Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015R2365

Verordening (EU) 2015/2365 van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2015 betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (Voor de EER relevante tekst)

OJ L 337, 23.12.2015, p. 1–34 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2015/2365/oj

23.12.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 337/1


VERORDENING (EU) 2015/2365 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 25 november 2015

betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties en van hergebruik en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 114,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (2),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (3),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (4),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De wereldwijde financiële crisis die in 2007-2008 ontstond, heeft duidelijk gemaakt dat het financiële stelsel werd gekenmerkt door buitensporige speculatieve activiteiten, belangrijke lacunes in de regelgeving, een ondoeltreffend toezicht, ondoorzichtige markten en te complexe producten. De Unie heeft een reeks maatregelen getroffen om het bankstelsel solider en stabieler te maken, met name het versterken van de kapitaalvereisten, het vaststellen van voorschriften voor een betere governance en voor een beter toezicht en het opzetten van afwikkelingsregelingen, en om ervoor te zorgen dat het financiële stelsel zijn functie vervult, namelijk het inzetten van kapitaal voor het financieren van de reële economie. Ook de bij de totstandbrenging van de bankenunie gemaakte vorderingen zijn in deze context van doorslaggevend belang. De crisis heeft echter ook duidelijk gemaakt dat er niet alleen in de traditionele banksector, maar ook op het terrein van de bankachtige kredietbemiddeling, het zogeheten „schaduwbankieren”, behoefte bestond aan meer transparantie en een beter toezicht; deze vorm van kredietbemiddeling heeft immers een alarmerende omvang aangenomen en vertegenwoordigt naar schatting reeds bijna de helft van het gereguleerde bankstelsel. Tekortkomingen met betrekking tot deze activiteiten, die vergelijkbaar zijn met de activiteiten van kredietinstellingen, kunnen de rest van de financiële sector beïnvloeden.

(2)

In het kader van hun werkzaamheden om schaduwbankieren aan banden te leggen, hebben de Raad voor financiële stabiliteit (Financial Stability Board — FSB) en het bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad (5) opgerichte Europees Comité voor systeemrisico’s (European Systemic Risk Board — ESRB) onderzocht welke risico’s effectenfinancieringstransacties (securities financing transactions — SFT’s) inhouden. SFT’s maken de opbouw van hefboomwerking, procycliciteit en onderlinge verwevenheid op de financiële markten mogelijk. Met name wegens het gebrek aan transparantie over het gebruik van SFT’s was het voor regelgevers, toezichthouders en beleggers vóór en tijdens de financiële crisis onmogelijk de respectieve met bankrisico’s te vergelijken risico’s en de mate van onderlinge verwevenheid in het financiële stelsel correct in te schatten en te monitoren. Tegen deze achtergrond en om aan schaduwbankieren verbonden risico’s op het gebied van effectenleningen en repo’s aan te pakken, heeft de FSB op 29 augustus 2013 het beleidskader met als titel „Versterking van het toezicht op en de reglementering van schaduwbankieren” aangenomen, dat in september 2013 door de leiders van de G20 is bekrachtigd.

(3)

De FSB heeft vervolgens, op 14 oktober 2014, een regelgevingskader bekendgemaakt voor haircuts op niet-centraal geclearde SFT’s. Zonder clearing vormen dergelijke transacties een significant risico indien ze in onvoldoende mate door zekerheden zijn gedekt. Meer transparantie bij het hergebruik van activa van cliënten is een eerste stap om tegenpartijen beter in staat te stellen risico’s te analyseren en te voorkomen, maar de FSB zal daarnaast uiterlijk in 2016 de laatste hand leggen aan haar werkzaamheden voor een reeks aanbevelingen inzake haircuts op niet centraal geclearde SFT’s, teneinde een te grote hefboomwerking te voorkomen en het concentratie- en wanbetalingsrisico te verkleinen.

(4)

Op 19 maart 2012 heeft de Commissie een groenboek over schaduwbankieren gepubliceerd. Op basis van de uitgebreide reacties hierop en rekening houdend met internationale ontwikkelingen heeft de Commissie op 4 september 2013 een mededeling aan de Raad en het Europees Parlement met als titel „Schaduwbankieren — Het aanpakken van nieuwe bronnen van risico in de financiële sector” gepubliceerd. In de mededeling wordt benadrukt dat het complexe en ondoorzichtige karakter van SFT’s de identificatie van tegenpartijen en de bewaking van risicoconcentraties bemoeilijkt en tevens leidt tot de opbouw van een te grote hefboomwerking in het financiële stelsel.

(5)

In oktober 2012 heeft een deskundigengroep op hoog niveau onder voorzitterschap van de heer Erkki Liikanen een verslag over de hervorming van de structuur van de banksector van de Unie goedgekeurd. Daarin werd onder andere de interactie tussen het traditionele en het schaduwbankstelsel besproken. Het verslag erkende dat er aan schaduwbankactiviteiten risico’s verbonden zijn, zoals een grote hefboomwerking en procycliciteit, en drong aan op een beperking van de verwevenheid tussen banken en het schaduwbankstelsel, die een bron van besmetting in een systeembrede bankencrisis was gebleken. In het verslag werden ook bepaalde structurele maatregelen voorgesteld om resterende zwakke punten in de banksector van de Unie aan te pakken.

(6)

De structurele hervormingen van het bankstelsel van de Unie komen aan bod in een voorstel voor een verordening van het Europees Parlement en de Raad betreffende structurele maatregelen ter verbetering van de weerbaarheid van EU-kredietinstellingen. Het opleggen van structurele maatregelen aan banken kan er evenwel toe leiden dat sommige activiteiten naar minder gereguleerde terreinen, zoals het schaduwbankwezen, worden verschoven. Om die reden dient dat voorstel vergezeld te gaan van de bindende transparantie- en rapportageverplichtingen voor SFT’s welke in deze verordening zijn neergelegd. De transparantievoorschriften van deze verordening vormen derhalve een aanvulling op dat voorstel.

(7)

Met deze verordening wordt tegemoetgekomen aan de behoefte aan grotere transparantie van de effectenfinancieringsmarkten en dus van het financiële stelsel. Om gelijkwaardige concurrentievoorwaarden en internationale convergentie tot stand te brengen, wordt in deze verordening het beleidskader van de FSB overgenomen. Zij brengt een Uniekader tot stand waarbij gegevens over SFT’s efficiënt aan transactieregisters kunnen worden gerapporteerd en informatie over SFT’s en totale-opbrengstenswaps aan beleggers in instellingen voor collectieve belegging wordt verstrekt. De definitie van SFT in deze verordening heeft geen betrekking op derivatencontracten als omschreven in Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (6). Zij heeft echter wel betrekking op transacties die doorgaans worden aangeduid als liquiditeitsswaps en zekerhedenswaps, die niet onder de definitie van derivatencontracten in Verordening (EU) nr. 648/2012 vallen. Internationale convergentie is des te noodzakelijker omdat het, na de structurele hervorming van de banksector van de Unie, niet uitgesloten is dat activiteiten die momenteel door traditionele banken worden uitgeoefend, naar het schaduwbankwezen verschuiven en door financiële en niet-financiële entiteiten worden verricht. Dit kan dan ook tot gevolg hebben dat deze activiteiten voor regelgevers en toezichthouders nog minder transparant worden, waardoor zij niet in staat zijn zich een goed totaalbeeld te vormen van de risico’s die aan SFT’s verbonden zijn. Dit zou de stevige banden die op bepaalde markten nu reeds tussen de gereglementeerde banksector en het schaduwbankwezen bestaan, alleen maar erger maken.

(8)

Door de ontwikkeling van marktpraktijken en technologische ontwikkelingen kunnen marktdeelnemers van andere transacties dan SFT’s gebruikmaken als bron van financiering, voor liquiditeits- en onderpandbeheer, als winstverhogingsstrategie, ter dekking van short selling of voor dividendbelastingarbitrage. Dergelijke transacties kunnen een equivalent economisch effect hebben en risico’s inhouden die met die van SFT’s te vergelijken zijn, zoals procycliciteit als gevolg van de fluctuerende waarde van activa en volatiliteit, looptijd- of liquiditeitstransformatie als gevolg van de financiering van langetermijn- of illiquide activa met kortetermijn- of liquide activa, en financiële besmetting als gevolg van met elkaar verweven transactieketens waarbij zekerheden worden hergebruikt.

(9)

Om in te spelen op de kwesties die in het beleidskader van de FSB aan de orde worden gesteld en op de verwachte ontwikkelingen na de structurele hervorming van de banksector van de Unie, zullen de lidstaten naar alle waarschijnlijkheid uiteenlopende nationale maatregelen nemen die de goede werking van de interne markt kunnen belemmeren en nadelig kunnen uitvallen voor de marktdeelnemers en de financiële stabiliteit. Door het ontbreken van geharmoniseerde transparantievoorschriften is het voor de nationale autoriteiten bovendien moeilijk om van verschillende lidstaten afkomstige microgegevens met elkaar te vergelijken en op die manier inzicht te verwerven in de werkelijke systeemrisico’s die van individuele marktdeelnemers uitgaan. Het ontstaan van dergelijke verstoringen en belemmeringen binnen de Unie moet dan ook worden voorkomen. Daarom is artikel 114 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), zoals uitgelegd in overeenstemming met de vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie, de passende rechtsgrondslag voor deze verordening.

(10)

De nieuwe transparantievoorschriften moeten derhalve voorzien in de rapportage van gegevens over de SFT’s van alle marktdeelnemers, ongeacht of het financiële of niet-financiële entiteiten betreft, waarbij onder meer informatie moet worden verstrekt over de samenstelling van de zekerheden, over het feit of de zekerheden beschikbaar zijn voor hergebruik of zijn hergebruikt, over de vervanging van zekerheden aan het einde van de dag, en over de toegepaste haircuts. Om extra operationele kosten voor marktdeelnemers tot een minimum te beperken, moeten de nieuwe voorschriften en normen voortbouwen op bestaande infrastructuren, operationele processen en formats die zijn ingevoerd met betrekking tot het rapporteren van derivatencontracten aan transactieregisters. In dat verband dient de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (European Securities and Markets Authority — „ESMA”) opgericht bij Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7), voor zover haalbaar en relevant, overlappingen tot een minimum te beperken en inconsistenties te voorkomen tussen de uit hoofde van deze verordening vastgestelde technische normen en die welke uit hoofde van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn vastgesteld. Het bij deze verordening vastgestelde wetgevingskader moet zo identiek mogelijk zijn aan dat van Verordening (EU) nr. 648/2012 voor de rapportage van derivatencontracten aan voor dat doel geregistreerde transactieregisters. Op die manier zouden ook overeenkomstig die verordening geregistreerde of erkende transactieregisters de bij de nieuwe voorschriften ingevoerde registerfunctie kunnen vervullen, mits zij voldoen aan bepaalde aanvullende criteria en een vereenvoudigd registratieproces doorlopen.

(11)

Ter waarborging van de coherentie en de doelmatigheid van de bevoegdheid van de ESMA tot het opleggen van sancties, moeten op marktdeelnemers die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, onder verwijzing naar Verordening (EU) nr. 648/2012, de in die verordening neergelegde bepalingen betreffende de bevoegdheden van de ESMA van toepassing zijn, zoals die wat de procedureregels betreft nader zijn omschreven in de overeenkomstig artikel 64, lid 7, van die verordening vastgestelde gedelegeerde handelingen.

(12)

Transacties met leden van het Europees Stelsel van centrale banken („ESCB”) moeten worden vrijgesteld van de verplichting SFT’s aan transactieregisters te rapporteren. Om evenwel ervoor te zorgen dat regelgevers en toezichthouders zich een goed totaalbeeld kunnen vormen van de risico’s van SFT’s die worden gesloten door de entiteiten die zij reglementeren of waarop zij toezicht houden, dienen de betrokken autoriteiten en de leden van het ESCB nauw samen te werken. Deze samenwerking moet regelgevers en toezichthouders in staat stellen hun respectieve taken en opdrachten te vervullen. Deze nauwe samenwerking dient vertrouwelijk te zijn en afhankelijk te worden gesteld van een gerechtvaardigd verzoek van de betrokken bevoegde autoriteiten; zij mag alleen plaatsvinden om deze autoriteiten in staat te stellen hun respectieve taken te vervullen, met inachtneming van de beginselen en vereisten van onafhankelijkheid van centrale banken en de uitoefening van hun taken als monetaire autoriteiten, met inbegrip van de uitoefening van monetairebeleidsoperaties en beleidsoperaties met betrekking tot wisselkoersen en financiële stabiliteit, waartoe leden van het ESCB wettelijk bevoegd zijn. De leden van het ESCB moeten het verstrekken van informatie kunnen weigeren wanneer zij transacties sluiten in het kader van de uitoefening van hun taken als monetaire autoriteiten. Zij moeten de verzoekende autoriteit onder opgave van redenen van een dergelijke weigering in kennis stellen.

(13)

De informatie over de aan de effectenfinancieringsmarkten inherente risico’s moet, met het oog op het detecteren en bewaken van de risico’s voor de financiële stabiliteit welke aan de schaduwbankactiviteiten van gereglementeerde en niet-gereglementeerde entiteiten verbonden zijn, centraal worden opgeslagen en makkelijk en rechtstreeks toegankelijk zijn voor, onder andere, de ESMA, de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) („EBA”), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (8), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen (European Insurance and Occupational Pensions Authority — „EIOPA”), opgericht bij Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (9), de betrokken bevoegde autoriteiten, het ESRB en de betrokken centrale banken van het ESCB, met inbegrip van de Europese Centrale Bank (ECB) bij de uitoefening van haar taken binnen het gemeenschappelijk toezichtsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (10). Bij het opstellen van de technische reguleringsnormen waarin deze verordening voorziet of het voorstellen van een herziening daarvan, moet de ESMA rekening houden met de bestaande technische normen die overeenkomstig artikel 81 van Verordening (EU) nr. 648/2012 zijn vastgesteld ter regulering van transactieregisters voor derivatencontracten en de toekomstige ontwikkeling van die technische normen. De ESMA moet er tevens voor zorgen dat de betrokken bevoegde autoriteiten, het ESRB en de desbetreffende centrale banken van het ESCB, waaronder de ECB, rechtstreekse en onmiddellijke toegang verkrijgen tot de gegevens die noodzakelijk zijn voor het vervullen van hun taken, waaronder het bepalen en uitvoeren van het monetaire beleid en het uitoefenen van toezicht op financiële-marktinfrastructuren. Daartoe moet de ESMA de voorwaarden voor toegang tot dergelijke informatie in ontwerpen van technische reguleringsnormen vastleggen.

(14)

Er moeten bepalingen inzake de uitwisseling van informatie tussen de bevoegde autoriteiten worden ingevoerd, en de bijstands- en medewerkingsverplichtingen die zij jegens elkaar hebben, moeten worden versterkt. Wegens de toenemende grensoverschrijdende activiteiten dienen de bevoegde autoriteiten elkaar alle informatie te verstrekken die relevant is voor de uitoefening van hun taken, teneinde een doeltreffende handhaving van deze verordening te garanderen, ook in situaties waarin inbreuken of vermoedelijke inbreuken de autoriteiten in twee of meer lidstaten kunnen aangaan. Bij de uitwisseling van informatie is strikte inachtneming van het beroepsgeheim onontbeerlijk om vlotte uitwisseling van deze informatie en de eerbiediging van de rechten van de betrokken personen te waarborgen. Onverminderd het nationale straf- of fiscaal recht, mogen de bevoegde autoriteiten, de ESMA en andere organen of natuurlijke personen of rechtspersonen dan de bevoegde autoriteiten die vertrouwelijke informatie ontvangen, deze slechts gebruiken voor het vervullen van hun taken en voor de uitoefening van hun functies. Dit mag echter geen belemmering vormen voor de uitoefening, in overeenstemming met de nationale wetgeving, van de functies van nationale organen die verantwoordelijk zijn voor het voorkomen, onderzoeken of corrigeren van gevallen van wanbeheer.

(15)

Beheerders van instellingen voor collectieve belegging maken veelvuldig gebruik van SFT’s met het oog op een efficiënt portefeuillebeheer, wat aanzienlijke gevolgen kan hebben voor de prestaties van die instellingen voor collectieve belegging. SFT’s kunnen worden gebruikt om beleggingsdoelstellingen te verwezenlijken of rendementen te verhogen. Beheerders maken ook gebruik van totale-opbrengstenswaps die een effect hebben dat gelijkwaardig is aan dat van SFT’s. SFT’s en totale-opbrengstenswaps worden veelvuldig gebruikt door beheerders van instellingen voor collectieve belegging om op bepaalde strategieën in te spelen of om hun rendementen op te krikken. Het gebruik van SFT’s en totale-opbrengstenswaps kan het algemene risicoprofiel van de instelling voor collectieve belegging verhogen, terwijl het gebruik ervan niet naar behoren aan beleggers wordt meegedeeld. Het is van cruciaal belang ervoor te zorgen dat beleggers in dergelijke instellingen voor collectieve belegging met kennis van zaken kunnen kiezen en het algemene risico- en rendementsprofiel van instellingen voor collectieve belegging kunnen inschatten. Bij de beoordeling van SFT’s en totale-opbrengstenswaps dient de instelling voor collectieve belegging naast de rechtsvorm van de transactie ook de inhoud daarvan in overweging te nemen.

(16)

Beleggingen op grond van onvolledige of onjuiste informatie over een beleggingsstrategie van een instelling voor collectieve belegging kunnen resulteren in zware verliezen voor beleggers. Bijgevolg is het van essentieel belang dat instellingen voor collectieve belegging alle dienstige gedetailleerde informatie in verband met hun gebruik van SFT’s en totale-opbrengstenswaps bekendmaken. Met name bij instellingen voor collectieve belegging is volledige transparantie relevant, aangezien niet de beheerders van de instelling voor collectieve belegging, maar de beleggers eigenaar zijn van alle activa die voor SFT’s en totale-opbrengstenswaps worden gebruikt. Volledige informatieverstrekking over SFT’s en totale-opbrengstenswaps is daarom een essentieel hulpmiddel om mogelijke belangenconflicten tegen te gaan.

(17)

De nieuwe regels inzake transparantie van SFT’s en totale-opbrengstenswaps sluiten nauw aan bij de Richtlijnen 2009/65/EG (11) en 2011/61/EU (12) van het Europees Parlement en de Raad; deze richtlijnen vormen immers het wetgevingskader voor de oprichting, het beheer en de verhandeling van instellingen voor collectieve belegging.

(18)

Instellingen voor collectieve belegging kunnen worden geëxploiteerd als instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) onder het beheer van icbe-beheermaatschappijen of van icbe-beleggingsmaatschappijen waaraan krachtens Richtlijn 2009/65/EG vergunning is verleend, dan wel als alternatieve beleggingsinstellingen (abi’s) welke onder het beheer staan van een beheerder van een alternatieve beleggingsinstelling („abi-beheerder”), die daarvoor een vergunning of een registerinschrijving krachtens Richtlijn 2011/61/EU heeft gekregen. De bij deze verordening ingevoerde nieuwe voorschriften betreffende de transparantie van SFT’s en totale-opbrengstenswaps vormen een aanvulling op de bepalingen van genoemde richtlijnen en dienen in aanvulling daarop te worden toegepast.

(19)

Om beleggers bewust te maken van de risico’s die aan het gebruik van SFT’s en totale-opbrengstenswaps zijn verbonden, moeten periodieke rapporten van beheerders van instellingen voor collectieve belegging gedetailleerde informatie bevatten over elk gebruik dat zij van die technieken maken. De bestaande periodieke rapportage waartoe icbe-beheermaatschappijen of icbe-beleggingsmaatschappijen en abi-beheerders verplicht zijn, dient te worden aangevuld met de aanvullende informatie over het gebruik van SFT’s en totale-opbrengstenswaps. Bij de nadere bepaling van de inhoud van die periodieke rapportage dient de ESMA rekening te houden met de administratieve last en de specifieke kenmerken van verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps.

(20)

Het beleggingsbeleid dat een instelling voor collectieve belegging voert ten aanzien van SFT’s en totale-opbrengstenswaps moet duidelijk worden uiteengezet in de precontractuele documenten, zoals in het prospectus voor icbe’s en in de precontractuele informatieverstrekking aan beleggers voor abi’s. Dit moet ervoor zorgen dat beleggers inzicht hebben in en een inschatting kunnen maken van de inherente risico’s voordat zij besluiten in een bepaalde icbe of abi te beleggen.

(21)

Het hergebruik van zekerheden verschaft liquiditeit en stelt tegenpartijen in staat de financieringskosten te drukken. De activiteit werkt echter complexe ketens van zekerheden in de hand tussen de traditionele banksector en het schaduwbankwezen, hetgeen risico’s voor de financiële stabiliteit inhoudt. Het gebrek aan transparantie over de mate waarin als zekerheid verstrekte financiële instrumenten zijn hergebruikt en de daaruit voortvloeiende risico’s in geval van faillissement, kunnen het vertrouwen in tegenpartijen ondermijnen en de risico’s voor de financiële stabiliteit vergroten.

(22)

Teneinde het hergebruik transparanter te maken, dienen minimumvoorschriften inzake de informatieverstrekking te worden opgelegd. Er mag pas tot hergebruik worden overgegaan met het uitdrukkelijk medeweten en de uitdrukkelijke toestemming van de verstrekkende tegenpartij. Om die reden moet de uitoefening van een recht van hergebruik tot uitdrukking komen in de effectenrekening van de verstrekkende tegenpartij, tenzij die rekening onder het recht van een derde land valt dat eventueel voorziet in andere passende middelen om het hergebruik tot uitdrukking te brengen.

(23)

Hoewel de werkingssfeer van de voorschriften inzake hergebruik in deze verordening ruimer is dan die van Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad (13), wijzigt deze verordening de werkingssfeer van die richtlijn niet, maar dient zij veeleer te worden gelezen als aanvulling op die richtlijn. De voorwaarden waaronder tegenpartijen een recht van hergebruik genieten, en de mogelijkheid hebben dat recht uit te oefenen, mogen geenszins afbreuk doen aan de bescherming die uit hoofde van die richtlijn wordt geboden aan financiëlezekerheidsovereenkomsten die leiden tot overdracht. Tegen die achtergrond mag een inbreuk op de transparantievoorschriften met betrekking tot hergebruik niet van invloed zijn op nationale wetgeving betreffende de geldigheid of het gevolg van een transactie.

(24)

Bij deze verordening worden voor tegenpartijen strikte voorschriften voor de verstrekking van informatie over hergebruik vastgesteld; deze voorschriften dienen de toepassing van sectorale regels die aan specifieke marktdeelnemers, structuren en situaties zijn aangepast, onverlet te laten. De in deze verordening vastgelegde voorschriften inzake hergebruik mogen bijgevolg bijvoorbeeld alleen voor instellingen voor collectieve belegging en registers of cliënten van beleggingsondernemingen gelden voor zover het regelgevingskader voor instellingen voor collectieve belegging of voor het beschermen van activa van cliënten niet in strengere regels inzake hergebruik voorziet die een lex specialis vormen en voorrang hebben op de voorschriften van deze verordening. Deze verordening moet met name alle regels in het kader van het Unierecht of het nationale recht onverlet laten die het vermogen van tegenpartijen beperken om over te gaan tot hergebruik van financiële instrumenten die door tegenpartijen of andere personen dan tegenpartijen als zekerheden zijn verstrekt. De toepassing van de voorschriften inzake hergebruik moet met zes maanden na de datum van inwerkingtreding van deze verordening worden uitgesteld, zodat de tegenpartijen voldoende tijd krijgen om hun lopende zekerheidsovereenkomsten, met inbegrip van raamovereenkomsten, aan te passen en ervoor te zorgen dat nieuwe zekerheidsovereenkomsten aan deze verordening voldoen.

(25)

Ter bevordering van internationaal consistent terminologiegebruik wordt de term „hergebruik” in deze verordening gebruikt in overeenstemming met het beleidskader van de FSB. Hierdoor mag echter geen inconsistentie in het acquis van de Unie worden gecreëerd en mag met name geen afbreuk worden gedaan aan de betekenis van de term „hergebruik” in de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU.

(26)

Om te garanderen dat tegenpartijen de uit deze verordening voortvloeiende verplichtingen nakomen en dat zij overal in de Unie op dezelfde wijze worden behandeld, moeten de lidstaten ervoor zorgen dat de bevoegde autoriteiten bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen kunnen opleggen die doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. Daarom moeten de bij deze verordening vastgestelde bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen aan bepaalde essentiële vereisten voldoen op het gebied van adressaten, in aanmerking te nemen criteria bij het opleggen van een sanctie of maatregel, bekendmaking van sancties of maatregelen, essentiële sanctioneringsbevoegdheden en omvang van bestuursrechtelijke geldboeten. Het is aangewezen dat de bij de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU vastgestelde sancties en andere maatregelen van toepassing zijn op inbreuken op de uit hoofde van deze verordening geldende transparantieverplichtingen met betrekking tot instellingen voor collectieve belegging.

(27)

De aan bevoegde autoriteiten verleende bevoegdheid tot het opleggen van sancties mogen geen afbreuk doen aan de exclusieve bevoegdheid van de ECB, overeenkomstig artikel 4, lid 1, onder a), van Verordening (EU) nr. 1024/2013, om vergunningen van kredietinstellingen in te trekken met het oog op prudentieel toezicht.

(28)

De bepalingen in deze verordening inzake de aanvraag tot registratie van transactieregisters en de intrekking van een registratie laten de rechtsmiddelen waarin hoofdstuk V van Verordening (EU) nr. 1095/2010 voorziet, onverlet.

(29)

De technische normen voor de financiëledienstensector moet een consistente harmonisatie en adequate bescherming van deposanten, beleggers en consumenten in de gehele Unie waarborgen. Het is efficiënt en passend om de ESMA, als orgaan met hooggespecialiseerde expertise, te belasten met de opstelling van ontwerpen van technische reguleringsnormen en uitvoeringsnormen die geen beleidskeuzen inhouden. De ESMA moet bij de opstelling van technische normen voor doeltreffende bestuursrechtelijke en rapportageprocessen zorgen. Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om door middel van gedelegeerde handelingen, op grond van artikel 290 VWEU en overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010, technische reguleringsnormen vast te stellen tot nadere omschrijving van de volgende elementen: de verschillende soorten SFT’s; de aanvraag tot registratie of tot uitbreiding van de registratie van een transactieregister; de door de transactieregisters toe te passen procedures ter verificatie van de gegevens betreffende aan hen gerapporteerde SFT’s; de frequentie en de bekendmaking van de voorschriften voor en de toegang tot gegevens van transactieregisters, en, indien nodig, de inhoud van de bijlage.

(30)

Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden verleend om door middel van uitvoeringshandelingen op grond van artikel 291 VWEU en overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 door de ESMA ontwikkelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen met betrekking tot de vorm en frequentie van de rapportages, de vorm van de aanvraag tot registratie of tot uitbreiding van de registratie van een transactieregister, alsmede de procedures en formulieren voor de uitwisseling van informatie over sancties en andere maatregelen met de ESMA.

(31)

De bevoegdheid tot het vaststellen van handelingen overeenkomstig artikel 290 VWEU moet aan de Commissie worden overgedragen met betrekking tot de wijziging van de lijst van entiteiten die van het toepassingsgebied van deze verordening zijn uitgesloten, en met betrekking tot het type vergoedingen, de aangelegenheden waarvoor vergoedingen verschuldigd zijn, het bedrag van de vergoedingen en de wijze waarop zij door transactieregisters moeten worden voldaan. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden, onder meer op deskundigenniveau, tot passende raadpleging overgaat. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(32)

Om te zorgen voor uniforme voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden verleend om besluiten over de beoordeling van regels van derde landen te nemen met het oog op de erkenning van transactieregisters van derde landen en ter voorkoming van potentieel overlappende of tegenstrijdige eisen. De beoordeling die als basis dient voor besluiten aangaande de gelijkwaardigheid van de rapportageverplichtingen in een derde land, mag geen afbreuk doen aan het recht van een in dat derde land gevestigd transactieregister dat door de ESMA is erkend om rapportagediensten te verrichten voor in de Unie gevestigde entiteiten, aangezien een erkenningsbesluit moet losstaan van dergelijke beoordeling met het oog op een besluit aangaande de gelijkwaardigheid van de rapportage.

(33)

Indien een uitvoeringshandeling inzake gelijkwaardigheid wordt ingetrokken, moeten de tegenpartijen automatisch opnieuw aan alle in deze verordening vastgestelde voorschriften worden onderworpen.

(34)

In voorkomend geval dient de Commissie samen met de autoriteiten van derde landen te zoeken naar synergetische oplossingen, om te bewerkstelligen dat deze verordening spoort met de voorschriften die door die derde landen worden opgesteld en aldus mogelijke overlappingen ter zake te voorkomen.

(35)

Aangezien de doelstellingen van deze verordening, met name het vergroten van de transparantie van bepaalde activiteiten op de financiële markten, zoals het gebruik van SFT’s en het hergebruik van zekerheden, teneinde het toezicht op en het opsporen van de daarmee verband houdende risico’s mogelijk te maken, niet voldoende door de lidstaten kunnen worden verwezenlijkt maar vanwege de omvang en de gevolgen van deze verordening beter door de Unie kunnen worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in datzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(36)

Deze verordening eerbiedigt de grondrechten en strookt met de beginselen die in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie zijn erkend, en in het bijzonder het recht op de bescherming van persoonsgegevens, het recht op de eerbiediging van het privéleven en van het familie- en gezinsleven, de rechten van de verdediging en het „ne bis in idem”-beginsel, de vrijheid van ondernemerschap, het recht op eigendom, het recht op een doeltreffende voorziening in rechte en op een eerlijk proces. Deze verordening moet worden toegepast met inachtneming van die rechten en beginselen.

(37)

De Europese Toezichthouder voor gegevensbescherming is overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (14) geraadpleegd en heeft op 11 juli 2014 advies uitgebracht (15).

(38)

Elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door bevoegde autoriteiten van de lidstaten of transactieregisters moet in overeenstemming zijn met de regels betreffende de overdracht van persoonsgegevens als vastgesteld in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (16). Elke uitwisseling of doorgifte van persoonsgegevens door de ESMA, de EBA of de EIOPA moet in overeenstemming zijn met de regels betreffende de overdracht van persoonsgegevens zoals vastgesteld in Verordening (EG) nr. 45/2001.

(39)

De Commissie dient, met de assistentie van ESMA, de internationale toepassing van de in deze verordening vervatte rapportageverplichting te controleren en hierover aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit te brengen. Bij het bepalen van de termijn voor de indiening van de Commissieverslagen moet rekening worden gehouden met de mate waarin deze verordening reeds daadwerkelijk is toegepast.

(40)

In aansluiting op de resultaten van de werkzaamheden die in betrokken internationale fora zijn verricht, moet de Commissie, met de assistentie van de ESMA, de EBA en het ESRB, bij het Europees Parlement en de Raad een rapport indienen over de vooruitgang die wordt geboekt bij de internationale inspanningen om de met SFT’s verbonden risico’s te beperken, met inbegrip van de aanbevelingen van de FSB inzake haircuts op niet centraal geclearde SFT’s, en over de geschiktheid van die aanbevelingen voor de markten van de Unie.

(41)

De toepassing van de transparantievoorschriften uit hoofde van deze verordening moet worden uitgesteld om de transactieregisters voldoende tijd te geven om de krachtens deze verordening vereiste vergunning en erkenning van hun activiteiten aan te vragen, en om de tegenpartijen en instellingen voor collectieve belegging voldoende tijd te geven aan die voorschriften te voldoen. Met name is het dienstig de toepassing van aanvullende transparantievoorschriften voor instellingen voor collectieve belegging uit te stellen, rekening houdend met de op 18 december 2012 door de ESMA uitgevaardigde richtsnoeren voor de bevoegde autoriteiten en de icbe-beheermaatschappijen, waarin wordt voorzien in een facultatief kader voor icbe-beheermaatschappijen met betrekking tot verplichtingen inzake informatieverstrekking, en met de noodzaak om de administratieve lasten voor beheerders van instellingen voor collectieve belegging te verlichten. Om de doeltreffende tenuitvoerlegging van de rapportage van SFT’s te waarborgen, is een gefaseerde tenuitvoerlegging van de vereisten per type tegenpartij noodzakelijk. Bij deze aanpak moet er rekening mee worden gehouden of de tegenpartij daadwerkelijk in staat is om aan de rapportageverplichtingen uit hoofde van deze verordening te voldoen.

(42)

De bij deze verordening ingevoerde nieuwe uniforme regels inzake de transparantie van SFT’s en bepaalde over-the-counter („otc”)-derivaten, namelijk totale-opbrengstenswaps, hangen nauw samen met Verordening (EU) nr. 648/2012, aangezien bovengenoemde otc-derivaten onder het toepassingsgebied van de rapportagevoorschriften uit hoofde van die verordening vallen. Om ervoor te zorgen dat de transparantie- en rapportagevoorschriften van beide verordeningen een samenhangende werkingssfeer hebben, is er een duidelijke afbakening nodig tussen otc-derivaten en op de beurs verhandelde derivaten, ongeacht of deze derivatencontracten worden verhandeld in de Unie of op markten in derde landen. De definitie van otc-derivaten in Verordening (EU) nr. 648/2012 moet derhalve worden gewijzigd om ervoor te zorgen dat hetzelfde type derivatencontracten wordt aangemerkt als otc-derivaten of op de beurs verhandelde derivaten, ongeacht of deze contracten worden verhandeld in de Unie of op markten in derde landen.

(43)

Verordening (EU) nr. 648/2012 moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP, TOEPASSINGSGEBIED EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden regels vastgesteld betreffende de transparantie van effectenfinancieringstransacties (securities financing transactions — „SFT’s”) en van hergebruik.

Artikel 2

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op:

a)

een tegenpartij bij een SFT die is gevestigd:

i)

in de Unie, met inbegrip van al haar bijkantoren, ongeacht waar deze zich bevinden;

ii)

in een derde land, mits de SFT is gesloten in het kader van de activiteiten van een bijkantoor van die tegenpartij in de Unie;

b)

beheermaatschappijen van instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) („icbe-beheermaatschappijen”) en beleggingsmaatschappijen van icbe’s („icbe-beleggingsmaatschappijen”) in de zin van Richtlijn 2009/65/EG;

c)

beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen („abi-beheerders”) aan wie overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU een vergunning is verleend;

d)

een tegenpartij die financiële instrumenten hergebruikt en is gevestigd:

i)

in de Unie, met inbegrip van al haar bijkantoren, ongeacht waar deze zich bevinden;

ii)

in een derde land, indien:

het hergebruik plaatsvindt in het kader van de activiteiten van een bijkantoor van die tegenpartij in de Unie, of

het hergebruik betrekking heeft op financiële instrumenten die in het kader van een zekerheidsovereenkomst worden verstrekt door een tegenpartij die in de Unie is gevestigd, dan wel door een bijkantoor in de Unie van een tegenpartij die in een derde land is gevestigd.

2.   De artikelen 4 en 15 zijn niet van toepassing op:

a)

de leden van het Europees Stelsel van centrale banken (ESCB), andere instanties van de lidstaten met een soortgelijke functie en andere overheidsinstellingen van de Unie die belast zijn met of betrokken zijn bij het beheer van de overheidsschuld;

b)

de Bank voor Internationale Betalingen.

3.   Artikel 4 is niet van toepassing op transacties waarbij een lid van het ESCB een tegenpartij is.

4.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de in lid 2 van dit artikel vermelde lijst te wijzigen.

Met het oog daarop en alvorens die gedelegeerde handelingen vast te stellen, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in waarin de internationale status wordt beoordeeld van de centrale banken en overheidsinstellingen die belast zijn met, of betrokken bij, het beheer van de overheidsschuld.

Dit rapport bevat een vergelijkende analyse van de status van de centrale banken en deze instellingen binnen het rechtskader van een aantal derde landen. Mits uit de resultaten van het rapport, met name in het licht van de vergelijkende analyse en met betrekking tot de mogelijke gevolgen, naar voren komt dat de centrale banken en instellingen van deze derde landen wat betreft hun monetaire verantwoordelijkheden van de toepassing van artikel 15 moeten worden ontheven, stelt de Commissie een gedelegeerde handeling vast waarbij zij in de in lid 2 van dit artikel bedoelde lijst worden opgenomen.

Artikel 3

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „transactieregister”: een rechtspersoon die vastleggingen betreffende SFT’s centraal verzamelt en bewaart;

2.   „tegenpartijen”: financiële tegenpartijen en niet-financiële tegenpartijen;

3.   „financiële tegenpartij”:

a)

een beleggingsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad (17);

b)

een kredietinstelling waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (18) of Verordening (EU) nr. 1024/2013;

c)

een verzekeringsonderneming of een herverzekeringsonderneming waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (19);

d)

een icbe en, in voorkomend geval, de beheermaatschappij ervan, waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG;

e)

een abi beheerd door abi-beheerders die beschikken over een vergunning of een registerinschrijving overeenkomstig Richtlijn 2011/61/EU;

f)

een instelling voor bedrijfspensioenvoorziening die beschikt over een vergunning of een registerinschrijving overeenkomstig Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad (20);

g)

een centrale tegenpartij waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012;

h)

een centrale effectenbewaarinstelling waaraan een vergunning is verleend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad (21);

i)

een entiteit in een derde land die, indien zij in de Unie was gevestigd, overeenkomstig de in de punten a) tot en met h) vermelde wetgevingshandelingen een vergunning of registerinschrijving nodig zou hebben;

4.   „niet-financiële tegenpartij”: een in de Unie of een derde land gevestigde onderneming met uitzondering van de in punt 3 bedoelde entiteiten;

5.   „gevestigd”:

a)

indien de tegenpartij een natuurlijke persoon is, waar die haar hoofdkantoor heeft;

b)

indien de tegenpartij een rechtspersoon is, waar die haar statutaire zetel heeft;

c)

indien de tegenpartij krachtens haar nationale wetgeving geen statutaire zetel heeft, waar die haar hoofdkantoor heeft;

6.   „bijkantoor”: een bedrijfszetel die niet het hoofdkantoor is en die een onderdeel zonder rechtspersoonlijkheid vormt van een tegenpartij;

7.   „verstrekte effecten- of grondstoffenlening” of „opgenomen effecten- of grondstoffenlening”: een transactie waarbij een tegenpartij effecten of grondstoffen overdraagt onder de verbintenis dat de leningnemer op een tijdstip in de toekomst of wanneer de overdrager daarom verzoekt, gelijkwaardige effecten of grondstoffen teruglevert; bedoelde transactie wordt aangemerkt als een „verstrekte effecten- of grondstoffenlening” voor de tegenpartij die de effecten of grondstoffen overdraagt, en een „opgenomen effecten- of grondstoffenlening” voor de tegenpartij aan wie de effecten of grondstoffen worden overgedragen;

8.   „kooptransactie met wederverkoop” of „verkooptransactie met wederinkoop”: een transactie waarbij een tegenpartij effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten met betrekking tot de eigendom van effecten of grondstoffen koopt of verkoopt en ermee instemt om effecten, grondstoffen of dergelijke gegarandeerde rechten van dezelfde omschrijving op een moment in de toekomst respectievelijk opnieuw te verkopen of in te kopen tegen een vooraf bepaalde prijs, waarbij de transactie een kooptransactie met wederverkoop is voor de tegenpartij die de effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten aankoopt, en een verkooptransactie met wederinkoop voor de tegenpartij die deze verkoopt, en deze transactie niet valt onder een retrocessieovereenkomst of een omgekeerde retrocessieovereenkomst in de zin van punt 9;

9.   „retrocessietransactie”: een transactie in het kader van een overeenkomst waarbij een tegenpartij effecten, grondstoffen of gegarandeerde rechten met betrekking tot de eigendom van effecten of grondstoffen overdraagt wanneer deze garantie is gegeven door een erkende beurs die houder is van de rechten betreffende de effecten of grondstoffen en een tegenpartij uit hoofde van de overeenkomst niet gerechtigd is een bepaald effect of een bepaalde grondstof aan meer dan één tegenpartij tegelijk over te dragen of in pand te geven, met de verbintenis deze effecten of grondstoffen dan wel vervangende effecten of grondstoffen met dezelfde kenmerken terug te kopen tegen een vastgestelde prijs op een door de overdragende partij bepaald of te bepalen tijdstip in de toekomst; het betreft een „retrocessieovereenkomst” voor de tegenpartij die de effecten of grondstoffen verkoopt, en een „omgekeerde retrocessieovereenkomst” voor de tegenpartij die de effecten of grondstoffen koopt;

10.   „margeleningstransactie”: transactie waarbij een tegenpartij krediet verleent in verband met het aankopen, verkopen, aanhouden of verhandelen van effecten, met uitsluiting van andere leningen die door zekerheid in de vorm van effecten gedekt zijn;

11.   „effectenfinancieringstransactie” of „SFT” (securities financing transaction):

a)

een retrocessietransactie;

b)

verstrekte effecten- of grondstoffenleningen en opgenomen effecten- of grondstoffenleningen;

c)

een kooptransactie met wederverkoop of een verkooptransactie met wederinkoop;

d)

een margeleningstransactie;

12.   „hergebruik”: het gebruik door een ontvangende tegenpartij, in eigen naam en voor eigen rekening, dan wel voor rekening van een andere tegenpartij, met inbegrip van natuurlijke personen, van in het kader van een zekerheidsovereenkomst ontvangen financiële instrumenten; dit gebruik omvat de eigendomsoverdracht of de uitoefening van een gebruiksrecht overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2002/47/EG, maar omvat niet de tegeldemaking van het financieel instrument ingeval de verstrekkende tegenpartij in gebreke blijft;

13.   „zekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht”: een financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht als omschreven in artikel 2, lid 1, onder b), van Richtlijn 2002/47/EG die tussen tegenpartijen wordt gesloten om de nakoming van een verplichting te waarborgen;

14.   „zekerheidsovereenkomst die leidt tot de vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht”: een financiëlezekerheidsovereenkomst die leidt tot vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht als omschreven in artikel 2, lid 1, onder c), van Richtlijn 2002/47/EG die tussen tegenpartijen wordt gesloten om de nakoming van een verplichting te waarborgen;

15.   „zekerheidovereenkomst”: een zekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht, en een zekerheidsovereenkomst die leidt tot de vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht;

16.   „financieel instrument”: een financieel instrument als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 15, van Richtlijn 2014/65/EU;

17.   „grondstof”: grondstof als omschreven in artikel 2, punt 1, van Verordening (EG) nr. 1287/2006 van de Commissie (22);

18.   „totale-opbrengstenswap”: een derivatencontract als omschreven in artikel 2, punt 7, van Verordening (EU) nr. 648/2012 waarbij een tegenpartij de totale economische prestatie van een referentieobligatie, met inbegrip van de opbrengsten van rente en vergoedingen, winsten en verliezen als gevolg van prijsschommelingen en kredietverliezen, aan een andere tegenpartij overdraagt.

HOOFDSTUK II

TRANSPARANTIE VAN SFT’S

Artikel 4

Rapportageverplichting en bescherming met betrekking tot SFT’s

1.   Tegenpartijen bij SFT’s rapporteren de gegevens over SFT’s die zij hebben gesloten, en eventuele wijzigingen in de transacties of de beëindiging ervan, aan een overeenkomstig artikel 5 geregistreerd of een overeenkomstig artikel 19 erkend transactieregister. Deze gegevens worden uiterlijk op de werkdag volgend op de sluiting, wijziging of beëindiging van de transactie gerapporteerd.

De in de eerste alinea bedoelde rapportageverplichting is van toepassing op SFT’s die:

a)

zijn gesloten vóór de in artikel 33, lid 2, onder a), bedoelde relevante datum van toepassing en op die datum nog steeds uitstaan, indien:

i)

de resterende looptijd van die SFT’s op die datum meer dan 180 dagen bedraagt, of

ii)

die SFT’s een open looptijd hebben en 180 dagen na die datum blijven uitstaan;

b)

worden gesloten op of na de in artikel 33, lid 2, onder a), bedoelde relevante datum van toepassing.

De in de tweede alinea, onder a), bedoelde SFT’s worden binnen 190 dagen na de in artikel 33, lid 2, onder a), bedoelde relevante datum van toepassing gerapporteerd.

2.   Een aan de rapportageverplichting onderworpen tegenpartij kan het rapporteren van gegevens over SFT’s delegeren.

3.   Indien een financiële tegenpartij een SFT sluit met een niet-financiële tegenpartij die op de balansdatum de grensbedragen voor ten minste twee van de drie in artikel 3, lid 3, van Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en de Raad (23) omschreven criteria niet overschrijdt, is de financiële tegenpartij voor de rapportage namens beide tegenpartijen verantwoordelijk.

Indien de tegenpartij bij SFT’s een door een beheermaatschappij beheerde icbe is, rust de rapportageverplichting namens die icbe op de beheermaatschappij.

Indien de tegenpartij bij SFT’s een abi is, rust de rapportageverplichting namens die abi op de abi-beheerder ervan.

4.   Tegenpartijen houden gedurende ten minste vijf jaar na de beëindiging van een transactie een vastlegging bij van alle SFT’s die zij hebben gesloten, gewijzigd of beëindigd.

5.   Indien er geen transactieregister beschikbaar is om de gegevens over SFT’s vast te leggen, zorgen de tegenpartijen ervoor dat dergelijke gegevens aan de Europese Toezichthoudende Autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten)(European Securities and Markets Authority — „ESMA”) worden gerapporteerd.

In die gevallen zorgt de ESMA ervoor dat alle in artikel 12, lid 2, bedoelde relevante entiteiten toegang hebben tot alle gegevens over SFT’s die zij nodig hebben om hun respectieve taken en opdrachten te vervullen.

6.   Met betrekking tot de uit hoofde van dit artikel ontvangen informatie houden de transactieregisters en de ESMA zich aan de betreffende bepalingen inzake vertrouwelijkheid, integriteit en bescherming van de informatie, en voldoen zij met name aan de in artikel 80 van Verordening (EU) nr. 648/2012 vastgestelde verplichtingen. Voor de toepassing van dit artikel worden verwijzingen in artikel 80 van Verordening (EU) nr. 648/2012 naar artikel 9 daarvan en naar „derivatencontracten” beschouwd als verwijzingen naar dit artikel, respectievelijk „SFT’s”.

7.   Een tegenpartij die de gegevens over een SFT aan een transactieregister of aan de ESMA meldt, dan wel een entiteit die dergelijke gegevens namens een tegenpartij rapporteert, wordt niet geacht enige bij contract of bij een wettelijke of bestuursrechtelijke bepaling opgelegde openbaarmakingsbeperking te overtreden.

8.   Noch op de rapporterende entiteit, noch op de leiding of de werknemers ervan rust enige uit die openbaarmaking voortvloeiende aansprakelijkheid.

9.   Om een consistente toepassing van dit artikel en consistentie met de rapportage uit hoofde van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en internationaal overeengekomen normen te garanderen, stelt de ESMA, in nauwe samenwerking met en rekening houdend met de behoeften van het ESCB, ontwerpen van technische reguleringsnormen op, waarin wordt aangegeven welke gegevens uit hoofde van de leden 1 tot en met 5 van dit artikel voor de verschillende soorten SFT’s moeten worden gerapporteerd; de rapportage omvat ten minste de volgende gegevens:

a)

de partijen bij de SFT en, indien verschillend, de begunstigde van de daaruit voortvloeiende rechten en verplichtingen;

b)

de hoofdsom; de valuta; de als zekerheden gebruikte activa en het type, de kwaliteit en de waarde ervan; de voor het verstrekken van de zekerheden gevolgde methode; of er zekerheden beschikbaar zijn voor hergebruik; in het geval de zekerheden van andere activa te onderscheiden zijn, of zij zijn hergebruikt; enigerlei vervanging van de zekerheden; de reporente, de leningvergoeding of de margeleningsrente; enigerlei haircut; de valutadatum; de vervaldatum; de eerste datum waarop vervroegde aflossing kan plaatsvinden, en het marktsegment;

c)

afhankelijk van de SFT gegevens over:

i)

de herbelegging van zekerheden in de vorm van contanten;

ii)

de effecten of grondstoffen die worden uitgeleend of ingeleend.

Bij het ontwikkelen van die ontwerpen van technische normen houdt de ESMA rekening met de technische eigenheden van de activapools en wordt de mogelijkheid geboden om, waar passend, positiegegevens van zekerheden te rapporteren.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 13 januari 2017 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

10.   Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van lid 1 van dit artikel te garanderen en, voor zover mogelijk, consistentie met de rapportage uit hoofde van artikel 9 van Verordening (EU) nr. 648/2012 en een harmonisering van formats tussen transactieregisters te bewerkstelligen, stelt de ESMA, in nauwe samenwerking met en rekening houdend met de behoeften van het ESCB, ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op betreffende het format en de frequentie van de in de leden 1 en 5 van dit artikel voor de verschillende soorten SFT’s bedoelde rapporten.

Het format bevat met name:

a)

mondiale identificatiecodes van juridische entiteiten (legal entity identifiers — LEI’s) of, in afwachting van de volledige implementatie van het mondiale systeem voor identificatie van juridische entiteiten, pre-LEI’s;

b)

internationale effectenidentificatiecodes (international securities identification numbers — ISIN’s), en

c)

unieke transactie-identificatiecodes.

Bij het opstellen van die ontwerpen van technische normen houdt de ESMA rekening met internationale ontwikkelingen en met op Unie- of wereldniveau overeengekomen normen.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 13 januari 2017 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

HOOFDSTUK III

REGISTRATIE VAN EN TOEZICHT OP EEN TRANSACTIEREGISTER

Artikel 5

Registratie van een transactieregister

1.   Voor de toepassing van artikel 4 registreert een transactieregister zich bij de ESMA volgens de in dit artikel vastgelegde voorwaarden en procedure.

2.   Om voor registratie uit hoofde van dit artikel in aanmerking te komen, moet een transactieregister een rechtspersoon zijn die in de Unie is gevestigd, procedures toepassen om de volledigheid en juistheid van de uit hoofde van artikel 4, lid 1, gerapporteerde gegevens te verifiëren, en voldoen aan de in de artikelen 78, 79 en 80 van Verordening (EU) nr. 648/2012 neergelegde voorschriften. Voor de toepassing van dit artikel worden verwijzingen in de artikelen 78 en 80 van Verordening (EU) nr. 648/2012 naar artikel 9 ervan beschouwd als verwijzingen naar artikel 4 van deze verordening.

3.   De registratie van een transactieregister geldt voor het volledige grondgebied van de Unie.

4.   Een geregistreerd transactieregister voldoet te allen tijde aan de registratievoorwaarden. Een transactieregister stelt de ESMA onverwijld in kennis van belangrijke wijzigingen in de registratievoorwaarden.

5.   Een transactieregister dient bij de ESMA een van de volgende aanvragen in:

a)

een registratieaanvraag;

b)

een aanvraag tot uitbreiding van de registratie voor de toepassing van artikel 4 van deze verordening, in het geval van een transactieregister dat reeds overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012, titel VI, hoofdstuk 1, is erkend.

6.   Uiterlijk twintig werkdagen na ontvangst van de aanvraag beoordeelt de ESMA of de aanvraag volledig is.

Indien de aanvraag onvolledig is, stelt de ESMA een termijn vast waarbinnen het transactieregister aanvullende informatie moet verstrekken.

Wanneer de ESMA een aanvraag volledig acht, stelt zij het transactieregister daarvan in kennis.

7.   Met het oog op een consistente toepassing van dit artikel, stelt de ESMA ontwerpen van technische reguleringsnormen op ter specificatie van het volgende:

a)

de in lid 2 van dit artikel bedoelde procedures die het transactieregister moet toepassen om de volledigheid en juistheid van de uit hoofde van artikel 4, lid 1, aan het register gerapporteerde gegevens te verifiëren;

b)

de in lid 5, onder a), bedoelde registratieaanvraag;

c)

een vereenvoudigde versie van de in lid 5, onder b), bedoelde aanvraag tot uitbreiding van de registratie teneinde overlapping van voorschriften te voorkomen.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 13 januari 2017 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

8.   Om eenvormige voorwaarden voor de toepassing van de leden 1 en 2 te garanderen, stelt de ESMA ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op waarin het format van de volgende aanvragen nader wordt gespecificeerd:

a)

de in lid 5, onder a), bedoelde registratieaanvraag;

b)

de in lid 5, onder b), bedoelde aanvraag tot uitbreiding van de registratie.

Met betrekking tot de eerste alinea, onder b), stelt de ESMA een vereenvoudigde versie van het format op teneinde overlapping van procedures te voorkomen.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 13 januari 2017 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid toegekend de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 6

Aan de registratie of de uitbreiding van registratie voorafgaande kennisgeving aan en raadpleging van de bevoegde autoriteiten

1.   Indien een transactieregister dat een aanvraag tot registratie of tot uitbreiding van de registratie indient, een entiteit is die een vergunning heeft gekregen van of is geregistreerd door een bevoegde autoriteit in de lidstaat waar het is gevestigd, gaat de ESMA onverwijld over tot kennisgeving aan en raadpleging van die bevoegde autoriteit alvorens het transactieregister te registreren.

2.   De ESMA en de relevante bevoegde autoriteit wisselen alle informatie uit die nodig is voor de registratie of de uitbreiding van de registratie van het transactieregister, en om toezicht uit te oefenen op de naleving door het transactieregister van de registratie- of vergunningsvoorschriften in de lidstaat waar het is gevestigd.

Artikel 7

Behandeling van de aanvraag

1.   Binnen veertig werkdagen na de in artikel 5, lid 6, bedoelde kennisgeving beoordeelt de ESMA de registratieaanvraag of de aanvraag tot uitbreiding van de registratie op basis van de naleving door het transactieregister van dit hoofdstuk, en stelt zij een gemotiveerd besluit vast tot aanvaarding of weigering van de registratie of de uitbreiding van de registratie.

2.   Een uit hoofde van lid 1 gegeven besluit van de ESMA wordt van kracht op de vijfde werkdag nadat het is vastgesteld.

Artikel 8

Kennisgeving van besluiten van de ESMA met betrekking tot registratie of uitbreiding van registratie

1.   Wanneer de ESMA een besluit als bedoeld in artikel 7, lid 1, vaststelt of de registratie intrekt als bedoeld in artikel 10, lid 1, stelt zij het transactieregister binnen vijf werkdagen daarvan in kennis met een omstandig gemotiveerde toelichting.

De ESMA stelt de in artikel 6, lid 1, bedoelde relevante bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van haar besluit.

2.   De ESMA stelt de Commissie in kennis van alle overeenkomstig lid 1 vastgestelde besluiten.

3.   De ESMA publiceert op haar website een lijst van overeenkomstig deze verordening geregistreerde transactieregisters. Deze lijst wordt binnen vijf werkdagen na vaststelling van een besluit ingevolge lid 1 geactualiseerd.

Artikel 9

Bevoegdheden van de ESMA

1.   De aan de ESMA overeenkomstig de artikelen 61 tot en met 68, 73 en 74 van Verordening (EU) nr. 648/2012, in samenhang met de bijlagen I en II daarbij, verleende bevoegdheden worden eveneens ten aanzien van deze verordening uitgeoefend. Verwijzingen naar artikel 81, lid 1, en artikel 81, lid 2, van Verordening (EU) nr. 648/2012 in bijlage I bij die verordening, worden beschouwd als verwijzingen naar artikel 12, lid 1, respectievelijk artikel 12, lid 2, van deze verordening.

2.   De bevoegdheden die op grond van de artikelen 61, 62 en 63 van Verordening (EU) nr. 648/2012 aan de ESMA, aan een functionaris van de ESMA of aan een andere door de ESMA gemachtigde persoon zijn toegekend, worden niet gebruikt om de openbaarmaking te verlangen van aan het juridische verschoningsrecht onderworpen gegevens of documenten.

Artikel 10

Intrekking van een registratie

1.   Onverminderd artikel 73 van Verordening (EU) nr. 648/2012 trekt de ESMA de registratie van een transactieregister in, indien het transactieregister:

a)

uitdrukkelijk afziet van de registratie of de voorgaande zes maanden geen diensten heeft verricht;

b)

de registratie heeft verkregen door valse verklaringen af te leggen of op een andere onregelmatige wijze;

c)

niet meer voldoet aan de voorwaarden waaronder het is geregistreerd.

2.   De ESMA stelt de in artikel 6, lid 1, bedoelde relevante bevoegde autoriteit onverwijld in kennis van haar besluit tot intrekking van de registratie van een transactieregister.

3.   Indien de bevoegde autoriteit van een lidstaat waar het transactieregister zijn diensten en activiteiten verricht, van oordeel is dat een van de voorwaarden van lid 1 is vervuld, kan zij de ESMA verzoeken na te gaan of aan de voorwaarden voor intrekking van de registratie van het betrokken transactieregister is voldaan. Indien de ESMA besluit de registratie van het betrokken transactieregister niet in te trekken, motiveert zij dit besluit omstandig.

4.   De in lid 3 van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteit is de autoriteit die uit hoofde van artikel 16, lid 1, onder a) en b), van deze verordening is aangewezen.

Artikel 11

Toezichtvergoedingen

1.   De ESMA brengt de transactieregisters overeenkomstig deze verordening en overeenkomstig de ingevolge lid 2 van dit artikel vastgestelde gedelegeerde handelingen vergoedingen in rekening. Deze vergoedingen staan in verhouding tot de omzet van het betrokken transactieregister en dekken volledig de uitgaven van de ESMA welke nodig zijn voor de registratie en de erkenning van, en het toezicht op transactieregisters, alsmede voor de terugbetaling van alle eventuele kosten die de bevoegde autoriteiten maken als gevolg van een delegatie van taken overeenkomstig artikel 9, lid 1, van deze verordening. Wanneer in artikel 9, lid 1, van deze verordening wordt verwezen naar artikel 74 van Verordening (EU) nr. 648/2012, worden verwijzingen naar artikel 72, lid 3, van die Verordening beschouwd als verwijzingen naar lid 2 van dit artikel.

Indien een transactieregister reeds uit hoofde van titel VI, hoofdstuk 1, van Verordening (EU) nr. 648/2012 is geregistreerd, worden de in de eerste alinea van dit lid vermelde vergoedingen alleen aangepast om de extra uitgaven en kosten die overeenkomstig deze verordening worden gemaakt voor de registratie en de erkenning van, en het toezicht op, transactieregisters.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 30 een gedelegeerde handeling vast te stellen ter nadere bepaling van de soorten vergoedingen, de zaken waarvoor een vergoeding moet worden betaald, de hoogte van de vergoedingen en de wijze waarop deze moeten worden betaald.

Artikel 12

Transparantie en beschikbaarheid van gegevens van een transactieregister

1.   Een transactieregister publiceert, op regelmatige basis en op een eenvoudig toegankelijke manier, geaggregeerde posities per soort SFT die aan hem worden gerapporteerd.

2.   Een transactieregister verzamelt en bewaart de gegevens over SFT’s, en zorgt ervoor dat de volgende entiteiten rechtstreeks en onmiddellijk toegang hebben tot deze gegevens om hen in staat te stellen hun respectieve taken en opdrachten te vervullen:

a)

de ESMA;

b)

de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) („EBA”);

c)

de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (European Insurance and Occupational Pensions Authority — „EIOPA”);

d)

het ESRB;

e)

de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op de handelsplatforms van de gerapporteerde transacties;

f)

de relevante leden van het ESCB, met inbegrip van de Europese Centrale Bank (ECB) wat betreft de uitoefening van haar taken in het kader van een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013;

g)

de relevante autoriteiten van een derde land waarvoor overeenkomstig artikel 19, lid 1, een uitvoeringshandeling is vastgesteld;

h)

toezichthoudende autoriteiten die uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad (24) zijn aangewezen;

i)

de relevante effecten- en marktautoriteiten van de Unie wier respectieve taken en opdrachten inzake toezicht betrekking hebben op transacties, markten, deelnemers en activa die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

j)

het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators opgericht bij Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad (25);

k)

de afwikkelingsautoriteiten die zijn aangewezen uit hoofde van artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (26);

l)

de bij Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad (27) ingestelde gemeenschappelijke afwikkelingsraad;

m)

de in artikel 16, lid 1, bedoelde autoriteiten.

3.   Om een consistente toepassing van dit artikel te garanderen, stelt de ESMA, in nauwe samenwerking met het ESCB en rekening houdend met de behoeften van de in lid 2 bedoelde entiteiten, ontwerpen van technische reguleringsnormen op, waarin het volgende wordt gespecificeerd:

a)

welke gegevens met betrekking tot de in lid 1 bedoelde geaggregeerde posities moeten worden verstrekt en hoe vaak, en welke gegevens met betrekking tot de in lid 2 bedoelde SFT’s moeten worden verstrekt;

b)

de operationele normen die nodig zijn voor het tijdig, gestructureerd en alomvattend:

i)

verzamelen van gegevens door transactieregisters;

ii)

aggregeren en vergelijken van gegevens van verschillende registers;

c)

een nadere omschrijving van de informatie waartoe de in lid 2 bedoelde entiteiten toegang moeten hebben, rekening houdend met hun mandaat en hun specifieke behoeften;

d)

de voorwaarden waaronder de in lid 2 bedoelde entiteiten rechtstreekse en onmiddellijke toegang moeten hebben tot in transactieregisters bewaarde gegevens.

Deze ontwerpen van technische reguleringsnormen bieden de garantie dat partijen bij SFT’s niet op basis van de krachtens lid 1 gepubliceerde informatie kunnen worden geïdentificeerd.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische reguleringsnormen uiterlijk op 13 januari 2017 bij de Commissie in.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen om de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

HOOFDSTUK IV

TRANSPARANTIE JEGENS BELEGGERS

Artikel 13

Transparantie van instellingen voor collectieve belegging in periodieke verslagen

1.   Icbe-beheermaatschappijen, icbe-beleggingsmaatschappijen en abi-beheerders informeren de beleggers als volgt over het gebruik dat zij van SFT’s en totale-opbrengstenswaps maken:

a)

voor icbe-beheermaatschappijen of icbe-beleggingsmaatschappijen in hun in artikel 68 van Richtlijn 2009/65/EG bedoelde halfjaarlijkse verslagen en jaarverslagen;

b)

voor abi-beheerders in het in artikel 22 van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde jaarverslag.

2.   De informatie over SFT’s en totale-opbrengstenswaps bevat de gegevens waarin deel A van de bijlage voorziet.

3.   Teneinde te waarborgen dat gegevens op eenvormige wijze worden openbaar gemaakt en rekening te houden met het specifieke karakter van de verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps, kan de ESMA, met inachtneming van de voorschriften van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU alsmede de veranderende marktpraktijken, ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen waarin de inhoud van deel A van de bijlage nader wordt gespecificeerd.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 14

Transparantie van instellingen voor collectieve belegging in precontractuele documenten

1.   In het in artikel 69 van Richtlijn 2009/65/EG bedoelde icbe-prospectus en in de in artikel 23, leden 1 en 3, van Richtlijn 2011/61/EU bedoelde informatie die abi-beheerders aan beleggers verstrekken, wordt nader omschreven welke SFT’s en totale-opbrengstenswaps icbe-beheermaatschappijen of icbe-beleggingsmaatschappijen, respectievelijk abi-beheerders mogen gebruiken en wordt tevens een duidelijke verklaring opgenomen dat die technieken en instrumenten worden gebruikt.

2.   Het prospectus en de aan beleggers verstrekte informatie als bedoeld in lid 1 bevatten de gegevens waarin deel B van de bijlage voorziet.

3.   De ESMA kan, met inachtneming van de voorschriften van de Richtlijnen 2009/65/EG en 2011/61/EU, ontwerpen van technische reguleringsnormen opstellen waarin de inhoud van deel B van de bijlage nader wordt gespecificeerd, teneinde rekening te houden met veranderende marktpraktijken of te waarborgen dat gegevens op eenvormige wijze openbaar worden gemaakt.

Bij het opstellen van de in de eerste alinea bedoelde ontwerpen van technische reguleringsnormen houdt de ESMA rekening met de noodzaak dat wordt voorzien in voldoende tijd voorafgaand aan de toepassing van die normen.

Aan de Commissie wordt de bevoegdheid overgedragen de in de eerste alinea bedoelde technische reguleringsnormen vast te stellen overeenkomstig de artikelen 10 tot en met 14 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

HOOFDSTUK V

TRANSPARANTIE VAN HERGEBRUIK

Artikel 15

Hergebruik van in het kader van een zekerheidsovereenkomst ontvangen financiële instrumenten

1.   Het recht van tegenpartijen om als zekerheden ontvangen financiële instrumenten te hergebruiken is onderworpen aan ten minste de volgende twee voorwaarden:

a)

de ontvangende tegenpartij heeft de verstrekkende tegenpartij naar behoren schriftelijk in kennis gesteld van de risico’s en de gevolgen die verbonden kunnen zijn aan:

i)

het verlenen van het recht van gebruik van zekerheden die zijn verstrekt in het kader van een zekerheidsovereenkomst die leidt tot de vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht, overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2002/47/EG, of

ii)

het sluiten van een zekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht;

b)

de verstrekkende tegenpartij heeft haar voorafgaande uitdrukkelijke toestemming verleend, hetgeen wordt aangetoond door een schriftelijke of juridisch gelijkwaardige ondertekening door de verstrekkende tegenpartij bij een zekerheidsovereenkomst die leidt tot de vestiging van een zakelijk zekerheidsrecht, waarin wordt voorzien in een recht van gebruik overeenkomstig artikel 5 van Richtlijn 2002/47/EG, of heeft uitdrukkelijk ingestemd met het verstrekken van zekerheden door middel van een zekerheidsovereenkomst die leidt tot overdracht.

Met betrekking tot de eerste alinea, onder a), wordt de verstrekkende tegenpartij ten minste schriftelijk geïnformeerd over de potentiële risico’s en gevolgen ingeval de ontvangende tegenpartij in gebreke blijft.

2.   De uitoefening door tegenpartijen van hun recht van hergebruik is onderworpen aan ten minste de volgende twee voorwaarden:

a)

het hergebruik vindt plaats onder de voorwaarden die in de in lid 1, onder b), bedoelde zekerheidsovereenkomst zijn vastgelegd;

b)

de in het kader van een zekerheidsovereenkomst ontvangen financiële instrumenten worden overgedragen van de rekening van de verstrekkende tegenpartij.

Indien een tegenpartij bij een zekerheidsovereenkomst in een derde land is gevestigd en de rekening van de tegenpartij die de zekerheid verstrekt, wordt aangehouden in en onderworpen is aan het recht van een derde land, wordt, in afwijking van de eerste alinea, onder b), het hergebruik aangetoond hetzij door een overdracht van de rekening van de verstrekkende tegenpartij, hetzij met andere passende middelen.

3.   Dit artikel laat striktere sectorale wetgeving, en met name de Richtlijnen 2014/65/EU en 2009/65/EG, alsmede nationale wetgeving ter waarborging van een betere bescherming voor verstrekkende tegenpartijen onverlet.

4.   Dit artikel laat nationale wetgeving betreffende de geldigheid of het effect van een transactie onverlet.

HOOFDSTUK VI

TOEZICHT EN BEVOEGDE AUTORITEITEN

Artikel 16

Aanwijzing en bevoegdheden van bevoegde autoriteiten

1.   Voor de toepassing van deze verordening zijn bevoegde autoriteiten:

a)

voor financiële tegenpartijen, bevoegde autoriteiten of nationale bevoegde autoriteiten in de zin van de Verordeningen (EU) nr. 648/2012, (EU) nr. 1024/2013 en (EU) nr. 909/2014 en de Richtlijnen 2003/41/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU en 2014/65/EU en de toezichthoudende autoriteiten in de zin van Richtlijn 2009/138/EG;

b)

voor niet-financiële tegenpartijen, de overeenkomstig artikel 10, lid 5, van Verordening (EU) nr. 648/2012 aangewezen bevoegde autoriteiten;

c)

voor de toepassing van de artikelen 13 en 14 van deze verordening betreffende icbe-beheermaatschappijen en icbe-beleggingsmaatschappijen, de overeenkomstig artikel 97 van Richtlijn 2009/65/EG aangewezen bevoegde autoriteiten, en

d)

voor de toepassing van de artikelen 13 en 14 van deze verordening betreffende abi-beheerders, de overeenkomstig artikel 44 van Richtlijn 2011/61/EU aangewezen bevoegde autoriteiten.

2.   De bevoegde autoriteiten oefenen de bevoegdheden uit die hun overeenkomstig de in lid 1 bedoelde bepalingen zijn verleend, en houden toezicht op de nakoming van de in deze verordening neergelegde verplichtingen.

3.   De in lid 1, onder c) en d), van dit artikel bedoelde bevoegde autoriteiten monitoren de op hun grondgebied gevestigde icbe-beheermaatschappijen, icbe-beleggingsmaatschappijen en abi-beheerders om zich ervan te vergewissen dat deze geen SFT’s of totale-opbrengstenswaps gebruiken, tenzij deze icbe’s en abi’s de artikelen 13 en 14 in acht nemen.

Artikel 17

Samenwerking tussen bevoegde autoriteiten

1.   De in artikel 16 bedoelde bevoegde autoriteiten en de ESMA werken nauw met elkaar samen en wisselen informatie uit voor het uitvoeren van hun taken krachtens deze verordening, met name om inbreuken op deze verordening te kunnen constateren en verhelpen.

2.   Een bevoegde autoriteit kan uitsluitend in de hieronder vermelde buitengewone omstandigheden weigeren in te gaan op een verzoek tot samenwerking en uitwisseling van informatie overeenkomstig lid 1:

a)

voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen is reeds een gerechtelijke procedure ingeleid bij de autoriteiten van de lidstaat van de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt, of

b)

voor dezelfde feiten en tegen dezelfde personen is in de lidstaat van de bevoegde autoriteit die het verzoek ontvangt reeds een definitieve uitspraak gedaan.

In geval van een dergelijke weigering stelt de bevoegde autoriteit de verzoekende autoriteit en de ESMA daarvan in kennis, waarbij zij zo gedetailleerd mogelijke informatie verstrekt.

3.   De in artikel 12, lid 2, bedoelde entiteiten en de desbetreffende leden van het ESCB werken nauw samen overeenkomstig de in dit lid gestelde voorwaarden.

Dergelijke samenwerking geschiedt vertrouwelijk en op voorwaarde dat de relevante bevoegde autoriteiten een met redenen omkleed verzoek indienen, en alleen opdat die autoriteiten hun respectieve taken kunnen vervullen.

Niettegenstaande de eerste en de tweede alinea, kunnen de leden van het ESCB evenwel weigeren informatie te verstrekken indien zij de transacties verrichten in het kader van de uitoefening van hun functie van monetaire autoriteiten.

In het geval van een weigering als bedoeld in de derde alinea, stelt het desbetreffende lid van het ESCB de verzoekende autoriteit van die weigering in kennis onder opgave van de redenen hiervoor.

Artikel 18

Beroepsgeheim

1.   Alle uit hoofde van deze verordening ontvangen, uitgewisselde of doorgegeven vertrouwelijke informatie valt onder de voorwaarden van het beroepsgeheim als neergelegd in de leden 2 en 3.

2.   Het beroepsgeheim geldt voor alle personen die werkzaam zijn of zijn geweest bij de in artikel 12, lid 2, bedoelde entiteiten en de in artikel 16 bedoelde bevoegde autoriteiten, de ESMA, de EBA en de EIOPA, of voor de auditors en deskundigen geïnstrueerd door de bevoegde autoriteiten of de ESMA, de EBA en de EIOPA. Vertrouwelijke informatie waarvan deze personen bij de uitoefening van hun taken kennis krijgen, wordt aan geen enkele persoon of autoriteit bekendgemaakt, behalve in een samengevatte of geaggregeerde vorm, zodat individuele tegenpartijen, transactieregisters of andere personen niet herkenbaar zijn, onverminderd de gevallen die onder het nationale strafrecht of fiscaal recht of onder deze verordening vallen.

3.   Onverminderd het nationale strafrecht of fiscaal recht mogen de bevoegde autoriteiten, de ESMA, de EBA, de EIOPA en andere instanties of natuurlijke personen of rechtspersonen dan de bevoegde autoriteiten die ingevolge deze verordening vertrouwelijke informatie ontvangen, deze, indien het om bevoegde autoriteiten gaat, uitsluitend gebruiken bij de vervulling van hun taken en voor de uitoefening van hun functies binnen het toepassingsgebied van deze verordening of, indien het om andere autoriteiten, instanties of natuurlijke personen of rechtspersonen gaat, voor het doel waarvoor die informatie aan hen is verstrekt of in het kader van bestuursrechtelijke of gerechtelijke procedures die specifiek met de uitoefening van die functies verband houden, of beide. Wanneer de ESMA, de EBA, de EIOPA, de bevoegde autoriteit of een andere autoriteit, instantie of persoon die de informatie heeft verstrekt, daarin toestemt, mag de ontvangende autoriteit de informatie voor andere niet-commerciële doeleinden gebruiken.

4.   De in de leden 2 en 3 bedoelde voorwaarden vormen evenwel geen beletsel voor de ESMA, de EBA, de EIOPA, de bevoegde autoriteiten of de betrokken centrale banken om vertrouwelijke gegevens uit te wisselen of door te geven overeenkomstig deze verordening en andere wetgeving betreffende beleggingsondernemingen, kredietinstellingen, pensioenfondsen, verzekerings- en herverzekeringstussenpersonen, verzekeringsondernemingen, gereglementeerde markten of marktexploitanten, dan wel met instemming van de bevoegde autoriteit of een andere autoriteit of instantie of natuurlijke persoon of rechtspersoon die deze gegevens heeft verstrekt.

5.   De leden 2 en 3 beletten niet dat de bevoegde autoriteiten overeenkomstig het nationale recht vertrouwelijke informatie uitwisselen of doorgeven die niet van een bevoegde autoriteit van een andere lidstaat is ontvangen.

HOOFDSTUK VII

BETREKKINGEN MET DERDE LANDEN

Artikel 19

Gelijkwaardigheid en erkenning van transactieregisters

1.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarin wordt geconstateerd dat het juridisch en het toezichtskader van een derde land de garantie biedt dat:

a)

transactieregisters waaraan in dat derde land een vergunning is verleend, voldoen aan juridisch bindende voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening neergelegde voorschriften;

b)

transactieregisters in dat derde land doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving van hun verplichtingen zijn onderworpen;

c)

waarborgen gelden inzake het beroepsgeheim, inclusief de bescherming van bedrijfsgeheimen die de autoriteiten met derden delen, welke ten minste gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vervatte waarborgen, en

d)

op de transactieregisters waaraan in dat derde land een vergunning is verleend, een wettelijk bindende en afdwingbare verplichting rust om de in artikel 12, lid 2, bedoelde entiteiten rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot de gegevens te verschaffen.

In de in de eerste alinea bedoelde uitvoeringshandeling wordt eveneens vermeld welke bevoegde autoriteiten van derde landen gemachtigd zijn om gegevens over SFT’s die in de in de Unie gevestigde transactieregisters worden bewaard, te raadplegen.

De in de eerste alinea van dit artikel vermelde uitvoeringshandeling wordt volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   Indien krachtens het recht van een derde land geen wettelijk bindende en afdwingbare verplichting rust op transactieregisters waaraan in dat derde land een vergunning is verleend, om de in artikel 12, lid 2, bedoelde entiteiten rechtstreekse en onmiddellijke toegang tot de gegevens te verschaffen, dient de Commissie bij de Raad aanbevelingen in voor onderhandelingen over internationale overeenkomsten met dat derde land over wederzijdse toegang tot en uitwisseling van informatie over SFT’s die wordt bewaard in transactieregisters die in dat derde land zijn gevestigd, teneinde te waarborgen dat alle in artikel 12, lid 2, bedoelde entiteiten rechtstreekse en onmiddellijke toegang hebben tot alle voor de uitoefening van hun taken benodigde informatie.

3.   Een in een derde land gevestigd transactieregister mag, met het oog op de toepassing van artikel 4, alleen diensten en activiteiten ten behoeve van in de Unie gevestigde entiteiten verrichten nadat het overeenkomstig de voorschriften van lid 4 van dit artikel door de ESMA is erkend.

4.   Een in lid 3 bedoeld transactieregister dient het volgende bij de ESMA in:

a)

een aanvraag tot erkenning, of

b)

indien het transactieregister reeds overeenkomstig Verordening (EU) nr. 648/2012 is erkend, een aanvraag tot uitbreiding van de registratie met het oog op de toepassing van artikel 4 van deze verordening.

5.   Een aanvraag als bedoeld in lid 4 gaat vergezeld van alle noodzakelijke gegevens, waaronder ten minste de informatie die nodig is om na te gaan of het transactieregister beschikt over een vergunning en onder effectief toezicht staat in een derde land dat aan alle volgende criteria voldoet:

a)

de Commissie heeft bij een uitvoeringshandeling uit hoofde van lid 1 geconstateerd dat het derde land een gelijkwaardig en afdwingbaar toezicht- en regelgevingskader heeft;

b)

de relevante autoriteiten van het derde land hebben samenwerkingsregelingen getroffen met de ESMA waarin ten minste het volgende wordt vastgesteld:

i)

een mechanisme voor de uitwisseling van informatie tussen de ESMA en alle andere autoriteiten in de Unie die in het kader van de delegatie van taken overeenkomstig artikel 9, lid 1, verantwoordelijkheden uitoefenen enerzijds, en de relevante bevoegde autoriteiten van het betrokken derde land anderzijds, en

ii)

de procedures betreffende de coördinatie van toezichtactiviteiten.

Met betrekking tot de overdracht van persoonsgegevens aan een derde land past de ESMA Verordening (EG) nr. 45/2001 toe.

6.   Binnen dertig werkdagen na ontvangst van de aanvraag verifieert de ESMA of de aanvraag volledig is. Indien de ESMA vaststelt dat de aanvraag onvolledig is, bepaalt de ESMA een termijn waarbinnen het aanvragende transactieregister aanvullende informatie moet verstrekken.

7.   Binnen 180 werkdagen na de indiening van een volledige aanvraag informeert de ESMA het aanvragende transactieregister schriftelijk onder opgave van alle redenen of de erkenning is verleend dan wel geweigerd.

8.   De ESMA publiceert op haar website een lijst van de overeenkomstig dit artikel erkende transactieregisters.

Artikel 20

Indirecte toegang tot gegevens van autoriteiten onderling

De ESMA kan samenwerkingsregelingen treffen met de relevante autoriteiten van derde landen die hun respectieve taken en opdrachten moeten vervullen met betrekking tot de wederzijdse uitwisseling van informatie over SFT’s die door transactieregisters in de Unie overeenkomstig artikel 12, lid 2, beschikbaar is gesteld voor de ESMA en informatie over SFT’s die door de autoriteiten van derde landen is verzameld en bijgehouden, op voorwaarde dat er waarborgen bestaan voor beroepsgeheim, met inbegrip van de bescherming van bedrijfsgeheimen die de autoriteiten met derden delen.

Artikel 21

Gelijkwaardigheid van rapportage

1.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij zij constateert dat het juridisch, het toezichts- en het handhavingskader van een derde land:

a)

gelijkwaardig zijn aan de in artikel 4 neergelegde voorschriften;

b)

waarborgen inzake het beroepsgeheim biedt die gelijkwaardig zijn aan de in deze verordening vervatte waarborgen;

c)

daadwerkelijk op een billijke en niet-verstorende wijze wordt toegepast en gehandhaafd, zodat effectief toezicht en effectieve handhaving in dat derde land zijn gewaarborgd, en

d)

waarborgt dat de in artikel 12, lid 2, bedoelde entiteiten hetzij overeenkomstig artikel 19, lid 1, directe toegang tot de bijzonderheden over SFT-gegevens, hetzij overeenkomstig artikel 20 indirecte toegang tot de gegevens over SFT’s hebben.

2.   Wanneer de Commissie ten aanzien van een derde land een uitvoeringshandeling inzake gelijkwaardigheid als bedoeld in lid 1 van dit artikel heeft vastgesteld, worden tegenpartijen die een onder deze verordening vallende transactie sluiten, geacht de in artikel 4 neergelegde voorschriften te hebben vervuld indien ten minste één van de tegenpartijen in dat derde land is gevestigd en de tegenpartijen de betreffende verplichtingen van dat derde land met betrekking tot die transactie hebben vervuld.

Die uitvoeringshandeling wordt vastgesteld volgens de in artikel 31, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

De Commissie controleert, in samenwerking met de ESMA, of derde landen ten aanzien waarvan een uitvoeringshandeling inzake gelijkwaardigheid is vastgesteld, de eisen die gelijkwaardig zijn aan de in artikel 4 neergelegde eisen, doeltreffend implementeren, en brengt regelmatig verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad. Indien uit het verslag blijkt dat de autoriteiten van een derde land de gelijkwaardige eisen op ontoereikende of inconsistente wijze toepassen, gaat de Commissie binnen dertig kalenderdagen na de presentatie van het verslag na of de erkenning van het juridische kader van het betrokken derde land als gelijkwaardig moet worden ingetrokken.

HOOFDSTUK VIII

BESTUURSRECHTELIJKE SANCTIES EN ANDERE BESTUURSRECHTELIJKE MAATREGELEN

Artikel 22

Bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen

1.   Onverminderd artikel 28 en het recht van de lidstaten om strafrechtelijke sancties vast te stellen en op te leggen, dragen de lidstaten er in overeenstemming met het nationale recht zorg voor dat de bevoegde autoriteiten over de bevoegdheid beschikken bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen op te leggen voor inbreuken op ten minste artikel 4 en artikel 15.

Indien de in de eerste alinea bedoelde bepalingen op rechtspersonen van toepassing zijn, machtigen de lidstaten de bevoegde autoriteiten om in geval van een inbreuk, onder de in het nationale recht vastgelegde voorwaarden, sancties op te leggen aan de leden van het leidinggevend orgaan en aan andere natuurlijke personen die uit hoofde van het nationale recht voor de inbreuk verantwoordelijk zijn.

2.   De voor de toepassing van lid 1 opgelegde bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn.

3.   Wanneer lidstaten overeenkomstig lid 1 van dit artikel besluiten om voor de inbreuken op de in dat lid bedoelde bepalingen strafrechtelijke sancties vast te stellen, dragen zij er zorg voor dat er passende maatregelen zijn getroffen opdat de bevoegde autoriteiten over alle nodige bevoegdheden beschikken om met de gerechtelijke, de met vervolging belaste of de strafrechtelijke autoriteiten in hun jurisdictie te communiceren teneinde specifieke informatie te ontvangen over lopende strafrechtelijke onderzoeken naar en procedures in verband met mogelijke inbreuken op de artikelen 4 en 15, en dergelijke informatie aan andere bevoegde autoriteiten en de ESMA mee te delen om zich zodoende te kunnen houden aan hun verplichting om met elkaar en, in voorkomend geval, met de ESMA samen te werken met het oog op de toepassing van deze verordening.

De bevoegde autoriteiten kunnen met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten en de relevante autoriteiten van derde landen samenwerken bij de uitoefening van hun bevoegdheden om sancties op te leggen.

De bevoegde autoriteiten kunnen ook met de bevoegde autoriteiten van andere lidstaten samenwerken om de inning van financiële sancties te vergemakkelijken.

4.   De lidstaten kennen de bevoegde autoriteiten in overeenstemming met het nationale recht de bevoegdheid toe ten minste de volgende bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen op te leggen in geval van de in lid 1 bedoelde inbreuken:

a)

een bevel waarbij de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon wordt verplicht de gedraging te staken en af te zien van herhaling van die gedraging;

b)

een publieke verklaring waarin de persoon die verantwoordelijk is voor en de aard van de inbreuk worden vermeld, overeenkomstig artikel 26;

c)

intrekking of schorsing van de vergunning;

d)

een tijdelijk verbod voor een persoon met leidinggevende verantwoordelijkheden of voor een andere natuurlijke persoon die verantwoordelijk wordt geacht voor dergelijke inbreuk, op de uitoefening van leidinggevende taken;

e)

maximale bestuursrechtelijke financiële sancties van ten minste driemaal het bedrag van de als gevolg van de inbreuk behaalde winsten of vermeden verliezen, indien deze door de relevante autoriteit kunnen worden bepaald, ook al overschrijden die sancties de in de onder f) en g) bedoelde bedragen;

f)

met betrekking tot een natuurlijke persoon, maximale bestuursrechtelijke financiële sancties van ten minste 5 000 000 EUR of, in lidstaten die niet de euro als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op 12 januari 2016;

g)

met betrekking tot een rechtspersoon, maximale bestuursrechtelijke financiële sancties van ten minste:

i)

5 000 000 EUR of, in lidstaten die niet de euro als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op 12 januari 2016, of tot 10 % van de totale jaaromzet van de rechtspersoon volgens de recentste door het leidinggevend orgaan goedgekeurde jaarrekening voor inbreuken op artikel 4;

ii)

15 000 000 EUR of, in lidstaten die niet de euro als munt hebben, de overeenkomstige waarde in de nationale munteenheid op 12 januari 2016, of tot 10 % van de totale jaaromzet van de rechtspersoon volgens de recentste door het leidinggevend orgaan goedgekeurde jaarrekening voor inbreuken op artikel 15.

Voor de toepassing van de eerste alinea, onder g), i) en ii), is, indien de rechtspersoon een moederonderneming is of een dochteronderneming van de moederonderneming die overeenkomstig Richtlijn 2013/34/EU een geconsolideerde jaarrekening moet opstellen, de toepasselijke totale jaaromzet, de totale jaaromzet of de overeenkomstig het toepasselijke kader voor financiële verslaggeving daarmee corresponderende soort inkomsten, volgens het recentste door het leidinggevend orgaan van de uiteindelijke moederonderneming goedgekeurde geconsolideerde rekening.

De lidstaten kunnen bepalen dat de bevoegde autoriteiten nog over andere dan de in dit lid vermelde bevoegdheden kunnen beschikken. Zij kunnen tevens in een breder scala van sancties en hogere sancties voorzien dan die waarin in dit lid is voorzien.

5.   Een inbreuk op artikel 4 heeft geen invloed op de geldigheid van de voorwaarden van een SFT of op de mogelijkheid van de partijen om de voorwaarden van een SFT af te dwingen. Aan een inbreuk op artikel 4 kunnen geen rechten op schadevergoeding worden ontleend ten aanzien van een partij bij een SFT.

6.   De lidstaten kunnen besluiten geen voorschriften inzake bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen als bedoeld in lid 1 vast te stellen indien op de in dat lid bedoelde inbreuken uit hoofde van hun nationale recht reeds vóór 13 januari 2018 strafrechtelijke sancties staan. Indien zij besluiten geen voorschriften inzake bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen vast te stellen, stellen de lidstaten de Commissie en de ESMA in detail van de desbetreffende passages in hun strafrecht in kennis.

7.   Uiterlijk op 13 juli 2017 stellen de lidstaten de Commissie en de ESMA van de regels met betrekking tot de leden 1, 3 en 4 in kennis. Zij stellen de Commissie en de ESMA onverwijld in kennis van alle verdere wijzigingen ervan.

Artikel 23

Vaststelling van bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen

De lidstaten zorgen er voor dat de bevoegde autoriteiten bij het bepalen van het soort en het niveau van de bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen rekening houden met alle relevante omstandigheden, waaronder, indien passend:

a)

de ernst en de duur van de inbreuk;

b)

de mate van verantwoordelijkheid van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon;

c)

de financiële draagkracht van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon, door het in aanmerking nemen van factoren als de totale omzet in het geval van een rechtspersoon of het jaarinkomen in het geval van een natuurlijke persoon;

d)

de omvang van de winsten of verliezen die door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon zijn behaald, respectievelijk vermeden, voor zover deze kunnen worden bepaald;

e)

de mate van samenwerking van de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon met de bevoegde autoriteit, onverminderd de noodzaak om te waarborgen dat die persoon de behaalde winsten of vermeden verliezen terugbetaalt;

f)

eerdere inbreuken door de voor de inbreuk verantwoordelijke persoon.

De bevoegde autoriteiten kunnen bij de vaststelling van de soort en de hoogte van de bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen rekening houden met andere dan de in de eerste alinea bedoelde factoren.

Artikel 24

Melding van inbreuken

1.   De bevoegde autoriteiten voorzien in doeltreffende mechanismen om de melding aan de bevoegde autoriteiten van bestaande of mogelijke inbreuken op de artikelen 4 en 15 mogelijk te maken.

2.   De in lid 1 bedoelde mechanismen omvatten ten minste het volgende:

a)

specifieke procedures voor de ontvangst van meldingen van inbreuken op artikel 4 of artikel 15 en de follow-up daarvan, met inbegrip van het opzetten van beveiligde communicatiekanalen voor het doen van dergelijke meldingen;

b)

passende bescherming voor personen die in het kader van een arbeidsovereenkomst werkzaam zijn en die inbreuken op artikel 4 of artikel 15 melden of die van inbreuken op die artikelen worden beschuldigd, tegen vergelding, discriminatie en andere vormen van onbillijke behandeling;

c)

bescherming van de persoonsgegevens van zowel de persoon die de inbreuk op artikel 4 of artikel 15 meldt als de natuurlijke persoon van wie wordt beweerd dat hij de inbreuk heeft gepleegd, met inbegrip van bescherming in de vorm van geheimhouding van de identiteit van de personen in kwestie, in alle stadia van de procedure, onverminderd een eventuele verplichting krachtens nationale wetgeving om informatie openbaar te maken in het kader van een onderzoek of daaropvolgende gerechtelijke procedures.

3.   Tegenpartijen voorzien in passende interne procedures voor het melden door hun werknemers van inbreuken op de artikelen 4 en 15.

Artikel 25

Uitwisseling van informatie met de ESMA

1.   De bevoegde autoriteiten verstrekken de ESMA jaarlijks geaggregeerde en gedetailleerde informatie over alle bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die zij overeenkomstig artikel 22 hebben opgelegd. De ESMA publiceert de geaggregeerde informatie in een jaarverslag.

2.   Indien de lidstaten hebben besloten strafrechtelijke sancties voor de inbreuken op de in artikel 22 bedoelde bepalingen vast te stellen, verstrekken hun bevoegde autoriteiten de ESMA elk jaar geanonimiseerde en geaggregeerde gegevens over alle verrichte strafrechtelijke onderzoeken en opgelegde strafrechtelijke sancties. De ESMA publiceert gegevens over opgelegde strafrechtelijke sancties in een jaarverslag.

3.   Wanneer de bevoegde autoriteit een bestuursrechtelijke sanctie of andere bestuursrechtelijke maatregel of een strafrechtelijke sanctie openbaar maakt, rapporteert zij deze informatie gelijktijdig aan de ESMA.

4.   De ESMA stelt ontwerpen van technische uitvoeringsnormen op om de procedures en formulieren voor de in de leden 1 en 2 bedoelde informatie-uitwisseling vast te stellen.

De ESMA dient deze ontwerpen van technische uitvoeringsnormen uiterlijk op 13 januari 2017 bij de Commissie in.

De Commissie is bevoegd de in de eerste alinea bedoelde technische uitvoeringsnormen vast te stellen overeenkomstig artikel 15 van Verordening (EU) nr. 1095/2010.

Artikel 26

Bekendmaking van besluiten

1.   Onverminderd het bepaalde in lid 4 van dit artikel, zorgen de lidstaten ervoor dat de bevoegde autoriteiten elk besluit waarbij een bestuursrechtelijke sanctie of andere bestuursrechtelijke maatregel in verband met inbreuken op artikel 4 of artikel 15 wordt opgelegd, op hun website bekendmaken onmiddellijk nadat de persoon op wie het besluit betrekking heeft, daarover is ingelicht.

2.   In de overeenkomstig lid 1 bekendgemaakte informatie worden ten minste de aard en het type van de inbreuk gespecificeerd, alsmede de identiteit van de persoon op wie het besluit betrekking heeft.

3.   De leden 1 en 2 zijn niet van toepassing op besluiten waarbij onderzoeksmaatregelen worden opgelegd.

Indien een bevoegde autoriteit na een per geval verrichte beoordeling de bekendmaking van de identiteit van de rechtspersoon op wie het besluit betrekking heeft, dan wel van de persoonsgegevens van de natuurlijke persoon op wie het besluit betrekking heeft, onevenredig acht, of indien een dergelijke bekendmaking een lopend onderzoek of de stabiliteit van de financiële markten in gevaar zou brengen, doet de bevoegde autoriteit het volgende:

a)

zij stelt de bekendmaking van het besluit uit totdat de redenen voor dat uitstel ophouden te bestaan;

b)

zij maakt het besluit anoniem bekend op een wijze die strookt met de nationale wetgeving indien een dergelijke bekendmaking de doeltreffende bescherming van de persoonsgegevens in kwestie waarborgt, en stelt, indien nodig, de bekendmaking van de desbetreffende gegevens gedurende een redelijke periode uit indien te verwachten valt dat de redenen voor de anonieme bekendmaking in die periode zullen ophouden te bestaan, of

c)

zij maakt het besluit niet bekend indien zij van oordeel is dat bekendmaking in overeenstemming met de punten a) of b) niet zal volstaan om te waarborgen dat:

i)

de stabiliteit van de financiële markten niet in gevaar komt, of

ii)

de bekendmaking van dergelijke besluiten evenredig is, indien het maatregelen betreft die van gering belang worden geacht.

4.   Indien tegen het besluit beroep is ingesteld voor een nationale rechterlijke, bestuurlijke of andere instantie, maken de bevoegde autoriteiten dergelijke informatie onmiddellijk op hun website bekend, alsmede alle latere informatie over de uitkomst van een dergelijk beroep. Elke beslissing tot nietigverklaring van een besluit waartegen beroep is ingesteld, wordt bekendgemaakt.

5.   De bevoegde autoriteiten stellen de ESMA op de hoogte van alle bestuursrechtelijke sancties en andere bestuursrechtelijke maatregelen die zijn opgelegd, maar niet overeenkomstig lid 3, onder c), zijn bekendgemaakt, met inbegrip van elk in dat verband ingesteld beroep en de afloop daarvan. De lidstaten zorgen ervoor dat de bevoegde autoriteiten de informatie en de definitieve uitspraak in verband met een opgelegde strafrechtelijke sanctie ontvangen en deze indienen bij de ESMA. De ESMA houdt, uitsluitend ten behoeve van uitwisseling van informatie tussen bevoegde autoriteiten, een centrale database van de aan haar meegedeelde bestuursrechtelijke sancties, andere bestuursrechtelijke maatregelen en strafrechtelijke sancties bij. Die database is uitsluitend toegankelijk voor bevoegde autoriteiten en wordt bijgewerkt op basis van de door de bevoegde autoriteiten verstrekte informatie.

6.   De bevoegde autoriteiten zorgen ervoor dat elk besluit dat in overeenstemming met dit artikel wordt bekendgemaakt, op hun website toegankelijk blijft gedurende een periode van ten minste vijf jaar na de bekendmaking ervan. Persoonsgegevens die in deze besluiten zijn vervat, worden op de website van de bevoegde autoriteit vermeld gedurende de periode waarvoor dat overeenkomstig de toepasselijke regelgeving betreffende gegevensbescherming noodzakelijk is.

Artikel 27

Recht van beroep

De lidstaten zorgen ervoor dat besluiten en maatregelen die uit hoofde van deze verordening worden genomen, naar behoren worden gemotiveerd en dat daartegen beroep bij een rechtbank openstaat. Het recht om beroep in te stellen bij een rechtbank geldt ook indien zes maanden na indiening van een vergunningaanvraag die alle vereiste gegevens bevat, er geen besluit is genomen.

Artikel 28

Sancties en andere maatregelen voor de toepassing van de artikelen 13 en 14

De overeenkomstig Richtlijn 2009/65/EG en Richtlijn 2011/61/EU vastgestelde sancties en andere maatregelen zijn van toepassing op inbreuken op de artikelen 13 en 14 van deze verordening.

HOOFDSTUK IX

EVALUATIE

Artikel 29

Rapporten en evaluatie

1.   Binnen 36 maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling dient de Commissie, na raadpleging van de ESMA, bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in over de doeltreffendheid, de doelmatigheid en de evenredigheid van de verplichtingen uit hoofde van deze verordening, samen met eventuele passende voorstellen. Dat rapport omvat, in het bijzonder, een overzicht van soortgelijke rapportageverplichtingen in derde landen, rekening houdend met werkzaamheden op internationaal niveau. In dat rapport gaat tevens bijzondere aandacht uit naar de melding van relevante transacties die niet binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen, rekening houdend met belangrijke ontwikkelingen van de marktpraktijken, alsmede naar de mogelijke gevolgen voor de transparantie van effectenfinancieringsverrichtingen.

Met het oog op het in de eerste alinea bedoelde rapport dient de ESMA, binnen 24 maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling, en vervolgens om de drie jaar, of vaker in geval van belangrijke ontwikkelingen van de marktpraktijken, bij het Europees Parlement, de Raad en de Commissie een rapport in over de efficiëntie van de rapportage, rekening houdend met de geschiktheid van eenzijdige rapportage, met name wat betreft de dekking en kwaliteit van de rapportage, en de verlaging van het aantal meldingen aan transactieregisters, alsmede over belangrijke ontwikkelingen van de marktpraktijken, met de nadruk op transacties die een aan een SFT equivalent doel of gevolg hebben.

2.   Na voltooiing van en rekening houdend met de werkzaamheden op internationaal niveau, worden in de in lid 1 bedoelde rapporten tevens significante risico’s vermeld die verband houden met het gebruik van SFT’s door kredietinstellingen en beursgenoteerde ondernemingen, en wordt geanalyseerd in welke mate het passend is dat die entiteiten in hun periodieke rapporten extra informatie openbaar maken.

3.   Uiterlijk op 13 oktober 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in over de vooruitgang die wordt geboekt bij internationale inspanningen om de met SFT’s verbonden risico’s te beperken, met inbegrip van de aanbevelingen van de FSB inzake haircuts op niet-centraal geclearde SFT’s, en over de geschiktheid van die aanbevelingen voor de markten van de Unie. De Commissie doet dat rapport, in voorkomend geval, vergezeld gaan van passende voorstellen.

Met het oog daarop dient de ESMA uiterlijk op 13 oktober 2016, in samenwerking met de EBA en het ESRB en naar behoren rekening houdend met internationale inspanningen, een rapport in bij de Commissie, bij het Europees Parlement en, bij de Raad waarin wordt beoordeeld:

a)

of het gebruik van SFT’s leidt tot de opbouw van aanzienlijke hefboomwerking die buiten het toepassingsgebied van de bestaande regelgeving valt;

b)

in voorkomend geval, wat de mogelijkheden zijn om een dergelijke toename van de hefboomwerking, aan te pakken;

c)

of verdere maatregelen nodig zijn om de procycliciteit van die hefboomwerking te verminderen.

In het rapport van de ESMA worden ook de kwantitatieve effecten van de FSB aanbevelingen besproken.

4.   Binnen 39 maanden na de inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling en binnen zes maanden na de indiening van elk in de tweede alinea van dit lid bedoeld rapport van de ESMA, dient de Commissie, na raadpleging van de ESMA, bij het Europees Parlement en de Raad een rapport in over de toepassing van artikel 11, met name over de vraag of de bij de transactieregisters in rekening gebrachte vergoedingen in verhouding staan tot de omzet van het betrokken transactieregister en beperkt zijn tot het volledig dekken van de uitgaven van de ESMA welke nodig zijn voor de registratie van, de erkenning van en het toezicht op transactieregisters, alsmede voor de terugbetaling van kosten die de bevoegde autoriteiten maken bij het uitvoeren van werkzaamheden uit hoofde van deze verordening, in het bijzonder als gevolg van een delegatie van taken overeenkomstig artikel 9, lid 1.

Met het oog op de in de eerste alinea bedoelde rapporten van de Commissie dient de ESMA, binnen 33 maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling, en vervolgens om de drie jaar, of vaker indien er belangrijke wijzigingen van de vergoedingen worden ingevoerd, bij de Commissie een rapport in over de overeenkomstig deze verordening aan de transactieregisters in rekening gebrachte vergoedingen. In die rapporten wordt ten minste een beschrijving gegeven van de uitgaven van de ESMA welke nodig waren voor de registratie van, de erkenning van en het toezicht op transactieregisters, de kosten die de bevoegde autoriteiten maakten bij het uitvoeren van werkzaamheden uit hoofde van deze verordening, met name als gevolg van een delegatie van taken, en de aan de transactieregisters in rekening gebrachte vergoedingen en de verhouding ervan tot de omzet van de transactieregisters.

5.   De ESMA publiceert, na raadpleging van het ESRB, een jaarverslag over geaggregeerde SFT-volumes uitgesplitst naar soort tegenpartij en transactie op basis van overeenkomstig artikel 4 gerapporteerde gegevens.

HOOFDSTUK X

SLOTBEPALINGEN

Artikel 30

Uitoefening van gedelegeerde bevoegdheden

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 2, lid 4, en artikel 11, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd met ingang van 12 januari 2016.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, lid 4, en artikel 11, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 2, lid 4, of artikel 11, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 31

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij Besluit 2001/528/EG van de Commissie (28) ingestelde Europees Comité voor het effectenbedrijf. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (29).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 32

Wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012

Verordening (EU) nr. 648/2012 wordt als volgt gewijzigd:

1)

In artikel 2 wordt punt 7) vervangen door:

„7)

„otc-derivaat” of „otc-derivatencontract”: een derivatencontract waarvan de uitvoering niet plaatsvindt op een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14), van Richtlijn 2004/39/EG, of op een markt van een derde land die overeenkomstig artikel 2 bis van deze verordening wordt geacht gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt;”.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 2 bis

Gelijkwaardigheidsbesluiten voor de toepassing van de definitie van otc-derivaat

1.   Voor de toepassing van artikel 2, punt 7), van deze verordening, wordt een markt van een derde land geacht gelijkwaardig te zijn aan een gereglementeerde markt in de zin van artikel 4, lid 1, punt 14), van Richtlijn 2004/39/EG mits zij voldoet aan juridisch bindende voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de in titel III van die richtlijn vastgelegde voorschriften en zij in dat derde land doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving is onderworpen, als door de Commissie geconstateerd overeenkomstig de in lid 2 van dit artikel bedoelde procedure.

2.   De Commissie kan uitvoeringshandelingen vaststellen waarbij voor de toepassing van lid 1 wordt geconstateerd dat een markt van een derde land voldoet aan juridisch bindende voorschriften die gelijkwaardig zijn aan de in titel III van Richtlijn 2004/39/EG vastgelegde voorschriften, en in dat derde land doorlopend aan effectief toezicht en effectieve handhaving onderworpen is.

Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 86, lid 2, van deze verordening bedoelde onderzoeksprocedure.

3.   De Commissie en de ESMA maken op hun respectieve websites een lijst bekend van de markten die overeenkomstig de in lid 2 bedoelde uitvoeringshandeling als gelijkwaardig moeten worden beschouwd. Deze lijst wordt periodiek bijgewerkt.”.

3)

In artikel 81 wordt lid 3 vervangen door:

„3.   Een transactieregister stelt de nodige informatie ter beschikking van de volgende entiteiten teneinde hen in staat te stellen hun taken en opdrachten te vervullen:

a)

de ESMA;

b)

de EBA;

c)

de EIOPA;

d)

het ESRB;

e)

de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op CTP’s die toegang hebben tot de transactieregisters;

f)

de bevoegde autoriteit die toezicht houdt op de handelsplatforms van de gerapporteerde contracten;

g)

de relevante leden van het ESCB, met inbegrip van de ECB bij de uitoefening van haar taken in het kader van een gemeenschappelijk toezichtsmechanisme uit hoofde van Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad (30);

h)

de relevante autoriteiten van een derde land dat met de Unie een internationale overeenkomst als bedoeld in artikel 75 heeft gesloten;

i)

toezichthoudende autoriteiten die uit hoofde van artikel 4 van Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad (31) zijn aangewezen;

j)

de relevante effecten- en marktautoriteiten van de Unie wier respectieve taken en opdrachten inzake toezicht betrekking hebben op contracten, markten, deelnemers en onderliggende waarden die binnen het toepassingsgebied van deze verordening vallen;

k)

de relevante autoriteiten van een derde land die met de ESMA een samenwerkingsregeling als bedoeld in artikel 76 hebben gesloten;

l)

het Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulatoren opgericht bij Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad (32);

m)

de afwikkelingsautoriteiten die zijn aangewezen overeenkomstig artikel 3 van Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (33);

n)

de bij Verordening (EU) nr. 806/2014 ingestelde gemeenschappelijke afwikkelingsraad;

o)

bevoegde autoriteiten of nationale bevoegde autoriteiten in de zin van de Verordeningen (EU) nr. 1024/2013 en (EU) nr. 909/2014 en de Richtlijnen 2003/41/EG, 2009/65/EG, 2011/61/EU, 2013/36/EU en 2014/65/EU, en toezichthoudende autoriteiten in de zin van Richtlijn 2009/138/EG;

p)

de overeenkomstig artikel 10, lid 5, van deze verordening aangewezen bevoegde autoriteiten.

(30)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63)."

(31)  Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 12)."

(32)  Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1)."

(33)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).”."

Artikel 33

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Deze verordening is van toepassing met ingang van 12 januari 2016 met uitzondering van:

a)

artikel 4, lid 1, dat van toepassing is:

i)

twaalf maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling, voor financiële tegenpartijen als bedoeld in artikel 3, punt 3, onder a) en b), en entiteiten in derde landen als bedoeld in artikel 3, punt 3, onder i), waarvoor een vergunning of registratie nodig is overeenkomstig de in artikel 3, punt 3, onder a) en b), bedoelde wetgeving indien zij in de Unie waren gevestigd;

ii)

15 maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling, voor financiële tegenpartijen als bedoeld in artikel 3, punt 3, onder g) en h), en entiteiten in derde landen als bedoeld in artikel 3, punt 3, onder i), waarvoor een vergunning of registratie nodig is overeenkomstig de in artikel 3, punt 3, onder g) en h), bedoelde wetgeving indien zij in de Unie waren gevestigd;

iii)

18 maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling, voor financiële tegenpartijen als bedoeld in artikel 3, punt 3, onder c) tot en met f), en entiteiten in derde landen als bedoeld in artikel 3, punt 3), onder i), waarvoor een vergunning of registratie nodig is overeenkomstig de in artikel 3, punt 3, onder c) tot en met f), bedoelde wetgeving indien zij in de Unie waren gevestigd, en

iv)

21 maanden na de datum van inwerkingtreding van de door de Commissie overeenkomstig artikel 4, lid 9, vastgestelde gedelegeerde handeling, voor niet-financiële tegenpartijen;

b)

artikel 13, dat met ingang van 13 januari 2017 van toepassing is;

c)

artikel 14, dat met ingang van 13 juli 2017 van toepassing is in geval van onder Richtlijn 2009/65/EG of Richtlijn 2011/61/EU vallende instellingen voor collectieve belegging die vóór 12 januari 2016 zijn opgericht;

d)

artikel 15, dat met ingang van 13 juli 2016 van toepassing is, ook voor op die datum bestaande zekerheidsovereenkomsten.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 25 november 2015.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

N. SCHMIT


(1)  PB C 336 van 26.9.2014, blz. 5.

(2)  PB C 451 van 16.12.2014, blz. 59.

(3)  PB C 271 van 19.8.2014, blz. 87.

(4)  Standpunt van het Europees Parlement van 29 oktober 2015 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 16 november 2015.

(5)  Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).

(6)  Verordening (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 4 juli 2012 betreffende otc-derivaten, centrale tegenpartijen en transactieregisters (PB L 201 van 27.7.2012, blz. 1).

(7)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(8)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(9)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(10)  Verordening (EU) nr. 1024/2013 van de Raad van 15 oktober 2013 waarbij aan de Europese Centrale Bank specifieke taken worden opgedragen betreffende het beleid inzake het prudentieel toezicht op kredietinstellingen (PB L 287 van 29.10.2013, blz. 63).

(11)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe’s) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(12)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).

(13)  Richtlijn 2002/47/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 juni 2002 betreffende financiëlezekerheidsovereenkomsten (PB L 168 van 27.6.2002, blz. 43).

(14)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(15)  PB C 328 van 20.9.2014, blz. 3.

(16)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(17)  Richtlijn 2014/65/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende markten voor financiële instrumenten en tot wijziging van Richtlijn 2002/92/EG en Richtlijn 2011/61/EU (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 349).

(18)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(19)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(20)  Richtlijn 2003/41/EG van het Europees Parlement en de Raad van 3 juni 2003 betreffende de werkzaamheden van en het toezicht op instellingen voor bedrijfspensioenvoorziening (PB L 235 van 23.9.2003, blz. 10).

(21)  Verordening (EU) nr. 909/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende de verbetering van de effectenafwikkeling in de Europese Unie, betreffende centrale effectenbewaarinstellingen en tot wijziging van Richtlijnen 98/26/EG en 2014/65/EU en Verordening (EU) nr. 236/2012 (PB L 257 van 28.8.2014, blz. 1).

(22)  Verordening (EG) nr. 1287/2006 van de Commissie van 10 augustus 2006 tot uitvoering van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad wat de voor beleggingsondernemingen geldende verplichtingen betreffende het bijhouden van gegevens, het melden van transacties, de markttransparantie, de toelating van financiële instrumenten tot de handel en de definitie van begrippen voor de toepassing van genoemde richtlijn betreft (PB L 241 van 2.9.2006, blz. 1).

(23)  Richtlijn 2013/34/EU van het Europees Parlement en van de Raad van 26 juni 2013 betreffende de jaarlijkse financiële overzichten, geconsolideerde financiële overzichten en aanverwante verslagen van bepaalde ondernemingsvormen, tot wijziging van Richtlijn 2006/43/EG van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijnen 78/660/EEG en 83/349/EEG van de Raad (PB L 182 van 29.6.2013, blz. 19).

(24)  Richtlijn 2004/25/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende het openbaar overnamebod (PB L 142 van 30.4.2004, blz. 12).

(25)  Verordening (EG) nr. 713/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot oprichting van een Agentschap voor de samenwerking tussen energieregulators (PB L 211 van 14.8.2009, blz. 1).

(26)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU en de Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012, van het Europees Parlement en de Raad (PB L 173 van 12.6.2014, blz. 190).

(27)  Verordening (EU) nr. 806/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 juli 2014 tot vaststelling van eenvormige regels en een eenvormige procedure voor de afwikkeling van kredietinstellingen en bepaalde beleggingsondernemingen in het kader van een gemeenschappelijk afwikkelingsmechanisme en een gemeenschappelijk afwikkelingsinstelling voor collectieve belegging en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 1093/2010 (PB L 225 van 30.7.2014, blz. 1).

(28)  Besluit 2001/528/EG van de Commissie van 6 juni 2001 tot instelling van het Europees Comité voor het effectenbedrijf (PB L 191 van 13.7.2001, blz. 45).

(29)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).


BIJLAGE

Deel A —   Informatie die moet worden verstrekt in de halfjaar- en jaarverslagen van de icbe’s en de jaarverslagen van de abi’s

Algemene gegevens:

het bedrag van de uitgeleende effecten en grondstoffen als een deel van de totale uitleenbare activa waarbij kasmiddelen en gelijkwaardige posten niet worden meegerekend;

het bedrag van de activa die zijn betrokken bij de verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps uitgedrukt als een absoluut bedrag (in de valuta van de instelling voor collectieve belegging) en als een deel van het beheerd vermogen van de instelling voor collectieve belegging.

Concentratiegegevens:

de tien grootste emittenten van zekerheden van alle SFT’s en totale-opbrengstenswaps (uitgesplitst naar bedragen van de als zekerheid gestelde effecten en grondstoffen die zijn ontvangen, volgens naam van de emittent);

de tien meest voorkomende tegenpartijen voor de verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps afzonderlijk (naam van de tegenpartij en brutobedrag van de nog lopende transacties).

Geaggregeerde transactiegegevens voor de verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps afzonderlijk, uit te splitsen naar de onderstaande categorieën:

soort zekerheden en kwaliteit van de zekerheden;

looptijdprofiel van de zekerheden uitgesplitst naar de volgende looptijdsegmenten: minder dan één dag, één dag tot één week, één week tot één maand, één maand tot drie maanden, drie maanden tot één jaar, meer dan één jaar, open looptijd;

valuta van de zekerheden;

looptijdprofiel van de SFT’s en totale-opbrengstenswaps uitgesplitst naar de volgende looptijdsegmenten: minder dan één dag, één dag tot één week, één week tot één maand, één maand tot drie maanden, drie maanden tot één jaar, meer dan één jaar, open transacties;

land waar de tegenpartijen zijn gevestigd;

afwikkeling en clearing (bv. tripartiet, centrale tegenpartij, bilateraal).

Gegevens over hergebruik van zekerheden:

deel van de ontvangen zekerheden dat wordt hergebruikt, vergeleken met het maximumbedrag dat in het prospectus of in de beleggersinformatie wordt vermeld;

rendement voor de instelling voor collectieve belegging van de herbelegging van zekerheden in de vorm van contanten.

Bewaring van in het kader van SFT’s en totale-opbrengstenswaps door de instelling voor collectieve belegging ontvangen zekerheden:

Aantal bewaarders, hun namen en het bedrag van de door elke bewaarder in bewaring genomen tot zekerheid strekkende activa.

Bewaring van in het kader van SFT’s en totale-opbrengstenswaps door de instelling voor collectieve belegging verstrekte zekerheden:

Het deel van zekerheden die worden gehouden op gescheiden rekeningen of op gezamenlijke rekeningen, of op andere rekeningen aangehouden zekerheden.

Gegevens over het rendement en de kosten voor de verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps uitgesplitst tussen de instellingen voor collectieve belegging, de beheerder van de instelling voor collectieve belegging en derden (bv. de agent-uitlener) in absolute cijfers en als percentage van het totale rendement van die soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps.

Deel B —   Informatie die moet worden opgenomen in het prospectus van icbe’s en beleggersinformatie van abi’s

Algemene beschrijving van de SFT’s en totale-opbrengstenswaps die door de instelling voor collectieve belegging worden gebruikt en de reden voor het gebruik ervan.

Algemene gegevens die voor de verschillende soorten SFT’s en totale-opbrengstenswaps moeten worden gerapporteerd:

soorten activa die daarbij betrokken kunnen zijn;

maximumpercentage van de beheerde activa dat daarbij betrokken kan zijn;

verwacht gedeelte van de beheerde activa dat daarbij betrokken zal zijn.

Gebruikte criteria voor het selecteren van tegenpartijen (daaronder begrepen juridische status, land van oorsprong, minimumrating).

Aanvaardbare zekerheden: beschrijving van de aanvaardbare zekerheden wat betreft soorten activa, emittent, looptijd, liquiditeit alsmede van het beleid met betrekking tot de diversificatie van zekerheden en het correlatiebeleid.

Waardering van zekerheden: beschrijving van de gebruikte methode voor de waardering van zekerheden en de reden voor het gebruik ervan, en vermelding of dagelijkse waardering tegen marktwaarde en dagelijkse variatiemarges worden gebruikt.

Risicobeheer: beschrijving van de risico’s die verbonden zijn aan de SFT’s en totale-opbrengstenswaps, de risico’s die verbonden zijn aan het beheer van zekerheden, zoals operationele, liquiditeits-, tegenpartij-, bewarings- en juridische risico’s, en, voor zover van toepassing, de risico’s die voortvloeien uit hergebruik ervan.

Specificatie van de wijze waarop voor SFT’s en totale-opbrengstenswaps gebruikte activa en ontvangen zekerheden worden bewaard (bv. bij de bewaarnemer van de instelling).

Specificatie van eventuele (reglementaire of zelf opgelegde) beperkingen op het hergebruik van zekerheden.

Beleid inzake de verdeling van het rendement van SFT’s en totale-opbrengstenswaps: beschrijving van het percentage van de door SFT’s en totale-opbrengstenswaps gegenereerde inkomsten dat teruggaat naar de instelling voor collectieve belegging, en van de aan de beheerder of derden (bv. de agent-uitlener) toegewezen kosten en vergoedingen. In het prospectus of de beleggersinformatie wordt tevens vermeld of deze derden met de beheerder zijn gelieerd.


Top