen vervaldatum dat de leningnemer continu toestaat voor de marktrente te kiezen. Op elke datum waarop de rente opnieuw wordt vastgesteld, kan de leningnemer er bijvoorbeeld voor kiezen de driemaands LIBOR voor een termijn van drie maanden of de eenmaands LIBOR voor een termijn van een maand te betalen.

De contractuele kasstromen betreffen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag zolang de over de looptijd van het instrument betaalde rente een afspiegeling is van de tijdswaarde van geld, van het aan het instrument verbonden kredietrisico en van andere met kredietverlening samenhangende basisrisico's en -kosten, alsook van een winstmarge (zie alinea B4.1.7A). Het feit dat de LIBOR-rente tijdens de looptijd van het instrument opnieuw wordt vastgesteld, zorgt er op zich niet voor dat het instrument niet meer in aanmerking komt.

Indien de leningnemer er echter voor kan kiezen een eenmaandsrente te betalen die om de drie maanden opnieuw wordt vastgesteld, dan wordt de rente opnieuw vastgesteld met een frequentie die niet met de rentelooptijd overeenstemt. De tijdswaarde van geld wordt bijgevolg herzien. Evenzo geldt dat indien de contractuele rente van een instrument is gebaseerd op een termijn die langer kan zijn dan de resterende looptijd van het instrument (bijvoorbeeld indien op een instrument met een looptijd van vijf jaar een variabele rente wordt betaald die periodiek opnieuw wordt vastgesteld maar steeds een looptijd van vijf jaar weerspiegelt), de tijdswaarde van geld wordt herzien. Dat komt omdat de in elke periode te betalen rente is losgekoppeld van de renteperiode.

In dergelijke gevallen moet de entiteit de contractuele kasstromen kwalitatief of kwantitatief toetsen aan de contractuele kasstromen van een instrument dat in alle opzichten identiek is, behalve dat de rentelooptijd overeenstemt met de renteperiode, om uit te maken of de kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. (Maar zie alinea B4.1.9E voor leidraden met betrekking tot gereguleerde rentetarieven.)

Bijvoorbeeld bij de beoordeling van een obligatie met een looptijd van vijf jaar en een variabele rente die om de zes maanden opnieuw wordt vastgesteld maar steeds een looptijd van vijf jaar weerspiegelt, houdt een entiteit rekening met de contractuele kasstromen van een instrument waarvan de rente om de zes maanden opnieuw als een zesmaandsrente wordt vastgesteld, maar anderszins identiek is.

Dezelfde analyse zou van toepassing zijn indien de leningnemer kan kiezen tussen de diverse gepubliceerde rentetarieven van de leninggever (de leningnemer kan bijvoorbeeld kiezen tussen de gepubliceerde variabele eenmaandsrente van de leninggever en de gepubliceerde variabele driemaandsrente van de leninggever).

Instrument C

Instrument C is een obligatie met een overeengekomen vervaldatum en een variabele marktrente. De variabele marktrente is begrensd.

De contractuele kasstromen van:

a)

zowel een instrument met een vaste rente,

b)

als een instrument met een variabele rente

zijn aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag, mits de rente een afspiegeling is van de vergoeding voor de tijdswaarde van geld, van het aan het instrument tijdens de looptijd ervan verbonden kredietrisico, en van andere met kredietverlening samenhangende basisrisico's en -kosten, alsook van een winstmarge. (Zie alinea B4.1.7A)

Een instrument dat een combinatie is van (a) en (b) (bijvoorbeeld een obligatie met een begrensde rente) kan bijgevolg kasstromen hebben die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Een dergelijke contractvoorwaarde kan de variabiliteit van de kasstromen verkleinen doordat een limiet voor een variabele rente (bijvoorbeeld een bovengrens of een ondergrens voor de rente) wordt vastgesteld, dan wel de variabiliteit van de kasstromen vergroten omdat een vaste rente variabel wordt.

Instrument D

Instrument D is een volledig verhaalbare lening die door zekerheden is gedekt.

Het feit dat een volledig verhaalbare lening door zekerheden is gedekt, is op zich niet van invloed op de analyse of de contractuele kasstromen uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

Instrument E

Instrument E is uitgegeven door een onder toezicht staande bank en heeft een overeengekomen vervaldatum. Het instrument heeft een vaste rente en alle contractuele kasstromen zijn niet-discretionair.

De emittent valt echter onder wetgeving die een nationale afwikkelingsautoriteit toestaat of verplicht in bijzondere omstandigheden verliezen op houders van bepaalde instrumenten, inclusief instrument E, te verhalen. De nationale afwikkelingsautoriteit is bijvoorbeeld bevoegd het nominale bedrag van instrument E af te boeken of te converteren in een vastgelegd aantal gewone aandelen van de emittent indien de nationale afwikkelingsautoriteit vaststelt dat de emittent ernstige financiële moeilijkheden heeft, aanvullend toetsingsvermogen nodig heeft of noodlijdend is.

De houder moet de contractvoorwaarden van het financiële instrument analyseren om uit te maken of zij aanleiding geven tot kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen en die dus consistent zijn met een basisleningsovereenkomst.

Bij deze analyse wordt geen rekening gehouden met de betalingen die uitsluitend resulteren uit de bevoegdheid van de nationale afwikkelingsautoriteit om verliezen op houders van instrument E te verhalen. Dat komt omdat die bevoegdheid, en de daaruit resulterende betalingen, geen contractvoorwaarden van het financiële instrument zijn.

De contractuele kasstromen zouden daarentegen niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen indien de contractvoorwaarden van het financiële instrument de emittent of een andere entiteit toestaan of verplichten verliezen op de houder te verhalen (bijvoorbeeld door het nominale bedrag af te boeken of door het instrument in een vastgelegd aantal gewone aandelen van de emittent te converteren), mits deze contractvoorwaarden authentiek zijn, ook al is de kans klein dat een dergelijk verlies zal worden verhaald.

B4.1.14

De volgende voorbeelden vormen een illustratie van contractuele kasstromen die niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Deze lijst van voorbeelden is niet limitatief.

Instrument

Analyse

Instrument F

Instrument F is een obligatie die converteerbaar is in een vastgelegd aantal eigenvermogensinstrumenten van de emittent.

De houder moet de converteerbare obligatie in haar geheel analyseren.

De contractuele kasstromen betreffen geen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag omdat zij een rendement weerspiegelen dat inconsistent is met een basisleningsovereenkomst (zie alinea B4.1.7A); het rendement is immers gekoppeld aan de waarde van de aandelen van de emittent.

Instrument G

Instrument G is een lening met een inversvariabele rente (dat wil zeggen dat er sprake is van een inverse relatie van de rente ten opzichte van de marktrente).

De contractuele kasstromen betreffen niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag.

De rentebedragen zijn geen vergoeding voor de tijdswaarde van geld met betrekking tot het uitstaande hoofdsombedrag.

Instrument H

Instrument H is een perpetueel instrument, maar de emittent kan het instrument op elk moment vervroegd aflossen en de houder ervan het nominale bedrag samen met de opgelopen verschuldigde rente uitbetalen.

Instrument H betaalt een marktrente maar de rentebetaling kan niet plaatsvinden, tenzij de emittent in staat is onmiddellijk daarna solvent te blijven.

Uitgestelde rente genereert geen extra rente.

De contractuele kasstromen betreffen geen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag. Dat komt omdat de emittent verplicht kan zijn rentebetalingen uit te stellen en deze uitgestelde rentebedragen geen extra rente genereren. Dit heeft tot gevolg dat de rentebedragen geen vergoeding voor de tijdswaarde van geld met betrekking tot het uitstaande hoofdsombedrag vormen.

Indien door de uitgestelde bedragen rente wordt gegenereerd, kunnen de contractuele kasstromen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

Het feit dat instrument H perpetueel is, betekent op zich niet dat de contractuele kasstromen geen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Een perpetueel instrument heeft in feite voortdurend (meerdere) verlengingsopties. Deze opties kunnen resulteren in contractuele kasstromen die aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen indien de rentebetalingen verplicht zijn en eeuwigdurend moeten worden betaald.

Ook het feit dat instrument H vervroegd aflosbaar is, betekent niet dat de contractuele kasstromen geen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen, tenzij het instrument vervroegd aflosbaar is tegen een bedrag dat in wezen geen weergave vormt van de aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag. Zelfs als het vervroegd aflosbare bedrag een bedrag omvat dat de houder een redelijke compensatie biedt voor de vervroegde beëindiging van het instrument, kunnen de contractuele kasstromen aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. (Zie ook alinea B4.1.12.)

B4.1.15

In sommige gevallen kan een financieel actief contractuele kasstromen hebben die als aflossingen en rentebetalingen worden beschreven, maar die niet de aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag zoals omschreven in de alinea's 4.1.2(b), 4.1.2A(b) en 4.1.3 van deze standaard betreffen.

B4.1.16

Dat kan het geval zijn indien het financiële actief een belegging in specifieke activa of kasstromen vertegenwoordigt en de contractuele kasstromen dus niet uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen. Indien in de contractvoorwaarden bijvoorbeeld is bepaald dat de kasstromen van het financiële actief toenemen naarmate meer auto's van een bepaalde tolweg gebruikmaken, zijn die contractuele kasstromen inconsistent met een basisleningsovereenkomst. Dat heeft tot gevolg dat het instrument niet voldoet aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b). Dat kan het geval zijn wanneer een vordering van een crediteur beperkt is tot welomschreven activa van de debiteur of tot de kasstromen van welomschreven activa (bijvoorbeeld een „non-recourse financial asset”).

B4.1.17

Het feit dat er van een „non-recourse financial asset” sprake is, belet op zich echter niet noodzakelijkerwijze dat het financiële actief aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b) voldoet. In dergelijke situaties moet de crediteur de specifieke onderliggende activa of kasstromen beoordelen („doorkijkbenadering”) om uit te maken of de contractuele kasstromen van het financiële actief worden geclassificeerd als aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag. Indien de voorwaarden van het financiële actief aanleiding geven tot andere kasstromen of de kasstromen beperken op een wijze die inconsistent is met betalingen die aflossingen en rentebetalingen vertegenwoordigen, voldoet het financiële actief niet aan de voorwaarde in de alinea's 4.1.2(b) en 4.1.2A(b). Of de onderliggende activa financiële of niet-financiële activa zijn, is op zich niet van invloed op deze beoordeling.

B4.1.18

Een eigenschap van contractuele kasstromen laat de classificatie van het financiële actief onverlet indien daarvan slechts een minimaal effect op de contractuele kasstromen van het financiële actief kan uitgaan. Om dit uit te maken, moet een entiteit het mogelijke effect van de eigenschap van de contractuele kasstromen in elke verslagperiode en cumulatief over de looptijd van het financiële instrument in aanmerking nemen. Voorts geldt dat indien van een eigenschap van contractuele kasstromen een meer dan minimaal effect op de contractuele kasstromen kan uitgaan (hetzij in één enkele verslagperiode, hetzij cumulatief), maar deze kasstroomeigenschap niet authentiek is, deze eigenschap de classificatie van een financieel actief onverlet laat. Een kasstroomeigenschap is niet authentiek als zij de contractuele kasstromen van het instrument alleen beïnvloedt als er zich een gebeurtenis voordoet die uiterst zeldzaam, bijzonder abnormaal en zeer onwaarschijnlijk is.

B4.1.19

Bij bijna elke leningtransactie wordt het instrument van de crediteur gerangschikt ten opzichte van de instrumenten van andere crediteurs van de debiteur. Een instrument dat achtergesteld is ten opzichte van andere instrumenten kan contractuele kasstromen hebben die aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen indien niet-betaling door de debiteur een contractbreuk vormt en de houder zelfs bij faillissement van de debiteur een contractueel recht op onbetaalde aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag heeft. Bijvoorbeeld een handelsvordering waarbij de crediteur de rang heeft van algemene crediteur, zou in aanmerking komen als betreffende aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag. Dat is zelfs het geval als de debiteur door zekerheden gedekte leningen heeft uitgegeven waarbij de houder van een dergelijke lening in geval van een faillissement voorrang heeft op de vorderingen van de algemene crediteur ten aanzien van de zekerheden, maar waarbij het contractuele recht van de algemene crediteur op onbetaalde aflossingen en andere verschuldigde bedragen onverlet wordt gelaten.

Contractueel gekoppelde instrumenten

B4.1.20

Bij sommige soorten transacties kan een emittent prioriteit toekennen aan betalingen aan de houders van financiële activa waarbij wordt gebruikgemaakt van meerdere contractueel gekoppelde instrumenten die tot kredietrisicoconcentraties aanleiding geven (tranches). Elke tranche heeft een rangorde die bepalend is voor de volgorde waarin door de emittent gegenereerde kasstromen aan de desbetreffende tranche worden toegewezen. In dergelijke situaties hebben de houders van een tranche alleen recht op aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag indien de emittent voldoende kasstromen genereert om de betalingen van tranches met een hogere rangorde te voldoen.

B4.1.21

Bij dergelijke transacties heeft een tranche alleen eigenschappen van kasstromen die aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen indien:

a)

de contractvoorwaarden van de tranche die met het oog op de classificatie ervan wordt beoordeeld (zonder de doorkijkbenadering toe te passen en naar de onderliggende pool van financiële instrumenten te kijken), aanleiding geven tot kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen (de rente op de tranche is bijvoorbeeld niet aan een commodity-index gekoppeld);

b)

de onderliggende pool van financiële instrumenten heeft de in de alinea's B4.1.23 en B4.1.24 beschreven kasstroomeigenschappen; en

c)

de blootstelling aan het kredietrisico in de onderliggende pool van financiële instrumenten dat inherent is aan de tranche, is gelijk aan of geringer dan de blootstelling aan het kredietrisico verbonden aan de onderliggende pool van financiële instrumenten (de creditrating van de tranche die met het oog op de classificatie ervan wordt beoordeeld, is bijvoorbeeld gelijk aan of hoger dan de creditrating die van toepassing zou zijn op een enkele tranche die de onderliggende pool van financiële instrumenten financiert).

B4.1.22

Een entiteit moet de doorkijkbenadering toepassen totdat zij de onderliggende pool kan identificeren van de instrumenten die de kasstromen genereren (en niet louter doorgeven). Dit is de onderliggende pool van financiële instrumenten.

B4.1.23

De onderliggende pool moet uit één of meer instrumenten bestaan met contractuele kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen.

B4.1.24

De onderliggende pool van instrumenten mag ook bestaan uit instrumenten die:

a)

de variabiliteit van de kasstromen van de in alinea B4.1.23 bedoelde instrumenten verkleinen en, indien deze met de in alinea B4.1.23 bedoelde instrumenten worden gecombineerd, resulteren in kasstromen die uitsluitend aflossingen en rentebetalingen op het uitstaande hoofdsombedrag betreffen (bijvoorbeeld een bovengrens of ondergrens van een rentevoet of een contract dat het kredietrisico vermindert dat aan sommige of alle in alinea B4.1.23 bedoelde instrumenten verbonden is); of

b)

de kasstromen van de tranches afstemmen op de kasstromen van de onderliggende pool van in alinea B4.1.23 bedoelde instrumenten om verschillen in, en alleen in, de onderstaande aspecten aan te pakken:

i)

of de rente vast of variabel is;

ii)

de valuta waarin de kasstromen luiden, met inbegrip van de inflatie in die valuta; of

iii)

het tijdstip van de kasstromen.

B4.1.25

Indien een instrument in de pool noch aan de in alinea B4.1.23, noch aan de in alinea B4.1.24 gestelde voorwaarden voldoet, is niet aan de voorwaarde in alinea B4.1.21(b) voldaan. Bij de uitvoering van deze beoordeling kan het onnodig blijken een gedetailleerde analyse per instrument van de pool te verrichten. Dit vereist echter oordeelsvorming van de entiteit, die een ver genoeg gaande analyse moet verrichten om uit te maken of de instrumenten in de pool aan de voorwaarden in de alinea's B4.1.23 en B4.1.24 voldoen. (Zie ook alinea B4.1.18 voor leidraden betreffende eigenschappen van contractuele kasstromen welke slechts een minimaal effect sorteren.)

B4.1.26

Indien de houder niet in staat is om bij eerste opname van de tranche de voorwaarden in alinea B4.1.21 te beoordelen, moet de tranche worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Indien de onderliggende pool van instrumenten na eerste opname op zodanige wijze kan veranderen dat de pool mogelijk niet aan de voorwaarden in de alinea's B4.1.23 en B4.1.24 voldoet, voldoet de tranche niet aan de voorwaarden in alinea B4.1.21 en moet zij worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Indien de onderliggende pool echter instrumenten bevat die zijn gedekt door zekerheden in de vorm van activa die niet aan de voorwaarden in de alinea's B4.1.23 en B4.1.24 voldoen, moet de mogelijkheid om van dergelijke activa bezit te nemen, voor de toepassing van deze alinea buiten beschouwing worden gelaten, tenzij de entiteit de tranche heeft verworven met de bedoeling de beschikkingsmacht over de zekerheden te verkrijgen.

Mogelijkheid om een financieel actief of een financiële verplichting aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (afdelingen 4.1 en 4.2)

B4.1.27

Behoudens de voorwaarden in de alinea's 4.1.5 en 4.2.2 staat deze standaard toe dat een entiteit een financieel actief, een financiële verplichting of een groep van financiële instrumenten (financiële activa, financiële verplichtingen of beide) aanwijst als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies op voorwaarde dat dit tot meer relevante informatie leidt.

B4.1.28

De beslissing van een entiteit om een financieel actief of een financiële verplichting aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies is vergelijkbaar met de keuze voor een grondslag voor financiële verslaggeving (hoewel die beslissing, in tegenstelling tot de keuze voor een grondslag voor financiële verslaggeving, niet consistent op alle vergelijkbare transacties hoeft te worden toegepast). Wanneer een entiteit een dergelijke keuze heeft gemaakt, moet de gekozen grondslag overeenkomstig alinea 14(b) van IAS 8 resulteren in een jaarrekening die betrouwbare en meer relevante informatie verstrekt over de gevolgen van transacties, andere gebeurtenissen en omstandigheden voor de financiële positie, financiële prestaties of kasstromen van de entiteit. Wat bijvoorbeeld de aanwijzing van een financiële verplichting als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies betreft, worden in alinea 4.2.2 de twee omstandigheden beschreven waaronder aan het vereiste inzake de verschaffing van meer relevante informatie is voldaan. Om in overeenstemming met alinea 4.2.2 voor een dergelijke aanwijzing te kiezen, moet de entiteit bijgevolg aantonen dat zij in één (of beide) van deze twee omstandigheden verkeert.

Door de aanwijzing wordt een accounting mismatch geëlimineerd of aanzienlijk beperkt

B4.1.29

De waardering van een financieel actief of een financiële verplichting en de classificatie van de opgenomen waardeveranderingen ervan worden bepaald door de classificatie van de post en door het gegeven of de positie al dan niet deel uitmaakt van een aangewezen afdekkingsrelatie. Deze vereisten kunnen leiden tot een inconsistentie in de waardering of opname (soms een „accounting mismatch” genoemd) wanneer bijvoorbeeld, bij het ontbreken van een aanwijzing als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, een financieel actief als na eerste opname gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies zou worden geclassificeerd, en een verplichting die volgens de entiteit daaraan gerelateerd is, na eerste opname tegen geamortiseerde kostprijs zou worden gewaardeerd (waarbij veranderingen in de reële waarde niet worden opgenomen). In dergelijke omstandigheden mag een entiteit concluderen dat haar jaarrekening meer relevante informatie zou verstrekken indien zowel het actief als de verplichting werden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

B4.1.30

Uit de volgende voorbeelden blijkt wanneer deze voorwaarde vervuld zou kunnen zijn. In alle gevallen mag een entiteit deze voorwaarde alleen voor de aanwijzing van financiële activa of financiële verplichtingen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies gebruiken als zij aan het beginsel in alinea 4.1.5 of 4.2.2(a) voldoet:

a)

een entiteit heeft verplichtingen uit hoofde van verzekeringscontracten waarvan de waardering actuele informatie omvat (zoals toegestaan door alinea 24 van IFRS 4), en financiële activa die volgens haar daaraan gerelateerd zijn en die anders zouden worden gewaardeerd ofwel tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, ofwel tegen geamortiseerde kostprijs;

b)

een entiteit heeft financiële activa, financiële verplichtingen of beide die onderhevig zijn aan hetzelfde risico, zoals een renterisico, dat aanleiding geeft tot tegenovergestelde veranderingen in reële waarde die de neiging hebben elkaar te compenseren. Alleen sommige van de instrumenten zouden echter worden gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies (bijvoorbeeld instrumenten die derivaten zijn of worden geclassificeerd als aangehouden voor handelsdoeleinden). Het is ook mogelijk dat niet aan de vereisten inzake hedge accounting is voldaan, bijvoorbeeld omdat niet aan de vereisten in alinea 6.4.1 inzake afdekkingseffectiviteit is voldaan;

c)

een entiteit heeft financiële activa, financiële verplichtingen of beide die onderhevig zijn aan hetzelfde risico, zoals een renterisico, dat aanleiding geeft tot tegenovergestelde veranderingen in reële waarde die de neiging hebben elkaar te compenseren en geen van de financiële activa of financiële verplichtingen komt in aanmerking voor aanwijzing als afdekkingsinstrument omdat zij niet tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies worden gewaardeerd. Omdat er geen sprake is van hedge accounting, is er bovendien een significante inconsistentie in de opname van winsten en verliezen. De entiteit heeft bijvoorbeeld een specifieke groep van leningen gefinancierd door verhandelde obligaties uit te geven waarvan de veranderingen in reële waarde de neiging hebben om elkaar te compenseren. Indien de entiteit de obligaties bovendien regelmatig koopt en verkoopt maar zelden of nooit de leningen koopt en verkoopt, zou de verwerking van zowel de leningen als de obligaties tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies de inconsistentie in het tijdstip van de opname van de winsten en verliezen elimineren die anders het gevolg zou zijn van het feit dat beide tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd en dat een winst of verlies wordt opgenomen telkens als een obligatie wordt teruggekocht.

B4.1.31

In gevallen zoals die welke in de vorige alinea zijn beschreven, kan de aanwijzing, bij eerste opname, van de anders niet op die manier gewaardeerde financiële activa en financiële verplichtingen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies de inconsistentie in de waardering of opname elimineren of aanzienlijk beperken en meer relevante informatie opleveren. Om praktische redenen hoeft de entiteit niet alle activa en verplichtingen die aanleiding geven tot de inconsistentie in de waardering of opname op precies hetzelfde moment aan te gaan. Een redelijk uitstel is toegestaan, mits elke transactie wordt aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies bij eerste opname van de transactie en mits, op dat moment, alle resterende transacties naar verwachting zullen plaatsvinden.

B4.1.32

Het zou niet aanvaardbaar zijn om alleen sommige van de financiële activa en financiële verplichtingen die tot de inconsistentie aanleiding geven, aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies als dit de inconsistentie niet zou elimineren of aanzienlijk beperken en bijgevolg niet zou leiden tot meer relevante informatie. Het zou echter wel aanvaardbaar zijn om alleen sommige van een aantal vergelijkbare financiële activa of vergelijkbare financiële verplichtingen aan te wijzen als dit leidt tot een significante beperking (en mogelijk een grotere beperking dan andere toegestane aanwijzingen) van de inconsistentie. Stel bijvoorbeeld dat een entiteit een aantal vergelijkbare financiële verplichtingen heeft voor een totaalbedrag van VE 100 en een aantal vergelijkbare financiële activa voor een totaalbedrag van VE 50 die echter op basis van een verschillende grondslag worden gewaardeerd. De entiteit kan de inconsistentie in de waardering aanzienlijk beperken door bij eerste opname alle activa maar slechts enkele van de verplichtingen (bijvoorbeeld individuele verplichtingen voor een gecombineerd totaalbedrag van VE 45) aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Omdat een aanwijzing als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies echter alleen op een financieel instrument als geheel kan worden toegepast, moet de entiteit in dit voorbeeld een of meer verplichtingen in hun geheel aanwijzen. Ze zou geen component van een verplichting (bijvoorbeeld waardeveranderingen die aan slechts één risico toerekenbaar zijn, zoals veranderingen in een referentierente) of geen deel van een verplichting (dat wil zeggen een percentage ervan) mogen aanwijzen.

Een groep van financiële verplichtingen of van financiële activa en financiële verplichtingen wordt beheerd en de prestaties ervan worden beoordeeld op basis van de reële waarde

B4.1.33

Een entiteit kan een groep van financiële verplichtingen of van financiële activa en financiële verplichtingen dusdanig beheren en de prestaties ervan dusdanig beoordelen dat de waardering van die groep tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies meer relevante informatie oplevert. In dit geval ligt de nadruk op de wijze waarop de entiteit de groep beheert en de prestaties ervan evalueert, in plaats van op de aard van haar financiële instrumenten.

B4.1.34

Een entiteit mag deze voorwaarde bijvoorbeeld gebruiken om financiële verplichtingen aan te wijzen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies indien zij aan het beginsel in alinea 4.2.2(b) voldoet, en de entiteit heeft financiële activa en financiële verplichtingen die één of meer risico's gemeen hebben en die risico's worden beheerd en beoordeeld op basis van de reële waarde in overeenstemming met een gedocumenteerd beleid inzake het beheer van activa en verplichtingen. Als voorbeeld zou een entiteit kunnen worden genoemd die zogeheten „structured products” heeft uitgegeven met meerdere daarin besloten derivaten en die de daaruit voortvloeiende risico's beheert op basis van de reële waarde, waarbij wordt gebruikgemaakt van een mix van afgeleide en niet-afgeleide financiële instrumenten.

B4.1.35

Zoals hierboven vermeld steunt deze voorwaarde op de wijze waarop de entiteit de desbetreffende groep van financiële instrumenten beheert en de prestaties ervan beoordeelt. Bijgevolg (behoudens het vereiste van aanwijzing bij eerste opname) moet een entiteit die financiële instrumenten aanwijst als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies, op basis van deze voorwaarde alle in aanmerking komende financiële instrumenten die samen worden beheerd en beoordeeld dusdanig aanwijzen.

B4.1.36

De strategie van de entiteit hoeft niet uitgebreid te worden gedocumenteerd, maar de documentatie moet voldoende zijn om aan te tonen dat aan alinea 4.2.2(b) is voldaan. Dergelijke documentatie is niet vereist voor elke individuele post, maar mag ook op portefeuillebasis voorhanden zijn. Als bijvoorbeeld het prestatiebeheersysteem voor een afdeling — zoals goedgekeurd door de managers van de entiteit op sleutelposities — duidelijk aantoont dat de prestaties op deze basis worden beoordeeld, is geen verdere documentatie vereist om aan te tonen dat aan alinea 4.2.2(b) is voldaan.

In contracten besloten derivaten (afdeling 4.3)

B4.3.1

Wanneer een entiteit partij wordt bij een hybride contract met een basisinstrument dat geen actief is dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt, moet de entiteit overeenkomstig alinea 4.3.3 een eventueel in het contract besloten derivaat identificeren, beoordelen of het van het basiscontract moet worden afgescheiden, en, voor de derivaten die moeten worden afgescheiden, deze bij eerste opname waarderen tegen reële waarde en daarna tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

B4.3.2

Indien een basiscontract geen overeengekomen of van tevoren bepaalde looptijd heeft en een overblijvend belang vertegenwoordigt in de nettoactiva van een entiteit, dan komen de economische kenmerken en risico's ervan overeen met die van een eigenvermogensinstrument, en zou er pas van een nauw verband sprake zijn als een in een contract besloten derivaat eigenvermogenskenmerken bezit die op dezelfde entiteit betrekking hebben. Indien het basiscontract geen eigenvermogensinstrument is en voldoet aan de definitie van een financieel instrument, dan zijn de economische kenmerken en risico's van het basiscontract die van een schuldbewijs.

B4.3.3

Een in een contract besloten derivaat dat geen optie is (zoals een in een contract besloten termijncontract of swap), wordt van het basiscontract afgescheiden op basis van de overeengekomen of impliciete contractuele bepalingen; dit moet resulteren in een reële waarde van nul bij eerste opname. Een in een contract besloten, op een optie gebaseerd derivaat (zoals een in een contract besloten put-, call-, cap- of flooroptie of optie op een swap) wordt van het basiscontract afgescheiden op basis van de overeengekomen contractuele bepalingen van het optiekenmerk. De eerste boekwaarde van het basisinstrument is gelijk aan de waarde die na afscheiding van het in het contract besloten derivaat resteert.

B4.3.4

Over het algemeen worden derivaten die samen met een of meer andere derivaten in één hybride contract zijn besloten, verwerkt als één samengesteld in een contract besloten derivaat. In contracten besloten derivaten die echter als eigen vermogen worden geclassificeerd (zie IAS 32), worden administratief gescheiden verwerkt van derivaten die als activa of verplichtingen worden geclassificeerd. Bovendien worden hybride contracten met meerdere in het contract besloten derivaten, administratief gescheiden van elkaar verwerkt indien deze derivaten op verschillende risicoposities betrekking hebben en tevens gemakkelijk af te scheiden en onafhankelijk van elkaar zijn.

B4.3.5

Hierna worden voorbeelden gegeven waarbij er geen nauw verband bestaat tussen de economische kenmerken en risico's van een in een contract besloten derivaat en die van het basiscontract (alinea 4.3.3(a)). In deze voorbeelden worden de in contracten besloten derivaten gescheiden van het basiscontract verwerkt, in de veronderstelling dat tevens wordt voldaan aan de voorwaarden in alinea 4.3.3(b) en (c).

a)

Er bestaat geen nauw verband tussen, enerzijds, een in een instrument besloten putoptie die de houder in staat stelt om de emittent het instrument terug te laten kopen voor een bedrag aan geldmiddelen of andere activa dat afhankelijk is van de veranderingen in een aandelen- of commodityprijs of -index, en, anderzijds, het schuldbewijs dat als basiscontract fungeert.

b)

Er bestaat geen nauw verband tussen, enerzijds, een optie of een automatische bepaling tot verlenging van de resterende looptijd (verschuiven van de aflossingsdatum) van een schuldbewijs en, anderzijds, het schuldbewijs dat als basiscontract fungeert, tenzij op het tijdstip van verlenging tegelijkertijd een renteaanpassing op basis van de actuele marktrente plaatsvindt. Indien een entiteit een schuldbewijs uitgeeft en de houder van dat schuldbewijs een calloptie op het schuldbewijs schrijft met als tegenpartij een derde, beschouwt de emittent de calloptie als een verlenging van de looptijd van het schuldbewijs, mits de emittent, als gevolg van de uitoefening van de calloptie, verplicht kan worden om deel te nemen aan het opnieuw op de markt brengen van het schuldbewijs, of dit mogelijk te maken.

c)

Er bestaat geen nauw verband tussen, enerzijds, aan een aandelenindex gekoppelde rentebetalingen of aflossingen die in een als basiscontract fungerend schuldbewijs of verzekeringscontract zijn besloten — waardoor het bedrag van de rentebetalingen of aflossingen wordt gekoppeld aan de waarde van eigenvermogensinstrumenten — en, anderzijds, het basisinstrument, omdat de aan het basiscontract en het hierin besloten derivaat verbonden risico's verschillend zijn.

d)

Er bestaat geen nauw verband tussen, enerzijds, aan een commodity-index gekoppelde rentebetalingen of aflossingen die in een als basiscontract fungerend schuldbewijs of verzekeringscontract zijn besloten — waardoor het bedrag van de rentebetalingen of aflossingen wordt gekoppeld aan een commodity (zoals goud) — en, anderzijds, het basisinstrument, omdat de aan het basiscontract en het hierin besloten derivaat verbonden risico's verschillend zijn.

e)

Er bestaat geen nauw verband tussen, enerzijds, een call- of putoptie, dan wel een optie tot vervroegde aflossing die is besloten in een als basiscontract fungerende schuld of een als basiscontract fungerend verzekeringscontract, en, anderzijds, het basiscontract, tenzij:

i)

de uitoefenprijs van de optie op elke uitoefendatum ongeveer gelijk is aan de geamortiseerde kostprijs van de als basiscontract fungerende schuld of de boekwaarde van het als basiscontract fungerende verzekeringscontract; of

ii)

de uitoefenprijs van een optie tot vervroegde aflossing de leninggever compenseert voor een bedrag tot de geschatte contante waarde van de verloren rente over de resterende looptijd van het basiscontract. De verloren rente is de vervroegd afgeloste hoofdsom vermenigvuldigd met het renteverschil. Het renteverschil is het surplus van de effectieve rentevoet van het basiscontract ten opzichte van de effectieve rentevoet die de entiteit op de datum van vervroegde aflossing zou ontvangen indien zij de vervroegd afgeloste hoofdsom tijdens de resterende looptijd van het basiscontract in een vergelijkbaar contract zou herbeleggen.

De beoordeling of er al dan niet van een nauw verband tussen de call- of putoptie en de als basiscontract fungerende schuld sprake is, wordt uitgevoerd voordat het eigenvermogenselement in overeenstemming met IAS 32 van een converteerbaar schuldbewijs wordt afgescheiden.

f)

Er bestaat geen nauw verband tussen, enerzijds, kredietderivaten die zijn besloten in een schuldbewijs dat als basiscontract fungeert en die het de ene partij (de „begunstigde”) mogelijk maken het kredietrisico verbonden aan een bepaald referentieactief, dat deze al dan niet werkelijk in bezit heeft, aan een andere partij (de „garantiegever”) over te dragen, en, anderzijds, het schuldbewijs dat als basiscontract fungeert. Met behulp van dergelijke kredietderivaten kan de garantiegever het aan een referentieactief verbonden kredietrisico op zich nemen zonder dit rechtstreeks te kopen.

B4.3.6

Een voorbeeld van een hybride contract is een financieel instrument dat de houder het recht geeft om het financiële instrument door de emittent terug te laten nemen in ruil voor een bedrag aan geldmiddelen of andere financiële activa, dat afhankelijk is van de verandering in een aandelen- of commodity-index (een instrument met terugneemverplichting („puttable instrument”)). De emittent is op grond van alinea 4.3.3 verplicht een in een contract besloten derivaat (dat wil zeggen de aan een index gekoppelde aflossing) af te scheiden omdat het basiscontract volgens B4.3.2 een schuldbewijs is, en er geen nauw verband bestaat tussen de aan een index gekoppelde aflossing en een als basiscontract fungerend schuldbewijs zoals vermeld in B4.3.5(a), tenzij de emittent het instrument met terugneemverplichting bij eerste opname aanwijst als een financiële verplichting gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Omdat de aflossing kan stijgen en dalen, is het in het contract besloten derivaat een ander derivaat dan een optie waarvan de waarde aan de onderliggende variabele is gekoppeld.

B4.3.7

In geval van een instrument met terugneemverplichting waarbij de houder het instrument op elk moment door de emittent kan laten terugnemen in ruil voor geldmiddelen tot een bedrag van het evenredige aandeel in de intrinsieke waarde van een entiteit (zoals participaties van een open-end beleggingsfonds of sommige beleggingsproducten) hebben de afscheiding van een in een contract besloten derivaat en de administratieve verwerking van iedere component tot gevolg dat het hybride contract wordt gewaardeerd op de aflossingswaarde die aan het einde van de verslagperiode verschuldigd is indien de houder zijn recht uitoefent en het instrument door de emittent laat terugnemen.

B4.3.8

In de onderstaande voorbeelden bestaat er een nauw verband tussen de economische kenmerken en risico's van het in een contract besloten derivaat en de economische kenmerken en risico's van het basiscontract. In deze voorbeelden vindt de administratieve verwerking van het in het contract besloten derivaat door de entiteit niet gescheiden plaats van die van het basiscontract.

a)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een in een contract besloten derivaat waarvan de onderliggende variabele een rentevoet of een rente-index is waarbij het rentebedrag dat anders op een als basiscontract fungerende rentedragende schuld of als basiscontract fungerend verzekeringscontract zou worden betaald of ontvangen, kan veranderen, en, anderzijds, het basiscontract, tenzij het hybride contract op zodanige wijze kan worden afgewikkeld dat de houder niet nagenoeg zijn gehele in het overzicht van de financiële positie opgenomen belegging zou realiseren, of tenzij dankzij het in het contract besloten derivaat het initiële rendement op het basiscontract van de houder ten minste zou kunnen verdubbelen en zou kunnen resulteren in een rendement dat ten minste 100 % hoger ligt dan het marktrendement op een contract met dezelfde voorwaarden als het basiscontract.

b)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een in een contract besloten onder- of bovengrens aan de rente van een schuldbewijs en, anderzijds, een als basiscontract fungerende schuld of een als basiscontract fungerend verzekeringscontract, mits de bovengrens op of boven het niveau van de marktrente ligt, of de ondergrens op of onder het niveau van de marktrente ligt bij uitgifte van het contract, en er bij de boven- of ondergrens geen sprake is van hefboomwerking ten opzichte van het basiscontract. Op dezelfde manier bestaat er een nauw verband tussen, enerzijds, bepalingen in een contract voor de aankoop of verkoop van een actief (bijvoorbeeld een commodity) op grond waarvan een boven- en ondergrens wordt vastgesteld voor de prijs die voor het actief wordt betaald of ontvangen, en, anderzijds, het basiscontract indien zowel de boven- als ondergrens bij aanvang „out of the money” zijn en er geen sprake is van hefboomwerking ten opzichte van het basiscontract.

c)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een in een contract besloten valutaderivaat dat zorgt voor een stroom van aflossingen of rentebetalingen in een vreemde valuta en dat in een als basiscontract fungerend schuldbewijs is besloten (bijvoorbeeld een obligatie met storting en aflossing in verschillende valuta's („dual currency bond”)), en, anderzijds, het als basiscontract fungerende schuldbewijs. Een dergelijk derivaat wordt niet van het basiscontract afgescheiden, omdat IAS 21 De gevolgen van wisselkoerswijzigingen voorschrijft dat winsten en verliezen uit wisselkoersverschillen op monetaire posten in winst of verlies worden opgenomen.

d)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een in een basiscontract besloten valutaderivaat, dat een verzekeringscontract is of geen financieel instrument is (zoals een contract tot aankoop of verkoop van een niet-financieel goed waarbij de prijs in een vreemde valuta luidt), en, anderzijds, het basiscontract, mits er geen sprake is van hefboomwerking ten opzichte van het basiscontract, het geen optiekenmerk bevat en betaling voorschrijft in een van de volgende valuta's:

i)

de functionele valuta van een belangrijke contractpartij;

ii)

de valuta waarin de prijs van het gerelateerde goed dat wordt verworven of geleverd, of de gerelateerde dienst die wordt afgenomen of verleend gewoonlijk in de internationale handel wordt uitgedrukt (bijvoorbeeld de Amerikaanse dollar voor transacties in ruwe olie); of

iii)

een valuta die veelvuldig wordt gebruikt in contracten tot aankoop of verkoop van niet-financiële goederen in de economische omgeving waarin de transactie plaatsvindt (bijvoorbeeld een relatief stabiele en verhandelbare valuta die veelvuldig bij bedrijfstransacties of externe handel wordt gebruikt).

e)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een optie tot vervroegde aflossing die in een gestripte obligatie is besloten (uitsluitend een rentegedeelte of een hoofdsomgedeelte), en, anderzijds, het basiscontract indien het basiscontract (i) in eerste instantie het resultaat was van afscheiding van het recht op ontvangst van de contractuele kasstromen van een financieel instrument dat op of van zichzelf geen daarin besloten derivaat bevatte en (ii) geen voorwaarden bevat die niet aanwezig waren in de oorspronkelijke schuld die als basiscontract fungeert.

f)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een derivaat besloten in een als basiscontract fungerende lease, en, anderzijds, het basiscontract indien het in het contract besloten derivaat (i) een inflatiegerelateerde index is, zoals indexering van leasebetalingen aan de consumptieprijsindex (mits er bij de lease geen sprake is van hefboomwerking en de index betrekking heeft op de inflatie in de eigen economische omgeving van de entiteit), (ii) voorwaardelijke leaseopbrengsten op basis van daaraan gerelateerde omzet betreft, dan wel (iii) voorwaardelijke leaseopbrengsten op basis van variabele rente betreft.

g)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een beleggingskenmerk dat in een als basiscontract fungerend financieel instrument of verzekeringscontract is besloten, en, anderzijds, het basisinstrument of basiscontract indien de betalingen in deelnemingsrechten worden bepaald op basis van de actuele waarde per deelnemingsrecht die een afspiegeling is van de reële waarde van de activa van het fonds. Een beleggingskenmerk is een contractuele bepaling op grond waarvan betaling in deelnemingsrechten van een intern of extern beleggingsfonds is voorgeschreven.

h)

Er bestaat een nauw verband tussen, enerzijds, een derivaat dat in een verzekeringscontract is besloten, en, anderzijds, het als basiscontract fungerende verzekeringscontract indien het desbetreffende derivaat en het desbetreffende basiscontract zodanig onderling afhankelijk zijn dat een entiteit het in het basiscontract besloten derivaat niet afzonderlijk kan waarderen (dat wil zeggen zonder het basiscontract in ogenschouw te nemen).

Instrumenten met daarin besloten derivaten

B4.3.9

Zoals vermeld in alinea B4.3.1 geldt dat wanneer een entiteit partij wordt bij een hybride contract met een basisinstrument dat geen actief is dat binnen het toepassingsgebied van deze standaard valt en waarin één of meer derivaten besloten zijn, dan moet de entiteit overeenkomstig alinea 4.3.3 elk dergelijk in het contract besloten derivaat identificeren, beoordelen of het van het basiscontract moet worden afgescheiden, en, voor de derivaten die moeten worden afgescheiden, deze bij eerste opname en daarna waarderen tegen reële waarde. Deze vereisten kunnen complexer zijn, of kunnen leiden tot minder betrouwbare waarderingen, dan wanneer het gehele instrument wordt gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies. Om die reden staat deze standaard toe dat het gehele hybride contract wordt aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies.

B4.3.10

Een dergelijke aanwijzing mag worden toegepast ongeacht of alinea 4.3.3 vereist dat de in het contract besloten derivaten worden afgescheiden van het basiscontract, dan wel of alinea 4.3.3 een dergelijke afscheiding verbiedt. Op grond van alinea 4.3.5 zou het echter niet gerechtvaardigd zijn dat het hybride contract wordt aangewezen als gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies in de gevallen die in alinea 4.3.5(a) en (b) zijn uiteengezet, omdat dit er niet toe zou leiden dat de complexiteit wordt beperkt of de betrouwbaarheid wordt verhoogd.

Herbeoordeling van in contracten besloten derivaten

B4.3.11

Overeenkomstig alinea 4.3.3 moet een entiteit beoordelen of het vereist is een in een contract besloten derivaat van het basiscontract af te scheiden en het als een derivaat te verwerken op het moment dat de entiteit voor het eerst een contractpartij wordt. Latere herbeoordeling is verboden, tenzij er zich in de contractvoorwaarden een wijziging voordoet die een significante verandering teweegbrengt in de kasstromen die anders door het contract zouden zijn vereist, in welk geval herbeoordeling verplicht is. Een entiteit bepaalt of een verandering in de kasstromen significant is door na te gaan in hoeverre de verwachte toekomstige kasstromen van het in het contract besloten derivaat, het basiscontract of beide veranderd zijn, en of de verandering significant is ten opzichte van de eerder verwachte kasstromen van het contract.

B4.3.12

Alinea B4.3.11 is niet van toepassing op derivaten die zijn besloten in contracten verworven in:

a)

een bedrijfscombinatie (zoals gedefinieerd in IFRS 3 Bedrijfscombinaties);

b)

een combinatie van entiteiten of bedrijven waarover gezamenlijk de zeggenschap wordt uitgeoefend zoals beschreven in de alinea's B1 tot en met B4 van IFRS 3; of

c)

de oprichting van een joint venture zoals gedefinieerd in IFRS 11 Gezamenlijke overeenkomsten;

en evenmin op de eventuele herbeoordeling ervan op de verwervingsdatum (3).

Herclassificatie van financiële activa (afdeling 4.4)

Herclassificatie van financiële activa

B4.4.1

Overeenkomstig alinea 4.4.1 moet een entiteit financiële activa herclassificeren als zij haar bedrijfsmodel voor het beheer van die financiële activa wijzigt. Verwacht wordt dat dergelijke wijzigingen zeer zelden zullen plaatsvinden. Tot dergelijke wijzigingen wordt besloten door het hoger management van de entiteit als gevolg van externe of interne veranderingen; de wijzigingen moeten van betekenis zijn voor de bedrijfsactiviteiten van de entiteit en zij moeten aan externe partijen kunnen worden aangetoond. Er zal zich derhalve pas een wijziging in het bedrijfsmodel van een entiteit voordoen wanneer de entiteit met een voor haar bedrijfsactiviteiten belangrijke activiteit begint of stopt; bijvoorbeeld wanneer de entiteit een bedrijfsactiviteit heeft verworven, afgestoten of beëindigd. Hierna volgen een paar voorbeelden van wijzigingen in een bedrijfsmodel.

a)

Een entiteit heeft een portefeuille van commerciële leningen die zij aanhoudt om op korte termijn te verkopen. De entiteit verwerft een onderneming die commerciële leningen beheert en een bedrijfsmodel heeft waarbij de leningen worden aangehouden om de contractuele kasstromen te ontvangen. De portefeuille van commerciële leningen is niet meer te koop; thans wordt deze portefeuille samen met de verworven commerciële leningen beheerd en alle leningen worden aangehouden met de bedoeling de contractuele kasstromen te ontvangen.

b)

Een financiële dienstverlener besluit te stoppen met het verstrekken van hypotheekleningen aan particulieren. Er worden geen nieuwe hypotheekleningen meer verstrekt en de financiële dienstverlener biedt zijn portefeuille van hypotheekleningen actief te koop aan op de markt.

B4.4.2

Een wijziging in het doel van het bedrijfsmodel van de entiteit moet vóór de herclassificatiedatum plaatsvinden. Indien een financiële dienstverlener bijvoorbeeld op 15 februari besluit geen hypotheekleningen aan particulieren meer te verstrekken en dus op 1 april (dat wil zeggen de eerste dag van de volgende verslagperiode van de entiteit) alle betrokken financiële activa moet herclassificeren, dan mag de entiteit na 15 februari geen nieuwe hypotheekleningen aan particulieren meer verstrekken of anderszins activiteiten uitoefenen die met haar voormalige bedrijfsmodel in overeenstemming zijn.

B4.4.3

De volgende gebeurtenissen zijn geen wijzigingen in het bedrijfsmodel:

a)

een verandering in voornemen met betrekking tot bepaalde financiële activa (zelfs in gevallen waarin er van significante veranderingen in marktomstandigheden sprake is);

b)

het tijdelijk opdrogen van een bepaalde markt voor financiële activa;

c)

een overdracht van financiële activa tussen delen van de entiteit met verschillende bedrijfsmodellen.

WAARDERING (HOOFDSTUK 5)

Eerste waardering (afdeling 5.1)

B5.1.1

De reële waarde van een financieel instrument bij eerste opname is normaliter de transactieprijs (dat wil zeggen de reële waarde van de betaalde of ontvangen vergoeding, zie ook alinea B5.1.2A en IFRS 13). Als echter een deel van de betaalde of ontvangen vergoeding voor iets anders is dan het financiële instrument, moet een entiteit de reële waarde van het financiële instrument bepalen. De reële waarde van een niet-rentedragende langlopende lening of vordering kan bijvoorbeeld worden bepaald als de contante waarde van alle toekomstige kasontvangsten, gedisconteerd tegen de geldende marktrentevoet(en) voor een vergelijkbaar instrument (vergelijkbaar wat betreft valuta, looptijd, type rentevoet en andere factoren) met een vergelijkbare creditrating. Een eventueel aanvullend geleend bedrag is een last of een batenvermindering, tenzij het voor opname als een ander type actief in aanmerking komt.

B5.1.2

Indien een entiteit een lening creëert met een niet-marktrente (bijvoorbeeld 5 procent terwijl de marktrente voor vergelijkbare leningen 8 procent bedraagt), en een vooruitbetaalde provisie als vergoeding ontvangt, neemt de entiteit de lening tegen reële waarde op, dat wil zeggen na aftrek van de ontvangen provisie.

B5.1.2A

De beste indicatie van de reële waarde van een financieel instrument bij eerste opname is normaliter de transactieprijs (dat wil zeggen de reële waarde van de betaalde of ontvangen vergoeding, zie ook IFRS 13). Als een entiteit bepaalt dat de reële waarde bij eerste opname verschilt van de transactieprijs zoals vermeld in alinea 5.1.1A, moet de entiteit dat instrument op die datum administratief als volgt verwerken:

a)

tegen de op grond van alinea 5.1.1 vereiste waardering als die reële waarde blijkt uit een op een actieve markt genoteerde prijs voor een identiek actief of een identieke verplichting (dat wil zeggen een input van niveau 1) of op basis van een waarderingstechniek die alleen gegevens van waarneembare markten gebruikt. Een entiteit moet het verschil tussen de reële waarde bij eerste opname en de transactieprijs als een winst of verlies opnemen;

b)

in alle andere gevallen, tegen de op grond van alinea 5.1.1 vereiste waardering, aangepast om het verschil tussen de reële waarde bij eerste opname en de transactieprijs uit te stellen. Na eerste opname moet de entiteit dat uitgestelde verschil alleen als een winst of verlies opnemen voor zover dat verschil voortkomt uit een verandering in een factor (waaronder tijd) waarmee marktdeelnemers bij de prijsbepaling van het actief of de verplichting rekening zouden houden.

Waardering na eerste opname (afdelingen 5.2 en 5.3)

B5.2.1

Indien een financieel instrument dat voorheen als een financieel actief werd opgenomen, wordt gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in winst of verlies en de reële waarde ervan tot onder nul daalt, is het een overeenkomstig alinea 4.2.1 gewaardeerde financiële verplichting. Hybride contracten met basisinstrumenten die binnen het toepassingsgebied van deze standaard vallende activa zijn, worden steeds gewaardeerd in overeenstemming met alinea 4.3.2.

B5.2.2

Het volgende voorbeeld illustreert de administratieve verwerking van transactiekosten bij de eerste en latere waardering van een financieel actief dat overeenkomstig ofwel alinea 5.7.5, ofwel alinea 4.1.2A wordt gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat. Een entiteit verwerft een financieel actief voor VE 100, verhoogd met een aankoopprovisie van VE 2. Bij eerste opname neemt de entiteit het actief op tegen een waarde van VE 102. De verslagperiode eindigt één dag later; op die dag is de genoteerde marktprijs van het actief VE 100. Indien het actief zou worden verkocht, zou een provisie van VE 3 worden betaald. Op die datum waardeert de entiteit het actief op VE 100 (zonder rekening te houden met de mogelijke provisie bij verkoop) en wordt een verlies van VE 2 in de overige onderdelen van het totaalresultaat opgenomen. Indien het financiële actief overeenkomstig alinea 4.1.2A wordt gewaardeerd tegen reële waarde met verwerking van waardeveranderingen in de overige onderdelen van het totaalresultaat, dan worden de transactiekosten geamortiseerd volgens de effectieverentemethode.

B5.2.2A

De in alinea B5.1.2A beschreven waardering van een financieel actief of financiële verplichting na eerste opname en de opname van winsten en verliezen na eerste opname moeten in overeenstemming zijn met de vereisten van deze standaard.

Beleggingen in eigenvermogensinstrumenten en contracten betreffende die beleggingen

B5.2.3

Alle beleggingen in eigenvermogensinstrumenten en contracten betreffende die instrumenten moeten tegen reële waarde worden gewaardeerd. In beperkte omstandigheden kan de kostprijs een passende schatting van de reële waarde vormen. Dit kan het geval zijn als er onvoldoende meer recente informatie beschikbaar is om de reële waarde te bepalen, of als er van een grote bandbreedte van mogelijke waarderingen tegen reële waarde sprake is en de kostprijs de beste schatting van de reële waarde binnen die bandbreedte vertegenwoordigt.

B5.2.4

Indicatoren dat de kostprijs mogelijk niet representatief is voor de reële waarde zijn onder meer:

a)

een significante verandering in de prestaties van de deelneming in vergelijking met budgetten, plannen of mijlpalen;

b)

veranderingen in de verwachting dat de mijlpalen op het gebied van technische producten van de deelneming zullen worden verwezenlijkt;

c)

een significante verandering in de markt voor de aandelen van de deelneming of voor haar producten of potentiële producten;

d)

een significante verandering in de wereldeconomie of in de economische omgeving waarin de deelneming actief is;

e)

een significante verandering in de prestaties van vergelijkbare entiteiten, of in de impliciete waarderingen van de markt als geheel;

f)

interne aangelegenheden van de deelneming, zoals fraude, handelsgeschillen, rechtszaken, veranderingen van management of strategie;

g)

gegevens over externe transacties in aandelen van de deelneming, ofwel door de deelneming (zoals een nieuwe aandelenemissie), ofwel door overdrachten van eigenvermogensinstrumenten tussen derden.

B5.2.5

De lijst in alinea B5.2.4 is niet exhaustief. Een entiteit moet gebruikmaken van alle informatie over de prestaties en activiteiten van de deelneming welke na de datum van eerste opname beschikbaar komt. Voor zover dergelijke relevante factoren bestaan, kan daaruit blijken dat de kostprijs mogelijk niet representatief is voor de reële waarde. In dergelijke gevallen moet de entiteit de reële waarde bepalen.

B5.2.6

De kostprijs is nooit de beste schatting van de reële waarde bij beleggingen in genoteerde eigenvermogensinstrumenten (of contracten betreffende genoteerde eigenvermogensinstrumenten).

Waardering tegen geamortiseerde kostprijs (afdeling 5.4)

Effectieverentemethode

B5.4.1

Bij de toepassing van de effectieverentemethode identificeert een entiteit provisies die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet van een financieel instrument. De beschrijving van provisies voor financiële diensten is mogelijk niet indicatief voor de aard en economische realiteit van de verleende diensten. Provisies die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet van een financieel instrument worden verwerkt als een aanpassing van de effectieve rentevoet, tenzij het financiële instrument wordt gewaardeerd tegen reële waarde met opname van waardeveranderingen in winst of verlies. In die gevallen worden de provisies bij eerste opname van het instrument als baten of lasten opgenomen.

B5.4.2

Provisies die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet van een financieel instrument zijn onder meer:

a)

door de entiteit ontvangen creatieprovisies die met de creatie of verwerving van een financieel actief verband houden. Dergelijke provisies kunnen een compensatie omvatten voor activiteiten zoals de evaluatie van de financiële situatie van de leningnemer, de evaluatie en registratie van garanties, zekerheden en andere beschermingsregelingen, het onderhandelen over de voorwaarden van het instrument, de opstelling en verwerking van documenten, en het sluiten van de transactie. Deze provisies maken integraal deel uit van het genereren van een betrokkenheid bij het resulterende financiële instrument;

b)

toezeggingsprovisies die de entiteit heeft ontvangen om een lening te creëren wanneer de leningtoezegging niet overeenkomstig alinea 4.2.1(a) wordt gewaardeerd en het waarschijnlijk is dat de entiteit een specifieke leningsovereenkomst zal aangaan. Deze provisies worden beschouwd als compensatie voor een aanhoudende betrokkenheid bij de verwerving van een financieel instrument. Indien de toezegging afloopt zonder dat de entiteit de lening verstrekt, wordt de provisie op de afloopdatum als bate opgenomen;

c)

creatieprovisies bepaald bij de uitgifte van financiële verplichtingen die tegen geamortiseerde kostprijs worden gewaardeerd. Deze provisies maken integraal deel uit van het genereren van een betrokkenheid bij een financiële verplichting. Een entiteit maakt een onderscheid tussen provisies en kosten die integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet van een financiële verplichting, en transactiekosten die verband houden met het recht diensten te verlenen, zoals vermogensbeheerdiensten.

B5.4.3

Provisies die niet integraal deel uitmaken van de effectieve rentevoet van een financieel instrument en die administratief worden verwerkt overeenkomstig IFRS 15, zijn onder meer:

a)

provisies voor beheersdiensten in verband met een lening;

b)

toezeggingsprovisies om een lening te creëren wanneer de leningtoezegging niet overeenkomstig alinea 4.2.1(a) wordt gewaardeerd en het onwaarschijnlijk is dat een specifieke leningsovereenkomst zal worden aangegaan; en

c)

provisies voor syndicaatsleningen die zijn ontvangen door een entiteit die een lening regelt en die geen enkel deel van het leningpakket voor zichzelf behoudt (of die een deel behoudt tegen dezelfde effectieve rentevoet voor een vergelijkbaar risico als andere deelnemers).

B5.4.4

Bij de toepassing van de effectieverentemethode amortiseert een entiteit over het algemeen eventuele betaalde of ontvangen provisies en vergoedingen, transactiekosten en andere premies of kortingen die in de berekening van de effectieve rentevoet over de verwachte looptijd van het financiële instrument zijn opgenomen. Er wordt echter een kortere periode gehanteerd indien dit de periode is waarop de betaalde en ontvangen provisies en vergoedingen, transactiekosten, premies en kortingen betrekking hebben. Dit is het geval indien de variabele waarop de betaalde of ontvangen provisies en vergoedingen, transactiekosten, premies en kortingen betrekking hebben, vóór de verwachte vervaldatum van het financiële instrument aan de marktrente wordt aangepast. In dat geval is de geëigende amortisatieperiode gelijk aan de periode tot de volgende aanpassingsdatum. Indien bijvoorbeeld een premie of korting op een financieel instrument met variabele rente betrekking heeft op de sinds de laatste rentebetaling opgelopen rente op het financiële instrument, of op veranderingen in markttarieven sinds de variabele rente op het niveau van de marktrente werd gebracht, wordt de premie of korting geamortiseerd over de periode tot de volgende datum waarop de variabele rente aan de marktrente wordt aangepast. De reden hiervoor is dat de premie of korting betrekking heeft op de periode tot de volgende aanpassingsdatum van de rente, omdat de variabele waarop de premie of korting betrekking heeft (dat wil zeggen de rentevoeten) op dat tijdstip aan de marktrente wordt aangepast. Indien de premie of korting echter het gevolg is van een verandering in het renteverschil tussen bedrijfsobligaties en staatsobligaties („credit spread”) bovenop de variabele rente van het financiële instrument, of andere variabelen die niet aan de markttarieven worden aangepast, wordt de premie of korting geamortiseerd over de verwachte looptijd van het financiële instrument.

B5.4.5

Bij financiële activa en financiële verplichtingen met een variabele rente leidt de periodieke herziening van de kasstromen in verband met veranderingen in de marktrente tot een wijziging van de effectieve rentevoet. Indien een financieel actief of een financiële verplichting met een variabele rente bij eerste opname wordt gewaardeerd op de op de vervaldatum te ontvangen of verschuldigde aflossing, dan heeft het opnieuw schatten van de toekomstige rentebetalingen normaliter geen significante gevolgen voor de boekwaarde van het actief of de verplichting.

B5.4.6

Herziet een entiteit haar schattingen van betalingen of ontvangsten (exclusief herzieningen in overeenstemming met alinea 5.4.3 en wijzigingen in schattingen van te verwachten kredietverliezen), dan moet zij de brutoboekwaarde van het financiële actief of de geamortiseerde kostprijs van een financiële verplichting (of groep van financiële instrumenten) aanpassen teneinde rekening te houden met de werkelijke en herziene geschatte contractuele kasstromen. De entiteit herberekent de brutoboekwaarde van het financiële actief of de geamortiseerde kostprijs van de financiële verplichting als de contante waarde van de geschatte toekomstige contractuele kasstromen, gedisconteerd tegen de oorspronkelijke effectieve rentevoet van het financiële instrument (of de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet voor verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid), dan wel, in voorkomend geval, de herziene effectieve rentevoet berekend overeenkomstig alinea 6.5.10. De aanpassing wordt als bate of last in winst of verlies opgenomen.

B5.4.7

In sommige gevallen wordt een financieel actief bij eerste opname als een financieel actief met verminderde kredietwaardigheid beschouwd omdat het daaraan verbonden kredietrisico zeer groot is, en, ingeval het actief wordt verworven, omdat zulks tegen een grote korting geschiedt. Bij de berekening van de voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet voor financiële activa die bij eerste opname worden aangemerkt als verworven of gecreëerde financiële activa met verminderde kredietwaardigheid, moet een entiteit de initiële te verwachten kredietverliezen in de geschatte kasstromen opnemen. Dat betekent echter niet dat een voor de kredietwaardigheid gecorrigeerde effectieve rentevoet moet worden toegepast enkel en alleen omdat er voor het financiële actief bij eerste opname van een hoog kredietrisico sprake is.

Transactiekosten

B5.4.8

Transactiekosten omvatten honoraria en provisies betaald aan tussenpersonen (onder wie werknemers die als tussenpersoon voor verkoop optreden), adviseurs, makelaars of handelaren; heffingen door regelgevende instanties en effectenbeurzen; en overdrachts- en andere belastingen. Transactiekosten omvatten geen agio en disagio op schulden, financieringskosten of interne administratiekosten, of kosten van het aanhouden van financiële instrumenten.

Afschrijving

B5.4.9

Afschrijvingen kunnen betrekking hebben op een financieel actief in zijn geheel of op een deel ervan. Een entiteit is bijvoorbeeld van plan de zekerheden met betrekking tot een financieel actief uit te winnen en verwacht daarmee niet meer dan 30 procent van het financiële actief te realiseren. Indien de entiteit geen redelijke vooruitzichten heeft om verdere kasstromen van het financiële actief te ontvangen, dan moet zij de resterende 70 procent van het financiële actief afschrijven.

Bijzondere waardevermindering (afdeling 5.5)

Beoordeling op collectieve en individuele basis

B5.5.1

Om het doel van de opname van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen bij significante toenamen van het kredietrisico sinds de eerste opname te realiseren, kan het noodzakelijk blijken de beoordeling of er van significante toenamen van het kredietrisico sprake is op collectieve basis uit te voeren door informatie in aanmerking te nemen die indicatief is voor significante toenamen van het kredietrisico dat bijvoorbeeld aan een groep of subgroep van financiële instrumenten verbonden is. Dat moet garanderen dat een entiteit de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen bij significante toenamen van het kredietrisico opneemt, ook al is er nog geen bewijs van dergelijke significante toenamen van het kredietrisico op het niveau van de individuele instrumenten voorhanden.

B5.5.2

In het algemeen worden tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen geacht te worden opgenomen voordat een financieel instrument achterstallig wordt. Het kredietrisico neemt gewoonlijk significant toe voordat een financieel instrument achterstallig wordt of voordat andere factoren worden waargenomen die specifiek zijn voor leningnemers die in moeilijkheden verkeren (bijvoorbeeld een herziening of herstructurering). Wanneer er bijgevolg redelijke en gefundeerde informatie beschikbaar is die geen ongerechtvaardigde kosten of inspanningen vereist en die meer op de toekomst is gericht dan achterstalligheidsinformatie, dan moet deze informatie worden gebruikt om veranderingen in het kredietrisico te beoordelen.

B5.5.3

Wegens de aard van de financiële instrumenten en van de voor specifieke groepen van financiële instrumenten beschikbare informatie over het kredietrisico kan een entiteit mogelijk echter niet in staat blijken significante veranderingen in het aan individuele financiële instrumenten verbonden kredietrisico te onderkennen voordat het financiële instrument achterstallig wordt. Dat kan het geval zijn voor financiële instrumenten zoals leningen aan particulieren, waarover er weinig of geen stelselmatig ingewonnen en gemonitorde geactualiseerde informatie over het aan een individueel instrument verbonden kredietrisico voorhanden is totdat een klant contractbreuk pleegt. Indien veranderingen in het aan individuele financiële instrumenten verbonden kredietrisico niet worden opgemerkt voordat deze instrumenten achterstallig worden, dan zou een louter op kredietinformatie op het niveau van het financiële instrument gebaseerde voorziening voor verliezen geen getrouw beeld geven van de veranderingen in het kredietrisico sinds de eerste opname.

B5.5.4

In sommige omstandigheden beschikt een entiteit niet over redelijke, gefundeerde en zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen beschikbare informatie om tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen op het niveau van een individueel instrument te waarderen. In dat geval moeten de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen op collectieve basis worden opgenomen, waarbij met uitvoerige informatie over het kredietrisico rekening wordt gehouden. Deze uitvoerige informatie over het kredietrisico moet niet alleen achterstalligheidsinformatie, maar ook alle relevante kredietinformatie, met inbegrip van toekomstgerichte macro-economische informatie, bevatten om het resultaat van de opname van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen te benaderen wanneer er zich op het niveau van een individueel instrument een significante toename van het kredietrisico heeft voorgedaan sinds de eerste opname.

B5.5.5

Met het oog op de bepaling van significante toenamen van het kredietrisico en de opname van een voorziening voor verliezen op collectieve basis kan een entiteit financiële instrumenten groeperen op basis van gemeenschappelijke kredietrisicokenmerken, teneinde de uitvoering mogelijk te maken van een analyse die bedoeld is om significante toenamen van het kredietrisico tijdig te signaleren. De entiteit mag deze informatie niet versluieren door financiële instrumenten met verschillende risicokenmerken te groeperen. Voorbeelden van gemeenschappelijke kredietrisicokenmerken zijn onder meer:

a)

het type instrument;

b)

kredietrisicoratings;

c)

het type zekerheden;

d)

de datum van eerste opname

e)

de resterende looptijd tot de vervaldag;

f)

de sector;

g)

de geografische locatie van de leningnemer; en

h)

de waarde van de zekerheden die op het financiële actief betrekking hebben, indien zulks gevolgen heeft voor de kans dat er een wanbetaling plaatsvindt (bijvoorbeeld niet-verhaalbare leningen in sommige rechtsgebieden of loan-to-value ratio's).

B5.5.6

Overeenkomstig alinea 5.5.4 moet worden overgegaan tot de opname van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen op alle financiële instrumenten waarvoor het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen. Daartoe moet een entiteit, indien zij niet in staat is financiële instrumenten waarvoor het kredietrisico sinds de eerste opname geacht wordt significant te zijn toegenomen, op basis van gemeenschappelijke kredietrisicokenmerken te groeperen, overgaan tot de opname van de tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen op het deel van de financiële activa waarvoor wordt aangenomen dat het kredietrisico significant is toegenomen. De aggregatie van financiële instrumenten om te beoordelen of er van veranderingen in het kredietrisico op collectieve basis sprake is, kan in de loop van de tijd veranderen naarmate er nieuwe informatie over groepen van, dan wel individuele, financiële instrumenten beschikbaar komt.

Tijdstip van opname van tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen

B5.5.7

De beoordeling of tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen moeten worden opgenomen, is gebaseerd op significante toenamen sinds de eerste opname van de kans of het risico dat er zich een wanbetaling voordoet (ongeacht of een financieel instrument is herprijsd om een toename van het kredietrisico weer te geven), in plaats van op aanwijzingen dat een financieel actief op de verslagdatum door een verminderde kredietwaardigheid wordt gekenmerkt of dat er zich daadwerkelijk een wanbetaling zal voordoen. Er zal immers doorgaans van een significante toename van het kredietrisico sprake zijn voordat een financieel actief door een verminderde kredietwaardigheid wordt gekenmerkt of voordat er daadwerkelijk een wanbetaling plaatsvindt.

B5.5.8

Bij leningtoezeggingen houdt een entiteit rekening met veranderingen in het risico dat een wanbetaling plaatsvindt ten aanzien van een lening waarop een leningtoezegging betrekking heeft. Bij financiëlegarantiecontracten houdt een entiteit rekening met de veranderingen in het risico dat de betrokken debiteur in gebreke blijft met betrekking tot het contract.

B5.5.9

De significantie van een verandering in het kredietrisico sinds de eerste opname hangt af van het bij eerste opname bestaande risico dat er zich een wanbetaling voordoet. In absolute termen zal een bepaalde verandering in het risico dat er zich een wanbetaling voordoet, derhalve significanter zijn voor een financieel instrument met een lager initieel risico dat er zich een wanbetaling voordoet, dan voor een financieel instrument met een hoger initieel risico dat er zich een wanbetaling voordoet.

B5.5.10

Het risico dat er met betrekking tot financiële instrumenten met een vergelijkbaar kredietrisico een wanbetaling plaatsvindt, is groter naarmate de verwachte looptijd van het instrument langer is. Zo is het risico dat er met betrekking tot een obligatie met een AAA-rating en met een verwachte looptijd van 10 jaar een wanbetaling plaatsvindt, groter dan het risico dat er met betrekking tot een obligatie met een AAA-rating en met een verwachte looptijd van 5 jaar een wanbetaling plaatsvindt.

B5.5.11

Wegens de relatie tussen de verwachte looptijd en het risico dat er zich een wanbetaling voordoet, kan de verandering in het kredietrisico niet eenvoudigweg worden beoordeeld door de verandering in het absolute risico dat er zich een wanbetaling voordoet, in de tijd te vergelijken. Indien het bij eerste opname bestaande risico dat er met betrekking tot een financieel instrument met een verwachte looptijd van 10 jaar een wanbetaling plaatsvindt, bijvoorbeeld even groot is als het risico dat er met betrekking tot dat financiële instrument een wanbetaling plaatsvindt wanneer de verwachte looptijd ervan in een latere periode slechts vijf jaar is, kan dat op een toename van het kredietrisico wijzen. Dat komt omdat het risico dat er zich tijdens de verwachte looptijd een wanbetaling voordoet, gewoonlijk afneemt in de tijd indien het kredietrisico ongewijzigd blijft en het einde van de looptijd van het financiële instrument dichterbij komt. Bij financiële instrumenten waarvoor er pas dichtbij het einde van de looptijd van het financiële instrument van aanzienlijke betalingsverplichtingen sprake is, kan het gebeuren dat het risico dat er zich een wanbetaling voordoet, niet noodzakelijkerwijze afneemt in de tijd. In een dergelijk geval moet een entiteit ook rekening houden met andere kwalitatieve factoren waaruit kan blijken of het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen.

B5.5.12

Een entiteit kan diverse benaderingen volgen bij de beoordeling of het aan een financieel instrument verbonden kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen, of bij de waardering van te verwachten kredietverliezen. Een entiteit mag verschillende benaderingen volgen voor verschillende financiële instrumenten. Een benadering waarbij een expliciete kans op wanbetaling niet als zodanig als een input wordt gehanteerd, zoals een benadering op basis van kredietverliescijfers, kan in overeenstemming zijn met de vereisten van deze standaard, mits een entiteit in staat is de veranderingen in het risico dat er zich een wanbetaling voordoet, te onderscheiden van veranderingen in andere bepalende factoren van te verwachten kredietverliezen, zoals zekerheden, en bij de beoordeling tevens met het volgende rekening houdt:

a)

de sinds de eerste opname opgetreden verandering in het risico dat er zich een wanbetaling voordoet;

b)

de verwachte looptijd van het financiële instrument; en

c)

redelijke, gefundeerde en zonder ongerechtvaardigde kosten of inspanningen beschikbare informatie die op het kredietrisico van invloed kan zijn.

B5.5.13

In de gehanteerde methoden om uit te maken of het aan een financieel instrument verbonden kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen, moet rekening worden gehouden met de kenmerken van het financiële instrument (of groep van financiële instrumenten) en met de wanbetalingspatronen die in het verleden voor vergelijkbare financiële instrumenten zijn waargenomen. In weerwil van het vereiste in alinea 5.5.9 kunnen veranderingen in het risico dat er zich de volgende twaalf maanden een wanbetaling voordoet, bij financiële instrumenten waarvoor de wanbetalingspatronen niet op een specifiek tijdstip tijdens de verwachte looptijd van het financiële instrument geconcentreerd zijn, een redelijke benadering vormen van de veranderingen in het risico dat er zich tijdens de looptijd een wanbetaling voordoet. In dergelijke gevallen mag een entiteit van veranderingen in het risico dat er zich de volgende twaalf maanden een wanbetaling voordoet, gebruikmaken om uit te maken of het kredietrisico sinds de eerste opname significant is toegenomen, tenzij uit omstandigheden blijkt dat een beoordeling over de looptijd noodzakelijk is.

B5.5.14

Bij sommige financiële instrumenten of in sommige omstandigheden kan het echter niet passend zijn om van veranderingen in het risico dat er zich de volgende twaalf maanden een wanbetaling voordoet, gebruik te maken om uit te maken of tijdens de looptijd te verwachten kredietverliezen moeten worden opgenomen. De verandering in het risico dat er zich de volgende twaalf maanden een wanbetaling voordoet, kan bijvoorbeeld geen geschikt uitgangspunt vormen om te bepalen of het aan een financieel instrument met een looptijd van meer dan twaalf maanden verbonden kredietrisico is toegenomen wanneer:

a)

er voor het financiële instrument pas na de volgende twaalf maanden van aanzienlijke betalingsverplichtingen sprake is;

b)

er zich veranderingen in relevante macro-economische of andere kredietgerelateerde factoren voordoen die niet voldoende worden weergegeven in het risico dat er zich de volgende twaalf maanden een wanbetaling voordoet; of

c)

veranderingen in kredietgerelateerde factoren pas na meer dan twaalf maanden gevolgen (of meer uitgesproken gevolgen) hebben voor het aan het financiële instrument verbonden kredietrisico.