This document is an excerpt from the EUR-Lex website
Document 32015R0082
Commission Implementing Regulation (EU) 2015/82 of 21 January 2015 imposing a definitive anti-dumping duty on imports of citric acid originating in the People's Republic of China following an expiry review pursuant to Article 11(2) of Council Regulation (EC) No 1225/2009 and of partial interim reviews pursuant to Article 11(3) of Regulation (EC) No 1225/2009
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/82 van de Commissie van 21 januari 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad in verband met het vervallen van de maatregelen, en van gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009
Uitvoeringsverordening (EU) 2015/82 van de Commissie van 21 januari 2015 tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad in verband met het vervallen van de maatregelen, en van gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009
PB L 15 van 22.1.2015, pp. 8–30
(BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
No longer in force, Date of end of validity: 15/04/2021: This act has been changed. Current consolidated version:
18/11/2017
|
22.1.2015 |
NL |
Publicatieblad van de Europese Unie |
L 15/8 |
UITVOERINGSVERORDENING (EU) 2015/82 VAN DE COMMISSIE
van 21 januari 2015
tot instelling van een definitief antidumpingrecht op citroenzuur van oorsprong uit de Volksrepubliek China naar aanleiding van een nieuw onderzoek overeenkomstig artikel 11, lid 2, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad in verband met het vervallen van de maatregelen, en van gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoeken overeenkomstig artikel 11, lid 3, van Verordening (EG) nr. 1225/2009
DE EUROPESE COMMISSIE,
Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,
Gezien Verordening (EG) nr. 1225/2009 van de Raad van 30 november 2009 betreffende beschermende maatregelen tegen invoer met dumping uit landen die geen lid zijn van de Europese Gemeenschap (1) („de basisverordening”), en met name artikel 9, lid 4, en artikel 11, leden 2, 3 en 5,
Overwegende hetgeen volgt:
1. PROCEDURE
1.1. Geldende maatregelen
|
(1) |
Na een antidumpingonderzoek („het oorspronkelijke onderzoek”) heeft de Raad bij Verordening (EG) nr. 1193/2008 (2) een definitief antidumpingrecht ingesteld op citroenzuur, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2918 14 00 en ex 2918 15 00 , van oorsprong uit de Volksrepubliek China („VRC”) („de oorspronkelijke maatregelen”). De maatregelen kregen de vorm van een ad-valoremrecht, dat varieerde van 6,6 % tot 42,7 %. |
|
(2) |
Bij Besluit 2008/899/EG (3) heeft de Europese Commissie („de Commissie”) de prijsverbintenissen die waren aangeboden door zes Chinese producenten-exporteurs (met inbegrip van een groep van producenten-exporteurs), samen met de Chinese Kamer van Koophandel van importeurs en exporteurs van metalen, mineralen & chemicaliën, aanvaard. |
|
(3) |
Bij Besluit 2012/501/EU (4) heeft de Commissie de verbintenis van één producent-exporteur ingetrokken, te weten Laiwu Taihe Biochemistry Co. Ltd („Laiwu”). |
1.2. Verzoek om een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(4) |
Na de bekendmaking van een bericht van het naderende vervallen van de oorspronkelijke maatregelen (5) heeft de Commissie op 2 augustus 2013 een verzoek om opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van deze maatregelen op grond van artikel 11, lid 2, van de basisverordening ontvangen. Het verzoek is ingediend door SA Citrique Belge and Jungbunzlauer Austria AG („de indieners van het verzoek”), namens producenten die 100 % van de productie van citroenzuur in de Unie voor hun rekening nemen. |
|
(5) |
De reden voor dit verzoek was dat het vervallen van de maatregelen waarschijnlijk zou leiden tot een voortzetting van dumping en herhaling van schade voor de bedrijfstak van de Unie. |
1.3. Verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek
|
(6) |
De indieners van het verzoek hebben tevens een verzoek om een gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek op grond van artikel 11, lid 3, van de basisverordening ingediend, dat beperkt is tot het onderzoek naar dumping wat Laiwu betreft. De indieners van het verzoek hebben voorlopig bewijsmateriaal verstrekt waaruit blijkt dat de productiecapaciteit van Laiwu sinds het laatste onderzoektijdvak is gestegen en dat haar productengamma is uitgebreid. |
|
(7) |
Aangezien Laiwu in het oorspronkelijke onderzoek behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”) was toegekend, hebben de indieners van het verzoek een berekening van de dumpingmarge verstrekt die, bij het kennelijke ontbreken van een representatieve binnenlandse verkoop, gebaseerd was op een vergelijking van een berekende normale waarde (productiekosten, verkoopkosten, algemene en administratiekosten en winst) in de VRC, met de prijs bij uitvoer naar de Unie van Laiwu. Hieruit kwam naar voren dat de dumpingmarge hoger lijkt te zijn dan het huidige niveau van de maatregelen. De indieners van het verzoek stelden derhalve dat handhaving van de maatregelen op het bestaande niveau, dat gebaseerd was op de eerder vastgestelde dumpingmarge, onvoldoende zou zijn om de gevolgen van schade veroorzakende dumping te neutraliseren. De indieners van het verzoek betoogden tevens dat Laiwu niet langer voor een behandeling als marktgerichte onderneming in aanmerking zou kunnen komen. |
1.4. Opening van een nieuw onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen en van tussentijdse nieuwe onderzoeken
|
(8) |
Op 30 november 2013 heeft de Commissie een antidumpingonderzoek betreffende de invoer in de Unie van citroenzuur van oorsprong uit de VRC („het betrokken land”) geopend en een bericht van opening bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie (6) („bericht van opening”). De opening omvatte:
|
1.5. Belanghebbenden
|
(9) |
In het bericht van opening werden belanghebbenden uitgenodigd om met de Commissie contact op te nemen om aan het onderzoek mee te werken. Daarnaast heeft de Commissie de indieners van het verzoek, de haar bekende producenten-exporteurs, de Chinese autoriteiten, de haar bekende importeurs en gebruikers specifiek in kennis gesteld van de opening van de nieuwe onderzoeken en hen uitgenodigd mee te werken. In het bericht van opening heeft de Commissie belanghebbenden ervan op de hoogte gesteld dat zij overwoog Canada als derde land met een markteconomie („referentieland”) te gebruiken in de zin van artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Daarom heeft de Commissie ook producenten in Canada in kennis gesteld van de opening van het onderzoek en hen uitgenodigd deel te nemen. |
|
(10) |
Belanghebbenden werden in de gelegenheid gesteld om opmerkingen over de opening van het onderzoek te maken en om een hoorzitting met de Commissie en/of de raadadviseur-auditeur voor handelsprocedures te verzoeken. |
1.6. Steekproeven
|
(11) |
In het bericht van opening heeft de Commissie verklaard dat zij mogelijk een steekproef van producenten-exporteurs en van importeurs zou samenstellen overeenkomstig artikel 17 van de basisverordening. |
1.6.1. Steekproef van importeurs
|
(12) |
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk is en, zo ja, deze samen te stellen, werden alle niet-verbonden importeurs verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. |
|
(13) |
Zes niet-verbonden importeurs verstrekten de gevraagde informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Overeenkomstig artikel 17, lid 1, van de basisverordening heeft de Commissie drie niet-verbonden importeurs geselecteerd op basis van de grootste omvang van de invoer in de Unie. Overeenkomstig artikel 17, lid 2, van de basisverordening heeft zij met alle betrokken haar bekende importeurs overleg gepleegd over de samenstelling van de steekproef. Geen van hen heeft opmerkingen ingediend. |
1.6.2. Steekproef van producenten-exporteurs in de VRC
|
(14) |
Om de Commissie in staat te stellen te beslissen of een steekproef noodzakelijk was en, zo ja, deze samen te stellen, werd alle producenten-exporteurs in de VRC verzocht de in het bericht van opening gevraagde informatie te verstrekken. Daarnaast heeft de Commissie de Vertegenwoordiging van de VRC bij de Europese Unie verzocht mogelijke andere producenten-exporteurs die geïnteresseerd zouden kunnen zijn in medewerking aan het onderzoek, op te sporen en/of met hen contact op te nemen. |
|
(15) |
In totaal leverden negen producenten-exporteurs, waarvan er twee met elkaar verbonden zijn, uit het betrokken land de verzochte informatie en stemden ermee in om in de steekproef te worden opgenomen. Gelet op de ingewikkeldheid van de zaak en de structuur van de betrokken bedrijfstak, besloot de Commissie dat een steekproef niet noodzakelijk was. Ten aanzien van de steekproef werden door geen van de producenten-exporteurs opmerkingen ingediend. Zeven van de negen producenten-exporteurs hebben de vragenlijst ingevuld teruggestuurd en twee hebben hun medewerking stopgezet. |
1.7. Aanvraagformulier voor behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)
|
(16) |
Voor de toepassing van artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening heeft de Commissie het desbetreffende BMO-aanvraagformulier aan Laiwu gestuurd. |
1.8. Beantwoording van de vragenlijst
|
(17) |
De Commissie heeft vragenlijsten gestuurd naar de zeven medewerkende producenten-exporteurs voor de beoordeling van de waarschijnlijkheid van voortzetting of herhaling van dumping. De zeven producenten-exporteurs hebben geantwoord. De Commissie heeft een aparte vragenlijst aan Laiwu gestuurd om te beoordelen of de gewijzigde omstandigheden van blijvende aard zijn wat dumping betreft. De onderneming heeft geantwoord. |
1.9. Controlebezoeken
|
(18) |
De Commissie heeft alle gegevens die zij voor de vaststelling van dumping, de daaruit voortvloeiende schade en het belang van de Unie nodig achtte, verzameld en gecontroleerd. Krachtens artikel 16 van de basisverordening werden controlebezoeken ter plaatse verricht bij de volgende ondernemingen: a) producenten in de Unie
b) importeurs
c) gebruikers
d) producenten-exporteurs in de VRC
e) producenten in het referentieland
|
1.10. Tijdvak van het nieuwe onderzoek en beoordelingsperiode
|
(19) |
Het onderzoek naar dumping en schade had betrekking op de periode van 1 oktober 2012 tot en met 30 september 2013 („het tijdvak van het nieuwe onderzoek” of „TNO”). Het onderzoek naar ontwikkelingen die relevant zijn voor de schadebeoordeling had betrekking op de periode van 1 januari 2010 tot het eind van het tijdvak van het nieuwe onderzoek („de beoordelingsperiode”). |
2. BETROKKEN PRODUCT EN SOORTGELIJK PRODUCT
2.1. Betrokken product
|
(20) |
Het betrokken product is citroenzuur (met inbegrip van trinatriumcitraat-dihydraat) van oorsprong uit de VRC, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2918 14 00 en ex 2918 15 00 („het betrokken product”). |
|
(21) |
Citroenzuur wordt gebruikt als een voedingszuur en pH-regelaar in een breed scala van toepassingen zoals in dranken, voedingsmiddelen, detergenten, cosmetica en geneesmiddelen. De belangrijkste grondstoffen zijn suiker/melasse, tapioca, mais of glucose (verkregen uit granen) en verschillende middelen voor de microbiële fermentatie onder water van koolhydraten. |
2.2. Soortgelijk product
|
(22) |
Uit het onderzoek is gebleken dat de volgende producten dezelfde fysische, chemische en technische basiseigenschappen hebben en voor dezelfde basisdoeleinden worden gebruikt:
|
|
(23) |
De Commissie heeft geconcludeerd dat deze producten derhalve soortgelijke producten zijn in de zin van artikel 1, lid 4, van de basisverordening. |
3. DUMPING
3.1. Waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping in het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen
|
(24) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of er nog sprake was van dumping en of het waarschijnlijk was dat zich nog steeds of opnieuw dumping zou voordoen indien de bestaande maatregelen die van toepassing zijn op de invoer uit de VRC, zouden komen te vervallen. |
3.1.1. Normale waarde
— Referentieland
|
(25) |
Omdat de VRC als een land zonder markteconomie wordt beschouwd, werd de normale waarde vastgesteld aan de hand van de prijs in een derde land met markteconomie, overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening. Voor dit doel moest het referentieland worden gekozen (zie overweging 9). |
|
(26) |
In het bericht van opening heeft de Commissie belanghebbenden ervan in kennis gesteld dat zij voornemens was Canada als passend referentieland te kiezen en heeft zij de belanghebbenden verzocht opmerkingen te maken. Geen van hen heeft opmerkingen ingediend. |
|
(27) |
Canada diende bij het oorspronkelijke onderzoek als referentieland. Aangezien de Canadese onderneming die tot medewerking bereid was, de enige producent van citroenzuur in Canada was en verbonden was met één van de klagende producenten, heeft de Commissie de mogelijkheden voor medewerking door andere haar bekende producerende landen als de VS, Brazilië, Thailand en Oekraïne onderzocht. Eén Braziliaanse en één Thaise onderneming waren bereid mee te werken maar hebben uiteindelijk niet op de vragenlijst geantwoord. Enkel de enige Canadese producent van citroenzuur heeft de gevraagde informatie verstrekt. |
|
(28) |
In tegenstelling tot de VS, Brazilië, Thailand en Oekraïne heeft Canada geen antidumpingrechten op de invoer van citroenzuur ingesteld. Voorts bedraagt het conventionele douanerecht 0 % (7). |
|
(29) |
Aangezien er op de Canadese markt sprake is van vrije concurrentie, heeft de Commissie in overeenstemming met artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening geconcludeerd dat Canada een geschikt referentieland is. De Commissie heeft de normale waarde vastgesteld op basis van de binnenlandse verkoop aan niet-verbonden afnemers van de Canadese producent. |
|
(30) |
Eén productsoort werd niet vervaardigd en verkocht in het referentieland en kon dus niet worden vergeleken met diezelfde productsoort die in de VRC werd geproduceerd en naar de Unie werd uitgevoerd. Derhalve werd de normale waarde voor deze productsoort berekend overeenkomstig artikel 2, lid 3, van de basisverordening, aan de hand van de productiekosten van het soortgelijke product voor de producent in het referentieland, vermeerderd met een redelijk bedrag voor verkoopkosten, algemene en administratieve kosten („VAA-kosten”) en voor winst. |
3.1.2. Uitvoerprijs
|
(31) |
De Commissie heeft de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de door onafhankelijke afnemers in de Unie werkelijk betaalde of te betalen prijs. Alle medewerkende producenten-exporteurs, met uitzondering van Laiwu, exporteerden rechtstreeks naar de Unie naar onafhankelijke afnemers overeenkomstig de voorwaarden van de verbintenis. |
3.1.3. Vergelijking
|
(32) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs van de medewerkende producenten-exporteurs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(33) |
Waar dat voor het verkrijgen van een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed op de prijzen zijn en op de vergelijkbaarheid daarvan. Correcties werden toegepast voor kosten van vervoer, verzekering, lading, overlading, lossing en aanverwante kosten, verpakking, krediet en commissies. |
3.1.4. Dumpingmarge
|
(34) |
Voor de medewerkende producenten-exporteurs heeft de Commissie de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product in het referentieland vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige betrokken productsoort, overeenkomstig artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(35) |
Op grond hiervan werden voor het TNO dumpingmarges vastgesteld tot 38 %, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs grens Unie, vóór inklaring. |
|
(36) |
De mate van medewerking was hoog, gezien het feit dat de uitvoer van de medewerkende producenten-exporteurs in het TNO vrijwel de totale uitvoer naar de Unie uitmaakte. |
|
(37) |
Uit deze berekening bleek zelfs dat er sprake was van dumping voor producenten-exporteurs waarvoor prijsverbintenissen golden. Er zij aan herinnerd dat de minimuminvoerprijs („MIP”) in het kader van de prijsverbintenissen was gebaseerd op de geen schade veroorzakende prijs (regel van het laagste recht), en dat de prijsverbintenissen derhalve de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde dumping niet volledig neutraliseerden. |
3.2. Ontwikkeling van de invoer als de maatregelen worden ingetrokken
3.2.1. Waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping
|
(38) |
Wat de vaststelling van de uitvoerprijzen betreft, is er in het kader van het onderhavige onderzoek naar gestreefd vast te stellen of voortzetting van de dumping waarschijnlijk is. In dit verband kan de vaststelling van de uitvoerprijzen niet worden beperkt tot een onderzoek van het gedrag van de exporteurs in het verleden, maar moet ook worden nagegaan hoe de uitvoerprijzen zich in de toekomst waarschijnlijk zullen ontwikkelen. Er moet met andere woorden worden vastgesteld of vroegere uitvoerprijzen betrouwbaar zijn als indicatie voor waarschijnlijke toekomstige uitvoerprijzen. In dat verband zij eraan herinnerd dat vijf ondernemingen bij hun uitvoer naar de Unie aan een prijsverbintenis zijn onderworpen. De Commissie heeft derhalve met name onderzocht of het bestaan van deze verbintenissen de uitvoerprijzen in het verleden zodanig heeft beïnvloed dat deze prijzen onbetrouwbaar zijn om het toekomstige gedrag bij uitvoer vast te stellen. |
|
(39) |
Teneinde na te gaan of de uitvoerprijzen naar de Unie betrouwbaar waren en gelet op het bestaan van de prijsverbintenissen, werden de prijzen bij uitvoer naar de EU geanalyseerd in verhouding tot de MIP van de prijsverbintenissen. Er moest in feite worden nagegaan of de prijzen bij uitvoer naar de Unie door de in de prijsverbintenissen vastgelegde MIP's op een bepaalde hoogte waren gesteld, en derhalve of ze duurzaam waren of niet. In dit verband is de Commissie nagegaan of de prijzen bij uitvoer naar de Unie op basis van gewogen gemiddelden op het niveau van elke onderneming substantieel hoger dan de MIP waren of niet. De Commissie onderzocht ook hoe deze prijzen zich verhielden met prijzen voor de uitvoer naar derde landen. |
|
(40) |
Voor alle bij de prijsverbintenissen betrokken ondernemingen lagen de prijzen bij uitvoer naar de Unie gemiddeld op het niveau van de MIP. Bovendien waren hun prijzen bij uitvoer naar de Unie aanzienlijk hoger dan de prijzen bij uitvoer naar derde landen. Derhalve is het zeer waarschijnlijk dat de prijzen bij uitvoer naar de Unie bij ontbreken van prijsverbintenissen het niveau van de prijzen bij uitvoer naar andere derde landen zouden benaderen. |
|
(41) |
De prijzen bij uitvoer naar de Unie in het TNO van de ondernemingen waarvoor verbintenissen gelden, werden dus geacht te zijn beïnvloed door de verbintenissen; zij werden derhalve onvoldoende betrouwbaar geacht voor gebruik bij de vaststelling of de dumping zal worden voortgezet in de context van het onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen. |
|
(42) |
Wegens het ontbreken van een betrouwbare uitvoerprijs voor deze Chinese producenten-exporteurs door het bestaan van de prijsverbintenissen in de onderhavige zaak heeft de Commissie, ter beoordeling of voortzetting van dumping waarschijnlijk is, een andere mogelijkheid tot vaststelling van de uitvoerprijs overwogen. Aangezien de medewerkende producenten-exporteurs citroenzuur op de wereldmarkt verkochten, heeft de Commissie onderzocht of er in het TNO bij de door alle derde landen werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen sprake was van dumping. |
|
(43) |
De Commissie vergeleek deze uitvoerprijzen met de voor het referentieland vastgestelde normale waarde (zie overweging 26 en volgende). De aldus vastgestelde dumpingmarges variëren van 43 % tot 85 %. Deze dumpingmarges zijn groter dan die welke zijn vastgesteld aan de hand van de prijzen bij uitvoer naar de Unie in het TNO (zie overweging 36). |
3.2.2. Productiecapaciteit en verbruik in het betrokken land
|
(44) |
De indieners van het verzoek hebben in hun verzoek om een nieuw onderzoek de reserveproductiecapaciteit voor citroenzuur in de VRC als groter dan de totale jaarlijkse EU-vraag naar citroenzuur ingeschat. De totale capaciteit voor citroenzuur werd geschat op 1 800 000 ton. De Commissie is van mening dat de indieners de reservecapaciteit hebben overschat. |
|
(45) |
Niettemin is uit het onderzoek gebleken dat de Chinese producenten-exporteurs beschikken over een aanzienlijke reservecapaciteit. De reservecapaciteit van de medewerkende producenten-exporteurs in de VRC bedraagt ongeveer 192 000 ton, wat overeenkomt met ongeveer 41 % van het verbruik in de EU. |
|
(46) |
Voorts werd de totale jaarlijkse capaciteit in de VRC in 2012 in een bedrijfstakspecifieke studie — IHS Chemical Economics Handbook (8), waaraan tijdens het onderzoek door verschillende partijen is gerefereerd — ingeschat als vele malen groter dan het totale verbruik in de Unie. De VRC nam „59 % van de wereldproductie in 2012” voor haar rekening; „tevens nam zij 69 %, 74 % respectievelijk 12 % van de productiecapaciteit, de uitvoer respectievelijk het verbruik in de wereld in 2012 voor haar rekening” (9). Deze gegevens lijken erop te wijzen dat de VRC over het geheel genomen over een aanzienlijke productiecapaciteit beschikt. |
|
(47) |
Hoewel het verbruik in de VRC naar verwachting zal toenemen, zal het totale jaarlijkse Chinese verbruik volgens het IHS Chemical Economics Handbook ver onder dat van de markt in de Unie blijven. Tot 2018 zal de groei niet hoger zijn dan het huidige verbruik in de Unie. |
|
(48) |
Deze gegevens bevestigen dat de Chinese productie en capaciteit hoofdzakelijk voor de export bestemd zijn. |
3.2.3. Verband tussen de prijzen in de Unie en de prijzen in het betrokken land
|
(49) |
Blijkens de gegevens over de prijzen van citroenzuur die tijdens het onderzoek zijn verkregen, waren de Chinese binnenlandse prijzen ongeveer 48 % lager dan die op de markt van de Unie als geheel. |
|
(50) |
De markt van de Unie is derhalve voor de uitvoer van Chinese producenten-exporteurs nog steeds aantrekkelijk. |
3.2.4. Verband tussen de prijzen bij uitvoer naar derde landen en de prijzen op de markt van de Unie
|
(51) |
In het TNO waren de prijzen bij uitvoer naar de markten van derde landen gemiddeld 40 % lager dan die van de uitvoer naar de Unie. |
|
(52) |
De Chinese exporteurs kunnen er wat prijzen betreft sterk voordeel in zien hun uitvoer naar de Unie te verleggen als de maatregelen zouden worden ingetrokken. |
|
(53) |
Deze conclusie wordt verder ondersteund door het prijsniveau van de uitvoer van Laiwu naar de Unie, alsook door het prijsverschil tussen de prijzen van Laiwu bij uitvoer naar de Unie en bij uitvoer naar derde landen. |
|
(54) |
Voorts wordt voornoemde conclusie ondersteund door de lage prijzen van de geringe uitvoer van de producenten-exporteurs die niet aan dit onderzoek hebben meegewerkt. |
3.2.5. Conclusie betreffende de waarschijnlijkheid van voortzetting van dumping
|
(55) |
Uit de totale productiecapaciteit (met inbegrip van de reservecapaciteit) in de VRC ten opzichte van de omvang van de markt van de Unie komt naar voren dat de uitvoer naar de Unie waarschijnlijk zal toenemen indien de maatregelen worden ingetrokken. Die uitvoer zou waarschijnlijk met aanzienlijke dumping plaatsvinden. |
|
(56) |
Na de mededeling van de feiten en overwegingen hebben belanghebbenden vraagtekens geplaatst bij de bevindingen dat de prijzen op de markt van de EU in het kader van de MIP in de afgelopen jaren onhoudbaar zijn en dus aanzienlijk zouden dalen, waarbij zij zelfs het niveau van de prijzen bij uitvoer naar derde landen zouden kunnen bereiken. Zij trokken ook in twijfel dat de Chinese uitvoer, die stabiel is, waarschijnlijk in omvang zou toenemen, en nog steeds tegen dumpingprijzen zou plaatsvinden indien de maatregelen niet zouden worden vernieuwd. Uit het onderzoek is echter duidelijk gebleken dat de dumping wordt voortgezet, zelfs aan de hand van uitvoerprijzen die als onbetrouwbaar worden beschouwd omdat zij door de MIP van de prijsverbintenissen worden vertekend. Deze prijzen bleken voor alle producenten-exporteurs waarvoor verbintenissen gelden, aanmerkelijk hoger te zijn dan de prijzen bij uitvoer naar andere markten. Dergelijke producenten-exporteurs exporteren gewoonlijk tegen prijzen die lager liggen dan die ten aanzien van de markt van de EU in rekening worden gebracht. Voorts wordt eraan herinnerd dat bij het oorspronkelijke onderzoek werd vastgesteld dat de laaggeprijsde invoer met dumping uit de VRC in de Unie steeg met 37 % tussen 2004 en de twaalf maanden eindigend in juni 2007 („het oorspronkelijke onderzoektijdvak”) (10). Al deze elementen, samen met de aanzienlijke reservecapaciteit in de VRC die niet is betwist, schragen duidelijk de bevinding dat de uitvoer met dumping naar de Unie waarschijnlijk zal worden voorgezet, in grotere hoeveelheden, indien de maatregelen worden ingetrokken. |
3.3. Gedeeltelijk tussentijds nieuw onderzoek, beperkt tot dumping door Laiwu
3.3.1. Normale waarde
3.3.1.1. Behandeling als marktgerichte onderneming („BMO”)
|
(57) |
De Commissie heeft krachtens artikel 2, lid 7, onder b), van de basisverordening bepaald of de normale waarde kon worden vastgesteld overeenkomstig artikel 2, leden 1 tot en met 6, van die verordening als Laiwu voldeed aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van die verordening, zodat haar BMO zou kunnen worden toegekend. |
|
(58) |
Voor de duidelijkheid zijn deze criteria hieronder nog eens samengevat:
|
|
(59) |
Voor de vaststelling of aan de criteria van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening is voldaan, verzocht de Commissie Laiwu om een aanvraagformulier voor behandeling als marktgerichte onderneming in te vullen. Laiwu antwoordde binnen de termijn. De Commissie heeft de ingediende informatie bij Laiwu ter plaatse gecontroleerd. |
|
(60) |
De Commissie stelde vast dat Laiwu niet aan de criteria 2 en 3 van artikel 2, lid 7, onder c), van de basisverordening voldeed. |
|
(61) |
Wat criterium 2 betreft, kon de onderneming niet aantonen dat zij over een volledige boekhouding in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen beschikt. Bovendien bevat de administratie van de onderneming geen bewijsstukken tot nadere staving van de juistheid en volledigheid van haar boekhouding. De onderneming beschikte niet over bewijsstukken ter staving van bepaalde boekingen in haar boekhouding. Daarnaast omvatte haar jaarrekening geen overzicht van vermogensmutaties in bepaalde perioden. Deze tekortkomingen waren in strijd met het beginsel van getrouwe weergave van de boekhoudkundige gegevens en de jaarrekening en zijn, belangrijker nog, door de accountant onopgemerkt gebleven. Bijgevolg heeft noch de boekhouding noch de controle in overeenstemming met internationale normen plaatsgevonden. |
|
(62) |
Laiwu voerde aan dat haar boekhoudkundige gegevens voldoende duidelijk waren om aan de Chinese algemeen aanvaarde boekhoudkundige beginselen te voldoen. De onderneming voerde verder aan dat de inconsistenties in het BMO-informatiedocument niet van invloed waren op de betrouwbaarheid van haar boekhouding. Volgens de onderneming moeten boekhoudkundige voorschriften tegen de achtergrond van het doel ervan (bv. bescherming van beleggers) worden beschouwd. |
|
(63) |
De Commissie wijst erop dat artikel 2, lid 7, onder c), tweede streepje, van de basisverordening bepaalt dat bedrijven moeten beschikken over een duidelijke basisboekhouding die door een onafhankelijke instantie wordt gecontroleerd in overeenstemming met de hiervoor internationaal geldende normen. Dit is inderdaad een formeel vereiste. In tegenstelling tot hetgeen de onderneming heeft aangevoerd, moet de boekhouding in overeenstemming met de internationale boekhoudnormen zijn, ongeacht de status van de onderneming volgens het nationale boekhoudrecht. |
|
(64) |
Voorts is de Commissie van mening dat de boekhouding van Laiwu niet in overeenstemming was met het Chinese boekhoudrecht omdat de auditor geen opmerkingen had gemaakt over de strijdigheid met het Chinese boekhoudrecht als uiteengezet in overweging 61. |
|
(65) |
Op grond hiervan moesten de argumenten worden afgewezen. |
|
(66) |
Wat criterium 3 betreft, kon de onderneming niet aantonen dat zij niet onderhevig was aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie. Meer in het bijzonder ontleent de onderneming als „in hoogwaardige en nieuwe technologieën gespecialiseerde onderneming” voordeel aan een preferentiële regeling vennootschapsbelasting, wat aanzienlijke gevolgen heeft voor haar financiële situatie. |
|
(67) |
Laiwu heeft aangevoerd dat de preferentiële belastingregeling niet in het kader van criterium 3 voor BMO kan worden behandeld, omdat die regeling een vorm van subsidie betreft. |
|
(68) |
De Commissie merkt op dat de beoordeling op grond van BMO-criterium 3 beoogt vast te stellen of producenten onderhevig zijn aan verstoringen van betekenis die nog voortvloeien uit het vroegere systeem zonder markteconomie. |
|
(69) |
Het door Laiwu ontvangen voordeel in de vorm van een preferentieel belastingtarief is een voordeel van permanente aard, dat wordt verleend op grond van artikel 28 van de in 2007 aangenomen wet op de vennootschapsbelasting. Dit voordeel is ingesteld overeenkomstig de preambule van de grondwet van de VRC, waarin wordt gesteld: „De partij moet het economische basissysteem in stand houden en verbeteren, waarbij staatseigendom een dominante rol speelt en verschillende economische sectoren zich zij aan zij ontwikkelen …”. |
|
(70) |
Een van de doelstellingen van het voordeel is het aantrekken van kapitaal tegen gereduceerd tarief. Dit veroorzaakt een verstoring op de kapitaalmarkten. Immers, een stelsel voor vennootschapsbelasting dat voorziet in een voorkeursbehandeling voor bepaalde, door de regering strategisch geachte ondernemingen, duidt erop dat het belastingstelsel niet dat van een markteconomie is, maar dat het nog steeds sterk wordt beïnvloed door de planning door de staat, wat een kenmerk van een systeem zonder markteconomie is. De Commissie is van mening dat de verstoringen als gevolg van een dergelijke belastingvermindering tevens „van betekenis” zijn, aangezien zij de winst vóór belasting die een onderneming moet behalen om aantrekkelijk te zijn voor investeerders, wijzigen. |
|
(71) |
Op grond hiervan moesten de argumenten worden afgewezen. |
|
(72) |
De Commissie heeft de bevindingen van het BMO-onderzoek bekendgemaakt aan Laiwu, de autoriteiten van de VRC en de indieners van het verzoek. De Commissie heeft hen verzocht opmerkingen te maken en te verzoeken te worden gehoord. De ontvangen opmerkingen hebben niet geleid tot aanpassing van de voorlopige bevindingen van de Commissie. |
|
(73) |
Laiwu betoogde dat de Commissie voornemens was BMO te weigeren op andere gronden dan die welke tot de opening van het onderzoek hadden geleid. Naar de mening van de onderneming had de Commissie de BMO-beoordeling moeten beperken tot BMO-criterium 1. |
|
(74) |
In de eerste plaats moet worden opgemerkt dat artikel 2, lid 7, onder c), vijf cumulatieve criteria opsomt waaraan moet worden voldaan voor de toekenning van BMO. Bovendien ligt de bewijslast bij de onderneming die om BMO verzoekt. |
|
(75) |
Bovendien specificeert punt 5.2 van het bericht van opening (11) de redenen voor de opening, die betrekking hebben op een verhoging van de productiecapaciteit van Laiwu en een uitbreiding van het productengamma van haar verkopen. Het bericht van opening beperkt het onderzoek geenszins tot de beoordeling van BMO-criterium 1. Verder wordt ter rechtvaardiging van de opening van een onderzoek het voorlopige bewijs op zijn eigen merites beoordeeld. De BMO-beoordeling in het kader van artikel 2, lid 7, van de basisverordening is een volledig onderzoek van de vraag of een bepaalde producent op marktvoorwaarden opereert zoals bedoeld in punt 6.1.1.2 van het bericht van opening. |
|
(76) |
Tot slot merkt de Commissie op dat Laiwu een BMO-aanvraagformulier heeft ingediend waarin zij betoogde dat zij aan alle vijf BMO-criteria voldeed. Uit hoofde van de desbetreffende bepalingen van de basisverordening dient een onderneming die BMO aanvraagt, te bewijzen dat zij op marktvoorwaarden opereert, wat inhoudt dat de bewijslast wat het voldoende onderbouwen van de BMO-aanvraag betreft, op de onderneming rust. Het argument van Laiwu is derhalve afgewezen. |
|
(77) |
Nadat de Commissie informatie heeft verstrekt over haar analyse van de BMO-aanvraag aan de lidstaten overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder c), heeft de Commissie de belanghebbenden in kennis gesteld van de definitieve vaststelling inzake BMO. |
3.3.1.2. Referentieland
|
(78) |
Overeenkomstig artikel 2, lid 7, onder a), van de basisverordening werd de normale waarde voor Laiwu vastgesteld op basis van de prijs in een derde land met een markteconomie. Daartoe heeft de Commissie een derde land met een markteconomie geselecteerd, te weten Canada (zie overweging 26 en volgende). |
|
(79) |
De Commissie heeft de normale waarde vastgesteld op basis van de binnenlandse verkoop aan niet-verbonden afnemers van de Canadese producent. |
3.3.2. Uitvoerprijs
|
(80) |
De Commissie heeft de uitvoerprijs vastgesteld op basis van de door onafhankelijke afnemers in de Unie werkelijk betaalde of te betalen uitvoerprijzen, in overeenstemming met artikel 2, lid 8, van de basisverordening. |
3.3.3. Vergelijking
|
(81) |
De Commissie heeft de normale waarde en de uitvoerprijs vergeleken in het stadium af fabriek. |
|
(82) |
Waar dat voor het verkrijgen van een billijke vergelijking gerechtvaardigd was, heeft de Commissie overeenkomstig artikel 2, lid 10, van de basisverordening op de normale waarde en/of de uitvoerprijs een correctie toegepast voor verschillen die van invloed zijn op de prijzen en de vergelijkbaarheid van de prijzen. Correcties werden toegepast voor vervoer, verzekering, lading en aanverwante kosten, verpakking, krediet en commissies. |
3.3.4. Dumpingmarge
|
(83) |
De Commissie heeft de gewogen gemiddelde normale waarde van elke soort van het soortgelijke product in het referentieland vergeleken met de gewogen gemiddelde uitvoerprijs van de overeenkomstige soort van het betrokken product, zoals bepaald in artikel 2, leden 11 en 12, van de basisverordening. |
|
(84) |
Op grond hiervan bedraagt de gewogen gemiddelde dumpingmarge voor Laiwu 37,8 %, uitgedrukt in procenten van de cif-prijs, grens Unie, vóór inklaring. |
3.3.5. Blijvende aard van de gewijzigde omstandigheden
|
(85) |
Overeenkomstig artikel 11, lid 3, van de basisverordening is de Commissie nagegaan of de gewijzigde omstandigheden wat dumping betreft redelijkerwijze konden worden geacht van blijvende aard te zijn. |
|
(86) |
Het feit dat Laiwu is gegroeid van de kleinste tot de grootste producent-exporteur naar de EU wordt als een verandering van blijvende aard aangemerkt. De onderneming heeft in haar antwoord op de vragenlijst inderdaad bevestigd dat zij de omvang van de uitvoer zal handhaven en geen wijziging in haar patroon van de uitvoer zal aanbrengen. |
4. SCHADE
4.1. Definitie van de bedrijfstak van de Unie en de productie in de Unie
|
(87) |
In het TNO werd het soortgelijke product vervaardigd door twee producenten in de Unie. Zij vormen de bedrijfstak van de Unie in de zin van artikel 4, lid 1, van de basisverordening. |
|
(88) |
Daar de bedrijfstak van de Unie uit slechts twee producenten bestaat, moesten alle cijfers betreffende gevoelige gegevens met het oog op de vertrouwelijkheid in geïndexeerde vorm of als orde van grootte worden gepresenteerd. |
4.2. Verbruik in de Unie
|
(89) |
De Commissie heeft het verbruik in de Unie vastgesteld door het verkoopvolume van de bedrijfstak van de Unie op de markt van de Unie toe te voegen aan de invoer uit de VRC en andere derde landen, op basis van gegevens van Eurostat en antwoorden op de vragenlijst. |
|
(90) |
Het verbruik in de Unie ontwikkelde zich als volgt: Tabel 1 Verbruik in de Unie
|
||||||||||||||||||||
|
(91) |
Het verbruik in de Unie schommelde tijdens de beoordelingsperiode met +/– 5 %. De ontwikkeling in de beoordelingsperiode laat echter geen duidelijke trend zien. |
4.3. Invoer uit het betrokken land
4.3.1. Omvang en marktaandeel van de invoer uit het betrokken land
|
(92) |
De Commissie heeft de omvang van de invoer op basis van gegevens van Eurostat vastgesteld. Het marktaandeel van de invoer werd vastgesteld op basis van het verbruik in de Unie zoals uiteengezet in overweging 88 en verder. |
|
(93) |
De invoer in de Unie vanuit het betrokken land heeft zich als volgt ontwikkeld: Tabel 2 Omvang van de invoer en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(94) |
De omvang van de invoer schommelde tijdens de beoordelingsperiode. De schommeling lijkt tot op zekere hoogte de ontwikkeling van het verbruik in de Unie te volgen. Toen in 2011 het verbruik laag was, bevond de invoer uit de VRC zich op zijn laagste niveau. Toen in 2012 het verbruik hoog was, bereikte ook de invoer uit de VRC zijn hoogste niveau. |
|
(95) |
De invoer uit China volgde deze ontwikkeling alleen niet in het TNO, toen die invoer ongeveer 10 % lager was dan in 2010, ondanks een vergelijkbaar verbruik in de Unie. Ondanks deze afname behield de invoer uit China gedurende de gehele beoordelingsperiode een aanzienlijk marktaandeel van 35 %-45 % op de markt van de Unie. |
4.3.2. De prijs van de invoer uit het betrokken land en prijsonderbieding
|
(96) |
De Commissie heeft de prijzen van de invoer op basis van gegevens van Eurostat vastgesteld. De gemiddelde prijzen van de invoer in de Unie uit het betrokken land hebben zich als volgt ontwikkeld: Tabel 3 Invoerprijzen
|
|||||||||||||||||||||||||
|
(97) |
De prijzen van de invoer van Chinees citroenzuur namen van 2010 tot en met 2012 toe met 24 %, waarna zij van 2012 tot het eind van het TNO met 8 procentpunten daalden. Gedurende de gehele beoordelingsperiode volgden deze prijzen de ontwikkeling van de prijzen van grondstoffen zoals mais. |
|
(98) |
Na de mededeling van de bevindingen plaatste een van de belanghebbenden vraagtekens bij de juistheid van de Eurostat-gegevens, zonder zijn bewering nader met bewijsmateriaal te onderbouwen. Dit argument kon bijgevolg niet worden aanvaard. |
|
(99) |
De Commissie stelde de prijsonderbieding in het TNO vast aan de hand van een vergelijking van:
|
|
(100) |
Ten aanzien van de producenten-exporteurs die geen partij zijn bij de in overweging 2 vermelde prijsverbintenis, werd voor de vergelijking de aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie in rekening gebrachte prijs gehanteerd. Ten aanzien van de producenten-exporteurs die partij zijn bij de prijsverbintenis, konden de aan de eerste onafhankelijke afnemer in rekening gebrachte prijzen niet worden gehanteerd, omdat deze prijzen waren beïnvloed door de voorwaarden van de prijsverbintenis. Voor deze exporteurs werd prijsonderbieding vastgesteld aan de hand van de prijs die in derde landen aan de eerste onafhankelijke afnemer in rekening werd gebracht. |
|
(101) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden belanghebbenden aan dat voor de vaststelling of er sprake was van prijsonderbieding, ook voor partijen waarvoor geen prijsverbintenis gold de prijs die in rekening werd gebracht aan de eerste onafhankelijke afnemer in derde landen had moeten worden gehanteerd. Uit het onderzoek bleek evenwel dat de belanghebbenden waarvoor de prijsverbintenis niet gold, aanzienlijk lagere prijzen in rekening brachten dan die welke door de partijen bij de prijsverbintenis in rekening werden gebracht. Dit wijst erop dat hun prijzen niet worden beïnvloed door de prijsverbintenis, en dat zij derhalve bij de vaststelling of er sprake is van prijsonderbieding, kunnen worden gehanteerd. |
|
(102) |
De prijzen werden vergeleken per productsoort voor transacties in hetzelfde handelsstadium, naar behoren gecorrigeerd voor commissies en ontklontering. |
|
(103) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden belanghebbenden aan dat een correctie voor ontklontering niet langer noodzakelijk is, omdat er geen noodzaak meer bestaat Chinees citroenzuur te ontklonteren. Uit het onderzoek is echter gebleken dat hoewel ontklontering niet altijd nodig is, er nog steeds gevallen zijn waarin dit wel het geval is, zodat deze correctie gerechtvaardigd is. |
|
(104) |
Voor de niet-medewerkende producenten-exporteurs kon prijsonderbieding niet worden vastgesteld aan de hand van de prijzen per productsoort, aangezien deze informatie niet beschikbaar was. Derhalve geschiedde de vaststelling met betrekking tot prijsonderbieding aan de hand van een vergelijking van de gewogen gemiddelde verkoopprijzen voor zowel de producenten in de Unie als voor de niet-medewerkende Chinese producenten-exporteurs. |
|
(105) |
Het resultaat van de vergelijking werd uitgedrukt als een percentage van de omzet van de producenten in de Unie in het TNO. Hieruit bleek een gewogen gemiddelde prijsonderbiedingsmarge van tussen de 20 % en 45 %. |
4.4. Economische situatie van de bedrijfstak van de Unie
4.4.1. Algemene opmerking
|
(106) |
Overeenkomstig artikel 3, lid 5, van de basisverordening omvatte het onderzoek naar de gevolgen van de invoer met dumping voor de bedrijfstak van de Unie een beoordeling van alle economische factoren die tijdens de beoordelingsperiode van invloed waren op de situatie van de bedrijfstak van de Unie. |
4.4.2. Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
(107) |
De totale productie in de Unie, de productiecapaciteit en de bezettingsgraad ontwikkelden zich gedurende de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 4 Productie, productiecapaciteit en bezettingsgraad
|
|||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(108) |
Tijdens de beoordelingsperiode heeft het productievolume zich positief ontwikkeld. Het nam van 2010 tot en met 2011 met 6 % toe, waarbij zich in de daaropvolgende perioden kleine wijzigingen voordeden. |
|
(109) |
Aangezien de productiecapaciteit vrijwel onveranderd is gebleven, weerspiegelde de bezettingsgraad de ontwikkeling van de omvang van de productie. De bezettingsgraad is met 5 % van 2010 tot en met 2011 aanzienlijk toegenomen, maar bleef in de daarop volgende perioden nagenoeg ongewijzigd. |
4.4.3. Omvang van de verkoop en marktaandeel
|
(110) |
De omvang van de verkoop en het marktaandeel van de bedrijfstak van de Unie ontwikkelden zich tijdens de beoordelingsperiode als volgt: Tabel 5 Omvang van de verkoop en marktaandeel
|
||||||||||||||||||||
|
(111) |
De bedrijfstak van de Unie wist de omvang van zijn verkoop van 2010 tot en met 2011 met 8 % te verhogen. Vervolgens is de omvang van de verkoop op hetzelfde peil gebleven tot het eind van het TNO. |
|
(112) |
Het marktaandeel nam tijdens de beoordelingsperiode op soortgelijke wijze toe met 7 %. In 2011 en 2012 werd het marktaandeel ook beïnvloed door de schommelingen in het verbruik in de Unie, zoals beschreven in overweging 91. |
4.4.4. Groei
|
(113) |
De bedrijfstak van de Unie wist de omvang van zijn verkoop met 8 % en zijn marktaandeel met 7 % te verhogen. Tegelijkertijd steeg de omvang van de productie op soortgelijke wijze. De bedrijfstak van de Unie kon derhalve van de groeimogelijkheden profiteren door zijn marktaandeel in een relatief stabiele markt te vergroten. |
4.4.5. Werkgelegenheid en productiviteit
|
(114) |
De werkgelegenheid en de productiviteit lieten tijdens de beoordelingsperiode de volgende ontwikkeling zien: Tabel 6 Werkgelegenheid en productiviteit
|
||||||||||||||||||||
|
(115) |
De werkgelegenheid ontwikkelde zich gedurende de beoordelingsperiode gunstig, met een stijging van 6 %. Tegelijkertijd bleef de productiviteit per werknemer gedurende de gehele beoordelingsperiode vrij stabiel. |
4.4.6. Hoogte van de dumpingmarge en herstel van eerdere dumping
|
(116) |
De vastgestelde dumpingmarges lagen aanzienlijk boven de de-minimisdrempel. De gevolgen van de hoogte van de werkelijke dumpingmarges voor de bedrijfstak van de Unie werden echter verzacht, aangezien het prijsniveau van vele Chinese producenten-exporteurs werd beïnvloed door de prijsverbintenis. Voor de andere producenten-exporteurs werden de schadelijke gevolgen gecompenseerd door het effect van de rechten. Derhalve kan worden geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie zich heeft hersteld van de schade als gevolg van de dumping in het verleden door Chinese producenten-exporteurs. |
4.4.7. Prijzen en factoren die de prijzen beïnvloeden
|
(117) |
De gewogen gemiddelde verkoopprijzen per eenheid van de producenten in de Unie voor niet-verbonden afnemers in de Unie ontwikkelde zich in de boordelingsperiode als volgt: Tabel 7 Verkoopprijzen in de Unie
|
||||||||||||||||||||||||||||||
|
(118) |
De gewogen gemiddelde productiekosten per eenheid stegen van 2010 tot eind 2011 met 13 % en stegen vervolgens tot het eind van het TNO met nog eens 2 procentpunten. |
|
(119) |
De verkoopprijzen lieten een soortgelijke ontwikkeling zien, maar met een vertraging van ongeveer één jaar. De bedrijfstak van de Unie kon zijn kostenstijgingen van 2011 pas in 2012 volledig doorberekenen aan zijn afnemers. Dit leidde tot een lagere winstgevendheid in 2011, zoals uiteengezet in overweging 120 e.v. |
4.4.8. Loonkosten
|
(120) |
De gemiddelde loonkosten van de producenten in de Unie ontwikkelden zich in de boordelingsperiode als volgt: Tabel 8 Gemiddelde loonkosten per werknemer
|
|||||||||||||||
|
(121) |
De gemiddelde loonkosten per werknemer stegen met in totaal 18 %, hoofdzakelijk als gevolg van een forse stijging van 11 procentpunten van 2011 tot en met 2012. |
4.4.9. Voorraden
|
(122) |
De voorraden van de producenten in de Unie ontwikkelden zich tijdens de boordelingsperiode als volgt: Tabel 9 Voorraden
|
||||||||||||||||||||
|
(123) |
De eindvoorraden van de producenten in de Unie namen sterk toe in de beoordelingsperiode. De grotere omvang van de voorraden aan het einde van het TNO wordt beïnvloed door seizoensgebonden factoren. Hoewel voor de overige tijdvakken de eindvoorraad aan het eind van de maand december wordt bepaald, geschiedt deze bepaling voor het TNO eind juni, juist vóór een periode van vrij grote vraag als gevolg van het toegenomen verbruik van dranken en van een vrij geringe productie vanwege de aanstaande zomervakantie. Het is dus normaal dat er tegen die periode van het jaar sprake is van een enigszins grotere voorraad. |
4.4.10. Winstgevendheid, kasstroom, investeringen, rendement van investeringen en vermogen om kapitaal aan te trekken
|
(124) |
De winstgevendheid, kasstroom, investeringen en het rendement van investeringen van de producenten in de Unie lieten tijdens de beoordelingsperiode de volgende ontwikkeling zien: Tabel 10 Winstgevendheid, kasstroom, investeringen en rendement van investeringen
|
||||||||||||||||||||||||||||||||||||||||
|
(125) |
De Commissie stelde de winstgevendheid van de producenten in de Unie vast door de nettowinst vóór belastingen van de verkoop van het soortgelijke product aan niet-verbonden afnemers in de Unie uit te drukken als percentage van de desbetreffende omzet. Er was sprake van stabiele niveaus gedurende vrijwel de gehele beoordelingsperiode. De winstgevendheid van de bedrijfstak van de Unie was gedurende de gehele beoordelingsperiode hoger dan de in het oorspronkelijke onderzoek bepaalde streefwinst. |
|
(126) |
De netto kasstroom is het vermogen van de producenten in de Unie om hun activiteiten zelf te financieren. De ontwikkeling ervan bleef gedurende de gehele beoordelingsperiode voldoende op peil. |
|
(127) |
Het rendement van investeringen is de winst in procenten van de nettoboekwaarde van de investeringen. De ontwikkeling ervan weerspiegelde de ontwikkeling van de winstgevendheid, en bleef vrijwel gedurende de gehele beoordelingsperiode voldoende op peil. |
|
(128) |
Geen van de producenten in de Unie heeft melding gemaakt van moeilijkheden gedurende de beoordelingsperiode bij het aantrekken van kapitaal. |
4.4.11. Conclusie betreffende schade
|
(129) |
De meeste schade-indicatoren zoals productie, bezettingsgraad, omvang van de verkoop, werkgelegenheid, loonkosten en de verkoopprijzen lieten een positieve ontwikkeling zien. Hoewel de ontwikkeling van de financiële indicatoren zoals de winstgevendheid, de kasstroom en het rendement van investeringen een gemengd beeld lieten zien, zijn de absolute niveaus bevredigend en zij duiden niet op schade. |
|
(130) |
Op grond van het voorgaande heeft de Commissie geconcludeerd dat de bedrijfstak van de Unie zich van de door de dumping in het verleden veroorzaakte schade heeft hersteld en dat hij geen aanmerkelijke schade lijdt in de zin van artikel 3, lid 5, van de basisverordening. |
4.5. Waarschijnlijkheid van herhaling van schade
|
(131) |
Uit de ontwikkelingen betreffende prijzen en de omvang van de invoer van het betrokken product uit China blijkt dat de Chinese exporteurs weliswaar aanzienlijk aanwezig bleven op de markt van de Unie, maar dat de geldende maatregelen (recht en verbintenissen) hebben geleid tot een stijging van de prijzen en een daling van de omvang. De bedrijfstak van de Unie profiteerde het meest van deze ontwikkeling, aangezien de aanwezigheid op de markt van andere derde landen vrij beperkt bleef. Dit geeft aan dat het verdwijnen van de schade vooral aan de geldende maatregelen is te danken. |
|
(132) |
Zoals vermeld in overweging 45 beschikken de producenten-exporteurs in de VRC over de reservecapaciteit die nodig is om hun uitvoer zeer snel te vergroten. Voorts is het, gezien de lucratievere prijzen op de markt van de EU vergeleken met de markten van de meeste derde landen, waarschijnlijk dat aanzienlijke hoeveelheden die momenteel naar deze landen worden uitgevoerd, tevens zullen worden verlegd naar de markt van de EU als de antidumpingmaatregelen vervallen. |
|
(133) |
Bovendien hebben grote internationale markten zoals de VS, Brazilië, Thailand en Oekraïne antidumpingrechten op Chinees citroenzuur ingesteld. Daardoor zal het voor de Chinese producenten-exporteurs moeilijker zijn om op die markten te verkopen dan in een onbeschermde EU-markt als de antidumpingmaatregelen zouden komen te vervallen. |
|
(134) |
Bovendien onderbieden de prijzen van de Chinese producenten-exporteurs voor wie geen prijsverbintenissen gelden, de prijzen van de bedrijfstak van de EU aanzienlijk, met 20 %-45 %. Tevens onderbieden de prijzen die door de aan prijsverbintenissen onderworpen producenten-exporteurs aan markten van derde landen in rekening worden gebracht, de prijzen van de bedrijfstak van de EU met 20 %-39 %. Hieruit blijken de prijzen die Chinese producenten-exporteurs waarschijnlijk zouden hanteren ingeval van toegang tot de markt van de Unie zonder het bestaan van maatregelen. |
|
(135) |
De waarschijnlijkheid van laaggeprijsde Chinese uitvoer bij ontbreken van maatregelen wordt bevestigd door de talrijke antidumpingonderzoeken betreffende Chinees citroenzuur in andere landen, zoals vermeld in overweging 133. |
|
(136) |
De Chinese producenten-exporteurs zijn in staat hun reeds aanzienlijke marktaandeel aanmerkelijk te verhogen tegen prijzen die de prijzen van de bedrijfstak van de Unie aanzienlijk onderbieden, ten nadele van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(137) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden belanghebbenden aan dat niet valt te verwachten dat de Chinese producenten-exporteurs hun prijzen zullen verlagen tot het niveau van de prijzen op de markten van andere derde landen. Dit argument wordt echter niet gestaafd door de tijdens het onderzoek vastgestelde feiten. Zoals reeds vermeld in overweging 134, zijn de vastgestelde prijsonderbiedingsmarges die zijn vastgesteld voor de Chinese producenten-exporteurs waarvoor geen prijsverbintenis geldt op de markt van de Unie (20 %-45 %), zeer vergelijkbaar met die welke zijn vastgesteld voor Chinese producenten-exporteurs waarvoor de prijsverbintenissen gelden, voor de markten van derde landen (20 %-39 %). Het is derhalve aannemelijk dat bij het ontbreken van maatregelen de Chinese prijzen op de markt van de Unie de prijzen van Chinese producenten-exporteurs elders zouden benaderen. |
|
(138) |
Derhalve kan worden geconcludeerd dat een herhaling van schade waarschijnlijk is indien de maatregelen komen te vervallen. |
5. BELANG VAN DE UNIE
|
(139) |
Overeenkomstig artikel 21 van de basisverordening heeft de Commissie onderzocht of de instelling van antidumpingmaatregelen ten aanzien van citroenzuur van oorsprong uit de VRC naar aanleiding van de bevindingen van het huidige nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen in strijd is met het belang van de Unie in haar geheel. Het belang van de Unie werd bepaald aan de hand van een afweging van alle betrokken belangen, waaronder die van de bedrijfstak van de Unie, de importeurs en de gebruikers. Alle belanghebbenden werden overeenkomstig artikel 21, lid 2, van de basisverordening in de gelegenheid gesteld hun standpunt bekend te maken. |
5.1. Belang van de bedrijfstak van de Unie
|
(140) |
De beide producenten in de Unie die samen goed zijn voor 100 % van de productie in de Unie, hebben aan het onderzoek meegewerkt. De bedrijfstak van de Unie heeft zich, zoals in overweging 130 vermeld, hersteld van de schade als gevolg van de dumping in het verleden. |
|
(141) |
De bedrijfstak van de Unie heeft zich dankzij de geldende maatregelen kunnen herstellen van de geleden schade. Tegelijkertijd heeft de bedrijfstak van de Unie aangetoond dat zijn activiteiten levensvatbaar zijn wanneer die niet te lijden hebben van onbillijke concurrentie door invoer met dumping. |
|
(142) |
Tegelijkertijd zou opheffing van de maatregelen zeer waarschijnlijk leiden tot meer oneerlijke concurrentie door de invoer met dumping uit de VRC, waardoor de continuïteit van de activiteiten van de resterende producenten in een voor het overige levensvatbare bedrijfstak in gevaar zou komen. Er zij aan herinnerd dat drie producenten in de Unie hun activiteiten hadden beëindigd vóór de instelling van de maatregelen tegen de invoer uit de VRC. |
|
(143) |
Derhalve luidt de conclusie dat het in het belang van de bedrijfstak van de Unie is om de maatregelen te handhaven. |
5.2. Belang van de niet-verbonden importeurs
|
(144) |
Zoals vermeld in overweging 13 hebben zes niet-verbonden importeurs in het kader van de steekproef geantwoord. De drie grootste importeurs werden opgenomen in de steekproef, maar uiteindelijk verstrekte één importeur geen bruikbaar antwoord op de vragenlijst. Uiteindelijk bestond de steekproef uit de resterende twee importeurs. |
|
(145) |
Beide importeurs verhandelen een breed scala van producten. Het belang van citroenzuur in hun totale omzet varieert sterk. Voor één importeur maakt citroenzuur een onbeduidend deel van de totale omzet uit, terwijl dit voor de andere importeur een van de belangrijkste producten is. |
|
(146) |
Beide in de steekproef opgenomen importeurs zijn niet sterk gekant tegen de geldende maatregelen, maar hebben gewezen op het feit dat het huidige niveau van de MIP te hoog is, wat tot aanmerkelijke winsten voor de bedrijfstak van de Unie leidt. Deze importeurs verzochten derhalve de MIP te verlagen. |
5.3. Belang van de gebruikers
|
(147) |
De Commissie heeft zes volledige antwoorden ontvangen van gebruikers, met name uit de chemische en de farmaceutische industrie. Hoewel de voedsel- en drankindustrie („F&B”) verreweg de grootste gebruiker van citroenzuur is en ten minste 50 % van het totale verbruik voor haar rekening neemt, heeft geen enkele gebruiker van deze industrie volledig meegewerkt. |
|
(148) |
Gebruikers waren bezorgd over de voorzieningszekerheid. Een van de zorgen was het onvermogen van de bedrijfstak van de Unie om volledig in de vraag van de markt van de Unie te voorzien. De maatregelen die van kracht zijn, hebben echter niet verhinderd dat de Chinese invoer in grote hoeveelheden op de markt van de Unie kwam, waardoor zij in het deel van de markt dat niet kan worden bevoorraad door de bedrijfstak van de Unie, kon voorzien. |
|
(149) |
Voor een grote groep gebruikers, waaronder de F&B en de farmaceutische industrie, is citroenzuur slechts in geringe mate nodig voor hun producten. Naar hun mening is het niet gemakkelijk citroenzuur te vervangen, zodat de voorzieningszekerheid vaak belangrijker is dan de prijs. Het financiële effect van de maatregelen op deze gebruikers is verwaarloosbaar, wegens het zeer geringe belang van citroenzuur in hun kostenstructuur. |
|
(150) |
Voor gebruikers die chemische producten produceren die goed zijn voor ongeveer 25 % van het totale verbruik in de EU, is citroenzuur van middelmatig belang en betreft het ongeveer 5 % van de grondstofkosten. Naar hun mening moeten de antidumpingmaatregelen niet worden gehandhaafd. Enkele gebruikers wezen ook op de goede financiële situatie van de producenten in de EU. De gevolgen van de maatregelen voor deze gebruikers zijn groter dan in de F&B en de farmaceutische industrie. Niettemin blijkt uit de gegevens die zijn verstrekt door de medewerkende gebruikers die chemische producten produceren, dat zij ondanks de geldende maatregelen een behoorlijke winst wisten te bereiken. Het effect van de maatregelen op deze gebruikers wordt derhalve beperkt geacht. |
|
(151) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden belanghebbenden uit de detergentiabedrijfstak aan dat citroenzuur wat bepaalde producten aangaat, een groter aandeel in de kosten inneemt dan het hierboven genoemde gemiddelde van 5 %. Tegelijkertijd verstrekten deze belanghebbenden geen bewijsmateriaal waaruit bleek dat het gemiddelde voor de detergentiabedrijfstak verschilt van de 5 % die voor de chemische industrie in het algemeen werd aangegeven. Daarom wordt geoordeeld dat de conclusies voor de chemische industrie in het algemeen ook toepasbaar zijn ten aanzien van de detergentiabedrijfstak in het bijzonder. |
|
(152) |
Na de mededeling van de feiten en overwegingen voerden belanghebbenden voorts aan dat het toekomstige verbod op fosfaten in detergentia voor vaatwasmachines vanaf 2017 tot een groter verbruik van citroenzuur in de Unie zal leiden. Hoewel duidelijk is dat fosfaten tegen die tijd door andere stoffen zullen moeten worden vervangen, is nog niet duidelijk of de fosfaten door citroenzuur of andere stoffen zullen worden vervangen. Ook hebben de partijen geen feitelijk bewijsmateriaal betreffende de algemene gevolgen van deze verandering aangeleverd. |
|
(153) |
Per saldo leggen de positieve gevolgen van de maatregelen voor de bedrijfstak van de Unie veel meer gewicht in de schaal dan de beperkte of vewaarloosbare negatieve gevolgen van de geldende maatregelen voor de gebruikers. |
5.4. Bevoorradingsbronnen op de markt van de Unie
|
(154) |
Belanghebbenden hebben geklaagd over een vermeend gebrek aan concurrentie op de markt van de Unie. Inderdaad zijn er in de EU slechts twee producenten. Om te voldoen aan de vraag van de EU-gebruikers heeft de markt van de Unie invoer nodig die voornamelijk uit de VRC komt. |
|
(155) |
Het feit dat slechts twee producenten in de Unie zijn overgebleven is echter het resultaat van de dumpingpraktijken van de Chinese producenten-exporteurs, wat in de opnieuw onderzochte maatregelen heeft geresulteerd. In 2004 waren er, aan het begin van de beoordelingsperiode van het oorspronkelijke onderzoek, in de Unie nog vijf producenten die concurreerden met aanzienlijke hoeveelheden invoer met dumping uit de VRC. In de daaropvolgende jaren (2004-2007) werd de Unie blootgesteld aan grote hoeveelheden uitvoer met aanzienlijke dumping uit de VRC, en moesten drie producenten in de Unie de markt verlaten, waardoor de huidige duopolistische situatie is ontstaan. |
|
(156) |
Sinds de instelling van de geldende maatregelen kon de neerwaartse trend in het aantal producenten in de Unie een halt worden toegeroepen. Indien de Chinese producenten-exporteurs zou worden toegestaan dumping in onbeperkte hoeveelheden te hervatten, zou de bedrijfstak van de Unie opnieuw schade gaan lijden, een verlies aan marktaandeel aan de Chinese invoer daaronder begrepen. |
|
(157) |
De producenten in de Unie hebben niet de capaciteit om volledig aan de vraag van de markt van de Unie te voldoen (zie overweging 107). Ondanks de geldende maatregelen bleef de invoer uit China de markt van de Unie in grote hoeveelheden binnenkomen, met een marktaandeel tussen 35 % en 45 % gedurende de gehele beoordelingsperiode, zoals uiteengezet in overweging 93. |
|
(158) |
Als er geen maatregelen worden genomen, zouden de enige twee bestaande producenten in de EU ertoe kunnen worden gedwongen eveneens de EU-markt te verlaten. In een dergelijk scenario zouden de EU-gebruikers nog afhankelijker worden van één bron van invoer — de VRC — wat, gelet op het belang van de in het voorgaande genoemde voorzieningszekerheid, niet in het belang van de Unie is. |
5.5. Conclusie inzake het belang van de Unie
|
(159) |
Op basis van het bovenstaande stelde de Commissie vast dat er geen dwingende redenen waren om te concluderen dat handhaving van de maatregelen ten aanzien van de invoer van citroenzuur van oorsprong uit de VRC niet in het belang van de Unie was. |
6. ANTIDUMPINGMAATREGELEN
6.1. Tussentijds nieuw onderzoek dat uitsluitend betrekking heeft op schade
|
(160) |
De meeste medewerkende Chinese producenten-exporteurs zijn partij bij de in overweging 2 bedoelde verbintenissen. Ten aanzien van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen is in overweging 41 aangetoond dat hun prijzen bij uitvoer naar de EU werden bepaald door die prijsverbintenissen waarin minimuminvoerprijzen („MIP's”) zijn vastgesteld. Derhalve werden hun uitvoerprijzen niet voldoende betrouwbaar geacht om te worden gebruikt voor de analyse van de waarschijnlijkheid van voortzetting dan wel herhaling van dumping in de specifieke omstandigheden van dit onderzoek. Evenzeer kunnen die uitvoerprijzen, zoals toegelicht in overweging 100, net zo min als een goede indicator worden beschouwd om een betrouwbare en zinvolle berekening van de prijsonderbieding uit te voeren. Om dezelfde reden zijn deze prijzen evenmin betrouwbaar genoeg om een nieuwe schademarge te berekenen. |
|
(161) |
Wat de medewerkende Chinese producent-exporteur die geen partij is bij de verbintenissen, te weten Laiwu, aangaat, werden de uitvoerprijzen niet door de verbintenis beïnvloed en zij konden derhalve voor de vaststelling van een nieuwe schademarge worden gebruikt. |
6.2. Schademarge
|
(162) |
Om de hoogte van de maatregelen te bepalen, stelde de Commissie eerst de hoogte van het recht vast dat nodig is om te vermijden dat de schade voor de bedrijfstak van de Unie zich opnieuw voordoet. |
|
(163) |
De schade zou zich niet opnieuw voordoen indien de bedrijfstak van de Unie in staat zou zijn om zijn productiekosten te dekken en een winst vóór belasting op de verkoop van het soortgelijke product in de markt van de Unie te verkrijgen die redelijkerwijs kan worden bereikt bij normale concurrentie door een bedrijfstak van dit type in de sector, namelijk bij afwezigheid van invoer met dumping. De voor dit doel vastgestelde winstmarge in het oorspronkelijke onderzoek bedroeg 6 %. |
|
(164) |
Op basis daarvan berekende de Commissie een geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product voor de bedrijfstak van de Unie, door op de verkoopprijzen in de Unie de gedurende het TNO werkelijk behaalde winstmarge in mindering te brengen en te vervangen door de hierboven vermelde winstmarge van 6 %. |
|
(165) |
Een van de belanghebbenden voerde aan dat de winstmarge vóór belasting van 6 % te laag is, aangezien door het hoge belastingtarief de resulterende winst na belasting niet tot de nodige middelen leidt. |
|
(166) |
In dit verband is de winstmarge die werd gebruikt voor de berekening van de schademarge de winstmarge bij afwezigheid van invoer met dumping. De belanghebbende verstrekte geen argumenten waaruit blijkt dat de winstmarge van 6 %, te weten de in het oorspronkelijke onderzoek vastgestelde winstmarge van de bedrijfstak van de Unie bij ontbreken van invoer met dumping, niet geschikt is voor dit doel. |
|
(167) |
De Commissie bepaalde vervolgens het schade opheffende prijsniveau aan de hand van een vergelijking van de gewogen gemiddelde invoerprijs van Laiwu, zoals vastgesteld bij de berekeningen van de prijsonderbieding, met de gewogen gemiddelde, geen schade veroorzakende prijs van het soortgelijke product dat gedurende het TNO door de producenten in de Unie op de markt van de Unie werd verkocht. Elk verschil dat uit deze vergelijking naar voren kwam, werd uitgedrukt als een percentage van de gewogen gemiddelde cif-waarde van de invoer. |
6.3. Definitieve antidumpingmaatregelen
|
(168) |
Wat de onderneming Laiwu Taihe Biochemistry Co., Ltd betreft, moeten definitieve antidumpingmaatregelen voor de invoer van het betrokken product worden ingesteld in overeenstemming met de regel van het laagste recht in artikel 9, lid 4, van de basisverordening. De Commissie heeft de schademarge en de dumpingmarge vergeleken. De hoogte van het recht moet worden vastgesteld op het niveau van de dumpingmarge, of van de schademarge, indien deze lager is. |
|
(169) |
Gelet op het voorgaande zijn de definitieve antidumpingrechten, uitgedrukt in cif-prijs grens Unie, vóór inklaring, als volgt:
|
|
(170) |
In het kader van het nieuwe onderzoek in verband met het vervallen van de maatregelen moeten de antidumpingmaatregelen die van toepassing zijn op citroenzuur van oorsprong uit de VRC overeenkomstig artikel 11, lid 2, van de basisverordening worden gehandhaafd. Er wordt aan herinnerd dat deze maatregelen uit ad-valoremrechten van verschillende hoogte en uit prijsverbintenissen voor bepaalde ondernemingen bestaan. |
|
(171) |
De bij deze verordening voor bepaalde ondernemingen vastgestelde individuele antidumpingrechten werden gebaseerd op de bevindingen van dit onderzoek. Daarin wordt derhalve de situatie weerspiegeld die bij het onderzoek voor die ondernemingen werd geconstateerd. Deze rechten zijn uitsluitend van toepassing op de invoer van het betrokken product van oorsprong uit het betrokken land en vervaardigd door de genoemde juridische entiteiten. Ten aanzien van de invoer van het betrokken product dat door andere ondernemingen is vervaardigd en welke niet specifiek in het dispositief van deze verordening is vermeld, met inbegrip van entiteiten die met de specifiek vermelde ondernemingen verbonden zijn, geldt dat deze is onderworpen aan het recht dat voor „alle andere ondernemingen” geldt. Zij mogen niet worden onderworpen aan de individuele antidumpingrechten. |
|
(172) |
Een onderneming kan om de toepassing van deze individuele antidumpingrechten verzoeken indien zij de naam of het adres van haar entiteit verandert. Dit verzoek moet worden ingediend bij de Commissie (12). Het verzoek moet alle relevante informatie bevatten waarmee kan worden aangetoond dat de wijziging niet van invloed is op het recht van de onderneming om gebruik te maken van het recht dat op haar van toepassing is. Indien de naams- of adreswijziging van de onderneming niet van invloed is op haar recht om het recht te genieten dat op haar van toepassing is, zal een bericht over de naams- of adreswijziging worden bekendgemaakt in het Publicatieblad van de Europese Unie. |
|
(173) |
Twee producenten-exporteurs hebben de Commissie in kennis gesteld van adreswijzingen. Een van hen heeft de Commissie tevens in kennis gesteld van een naamswijziging. Deze wijzigingen hebben geen gevolgen voor hun activiteiten, wat het betrokken product betreft. |
|
(174) |
Een andere producent-exporteur zou niet langer in aanmerking moeten komen voor een individueel recht, daar hij heeft opgehouden te bestaan. |
|
(175) |
De bevindingen in de overwegingen 173 en 174 zijn medegedeeld en er zijn geen opmerkingen ontvangen. |
7. VORM VAN DE MAATREGELEN
|
(176) |
De Commissie onderzocht in het kader van het nieuwe onderzoek wat de vorm van de maatregelen betreft, de opbouw van de MIP van de verbintenissen. De Commissie onderzocht met name het indexeringsmechanisme. |
|
(177) |
De MIP werd oorspronkelijk geïndexeerd op basis van de schommelingen in de maisprijzen in de VS. Toen de oorspronkelijke maatregelen werden ingesteld, konden de producenten-exporteurs die verbintenissen aanboden, geen openbare referentiebron voor EU-maisprijzen vinden. Thans is een dergelijke bron beschikbaar, en wordt deze geschikter geacht gelet op het feit dat de MIP is gebaseerd op de geen schade veroorzakende prijs van de bedrijfstak van de Unie. |
|
(178) |
De Commissie onderzocht tevens de indexeringsvariabele voor het verbruik van grondstoffen per ton citroenzuur en achtte deze correct. |
|
(179) |
Na de mededeling van feiten en overwegingen voerden belanghebbenden aan dat in plaats van de MIP als hiervoor omschreven te indexeren, een vaste minimumprijs of een indexering op basis van de prijzen van andere grondstoffen naast mais moet worden gebruikt, aangezien niet alle producenten in de Unie mais als grondstof voor de productie van citroenzuur gebruiken. Gezien echter de aanzienlijke schommelingen van zowel de productiekosten als de prijzen van citroenzuur, kan een vaste minimumprijs snel achterhaald zijn en onredelijk hoog of laag worden. Ook wordt een indexering voor een grondstof met vrij stabiele prijzen niet passend geacht wanneer de prijs van citroenzuur aanzienlijk fluctueert en er geen betrouwbare openbare bron voor bestaat. |
|
(180) |
Derhalve wordt geoordeeld dat een vaste minimumprijs of een indexering op basis van verschillende grondstoffen niet redelijker is dan een indexering op basis van maisprijzen. Aangezien mais echter niet de basisgrondstof voor alle producenten in de Unie is, werd het passend geacht om de indexeringsvariabele voor het verbruik van grondstoffen te herzien, teneinde beter rekening te houden met het gewogen gemiddelde verbruik van mais van de bedrijfstak van de Unie en met de ontwikkeling van de geen schade veroorzakende prijs van de bedrijfstak van de Unie als geheel. |
|
(181) |
In het kader van het gedeeltelijke tussentijdse nieuwe onderzoek dat uitsluitend betrekking heeft op schade, heeft de Commissie een nieuwe geen schade veroorzakende prijs voor de bedrijfstak van de Unie vastgesteld. De MIP moet op deze basis worden herzien en bijgewerkt, zodat de verbintenissen van kracht kunnen blijven. |
|
(182) |
Na de mededeling van de definitieve bevindingen hebben de vijf medewerkende producenten-exporteurs, met inbegrip van een groep van producenten-exporteurs, waarvoor momenteel verbintenissen gelden, samen met de Chinese Kamer van Koophandel van importeurs en exporteurs van metalen, mineralen & chemicaliën (zie de overwegingen 2 en 3), nieuwe aanvaardbare prijsverbintenissen aangeboden. |
|
(183) |
De Commissie heeft dit aanbod van nieuwe prijsverbintenissen ter vervanging van de geldende prijsverbintenissen bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87 (13) aanvaard. De nieuw aangeboden prijsverbintenissen nemen de schadelijke gevolgen van dumping weg en beperken het gevaar van ontwijking in voldoende mate. |
|
(184) |
Om de Commissie en de douaneautoriteiten nog beter in staat te stellen effectief toezicht op de naleving van de verbintenissen door de ondernemingen uit te oefenen, moet, wanneer de aanvraag voor het vrije verkeer bij de douaneautoriteit wordt ingediend, de vrijstelling van het antidumpingrecht afhankelijk worden gesteld van:
Wanneer niet aan bovenstaande voorwaarden wordt voldaan, is op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer het van toepassing zijnde antidumpingrecht verschuldigd. |
|
(185) |
Wanneer de Commissie ingevolge artikel 8, lid 9, van de basisverordening onder verwijzing naar specifieke transacties haar aanvaarding van een verbintenis wegens een schending opzegt en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart, ontstaat op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld. |
|
(186) |
Importeurs moeten zich ervan bewust zijn dat op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer een douaneschuld kan ontstaan, zoals beschreven in de overwegingen 184 en 185, ook al heeft de Commissie een verbintenis aanvaard van de fabrikant bij wie zij direct of indirect kopen; zij dienen dit als een normaal handelsrisico aan te merken. |
|
(187) |
Het bij artikel 15, lid 1, van de basisverordening opgerichte comité heeft geen advies uitgebracht, |
HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:
Artikel 1
1. Er wordt een definitief antidumpingrecht ingesteld op de invoer van citroenzuur en trinatriumcitraat-dihydraat, momenteel ingedeeld onder de GN-codes 2918 14 00 en ex 2918 15 00 (Taric-code 2918 15 00 10), van oorsprong uit de Volksrepubliek China.
2. De definitieve antidumpingrechten die van toepassing zijn op de nettoprijs, franco grens Unie, vóór inklaring, van het in lid 1 omschreven en door onderstaande ondernemingen vervaardigde product, zijn als volgt:
|
Onderneming |
Definitief antidumpingrecht (%) |
Aanvullende Taric-code |
|
COFCO Biochemical (Anhui) Co., Ltd — No 1 COFCO Avenue, Bengbu City 233010, Anhui Province, VRC |
35,7 |
A874 |
|
Laiwu Taihe Biochemistry Co., Ltd — No 106 Luzhong Large East Street, Laiwu City, Shandong Province, VRC |
15,3 |
A880 |
|
RZBC Co., Ltd — No 9 Xinghai West Road, Rizhao City, Shandong Province, VRC |
36,8 |
A876 |
|
RZBC (Juxian) Co., Ltd — No 209 Laiyang Road (West Side of North Chengyang Road), Juxian Economic Development Zone, Rizhao City, Shandong Province, VRC |
36,8 |
A877 |
|
TTCA Co., Ltd — West, Wenhe Bridge North, Anqiu City, Shandong Province, VRC |
42,7 |
A878 |
|
Weifang Ensign Industry Co., Ltd — No 1567 Changsheng Street, Changle, Weifang, Shandong Province, VRC |
33,8 |
A882 |
|
Jiangsu Guoxin Union Energy Co., Ltd — No 1 Redian Road, Yixing Economic Development Zone, Jiangsu Province, VRC |
32,6 |
A879 |
|
Alle andere ondernemingen |
42,7 |
A999 |
3. Niettegenstaande lid 1 zijn de definitieve antidumpingrechten niet van toepassing op invoer die overeenkomstig artikel 2 in het vrije verkeer is gebracht.
4. Tenzij anders vermeld zijn de desbetreffende bepalingen inzake douanerechten van toepassing.
Artikel 2
1. Ingevoerde goederen die voor het vrije verkeer zijn aangegeven en zijn gefactureerd door ondernemingen waarvan de Commissie verbintenissen heeft aanvaard en wier namen zijn vermeld in Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87, zijn vrijgesteld van het bij artikel 1 ingestelde antidumpingrecht op voorwaarde dat:
|
a) |
de goederen door de genoemde ondernemingen zijn vervaardigd en verzonden en door hen direct aan de eerste onafhankelijke afnemer in de Unie zijn gefactureerd; en |
|
b) |
de goederen vergezeld gaan van een verbintenisfactuur, zijnde een handelsfactuur die ten minste de in de bijlage bij deze verordening vermelde gegevens en verklaring bevat; en |
|
c) |
de goederen die bij de douane worden aangegeven en aangeboden exact overeenstemmen met de beschrijving in de verbintenisfactuur. |
2. Er ontstaat een douaneschuld op het ogenblik van de aanvaarding van de aangifte voor het vrije verkeer:
|
a) |
wanneer ten aanzien van de in lid 1 beschreven ingevoerde goederen wordt vastgesteld dat aan een of meer van de in dat lid genoemde voorwaarden niet is voldaan; of |
|
b) |
wanneer de Commissie haar aanvaarding van de verbintenis overeenkomstig artikel 8, lid 9, van Verordening (EG) nr. 1225/2009 intrekt bij een verordening of besluit waarin zij naar specifieke transacties verwijst en de desbetreffende verbintenisfacturen ongeldig verklaart. |
Artikel 3
Deze verordening treedt in werking op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.
Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.
Gedaan te Brussel, 21 januari 2015.
Voor de Commissie
De voorzitter
Jean-Claude JUNCKER
(1) PB L 343 van 22.12.2009, blz. 51.
(2) PB L 323 van 3.12.2008, blz. 1.
(3) PB L 323 van 3.12.2008, blz. 62.
(4) PB L 244 van 8.9.2012, blz. 27.
(5) PB C 60 van 1.3.2013, blz. 9.
(6) PB C 351 van 30.11.2013, blz. 27.
(7) http://madb.trade.cec.eu.int:8080/madb/atDutyOverviewPubli.htm
(8) http://www.ihs.com/products/chemical/planning/ceh/citric-acid.aspx
(9) http://www.ihs.com/products/chemical/planning/ceh/citric-acid.aspx. Het citaat is gebaseerd op een openbaar uittreksel uit het rapport.
(10) Zie overweging 61 van Verordening (EG) nr. 488/2008 van de Commissie (PB L 143 van 3.6.2008, blz. 13).
(11) PB C 351 van 30.11.2013, blz. 27.
(12) Europese Commissie, Directoraat-generaal Handel, Directoraat H, CHAR 04/39, 1049 Brussel, België.
(13) Zie bladzijde 75 van dit Publicatieblad.
BIJLAGE
De volgende gegevens moeten worden vermeld in de handelsfactuur die de door de onderneming in de Europese Unie ingevoerde goederen waarop een verbintenis van toepassing is, vergezelt:
|
1. |
het opschrift „HANDELSFACTUUR — GOEDEREN DIE ONDER EEN VERBINTENIS VALLEN”; |
|
2. |
de naam van de onderneming die de handelsfactuur heeft afgegeven; |
|
3. |
het nummer van de handelsfactuur; |
|
4. |
de datum van afgifte van de handelsfactuur; |
|
5. |
de aanvullende Taric-code waaronder de in de factuur vermelde goederen aan de grens van de Europese Unie moeten worden ingeklaard; |
|
6. |
een nauwkeurige omschrijving van de goederen, met inbegrip van:
|
|
7. |
de verkoopvoorwaarden, met inbegrip van:
|
|
8. |
de naam van de onderneming die als importeur in de Europese Unie de rechtstreekse ontvanger is van de handelsfactuur die de in het kader van de verbintenis geleverde goederen vergezelt; |
|
9. |
de naam van de werknemer van de onderneming die de factuur heeft opgesteld alsmede de hiernavolgende ondertekende verklaring: „Ondergetekende bevestigt dat de verkoop voor rechtstreekse uitvoer naar de Europese Unie van de goederen waarop deze factuur betrekking heeft, plaatsvindt in het kader en op de voorwaarden van de verbintenis die door [ONDERNEMING] werd aangeboden en door de Europese Commissie bij Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/87 werd aanvaard. Ondergetekende verklaart dat de in deze factuur verstrekte informatie juist en volledig is.” . |