EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016R0445

Verordening (EU) 2016/445 van de Europese Centrale Bank van 14 maart 2016 betreffende de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2016/4)

OJ L 78, 24.3.2016, p. 60–73 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 04/04/2022

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2016/445/oj

24.3.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 78/60


VERORDENING (EU) 2016/445 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 14 maart 2016

betreffende de wijze waarop gebruik wordt gemaakt van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt (ECB/2016/4)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (1), met name artikel 4, lid 3, artikel 6 en artikel 9, leden 1 en 2,

Gezien Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (2), en met name artikel 89, lid 3, artikel 178, lid 1, artikel 282, lid 6, artikel 327, lid 2, artikel 380, artikel 395, lid 1, artikel 400, lid 2, artikel 415, lid 3, artikel 420, lid 2, artikel 467, lid 3, artikel 468, lid 3, artikel 471, lid 1, artikel 473, lid 1, artikel 478, lid 3, artikel 479, leden 1 en 4, artikel 480, lid 3, artikel 481, leden 1 en 5, artikel 486, lid 6, en artikel 495, lid 1,

Gezien Uitvoeringsverordening (EU) nr. 650/2014 van 4 juni 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot het format, de structuur, de inhoudsopgave en de jaarlijkse publicatiedatum van de informatie die door de bevoegde autoriteiten openbaar moet worden gemaakt overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), met name artikel 2 en bijlage II,

Gezien Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van de Commissie van 10 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met betrekking tot het liquiditeitsdekkingsvereiste voor kredietinstellingen (4), met name artikel 12, lid 3, en artikel 23, lid 2, en artikel 24, leden 4 en 5,

Gezien de openbare raadpleging en analyse die overeenkomstig artikel 4, lid 3, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 zijn uitgevoerd,

Gezien het voorstel van de raad van toezicht dat overeenkomstig artikel 26, lid 7, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 werd goedgekeurd,

Overwegende:

(1)

De Europese Centrale Bank (ECB) is bevoegd om overeenkomstig artikel 132 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie verordeningen vast te stellen. Door te verwijzen naar artikel 25.2 van de ESCB-statuten bekleden artikel 132 van het Verdrag en artikel 34 van de Statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank („de ESCB-statuten”) de ECB bovendien met regelgevende bevoegdheden voor zover noodzakelijk voor de uitvoering van specifieke taken aangaande beleid met betrekking tot bedrijfseconomisch toezicht op kredietinstellingen.

(2)

Aangaande prudentiële vereisten voor kredietinstellingen voorziet de Uniewetgeving in keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die bevoegde autoriteiten kunnen gebruiken.

(3)

De ECB is in de deelnemende lidstaten de bij relevant Unierecht ingestelde bevoegde autoriteit voor de uitvoering van haar microprudentiële taken binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme (GTM) krachtens Verordening (EU) nr. 1024/2013 ten aanzien van kredietinstellingen die zijn ingedeeld als belangrijk overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en deel IV en artikel 147, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/17) (5). De ECB beschikt derhalve over alle bevoegdheden en verplichtingen die bevoegde autoriteiten uit hoofde van relevant Unierecht hebben. Met name is de ECB bevoegd gebruik te maken van de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt.

(4)

De ECB voert haar toezichttaken uit binnen het GTM, hetgeen moet verzekeren dat het Uniebeleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen coherent en doeltreffend wordt uitgevoerd, dat het „single rulebook” voor financiële diensten op dezelfde wijze wordt toegepast op kredietinstellingen in alle betrokken lidstaten, en dat op die kredietinstellingen toezicht van de hoogste kwaliteit van toepassing is. Bij de uitoefening van toezichttaken moet de ECB terdege rekening houden met de diversiteit van de kredietinstellingen en met hun omvang en bedrijfsmodellen, alsmede met de systeemvoordelen van diversiteit in de banksector van de Unie.

(5)

Teneinde ervoor te zorgen dat er gedurende een overgangsperiode een geleidelijke convergentie ontstaat tussen het niveau van het eigen vermogen en de prudentiële aanpassingen van de definitie van eigen vermogen in de hele Unie en aanpassingen van de definitie van eigen vermogen in het Unierecht, moeten de eigenvermogensvereisten van deze verordening stapsgewijs worden ingevoerd.

(6)

De consistente toepassing van prudentiële vereisten voor kredietinstellingen in de aan het GTM deelnemende lidstaten is een specifieke doelstelling van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) en is opgedragen aan de ECB.

(7)

Overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1024/2013 geeft de ECB uitvoering aan alle relevante Unierecht, en indien dat Unierecht richtlijnen betreft, aan de nationale wetgeving ter uitvoering van die richtlijnen. Indien het toepasselijke Unierecht bestaat uit verordeningen en die verordeningen de lidstaten thans uitdrukkelijk keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte toekennen, moet de ECB tevens uitvoering geven aan de van die keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte gebruikmakende nationale wetgeving. Die nationale wetgeving moet de goede werking van het GTM, waarvoor de ECB verantwoordelijk is, niet aantasten.

(8)

Die keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte omvatten niet die keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die slechts ter beschikking van de bevoegde autoriteiten staan, waarvan de ECB als exclusief bevoegde gebruik mag maken en moet gebruiken, indien toepasselijk.

(9)

Bij het gebruiken van keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte moet de ECB als bevoegde autoriteit rekening houden met de algemene beginselen van Unierecht, met name gelijke behandeling, evenredigheid en de gerechtvaardigde verwachtingen van onder toezicht staande kredietinstellingen.

(10)

Aangaande de gerechtvaardigde verwachtingen van onder toezicht staande kredietinstellingen erkent de ECB dat het noodzakelijk is overgangsperiodes toe te staan, indien haar gebruik van keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte significant afwijkt van de door de nationaal bevoegde autoriteiten voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening gevolgde benadering. Deze verordening moet passende overgangsperiodes instellen, met name indien de ECB haar keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte gebruikt in verband met de in Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde overgangsbepalingen.

(11)

Artikel 143, lid 1, onder b), van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) vereist dat de bevoegde autoriteiten publiceren hoe zij de keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte die het Unierecht biedt, gebruiken,

HEEFT DEZE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp en werkingssfeer

Deze verordening legt bepaalde keuzemogelijkheden en manoeuvreerruimte vast, die de ECB gebruikt en die krachtens Unierecht betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen zijn opgedragen aan bevoegde autoriteiten. Deze verordening is exclusief van toepassing ten aanzien van de overeenkomstig artikel 6, lid 4, van Verordening (EU) nr. 1024/2013 en deel IV en artikel 147, lid 1, van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) als belangrijk ingedeelde kredietinstellingen.

Artikel 2

Definities

Binnen het kader van deze verordening zijn de definities in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 575/2013, artikel 2 van Verordening (EU) nr. 1024/2013, artikel 2 van Verordening (EU) nr. 468/2014 (ECB/2014/17) en artikel 3 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 van toepassing.

HOOFDSTUK I

EIGEN VERMOGEN

Artikel 3

Artikel 89, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Risicoweging van en verbod op in aanmerking komende deelnemingen buiten de financiële sector

Onverminderd artikel 90 van Verordening (EU) nr. 575/2013 en ter berekening van de kapitaalvereisten overeenkomstig deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013 passen kredietinstellingen op het hoogste van het hiernavolgende een risicogewicht van 1 250 % toe:

a)

het bedrag van de in artikel 89, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 15 % van het in aanmerking komende kapitaal van de kredietinstelling, en

b)

het totale bedrag van de in artikel 89, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde in aanmerking komende deelnemingen in ondernemingen dat hoger is dan 60 % van het in aanmerking komende kapitaal van de kredietinstelling.

HOOFDSTUK II

KAPITAALVEREISTEN

Artikel 4

Artikel 178, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Wanbetaling door debiteuren

Ongeacht de nationale behandeling voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening, passen kredietinstellingen met betrekking tot de in artikel 178, lid 1, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde categorieën blootstellingen de „meer-dan-90-dagen-achterstallig”-norm toe.

Artikel 5

Artikel 282, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Samenstellen van afdekkingsinstrumenten

Voor de in artikel 282, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde transacties gebruiken kredietinstellingen de in artikel 274 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde mark-to-market-methode.

Artikel 6

Artikel 327, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Verrekening

1.   Kredietinstellingen kunnen verrekening toepassen tussen een converteerbaar waardepapier en een compenserende positie in het onderliggende instrument, zoals bedoeld in artikel 327, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

a)

vóór 4 november 2014 heeft de nationale bevoegde autoriteit een benadering vastgesteld krachtens welke rekening wordt gehouden met de waarschijnlijkheid dat een specifiek converteerbaar waardepapier wordt geconverteerd, dan wel

b)

vóór 4 november 2014 heeft de nationale bevoegde autoriteit een eigenvermogensvereiste voorgeschreven ter dekking van eventuele bij conversie geleden verliezen.

2.   De in lid 1 bedoelde vaststelling van benaderingen door nationale bevoegde autoriteiten worden gevolgd tot de ECB haar eigen benadering krachtens artikel 327, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vaststelt.

Artikel 7

Artikel 380 van Verordening (EU) nr. 575/2013: Ontheffing

Indien het systeem zoals bedoeld in artikel 380 van Verordening (EU) nr. 575/2013 in zijn geheel uitvalt, hetgeen de ECB middels een openbare verklaring bevestigt, zijn de volgende bepalingen van toepassing totdat de ECB middels een openbare verklaring bevestigt dat de daarin bedoelde situatie is hersteld:

a)

kredietinstellingen hoeven niet te voldoen aan de in artikelen 378 en 379 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde eigenvermogensvereisten, en

b)

dat een tegenpartij een transactie niet afwikkelt, wordt uit het oogpunt van kredietrisico niet als wanbetaling aangemerkt.

HOOFDSTUK III

GROTE BLOOTSTELLINGEN

Artikel 8

Artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Limieten voor grote blootstellingen

Ongeacht de nationale behandeling voorafgaande aan de inwerkingtreding van deze verordening, is de limiet voor de waarde van een in artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde grote blootstelling niet lager dan 150 miljoen EUR.

Artikel 9

Artikel 400, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Vrijstellingen

1.   De in artikel 400, lid 2, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgesomde blootstellingen worden ten belope van 80 % van de nominale waarde van de gedekte obligaties vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits aan de in artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden is voldaan.

2.   De in artikel 400, lid 2, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgesomde blootstellingen worden ten belope van 80 % van hun blootstellingswaarde vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits aan de in artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden is voldaan.

3.   De in artikel 400, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgesomde blootstellingen, die een kredietinstelling heeft ten aanzien van de in artikel 400, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde ondernemingen, worden volledig vrijgesteld van de toepassing artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits voldaan is aan de in artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden, zoals nader bepaald in bijlage I bij deze verordening, en voor zover op die ondernemingen hetzelfde toezicht op geconsolideerde basis van toepassing is overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013, Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad (7), dan wel in een derde land vigerende equivalente normen, zoals nader bepaald in bijlage I bij deze verordening.

4.   De in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgesomde blootstellingen worden volledig vrijgesteld van de toepassing van artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits aan de in artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden, zoals nader bepaald in bijlage II bij deze Verordening, is voldaan.

5.   De in artikel 400, lid 2, onder e) tot en met k), van Verordening (EU) nr. 575/2013 opgesomde blootstellingen worden volledig vrijgesteld, dan wel in het geval van artikel 400, lid 2, onder i), worden zij vrijgesteld tot het maximale toegestane bedrag, van de toepassing van artikel 395, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, mits aan de in artikel 400, lid 3 van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden is voldaan.

6.   Kredietinstellingen beoordelen of aan de in artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgelegde voorwaarden, alsook aan de relevante bijlage bij deze Verordening die van toepassing is op de specifieke blootstelling, is voldaan. De ECB kan te allen tijde deze beoordeling verifiëren en te dien einde van kredietinstellingen verlangen dat zij de in de relevante bijlage bedoelde documentatie indienen.

7.   Dit artikel is slechts van toepassing indien de betrokken lidstaat geen gebruik heeft gemaakt van de keuzemogelijkheid uit hoofde van artikel 493, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 om een volledige of gedeeltelijke vrijstelling te verlenen voor de specifieke blootstelling.

HOOFDSTUK IV

LIQUIDITEIT

Artikel 10

Artikel 415, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Rapportageverplichting

Onverminderd andere rapportagevereisten, rapporteren kredietinstellingen overeenkomstig artikel 415, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013 informatie aan de ECB die krachtens nationaal recht is vereist voor het monitoren van naleving van nationale liquiditeitsnormen, indien die informatie niet reeds aan nationaal bevoegde autoriteiten is verstrekt.

Artikel 11

Artikel 420, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 23, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61: Liquiditeitsuitstromen

Bij de beoordeling van de uit buiten de balanstelling van handelsfinancieringen resulterende posten, zoals bedoeld in artikel 420, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en bijlage I bij Verordening (EU) nr. 575/2013, en tot de ECB overeenkomstig artikel 23, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 specifieke uitstroompercentages heeft vastgesteld, gaan kredietinstellingen uit van een uitstroompercentage van 5 %, zoals bedoeld in artikel 420, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 23, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61. De overeenkomstige uitstromen worden overeenkomstig Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie gerapporteerd (8).

Artikel 12

Artikel 12, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61: Activa van niveau 2B

1.   Kredietinstellingen die krachtens hun statuten om redenen van godsdienstige overtuiging niet in staat zijn rentedragende activa aan te houden, kunnen bedrijfsschuldpapieren opnemen als activa van niveau 2B overeenkomstig alle in artikel 12, lid 1, onder b), vastgelegde voorwaarden, waaronder punten ii) en iii) van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61.

2.   Voor in lid 1 bedoelde kredietinstellingen kan de ECB periodiek het in lid 1 vastgelegde vereiste herzien en vrijstelling van artikel 12, lid 1, onder b), ii) en iii), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 verlenen, indien aan de in artikel 12, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61 vastgelegde voorwaarden is voldaan.

Artikel 13

Artikel 24, leden 4 en 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61: Uitstromen uit stabiele retaildeposito's

Kredietinstellingen vermenigvuldigen met 3 % het bedrag van stabiele retaildeposito's, die zijn gedekt door een depositogarantiestelsel zoals bedoeld in artikel 24, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, mits de Commissie voorafgaande goedkeuring heeft verleend overeenkomstig artikel 24, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/61, bevestigend dat aan alle voorwaarden van artikel 24, lid 4, is voldaan.

HOOFDSTUK V

OVERGANGSBEPALINGEN VAN VERORDENING (EU) NR. 575/2013

Artikel 14

Artikel 467, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde verliezen

1.   Gedurende de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 nemen kredietinstellingen in de berekening van hun tier 1-kernkapitaalbestanddelen alleen het toepasselijke percentage op van niet-gerealiseerde verliezen, zoals bedoeld in artikel 467, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook verliezen op blootstellingen met betrekking tot de centrale overheden die zijn ingedeeld in de categorie „beschikbaar voor verkoop”.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is het toepasselijke percentage:

a)

60 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, en

b)

80 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

3.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving toepasselijke percentages vaststelt die hoger zijn dan de in lid 2 vastgestelde.

Artikel 15

Artikel 468, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Tegen reële waarde gemeten niet-gerealiseerde winsten

1.   Gedurende de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 verwijderen kredietinstellingen uit hun berekening van hun tier 1-kernkapitaalbestanddelen het toepasselijke percentage van niet-gerealiseerde verliezen, zoals bedoeld in artikel 468, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook winsten op blootstellingen met betrekking tot de centrale overheden die zijn ingedeeld in de categorie „beschikbaar voor verkoop”.

2.   Voor de toepassing van lid 1 is het toepasselijke percentage:

a)

40 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, en

b)

20 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

3.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving toepasselijke percentages vaststelt die hoger zijn dan de in lid 2 vastgestelde.

Artikel 16

Artikel 471, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Vrijstelling van aftrek van deelnemingen in verzekeringsondernemingen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen

1.   Gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 is het toegestaan dat kredietinstellingen geen aftrek toe te passen van tier 1-kernkapitaalbestanddelen van deelnemingen in verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings, zulks overeenkomstig de in nationale bepalingen vastgelegde behandeling, mits voldaan is aan de in artikel 471, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden.

2.   Met ingang van 1 januari 2019 moeten kredietinstellingen deelnemingen in verzekeringsondernemingen, herverzekeringsondernemingen en verzekeringsholdings aftrekken van tier 1-kernkapitaalbestanddelen.

3.   Dit artikel is onverminderd de besluiten van de bevoegde autoriteit overeenkomstig artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 van toepassing.

Artikel 17

Artikel 473, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Invoering van in International Accounting Standard 19 aangebrachte wijzigingen

1.   Gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2018 kunnen kredietinstellingen hun tier 1-kernkapitaal vermeerderen met het in artikel 473, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bedrag vermenigvuldigd met de toepasselijke factor, en wel:

a)

0,6 gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

b)

0,4 gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

c)

0,2 gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018.

2.   Dit artikel laat eerdere besluiten van nationale bevoegde autoriteiten of nationale wetgeving die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, onverlet, indien die besluiten of nationale wetgeving instellingen niet toestaan hun tier 1-kernkapitaal aan het in lid 1 vastgestelde bedrag toe te voegen.

Artikel 18

Artikel 478, lid 3, onder a), c) en d), van Verordening (EU) nr. 575/2013: Toepasselijke percentages voor aftrekkingen van de tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen

1.   Binnen het kader van artikel 478, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn de toepasselijke percentages:

a)

60 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

b)

80 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

c)

100 % vanaf 1 januari 2018.

2.   Dit artikel is niet van toepassing op uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten.

3.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving percentages vaststelt die hoger zijn dan de in lid 1 vastgestelde.

Artikel 19

Artikel 478, lid 3, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 575/2013: Toepasselijke percentages voor aftrek van de tier 1-kernkapitaalbestanddelen van aanzienlijke deelnemingen in entiteiten uit de financiële sector en uitgestelde belastingvorderingen die op toekomstige winstgevendheid berusten

1.   Binnen het kader van artikel 478, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn de toepasselijke percentages binnen het kader van artikel 469, lid 1, onder a) en c), van Verordening (EU) nr. 575/2013:

a)

60 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

b)

80 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

c)

100 % vanaf 1 januari 2018.

2.   Binnen het kader van artikel 478, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn de toepasselijke percentages:

a)

60 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

b)

80 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

c)

100 % vanaf 1 januari 2018.

3.   In afwijking van lid 2, indien krachtens artikel 478, lid 2, van Verordening (EU) nr. 575/2013 nationale wetgeving een geleidelijke uitfasering van tien jaar stipuleert, is het toepasselijke percentage:

a)

40 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

b)

60 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

c)

80 % gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018;

d)

100 % vanaf 1 januari 2019.

4.   Leden 2 en 3 zijn niet van toepassing op kredietinstellingen waarop ten tijde van de inwerkingtreding van deze verordening door de Commissie goedgekeurde herstructureringsplannen van toepassing zijn.

5.   Indien een binnen het bereik van lid 4 vallende kredietinstelling wordt verkregen door een andere kredietinstelling, of met die instelling fuseert, zulks terwijl het herstructureringsplan nog steeds in uitvoering is, zulks zonder wijzigingen inzake de prudentiële behandeling van uitgestelde belastingvorderingen, is de uitzondering in lid 4 van toepassing op de verkrijgende kredietinstelling, de nieuwe uit de fusie resulterende kredietinstelling of op de kredietinstelling die de oorspronkelijke kredietinstelling incorporeert, zoals die van toepassing was op de verkregen, gefuseerde of de geïncorporeerde kredietinstelling.

6.   De ECB kan de toepassing van leden 4 en 5 in 2020 herzien op basis van monitoring van de situatie van die kredietinstellingen.

7.   Indien onvoorzien de impact van de in leden 2 en 3 bedoelde aftrek toeneemt en de ECB vaststelt dat die impact materieel is, mogen de kredietinstellingen de toepassing van leden 2 of 3 achterwege laten.

8.   Indien leden 2 en 3 niet van toepassing zijn, kunnen kredietinstellingen nationale wettelijke bepalingen toepassen.

9.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving toepasselijke percentages vaststelt die hoger zijn dan de in leden 1, 2 en 3 vastgestelde.

Artikel 20

Artikel 479, leden 1 en 4, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Opneming in het geconsolideerde tier 1-kernkapitaal van niet als minderheidsbelang aangemerkte instrumenten en posten

1.   Gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 wordt het toepasselijke percentage van de in artikel 479, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde bestanddelen, die overeenkomstig de nationale implementeringsmaatregelen voor artikel 65 van Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) als geconsolideerde reserves zouden zijn aangemerkt, aangemerkt als geconsolideerd tier 1-kernkapitaal overeenkomstig de hierna vastgestelde percentages.

2.   Voor de toepassing van lid 1 zijn de toepasselijke percentages:

a)

40 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, en

b)

20 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

3.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving percentages vaststelt die lager zijn dan de in lid 2 vastgestelde.

Artikel 21

Artikel 480, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Opneming in het geconsolideerde eigen vermogen van minderheidsbelangen en in aanmerking komend aanvullend-tier 1- en tier 2-kapitaal

1.   Gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017, zoals bedoeld in artikel 480, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013, is de waarde van de toepasselijke factor uit hoofde van artikel 480, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013:

a)

0,6 gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, en

b)

0,8 gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

2.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was vóór de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving factoren vaststelt die hoger zijn dan de in lid 1 vastgestelde.

Artikel 22

Artikel 481, leden 1 en 5, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Additionele filters en aftrekkingen

1.   Teneinde filters of aftrek toe te passen die zijn vereist uit hoofde van nationale omzettingsmaatregelen en zoals bedoeld in artikel 481, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, en mits aan de voorwaarden van artikel 481, lid 1, wordt voldaan, gelden van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 de volgende toepasselijke percentages:

a)

40 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016, en

b)

20 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017.

2.   Gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2017 passen kredietinstellingen de door nationale wetgeving voorziene behandeling toe op het na toepassing van het filter of de aftrek overeenkomstig lid 1 resterende bedrag.

3.   Dit artikel laat vóór de inwerkingtreding van deze verordening vigerende wetgeving onverlet, indien die wetgeving strengere eisen vaststelt dan de in lid 1 bedoelde.

Artikel 23

Artikel 486, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Limieten van de grandfatheringposten voor bestanddelen die onder tier 1-kernkapitaal-, aanvullend-tier 1- en tier 2-bestanddelen vallen

1.   Binnen het kader van artikel 486 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn de toepasselijke percentages:

a)

60 % gedurende de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 december 2016;

b)

50 % gedurende de periode van 1 januari 2017 tot en met 31 december 2017;

c)

40 % gedurende de periode van 1 januari 2018 tot en met 31 december 2018;

d)

30 % gedurende de periode van 1 januari 2019 tot en met 31 december 2019;

e)

20 % gedurende de periode van 1 januari 2020 tot en met 31 december 2020;

f)

10 % gedurende de periode van 1 januari 2021 tot en met 31 december 2021.

2.   Dit artikel laat nationale wetgeving onverlet die in voege was voor de inwerkingtreding van deze verordening, indien die wetgeving toepasselijke percentages vaststelt die hoger zijn dan de in lid 1.

Artikel 24

Artikel 495, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013: Behandeling van blootstellingen met betrekking tot aandelen in het kader van de Internal-Ratings-Based-benadering (IRB)

De categorieën van blootstellingen met betrekking tot aandelen waarop de vrijstelling van de IRB-benadering van toepassing is overeenkomstig artikel 495, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, omvatten tot en met 31 december 2017 slechts de categorieën van blootstellingen met betrekking tot aandelen die op 31 december 2013 reeds een vrijstelling genoten van de IRB-benadering, zulks overeenkomstig artikel 2 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1556 van de Commissie (10).

Artikel 25

Inwerkingtreding

1.   Deze verordening treedt in werking op 1 oktober 2016.

2.   Artikel 4 is met ingang 31 december 2016 van toepassing en artikel 13 is met ingang van 1 januari 2019 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in de lidstaten overeenkomstig de Verdragen.

Gedaan te Frankfurt am Main, 14 maart 2016.

Voor de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63.

(2)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(3)  PB L 185 van 25.6.2014, blz. 1.

(4)  PB L 11 van 17.1.2015, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 468/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 tot vaststelling van een kader voor samenwerking binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme tussen de Europese Centrale Bank en nationale bevoegde autoriteiten en met nationale aangewezen autoriteiten (GTM-kaderverordening) (ECB/2014/17) (PB L 141 van 14.5.2014, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(7)  Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1).

(8)  Uitvoeringsverordening (EU) nr. 680/2014 van de Commissie van 16 april 2014 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen voor wat betreft de rapportage aan de toezichthoudende autoriteit door instellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 191 van 28.6.2014, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2006/48/EG van het Europees Parlement en de Raad van 14 juni 2006 betreffende de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen (PB L 177 van 30.6.2006, blz. 1).

(10)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/1556 van de Commissie van 11 juni 2015 tot aanvulling van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad met technische reguleringsnormen wat betreft de overgangsregeling voor de behandeling van blootstellingen met betrekking tot aandelen in het kader van de IRB-benadering (PB L 244 van 19.9.2015, blz. 9).


BIJLAGE I

Voorwaarden voor de beoordeling van een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, zulks overeenkomstig artikel 400, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 9, lid 3, van deze verordening

1.

Deze bijlage is van toepassing op vrijstellingen van de limiet voor grote blootstellingen krachtens artikel 9, lid 3, van deze verordening. Voor de toepassing van artikel 9, lid 3, van deze verordening worden de in bijlage I bij Uitvoeringsbesluit 2014/908/EU van de Commissie (1) opgevoerde derde landen als equivalent beschouwd.

2.

Kredietinstellingen moeten de volgende criteria in acht nemen om te beoordelen of een in artikel 400, lid 2, onder c), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstelling voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, zulks overeenkomstig artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

Beoordelende of de specifieke aard van de blootstelling de tegenpartij, de relatie tussen de kredietinstelling en de tegenpartij of het blootstellingsrisico elimineert of reduceert, zoals bedoeld in artikel 400, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten kredietinstellingen nagaan of:

i)

aan de in artikel 113, lid 6, onder b), c) en e), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde voorwaarden is voldaan, met name of op de tegenpartij dezelfde risicobeoordeling, waarderings- en controleprocedures van toepassing zijn als op de kredietinstelling, en of de IT-systemen geïntegreerd zijn, of ten minste, volledig op elkaar afgestemd. Daarnaast moeten zij nagaan of er sprake is van enige bestaande of verwachte materiële praktische of juridische belemmering die de tijdige terugbetaling van de blootstelling door de tegenpartij aan de kredietinstelling zou belemmeren, afgezien van een herstel- of een afwikkelingssituatie waarin de in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (2) bedoelde beperkingen toegepast moeten worden;

ii)

de groepsfinancieringsstructuur de voorgestelde intragroepblootstellingen rechtvaardigt;

iii)

het proces waarin een besluit wordt genomen om een blootstelling aan de intragroeptegenpartij goed te keuren, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op individueel en geconsolideerd niveau, waar toepasselijk, vergelijkbaar zijn met de op kredietverstrekking door derden toepasselijke.

iv)

de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de kredietinstelling een doorgaande controle mogelijk maken en verzekeren dat grote blootstellingen aan groepsondernemingen in overeenstemming zijn met haar risicostrategie op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, indien toepasselijk.

b)

Om vast te stellen of enig resterend concentratierisico op andere net zo effectieve wijze geadresseerd kan worden zoals de regelingen, processen en mechanismen van artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU, zoals bepaald in artikel 400, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten kredietinstellingen nagaan of:

i)

de kredietinstelling robuuste processen, procedures en controles heeft, op individueel niveau en op geconsolideerd niveau, indien toepasselijk, om te verzekeren dat het gebruik van de vrijstelling niet zou resulteren in een concentratierisico dat haar risicostrategie te boven gaat en indruist tegen de beginselen van goed intern liquiditeitsbeheer binnen de groep;

ii)

de kredietinstelling formeel met het uit intragroepblootstellingen voortvloeiende concentratierisico rekening heeft gehouden als deel van haar globale risicobeoordelingskader;

iii)

de kredietinstelling op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, indien toepasselijk, een risicobeheersingskader heeft dat de voorgestelde blootstellingen adequaat monitort;

iv)

het voorkomende concentratierisico duidelijk is geïdentificeerd in het internal capital adequacy assessment process (ICAAP) van de kredietinstelling, of zulks zal gebeuren, en actief beheerd zal worden; de regelingen, processen en mechanismen voor het concentratierisicobeheer in het toezichttoetsings- en evaluatieproces beoordeeld zullen worden;

v)

aangetoond kan worden dat het concentratierisicobeheer strookt met het herstelplan van de groep.

3.

Om te verifiëren of aan de in leden 1 en 2 vastgelegde voorwaarden is voldaan, kan de Europese Centrale Bank kredietinstellingen verzoeken de volgende documentatie te verstrekken:

a)

een door de wettelijke vertegenwoordiger van de kredietinstelling ondertekende en door het beheerorgaan goedgekeurde brief waarin verklaard wordt dat de kredietinstelling voldoet aan alle voorwaarden voor een vrijstelling, zoals bedoeld in artikel 400, lid 2, onder c), en artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

een door het beheerorgaan goedgekeurd juridisch advies van hetzij een externe onafhankelijke derde, hetzij een interne juridische afdeling, waarin wordt aangetoond dat niets een tijdige terugbetaling van blootstellingen door een tegenpartij aan de kredietinstelling in de weg staat, welke blootstellingen resulteren uit toepasselijke voorschriften, waaronder fiscale voorschriften, of bindende overeenkomsten;

c)

een door de wettelijke vertegenwoordiger ondertekende en door het beheerorgaan goedgekeurde verklaring dat:

i)

er geen praktische belemmeringen zijn voor de tijdige terugbetaling van blootstellingen door een tegenpartij aan de kredietinstelling;

ii)

de groepsfinancieringsstructuur de voorgestelde intragroepblootstellingen rechtvaardigt;

iii)

het proces waarin een besluit wordt genomen om een blootstelling aan een intragroeptegenpartij goed te keuren, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met de op kredietverstrekking door derden toepasselijke;

iv)

rekening is gehouden met het uit intragroepblootstellingen voortvloeiende concentratierisico als deel van het globale risicobeoordelingskader van de kredietinstelling;

d)

door de wettelijke vertegenwoordiger ondertekende en door het beheerorgaan goedgekeurde documentatie waarin verklaard wordt dat de risico-evaluatieprocedures, de waarderings- en controleprocedures van de kredietinstelling dezelfde zijn als die van de tegenpartij en dat de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de kredietinstelling mogelijk maken dat het beheerorgaan het niveau van de grote blootstelling voortdurend monitort, en dat het beheerorgaan voortdurend kan monitoren of het niveau van de grote blootstelling strookt met de risicostrategie van de kredietinstelling op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, indien toepasselijk, en of het niveau van de grote blootstelling strookt met de beginselen van goed intern liquiditeitsbeheer binnen de groep;

e)

documentatie die aantoont dat de ICAAP het uit grote intragroepblootstellingen voortvloeiende concentratierisico duidelijk identificeert en dat dit risico actief beheerd wordt;

f)

documentatie die aantoont dat het concentratierisicobeheer strookt met het herstelplan van de groep.


(1)  Uitvoeringsbesluit 2014/908/EU van de Commissie van 12 december 2014 betreffende de gelijkwaardigheid van de toezicht- en reguleringsvereisten van bepaalde derde landen en grondgebieden ten behoeve van de behandeling van blootstellingen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 359 van 16.12.2014, blz. 155).

(2)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).


BIJLAGE II

Voorwaarden voor de beoordeling van een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, zulks overeenkomstig artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 en artikel 9, lid 4, van deze Verordening.

1.

Kredietinstellingen moeten de volgende criteria in acht nemen om te beoordelen of een in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013 bedoelde blootstelling voldoet aan de voorwaarden voor een vrijstelling van de limiet voor grote blootstellingen, zulks overeenkomstig artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013.

a)

Beoordelende of de specifieke aard van de blootstelling het regionale of centrale orgaan, de relatie tussen de kredietinstelling en het regionale of centrale orgaan of het blootstellingsrisico elimineert of reduceert, zoals bedoeld in artikel 400, lid 3, onder a), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten kredietinstellingen nagaan of:

i)

er sprake is van enige bestaande of verwachte materiële praktische of juridische belemmering die de tijdige terugbetaling van de blootstelling door de tegenpartij aan de kredietinstelling zou belemmeren, afgezien van een herstel- of een afwikkelingssituatie waarin de in Richtlijn 2014/59/EU bedoelde beperkingen toegepast moeten worden;

ii)

de voorgestelde blootstellingen stroken met de normale bedrijfsvoering en het bedrijfsmodel van de kredietinstelling of de netwerkfinancieringsstructuur deze rechtvaardigt;

iii)

het proces waarin een besluit wordt genomen om een blootstelling aan het centrale orgaan van de kredietinstelling goed te keuren, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met de op kredietverstrekking door derden toepasselijke;

iv)

de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de kredietinstelling een doorgaande controle mogelijk maken en verzekeren dat de grote blootstellingen aan haar regionale of centrale orgaan in overeenstemming zijn met haar risicostrategie.

b)

Om vast te stellen of enig resterend concentratierisico op andere net zo effectieve wijze geadresseerd kan worden zoals de regelingen, processen en mechanismen van artikel 81 van Richtlijn 2013/36/EU, zoals bepaald in artikel 400, lid 3, onder b), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten kredietinstellingen nagaan of:

i)

de kredietinstelling robuuste processen, procedures en controles heeft om te verzekeren dat het gebruik van de vrijstelling niet zou resulteren in een concentratierisico dat haar risicostrategie te boven gaat;

ii)

de kredietinstelling formeel met het uit blootstellingen aan haar regionale of centrale orgaan voortvloeiende concentratierisico rekening heeft gehouden als deel van haar globale risicobeoordelingskader;

iii)

de kredietinstelling een risicobeheersingskader heeft dat de voorgestelde blootstellingen adequaat monitort;

iv)

het voorkomende concentratierisico duidelijk is geïdentificeerd in het internal capital adequacy assessment process (ICAAP) van de kredietinstelling, of zulks zal gebeuren, en actief beheerd zal worden; de regelingen, processen en mechanismen voor het concentratierisicobeheer in het toezichttoetsings- en evaluatieproces beoordeeld zullen worden.

2.

Om te beoordelen of het regionale of centrale orgaan, waarmee de kredietinstelling is verbonden in een netwerk, verantwoordelijk is voor de verevening van onderlinge geldposities, zoals bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), van Verordening (EU) nr. 575/2013, moeten kredietinstellingen naast de in lid 1 bedoelde voorwaarden in acht nemen of de statuten van het regionale of centrale orgaan die verantwoordelijkheden expliciet stipuleren, waaronder, maar niet beperkt tot de volgende:

a)

marktfinanciering voor het hele netwerk;

b)

liquiditeitsclearing binnen het netwerk, binnen het bereik van artikel 10 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

liquiditeitsverstrekking aan aangesloten kredietinstellingen;

d)

afroming van liquiditeitsoverschot van aangesloten kredietinstellingen.

3.

Om te verifiëren of aan de in leden 1 en 2 vastgelegde voorwaarden is voldaan, kan de Europese Centrale Bank kredietinstellingen verzoeken de volgende documentatie te verstrekken:

a)

een door de wettelijke vertegenwoordiger van de kredietinstelling ondertekende en door het beheerorgaan goedgekeurde brief waarin verklaard wordt dat de kredietinstelling voldoet aan alle voorwaarden voor een vrijstelling, zoals bedoeld in artikel 400, lid 2, onder d), en artikel 400, lid 3, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

een door het beheerorgaan goedgekeurd juridisch advies van hetzij een externe onafhankelijke derde, hetzij een interne juridische afdeling, waarin wordt aangetoond dat niets een tijdige terugbetaling van blootstellingen door een regionaal of centraal orgaan aan de kredietinstelling in de weg staat, welke blootstellingen resulteren uit toepasselijke voorschriften, waaronder fiscale voorschriften, of bindende overeenkomsten;

c)

een door de wettelijke vertegenwoordiger ondertekende en door het beheerorgaan goedgekeurde verklaring dat:

i)

er geen praktische belemmeringen zijn voor de tijdige terugbetaling van blootstellingen door een regionaal of centraal orgaan aan de kredietinstelling;

ii)

de netwerkfinancieringsstructuur de blootstellingen van het regionale of centrale orgaan rechtvaardigt;

iii)

het proces waarin een besluit wordt genomen om een blootstelling aan een regionaal of centraal orgaan goed te keuren, en het op die blootstellingen toepasselijke monitoring- en herzieningsproces, op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, vergelijkbaar zijn met de op kredietverstrekking door derden toepasselijke;

iv)

rekening is gehouden met het uit blootstellingen aan het regionale of centrale orgaan voortvloeiende concentratierisico als deel van het globale risicobeoordelingskader van de kredietinstelling;

d)

door de wettelijke vertegenwoordiger ondertekende en door het beheerorgaan goedgekeurde documentatie waarin verklaard wordt dat de risico-evaluatieprocedures, de waarderings- en controleprocedures van de kredietinstelling dezelfde zijn als die van het regionale of centrale orgaan, en dat de risicobeheerprocedures, het IT-systeem en de interne rapportage van de kredietinstelling mogelijk maken dat het beheerorgaan het niveau van de grote blootstelling voortdurend monitort, en dat het beheerorgaan voortdurend kan monitoren of het niveau van de grote blootstelling strookt met de risicostrategie van de kredietinstelling op het niveau van de juridische entiteit en op geconsolideerd niveau, indien toepasselijk, en of het niveau van de grote blootstelling strookt met de beginselen van goed intern liquiditeitsbeheer binnen het netwerk;

e)

documentatie die aantoont dat de ICAAP het uit grote blootstellingen aan het regionale of centrale orgaan voortvloeiende concentratierisico duidelijk identificeert en dat dit risico actief beheerd wordt;

f)

documentatie die aantoont dat het concentratierisicobeheer strookt met het herstelplan van het netwerk.


Top