Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32016D0768

Besluit (EU) 2016/768 van de Raad van 21 april 2016 tot aanvaarding van de wijzigingen van het Protocol van 1998 bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen

OJ L 127, 18.5.2016, p. 8–20 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2016/768/oj

18.5.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 127/8


BESLUIT (EU) 2016/768 VAN DE RAAD

van 21 april 2016

tot aanvaarding van de wijzigingen van het Protocol van 1998 bij het Verdrag van 1979 betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand, inzake zware metalen

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1, in combinatie met artikel 218, lid 6, onder a),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien de goedkeuring van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Sinds de goedkeuring in 1981 is de Unie partij bij het Verdrag van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van 1979 („het Verdrag”) (1).

(2)

Sinds de goedkeuring op 4 april 2001 is de Unie partij bij het Protocol van 1998 inzake zware metalen bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van 1979 („het Protocol”) (2).

(3)

De partijen bij het Protocol hebben de onderhandelingen geopend in 2009, en voortgezet in 2010, met het oog op verdere verbetering van de bescherming van de gezondheid van de mens en het milieu, onder meer door de actualisering van grenswaarden voor emissies van luchtverontreinigende stoffen bij de bron.

(4)

De aanwezige partijen op de 31e zitting van het uitvoerend orgaan van het Verdrag hebben in 2012 bij consensus hun goedkeuring gehecht aan de Besluiten 2012/5 en 2012/6 tot wijziging van het Protocol.

(5)

De wijzigingen in Besluit 2012/6 zijn in werking getreden en zijn van kracht geworden op basis van de versnelde procedure als bedoeld in artikel 13, lid 4, van het Protocol.

(6)

De wijzigingen in Besluit 2012/5 moeten door de partijen bij het Protocol worden aanvaard, overeenkomstig artikel 13, lid 3, van het Protocol.

(7)

De Unie heeft reeds instrumenten vastgesteld met betrekking tot aangelegenheden die onder de wijzigingen van het Protocol vallen, waaronder Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad (3).

(8)

De wijzigingen van het Protocol in Besluit 2012/5 moeten derhalve namens de Unie worden aanvaard,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De wijzigingen van het Protocol inzake zware metalen van 1998 bij het Verdrag betreffende grensoverschrijdende luchtverontreiniging over lange afstand van 1979 („het Protocol”) worden namens de Unie aanvaard.

De tekst van de wijzigingen van het Protocol, als opgenomen in de bijlage bij Besluit 2012/5 van het uitvoerend orgaan van het Verdrag, is aan dit besluit gehecht.

Artikel 2

De voorzitter van de Raad wijst de persoon (personen) aan die bevoegd is (zijn) om namens de Unie, voor aangelegenheden die onder de bevoegdheid van de Unie vallen, de akte van aanvaarding als bedoeld in artikel 13, lid 3, van het Protocol neer te leggen (4).

Artikel 3

Dit besluit treedt in werking op de datum waarop het wordt vastgesteld.

Gedaan te Luxemburg, 21 april 2016.

Voor de Raad

De voorzitter

G.A. VAN DER STEUR


(1)  PB L 171 van 27.6.1981, blz. 11.

(2)  PB L 134 van 17.5.2001, blz. 40.

(3)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(4)  De datum van inwerkingtreding van de wijzigingen van het protocol wordt bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie door het secretariaat-generaal van de Raad.


WIJZIGINGEN VAN HET PROTOCOL

als vervat in de bijlage bij Besluit 2012/5 van het uitvoerend orgaan van het Verdrag

a)   Artikel 1

1.

In lid 10 worden de woorden „van: i) dit Protocol of ii) een amendement op bijlage I of II, waarbij de stationaire bron enkel en alleen krachtens dat amendement aan de bepalingen van dit Protocol wordt onderworpen.” vervangen door de woorden „van onderhavig Protocol voor een Partij. Een Partij kan besluiten een stationaire bron niet als nieuwe stationaire bron te behandelen indien voor deze bron reeds toestemming is gegeven door de desbetreffende bevoegde nationale autoriteit ten tijde van de inwerkingtreding van het Protocol voor die Partij en op voorwaarde dat binnen vijf jaar na die datum is begonnen met de bouw of ingrijpende wijziging.”.

2.

Het volgende nieuwe lid 12 wordt toegevoegd na lid 11:

„12.   „dit Protocol” en „het Protocol”: het Protocol van 1998 inzake zware metalen, zoals van tijd tot tijd gewijzigd.”.

b)   Artikel 3

3.

In lid 2 worden de woorden „De Partijen passen” vervangen door de woorden „Met inachtneming van de leden 2 bis en 2 ter passen de Partijen”.

4.

In lid 2, onder a), worden de woorden „waarvoor de beste beschikbare technieken in bijlage III zijn vermeld” vervangen door „waarvoor de richtsnoeren aangenomen door de Partijen tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan de beste beschikbare technieken vermelden”.

5.

In lid 2, onder c), worden de woorden „waarvoor in bijlage III de beste beschikbare technieken zijn vermeld” vervangen door de woorden „waarvoor de richtsnoeren aangenomen door de Partijen tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan de beste beschikbare technieken vermelden”.

6.

De volgende nieuwe leden 2 bis en 2 ter worden ingevoegd na lid 2:

„2 bis.   Een Partij die reeds Partij was bij dit Protocol voor de inwerkingtreding van een wijziging waarmee nieuwe broncategorieën werden ingevoerd, mag de grenswaarden die van toepassing zijn op een „bestaande stationaire bron” toepassen op elke bron in een nieuwe broncategorie met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt voor het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van die wijziging voor die Partij, tenzij en totdat die bron nadien een ingrijpende wijziging ondergaat.

2 ter.   Een Partij die reeds Partij was bij dit Protocol voor de inwerkingtreding van een wijziging waarmee nieuwe grenswaarden werden ingevoerd die van toepassing zijn op een „nieuwe stationaire bron”, mag de daarvoor reeds van toepassing zijnde grenswaarden blijven toepassen op elke bron met de bouw of ingrijpende wijziging waarvan een aanvang is gemaakt vóór het verstrijken van twee jaar na de datum van inwerkingtreding van die wijziging voor die Partij, tenzij en totdat die bron nadien een ingrijpende wijziging ondergaat.”.

7.

In lid 5:

a)

worden de woorden „, waarbij Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP ten minste de door het bestuursorgaan van het EMEP opgegeven methoden toepassen en Partijen buiten de geografische reikwijdte van het EMEP als richtsnoer de methoden gebruiken die in het kader van het werkschema van het uitvoerend orgaan zijn uitgewerkt.” geschrapt en vervangen door een punt;

b)

wordt na de eerste volzin de volgende tekst toegevoegd:

„Partijen binnen de geografische reikwijdte van het EMEP gebruiken de methoden die omschreven staan in de richtlijnen die zijn opgesteld door het bestuursorgaan van het EMEP en aangenomen door de Partijen tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan. Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP gebruiken de methoden die op basis van het werkplan van het uitvoerend orgaan zijn ontwikkeld, als richtsnoer.”.

8.

Aan het einde van artikel 3 wordt de volgende tekst als nieuw lid 8 toegevoegd:

„8.   Elke Partij dient actief deel te nemen aan programma's uit hoofde van het Verdrag over de gevolgen van luchtverontreiniging voor de menselijke gezondheid en het milieu en programma's voor luchtmonitoring en atmosferische modellering.”.

c)   Nieuw artikel 3 bis

9.

Het volgende nieuwe artikel 3 bis wordt toegevoegd:

„Artikel 3 bis

Flexibele overgangsregelingen

1.   Onverminderd artikel 3, lid 2, onder c) en d), kan een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2014 en 31 december 2019 Partij wordt bij dit Protocol, flexibele overgangsregelingen toepassen voor de implementatie van de beste beschikbare technieken en de waarden beperken tot bestaande stationaire bronnen in specifieke stationaire broncategorieën onder de voorwaarden omschreven in dit artikel.

2.   Een Partij die kiest voor toepassing van de flexibele overgangsregelingen ingevolge dit artikel, dient in haar akte van bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of toetreding tot het onderhavige Protocol het volgende te vermelden:

a)

de specifieke broncategorieën vermeld in bijlage II waarvoor de Partij besluit flexibele overgangsregelingen toe te passen, op voorwaarde dat ten hoogste vier van deze categorieën mogen worden vermeld;

b)

de stationaire bronnen waarvan de bouw of laatste ingrijpende wijziging is aangevangen vóór 1990 of in een ander jaar uit de periode van 1985 tot en met 1995, door de Partij vermeld bij de bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding, die in aanmerking komen voor flexibele overgangsregelingen, zoals vervat in lid 5, en

c)

een implementatieplan dat voldoet aan de leden 3 en 4 en een tijdschema bevat voor de volledige implementatie van de omschreven bepalingen.

3.   Elke Partij past uiterlijk acht jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol voor die Partij of op 31 december 2022, naargelang van welke datum het eerst is, ten minste de beste beschikbare technieken toe voor bestaande stationaire bronnen van de categorieën 1, 2, 5 en 7 van bijlage II, behalve zoals bepaald in lid 5.

4.   In geen geval mag de toepassing door een Partij van de beste beschikbare technieken of grenswaarden voor bestaande stationaire bronnen worden uitgesteld tot na 31 december 2030.

5.   Ten aanzien van een bron of bronnen aangewezen uit hoofde van lid 2, onder b), kan een Partij uiterlijk acht jaar na de inwerkingtreding van dit Protocol voor die Partij of op 31 december 2022, naargelang van welke datum het eerst is, besluiten dat deze bron of bronnen worden gesloten. Van deze bronnen wordt een lijst verstrekt die deel uitmaakt van het volgende rapport van de Partij uit hoofde van lid 6. De vereisten voor de toepassing van beste beschikbare technieken en grenswaarden zijn niet van toepassing op deze bron of bronnen, mits zij uiterlijk 31 december 2030 worden gesloten. Voor bronnen die op die datum niet gesloten zijn, dienen de [betrokken] Partijen daarna de beste beschikbare technieken en grenswaarden te hanteren die van toepassing zijn op nieuwe bronnen in de desbetreffende categorie.

6.   Een Partij die besluit de flexibele overgangsregelingen uit hoofde van dit artikel toe te passen doet de uitvoerend secretaris van de Commissie driejaarlijkse rapporten toekomen van haar voortgang met de implementatie van de beste beschikbare technieken en grenswaarden voor de stationaire bronnen in de uit hoofde van dit artikel geïdentificeerde categorieën van stationaire bronnen. De uitvoerend secretaris van de Commissie stelt deze driejaarlijkse rapporten beschikbaar aan het uitvoerend orgaan.”.

d)   Artikel 7

10.

In lid 1, onder a):

a)

wordt de puntkomma aan het eind van het onderdeel vervangen door „. Voorts:”,

en

b)

worden de volgende nieuwe punten i en ii toegevoegd:

„i)

wanneer een Partij verschillende strategieën ter vermindering van emissies uit hoofde van artikel 3, lid 2, onder b), c) of d), toepast, dient zij de toegepaste strategieën vast te leggen en aan te geven of zij voldaan heeft aan de daarin vervatte vereisten;

ii)

wanneer een Partij oordeelt dat de toepassing van bepaalde grenswaarden, zoals omschreven in overeenstemming met artikel 3, lid 2, onder d), technisch en economisch onhaalbaar zijn, dient zij dit te rapporteren en te onderbouwen;”.

11.

Lid 1, onder b), wordt als volgt vervangen:

„b)

Verstrekt elke Partij binnen de geografische reikwijdte van het EMEP via de uitvoerend secretaris van de Commissie aan het uitvoerend orgaan informatie over de emissieniveaus van de in bijlage I vermelde zware metalen, waarbij gebruik wordt gemaakt van de methoden omschreven in de door het bestuursorgaan van het EMEP opgestelde richtlijnen en aangenomen door de Partijen tijdens een zitting van het uitvoerend orgaan. Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP stellen informatie over de emissieniveaus van de in bijlage I vermelde zware metalen beschikbaar. Elke Partij verstrekt bovendien informatie betreffende de emissieniveaus van andere stoffen vermeld in bijlage I voor het in die bijlage vermelde referentiejaar;”.

12.

Na lid 1, onder b), worden de volgende nieuwe leden toegevoegd:

„c)

verstrekt elke Partij binnen de geografische reikwijdte van het EMEP via de uitvoerend secretaris van de Commissie aan het uitvoerend orgaan de beschikbare informatie over haar programma's inzake de gevolgen van luchtverontreiniging voor de menselijke gezondheid en het milieu en programma's voor luchtmonitoring en atmosferische modellering ingevolge het Verdrag, gebruikmakend van de door het uitvoerend orgaan aangenomen richtlijnen;

d)

Partijen in gebieden buiten de geografische reikwijdte van het EMEP maken informatie beschikbaar die vergelijkbaar is met die omschreven onder c), indien hen daarom door het uitvoerend orgaan wordt verzocht.”.

13.

In lid 3:

a)

worden de woorden „Tijdig voor elke jaarlijkse zitting van” vervangen door „Op verzoek van en in overeenstemming met de tijdschema's vastgesteld door”;

b)

worden de woorden „en andere hulporganen” ingevoegd na het woord „uitvoerend orgaan”;

c)

wordt het woord „relevante” ingevoegd voor „informatie”.

e)   Artikel 8

14.

De woorden „Het EMEP verstrekt het uitvoerend orgaan, met gebruikmaking van passende modellen en metingen en tijdig voor de jaarvergadering van het uitvoerend orgaan,” worden vervangen door „Op verzoek van en in overeenstemming met de tijdschema's vastgesteld door het uitvoerend orgaan, verstrekken het EMEP en zijn technische organen en centra, met gebruikmaking van passende modellen en metingen,”.

f)   Artikel 10

15.

In lid 4:

a)

wordt het woord „overwegen” ingevoegd voor de woorden „de Partijen”;

b)

wordt het woord „stellen” geschrapt;

c)

worden de woorden „op” en „ter vermindering van emissies van de in bijlage I vermelde zware metalen in de atmosfeer.” geschrapt en worden de woorden „op te stellen” ingevoegd na het woord „werkprogramma”.

g)   Artikel 13

16.

In lid 3:

a)

worden de woorden „en in de bijlagen I, II, IV, V en VI” vervangen door de woorden „anders dan in de bijlagen III en VII”;

b)

worden de woorden „waarop twee derde van de Partijen” vervangen door de woorden „waarop twee derde van degenen die Partij waren ten tijde van de aanneming ervan”.

17.

In lid 4 wordt het getal „90” vervangen door het getal „180”.

18.

In lid 5 wordt het getal „90” vervangen door het getal „180”.

19.

De volgende nieuwe leden 5 bis en 5 ter worden ingevoegd na lid 5:

„5 bis.   Voor de Partijen die haar hebben aanvaard, treedt de procedure vervat in lid 5 in de plaats van de procedure vervat in lid 3 ter zake van wijzigingen van de bijlagen II, IV, V en VI.

5 ter.   Wijzigingen van de bijlagen II, IV, V en VI worden bij consensus aangenomen door de Partijen die aanwezig zijn bij een zitting van het uitvoerend orgaan. Na het verstrijken van een jaar na de datum van de bekendmaking ervan aan alle Partijen door de uitvoerend secretaris van de Commissie, wordt een wijziging van een dergelijke bijlage van kracht voor de Partijen die geen kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen onder a) bij de depositaris hebben ingediend:

a)

een Partij die een wijziging van de bijlagen II, IV, V en VI niet kan goedkeuren, stelt de depositaris daarvan binnen een jaar na de datum van mededeling omtrent de aanneming ervan schriftelijk in kennis. De depositaris stelt alle Partijen onverwijld in kennis van elke ontvangen kennisgeving. Een Partij kan haar eerdere kennisgeving te allen tijde vervangen door een aanvaarding en bij de nederlegging bij de depositaris van een akte van aanvaarding wordt de wijziging van die bijlage voor die Partij van kracht;

b)

een wijziging van de bijlagen II, IV, V en VI wordt niet van kracht indien in totaal 16 Partijen of meer:

i)

een kennisgeving in overeenstemming met de bepalingen onder a) hebben ingediend, of

ii)

de procedure vervat in dit lid niet hebben aanvaard en nog geen akte van aanvaarding in overeenstemming met de bepalingen van lid 3 hebben ingediend.”.

h)   Artikel 15

20.

Het volgende nieuwe lid 3 wordt toegevoegd na lid 2:

„3.   Een Staat of een regionale organisatie voor economische integratie verklaart zulks in zijn of haar akte van bekrachtiging, aanvaarding, goedkeuring of toetreding wanneer hij of zij niet wenst te worden gebonden door de procedures vervat in artikel 13, lid 5 ter, ter zake van de wijziging van de bijlagen II, IV, V en VI.”.

i)   Bijlage II

21.

In de tabel onder „Beschrijving van de categorie” worden de woorden „lood en zink” in de eerste regel van de beschrijving van categorie 5 vervangen door de woorden „lood, zink en ferromangaan- en silicomangaanlegeringen”.

j)   Bijlage IV

22.

Het cijfer „1” wordt ingevoegd voor het begin van de paragraaf.

23.

Onder a) worden de woorden „voor een Partij” ingevoegd na het woord „Protocol”.

24.

Onder b):

a)

wordt in de eerste zin het woord „acht” vervangen door het woord „twee”;

b)

worden aan het eind van de eerste zin de woorden „voor een Partij of 31 december 2020, naargelang van wat het laatst is,” ingevoegd na het woord „Protocol”;

c)

wordt de laatste zin geschrapt.

25.

Aan het eind van de bijlage worden de nieuwe leden 2 en 3 ingevoegd:

„2.

Niettegenstaande lid 1, maar met inachtneming van lid 3, kan een Partij bij het Verdrag die tussen 1 januari 2014 en 31 december 2019 Partij wordt bij dit Protocol, bij de bekrachtiging, aanvaarding of goedkeuring van of de toetreding tot dit Protocol verklaren de termijnen voor de toepassing van de grenswaarden bedoeld in artikel 3, lid 2, onder d), met ten hoogste vijftien jaar te verlengen na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol voor deze Partij.

3.

Een Partij die ingevolge artikel 3 bis van dit Protocol een keuze heeft gemaakt ten aanzien van een specifieke categorie stationaire bronnen, mag niet tevens ingevolge lid 2 een verklaring afleggen met betrekking tot dezelfde categorie.”.

k)   Bijlage V

26.

De tekst van bijlage V wordt vervangen door de volgende:

„BIJLAGE V

Grenswaarden voor de beperking van emissies door belangrijke stationaire bronnen

1.

Twee soorten grenswaarden zijn belangrijk voor beheersing van de emissie van zware metalen:

a)

waarden voor specifieke zware metalen of groepen van zware metalen, en

b)

waarden voor emissies van stof in het algemeen.

2.

In beginsel kunnen grenswaarden voor stof niet de specifieke grenswaarden voor cadmium, lood en kwik vervangen, omdat de hoeveelheid metalen bij stofvormige emissies van proces tot proces verschilt. Naleving van deze grenswaarden draagt evenwel aanzienlijk bij tot vermindering van de emissie van zware metalen in het algemeen. Controle van stofvormige emissies is gewoonlijk minder duur dan controle van de verschillende soorten en continue controle van afzonderlijke zware metalen is doorgaans niet uitvoerbaar. Grenswaarden voor stof zijn bijgevolg van groot praktisch belang en zijn in deze bijlage in de meeste gevallen vastgesteld als aanvulling of vervanging van specifieke grenswaarden voor cadmium, lood of kwik.

3.

Afdeling A is van toepassing op Partijen anders dan de Verenigde Staten van Amerika. Afdeling B is van toepassing op de Verenigde Staten van Amerika.

A.   Andere Partijen dan de Verenigde Staten van Amerika

4.

Uitsluitend in deze afdeling wordt onder „stof” verstaan de massa van deeltjes met elke vorm, dichtheid en structuur die onder de omstandigheden ter plaatse van het monsternemingspunt zwevend in de gasfase voorkomen die na representatieve monsterneming van het te onderzoeken gas verzameld kunnen worden door filtratie onder de vastgelegde omstandigheden en die na drogen onder de vastgelegde omstandigheden bovenstrooms van het filter en op het filter achterblijven.

5.

Voor de toepassing van deze afdeling betekent „emissiegrenswaarde” (EGW) of „grenswaarde” de hoeveelheid stof en specifieke zware metalen in de zin van dit Protocol in de afgassen van een installatie die niet mag worden overschreden. Tenzij anders aangegeven, wordt deze berekend in termen van massa verontreinigende stof per volume van de afgassen (uitgedrukt in mg/m3), uitgaande van standaardomstandigheden voor temperatuur en druk voor droog gas (volume bij 273,15 K, 101,3 kPa). Met betrekking tot het zuurstofgehalte van het afgas zijn de waarden van toepassing die voor elke categorie belangrijke stationaire bronnen zijn gegeven. Verdunning om de concentraties aan verontreinigende stoffen in afgassen te verminderen, is niet toegestaan. Het in gebruik nemen, buiten gebruik stellen en onderhoud van uitrusting zijn hiervan uitgezonderd.

6.

Emissies worden in alle gevallen gemonitord door metingen of berekeningen waarbij ten minste dezelfde nauwkeurigheid wordt bereikt. Naleving van de grenswaarden wordt geverifieerd door ononderbroken of onderbroken metingen of elke andere technisch betrouwbare methode, met inbegrip van geverifieerde berekeningsmethoden. De relevante zware metalen worden ten minste eenmaal per drie jaar gemeten bij iedere industriële bron. Voor de uitvoering van metingen en berekeningen worden de richtsnoeren in aanmerking genomen die de Partijen hebben aangenomen tijdens de zitting van het uitvoerend orgaan. Bij ononderbroken metingen worden de grenswaarden nageleefd indien het gevalideerde maandelijks gemiddelde van de emissie de grenswaarden niet overschrijdt. Bij onderbroken metingen of andere passende vaststellings- of berekeningsmethoden wordt naleving van de emissiegrenswaarden bereikt indien de gemiddelde waarde op basis van een passend aantal metingen onder representatieve omstandigheden de waarde van de emissienorm niet overschrijdt. Er kan voor verificatiedoeleinden rekening worden gehouden met de onnauwkeurigheid van de meetmethoden. Indirecte monitoring van stoffen is ook mogelijk via de som van parameters/cumulatieve parameters (bijvoorbeeld stof als de som van parameters voor zware metalen). In sommige gevallen kan het gebruik van een bepaalde techniek voor de behandeling van emissies waarborgen dat een waarde of grenswaarde behaald of gehandhaafd wordt.

7.

Monitoring van de relevante verontreinigende stoffen en metingen van procesparameters en ook van de kwaliteitsborging van geautomatiseerde meetsystemen en de referentiemetingen om deze systemen te ijken, worden uitgevoerd in overeenstemming met de CEN-normen. Indien CEN-normen ontbreken, zijn ISO-, nationale of internationale normen van toepassing die waarborgen dat gegevens van een vergelijkbare wetenschappelijke kwaliteit worden opgeleverd (Gotenburg).

Verbrandingsinstallaties (ketels en procesverhitters) met een nominaal thermisch ingangsvermogen van meer dan 50 MWth  (1) (bijlage II, categorie 1)

8.

De grenswaarden voor stofemissies voor de verbranding van vaste en vloeibare brandstoffen, anders dan biomassa en turf (2):

Tabel 1

Brandstoftype

Thermisch ingangsvermogen (MWth)

EGW voor stof (mg/m3)  (1)

Vaste brandstoffen

50-100

Nieuwe installaties:

20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)

Bestaande installaties:

30 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)

100-300

Nieuwe installaties:

20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)

Bestaande installaties:

25 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)

> 300

Nieuwe installaties:

10 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)

Bestaande installaties:

20 (kolen, bruinkool en overige vaste brandstoffen)

Vloeibare brandstoffen

50-100

Nieuwe installaties:

20

Bestaande installaties:

 

30 (algemeen)

 

50 voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties

Vloeibare brandstoffen

100-300

Nieuwe installaties:

20

Bestaande installaties:

 

25 (algemeen)

 

50 voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties

> 300

Nieuwe installaties:

10

Bestaande installaties:

 

20 (algemeen)

 

50 voor het verstoken van distillatie- en omzettingsresiduen in raffinaderijen afkomstig van de raffinage van ruwe olie in eigen verbrandingsinstallaties

9.

Bijzondere bepalingen voor in punt 8 bedoelde verbrandingsinstallaties:

a)

Een partij mag in de volgende gevallen afwijken van de verplichting om de in punt 8 voorziene EGW's na te leven:

i)

bij verbrandingsinstallaties die normaliter gasvormige brandstoffen gebruiken en die als gevolg van een plotselinge onderbreking van de gasvoorziening bij wijze van uitzondering een andere brandstof dienen te gebruiken en om die reden zouden moeten worden uitgerust met afgasreinigingsapparatuur;

ii)

bij bestaande verbrandingsinstallaties die niet langer dan 17 500 uur in bedrijf zijn in een tijdvak beginnend vanaf 1 januari 2016 en eindigend uiterlijk 31 december 2023.

b)

Wanneer een verbrandingsinstallatie met ten minste 50 MWth wordt uitgebreid, is de in punt 8 gespecificeerde EGW voor nieuwe installaties van toepassing op het uitgebreide gedeelte van de installatie waarop de verandering betrekking heeft. De EGW wordt berekend als een gewogen gemiddelde van het werkelijke thermische ingangsvermogen van zowel het bestaande als nieuwe deel van de installatie.

c)

De Partijen waarborgen dat er procedures komen voor storingen aan of uitvallen van de nabehandelingsapparatuur.

d)

Bij een gemengde verbrandingsinstallatie waarbij twee of meer soorten brandstof gelijktijdig worden gebruikt, wordt de EGW bepaald als gewogen gemiddelde van de EGW voor de afzonderlijke brandstoffen, op basis van het thermische ingangsvermogen van elke brandstof.

Primaire en secundaire ijzer- en staalindustrie (bijlage II, categorieën 2 en 3)

10.

Grenswaarden voor stofemissies:

Tabel 2

Activiteit

EGW voor stof (mg/m3)

Sinterinstallatie

50

Pellitiseerinstallatie

20 voor verbrijzelen, malen en drogen

15 voor alle andere processtappen

Hoogoven: windverhitters

10

Productie en gieten van oxystaal

30

Productie en gieten van elektrostaal

15 (bestaand)

5 (nieuw)

IJzergieterijen (bijlage II, categorie 4)

11.

Grenswaarden voor stofemissies afkomstig van ijzergieterijen:

Tabel 3

Activiteit

EGW voor stof (mg/m3)

IJzergieterijen:

alle ovens (koepel, inductie, carrousel); alle vormen (verloren, permanent)

20

Warm walsen

20

50 indien er geen filterzak kan worden gebruikt vanwege de aanwezigheid van natte dampen

Productie en verwerking van koper, zink en ferromangaan- en silicomangaanlegeringen, met inbegrip van Imperial Smelting-ovens (bijlage II, categorieën 5 en 6)

12.

Grenswaarde voor stofemissies voor de productie en verwerking van koper, zink en ferromangaan- en silicomangaanlegeringen:

Tabel 4

 

EGW voor stof (mg/m3)

Productie en verwerking van non-ferrometalen

20

Productie en verwerking van lood (bijlage II, categorieën 5 en 6)

13.

Grenswaarden voor stofemissies die vrijkomen bij de productie en verwerking van lood:

Tabel 5

 

EGW voor stof (mg/m3)

Productie en verwerking van lood

5

Cementindustrie (bijlage II, categorie 7)

14.

Grenswaarden voor stofemissies die vrijkomen bij de productie van cement:

Tabel 6

 

EGW voor stof (mg/m3)  (2)

Cementinstallaties, ovens, molens en klinkerkoelers

20

Cementinstallaties, ovens, molens en klinkerkoelers met medeverbranding van afval

20

Glasindustrie (bijlage II, categorie 8)

15.

Grenswaarden voor stofemissies die vrijkomen bij de productie van glas:

Tabel 7

 

EGW voor stof (mg/m3)  (3)

Nieuwe installaties

20

Bestaande installaties

30

16.

Grenswaarde voor loodemissies bij de glasproductie: 5 mg/m3.

Chloor-alkali-industrie (bijlage II, categorie 9)

17.

Bestaande installaties voor chloor-alkaliproductie door middel van het kwikelektrolyseproces moeten vóór 31 december 2020 overschakelen naar kwikvrije technologieën of sluiten; tijdens de periode voorafgaand aan de overschakeling geldt voor de gehaltes aan kwik die een installatie uitstoot in de lucht de grenswaarde van 1 g per Mg (3) chloorproductiecapaciteit.

18.

Nieuwe installaties voor de productie van alkalichloride dienen kwikvrij te worden geëxploiteerd.

Afvalverbranding (bijlage II, categorieën 10 en 11)

19.

Grenswaarde voor stofemissies die vrijkomen bij afvalverbranding:

Tabel 8

 

EGW voor stof (mg/m3)  (4)

Verbranding van gevaarlijk en ongevaarlijk stedelijk afval en medisch afval

10

20.

Grenswaarde voor kwikemissies die vrijkomen bij afvalverbranding: 0,05 mg/m3.

21.

Grenswaarde voor kwikemissies voor bijstoken van afval in broncategorieën 1 en 7: 0,05 mg/m3.

B.   Verenigde Staten van Amerika

22.

Grenswaarden voor de beheersing van zwevende deeltjes en/of specifieke zware metalen uit stationaire bronnen in de volgende categorie stationaire bronnen, en de bronnen waarop deze van toepassing zijn, worden omschreven in de volgende documenten:

a)

Steel Plants: Electric Arc Furnaces — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AA en paragraaf AAa;

b)

Small Municipal Waste Combustors — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf AAAA;

c)

Glass Manufacturing — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf CC;

d)

Electric Utility Steam Generating Units — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf D en paragraaf Da;

e)

Industrial-Commercial-Institutional Steam Generating Units — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Db en paragraaf Dc;

f)

Municipal Waste Incinerators — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf E, paragraaf Ea en paragraaf Eb;

g)

Hospital/Medical/Infectious Waste Incinerators — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Ec;

h)

Portland Cement — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf F;

i)

Secondary Lead Smelters — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf L;

j)

Basic Oxygen Process Furnaces — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf N;

k)

Basic Process Steelmaking Facilities (na 20 januari 1983) — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Na;

l)

Primary Copper Smelters — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf P;

m)

Primary Zinc Smelters — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Q;

n)

Primary Lead Smelters — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf R;

o)

Ferroalloy Production Facilities — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Z;

p)

Other Solid Waste Incineration Units (na 9 december 2004) — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf EEEE;

q)

Secondary lead smelters — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf X;

r)

Hazardous waste combustors — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEE;

s)

Portland cement manufacturing — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf LLL;

t)

Primary copper — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf QQQ;

u)

Primary lead smelting — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTT;

v)

Iron and steel foundries — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEE;

w)

Integrated iron and steel manufacturing — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf FFFFF;

x)

Electric Arc Furnace Steelmaking Facilities — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YYYYY;

y)

Iron and steel foundries — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf ZZZZZ;

z)

Primary Copper Smelting Area Sources — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf EEEEEE;

aa)

Secondary Copper Smelting Area Sources — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf FFFFFF;

bb)

Primary Nonferrous Metals Area Sources: Zinc, Cadmium, and Beryllium — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf GGGGGG;

cc)

Glass manufacturing (area sources) — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf SSSSSS;

dd)

Secondary Nonferrous Metal Smelter (Area Sources) — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf TTTTTT;

ee)

Ferroalloys Production (Area Sources) — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf YYYYYY;

ff)

Aluminum, Copper, and Nonferrous Foundries (Area Sources) — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf ZZZZZZ;

gg)

Standards of Performance for Coal Preparation and Processing Plants — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf Y;

hh)

Industrial, Commercial, Institutional and Process Heaters — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf DDDDD;

ii)

Industrial, Commercial and Institutional Boilers (Area sources) — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf JJJJJJ;

jj)

Mercury Cell Chlor-Alkali Plants — 40 C.F.R. deel 63, paragraaf IIIII,

en

kk)

Standards of Performance Commercial and Industrial Solid Waste Incineration Units for which Construction is Commenced after November 30, 1999, or for which Modification or Reconstruction is Commenced on or after 1 June 2001 — 40 C.F.R. deel 60, paragraaf CCCC.”.

l)   Bijlage VI

27.

In punt 1:

a)

worden de woorden „Tenzij in deze bijlage anders is bepaald, mag uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol het loodgehalte” geschrapt en vervangen door „Uiterlijk zes maanden na de datum van inwerkingtreding van dit Protocol mag het loodgehalte”;

b)

de woorden „zes maanden na” worden geschrapt en vervangen door „op”;

c)

de woorden „voor een Partij” worden toegevoegd na het woord „Protocol”.

28.

Punt 3 wordt geschrapt.

29.

In punt 4 worden de woorden „Een partij mag” vervangen door „Niettegenstaande punt 1 mag een Partij”.

30.

In punt 5 vervangt de volgende tekst de aanhef voorafgaande aan punt a):

„Elke partij moet uiterlijk op de datum waarop dit Protocol voor die Partij in werking treedt, concentratieniveaus bereiken die niet hoger zijn dan:”.


(1)  Het nominale thermische ingangsvermogen van een verbrandingsinstallatie wordt berekend als de som van het ingangsvermogen van alle eenheden die zijn aangesloten op een gezamenlijk afgaskanaal. Afzonderlijke eenheden lager dan 15 MWth worden buiten beschouwing gelaten bij het berekenen van het totale nominale thermische ingangsvermogen.

(2)  EGW zijn met name niet van toepassing op:

installaties die uitsluitend biomassa en turf als brandstof gebruiken;

installaties waarin de verbrandingsproducten worden gebruikt voor het rechtstreeks verhitten, drogen of een andere behandeling van voorwerpen of materialen;

naverbrandingsinstallaties ontworpen om afgassen te zuiveren door verbranding en die niet als een zelfstandige verbrandingsinstallatie worden gebruikt;

voorzieningen voor het regenereren van bij het kraken gebruikte katalysatoren;

voorzieningen voor de omzetting van waterstofsulfide in zwavel;

in de chemische industrie gebruikte reactors;

cokesovenbatterijen;

windverhitters;

terugwinningsketels in installaties voor de productie van pulp;

vuilverbrandingsinstallaties, en

door diesel-, benzine- en gasmotoren of gasturbines aangedreven installaties, ongeacht de gebruikte brandstof.

(1)  Voor de grenswaarden wordt uitgegaan van 6 % O2 in rookgassen bij vaste brandstoffen en 3 % O2 bij vloeibare brandstoffen.

(2)  Voor de grenswaarden wordt uitgegaan van 10 % O2.

(3)  Voor de grenswaarden wordt uitgegaan van 8 % voor continu-smelten en 13 % voor discontinu-smelten.

(3)  1 Mg = 1 ton

(4)  Voor de grenswaarden wordt uitgegaan van 11 % O2.


Top