EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015O0035

Richtsnoer (EU) 2016/65 van de Europese Centrale Bank van 18 november 2015 betreffende binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem toegepaste surpluspercentages (ECB/2015/35)

OJ L 14, 21.1.2016, p. 30–35 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 01/01/2021

ELI: http://data.europa.eu/eli/guideline/2016/65/oj

21.1.2016   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 14/30


RICHTSNOER (EU) 2016/65 VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

van 18 november 2015

betreffende binnen het kader van de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem toegepaste surpluspercentages (ECB/2015/35)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, met name artikel 127, lid 2, eerste streepje,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, met name artikel 3.1, eerste streepje, artikel 9.2, artikel 12.1, artikel 14.3, artikel 18.2, en artikel 20, lid 1,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Luidens artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de eurogebiedlidstaten (hierna de „NCB's”) krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. In Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank (ECB/2014/60) (1) zijn de algemene voorwaarden vastgelegd waaronder de ECB en de NCB's bereid zijn krediettransacties te verrichten, waaronder de onderpandbeleenbaarheidscriteria voor Eurosysteemkrediettransacties.

(2)

Om het Eurosysteem te beschermen tegen financiële verliezen in geval van wederpartijverzuim, moeten op als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem gemobiliseerde beleenbare activa risicobeheersmaatregelen van toepassing zijn die zijn vastgelegd in titel VI van deel vier van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60).

(3)

De toepassing van surpluspercentageherzieningen wordt gefacilieerd indien de relevante bepalingen in een afzonderlijke rechtshandeling zouden zijn vastgelegd. Zulks zou risicocontrole mogelijk maken van parameters die compact en op zichzelf staand verstrekt moeten worden en stroomlijning mogelijk maken van de implementatie van wijzigingen van het betrokken kader, en wel prompt nadat de Raad van bestuur de betrokken besluiten heeft vastgesteld,

HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:

Artikel 1

Op beleenbare verhandelbare activa toegepaste surpluspercentages

1.   Overeenkomstig titel VI van deel vier van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60) zijn op verhandelbare activa surpluspercentages van toepassing, zoals bedoeld in artikel 2, punt 97, van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60), waarbij de niveaus zijn vastgelegd in tabel 2 van de bijlage bij dit richtsnoer.

2.   Het surpluspercentage voor een specifiek activum hangt af van de volgende factoren:

a)

de in artikel 2 vastgelegde surpluspercentagecategorie waarin het activum is ingedeeld;

b)

de activumrestlooptijd;

c)

de activumcouponstructuur;

d)

de kredietkwaliteitscategorie waartoe het activum behoort.

Artikel 2

Vaststelling van surpluspercentagecategorieën voor verhandelbare activa

Beleenbare verhandelbare activa worden ingedeeld in een van de vijf surpluspercentagecategorieën, zulks op grond van het emittenttype en/of activumtype, zoals weergegeven in tabel 1 in de bijlage bij dit richtsnoer:

a)

door centrale overheden uitgegeven schuldbewijzen, ECB-schuldbewijzen en schuldbewijzen die zijn uitgegeven door NCB's voordat de desbetreffende eurogebiedlidstaat overging op de euro, worden opgenomen in surpluspercentagecategorie I;

b)

schuldbewijzen uitgegeven door lokale en regionale overheid, door het Eurosysteem als agentschappen ingedeelde entiteiten, multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties, alsook gedekte obligaties van het „Jumbo”-type, worden in surpluspercentagecategorie II ondergebracht;

c)

traditionele gedekte obligaties, overige gedekte obligaties en schuldbewijzen die een niet-financiële vennootschap heeft uitgegeven, worden ondergebracht in surpluspercentagecategorie III;

d)

door kredietinstellingen en financiële vennootschappen, met uitzondering van kredietinstellingen, uitgegeven ongedekte schuldbewijzen worden ondergebracht in surpluspercentagecategorie IV;

e)

effecten op onderpand van activa worden ondergebracht in categorie V, ongeacht de indeling van de emittent.

Artikel 3

Surpluspercentages voor verhandelbare activa

1.   De in de surpluscategorieën I tot en met IV ondergebrachte surpluspercentages voor verhandelbare activa worden als volgt vastgesteld:

a)

de indeling van het specifieke activum in kredietkwaliteitscategorie 1, 2 of 3, zoals bepaald in tabel 2 in de bijlage bij dit richtsnoer;

b)

de activumrestlooptijd, zoals bepaald in leden 3 en 4;

c)

de activumcouponstructuur, zoals bepaald in leden 3 en 4.

2.   Op in surpluspercentagecategorie V ingedeelde verhandelbare activa is een surpluspercentage van 10 % van toepassing, ongeacht hun restlooptijd of couponstructuur.

3.   Voor nulcoupons of vastrentende coupons is de activumrestlooptijd de voor het surpluspercentage toe te passen looptijd.

4.   Voor activa met variabele coupons wordt hetzelfde surpluspercentage toegepast als op verhandelbare activa met een vaste couponrente in het restlooptijdsegment van nul tot en met één jaar, met uitzondering van de volgende gevallen en onverminderd lid 2.

a)

Variabele coupons met een vaststellingsperiode van langer dan één jaar worden behandeld als vastrentende coupons en de activumrestlooptijd is de voor het surpluspercentage toe te passen relevante looptijd.

b)

De activumrestlooptijd is de relevante looptijd voor het surpluspercentage dat moet worden toegepast op de variabele coupons met een eurogebiedinflatie-index als referentie-intrestvoet.

c)

Het op activa met meerdere typen couponstructuren toegepaste surpluspercentage hangt slechts af van de gedurende de activumrestlooptijd geldende couponstructuur en is gelijk aan het hoogste surpluspercentage toegepast op een verhandelbaar activum met dezelfde restlooptijd en kredietkwaliteitscategorie. Elk type gedurende de activumrestlooptijd geldende couponstructuur kan hiervoor in aanmerking genomen worden.

Artikel 4

Op specifieke typen verhandelbare activa toegepaste aanvullende surpluspercentages

In aanvulling op de in artikel 3 van dit richtsnoer vastgelegde surpluspercentages gelden de volgende aanvullende surpluspercentages voor specifieke typen verhandelbare activa:

a)

een aanvullend surpluspercentage van toepassing in de vorm van een waarderingsverlaging van 5 % is van toepassing op effecten op onderpand van activa, gedekte obligaties en ongedekte schuldbewijzen, die een kredietinstelling heeft uitgegeven en waarvan de waarde theoretisch is bepaald overeenkomstig de regels in artikel 134 van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60);

b)

op gedekte obligaties voor eigen gebruik is een aanvullend surpluspercentage i) van 8 % van toepassing dat wordt toegepast op de waarde van de schuldbewijzen in de kredietkwaliteitcategorieën 1 en 2, en ii) van 12 % toegepast op de waarde van de schuldbewijzen in de kredietkwaliteitscategorie 3;

c)

binnen het kader van punt b), betekent „eigen gebruik”: de indiening of het gebruik door een wederpartij van gedekte obligaties die de wederpartij, of een entiteit waarmee die wederpartij nauwe banden onderhoudt, zoals bepaald in overeenstemming met artikel 138 van Richtsnoer (EU) 2015/510 (ECB/2014/60), uitgeeft of garandeert;

d)

indien het in punt b) bedoelde aanvullende surpluspercentage ten aanzien van de onderpandbeheersystemen van de NCB, triparty-agent of T2S-automatischezekerheidsstellingsfaciliteit niet kan worden toegepast, wordt in dergelijke systemen of in een dergelijk platform het aanvullende surpluspercentage toegepast op de gehele emissiewaarde van de gedekte obligaties voor eventueel eigen gebruik.

Artikel 5

Op beleenbare niet-verhandelbare activa toegepaste surpluspercentages

1.   Op individuele kredietvorderingen met een vaste rente en kredietvorderingen met rentebetalingen die gekoppeld zijn aan het inflatiepercentage, zijn specifieke surpluspercentages van toepassing waarvan de vaststelling afhankelijk is van de restlooptijd, de kredietkwaliteitscategorie en de door de NCB toegepaste waarderingsmethode, zoals bedoeld in tabel 3 in de bijlage bij dit richtsnoer.

2.   Op individuele kredietvorderingen met een variabele rentevoet is een surpluspercentage van toepassing dat wordt toegepast op kredietvorderingen met een vaste rentevoet ingedeeld in het restlooptijdsegment van nul tot en met één jaar met dezelfde door de NCB toegepaste kredietkwaliteitscategorie en waarderingsmethode. Een rentebetaling wordt behandeld als variabel indien zij is gekoppeld aan een referentierente en de vaststellingsperiode in verband met deze betaling hoogstens één jaar is. Rentebetalingen met een vaststellingsperiode van langer dan één jaar worden behandeld als vastrentende instrumenten, waarbij de restlooptijd van de kredietvordering de voor het surpluspercentage relevante looptijd is.

3.   Het surpluspercentage voor een kredietvordering met meer dan één type rentebetaling wordt uitsluitend bepaald op grond van de rentebetalingen gedurende de restlooptijd van de kredietvordering. Indien er gedurende de restlooptijd van de kredietvordering meer dan één type rentebetaling is, worden de resterende rentebetalingen behandeld als vastrentende instrumenten, waarbij de restlooptijd van de kredietvordering de voor het surpluspercentage relevante looptijd is.

4.   Voor kredietvorderingen met nulcoupons is dienovereenkomstig een surpluspercentage voor kredietvorderingen met een vaste rentevoet van toepassing.

5.   Op niet-verhandelbare retailschuldbewijzen met hypothecair onderpand is een surpluspercentage van 39,5 % van toepassing.

6.   Op termijndeposito's zijn geen surpluspercentages van toepassing.

7.   Op iedere onderliggende kredietvordering in de coverpool van door niet-verhandelbare schuldbewijzen gedekte beleenbare kredietvorderingen (hierna: „DECC”) is op individueel niveau een surpluspercentage van toepassing volgens de hierboven in leden 1 tot en met 4 bedoelde regels. De totale waarde van de onderliggende kredietvorderingen in de coverpool is na de toepassing van het surpluspercentage steeds gelijk aan of hoger dan de waarde van de uitstaande DECC-hoofdsom. Indien de geaggregeerde waarde beneden de in de vorige zin bedoelde drempel daalt, wordt de DECC gewaardeerd op nul.

Artikel 6

Inwerkingtreding en implementatie

1.   Dit richtsnoer wordt van kracht op de dag van kennisgeving aan de nationale centrale banken van de eurogebiedlidstaten.

2.   De nationale centrale banken van de eurogebiedlidstaten nemen de nodige maatregelen om te voldoen aan dit richtsnoer en passen die maatregelen met ingang van 25 januari 2016 toe. Zij stellen de ECB uiterlijk op 5 januari 2016 in kennis van de met die maatregelen verband houdende teksten en middelen.

Artikel 7

Geadresseerden

Dit besluit is gericht tot de nationale centrale banken van de eurogebiedlidstaten.

Gedaan te Frankfurt am Main, 18 november 2015.

Namens de Raad van bestuur van de ECB

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  Richtsnoer (EU) 2015/510 van de Europese Centrale Bank van 19 december 2014 betreffende de tenuitvoerlegging van het monetairbeleidskader van het Eurosysteem (ECB/2014/60) (PB L 91 van 2.4.2015, blz. 3).


BIJLAGE

Tabel 1

Surpluspercentagecategorieën voor beleenbare verhandelbare activa op basis van het emittenttype en/of activumtype

Categorie I

Categorie II

Categorie III

Categorie IV

Categorie V

door centrale overheden uitgegeven schuldbewijzen

ECB-schuldbewijzen

schuldbewijzen uitgegeven door NCB's voor de aannemingsdatum van de euro in hun respectieve lidstaat

door lokale en regionale overheden uitgegeven schuldbewijzen

schuldbewijzen uitgegeven door entiteiten die het Eurosysteem als agentschap heeft ingedeeld

door multilaterale ontwikkelingsbanken en internationale organisaties uitgegeven schuldbewijzen

gedekte obligatie van het „Jumbo”-type

traditionele gedekte obligaties en overige gedekte obligaties

door niet-financiële vennootschappen uitgegeven schuldbewijzen

door kredietinstellingen uitgegeven ongedekte schuldbewijzen

door financiële vennootschappen m.u.v. kredietinstellingen uitgegeven ongedekte schuldinstrumenten

effecten op onderpand van activa


Tabel 2

Op beleenbare verhandelbare activa toegepaste surpluspercentageniveaus

 

Surpluspercentagecategorieën

Kredietkwaliteit

Restlooptijd (jaren) (1)

Categorie I

Categorie II

Categorie III

Categorie IV

Categorie V

vastrentende coupon

nulcoupon

vastrentende coupon

nulcoupon

vastrentende coupon

nulcoupon

vastrentende coupon

nulcoupon

 

Categorieën 1 en 2

[0-1)

0,5

0,5

1,0

1,0

1,0

1,0

6,5

6,5

10,0

[1-3)

1,0

2,0

1,5

2,5

2,0

3,0

8,5

9,0

[3-5)

1,5

2,5

2,5

3,5

3,0

4,5

11,0

11,5

[5-7)

2,0

3,0

3,5

4,5

4,5

6,0

12,5

13,5

[7-10)

3,0

4,0

4,5

6,5

6,0

8,0

14,0

15,5

[10, ∞)

5,0

7,0

8,0

10,5

9,0

13,0

17,0

22,5

 

Surpluspercentagecategorieën

Kredietkwaliteit

Restlooptijd (jaren) (1)

Categorie I

Categorie II

Categorie III

Categorie IV

Categorie V

vastrentende coupon

nulcoupon

vastrentende coupon

nulcoupon

vastrentende coupon

nulcoupon

vastrentende coupon

nulcoupon

 

Categorie 3

[0-1)

6,0

6,0

7,0

7,0

8,0

8,0

13,0

13,0

niet-beleenbaar

[1-3)

7,0

8,0

10,0

14,5

15,0

16,5

24,5

26,5

[3-5)

9,0

10,0

15,5

20,5

22,5

25,0

32,5

36,5

[5-7)

10,0

11,5

16,0

22,0

26,0

30,0

36,0

40,0

[7-10)

11,5

13,0

18,5

27,5

27,0

32,5

37,0

42,5

[10, ∞)

13,0

16,0

22,5

33,0

27,5

35,0

37,5

44,0


Tabel 3

Op kredietvorderingen met vaste rentes toegepaste surpluspercentageniveaus

 

Waarderingsmethode

Kredietkwaliteit

Restlooptijd (jaren) (2)

Vaste rente en waardering op basis van een door de NCB toegewezen theoretische koers

Vaste rente en waardering overeenkomstig een door de NCB toegewezen uitstaand bedrag

Categorieën 1 en 2

[0-1)

10,0

12,0

[1-3)

12,0

16,0

[3-5)

14,0

21,0

[5-7)

17,0

27,0

[7-10)

22,0

35,0

[10, ∞)

30,0

45,0

 

Waarderingsmethode

Kredietkwaliteit

Restlooptijd (jaren) (2)

Vaste rente en waardering op basis van een door de NCB toegewezen theoretische koers

Vaste rente en waardering overeenkomstig een door de NCB toegewezen uitstaand bedrag

Categorie 3

[0-1)

17,0

19,0

[1-3)

29,0

34,0

[3-5)

37,0

46,0

[5-7)

39,0

52,0

[7-10)

40,0

58,0

[10, ∞)

42,0

65,0


(1)  i.e.: [0-1) restlooptijd korter dan één jaar, [1-3) restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.

(2)  i.e.: [0-1) restlooptijd korter dan één jaar, [1-3) restlooptijd gelijk aan of langer dan één jaar en korter dan drie jaar enz.


Top