EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015R0499

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/499 van de Commissie van 24 maart 2015 tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de procedures voor goedkeuring door de toezichthoudende autoriteit van het gebruik van aanvullendvermogensbestanddelen overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad Voor de EER relevante tekst

OJ L 79, 25.3.2015, p. 12–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/499/oj

25.3.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 79/12


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/499 VAN DE COMMISSIE

van 24 maart 2015

tot vaststelling van technische uitvoeringsnormen met betrekking tot de procedures voor goedkeuring door de toezichthoudende autoriteit van het gebruik van aanvullendvermogensbestanddelen overeenkomstig Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (1), en met name artikel 92, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verzekerings- en herverzekeringsondernemingen dienen hun aanvragen tot goedkeuring van aanvullendvermogensbestanddelen op een prudente en realistische basis op te stellen.

(2)

De aanvraag tot goedkeuring van een aanvullendvermogensbestanddeel vormt een strategische beslissing om redenen van risicobeheer en vermogensplanning. Omdat het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan op grond van artikel 40 van Richtlijn 2009/138/EG de eindverantwoordelijkheid voor de naleving draagt, dient zijn betrokkenheid bij de besluitvorming over de aanvraag zorgvuldig in aanmerking te worden genomen.

(3)

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient alle relevante feiten te vermelden die de toezichthoudende autoriteit voor een beoordeling nodig heeft, met inbegrip van een door de onderneming verrichte evaluatie van de wijze waarop het bestanddeel aan de criteria voor een aanvullendvermogensbestanddeel en, bij opvraging, aan de criteria voor de indeling ervan als kernvermogensbestanddeel voldoet, zodat de toezichthoudende autoriteit tijdig een besluit kan nemen op basis van passende bewijsstukken.

(4)

De informatie die door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming in haar aanvraag moet worden opgenomen, dient te worden gespecificeerd zodat de toezichthoudende autoriteit over een consistente basis voor haar besluiten beschikt.

(5)

Wegens de onderlinge samenhang tussen de verschillende goedkeuringsaanvragen op grond van Richtlijn 2009/138/EG dient de verzekerings- of herverzekeringsonderneming, wanneer zij een aanvraag tot goedkeuring van een aanvullendvermogensbestanddeel indient, de toezichthoudende autoriteit in kennis te stellen van andere aanvragen met betrekking tot de in artikel 308 bis, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG genoemde elementen, die in behandeling zijn of in de eerstkomende zes maanden zijn voorgenomen. Een dergelijk vereiste is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de beoordelingen door de toezichthoudende autoriteit gebaseerd zijn op transparante en objectieve informatie.

(6)

De mogelijkheid voor toezichthoudende autoriteiten en verzekerings- en herverzekeringsondernemingen om de status van een groep van tegenpartijen te beoordelen door deze als één tegenpartij te beschouwen, wordt met name relevant geacht wanneer een onderlinge waarborgmaatschappij of onderlinge verzekeringsonderneming een groot aantal homogene leden heeft die geen vennootschappen zijn en waarvan bijkomende bijdragen kunnen worden gevraagd.

(7)

De procedure voor de goedkeuring van aanvullend eigen vermogen voorziet in voortdurende communicatie tussen de toezichthoudende autoriteiten en de verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Dit houdt in dat er communicatie plaatsvindt zowel vóórdat een formele aanvraag bij de toezichthoudende autoriteit is ingediend als nadat een aanvraag is goedgekeurd, door middel van het toezichtsproces. Een dergelijke voortdurende communicatie is noodzakelijk om ervoor te zorgen dat de beoordelingen door de toezichthoudende autoriteit gebaseerd zijn op relevante en actuele informatie.

(8)

Wanneer de toezichthoudende autoriteit door een verzekerings- of herverzekeringsonderneming in kennis wordt gesteld van het feit dat het vermogen van een goedgekeurd aanvullendvermogensbestanddeel om verliezen te compenseren is afgenomen, dient de toezichthoudende autoriteit het goedgekeurde bedrag neerwaarts te herzien of haar goedkeuring van de methode in te trekken om ervoor te zorgen dat dit gereduceerde vermogen om verliezen te compenseren, wordt weerspiegeld.

(9)

Een groep van verzekerings- of herverzekeringsondernemingen mag, op grond van artikel 226 van Richtlijn 2009/138/EG, goedkeuring aanvragen voor een aanvullendvermogensbestanddeel ten aanzien van een verzekeringstussenholding of een gemengde financiële holding. In dat geval dienen de verzekeringstussenholding of de gemengde financiële holding aan dezelfde regels te zijn onderworpen als die welke van toepassing zijn op verzekerings- of herverzekeringsondernemingen. Hetzelfde moet gelden wanneer een verzekeringsholding of een gemengde financiële holding aan het hoofd van een groep staat overeenkomstig artikel 235 van Richtlijn 2009/138/EG.

(10)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen die de Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen bij de Commissie heeft ingediend.

(11)

De Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen heeft openbare raadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische uitvoeringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, heeft de mogelijke kosten en baten ervan geanalyseerd en heeft de bij artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad opgerichte Stakeholdergroep verzekeringen en herverzekeringen om advies gevraagd (2).

(12)

Ter bevordering van de rechtszekerheid omtrent het toezichtkader gedurende de in artikel 308 bis van Richtlijn 2009/138/EG bedoelde periode van gefaseerde invoering, welke op 1 april 2015 zal aanvangen, is het van belang ervoor te zorgen dat deze verordening zo spoedig mogelijk in werking treedt, namelijk op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Algemene kenmerken van de aanvraag

1.   Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient voor elk aanvullendvermogensbestanddeel een schriftelijke goedkeuringsaanvraag in bij de toezichthoudende autoriteit.

2.   De aanvraag wordt ingediend in een van de officiële talen van de lidstaat waar de verzekerings- of herverzekeringsonderneming haar hoofdkantoor heeft, of in een taal die met de toezichthoudende autoriteit is overeengekomen.

3.   De aanvraag bestaat uit een begeleidende brief en bewijsstukken.

Artikel 2

Begeleidende brief

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming dient een begeleidende brief in. In die begeleidende brief wordt bevestigd dat:

a)

alle wettelijke of contractuele voorwaarden inzake het aanvullendvermogensbestanddeel of eventuele daarmee verbonden regelingen ondubbelzinnig en duidelijk zijn omschreven;

b)

het in de aanvraag aan het aanvullendvermogensbestanddeel toegewezen bedrag in overeenstemming is met artikel 90, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG;

c)

de economische kenmerken van het aanvullendvermogensbestanddeel, met inbegrip van de wijze waarop het bestanddeel in kernvermogen wordt omgezet wanneer het is opgevraagd, volledig in de aanvraag zijn terug te vinden;

d)

rekening houdend met mogelijke toekomstige ontwikkelingen evenals met de omstandigheden op de datum van de aanvraag, de verzekerings- of herverzekeringsonderneming van mening is dat het aanvullendvermogensbestanddeel voldoet aan de criteria voor de indeling van het eigen vermogen;

e)

geen feiten zijn weggelaten die, indien zij de toezichthoudende autoriteit bekend waren, van invloed zouden kunnen zijn op haar besluit met betrekking tot de goedkeuring van een aanvullendvermogensbestanddeel, het bedrag waarvoor de goedkeuring van een bestanddeel wordt verleend, of het tijdvak waarvoor de goedkeuring van een berekeningsmethode van toepassing is.

De begeleidende brief noemt tevens de andere goedkeuringsaanvragen met betrekking tot de in artikel 308 bis, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG genoemde elementen welke door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zijn ingediend of waarvan de indiening binnen de eerstvolgende zes maanden is voorgenomen, steeds met vermelding van de datum waarop de aanvraag is ingediend.

Artikel 3

Bewijsstukken met betrekking tot het bedrag of de methode

In de door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ingediende aanvraag wordt verzocht om goedkeuring van een bepaald geldbedrag voor een aanvullendvermogensbestanddeel of van een methode ter bepaling van het bedrag van het aanvullendvermogensbestanddeel.

Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming om goedkeuring van een bepaald geldbedrag verzoekt, omvat de aanvraag een toelichting op de berekening van dit bedrag, gebaseerd op prudente en realistische aannames overeenkomstig artikel 90, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG.

Wanneer de verzekerings- of herverzekeringsonderneming om goedkeuring van een berekeningsmethode verzoekt, verstrekt zij de volgende informatie:

a)

een toelichting op de methode en de wijze waarop deze methode het vermogen van het aanvullendvermogensbestanddeel om verliezen te compenseren, weerspiegelt;

b)

een beschrijving van de aannames waarop de methode berust en in hoeverre deze aannames prudent en realistisch zijn;

c)

het verwachte initiële bedrag van het bestanddeel dat volgens de methode is berekend en een motivering van dat bedrag;

d)

een toelichting op de valideringsprocessen die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ten uitvoer zal leggen om ervoor te zorgen dat de resultaten van de methode steeds het vermogen van het bestanddeel om verliezen te compenseren, weerspiegelen.

Artikel 4

Bewijsstukken met betrekking tot de goedkeuringscriteria

Het bewijsmateriaal bevat voldoende informatie om de toezichthoudende autoriteit in staat te stellen te beoordelen of de aanvraag voldoet aan de criteria die zijn vastgesteld in artikel 90 van Richtlijn 2009/138/EG en de artikelen 62 tot en met 65 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie (3). Het bevat ten minste de informatie die in de tweede tot en met de zevende alinea van dit artikel wordt beschreven.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming verstrekt informatie over de aard van het aanvullendvermogensbestanddeel en het vermogen van het kernvermogensbestanddeel waarin het aanvullendvermogensbestanddeel bij opvraging wordt omgezet om verliezen te compenseren, met inbegrip van:

a)

de wettelijke of contractuele voorwaarden van het bestanddeel, tezamen met de voorwaarden van eventuele daarmee verbonden regelingen, en stukken waaruit blijkt dat de tegenpartij de overeenkomst en eventuele daarmee verbonden regelingen heeft gesloten of zal sluiten;

b)

op een juridisch advies gebaseerde bewijsstukken die aantonen dat de overeenkomst en eventuele daarmee verbonden regelingen juridisch bindend en afdwingbaar zijn in alle relevante rechtsgebieden;

c)

de periode waarin de overeenkomst van kracht is en, indien verschillend, de periode gedurende welke de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het bestanddeel mag opvragen;

d)

bevestiging dat het aanvullendvermogensbestanddeel, zodra het is opgevraagd en gestort, alle kenmerken bezit van een kernvermogensbestanddeel ingedeeld in Tier 1 overeenkomstig artikel 71 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35, of alle kenmerken bezit van een kernvermogensbestanddeel ingedeeld in Tier 2 overeenkomstig artikel 73 van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35;

e)

bevestiging dat de contractuele voorwaarden van het bestanddeel geen enkele bepaling bevatten die de verzekerings- of herverzekeringsonderneming ervan zou kunnen weerhouden het bestanddeel op te vragen om verliezen te compenseren of die de opvraagbaarheid op verzoek van het bestanddeel zou kunnen bemoeilijken;

f)

bevestiging dat het aanvullendvermogensbestanddeel of de voordelen ervan alleen beschikbaar zijn voor de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en niet aan enige andere partij kunnen worden overgedragen of toegewezen of anderszins kunnen worden bezwaard;

g)

eventuele factoren die de omstandigheden beperken waaronder de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het bestanddeel zou willen opvragen, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, spanningen die eigen zijn aan de verzekerings- en herverzekeringsonderneming of marktspanningen in ruimere zin;

h)

of de verzekerings- of herverzekeringsonderneming thans of in de toekomst moet voldoen aan een verplichting, verwachting of afspraak om middelen te betalen of een ander voordeel aan de tegenpartij of een derde toe te kennen in verband met het bestanddeel, behalve in het geval van een terugbetaling van een kernvermogensbestanddeel dat de in artikel 71, lid 1, onder h), en artikel 73, lid 1, onder d), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 genoemde kenmerken bezit;

i)

een afschrift van het plan inzake vermogensbeheer op middellange termijn, met vermelding van de bijdrage die het bestanddeel aan de bestaande vermogensstructuur van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming zal leveren, en van de wijze waarop het bestanddeel de verzekerings- of herverzekeringsonderneming in staat kan stellen te voldoen aan bestaande of toekomstige kapitaalvereisten.

Tenzij artikel 63, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van toepassing is en de status van de groep van tegenpartijen kan worden beoordeeld door deze als één tegenpartij te beschouwen, verstrekt de verzekerings- of herverzekeringsonderneming informatie over de status van elke tegenpartij, met vermelding van onder meer:

a)

de naam en een beschrijving van elke tegenpartij, met inbegrip van de aard van de eventuele betrekkingen tussen de verzekerings- of herverzekeringsonderneming en de tegenpartij;

b)

een beoordeling van het wanbetalingsrisico van de tegenpartijen ten behoeve van de beoordeling door de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 63, lid 2, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35;

c)

een beoordeling van de liquiditeitspositie van de tegenpartijen ten behoeve van de beoordeling door de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 63, lid 3, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35;

d)

een beoordeling van de bereidheid van de tegenpartijen om te betalen ten behoeve van de beoordeling door de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 63, lid 4, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35;

e)

een beschrijving van de omstandigheden waaronder de verzekerings- of herverzekeringsonderneming het bestanddeel wellicht zou willen opvragen, met inbegrip van de huidige verwachtingen omtrent het tijdstip waarop het bestanddeel zou kunnen worden opgevraagd voorafgaand aan of op het moment van niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste of het minimumkapitaalvereiste;

f)

informatie over eventuele andere factoren die van belang zijn voor de status van de tegenpartijen ten behoeve van de beoordeling door de toezichthoudende autoriteit als bedoeld in artikel 63, lid 5, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35.

Wanneer de tegenpartijen als een groep van tegenpartijen worden behandeld in overeenstemming met artikel 63, lid 6, van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35, wordt de in de punten a) tot en met f) van de derde alinea bedoelde informatie verstrekt met betrekking tot de groep van tegenpartijen.

Wanneer de tegenpartij lid is van dezelfde groep of subgroep als de verzekerings- of herverzekeringsonderneming op grond van artikel 213 van Richtlijn 2009/138/EG en uit hoofde van aanvullendvermogensbestanddelen verbintenissen heeft jegens verschillende entiteiten van de groep, bevat de informatie als bedoeld in de punten b) tot en met f) van de derde alinea gegevens waaruit het vermogen van de tegenpartij blijkt om te voldoen aan meerdere gelijktijdige opvragingen van aanvullendvermogensbestanddelen, rekening houdend met de omstandigheden en de entiteiten van de groep.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming verstrekt informatie over de invorderbaarheid van de middelen, met inbegrip van:

a)

nadere bijzonderheden over regelingen die de invorderbaarheid van het bestanddeel zouden kunnen vergroten, waaronder de beschikbaarheid van zakelijke zekerheden;

b)

nadere bijzonderheden over de vraag of de nationale wetgeving, ongeacht het relevante rechtsgebied, verhindert dat een opvraging wordt gedaan of gehonoreerd, ook in geval van afwikkelings-, vereffenings- of insolventieprocedures ten aanzien van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming;

c)

nadere bijzonderheden over regelingen of omstandigheden die zouden kunnen verhinderen dat een opvraging wordt gedaan of gehonoreerd in een verslechterende financiële toestand, met inbegrip van niet-naleving van het solvabiliteitskapitaalvereiste of het minimumkapitaalvereiste.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming verstrekt informatie over eerdere opvragingen, met inbegrip van:

a)

informatie over haar ervaring met eerdere opvragingen of de inning van andere middelen van dezelfde of soortgelijke tegenpartijen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden;

b)

alle relevante beschikbare marktgegevens over haar ervaring met eerdere opvragingen of de inning van andere middelen van dezelfde of soortgelijke tegenpartijen onder dezelfde of soortgelijke omstandigheden;

c)

een beoordeling van de relevantie en betrouwbaarheid van de informatie als bedoeld in punten a) en b) wat betreft de verwachte afloop van toekomstige opvragingen door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming geeft een beschrijving van de procedures waarover zij beschikt om toekomstige veranderingen te identificeren als bedoeld in artikel 62, lid 1, onder d), van Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35, die kunnen leiden tot een beperking van het vermogen van het aanvullendvermogensbestanddeel om verliezen te compenseren. Hierin wordt onder meer toegelicht:

a)

hoe zij voornemens is veranderingen te identificeren in:

i)

de structuur of contractuele voorwaarden van de regeling, met inbegrip van de annulering of beëindiging van een aanvullendvermogensbestanddeel dan wel het gebruik of de opvraging, geheel of gedeeltelijk, van een aanvullendvermogensbestanddeel;

ii)

de status van de betrokken tegenpartijen, met inbegrip van wanbetaling door een tegenpartij;

iii)

de invorderbaarheid van het aanvullendvermogensbestanddeel, met inbegrip van opvragingen van andere aanvullendvermogensbestanddelen die door dezelfde tegenpartij zijn verstrekt;

b)

hoe zij voornemens is de toezichthoudende autoriteit in kennis te stellen van geïdentificeerde veranderingen, waarbij zij tevens aangeeft welke mechanismen zij heeft vastgesteld om te bepalen wanneer de verandering moet worden meegedeeld aan het bestuurlijk, beleidsbepalend of toezichthoudend orgaan van de onderneming en aan de toezichthoudende autoriteit.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming voegt bewijsstukken toe van haar interne besluitvormingsproces met betrekking tot de aanvraag.

Artikel 5

Beoordeling van de aanvraag

De toezichthoudende autoriteit bevestigt de ontvangst van de aanvraag van de verzekerings- of herverzekeringsonderneming.

Een aanvraag wordt door de toezichthoudende autoriteit als volledig beschouwd indien hij alle in de artikelen 2, 3 en 4 genoemde elementen bevat.

De toezichthoudende autoriteit bevestigt tijdig, en uiterlijk 30 dagen na de datum van ontvangst, of zij de aanvraag als volledig beschouwt.

De toezichthoudende autoriteit ziet erop toe dat de termijn waarbinnen zij een besluit over een aanvraag neemt, redelijk is en niet meer bedraagt dan drie maanden vanaf de ontvangst van een volledige aanvraag, tenzij er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden die tijdig schriftelijk aan de verzekerings- of herverzekeringsonderneming worden meegedeeld.

Wanneer er sprake is van uitzonderlijke omstandigheden neemt de toezichthoudende autoriteit uiterlijk binnen zes maanden na de ontvangst van een volledige aanvraag, daarover een besluit.

Wanneer de toezichthoudende autoriteit een aanvraag als volledig heeft aangemerkt, belet dit haar niet om om aanvullende informatie te verzoeken die zij voor haar beoordeling nodig heeft. In dit verzoek worden de gevraagde aanvullende informatie en de redenen voor het verzoek gespecificeerd. De dagen tussen de datum waarop de toezichthoudende autoriteit om dergelijke informatie verzoekt en de datum waarop zij de informatie ontvangt, worden niet meegeteld in de in de vierde en vijfde alinea genoemde termijnen.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming stelt de toezichthoudende autoriteit in kennis van eventuele wijzigingen van de in de aanvraag opgenomen gegevens.

Wanneer een verzekerings- of herverzekeringsonderneming de toezichthoudende autoriteit in kennis stelt van een wijziging van haar aanvraag, wordt die aanvraag als een nieuwe aanvraag beschouwd, tenzij:

a)

de wijziging is aangebracht naar aanleiding van een verzoek van de toezichthoudende autoriteit om aanvullende informatie, of

b)

de toezichthoudende autoriteit ervan overtuigd is dat de wijziging geen significante invloed heeft op haar beoordeling van de aanvraag.

Een verzekerings- of herverzekeringsonderneming kan een aanvraag op elk moment schriftelijk intrekken, zolang de toezichthoudende autoriteit nog geen besluit over de aanvraag heeft genomen. Indien de verzekerings- of herverzekeringsonderneming de aanvraag vervolgens opnieuw indient of een geactualiseerde aanvraag voorlegt, behandelt de toezichthoudende autoriteit deze als een nieuwe aanvraag.

Artikel 6

Besluit over de aanvraag

Wanneer de toezichthoudende autoriteit een besluit over een aanvraag heeft genomen, stelt zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming hiervan onverwijld schriftelijk in kennis.

Wanneer de toezichthoudende autoriteit een lager bedrag goedkeurt dan door de verzekerings- of herverzekeringsonderneming is aangevraagd of wanneer zij een goedkeuringsaanvraag afwijst, vermeldt zij de redenen van haar besluit.

Wanneer door de toezichthoudende autoriteiten goedkeuring is verleend op voorwaarde dat de overeenkomst wordt gesloten, gaat de verzekerings- of herverzekeringsonderneming onverwijld over tot het sluiten van de overeenkomst onder de voorwaarden waarop de goedkeuring was gebaseerd, en verstrekt zij een kopie van de ondertekende overeenkomst aan de toezichthoudende autoriteit.

De verzekerings- of herverzekeringsonderneming beschouwt het aanvullendvermogensbestanddeel of de methode niet als toelaatbaar voordat de overeenkomst is gesloten.

Artikel 7

Herziening van het goedgekeurde bedrag of intrekking van de goedkeuring van de methode

1.   Wanneer een aanvullendvermogensbestanddeel niet langer voldoet aan de voorwaarden waaronder een bedrag of berekeningsmethode was goedgekeurd, besluit de toezichthoudende autoriteit een van de volgende maatregelen te nemen:

a)

zij verlaagt het bedrag van het aanvullendvermogensbestanddeel of reduceert het tot nul;

b)

zij trekt de goedkeuring van de berekeningsmethode in.

2.   Wanneer de toezichthoudende autoriteit een besluit heeft genomen overeenkomstig lid 1, stelt zij de verzekerings- of herverzekeringsonderneming daarvan onverwijld in kennis, met opgave van redenen.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 24 maart 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.

(2)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(3)  Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/35 van de Commissie van 10 oktober 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 12 van 17.1.2015, blz. 1).


Top