EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016H1374

Aanbeveling (EU) 2016/1374 van de Commissie van 27 juli 2016 over de rechtsstaat in Polen

C/2016/5703

OJ L 217, 12.8.2016, p. 53–68 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

ELI: http://data.europa.eu/eli/reco/2016/1374/oj

12.8.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 217/53


AANBEVELING (EU) 2016/1374 VAN DE COMMISSIE

van 27 juli 2016

over de rechtsstaat in Polen

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 292,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Unie is gegrondvest op een reeks gemeenschappelijke waarden die zijn vastgelegd in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie, waaronder eerbiediging van de rechtsstaat. De Commissie is, naast haar taak om toe te zien op de toepassing van het recht van de Unie, tevens verantwoordelijk, samen met het Europees Parlement, de lidstaten en de Raad, voor de bescherming van de gemeenschappelijke waarden van de Unie.

(2)

Om die reden heeft de Commissie, gelet op haar verantwoordelijkheden uit hoofde van de Verdragen, op 11 maart 2014 de mededeling „Een nieuw EU-kader voor het versterken van de rechtsstaat” aangenomen (1). In dit rechtsstatelijk kader wordt uiteengezet hoe de Commissie zal reageren mochten er duidelijke aanwijzingen zijn van een bedreiging voor de rechtsstaat in een lidstaat van de Unie en worden de met de rechtsstaat samenhangende beginselen verduidelijkt.

(3)

Het rechtsstatelijk kader vormt een leidraad voor een dialoog tussen de Commissie en de betrokken lidstaat om te voorkomen dat er een systemische bedreiging voor de rechtsstaat ontstaat.

(4)

Het doel van deze dialoog is de Commissie in staat te stellen een oplossing te vinden met de betrokken lidstaat om te voorkomen dat een systemische bedreiging voor de rechtsstaat zich ontwikkelt tot een „duidelijk gevaar voor een ernstige schending” die mogelijkerwijze zou nopen tot de toepassing van de „procedure van artikel 7 van het EU-Verdrag”. Wanneer er duidelijke aanwijzingen zijn van een systemische bedreiging voor de rechtsstaat in een lidstaat, kan de Commissie een dialoog met de betrokken lidstaat aangaan op grond van het rechtsstatelijk kader.

(5)

De jurisprudentie van het Hof van Justitie van de Europese Unie en van het Europees Hof voor de rechten van de mens, alsmede documenten opgesteld door de Raad van Europa, met name voortbouwend op de deskundigheid van de Europese Commissie voor democratie middels het recht („de Commissie van Venetië”), verschaffen een niet-uitputtende lijst van deze beginselen en definiëren zodoende de fundamentele betekenis van de rechtsstaat als gemeenschappelijke waarde van de Unie in de zin van artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU). Deze beginselen zijn: het legaliteitsbeginsel, dat een transparant, aansprakelijk, democratisch en pluralistisch proces voor de vaststelling van wetgeving omvat; rechtszekerheid; een verbod van willekeur van de uitvoerende macht; onafhankelijke en onpartijdige rechters; onafhankelijke en doeltreffende rechterlijke toetsing, met inbegrip van de eerbiediging van de grondrechten; en gelijkheid voor de wet (2). De instellingen van de staat zijn verplicht deze beginselen en waarden te respecteren en tevens gehouden tot loyale samenwerking.

(6)

Het kader zal in werking worden gesteld in situaties waarin de autoriteiten van een lidstaat maatregelen treffen of situaties gedogen die een groot risico inhouden van een systematisch en nadelig effect op de integriteit, stabiliteit of de juiste werking van de instellingen en de waarborgingsmechanismen die op nationaal niveau zijn vastgesteld om de rechtsstaat te beschermen (3). Het doel van het kader is om een respons te zijn op bedreigingen voor de rechtsstaat die een systemisch karakter hebben (4). De politieke, institutionele en/of rechtsorde van een lidstaat als zodanig, zijn constitutionele structuur, de scheiding der machten, de onafhankelijkheid of onpartijdigheid van de rechterlijke macht of zijn systeem van rechterlijke toetsing met inbegrip van, in voorkomende gevallen, constitutionele rechtspraak moeten bedreigd worden (5). Het kader wordt in werking gesteld in gevallen waarin nationale „rechtsstaatswaarborgen” niet het vermogen lijken te hebben om die bedreigingen op effectieve wijze aan te pakken.

(7)

Het rechtsstatelijk kader bestaat uit drie fasen. In een eerste fase („de evaluatie van de Commissie”) verzamelt en beoordeelt de Commissie alle relevante informatie en onderzoekt zij of er duidelijke aanwijzingen zijn van een systemische bedreiging voor de rechtsstaat. Indien, als gevolg van deze voorlopige evaluatie, de Commissie van oordeel is dat er inderdaad sprake is van een systemische bedreiging voor de rechtsstaat, zal zij met de betrokken lidstaat een dialoog aangaan door de lidstaat een „rechtsstaatadvies” te sturen, waarin zij haar punten van zorg onderbouwt en de betrokken lidstaat de mogelijkheid biedt om te reageren. Het advies zou het resultaat kunnen zijn van een uitwisseling van correspondentie en overleg met de relevante autoriteiten en kan, indien van toepassing, gevolgd worden door verdere uitwisselingen. In een tweede fase („de aanbeveling van de Commissie”) zal de Commissie, tenzij de kwestie in de tussentijd een bevredigende oplossing heeft gekregen, de betrokken lidstaat een „rechtsstaataanbeveling” doen toekomen. In haar aanbevelingen zal de Commissie duidelijk de redenen aangeven waarom zij bezorgd is en aanbevelen dat de lidstaat de geconstateerde problemen binnen een vastgestelde termijn oplost en de Commissie op de hoogte stelt van de maatregelen die daartoe zijn getroffen. In een derde fase(„follow-up van de aanbeveling van de Commissie”) zal de Commissie toezien op de maatregelen die de betrokken lidstaat treft als follow-up van de aan die lidstaat gerichte aanbeveling. Het hele proces wordt geschraagd door een permanente dialoog tussen de Commissie en de betrokken lidstaat. Indien er binnen de vastgestelde termijn geen bevredigende follow-up van de aanbeveling is, kan de „procedure van artikel 7 VEU” in werking worden gesteld; de procedure kan in werking worden gesteld op een met redenen omkleed voorstel van een derde van de lidstaten, het Europees Parlement of de Commissie.

(8)

In november 2015 kreeg de Commissie kennis van een lopend geschil in Polen, betreffende in het bijzonder de samenstelling van het Constitutioneel Hof en de verkorting van de ambtstermijn van de huidige voorzitter en vicevoorzitter. Het Constitutioneel Hof deed twee uitspraken over deze aangelegenheid, op 3 en 9 december 2015.

(9)

Op 22 december 2015 heeft de Sejm een wet aangenomen tot wijziging van de wet op het Constitutioneel Hof, die betrekking heeft op de werking van het Hof en op de onafhankelijkheid van de rechters (6).

(10)

In een brief van 23 december 2015 aan de Poolse regering (7) verzocht de Commissie om te worden geïnformeerd over de grondwettelijke situatie in Polen, onder andere over de door de Poolse autoriteiten voorgenomen maatregelen met betrekking tot bovengenoemde twee uitspraken van het Constitutioneel Hof. Met betrekking tot de wijzigingen vervat in de wet van 22 december 2015 betreffende het Constitutioneel Hof verklaarde de Commissie te verwachten dat de wet niet definitief zou worden aangenomen of althans niet in werking zou treden totdat alle vragen in verband met de gevolgen voor de onafhankelijkheid en de werking van het Constitutioneel Hof volledig en grondig zijn onderzocht. De Commissie gaf de Poolse autoriteiten eveneens de aanbeveling nauw samen te werken met de Commissie van Venetië van de Raad van Europa.

(11)

Op 23 december 2015 vroeg de Poolse regering het advies van de Commissie van Venetië over de wet van 22 december 2015. Het Poolse parlement heeft dit advies evenwel niet afgewacht om verdere stappen te ondernemen en de wet is openbaar gemaakt in het staatsblad en trad op 28 december 2015 in werking.

(12)

Op 30 december 2015 verzocht de Commissie de Poolse regering (8) om aanvullende informatie over de voorgestelde hervormingen van het bestuur van de Poolse openbare omroep. Op 31 december 2015 nam de Poolse Senaat de „kleine mediawet” aan betreffende de raden van bestuur en toezicht van de Poolse openbare televisie- en radio-omroep. Op 7 januari 2016 ontving de Commissie van de Poolse regering (9) een antwoord op de brief betreffende de mediawet waarin werd gesteld dat er geen enkel nadelig effect voor de pluriformiteit van de media zou zijn. Op 11 januari ontving de Commissie van de Poolse regering een antwoord inzake de hervorming van het Constitutioneel Hof (10). Deze antwoorden namen de eerder geuite punten van zorg niet weg.

(13)

Op 13 januari 2016 hield het college van commissarissen een eerste oriënterend debat om de situatie in Polen te evalueren. De Commissie besloot de situatie te onderzoeken in het licht van het rechtsstatelijk kader en gaf eerste vicevoorzitter Timmermans mandaat om een dialoog aan te knopen met de instellingen van de Republiek Polen om de opgeworpen kwesties op te helderen en mogelijke oplossingen te zoeken. Dezelfde dag richtte de Commissie een brief aan de Poolse regering (11) waarbij deze ervan in kennis werd gesteld dat zij de situatie onderzocht in het licht van het rechtsstatelijk kader en in dialoog wenste te treden met de instellingen van de Republiek Polen om de opgeworpen kwesties op te helderen en mogelijke oplossingen te zoeken. Op 19 januari 2016 stelde de Commissie aan de Poolse regering voor (12) expertise in te brengen en de aangelegenheden inzake de nieuwe mediawet te bespreken.

(14)

Op 19 januari 2016 zette de Poolse regering in een brief aan de Commissie (13) haar visie uiteen op het geschil over de benoeming van rechters, waarbij zij onder andere wees op een constitutioneel gebruik waar het gaat om de benoeming van rechters. De Poolse regering wees op een aantal positieve effecten die de wijziging van de wet op het Constitutioneel Hof volgens haar zou teweegbrengen.

(15)

Diezelfde dag hield het Europees Parlement een plenair debat over de situatie in Polen.

(16)

Op 1 februari 2016 schreef de Commissie aan de Poolse regering (14) dat de uitspraken van het Constitutioneel Hof over de benoeming van rechters nog steeds niet ten uitvoer waren gelegd. In de brief werd ook beklemtoond dat de wijziging van de wet op het Constitutioneel Hof verder diende te worden onderzocht, in het bijzonder wat betreft het „gezamenlijke effect” van de diverse amendementen, en werden meer gedetailleerde verduidelijkingen gevraagd. Tevens werd informatie gevraagd over andere recentelijk aangenomen wetten, in het bijzonder de nieuwe wet op de overheidsdiensten, de wet tot wijziging van de wet op de politiediensten en sommige andere wetten, alsook over de wet op het openbaar ministerie, en over voorgenomen wetswijzigingen, met name nieuwe hervormingen van de mediawetgeving.

(17)

Op 29 februari 2016 verschafte de Poolse regering in een brief aan de Commissie (15) nadere verduidelijkingen over het mandaat van de voorzitter van het Constitutioneel Hof. Daarin werd toegelicht dat de uitspraak van het Hof van 9 december 2015 stelt dat de tijdelijke bepalingen van de wijzigingswet die voorzagen in het beëindigen van het mandaat van de voorzitter ongrondwettelijk waren en niet langer rechtsgevolgen hadden. Dit betekende dat de huidige voorzitter van het Hof zijn mandaat overeenkomstig de oude wettelijke bepalingen zou blijven uitoefenen tot het einde van zijn termijn op 19 december 2016. In de brief werd voorts meegedeeld dat de ambtstermijn van de volgende voorzitter drie jaar zou bedragen. Tevens werd gevraagd te verduidelijken wat de Commissie bedoelde met de bewering dat de definitieve bindende uitspraken van het Constitutioneel Hof nog steeds niet ten uitvoer waren gelegd en waarom de resoluties tot benoeming van drie rechters van het Constitutioneel Hof van 2 december 2015 in strijd zijn met de latere uitspraak van het Hof.

(18)

Op 3 maart 2016 verstrekte de Commissie in een brief aan de Poolse regering (16) de in de brief van 29 februari 2016 gevraagde verduidelijkingen over de kwestie van de benoeming van rechters. Wat de wijziging van de wet op het Constitutioneel Hof betreft, werd daarin meegedeeld dat bepaalde amendementen het, elk afzonderlijk en gezamenlijk, volgens een eerste evaluatie moeilijker maakten voor het Constitutioneel Hof om de grondwettelijkheid van nieuwe wetten te toetsen en werden meer gedetailleerde verduidelijkingen hieromtrent gevraagd. Tevens werd informatie gevraagd over andere recentelijk aangenomen wetten en voorgenomen wetswijzigingen.

(19)

Op 9 maart 2016 werd de wet van 22 december 2015 door het Constitutioneel Hof ongrondwettelijk verklaard. Deze uitspraak is tot dusver nog niet in het staatsblad openbaar gemaakt door de regering, waardoor ze geen rechtsgevolgen heeft.

(20)

Op 11 maart 2016 nam de Commissie van Venetië een advies aan over wijzigingen in de wet van 25 juni 2015 op het Constitutioneel Hof (17). Wat de benoeming van rechters betreft, werd daarbij een oproep gedaan tot het Poolse parlement om een oplossing te vinden met inachtneming van de rechtsstaat en de uitspraken van het Hof. Het advies stelde voorts onder andere dat een hoog quorum, het vereiste van een tweederdemeerderheid voor het aannemen van uitspraken en een strikte regel die het behandelen van zaken bij urgentie onmogelijk maakt, en met name de combinatie van die factoren, het Hof vleugellam zou hebben gemaakt. Tot slot werd gesteld dat een weigering om de uitspraak van 9 maart 2016 bekend te maken, de constitutionele crisis in Polen nog dieper zou maken.

(21)

Op 21 maart 2016 nodigde de Poolse regering in een brief aan de Commissie eerste vicevoorzitter Timmermans uit voor een ontmoeting in Polen om de stand van de dialoog tussen de Poolse regering en de Commissie tot op dat moment te evalueren en het vervolg ervan op een onpartijdige, op feiten gebaseerde en constructieve manier te bepalen.

(22)

Op 31 maart 2016 verstrekte de Poolse regering de Commissie schriftelijk recente informatie en juridische evaluaties betreffende de discussie over het Constitutioneel Hof in Polen. Op 5 april 2016 hadden in Warschau ontmoetingen plaats tussen eerste vicevoorzitter Timmermans en de minister van Buitenlandse Zaken, de minister van Justitie en de vicepremier van Polen, alsook met de voorzitter en de vicevoorzitter van het Constitutioneel Hof. In aansluiting daarop waren er verschillende ontmoetingen tussen de Poolse regering, vertegenwoordigd door de minister van Justitie, en de Commissie.

(23)

Na de uitspraak van 9 maart 2016 hervatte het Constitutioneel Hof zijn rechtspraak. De Poolse regering werkte niet mee aan deze handelingen en de sinds 9 maart 2016 door het Constitutioneel Hof gewezen uitspraken zijn tot op heden door de regering niet openbaar gemaakt in het staatsblad (18).

(24)

Op 13 april 2016 nam het Europees Parlement een resolutie aan over de situatie in Polen, waarbij de Poolse regering onder andere werd verzocht de uitspraak van het Constitutioneel Hof van 9 maart 2016 te eerbiedigen, openbaar te maken en volledig ten uitvoer te leggen, alsmede uitvoering te geven aan de uitspraken van het Hof van 3 en 9 december 2015, en tevens volledige uitvoering te geven aan de aanbevelingen van de Commissie van Venetië.

(25)

Op 20 april 2016 vond een ontmoeting plaats tussen de Commissie en vertegenwoordigers van het netwerk van voorzitters van de Hoge Rechtscolleges in de EU en van de Conferentie van Europese Constitutionele Hoven om de situatie in Polen te bespreken.

(26)

Op 26 april 2016 nam de Algemene Assemblee van het Hooggerechtshof van Polen een resolutie aan waarbij de uitspraken van het Constitutioneel Hof geldig werden verklaard, ook al weigert de Poolse regering om ze openbaar te maken in het staatsblad.

(27)

Op 29 april 2016 diende een groep parlementsleden bij de Sejm een wetsvoorstel in ter vervanging van de huidige wet op het Constitutioneel Hof. Het voorstel bevatte verschillende bepalingen die reeds door de Commissie van Venetië werden bekritiseerd in haar advies van 11 maart 2016 en door het Hof ongrondwettelijk verklaard in zijn uitspraak van 9 maart 2016. Eén daarvan was het vereiste van een tweederdemeerderheid voor het nemen van beslissingen voor „abstracte” toetsing van nieuwe wetten aan de grondwet. In de loop van april werd in de Sejm een groep van deskundigen samengesteld om een nieuwe wet op het Constitutioneel Hof te helpen voorbereiden.

(28)

Op 24 mei 2016 had eerste vicevoorzitter Timmermans in Warschau ontmoetingen met de premier van Polen, met de voorzitter en de vicevoorzitter van het Constitutioneel Hof, met de Ombudsman, met de burgemeester van Warschau en met leden van de oppositiepartijen in de Sejm. Op 26 mei 2016 had eerste vicevoorzitter Timmermans in Brussel een ontmoeting met de vicepremier van Polen. Daarna volgden andere uitwisselingen en ontmoetingen tussen de Commissie en de Poolse regering.

(29)

Ondanks de diepgaande en constructieve aard van deze uitwisselingen tussen de Commissie en de Poolse regering, konden zij de punten van zorg van de Commissie niet wegnemen. Op 1 juni 2016 nam de Commissie een advies aan over de rechtsstaat in Polen. De Commissie achtte het nodig om ten vervolge op de dialoog die sinds 13 januari gaande was met de Poolse autoriteiten haar evaluatie van de huidige situatie formeel neer te leggen in dat advies. Het advies bevatte een uiteenzetting van de bekommernissen van de Commissie en strekte ertoe de voortgaande dialoog met de Poolse autoriteiten te focussen op het vinden van een oplossing.

(30)

Op 24 juni 2016 bevestigde de Poolse regering in een brief aan de Commissie de ontvangst van het advies over de rechtsstaat van de Commissie van 1 juni (19). De Commissie werd via de brief in kennis gesteld van de stand van de parlementaire werkzaamheden in Polen, onder andere over een nieuwe wet op het Constitutioneel Hof, en van de overtuiging dat die werkzaamheden de juiste manier waren om tot een constructieve oplossing te komen. De dialoog tussen de Commissie en de Poolse regering werd daarna voortgezet.

(31)

Op 22 juli 2016 keurde de Sejm een nieuwe wet op het Constitutioneel Hof goed ter vervanging van de wet van 25 juni 2015. Een eerste lezing vond plaats op 10 juni 2016, een tweede lezing begon op 5 juli 2016 en een derde lezing werd afgerond op 7 juli. De Senaat keurde op 21 juli 2016 amendementen goed. De Sejm keurde de wet zoals gewijzigd door de Senaat goed op 22 juli 2016. De wet kan pas in werking treden nadat hij door de president van de Republiek is ondertekend en in het staatsblad is bekendgemaakt. De Commissie heeft in verschillende stadia van het wetgevingsproces opmerkingen gemaakt en de inhoud van het wetsontwerp met de Poolse autoriteiten besproken,

HEEFT DE VOLGENDE AANBEVELING VASTGESTELD:

1.

Polen dient naar behoren rekening te houden met de hierna toegelichte analyse van de Commissie en de in paragraaf 6 van deze aanbeveling vermelde maatregelen te nemen om de geconstateerde problemen binnen de gestelde termijn te verhelpen.

1.   WERKINGSSFEER VAN DE AANBEVELING

2.

In deze aanbeveling worden de bekommernissen van de Commissie omtrent de rechtsstaat in Polen uiteengezet en aanbevelingen gedaan aan de Poolse autoriteiten voor mogelijke remedies. De bekommernissen betreffen:

1)

de benoeming van rechters bij het Constitutioneel Hof en het uitblijven van de tenuitvoerlegging van de uitspraken van het Constitutioneel Hof van 3 en 9 december 2015 over deze aangelegenheden;

2)

het uitblijven van de openbaarmaking in het staatsblad en de tenuitvoerlegging van de uitspraak van 9 maart 2016 en van de sinds die datum door het Constitutioneel Hof gedane uitspraken;

3)

de effectieve werking van het Constitutioneel Hof en de effectiviteit van de toetsing van nieuwe wetten aan de grondwet, in het bijzonder gelet op de op 22 juli 2016 door de Sejm goedgekeurde wet op het Constitutioneel Hof.

2.   BENOEMING VAN RECHTERS BIJ HET CONSTITUTIONEEL HOF

3.

Voorafgaand aan de algemene verkiezingen voor de Sejm van 25 oktober 2015 wees de scheidende legislatuur op 8 oktober vijf personen aan die door de president van de Republiek moesten worden „benoemd” tot rechter bij het Constitutioneel Hof. Drie rechters zouden zetels innemen die vacant waren geworden tijdens de termijn van de scheidende legislatuur en twee rechters zetels die vacant werden tijdens de nieuwe legislatuur die op 12 november 2015 begon.

4.

Op 19 november 2015 wijzigde de Sejm bij spoedprocedure de wet op het Constitutioneel Hof, waarbij de mogelijkheid werd geïntroduceerd om de door de vorige legislatuur gedane benoemingen van rechters ongedaan te maken en vijf nieuwe rechters te benoemen. Op 25 november 2015 nam de Sejm een motie aan waarbij de vijf benoemingen van de vorige legislatuur nietig werden verklaard en op 2 december werden vijf nieuwe rechters benoemd.

5.

De beslissingen van zowel de vorige als de aantredende legislatuur werden aan het Constitutioneel Hof voorgelegd. Het Hof deed daarop, op 3 en 9 december 2015, twee uitspraken.

6.

In zijn uitspraak van 3 december (20) oordeelde het Constitutioneel Hof onder andere dat de vorige legislatuur gerechtigd was drie rechters te benoemen ter vervanging van de rechters wiens ambtstermijn afliep op 6 november 2015. Terzelfder tijd verduidelijkte het Hof dat de Sejm niet het recht had de twee rechters te kiezen die de in december vertrekkende rechters moesten vervangen. Tevens werd in de uitspraak uitdrukkelijk gewezen op de verplichting voor de president van de Republiek om onmiddellijk de eed af te nemen van een door de Sejm verkozen rechter.

7.

Op 9 december (21) verklaarde het Constitutioneel Hof onder andere de rechtsgrondslag nietig van de door de nieuwe legislatuur van de Sejm gedane benoemingen van de drie rechters voor de op 6 november 2015 opengevallen ambten waarvoor de vorige legislatuur al rechtsgeldig rechters had benoemd.

8.

Ondanks deze uitspraken, hebben de drie door de vorige legislatuur benoemde rechters hun ambt van rechter bij het Constitutioneel Hof niet opgenomen en zijn zij nog niet door de president van de Republiek beëdigd. Daarentegen heeft de president van de Republiek de eed afgenomen van de drie rechters die zonder geldige rechtsgrondslag door de nieuwe legislatuur zijn benoemd.

9.

De twee rechters die ter vervanging van de twee in december 2015 vertrokken rechters door de nieuwe legislatuur zijn verkozen, hebben intussen hun ambt van rechter bij het Constitutioneel Hof opgenomen.

10.

Op 28 april 2016 heeft de president van de Republiek de eed afgenomen van een nieuwe rechter bij het Constitutioneel Hof die door de Sejm is benoemd ter vervanging van een rechter waarvan de ambtstermijn bij het Constitutioneel Hof eerder die maand afliep.

11.

Op 22 juli 2016 keurde de Sejm een nieuwe wet op het Constitutioneel Hof goed. Artikel 90 daarvan bepaalt: „Vanaf de inwerkingtreding van deze wet kan de voorzitter van het Hof rechters van het Hof die door de president van de Republiek zijn beëdigd, maar die op het tijdstip van inwerkingtreding van deze wet hun ambt nog niet hadden opgenomen, opnemen in panels die over zaken oordelen of zaken aan hen toewijzen.”. Artikel 6, lid 7, van de nieuwe wet bepaalt: „Nadat zij de eed hebben afgelegd, melden de rechters zich bij het Hof aan om hun ambt op te nemen en wijst de voorzitter van het Hof zaken aan hen toe en zorgt hij voor de omstandigheden waarin zij hun ambt kunnen uitoefenen.”.

12.

De Commissie is van mening dat de bindende definitieve uitspraken van het Constitutioneel Hof van 3 en 9 december 2015 nog steeds niet ten uitvoer zijn gelegd waar het de benoeming van rechters betreft. Het is immers een vereiste dat de instellingen van de Poolse staat hun loyale medewerking verlenen opdat, overeenkomstig de rechtsstaat, de drie door de vorige legislatuur van de Sejm benoemde rechters hun ambt bij het Constitutioneel Hof kunnen opnemen en de drie door de nieuwe legislatuur zonder geldige rechtsgrondslag benoemde rechters dit ambt niet opnemen. Het feit dat deze uitspraken niet ten uitvoer zijn gelegd, baart ernstige zorgen over de rechtsstaat, aangezien uitvoering van definitieve rechterlijke uitspraken een essentieel vereiste daarvan is.

13.

In een van haar brieven heeft de Poolse regering erop gewezen dat in Polen wat de benoeming van rechters betreft een constitutioneel gebruik bestaat dat de houding van de nieuwe legislatuur van de Sejm zou rechtvaardigen. De Commissie doet evenwel net als de Commissie van Venetië (22) opmerken dat het duiden en toepassen van de grondwet en constitutionele gebruiken het Constitutioneel Hof toekomt, en dat het Constitutioneel Hof in zijn uitspraken geen melding heeft gemaakt van een dergelijk gebruik. De uitspraak van 3 december waarbij de benoemingen, door de vorige Sejm, van de drie rechters op de zetels die op 6 november vacant waren geworden, rechtsgeldig werden verklaard, kan niet worden vernietigd op grond van een zogezegd constitutioneel gebruik dat door het Hof niet is erkend.

14.

Evenzo zou een beperking van het effect van deze uitspraken tot een loutere publicatieverplichting voor de regering, zoals de Poolse autoriteiten aanvoeren, de uitspraken van 3 en 9 december ontdoen van elk juridisch en praktisch effect. In het bijzonder is dit een miskenning van de verplichting die op de president van de Republiek rust om de betrokken rechters te beëdigen, wat door het Constitutioneel Hof is bevestigd.

15.

De Commissie doet voorts opmerken dat ook de Commissie van Venetië van oordeel is dat een oplossing voor het huidige conflict over de samenstelling van het Constitutioneel Hof „gebaseerd moet zijn op de verplichting de uitspraken van het Constitutioneel Hof te eerbiedigen en volledig ten uitvoer te leggen” en „derhalve een oproep doet tot alle organen van de staat en met name de Sejm om de uitspraken ten volle te eerbiedigen en ten uitvoer te leggen” (23).

16.

Met betrekking tot de wet van 22 juli 2016 op het Constitutioneel Hof wijst de Commissie er tot slot op dat deze niet verenigbaar is met de uitspraken van 3 en 9 december. Artikel 90 en artikel 6, lid 7, bepalen dat de voorzitter van het Constitutioneel Hof zaken moet toewijzen aan alle rechters die door de president van de Republiek zijn beëdigd, maar die hun ambt nog niet hebben opgenomen. Deze bepalingen lijken bedoeld te zijn voor de drie rechten die niet rechtsgeldig zijn benoemd door de nieuwe Sejm-legislatuur in december 2015. Zij zouden de betrokken rechters in staat stellen hun ambt op te nemen en zodoende de vacante posten in te nemen waarop de vorige Sejm-legislatuur al rechtsgeldig drie rechters had benoemd. Bijgevolg zijn deze bepalingen in strijd met de uitspraken van het Constitutioneel Hof van 3 en 9 december 2015 en met het advies van de Commissie van Venetië.

17.

Concluderend is de Commissie van oordeel dat de Poolse autoriteiten de uitspraken van het Constitutioneel Hof van 3 en 9 december 2015 dienen te eerbiedigen en volledig ten uitvoeren moeten leggen. Deze vereisen dat de instellingen van de staat hun loyale medewerking verlenen opdat, overeenkomstig de rechtsstaat, de drie door de vorige legislatuur benoemde rechters hun ambt bij het Constitutioneel Hof kunnen opnemen en dat de drie door de nieuwe legislatuur zonder geldige rechtsgrondslag benoemde rechters dit ambt niet opnemen als zij niet rechtsgeldig verkozen zijn. De desbetreffende bepalingen van de wet van 22 juli 2016 op het Constitutioneel Hof zijn in strijd met de uitspraken van het Constitutioneel Hof van 3 en 9 december 2015 en met het advies van de Commissie van Venetië, en baren vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid ernstig zorgen.

3.   UITBLIJVEN VAN OPENBAARMAKING EN TENUITVOERLEGGING VAN DE UITSPRAAK VAN HET CONSTITUTIONEEL HOF VAN 9 MAART 2016 EN VAN DE SINDS DIE DATUM GEDANE UITSPRAKEN

18.

Op 22 december 2015 wijzigde de Sejm bij spoedprocedure de wet op het Constitutioneel Hof (24). De wijzigingen worden meer in detail uit de doeken gedaan in punt 4.1. In zijn uitspraak van 9 maart 2016 verklaarde het Constitutioneel Hof de wet van 22 december 2015 in zijn geheel alsook sommige specifieke bepalingen ervan ongrondwettelijk. De Poolse autoriteiten hebben tot op heden nagelaten deze uitspraak openbaar te maken in het staatsblad. De Poolse regering betwist de wettelijkheid van de uitspraak, omdat het Constitutioneel Hof de procedure van de wet van 22 december 2015 niet heeft gevolgd. De regering huldigt hetzelfde standpunt ten aanzien van de uitspraken die het Hof na 9 maart 2016 heeft gedaan.

19.

De Commissie is van oordeel dat de uitspraak van 9 maart 2016 bindend is en moet worden geëerbiedigd. Het Constitutioneel Hof heeft juist gehandeld door de procedure van de wet van 22 december 2015 niet te volgen. De Commissie is het op dit punt eens met de Commissie van Venetië waar deze stelt dat „een gewone wetgevende handeling die de grondwettelijke toetsing dreigt uit te schakelen, zelf op grondwettelijkheid moet worden getoetst voordat zij door het Hof kan worden toegepast. […] Het beginsel van de suprematie van de grondwet houdt in dat een dergelijke wet, die het constitutionele recht kan ondermijnen, moet worden getoetst en desnoods vernietigd door het Constitutioneel Hof voordat hij van kracht wordt” (25). De Commissie onderstreept bovendien dat aangezien de wet van 22 december 2015 een quorum van 13 rechters vereiste voor uitspraken door een voltallig Hof en aangezien het Constitutioneel Hof slechts 12 rechters stelde, het Hof geenszins bij machte was de wijzigingen van 22 december 2015 aan de grondwet te toetsen zoals de eerste voorzitter van het Hooggerechtshof, de Ombudsman en de Nationale Raad voor Justitie hadden gevraagd. Dit zou in strijd zijn geweest met de Poolse grondwet, die de taak van grondwettelijke toetsing aan het Constitutioneel Hof heeft toevertrouwd. Insgelijks had het Hof zich niet kunnen uitspreken over de grondwettelijkheid van het vereiste van een gekwalificeerde meerderheid bij stemming volgens het grondwettelijkheidsvereiste waarover het precies moest oordelen.

20.

De weigering van de regering om de uitspraak van het Constitutioneel Hof van 9 maart 2016 te publiceren, baart ernstige zorgen over de rechtsstaat, aangezien uitvoering van definitieve uitspraken een essentieel vereiste daarvan is. In het bijzonder wanneer openbaarmaking van een uitspraak voorwaarde is voor de vankrachtwording en een andere autoriteit dan het rechtscollege dat de uitspraak heeft gedaan, voor publicatie verantwoordelijk is, is een toetsing achteraf door die autoriteit van de legaliteit van de uitspraak onverenigbaar met de rechtsstaat. De weigering om de uitspraak te publiceren, doet afbreuk aan het van rechtswege van kracht worden van een bindende definitieve uitspraak en aan de beginselen van legaliteit en de scheiding der machten.

21.

De weigering om de uitspraak van 9 maart te publiceren zorgt voor dermate veel onzekerheid en controverse dat niet alleen die uitspraak, maar alle volgende en toekomstige uitspraken van het Hof daarvan de nadelige gevolgen zullen ondervinden. Aangezien die uitspraken, ingevolge de uitspraak van 9 maart 2016, worden gedaan overeenkomstig de regels die vóór 22 december 2015 golden, zal het gevaar van voortdurende controverse over elke toekomstige uitspraak de goede werking van de constitutionele rechtspraak in Polen ondermijnen. Dit is in de praktijk al het geval, want het Hof heeft sinds zijn uitspraak van 9 maart 2016 tot op heden 20 uitspraken gedaan en geen daarvan is in het staatsblad gepubliceerd.

22.

De Commissie stelt vast dat de nieuwe wet van 22 juli 2016 op het Constitutioneel Hof deze punten van zorg niet wegneemt. Krachtens artikel 80, lid 4, van de wet moet de voorzitter van het Constitutioneel Hof een „verzoek” tot publicatie van uitspraken aan de premier richten. Dit zou dus betekenen dat de publicatie van uitspraken afhankelijk is van een beslissing van de premier. Daarbij kunnen ernstige vraagtekens worden geplaatst wat de onafhankelijkheid van het Hof betreft.

23.

Daarenboven bepaalt artikel 89 dat „gedurende een periode van 30 dagen vanaf de inwerkingtreding van [deze] wet, de uitspraken van het Hof die vóór 20 juli 2016 zijn gedaan in strijd met de wet op het Constitutioneel Hof van 25 juni 2015, zullen worden gepubliceerd, met uitzondering van de uitspraken betreffende normatieve handelingen die zijn ingetrokken”. Deze bepaling geeft aanleiding tot bezorgdheid, aangezien de publicatie van uitspraken niet afhankelijk mag zijn van een beslissing van de wetgever. Overigens is de vermelding dat de uitspraken onwettig zijn, in strijd met het beginsel van de scheiding der machten aangezien het niet aan de Sejm is om over de grondwettelijkheid te oordelen. Bovendien is de bepaling onverenigbaar met de uitspraak van 9 maart 2016 en met de bevindingen van de Commissie van Venetië.

24.

Het feit dat de Poolse regering vooralsnog weigert de uitspraak van 9 maart 2016 over het Constitutioneel Hof en alle daarna gedane uitspraken in het staatsblad te publiceren, zorgt voor onzekerheid omtrent de rechtsgrondslag voor de werking van het Hof en omtrent de rechtsgevolgen van zijn uitspraken. Deze onzekerheid ondermijnt de effectiviteit van de grondwettelijke toetsing en baart vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid ernstig zorgen. De wet van 22 juli 2016 neemt deze punten van zorg niet weg.

4.   TOETSING VAN DE WET OP HET CONSTITUTIONEEL HOF EN EFFECTIVITEIT VAN DE TOETSING VAN NIEUWE WETTEN AAN DE GRONDWET

25.

De Commissie stelt vast dat op 22 juli 2016 door de Sejm een nieuwe wet op het Constitutioneel Hof is goedgekeurd waarbij de wet van 25 juni 2015 op het Constitutioneel Hof is ingetrokken. Deze wet volgt op de wet van 22 december 2015, die ongrondwettelijk is verklaard door het Constitutioneel Hof. Derhalve dient te worden beoordeeld of deze wet verenigbaar is met de rechtsstaat, gelet op de gevolgen ervan voor de effectiviteit van de grondwettelijke toetsing, onder andere van recentelijk vastgestelde wetten, en als zodanig kan worden aangemerkt als een passende maatregel om de punten van zorg die de Commissie had geuit in haar advies over de rechtsstaat van 1 juni weg te nemen. De betrokken wetten en de gevolgen ervan worden hierna meer in detail behandeld, rekening houdende met de afzonderlijke en collectieve effecten ervan, met eerdere jurisprudentie van het Constitutioneel Hof en met het advies van de Commissie van Venetië.

4.1.   Wijziging van 22 december 2015 van de wet op het Constitutioneel Hof

26.

Op 22 december 2015 wijzigde de Sejm bij spoedprocedure de wet op het Constitutioneel Hof (26). De amendementen hielden onder andere een verhoging in van het aantal rechters die het quorum vormen voor terechtzittingen (27), een verhoging van de vereiste meerderheden in het Constitutioneel Hof om uitspraken in voltallige zitting te doen (28), het vereiste om zaken in chronologische volgorde te behandelen (29) en de instelling van een minimumtermijn voor terechtzittingen (30). Sommige amendementen (31) bedeelden andere instellingen van de staat een grotere rol toe bij tuchtprocedures ten aanzien van rechters van het Hof.

27.

In zijn uitspraak van 9 maart 2016 verklaarde het Constitutioneel Hof de wet van 22 december 2015 in zijn geheel alsook sommige specifieke bepalingen ervan, in het bijzonder die waarnaar hiervoor wordt verwezen, ongrondwettelijk. De Poolse autoriteiten hebben tot op heden nagelaten deze uitspraak openbaar te maken in het staatsblad (zie paragraaf 3 hiervoor).

28.

Zoals de Commissie al aangaf in haar advies van 1 juni 2016, is zij van oordeel dat de amendementen betreffende het quorum, de meerderheid voor besluitvorming, de behandeling van zaken in chronologische volgorde en de minimumtermijn voor terechtzittingen, en in het bijzonder de combinatie ervan, tot effect hebben de effectiviteit van het Constitutioneel Hof als hoeder van de grondwet te ondermijnen. Deze conclusie wordt gedeeld door de Commissie van Venetië. Omdat deze bevindingen relevant zijn voor de beoordeling van de wet van 22 juli 2016, worden de voornaamste conclusies hierna in herinnering gebracht.

4.1.1.   Het quorum

29.

Het gewijzigde artikel 44, lid 3, bepaalde dat „voor uitspraken in voltallige zitting de aanwezigheid van ten minste 13 rechters van het Hof vereist is” (32). Volgens het gewijzigde artikel 44, lid 1, doet het Constitutioneel Hof uitspraken in voltallige zitting, tenzij bij wet anders is bepaald. Dit gold in het bijzonder voor wat wordt omschreven als „abstracte zaken” van toetsing van nieuwe wetten aan de grondwet. Het gewijzigde artikel 44, lid 1, voorzag ook in uitzonderingen, met name voor afzonderlijke klachten of door gewone rechtscolleges aangebrachte zaken. Onder de oude wet was voor een uitspraak in voltallige zitting de aanwezigheid van ten minste negen rechters vereist (artikel 44, lid 3, punt 3, van de wet vóór de wijziging).

30.

De Commissie oordeelde dat het quorum van 13 op 15 rechters voor een voltallige zitting (die de „abstracte” grondwettelijke toetsing van nieuwe wetten behandelt) het besluitvormingsproces in het Constitutioneel Hof aanzienlijk verzwaart en dit proces dreigt te blokkeren. De Commissie deed opmerken, en werd hierin bijgetreden door de Commissie van Venetië, dat een quorum van 13 op 15 rechters een ongewoon hoog aantal is in vergelijking met andere lidstaten. Het is om diverse redenen zeer goed denkbaar dat een dergelijk quorum niet altijd kan worden bereikt, waardoor het Hof minstens tijdelijk in de onmogelijkheid zou verkeren om een uitspraak te doen. Een dergelijke situatie doet zich de facto momenteel voor, aangezien het Hof slechts 12 rechters telt.

4.1.2.   De meerderheid bij stemming

31.

Volgens het gewijzigde artikel 99, lid 1, was voor uitspraken van het Constitutioneel Hof in voltallige zitting (voor „abstracte zaken”) een tweederdemeerderheid van de zetelende rechters vereist. Gelet op het nieuwe (hogere) quorum (zie hiervoor) betekende dit dat een uitspraak moest worden goedgekeurd door ten minste negen rechters als het Constitutioneel Hof uitspraak deed in voltallige zitting (33). Enkel als het Hof in een panel van zeven of drie rechters oordeelde (bij individuele klachten en prejudiciële verzoeken van gewone rechtscolleges), volstond een gewone meerderheid van de stemmen. Onder de oude wet was voor een uitspraak in voltallige zitting een gewone meerderheid van de stemmen vereist (artikel 99, lid 1, van de wet vóór de wijziging).

32.

De tweederdemeerderheid voor uitspraken (bij „abstracte” grondwettelijke toetsing van nieuwe wetten), bovenop het hogere quorum, zorgde voor een aanzienlijke verzwaring van het besluitvormingsproces in het Constitutioneel Hof. De Commissie deed opmerken, en werd hierin bijgetreden door de Commissie van Venetië, dat in de grote meerderheid van de Europese rechtsstelsels een gewone meerderheid volstaat. Het Constitutioneel Hof heeft los hiervan geoordeeld dat de Poolse grondwet een gewone meerderheid van de stemmen voorschrijft en dat het vereiste van een gekwalificeerde meerderheid bijgevolg ongrondwettelijk was.

4.1.3.   De behandeling van zaken in chronologische volgorde

33.

Volgens het gewijzigde artikel 80, lid 2 (34), wordt de chronologie van terechtzittingen of zittingen met gesloten deuren, waar verzoekschriften tot abstracte constitutionele toetsing zouden moeten worden behandeld, „bepaald door de volgorde waarin de zaken aan het Hof worden voorgelegd”. Er waren geen uitzonderingen op deze regel en volgens het amendement was deze regel van toepassing op alle aanhangige zaken waarvoor nog geen datum voor een terechtzitting was vastgesteld (35). De oude versie van de wet omvatte dergelijke regel niet.

34.

De „volgorderegel” volgens dewelke het Constitutioneel Hof zaken diende te behandelen in de volgorde waarin zij waren geregistreerd, had een nadelig effect op het vermogen van het Hof om snel uitspraak te doen over de grondwettelijkheid van nieuwe wetten, gelet in het bijzonder op het aantal aanhangige zaken. De onmogelijkheid om de aard van een zaak in aanmerking te nemen (met name waar het om grondrechten gaat), de gewichtigheid ervan en de context waarin zij aanhangig is gemaakt, zou het Constitutioneel Hof kunnen hebben verhinderd te voldoen aan het vereiste van een redelijke duur van procedures van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU. Zoals ook de Commissie van Venetië deed opmerken, zou de volgorderegel ook het indienen van prejudiciële verzoeken bij het Hof van Justitie kunnen hebben ontmoedigd, in het bijzonder wanneer een terechtzitting vereist is nadat de prejudiciële beslissing is ontvangen.

4.1.4.   De minimumtermijn voor terechtzittingen

35.

Volgens het gewijzigde artikel 87, lid 2 (36)„mag de terechtzitting niet eerder plaatsvinden dan drie maanden te rekenen vanaf dag waarop het tijdstip van de terechtzitting ter kennis is gebracht van de deelnemers aan de procedure, en voor zaken die in voltallige zitting worden behandeld, niet eerder dan zes maanden”. De oude wet bepaalde dat de terechtzitting niet eerder kan plaatsvinden dan 14 dagen vanaf de dag van kennisgeving van het tijdstip aan de deelnemers aan de procedure.

36.

Tot slot diende deze kwestie te worden bekeken in samenhang met het vereiste inzake de inroostering van zaken. In het bijzonder de minimumtermijn voor terechtzittingen (deelnemers aan de procedure moeten ten minste drie maanden — en in belangrijke zaken zes maanden — van tevoren in kennis worden gesteld van het tijdstip van een terechtzitting voor het Constitutioneel Hof) dreigde de procedures te vertragen. Zoals hiervoor gezegd, is het ontbreken van een algemene bepaling op grond waarvan het Constitutioneel Hof deze termijnen zou kunnen verkorten in urgente gevallen onverenigbaar met het vereiste van een redelijke duur van de procedures van artikel 6 van het Europees Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en artikel 47 van het Handvest van de grondrechten van de EU.

4.1.5.   Tuchtprocedures

37.

Volgens het gewijzigde artikel 28 bis (37)„kunnen tuchtprocedures ook op verzoek van de president van de Republiek Polen of de minister van Justitie worden ingeleid, uiterlijk drie weken na de datum van ontvangst van het verzoek, tenzij de voorzitter van het Hof oordeelt dat het verzoek ongegrond is”. Daarenboven bepaalt het gewijzigde artikel 31 bis, lid 1, van de wet (38) dat „de Algemene Assemblee in bijzonder flagrante gevallen de Sejm verzoekt de rechter van het Hof af te zetten;”. Een dergelijke maatregel van de Algemene Assemblee kon worden ingeleid door een verzoek van de president van de Republiek of de minister van Justitie op grond van het gewijzigde artikel 31 bis, lid 2, al behield het Constitutioneel Hof de vrijheid om te beslissen. De uiteindelijke beslissing zou door de Sejm worden genomen. Onder de oude wet kon de uitvoerende macht geen tuchtprocedures inleiden en had de Sejm niet de bevoegdheid om rechters van het Hof af te zetten. Het was het Constitutioneel Hof zelf dat bevoegd was om rechters af te zetten.

38.

Het baarde de Commissie zorgen dat sommige amendementen andere instellingen van de staat een grotere rol toebedeelden bij tuchtprocedures ten aanzien van rechters van het Hof. In het bijzonder werd de bevoegdheid verleend aan de president van de Republiek of de minister van Justitie om tuchtprocedures in te leiden tegen rechters van het Constitutioneel Hof (39) en, in bijzonder ernstige gevallen, aan de Sejm om in laatste instantie over de afzetting van rechters te beslissen op een daartoe strekkend verzoek van het Constitutioneel Hof (40).

39.

Volgens de Commissie kan het feit dat een politiek orgaan beslist over een tuchtsanctie (en bijgevolg de oplegging ervan kan weigeren) die door het Constitutioneel Hof wordt voorgesteld, een probleem opleveren vanuit het oogpunt van de onafhankelijkheid van de rechterlijke macht, aangezien het denkbaar is dat het parlement (als politiek orgaan) zich zou kunnen laten leiden door politieke overwegingen. Insgelijks is het onduidelijk waarom politieke instellingen zoals de president van de Republiek en de minister van Justitie zouden moeten beschikken over de bevoegdheid om tuchtprocedures in te leiden. Ook al zouden voor dergelijke procedures de goedkeuring van het Hof of de voorzitter ervan vereist zijn, dan nog zou het feit dat zij mogelijk in gang zijn gezet door politieke instellingen van invloed kunnen zijn geweest op de onafhankelijkheid van het Hof. Dit geeft aanleiding tot bezorgdheid over de scheiding der machten en de onafhankelijkheid van het Constitutioneel Hof, aangezien een voorstel van het Hof tot afzetting van een rechter door de Sejm zou kunnen worden afgewezen.

4.2.   De wet van 22 juli 2016 op het Constitutioneel Hof

40.

Behalve bepalingen over de benoeming van rechters van het Hof en de publicatie van uitspraken (zie paragrafen 2 en 3) bevat de wet van 22 juli 2016 ook bepalingen die de werking van het Hof regelen. De wet haalt zijn inspiratie bij de wet op het Constitutioneel Hof van 1 augustus 1997, maar voegt nieuwe bepalingen toe, onder andere inzake het quorum voor terechtzittingen, de vereiste meerderheden wanneer het Constitutioneel Hof uitspraak doet in voltallige zitting, de behandeling van zaken in chronologische volgorde, de minimumtermijn voor terechtzittingen, de rol van de rijksprocureur-generaal, het uitstellen van beraadslagingen en overgangsbepalingen voor aanhangige zaken en vacatio legis.

41.

Naar het oordeel van de Commissie is er weliswaar sprake van sommige verbeteringen in vergelijking met de wijzigingswet van 22 december 2015 en zijn sommige punten van zorg aangepakt zoals hierna wordt toegelicht, maar zijn een aantal punten van zorg die eerder waren geuit met betrekking tot de wet van 22 december 2015 niet weggenomen en zijn enkele nieuwe bepalingen die zorg baren geïntroduceerd. In het algemeen baren de gevolgen van sommige bepalingen van de wet van 22 juli 2016, afzonderlijk of gezamenlijk bezien, zorgen wat betreft de effectiviteit van de grondwettelijke toetsing en de rechtsstaat.

4.2.1.   Het quorum

42.

Artikel 26, lid 2, bepaalt dat „voor de behandeling van een zaak door het voltallige Hof de deelname van ten minste elf rechters van het Hof vereist is”. Artikel 26, lid 1, onder g), bepaalt voorts dat „het Hof […] in voltallige zitting uitspraak zal doen in […] gevallen waarin drie rechters van het Hof daarom verzoeken binnen 14 dagen na ontvangst van een kopie van een constitutionele klacht of van een verzoekschrift of een juridische vraag als bedoeld in artikel 38, lid 1”.

43.

Bij artikel 26, lid 2, wordt het vereiste aantal rechters voor een voltallige zitting verhoogd van negen (zoals vereist krachtens de wet op het Constitutioneel Hof van 1997 en de wet van 25 juni 2015 vóór de wijziging van 22 december 2015) tot elf. Dit bemoeilijkt het besluitvormingsproces in het Constitutioneel Hof. Ten opzichte van de 13 die vereist waren bij de wijzigingswet van 22 december 2015 is dit een vermindering. Omdat het Constitutioneel Hof momenteel maar over 12 rechters beschikt om zaken te behandelen, is het echter denkbaar dat een dergelijk quorum niet altijd kan worden bereikt, waardoor het Hof minstens tijdelijk in de onmogelijkheid zou verkeren om een uitspraak te doen.

44.

Daar komt nog bij dat het Hof krachtens artikel 26, li 1, onder g), in voltallige zitting uitspraak doet onder andere in gevallen waarin drie rechters daarom verzoeken. Het hoeft daarbij niet te gaan om rechters die aangewezen zijn om uitspraak te doen in de desbetreffende zaak. Volgens de wet hoeft het verzoek niet gemotiveerd te worden of aan bepaalde bijzondere voorwaarden te voldoen. Een dergelijke bepaling zet de deur open naar een onvoorspelbaar aantal in voltallige zitting te behandelen zaken en zou afbreuk kunnen doen aan een efficiënte werking van het Hof, en bijgevolg aan de effectiviteit van de constitutionele toetsing.

4.2.2.   De meerderheid bij stemming

45.

Artikel 69 bepaalt: „Uitspraken worden gedaan bij gewone meerderheid van stemmen.”. Dit is een verbetering ten opzichte van de wijzigingswet van 22 december 2015 doordat het ongrondwettelijke vereiste van een tweederdemeerderheid voor uitspraken is geschrapt en het eerder door de Commissie geuite punt van zorg zodoende is weggenomen.

4.2.3.   De behandeling van zaken in chronologische volgorde

46.

Artikel 38, lid 3, bepaalt dat „het tijdstip van terechtzittingen waarop verzoekschriften worden onderzocht, wordt vastgesteld in overeenstemming met de volgorde waarin zaken bij het Hof worden aangebracht”. In artikel 38, lid 4, wordt een beperkt aantal gevallen opgesomd waarin de volgorde waarin verzoekschriften worden ontvangen niet van belang is. Artikel 38, lid 5, bepaalt dat „de voorzitter van het Hof het tijdstip van de terechtzitting kan vaststellen zonder rekening te houden met de voorwaarde van lid 3 [hiervoor] in gevallen waarin zulks vanuit een oogpunt van bescherming van de rechten en vrijheden van burgers, veiligheid van de staat of grondwettelijke orde gerechtvaardigd is. Op verzoek van 5 rechters kan de voorzitter van het Hof zijn besluit tot vaststelling van het tijdstip van een terechtzitting heroverwegen.”.

47.

De „volgorderegel” volgens welke zaken waarbij verzoekschriften worden onderzocht, door het Hof worden behandeld in de volgorde waarin zij zijn geregistreerd, is in de wijzigingswet van 22 december 2015 geïntroduceerd en is door het Hof reeds in strijd bevonden, onder andere, met de grondwet omdat met deze bepaling aan de onafhankelijkheid van het gerecht en de scheiding der machten wordt geraakt.

48.

Volgens artikel 38, lid 3, is de volgorderegel van toepassing op „verzoekschriften” en niet op „constitutionele klachten”. Ook als de volgorderegel uitsluitend voor verzoekschriften geldt, zal hij een impact hebben op het vermogen van het Hof om snel over de grondwettelijkheid van wetten te oordelen op verzoek van institutionele partijen.

49.

Artikel 38, lid 5, voorziet in de mogelijkheid voor de voorzitter van het Constitutioneel Hof om van de volgorderegel af te wijken. Deze mogelijkheid is echter beperkt tot specifieke gevallen en kan tot vertraging leiden, aangezien vijf rechters een verzoek kunnen indienen om het besluit van de voorzitter van het Hof tot vaststelling van het tijdstip van een terechtzitting te heroverwegen. Bovendien is het onduidelijk of de voorwaarden de voorzitter van het Hof in staat stellen om van de volgorderegel af te wijken in alle gevallen waarin een uitspraak met de grootste spoed nodig is.

50.

Niettegenstaande de wet van 22 juli 2016 een verbetering vormt ten opzichte van de wet van 22 december 2015, baart het effect van de volgorderegel op de effectiviteit van het Hof daarom nog steeds zorgen.

4.2.4.   De minimumtermijn voor terechtzittingen

51.

Artikel 61, lid 1, bepaalt dat „de terechtzitting niet eerder mag plaatsvinden dan 30 dagen nadat kennisgeving is gedaan van het tijdstip van de terechtzitting”. Artikel 61, lid 3, bepaalt dat „in zaken betreffende judiciële vragen, constitutionele klachten en jurisdictiegeschillen tussen centrale constitutionele autoriteiten van de staat, de termijn van lid 1 door de voorzitter van het Hof kan worden gehalveerd, tenzij de klager, het rechtscollege dat de vraag stelt of de indiener van het verzoekschrift daartegen bezwaar maakt binnen zeven dagen na betekening van de dagvaarding van de voorzitter van het Hof”. De halvering van de termijn van 30 dagen door de voorzitter van het Hof is een verbetering ten opzichte van de wet van 22 december 2015, ook al kan de klager, het rechtscollege dat de vraag stelt of de indiener van het verzoekschrift daartegen bezwaar maken.

4.2.5.   Tuchtprocedures

52.

De wet van 22 juli 2016 bedeelt andere instellingen van de staat geen rol toe bij tuchtprocedures ten aanzien van rechters van het Hof. Dit is een verbetering ten opzichte van de wet van 22 december 2015 en bijgevolg geen punt van zorg meer.

4.2.6.   De mogelijkheid voor de rijksprocureur-generaal om de behandeling van zaken tegen te houden

53.

Artikel 61, lid 6, bepaalt dat „het feit dat de rijksprocureur-generaal die naar behoren in kennis is gesteld van de terechtzitting of zijn vertegenwoordiger niet op de terechtzitting aanwezig is, geen beletsel vormt om een zaak te behandelen, tenzij de verplichting om aan de terechtzitting deel te nemen voortvloeit uit de bepalingen van de wet”. Artikel 30, lid 5, bepaalt dat „de rijksprocureur-generaal of zijn substituut aanwezig is bij zaken die door het Hof in voltallige zitting worden behandeld”.

54.

De combinatie van artikel 61, lid 6, en artikel 30, lid 5, lijkt de rijksprocureur-generaal, die tevens minister van Justitie is, de facto de mogelijkheid te geven de behandeling van sommige zaken te vertragen of zelfs tegen te houden, met inbegrip van in voltallige zitting te behandelen zaken, door te besluiten van de terechtzitting weg te blijven. Dit zou ongerechtvaardigde inmenging in de werking van het Hof mogelijk maken en een schending betekenen van de onafhankelijkheid van het gerecht en de scheiding der machten.

4.2.7.   Uitstellen van beraadslaging

55.

Artikel 68, lid 5, bepaalt dat „tijdens beraadslagingen van het Hof in voltallige zitting, door ten minste vier rechters bezwaar kan worden gemaakt tegen de voorgestelde uitkomst wanneer zij van oordeel zijn dat de kwestie van bijzonder belang is voor de inrichting van de staat of de openbare orde, en zij het met de strekking van de uitkomst niet eens zijn”. Artikel 68, lid 6, bepaalt dat „indien overeenkomstig lid 5 bezwaar wordt gemaakt, de beraadslagingen met drie maanden worden verdaagd en de rechters die bezwaar hebben gemaakt na afloop van die periode gezamenlijk een uitkomst moeten voorstellen”. Artikel 68, lid 7, bepaalt dat „indien tijdens de nieuwe beraadslagingen als bedoeld in lid 6 ten minste vier rechters opnieuw bezwaar maken, de beraadslagingen nogmaals met drie maanden worden verdaagd. Na afloop van die periode vinden nieuwe beraadslagingen en een stemming plaats”.

56.

Voor zaken die in voltallige zitting worden behandeld, en het zou om een groot aantal zaken kunnen gaan (zie hiervoor), voorziet de wet van 22 juli 2016 in de mogelijkheid dat door ten minste vier rechters van het Hof bezwaar wordt gemaakt tegen een ontwerpuitspraak. Dit zou ertoe kunnen leiden dat beraadslagingen over een zaak met minstens drie maanden en in sommige gevallen met zes maanden worden verdaagd, vanaf het moment dat het Hof het stadium van beraadslaging bereikt. De wet voorziet niet in een uitzondering om urgente zaken sneller te behandelen.

57.

De gevolgen van deze bepalingen voor de effectiviteit van de constitutionele toetsing zijn een punt van zorg vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid, omdat zij het Constitutioneel Hof verhinderen te allen tijde voor een effectieve constitutionele toetsing en in alle gevallen voor een daadwerkelijk en tijdig verweer te zorgen.

4.2.8.   Overgangsbepalingen voor aanhangige zaken

58.

Artikel 83, lid 1, bepaalt: „Deze wet is van toepassing op zaken waarvan de behandeling is begonnen, maar niet voltooid vóór de datum van inwerkingtreding van de wet.”. Volgens artikel 83, lid 2, „moet het Hof de in lid 1 bedoelde zaken beslechten binnen een jaar na de inwerkingtreding van de wet. De termijn van een jaar geldt niet voor de in artikel 84 genoemde gevallen”. Artikel 84, lid 1, bepaalt het volgende: „Met betrekking tot verzoekschriften ingediend door de entiteiten als bedoeld in artikel 191, lid 1, eerste tot vijfde alinea, van de grondwet en in behandeling vóór de datum van inwerkingtreding van deze wet, schort het Hof […] de procedure gedurende zes maanden op en verzoekt zij de indieners van het verzoekschrift dit te vervolledigen overeenkomstig de vereisten van artikel 33, leden 2 tot 5”. Artikel 84, lid 2, bepaalt: „Indien een verzoekschrift als bedoeld in lid 1 is vervolledigd overeenkomstig de vereisten van artikel 33, leden 2 tot 5, geeft het Hof opdracht om de opgeschorte procedure na afloop van de in lid 1 gestelde termijn voort te zetten. Anders wordt de procedure stopgezet.”.

59.

Artikel 85, lid 1, bepaalt het volgende: „Indien voor een terechtzitting een datum is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt de terechtzitting uitgesteld en wordt het bevoegde panel aan deze wet aangepast”. Artikel 85, lid 2, bepaalt: „Er wordt een nieuwe datum voor de terechtzitting vastgesteld. De terechtzitting vindt plaats in overeenstemming met deze wet”. Artikel 86 bepaalt: „Indien de datum van publicatie van een uitspraak is vastgesteld vóór de inwerkingtreding van deze wet, wordt de publicatie uitgesteld en worden het bevoegde panel en de vereisten betreffende de uitspraak aan deze wet aangepast”.

60.

Enerzijds wordt bij artikel 83, lid 2, een termijn van een jaar vanaf de datum van inwerkingtreding van de wet vastgesteld om aanhangige zaken te behandelen. Anderzijds echter, bepaalt artikel 84, in afwijking van artikel 83, lid 2, dat in behandeling zijnde verzoekschriften (d.w.z. verzoekschriften van institutionele partijen tot toetsing van wetten aan de grondwet) gedurende zes maanden worden bevroren. Het Hof zou aan de indieners vragen hun verzoekschriften te vervolledigen om aan de nieuwe procedure-eisen te voldoen, en de werkzaamheden inzake deze verzoekschriften pas kunnen hervatten na afloop van deze periode van zes maanden (zelfs als de indieners hun verzoekschrift eerder hebben vervolledigd). De wet voorziet niet in een uitzondering om urgente zaken sneller te behandelen.

61.

In het geval van de artikelen 85 en 86 is er sprake van inmenging van de wetgever in aanhangige zaken, in het bijzonder in die welke reeds in een vergevorderd stadium zitten, en zou de werking van het Hof kunnen worden gehinderd.

62.

Deze overgangsbepalingen baren in hun totaliteit ernstige zorgen omdat zij de werkzaamheden van het Hof met betrekking tot verzoekschriften aanzienlijk zullen vertragen en het Hof zullen verhinderen te allen tijde voor een effectieve constitutionele toetsing te zorgen. Dit is met name van belang tegen de achtergrond van alle gevoelige nieuwe wetgevingshandelingen die in het advies van de Commissie worden genoemd (zie punt 4.3 hierna).

4.2.9.   Vacatio legis

63.

Artikel 92 van de wet van 22 juli 2016 bepaalt dat „deze wet in werking zal treden 14 dagen na de publicatie ervan.” Tenzij er een ex-ante constitutionele toetsing van de wet heeft plaatsgehad, is de periode van vacatio legis van 14 dagen te kort voor een effectieve toetsing van de wet aan de grondwet. Omwille van de rechtszekerheid is het zaak dat voldoende tijd wordt gelaten om het Constitutioneel Hof in staat te stellen de grondwettelijkheid van de wet te beoordelen vóór de inwerkingtreding ervan.

64.

In dit verband wordt erop gewezen dat de Commissie van Venetië in haar advies van 11 maart 2016 heeft beklemtoond dat het Constitutioneel Hof in de gelegenheid moet worden gesteld een gewone wet die de werking van het Hof regelt te beoordelen voordat die wet in werking treedt.

4.3.   Gevolgen van tekortkomingen inzake de effectiviteit van grondwettelijke toetsing voor nieuwe wetten

65.

De Sejm heeft, vaak via een spoedprocedure, een aantal bijzonder gevoelige nieuwe wetgevingshandelingen aangenomen, zoals en met name een mediawet (41), een nieuwe wet op de overheidsdiensten (42), een wet tot wijziging van de wet op de politiediensten en sommige andere wetten (43), wetten op het openbaar ministerie (44), en een nieuwe wet op de Ombudsman en tot wijzing van sommige andere wetten (45). De Commissie heeft met brieven van 1 februari 2016 en 3 maart 2016 bij de Poolse regering geïnformeerd naar de stand en de inhoud van deze wetshervormingen, maar heeft deze informatie vooralsnog niet ontvangen. Daarnaast heeft de Sejm een aantal andere gevoelige wetsontwerpen aangenomen, zoals een wet op de Nationale Mediaraad (46) en een nieuwe terrorismebestrijdingswet (47).

66.

De Commissie is van oordeel dat er geen sprake is van een effectieve toetsing van wetgevingshandelingen zoals hierboven bedoeld aan de grondwet, met inbegrip van de grondrechten, zolang de macht van het Constitutioneel Hof om een effectieve constitutionele toetsing te verrichten wordt beknot.

67.

Zo doet de Commissie opmerken dat nieuwe wetten (en met name de mediawetgeving (48)) zorgen baren wat de vrijheid en de pluriformiteit van de media betreft. Meer in het bijzonder wijzigt de nieuwe mediawetgeving de regels voor de benoeming van de leden van de raden van bestuur en toezicht van de openbare omroepen, die onder regeringscontrole komen te staan (de minister voor de schatkist) en niet onder een onafhankelijk orgaan. De nieuwe wetgeving bepaalt eveneens dat de bestaande raden van bestuur en toezicht onmiddellijk worden ontbonden. De Commissie vraagt zich in dit verband af hoe het zit met de rechtsverweermiddelen van de personen die door de wet worden getroffen.

68.

Ook wetgevingshandelingen zoals de nieuwe wet op de overheidsdiensten (49) zijn van belang vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid en de grondrechten. In dat verband had de Commissie in haar brieven van 1 februari 2016 en 3 maart 2016 (50) aan de Poolse regering uitleg gevraagd met betrekking tot de rechtsverweermiddelen van de personen die door de wet worden getroffen. De Commissie wacht nog op het antwoord van de Poolse regering op dit punt.

69.

Ook de wet tot wijziging van de wet op de politiediensten en sommige andere wetten (51) doet vragen rijzen naar de verenigbaarheid met de grondrechten, onder andere de bescherming van de persoonlijke levenssfeer en persoonsgegevens. Op 28-29 april 2016 bracht een delegatie van de Commissie van Venetië een bezoek aan Warschau om de amendementen op de wet op de politiediensten en sommige andere wetten te bespreken, waarna zij tijdens de zitting van 10-11 juni 2016 een advies uitbracht (52). In dit advies wordt onder andere gesteld dat de procedurewaarborgen en materiële voorwaarden waarin de wet voorziet, nog steeds ontoereikend zijn om een excessieve toepassing van de wet en een ongerechtvaardigde bemoeienis met de private levenssfeer van personen te voorkomen.

70.

Ook de wet tot wijziging van de wet op de politiediensten en sommige andere wetten doet vragen rijzen naar de verenigbaarheid met de grondrechten (53) en is het voorwerp van constitutionele toetsing.

71.

Concluderend, is de Commissie van oordeel dat er geen sprake is van een effectieve toetsing van wetgevingshandelingen aan de grondrechten zolang de macht van het Constitutioneel Hof om een effectieve constitutionele toetsing te verrichten wordt beknot. Dit baart vanuit het oogpunt van rechtsstatelijkheid ernstig zorgen, met name omdat de Sejm recentelijk een aantal bijzonder gevoelige nieuwe wetgevingshandelingen heeft aangenomen die constitutionele toetsing behoeven. Daar komt nog bij dat de wet van 22 juli 2016 — zoals hierboven is uiteengezet — bepaalt dat een aantal aanhangige zaken zouden worden opgeschort.

5.   VASTSTELLING VAN EEN SYSTEMISCHE BEDREIGING VOOR DE RECHTSSTAAT

72.

Om de hierboven uiteengezette redenen is de Commissie van oordeel dat er sprake is van een systemische bedreiging voor de rechtsstaat in Polen. Het feit dat de macht van het Constitutioneel Hof om een effectieve constitutionele toetsing te verrichten wordt beknot, doet afbreuk aan zijn integriteit, stabiliteit en goede werking, die een wezenlijke garantie vormt voor de rechtsstaat in Polen. De effectieve werking van een constitutioneel rechtssysteem is een cruciaal onderdeel van de rechtsstaat.

73.

Eerbiediging van de rechtsstaat is niet alleen een vereiste voor de bescherming van alle fundamentele waarden die in artikel 2 van het Verdrag betreffende de Europese Unie worden opgesomd. Het is eveneens een vereiste voor de handhaving van alle rechten en verplichtingen die voortvloeien uit de Verdragen en het internationaal recht, en voor het wederzijds vertrouwen van burgers, ondernemingen en nationale autoriteiten in de rechtsstelsels van alle andere lidstaten.

6.   AANBEVOLEN MAATREGELEN

74.

De Commissie beveelt aan dat de Poolse autoriteiten passende maatregelen nemen om deze systemische bedreiging voor de rechtsstaat met spoed aan te pakken. In het bijzonder beveelt de Commissie aan dat de Poolse autoriteiten:

a)

de uitspraken van het Constitutioneel Hof van 3 en 9 december 2015 volledig ten uitvoer leggen, wat betekent dat de drie in oktober 2015 door de vorige legislatuur rechtsgeldig benoemde rechters hun ambt bij het Constitutioneel Hof kunnen opnemen en dat de drie door de nieuwe legislatuur zonder geldige rechtsgrondslag benoemde rechters dit ambt niet opnemen als zij niet rechtsgeldig verkozen zijn;

b)

de uitspraken van het Constitutioneel Hof van 9 maart 2016 en de daarna gedane uitspraken publiceren en volledig ten uitvoer leggen, en waarborgen dat de publicatie van toekomstige uitspraken ambtshalve geschiedt en niet afhankelijk is van een beslissing van de uitvoerende of de wetgevende macht;

c)

ervoor zorgen dat alle hervormingen van de wet op het Constitutioneel Hof in overeenstemming zijn met de uitspraken van het Constitutioneel Hof, met inbegrip van de uitspraken van 3 en 9 december 2015 en de uitspraak van 9 maart 2016, en volledig rekening houden met het advies van de Commissie van Venetië; ervoor zorgen dat de effectiviteit van het Constitutioneel Hof als hoeder van de grondwet niet wordt ondermijnd door het afzonderlijke of gecombineerde effect van vereisten, zoals die welke hiervoor zijn vermeld met betrekking tot het quorum, de behandeling van zaken in chronologische volgorde, de mogelijkheid voor de rijksprocureur-generaal om de behandeling van zaken te verhinderen, het uitstellen van beraadslagingen of overgangsmaatregelen die van invloed zijn op aanhangige zaken en waarbij zaken worden opgeschort;

d)

ervoor zorgen dat het Constitutioneel Hof de verenigbaarheid van de nieuwe wet op het Constitutioneel Hof van 22 juli 2016 kan beoordelen vóór de inwerkingtreding ervan en de desbetreffende uitspraak van het Hof volledig ten uitvoer kan leggen;

e)

zich onthouden van acties en publieke verklaringen die de legitimiteit en doeltreffendheid van het Constitutioneel Hof kunnen ondermijnen.

75.

De Commissie beklemtoont dat de loyale samenwerking van de verschillende instellingen van de staat die inzake rechtsstatelijke aangelegenheden vereist is, essentieel is om in de huidige situatie tot een oplossing te komen. De Commissie raadt de Poolse autoriteiten ook aan het standpunt van de Commissie van Venetië in te winnen over de nieuwe wet op het Constitutioneel Hof van 22 juli 2016.

76.

De Commissie verzoekt de Poolse regering de in deze aanbeveling gesignaleerde problemen te verhelpen binnen drie maanden na ontvangst van deze aanbeveling, en de Commissie in kennis te stellen van de maatregelen die daartoe zijn genomen.

77.

Op basis van deze aanbeveling is de Commissie bereid de constructieve dialoog met de Poolse regering voort te zetten.

Gedaan te Brussel, 27 juli 2016.

Voor de Commissie

Frans TIMMERMANS

Vicevoorzitter


(1)  COM(2014) 158 final, hierna „de mededeling” genoemd.

(2)  Zie COM(2014) 158 final, deel 2, bijlage I.

(3)  Zie punt 4.1 van de mededeling.

(4)  Ibidem.

(5)  Ibidem.

(6)  Wet van 22 december 2015 tot wijziging van de wet van 25 juni 2015 betreffende het Constitutioneel Hof. De wijzigingswet is op 28 december openbaar gemaakt in het staatsblad; punt 2217.

(7)  Brief van 23 december 2015 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Buitenlandse Zaken de heer Waszczykowski en de minister van Justitie de heer Ziobro.

(8)  Brief van 30 december 2015 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Buitenlandse Zaken de heer Waszczykowski en de minister van Justitie de heer Ziobro.

(9)  Brief van 7 januari 2016 van Onderstaatssecretaris de heer Stepkowski aan eerste vicevoorzitter Timmermans.

(10)  Brief van 11 januari 2016 van de minister van Justitie de heer Ziobro aan eerste vicevoorzitter Timmermans.

(11)  Brief van 13 januari 2016 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Justitie de heer Ziobro.

(12)  Brief van 19 januari 2016 van commissaris Oettinger aan de minister van Justitie de heer Ziobro.

(13)  Brief van 19 januari 2016 van de minister van Justitie de heer Ziobro aan eerste vicevoorzitter Timmermans.

(14)  Brief van 1 februari 2016 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Justitie de heer Ziobro.

(15)  Brief van 29 februari 2016 van de minister van Buitenlandse Zaken de heer Waszczykowski aan eerste vicevoorzitter Timmermans.

(16)  Brief van 3 maart 2016 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Buitenlandse Zaken de heer Waszczykowski.

(17)  Advies nr. 833/2015, CDL-AD(2016)001.

(18)  Sinds 9 maart 2016 zijn twintig uitspraken van het Constitutioneel Hof niet openbaar gemaakt.

(19)  Brief van 24 juni 2016 van de minister van Buitenlandse Zaken de heer Waszczykowski aan eerste vicevoorzitter Timmermans.

(20)  K 34/15.

(21)  K 35/15.

(22)  Advies, paragraaf 112.

(23)  Advies, paragraaf 136.

(24)  Wet van 25 juni 2015 op het Constitutioneel Hof, gepubliceerd in het staatsblad op 30 juli 2015, item 1064, zoals gewijzigd. De wet van 22 december 2015 is op 28 december gepubliceerd in het staatsblad; item 2217.

(25)  Advies, paragraaf 41.

(26)  Wet van 25 juni 2015 op het Constitutioneel Hof, gepubliceerd in het staatsblad op 30 juli 2015, item 1064, zoals gewijzigd. De wet van 22 december 2015 is op 28 december gepubliceerd in het staatsblad; item 2217.

(27)  Zie nieuw artikel 1, lid 9, ter vervanging van artikel 44, leden 1-3.

(28)  Zie nieuw artikel 1, lid 14, ter vervanging van artikel 99, lid 1.

(29)  Zie nieuw artikel 1, lid 10, waarbij een nieuw artikel 80, lid 2, wordt ingevoegd.

(30)  Zie nieuw artikel 1, lid 12, ter vervanging van artikel 87, lid 2.

(31)  Zie nieuw artikel 1, lid 5, waarbij een nieuw artikel 28 bis wordt ingevoegd, en nieuw artikel 1, lid 7, waarbij een nieuw artikel 31 bis wordt ingevoegd.

(32)  Dit nieuwe quorum geldt ook voor resoluties van de Algemene Assemblee, tenzij in de wet anders is bepaald (zie nieuw artikel 1, lid 3, tot wijziging van artikel 10, lid 1).

(33)  Volgens het amendement gelden dezelfde regels — quorum en tweederdemeerderheid van de stemmen — ook voor de Algemene Assemblee van het Hof.

(34)  Zie nieuw artikel 1, lid 10, waarbij een nieuw artikel 80, lid 2, wordt ingevoegd.

(35)  Zie nieuw artikel 2.

(36)  Zie nieuw artikel 1, lid 12.

(37)  Zie nieuw artikel 1, lid 5.

(38)  Zie nieuw artikel 1, lid 7.

(39)  Zie nieuw artikel 1, lid 5, waarbij een nieuw artikel 28 bis wordt ingevoegd.

(40)  Zie nieuw artikel 1, lid 7, waarbij een nieuw artikel 31 bis wordt ingevoegd.

(41)  Wet van 30 december 2015 tot wijziging van de omroepwet, gepubliceerd in het staatsblad op 7 januari 2016, item 25.

(42)  Wet van 30 december 2015 tot wijziging van de wet op de overheidsdiensten en sommige andere wetten, gepubliceerd in het staatsblad op 8 januari 2016, item 34.

(43)  Wet van 15 januari 2016 tot wijziging van de wet op de politiediensten en sommige andere wetten, gepubliceerd in het staatsblad op 4 februari 2016, item 147.

(44)  Wet van 28 januari 2016 op het openbaar ministerie, gepubliceerd in het staatsblad op 15 februari 2016, item 177. Wet van 28 januari 2016 — uitvoeringsbepalingen bij de wet — Wet op het openbaar ministerie, gepubliceerd in het staatsblad op 15 februari 2016, item 178.

(45)  Wet van 18 maart 2016 op de Ombudsman en tot wijziging van sommige andere wetten. De wet is ondertekend door de president van de Republiek op 4 mei 2016.

(46)  Wet van 22 juni 2016 op de Nationale Mediaraad. De wet is ondertekend door de president van de Republiek op 27 juni 2016.

(47)  Wet van 10 juni 2016 inzake de terrorismebestrijding. De wet is ondertekend door de president van de Republiek op 22 juni 2016. De Commissie heeft er voorts weet van dat een nieuwe wet tot wijziging van de wet op de Nationale Raad voor Justitie en sommige andere wetten op 5 mei 2016 door de minister van Justitie is ingediend bij het nationaal centrum voor de wetgeving.

(48)  Wet van 30 december 2015 tot wijziging van de omroepwet, gepubliceerd in het staatsblad op 7 januari 2016, item 25, en wet van 22 juni 2016 op de Nationale Mediaraad. De wet is ondertekend door de president van de Republiek op 27 juni 2016.

(49)  Wet van 30 december 2015 tot wijziging van de wet op de overheidsdiensten en sommige andere wetten, gepubliceerd in het staatsblad op 8 januari 2016, item 34.

(50)  Brief van 1 februari 2016 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Justitie de heer Ziobro. Brief van 3 maart 2016 van eerste vicevoorzitter Timmermans aan de minister van Buitenlandse Zaken de heer Waszczykowski.

(51)  Wet van 15 januari 2016 tot wijziging van de wet op de politiediensten en sommige andere wetten, gepubliceerd in het staatsblad op 4 februari 2016, item 147.

(52)  Advies nr. 839/2016.

(53)  Wet van 10 juni 2016 inzake de terrorismebestrijding. De wet is ondertekend door de president van de Republiek op 22 juni 2016.


Top