EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015R0171

Uitvoeringsverordening (EU) 2015/171 van de Commissie van 4 februari 2015 betreffende bepaalde aspecten van de procedure voor de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen Voor de EER relevante tekst

OJ L 29, 5.2.2015, p. 3–10 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_impl/2015/171/oj

5.2.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 29/3


UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/171 VAN DE COMMISSIE

van 4 februari 2015

betreffende bepaalde aspecten van de procedure voor de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2012/34/EU van het Europees Parlement en de Raad van 21 november 2012 tot instelling van één Europese spoorwegruimte (1), en met name artikel 17, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In de aanbeveling van de Commissie van 7 april 2004 inzake het gebruik van een gemeenschappelijk Europees formaat voor vergunningsdocumenten afgegeven in overeenstemming met Richtlijn 95/18/EG van de Raad betreffende de verlening van vergunningen aan spoorwegondernemingen (2) werd ervoor gepleit een standaardformaat te ontwikkelen voor de vergunningsdocumenten die door de nationale vergunningverlenende autoriteiten worden afgegeven.

(2)

Op grond van artikel 23 van Richtlijn 2012/34/EU gelden door vergunningverlenende autoriteiten afgegeven vergunningen voor het hele grondgebied van de Unie. De nationale vergunningverlenende autoriteiten dienen het Europees Spoorwegbureau in kennis te stellen van de vergunningen die zij hebben afgegeven, geschorst, ingetrokken of gewijzigd, waarna die informatie door het Bureau aan de lidstaten wordt meegedeeld. Een gemeenschappelijk model voor de vergunning zou het werk van de nationale vergunningverlenende autoriteiten en het Europees Spoorwegbureau vergemakkelijken en de informatie over vergunningen beter toegankelijk maken voor alle belanghebbenden, met name de vergunningverlenende autoriteiten van andere lidstaten en de infrastructuurbeheerders.

(3)

Alle nodige informatie die bevestigt dat een spoorwegonderneming over een geldige vergunning beschikt voor een bepaald type spoorvervoerdiensten kan in een standaarddocument worden opgenomen. Een modelvergunning zou de publicatie van alle relevante informatie over vergunningen op de website van het Europees Spoorwegbureau vergemakkelijken. Het standaardformaat kan in de toekomst worden gewijzigd op basis van de ervaring met het gebruik ervan en eventuele nieuwe behoeften aan nadere informatie over vergunningen.

(4)

De eisen inzake de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 22 van Richtlijn 2012/34/EU waaraan moet worden voldaan, zijn vastgesteld in de nationale wetgeving en verschillen van lidstaat tot lidstaat. Door middel van een bijlage bij het vergunningsdocument moet worden gestaafd dat de spoorwegonderneming aan de nationale eisen voldoet. Daartoe moet het standaardmodel voor die bijlage worden gebruikt. Indien de spoorwegonderneming activiteiten in twee of meer lidstaten wenst uit te oefenen, moet de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid voor elk van die lidstaten worden vermeld in een extra bijlage, die wordt afgegeven door de vergunningverlenende autoriteit van de andere lidstaten waar de spoorwegonderneming treinen wenst te exploiteren.

(5)

Vergunningverlenende autoriteiten kunnen hun administratieve kosten, vergunningstarieven en de termijn waarbinnen een beslissing over een vergunningsaanvraag wordt genomen, reduceren indien zij snel de nodige gegevens uitwisselen met andere autoriteiten en andere publieke of private entiteiten.

(6)

Door de geringe beweging op de markt worden in sommige lidstaten gedurende één of meerdere opeenvolgende jaren geen vergunningsbesluiten genomen. Hoge tarieven kunnen tegelijk een belemmering vormen voor de markttoegang van spoorwegondernemingen.

(7)

Het is niet toegestaan ten aanzien van spoorwegondernemingen die een nieuwe vergunning aanvragen minder gunstige vergunningsvoorwaarden te hanteren dan voor de spoorwegondernemingen die reeds actief zijn op de markt.

(8)

De aan vergunningverlenende autoriteiten en ondernemingen opgelegde overbodige administratieve last moet worden verminderd door de eisen strikt te beperken tot de in Richtlijn 2012/34/EU vastgestelde voorwaarden.

(9)

Vergunningverlenende autoriteiten zijn niet verplicht een vergoeding te vragen voor de afgifte van een vergunning aan spoorwegondernemingen. De lidstaten kunnen evenwel besluiten dat een vergoeding moet worden betaald voor de door de vergunningverlenende autoriteiten bij het onderzoek van de aanvraag uitgevoerde werkzaamheden. Het eventuele vergunningstarief moet niet-discriminerend zijn, de vergoeding moet daadwerkelijk worden gefactureerd aan alle ondernemingen die een vergunning aanvragen en het bedrag moet gebaseerd zijn op de reële werklast van de vergunningverlenende autoriteit. Indien de vergunningsvergoeding meer dan 5 000 EUR bedraagt, doet de vergunningverlenende autoriteit in de factuur opgave van het aantal gepresteerde werkuren en de gemaakte kosten.

(10)

Teneinde voor alle spoorwegondernemingen gelijke concurrentievoorwaarden te creëren zijn bij Richtlijn 2012/34/EU een aantal regelingen ingetrokken die niet verenigbaar waren met het streven naar betere marktvoorwaarden, waarbij spoorwegondernemingen moesten zijn verzekerd of over marktconforme waarborgen dienden te beschikken. De vergunningverlenende autoriteiten moeten de opdracht krijgen de toepassing van de herziene voorwaarden in samenwerking met andere autoriteiten van de lidstaten te onderzoeken.

(11)

De afgifte van een vergunning aan een spoorwegonderneming mag niet worden gekoppeld aan het bezit van een veiligheidscertificaat als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad (3).

(12)

Nieuwe spoorwegondernemingen zijn belangrijk voor de concurrentie maar ondervinden in de praktijk soms moeilijkheden om hun financiële draagkracht te staven en realistische prognoses te maken voor een toekomstige periode van twaalf maanden overeenkomstig artikel 20, leden 1 en 2, van Richtlijn 2012/34/EU. Naar analogie met de door de EU-wetgever bij artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4) ingevoerde vereenvoudigde procedure voor kleinere luchtvaartmaatschappijen, kan bij de procedure voor de aanvraag van een vergunning met deze praktische moeilijkheden rekening worden gehouden door een verlichting van de procedure om de financiële draagkracht aan te tonen voor spoorwegondernemingen die een vergunning aanvragen.

(13)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 62, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

Bij deze verordening worden de regels vastgesteld voor het gebruik van het gemeenschappelijk model van het vergunningsdocument. Zij regelt tevens een aantal aspecten van de procedure voor de toekenning van een vergunning.

Artikel 2

Definities

„Vergunningsdocument”: het ingevulde en correct ondertekende gemeenschappelijke model, zoals vastgesteld in de bijlagen I en II bij deze verordening, dat bij het Europees Spoorwegbureau wordt ingediend.

Artikel 3

Gebruik van het gemeenschappelijk model voor het vergunningsdocument

1.   Voor overeenkomstig hoofdstuk III van Richtlijn 2012/34/EU afgegeven vergunningen moet het in de bijlagen I en II bij deze verordening vastgestelde standaardformaat worden gebruikt.

Bij de toekenning van een nieuwe vergunning, kent de vergunningverlenende autoriteit aan de EG-vergunning een volgnummer toe overeenkomstig het gestandaardiseerde systeem van de Europese identificatienummers (EIN), als vastgesteld in aanhangsel 2 bij Beschikking 2007/756/EG van de Commissie (5).

De vergunningverlenende autoriteit stelt op basis van dit formaat een vergunningsdocument op telkens een vergunning wordt toegekend, geschorst, ingetrokken of door een tijdelijke vergunning wordt vervangen, of wanneer een voor het vergunningsdocument relevante wijziging plaatsvindt.

2.   De vergunningverlenende autoriteiten bezorgen het Europees Spoorwegbureau overeenkomstig artikel 24, lid 8, van Richtlijn 2012/34/EU en conform het overeengekomen communicatieprotocol een afschrift van het vergunningsdocument.

3.   De informatie met betrekking tot de financiële dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid als bedoeld in artikel 22 van Richtlijn 2012/34/EU wordt vermeld in de bijlage bij het vergunningsdocument middels het in bijlage II bij deze verordening vastgestelde standaardformaat. De vergunningverlenende autoriteit voegt een bijlage toe aan het vergunningsdocument. Deze bijlage krijgt het volgnummer een (1).

4.   Aan de hand van de in de aansprakelijkheidsbijlagen zoals vastgesteld in bijlage II van deze verordening meegedeelde informatie kunnen vergunningverlenende autoriteiten of infrastructuurbeheerders nagaan of de door de spoorwegonderneming aangegane en door andere vergunningverlenende autoriteiten goedgekeurde dekking van de financiële aansprakelijkheid voor een bepaalde lidstaat toereikend is. Indien de vergunningverlenende autoriteit van oordeel is dat de dekking ontoereikend is, kan zij de spoorwegonderneming vragen een aanvullende dekking aan te gaan. De spoorwegonderneming stelt de vergunningverlenende autoriteit in kennis van de gevraagde informatie betreffende haar dekking.

5.   Zodra de vergunningverlenende autoriteit van oordeel is dat de dekking volstaat, stelt zij het Europees Spoorwegbureau in kennis van de bijwerking van een bestaande bijlage door een vergunningverlenende autoriteit van dezelfde lidstaat of door de toevoeging van een nieuwe bijlage bij de vergunning middels het in bijlage II vastgestelde standaardformaat en door aan deze bijlage een volgend nummer (2, 3, 4 enz.) toe te kennen.

6.   In elke aansprakelijkheidsbijlage moet melding worden gemaakt van het bedrag, de omvang, zoals de geografische omvang of de aard van de diensten, de aanvangsdatum en, desgevallend, de einddatum van de dekking. In elke vergunning moet duidelijk het volgnummer van de vergunning worden vermeld om een ondubbelzinnig verband te kunnen leggen met de vergunde spoorwegonderneming. Wanneer de vergunningverlenende autoriteit in kennis wordt gesteld van een wijziging van de dekking van de burgerlijke aansprakelijkheid, stelt zij een bijgewerkte bijlage op en stelt zij het Europees Spoorwegbureau daarvan in kennis.

Artikel 4

Vergunningsvergoeding

Voor het onderzoek van een vergunningsaanvraag mogen de lidstaten een vergunningsvergoeding vragen. Vergunningsvergoedingen worden op niet-discriminerende wijze toegepast.

Artikel 5

Aspecten in verband met de eisen inzake burgerlijke aansprakelijkheid en passende garanties

1.   De vergunningverlenende autoriteit publiceert de vereiste minimumdekking, ook wanneer het bedrag van die dekking in de nationale wetgeving is vastgesteld.

2.   De vergunningverlenende autoriteit mag niet eisen dat de dekking eerder in werking treedt dan het moment waarop de spoorwegonderneming de treinexploitatie aanvat.

3.   Uiterlijk tegen 25 augustus 2015 vraagt de vergunningverlenende autoriteit die de vergunning heeft afgegeven alle vergunde spoorwegondernemingen de omvang en reikwijdte van hun bestaande aansprakelijkheidsdekking bij ongevallen te staven, tenzij die ondernemingen een verzekering hebben afgesloten of de autoriteit reeds over die informatie beschikt. Zij kan spoorwegondernemingen tevens verzoeken deze informatie te verstrekken wanneer er twijfel bestaat over de conformiteit van de dekking met de in artikel 22 van Richtlijn 2012/34/EU bedoelde eisen.

4.   Indien de onderneming niet aantoont dat zij adequaat is verzekerd maar gedekt is door adequate garanties, onderzoekt de vergunningverlenende autoriteit, desgevallend na overleg met de toezichthoudende instantie, of de voorwaarden waaronder de spoorwegonderneming de garanties heeft ontvangen overeenstemmen met de marktvoorwaarden die een andere onderneming met dezelfde financiële draagkracht en risicoblootstelling zou hebben gekregen.

5.   Indien de vergunningverlenende autoriteit de vergunning schorst overeenkomstig artikel 24, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU, dan wel een tijdelijke vergunning verleent overeenkomstig artikel 24, lid 3, van die richtlijn, deelt zij dit mee aan de bevoegde instanties als bedoeld in Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad (6), waarvan zij weet dat zij met de betrokken spoorwegonderneming een contract hebben gesloten. Indien de vergunningverlenende autoriteit twijfelt of de garanties om de aansprakelijkheid te dekken verenigbaar zijn met de EU-regelgeving inzake staatssteun, kan zij de nodige informatie meedelen aan de autoriteiten die verantwoordelijk zijn voor de controle van de regelgeving inzake staatssteun.

Artikel 6

Verband met veiligheidscertificaten

1.   Voor de verlening van een vergunning mag niet worden geëist dat een onderneming een veiligheidscertificaat bezit als bedoeld in artikel 10 van Richtlijn 2004/49/EG.

2.   Indien een onderneming een veiligheidscertificaat bezit, voert de vergunningverlenende autoriteit voor de afgifte van een vergunning geen controle uit van de aan een veiligheidscertificaat gekoppelde eisen.

Artikel 7

Aspecten betreffende de procedure voor de toekenning van een vergunning

1.   Binnen één maand na de ontvangst van de aanvraag, deelt de vergunningverlenende autoriteit de onderneming mee of haar dossier volledig is of vraagt zij aanvullende informatie. Deze termijn mag in uitzonderlijke omstandigheden met twee weken worden verlengd en de onderneming wordt hiervan in kennis gesteld. Zodra zij de aanvullende informatie heeft ontvangen, deelt de vergunningverlenende autoriteit de onderneming binnen uiterlijk één maand mee of het dossier volledig is.

2.   De vergunningverlenende autoriteit mag de onderneming alleen vragen de in hoofdstuk III van Richtlijn 2012/34/EU genoemde documenten of de op grond van de nationale wetgeving vereiste documenten over te leggen. De vergunningverlenende autoriteit publiceert een lijst van die documenten en de inhoud daarvan en vraagt de ondernemingen geen andere documenten over te leggen. Indien de lijst wordt bijgewerkt en gepubliceerd mogen ondernemingen zich voor aanvragen die vóόr die bijwerking zijn ingediend, baseren op de vorige lijst.

3.   Voor ondernemingen waarvan de jaarlijkse inkomsten uit spoorvervoersactiviteiten minder dan 5 miljoen EUR bedragen, kan de vergunningverlenende autoriteit oordelen dat zij voldoen aan de eis om voor een periode van twaalf maanden vanaf de aanvang van de exploitatie als bedoeld in artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2012/34/EU hun huidige en potentiële verplichtingen te kunnen nakomen, indien de onderneming kan aantonen dat zij over een bedrijfskapitaal van minstens 100 000 EUR of een met de toezichthoudende instantie overeengekomen bedrag beschikt. De vergunningverlenende autoriteit maakt dit bedrag bekend.

Artikel 8

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is van toepassing met ingang van 16 juni 2015.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 4 februari 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 343 van 14.12.2012, blz. 32.

(2)  PB L 113 van 20.4.2004, blz. 37.

(3)  Richtlijn 2004/49/EG van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake de veiligheid op de communautaire spoorwegen (PB L 164 van 30.4.2004, blz. 44).

(4)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).

(5)  Beschikking 2007/756/EG van de Commissie van 9 november 2007 tot vaststelling van de gemeenschappelijke specificatie van het nationaal voertuigregister als bedoeld in de artikelen 14, leden 4 en 5, van de Richtlijnen 96/48/EG en 2001/16/EG (PB L 305 van 23.11.2007, blz. 30).

(6)  Verordening (EG) nr. 1370/2007 van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2007 betreffende het openbaar personenvervoer per spoor en over de weg en tot intrekking van Verordening (EEG) nr. 1191/69 van de Raad en Verordening (EEG) nr. 1107/70 van de Raad (PB L 315 van 3.12.2007, blz. 1).


BIJLAGE I

Standaardformulier voor het vergunningsdocument

Image

Image


BIJLAGE II

Standardformulier voor de aansprakelijkheidsbijlage bij de spoorwegvergunning

Image

Image


Top