EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015R0068

Gedelegeerde Verordening (EU) 2015/68 van de Commissie van 15 oktober 2014 ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft remvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen Voor de EER relevante tekst

PB L 17 van 23.1.2015, p. 1–139 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 09/06/2018

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2015/68/oj

23.1.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 17/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) 2015/68 VAN DE COMMISSIE

van 15 oktober 2014

ter aanvulling van Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad wat betreft remvoorschriften voor de goedkeuring van landbouw- en bosbouwvoertuigen

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 167/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 5 februari 2013 inzake de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen (1), en met name artikel 17, lid 5,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De interne markt omvat een ruimte zonder binnengrenzen waarin het vrije verkeer van goederen, personen, diensten en kapitaal is gewaarborgd. Daartoe worden een allesomvattend EU-typegoedkeuringsysteem en een versterkt stelsel voor markttoezicht voor landbouw- en bosbouwvoertuigen en de bijbehorende systemen, onderdelen en technische eenheden, zoals omschreven in Verordening (EU) nr. 167/2013, toegepast.

(2)

De term „landbouw- en bosbouwvoertuigen” bestrijkt veel verschillende typen voertuigen met een of meer assen en twee, vier of meer wielen, dan wel rupsvoertuigen, zoals trekkers op wielen, rupstrekkers, aanhangwagens en getrokken uitrustingsstukken, die voor veel verschillende landbouw- en bosbouwdoeleinden, waaronder speciale doeleinden, worden gebruikt.

(3)

De voorschriften van deze verordening zijn gebaseerd op bestaande wetgeving die laatstelijk is gewijzigd in 1997; gelet op de technische vooruitgang moeten met name de regels voor het testen echter uitvoerig worden aangepast en moeten er specifieke bepalingen worden ingevoerd voor energiereservoirs, voertuigen met hydrostatische aandrijving, voertuigen met oploopremmen, voertuigen met complexe elektronische controlesystemen, antiblokkeersystemen en elektronisch geregelde remsystemen.

(4)

Deze verordening bevat ook voorschriften inzake de rembediening van getrokken voertuigen en de remverbinding tussen de trekker en getrokken voertuigen die strenger zijn dan die in Richtlijn 76/432/EEG van de Raad (2), ingetrokken bij Verordening (EU) nr. 167/2013.

(5)

Bij Besluit 97/836/EG van de Raad (3) heeft de Unie Reglement nr. 13 van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties (VN/ECE) aanvaard. De materiële voorschriften in bijlage 18 bij dat reglement inzake veiligheidsaspecten van complexe elektronische voertuigcontrolesystemen moeten worden overgenomen in deze verordening, aangezien zij overeenstemmen met de nieuwste stand van de techniek.

(6)

Voor voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 60 km/h zijn antiblokkeersystemen algemeen gangbaar, zodat zij als geschikt kunnen worden beschouwd en verplicht kunnen worden gesteld vanaf de toepassing van deze verordening; voor voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid tussen 40 en 60 km/h zijn dergelijke systemen echter nog niet breed beschikbaar. Voor die voertuigen moet de eventuele invoering van een antiblokkeersysteem dan ook worden bevestigd na een definitieve beoordeling door de Commissie van de beschikbaarheid van dergelijke systemen. Daartoe moet de Commissie uiterlijk op 31 december 2016 oordelen over de beschikbaarheid van antiblokkeersystemen voor landbouw- en bosbouwvoertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid tussen 40 en 60 km/h. Indien uit die beoordeling niet zou blijken dat dergelijke technologie beschikbaar is en kan worden toegepast, dan moet de Commissie deze verordening zodanig wijzigen dat de betreffende voorschriften niet van toepassing worden op voertuigen met een door het ontwerp bepaalde maximumsnelheid tussen 40 en 60 km/h.

(7)

Waar fabrikanten krachtens artikel 2 van Verordening (EU) nr. 167/2013 ervoor kunnen kiezen een nationale typegoedkeuring aan te vragen, moeten de lidstaten voor alle in deze verordening geregelde onderwerpen de vrijheid hebben om voorschriften voor nationale typegoedkeuring vast te stellen die afwijken van de voorschriften van deze verordening.

Wanneer voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden voldoen aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften, mogen de lidstaten in het kader van een nationale typegoedkeuring niet de goedkeuring daarvan weigeren omwille van functionele veiligheidsaspecten die betrekking hebben op de remwerking, behalve als het voorschriften betreft die gelden voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype. Deze verordening moet geharmoniseerde voorschriften invoeren voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype die het mogelijk maken dat dergelijke verbindingen in het kader van de EU-typegoedkeuring gedurende een beperkte periode kunnen worden aanvaard. Aangezien sommige lidstaten echter op nationaal niveau strengere voorschriften hanteerden, moeten de lidstaten al vanaf de toepassingsdatum van deze verordening de mogelijkheid hebben om te weigeren nationale typegoedkeuring te verlenen voor voertuigtypen die zijn uitgerust met hydraulische verbindingen van het eenleidingtype, indien zij van oordeel zijn dat dit strookt met hun nationale veiligheidseisen.

(8)

Met het oog op een geharmoniseerde toepassingsdatum voor alle nieuwe typegoedkeuringsregels moet deze verordening van toepassing zijn met ingang van dezelfde toepassingsdatum als Verordening (EU) nr. 167/2013,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ONDERWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Onderwerp

Deze verordening bevat de gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures inzake functionele veiligheid die betrekking hebben op de remwerking voor de goedkeuring van en het markttoezicht op landbouw- en bosbouwvoertuigen en systemen, onderdelen en technische eenheden die voor dergelijke voertuigen zijn bestemd, overeenkomstig Verordening (EU) nr. 167/2013.

Artikel 2

Definities

De definities van Verordening (EU) nr. 167/2013 gelden. Bovendien wordt verstaan onder:

1)   „remsysteem”: geheel van onderdelen dat als doel heeft een bewegend voertuig geleidelijk af te remmen of tot stilstand te brengen of een stilstaand voertuig op zijn plaats te houden; het systeem bestaat uit het bedieningsorgaan, de overbrenging en de rem;

2)   „bedrijfsremsysteem”: remsysteem waardoor de bestuurder de beweging van het voertuig kan controleren en het voertuig op veilige, snelle en doeltreffende wijze tot stilstand kan brengen bij elke snelheid en belasting waarvoor het voertuig is goedgekeurd en op elke stijgende of dalende helling;

3)   „gedoseerd remmen”: vorm van remmen waarbij binnen het normale werkingsgebied van de uitrusting, zowel tijdens de bediening als het lossen van de remmen, aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de bestuurder kan te allen tijde de remkracht vergroten of verkleinen door middel van het bedieningsorgaan,

b)

de remkracht werkt in dezelfde richting als die waarin het bedieningsorgaan wordt gehanteerd (monotone functie),

c)

de remkracht kan op voldoende nauwkeurige wijze worden geregeld;

4)   „bedieningsorgaan”: orgaan dat door de bestuurder rechtstreeks wordt bediend om aan de overbrenging de voor het remmen nodige energie toe te voeren of deze te regelen. Deze energie kan de spierkracht van de bestuurder, energie uit een andere door de bestuurder geregelde energiebron, in bepaalde gevallen de kinetische energie van een getrokken voertuig, of een combinatie van deze diverse vormen van energie zijn;

5)   „overbrenging”: geheel van onderdelen tussen het bedieningsorgaan en de rem, met uitzondering van bedieningsleidingen tussen trekkers en getrokken voertuigen en toevoerleidingen tussen trekkers en getrokken voertuigen, dat deze beide op functionele wijze met elkaar verbindt via mechanische, hydraulische, pneumatische of elektrische middelen of door een combinatie van deze middelen; wanneer het remvermogen wordt geleverd of ondersteund door een van de bestuurder onafhankelijke energiebron, maakt de energiereserve deel uit van de overbrenging;

6)   „overbrenging van de bediening”: geheel van onderdelen van de overbrenging dat de werking van de remmen en de benodigde energiereserve(s) regelt;

7)   „overbrenging van de energie”: het geheel van onderdelen dat de remmen de energie bezorgt die voor de werking ervan nodig is;

8)   „wrijvingsrem”: rem waarbij krachten ontstaan door wrijving tussen twee ten opzichte van elkaar bewegende delen van het voertuig;

9)   „vloeistof-/luchtrem”: rem waarbij krachten ontstaan door de werking van een niet-vaste stof welke zich bevindt tussen twee ten opzichte van elkaar bewegende delen van het voertuig; deze stof is vloeibaar in het geval van een „hydraulische rem” en lucht in het geval van een „pneumatische rem”;

10)   „motorrem”: rem waarbij krachten ontstaan door een gecontroleerde vergroting van de op de wielen overgebrachte remmende werking van de motor;

11)   „parkeerremsysteem”: systeem dat het mogelijk maakt het voertuig op zijn plaats te houden op een stijgende of dalende helling, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder;

12)   „continu remmen”: remmen van tot een voertuigcombinatie behorende voertuigen middels een systeem met alle volgende kenmerken:

a)

één bedieningsorgaan, dat de bestuurder met één handeling vanaf zijn zitplaats geleidelijk bedient,

b)

de voor het remmen van de tot de voertuigcombinatie behorende voertuigen gebruikte energie wordt geleverd door één en dezelfde energiebron,

c)

de reminrichting zorgt voor de gelijktijdige of de doelmatig in de tijd gespreide remming van elk van de tot de combinatie behorende voertuigen, ongeacht hun plaats ten opzichte van elkaar;

13)   „halfcontinu remmen”: remmen van tot een voertuigcombinatie behorende voertuigen middels een systeem met alle volgende kenmerken:

a)

één bedieningsorgaan, dat de bestuurder met één handeling vanaf zijn zitplaats geleidelijk bedient;

b)

de voor het remmen van de tot de voertuigcombinatie behorende voertuigen gebruikte energie wordt geleverd door twee verschillende energiebronnen,

c)

de reminrichting zorgt voor de gelijktijdige of de doelmatig in de tijd gespreide remming van elk van de tot de combinatie behorende voertuigen, ongeacht hun plaats ten opzichte van elkaar;

14)   „automatische remming”: remming van het getrokken voertuig of de getrokken voertuigen die automatisch geschiedt bij scheiding van een van de tot de combinatie behorende voertuigen, bijvoorbeeld ten gevolge van breuk van een koppeling, zonder dat de doelmatigheid van de rest van de combinatie hierdoor wordt aangetast;

15)   „oploopremming”: remming welke wordt bewerkstelligd door gebruikmaking van de krachten die ontstaan door nadering van het getrokken voertuig tot de trekker;

16)   „niet-ontkoppelbare overbrenging”: overbrenging waarbij de druk of de kracht of het koppel op elk moment tijdens de beweging van het voertuig continu wordt overgebracht in de aandrijving tussen de motor van het voertuig en de wielen en in het remsysteem tussen het bedieningsorgaan van de rem en de wielen;

17)   „beladen voertuig”: voertuig dat is belast tot zijn technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

18)   „wielbelasting”: de verticale statische kracht van het wegdek uitgeoefend in het contactgebied op het wiel;

19)   „asbelasting”: de som van de verticale statische krachten van het wegdek uitgeoefend in het contactgebied op de wielen van de as;

20)   „maximale stationaire wielbelasting”: stationaire wielbelasting wanneer het voertuig beladen is met de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

21)   „maximale stationaire asbelasting”: stationaire asbelasting wanneer het voertuig beladen is met de technisch toelaatbare maximummassa in beladen toestand;

22)   „getrokken voertuig”: een aanhangwagen zoals bedoeld in artikel 3, lid 9, van Verordening (EU) nr. 167/2013 of een verwisselbaar getrokken uitrustingsstuk als bedoeld in artikel 3, lid 10, van die verordening;

23)   „getrokken voertuig met dissel”: getrokken voertuig van categorie R of S met ten minste twee assen waarvan ten minste één as gestuurd is en dat is uitgerust met een trekinrichting die verticaal kan bewegen ten opzichte van het getrokken voertuig en die geen aanzienlijke verticale statische belasting overbrengt op de trekker;

24)   „getrokken voertuig met middenas”: getrokken voertuig van categorie R of S waarvan een of meer assen zich dicht bij het zwaartepunt van het voertuig (indien gelijkmatig belast) bevinden, zodat slechts een geringe statische verticale belasting van ten hoogste 10 % van de met de maximummassa van het getrokken voertuig overeenkomende belasting of van 1 000 daN — de lichtste belasting is van toepassing — wordt overgebracht op de trekker;

25)   „getrokken voertuig met stijve dissel”: getrokken voertuig van categorie R of S met één as of één groep assen waarvan de dissel door de constructie ervan een aanzienlijke statische belasting op de trekker overbrengt en die niet aan de definitie van een getrokken voertuig met middenas beantwoordt; de koppeling die voor de voertuigcombinatie wordt gebruikt, bestaat niet uit een koppelingspen en een koppelschotel; bij een stijve dissel kan een beperkte verticale beweging plaatsvinden; een hydraulisch regelbare scharnierende dissel wordt beschouwd als een stijve dissel;

26)   „continuremsysteem”: aanvullend remsysteem dat lange tijd achtereen een remeffect kan uitoefenen en handhaven zonder aanmerkelijke vermindering van de remwerking, met inbegrip van het bedieningsorgaan; het remsysteem kan één enkel orgaan omvatten dan wel een combinatie van verschillende organen die elk hun eigen bediening kunnen hebben;

27)   „elektronisch geregeld remsysteem” (electronically controlled braking system — „EBS”): remsysteem waarbij de bediening ontstaat en wordt uitgevoerd als een elektrisch signaal in de bedieningsoverbrenging en als elektrische uitgangssignalen naar inrichtingen die bedieningskrachten voortbrengen uit opgeslagen of opgewekte energie;

28)   „automatisch gestuurd remmen”: een functie binnen een complex elektronisch controlesysteem die het remsysteem of de remmen van bepaalde assen in werking stelt om het voertuig te vertragen, met of zonder directe tussenkomst van de bestuurder, en die het gevolg is van de automatische evaluatie van aan boord gegenereerde informatie;

29)   „selectief remmen”: een functie binnen een complex elektronisch controlesysteem die onafhankelijke remmen op automatische wijze in werking stelt, waarbij de vertraging van het voertuig ondergeschikt is aan wijziging van het gedrag van het voertuig;

30)   „elektrische bedieningsleiding”: de elektrische verbinding tussen twee voertuigen die bediening van de remfunctie van een tot een combinatie behorend getrokken voertuig mogelijk maakt; de verbinding omvat de elektrische bedrading en connector, alsook de onderdelen voor datacommunicatie en de elektrische energievoorziening voor de bedieningsoverbrenging van het getrokken voertuig;

31)   „veercompressiekamer”: de ruimte waarin de drukverandering wordt teweeggebracht die tot indrukking van de veer leidt;

32)   „hydrostatische aandrijving”: type voertuigaandrijving waarbij gebruik wordt gemaakt van hydrostatische transmissie met open of gesloten circuit, waarin energie wordt overgebracht door de circulatie van een vloeistof tussen een of meer hydraulische pompen en een of meer hydraulische motoren;

33)   „complex elektronisch voertuigcontrolesysteem”: elektronisch controlesysteem volgens een hiërarchisch opgebouwde controle, waarbij een gecontroleerde functie kan worden opgeheven door een elektronische controlefunctie van een hoger niveau of door een functie die wordt uitgevoerd door een elektronisch controlesysteem van een hoger niveau;

34)   „antiblokkeersysteem”: onderdeel van een bedrijfsremsysteem dat tijdens het remmen automatisch de mate van slip op een of meer wielen in de draairichting van het wiel regelt;

35)   „wiel met directe regeling”: een wiel waarvan de remkracht wordt gedoseerd volgens de gegevens afkomstig van ten minste de sensor van dat wiel;

36)   „hydraulische verbinding van het eenleidingtype”: remverbinding tussen de trekker en het getrokken voertuig via één enkele leiding met hydraulische vloeistof.

HOOFDSTUK II

VOORSCHRIFTEN VOOR REMINRICHTINGEN EN REMKOPPELINGEN VAN AANHANGWAGENS

Artikel 3

Montage- en demonstratievoorschriften voor remwerking

1.   De fabrikanten rusten landbouw- en bosbouwvoertuigen uit met systemen, onderdelen en technische eenheden, voor zover deze invloed hebben op de remwerking van die voertuigen, die zo ontworpen, gebouwd en geassembleerd zijn dat het voertuig bij normaal gebruik en onderhoud volgens de voorschriften van de fabrikant voldoet aan de gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures in de artikelen 4 tot en met 17.

2.   De fabrikanten tonen middels fysieke tests bij de goedkeuringsinstantie aan dat de landbouw- en bosbouwvoertuigen die in de Unie op de markt worden aangeboden, geregistreerd of in het verkeer worden gebracht, voldoen aan de gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures als bedoeld in de artikelen 4 tot en met 17.

3.   De fabrikanten zorgen ervoor dat reserveonderdelen die in de Unie op de markt worden aangeboden of in het verkeer worden gebracht voldoen aan de gedetailleerde technische voorschriften en testprocedures die in deze verordening worden vastgesteld.

4.   In plaats van de verplichtingen van deze verordening na te leven kan de fabrikant in het inlichtingenformulier het testrapport van een onderdeel of relevante documentatie verstrekken waarmee hij aantoont dat een systeem of een voertuig voldoet aan de voorschriften van VN/ECE-Reglement nr. 13, waarnaar wordt verwezen in bijlage X.

5.   In plaats van de verplichtingen van deze verordening na te leven kan de fabrikant in het inlichtingenformulier relevante documentatie verstrekken waarmee hij aantoont dat een antiblokkeersysteem voor een getrokken voertuig, indien aanwezig, voldoet aan de voorschriften van punt 5 van bijlage 19 bij VN/ECE-Reglement nr. 13, waarnaar wordt verwezen in bijlage X.

6.   De in de leden 4 en 5 bedoelde onderdelen en systemen zullen worden vermeld in de overeenkomstig artikel 68 van Verordening (EU) nr. 167/2013 aangenomen uitvoeringshandeling.

Artikel 4

Voorschriften voor de constructie en de montage van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens

De testprocedures en voorschriften voor de constructie en de montage van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage I.

Artikel 5

Voorschriften voor het testen en de werking van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en van daarmee uitgeruste voertuigen

De testprocedures en voorschriften voor de werking van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage II.

Artikel 6

Voorschriften voor het meten van de responsietijd

De testprocedures en prestatievoorschriften voor het meten van de responsietijd van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage III.

Artikel 7

Voorschriften voor energiebronnen en energieopslagvoorzieningen van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen

De testprocedures en prestatievoorschriften voor energiebronnen en energieopslagvoorzieningen van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage IV.

Artikel 8

Voorschriften voor veerremmen en voor daarmee uitgeruste voertuigen

De testprocedures en prestatievoorschriften voor veerremmen en voor daarmee uitgeruste voertuigen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage V.

Artikel 9

Voorschriften voor parkeerremsystemen met mechanische vergrendeling van de remcilinders

De prestatievoorschriften voor parkeerremsystemen met mechanische vergrendeling van de remcilinders worden gecontroleerd overeenkomstig bijlage VI.

Artikel 10

Alternatieve testvoorschriften voor voertuigen waarvoor tests van type I, type II of type III niet verplicht zijn

1.   De voorwaarden waaronder voor bepaalde typen voertuigen de tests van type I, type II of type III niet verplicht zijn, zijn vastgelegd in bijlage VII.

2.   De testprocedures en prestatievoorschriften voor voertuigen en hun reminrichtingen waarvoor de tests van type I, type II of type III overeenkomstig lid 1 niet verplicht zijn, worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage VII.

Artikel 11

Voorschriften en testprocedures voor het testen van oploopremsystemen, -reminrichtingen en -remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen wat betreft het remmen

De procedures en voorschriften voor het testen van oploopremsystemen, -reminrichtingen en -remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen wat betreft het remmen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage VIII.

Artikel 12

Voorschriften voor voertuigen met hydrostatische aandrijving en hun reminrichtingen en remsystemen

De testprocedures en prestatievoorschriften voor voertuigen met hydrostatische aandrijving en hun reminrichtingen en remsystemen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage IX.

Artikel 13

Voorschriften voor de veiligheidsaspecten van complexe elektronische voertuigcontrolesystemen

De testprocedures en prestatievoorschriften voor de veiligheidsaspecten van complexe elektronische voertuigcontrolesystemen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage X.

Artikel 14

Voorschriften voor antiblokkeersystemen en voor daarmee uitgeruste voertuigen

De testprocedures en voorschriften voor antiblokkeersystemen en voor daarmee uitgeruste voertuigen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage XI.

Artikel 15

Voorschriften voor EBS-systemen van voertuigen met een drukluchtremsysteem en van voertuigen met datacommunicatie via pin 6 en 7 van de connector volgens ISO 7638 en voor met een dergelijk EBS-systeem uitgeruste voertuigen

De testprocedures en voorschriften voor EBS-systemen van voertuigen met een drukluchtremsysteem en van voertuigen met datacommunicatie via pin 6 en 7 van de connector volgens ISO 7638 en voor met een dergelijk EBS-systeem uitgeruste voertuigen worden uitgevoerd en gecontroleerd overeenkomstig bijlage XII.

Artikel 16

Voorschriften voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype en voor daarmee uitgeruste voertuigen

1.   De prestatievoorschriften voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens en voor voertuigen die zijn uitgerust met hydraulische verbindingen van het eenleidingtype zijn vastgelegd in bijlage XIII.

2.   Na 31 december 2019 monteren voertuigfabrikanten geen hydraulische verbindingen van het eenleidingtype op nieuwe typen van voertuigen van de categorieën T of C en na 31 december 2020 monteren zij die niet op nieuwe voertuigen van die categorieën.

HOOFDSTUK III

VERPLICHTINGEN VAN DE LIDSTATEN

Artikel 17

Typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 167/2013 weigeren de goedkeuringsinstanties met ingang van 1 januari 2016 niet omwille van functionele veiligheidsaspecten die betrekking hebben op de remwerking EU-typegoedkeuring te verlenen voor typen van landbouw- en bosbouwvoertuigen die voldoen aan de voorschriften van deze verordening.

Overeenkomstig artikel 6, lid 2, van Verordening (EU) nr. 167/2013 en artikel 16 van deze verordening weigeren de typegoedkeuringsinstanties met ingang van 1 januari 2020 typegoedkeuring te verlenen voor voertuigen van de categorieën T of C die zijn uitgerust met hydraulische verbindingen van het eenleidingtype.

Met ingang van 1 januari 2018 verbieden de nationale autoriteiten het op de markt aanbieden, de registratie en het in verkeer brengen van nieuwe voertuigen die niet voldoen aan Verordening (EU) nr. 167/2013 en de bepalingen van deze verordening inzake functionele veiligheid die betrekking hebben op de remwerking.

Met ingang van 1 januari 2021 verbieden de nationale autoriteiten het op de markt aanbieden, de registratie en het in verkeer brengen van nieuwe voertuigen van de categorieën T of C die zijn uitgerust met hydraulische verbindingen van het eenleidingtype zoals bedoeld in artikel 16.

Artikel 18

Nationale typegoedkeuring van voertuigen, systemen, onderdelen en technische eenheden

De nationale autoriteiten weigeren niet omwille van functionele veiligheidsaspecten die betrekking hebben op de remwerking nationale typegoedkeuring te verlenen aan een type voertuig, systeem, onderdeel of technische eenheid dat voldoet aan de in deze verordening vastgestelde voorschriften, behalve als het voorschriften betreft die gelden voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALING

Artikel 19

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 1 januari 2016.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 oktober 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 60 van 2.3.2013, blz. 1.

(2)  Richtlijn 76/432/EEG van de Raad van 6 april 1976 inzake de onderlinge aanpassing van de wetgevingen van de lidstaten betreffende de reminrichtingen van landbouw- en bosbouwtrekkers op wielen (PB L 122 van 8.5.1976, blz. 1).

(3)  Besluit 97/836/EG van de Raad van 27 november 1997 inzake de toetreding van de Europese Gemeenschap tot de overeenkomst van de Economische Commissie voor Europa van de Verenigde Naties betreffende het aannemen van eenvormige technische eisen voor wielvoertuigen, uitrustingsstukken en onderdelen die kunnen worden aangebracht en/of gebruikt op wielvoertuigen en de voorwaarden voor wederzijdse erkenning van goedkeuringen verleend op basis van deze eisen („Herziene overeenkomst van 1958”) (PB L 346 van 17.12.1997, blz. 78).


LIJST VAN BIJLAGEN

Nummer bijlage

Titel van bijlage

Bladzijde nr.

I

Voorschriften voor de constructie en de montage van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens

10

II

Voorschriften voor het testen en de werking van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en van daarmee uitgeruste voertuigen

27

III

Voorschriften voor het meten van de responsietijd

49

IV

Voorschriften voor energiebronnen en energiereservoirs van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen

60

V

Voorschriften voor veerremmen en voor daarmee uitgeruste voertuigen

67

VI

Voorschriften voor parkeerremsystemen met mechanische vergrendeling van de remcilinders

70

VII

Alternatieve testvoorschriften voor voertuigen waarvoor tests van type I, type II of type III niet verplicht zijn

71

VIII

Voorschriften voor het testen van oploopremsystemen, -reminrichtingen en -remkoppelingen voor aanhangwagens en voor daarmee uitgeruste voertuigen wat betreft het remmen

83

IX

Voorschriften voor voertuigen met hydrostatische aandrijving en hun reminrichtingen en remsystemen

98

X

Voorschriften voor de veiligheidsaspecten van complexe elektronische voertuigcontrolesystemen

104

XI

Voorschriften voor antiblokkeersystemen en voor daarmee uitgeruste voertuigen

105

XII

Voorschriften voor EBS-systemen van voertuigen met een drukluchtremsysteem en van voertuigen met datacommunicatie via pin 6 en 7 van de connector volgens ISO 7638:2003 en voor met een dergelijk EBS-systeem uitgeruste voertuigen

121

XIII

Voorschriften voor hydraulische verbindingen van het eenleidingtype en voor daarmee uitgeruste voertuigen

136


BIJLAGE I

Voorschriften voor de constructie en de montage van reminrichtingen en remkoppelingen voor aanhangwagens

1.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1.1.   „regeling van de koppelingskracht”: een systeem of functie om de vertragingsfactor van de trekker en het getrokken voertuig automatisch te balanceren;

1.2.   „nominale vraagwaarde”: een bij typegoedkeuring aantoonbare karakteristieke waarde van de regeling van de koppelingskracht, die het verband weergeeft tussen het koppelingskopsignaal en de vertragingsfactor, binnen de grenswaarden van de compatibiliteitsbanden van bijlage II, aanhangsel 1;

1.3.   „onderrollen”: het systeem dat het gewicht van het voertuig of het rupsonderstel via de rupsband op de grond overbrengt, dat het koppel van het aandrijfsysteem van het voertuig op de rupsband overbrengt en dat de bewegende band van richting kan doen veranderen;

1.4.   „rupsonderstel”: een systeem bestaande uit ten minste twee onderrollen, die zich op een bepaalde afstand van elkaar in één vlak bevinden (op één lijn) waaromheen een ononderbroken metalen of rubberen rupsband loopt;

1.5.   „rupsband”: een ononderbroken flexibele band, die trekkrachten in de lengterichting kan absorberen.

2.   Constructie- en montagevoorschriften

2.1.   Algemeen

Tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven wordt met een verwijzing naar een door de constructie bepaalde maximumsnelheid in deze bijlage die voor een zich voorwaarts bewegend voertuig bedoeld.

2.1.1.   Onderdelen, technische eenheden en delen van remsystemen

2.1.1.1.   De onderdelen, technische eenheden en delen van remsystemen moeten zodanig zijn ontworpen, gebouwd en gemonteerd dat het voertuig onder normale gebruiksomstandigheden en ondanks eventueel optredende trillingen kan voldoen aan de onderstaande voorschriften.

2.1.1.2.   De onderdelen, technische eenheden of delen van remsystemen moeten met name zodanig zijn ontworpen, gebouwd en gemonteerd, dat zij bestand zijn tegen corrosie en veroudering.

2.1.1.3.   De remvoeringen mogen geen asbest bevatten.

2.1.1.4.   Het is niet toegestaan onderdelen, technische eenheden of delen van remsystemen (zoals kleppen) te monteren die het mogelijk maken dat de gebruiker van het voertuig de werking van het remsysteem zodanig wijzigt dat het voertuig in bedrijf niet aan de voorschriften van deze verordening voldoet. Onderdelen, technische eenheden of delen van remsystemen waaraan alleen werkzaamheden kunnen worden verricht door de fabrikant aan de hand van speciaal gereedschap en/of middels een verzegelde sluiting, zijn toegestaan op voorwaarde dat de gebruiker van het voertuig dat onderdeel, die technische eenheid of dat deel niet kan wijzigen of dat elke wijziging door een gebruiker gemakkelijk door de handhavingsinstanties kan worden vastgesteld.

2.1.1.5.   Een getrokken voertuig moet worden uitgerust met een automatisch lastafhankelijke inrichting, met uitzondering van de volgende gevallen:

2.1.1.5.1

Indien een getrokken voertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 30 km/h om technische redenen niet kan worden uitgerust met een automatisch lastafhankelijke inrichting, kan het worden uitgerust met een inrichting met ten minste drie verschillende instellingen voor de regeling van de remkrachten.

2.1.1.5.2

In het bijzondere geval dat door het ontwerp van een getrokken voertuig slechts twee verschillende belastingsomstandigheden mogelijk zijn, namelijk „onbeladen” en „beladen”, kan het voertuig worden uitgerust met slechts twee verschillende instellingen voor de regeling van de remkrachten.

2.1.1.5.3

Voertuigen van categorie S met machines die geen enkele andere belasting, met inbegrip van gebruiksmateriaal, bevatten.

2.1.2.   Functies van het remsysteem

Het remsysteem moet de volgende functies vervullen:

2.1.2.1.   Bedrijfsremsysteem

De werking van het bedrijfsremsysteem moet kunnen worden gedoseerd. De bestuurder moet deze remwerking vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen zonder zijn handen van de stuurinrichting te nemen.

2.1.2.2.   Hulpremsysteem

Het hulpremsysteem moet het bij storing van het bedrijfsremsysteem mogelijk maken het voertuig binnen een redelijke afstand tot stilstand te brengen. Bij trekkers moet deze remwerking kunnen worden gedoseerd. De bestuurder moet deze remwerking vanaf zijn zitplaats kunnen bewerkstelligen terwijl hij ten minste één hand op de stuurinrichting houdt. Bij deze voorschriften wordt aangenomen dat er zich niet meer dan één storing in het bedrijfsremsysteem tegelijkertijd kan voordoen.

2.1.2.3.   Parkeerremsysteem

Het parkeerremsysteem moet het mogelijk maken het voertuig onbeweeglijk te houden op een op- of neerwaartse helling, zelfs bij afwezigheid van de bestuurder, waarbij de actieve onderdelen van het remsysteem aangespannen blijven met behulp van een uitsluitend mechanisch werkend systeem. De bestuurder moet deze remmen vanaf zijn zitplaats in werking kunnen stellen, met dien verstande dat in het geval van een getrokken voertuig de voorschriften van punt 2.2.2.11 van toepassing zijn.

Het (pneumatische of hydraulische) remsysteem van het getrokken voertuig en de parkeerrem van de trekker mogen gelijktijdig worden bediend, op voorwaarde dat de bestuurder te allen tijde in staat is na te gaan dat de werking van het parkeerremsysteem van de voertuigcombinatie die door de uitsluitend mechanische werking van het parkeerremsysteem wordt verkregen, voldoende is.

2.1.3.   De desbetreffende voorschriften van bijlage II, aanhangsel I, worden toegepast op voertuigen en hun remsysteem.

2.1.4.   Verbindingen tussen trekkers en getrokken voertuigen voor drukluchtremsystemen

2.1.4.1.   De verbindingen van de drukluchtremsystemen tussen trekkers en getrokken voertuigen moeten voldoen aan punt 2.1.4.1.1, 2.1.4.1.2 of 2.1.4.1.3:

2.1.4.1.1.

één pneumatische toevoerleiding en één pneumatische bedieningsleiding;

2.1.4.1.2

één pneumatische toevoerleiding, één pneumatische bedieningsleiding en één elektrische bedieningsleiding;

2.1.4.1.3

één pneumatische toevoerleiding en één elektrische bedieningsleiding. Verbindingen tussen trekkers en aanhangwagens volgens de bepalingen van dit punt worden pas toegestaan nadat overeenstemming is bereikt over uniforme technische normen ter waarborging van compatibiliteit en veiligheid.

2.1.5.   Verbindingen tussen trekkers en getrokken voertuigen met hydraulische remsystemen

2.1.5.1.   Soorten verbinding

2.1.5.1.1.   Hydraulische bedieningsleiding: verbindingsleiding met de mannelijke aansluiting op de trekker en de vrouwelijke aansluiting op het getrokken voertuig. De aansluitingen moeten beantwoorden aan ISO 5676:1983.

2.1.5.1.2.   Hydraulische supplementaire leiding: verbindingsleiding met de mannelijke aansluiting op de trekker en de vrouwelijke aansluiting op het getrokken voertuig. De aansluitingen moeten beantwoorden aan ISO 16028:2006, formaat 10.

2.1.5.1.3.   Connector volgens ISO 7638:2003 (facultatief). Naargelang de toepassing kan de connector volgens ISO 7638:2003 worden gebruikt voor 5-polige en 7-polige aansluitingen.

De in de punten 2.1.5.1.1 en 2.1.5.1.2 gespecificeerde aansluitingen worden op de trekker aangebracht volgens de illustratie in figuur 1.

Figuur 1

Hydraulische verbindingsleidingen

Image 1

Tekst van het beeld

2.1.5.2.   Bij draaiende motor en volledige inwerkingstelling van het parkeerremsysteem van de trekker:

2.1.5.2.1.

is de druk in de supplementaire leiding 0+100 kPa en/of

2.1.5.2.2.

wordt in de bedieningsleiding een druk tussen 11 500 en 15 000 kPa gegenereerd.

2.1.5.3.   Bij draaiende motor en volledig geloste parkeerrem van de trekker moet de druk in de supplementaire leiding tussen de in punt 2.2.1.18.3 vermelde waarden liggen.

2.1.5.4.   Bij draaiende motor en zonder bediening van de remmen van de trekker (rij- of stand-bytoestand) moet de druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding zodanig zijn als vermeld in punt 2.2.1.18.2.

2.1.5.5.   Bij draaiende motor en volledig ingedrukt bedieningsorgaan van de bedrijfsrem van de trekker moet in de bedieningsleiding een druk tussen 11 500 en 15 000 kPa worden gegenereerd. Om bij bediening van de bedrijfsrem druk te genereren in de bedieningsleiding moet de trekker kunnen voldoen aan de voorschriften van punt 3.6 van bijlage III.

2.1.6.   De flexibele verbindingsslangen en -kabels tussen trekkers en getrokken voertuigen moeten tot het getrokken voertuig behoren.

2.1.7.   Uitschakelinrichtingen die niet automatisch in werking treden, zijn niet toegestaan.

2.1.8.   Druktestaansluitingen

2.1.8.1.   Om de remkracht van elke as van een voertuig met een drukluchtremsysteem tijdens gebruik te kunnen bepalen, moet worden voorzien in druktestaansluitingen:

2.1.8.1.1.

in elk onafhankelijk circuit van het remsysteem: op een goed bereikbare plaats zo dicht mogelijk in de buurt van de remcilinder in de minst gunstige positie wat de in bijlage III beschreven responsietijd betreft;

2.1.8.1.2.

in een remsysteem met een in bijlage II, aanhangsel I, punt 6.2, bedoelde inrichting die de luchtdruk of de hydraulische druk in de overbrenging van het remsysteem regelt: op een goed bereikbare plaats in de drukleiding, voor of achter die inrichting, en er zo dichtbij mogelijk bij in de buurt. Als deze inrichting pneumatisch wordt geregeld, is een extra testaansluiting nodig om de beladen toestand te simuleren. Als het remsysteem niet is uitgerust met een dergelijke inrichting, moet worden voorzien in een enkele druktestaansluiting overeenkomstig bovengenoemde stroomafwaartse aansluiting. Deze testaansluitingen moeten vanaf de grond of vanuit het voertuig eenvoudig bereikbaar zijn;

2.1.8.1.3.

op een goed bereikbare plaats zo dicht mogelijk in de buurt van de energieopslagvoorziening in de minst gunstige positie als bedoeld in bijlage IV, deel A, punt 2.4;

2.1.8.1.4.

in elk onafhankelijk circuit van het remsysteem om de in- en uitvoerdruk van de volledige overbrengingsleiding te kunnen controleren.

2.1.8.1.5.

De druktestaansluitingen moeten voldoen aan punt 4 van ISO-norm 3583:1984.

2.2.   Voorschriften voor remsystemen

2.2.1.   Voertuigen van de categorieën T en C

2.2.1.1.   Het gehele remsysteem waarvan het voertuig is voorzien, moet beantwoorden aan de voor het bedrijfs-, het hulp- en het parkeerremsysteem bepaalde voorschriften.

Om de bestuurder te helpen bij het sturen (zodat op het veld gedifferentieerd kan worden geremd) mag het bedrijfsremsysteem van de trekker bestaan uit twee onafhankelijke remcircuits, elk verbonden met één afzonderlijke rempedaal rechts of links.

Indien de functie voor gedifferentieerd remmen is geactiveerd, mag het niet mogelijk zijn met een snelheid van meer dan 40 km/h te rijden, ofwel moet de differentiële remfunctie bij een snelheid van meer dan 40 km/h worden uitgeschakeld. Beide handelingen moeten automatisch gebeuren.

Bij ingeschakelde functie voor gedifferentieerd remmen is het tot een snelheid van 12 km/h niet vereist dat het remsysteem van het getrokken voertuig in werking wordt gesteld.

Bij trekkers waarvan de afzonderlijke pedalen manueel met elkaar verbonden kunnen worden, moet de bestuurder vanaf zijn zitplaats gemakkelijk kunnen nagaan of de pedalen al dan niet met elkaar zijn verbonden.

2.2.1.2.   Het bedrijfs-, hulp- en parkeerremsysteem mag gemeenschappelijke onderdelen hebben, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

2.2.1.2.1.

Er moeten ten minste twee bedieningsorganen zijn die elk behoren tot een verschillend remsysteem, onafhankelijk van elkaar werken en voor de bestuurder vanuit zijn normale zithouding gemakkelijk bereikbaar zijn. Voor alle voertuigcategorieën geldt dat elk rembedieningsorgaan (behalve dat van continuremsystemen) in de volledig uitgeschakelde positie moet terugkeren wanneer het wordt losgelaten. Dit voorschrift is niet van toepassing op het bedieningsorgaan van het parkeerremsysteem (of dat onderdeel van een gecombineerd bedieningsorgaan) wanneer dit bij inwerkingstelling van het systeem mechanisch wordt vergrendeld, wanneer het wordt gebruikt voor het hulpremsysteem, of wanneer beide gevallen zich voordoen.

2.2.1.2.2.

Het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem moet onafhankelijk werken van dat van het parkeerremsysteem.

2.2.1.2.3.

Indien het bedrijfsrem- en het hulpremsysteem hetzelfde bedieningsorgaan hebben, mag het niet mogelijk zijn dat de verbinding tussen dit orgaan en de verschillende delen van de overbrengingen na een zekere gebruiksperiode minder doeltreffend wordt.

2.2.1.2.4.

Indien het bedrijfsrem- en het hulpremsysteem hetzelfde bedieningsorgaan hebben, moet het parkeerremsysteem zodanig zijn ontworpen dat het in werking kan worden gesteld wanneer het voertuig in beweging is. Dit voorschrift is niet van toepassing als het bedrijfsremsysteem met een hulpbediening in werking kan worden gesteld, ook al is dat gedeeltelijk.

2.2.1.2.5.

Een breuk in een ander onderdeel dan de remmen of de onderdelen, bedoeld in punt 2.2.1.2.7, of enigerlei andere storing in het bedrijfsremsysteem (slechte werking, gehele of gedeeltelijke uitputting van een energiereserve) mag er niet de oorzaak van zijn dat het hulpremsysteem, of het gedeelte van het bedrijfsremsysteem dat niet door de storing wordt getroffen, het voertuig niet tot stilstand kan brengen overeenkomstig de voorwaarden die gelden voor het hulpremsysteem.

2.2.1.2.6.

Met name wanneer het bedieningsorgaan en de overbrenging van het hulpremsysteem dezelfde zijn als die van het bedrijfsremsysteem, geldt het volgende:

2.2.1.2.6.1.

Indien het bedrijfsremsysteem in werking wordt gesteld door de spierkracht van de bestuurder, bekrachtigd door één of meer energiereserves, moet het hulpremsysteem in geval van storing in deze bekrachtiging in werking kunnen treden door middel van de spierkracht van de bestuurder, eventueel bijgestaan door de niet door de storing getroffen energiereserves, waarbij de op het bedieningsorgaan uit te oefenen kracht de voorgeschreven maxima niet overschrijdt.

2.2.1.2.6.2.

Indien de kracht en de overbrenging van de bedrijfsrem uitsluitend worden verkregen middels een door de bestuurder bediende energiereserve, moeten er ten minste twee volledig onafhankelijke energiereserves zijn, elk met een eigen, eveneens onafhankelijke overbrenging; elk van deze reserves mag werken op de remmen van slechts twee of meer wielen, die zo zijn gekozen dat deze zelf de voorgeschreven hulpremwerking tot stand kunnen brengen zonder de stabiliteit van het voertuig tijdens het remmen in gevaar te brengen; bovendien moet elk van die energiereserves zijn voorzien van een waarschuwingsinrichting. In ten minste één van de drukluchtreservoirs van elk bedrijfsremcircuit moet op een geschikte, eenvoudig bereikbare plaats een voorziening zijn voor het aftappen en ontluchten.

2.2.1.2.6.3.

Indien de kracht en de bediening van de bedrijfsrem uitsluitend worden verkregen door het gebruik van een energiereserve, kan worden volstaan met één energiereserve voor de overbrenging, mits de voorgeschreven hulpremwerking wordt gewaarborgd door uitoefening van de spierkracht van de bestuurder op het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem en mits wordt voldaan aan de voorschriften van punt 2.2.1.5.

2.2.1.2.7.

Bepaalde delen, zoals het pedaal en de steun ervan, de hoofdremcilinder en de zuiger(s) ervan (hydraulische systemen), de regelklep (hydraulische of pneumatische systemen), de verbinding tussen het pedaal en de hoofdremcilinder of de regelklep, de remcilinders en de zuigers ervan (hydraulische of pneumatische systemen) en de samenstellingen van hefboom en nokken van de remmen, worden niet geacht stuk te kunnen gaan mits zij ruim bemeten zijn, zij voor onderhoud eenvoudig bereikbaar zijn en zij ten minste dezelfde veiligheidskenmerken hebben als is vereist voor andere essentiële onderdelen van het voertuig (zoals het stangenstelsel van de stuurinrichting). Indien, doordat een van deze onderdelen stuk gaat, de vertraging van het voertuig met een doeltreffendheid die ten minste gelijk is aan die welke is vereist voor de hulpvertraging, onmogelijk wordt, moet dit onderdeel van metaal zijn of van een materiaal met gelijkwaardige eigenschappen en mag het niet noemenswaardig vervormen bij normaal functioneren van de remsystemen.

2.2.1.3.   Bij aanwezigheid van verschillende bedieningsorganen voor het bedrijfsremsysteem en het hulpremsysteem mag gelijktijdige inwerkingstelling van de bedieningsorganen niet tot gevolg hebben dat het bedrijfsremsysteem en het hulpremsysteem beide niet meer werken, zowel wanneer beide remsystemen op de juiste wijze werken, als wanneer één ervan gebreken vertoont.

2.2.1.4.   Bij gebruik van een andere vorm van energie dan de spierkracht van de bestuurder, mag worden volstaan met één energiebron (hydraulische pomp, luchtcompressor enz.). In dat geval moet de wijze van aandrijving van het desbetreffende systeem zo zeker zijn als praktisch mogelijk is.

2.2.1.4.1.   Bij een storing in enig deel van de overbrenging van het remsysteem van een voertuig, bestaande uit twee bedrijfsremsystemen die voldoen aan de voorschriften van punt 2.2.1.25, moet de voeding van het niet door de storing getroffen gedeelte verzekerd blijven, indien zulks nodig is om het voertuig tot stilstand te brengen met de voor de restremwerking en/of het hulpremsysteem voorgeschreven doeltreffendheid. Hieraan moet worden voldaan door middel van een automatisch werkend systeem.

2.2.1.4.2.   Voorts moeten achter deze inrichtingen in de leiding geplaatste energieopslagvoorzieningen zodanig zijn dat bij een storing in de energietoevoer, na viermaal volledig intrappen van het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem, onder de voorwaarden omschreven in deel A, punt 1.2, of deel B, punt 1.2, of deel C, punt 1.2, van bijlage IV — afhankelijk van het soort remsysteem — het nog altijd mogelijk blijft om het voertuig, wanneer het bedieningsorgaan voor de vijfde maal wordt ingetrapt, tot stilstand te brengen met de mate van doeltreffendheid die voor het hulpremsysteem is voorgeschreven.

2.2.1.4.3.   Voor hydraulische remsystemen met energieopslag wordt aangenomen dat de voorschriften van de punten 2.2.1.4.1 en 2.2.1.4.2 zijn nageleefd, als is voldaan aan de voorschriften van punt 1.2.2 van deel C van bijlage IV bij deze verordening.

2.2.1.4.4.   Bij een bedrijfsremsysteem met slechts één bedrijfsremcircuit moet het bij een storing in de energiebron of wanneer die niet beschikbaar is, mogelijk zijn om het voertuig met de bediening van het bedrijfsremsysteem tot stilstand te brengen met de voor de hulpremwerking voorgeschreven doeltreffendheid.

2.2.1.5.   Aan de voorwaarden van de punten 2.2.1.2, 2.2.1.4 en 2.2.1.25 moet worden voldaan zonder gebruikmaking van een automatisch werkende inrichting van een zodanig type, dat eventuele onvoldoende werking hiervan niet kan worden opgemerkt doordat normaal in rusttoestand verkerende onderdelen pas in werking treden bij een storing in het remsysteem.

2.2.1.6.   Het bedrijfsremsysteem van voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 30 km/h moet op alle wielen van ten minste één as werken. In alle andere gevallen moet het bedrijfsremsysteem op alle wielen van het voertuig werken. Wanneer een voertuig echter één geremde as heeft en tijdens het remmen de aandrijving automatisch met alle andere assen wordt gekoppeld, wordt ervan uitgegaan dat alle wielen geremd zijn.

Voertuigen van categorie C worden geacht aan deze voorwaarde te voldoen indien alle onderrollen van het voertuig geremd zijn. Voertuigen van categorie C met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van minder dan 30 km/h worden geacht aan deze voorwaarde te voldoen indien aan elke kant van het voertuig ten minste één onderrol geremd is.

De bedrijfsrem van voertuigen met een schrijlingse zitplaats en een stuurstang mag op de voor- of de achteras werken, mits aan alle prestatievoorschriften van punt 2 van bijlage II bij deze verordening wordt voldaan.

Indien bij gelede trekkers van categorie Ta een as wordt geremd en het differentieel tussen de bedrijfsrem en de wielen is gemonteerd, worden alle wielen van die as beschouwd als geremd wanneer de inwerkingstelling van het bedrijfsremsysteem automatisch het differentieel op die as blokkeert.

2.2.1.6.1.   Prestaties van de hydraulische leidingen en flexibele delen ervan bij voertuigen met één geremde as en automatische koppeling van de aandrijving met alle andere assen tijdens het remmen

De leidingen van een hydraulische besturingsoverbrenging moeten een barstdruk van ten minste viermaal de door de voertuigfabrikant aangegeven maximale normale bedrijfsdruk (T) kunnen weerstaan. Flexibele leidingen moeten voldoen aan de ISO-normen 1402:1994, 6605:1986 en 7751:1991.

2.2.1.7.   Indien het bedrijfsremsysteem op alle wielen of onderrollen van het voertuig werkt, moet de werking op passende wijze over de assen verdeeld zijn. Indien daarvoor gebruik wordt gemaakt van een inrichting die de druk in het remsysteem regelt, moet worden voldaan aan de voorschriften van bijlage II, aanhangsel 1, punt 6, en van punt 2.1.8.

2.2.1.7.1.   Teneinde blokkering van de wielen of verglazing van de remvoeringen te voorkomen mag de remkracht bij een voertuig met meer dan twee assen op bepaalde assen automatisch tot nul worden teruggebracht wanneer dit voertuig slechts een geringe last vervoert, op voorwaarde dat de remwerking van dit voertuig aan alle voorschriften in bijlage II voldoet.

2.2.1.8.   De werking van het bedrijfsremsysteem moet over de wielen of onderrollen van eenzelfde as symmetrisch verdeeld zijn ten opzichte van het middenlangsvlak van het voertuig.

2.2.1.9.   Het bedrijfsremsysteem, het hulpremsysteem en het parkeerremsysteem moeten werken op remvlakken die voortdurend met de wielen verbonden zijn middels voldoende stevige onderdelen. Geen enkel remvlak mag van de wielen kunnen worden ontkoppeld; niettemin is een dergelijke ontkoppeling toegestaan voor het parkeerremsysteem, mits deze ontkoppeling uitsluitend geschiedt door de bestuurder vanaf diens zitplaats door middel van een systeem dat niet in werking kan treden als gevolg van een lek. Wanneer bij voertuigen van de categorieën T en C met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 60 km/h normaliter op meer dan één as wordt geremd, mag één as worden ontkoppeld op voorwaarde dat bij het in werking stellen van het bedrijfsremsysteem deze as automatisch weer wordt gekoppeld en dat het automatisch opnieuw koppelen is verzekerd in het geval van een storing in de energietoevoer of in de overbrenging van de bediening van de inrichting die zorgt voor het opnieuw koppelen.

2.2.1.10.   Slijtage van de bedrijfsremmen moet kunnen worden gecompenseerd middels handmatige bijstelling. Slijtage van de bedrijfsremmen van voertuigen van de categorieën Tb en Cb moet kunnen worden gecompenseerd middels automatische bijstelling. Voorts moet het bedieningsorgaan evenals de onderdelen van de overbrenging en van de remmen een zodanige extra speling en (indien nodig) compensatiemogelijkheid hebben, dat, wanneer de remmen warm worden of wanneer de remvoeringen een zekere mate van slijtage hebben bereikt, de remwerking gewaarborgd blijft zonder dat onmiddellijke bijstelling noodzakelijk is.

Op voertuigen van de categorieën Ta en Ca moet geen systeem dat de slijtage van de remmen compenseert middels automatische bijstelling worden gemonteerd. Indien voertuigen van die categorieën echter wel zijn uitgerust met een systeem dat de slijtage van de remmen compenseert middels automatische bijstelling, moet dat systeem aan dezelfde voorschriften voldoen als bij voertuigen van de categorieën Tb en Cb.

2.2.1.10.1.   Indien inrichtingen voor automatische bijstelling bij slijtage zijn gemonteerd, moeten de remmen na warmlopen gevolgd door afkoeling vrij kunnen draaien overeenkomstig punt 2.3.4 van bijlage II na uitvoering van de in punt 1.3 van die bijlage beschreven test van type I.

Het moet mogelijk zijn de remvoeringen van de bedrijfsrem eenvoudig van buiten of onder het voertuig op slijtage te controleren, uitsluitend met behulp van het gereedschap of de uitrusting die normaliter bij het voertuig wordt geleverd, bijvoorbeeld door het aanbrengen van inspectiegaten of op andere wijze. In plaats daarvan zijn akoestische of optische waarschuwingssignalen toegestaan, waarmee de bestuurder op de bestuurderzitplaats erop attent gemaakt wordt dat de remvoeringen moeten worden vervangen.

2.2.1.10.2.   De voorschriften van de punten 2.2.1.10 en 2.2.1.10.1 zijn niet van toepassing op in olie ondergedompelde remmen die zijn ontworpen voor gebruik tijdens de gehele levensduur van het voertuig zonder onderhoud.

2.2.1.11.   Bij remsystemen met hydraulische overbrenging:

2.2.1.11.1.

moeten de vulopeningen van de vloeistofreservoirs gemakkelijk toegankelijk zijn; bovendien moeten de reservoirs met reservevloeistof zodanig zijn uitgevoerd, dat de stand gemakkelijk kan worden gecontroleerd zonder opening van de reservoirs. Indien niet aan deze voorwaarde wordt voldaan, moet het in punt 2.2.1.29.1.1 beschreven rode waarschuwingssignaal de bestuurder waarschuwen voor een daling van het vloeistofniveau die een storing in het remsysteem kan veroorzaken;

2.2.1.11.2.

moet bij een storing in de hydraulische overbrenging waarbij de voorgeschreven bedrijfsremwerking niet kan worden behaald, de bestuurder worden gewaarschuwd middels een waarschuwingssignaal volgens punt 2.2.1.29.1.1. Het is ook toegestaan dat deze waarschuwing oplicht als het niveau van de vloeistof onder de door de fabrikant voorgeschreven waarde is gedaald;

2.2.1.11.3.

moet het type van in de hydraulische overbrenging van remsystemen te gebruiken vloeistof worden aangegeven met het symbool van figuur 1 of 2 van ISO-norm 9128:2006. Dit symbool moet worden aangebracht op minder dan 100 mm van de vulopeningen van de vloeistofreservoirs in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 17, lid 2, onder k), en lid 5 van Verordening (EU) nr. 167/2013. Het staat de fabrikanten vrij aanvullende gegevens te verstrekken. Dit voorschrift geldt alleen voor voertuigen met een afzonderlijke vulopening voor de vloeistof van het remsysteem.

2.2.1.12.   Waarschuwingssysteem

2.2.1.12.1.   Elk voertuig met een bedrijfsremsysteem dat in werking wordt gesteld door een energiereservoir moet, indien de voorgeschreven hulpremwerking met dit remsysteem alleen kan worden bereikt met behulp van opgeslagen energie, naast een eventuele manometer, zijn voorzien van een waarschuwingssysteem dat een akoestisch of optisch signaal geeft wanneer de opgeslagen energie in enig onderdeel van het systeem is gedaald tot een waarde waarbij het mogelijk is, zonder dat het reservoir wordt aangevuld en ongeacht de beladingstoestand van het voertuig, nadat het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem vier keer volledig is ingedrukt, het bedieningsorgaan een vijfde keer in te drukken en de voorgeschreven hulpremwerking te bereiken (zonder storingen in de overbrenging van de bedrijfsrem en met zo nauwkeurig mogelijk afgestelde remmen). Deze waarschuwingsinrichting moet rechtstreeks en permanent op de leiding zijn aangesloten. De waarschuwingsinrichting mag, wanneer de motor loopt en het remsysteem goed werkt onder normale bedrijfsomstandigheden van het voertuig, geen signaal geven, behalve gedurende de tijd die nodig is voor het vullen van het (de) energiereservoir(s) na het starten van de motor.

2.2.1.12.1.1.   Bij voertuigen die alleen geacht worden te voldoen aan de voorschriften van punt 2.2.1.4.1, op grond van het feit dat zij de voorwaarde vervullen van bijlage IV, deel C, punt 1.2.2, moet de waarschuwingsinrichting echter bestaan uit een optisch en een akoestisch signaal. De signalen behoeven niet gelijktijdig te worden gegeven, mits beide voldoen aan voornoemde voorschriften en het akoestische signaal niet voorafgaat aan het optische signaal.

2.2.1.12.2.   De akoestische signaalinrichting mag buiten werking worden gesteld indien het parkeerremsysteem is ingeschakeld of — naar keuze van de fabrikant — bij een automatische transmissie indien de keuzehefboom in de stand „park” is geplaatst of in beide gevallen.

2.2.1.13.   Onverminderd de voorwaarde van punt 2.1.2.3 dient, wanneer voor de werking van een remsysteem de werking van een energiehulpbron noodzakelijk is, de energiereserve zodanig te zijn dat, indien de motor zou stoppen of bij een storing in de aandrijving van de energiebron, de remwerking voldoende blijft om het voertuig volgens de voorschriften tot stilstand te brengen. Indien de spierkracht die de bestuurder op het parkeerremsysteem uitoefent wordt versterkt door een bekrachtigingsinrichting, dan moet bovendien het parkeerremsysteem ook bij een storing in die bekrachtiging in werking kunnen worden gesteld, zo nodig met behulp van een energiereserve die onafhankelijk is van die welke normaal de bekrachtiging voedt. Dit mag de energiereserve voor het bedrijfsremsysteem zijn.

2.2.1.14.   Bij trekkers waarbij het is toegestaan een getrokken voertuig aan te koppelen dat is voorzien van een rem welke wordt bediend door de bestuurder van de trekker, moet het bedrijfsremsysteem van de trekker zijn voorzien van een zodanig gebouwde inrichting dat bij een storing in het remsysteem van het getrokken voertuig, of bij onderbreking van de toevoerleiding (of enig ander type verbinding) tussen de trekker en het getrokken voertuig, het nog mogelijk is de trekker te remmen met de remwerking die is voorgeschreven voor het hulpremsysteem; in het bijzonder wordt voorgeschreven dat die inrichting op het bedrijfsremsysteem van de trekker wordt gemonteerd waarbij ervoor wordt gezorgd dat de trekker nog kan worden afgeremd met behulp van het bedrijfsremsysteem met de voor het hulpremsysteem voorgeschreven remwerking.

2.2.1.15.   De pneumatische of hydraulische hulpuitrusting moet op zodanige wijze automatisch van energie worden voorzien dat bij de bediening ervan de voorgeschreven remwerking wordt bereikt en dat bij een storing van de energiebron de werking van de hulpuitrusting niet tot gevolg kan hebben dat de energiereserves die de remsystemen voeden, tot onder het in punt 2.2.1.12 aangegeven niveau dalen.

2.2.1.16.   Een trekker die een voertuig van categorie R2, R3, R4 of S2 mag trekken, moet aan de volgende voorwaarden voldoen:

2.2.1.16.1.

Wanneer het bedrijfsremsysteem van de trekker in werking wordt gesteld, moet ook het getrokken voertuig gedoseerd worden geremd (zie ook punt 2.2.1.18.4).

2.2.1.16.2.

Als het hulpremsysteem van de trekker in werking treedt, moet ook het getrokken voertuig worden geremd. Bij trekkers van de categorieën Tb en Cb moet gedoseerde remming worden toegepast.

2.2.1.16.3.

Bij een storing in het bedrijfsremsysteem van de trekker moeten, indien dit systeem ten minste uit twee onafhankelijke delen bestaat, de niet door de storing getroffen delen de remmen van het getrokken voertuig geheel of gedeeltelijk in werking kunnen stellen. Dit voorschrift is niet van toepassing indien de twee onafhankelijke delen bestaan uit één deel voor remming van de linkse wielen en één deel voor remming van de rechtse wielen, ontworpen om gedifferentieerd remmen mogelijk te maken wanneer op het veld een bocht wordt genomen. Indien in dit laatste geval een storing optreedt in het bedrijfsremsysteem van de trekker, moet het hulpremsysteem de remmen van het getrokken voertuig geheel of gedeeltelijk in werking kunnen stellen. Indien dit wordt bereikt met een ventiel dat zich normaal in rusttoestand bevindt, mag dit ventiel alleen worden toegepast als de bestuurder de goede werking ervan eenvoudig zonder gereedschap vanuit de cabine of van buitenaf kan controleren.

2.2.1.17.   Aanvullende voorschriften voor trekkers die getrokken voertuigen met een drukluchtremsysteem mogen trekken

2.2.1.17.1.   Bij een storing (bijv. een breuk) in een van de pneumatische verbindingsleidingen of onderbreking of defect in de elektrische bedieningsleiding moet de bestuurder de remmen van het getrokken voertuig desondanks geheel of gedeeltelijk in werking kunnen stellen met het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem, het hulpremsysteem of het parkeerremsysteem, tenzij het getrokken voertuig bij die storing automatisch wordt vertraagd met de in punt 3.2.3 van bijlage II voorgeschreven remwerking.

2.2.1.17.2.   De in punt 2.2.1.17.1 bedoelde automatische remwerking wordt voldoende geacht als aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

2.2.1.17.2.1.

wanneer het toepasselijke bedieningsorgaan van de in punt 2.2.1.17.1 genoemde bedieningsorganen geheel wordt ingedrukt of aangehaald, moet de druk in de toevoerleiding binnen twee seconden dalen tot 150 kPa; daarnaast moet, wanneer het bedieningsorgaan wordt losgelaten, de druk in de toevoerleiding zich herstellen;

2.2.1.17.2.2.

wanneer de druk in de toevoerleiding met ten minste 100 kPa/s wordt teruggebracht, moet het automatische remsysteem van het getrokken voertuig in werking treden voordat deze druk is gedaald tot 200 kPa.

2.2.1.17.3.   Bij een storing in een van de bedieningsleidingen tussen twee voertuigen die zijn uitgerust als beschreven in punt 2.1.4.1.2, moet de niet door de storing getroffen bedieningsleiding er automatisch voor zorgen dat de remwerking van het getrokken voertuig beantwoordt aan punt 3.2.3 van bijlage II.

2.2.1.17.4.   Bij een pneumatisch bedrijfsremsysteem dat uit twee of meer onafhankelijke circuits bestaat, moet alle eventuele lekkage tussen deze circuits bij of achter het bedieningsorgaan constant in de buitenlucht worden afgeblazen.

2.2.1.18.   Aanvullende voorschriften voor trekkers die getrokken voertuigen met hydraulische remsystemen mogen trekken

2.2.1.18.1.   De druk bij beide koppelingskoppen moet bij uitgeschakelde motor steeds 0 kPa zijn.

2.2.1.18.2.   Bij draaiende motor en zonder inschakeling van de rembediening moet de druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding 0+200 kPa zijn.

2.2.1.18.3.   Bij draaiende motor moet aan de koppelingskop van de supplementaire leiding een druk van ten minste 1 500 kPa en ten hoogste 3 500 kPa kunnen worden gegenereerd.

2.2.1.18.4.   In afwijking van het voorschrift in punt 2.2.1.16.1 is een gedoseerde remming van het getrokken voertuig slechts vereist wanneer het bedrijfsremsysteem van de trekker wordt geactiveerd bij draaiende motor.

2.2.1.18.5.   Bij een storing (bijv. breuk of lekkage) in de supplementaire leiding moet de bestuurder de remmen van het getrokken voertuig desondanks geheel of gedeeltelijk in werking kunnen stellen met het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem, het hulpremsysteem of het parkeerremsysteem, tenzij het getrokken voertuig bij die storing automatisch wordt vertraagd met de in punt 3.2.3 van bijlage II voorgeschreven remwerking.

2.2.1.18.6.   Bij een storing (bijv. breuk of lekkage) in de bedieningsleiding moet de druk in de supplementaire leiding binnen twee seconden nadat het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem geheel is ingedrukt dalen tot 1 000 kPa; daarnaast moet, wanneer het bedieningsorgaan van de bedrijfsrem wordt losgelaten, de druk in de toevoerleiding zich herstellen (zie ook punt 2.2.2.15.3).

2.2.1.18.7.   Binnen een seconde nadat het bedieningsorgaan van het parkeerremsysteem volledig is aangehaald, moet de druk in de supplementaire leiding van zijn maximumwaarde dalen tot 0+300 kPa.

Om de tijd waarin de vereiste drukdaling zich voordoet te controleren wordt de supplementaire leiding van de simulator van het getrokken voertuig overeenkomstig punt 3.6.2.1 van bijlage III verbonden met de supplementaire leiding van de trekker.

De accu's van de simulator worden dan geladen tot het maximaal door de trekker gegenereerde niveau met draaiende motor en volledig gesloten ontluchtingsinrichting (bijlage III, aanhangsel 2, punt 1.1).

2.2.1.18.8.   Om de hydraulische verbindingsleidingen ook te kunnen verbinden en loskoppelen bij draaiende motor en met het parkeerremsysteem in werking gesteld, kan een geschikte voorziening op de trekker worden gemonteerd.

Die voorziening moet zo zijn ontworpen en geconstrueerd dat de druk in de verbindingsleidingen automatisch in de ruststand terugkeert uiterlijk op het moment dat de regeling (bijv. een drukknop) van de voorziening automatisch wordt losgelaten (bijv. klep die automatisch terugkeert naar de normale bedrijfspositie).

2.2.1.18.9.   Trekkers die een voertuig van categorie R of S trekken en die alleen kunnen voldoen aan de voorschriften voor de remwerking van het bedrijfsremsysteem en/of parkeerremsysteem en/of automatisch remsysteem met behulp van in een hydraulische energieopslagvoorziening opgeslagen energie, moeten worden uitgerust met een connector volgens ISO 7638: 2003 om overeenkomstig punt 2.2.2.15.1.1 en middels het in punt 2.2.1.29.2.2 beschreven afzonderlijke waarschuwingssignaal via pool 5 van de elektrische connector volgens ISO 7638:2003 het lage niveau van opgeslagen energie op het getrokken voertuig te kunnen aangeven. (zie ook punt 2.2.2.15.1). Naargelang de toepassing kan de connector volgens ISO 7638:2003 worden gebruikt voor 5-polige en 7-polige aansluitingen.

2.2.1.19.   Het bedrijfsremsysteem van het getrokken voertuig van trekkers die een voertuig van categorie R3, R4 of S2 mogen trekken, mag alleen samen met het bedrijfsremsysteem, hulpremsysteem of parkeerremsysteem van de trekker in werking worden gesteld. Het is echter toegestaan alleen de remmen van het getrokken voertuig automatisch in werking te stellen, als dit automatisch in gang wordt gezet door de trekker met als enige doel de voertuigcombinatie te stabiliseren.

2.2.1.19.1.   In afwijking van punt 2.2.1.19 is het toegestaan, met het oog op de verbetering van het rijgedrag van de voertuigcombinatie door de koppelingskracht tussen de trekker en het getrokken voertuig te wijzigen, dat de remmen van een getrokken voertuig gedurende een periode van ten hoogste 5 s automatisch in werking treden zonder dat het bedrijfsremsysteem, hulpremsysteem of parkeerremsysteem van de trekker in werking wordt gesteld.

2.2.1.20.   Indien overeenstemming met punt 3.1.3 van bijlage II slechts kan worden bereikt door te voldoen aan de voorwaarden van punt 3.1.3.4.1.1 van bijlage II, dan

2.2.1.20.1.

moet in het geval van een drukluchtremsysteem een druk in de bedieningsleiding (of de daarmee overeenstemmende digitale vraag) worden overgebracht van ten minste 650 kPa wanneer één enkel bedieningsorgaan dat ook het parkeerremsysteem van de trekker bedient, volledig is geactiveerd. Er moet worden verzekerd dat dit eveneens het geval is wanneer de contact-/startschakelaar is uitgeschakeld en/of de contactsleutel uit het slot is gehaald;

2.2.1.20.2.

moet in het geval van een hydraulisch remsysteem een druk van 0+100 kPa worden gegenereerd in de bedieningsleiding wanneer één enkel bedieningsorgaan volledig is geactiveerd.

2.2.1.21.   Antiblokkeersystemen voor trekkers van categorie Tb

2.2.1.21.1.   Trekkers van de categorie Tb met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 60 km/h moeten worden uitgerust met een antiblokkeersysteem van categorie 1 overeenkomstig de voorschriften van bijlage XI.

2.2.1.21.2.   Trekkers van de categorie Tb met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h maar niet meer dan 60 km/h moeten worden uitgerust met een antiblokkeersysteem van categorie 1 overeenkomstig de voorschriften van bijlage XI

a)

met ingang van 1 januari 2020 voor nieuwe voertuigtypen en

b)

met ingang van 1 januari 2021 voor nieuwe voertuigen.

2.2.1.22.   Trekkers die een voertuig met een antiblokkeersysteem mogen trekken, moeten tevens zijn uitgerust met een speciale elektrische connector volgens ISO 7638:2003 voor de overbrenging van de elektrische bediening. Naargelang de toepassing kan de connector volgens ISO 7638:2003 worden gebruikt voor 5-polige en 7-polige aansluitingen.

2.2.1.23.   Trekkers die niet zijn genoemd in de punten 2.2.1.21.1 en 2.2.1.21.2 en die zijn uitgerust met een antiblokkeersysteem moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage X.

2.2.1.24.   De voorschriften van bijlage X zijn van toepassing op de veiligheidsaspecten van alle complexe elektronische voertuigcontrolesystemen die zorgen voor of deel uitmaken van de overbrenging van de bediening van de remfunctie, ook die welke gebruik maken van het remsysteem (de remsystemen) voor automatisch gestuurd of selectief remmen.

2.2.1.25.   Het bedrijfsremsysteem van trekkers van categorie Tb met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 60 km/h moet, ongeacht of het is gecombineerd met het hulpremsysteem, waarborgen dat bij een storing in een onderdeel van de overbrenging ervan, nog een voldoende aantal wielen kan worden geremd met het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem; deze wielen moeten zodanig zijn gekozen dat de restremwerking van het bedrijfsremsysteem voldoet aan de voorschriften van punt 3.1.4 van bijlage II.

Het deel dat (de delen die) niet door de storing wordt (worden) getroffen, moet(en) in staat zijn de remmen van het getrokken voertuig geheel of gedeeltelijk in werking te stellen.

2.2.1.25.1.   Bij storing in een onderdeel van het hydraulische overbrengingssysteem moet de bestuurder worden gewaarschuwd middels een waarschuwingssignaal volgens punt 2.2.1.29.1.1. Het is ook toegestaan dat deze waarschuwing oplicht als het niveau van de vloeistof onder de door de fabrikant voorgeschreven waarde is gedaald.

2.2.1.26.   Bijzondere aanvullende voorschriften voor de elektrische overbrenging van het parkeerremsysteem

2.2.1.26.1.   Trekkers met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 60 km/h

2.2.1.26.1.1.   Bij een storing in de elektrische overbrenging moet elke onbedoelde inwerkingstelling van het parkeerremsysteem worden voorkomen.

2.2.1.26.1.2.   Bij een elektrische storing in de bediening of draadbreuk in de overbrenging van de elektrische bediening buiten de elektronische stuureenheid of -eenheden, behalve de energievoorziening, moet het nog mogelijk zijn het parkeerremsysteem in werking te stellen vanaf de stoel van de bestuurder en aldus het beladen voertuig in stilstand te houden op een op- of neerwaartse helling van 8 %.

2.2.1.26.2.   Trekkers met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 60 km/h

2.2.1.26.2.1.   Bij een elektrische storing in de bediening of draadbreuk in de overbrenging van de elektrische bediening buiten de stuureenheid of -eenheden, behalve de energievoorziening,

2.2.1.26.2.1.1.

moet elke onbedoelde inwerkingstelling van het parkeerremsysteem bij een voertuigsnelheid van meer dan 10 km/h worden voorkomen;

2.2.1.26.2.1.2.

moet het nog mogelijk zijn het parkeerremsysteem in werking te stellen vanaf de stoel van de bestuurder en aldus het beladen voertuig in stilstand te houden op een op- of neerwaartse helling van 8 %.

2.2.1.26.3.   Als alternatief voor de voorschriften voor de werking van het parkeerremsysteem volgens de punten 2.2.1.26.1.2 en 2.2.1.26.2.1 is het ook toegestaan het parkeerremsysteem automatisch in werking te stellen wanneer het voertuig stilstaat, mits voornoemde remwerking wordt behaald en het in werking gestelde parkeerremsysteem onafhankelijk van de stand van de contact-/startschakelaar in werking blijft. In dit alternatieve geval moet de inwerkingstelling van het parkeerremsysteem automatisch worden opgeheven zodra de bestuurder de motor start om het voertuig weer in beweging te zetten.

2.2.1.26.4.   Het moet ook mogelijk zijn de werking van het parkeerremsysteem op te heffen, zo nodig met gereedschap aan boord en/of een in het voertuig gemonteerde hulpinrichting.

2.2.1.26.5.   Bij draadbreuk in de elektrische overbrenging of een elektrische storing in het bedieningsorgaan van het parkeerremsysteem moet dit aan de bestuurder worden gemeld middels het in punt 2.2.1.29.1.2 beschreven gele waarschuwingssignaal. Als de oorzaak van de waarschuwing draadbreuk in de overbrenging van de elektrische bediening van het parkeerremsysteem is, moet het gele waarschuwingssignaal worden gegeven zodra de breuk ontstaat of, in het geval van trekkers met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 60 km/h, op of voor het moment van bediening van het desbetreffende remsysteem. Voorts moet een dergelijke elektrische storing in het bedieningsorgaan of draadbreuk buiten de elektronische regeleenheid of -eenheden, behalve de energievoorziening, aan de bestuurder worden gemeld door het knipperen van het waarschuwingssignaal volgens punt 2.2.1.29.1.1, dat moet aanhouden zolang de contact-/startschakelaar zich in de positie „ON” („AAN”) bevindt en gedurende ten minste 10 seconden daarna, terwijl de bediening zich in de positie „ON” („AAN”) bevindt.

Wanneer het parkeerremsysteem evenwel constateert dat het parkeerremsysteem correct in werking is, kan het knipperende waarschuwingssignaal worden uitgezet en moet het niet-knipperende rode signaal worden gebruikt om aan te geven dat het parkeerremsysteem is ingeschakeld.

Indien de inwerkingstelling van het parkeerremsysteem gewoonlijk wordt aangegeven met een apart rood waarschuwingssignaal, met inachtneming van alle voorschriften van punt 2.2.1.29.3, moet dit signaal worden gebruikt om te voldoen aan bovenstaand voorschrift voor een rood signaal.

2.2.1.26.6.   De hulpuitrusting mag met energie worden gevoed vanuit de elektrische overbrenging van het parkeerremsysteem, mits de energietoevoer voldoende is om het parkeerremsysteem in werking te kunnen stellen naast de elektrische belasting van het voertuig in afwezigheid van storingen. Indien deze energiereserve ook wordt gebruikt door het bedrijfsremsysteem, zijn tevens de voorschriften van punt 4.1.7 van bijlage XII van toepassing.

2.2.1.26.7.   Nadat de contact-/startschakelaar die de elektrische voeding van de remuitrusting regelt, is uitgeschakeld en/of de contactsleutel uit het slot is gehaald, moet het nog mogelijk zijn het parkeerremsysteem in werking te stellen, terwijl het lossen van de parkeerrem onmogelijk moet zijn.

Het lossen van de parkeerrem is wel toegestaan indien de bediening mechanisch moet worden ontgrendeld om de parkeerrem te kunnen lossen.

2.2.1.27.   De voorschriften van bijlage XII moeten worden toegepast ten aanzien van voertuigen met EBS en van voertuigen met „datacommunicatie” via pin 6 en 7 van de connector volgens ISO 7638:2003.

2.2.1.28.   Bijzondere voorschriften voor regeling van de koppelingskracht

2.2.1.28.1.   Regeling van de koppelingskracht is alleen toegestaan in de trekker.

2.2.1.28.2.   De regeling van de koppelingskracht moet tot gevolg hebben dat het verschil tussen de dynamische vertragingsfactoren van trekkers en getrokken voertuigen kleiner wordt. De werking van de regeling van de koppelingskracht moet bij typegoedkeuring worden gecontroleerd. De voor deze controle te volgen methode wordt vastgesteld in overleg tussen de voertuigfabrikant en de technische dienst; de methode van beoordeling en de resultaten worden bij het typegoedkeuringsrapport gevoegd.

2.2.1.28.2.1.   De regeling van de koppelingskracht kan de vertragingsfactor TM/FM (bijlage II, aanhangsel 1, punt 2) en/of de waarde(n) van de remvraag voor het getrokken voertuig regelen. Op trekkers met twee bedieningsleidingen volgens punt 2.1.4.1.2 van deze bijlage moeten beide signalen op vergelijkbare wijze worden geregeld.

2.2.1.28.2.2.   De regeling van de koppelingskracht mag niet verhinderen dat de grootst mogelijke remdruk kan worden uitgeoefend.

2.2.1.28.3.   Het voertuig moet voldoen aan de voorschriften van bijlage II, aanhangsel 1, inzake compatibiliteit in beladen toestand, maar gelet op punt 2.2.1.28.2 mag het voertuig van deze voorschriften afwijken wanneer de regeling van de koppelingskracht in werking is.

2.2.1.28.4.   Storingen in de regeling van de koppelingskracht moeten worden geconstateerd en aan de bestuurder worden gemeld middels een geel waarschuwingssignaal als bedoeld in punt 2.2.1.29.1.2. Bij storing moet worden voldaan aan de desbetreffende voorschriften van bijlage II, aanhangsel 1.

2.2.1.28.5.   Compensatie door het systeem voor regeling van de koppelingskracht moet worden aangegeven middels het in punt 2.2.1.29.1.2 beschreven gele waarschuwingssignaal als deze compensatie meer dan 150 kPa (pneumatisch) respectievelijk 2 600 kPa (hydraulisch) afwijkt van de nominale vraagwaarde tot een grenswaarde, in pm, van 650 kPa (of de daarmee overeenstemmende digitale vraag) respectievelijk 11 500 kPa (hydraulisch). Boven 650 kPa respectievelijk 11 500 kPa (hydraulisch) moet de waarschuwing worden gegeven als de compensatie tot gevolg heeft dat het werkpunt buiten de in bijlage II, aanhangsel 1, voor het motorvoertuig beschreven compatibiliteitsband voor beladen toestand komt te liggen.

2.2.1.28.6.   Een systeem voor regeling van de koppelingskracht mag alleen de koppelingskrachten regelen die worden opgewekt door het bedrijfsremsysteem van de trekker en het getrokken voertuig. Koppelingskrachten die voortkomen uit de werking van continuremsystemen mogen niet worden gecompenseerd door het bedrijfsremsysteem van hetzij de trekker hetzij het getrokken voertuig. Een continuremsysteem wordt geacht geen deel uit te maken van het bedrijfsremsysteem.

2.2.1.29.   Waarschuwingssignaal bij storingen of defecten van het remsysteem

In de punten 2.2.1.29.1 tot en met 2.2.1.29.6.3 wordt een beschrijving gegeven van de voorschriften voor optische waarschuwingssignalen die dienen om de bestuurder te wijzen op bepaalde storingen of defecten van het remsysteem van de trekker of het getrokken voertuig. De enige functie van die signalen is het aangeven van storingen of defecten van het remsysteem. Het in punt 2.2.1.29.6 beschreven optische waarschuwingssignaal mag echter aanvullend worden gebruikt om storingen of defecten in het loopwerk aan te geven.

2.2.1.29.1.   Trekkers moeten bij een storing of defect van het remsysteem de volgende optische waarschuwingssignalen kunnen afgeven:

2.2.1.29.1.1.

een rood waarschuwingssignaal, in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 18, lid 2, onder l), q) en s), en lid 4, van Verordening (EU) nr. 167/2013, voor het aangeven van in andere punten van deze bijlage en in de bijlagen V, VII, IX en XIII bedoelde storingen in de remuitrusting van het voertuig die de voorgeschreven werking van het bedrijfsremsysteem en/of de werking van ten minste een van de twee onafhankelijke bedrijfsremcircuits onmogelijk maken;

2.2.1.29.1.2.

in voorkomend geval, een geel waarschuwingssignaal, in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 18, lid 2, onder l), q) en s), en lid 4, van Verordening (EU) nr. 167/2013 dat een elektrisch geconstateerd defect in de remuitrusting van het voertuig aangeeft, anders dan een defect dat wordt aangegeven door het in punt 2.2.1.29.1.1 genoemde waarschuwingssignaal;

2.2.1.29.2.   trekkers die zijn voorzien van een elektrische bedieningsleiding en/of een aanhangwagen met een overbrenging van elektrische bediening mogen trekken, moeten een apart waarschuwingssignaal kunnen geven, in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 18, lid 2, onder l), q) en s), en lid 4, van Verordening (EU) nr. 167/2013, dat een defect in de overbrenging van de elektrische bediening van de remuitrusting van het getrokken voertuig aangeeft. Dit signaal moet vanuit het getrokken voertuig worden geactiveerd via pool 5 van de elektrische connector volgens ISO 7638:2003 en het door het getrokken voertuig verzonden signaal moet in alle gevallen zonder significante vertraging of wijziging worden weergegeven door de trekker. Dit waarschuwingssignaal mag niet oplichten als er een getrokken voertuig zonder elektrische bedieningsleiding en/of overbrenging van de elektrische bediening is aangekoppeld, of als er geen getrokken voertuig is aangekoppeld. Deze functie moet automatisch zijn.

2.2.1.29.2.1.   Bij elektrische aansluiting van een trekker met een elektrische bedieningsleiding op een getrokken voertuig met een elektrische bedieningsleiding moet het in punt 2.2.1.29.1.1 beschreven waarschuwingssignaal tevens worden gebruikt om bepaalde storingen in de remuitrusting van het getrokken voertuig aan te geven zodra het getrokken voertuig de desbetreffende storingsinformatie verzendt via het datacommunicatiegedeelte van de elektrische bedieningsleiding. Dit signaal moet worden gegeven naast het in punt 2.2.1.29.2 beschreven waarschuwingssignaal. In plaats van het in punt 2.2.1.29.1.1 beschreven waarschuwingssignaal en het daarmee samengaande waarschuwingssignaal kan een dergelijke storing in de remuitrusting van het getrokken voertuig ook worden aangegeven met een apart waarschuwingssignaal, in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 18, lid 2, onder l), q) en s), en lid 4, van Verordening (EU) nr. 167/2013.

2.2.1.29.2.2.   Trekkers die zijn voorzien van een elektrische connector volgens ISO 7638:2003 om te kunnen aangeven dat het getrokken voertuig een laag niveau van opgeslagen energie heeft, zoals vereist in de punten 2.2.2.15.1.1 en 2.2.2.15.2, moeten het in punt 2.2.1.29.2 vermelde aparte gele waarschuwingssignaal aan de bestuurder kunnen tonen wanneer het waarschuwingssignaal via pool 5 van de elektrische connector volgens ISO 7638:2003 door het getrokken voertuig aan de trekker wordt verzonden.

2.2.1.29.3.   Tenzij anders vermeld:

2.2.1.29.3.1.

moeten gespecificeerde storingen of defecten middels bovenstaand(e) waarschuwingssigna(a)l(en) op of voor het moment van bediening van het desbetreffende bedieningsorgaan van de rem aan de bestuurder worden gemeld;

2.2.1.29.3.2.

moet de signaalweergave aanhouden zolang de storing of het defect voortduurt en de contact-/startschakelaar zich in de stand „ON” bevindt;

2.2.1.29.3.3.

moet het waarschuwingssignaal continu branden (niet knipperen).

2.2.1.29.4.   De waarschuwingssignalen moeten ook overdag zichtbaar zijn; de goede werking van de signalen moet eenvoudig vanaf de bestuurdersstoel kunnen worden geverifieerd; storingen in een onderdeel van het waarschuwingssysteem mogen de werking van het remsysteem niet nadelig beïnvloeden.

2.2.1.29.5.   De hierboven beschreven waarschuwingssignalen moeten oplichten als de elektrische circuits van het voertuig (en het remsysteem) onder spanning worden gezet. Terwijl het voertuig stilstaat moet het remsysteem verifiëren dat er geen sprake is van een of meer van de gespecificeerde storingen of defecten, alvorens de signalen te doven. Gespecificeerde storingen of defecten die de voornoemde waarschuwingssignalen zouden moeten activeren maar die onder statische omstandigheden niet worden geconstateerd, moeten bij constatering worden bewaard; deze signalen moeten oplichten bij het starten van het voertuig en steeds wanneer de contact-/startschakelaar ingeschakeld is en de storingen of defecten nog niet zijn opgeheven.

2.2.1.29.6.   Niet-gespecificeerde storingen of defecten of andere meldingen betreffende de remmen of het loopwerk van de trekker kunnen worden aangegeven middels het in punt 2.2.1.29.1.2 beschreven gele signaal, mits aan alle onderstaande voorwaarden wordt voldaan:

2.2.1.29.6.1.

het voertuig staat stil;

2.2.1.29.6.2.

nadat het remsysteem voor het eerst onder spanning is gezet en de in punt 2.2.1.29.5 beschreven procedures zijn uitgevoerd, geeft het signaal aan dat er geen gespecificeerde storingen (of defecten) zijn geconstateerd; en

2.2.1.29.6.3.

niet-gespecificeerde storingen of andere informatie worden alleen aangegeven middels het knipperen van het waarschuwingssignaal. Het waarschuwingssignaal moet echter uitgaan zodra het voertuig een snelheid van meer dan 10 km/h heeft ontwikkeld.

2.2.1.30.   Storingen in de overbrenging van de elektrische bediening mogen niet tot gevolg hebben dat de remmen in werking worden gesteld tegen de wil van de bestuurder.

2.2.1.31.   Trekkers die zijn uitgerust met hydrostatische aandrijving moeten voldoen ofwel aan alle desbetreffende voorschriften van deze bijlage ofwel aan die van bijlage IX.

2.2.2.   Voertuigen van de categorieën R en S

2.2.2.1.   Voertuigen van de categorieën R1a, R1b (waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 750 kg bedraagt), S1a, S1b (waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 750 kg bedraagt), hoeven niet te worden uitgerust met een bedrijfsremsysteem. Indien een voertuig van een van die categorieën echter wel is uitgerust met een bedrijfsremsysteem, moet dat systeem aan dezelfde voorschriften voldoen als de bedrijfsremsystemen van de voertuigen van categorie R2 of S2, naargelang het geval.

2.2.2.2.   Voertuigen van de categorieën R1b en S1b (waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 750 kg bedraagt) en R2 moeten worden uitgerust met een bedrijfsremsysteem van het continue of het halfcontinue type of van het type oplooprem. Indien een voertuig van een van die categorieën echter is uitgerust met een bedrijfsremsysteem van het continue of halfcontinue type, moet dat aan dezelfde voorschriften voldoen als bij voertuigen van de categorie R3.

2.2.2.3.   Indien een getrokken voertuig behoort tot de categorieën R3, R4 of S2, moet het bedrijfsremsysteem van het continue of halfcontinue type zijn.

2.2.2.3.1.   In afwijking van het voorschrift van punt 2.2.2.3 kunnen voertuigen van de categorieën R3a en S2a met een maximummassa van ten hoogste 8 000 kg onder de volgende voorwaarden worden uitgerust met een oploopremsysteem:

2.2.2.3.1.1.

een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 30 km/h wanneer de remmen niet op alle wielen werken;

2.2.2.3.1.2.

een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h wanneer de remmen op alle wielen werken;

2.2.2.3.1.3.

aan de achterzijde van aanhangwagens van categorie R3a die zijn uitgerust met oploopremmen moet een duurzame plaat (met een diameter van 150 mm) worden aangebracht met vermelding van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid. Daarop moet naargelang het geval 30 of 40 km/h aangegeven worden, of 20 of 25 mph in lidstaten waar nog imperiale eenheden worden gebruikt.

2.2.2.4.   Het bedrijfsremsysteem:

2.2.2.4.1.

moet op ten minste twee wielen van elke as werken in het geval van getrokken voertuigen van de categorieën Rb en Sb;

2.2.2.4.2.

moet de werking op passende wijze over de assen verdelen;

2.2.2.4.3.

moet in ten minste één van de drukluchtreservoirs, indien aanwezig, op een geschikte, eenvoudig bereikbare plaats een voorziening hebben voor het aftappen en ontluchten.

2.2.2.5.   De werking van ieder remsysteem moet symmetrisch ten opzichte van het middenlangsvlak van het getrokken voertuig over de wielen van eenzelfde as zijn verdeeld.

2.2.2.5.1.   In het geval van een voertuig met een aanzienlijk verschillende wielbelasting aan de linkse en de rechtse kant van het voertuig, mag de werking van het remsysteem op overeenkomstige wijze afwijken van de symmetrische verdeling van de remkracht.

2.2.2.6.   Storingen in de overbrenging van de elektrische bediening mogen niet tot gevolg hebben dat de remmen in werking worden gesteld tegen de wil van de bestuurder.

2.2.2.7.   De remvlakken welke nodig zijn ter verkrijging van de voorgeschreven doeltreffendheid moeten permanent verbonden zijn met de wielen, en wel op onwrikbare wijze of door middel van onderdelen die het niet kunnen begeven.

2.2.2.8.   Slijtage van de remmen moet eenvoudig kunnen worden gecompenseerd middels handmatige of automatische bijstelling. Daarnaast moeten het bedieningsorgaan, de overbrengingsonderdelen en de remonderdelen een zodanige extra speling hebben en, indien nodig, voorzien in een zodanige gepaste mogelijkheid tot compensatie, dat, nadat de remmen zijn warmgelopen of de voeringen een bepaalde mate van slijtage vertonen, een doeltreffende remwerking is gewaarborgd zonder dat bijstelling onmiddellijk nodig is.

2.2.2.8.1.   Voor de bedrijfsremmen moet de bijstelling bij slijtage automatisch zijn. De installatie van inrichtingen voor automatische bijstelling is evenwel optioneel voor voertuigen van de categorieën R1, R2, R3a, S1 en S2a. Bij remmen met een inrichting voor automatische rembijstelling moeten de wielen, na warmlopen gevolgd door afkoeling van de remmen, vrij kunnen draaien overeenkomstig het bepaalde in punt 2.5.6 van bijlage II na uitvoering van de in die bijlage beschreven test van type I of III, naargelang het geval.

2.2.2.8.1.1.   Voor getrokken voertuigen van de categorieën:

R3a, R4a en S2a, en

R3b, R4b, S2b waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 10 000 kg bedraagt,

wordt aan de prestatievoorschriften van punt 2.2.2.8.1 geacht te zijn voldaan als zij in overeenstemming zijn met de voorschriften van punt 2.5.6 van bijlage II. Zolang er geen uniforme technische bepalingen voor een juiste beoordeling van de functie van inrichtingen voor automatische rembijstelling zijn overeengekomen, wordt een aanhangwagen geacht te voldoen aan het voorschrift betreffende het vrij kunnen draaien van de rem wanneer tijdens alle voor de desbetreffende aanhangwagen voorgeschreven tests wordt geconstateerd dat de remmen vrij kunnen draaien.

2.2.2.8.1.2.   Getrokken voertuigen van de categorieën R3b, R4b, S2b waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 10 000 kg bedraagt, worden geacht te voldoen aan de prestatievoorschriften van punt 2.2.2.8.1 als zij voldoen aan de voorschriften van punt 2.5.6 van bijlage II.

2.2.2.9.   Het remsysteem moet zodanig zijn dat het bewegende getrokken voertuig bij ontkoppeling automatisch tot stilstand wordt gebracht.

2.2.2.9.1.   Voertuigen van de categorieën R1 en S1 zonder remsysteem moeten naast de hoofdkoppelinrichting zijn uitgerust met een hulpkoppeling (ketting, kabel e.d.) die, mocht de hoofdkoppeling losraken, voorkomt dat de dissel de grond raakt en die nog enige besturing van het getrokken voertuig mogelijk maakt.

2.2.2.9.2.   Voertuigen van de categorieën R1, R2, R3a, S1 en S2a met een oploopremsysteem moeten zijn uitgerust met een inrichting (ketting, kabel e.d.) die, mocht de koppeling losraken, de remmen van het getrokken voertuig kan bedienen.

2.2.2.9.3.   De in de punten 2.1.5.1.1 en 2.1.5.1.2 beschreven verbindingsleidingen van getrokken voertuigen met een hydraulisch remsysteem moeten op de trekker of het getrokken voertuig ontkoppelen met een te verwaarlozen lekkage tijdens het losmaken van de koppeling. De kracht om één verbindingsleiding los te maken mag de in ISO 5675:2008 aangegeven waarden niet overschrijden. In afwijking van de in punt 4.2.4 van die norm voorgeschreven waarden mag de kracht om beide verbindingsleidingen los te maken niet meer bedragen dan 2 500 N.

2.2.2.10.   Op ieder getrokken voertuig dat moet zijn uitgerust met een bedrijfsremsysteem, moet de werking van de parkeerrem ook gewaarborgd zijn na loskoppeling van de trekker. Het parkeerremsysteem moet in werking kunnen worden gesteld door iemand die buiten het voertuig staat.

2.2.2.11.   Indien het getrokken voertuig is voorzien van een inrichting waarmee de inwerkingstelling van een ander remsysteem dan het parkeerremsysteem buiten werking kan worden gesteld, moet de inrichting zodanig zijn ontworpen en gebouwd dat deze uiterlijk op het moment dat het getrokken voertuig opnieuw druklucht of hydraulische olie krijgt toegevoerd of opnieuw elektrische voeding krijgt, automatisch in de ruststand terugkeert.

2.2.2.12.   Het remsysteem van een getrokken voertuig dat is uitgerust met een hydraulisch bedrijfsremsysteem moet zo zijn ontworpen dat het parkeer- of bedrijfsremsysteem automatisch in werking wordt gesteld wanneer de supplementaire leiding wordt losgekoppeld.

2.2.2.13.   Voertuigen van de categorieën R3, R4 en S2 moeten respectievelijk voldoen aan de voorwaarden van punt 2.2.1.17.2.2 voor drukluchtremsystemen of van punt 2.2.2.15.3 voor hydraulische remsystemen.

2.2.2.14.   Als de hulpuitrusting met energie wordt gevoed vanuit het bedrijfsremsysteem, moet het bedrijfsremsysteem zodanig worden beveiligd dat wordt gewaarborgd dat de druk in de opslagvoorziening(en) ten minste 80 % blijft bedragen van de vraagdruk van de bedieningsleiding of de daarmee overeenstemmende digitale vraag, als beschreven in de punten 2.2.3.2 respectievelijk 2.2.3.3 van bijlage II.

2.2.2.15.   Naast het bovenstaande moeten getrokken voertuigen met hydraulische remsystemen aan de volgende voorschriften voldoen:

2.2.2.15.1.

Wanneer een getrokken voertuig alleen aan de voorschriften van het bedrijfsremsysteem en/of parkeerremsysteem en/of automatisch remsysteem voldoet met behulp van in een hydraulische energieopslagvoorziening opgeslagen energie, moet het getrokken voertuig automatisch de remmen in werking stellen of houden wanneer het niet elektrisch verbonden is (met ingeschakelde ontsteking van de trekker) met de energievoorziening van de connector volgens ISO 7638:2003 (zie ook punt 2.2.1.18.9). Naargelang de toepassing kan de connector volgens ISO 7638:2003 worden gebruikt voor 5-polige en 7-polige aansluitingen.

2.2.2.15.1.1.

Wanneer de druk in de hydraulische energieopslagvoorziening daalt tot beneden de waarde waarvan de voertuigfabrikant in het typegoedkeuringscertificaat heeft aangegeven dat zij niet volstaat om de voorgeschreven remwerking te verzekeren, moet deze lage druk aan de bestuurder worden gemeld middels het in punt 2.2.1.29.2.2 beschreven afzonderlijke waarschuwingssignaal via pool 5 van de elektrische connector volgens ISO 7638:2003.

Deze druk mag ten hoogste 11 500 kPa bedragen.

2.2.2.15.2.

Wanneer de druk in de supplementaire leiding gedaald is tot 1 200 kPa moet de automatische remming van het getrokken voertuig in werking treden (zie ook punt 2.2.1.18.6).

2.2.2.15.3.

Op het getrokken voertuig mag een inrichting worden geïnstalleerd om tijdelijk de remmen te deblokkeren in het geval dat geen geschikte trekker beschikbaar is. De supplementaire leiding moet voor deze tijdelijke toepassing op die inrichting worden aangesloten. Wanneer de supplementaire leiding van de inrichting wordt losgekoppeld, moeten de remmen automatisch weer in werking worden gesteld.

2.2.2.16.   Getrokken voertuigen van de categorieën R3b, R4b en S2b met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 60 km/h moeten zijn uitgerust met een antiblokkeersysteem overeenkomstig bijlage XI. Indien de maximaal toegestane massa van de getrokken voertuigen groter is dan 10 t, is bovendien alleen een antiblokkeersysteem van categorie A toegestaan.

2.2.2.17.   Getrokken voertuigen die niet zijn genoemd in punt 2.2.2.16 en die zijn uitgerust met een antiblokkeersysteem moeten voldoen aan de voorschriften van bijlage XI.

2.2.2.18.   Getrokken voertuigen met een elektrische bedieningsleiding en getrokken voertuigen van categorie R3b of R4b met een antiblokkeersysteem moeten voor het remsysteem en het antiblokkeersysteem of voor slechts een van deze twee systemen zijn voorzien van een speciale elektrische connector volgens ISO 7638:2003. De geleiders mogen een kleinere dwarsdoorsnede hebben dan volgens ISO 7638:2003 indien de aanhangwagen zelf een onafhankelijke smeltveiligheid heeft. De nominale waarde van de smeltveiligheid moet waarborgen dat het stroombereik van de geleiders niet wordt overschreden. Deze afwijking geldt niet voor aanhangwagens die een andere aanhangwagen kunnen trekken. De bij dit reglement voor het getrokken voertuig voorgeschreven waarschuwingssignalen voor storingen moeten via voornoemde connector worden geactiveerd. Getrokken voertuigen moeten wat de verzending van waarschuwingssignalen voor het melden van storingen betreft, voldoen aan dezelfde toepasselijke voorschriften als die welke voor trekkers worden beschreven in de punten 2.2.1.29.3, 2.2.1.29.4, 2.2.1.29.5 en 2.2.1.29.6.

Op die voertuigen moet, in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 17, lid 2, onder k), en lid 5, van Verordening (EU) nr. 167/2013, met een onuitwisbaar opschrift zijn aangeduid wat de functionaliteit van het remsysteem is wanneer de connector volgens ISO 7638:2003 is aangesloten respectievelijk niet is aangesloten. Het opschrift moet worden aangebracht op een plaats die zichtbaar is wanneer de pneumatische en elektrische interfaceverbindingen worden gemaakt.

2.2.2.18.1.   Het is toegestaan het remsysteem aan te sluiten op een extra energiebron naast die welke beschikbaar is via voornoemde connector volgens ISO 7638:2003. Als een extra energiebron aanwezig is, zijn echter de volgende bepalingen van toepassing:

2.2.2.18.1.1.

in alle gevallen is de voeding via de connector volgens ISO 7638:2003 de primaire bron van het remsysteem, ongeacht een eventuele aangesloten aanvullende voeding. De aanvullende voeding is bedoeld om dienst te doen als back-up bij een storing van de voeding via de aansluiting volgens ISO 7638:2003;

2.2.2.18.1.2.

zij mag de werking van het remsysteem onder normale omstandigheden of bij storing niet nadelig beïnvloeden;

2.2.2.18.1.3.

bij storing van de voeding via de aansluiting volgens ISO 7638:2003 mag het remsysteem niet zodanig veel energie verbruiken dat het maximale beschikbare vermogen via de aanvullende voeding wordt overschreden;

2.2.2.18.1.4.

op het getrokken voertuig mag geen opschrift of label worden aangebracht om de aanwezigheid van een aanvullende voeding aan te geven;

2.2.2.18.1.5.

het getrokken voertuig mag niet zijn voorzien van een inrichting die een foutsignaal geeft bij storing in het remsysteem van het getrokken voertuig wanneer het remsysteem wordt gevoed uit de aanvullende energiebron;

2.2.2.18.1.6.

als er een aanvullende energiebron is, moet het mogelijk zijn de werking van het remsysteem op deze voeding te verifiëren;

2.2.2.18.1.7.

bij storingen in de elektrische voeding via de connector volgens ISO 7638:2003 zijn de voorschriften van punt 4.2.3 van bijlage XII en punt 4.1 van bijlage XI voor de melding van storingen van toepassing, ongeacht de werking van het remsysteem op de aanvullende voeding.

2.2.2.19.   Naast de voorschriften van de punten 2.2.1.17.2.2 en 2.2.1.19 kunnen de remmen van het getrokken voertuig ook automatisch in werking treden als het remsysteem van het getrokken voertuig dit zelf in gang zet naar aanleiding van aan boord gegenereerde informatie.

3.   Tests

De remtests die de voor goedkeuring ter beschikking gestelde voertuigen moeten ondergaan, en de vereiste remwerking, worden beschreven in bijlage II.


BIJLAGE II

Voorschriften voor het testen en de werking van remsystemen en remkoppelingen voor aanhangwagens en van daarmee uitgeruste voertuigen

1.   Definities

Voor de toepassing van deze bijlage wordt verstaan onder:

1.1.   „asstel”: meerdere assen waarbij de afstand tussen een as en de volgende as gelijk is aan of minder is dan 2,0 m. Indien de afstand tussen een as en de volgende as meer dan 2,0 m is, moet elke as worden beschouwd als onafhankelijk asstel;

1.2.   „krommen van benutting van de wrijving”: de krommen van een voertuig die voor een bepaalde belasting de door elk van de assen i benutte wrijving geven als functie van de vertragingsfactor van het voertuig.

2.   Remtests

2.1.   Algemeen

Tenzij uitdrukkelijk anders aangegeven wordt met een verwijzing naar een door de constructie bepaalde maximumsnelheid in deze bijlage die voor een zich voorwaarts bewegend voertuig bedoeld.

2.1.1.   De voor het remsysteem voorgeschreven werking is gebaseerd op de remafstand en de gemiddelde volle vertraging of op slechts een van deze twee grootheden. De werking van een remsysteem wordt bepaald door meting van de remafstand ten opzichte van de beginsnelheid van het voertuig en door meting van de gemiddelde volle vertraging gedurende de test of door slechts een van deze twee grootheden. Afhankelijk van de uit te voeren test worden zowel de remafstand als de gemiddelde volle vertraging of slechts een daarvan voorgeschreven en gemeten.

2.1.2.   De remafstand is de afstand die door het voertuig wordt afgelegd vanaf het moment waarop de bestuurder het bedieningsorgaan van het remsysteem begint in te drukken tot het moment waarop het voertuig tot stilstand komt; de beginsnelheid van het voertuig (v1) is de snelheid op het moment waarop de bestuurder het bedieningsorgaan van het remsysteem begint in te drukken; de beginsnelheid mag niet minder bedragen dan 98 % van de voor de desbetreffende test voorgeschreven snelheid. De gemiddelde volle vertraging dm wordt berekend als de gemiddelde vertraging over de afgelegde afstand in het interval vb-ve, overeenkomstig de formule:

Formula

waarin:

v1

=

beginsnelheid van het voertuig berekend als beschreven in de eerste alinea

vb

=

voertuigsnelheid bij 0,8 v1 in km/h

ve

=

voertuigsnelheid bij 0,1 v1 in km/h

sb

=

afgelegde afstand tussen v1 en vb in meter

se

=

afgelegde afstand tussen v1 en ve in meter

De snelheid en afstand worden bepaald door instrumenten die een nauwkeurigheid hebben van ± 1 % bij de voor de test voorgeschreven snelheid. dm mag worden bepaald met behulp van andere methoden dan meting van de snelheid en afstand; in dit geval moet de nauwkeurigheid van dm ± 3 % bedragen.

2.1.3.   Voor de typegoedkeuring van een voertuig wordt de remwerking gemeten tijdens tests op de weg onder de volgende omstandigheden:

2.1.3.1.

De massa van het voertuig moet voldoen aan de voorschriften van het testtype In kwestie en in het testrapport worden vermeld.

2.1.3.2.

De test wordt uitgevoerd bij de voor het type test voorgeschreven snelheden; als de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig lager is dan de voor een test voorgeschreven snelheid, wordt de test uitgevoerd bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig.

2.1.3.3.

Tijdens de tests mag de kracht die op het bedieningsorgaan van het remsysteem wordt uitgeoefend om de voorgeschreven werking te verkrijgen, niet groter zijn dan 600 N voor bedieningsorganen die met de voet worden bediend of 400 N voor bedieningsorganen die met de hand worden bediend.

2.1.3.4.

Tenzij anders bepaald, moet het wegdek een goede grip bieden.

2.1.3.5.

De tests moeten worden uitgevoerd wanneer er geen wind is die de resultaten kan beïnvloeden.

2.1.3.6.

Bij aanvang van de tests moeten de banden koud zijn en een druk hebben die is voorgeschreven voor de feitelijke belasting van de wielen in statische toestand.

2.1.3.7.

De voorgeschreven remwerking moet worden verkregen zonder dat het voertuig van zijn koers afwijkt of abnormaal trilt en zonder wielblokkering. Wielblokkering is wel toegestaan indien dit uitdrukkelijk is vermeld.

2.1.4.   Gedrag van het voertuig tijdens het remmen

2.1.4.1.   Tijdens de remtests, met name die bij hoge snelheid, wordt het algemene gedrag van het voertuig tijdens het remmen gecontroleerd.

2.1.4.2.   Gedrag van het voertuig tijdens remmen op een wegdek met beperkte wrijving

Het gedrag van voertuigen van de categorieën Tb, R2b, R3b, R4b en S2b op een wegdek met beperkte wrijving moet beantwoorden aan de desbetreffende voorschriften van aanhangsel 1 en, indien het voertuig is voorzien van ABS, ook van bijlage XI.

2.2.   Remtest van type 0 (gewone remtest in koude toestand)

2.2.1.   Algemeen

2.2.1.1.   De rem moet koud zijn. Een rem wordt als koud beschouwd wanneer aan een van de volgende voorwaarden is voldaan:

2.2.1.1.1.

De temperatuur, gemeten aan de schijf of aan de buitenzijde van de trommel, is lager dan 100 °C.

2.2.1.1.2.

Bij volledig ingebouwde remmen, inbegrepen in olie ondergedompelde remmen, is de temperatuur gemeten aan de buitenzijde van het huis, lager dan 50 °C.

2.2.1.1.3.

De remmen zijn gedurende het laatste uur voor de test niet gebruikt.

2.2.1.2.   Tijdens de remtest mag een as zonder rem die kan worden ontkoppeld, niet zijn verbonden met een geremde as. Wanneer een trekker echter één geremde as heeft en tijdens het remmen de aandrijving automatisch met alle andere assen wordt gekoppeld, wordt ervan uitgegaan dat alle wielen geremd zijn.

2.2.1.3.   De test moet worden uitgevoerd onder de volgende omstandigheden:

2.2.1.3.1.

Het voertuig wordt beladen tot de door de fabrikant opgegeven toegestane maximummassa met een niet-geremde as belast tot de voor die as toegestane maximummassa. De wielen van de geremde as moeten zijn voorzien van banden met de grootste diameter die de fabrikant heeft aanbevolen voor dat voertuigtype bij belading met de toegestane maximummassa. De vooras van voertuigen waarvan alle wielen geremd zijn, moet worden belast tot de voor die as toegestane maximummassa.

2.2.1.3.2.

De test wordt herhaald met een onbeladen voertuig; bij trekkers bevindt zich aan boord alleen de bestuurder alsmede eventueel iemand om de testresultaten waar te nemen.

2.2.1.3.3.

De voor de minimumprestatie voorgeschreven grenswaarden, voor tests in onbeladen evenals voor tests in beladen toestand, zijn die welke hieronder per voertuigcategorie zijn aangegeven; zowel de remafstand als de gemiddelde volle vertraging van het voertuig moet beantwoorden aan de voor de betrokken voertuigcategorie voorgeschreven waarde, maar wellicht is het niet nodig beide parameters daadwerkelijk te meten.

2.2.1.3.4.

De weg moet horizontaal zijn.

2.2.2.   Test van type 0 voor voertuigen van de categorieën T en C

2.2.2.1.   De test wordt uitgevoerd bij de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig en met ontkoppelde motor. Voor de snelheid is een zekere tolerantiemarge toegestaan. De voorgeschreven minimale remwerking moet echter hoe dan ook worden bereikt. De voorgeschreven maximale remafstand (via de formule voor remafstand) wordt berekend met de werkelijke testsnelheid.

2.2.2.2.   Om na te gaan of wordt voldaan aan de voorschriften van punt 2.2.1.2.4 van bijlage I, moet een test van type 0 met ontkoppelde motor worden uitgevoerd met een beginsnelheid van niet minder dan 98 % van de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig. De gemiddelde volle vertraging bij bediening van het bedieningsorgaan van het parkeerremsysteem of bij bediening van een hulpbedieningsorgaan waarmee het mogelijk is het bedrijfsremsysteem ten minste gedeeltelijk in werking te stellen, en de vertraging onmiddellijk voordat het voertuig tot stilstand komt, moeten ten minste 1,5 m/s2 bedragen tot maximaal 30 km/h en 2,2 m/s2 boven 30 km/h. De test wordt uitgevoerd met beladen voertuig. De kracht op het bedieningsorgaan mag de voorgeschreven waarden niet overschrijden.

2.2.2.3.   Voertuigen met een stuurstang en een schrijlingse zitplaats of met een stuurwiel en een bank of kuipstoelen in een of meer rijen en die ook zijn uitgerust met een niet-ontkoppelbare overbrenging, en waarvan de fabrikant bij de remtest kan aantonen dat dit het geval is, moeten de test van type 0 ondergaan met gekoppelde motor.

2.2.3.   Test van type 0 voor voertuigen van de categorieën R en S

2.2.3.1.   De remwerking van het getrokken voertuig kan worden berekend hetzij uit de vertragingsfactor van de trekker plus het getrokken voertuig en de gemeten duw-/trekkracht op de koppeling, hetzij, in bepaalde gevallen, uit de vertragingsfactor van de trekker plus het getrokken voertuig waarbij alleen het getrokken voertuig wordt geremd. De motor van de trekker moet tijdens de remtest ontkoppeld zijn.

2.2.3.2.   Voor getrokken voertuigen met een drukluchtremsysteem mag de druk in de toevoerleiding niet groter zijn dan 700 kPa tijdens de remtest en mag de signaalwaarde in de bedieningsleiding niet groter zijn dan de volgende waarden, naargelang de installatie:

2.2.3.2.1.

650 kPa in de pneumatische bedieningsleiding;

2.2.3.2.2.

een digitale vraagwaarde die overeenkomt met 650 kPa (volgens ISO 11992:2003, met inbegrip van ISO 11992-2:2003 en Amd.1:2007) in de elektrische bedieningsleiding.

2.2.3.3.   Voor getrokken voertuigen die zijn uitgerust met een hydraulisch remsysteem:

2.2.3.3.1.

moet de voorgeschreven minimale remwerking worden bereikt met een druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding van niet meer dan 11 500 kPa;

2.2.3.3.2.

mag de maximale druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding niet meer bedragen dan 15 000 kPa.

2.2.3.4.   Met uitzondering van de in de punten 2.2.3.5 en 2.2.3.6 genoemde gevallen is het voor de vaststelling van de vertragingsfactor van het getrokken voertuig noodzakelijk de vertragingsfactor van de trekker plus het getrokken voertuig en de duw-/trekkracht op de koppeling te meten. De trekker moet voldoen aan de voorschriften van aanhangsel 1 voor wat betreft het verband tussen de verhouding TM/FM en de druk pm,

waarin:

TM

=

som van de remkrachten langs de omtrek van alle wielen van trekkers

FM

=

totale loodrechte reactiekracht van het wegdek op de wielen van trekkers in statische toestand

pm

=

druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding.

De vertragingsfactor van het getrokken voertuig wordt berekend met behulp van de volgende formule:

zR = zR + M + D/FR

waarin:

zR

=

vertragingsfactor van het getrokken voertuig

zR + M

=

vertragingsfactor van de trekker plus het getrokken voertuig

D

=

duw-/trekkracht op de koppeling (trekkracht D > 0; oploopkracht D < 0)

FR

=

totale loodrechte reactiekracht van het wegdek op alle wielen van het getrokken voertuig in statische toestand

2.2.3.5.   Indien een getrokken voertuig is voorzien van een continu- of halfcontinuremsysteem waarbij de druk in de remcilinders tijdens het remmen niet verandert ondanks de verplaatsing van de dynamische asbelasting, is het toegestaan dat alleen het getrokken voertuig wordt geremd. De vertragingsfactor zR van het getrokken voertuig wordt berekend met behulp van de volgende formule:

Formula

waarin:

R

=

waarde van de rolweerstand:

0,02 in het geval van voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van ten hoogste 40 km/h

0,01 in het geval van voertuigen met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 40 km/h

FM

=

totale loodrechte reactiekracht van het wegdek op de wielen van trekkers in statische toestand

FR

=

totale loodrechte reactiekracht van het wegdek op alle wielen van het getrokken voertuig in statische toestand

2.2.3.6.   De vertragingsfactor van het getrokken voertuig kan ook worden bepaald door alleen het getrokken voertuig te remmen. In dat geval moet gebruik worden gemaakt van dezelfde druk als die gemeten in de remcilinders bij het remmen van de combinatie.

2.3.   Test van type I (remverliestest)

De test van dit type wordt, naargelang het geval, uitgevoerd volgens de voorschriften van punt 2.3.1 of punt 2.3.2.

2.3.1.   Met herhaald remmen

Trekkers van de categorieën T en C worden onderworpen aan de test van type I met herhaald remmen.

2.3.1.1.   Het bedrijfsremsysteem van trekkers waarop deze verordening van toepassing is, wordt getest door enkele keren de remmen in werking te stellen en te lossen. Het voertuig moet volledig beladen zijn en worden getest volgens de voorwaarden in onderstaande tabel:

Voertuigcategorie

Voorwaarden

v1 [km/h]

v2 [km/h]

Δt [s]

n

T, C

80 % vmax

Formula

v1

60

20

waarin:

v1

=

snelheid bij aanvang van het remmen

v2

=

snelheid bij stoppen van het remmen

vmax

=

door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig

n

=

aantal keren remmen

Δt

=

duur van de remcyclus (tijd tussen het begin van een rembediening en het begin van de volgende).

2.3.1.1.1.   In het geval van trekkers met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 40 km/h, mogen in plaats van de testomstandigheden als aangegeven in de tabel van punt 2.3.1.1 de in onderstaande tabel aangegeven voorwaarden worden toegepast:

Voertuigcategorie

Voorwaarden

v1 [km/h]

v2 [km/h]

Δt [s]

n

T, C

80 % vmax

0,05 v1

60

18

2.3.1.2.   Indien door de eigenschappen van het voertuig de voorgeschreven waarde voor Δt niet kan worden aangehouden, mag de tijd worden verlengd; in ieder geval moet er behalve de tijd welke nodig is voor het remmen en het accelereren van het voertuig, bij iedere cyclus een periode van 10 seconden voor het stabiliseren van snelheid v1 in acht worden genomen.

2.3.1.3.   Bij deze tests moet de op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht zodanig zijn dat bij het eerste gebruik van de remmen een gemiddelde volle vertraging van 3 m/s2 wordt bereikt. Deze kracht moet alle volgende keren dat geremd wordt constant blijven.

2.3.1.4.   Tijdens het remmen moet de motor gekoppeld blijven via de hoogste overbrengingsverhouding (afgezien van de overdrive e.d.).

2.3.1.5.   Om na het remmen weer te versnellen, moet zodanig worden geschakeld dat snelheid v1 zo snel mogelijk wordt bereikt (grootst mogelijke versnelling met de motor en versnellingsbak).

2.3.1.6.   Voor voertuigen met een inrichting voor automatische rembijstelling moet deze inrichting voorafgaand aan de test van type I worden geregeld volgens de volgende procedures, naargelang het geval:

2.3.1.6.1.

Voor voertuigen met drukluchtremmen moet het remsysteem zodanig zijn bijgesteld dat de inrichting voor automatische rembijstelling kan functioneren. Hiertoe moet de slag van de remcilinder als volgt worden bijgesteld:

so ≥ 1,1 × sbijstel

(de bovengrens mag niet hoger zijn dan een door de fabrikant aanbevolen waarde)

waarin:

Sbijstel

gelijk is aan de bijstelslag volgens de specificatie van de fabrikant van de inrichting voor automatische rembijstelling, d.w.z. de slag waarbij de inrichting begint de vrije slag van de rem bij te stellen met een cilinderdruk van 15 % van de bedrijfsdruk van het remsysteem maar niet minder dan 100 kPa.

Als in overleg met de technische dienst is vastgesteld dat de slag van de remcilinder niet goed kan worden gemeten, moet de begininstelling worden overeengekomen met de technische dienst.

Nadat aan voornoemde voorwaarde is voldaan, wordt 50 keer achtereen geremd met een cilinderdruk van 30 % van de bedrijfsdruk van het remsysteem maar niet minder dan 200 kPa. Vervolgens wordt één keer geremd met een remcilinderdruk van > 650 kPa.

2.3.1.6.2.

Voor voertuigen met hydraulisch bediende schijfremmen worden instelvoorschriften niet nodig geacht.

2.3.1.6.3.

Voor voertuigen met hydraulisch bediende trommelremmen moet het remsysteem zijn ingesteld volgens de specificaties van de fabrikant.

2.3.2.   Met continu remmen

2.3.2.1.   Bedrijfsremsysteem van voertuigen van de categorieën R1, R2, S1, R3a, R4a, S2a en R3b, R4b, S2b, waarbij voor de laatste drie voertuigcategorieën het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 10 000 kg bedraagt

Indien de bovenvermelde voertuigen van de categorieën R3a, R4a, S2a en R3b, R4b, S2b, waarbij voor de laatste drie voertuigcategorieën het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 10 000 kg bedraagt, niet bij wijze van alternatief de test van type III volgens punt 2.5 hebben doorstaan, moeten zij zodanig worden getest, dat, in beladen toestand, de energietoevoer naar de remmen gelijk is aan die in eenzelfde periode gemeten voor een beladen voertuig dat op een neerwaartse helling van 7 % over 1,7 km op een constante snelheid van 40 km/h wordt gehouden.

2.3.2.2.   De test mag worden uitgevoerd op een vlakke weg, waarbij het getrokken voertuig door een landbouwvoertuig getrokken wordt; gedurende de test moet de kracht op het bedieningsorgaan zodanig zijn dat de weerstand van het getrokken voertuig constant blijft (7 % van de maximale stationaire asbelasting van het getrokken voertuig). Als het beschikbare trekvermogen ontoereikend is, kan de test worden uitgevoerd bij een lagere snelheid maar over een grotere afstand, volgens onderstaande tabel:

Snelheid (km/h)

afstand (in m)

40

1 700

30

1 950

20

2 500

15

3 100

2.3.2.3.   Voor getrokken voertuigen met een inrichting voor automatische rembijstelling moeten de remmen voorafgaand aan de hoger beschreven test van type I worden ingesteld volgens de procedure van punt 2.5.4.

2.3.3.   Remwerking in warme toestand

2.3.3.1.   Na afloop van de test van type I (volgens punt 2.3.1 of punt 2.3.2) wordt de werking van het bedrijfsremsysteem in warme toestand gemeten onder dezelfde voorwaarden (met name bij een constante bedieningskracht die niet groter is dan de in werkelijkheid uitgeoefende gemiddelde kracht) als voor de test van type 0 met ontkoppelde motor (de temperatuurvoorwaarden mogen verschillen).

2.3.3.2.   De remwerking in warme toestand mag bij trekkers niet minder bedragen dan 80 % van die welke is voorgeschreven voor de desbetreffende categorie en niet minder dan 60 % van de bij de test van type 0 met ontkoppelde motor geregistreerde waarde.

2.3.3.3.   Bij getrokken voertuigen mag de remkracht langs de omtrek van de wielen in warme toestand bij een test tegen 40 km/h niet minder zijn dan 36 % voor getrokken voertuigen met vmax > 30 km/h of 26 % voor getrokken voertuigen met vmax ≤ 30 km/h van de maximale stationaire wielbelasting en niet minder dan 60 % van de waarde die bij de test van type 0 bij dezelfde snelheid werd gemeten.

2.3.4.   Test op vrij lopen

Voor trekkers met een inrichting voor automatische rembijstelling moeten na uitvoering van de tests van punt 2.3.3 de remmen kunnen afkoelen tot een waarde in het bereik van de koude toestand (≤ 100 °C) en moet het voertuig aan een van de volgende voorwaarden voldoen om er zeker van te zijn dat de remmen niet aanlopen:

2.3.4.1.

de wielen draaien vrij (d.w.z. kunnen met de hand worden verdraaid);

2.3.4.2.

als tijdens de verplaatsing van het ongeremde voertuig met een constante snelheid van v = 60 km/h de asymptotische stijgingen van de temperatuur van trommel/schijf niet meer dan 80 °C bedragen, worden de restremkoppels als acceptabel beschouwd.

2.4.   Test van type II (gedrag tijdens afdaling)

Trekkers van de categorieën Tb en Cb met een maximaal toelaatbare massa van meer dan 12 t, moeten naast de test van type I eveneens worden onderworpen aan de test van type II.

2.4.1.   Beladen trekkers moeten zodanig worden getest dat de energietoevoer gelijk is aan die welke in dezelfde tijd is geregistreerd met een beladen voertuig dat met een gemiddelde snelheid van 30 km/h op een neerwaartse helling van 6 % een afstand van 6 km aflegt in de gepaste versnelling en, als het daarmee is uitgerust, met ingeschakeld continuremsysteem. De gekozen versnelling moet waarborgen dat het motortoerental (min-1) niet groter is dan het door de fabrikant voorgeschreven maximum.

2.4.2.   Voor voertuigen waarbij de energie uitsluitend door de remwerking van de motor wordt opgenomen is een tolerantie van ± 5 km/h voor de gemiddelde snelheid toegestaan en moet die versnelling zijn ingeschakeld waarmee de snelheid op de neerwaartse helling van 6 % zo dicht mogelijk bij 30 km/h kan worden gehouden. Als de remwerking van alleen de motor wordt bepaald middels een vertragingsmeting, is de remwerking voldoende als de gemeten gemiddelde vertraging ten minste 0,5 m/s2 is.

2.4.3.   Na afloop van de test wordt de werking van het bedrijfsremsysteem in warme toestand gemeten onder dezelfde voorwaarden als voor de test van type 0 met ontkoppelde motor (de temperatuurvoorwaarden mogen verschillen). In deze warme toestand mag, bij een bedieningskracht van maximaal 60 daN, de remafstand niet groter en de gemiddelde volle vertraging niet kleiner zijn dan de volgende waarden:

0,15 v + (1,33 v2/115)

(de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle vertraging dm = 3,3 m/s2).

2.5.   Test van type III (remverliestest) voor beladen voertuigen van de categorieën:

2.5.1.   R3b, R4b, S2b waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as meer dan 10 000 kg bedraagt,

of (als alternatief) van de categorieën

2.5.2.   R3a, R4a, S2a, indien die voertuigen niet volgens punt 2.3.2 zijn getest;

2.5.3.   R3b, R4b, S2b waarbij het totaal van de technisch toelaatbare massa's per as ten hoogste 10 000 kg bedraagt.

2.5.4.   Baantest

2.5.4.1.   De remafstelling moet voorafgaand aan de test van type III worden geregeld volgens de volgende procedures, naargelang het geval:

2.5.4.1.1.

Voor getrokken voertuigen met drukluchtremmen moet het remsysteem zodanig zijn bijgesteld dat de inrichting voor automatische rembijstelling kan functioneren. Hiertoe moet de slag van de remcilinder als volgt worden ingesteld:

so ≥ 1,1 × sbijstel

(de bovengrens mag niet hoger zijn dan een door de fabrikant aanbevolen waarde)

waarin:

sbijstel

gelijk is aan de bijstelslag volgens de specificatie van de fabrikant van de inrichting voor automatische rembijstelling, d.w.z. de slag waarbij de inrichting begint de vrije slag van de rem bij te stellen bij een cilinderdruk van 100 kPa.

Als in overleg met de technische dienst is vastgesteld dat de slag van de remcilinder niet goed kan worden gemeten, moet de begininstelling worden overeengekomen met de technische dienst.

Nadat aan voornoemde voorwaarde is voldaan, wordt 50 keer achtereen geremd bij een remcilinderdruk van 200 kPa. Vervolgens wordt één keer geremd met een remcilinderdruk van ≥ 650 kPa.

2.5.4.1.2.

Voor getrokken voertuigen met hydraulisch bediende schijfremmen worden instelvoorschriften niet nodig geacht.

2.5.4.1.3.

Voor getrokken voertuigen met hydraulisch bediende trommelremmen moet het remsysteem zijn ingesteld volgens de specificaties van de fabrikant.

2.5.4.2.   Voor de wegtest gelden de volgende voorwaarden:

Aantal keren remmen

20

Duur van een remcyclus

60 s

Beginsnelheid bij aanvang van remmen

60 km/h

Bediening remsysteem

In deze tests moet de kracht op het bedieningsorgaan zodanig zijn dat bij de eerste keer remmen de gemiddelde volle remvertraging van 3 m/s2 voor de massa van het getrokken voertuig PR wordt bereikt; deze kracht moet bij elke volgende keer remmen constant worden gehouden.

De vertragingsfactor van een getrokken voertuig wordt berekend volgens de formule van punt 2.2.3.5:

Formula

Snelheid bij stoppen van het remmen:

Formula

waarin:

zR

=

vertragingsfactor van het getrokken voertuig

zR+M

=

vertragingsfactor van de voertuigcombinatie (trekker en getrokken voertuig)

R

=

waarde van de rolweerstand = 0,01

FM

=

totale loodrechte reactiekracht tussen het wegdek en de wielen van de trekker in statische toestand (N)

FR

=

totale loodrechte reactiekracht tussen het wegdek en de wielen van het getrokken voertuig in statische toestand (N)

F1

=

loodrechte reactiekracht van het deel van de massa van het getrokken voertuig gedragen door de niet-geremde as(sen) in statische toestand (N)

F2

=

loodrechte reactiekracht van het deel van de massa van het getrokken voertuig gedragen door de geremde as(sen) in statische toestand (N)

PR

=

PR = FR/g

v1

=

beginsnelheid (km/h)

v2

=

eindsnelheid (km/h)

2.5.5.   Remwerking in warme toestand

Na afloop van de test van punt 2.5.4 wordt de werking van het bedrijfsremsysteem in warme toestand gemeten onder dezelfde voorwaarden als voor de test van type 0, maar bij andere temperatuurvoorwaarden en vanaf een beginsnelheid van 60 km/h. De remkracht in warme toestand langs de omtrek van de wielen mag dan niet minder zijn dan 40 % van de maximale stationaire wielbelasting en niet minder dan 60 % van de in de test van type 0 bij dezelfde snelheid gemeten waarde.

2.5.6.   Test op vrij lopen

Na uitvoering van de tests van punt 2.5.5 moeten de remmen kunnen afkoelen tot een waarde in het bereik van de koude toestand (< 100 °C) en moet het getrokken voertuig aan een van de volgende voorwaarden voldoen om er zeker van te zijn dat de remmen niet aanlopen:

2.5.6.1.

de wielen draaien vrij (d.w.z. kunnen met de hand worden verdraaid);

2.5.6.2.

als tijdens de verplaatsing van het ongeremde getrokken voertuig met een constante snelheid van v = 60 km/h de asymptotische stijgingen van de temperatuur van trommel/schijf niet meer dan 80 °C bedragen, worden de restremkoppels als acceptabel beschouwd.

3.   Prestaties van de remsystemen

3.1.   Voertuigen van de categorieën T en C

3.1.1.   Bedrijfsremsystemen

3.1.1.1.   Onder de voorwaarden van type 0 worden de bedrijfsremmen getest volgens de voorwaarden in onderstaande tabel:

 

vmax ≤ 30 km/h

vmax > 30 km/h

v

= vmax

= vmax

s (meter)

≤ 0,15 v + v2/92

≤ 0,15 v + v2/130

dm

≥ 3,55 m/s2

≥ 5 m/s2

F (bediening met de voet)

≤ 600 N

≤ 600 N

F (bediening met de hand)

≤ 400 N

≤ 400 N

waarin:

vmax

=

door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het voertuig

v

=

voorgeschreven testsnelheid

s

=

remafstand

dm

=

gemiddelde volle vertraging

F

=

op het bedieningsorgaan uitgeoefende kracht

3.1.1.2.   Bij een trekker die een niet-geremd voertuig van categorie R of S mag trekken, moet de minimale remwerking voor de desbetreffende trekker (voor de test van type 0 met ontkoppelde motor) worden bereikt met een aan de trekker gekoppeld niet-geremd getrokken voertuig dat is beladen tot de door de fabrikant van de trekker aangegeven maximummassa.

De remwerking van de combinatie wordt geverifieerd door de maximale remwerking te berekenen die effectief werd bereikt door de trekker alleen tijdens de test van type 0, met ontkoppelde motor, voor de beladen en de onbeladen trekker (optioneel ook voor een door de fabrikant van de trekker omschreven gedeeltelijke belading) met behulp van de volgende formule (praktische tests met een aangekoppeld niet-geremd getrokken voertuig zijn niet vereist):

Formula

waarin:

dM+R

=

berekende gemiddelde volle vertraging van de trekker bij aankoppeling van een niet-geremd getrokken voertuig, in m/s2

dM

=

grootste gemiddelde volle vertraging van de trekker alleen tijdens de test van type 0 met ontkoppelde motor, in m/s2

PM

=

massa van de trekker (met inbegrip van eventuele ballast en/of aanvullende belasting waar van toepassing)

PM_laden

=

massa van de beladen trekker

PM_par_laden

=

massa van de gedeeltelijk beladen trekker

PM_unladen

=

massa van de onbeladen trekker

PR

=

deel van de maximummassa dat wordt gedragen door de as(sen) van een aan te koppelen getrokken voertuig (als opgegeven door de fabrikant van de trekker)

„PM+R

=

massa van de combinatie (massa „PM” + opgegeven massa van het niet-geremde getrokken voertuig PR)

3.1.1.2.1.   Vereiste minimale remwerking van de combinatie

De minimale remwerking van de combinatie mag niet minder zijn dan 4,5 m/s2 in het geval van trekkers met vmax > 30 km/h en niet minder dan 3,2 m/s2 in het geval van trekkers met vmax ≤ 30 km/h voor de beladen en onbeladen toestand. Naar keuze van de fabrikant van de trekker kan de technische dienst een aanvullende test van type 0 verrichten voor de door de fabrikant opgegeven massa van een gedeeltelijk beladen trekker om vast te stellen wat de maximaal toegelaten massa van het niet-geremde getrokken voertuig is dat voldoet aan de vereiste minimale remwerking van de combinatie voor een dergelijke „massa van de combinatie”.

De gemeten waarden voor „dM” voor de hogervermelde beladingsomstandigheden en de overeenkomstige berekende waarden voor „dM+R” moeten in het testrapport worden vermeld.

De hoogste vermelde waarde voor de massa van het niet-geremde getrokken voertuig mag niet meer dan 3 500 kg bedragen.

3.1.2.   Hulpremsysteem

Het hulpremsysteem moet, ook als het bedieningsorgaan ervan tevens wordt gebruikt voor andere remfuncties, waarborgen dat de remafstand niet groter en de gemiddelde volle vertraging niet kleiner is dan de volgende waarden:

trekkers met vmax ≤ 30 km/h:

0,15 v + (v2/39)

(de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle vertraging dm = 1,5 m/s2)


trekkers met vmax > 30 km/h:

0,15 v + (v2/57)

(de tweede term komt overeen met een gemiddelde volle vertraging dm = 2,2 m/s2)

De voorgeschreven remwerking moet worden verkregen door een kracht uit te oefenen van maximaal 600 N op een bedieningsorgaan dat met de voet wordt bediend of van 400 N op een bedieningsorgaan dat met de hand wordt bediend. Het bedieningsorgaan moet zo zijn opgesteld dat het gemakkelijk en snel door de bestuurder kan worden gebruikt.

3.1.3.   Parkeerremsysteem

3.1.3.1.   Het parkeerremsysteem moet, ook al is het gecombineerd met een van de andere reminrichtingen, in staat zijn de beladen trekker op een opwaartse en op een neerwaartse helling van 18 % in stilstand te houden. Ook tijdens de afkoelingsperiode moet aan dit voorschrift worden voldaan. De afkoelingsperiode wordt geacht te zijn beëindigd wanneer de remmen een temperatuur van 10 °C boven de omgevingstemperatuur hebben bereikt.

3.1.3.2.   Voor voertuigen van categorie T4.3 moet het parkeerremsysteem, ook al is het gecombineerd met een van de andere reminrichtingen, in staat zijn de beladen trekker op een opwaartse en op een neerwaartse helling van 40 % in stilstand te houden. Ook tijdens de afkoelingsperiode moet aan dit voorschrift worden voldaan. De afkoelingsperiode wordt geacht te zijn beëindigd wanneer de remmen een temperatuur van 10 °C boven de omgevingstemperatuur hebben bereikt.

3.1.3.3.   Test van de werking van de parkeerrem in warme en koude toestand

Om na te gaan of de parkeerrem in staat is om een beladen trekker op een opwaartse en op een neerwaartse helling in stilstand te houden, zoals vereist in de punten 3.1.3.1 en 3.1.3.2, moeten de metingen onder de volgende omstandigheden worden uitgevoerd:

de remmen opwarmen tot een temperatuur ≥ 100 °C (te meten aan het wrijvingsoppervlak van de remschijf of aan de buitenzijde van de remtrommel);

statische test van het parkeerremsysteem in warme toestand bij een temperatuur ≥ 100 °C;

statische test van het parkeerremsysteem in koude toestand bij een temperatuur ≤ de omgevingstemperatuur + 10 °C.

Voor in olie ondergedompelde remmen moet de voor deze controle te volgen methode worden vastgesteld in overleg tussen de voertuigfabrikant en de technische dienst. De methode van beoordeling en de resultaten moeten bij het typegoedkeuringsrapport worden gevoegd.

3.1.3.4.   Bij trekkers waaraan een getrokken voertuig mag worden gekoppeld, moet het parkeerremsysteem van de trekker de voertuigcombinatie met de door de fabrikant opgegeven maximaal toelaatbare massa op een opwaartse en op een neerwaartse helling van 12 % in stilstand kunnen houden.

Wanneer aan dit voorschrift niet kan worden voldaan wegens fysieke beperkingen (bijv. aanwezige wrijving tussen band en wegdek is te beperkt om de trekker voldoende remkracht te laten ontwikkelen), wordt aan dit voorschrift geacht te zijn voldaan, indien aan het alternatieve voorschrift van punt 3.1.3.4 in samenhang met punt 2.2.1.20 van bijlage I is voldaan.

3.1.3.4.1.   Aan het voorschrift van punt 3.1.3.4 wordt geacht te zijn voldaan, indien aan de voorwaarden van punt 3.1.3.4.1.1 of 3.1.3.4.1.2 is voldaan:

3.1.3.4.1.1.

Zelfs als de motor van de trekker niet draait, blijft de combinatie met de maximaal toelaatbare massa in stilstand op de voorgeschreven helling wanneer de activering van één enkel bedieningsorgaan door de bestuurder vanaf zijn zitplaats het parkeerremsysteem van de trekker en het bedrijfsremsysteem van het getrokken voertuig of slechts één van deze beide remsystemen in werking heeft gesteld.

3.1.3.4.1.2.

Het parkeerremsysteem van de trekker kan de trekker die gekoppeld is aan een niet-geremd getrokken voertuig met een massa die gelijk is aan de hoogste in het testrapport vermelde „massa van de combinatie PM+R” in stilstand houden.

„PM+R

=

massa van de combinatie (massa „PM” + opgegeven massa van het niet-geremde getrokken voertuig PR) volgens punt 3.1.1.2 en het testrapport

„PM”

=

massa van de trekker (met inbegrip van eventuele ballast of aanvullende belasting of beide)

3.1.3.5.   Een parkeerremsysteem dat enkele malen moet worden bediend voordat de voorgeschreven werking wordt verkregen, is toegestaan.

3.1.4.   Restremwerking na storing in de overbrenging

3.1.4.1.   In het geval van trekkers van categorie Tb met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 60 km/h, moet, bij storing in een deel van de overbrenging, de resterende remwerking van het bedrijfsremsysteem bij ontkoppelde motor en de hieronder aangegeven beginsnelheden voor de voertuigcategorie in kwestie, tijdens een test van type 0 resulteren in een maximale remafstand en een minimale gemiddelde volle vertraging volgens onderstaande waarden als een bedieningskracht van maximaal 70 daN wordt uitgeoefend:

v [km/h]

Remafstand, BELADEN — [m]

dm [m/s2]

Remafstand, ONBELADEN — [m]

dm [m/s2]

40

Formula

1.3

Formula

1,3

Dit voorschrift mag niet worden uitgelegd als een afwijking van de voorschriften voor het hulpremsysteem.

3.1.4.2.   De test van de restremwerking moet worden uitgevoerd door feitelijke storingssituaties in het bedrijfsremsysteem te simuleren.

3.2.   Voertuigen van de categorieën R en S

3.2.1.   Bedrijfsremsysteem

3.2.1.1.   Voorschrift inzake de tests voor voertuigen van categorie R1 of S1

Als getrokken voertuigen van categorie R1 of S1 zijn voorzien van een bedrijfsremsysteem, moet de werking ervan voldoen aan de voorschriften voor voertuigen van categorie R2 of S2.

3.2.1.2.   Voorschrift inzake de tests voor voertuigen van categorie R2

Indien het bedrijfsremsysteem van het continue of halfcontinue type Is, moet de som van de krachten langs de omtrek van de geremde wielen gelijk zijn aan ten minste X % van de maximale stationaire wielbelasting.

X

=

50 voor een getrokken voertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 30 km/h

X

=

35 voor een getrokken voertuig met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 30 km/h

Indien het getrokken voertuig is voorzien van een drukluchtremsysteem, mag tijdens de remtest de druk in de bedieningsleiding niet groter zijn dan 650 kPa (en/of de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde als gedefinieerd in ISO 11992:2003, met inbegrip van ISO 11992-2:2003 en Amd.1:2007, in de elektrische bedieningsleiding) en de druk in de toevoerleiding niet groter zijn dan 700 kPa.

Voor getrokken voertuigen met een hydraulisch remsysteem mag tijdens de remtest de druk in de bedieningsleiding niet groter zijn dan 11 500 kPa en moet de druk in de supplementaire leiding tussen 1 500 en 1 800 kPa liggen.

De testsnelheid is 60 km/h of de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het getrokken voertuig als die lager ligt.

Indien het remsysteem van het oplooptype Is, moet het voldoen aan de voorwaarden van bijlage VIII.

3.2.1.3.   Voorschrift inzake de tests voor voertuigen van categorie R3, R4 of S2

De som van de krachten langs de omtrek van de geremde wielen moet gelijk zijn aan ten minste X % van de maximale stationaire wielbelasting.

X

=

50 voor een getrokken voertuig van de categorie R3, R4 of S2 met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 30 km/h

X

=

35 voor een getrokken voertuig van de categorie R3a, R4a of S2a met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van niet meer dan 30 km/h

Voor getrokken voertuigen met een drukluchtremsysteem mag tijdens de remtest de druk in de bedieningsleiding niet groter dan 650 kPa en de druk in de toevoerleiding niet groter dan 700 kPa zijn.

De testsnelheid is 60 km/h of de door de constructie bepaalde maximumsnelheid van het getrokken voertuig (de laagste van de twee snelheden).

Voor getrokken voertuigen met een hydraulisch remsysteem mag tijdens de remtest de druk in de bedieningsleiding niet groter zijn dan 11 500 kPa en moet de druk in de supplementaire leiding tussen 1 500 en 1 800 kPa liggen.

3.2.1.4.   In hetzelfde asstel is tijdens de test van type 0 wielblokkering van de wielen van één as toegestaan. Dit voorschrift mag niet worden uitgelegd als een afwijking van punt 6.3.1 van bijlage XI inzake wielblokkering van wielen met directe regeling.

3.2.2.   Parkeerremsysteem

3.2.2.1.   Het parkeerremsysteem van het getrokken voertuig moet dat voertuig in beladen toestand en losgekoppeld van de trekker op een opwaartse en op een neerwaartse helling van 18 % in stilstand kunnen houden.

3.2.2.2.   Ook tijdens de afkoelingsperiode moet aan de voorschriften van punt 3.2.2.1 worden voldaan. De afkoelingsperiode wordt geacht te zijn beëindigd wanneer de remmen een temperatuur van 10 °C boven de omgevingstemperatuur hebben bereikt.

3.2.2.3.   Test van de werking van de parkeerrem in warme en koude toestand

De testvoorschriften van punt 3.1.3.3 zijn van overeenkomstige toepassing.

3.2.3.   Automatisch remsysteem

In geval van een storing volgens de punten 2.2.1.17 of 2.2.1.18 van bijlage I mag de automatische remwerking tijdens een test van het beladen voertuig vanaf een snelheid van 40 km/h of 0,8 vmax (de laagste van de twee snelheden) niet minder zijn dan 13,5 % van de maximale stationaire wielbelasting. Bij een grotere remwerking dan 13,5 % is wielblokkering toegestaan.

3.3.   Responsietijd voor voertuigen van de categorieën T, C, R en S

3.3.1.   Voertuigen met een bedrijfsremsysteem dat geheel of gedeeltelijk afhankelijk is van een andere energiebron dan de spierkracht van de bestuurder, moeten voldoen aan de volgende voorschriften:

3.3.1.1.

Bij een noodstop mag er niet meer dan 0,6 seconden verstrijken tussen het moment waarop het bedieningsorgaan in werking wordt gesteld en het moment waarop de remkracht op de minst gunstig geplaatste as de waarde bereikt die overeenkomt met de voorgeschreven remwerking.

3.3.1.2.

Voertuigen met drukluchtremsystemen, getrokken voertuigen met hydraulische remsystemen en trekkers met een hydraulische bedieningsleiding worden geacht te voldoen aan de voorschriften van punt 3.3.1, als zij voldoen aan de bepalingen van bijlage III.

3.3.1.3.

Trekkers met een hydraulisch remsysteem worden geacht te voldoen aan de voorschriften van punt 3.3.1 als de vertraging van het voertuig of de druk in de minst gunstig geplaatste remcilinder bij een noodstop binnen 0,6 seconden een niveau bereikt dat overeenkomt met de voorgeschreven werking.

3.3.1.4.

Trekkers met één geremde as en automatische koppeling van de aandrijving naar alle andere assen tijdens het remmen worden geacht aan de voorschriften van punt 3.3.1 te voldoen, als de zowel de remweg als de gemiddelde volle vertraging van de trekker voldoet aan de overeenkomstig punt 3.1.1.1 voor de betrokken voertuigcategorie voorgeschreven waarde, maar in dit geval is het noodzakelijk dat beide parameters daadwerkelijk worden gemeten.

Aanhangsel 1

Verdeling van de remwerking over de assen van voertuigen en voorschriften inzake de compatibiliteit tussen trekkers en getrokken voertuigen

1.   Algemene voorschriften

1.1.   Voertuigen van de categorieën T, C, R en S

1.1.1.   Voertuigen van de categorieën Ta, Ca, R2a, R3a, R4a en S2a met een door de constructie bepaalde maximumsnelheid van meer dan 30 km/h moeten aan de volgende voorschriften voldoen:

1.1.1.1.

de voorschriften inzake compatibiliteit die samenhangen met de figuren 2 en 3, al naargelang het geval; bij gebruik van een speciale inrichting moet die automatisch functioneren. Voor aanhangwagens met elektronisch geregelde remkrachtverdeling zijn de voorschriften van dit aanhangsel alleen van toepassing als de aanhangwagen elektrisch op de trekker is aangesloten met de connector volgens ISO 7638:2003;

1.1.1.2.

bij een storing van de bediening van de speciale inrichting moet de in punt 5 bepaalde remwerking voor het desbetreffende voertuig worden behaald;

1.1.1.3

de voorschriften inzake opschriften van punt 6.

1.1.2.   Voertuig van de categorieën Tb, R2b, R3b, R4b en S2b moeten aan de desbetreffende voorschriften van dit aanhangsel voldoen. Bij gebruik van een speciale inrichting moet die automatisch functioneren.

1.1.3.   Wanneer de voertuigen van de in punt 1.1.1 vermelde categorieën, alsook de voertuigen die zijn vermeld in punt 1.1.2 en die zijn uitgerust met een antiblokkeersysteem van categorie 1 of 2 (trekkers) of categorie A of B (getrokken voertuigen), voldoen aan de relevante voorschriften van bijlage XI, moeten zij tevens voldoen aan alle desbetreffende voorschriften van dit aanhangsel, met de volgende uitzonderingen:

1.1.3.1.

aan de voorschriften inzake benutting van de wrijving die samenhangen met figuur 1 hoeft niet te worden voldaan;

1.1.3.2.

in het geval van trekkers en getrokken voertuigen hoeft niet te worden voldaan aan de voorschriften inzake compatibiliteit in onbeladen toestand die samenhangen met de figuren 2 of 3, al naargelang het geval. Voor alle beladingstoestanden moet de ontwikkelde vertragingsfactor evenwel liggen tussen 20 en 100 kPa (pneumatische remsystemen) of tussen 350 en 1 800 kPa (hydraulische remsystemen) of de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde aan de koppelingskop van de bedieningsleiding(en);

1.1.3.3.

de voorschriften van de punten 5 en 6 zijn van toepassing op voertuigen met een speciale automatische inrichting voor de regeling van de remkrachtverdeling over de assen of van de remkracht volgens de lading op de as(sen).

1.1.4   Voor voertuigen met een continuremsysteem moet de vertragingskracht van dat systeem buiten beschouwing worden gelaten wanneer de remwerking van het voertuig wordt vergeleken met de voorschriften van dit aanhangsel.

1.2.   De voorschriften in verband met de figuren in de punten 3.1.6.1, 4.1 en 4.2 gelden voor voertuigen met een pneumatische of een elektrische bedieningsleiding volgens punt 2.1.4 van bijlage I of met een hydraulische bedieningsleiding volgens punt 2.1.5 van bijlage I. In alle gevallen is de referentiewaarde (snijpunt van de grafieken) de waarde van de druk die respectievelijk het elektrisch signaal dat in de bedieningsleiding wordt overgebracht:

1.2.1.

Voor voertuigen uitgerust volgens punt 2.1.4.1.1 van bijlage I is die waarde die van de feitelijke luchtdruk in de bedieningsleiding (pm).

1.2.2.

Voor voertuigen uitgerust volgens punt 2.1.4.1.2 of punt 2.1.4.1.3 van bijlage I is die waarde die van de druk die overeenkomt met de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde in de elektrische bedieningsleiding volgens ISO 11992:2003, met inbegrip van ISO 11992-2:2003 en Amd.1:2007.

Voertuigen uitgerust volgens punt 2.1.4.1.2 van bijlage I (met zowel een pneumatische als een elektrische bedieningsleiding) moeten voldoen aan de voorschriften van de figuren voor beide bedieningsleidingen. Het is evenwel niet vereist dat de remkarakteristieken van beide bedieningsleidingen identiek zijn.

1.2.3.

Voor voertuigen uitgerust volgens punt 2.1.5.1 van bijlage I is die waarde die van de feitelijke hydraulische druk in de bedieningsleiding (pm).

1.3.   Validering van de remkrachtontwikkeling

1.3.1.   Bij typegoedkeuring moet worden gecontroleerd of de ontwikkeling van de remkracht op een as van elk onafhankelijk asstel binnen het volgende drukbereik ligt:

1.3.1.1.

Beladen voertuigen:

 

Ten minste één as moet beginnen een remkracht te ontwikkelen als de druk aan de koppelingskop binnen het bereik 20 tot en met 100 kPa (pneumatische remsystemen) respectievelijk 350 tot en met 1 800 kPa (hydraulische remsystemen) of de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde ligt.

 

Ten minste één as van elk ander asstel moet beginnen een remkracht te ontwikkelen als de druk aan de koppelingskop ≤ 120 kPa (pneumatische remsystemen) respectievelijk 2 100 kPa (hydraulische remsystemen) of de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde ligt.

1.3.1.2.

Onbeladen voertuigen:

Ten minste één as moet beginnen een remkracht te ontwikkelen als de druk aan de koppelingskop binnen het bereik 20 tot en met 100 kPa (pneumatische remsystemen) respectievelijk 350 tot en met 1 800 kPa (hydraulische remsystemen) of de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde ligt.

1.3.1.3.

Voer, terwijl het (de) wiel(en) van de as(sen) zijn opgetild en vrij kunnen draaien, geleidelijk de remvraag op en meet de druk aan de koppelingskop op het moment waarop het niet meer mogelijk is het (de) wiel(en) met de hand te verdraaien. Voor trekkers van categorie C kan een alternatieve procedure worden gebruikt voor de validering van de remkrachtontwikkeling (bijv. door de rupsbanden te verwijderen). Deze omstandigheid bepaalt het moment waarop de remkracht wordt ontwikkeld.

2.   Symbolen

i

=

asindex (i = 1, vooras; i = 2, tweede as enz.)

E

=

wielbasis

ER

=

afstand tussen koppelpunt en hartlijn van de as van het getrokken voertuig met stijve dissel of het getrokken voertuig met middenas

fi

=

Ti/Ni, wrijving benut door as i

Fi

=

loodrechte reactiekracht van het wegdek op as i in statische toestand

FM

=

totale loodrechte reactiekracht van het wegdek op de wielen van de trekker in statische toestand

g

=

versnelling ten gevolge van de zwaartekracht: g = 9,81 m/s2

h

=

hoogte van het zwaartepunt boven de grond, zoals opgegeven door de fabrikant en goedgekeurd door de technische dienst die de goedkeuringstest uitvoert

J

=

vertraging van voertuig

k

=

theoretische wrijvingscoëfficiënt tussen band en wegdek

P

=

massa van het voertuig

Ni

=

loodrechte reactiekracht van het wegdek op as i tijdens het remmen

pm

=

druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding

FR

=

totale loodrechte reactiekracht van het wegdek op alle wielen van het getrokken voertuig in statische toestand

FRmax

=

waarde van FR bij maximummassa van getrokken voertuig

Ti

=

door de remmen op as i uitgeoefende kracht onder normale remomstandigheden op de weg

TM

=

som van de remkrachten langs de omtrek van alle wielen van trekkers

TR

=

som van de remkrachten Ti langs de omtrek van alle wielen van het getrokken voertuig

z

=

vertragingsfactor van het voertuig = J/g

3.   Voorschriften voor trekkers van categorie T

3.1.   Tweeassige trekkers

3.1.1.   Voor alle categorieën trekkers voor k-waarden tussen 0,2 en 0,8:

z ≥ 0,10 + 0,85 (k – 0,20)

De bepalingen van de punten 3.1.1 en 4.1.1 doen geen afbreuk aan de voorschriften van bijlage II met betrekking tot de remwerking. Als tijdens tests volgens punt 3.1.1 of 4.1.1 echter een hogere remwerking wordt verkregen dan volgens bijlage II vereist is, zijn de bepalingen van toepassing betreffende de krommen van benutting van de wrijving binnen de gebieden van figuur 1 die worden begrensd door de rechten k = 0,8 en z = 0,8.

3.1.2.   Voor alle beladingstoestanden van het voertuig mag de kromme van benutting van de wrijving van de achteras niet boven die van de vooras liggen:

3.1.2.1.

voor alle vertragingsfactoren tussen 0,15 en 0,30.

Aan deze voorwaarde wordt tevens geacht te zijn voldaan als bij een vertragingsfactor tussen 0,15 en 0,30 de krommen van benutting van de wrijving van elke as gelegen zijn tussen twee lijnen evenwijdig aan de ideale benuttingslijn volgens de vergelijking k = z + 0,08 (zie figuur 1 van dit aanhangsel) en de benuttingskromme van de achteras bij een vertragingsfactor z > 0,3 overeenstemt met de verhouding:

z ≥ 0,3 + 0,74 (k – 0,38).

3.1.3.   Voor trekkers die voertuigen van categorie R3b, R4b of S2b met een drukluchtremsysteem mogen trekken:

3.1.3.1.

Tijdens tests met uitgeschakelde energiebron, afgesloten toevoerleiding, een reservoir van 0,5 liter aangesloten op de pneumatische bedieningsleiding en de systeemdruk op inschakel- en op uitschakelniveau, moet bij volledige indrukking van het bedieningsorgaan de druk aan de koppelingskop van de toevoerleiding en van de pneumatische bedieningsleiding tussen 650 en 850 kPa liggen, ongeacht de beladingstoestand van het voertuig.

3.1.3.2.

Voor voertuigen met een elektrische bedieningsleiding moet bij volledige indrukking van het bedieningsorgaan van het bedrijfsremsysteem de digitale vraagwaarde overeenkomen met een druk tussen 650 en 850 kPa (zie ISO 11992:2003, met inbegrip van ISO 11992-2:2003 en Amd.1:2007).

3.1.3.3.

Deze waarden moeten aantoonbaar aanwezig zijn in de trekker als hij is losgekoppeld van het getrokken voertuig. Het compatibiliteitsbereik in de figuren bedoeld in de punten 3.1.6, 4.1 en 4.2 mag het drukniveau van 750 kPa en/of de daarmee overeenkomende digitale vraagwaarde niet overschrijden (zie ISO 11992:2003, met inbegrip van ISO 11992-2:2003 en Amd.1:2007).

3.1.3.4.

De druk aan de koppelingskop van de toevoerleiding moet ten minste 700 kPa zijn wanneer de systeemdruk op inschakelniveau is. Deze druk moet worden aangetoond zonder het bedrijfsremsysteem te bedienen.

3.1.4.   Voor trekkers die voertuigen van categorie R3b, R4b of S2b met een hydraulisch remsysteem mogen trekken:

3.1.4.1.

Bij een test met de energiebron bij stationair toerental en bij 2/3 van het maximale toerental, met een bedieningsleiding van de simulator van het getrokken voertuig (punt 3.6 van bijlage III) verbonden met de hydraulische bedieningsleiding. Bij volledige bediening van het bedieningsorgaan van de rem moet de druk in de hydraulische bediening tussen 11 500 en 15 000 kPa en in de supplementaire leiding tussen 1 500 en 3 500 kPa liggen, ongeacht de beladingstoestand van het voertuig.

3.1.4.2.

Deze waarden moeten aantoonbaar aanwezig zijn in de trekker als hij is losgekoppeld van het getrokken voertuig. De compatibiliteitsband in de figuren bedoeld in de punten 3.1.6, 4.1 en 4.2 mag het drukniveau van 13 300 kPa niet overschrijden.

3.1.5.   Verificatie van de voorschriften van de punten 3.1.1 en 3.1.2

3.1.5.1.   Voor het controleren van de voorschriften volgens de punten 3.1.1 en 3.1.2 moet de fabrikant de krommen van de benutting van wrijving voor de vooras en de achteras verstrekken, berekend met behulp van onderstaande formules:

Formula

Formula

De krommen moeten worden getekend voor elk van de volgende twee beladingstoestanden:

3.1.5.1.1.

onbeladen, zonder de door de fabrikant in het inlichtingenformulier opgegeven minimummassa te overschrijden;

3.1.5.1.2.

beladen; indien verschillende mogelijkheden voor de lastverdeling zijn aangegeven, moet worden uitgegaan van die waarbij de vooras het zwaarst is belast.

3.1.5.2.   Als het voor voertuigen met permanente aandrijving van alle wielen of met ingeschakelde aandrijving van alle wielen tijdens het remmen niet mogelijk is de mathematische verificatie volgens punt 3.1.5.1 uit te voeren, kan de fabrikant in plaats daarvan via een test op de volgorde van blokkering van de wielen verifiëren dat, voor alle vertragingsfactoren tussen 0,15 en 0,8, de voorwielen tegelijk met of eerder dan de achterwielen blokkeren. Deze alternatieve optie ontheft de fabrikant niet van zijn verplichting aan te tonen dat punt 3.1.5.1 wordt nageleefd in de omstandigheid waarin niet alle wielen tijdens het remmen zijn aangedreven.

3.1.5.2.1.   Voor trekkers waarbij alle wielen automatisch worden aangedreven wanneer wordt gestart met remmen bij een snelheid van meer dan 20 km/h, maar waarbij niet alle wielen automatisch worden aangedreven wanneer het bedrijfsremsysteem in werking wordt gesteld bij een snelheid ≤ 20 km/h, hoeft de naleving van punt 3.1.5.1 voor de omstandigheid waarin niet alle wielen tijdens het remmen worden aangedreven, niet te worden aangetoond.

3.1.5.3.   Procedure om de voorschriften van punt 3.1.5.2 te verifiëren

3.1.5.3.1.   De blokkeringsvolgordetest moet worden uitgevoerd op een wegdek met een wrijvingscoëfficiënt van niet meer dan 0,3 en van ongeveer 0,8 (droog wegdek) vanaf de in punt 3.1.5.3.2 genoemde beginsnelheden.

3.1.5.3.2.   Testsnelheden:

 

0,8 vmax km/h, maar niet meer dan 60 km/h voor vertragingen op een wegdek met een lage wrijvingscoëfficiënt;

 

0,9 vmax voor vertragingen op een wegdek met een hoge wrijvingscoëfficiënt.

3.1.5.3.3.   De uitgeoefende kracht op het bedieningsorgaan mag groter zijn dan de toegelaten bedieningskrachten volgens punt 3.2.1.

3.1.5.3.4.   De kracht op het bedieningsorgaan moet zodanig worden uitgeoefend en opgevoerd dat het tweede wiel van het voertuig blokkeert tussen 0,5 en 1 s nadat is begonnen met het remmen, tot beide wielen van eenzelfde as blokkeren (andere wielen mogen ook blokkeren tijdens de test, bijv. bij gelijktijdige blokkering).

3.1.5.4.   De in punt 3.1.5.2 voorgeschreven tests moeten op elk wegdek tweemaal worden uitgevoerd. Als een van de tests niet wordt doorstaan, moet een derde test uitsluitsel bieden.

3.1.6.   Trekkers die getrokken voertuigen, andere dan getrokken voertuigen met stijve dissel en getrokken voertuigen met middenas, mogen trekken

3.1.6.1.   De toelaatbare verhouding tussen de vertragingsfactor TM/FM en de druk pm moet liggen binnen de zones in figuur 2 voor alle drukwaarden tussen 20 en 750 kPa (in het geval van een drukluchtremsysteem) en tussen 350 en 13 300 kPa (in het geval van een hydraulisch remsysteem).

3.2.   Trekkers met meer dan twee assen

De voorschriften van punt 3.1 zijn van toepassing op voertuigen met meer dan twee assen. De voorschriften van punt 3.1.2 voor de volgorde van wielblokkering worden geacht te zijn nageleefd als bij een vertragingsfactor tussen 0,15 en 0,30 de wrijving benut door ten minste één van de voorassen groter is dan die benut door ten minste één van de achterassen.

4.   Voorschriften voor getrokken voertuigen

4.1.   Voor getrokken voertuigen met dissel met een drukluchtremsysteem of een hydraulisch remsysteem:

4.1.1.

Voor tweeassige getrokken voertuigen met dissel gelden de volgende voorschriften:

4.1.1.1.

Voor k-waarden tussen 0,2 en 0,8:

z ≥ 0,1 + 0,85 (k – 0,2)

De bepalingen van punt 3.1.1 doen geen afbreuk aan de voorschriften van bijlage II met betrekking tot de remwerking. Als tijdens tests volgens punt 3.1.1 echter een hogere remwerking wordt verkregen dan volgens bijlage II vereist is, zijn de bepalingen van toepassing betreffende de krommen van benutting van de wrijving binnen de gebieden van figuur 1 van deze bijlage die worden begrensd door de rechten k = 0,8 en z = 0,8.

4.1.1.2.

Voor alle beladingstoestanden van het voertuig mag de kromme van benutting van de wrijving voor de achteras niet boven die voor de vooras liggen voor alle vertragingsfactoren tussen 0,15 en 0,30. Aan deze voorwaarde wordt tevens geacht te zijn voldaan als bij een vertragingsfactor tussen 0,15 en 0,30 aan de volgende twee voorwaarden wordt voldaan:

4.1.1.2.1.

bij een vertragingsfactor tussen 0,15 en 0,30 zijn de krommen van benutting van de wrijving van elke as gelegen tussen twee lijnen evenwijdig aan de ideale benuttingslijn volgens de vergelijkingen k = z + 0,08 en k = z – 0,08 (zie figuur 1)

en

4.1.1.2.2.

de kromme van benutting van de wrijving voor de achteras voldoet voor vertragingsfactoren z ≥ 0,3 aan de verhouding z ≥ 0,3 + 0,74 (k – 0,38).

4.1.1.3.

Ter verificatie van naleving van de voorschriften van de punten 4.1.1.1 en 4.1.1.2 moet de procedure van punt 3.1.5 worden gevolgd.

4.1.2.

Voor getrokken voertuigen met dissel met meer dan twee assen gelden de voorschriften van punt 4.1.1. De voorschriften van punt 4.1.1 voor de volgorde van wielblokkering worden geacht te zijn nageleefd als bij een vertragingsfactor tussen 0,15 en 0,30 de wrijving benut door ten minste één van de voorassen groter is dan die benut door ten minste één van de achterassen.

4.1.3.

De toelaatbare verhouding tussen de vertragingsfactor TR/FR en de druk pm moet binnen de aangegeven zones in figuur 2 liggen voor alle drukwaarden tussen 20 en 750 kPa (pneumatisch) en tussen 350 en 13 300 kPa (hydraulisch), in beladen en onbeladen toestand.

4.2.   Voor getrokken voertuigen met stijve dissel en getrokken voertuigen met middenas met een drukluchtremsysteem of een hydraulisch remsysteem:

4.2.1.

De toelaatbare verhouding tussen de vertragingsfactor TR/FR en de druk pm moet liggen binnen twee zones die uit figuur 3 kunnen worden afgeleid door de verticale schaal te vermenigvuldigen met 0,95. Aan dit voorschrift moet worden voldaan bij alle drukwaarden tussen 20 en 750 kPa (pneumatisch) en tussen 350 en 13 300 kPa (hydraulisch), in beladen en onbeladen toestand.

4.3.   Voor getrokken voertuigen met dissel met een oploopremsysteem

4.3.1.   De voorschriften volgens punt 4.1.1 gelden eveneens voor getrokken voertuigen met dissel met een oploopremsysteem.

4.3.2.   Voor getrokken voertuigen met dissel met een oploopremsysteem en met meer dan twee assen gelden de voorschriften van punt 4.1.2 van dit aanhangsel.

4.3.3.   Voor de berekening in het kader van de verificatie of wordt voldaan aan de bepalingen van punt 4.1.1.3 mag de invloed van de toelaatbare disselkracht D* (punt 10.3.1 van bijlage VIII) buiten beschouwing worden gelaten.

5.   Voorschriften waaraan moet worden voldaan bij storing in het remkrachtverdeelsysteem

Als aan de voorschriften van dit aanhangsel wordt voldaan middels een speciale inrichting (bijv. mechanisch bediend door de ophanging van het voertuig), moet het bij een storing van de bediening van die inrichting mogelijk zijn het voertuig tot stilstand te brengen volgens de voorschriften voor de hulpremwerking in het geval van trekkers; voor trekkers die een voertuig met een drukluchtremsysteem of een hydraulisch remsysteem mogen trekken, moet een druk aan de koppelingskop van de bedieningsleiding kunnen worden bereikt binnen het in de punten 3.1.3 en 3.1.4 aangegeven gebied. Bij een storing van de bediening van de inrichting op het getrokken voertuig moet ten minste 30 % van de voor het voertuig voorgeschreven bedrijfsremwerking kunnen worden verkregen.

6.   Opschriften

6.1   Op voertuigen die voldoen aan de voorschriften van dit aanhangsel middels een door de ophanging van het voertuig mechanisch bediende inrichting, moet in overeenstemming met de voorschriften krachtens artikel 17, lid 2, onder k), en lid 5, van Verordening (EU) nr. 167/2013 een opschrift zijn aangebracht dat het bereik van de nuttige slag van de inrichting aangeeft tussen de standen voor de onbeladen en de beladen toestand van het voertuig, en dat alle overige gegevens vermeldt om de instelling van de inrichting te kunnen controleren.

6.1.1.   Als een remlastafhankelijke inrichting op andere wijze wordt bediend via de ophanging van het voertuig, moeten op het voertuig opschriften staan aan de hand waarvan de instelling van de inrichting kan worden gecontroleerd.

6.2.   Als aan de voorwaarden van dit aanhangsel wordt voldaan met een inrichting die de luchtdruk in de overbrenging van het remsysteem regelt, moeten de asbelasting op de grond, de nominale uitlaatdruk van de inrichting en een inlaatdruk van minimaal 80 % van de door de constructie bepaalde maximuminlaatdruk, volgens opgave van de voertuigfabrikant, op het voertuig worden vermeld voor de volgende beladingstoestanden:

6.2.1.

technisch toelaatbare maximumasbelasting voor de as(sen) die de inrichting bedient (bedienen);

6.2.2.

asbelasting(en) die overeenkomt (overeenkomen) met de massa van het voertuig in onbeladen, rijklare toestand als vermeld in het testrapport voor goedkeuring met betrekking tot de voorschriften voor de remmen;

6.2.3.

de door de fabrikant aangegeven asbelasting(en) om de instelling van de inrichting in bedrijf te kunnen controleren indien deze verschillend is (zijn) van de in de punten 6.2.1 tot en met 6.2.2 aangegeven belastingen.

6.3.   De in de punten 6.1 en 6.2 bedoelde opschriften moeten op een zichtbare plaats onuitwisbaar zijn aangebracht. Overeenkomstig de voorschriften krachtens artikel 34, lid 3, van Verordening (EU) nr. 167/2013 wordt een voorbeeld van de opschriften voor een mechanisch bediende inrichting op een voertuig met een drukluchtremsysteem of een hydraulisch remsysteem verstrekt.

6.4.   Elektronisch geregelde remkrachtverdeelsystemen die niet aan de voorschriften van de punten 6.1, 6.2 en 6.3 kunnen voldoen, moeten zelf de functies kunnen controleren die van invloed zijn op de remkrachtverdeling. Daarnaast moet het, als het voertuig stil staat, mogelijk zijn de controles van punt 1.3.1 uit te voeren door de nominale vraagdruk bij aanvang van het remmen tot stand te brengen, voor de beladen en de onbeladen toestand.

7.   Test van het voertuig

Bij typegoedkeuring controleert de technische dienst of het voertuig voldoet aan de voorschriften van dit aanhangsel en voert zij hiertoe zo nodig aanvullende tests uit. Het rapport van eventuele aanvullende tests wordt bij het typegoedkeuringsrapport gevoegd.

Figuur 1

Trekkers van categorie Tb en getrokken voertuigen met stijve dissel van de categorieën R3b, R4b en S2b

(zie de punten 3.1.2.1 en 4.1.1.2)

Image 2

Opmerking: de ondergrens k = z – 0,08 is niet van toepassing op de benutting van wrijving door de achteras.

Figuur 2

Toelaatbare verhouding tussen de vertragingsfactor TM/PM en de druk aan de koppelingskop pm voor trekkers van de categorieën T en C met een drukluchtremsysteem of hydraulisch remsysteem

Image 3

Tekst van het beeld

Figuur 3

Toelaatbare verhouding tussen de vertragingsfactor TR/FM en de druk aan de koppelingskop pm voor getrokken voertuigen van de categorieën S2, R3 en R4 met een drukluchtremsysteem of hydraulisch remsysteem