EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R0799

Uitvoeringsverordening (EU) 2016/799 van de Commissie van 18 maart 2016 tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie van tachografen en tachograafonderdelen (Voor de EER relevante tekst)

C/2016/1597

OJ L 139, 26.5.2016, p. 1–506 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 26/02/2020

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2016/799/oj

26.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 139/1


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2016/799 VAN DE COMMISSIE

van 18 maart 2016

tot uitvoering van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad tot vaststelling van de eisen voor de constructie, het testen, de installatie, de exploitatie en de reparatie van tachografen en tachograafonderdelen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 4 februari 2014 betreffende tachografen in het wegvervoer (1), en met name artikel 11 en artikel 12, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Bij Verordening (EU) nr. 165/2014 is een tweede generatie digitale tachografen ingevoerd, de zogenaamde slimme tachografen, die beschikken over een verbinding met het mondiaal satellietnavigatiesysteem (GNSS), een communicatiesysteem voor vroegtijdige detectie op afstand en een interface met intelligente vervoerssystemen (ITS). Er moeten specificaties worden vastgesteld voor de technische eisen voor de constructie van slimme tachografen.

(2)

De op grond van artikel 9, lid 4, van Verordening (EU) nr. 165/2014 ingevoerde vroegtijdige detectie op afstand moet de gegevens van de digitale tachograaf en de informatie over de gewichten en het gewicht per as van de volledige voertuigcombinatie (trekker en aanhanger of oplegger) overeenkomstig Richtlijn 96/53/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) doorsturen naar de ambtenaar die wegcontroles uitvoert. Dit moet de controle-instanties in staat stellen voertuigen effectief en snel te controleren, terwijl er minder elektronische apparaten in de stuurcabine vereist zijn.

(3)

Overeenkomstig Richtlijn 96/53/EG moet het systeem voor vroegtijdige detectie op afstand gebruikmaken van de CEN DSRC-normen (3), als bedoeld in die richtlijn in de frequentieband 5 795-5 805 MHz. Aangezien die frequentieband ook voor elektronische tolheffing wordt gebruikt en teneinde interferenties tussen tolheffings- en controletoepassingen te vermijden, mogen controleambtenaren het systeem voor vroegtijdige detectie op afstand niet op een tolplein gebruiken.

(4)

De invoering van de slimme tachograaf moet gepaard gaan met de invoering van nieuwe veiligheidsmechanismen om het beveiligingsniveau van de digitale tachograaf op peil te houden en bestaande beveiligingslacunes weg te werken. Een van die lacunes is het ontbreken van een vervaldatum voor digitale certificaten. Om te voldoen aan de beste praktijken op het gebied van beveiliging moet het gebruik van digitale certificaten zonder vervaldatum worden vermeden. Een voertuigunit moet normaal gezien 15 jaar kunnen worden gebruikt, met ingang van de afgiftedatum van de digitale certificaten voor de unit. Na afloop van de geldigheidstermijn moeten voertuigunits worden vervangen.

(5)

Het aanbieden van beveiligde en betrouwbare plaatsbepalingsinformatie is essentieel voor het doelmatig gebruik van slimme tachografen. Derhalve moet worden gewaarborgd dat de tachografen compatibel zijn met de via het Galileo-programma op grond van Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad (4) aangeboden diensten met toegevoegde waarde om de beveiliging van de slimme tachograaf te verbeteren.

(6)

Overeenkomstig artikel 8, lid 1, artikel 9, lid 1, en artikel 10, leden 1 en 2, van Verordening (EU) nr. 165/2014 moeten de bij die verordening ingevoerde beveiligingsmechanismen 36 maanden na de inwerkingtreding van de vereiste uitvoeringsbesluiten in werking treden teneinde de fabrikanten de tijd te geven om de nieuwe generatie slimme tachografen te ontwikkelen en hun typegoedkeuringscertificaten aan te vragen bij de bevoegde instanties.

(7)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 165/2014 moeten voertuigen die ten minste 36 maanden na de inwerkingtreding van die verordening voor het eerst in een lidstaat worden ingeschreven, uitgerust zijn met een slimme tachograaf die aan de eisen van deze verordening van de Commissie voldoet. In ieder geval moeten alle voertuigen die in een andere lidstaat dan de lidstaat van inschrijving worden ingezet, 15 jaar na de inwerkingtreding van die eisen met een conforme slimme tachograaf zijn uitgerust.

(8)

Op grond van Verordening (EG) nr. 68/2009 (5) mocht gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2013 een adapter worden gebruikt om een tachograaf te kunnen gebruiken in voertuigen van de categorieën M1 en N1. Gezien de technische problemen bij het zoeken naar een alternatief voor het gebruik van de adapter, zijn de deskundigen van de voertuig- en tachograaffabrikanten, samen met de Commissie, tot de conclusie gekomen dat een alternatieve oplossing voor de adapter voor de sector zou leiden tot hoge kosten die niet in verhouding staan tot de omvang van de markt. Derhalve moet het gebruik van de adapter in voertuigen van de types M1 en N1 voor onbeperkte duur worden toegestaan.

(9)

De maatregelen van deze verordening zijn in overeenstemming met het advies van het in artikel 42, lid 3, van Verordening (EU) nr. 165/2014 bedoelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

1.   Bij deze verordening worden de regels vastgesteld die noodzakelijk zijn voor de uniforme toepassing van de volgende aspecten betreffende tachografen:

a)

registratie van de positie van het voertuig op bepaalde momenten tijdens de dagelijkse werktijd van de bestuurder;

b)

vroegtijdige detectie op afstand van eventueel manipulatie of misbruik van slimme tachografen;

c)

interface met intelligente vervoerssystemen;

d)

de administratieve en technische eisen voor de typegoedkeuringsprocedure voor tachografen, met inbegrip van de beveiligingsmechanismen.

2.   Bij de constructie, het testen, de installatie, de inspectie, het gebruik en de reparatie van slimme tachografen en hun onderdelen moeten de in de bijlage vastgestelde technische eisen in acht worden genomen.

3.   Voor de constructie, het testen, de installatie, de inspectie, het gebruik en de reparatie van andere tachografen dan slimme tachografen blijven de eisen van bijlage 1 of bijlage 1B bij Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad (6) van toepassing.

4.   Overeenkomstig artikel 10 quinquies van Richtlijn 96/53/EG moet het systeem voor de vroegtijdige detectie op afstand de gewichtsgegevens die door de interne weegapparatuur van het voertuig worden gegenereerd, doorsturen met het oog op de vroegtijdige detectie van fraude.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EU) nr. 165/2014.

Bovendien wordt verstaan onder:

1)   „digitale tachograaf” of „tachograaf van de eerste generatie”: een andere digitale tachograaf dan een slimme tachograaf;

2)   „extern GNSS-systeem”: het systeem dat de GNSS-ontvanger bevat wanneer de voertuigunit uit meer dan één unit bestaat, alsmede de andere onderdelen die nodig zijn voor de bescherming van de naar de rest van de voertuigunit doorgestuurde plaatsbepalingsgegevens;

3)   „informatiebrochure”: de volledige papieren of elektronische brochure met alle informatie die door de fabrikant of zijn gemachtigde is meegedeeld aan de typegoedkeuringsinstantie met het oog op de typegoedkeuring van een tachograaf of tachograafonderdeel, met inbegrip van de certificaten als bedoeld in artikel 12, lid 3, van Verordening (EU) nr. 165/2014, de uitvoering van de in bijlage 1C bij deze verordening gedefinieerde testen, alsmede schema's, afbeeldingen en andere documenten;

4)   „informatiepakket”: de papieren of elektronische informatiebrochure, vergezeld van de andere tijdens de uitoefening van haar functies door de typegoedkeuringsinstantie aan de informatiebrochure toegevoegde documenten, waaronder het na afloop van de typegoedkeuringsprocedure afgegeven EG-typegoedkeuringscertificaat van de tachograaf of het tachograafonderdeel;

5)   „index bij het informatiepakket”: het document met een lijst van de genummerde inhoud van het informatiepakket en een overzicht van alle relevante delen van dat pakket. In het opzet van dit document wordt een onderscheid gemaakt tussen de verschillende stappen van de EG-typegoedkeuringsprocedure, met vermelding van de data waarop het pakket eventueel is herzien of bijgewerkt;

6)   „systeem voor vroegtijdige detectie op afstand”: de apparatuur van de voertuigunit die voor de uitvoering van wegcontroles wordt gebruikt;

7)   „slimme tachograaf” of „tachograaf van de tweede generatie”: een digitale tachograaf die voldoet aan de artikelen 8, 9 en 10 van Verordening (EU) nr. 165/2014 en aan bijlage 1C bij deze verordening;

8)   „tachograafonderdeel” of „onderdeel”: een van de volgende elementen: de voertuigunit, de bewegingssensor, de tachograafkaart, het registratieblad, het externe GNSS-systeem en het systeem voor vroegtijdige detectie op afstand;

9)   „typegoedkeuringsinstantie”: de instantie van een lidstaat die bevoegd is voor de typegoedkeuring van tachografen of tachograafonderdelen, de goedkeuringsprocedure, de afgifte en desgevallend intrekking van typegoedkeuringscertificaten, die optreedt als aanspreekpunt voor de typegoedkeuringsinstanties van andere lidstaten en die erop toeziet dat fabrikanten hun verplichtingen op grond van deze verordening nakomen.

Artikel 3

Locatiegebaseerde diensten

1.   De fabrikanten zorgen ervoor dat slimme tachografen compatibel zijn met de plaatsbepalingsdiensten die worden aangeboden door Galileo en de European Geostationary Navigation Overlay Service (Egnos).

2.   Boven op de in de eerste alinea genoemde diensten mogen fabrikanten ook de compatibiliteit met andere satellietnavigatiesystemen waarborgen.

Artikel 4

Procedure voor de typegoedkeuring van tachografen en tachograafonderdelen

1.   Een fabrikant of zijn gemachtigde dient een aanvraag voor de typegoedkeuring van een tachograaf, tachograafonderdeel of groep onderdelen in bij de door elke lidstaat aangewezen typegoedkeuringsinstanties. Deze aanvraag omvat een informatiebrochure met informatie over alle onderdelen, waaronder desgevallend de typegoedkeuringscertificaten van andere onderdelen die deel uitmaken van de volledige tachograaf, alsmede alle andere relevante documenten.

2.   Een lidstaat verleent een typegoedkeuring voor een tachograaf, tachograafonderdeel of groep onderdelen die, naargelang het geval, voldoet aan de administratieve en technische eisen als bedoeld in artikel 1, lid 2 of 3. In dat geval verleent de typegoedkeuringsinstantie de aanvrager een typegoedkeuringscertificaat dat overeenstemt met het model in bijlage II bij deze verordening.

3.   De typegoedkeuringsinstantie kan de fabrikant of zijn gemachtigde om aanvullende informatie verzoeken.

4.   De fabrikant of zijn gemachtigde stelt voldoende tachografen of tachograafonderdelen ter beschikking van de typegoedkeuringsinstanties en de met de afgifte van de in artikel 12, lid 3, van Verordening (EU) nr. 165/2014 bedoelde certificaten belaste instanties om de typegoedkeuringsprocedure correct te kunnen uitvoeren.

5.   Een fabrikant of zijn gemachtigde die een typegoedkeuring van bepaalde tachograafonderdelen of groepen onderdelen aanvraagt, zorgt ervoor dat de typegoedkeuringsinstanties kunnen beschikken over de andere reeds goedgekeurde tachograafonderdelen, alsmede over alle andere onderdelen die nodig zijn om een volledige tachograaf samen te stellen, zodat de instanties de nodige tests kunnen uitvoeren.

Artikel 5

Wijzigingen van typegoedkeuringen

1.   De fabrikant of zijn gemachtigde stelt de typegoedkeuringsinstantie die de oorspronkelijke typegoedkeuring heeft verleend, onverwijld in kennis van alle wijzigingen aan de software of hardware van de tachograaf of de aard van de in het informatiepakket vermelde materialen waaruit de tachograaf is vervaardigd, en dient een verzoek tot wijziging van de typegoedkeuring in.

2.   De typegoedkeuringsinstanties kunnen een bestaande typegoedkeuring herzien of verlengen, dan wel een nieuwe afgeven in het licht van de aard en kenmerken van de wijzigingen.

Een typegoedkeuring wordt „herzien” wanneer de typegoedkeuringsinstantie van oordeel is dat de wijzigingen aan de software of hardware van de tachograaf of aan de aard van de materialen waaruit deze is vervaardigd, minimaal zijn. In dergelijke gevallen stelt de typegoedkeuringsinstantie herziene documenten van het informatiepakket op met vermelding van de aard van de wijzigingen en van de datum waarop ze zijn goedgekeurd. Om aan deze eis te voldoen, volstaat een geconsolideerde bijgewerkte versie van het informatiepakket met een nauwkeurige beschrijving van de aangebrachte wijzigingen.

Een typegoedkeuring wordt „verlengd” wanneer de typegoedkeuringsinstantie van oordeel is dat de wijzigingen aan de software of hardware van de tachograaf of aan de aard van de materialen waaruit deze is vervaardigd, significant zijn. In dergelijke gevallen kan zij eisen dat nieuwe testen worden uitgevoerd en stelt zij de fabrikant of zijn gemachtigde daarvan in kennis. Indien deze testen naar wens verlopen, geeft de typegoedkeuringsinstantie een herzien typegoedkeuringscertificaat af, met een nummer dat naar de toegestane verlenging verwijst. De typegoedkeuringsinstantie vermeldt de reden voor de verlenging en de datum van afgifte.

3.   In de index van het informatiepakket wordt de datum van de jongste verlenging of herziening van de typegoedkeuring vermeld, dan wel de datum van de jongste geconsolideerde of bijgewerkte versie van de typegoedkeuring.

4.   Een nieuwe typegoedkeuring is noodzakelijk wanneer op basis van de gevraagde aanpassingen van de goedgekeurde tachograaf of tachograafonderdelen een nieuw beveiligings- of interoperabiliteitscertificaat moet worden afgegeven.

Artikel 6

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 2 maart 2016.

De bijlagen zijn evenwel van toepassing met ingang van 2 maart 2019, met uitzondering van aanhangsel 16, dat met ingang van 2 maart 2016 van toepassing is.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 18 maart 2016.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 60 van 28.2.2014, blz. 1.

(2)  Richtlijn 96/53/EG van de Raad van 25 juli 1996 houdende vaststelling, voor bepaalde aan het verkeer binnen de Gemeenschap deelnemende wegvoertuigen, van de in het nationale en het internationale verkeer maximaal toegestane afmetingen, en van de in het internationale verkeer maximaal toegestane gewichten (PB L 235 van 17.9.1996, blz. 59).

(3)  Specifieke normen voor korteafstandscommunicatie van het Europees Comité voor normalisatie (CEN) EN 12253, EN 12795, EN 12834, EN 13372 en ISO 14906.

(4)  Verordening (EU) nr. 1285/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende de uitvoering en exploitatie van de Europese satellietnavigatiesystemen en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 876/2002 van de Raad en Verordening (EG) nr. 683/2008 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 68/2009 van de Commissie van 23 januari 2009 betreffende de negende aanpassing aan de vooruitgang van de techniek van Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 21 van 24.1.2009, blz. 3).

(6)  Verordening (EEG) nr. 3821/85 van de Raad van 20 december 1985 betreffende het controleapparaat in het wegvervoer (PB L 370 van 31.12.1985, blz. 8).


BIJLAGE I C

Constructie-, test-, installatie- en controlevoorschriften

INLEIDING 12

1

DEFINITIES 13

2

ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CONTROLEAPPARAAT 19

2.1

Algemene kenmerken 19

2.2

Functies 20

2.3

Werkingsmodi 21

2.4

Beveiliging 22

3

CONSTRUCTIE EN FUNCTIONELE EISEN VOOR CONTROLEAPPARATEN 22

3.1

Controle op het inbrengen en uitnemen van kaarten 22

3.2

Meting van snelheid, positie en afstand 23

3.2.1

Meting van de afgelegde afstand 23

3.2.2

Meting van de snelheid 23

3.2.3

Bepalen van de positie 24

3.3

Tijdmeting 24

3.4

Controle op activiteiten van bestuurders 24

3.5

Controle op de status van bestuurders 25

3.6

Invoer door bestuurders 25

3.6.1

Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode 25

3.6.2

Manuele invoer van bestuurdersactiviteiten en toestemming van de bestuurder voor de ITS-interface 25

3.6.3

Invoer van specifieke omstandigheden 27

3.7

Beheer van bedrijfsvergrendelingen 27

3.8

Bewaken van controleactiviteiten 28

3.9

Opsporing van voorvallen en/of fouten 28

3.9.1

„Inbrengen van een ongeldige kaart” 28

3.9.2

„Kaartconflict” 28

3.9.3

„Tijdsoverlapping” 28

3.9.4

„Rijden zonder geschikte kaart” 29

3.9.5

„Inbrengen van de kaart tijdens het rijden” 29

3.9.6

„Laatste kaartsessie niet correct afgesloten” 29

3.9.7

„Snelheidsoverschrijding” 29

3.9.8

„Onderbreking van de stroomvoorziening” 29

3.9.9

„Communicatiefout met het systeem voor communicatie op afstand” 29

3.9.10

„Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger” 29

3.9.11

„Fout in communicatie met de externe GNSS-module” 30

3.9.12

„Fout in de bewegingsgegevens” 30

3.9.13

„Tegenstrijdige bewegingsgegevens” 30

3.9.14

„Poging tot inbreuk op de beveiliging” 30

3.9.15

„Tijdsoverlapping” 30

3.9.16

„Kaartfout” 30

3.9.17

„Controleapparaatfout” 30

3.10

Ingebouwde tests en zelftests 31

3.11

Lezen van het geheugen 31

3.12

Registratie en opslag in het geheugen 31

3.12.1

Identificatiegegevens van de uitrusting 32

3.12.1.1

Identificatiegegevens van de voertuigunit 32

3.12.1.2

Identificatiegegevens van de bewegingssensor 32

3.12.1.3

Identificatiegegevens GNSS-systemen 33

3.12.2

Sleutels en certificaten 33

3.12.3

Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurders- of werkplaatskaart 33

3.12.4

Gegevens over activiteiten van de bestuurder 34

3.12.5

Plaatsen en posities waar de dagelijkse werktijd begint, eindigt en/of waar een ononderbroken rijtijd van 3 uur wordt bereikt 34

3.12.6

Gegevens over de kilometerstand 35

3.12.7

Gedetailleerde snelheidsgegevens 35

3.12.8

Gegevens over voorvallen 35

3.12.9

Gegevens over fouten 37

3.12.10

Kalibreringsgegevens 38

3.12.11

Tijdafstellingsgegevens 39

3.12.12

Gegevens over controleactiviteiten 39

3.12.13

Gegevens over bedrijfsvergrendelingen 39

3.12.14

Gegevens over overdrachtactiviteiten 39

3.12.15

Gegevens over specifieke omstandigheden 40

3.12.16

Gegevens tachograafkaart 40

3.13

Lezen van de tachograafkaart 40

3.14

Registratie en opslag op een tachograafkaart 40

3.14.1

Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de eerste generatie 40

3.14.2

Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de tweede generatie 41

3.15

Weergave 41

3.15.1

Standaarddisplay 42

3.15.2

Waarschuwingsdisplay 43

3.15.3

Toegang tot het menu 43

3.15.4

Overige displays 43

3.16

Afdrukken 43

3.17

Waarschuwingen 44

3.18

Downloaden van gegevens met externe media 45

3.19

Communicatie op afstand met het oog op gerichte wegcontroles 45

3.20

Doorsturen van gegevens naar aanvullende externe apparaten 46

3.21

Kalibrering 47

3.22

Kalibreringscontrole langs de weg 47

3.23

Tijdafstelling 48

3.24

Prestatiekenmerken 48

3.25

Materialen 48

3.26

Opschriften 49

4

FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN VOOR TACHOGRAAFKAARTEN 49

4.1

Zichtbare gegevens 49

4.2

Beveiliging 52

4.3

Normen 53

4.4

Milieu- en elektrotechnische specificaties 53

4.5

Opslag van gegevens 53

4.5.1

Hoofdbestanden voor identificatie en kaartbeheer 54

4.5.2

IC-kaartidentificatie 54

4.5.2.1

Chipidentificatie 54

4.5.2.2

DIR (alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede generatie) 54

4.5.2.3

ATR-informatie (voorwaardelijk, alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede generatie) 54

4.5.2.4

Uitgebreide informatie (voorwaardelijk, alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede generatie) 55

4.5.3

Bestuurderskaart 55

4.5.3.1

Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de eerste en tweede generatie) 55

4.5.3.1.1

Toepassingsidentificatie 55

4.5.3.1.2

Sleutels en certificaten 55

4.5.3.1.3

Identificatie van de kaart 55

4.5.3.1.4

Identificatie van de kaarthouder 55

4.5.3.1.5

Kaartgegevens downloaden 55

4.5.3.1.6

Informatie over het rijbewijs 55

4.5.3.1.7

Gegevens over voorvallen 56

4.5.3.1.8

Gegevens over fouten 56

4.5.3.1.9

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 57

4.5.3.1.10

Gegevens over de gebruikte voertuigen 57

4.5.3.1.11

Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen 58

4.5.3.1.12

Gegevens over kaartsessies 58

4.5.3.1.13

Gegevens over controleactiviteiten 58

4.5.3.1.14

Gegevens over specifieke omstandigheden 58

4.5.3.2

Toepassing tachograaf van de 2de generatie (niet toegankelijk voor voertuigunits van de eerste generatie) 59

4.5.3.2.1

Toepassingsidentificatie 59

4.5.3.2.2

Sleutels en certificaten 59

4.5.3.2.3

Identificatie van de kaart 59

4.5.3.2.4

Identificatie van de kaarthouder 59

4.5.3.2.5

Kaartgegevens downloaden 59

4.5.3.2.6

Informatie over het rijbewijs 59

4.5.3.2.7

Gegevens over voorvallen 59

4.5.3.2.8

Gegevens over fouten 60

4.5.3.2.9

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 61

4.5.3.2.10

Gegevens over de gebruikte voertuigen 61

4.5.3.2.11

Plaatsen en posities waar de dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen 62

4.5.3.2.12

Gegevens over kaartsessies 62

4.5.3.2.13

Gegevens over controleactiviteiten 62

4.5.3.2.14

Gegevens over specifieke omstandigheden 63

4.5.3.2.15

Gegevens over de gebruikte voertuigunits 63

4.5.3.2.16

Plaats en tijdstip ononderbroken rijtijd van drie uur 63

4.5.4

Werkplaatskaart 63

4.5.4.1

Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de eerste en tweede generatie) 63

4.5.4.1.1

Toepassingsidentificatie 63

4.5.4.1.2

Sleutels en certificaten 63

4.5.4.1.3

Identificatie van de kaart 64

4.5.4.1.4

Identificatie van de kaarthouder 64

4.5.4.1.5

Kaartgegevens downloaden 64

4.5.4.1.6

Gegevens over kalibrering en tijdafstelling 64

4.5.4.1.7

Gegevens over voorvallen en fouten 65

4.5.4.1.8

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 65

4.5.4.1.9

Gegevens over de gebruikte voertuigen 65

4.5.4.1.10

Gegevens over het begin en einde van dagelijkse werkperioden 65

4.5.4.1.11

Gegevens over kaartsessies 65

4.5.4.1.12

Gegevens over controleactiviteiten 65

4.5.4.1.13

Gegevens over specifieke omstandigheden 65

4.5.4.2

Toepassing tachograaf van de tweede generatie (niet toegankelijk voor voertuigunits van de eerste generatie) 65

4.5.4.2.1

Toepassingsidentificatie 65

4.5.4.2.2

Sleutels en certificaten 66

4.5.4.2.3

Identificatie van de kaart 66

4.5.4.2.4

Identificatie van de kaarthouder 66

4.5.4.2.5

Kaartgegevens downloaden 66

4.5.4.2.6

Gegevens over kalibrering en tijdafstelling 66

4.5.4.2.7

Gegevens over voorvallen en fouten 67

4.5.4.2.8

Gegevens over de activiteiten van de bestuurder 67

4.5.4.2.9

Gegevens over de gebruikte voertuigen 67

4.5.4.2.10

Gegevens over het begin en einde van dagelijkse werkperioden 67

4.5.4.2.11

Gegevens over kaartsessies 67

4.5.4.2.12

Gegevens over controleactiviteiten 67

4.5.4.2.13

Gegevens over de gebruikte voertuigunits 67

4.5.4.2.14

Plaats en tijdstip ononderbroken rijtijd van drie uur 68

4.5.4.2.15

Gegevens over specifieke omstandigheden 68

4.5.5

Controlekaart 68

4.5.5.1

Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de eerste en tweede generatie) 68

4.5.5.1.1

Toepassingsidentificatie 68

4.5.5.1.2

Sleutels en certificaten 68

4.5.5.1.3

Identificatie van de kaart 68

4.5.5.1.4

Identificatie van de kaarthouder 68

4.5.5.1.5

Gegevens over controleactiviteiten 69

4.5.5.2

Tachograaftoepassingen van de tweede generatie (niet toegankelijk voor voertuigunits van de eerste generatie) 69

4.5.5.2.1

Toepassingsidentificatie 69

4.5.5.2.2

Sleutels en certificaten 69

4.5.5.2.3

Identificatie van de kaart 69

4.5.5.2.4

Identificatie van de kaarthouder 69

4.5.5.2.5

Gegevens over controleactiviteiten 70

4.5.6

Bedrijfskaart 70

4.5.6.1

Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de eerste en tweede generatie) 70

4.5.6.1.1

Toepassingsidentificatie 70

4.5.6.1.2

Sleutels en certificaten 70

4.5.6.1.3

Identificatie van de kaart 70

4.5.6.1.4

Identificatie van de kaarthouder 70

4.5.6.1.5

Gegevens over bedrijfsactiviteiten 70

4.5.6.2

Tachograaftoepassingen van de tweede generatie (niet toegankelijk voor voertuigunits van de eerste generatie) 71

4.5.6.2.1

Toepassingsidentificatie 71

4.5.6.2.2

Sleutels en certificaten 71

4.5.6.2.3

Identificatie van de kaart 71

4.5.6.2.4

Identificatie van de kaarthouder 71

4.5.6.2.5

Gegevens over bedrijfsactiviteiten 71

5

INSTALLATIE VAN HET CONTROLEAPPARAAT 72

5.1

Installatie 72

5.2

Installatieplaatje 73

5.3

Verzegeling 74

6

CONTROLES, INSPECTIES EN HERSTELLINGEN 74

6.1

Erkenning van installateurs, werkplaatsen en voertuigfabrikanten 74

6.2

Controle van nieuwe of herstelde inrichtingen 75

6.3

Installatie-inspectie 75

6.4

Periodieke controles 75

6.5

Meting van afwijkingen 76

6.6

Reparaties 76

7

AFGIFTE VAN KAARTEN 76

8

TYPEGOEDKEURING VAN CONTROLEAPPARATEN EN TACHOGRAAFKAARTEN 77

8.1

Algemeen 77

8.2

Veiligheidscertificaat 78

8.3

Functiecertificaat 78

8.4

Interoperabiliteitscertificaat 78

8.5

Typegoedkeuringscertificaat 79

8.6

Bijzondere procedure: eerste interoperabiliteitscertificaten voor controleapparaten en tachograafkaarten van de 2de generatie 80

INLEIDING

Digitale tachografen van de eerste generatie worden sinds 1 mei 2006 gebruikt. Zij mogen tot einde levensduur worden gebruikt voor binnenlands vervoer. Voor internationaal vervoer daarentegen, moeten alle voertuigen uiterlijk 15 jaar na de vankrachtwording van deze verordening van de Commissie uitgerust zijn met een slimme tachograaf van de tweede generatie als beschreven in deze verordening.

In deze bijlagen worden de eisen beschreven voor controleapparaten en tachograafkaarten van de tweede generatie. Vanaf de introductiedatum wordt controleapparatuur van de tweede generatie geïnstalleerd in voertuigen die voor het eerst worden ingeschreven, en worden tachograafkaarten van de tweede generatie afgegeven.

Om een vlotte introductie van de tachograaf van de tweede generatie te waarborgen:

wordt er bij het ontwerp van de tachograafkaarten van de tweede generatie voor gezorgd dat ze ook in voertuigunits van de eerste generatie kunnen worden gebruikt;

zal het niet verplicht zijn geldige kaarten van de eerste generatie op de introductiedatum te vervangen.

Hierdoor kunnen bestuurders hun unieke kaart behouden en deze in beide systemen gebruiken.

Controleapparaten van de tweede generatie worden echter alleen gekalibreerd met behulp van werkplaatskaarten van de tweede generatie.

In deze bijlage zijn alle eisen opgenomen in verband met de interoperabiliteit tussen de tachografen van de eerste en tweede generatie.

In aanhangsel 15 is nauwkeurig beschreven hoe het naast elkaar bestaan van de twee systemen moet worden beheerd.

Lijst van aanhangsels

Aanhangsel 1:

DATA DICTIONARY

Aanhangsel 2:

SPECIFICATIE VAN TACHOGRAAFKAARTEN

Aanhangsel 3:

PICTOGRAMMEN

Aanhangsel 4:

AFDRUKKEN

Aanhangsel 5:

DISPLAY

Aanhangsel 6:

FRONTCONNECTOR VOOR KALIBRERING EN DOWNLOADEN

Aanhangsel 7:

PROTOCOL VOOR GEGEVENSOVERDRACHT

Aanhangsel 8:

KALIBRERINGSPROTOCOL

Aanhangsel 9:

TYPEGOEDKEURING EN LIJST VAN MINIMAAL VEREISTE TESTS

Aanhangsel 10:

BEVEILIGINGSVOORSCHRIFTEN

Aanhangsel 11:

ALGEMENE BEVEILIGINGSMECHANISMEN

Aanhangsel 12:

PLAATSBEPALING OP BASIS VAN WERELDWIJD SATELLIETNAVIGATIESYSTEEM (GNSS)

Aanhangsel 13:

ITS-INTERFACE

Aanhangsel 14:

FUNCTIE VOOR COMMUNICATIE OP AFSTAND

Aanhangsel 15:

MIGRATIE: DE COËXISTENTIE VAN VERSCHILLENDE GENERATIES APPARATUUR BEHEREN

Aanhangsel 16:

ADAPTER VOOR VOERTUIGEN VAN DE CATEGORIE M1 EN N1

1   DEFINITIES

In deze bijlage wordt verstaan onder:

a)

„activering”:

de fase waarin de tachograaf volledig operationeel wordt en alle functies, inclusief de veiligheidsfuncties, uitvoert, met gebruikmaking van een werkplaatskaart;

b)

„authenticatie”:

een functie om een opgegeven identiteit vast te stellen en te verifiëren;

c)

„authenticiteit”:

de eigenschap dat informatie afkomstig is van een persoon wiens identiteit kan worden geverifieerd;

d)

„ingebouwd testsysteem (BIT)”:

tests die op verzoek worden uitgevoerd en door de bestuurder of een externe inrichting worden gestart;

e)

„kalenderdag”:

een dag van 00.00 uur tot en met 24.00 uur. Alle kalenderdagen worden uitgedrukt in UTC-tijd (gecoördineerde universele tijd);

f)

„kalibrering” van een digitale tachograaf:

het bijwerken of bevestigen van voertuigparameters die in het geheugen opgeslagen zijn. Voertuigparameters zijn onder andere voertuigidentificatie (VIN (voertuigidentificatienummer), kentekennummer en de lidstaat van registratie) en voertuigkenmerken (w, k, l, bandenmaat, snelheidsbegrenzer (indien van toepassing), actuele UTC-tijd, actuele kilometerstand). Bij de kalibrering van een controleapparaat worden het type en de identificatiecodes van alle aanwezige verzegelingen die relevant zijn voor de typekeuring, opgeslagen in het geheugen.

Het bijwerken of bevestigen van alleen de UTC-tijd wordt beschouwd als een tijdafstelling en niet als een kalibrering, op voorwaarde dat er geen tegenspraak is met voorschrift 409.

Voor het kalibreren van een controleapparaat is een werkplaatskaart nodig;

g)

„kaartnummer”:

een nummer van 16 alfanumerieke tekens dat een tachograafkaart binnen een lidstaat op unieke wijze identificeert. Het kaartnummer omvat een opeenvolgende index van de kaart (indien van toepassing), een vervangingsindex van de kaart en een vernieuwingsindex van de kaart.

Een kaart wordt dus op unieke wijze door de code van de lidstaat van afgifte en het kaartnummer geïdentificeerd;

h)

„opeenvolgende index van de kaart”:

het 14e teken van een kaartnummer, dat wordt gebruikt om de verschillende kaarten te onderscheiden die zijn afgegeven aan een bedrijf, werkplaats of controle-instantie die meerdere tachograafkaarten mag bezitten. Het bedrijf, de werkplaats of de controle-instantie wordt op unieke wijze door de eerste 13 tekens van het kaartnummer geïdentificeerd;

i)

„vernieuwingsindex van de kaart”:

het 16e alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat bij elke vernieuwing van een tachograafkaart verhoogd wordt;

j)

„vervangingsindex van de kaart”:

het 15e alfanumerieke teken van een kaartnummer, dat bij elke vervanging van een tachograafkaart verhoogd wordt;

k)

„kenmerkende coëfficiënt van het voertuig”:

het getal dat de waarde aangeeft van het uitgangssignaal dat door het onderdeel van het voertuig (secundaire as van de versnellingsbak of as) dat in verbinding staat met het controleapparaat, wordt verstuurd wanneer het voertuig een afstand van één kilometer heeft afgelegd, gemeten onder normale testomstandigheden als gedefinieerd in voorschrift nr. 414. De kenmerkende coëfficiënt wordt uitgedrukt in impulsen per kilometer (w = … imp/km);

l)

„bedrijfskaart”:

een tachograafkaart die door de autoriteiten van een lidstaat is afgegeven aan een vervoersonderneming welke met tachografen uitgeruste voertuigen moet gebruiken, die de vervoersonderneming identificeert en waarmee de in de tachografen opgeslagen gegevens, die door de vervoersonderneming zijn versleuteld, kunnen worden weergegeven, gedownload en afgedrukt;

m)

„constante van het controleapparaat”:

het getal dat de waarde aangeeft van het ingangssignaal dat nodig is ter aanwijzing en registratie van een afgelegde afstand van één kilometer; deze constante moet in impulsen per kilometer (k = … imp/km) worden uitgedrukt;

n)

de „rijtijd” wordt in het controleapparaat berekend als (1):

de op dat moment cumulatieve rijtijd van een individuele bestuurder afzonderlijk sinds het verstrijken van zijn laatste BESCHIKBAARHEID, RUSTPAUZE of ONBEKENDE (2) periode van 45 minuten of meer (deze periode kan worden opgedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 561/2006 van het Europees Parlement en de Raad (3)). De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenrecords voor de lopende periode waarin geen kaart ingebracht was, en met betrekking tot de relevante lezer;

o)

„controlekaart”:

een door de autoriteiten van een lidstaat aan een nationale bevoegde controle-instantie afgegeven tachograafkaart die de controle-instanties en, eventueel, de controleambtenaar identificeert en die toegang verschaft tot de in het geheugen, op de bestuurderskaart en, eventueel, op de werkplaatskaart opgeslagen gegevens om deze te lezen, af te drukken en/of te downloaden.

Deze kaart dient ook toegang te verschaffen tot de functie voor kalibreringscontroles langs de weg en de gegevens op het leestoestel voor berichten voor vroegtijdige detectie op afstand;

p)

„cumulatieve rusttijd” wordt in het controleapparaat berekend als (1):

de cumulatieve onderbreking van de rijtijd wordt berekend als de op dat moment verzamelde BESCHIKBAARHEIDS-, RUSTPAUZE- of ONBEKENDE (2) perioden van 15 minuten of meer van elke bestuurder afzonderlijk sinds zijn laatste BESCHIKBAARHEIDS-, RUSTPAUZE- of ONBEKENDE (2) periode van 45 minuten of meer (deze periode kan worden opgedeeld overeenkomstig Verordening (EG) nr. 561/2006).

De betreffende berekeningen houden, indien nodig, rekening met eerdere op de bestuurderskaart opgeslagen activiteiten. Bij de berekening wordt geen rekening gehouden met onbekende periodes van negatieve duur (begin van een onbekende periode > einde van een onbekende periode) ten gevolge van tijdsoverlapping tussen twee verschillende controleapparaten.

Wanneer de bestuurder zijn kaart niet heeft ingebracht, zijn de betreffende berekeningen gebaseerd op de geheugenrecords voor de lopende periode waarin geen kaart was ingebracht, en voor de relevante lezer;

q)

„geheugen”:

een elektronisch geheugenmedium dat is ingebouwd in het controleapparaat;

r)

„digitale handtekening”:

gegevens toegevoegd aan, of een cryptografische transformatie van, een gegevensblok waarmee de ontvanger van die gegevens de authenticiteit en integriteit van de gegevens kan verifiëren;

s)

„downloaden”:

het kopiëren, samen met een digitale handtekening, van (een gedeelte van) de gegevensbestanden die in het geheugen van de voertuigunit of in het geheugen van de tachograafkaart zijn geregistreerd, op voorwaarde dat dit proces geen opgeslagen gegevens wijzigt of vernietigt.

Fabrikanten van slimme tachografen voor voertuigen en fabrikanten van apparatuur die is ontworpen en bedoeld om gegevens te downloaden, moeten alle maatregelen nemen die redelijkerwijs haalbaar zijn om ervoor te zorgen dat die gegevens met minimale vertraging door vervoersondernemingen of bestuurders kunnen worden gedownload.

Het downloaden van gedetailleerde snelheidsgegevens is niet per definitie nodig om te voldoen aan Verordening (EG) nr. 561/2006, maar kan worden gebruikt voor andere doeleinden, zoals het onderzoeken van ongevallen;

t)

„bestuurderskaart”:

een door de autoriteiten van een lidstaat aan elke bestuurder afzonderlijk afgegeven tachograafkaart die de bestuurder identificeert en de activiteiten van de bestuurder registreert;

u)

„effectieve omtrek van de wielen”:

gemiddelde afstand, afgelegd door elk van de wielen die het voertuig aandrijven, (aandrijfwielen) bij een volledige omwenteling. Het meten van deze afstanden moet gebeuren onder normale testomstandigheden als gedefinieerd in voorschrift nr. 414 en wordt als volgt uitgedrukt: „l = … mm”. Voertuigfabrikanten kunnen het meten van deze afstanden vervangen door een theoretische berekening waarbij wordt uitgegaan van de verdeling van het gewicht over de assen van een ongeladen voertuig in normale rijklare toestand (4). De methode voor die theoretische berekening moet worden goedgekeurd door de bevoegde instantie van de lidstaat en dat moet gebeuren voor de tachograaf in werking wordt gesteld;

v)

„voorval”:

een door de slimme tachograaf gedetecteerd abnormaal functioneren dat mogelijk het gevolg is van een poging tot fraude;

w)

„externe GNSS-module”:

wanneer een voertuigunit uit verschillende onderdelen bestaat, de voorziening met de GNSS-ontvanger en de andere onderdelen die nodig zijn om de overdracht van positiegegevens naar de rest van de voertuigunit te beveiligen;

x)

„fout”:

een door de slimme tachograaf ontdekt abnormaal functioneren dat mogelijk het gevolg is van een slechte werking van of storing in het apparaat;

y)

„GNSS-ontvanger”:

een elektronisch apparaat dat signalen van een of meer mondiale satellietnavigatiesystemen (in het Engels: GNSS) ontvangt en digitaal verwerkt om de positie-, snelheids- en tijdsinformatie te verstrekken;

z)

„installatie”:

de installatie van de tachograaf in een voertuig;

aa)

„interoperabiliteit”:

het vermogen van systemen en van de daaraan ten grondslag liggende bedrijfsprocessen om onderling gegevens uit te wisselen en informatie te delen;

bb)

„interface”:

een voorziening tussen systemen die de communicatiemiddelen verschaft waardoor deze systemen aan elkaar kunnen worden gekoppeld en onderling kunnen communiceren;

cc)

„positie”:

geografische coördinaten van een voertuig op een bepaald tijdstip;

dd)

„bewegingssensor”:

deel van de tachograaf dat een signaal geeft betreffende de snelheid van het voertuig en/of de afgelegde afstand;

ee)

„ongeldige kaart”:

een kaart die ongeldig is of waarvan de eerste authenticatie mislukt is, of waarvan de geldigheidstermijn nog niet begonnen is of reeds verstreken is;

ff)

„open norm”:

een norm vastgelegd in een normspecificatiedocument, gratis of tegen geringe kosten verkrijgbaar, die gratis of voor een gering bedrag gekopieerd, verspreid en gebruikt mag worden;

gg)

„niet verplicht”:

gevallen waarin het gebruik van het controleapparaat volgens de bepalingen van Verordening (EG) nr. 561/2006 niet vereist is;

hh)

„snelheidsoverschrijding”:

overschrijding van de toegestane maximumsnelheid van het voertuig, omschreven als een periode van meer dan 60 seconden waarin de gemeten snelheid van het voertuig hoger ligt dan de maximumsnelheid waarop de snelheidsbegrenzer is afgesteld, zoals vastgelegd in Richtlijn 92/6/EEG van de Raad (5), als laatstelijk gewijzigd;

ii)

„periodieke controle”:

een reeks verrichtingen die wordt uitgevoerd om te controleren of de tachograaf goed werkt en of de instellingen overeenkomen met de voertuigparameters en of er geen manipulatieapparatuur aan de tachograaf is bevestigd;

jj)

„printer”:

deel van het controleapparaat dat opgeslagen gegevens afdrukt;

kk)

„vroegtijdige detectie op afstand”:

tijdens gerichte wegcontroles de communicatie tussen het systeem voor vroegtijdige detectie op afstand en het leestoestel voor berichten voor vroegtijdige detectie op afstand om op afstand mogelijke gevallen van manipulatie van of fraude met controleapparaten te kunnen detecteren;

ll)

„systeem voor communicatie op afstand”:

de uitrusting van de voertuigunit die wordt gebruikt voor de uitvoering van gerichte wegcontroles;

mm)

„leestoestel voor berichten voor de vroegtijdige detectie op afstand”:

het systeem dat door controleambtenaren voor gerichte wegcontroles wordt gebruikt;

nn)

„vernieuwing”:

afgifte van een nieuwe tachograafkaart wanneer een bestaande kaart verlopen of defect is en teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte. Vernieuwing geeft altijd de zekerheid dat er geen twee geldige kaarten tegelijk in omloop zijn;

oo)

„reparatie”:

reparatie van een bewegingssensor, een voertuigunit of een kabel waarvoor de stroomvoorziening moet worden losgekoppeld, de tachograaf moet worden losgekoppeld van andere onderdelen of de bewegingssensor of voertuigunit moet worden geopend;

pp)

„vervanging van de kaart”:

afgifte van een tachograafkaart ter vervanging van een bestaande kaart, die als verloren, gestolen of defect gemeld is en die niet teruggestuurd is naar de autoriteit van afgifte. Bij vervanging bestaat altijd het risico dat er twee geldige kaarten in omloop zijn;

qq)

„veiligheidscertificering”:

proces ter certificering, door een gemeenschappelijke certificeringsinstantie, dat het onderzochte controleapparaat (of een onderdeel daarvan) of de tachograafkaart voldoet aan de in de toepasselijke beveiligingsprofielen gedefinieerde veiligheidseisen;

rr)

„zelftest”:

tests die het controleapparaat periodiek en automatisch uitvoert om fouten te ontdekken;

ss)

„tijdmeting”:

een permanente digitale registratie van de gecoördineerde universele datum en tijdstip (UTC);

tt)

„tijdafstelling”:

een automatische afstelling van de lopende tijd met geregelde tussenpozen en binnen een maximale tolerantie van één minuut of een afstelling tijdens een kalibrering;

uu)

„bandenmaat”:

de omschrijving van de afmetingen van de banden (externe aandrijfwielen) overeenkomstig Richtlijn 92/23/EEG van de Raad (6), als laatstelijk gewijzigd;

vv)

„voertuigidentificatie”:

nummers die het voertuig identificeren: het kentekennummer van het voertuig met een indicatie van de lidstaat van registratie en het voertuigidentificatienummer (VIN) (7);

ww)

voor de berekening in het controleapparaat betekent „week”:

het tijdvak tussen maandag 00.00 uur UTC-tijd en zondag 24.00 uur UTC-tijd;

xx)

„werkplaatskaart”:

een tachograafkaart, afgegeven door de autoriteiten van een lidstaat aan door die lidstaat erkende aangewezen personeelsleden van een fabrikant van tachografen, installateur, voertuigfabrikant of werkplaats, die de kaarthouder identificeert en waarmee tachografen kunnen worden getest, gekalibreerd en geactiveerd en/of waarmee gegevens kunnen worden gedownload;

yy)

„adapter”:

een apparaat dat een signaal afgeeft dat permanent representatief is voor de snelheid van het voertuig en/of de afgelegde afstand, dat verschilt van het signaal dat voor de onafhankelijke bewegingsdetectie wordt gebruikt en dat:

alleen in voertuigen van het type M1 en N1 wordt geïnstalleerd en gebruikt (als gedefinieerd in bijlage II bij Richtlijn 2007/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (8), als laatstelijk gewijzigd) en dat na 1 mei 2006 in bedrijf is gesteld;

geïnstalleerd is wanneer het mechanisch niet mogelijk is een ander bestaand type bewegingssensor te installeren dat verenigbaar is met de bepalingen van deze bijlage en de aanhangsels 1 tot en met 15 daarvan;

geïnstalleerd is tussen de voertuigunit en de plaats waar de snelheids-/afstandsimpulsen worden voortgebracht door geïntegreerde sensoren of alternatieve interfaces;

gezien vanuit het standpunt van een voertuigunit, hetzelfde gedrag vertoont als dat van een bewegingssensor die voldoet aan de voorschriften van deze bijlagen en van aanhangsels 1 t.e.m. 16 en die wordt aangesloten op de voertuigunit.

Door in de bovenvermelde voertuigen een dergelijke adapter te gebruiken, kan een voertuigunit worden gebruikt en geïnstalleerd die aan alle voorschriften van deze bijlage voldoet.

Voor die voertuigen bestaat de slimme tachograaf uit kabels, een adapter en een voertuigunit;

zz)

„integriteit van gegevens”:

de nauwkeurigheid en coherentie van opgeslagen gegevens, aangetoond door het ontbreken van wijzigingen van de gegevens tussen twee updates van een gegevensbestand. Integriteit betekent dat de gegevens een exacte kopie zijn van de originele versie, d.w.z. dat ze niet beschadigd zijn tijdens het schrijven op en aflezen van een tachograafkaart of specifieke apparatuur, of tijdens de overdracht via een communicatiekanaal;

aaa)

„gegevensprivacy”:

de algemene technische maatregelen die worden genomen voor de correcte toepassing van de beginselen die zijn vastgesteld bij Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) en bij Richtlijn 2002/58/EG van het Europees Parlement en de Raad (10);

bbb)

„slimme tachograaf”:

het controleapparaat, de tachograafkaart en alle uitrusting waarmee tijdens de constructie, de installatie, het gebruik, het testen en de controle, directe of indirecte interactie bestaat, zoals kaarten, leestoestellen voor berichten voor vroegtijdige detectie op afstand en andere apparatuur voor het downloaden van gegevens, de analyse van gegevens, kalibrering, het genereren, beheren en invoeren van beveiligingselementen enz.;

ccc)

„datum van invoering”:

36 maanden na de inwerkingtreding van de gedetailleerde bepalingen als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EU) nr. 165/2014 van het Europees Parlement en de Raad (11).

Dit is de datum waarna voertuigen die voor het eerst zijn ingeschreven:

worden uitgerust met een tachograaf die verbonden is met een plaatsbepalingsdienst op basis van satellietnavigatie;

tijdens het rijden gegevens kunnen doorsturen naar de controle-instanties met het oog op gerichte wegcontroles;

en kunnen worden uitgerust met gestandaardiseerde interfaces die ervoor zorgen dat een extern apparaat gebruik kan maken van de door tachografen voor operationeel gebruik geregistreerde of gegenereerde gegevens;

ddd)

„beveiligingsprofiel”:

een document dat wordt gebruik als onderdeel van het certificeringsproces op basis van gemeenschappelijke criteria, met toepassingsonafhankelijke beveiligingseisen op het gebied van informatieborging;

eee)

„GNSS-nauwkeurigheid”:

in het kader van de registratie van de positie met de tachograaf met behulp van de GNSS-module: de HDOP (horizontal dilution of precision) berekend als het minimum van de via de beschikbare GNSS-module verzamelde HDOP-waarden.

2   ALGEMENE KENMERKEN EN FUNCTIES VAN HET CONTROLEAPPARAAT

2.1   Algemene kenmerken

Het controleapparaat moet gegevens betreffende de activiteiten van de bestuurder kunnen registreren, opslaan, weergeven, afdrukken en uitvoeren.

Alle met een controleapparaat uitgeruste voertuigen die aan de bepalingen van deze bijlage voldoen, moeten voorzien zijn van een snelheidsdisplay en een kilometerteller. Deze functies kunnen in het controleapparaat worden opgenomen.

01)

Het controleapparaat bestaat uit kabels, een bewegingssensor en een voertuigunit.

02)

De interface tussen de bewegingssensoren en de voertuigunits moet voldoen aan de eisen van aanhangsel 11.

03)

De voertuigunit wordt overeenkomstig de specificaties in aanhangsel 12 aangesloten op een GNSS-systeem.

04)

De voertuigunit communiceert met leestoestellen voor berichten voor vroegtijdige detectie op afstand overeenkomstig de specificaties in aanhangsel 14.

05)

De voertuigunit kan een ITS-interface omvatten, als gespecificeerd in aanhangsel 13.

Het controleapparaat mag door middel van een extra interface en/of de optionele ITS-interface op andere systemen worden aangesloten.

06)

Elke integratie of verbinding van een al of niet goedgekeurde functie, inrichting of inrichtingen, in c.q. met het controleapparaat, mag de juiste en veilige werking van het controleapparaat niet schaden of kunnen schaden en mag niet in strijd zijn met de bepalingen van deze verordening.

Gebruikers van controleapparaten identificeren zich door middel van een tachograafkaart.

07)

Het controleapparaat geeft selectieve toegangsrechten tot gegevens en functies overeenkomstig het type en/of de identiteit van de gebruiker.

Het controleapparaat registreert gegevens en slaat deze op in het geheugen, in het systeem voor communicatie op afstand en op de tachograafkaart.

Dit gebeurt met inachtneming van Richtlijn 95/46/EG van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (12), Richtlijn 2002/58/EG betreffende de verwerking van persoonsgegevens en de bescherming van de persoonlijke levenssfeer in de sector elektronische communicatie (13) en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 165/2014.

2.2   Functies

08)

Het controleapparaat moet onderstaande functies kunnen uitvoeren:

bewaken van het invoeren en uitnemen van de kaart,

meten van de snelheid, afstand en positie,

opnemen van de tijd,

bewaken van de activiteiten van de bestuurder,

bewaken van de status van de bestuurders,

manuele invoer door de bestuurders:

invoer van gegevens over het begin- en/of eindpunt van de dagelijkse werkperiode,

manuele invoer van de activiteiten van de bestuurder,

invoer van specifieke omstandigheden,

beheer van bedrijfsvergrendelingen,

bewaken van controleactiviteiten,

detecteren van voorvallen en/of fouten,

ingebouwde tests en zelftests.

lezen van het geheugen,

registreren en opslaan in het geheugen,

lezen van de tachograafkaart,

registreren en opslaan op de tachograafkaart,

weergeven op scherm,

afdrukken,

waarschuwen,

gegevens downloaden met externe media,

communicatie op afstand met het oog op gerichte wegcontroles,

gegevensoutput naar aanvullende systemen,

kalibrering,

kalibreringscontrole langs de weg,

tijdafstelling.

2.3   Werkingsmodi

09)

Het controleapparaat heeft vier werkingsmodi:

operationele modus,

controlemodus,

kalibreringsmodus,

bedrijfsmodus.

10)

Het controleapparaat wisselt naar de volgende werkingsmodus overeenkomstig de geldige tachograafkaart die in de kaartinterface ingebracht is. De generatie van de tachograafkaart is niet relevant om de werkingsmodus te bepalen, voor zover het om een geldige kaart gaat. Een werkplaatskaart van de eerste generatie wordt als ongeldig beschouwd wanneer ze in een voertuigunit van de tweede generatie wordt ingevoerd.

Werkingsmodus

Kaartlezer bestuurder

Geen kaart

Bestuurderskaart

Controlekaart

Werkplaatskaart

Bedrijfskaart

Kaartlezer bijrijder

Geen kaart

Operationeel

Operationeel

Controle

Kalibrering

Bedrijfsmodus

Bestuurderskaart

Operationeel

Operationeel

Controle

Kalibrering

Bedrijfsmodus

Controlekaart

Controle

Controle

Controle (*)

Operationeel

Operationeel

Werkplaatskaart

Kalibrering

Kalibrering

Operationeel

Kalibrering (*)

Operationeel

Bedrijfskaart

Bedrijfsmodus

Bedrijfsmodus

Operationeel

Operationeel

Bedrijfsmodus (*)

11)

Het controleapparaat negeert ongeldige ingebrachte kaarten. Het blijft echter mogelijk om gegevens op ongeldige kaarten weer te geven, af te drukken of te downloaden.

12)

Alle in 2.2 genoemde functies werken in iedere werkingsmodus met de onderstaande uitzonderingen:

de kalibreringsfunctie is alleen toegankelijk in de kalibreringsmodus,

de kalibreringscontrole langs de weg is alleen toegankelijk in de controlemodus,

de beheersfunctie van bedrijfsvergrendelingen is alleen toegankelijk in de bedrijfsmodus,

het bewaken van controleactiviteiten werkt alleen in de controlemodus,

de downloadfunctie is niet beschikbaar in de operationele modus (behalve zoals bepaald in voorschrift 193), en behalve bij het downloaden van een bestuurderskaart wanneer er geen ander type kaart in de voertuigunit is ingevoerd.

13)

Het controleapparaat kan gegevens uitvoeren naar een display, printer of externe interfaces met de onderstaande uitzonderingen:

in de operationele modus: persoonsidentificatie (naam en voornaam(namen)) die niet overeenkomt met een ingebrachte tachograafkaart, wordt niet getoond en een kaartnummer dat niet overeenkomt met een ingebrachte tachograafkaart wordt slechts gedeeltelijk getoond (alle oneven tekens — gelezen van links naar rechts — worden niet getoond);

in bedrijfsmodus: gegevens over de bestuurder (voorschriften 102, 105 en 108) kunnen alleen worden uitgevoerd tijdens perioden waarvoor geen vergrendeling aanwezig is of die niet door een ander bedrijf zijn vergrendeld (zoals geïdentificeerd door de eerste 13 cijfers van het bedrijfskaartnummer),

wanneer geen kaart in het controleapparaat ingebracht is: kunnen gegevens over de bestuurder alleen worden uitgevoerd voor de huidige en de 8 voorafgaande kalenderdagen,

persoonsgegevens van de VU worden slechts via de ITS-interface van de VU doorgegeven na controle van de instemming door de bestuurder waarop de gegevens betrekking hebben;

de normale operationele geldigheidsperiode bedraagt 15 jaar, beginnend op de afgiftedatum van de VU-certificaten; na die periode kunnen ze nog 3 maanden worden gebruikt, maar alleen om gegevens te downloaden.

2.4   Beveiliging

De systeembeveiliging beoogt het geheugen zodanig te beveiligen dat niet-geautoriseerde toegang tot en manipulatie van de gegevens wordt voorkomen en dat pogingen daartoe worden ontdekt, alsmede ter beveiliging van de integriteit en authenticiteit van de tussen de bewegingssensor en de voertuigunit uitgewisselde gegevens, van de integriteit en authenticiteit van de tussen het controleapparaat en de tachograafkaart uitgewisselde gegevens, van de integriteit en authenticiteit van de tussen het controleapparaat en de externe GNSS-module uitgewisselde gegevens, van de vertrouwelijkheid, integriteit en authenticiteit van de via vroegtijdige detectie op afstand uitgewisselde gegevens en ter verificatie van gedownloade gegevens.

14)

Om de veiligheid van het systeem te waarborgen, moeten de volgende onderdelen voldoen aan de veiligheidseisen die zijn vastgelegd in de beveiligingsprofielen overeenkomstig de eisen van aanhangsel 10.

voertuigunit;

tachograafkaart;

bewegingssensor,

externe GNSS-module (dit profiel is alleen vereist en van toepassing voor de externe GNSS-variant).

3   CONSTRUCTIE EN FUNCTIONELE EISEN VOOR CONTROLEAPPARATEN

3.1   Controle op het inbrengen en uitnemen van kaarten

15)

Het controleapparaat bewaakt de kaartinterfaces om het inbrengen en uitnemen van kaarten te detecteren.

16)

Bij het inbrengen van de kaart moet het controleapparaat bepalen of de ingebrachte kaart geldig is. Indien dit het geval is, wordt het kaarttype en de generatie van de kaart geïdentificeerd.

Wanneer er voordien reeds een kaart met hetzelfde kaartnummer en een hogere vernieuwingsindex in het controleapparaat is ingevoerd, wordt de kaart ongeldig verklaard.

Wanneer er voordien reeds een kaart met hetzelfde kaartnummer en dezelfde vernieuwingsindex, maar een hogere vervangingsindex in het controleapparaat is ingevoerd, wordt de kaart ongeldig verklaard.

17)

Nadat een werkplaats de mogelijkheid om tachograafkaarten van de eerste generatie te gebruiken heeft opgeheven overeenkomstig aanhangsel 15 (voorschrift MIG003) worden tachograafkaarten van de eerste generatie door het controleapparaat als ongeldig beschouwd.

18)

Werkplaatskaarten van de eerste generatie die in controleapparaten van de tweede generatie worden ingevoerd, worden als ongeldig beschouwd.

19)

Het controleapparaat wordt zodanig geconstrueerd dat de tachograafkaart bij juiste invoer in de kaartinterface vergrendeld wordt.

20)

De tachograafkaart kan alleen worden uitgenomen wanneer het voertuig stilstaat en nadat de relevante gegevens op de kaart zijn opgeslagen. Het uitnemen van de kaart vereist een doelgerichte handeling van de gebruiker.

3.2   Meting van snelheid, positie en afstand

21)

De bewegingssensor (desgevallend geïntegreerd in de adapter) is de belangrijkste bron voor de meting van de snelheid en afstand.

22)

Aan de hand van de door de bewegingssensor uitgestuurde pulsen, meet deze functie continu de kilometerstand die overeenkomt met de totale door het voertuig afgelegde afstand en kan ze deze weergeven.

23)

Aan de hand van de door de bewegingssensor uitgestuurde pulsen, meet deze functie continu de snelheid van het voertuig en kan ze deze weergeven.

24)

De snelheidsmeter geeft ook aan of het voertuig rijdt of stilstaat. Het voertuig rijdt wanneer de functie gedurende ten minste 5 seconden meer dan 1 imp/s van de bewegingssensor waarneemt. Als dit niet het geval is, wordt aangenomen dat het voertuig stilstaat.

25)

Inrichtingen die snelheid (tachometer) en totale afgelegde afstand (kilometerteller) zichtbaar maken en geïnstalleerd zijn in een voertuig dat uitgerust is met een controleapparaat dat voldoet aan de bepalingen van deze verordening, moeten voldoen aan de in deze bijlage vastgestelde eisen betreffende de maximumtoleranties (zie 3.2.1 en 3.2.2).

26)

Om manipulatie van bewegingsgegevens te detecteren, moet informatie van de bewegingssensor worden bevestigd door informatie over beweging van het voertuig die afkomstig is van de GNSS-ontvanger of andere facultatieve van de bewegingssensor onafhankelijke bronnen.

27)

Deze functie meet de positie van het voertuig met het oog op de automatische registratie van:

de posities waar de bestuurder en/of de bijrijder hun dagelijkse werktijd aanvatten;

de posities waar de rijtijd van de bestuurder een veelvoud van drie uur bereikt;

de posities waar de bestuurder en/of de bijrijder hun dagelijkse werktijd beëindigen.

3.2.1   Meting van de afgelegde afstand

28)

De afgelegde afstand kan worden gemeten:

hetzij bij vooruitrijden en achteruitrijden,

hetzij uitsluitend bij vooruitrijden.

29)

Het controleapparaat moet afstanden van 0 tot 9 999 999,9 km meten.

30)

De gemeten afstand moet binnen de onderstaande toleranties liggen (afstanden van ten minste 1 000 m):

± 1 % voor installatie,

± 2 % bij installatie en periodieke controle,

± 4 % in gebruik.

31)

De resolutie van de gemeten afstand bedraagt ten minste 0,1 km.

3.2.2   Meting van de snelheid

32)

Het controleapparaat moet snelheden van 0 tot 220 km/h meten.

33)

Om een maximumtolerantie op de getoonde snelheid van ± 6 km/h tijdens gebruik te garanderen en rekening houdend met:

een tolerantie van ± 2 km/h voor invoervariaties (bandenvariaties, …),

een tolerantie van ± 1 km/h voor metingen gedurende de installatie of periodieke controles,

moet het controleapparaat bij snelheden tussen 20 en 180 km/h en bij kenmerkende coëfficiënten van het voertuig tussen 4 000 en 25 000 imp/km de snelheid meten met een tolerantie van ± 1 km/h (bij constante snelheid).

Aantekening: De resolutie van de gegevensopslag geeft een extra tolerantie van ± 0,5 km/h aan de door het controleapparaat opgeslagen snelheid.

34)

De snelheid moet binnen de normale toleranties correct worden gemeten binnen 2 seconden na het einde van een versnelling wanneer de versnelling maximaal 2 m/s2 bedraagt.

35)

De resolutie van de gemeten snelheid bedraagt ten minste 1 km/h.

3.2.3   Bepalen van de positie

36)

Het controleapparaat meet de absolute positie van het voertuig aan de hand van de GNSS-ontvanger.

37)

De absolute positie wordt gemeten in geografische coördinaten van de lengte- en breedtegraad in graden en minuten met een resolutie van 1/10 minuut.

3.3   Tijdmeting

38)

De tijdmetingsfunctie moet permanent operationeel zijn en de UTC-datum en UTC-tijd digitaal leveren.

39)

De UTC-datum en UTC-tijd worden gebruikt voor datering van gegevens in het controleapparaat (registraties, gegevensuitwisseling) en voor alle in aanhangsel 4, „Afdrukken” gespecificeerde afdrukken.

40)

Om de plaatselijke tijd zichtbaar te maken, moet de op het display getoonde tijd in stappen van een half uur kunnen worden gewijzigd. Andere instellingen dan negatieve of positieve veelvouden van een half uur zijn niet toegestaan.

41)

Bij gebrek aan elke vorm van tijdafstelling, mogen afwijkingen niet meer dan ± 2 seconden per dag bedragen onder typegoedkeuringsvoorwaarden.

42)

De resolutie van de gemeten tijd bedraagt ten minste 1 seconde.

43)

De tijdmeting mag niet worden beïnvloed door een externe stroomonderbreking van minder dan 12 maanden onder typegoedkeuringsvoorwaarden.

3.4   Controle op activiteiten van bestuurders

44)

Deze functie moet voortdurend en afzonderlijk de activiteiten van een bestuurder en een bijrijder controleren.

45)

Activiteiten van de bestuurder zijn RIJDEN, WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE.

46)

De bestuurder en/of de bijrijder kunnen WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE manueel selecteren.

47)

Wanneer het voertuig rijdt, wordt RIJDEN automatisch geselecteerd voor de bestuurder en BESCHIKBAARHEID voor de bijrijder.

48)

Wanneer het voertuig stopt, wordt WERKEN automatisch geselecteerd voor de bestuurder.

49)

Er wordt van uitgegaan dat de eerste verandering van activiteit naar RUSTPAUZE of BESCHIKBAARHEID die zich binnen 120 seconden na de automatische verandering naar WERKEN als gevolg van het stoppen van het voertuig voordoet, heeft plaatsgevonden op het moment waarop het voertuig stopt (waardoor de verandering naar WERKEN eventueel kan worden geannuleerd).

50)

Deze functie moet veranderingen van activiteiten naar de registratiefuncties uitvoeren met een resolutie van één minuut.

51)

Wanneer binnen de onmiddellijk voorafgaande en de onmiddellijk volgende kalenderminuut de activiteit RIJDEN is geregistreerd, wordt de hele minuut beschouwd als RIJDEN.

52)

Wanneer een kalenderminuut niet wordt beschouwd als RIJDEN overeenkomstig het voorgaande voorschrift 051, dan wordt de hele minuut gerekend als de langste ononderbroken activiteit binnen de minuut (of de laatste van een aantal even lange activiteiten).

53)

Deze functie moet ook voortdurend de rijtijd en de cumulatieve rusttijd van de bestuurder controleren.

3.5   Controle op de status van bestuurders

54)

Deze functie moet voortdurend en automatisch de status van bestuurders controleren.

55)

De status TEAM wordt geselecteerd wanneer twee geldige bestuurderskaarten in het apparaat worden ingebracht, in alle andere gevallen wordt de status ALLEEN geselecteerd.

3.6   Invoer door bestuurders

3.6.1   Invoer van begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode

56)

Met deze functie kan het begin- en eindpunt van de dagelijkse werkperiode van een bestuurder en/of een bijrijder worden ingevoerd.

57)

Plaatsen worden gedefinieerd als het land en — voorzover relevant — de regio, die manueel worden ingevoerd of bevestigd.

58)

Bij het uitnemen van een bestuurderskaart moet het controleapparaat de bestuurder (bijrijder) vragen een „plaats waar de dagelijkse werkperiode eindigt” in te voeren.

59)

Daarna voert de bestuurder de huidige plaats van het voertuig in, die als een tijdelijke invoer wordt beschouwd.

60)

Het moet mogelijk zijn plaatsen waar de dagelijkse werkperiode begint en/of eindigt, in te voeren via commando's in de menu's. Indien meer dan één dergelijke invoer gebeurt binnen één kalenderminuut, mogen slechts de laatst ingevoerde beginplaats en de laatst ingevoerde eindplaats binnen die tijdspanne geregistreerd blijven.

3.6.2   Manuele invoer van bestuurdersactiviteiten en toestemming van de bestuurder voor de ITS-interface

61)

Manuele invoer van activiteiten is uitsluitend toegestaan bij het inbrengen van een bestuurderskaart of werkplaatskaart. Bij het manueel invoeren van activiteiten worden de plaatselijke tijd- en datumwaarden van de tijdszone (UTC offset) gebruikt die op dat moment voor de voertuigunit zijn ingesteld.

Bij het inbrengen van een bestuurders- of werkplaatskaart wordt de kaarthouder herinnerd aan:

de datum en de tijd dat de kaart voor het laatst is uitgenomen;

en facultatief: de voor de voertuigunit ingestelde plaatselijke tijd.

Bij de invoer van een bestuurders- of werkplaatskaart die voor de voertuigunit nog niet bekend is, wordt de kaarthouder gevraagd te bevestigen dat hij ermee instemt dat zijn persoonlijke tachograafgegevens via de optionele ITS-interface worden doorgegeven.

Wanneer de bestuurderskaart (resp. werkplaatskaart) is ingegeven, kan de bestuurder (resp. werkplaats) op elk moment via het menu zijn of haar instemming geven of intrekken.

Activiteiten kunnen worden ingevoerd met de volgende beperkingen:

Activiteiten zijn WERKEN, BESCHIKBAARHEID of RUSTPAUZE.

De begin- en eindtijden van elke activiteit liggen enkel binnen de laatste periode tussen het uitnemen en inbrengen van de kaart.

Activiteiten mogen elkaar niet in tijd overlappen.

Zo nodig is manuele invoer mogelijk wanneer een nog niet eerder gebruikte bestuurderskaart (of werkplaatskaart) voor het eerst wordt ingebracht.

De procedure voor manuele invoer van activiteiten bestaat uit evenveel opeenvolgende stappen als nodig voor het instellen van het type en de begin- en eindtijd van elke activiteit. Voor elk willekeurig deel van de laatste periode tussen het invoeren en uitnemen van de kaart kan de kaarthouder ervoor kiezen geen enkele activiteit op te geven.

Tijdens de met het inbrengen van een kaart verbonden manuele invoer kan de kaarthouder, indien van toepassing, het volgende invoeren:

een plaats waar een vorige dagelijkse werkperiode is geëindigd, alsook de relevante tijd (waarbij de invoer tijdens de laatste kaartuitneming wordt overschreven);

een plaats waar de lopende dagelijkse werkperiode begint, samen met de relevante tijd.

Wanneer de kaarthouder tijdens de met het inbrengen van een kaart verbonden manuele invoer niet invoert op welke plaats de werkperiode begint of eindigt, wordt er vanuit gegaan dat die plaats niet is gewijzigd na de laatste keer dat de kaart is uitgenomen. De volgende invoer van een plaats waar de vorige dagelijkse werkperiode eindigt, overschrijft in dat geval de tijdelijke invoer bij de laatste kaartuitneming.

Wanneer een plaats is ingevoerd, wordt deze geregistreerd op de relevante tachograafkaart.

De manuele invoer wordt onderbroken indien:

de kaart wordt uitgenomen; of

het voertuig in beweging is en de kaart zich in de lezer van de bestuurder bevindt.

Extra onderbrekingen zijn toegestaan, bv. een time-out na een zekere periode van inactiviteit van de gebruiker. Indien de manuele invoer wordt onderbroken, valideert het controleapparaat elke volledige invoer van plaats en activiteit (met ondubbelzinnige vermelding van plaats en tijd, of type activiteit, begintijd en eindtijd).

Indien een tweede bestuurders- of werkplaatskaart wordt ingebracht terwijl nog manueel wordt ingevoerd voor een eerder ingebrachte kaart, mag deze manuele invoer worden voltooid voordat de manuele invoer voor de tweede kaart begint.

De kaarthouder kan manueel activiteiten invoeren overeenkomstig de volgende minimumprocedure:

Voer activiteiten manueel in, in chronologische volgorde, voor de laatste periode tussen het uitnemen en inbrengen van de kaart.

De begintijd van de eerste activiteit is het tijdstip waarop de kaart wordt uitgenomen. Voor elke volgende invoer wordt de begintijd vooraf ingesteld als onmiddellijk volgend op de eindtijd van de voorafgaande invoer. Voor elke activiteit wordt het type activiteit en de eindtijd geselecteerd.

De procedure eindigt wanneer de eindtijd van een manueel ingevoerde activiteit gelijk is aan het tijdstip waarop de kaart is ingebracht. Het controleapparaat kan vervolgens facultatief de kaarthouder een manueel ingevoerde activiteit laten wijzigen, totdat wordt gevalideerd door een specifiek commando te selecteren. Daarna kunnen dergelijke wijzigingen niet meer worden aangebracht.

3.6.3   Invoer van specifieke omstandigheden

62)

De bestuurder kan de twee onderstaande specifieke omstandigheden in real-time in het controleapparaat invoeren:

„NIET VERPLICHT” (begin, einde);

„VERVOER PER FERRY/TREIN” (begin, einde).

„VERVOER PER FERRY/TREIN” is niet toegestaan wanneer een „NIET VERPLICHT”-omstandigheid geopend is.

Een geopende „NIET VERPLICHT”-omstandigheid moet door het controleapparaat automatisch worden gesloten wanneer een bestuurderskaart wordt ingebracht of uitgenomen.

Een geopende „NIET VERPLICHT”-omstandigheid onderdrukt de volgende voorvallen en waarschuwingssignalen:

rijden zonder geschikte kaart

waarschuwingssignalen in verband met de rijtijd.

De vlag begin VERVOER PER FERRY/TREIN moet zichtbaar zijn voor de bestuurder de motor op de trein of ferry stillegt.

Een openstaande VERVOER PER FERRY/TREIN moet aflopen in de volgende gevallen:

wanneer de bestuurder het VERVOER PER FERRY/TREIN manueel beëindigt;

wanneer de bestuurder zijn kaart uitneemt;

Een openstaande VERVOER PER FERRY/TREIN wordt beëindigd wanneer deze op grond van Verordening (EG) nr. 561/2006 niet langer geldig is.

3.7   Beheer van bedrijfsvergrendelingen

63)

Deze functie beheert de vergrendelingen die een bedrijf aanbrengt om ervoor te zorgen dat het alleen zelf toegang heeft tot de gegevens in de bedrijfsmodus.

64)

Bedrijfsvergrendelingen bestaan uit een begindatum/-tijd (lock-in) en een einddatum/-tijd (lock-out) in combinatie met de identiteit van het bedrijf zoals aangegeven door het bedrijfskaartnummer (bij lock-in).

65)

Vergrendelingen kunnen alleen in real-time worden „in-” of „uitgeschakeld”.

66)

Het uitschakelen van de vergrendeling is alleen mogelijk voor het bedrijf waarvan de vergrendeling is „ingeschakeld” (zoals geïdentificeerd door de eerste 13 cijfers van het bedrijfskaartnummer), of,

67)

het uitschakelen van de vergrendeling gebeurt automatisch wanneer een ander bedrijf de vergrendeling inschakelt.

68)

Indien een bedrijf de vergrendeling inschakelt en de vorige vergrendeling voor hetzelfde bedrijf was, dan wordt aangenomen dat de vorige vergrendeling niet is „uitgeschakeld” en nog steeds is „ingeschakeld”.

3.8   Bewaken van controleactiviteiten

69)

Deze functie moet controle uitoefenen op het WEERGEVEN, AFDRUKKEN, DOWNLOADEN van VU en kaarten en de KALIBERINGSCONTROLE LANGS DE WEG, die in de controlemodus uitgevoerd worden.

70)

Deze functie moet ook controle uitoefenen op de SNELHEIDSOVERSCHRIJDING in de controlemodus. Controle van snelheidsoverschrijding wordt geacht te hebben plaatsgevonden wanneer, in de controlemodus, de afdruk „snelheidsoverschrijding” naar de printer of het display is gezonden, of wanneer gegevens over „voorvallen en fouten” uit het VU-geheugen zijn gedownload.

3.9   Opsporing van voorvallen en/of fouten

71)

Deze functie detecteert de onderstaande voorvallen en/of fouten:

3.9.1   „Inbrengen van een ongeldige kaart”

72)

Dit voorval treedt op bij het inbrengen van een ongeldige kaart, het inbrengen van een reeds vervangen bestuurderskaart en/of wanneer de ingebrachte kaart vervalt.

3.9.2   „Kaartconflict”

73)

Dit voorval treedt op bij een van de combinaties van geldige kaarten die in de onderstaande tabel met een X gemerkt zijn:

Kaartconflict

Kaartlezer bestuurder

Geen kaart

Bestuurderskaart

Controlekaart

Werkplaatskaart

Bedrijfskaart

Kaartlezer bijrijder

Geen kaart

 

 

 

 

 

Bestuurderskaart

 

 

 

X

 

Controlekaart

 

 

X

X

X

Werkplaatskaart

 

X

X

X

X

Bedrijfskaart

 

 

X

X

X

3.9.3   „Tijdsoverlapping”

74)

Dit voorval treedt op wanneer de datum/het tijdstip waarop de bestuurderskaart de laatste keer is uitgenomen, later is dan de actuele datum/tijd van het controleapparaat waarin de kaart wordt ingebracht.

3.9.4   „Rijden zonder geschikte kaart”

75)

Dit voorval treedt op bij combinaties van geldige tachograafkaarten die in de onderstaande tabel met een X zijn aangemerkt, wanneer de activiteit van de bestuurder verandert in RIJDEN, of wanneer de werkingsmodus tijdens het RIJDEN verandert:

Rijden zonder geschikte kaart

Kaartlezer bestuurder

Geen (of ongeldige) kaart

Bestuurderskaart

Controlekaart

Werkplaatskaart

Bedrijfskaart

Kaartlezer bijrijder

Geen (of ongeldige) kaart

X

 

X

 

X

Bestuurderskaart

X

 

X

X

X

Controlekaart

X

X

X

X

X

Werkplaatskaart

X

X

X

 

X

Bedrijfskaart

X

X

X

X

X

3.9.5   „Inbrengen van de kaart tijdens het rijden”

76)

Dit voorval treedt op wanneer een tachograafkaart tijdens het RIJDEN in een lezer wordt ingebracht.

3.9.6   „Laatste kaartsessie niet correct afgesloten”

77)

Dit voorval treedt op wanneer het controleapparaat bij kaartinvoer ontdekt dat, niettegenstaande de bepalingen van punt 3.1, de voorafgaande kaartsessie niet correct is afgesloten (de kaart is uitgenomen voordat alle relevante gegevens op de kaart opgeslagen zijn). Dit mag uitsluitend voorkomen bij bestuurders- en werkplaatskaarten.

3.9.7   „Snelheidsoverschrijding”

78)

Dit voorval treedt op bij elke snelheidsoverschrijding.

3.9.8   „Onderbreking van de stroomvoorziening”

79)

Dit voorval treedt op bij een onderbreking van ten minste 200 milliseconden in de stroomvoorziening van de bewegingssensor en/of de voertuigunit, echter niet in de kalibrerings- of controlemodus. De drempel van de onderbreking wordt door de fabrikant bepaald. De spanningsval door het starten van de motor van het voertuig mag dit voorval niet veroorzaken.

3.9.9   „Communicatiefout met het systeem voor communicatie op afstand”

80)

Dit voorval treedt, behalve in de kalibreringsmodus, op wanneer het systeem voor communicatie op afstand na meer dan drie pogingen niet bevestigt dat het de door de voertuigunit vanop afstand doorgestuurde gegevens heeft ontvangen.

3.9.10   „Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger”

81)

Dit voorval treedt, behalve in kalibreringsmodus, op bij het ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de (interne of externe) GNSS-ontvanger gedurende meer dan 3 uren cumulatieve rijtijd.

3.9.11   „Fout in communicatie met de externe GNSS-module”

82)

Dit voorval treedt, behalve in kalibreringsmodus, op bij het ontbreken van communicatie tussen de externe GNSS-module en het voertuig gedurende meer dan 20 opeenvolgende minuten terwijl het voertuig aan het rijden is.

3.9.12   „Fout in de bewegingsgegevens”

83)

Dit voorval treedt, behalve in de kalibreringsmodus, op bij een onderbreking in de normale gegevensstroom tussen de bewegingssensor en de voertuigunit en/of bij een fout in de integriteit of authenticatie van de gegevens tijdens de gegevensuitwisseling tussen de bewegingssensor en de voertuigunit.

3.9.13   „Tegenstrijdige bewegingsgegevens”

84)

Dit voorval treedt, behalve in de kalibreringsmodus, op wanneer de op basis van de bewegingssensor berekende bewegingsinformatie verschilt van de bewegingsinformatie die is berekend op basis van informatie van de interne GNSS-ontvanger of de externe GNSS-module, en eventuele andere facultatieve bronnen, als gespecificeerd in aanhangsel 12. Dit voorval treedt niet op tijdens vervoer per ferry of trein, een „NIET VERPLICHT”-omstandigheid, of wanneer er geen plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger beschikbaar is.

3.9.14.   „Poging tot inbreuk op de beveiliging”

85)

Dit voorval treedt op bij elk ander voorval dat de beveiliging van de bewegingssensor en/of de voertuigunit en/of de externe GNSS-module als vereist bij aanhangsel 10 aantast, echter niet in de kalibreringsmodus.

3.9.15   „Tijdsoverlapping”

86)

Dit voorval treedt op wanneer de VU een afwijking van meer dan 1 minuut detecteert tussen de tijd van de meetfunctie van de voertuigunit en de tijd die door de GNSS-ontvanger wordt doorgestuurd. Dit voorval wordt samen met de interne klokwaarde van de voertuigunit opgeslagen en gaat gepaard met een automatische tijdsafstelling. Nadat een tijdsoverlapping is veroorzaakt, mag de VU de volgende 12 uur geen andere tijdsoverlapping genereren. Er wordt geen tijdsoverlapping gegenereerd indien de GNSS-ontvanger de jongste 30 dagen geen geldig GNSS-signaal heeft kunnen detecteren. Wanneer de automatische plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger opnieuw beschikbaar is, vindt een automatische tijdsafstelling plaats.

3.9.16   „Kaartfout”

87)

Deze fout wordt veroorzaakt wanneer tijdens de werking een storing in de tachograafkaart optreedt.

3.9.17.   „Controleapparaatfout”

88)

Deze fout wordt veroorzaakt door de onderstaande storingen, echter niet in de kalibreringsmodus:

Interne fout in de VU

Printerfout

Displayfout

Downloadfout

Sensorfout

Fout met GNSS-ontvanger of externe GNSS-module

Fout in systeem voor communicatie op afstand

3.10   Ingebouwde tests en zelftests

89)

Het controleapparaat moet zelf fouten detecteren door middel van zelftests en ingebouwde tests overeenkomstig onderstaande tabel:

Onderdelen ter test

Zelftest

Ingebouwde test

Software

 

Integriteit

Geheugen

Toegang

Toegang, gegevensintegriteit

Kaartinterfaces

Toegang

Toegang

Toetsenbord

 

Manuele controle

Printer

(afhankelijk van de fabrikant)

Afdruk

Display

 

Visuele controle

Downloaden

(alleen uitgevoerd tijdens het downloaden)

Correcte werking

 

Sensor

Correcte werking

Correcte werking

Systeem voor communicatie op afstand

Correcte werking

Correcte werking

GNSS-module

Correcte werking

Correcte werking

3.11   Lezen van het geheugen

90)

Het controleapparaat moet alle gegevens die in zijn geheugen opgeslagen zijn kunnen lezen.

3.12   Registratie en opslag in het geheugen

Voor de toepassing van dit punt

wordt „365 dagen” gedefinieerd als 365 kalenderdagen van gemiddelde activiteit van de bestuurder in een voertuig. De gemiddelde activiteit per dag in een voertuig wordt gedefinieerd als ten minste 6 bestuurders of bijrijders, 6 cycli van kaartinvoer en -uitname en 256 wijzigingen in de activiteiten. „365 dagen” omvat derhalve ten minste 2 190 bestuurders (bijrijders), 2 190 cycli van kaartinvoer en kaartuitname en 93 440 wijzigingen van activiteiten;

het gemiddeld aantal posities per dag wordt gedefinieerd als ten minste 6 posities bij het begin van de dagelijkse werktijd, 6 posities wanneer de cumulatieve rijtijd van de bestuurder een veelvoud van drie uur bereikt en 6 posities aan het einde van de dagelijkse werktijd, zodat „365 dagen” minstens 6 570 posities omvat;

wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 minuut, tenzij anders gespecificeerd;

worden kilometerstanden geregistreerd met een resolutie van 1 kilometer;

wordt de snelheid geregistreerd met een resolutie van 1 km/h;

posities (lengte en breedte) worden geregistreerd in graden en minuten, met een resolutie van 1/10 minuut, met de daaraan gekoppelde GNSS-nauwkeurigheid en acquisitietijd.

91)

De in het geheugen opgeslagen gegevens mogen niet worden beïnvloed door een externe stroomonderbreking van minder dan 12 maanden onder typegoedkeuringsvoorwaarden. Gegevens die zijn opgeslagen in het extern systeem voor communicatie op afstand, als gedefinieerd in aanhangsel 14, mogen niet worden aangetast door een stroomonderbreking van minder dan 28 dagen.

92)

Het controleapparaat moet in zijn geheugen impliciet of expliciet de volgende gegevens registreren en opslaan:

3.12.1   Identificatiegegevens van de uitrusting

3.12.1.1   Identificatiegegevens van de voertuigunit

93)

Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende identificatiegegevens van de voertuigunit opslaan:

naam van de fabrikant

adres van de fabrikant

onderdeelnummer

serienummer

generatie voertuigunit

mogelijkheid tachograafkaarten van de eerste generatie te gebruiken

nummer van de softwareversie

installatiedatum van de softwareversie

bouwjaar

goedkeuringsnummer

94)

Identificatiegegevens van de voertuigunit worden door de fabrikant van de voertuigunit definitief geregistreerd en opgeslagen, met uitzondering van gegevens in verband met de software en het goedkeuringsnummer, die in geval van een software-upgrade gewijzigd kunnen worden, en compatibiliteit met tachograafkaarten van de eerste generatie.

3.12.1.2   Identificatiegegevens van de bewegingssensor

95)

De bewegingssensor moet in zijn geheugen de volgende identificatiegegevens opslaan:

naam van de fabrikant,

serienummer,

goedkeuringsnummer,

identificatie van ingebouwde veiligheidscomponent (bijv. onderdeelnummer van de interne chip/verwerkingseenheid),

identificatie van het besturingssysteem (bv. nummer van de softwareversie).

96)

De identificatiegegevens van de bewegingssensor worden door de fabrikant van de bewegingssensor definitief in de bewegingssensor geregistreerd en opgeslagen.

97)

De voertuigunit moet voor de 20 recentste verbindingen met bewegingssensoren (indien op één kalenderdag meerdere verbindingen tot stand worden gebracht, worden alleen de eerste en laatste van de dag opgeslagen) de volgende gegevens kunnen registeren en in zijn geheugen opslaan:

De volgende gegevens moeten bij elke verbinding worden geregistreerd:

identificatiegegevens van de bewegingssensor:

serienummer

goedkeuringsnummer,

verbindingsgegevens van de bewegingssensor:

datum verbinding.

3.12.1.3   Identificatiegegevens GNSS-systemen

98)

De externe GNSS-module moet in haar geheugen de volgende identificatiegegevens opslaan:

naam van de fabrikant,

serienummer,

goedkeuringsnummer,

identificatie van ingebouwde veiligheidscomponent (bijv. onderdeelnummer van de interne chip/verwerkingseenheid),

identificatie van het besturingssysteem (bv. nummer van de softwareversie).

99)

De identificatiegegevens worden door de fabrikant van de externe GNSS-module definitief in de externe GNSS-module geregistreerd en opgeslagen.

100)

De voertuigunit moet voor de 20 recentste koppelingen met externe GNSS-systemen (indien op één kalenderdag meerdere koppelingen tot stand worden gebracht, worden alleen de eerste en laatste van de dag opgeslagen) de volgende gegevens kunnen registreren en opslaan in zijn geheugen:

De volgende gegevens moeten bij elke koppeling worden geregistreerd:

identificatiegegevens van de externe GNSS-module:

serienummer,

goedkeuringsnummer,

koppelingsgegevens van de externe GNSS-module:

eerste koppelingsdatum.

3.12.2   Sleutels en certificaten

101)

Het controleapparaat moet een aantal cryptografische sleutels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de specificaties in aanhangsel 11, delen A en B.

3.12.3   Gegevens over het inbrengen en uitnemen van de bestuurders- of werkplaatskaart

102)

Telkens een bestuurders- of werkplaatskaart in het apparaat wordt ingebracht of uitgenomen, moet het controleapparaat in zijn geheugen de volgende gegevens registreren en opslaan:

de naam en voornaam (of namen) van de kaarthouder zoals opgeslagen op de kaart;

het kaartnummer, de lidstaat van afgifte en de vervaldatum zoals opgeslagen op de kaart;

de generatie van de kaart;

datum en tijdstip van inbrengen;

de kilometerstand bij kaartinvoer;

de lezer waarin de kaart wordt ingebracht;

datum en tijdstip van uitnemen;

de kilometerstand bij het uitnemen van de kaart;

de volgende informatie over het vorige door de bestuurder gebruikte voertuig zoals opgeslagen op de kaart:

kentekennummer en registrerende lidstaat;

de generatie voertuigunit (indien beschikbaar);

datum en tijdstip waarop de kaart wordt uitgenomen;

een teken dat aangeeft of de kaarthouder bij de kaartinvoer manueel activiteiten heeft ingevoerd.

103)

Het geheugen moet deze gegevens ten minste 365 dagen bewaren.

104)

Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden de oudste gegevens overschreven door de meest recente.

3.12.4   Gegevens over activiteiten van de bestuurder

105)

Bij elke wijziging in de activiteiten van de bestuurder en/of de bijrijder, bij elke wijziging in de status van de bestuurder(s) en telkens wanneer een bestuurders- of werkplaatskaart wordt ingebracht of uitgenomen, worden de volgende gegevens door het controleapparaat geregistreerd en opgeslagen:

de status van de bestuurder(s) (ALLEEN/ALS TEAM);

de kaartlezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);

de status van de kaart in de betreffende kaartlezer (INGEBRACHT, NIET INGEBRACHT);

de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID, WERKEN, ONDERBREKING/RUST);

de datum en het tijdstip van de wijziging.

INGEBRACHT betekent dat een geldige bestuurders- of werkplaatskaart in de lezer ingebracht is. NIET INGEBRACHT betekent het tegenovergestelde, d.w.z. er is geen geldige bestuurders- of werkplaatskaart in de lezer ingebracht (er is bv. wel een bedrijfskaart ingebracht of er is geen kaart ingebracht).

Gegevens over activiteiten die door een bestuurder manueel worden ingevoerd, worden niet in het geheugen geregistreerd.

106)

Het geheugen moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste 365 dagen kunnen bewaren.

107)

Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden de oudste gegevens overschreven door de meest recente.

3.12.5   Plaatsen en posities waar de dagelijkse werktijd begint, eindigt en/of waar een ononderbroken rijtijd van 3 uur wordt bereikt

108)

Het controleapparaat moet gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:

de plaatsen en posities waar de bestuurder en/of de bijrijder hun dagelijkse werktijd aanvatten;

de posities waar de ononderbroken rijtijd van de bestuurder een veelvoud van drie uur bereikt;

de plaatsen en posities waar de bestuurder en/of de bijrijder hun dagelijkse werktijd beëindigen.

109)

Wanneer de positie van het voertuig op die momenten niet via de GNSS-ontvanger kan worden bepaald, gebruikt het controleapparaat de recentste beschikbare positie en de daaraan gekoppelde datum en tijd.

110)

Samen met elke plaats en positie moet het controleapparaat gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:

het bestuurderskaartnummer en de lidstaat van afgifte;

de generatie van de kaart;

de datum en het tijdstip van de ingevoerde gebeurtenis;

de aard van die gebeurtenis (begin, eind en/of 3 uur ononderbroken rijtijd);

desgevallend de gerelateerde GNSS-nauwkeurigheid, datum- en tijd;

de kilometerstand van het voertuig.

111)

Het geheugen moet de plaatsen of posities waar de dagelijkse werkperiodes beginnen, eindigen en/of waar een ononderbroken rijtijd van 3 uur wordt bereikt ten minste 365 dagen kunnen bewaren.

112)

Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden de oudste gegevens overschreven door de meest recente.

3.12.6   Gegevens over de kilometerstand

113)

Het controleapparaat moet elke kalenderdag om middernacht de kilometerstand van het voertuig en de bijbehorende datum in zijn geheugen registreren.

114)

Het geheugen moet deze kilometerstanden ten minste 365 kalenderdagen kunnen opslaan.

115)

Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden de oudste gegevens overschreven door de meest recente.

3.12.7   Gedetailleerde snelheidsgegevens

116)

Het controleapparaat moet voor elke seconde van ten minste de laatste 24 uur waarin het voertuig heeft gereden, de snelheid van het voertuig en de corresponderende datum en het tijdstip registeren en in het geheugen opslaan.

3.12.8   Gegevens over voorvallen

Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 seconde.

117)

Het controleapparaat moet in zijn geheugen de volgende gegevens voor elk gedetecteerd voorval volgens de onderstaande opslagvoorschriften registreren en opslaan:

Voorval

Opslagvoorschriften

Te registreren gegevens per voorval

Inbrengen van een ongeldige kaart

de 10 meest recente voorvallen

datum en tijdstip van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de kaart die het voorval genereert

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Kaartconflict

de 10 meest recente voorvallen

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de twee kaarten die een conflict opleveren

Rijden zonder geschikte kaart

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart;

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Inbrengen van kaart tijdens het rijden

het laatste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad

datum en tijdstip van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de kaart

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Laatste kaartsessie niet correct afgesloten

de 10 meest recente voorvallen

datum en tijdstip van kaartinvoer

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de kaart

laatste sessiegegevens zoals af te lezen van de kaart:

datum en tijdstip van kaartinvoer

kentekennummer, lidstaat van inschrijving en generatie voertuigunit

Snelheidsoverschrijding (1)

het ernstigste voorval op elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval plaatshad (d.w.z. het voorval met de hoogste gemiddelde snelheid)

de 5 ernstigste voorvallen gedurende de afgelopen 365 dagen

het eerste voorval dat is opgetreden na de laatste kalibrering

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

tijdens het voorval gemeten maximumsnelheid

tijdens het voorval gemeten rekenkundige maximumsnelheid

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bestuurderskaart (indien van toepassing)

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Onderbreking stroomvoorziening (2)

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Fout in de communicatie met het systeem voor communicatie op afstand

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Ontbreken van plaatsbepalingsinformatie van de GNSS-ontvanger

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Fout in de bewegingsgegevens

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Tegenstrijdige bewegingsgegevens,

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden,

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen.

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval,

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart;

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

Poging tot inbreuk in de beveiliging

de 10 meest recente voorvallen per soort voorval

datum en tijdstip van het begin van het voorval

datum en tijdstip van het einde van het voorval (indien relevant)

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart;

soort voorval

Tijdsoverlapping

het langste voorval voor elk van de laatste 10 dagen waarop een dergelijk voorval heeft plaatsgevonden,

de 5 langste voorvallen gedurende de laatste 365 dagen.

datum en tijdstip controleapparaat

GNSS-datum en -tijd,

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart;

aantal vergelijkbare voorvallen op die dag

(1)

Het controleapparaat moet ook gegevens registreren en in zijn geheugen opslaan met betrekking tot:

datum en tijdstip laatste controle op SNELHEIDSOVERSCHRIJDING,

datum en tijdstip eerste snelheidsoverschrijding na die controle op SNELHEIDSOVERSCHRIJDING.

het aantal snelheidsoverschrijdingen na de laatste CONTROLE OP DE SNELHEIDSOVERSCHRIJDING.

(2)

Deze gegevens mogen alleen worden opgeslagen bij een herstel van de stroomvoorziening, tijden kunnen bekend zijn met een nauwkeurigheid tot één minuut.

3.12.9   Gegevens over fouten

Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 seconde.

118)

Het controleapparaat moet de volgende gegevens voor elke gedetecteerde fout registreren en in zijn geheugen opslaan volgens de onderstaande opslagvoorschriften:

Fout

Opslagvoorschriften

Te registreren gegevens per fout

Kaartfout

de 10 meest recente bestuurderskaartfouten

datum en tijdstip begin van de fout

datum en tijdstip einde van de fout

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de kaart

Fouten controleapparaat

de 10 meest recente fouten van iedere soort

de eerste fout na de recentste kalibrering

datum en tijdstip begin van de fout

datum en tijdstip einde van de fout

soort fout

type, nummer, lidstaat van afgifte en generatie van de bij het begin en/of het einde van het voorval ingevoerde kaart

3.12.10   Kalibreringsgegevens

119)

Het controleapparaat registreert en bewaart in zijn geheugen gegevens met betrekking tot:

bekende kalibreringsparameters op het moment van activering;

de eerste kalibrering na activering;

de eerste kalibrering in het huidige voertuig (geïdentificeerd door zijn VIN);

de 20 meest recente kalibreringen (wanneer een aantal kalibreringen op dezelfde kalenderdag plaatsvinden, worden alleen de eerste en laatste kalibrering van de dag opgeslagen).

120)

De volgende gegevens moeten bij elke kalibrering worden geregistreerd:

doel van de kalibrering (activering, eerste installatie, installatie, periodieke controle);

naam en adres van de werkplaats;

werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft en de vervaldatum van de kaart;

voertuigidentificatie;

geactualiseerde en bevestigde parameters: w, k, l, bandenmaat, instelling van de snelheidsbegrenzer, kilometerstand (oude en nieuwe waarden), datum en tijdstip (oude en nieuwe waarden);

types en identificatienummers van alle aanwezige verzegelingen.

121)

Bovendien moet het controleapparaat in zijn geheugen de mogelijkheid opslaan en bewaren om tachograafkaarten van de eerste generatie te gebruiken (al dan niet nog geactiveerd).

122)

De bewegingssensor moet de volgende installatiegegevens van de bewegingssensor registreren en in zijn geheugen opslaan:

eerste verbinding met een VU (datum, tijd, goedkeuringsnummer en serienummer van de VU);

laatste verbinding met een VU (datum, tijd, goedkeuringsnummer en serienummer van de VU).

123)

De externe GNSS-module moet de volgende installatiegegevens van de externe GNSS-module opslaan en in zijn geheugen opslaan:

eerste koppeling aan een VU (datum, tijd, goedkeuringsnummer en serienummer van de VU);

laatste koppeling aan een VU (datum, tijd, goedkeuringsnummer en serienummer van de VU).

3.12.11   Tijdafstellingsgegevens

124)

Het controleapparaat registreert en bewaart in zijn geheugen alle gegevens met betrekking tot tijdafstellingen die in de kalibreringsmodus worden uitgevoerd buiten het bestek van een normale kalibrering (def. f):

de meest recente tijdafstelling;

de 5 grootste tijdafstellingen;

125)

Voor elke tijdafstelling worden de volgende gegevens geregistreerd:

datum en tijd, oude waarde;

datum en tijd, nieuwe waarde;

naam en adres van de werkplaats;

werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, de generatie van de kaart en haar vervaldatum;

3.12.12   Gegevens over controleactiviteiten

126)

Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot de 20 meest recente controleactiviteiten registreren en in zijn geheugen opslaan:

datum en tijdstip van de controle;

werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, en de vervaldatum en generatie van de kaart;

aard van de controle (weergeven en/of afdrukken en/of VU-gegevens downloaden en/of kaartgegevens downloaden en/of kalibreringscontrole langs de weg).

127)

Bij het downloaden worden de gegevens van de oudste en van de meest recent gedownloade dagen ook geregistreerd.

3.12.13   Gegevens over bedrijfsvergrendelingen

128)

Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot de 255 recentste bedrijfsvergrendelingen registreren en in zijn geheugen opslaan:

datum en tijdstip van vergrendeling;

datum en tijdstip van ontgrendeling;

bedrijfskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, en de vervaldatum en generatie van de kaart;

naam en adres van het bedrijf.

Gegevens die eerder zijn vergrendeld met een vergrendeling die uit het geheugen is verwijderd omwille van de bovengenoemde beperking, moeten worden behandeld als niet-vergrendeld.

3.12.14   Gegevens over overdrachtactiviteiten

129)

Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot de laatste geheugenoverdracht naar externe media tijdens de bedrijfs- en kalibreringsmodus registreren en in zijn geheugen opslaan:

datum en tijdstip van de overdracht;

bedrijfs- of werkplaatskaartnummer, de lidstaat die de kaart afgeeft, en de vervaldatum en generatie van de kaart;

naam van het bedrijf of de werkplaats.

3.12.15   Gegevens over specifieke omstandigheden

130)

Het controleapparaat moet de volgende gegevens met betrekking tot specifieke omstandigheden in zijn geheugen registreren:

datum en tijdstip van de invoer;

aard van de specifieke omstandigheid.

131)

Het geheugen moet gegevens over specifieke omstandigheden ten minste 365 dagen kunnen bewaren (in de veronderstelling dat gemiddeld 1 omstandigheid per dag wordt geopend en gesloten). Wanneer de opslagcapaciteit volledig is gebruikt, worden de oudste gegevens overschreven door de meest recente.

3.12.16   Gegevens tachograafkaart

132)

Het controleapparaat moet de volgende gegevens kunnen bewaren in verband met de verschillende tachograafkaarten die in de VU zijn gebruikt:

het nummer en serienummer van de tachograafkaart;

de fabrikant van de tachograafkaart;

het type tachograafkaart;

de versie van de tachograafkaart;

133)

Het controleapparaat moet ten minste 88 records kunnen opslaan.

3.13   Lezen van de tachograafkaart

134)

Het controleapparaat moet op tachograafkaarten van de eerste en tweede generatie de noodzakelijke gegevens kunnen lezen van om:

de kaartsoort, de kaarthouder, het eerder gebruikte voertuig, datum en tijdstip van de laatste kaartuitneming en de op dat moment geselecteerde activiteit te identificeren;

om te controleren of de laatste kaartsessie correct is afgesloten;

de rijtijd van de bestuurder, de cumulatieve rustperiode en de cumulatieve rijtijden gedurende de voorafgaande en de lopende week te berekenen;

gevraagde afdrukken met betrekking tot op de bestuurderskaart geregistreerde gegevens te leveren;

een bestuurderskaart naar externe media over te brengen.

Dit voorschrift geldt alleen voor tachografen van de eerste generatie indien het gebruik daarvan niet door een werkplaats is opgeheven.

135)

In het geval van een leesfout moet het controleapparaat dezelfde leesopdracht maximaal drie keer opnieuw uitvoeren. Wanneer de kaart nog steeds niet kan worden gelezen, moet ze defect en ongeldig worden verklaard.

3.14   Registratie en opslag op een tachograafkaart

3.14.1   Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de eerste generatie

136)

Indien het gebruik van tachograafkaarten van de eerste generatie niet door een werkplaats is opgeheven, moet het controleapparaat de gegevens op exact dezelfde manier als controleapparaten van de eerste generatie opslaan en bewaren.

137)

Het controleapparaat moet de „gegevens van de kaartsessie” onmiddellijk na de kaartinvoer op de bestuurderskaart of werkplaatskaart zetten.

138)

Het controleapparaat moet de gegevens die op een geldige bestuurderskaart, bedrijfskaart, werkplaatskaart en/of controlekaart zijn opgeslagen, bijwerken met behulp van alle noodzakelijke gegevens die verband houden met de periode waarin de kaart ingebracht is, en met alle noodzakelijke gegevens betreffende de kaarthouder. In hoofdstuk 4 is gespecificeerd welke gegevens op die kaarten moeten worden opgeslagen.

139)

Het controleapparaat moet de op een geldige bestuurderskaart of werkplaatskaart opgeslagen gegevens over de activiteiten van de bestuurder en plaatsen (zoals gespecificeerd in de punten 4.5.3.1.9 en 4.5.3.1.11) bijwerken; gegevens over activiteiten en plaatsen worden manueel door de kaarthouder ingevoerd.

140)

Alle voorvallen die niet zijn gedefinieerd voor controleapparaten van de eerste generatie worden niet op de bestuurders- en werkplaatskaarten opgeslagen.

141)

Het bijwerken van gegevens op de tachograafkaart moet zodanig gebeuren dat, indien noodzakelijk en rekening houdend met de opslagcapaciteit de oudste gegevens door de nieuwe worden overschreven.

142)

In het geval van een schrijffout moet het controleapparaat dezelfde schrijfopdracht maximaal drie keer opnieuw uitvoeren. Wanneer de fout blijft optreden, moet de kaart defect en ongeldig worden verklaard.

143)

Voordat een bestuurderskaart uitgenomen wordt en nadat alle relevante gegevens op de kaart zijn opgeslagen, moet het controleapparaat de „gegevens van de kaartsessie” terugplaatsen.

3.14.2   Registreren en opslaan op tachograafkaarten van de tweede generatie

144)

Tachograafkaarten van de tweede generatie bevatten 2 verschillende kaarttoepassingen: de eerste is volledig identiek aan de TACHO-toepassing van de eerste generatie tachograafkaarten, de tweede toepassing, „TACHO_G2”, is beschreven in hoofdstuk 4 en aanhangsel 2.

145)

Het controleapparaat moet de „gegevens van de kaartsessie” onmiddellijk na de kaartinvoer op de bestuurderskaart of werkplaatskaart zetten.

146)

Het controleapparaat moet de gegevens die zijn opgeslagen in toepassingen van de tweede generatie op een geldige bestuurderskaart, bedrijfskaart, werkplaatskaart en/of controlekaart, bijwerken met behulp van alle noodzakelijke gegevens die verband houden met de periode waarin de kaart ingebracht is, en met alle noodzakelijke gegevens betreffende de kaarthouder. In hoofdstuk 4 is gespecificeerd welke gegevens op die kaarten moeten worden opgeslagen.

147)

Het controleapparaat moet de op een geldige bestuurderskaart of werkplaatskaart opgeslagen gegevens over de plaatsen van activiteiten van de bestuurder, alsmede de positiegegevens (zoals gespecificeerd in de punten 4.5.3.1.9, 4.5.3.1.11, 4.5.3.2.9 en 4.5.3.2.11) bijwerken; gegevens over activiteiten en plaatsen worden manueel door de kaarthouder ingevoerd.

148)

Het bijwerken van gegevens op de tachograafkaart moet zodanig gebeuren dat, indien noodzakelijk en rekening houdend met de opslagcapaciteit van de kaart, de oudste gegevens door de nieuwe worden overschreven.

149)

In het geval van een schrijffout moet het controleapparaat dezelfde schrijfopdracht maximaal drie keer opnieuw uitvoeren. Wanneer de fout blijft optreden, moet de kaart defect en ongeldig worden verklaard.

150)

Voordat een bestuurderskaart uitgenomen wordt en nadat alle relevante gegevens op de twee kaarttoepassingen van de kaart zijn opgeslagen, moet het controleapparaat de „gegevens van de kaartsessie” terugplaatsen.

3.15   Weergave

151)

Het display moet ten minste 20 tekens bevatten.

152)

De minimale tekengrootte moet 5 mm hoog en 3,5 mm breed zijn.

153)

Het display ondersteunt de tekens die zijn gespecificeerd in aanhangsel 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”. Het display kan vereenvoudigde tekens gebruiken (bijv. letters met een accent kunnen zonder accent worden getoond, of kleine letters kunnen als hoofdletters worden getoond).

154)

Het display moet voorzien zijn van een voldoende sterke, niet verblindende verlichting.

155)

Aanwijzingen moeten aan de buitenzijde van het controleapparaat zichtbaar zijn.

156)

Het controleapparaat moet het volgende kunnen weergeven:

standaardgegevens;

gegevens met betrekking tot waarschuwingssignalen;

gegevens met betrekking tot de toegang tot het menu;

andere door de gebruiker opgevraagde gegevens.

Aanvullende informatie mag door het controleapparaat worden weergegeven indien deze duidelijk te onderscheiden is van de hierboven vermelde vereiste informatie.

157)

Het display van het controleapparaat moet de in aanhangsel 3 vermelde pictogrammen of pictogramcombinaties gebruiken. Extra pictogrammen of pictogramcombinaties mogen ook op het display worden weergegeven wanneer ze duidelijk te onderscheiden zijn van de voornoemde pictogrammen of pictogramcombinaties.

158)

Wanneer het voertuig aan het rijden is, moet het display altijd ingeschakeld zijn.

159)

Het controleapparaat kan over een manuele of automatische voorziening beschikken om het display uit te schakelen wanneer het voertuig stilstaat.

Het formaat van het display is gespecificeerd in aanhangsel 5.

3.15.1   Standaarddisplay

160)

Wanneer geen andere informatie getoond hoeft te worden, geeft het controleapparaat standaard de volgende informatie weer:

de plaatselijke tijd (de uitkomst van UTC-tijd + instelling door de bestuurder);

de werkingsmodus;

de lopende activiteiten van de bestuurder en de lopende activiteiten van de bijrijder;

informatie met betrekking tot de bestuurder:

indien zijn lopende activiteit RIJDEN is: zijn lopende rijtijd en zijn lopende cumulatieve rusttijd;

indien zijn lopende activiteit niet RIJDEN is: de lopende duur van zijn activiteit (sinds deze geselecteerd werd) en zijn lopende cumulatieve rusttijd.

161)

De gegevens met betrekking tot elke bestuurder moeten duidelijk en ondubbelzinnig worden weergegeven. Wanneer de informatie met betrekking tot de bestuurder en de bijrijder niet tegelijkertijd kan worden getoond, geeft het controleapparaat standaard de informatie weer met betrekking tot de bestuurder en kan de gebruiker de informatie met betrekking tot de bijrijder zichtbaar maken.

162)

Als het display niet breed genoeg is om standaard de werkingsmodus weer te geven, moet het controleapparaat kort de nieuwe werkingsmodus weergeven wanneer deze wijzigt.

163)

Het controleapparaat moet bij kaartinvoer kort de naam van de kaarthouder weergeven.

164)

Wanneer een „NIET VERPLICHT” of „FERRY/TREIN”-omstandigheid wordt geopend, moet het standaarddisplay door middel van het relevante pictogram weergeven dat die specifieke omstandigheid geopend is (daarbij wordt aanvaard dat de lopende activiteit van de bestuurder niet tegelijkertijd wordt getoond).

3.15.2   Waarschuwingsdisplay

165)

Het controleapparaat moet waarschuwingssignalen voornamelijk weergeven door middel van de pictogrammen van aanhangsel 3, die waar nodig worden aangevuld met extra numerieke informatie. Een letterlijke beschrijving van de waarschuwing kan in de voorkeurstaal van de bestuurder worden toegevoegd.

3.15.3   Toegang tot het menu

166)

Het controleapparaat moet de benodigde opdrachten door middel van een geschikte menustructuur leveren.

3.15.4   Overige displays

167)

Er kan voor een selectieve weergave worden geopteerd:

de UTC-datum en UTC-tijd, en offset van plaatselijke tijd;

de inhoud van de zes afgedrukte documenten in hetzelfde formaat als de afdrukken zelf;

de ononderbroken rijtijd en cumulatieve rusttijd van de bestuurder;

de ononderbroken rijtijd en cumulatieve rusttijd van de bijrijder;

de cumulatieve rijtijd van de bestuurder van de voorbije en de lopende week;

de cumulatieve rijtijd van de bijrijder van de voorbije en de lopende week;

facultatief:

de lopende duur van activiteit van de bijrijder (sinds die geselecteerd werd);

de cumulatieve rijtijd van de bestuurder van de lopende week;

de cumulatieve rijtijd van de bijrijder voor de lopende dagelijkse werkperiode;

de cumulatieve rijtijd van de bestuurder voor de lopende dagelijkse werkperiode.

168)

De inhoud van de afdrukken moet sequentieel, regel voor regel, worden weergegeven. Indien de breedte van het display minder dan 24 tekens telt, moet de gebruiker de volledige informatie op een geschikte manier (een aantal regels, scrollen, …) aangeboden krijgen.

Afgedrukte regels voor handgeschreven informatie kunnen op het display worden weggelaten.

3.16   Afdrukken

169)

Het controleapparaat moet informatie uit zijn geheugen en/of van de tachograafkaart overeenkomstig de zeven onderstaande documenten afdrukken:

dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder op de kaart;

dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder in de VU;

afdruk van voorvallen en fouten op de kaart;

afdruk van voorvallen en fouten in de VU;

afdruk van technische gegevens;

afdruk van snelheidsoverschrijdingen;

tachograafkaartgegevens voor een bepaalde VU (zie punt 3.12.16).

De gedetailleerde vorm en inhoud van deze afdrukken zijn gespecificeerd in aanhangsel 4.

Aan het einde van de afdruk kunnen aanvullende gegevens worden verstrekt.

Het controleapparaat mag extra afdrukken leveren, indien deze duidelijk te onderscheiden zijn van de zeven voornoemde documenten.

170)

De „dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder op de kaart” en de „afdruk van voorvallen en fouten op de kaart” zijn alleen beschikbaar wanneer een bestuurderskaart of een werkplaatskaart in het controleapparaat ingebracht is. Het controleapparaat werkt de opgeslagen gegevens op de betrokken kaart bij voordat met afdrukken wordt begonnen.

171)

Om de „dagelijkse afdruk van de activiteiten van de bestuurder op de kaart” of de „afdruk van voorvallen en fouten op de kaart” te leveren moet het controleapparaat:

automatisch de bestuurderskaart of de werkplaatskaart selecteren indien een van deze kaarten ingebracht is, dan wel

een opdracht geven om de bronkaart te selecteren of om de kaart in de kaartlezer van de bestuurder te selecteren indien twee kaarten in het controleapparaat zijn ingebracht.

172)

De printer moet 24 tekens per regel afdrukken.

173)

De minimale tekengrootte moet 2,1 mm hoog en 1,5 mm breed zijn.

174)

De printer ondersteunt de tekens zoals gespecificeerd in aanhangsel 1, hoofdstuk 4 „Tekensets”.

175)

De printers zijn zo ontworpen dat zij de bedoelde afdrukken kunnen maken met een dusdanige afdrukscherpte dat leesfouten worden vermeden.

176)

Afmetingen en gegevens moeten bij normale luchtvochtigheid (10-90 %) en temperatuur behouden blijven.

177)

Het door het controleapparaat gebruikte typegekeurde printpapier moet over het relevante typegoedkeuringsmerk beschikken. Daarnaast moet op het papier vermeld staan voor welk(e) type(s) controleapparatuur dit papier geschikt is.

178)

De afdrukken moeten onder normale opslagomstandigheden voor wat betreft lichtsterkte, vochtigheid en temperatuur, gedurende ten minste twee jaar duidelijk leesbaar en identificeerbaar blijven.

179)

Afdrukken moeten ten minste voldoen aan de in aanhangsel 9 gedefinieerde testspecificaties.

180)

Bovendien moeten op deze documenten geschreven aantekeningen, zoals de handtekening van de bestuurder, kunnen worden aangebracht.

181)

Op „paper out” voorvallen tijdens het afdrukken reageert het controleapparaat door, zodra het papier is bijgevuld, het afdrukken vanaf het begin te hernemen of door te gaan met het afdrukken en een ondubbelzinnige referentie naar het reeds afgedrukte gedeelte te geven.

3.17   Waarschuwingen

182)

Het controleapparaat moet de bestuurder waarschuwen als een voorval en/of fout wordt gedetecteerd.

183)

Een waarschuwing met betrekking tot een onderbreking in de stroomvoorziening mag worden uitgesteld totdat de stroomvoorziening is hersteld.

184)

Het controleapparaat moet de bestuurder 15 minuten van tevoren waarschuwen bij een naderende overschrijding van de maximale rijtijd, en op het tijdstip van overschrijding zelf.

185)

Waarschuwingen moeten visueel worden gegeven. Daarnaast kunnen akoestische waarschuwingssignalen worden gegeven.

186)

De visuele waarschuwingssignalen moeten voor de gebruiker duidelijk herkenbaar zijn, ze moeten in het gezichtsveld van de bestuurder liggen en zowel overdag als 's nachts duidelijk leesbaar zijn.

187)

Visuele waarschuwingssignalen kunnen in het controleapparaat ingebouwd zijn en/of zich buiten het controleapparaat bevinden.

188)

In dat geval is een „T”-teken aangebracht.

189)

De waarschuwingssignalen moeten ten minste 30 seconden duren, tenzij de bestuurder deze bevestigt door op een of meer specifieke toetsen van het controleapparaat te drukken. Deze eerste bevestiging mag de getoonde reden van de waarschuwing zoals bedoeld in de volgende alinea niet uitwissen.

190)

De reden van de waarschuwing moet op het controleapparaat worden getoond en zichtbaar blijven totdat de bestuurder deze bevestigt door op een specifieke toets van het controleapparaat te drukken of een opdracht te geven.

191)

Aanvullende waarschuwingssignalen kunnen worden ingebouwd, mits de bestuurder hierdoor niet in verwarring wordt gebracht met betrekking tot de reeds gedefinieerde waarschuwingssignalen.

3.18   Downloaden van gegevens met externe media

192)

Het controleapparaat moet op verzoek vanuit zijn geheugen of vanaf een bestuurderskaart via de kalibrerings-/downloadverbinding gegevens naar externe opslagmedia kunnen doorsturen. Het controleapparaat werkt de opgeslagen gegevens op de betrokken kaart bij voordat met het downloaden van gegevens wordt begonnen.

193)

Verder is er een optie waardoor het controleapparaat in elke werkingsmodus gegevens via een willekeurig ander middel naar een door dit kanaal geauthenticeerd bedrijf kan doorsturen. In dit geval zijn de gegevenstoegangsrechten in de bedrijfsmodus van toepassing op de gegevensoverdracht.

194)

Opgeslagen gegevens worden door het downloaden niet gewijzigd of verwijderd.

195)

De elektrotechnische interface van de kalibrerings-/downloadverbinding is gespecificeerd in aanhangsel 6.

196)

Downloadprotocollen zijn gespecificeerd in aanhangsel 7.

3.19   Communicatie op afstand met het oog op gerichte wegcontroles

197)

Wanneer de motor aan staat, bewaart de voertuigunit in het systeem voor communicatie op afstand om de 60 seconden de recentste gegevens die nodig zijn voor gerichte wegcontroles. Die gegevens worden versleuteld en ondertekend overeenkomstig de aanhangsels 11 en 14.

198)

Gegevens die op afstand moeten worden gecontroleerd, kunnen via een draadloze verbinding worden gelezen door de in aanhangsel 14 gespecificeerde apparatuur.

199)

De gegevens die nodig zijn voor gerichte wegcontroles hebben betrekking op:

de recentste inbreuk op de beveiliging;

de langste stroomstoring;

fout in de sensor;

fout in de bewegingsgegevens;

tegenstrijdige bewegingsgegevens;

rijden zonder geldige kaart;

invoeren van een kaart tijdens het rijden;

tijdafstellingsgegevens;

kalibreringsgegevens, waaronder de datums van de laatste twee bewaarde kalibreringsrecords;

het voertuigkenteken;

de door de tachograaf geregistreerde snelheid.

3.20   Doorsturen van gegevens naar aanvullende externe apparaten

200)

Het controleapparaat kan worden uitgerust met gestandaardiseerde interfaces die ervoor zorgen dat een extern apparaat gebruik kan maken van de door tachografen in operationele of kalibreringsmodus geregistreerde of gegenereerde gegevens.

Aanhangsel 13 bevat specificaties en normen voor een facultatieve ITS-interface. Andere vergelijkbare interfaces zijn eveneens toegestaan indien zij volledig voldoen aan de vereisten van aanhangsel 13 inzake de minimumlijst van gegevens, beveiliging en instemming door de bestuurder.

De volgende eisen zijn van toepassing voor ITS-gegevens die via die interface worden verstrekt:

de gegevens zijn een set geselecteerde bestaande data uit de data dictionary van de tachograaf (aanhangsel 1);

een deel van die geselecteerde gegevens zijn aangeduid als „persoonsgegevens”;

de subset van „persoonsgegevens” is alleen beschikbaar na de controleerbare bevestiging door de bestuurder dat hij ermee instemt dat zijn persoonsgegevens desgevallend het voertuignetwerk kunnen verlaten;

wanneer de bestuurderskaart is ingebracht, kan de bestuurder op elk moment via het menu zijn instemming geven of intrekken;

de dataset en -subset worden in een straal rond de cabine van het voertuig verzonden via het draadloos bluetoothprotocol en om de minuut bijgewerkt;

de verbinding tussen het extern apparaat en de ITS-interface wordt beveiligd door een specifieke willekeurige PIN-code van minstens 4 cijfers, die via het display van elke voertuigunit wordt opgeslagen en kan worden geraadpleegd;

de ITS-interface mag de correcte werking en beveiliging van de voertuigunit in geen geval verstoren of aantasten.

Bovenop de set van geselecteerde bestaande gegevens, die als minimumlijst geldt, mogen aanvullende gegevens worden doorgestuurd voor zover het niet om persoonsgegevens gaat.

Het controleapparaat informeert andere apparaten over de instemming van de bestuurder.

Wanneer het contact van het voertuig AAN staat, worden die gegevens permanent doorgestuurd.

201)

Om de achterwaartse compatibiliteit te waarborgen mogen tachografen ook worden voorzien van de in bijlage 1B van Verordening (EEG) nr. 3821/85, als laatstelijk gewijzigd, gespecificeerde seriële verbinding. Voor de verzending van persoonsgegevens is steeds de instemming van de bestuurder vereist.

3.21   Kalibrering

202)

De kalibreringsfunctie moet:

de bewegingssensor automatisch aan de VU koppelen;

de externe GNSS-module desgevallend automatisch koppelen aan de VU;

de constante van het controleapparaat (k) digitaal aanpassen aan de kenmerkende coëfficiënt van het voertuig (w);

de huidige tijd aanpassen binnen de geldigheidsperiode van de ingebrachte werkplaatskaart;

de lopende kilometerstand bijstellen;

de in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens van de bewegingssensor bijwerken;

de in het geheugen opgeslagen identificatiegegevens van de externe GNSS-module bijwerken;

types en identificatienummers van alle aanwezige verzegelingen bijwerken;

andere parameters van het controleapparaat bijwerken of bevestigen: VIN van het voertuig, w, l, bandenmaat en instelling van de snelheidsbegrenzer, indien van toepassing.

203)

Indien de voorwaarden van aanhangsel 15 zijn vervuld, moet de kalibreringsfunctie het bovendien mogelijk maken het gebruik van tachograafkaarten van de eerste generatie in het controleapparaat op te heffen.

204)

Het verbinden van de bewegingssensor met de VU omvat ten minste:

het bijwerken van installatiegegevens van de bewegingssensor die door de bewegingssensor worden bewaard (indien nodig);

het kopiëren van essentiële identificatiegegevens van de bewegingssensor naar het geheugen van de VU.

205)

Het koppelen van de externe GNSS-module aan de VU omvat ten minste:

het bijwerken van de installatiegegevens van de externe GNSS-module die in dat systeem zijn opgeslagen (indien nodig);

het kopiëren van de vereiste identificatiegegevens van de externe GNSS-module naar het geheugen van de VU, met inbegrip van het serienummer van de externe GNSS-module.

Na de koppeling wordt de GNSS-positie-informatie geverifieerd.

206)

De kalibreringsfunctie kan via de kalibrerings-/downloadverbinding essentiële gegevens invoeren in overeenstemming met het in aanhangsel 8 gedefinieerde kalibreringsprotocol. Met de kalibreringsfunctie kunnen ook op andere manieren essentiële gegevens worden ingevoerd.

3.22   Kalibreringscontrole langs de weg

207)

Via de functie voor kalibreringscontroles langs de weg moet het mogelijk zijn de serienummers van de op het moment van het verzoek aan de VU gekoppelde bewegingssensor (al dat niet geïntegreerd in de adapter) en van de externe GNSS-module (indien aanwezig) op te vragen.

208)

De nummers moeten op het display van de voertuigunit minstens kunnen worden gelezen via commando's in de menu's.

209)

Met de functie kalibreringscontrole langs de weg moet de I/O-modus van de in aanhangsel 6 gespecificeerde I/O-signaallijn voor kalibrering via de K-lijninterface kunnen worden geselecteerd. Dat gebeurt via de EDU/Adjustment/Sessie als gespecificeerd in aanhangsel 8, deel 7 „Controle van testpulsen — invoer-/uitvoercontrole functionele unit”.

3.23   Tijdafstelling

210)

Met de tijdafstellingsfunctie kan de lopende tijd worden bijgesteld. De tijdafstelling gebeurt op basis van twee tijdsregistratiebronnen in het controleapparaat: 1) de interne klok van de VU, 2) de GNSS-ontvanger.

211)

De tijdsbepaling van de interne klok van de VU wordt met intervallen van maximum 12 uur automatisch bijgewerkt. Wanneer die termijn verstreken is en er geen GNSS-signaal beschikbaar is, gebeurt de tijdafstelling zodra de VU toegang krijgt tot een geldige tijdsaanduiding van de GNSS-ontvanger, naargelang het contact al dan niet aan staat. De referentietijd voor de automatische tijdafstelling van de interne klok van de VU wordt afgeleid van de GNSS-ontvanger. Er treedt een tijdsconflict op wanneer de huidige tijd meer dan één (1) minuut afwijkt van de tijdsinformatie die de GNSS-ontvanger verstrekt.

212)

In de kalibreringsmodus kan de tijdafstellingsfunctie voor de bijwerking van de huidige tijd worden geactiveerd.

3.24   Prestatiekenmerken

213)

De voertuigunit moet volledig operationeel zijn bij temperaturen van – 20 °C tot 70 °C, de externe GNSS-module bij temperaturen van – 20 °C tot 70 °C, en de bewegingssensor bij temperaturen van – 40 °C tot 135 °C. De gegevens in het geheugen worden bewaard tot een temperatuur van – 40 °C.

214)

De tachograaf moet correct functioneren binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 %.

215)

De in slimme tachografen gebruikte zegels moeten bestand zijn tegen dezelfde omstandigheden als die welke gelden voor de onderdelen waarop ze zijn aangebracht.

216)

Het controleapparaat moet worden beveiligd tegen overspanning, polariteitsomkering en kortsluiting.

217)

De bewegingssensoren moeten:

reageren op een magnetisch veld dat de detectie van beweging van het voertuig stoort. In dat geval wordt door de voertuigunit een fout in de sensor (voorschrift 88) geregistreerd en opgeslagen, ofwel

een aftastelement bevatten dat beschermd is tegen, of ongevoelig is voor, een magnetisch veld.

218)

Het controleapparaat en de externe GNSS-module moeten voldoen aan het internationaal Reglement VN-ECE R10 en beveiligd zijn tegen elektrostatische ontladingen en stootspanning.

3.25   Materialen

219)

Alle onderdelen van het controleapparaat moeten uitgevoerd zijn in materiaal van voldoende stabiliteit en mechanische sterkte en met onveranderlijke elektrische en magnetische eigenschappen.

220)

Alle inwendige delen van het apparaat moeten bij normale gebruiksomstandigheden beschermd zijn tegen vocht en stof.

221)

De voertuigunit en de externe GNSS-module moeten voldoen aan beschermingsklasse IP 40 en de bewegingssensor moet voldoen aan beschermingsklasse IP 64, volgens IEC-norm IEC 60529:1989, m.i.v. A1:1999 en A2:2013.

222)

Het ergonomisch ontwerp van het controleapparaat moet voldoen aan de toepasselijke technische specificaties.

223)

Het controleapparaat moet worden beschermd tegen onopzettelijke beschadiging.

3.26   Opschriften

224)

Indien het controleapparaat de kilometerstand en snelheid van het voertuig weergeeft, moeten onderstaande aanduidingen op het display voorkomen:

bij het getal voor de afstandsaanduiding, de voor het meten van de afstand gebruikte eenheid, weergegeven door het symbool „km”;

bij het getal voor de snelheidsaanduiding, de aanduiding „km/h”.

Het controleapparaat kan ook de snelheid in mijl per uur weergeven, in dat geval wordt voor de snelheidsaanduiding het symbool „mph” gebruikt. Het controleapparaat kan ook de afstand in mijl per uur weergeven, in welk geval voor de afstand het symbool „mi” gebruikt wordt.

225)

Een identificatieplaatje met de volgende gegevens moet op elk afzonderlijk samenstellend deel van het controleapparaat worden aangebracht:

naam en adres van de fabrikant van het apparaat;

onderdeelnummer en bouwjaar van het apparaat;

serienummer van het apparaat;

goedkeuringsmerk van het type apparaat.

226)

Wanneer er onvoldoende fysieke ruimte is voor alle voornoemde gegevens, moeten op het identificatieplaatje ten minste voorkomen: de naam of het logo van de fabrikant en het onderdeelnummer van het apparaat.

4   FUNCTIONELE EN CONSTRUCTIE-EISEN VOOR TACHOGRAAFKAARTEN

4.1   Zichtbare gegevens

De voorzijde bevat:

227)

de woorden „Bestuurderskaart”, „Controlekaart”, „Werkplaatskaart” dan wel „Bedrijfskaart”, in hoofdletters, gedrukt in de officiële taal/talen van de lidstaat die de kaart afgeeft;

228)

de naam van de lidstaat die de kaart afgeeft (facultatief);

229)

het kenteken van de lidstaat die de kaart afgeeft, negatief afgedrukt in een door twaalf gele sterren omringde blauwe rechthoek. De kentekens zijn:

B

BG

CZ

CY

België

Bulgarije

Tsjechië

Cyprus

LV

L

LT

M

Letland

Luxemburg

Litouwen

Malta

DK

Denemarken

NL

Nederland

D

EST

Duitsland

Estland

A

PL

Oostenrijk

Polen

GR

Griekenland

P

RO

SK

SLO

Portugal

Roemenië

Slowakije

Slovenië

E

Spanje

FIN

Finland

F

HR

H

Frankrijk

Kroatië

Hongarije

S

Zweden

IRL

Ierland

UK

Verenigd Koninkrijk

I

Italië

 

 

230)

de gegevens die specifiek zijn voor de afgegeven kaart, met de volgende nummers:

 

Bestuurderskaart

Controlekaart

Bedrijfs- of Werkplaatskaart

1.

Naam bestuurder

Naam controle-instantie

Naam bedrijf of werkplaats

2.

Voorna(a)men van de bestuurder

Naam controleur

(indien van toepassing)

Naam kaarthouder

(indien van toepassing)

3.

Geboortedatum van de bestuurder

Voorna(a)men controleur

(indien van toepassing)

Voorna(a)m(en) kaarthouder

(indien van toepassing)

4.a

Datum van afgifte van de kaart

4.b

Vervaldatum van de kaart

4.c

Naam van de bevoegde instantie die het rijbewijs afgeeft (mag op achterzijde worden afgedrukt)

4.d

Een ander nummer dan dat in rubriek 5, dat nuttig is voor de administratie van de kaart (facultatief)

5. a

Nummer van het rijbewijs

(op het moment van afgifte van de bestuurderskaart)

5. b

Kaartnummer

6.

Foto bestuurder

Foto controleur (facultatief)

Foto installateur (facultatief)

7.

Handtekening houder (facultatief)

8.

Woon- of verblijfplaats of postadres van de houder (facultatief)

Postadres controle-instantie

Postadres bedrijf of werkplaats

231)

datums worden geschreven in het formaat „dd/mm/jjjj” of „dd.mm.jjjj” (dag, maand, jaar).

De achterkant bevat:

232)

een toelichting bij de genummerde rubrieken op kant 1 van de kaart;

233)

Zo nodig, en met de uitdrukkelijke schriftelijke instemming van de houder, kunnen gegevens die geen verband houden met de administratie van de kaart in deze ruimte worden opgenomen; de toevoeging van deze vermeldingen heeft geen gevolgen voor het gebruik van het model als tachograafkaart.

234)

Tachograafkaarten moeten worden gedrukt met de volgende achtergrondkleuren:

—   bestuurderskaart: wit,

—   controlekaart: blauw,

—   werkplaatskaart: rood,

—   bedrijfskaart: geel.

235)

Tachograafkaarten moeten ten minste de volgende eigenschappen hebben om de kaart te beschermen tegen vervalsing en misbruik:

een beveiligd achtergrondontwerp met fijne guillochepatronen en regenboogdruk,

bij de foto moeten het beveiligd achtergrondontwerp en de foto elkaar overlappen,

ten minste één tweekleurige microzeefdrukregel.

Image

236)

Na overleg met de Commissie kunnen lidstaten kleuren of aanduidingen, zoals nationale symbolen of beveiligingstekens, toevoegen, onverminderd de andere bepalingen van deze bijlage.

237)

Tijdelijke kaarten als bedoeld in artikel 26, lid 4, van Verordening (EU) nr. 165/2014 moeten voldoen aan de bepalingen in deze bijlage.

4.2   Beveiliging

De beveiliging van het systeem beoogt het beschermen van de integriteit en authenticiteit van de tussen de kaarten en het controleapparaat uitgewisselde gegevens, het beschermen van de integriteit en authenticiteit van de gegevens die van de kaarten worden gedownload, het beletten van bepaalde schrijfopdrachten op de kaarten door andere apparaten dan controleapparaten, het coderen van bepaalde gegevens, het uitsluiten van mogelijke vervalsing van op de kaarten opgeslagen gegevens, alsmede het voorkomen van manipulaties en het detecteren van pogingen daartoe.

238)

Teneinde het systeem te beveiligen, moeten tachograafkaarten voldoen aan de in de aanhangsels 10 en 11 vastgestelde beveiligingseisen.

239)

Tachograafkaarten moeten door andere apparatuur, zoals computers, kunnen worden gelezen.

4.3   Normen

240)

Tachograafkaarten moeten voldoen aan de volgende normen:

ISO/IEC 7810 Identificatiekaarten — Fysieke kenmerken

ISO/IEC 7816 Identificatiekaarten — Kaarten met geïntegreerde schakeling(en)

Deel 1: Fysieke kenmerken,

Deel 2: Afmetingen en plaats van de contacten (ISO/IEC 7816-2:2007),

Deel 3: Elektrische eigenschappen van de contacten, transmissieprotocollen (ISO/IEC 7816-3:2006),

Deel 4: Inhoud van de communicatie, datastructuur van de chipkaart, veiligheidsarchitectuur en toegangsmechanismen (ISO/IEC 7816-4:2013 + Cor 1:2014),

Deel 6: Interindustriële data-uitwisselingselementen (ISO/IEC 7816-6:2004 + Cor 1:2006),

Deel 8: Veiligheidsrelevante commando's (ISO/IEC 7816-8:2004).

Tachograafkaarten worden getest overeenkomstig ISO/IEC 10373-3:2010 Identificatiekaarten — Testmethodes — deel 3: Kaarten met geïntegreerde schakeling(en) met contacten en gerelateerde interfaces.

4.4   Milieu- en elektrotechnische specificaties

241)

De tachograafkaart moet onder alle klimatologische omstandigheden die zich normaliter op het grondgebied van de Gemeenschap voordoen, en ten minste binnen het temperatuurbereik van – 25 °C tot + 70 °C met incidentele pieken tot + 85 °C naar behoren kunnen functioneren; „incidenteel” betekent niet meer dan 4 uur per keer en niet meer dan 100 keer tijdens de levensduur van de kaart.

242)

Tachograafkaarten moeten binnen het vochtigheidsbereik van 10 % tot 90 % naar behoren kunnen functioneren.

243)

Tachograafkaarten moeten vijf jaar lang naar behoren kunnen functioneren indien de vastgestelde milieu- en elektrotechnische grenswaarden niet overschreden worden.

244)

Tijdens de werking moeten tachograafkaarten voldoen aan de ECE-norm R10 inzake elektromagnetische compatibiliteit en moeten de kaarten beveiligd zijn tegen elektrostatische ontladingen.

4.5   Opslag van gegevens

Voor de toepassing van dit punt

wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 minuut, tenzij anders gespecificeerd;

worden kilometerstanden geregistreerd met een resolutie van 1 kilometer;

wordt de snelheid geregistreerd met een resolutie van 1 km/h;

worden posities (lengte en breedte) geregistreerd in graden en minuten, met een resolutie van 1/10 minuut.

De functies, opdrachten en logische structuren van de tachograafkaart die voldoen aan de gegevensopslageisen, zijn gespecificeerd in aanhangsel 2.

Tenzij anders bepaald, worden gegevens op tachograafkaarten op dusdanige wijze opgeslagen dat de oudste gegevens door nieuwe worden overschreven wanneer de beschikbare geheugenruimte voor bepaalde records op is.

245)

Dit punt specificeert de minimale opslagcapaciteit voor de verschillende gegevensbestanden. Tachograafkaarten moeten de effectieve opslagcapaciteit van deze gegevensbestanden aan het controleapparaat meedelen.

246)

De opslag van aanvullende gegevens op tachograafkaarten, in verband met eventuele andere toepassingen waarvoor de kaart als drager fungeert, gebeurt met inachtneming van Richtlijn 95/46/EG, Richtlijn 2002/58/EG en artikel 7 van Verordening (EU) nr. 165/2014.

247)

Elk stambestand (master file, MF) van een tachograafkaart bevat tot vijf hoofdbestanden (elementary files, EF) voor het beheer van de kaart en de identificatie van de toepassing en chip, en twee toepassingsgerichte bestanden (dedicated files, DF):

DF tachograaf bevat de toepassing die toegankelijk is voor voertuigunits van de eerste generatie en staat ook op de eerste generatie tachograafkaarten;

DF tachograaf_G2 bevat de toepassing die alleen toegankelijk is voor voertuigunits van de tweede generatie en staat alleen op tachograafkaarten van de tweede generatie.

De volledige structuur van de tachograafkaarten is gespecificeerd in aanhangsel 2.

4.5.1   Hoofdbestanden voor identificatie en kaartbeheer

4.5.2   IC-kaartidentificatie

248)

Tachograafkaarten moeten de volgende smartcard-identificatiegegevens kunnen opslaan:

klokstop;

serienummer van de kaart (inclusief productiereferenties);

typegoedkeuringsnummer van de kaart;

persoonlijke identificatie van de kaart (ID);

embedder ID;

IC-identificatiesymbool;

4.5.2.1   Chipidentificatie

249)

Tachograafkaarten moeten de volgende identificatiegegevens van het Integrated Circuit (IC) kunnen opslaan:

IC-serienummer,

IC-productiereferenties.

4.5.2.2   DIR (alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede generatie)

250)

Tachograafkaarten moeten de in aanhangsel 2 gespecificeerde toepassingsidentificatiegegevensobjecten kunnen opslaan.

4.5.2.3   ATR-informatie (voorwaardelijk, alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede generatie)

251)

Tachograafkaarten moeten de volgende uitgebreide informatiegegevensobjecten kunnen opslaan:

wanneer de tachograafkaart uitgebreide velden ondersteunt, het in aanhangsel 2 gespecificeerde uitgebreide informatiegegevensobject.

4.5.2.4   Uitgebreide informatie (voorwaardelijk, alleen aanwezig in tachograafkaarten van de tweede generatie)

252)

Tachograafkaarten moeten de volgende uitgebreide informatiegegevensobjecten kunnen opslaan:

wanneer de tachograafkaart uitgebreide velden ondersteunt, de in aanhangsel 2 gespecificeerde uitgebreide informatiegegevensobjecten.

4.5.3   Bestuurderskaart

4.5.3.1   Tachograaftoepassingen (toegankelijk voor voertuigunits van de eerste en tweede generatie)

4.5.3.1.1   Toepassingsidentificatie

253)

Een bestuurderskaart moet de volgende toepassingsidentificatiegegevens kunnen opslaan:

toepassingsidentificatie van de tachograaf;

type tachograafkaartidentificatie.

4.5.3.1.2   Sleutels en certificaten

254)

Een bestuurderskaart moet een aantal cryptografische sleutels en certificaten kunnen opslaan overeenkomstig de specificaties in aanhangsel 11, deel A.

4.5.3.1.3   Identificatie van de kaart

255)

Een bestuurderskaart moet de volgende kaartidentificatiegegevens kunnen opslaan:

kaartnummer;

lidstaat van afgifte, instantie van afgifte, datum van afgifte;

datum van afgifte en vervaldatum van de kaart.

4.5.3.1.4   Identificatie van de kaarthouder

256)

Een bestuurderskaart moet de volgende identificatiegegevens van de kaarthouder kunnen opslaan:

naam van de houder;

voorna(a)m(en) van de houder;

geboortedatum;

voorkeurstaal.

4.5.3.1.5   Kaartgegevens downloaden

257)

Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens inzake downloads opslaan:

datum en tijdstip van het downloaden van de laatste kaart (voor andere doeleinden dan controle).

258)

Een bestuurderskaart moet één van deze records kunnen bewaren.

4.5.3.1.6   Informatie over het rijbewijs

259)

Een bestuurderskaart moet de volgende rijbewijsgegevens kunnen opslaan:

lidstaat van afgifte, autoriteit van afgifte;

rijbewijsnummer (op het moment van afgifte van de kaart).

4.5.3.1.7   Gegevens over voorvallen

Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 seconde.

260)

Een bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan over de volgende voorvallen die door het controleapparaat gedetecteerd zijn terwijl de kaart was ingebracht:

tijdsoverlapping (indien deze kaart het voorval heeft veroorzaakt);

kaartinvoer tijdens het rijden (indien het voorval betrekking heeft op deze kaart);

laatste kaartsessie niet correct afgesloten (indien het voorval betrekking heeft op deze kaart);

onderbreking in de stroomvoorziening;

fout in de bewegingsgegevens;

pogingen tot inbreuk in de beveiliging:

261)

Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze voorvallen kunnen opslaan:

code van het voorval;

datum en tijdstip van het begin van het voorval (of van de kaartinvoer indien het voorval op dat moment plaatsvond);

datum en tijdstip van het einde van het voorval (of van de kaartinvoer indien het voorval op dat moment plaatsvond);

kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin het voorval plaatsvond.

Aantekening: in het geval van „tijdsoverlapping”:

moeten de datum en het tijdstip van het begin van het voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip waarop de kaart uit het vorige voertuig is uitgenomen;

moeten de datum en het tijdstip van het einde van het voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van kaartinvoer in het huidige voertuig;

moeten de voertuiggegevens overeenkomen met die van het voertuig dat het voorval heeft veroorzaakt.

Aantekening: in het geval van „laatste kaartsessie niet correct afgesloten”:

moeten de datum en het tijdstip van het begin van het voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van kaartinvoer van de sessie die niet correct afgesloten is;

moeten de datum en het tijdstip van het einde van het voorval overeenkomen met de datum en het tijdstip van kaartinvoer van de sessie tijdens welke het voorval ontdekt werd (lopende sessie);

moeten de voertuiggegevens overeenkomen met het voertuig waarin de sessie niet correct werd afgesloten.

262)

Een bestuurderskaart moet gegevens over de 6 meest recente voorvallen van elke soort (d.w.z. 36 voorvallen) kunnen opslaan.

4.5.3.1.8   Gegevens over fouten

Voor de toepassing van dit punt wordt de tijd geregistreerd met een resolutie van 1 seconde.

263)

Een bestuurderskaart moet gegevens kunnen opslaan met betrekking tot de volgende fouten die het controleapparaat heeft gedetecteerd terwijl de kaart was ingebracht:

kaartfout (indien die kaart aanleiding is voor het voorval);

fout in controleapparaat.

264)

Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens over deze fouten kunnen opslaan:

foutcode;

datum en tijdstip van het begin van de fout (of van de kaartinvoer indien de fout reeds eerder is begonnen);

datum en tijdstip van het einde van de fout (of van de kaartuitneming indien de fout daarna blijft voortduren);

kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin de fout optrad.

265)

Een bestuurderskaart moet gegevens over de twaalf meest recente fouten van elke soort (d.w.z. 24 fouten) kunnen opslaan.

4.5.3.1.9   Gegevens over de activiteiten van de bestuurder

266)

Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens kunnen opslaan voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt gebruikt of waarvoor de bestuurder manueel activiteiten heeft ingevoerd:

de datum;

een dagelijkse aanwezigheidsteller (met één verhoogd voor elk van de betrokken kalenderdagen);

de totale afstand die de bestuurder gedurende deze dag heeft afgelegd;

de bestuurdersstatus om 00.00 uur;

wanneer de bestuurder zijn activiteiten wijzigt en/of wanneer de status van de bestuurder verandert en/of wanneer hij zijn kaart heeft ingevoerd of uitgenomen:

de status van de bestuurder (ALLEEN/TEAM);

de lezer (BESTUURDER, BIJRIJDER);

de status van de kaart (INGEVOERD, NIET INGEVOERD);

de activiteiten (RIJDEN, BESCHIKBAARHEID, WERKEN, ONDERBREKING/RUST);

het tijdstip van de wijziging.

267)

Het geheugen van de bestuurderskaart moet de gegevens over de activiteiten van de bestuurder ten minste 28 dagen bewaren (een bestuurder wijzigt zijn activiteiten gemiddeld 93 keer per dag).

268)

De in de voorschriften 261, 264 en 266 genoemde gegevens moeten zodanig worden opgeslagen dat de activiteiten in de volgorde van optreden kunnen worden opgezocht, zelfs in het geval van tijdsoverlapping.

4.5.3.1.10   Gegevens over de gebruikte voertuigen

269)

Een bestuurderskaart moet voor elke kalenderdag waarop de kaart wordt gebruikt, en voor elke gebruiksperiode van een bepaald voertuig op die dag (deze periode omvat de opeenvolgende cycli van inbrengen en uitnemen van de betrokken kaart in het voertuig) de volgende gegevens kunnen opslaan:

datum en tijdstip van het eerste gebruik van het voertuig (d.w.z. de eerste kaartinvoer voor deze gebruiksperiode van het voertuig, of 00.00 uur wanneer de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);

kilometerstand van het voertuig op dat moment;

datum en tijdstip van het laatste gebruik van het voertuig (d.w.z. de laatste kaartuitneming voor deze gebruiksperiode van het voertuig of 23.59 uur wanneer de gebruiksperiode op dat moment voortduurt);

kilometerstand van het voertuig op dat moment;

kentekennummer en lidstaat waar het voertuig geregistreerd is.

270)

Een bestuurderskaart moet ten minste 84 gebruiksrecords kunnen opslaan.

4.5.3.1.11   Plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen

271)

Een bestuurderskaart moet de volgende door de bestuurder ingevoerde gegevens betreffende de plaatsen waar dagelijkse werkperioden beginnen en/of eindigen, kunnen opslaan:

datum en tijdstip van de invoer (of datum/tijd van de invoer indien deze manueel gebeurt);

het type invoer (begin of einde, omstandigheid van invoer);

het ingevoerde land en de ingevoerde regio;

de kilometerstand van het voertuig.

272)

Het geheugen van de bestuurderskaart moet ten minste 42 paar records kunnen bewaren.

4.5.3.1.12   Gegevens over kaartsessies

273)

Een bestuurderskaart moet gegevens opslaan met betrekking tot het voertuig waarin de lopende sessie geopend is:

datum en tijdstip waarop de sessie werd geopend (d.w.z. kaartinvoer), met een resolutie van één seconde;

kentekennummer en lidstaat van registratie.

4.5.3.1.13   Gegevens over controleactiviteiten

274)

Een bestuurderskaart moet de volgende gegevens met betrekking tot controleactiviteiten opslaan:

datum en tijdstip van de controle;

controlekaartnummer en lidstaat die de kaart heeft afgegeven;

soort controle (weergeven en/of printen en/of downloaden van VU en/of kaart (zie opmerking));

gedownloade periode, in het geval van downloaden;

kentekennummer en lidstaat van registratie van het voertuig waarin de controle plaatsvond.