Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016H1224(01)

Aanbeveling van de Raad van 19 december 2016 tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen

OJ C 484, 24.12.2016, p. 1–6 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

24.12.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

C 484/1


AANBEVELING VAN DE RAAD

van 19 december 2016

tot invoering van bijscholingstrajecten: nieuwe mogelijkheden voor volwassenen

(2016/C 484/01)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name de artikelen 165 en 166,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de huidige samenleving moeten alle burgers een breed scala aan vaardigheden, kennis en competenties, onder meer een toereikend niveau van lees- en schrijfvaardigheid, reken- en digitale competenties hebben om hun volledige potentieel te verwezenlijken, een actieve rol in de samenleving te spelen en hun sociale en burgerlijke verantwoordelijkheden op zich te nemen. Deze vaardigheden, kennis en competenties zijn ook essentieel om toegang te krijgen tot en vooruitgang te boeken op de arbeidsmarkt en om vervolgonderwijs en -opleiding te volgen.

(2)

Voor steeds meer banen is zowel een hoger niveau als een ruimer scala van vaardigheden vereist. In de toekomst zullen er minder eenvoudige banen zijn. Zelfs voor banen die van oudsher lage of geen kwalificaties vergden, worden de eisen steeds hoger. Voor verreweg de meeste banen zijn bepaalde digitale competenties vereist en een toenemend aantal eenvoudige banen vergt bepaalde generieke of kernvaardigheden (zoals communicatie, probleemoplossing, teamwerken en emotionele intelligentie).

(3)

In 2015 waren er in de Unie 64 miljoen mensen, meer dan een kwart van de bevolking van 25 tot en met 64 jaar, die het initieel onderwijs en de initiële opleiding hadden afgesloten met hoogstens een diploma lager middelbaar onderwijs. Hoewel het niveau van de basisvaardigheden van deze mensen niet kan worden gemeten, laat de Survey of Adult Skills („PIAAC”) van de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) (enquête van de OESO over de vaardigheden van volwassenen), waarin lees- en schrijfvaardigheid, rekenvaardigheid en probleemoplossing in technologierijke omgevingen is getest, zien dat in 20 lidstaten vergelijkbare percentages volwassenen in de leeftijdsgroep 16 tot en met 65 het laagste vaardigheidsniveau hebben.

(4)

Voorts komt uit gegevens voor 2013 van het OESO-programma voor internationale studentenbeoordeling (PISA) naar voren dat een aanzienlijk deel van de 15-jarigen onvoldoende presteert voor lezen (17,8 %), wiskunde (22,1 %) en wetenschappen (16,6 %). Deze resultaten blijven boven de benchmark inzake Onderwijs en Opleiding 2020 (ET 2020) van 15 %.

(5)

Het PIAAC-programma toont aan dat volwassenen met hogere lees- en schrijfvaardigheid, rekenvaardigheid en probleemoplossend vermogen in technologierijke omgevingen vaak meer succes hebben op de arbeidsmarkt. Tegelijkertijd nemen 20 tot 25 % van de Europese volwassenen van 16 tot en met 65 jaar met zwakkere vaardigheden op dit gebied minder vaak deel aan leerervaringen en zijn zij minder vaak volwaardige deelnemers aan de digitale economie en samenleving. Zij lopen meer kans om werkloos, arm of sociaal uitgesloten te worden, lopen grotere gezondheidsrisico's, hebben een lagere levensverwachting, en hun kinderen lopen een hoger risico slecht te presteren op school.

(6)

Laagopgeleiden met gebrekkige basisvaardigheden maken een hoog percentage uit van de werklozen (in het bijzonder van de langdurig werklozen) en andere kwetsbare groepen, zoals oudere werknemers, economisch inactieven en derdelanders. Die tekortkomingen maken het voor hen moeilijker om de arbeidsmarkt (opnieuw) te betreden.

(7)

Beleidsmaatregelen van de lidstaten ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten in overeenstemming met de Aanbeveling van de Raad van 28 juni 2011 (1) en de conclusies van de Raad van 23 november 2015 inzake beleid ter bestrijding van voortijdig schoolverlaten, die gebaseerd zijn op preventie-, interventie- en compensatiemaatregelen, hebben een positief effect. In 2015 lag het gemiddelde percentage voortijdige schoolverlaters in de leeftijdsgroep 18 tot en met 24 jaar in de Unie op ongeveer één procentpunt onder het Europa 2020-benchmark van 10 %, maar wel met grote verschillen tussen de lidstaten. Zelfs indien de kerndoelstelling zou worden gehaald, zouden de resterende 10 % bij het begin van hun volwassen leven zeer moeilijk toegang krijgen tot duurzame werkgelegenheid. Bovendien zijn er nog steeds veel mensen van 25 jaar of ouder die de school voortijdig hebben verlaten, vaak derdelanders en andere mensen met een migrantenachtergrond of uit achterstandsgroepen.

(8)

Deelname aan een leven lang leren ligt bij laaggeschoolde volwassenen nog altijd vier keer lager dan bij mensen met een diploma van het tertiair onderwijs. De toegang tot een leven lang leren blijft ongelijk verdeeld over de verschillende sociaal-economische groepen en sommige groepen van de beroepsbevolking hebben minder toegang, in het bijzonder derdelanders. Bevordering van brede en inclusieve participatie is derhalve een sleutelfactor voor het succes van bijscholingsmaatregelen. Inspanningen om in contact te treden met personen die bijzondere motivering, ondersteuning en vaardigheden inzake doorlopend carrière-management nodig hebben, zijn essentieel.

(9)

De bijscholingstrajecten zijn gericht op volwassenen met geringe vaardigheden, kennis en competenties die niet in aanmerking komen voor steun uit de jongerengarantie (2), en zouden hen flexibele mogelijkheden bieden om hun lees- en schrijfvaardigheid, de reken- en digitale competenties te verbeteren en vorderingen te maken richting hogere en voor de arbeidsmarkt en voor actieve deelname aan de samenleving relevante niveaus inzake het Europees kwalificatiekader (EKK). Dit kan worden bereikt door onderwijs en opleiding in geschikte leeromgevingen te bieden waarin gekwalificeerde leerkrachten en opleiders lesmethoden voor volwassenen gebruiken en de mogelijkheden van digitaal leren benutten.

(10)

Rekening houdend met de nationale wetgeving, omstandigheden en beschikbare middelen, kunnen de lidstaten bijscholingstrajecten toesnijden op de door hen gekozen prioritaire doelgroepen. Die trajecten kunnen worden gerealiseerd conform de uitvoeringsregelingen van de lidstaten op basis van de persoonlijke inzet en de belangstelling voor deelname van de betrokkene.

(11)

Het vergroten van de vaardigheden en competenties van volwassenen draagt in aanzienlijke mate bij tot het bereiken van de strategische doelstellingen van Europa 2020, zoals weergegeven in de beleidscyclus van het Europees semester.

(12)

In het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie wordt het recht op onderwijs en op toegang tot beroepsopleiding en bijscholing voor iedereen erkend.

(13)

De doelstellingen inzake duurzame ontwikkeling van de Verenigde Naties uit 2015 roepen op ervoor te zorgen dat alle jongeren en een aanzienlijk deel van de volwassenen, zowel mannen als vrouwen, zich in 2030 lees- en schrijfvaardigheid en rekencompetenties eigen hebben gemaakt.

(14)

Aanbeveling 2006/962/EG van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren (3) biedt een referentiekader dat de lidstaten moet helpen ervoor te zorgen dat jongeren aan het eind van het initieel onderwijs en de initiële opleiding de sleutelcompetenties hebben ontwikkeld die ze nodig zullen hebben in hun volwassen leven, in verdere opleiding en in hun beroepsleven. Dat referentiekader moedigt de lidstaten ook aan om ervoor te zorgen dat volwassenen hun hele leven lang in staat zijn hun sleutelcompetenties te ontwikkelen en te actualiseren.

(15)

Het Europees digitaal competentiekader voor burgers bevat een gemeenschappelijke Europese referentie van wat moet worden verstaan onder digitaal vaardig zijn in de hedendaagse samenleving, en omschrijft de competenties en competentieniveaus op de vijf belangrijkste gebieden.

(16)

De Aanbeveling van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een Europees kwalificatiekader voor een leven lang leren (4) resulteerde in een gemeenschappelijk kwalificatiereferentiekader van acht niveaus, uitgedrukt in termen van leerresultaten, die via verschillende routes van formeel, niet-formeel en informeel leren kunnen worden bereikt.

(17)

Het gezamenlijk verslag van de Raad en de Commissie over de uitvoering van het strategisch kader voor Europese samenwerking op het gebied van onderwijs en opleiding (ET 2020) prioriteerde op het gebied van volwassenenonderwijs onder meer het aanbieden van vaardigheden als lezen, schrijven en rekenen, alsook digitale vaardigheden, en voldoende tweedekansmogelijkheden voor mensen die geen EKK-kwalificatie van niveau 4 hebben. Dat gezamenlijk verslag bevat ook beoogde resultaten op middellange termijn voor beroepsonderwijs en -opleiding, waaronder betere toegang tot kwalificaties voor iedereen door flexibeler stelsels voor beroepsonderwijs en -opleiding waarin overstappen gemakkelijker wordt, met name door voor efficiënte en geïntegreerde begeleiding te zorgen en validatie van niet-formeel en informeel leren beschikbaar te maken.

(18)

In de Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren (5) worden de lidstaten uitgenodigd tegen 2018 nationale regelingen in het leven te roepen voor de validatie (identificatie, documentatie, beoordeling en certificering) van niet-formeel en informeel leren. Dit omvat mogelijkheden voor werklozen of personen die werkloos dreigen te worden hun vaardigheden te laten beoordelen met als doel hun kennis, vaardigheden en competenties te laten vaststellen.

(19)

In de Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie wordt aanbevolen jongeren onder 25 jaar binnen vier maanden nadat zij werkloos zijn geworden of het formele onderwijs hebben verlaten een degelijk aanbod te doen voor een baan, voortgezet onderwijs, een plaats in het leerlingstelsel of een stage. De lidstaten worden uitgenodigd voortijdige schoolverlaters en laaggeschoolde jongeren mogelijkheden te bieden om opnieuw het onderwijs in te gaan of een opleiding te volgen, dan wel tweedekansonderwijsprogramma's in een leeromgeving die beantwoordt aan hun specifieke behoeften en hen in staat stelt alsnog de kwalificaties te verwerven die zij missen.

(20)

In de Aanbeveling van de Raad van 15 februari 2016 betreffende de integratie van langdurig werklozen op de arbeidsmarkt (6) wordt aanbevolen langdurig werklozen grondige individuele beoordelingen en begeleiding aan te bieden alsmede, uiterlijk na 18 maanden werkloosheid, een herintegratieovereenkomst die een individueel aanbod en de aanwijzing van een centraal contactpunt omvat.

(21)

In Aanbeveling 2008/867/EG van de Commissie van 3 oktober 2008 over de actieve inclusie van personen die van de arbeidsmarkt zijn uitgesloten (7) worden de lidstaten opgeroepen hun investeringen in menselijk kapitaal uit te breiden en te verbeteren door het voeren van een inclusief onderwijs- en opleidingsbeleid, met inbegrip van doeltreffende strategieën voor een leven lang leren, en de onderwijs- en opleidingsstelsels aan te passen aan de nieuwe bekwaamheidseisen en de behoefte aan digitale vaardigheden.

(22)

In de conclusies van de Raad van 5 en 6 juni 2014 over de integratie van onderdanen van derde landen die legaal in de EU verblijven, werden de gemeenschappelijke basisbeginselen voor het beleid inzake de integratie van immigranten in de Europese Unie uit 2004 bevestigd, onder meer dat inspanningen op onderwijsgebied van essentieel belang zijn om immigranten, en met name hun nakomelingen, tot succesvollere en actievere deelnemers aan de samenleving te maken.

(23)

In de Resolutie van de Raad van 21 november 2008 over betere integratie van levenslange begeleiding in de strategieën voor een leven lang leren (8) worden de lidstaten ertoe opgeroepen gebruik te maken van vier leidende beginselen ter ondersteuning van de overgangen in de hele loopbaan van burgers: stimuleren van het gedurende het hele leven aanleren van vaardigheden op het vlak van loopbaanbeheer; de toegang van alle burgers tot begeleidingsdiensten bevorderen; de kwaliteitsborging van begeleidingsdiensten ontwikkelen; en de coördinatie en de samenwerking van de verschillende actoren op nationaal, regionaal en lokaal niveau aanmoedigen.

(24)

Ondanks deze inspanningen blijft de toegang tot en deelname aan onderwijs en opleiding voor laaggeschoolde volwassenen een probleem. Actief arbeidsmarktbeleid is erop gericht werklozen zo snel mogelijk weer aan een baan te helpen, maar biedt niet altijd flexibele bijscholingsmogelijkheden op maat. Slechts weinig beleidsmaatregelen van de overheid zien op de behoefte aan bijscholing van personen die al werken, waardoor het gevaar bestaat dat hun vaardigheden verouderen en zij hun baan verliezen, terwijl de mensen die het verst van de arbeidsmarkt staan, de grootste bijscholingsbehoeften hebben maar het moeilijkst te bereiken zijn.

(25)

De Raad en de vertegenwoordigers van de regeringen van de lidstaten hebben de Commissie verzocht toelichting te geven bij het voorstel voor een nieuwe vaardighedenagenda voor Europa, die onder meer ingaat op manieren om het ontwikkelen van vaardigheden en het verwerven van kennis te stimuleren, en waarin wordt erkend dat het voltooien van hoger secundair onderwijs of onderwijs van een gelijkwaardig niveau een minimumvereiste is om een succesvolle overgang van onderwijs naar arbeidsmarkt en de toegang tot verdere studies te garanderen.

(26)

De kennisbasis die beleidsmakers en praktijkmensen nodig hebben, groeit, maar blijft onvolledig. De organen van de Unie, met name Eurostat, het Uitvoerend Agentschap onderwijs, audiovisuele media en cultuur (EACEA) en het Europees Centrum voor de ontwikkeling van de beroepsopleiding (Cedefop) kunnen het onderzoek, de expertise en de analyse hieromtrent nader ontwikkelen. De resultaten van het werk dat is uitgevoerd in het kader van de Europese samenwerking op het gebied van werkgelegenheid, onderwijs en opleiding kunnen verder bijdragen aan de ontwikkeling van de kennisbasis en wederzijds leren.

(27)

Werkgeversorganisaties, werkgevers, vakbonden, kamers van industrie, koophandel en ambachten, nationale entiteiten die betrokken zijn bij de planning, de organisatie of de bevordering van onderwijs en opleiding en bij het integratiebeleid voor migranten, arbeidsbemiddelingsdiensten, onderwijs- en opleidingaanbieders, intermediaire en sectorale organisaties, maatschappelijke organisaties, lokale en regionale marktdeelnemers, bibliotheken, collectieve diensten en volwassen lerenden zelf zijn de belangrijkste belanghebbenden bij de gezamenlijke inspanning die nodig is om mensen te bereiken, te motiveren, te begeleiden en te ondersteunen bij hun vorderingen in hun bijscholingstrajecten.

(28)

Aangezien de doelgroep zeer divers is en de beleidsmaatregelen op dit gebied versnipperd en ingewikkeld zijn, wordt de bijscholing van de beroepsbevolking vaak niet voldoende systematisch aangepakt en is men zich te weinig bewust van de sociaal-economische voordelen van die bijscholing. Daarom zouden coherente beleidsinspanningen, gebaseerd op een doeltreffende coördinatie en partnerschappen over beleidsterreinen heen, welkom zijn.

(29)

Aangezien de onderwijs- en opleidingsstelsels en arbeidsmarkten afhankelijk van de lidstaten en de regio’s aanzienlijk van elkaar verschillen, is er geen uniforme aanpak voor inzetbaarheid. In deze context is vooruitgang in de richting van een specifiek kwalificatieniveau een manier om de inzetbaarheid en actieve participatie in de samenleving te vergroten, en geen doel op zich,

BEVEELT DE LIDSTATEN AAN:

In overeenstemming met de nationale wetgeving, omstandigheden en beschikbare middelen, en in nauwe samenwerking met de sociale partners en de aanbieders van onderwijs en opleiding:

1.

laaggekwalificeerde volwassenen, bijvoorbeeld personen die initieel onderwijs of initiële opleiding hebben verlaten zonder diploma hoger middelbaar onderwijs of gelijkwaardig en die niet in aanmerking komen voor ondersteuning in het kader van de jongerengarantie, bijscholingstrajecten aan te bieden die hun de kans bieden om overeenkomstig hun individuele behoeften:

a)

een minimumniveau van lees- en schrijfvaardigheid en digitale en rekencompetenties te verwerven; en/of

b)

een breder scala van vaardigheden, kennis en competenties te verwerven die relevant zijn voor de arbeidsmarkt en voor actieve deelname aan de samenleving, en die voortbouwen op Aanbeveling 2006/962/EG inzake sleutelcompetenties voor een leven lang leren, door vooruitgang te boeken in de richting van een kwalificatie op EKK-niveau 3 of 4, afhankelijk van de nationale omstandigheden.

2.

rekening houdend met de nationale omstandigheden, beschikbare middelen en bestaande nationale strategieën, prioritaire doelgroepen te bepalen voor het aanbieden van bijscholingstrajecten op nationaal niveau. Daarbij moet ook rekening worden gehouden met de genderdimensie, de diversiteit en de verschillende subgroepen in de doelgroep.

3.

in voorkomend geval, het ontwerp van de bijscholingstrajecten te baseren op drie elementen: het beoordelen van vaardigheden, het aanbieden van een flexibel en hoogwaardig leeraanbod op maat en het valideren en erkennen van verworven vaardigheden. Dit kan worden vergemakkelijkt door begeleiding en ondersteunende maatregelen zoals bedoeld in de punten 12 tot en met 14, en door in voorkomend geval optimaal gebruik te maken van het potentieel van digitale technologieën.

Beoordeling van vaardigheden

4.

volwassenen binnen de conform punt 2 bepaalde doelgroepen een beoordeling aan te bieden, bijvoorbeeld een „vaardighedenaudit”, om de vaardigheden die zij reeds hebben en de bijscholingsbehoefte te bepalen.

5.

de validatieregelingen die zijn vastgesteld in overeenstemming met de Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 betreffende de validatie van niet-formeel en informeel leren, in voorkomend geval toe te passen op laaggekwalificeerde volwassenen om hun bestaande vaardigheden te inventariseren, te documenteren, te beoordelen en/of te certificeren.

Een flexibel opleidingsaanbod op maat

6.

onderwijs en opleiding aan te bieden, in overeenstemming met punt 1, die voldoen aan de behoeften die bij de beoordeling van de vaardigheden zijn vastgesteld. Voor migranten uit derde landen zo nodig te voorzien in mogelijkheden voor taallessen en voorbereiding op de opleiding.

7.

indien in overeenstemming met de nationale systemen en omstandigheden, intensiever gebruik toe te staan van eenheden van leerresultaten die kunnen worden gedocumenteerd, beoordeeld en gevalideerd om de vorderingen van lerenden in de verschillende fasen te meten.

8.

te overwegen om, voor zover mogelijk, de lokale, regionale en nationale arbeidsmarktbehoeften in aanmerking te nemen bij het bepalen van een aanbod overeenkomstig punt 1, en dat, in nauwe samenwerking met de belanghebbenden, met name de sociale partners en de lokale, regionale en nationale marktdeelnemers, ook te verstrekken.

Validatie en erkenning

9.

voort te bouwen op bestaande validatieregelingen ingevoerd in overeenstemming met de Aanbeveling van de Raad van 20 december 2012 inzake de validatie van niet-formeel en informeel leren om de verworven kennis, vaardigheden en competenties, met inbegrip van werkplekleren, te certificeren en te stimuleren dat de certificering ervan leidt tot een kwalificatie, overeenkomstig de nationale kwalificatiekaders en -stelsels.

10.

in overeenstemming met de nationale wetgeving, omstandigheden en beschikbare middelen, het aanbieden van de bijscholingstrajecten te baseren op de in punten 11 tot en met 18 uiteengezette beginselen.

Coördinatie en partnerschap

11.

te zorgen voor doeltreffende coördinatie van de tenuitvoerlegging van deze aanbeveling, en, waar nodig, steun te verlenen voor het betrekken van publieke en private actoren bij onderwijs en opleiding, werkgelegenheid, sociale, culturele en andere relevante beleidsterreinen, en het bevorderen van partnerschappen tussen hen, met inbegrip van grensoverschrijdende en regionale samenwerking.

Voorlichting, begeleiding en ondersteunende maatregelen

12.

motivatie- en voorlichtingsmaatregelen uit te voeren die onder meer bewustmaking van de voordelen van bijscholing, het beschikbaar stellen van informatie over bestaande begeleiding, ondersteuningsmaatregelen, bijscholingsmogelijkheden en verantwoordelijke instanties omvatten, en prikkels te geven om de minst gemotiveerden ertoe aan te zetten hiervan gebruik te maken.

13.

begeleidings- en/of mentordiensten te bieden om de voortgang van de lerenden gedurende alle fasen van het bijscholingsproces te ondersteunen.

14.

het opstellen en toepassen van ondersteuningsmaatregelen te overwegen om belemmeringen voor deelname aan bijscholingstrajecten op een billijke wijze aan te pakken. Dat kan gebeuren door middel van, onder meer, directe steun aan lerenden of van indirecte steun voor werkgevers die hun werknemers laten bijscholen.

15.

de initiële en permanente vorming van gekwalificeerd personeel voor de uitvoering van de bijscholingstrajecten, met name leerkrachten, te ondersteunen.

Follow-up en evaluatie

16.

Zo mogelijk binnen een jaar na de goedkeuring van deze aanbeveling, en uiterlijk medio 2018, en door voort te bouwen op bestaande nationale regelingen en de bestaande financiële kaders, passende maatregelen te bepalen voor de uitvoering van deze aanbeveling op nationaal niveau.

17.

alle maatregelen bedoeld in punt 16 en hun effect op de vooruitgang van de doelgroep qua lees- en schrijfvaardigheid en digitale en rekencompetenties en richting EKK-niveau 3 of 4 — afhankelijk van de nationale omstandigheden — te evalueren binnen de bestaande nationale kaders.

18.

de resultaten van de evaluatie te gebruiken om waar nodig het ontwerp en de uitvoering van de bijscholingstrajecten op nationaal niveau te inspireren en verder op feiten gebaseerde beleidsmaatregelen en hervormingen te ontwikkelen.

BEVEELT AAN DAT DE COMMISSIE:

19.

met de steun van het Raadgevend Comité voor de beroepsopleiding via met name uitwisselingen als wederzijds leren, in samenwerking met bevoegde Europese coördinerende instanties en in lijn met de procedures betreffende werkgelegenheids-, onderwijs- en opleidingsbeleid, de uitvoering van deze aanbeveling volgt.

20.

het gebruik van de bestaande competentiekaders, zoals het Europese competentiekader voor digitale vaardigheden voor de burger, en beoordelingsinstrumenten bevordert.

21.

wederzijds leren tussen de lidstaten faciliteert en belangrijke hulpbronnen en informatie beschikbaar maakt op het elektronisch platform voor volwassenenonderwijs in Europa (EPALE).

22.

in samenwerking met de organen van de Unie en internationale organisaties, zoals de OESO of de UNESCO, onderzoek naar en analyse van het leren door volwassenen en de beoordeling van vaardigheden (bv. PIAAC) ondersteunt en uitvoert.

23.

waar passend, zonder afbreuk te doen aan de onderhandelingen over het volgende meerjarig financieel kader en in overeenstemming met de prioriteiten die zijn vastgesteld voor de periode 2014-2020, het gebruik, overeenkomstig hun rechtsgrond, van de huidige en de toekomstige Europese financieringsprogramma's op het gebied van de ontwikkeling van vaardigheden, met name de Europese structuur- en investeringsfondsen en, in voorkomend geval, Erasmus+, voor de uitvoering van deze aanbeveling, ondersteunt.

24.

op 31 december 2018 in het kader van de bestaande rapportageprocedures de balans opmaakt van de door de lidstaten vastgestelde uitvoeringsmaatregelen.

25.

in samenwerking met de lidstaten en na raadpleging van de betrokken belanghebbenden, de naar aanleiding van deze aanbeveling genomen maatregelen beoordeelt en evalueert en binnen vijf jaar vanaf de datum van vaststelling, verslag uitbrengt aan de Raad over de vooruitgang die is geboekt bij het verbeteren van de lees- en schrijfvaardigheid en de digitale en rekencompetenties van laaggekwalificeerde volwassenen, de opgedane ervaring en de gevolgen voor de toekomst.

Gedaan te Brussel, 19 december 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

L. SÓLYMOS


(1)  PB C 191 van 1.7.2011, blz. 1.

(2)  Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1).

(3)  PB L 394 van 30.12.2006, blz. 10.

(4)  PB C 111 van 6.5.2008, blz. 1.

(5)  PB C 398 van 22.12.2012, blz. 1.

(6)  PB C 67 van 20.2.2016, blz. 1.

(7)  PB L 307 van 18.11.2008, blz. 11.

(8)  PB C 319 van 13.12.2008, blz. 4.


Top