Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32015D0296

Uitvoeringsbesluit (EU) 2015/296 van de Commissie van 24 februari 2015 tot vaststelling van procedurele voorschriften betreffende de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van elektronische identificatie overeenkomstig artikel 12, lid 7, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt Voor de EER relevante tekst

OJ L 53, 25.2.2015, p. 14–20 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2015/296/oj

25.2.2015   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 53/14


UITVOERINGSBESLUIT (EU) 2015/296 VAN DE COMMISSIE

van 24 februari 2015

tot vaststelling van procedurele voorschriften betreffende de samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van elektronische identificatie overeenkomstig artikel 12, lid 7, van Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) nr. 910/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 23 juli 2014 betreffende elektronische identificatie en vertrouwensdiensten voor elektronische transacties in de interne markt en tot intrekking van Richtlijn 1999/93/EG (1), en met name artikel 12, lid 7,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Samenwerking tussen de lidstaten op het gebied van de interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie is essentieel om tot een hoog en op het risiconiveau afgestemd niveau van vertrouwen en veiligheid te komen.

(2)

In artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 is bepaald dat de aanmeldende lidstaat ten minste zes maanden voor de aanmelding de andere lidstaten een beschrijving van dat stelsel moet verstrekken, zodat de lidstaten kunnen samenwerken op de in artikel 12, lid 5, van Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde wijze.

(3)

Om tot samenwerking tussen de lidstaten te komen, zijn vereenvoudigde procedures noodzakelijk. Interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie kunnen niet tot stand worden gebracht door middel van procedures die in verschillende talen worden doorlopen. Het gebruik van het Engels bij de samenwerking zou de interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie moeten vergemakkelijken; de vertaling van de bestaande documentatie zou echter geen onredelijke last tot gevolg mogen hebben.

(4)

De uiteenlopende elementen van de stelsels voor elektronische identificatie worden beheerd door verschillende autoriteiten en organen in de lidstaten. Om doeltreffende samenwerking mogelijk te maken en de administratieve procedures te vereenvoudigen, is het passend ervoor te zorgen dat elke lidstaat over een centraal contactpunt beschikt dat dient om de desbetreffende autoriteiten en organen te bereiken.

(5)

Door de uitwisseling tussen de lidstaten van informatie, ervaring en goede werkwijzen wordt de ontwikkeling van stelsels voor elektronische identificatie bevorderd en worden er stappen in de richting van technische interoperabiliteit gezet. Dergelijke samenwerking is met name noodzakelijk bij de aanpassing van reeds aangemelde stelsels voor elektronische identificatie, bij wijzigingen van stelsels voor elektronische identificatie waarover voorafgaand aan de aanmelding informatie aan de lidstaten is verstrekt en bij belangrijke ontwikkelingen of incidenten die van invloed kunnen zijn op de interoperabiliteit of de veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie. De lidstaten moeten ook de mogelijkheid hebben om andere lidstaten te verzoeken om dergelijke informatie over de interoperabiliteit en veiligheid van stelsels voor elektronische identificatie.

(6)

De onderlinge evaluatie door vakgenoten van stelsels voor elektronische identificatie moet worden beschouwd als wederzijds leerproces dat ertoe bijdraagt het vertrouwen tussen de lidstaten te versterken. Verder worden hierdoor de interoperabiliteit en de veiligheid van aangemelde stelsels voor elektronische identificatie gewaarborgd. Hiervoor is het noodzakelijk dat de aanmeldende lidstaten voldoende informatie betreffende hun stelsels voor elektronische identificatie verstrekken. Er moet echter ook rekening mee worden gehouden dat de lidstaten bepaalde informatie vertrouwelijk moeten houden indien dat van kritiek belang voor de veiligheid is.

(7)

Om ervoor te zorgen dat de onderlinge evaluatie kostenefficiënt is, duidelijke en deugdelijke resultaten oplevert en geen onnodige belasting van de lidstaten tot gevolg heeft, dienen de lidstaten gezamenlijk een centrale onderlinge evaluatie uit te voeren.

(8)

De lidstaten dienen bij de samenwerking op het gebied van stelsels voor elektronische identificatie, alsmede bij de uitvoering van onderlinge evaluaties, ook rekening te houden met beoordelingen door derde partijen, voor zover beschikbaar.

(9)

Om de op het bereiken van de doelstelling van artikel 12, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 910/2014 gerichte procedurele voorschriften te bevorderen, dient er een samenwerkingsnetwerk te worden opgericht. Het doel hiervan is te zorgen voor een forum waaraan alle lidstaten kunnen deelnemen en waarop zij op geformaliseerde wijze kunnen samenwerken wat betreft de praktische aspecten van het onderhoud van het interoperabiliteitskader.

(10)

Het samenwerkingsnetwerk moet de door de lidstaten overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 verstrekte ontwerpaanmeldingen onderzoeken en adviezen geven in hoeverre de omschreven stelsels voldoen aan de vereisten van artikel 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 12, lid 1, van die verordening en van de in artikel 8, lid 3, van die verordening bedoelde uitvoeringshandeling. Overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 910/2014 moeten de lidstaten een beschrijving verstrekken van de manier waarop het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie voldoet aan de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde vereisten inzake interoperabiliteit. Met name dienen de lidstaten rekening te houden met de adviezen van het samenwerkingsnetwerk bij het naleven van hun verplichting overeenkomstig artikel 9, lid 1, onder e), van Verordening (EU) nr. 910/2014, om aan de Commissie een beschrijving te verstrekken van de manier waarop het aangemelde stelsel voor elektronische identificatie voldoet aan de in artikel 12, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 vastgestelde vereisten inzake interoperabiliteit.

(11)

Alle partijen die bij de aanmelding zijn betrokken, dienen het advies van het samenwerkingsnetwerk te gebruiken als leidraad voor het verwezenlijken van volledige samenwerkings-, aanmeldings- en interoperabiliteitsprocessen.

(12)

Om ervoor te zorgen dat de onderlinge evaluatie krachtens dit besluit doeltreffend wordt uitgevoerd, is het passend dat het samenwerkingsnetwerk richtsnoeren aan de lidstaten verstrekt.

(13)

De in dit besluit vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het comité dat is ingesteld bij artikel 48 van Verordening (EU) nr. 910/2014,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Doelstelling

Overeenkomstig artikel 12, lid 7, van de verordening, worden bij dit besluit de procedurele voorschriften vastgesteld om de samenwerking tussen de lidstaten te vergemakkelijken, teneinde de interoperabiliteit en veiligheid te waarborgen van stelsels voor elektronische identificatie die de lidstaten bij de Commissie hebben aangemeld of die zij voornemens zijn aan te melden. Deze voorschriften hebben met name betrekking op:

a)

uitwisseling van informatie, ervaring en goede werkwijzen betreffende stelsels voor elektronische identificatie, en onderzoek naar ontwikkelingen ter zake in de sector van de elektronische identificatie overeenkomstig hoofdstuk II;

b)

onderlinge evaluatie van stelsels voor elektronische identificatie overeenkomstig hoofdstuk III, en

c)

samenwerking in het kader van het samenwerkingsnetwerk overeenkomstig hoofdstuk IV.

Artikel 2

Taal waarin de samenwerking plaatsvindt

1.   De taal waarin de samenwerking plaatsvindt, is Engels, tenzij de betrokken lidstaten anders overeenkomen.

2.   Onverminderd lid 1 zijn de lidstaten niet verplicht de in artikel 10, lid 2, bedoelde ondersteunende documenten te vertalen, indien dat een onredelijke last met zich meebrengt.

Artikel 3

Eén loket

1.   Teneinde de samenwerking tussen de lidstaten overeenkomstig artikel 12, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 910/2014 tot stand te brengen, wijst elke lidstaat één loket aan.

2.   Elke lidstaat verstrekt informatie over dit loket aan de andere lidstaten en de Commissie. De Commissie publiceert op internet een lijst van de loketten.

HOOFDSTUK II

UITWISSELING VAN INFORMATIE, ERVARING EN GOEDE WERKWIJZEN

Artikel 4

Uitwisseling van informatie, ervaring en goede werkwijzen

1.   De lidstaten wisselen onderling informatie, ervaring en goede werkwijzen betreffende stelsels voor elektronische identificatie uit.

2.   Elke lidstaat licht de andere lidstaten dienovereenkomstig in indien hij de volgende wijzigingen, ontwikkelingen of aanpassingen uitvoert die gerelateerd zijn aan de interoperabiliteit of de betrouwbaarheidsniveaus van het stelsel:

a)

ontwikkelingen of aanpassingen aan zijn reeds aangemelde stelsel voor elektronische identificatie, voor zover deze overeenkomstig artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 niet hoeven te worden aangemeld;

b)

wijzigingen, ontwikkelingen of aanpassingen aan de overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 verstrekte beschrijving van het stelsel voor elektronische identificatie, voor zover deze voorafgaand aan de aanmelding hebben plaatsgevonden.

3.   Indien een lidstaat constateert dat er belangrijke ontwikkelingen of incidenten hebben plaatsgevonden die niet gerelateerd zijn aan zijn aangemelde stelsel voor elektronische identificatie, maar die van invloed kunnen zijn op de veiligheid van andere stelsels voor elektronische identificatie, licht de lidstaat de andere lidstaten daarover in.

Artikel 5

Verzoek om informatie betreffende interoperabiliteit en veiligheid

1.   Wanneer een lidstaat van mening is dat het, om de interoperabiliteit tussen de stelsels voor elektronische identificatie te garanderen, nodig is om over meer informatie te beschikken, en die informatie nog niet is verstrekt door de lidstaat die het stelsel voor elektronische identificatie heeft aangemeld, mag eerstgenoemde lidstaat van laatstgenoemde dergelijke informatie vragen. De aanmeldende lidstaat verstrekt die informatie, tenzij:

a)

hij niet over die informatie beschikt en het verkrijgen daarvan een onredelijke administratieve last zou veroorzaken;

b)

die informatie aangelegenheden van openbare of nationale veiligheid betreft;

c)

die informatie bedrijfs- of beroepsgeheimen betreft.

2.   Om de veiligheid van de stelsels voor elektronische identificatie te verbeteren, mag een lidstaat die twijfels heeft ten aanzien van de veiligheid van een aangemeld stelsel of van een stelsel waarvoor de aanmeldingsprocedure loopt, daarover informatie opvragen. De bevraagde lidstaat verstrekt vervolgens aan alle lidstaten de betrokken gevraagde informatie om vast te stellen of sprake is van een inbreuk op de beveiliging als bedoeld in artikel 10 van Verordening (EU) nr. 910/2014, of om vast te stellen of er een reëel risico is dat een dergelijke inbreuk zich zal voordoen, tenzij:

a)

hij niet over die informatie beschikt en het verkrijgen daarvan een onredelijke administratieve last zou veroorzaken;

b)

die informatie aangelegenheden van openbare of nationale veiligheid betreft;

c)

die informatie bedrijfs- of beroepsgeheimen betreft.

Artikel 6

Uitwisseling van informatie via één loket

De lidstaten wisselen informatie uit over de artikelen 4 en 5 via hun loketten en leveren de relevante informatie onverwijld.

HOOFDSTUK III

ONDERLINGE EVALUATIE

Artikel 7

Beginselen

1.   Onderlinge evaluatie is een mechanisme voor samenwerking tussen lidstaten dat erop gericht is de interoperabiliteit en de veiligheid van de aangemelde stelsels voor elektronische evaluatie te garanderen.

2.   Deelname van de lidstaten aan onderlinge evaluatie gebeurt op basis van vrijwilligheid. lidstaten waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, mogen de deelname van onderling evaluerende lidstaten aan het proces van onderlinge evaluatie niet weigeren.

3.   Iedere bij het proces van onderlinge evaluatie betrokken lidstaat draagt zelf de kosten die hij maakt als gevolg van deelname aan dit proces.

4.   Alle door het proces van onderlinge evaluatie verkregen informatie wordt uitsluitend voor dit doel gebruikt. Vertegenwoordigers van de lidstaten die de onderlinge evaluatie uitvoeren, maken gevoelige of vertrouwelijke informatie die zij tijdens de onderlinge evaluatie hebben verkregen, niet bekend aan derden.

5.   Onderling evaluerende lidstaten maken ieder mogelijk belangenconflict van door hen voor deelname aan de onderlinge evaluaties benoemde vertegenwoordigers bekend.

Artikel 8

Begin van het proces van onderlinge evaluatie

1.   Het proces van onderlinge evaluatie kan op een van de volgende twee manieren worden begonnen:

a)

een lidstaat verzoekt om onderlinge evaluatie van zijn stelsel voor elektronische identificatie;

b)

een of meer lidstaten geven te kennen het stelsel voor elektronische identificatie van een andere lidstaat onderling te willen evalueren. In hun verzoek geven zij de redenen aan waarom zij deze onderlinge evaluatie willen uitvoeren en leggen zij uit hoe de onderlinge evaluatie zou bijdragen aan de interoperabiliteit of de veiligheid van de stelsels voor elektronische identificatie van lidstaten.

2.   Een verzoek op grond van lid 1 wordt overeenkomstig lid 3 aan het samenwerkingsnetwerk medegedeeld. lidstaten die van plan zijn deel te nemen aan de onderlinge evaluatie delen dit binnen een maand mee aan het samenwerkingsnetwerk.

3.   De lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan een onderlinge evaluatie moet worden onderworpen, verstrekt het samenwerkingsnetwerk de volgende informatie:

a)

het stelsel voor elektronische identificatie dat aan een onderlinge evaluatie moet worden onderworpen;

b)

de onderling evaluerende lidstaat of lidstaten;

c)

de termijn waarop de verwachte uitkomst aan het samenwerkingsnetwerk moet worden voorgelegd, en

d)

de voorschriften over de manier waarop de onderlinge evaluatie overeenkomstig artikel 9, lid 2, wordt uitgevoerd.

4.   Een stelsel voor elektronische identificatie wordt niet binnen twee jaar na een onderlinge evaluatie opnieuw aan een onderlinge evaluatie onderworpen, tenzij het samenwerkingsnetwerk daartoe besluit.

Artikel 9

Voorbereiding van de onderlinge evaluatie

1.   De onderling evaluerende lidstaten verstrekken de lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, binnen twee weken nadat de onderling evaluerende lidstaten overeenkomstig artikel 8, lid 2, hebben meegedeeld van plan te zijn aan de onderlinge evaluatie deel te nemen, de namen en contactgegevens van hun vertegenwoordigers die de onderlinge evaluatie uitvoeren. lidstaten waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, mogen, in het geval van een belangenconflict, de deelname van vertegenwoordigers aan het proces van onderlinge evaluatie weigeren.

2.   Rekening houdend met de richtsnoeren die door het samenwerkingsnetwerk worden verstrekt, komen de lidstaat waarvan het stelsel van elektronische identificatie aan een onderlinge evaluatie wordt onderworpen en de onderling evaluerende lidstaten tot overeenstemming over:

a)

de werkingssfeer en de voorschriften van de onderlinge evaluatie op basis van zowel de werkingssfeer van artikel 7, onder g) of artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 als de belangstelling waarvan in de beginfase blijk is gegeven door de onderling evaluerende lidstaten;

b)

het tijdsschema van de activiteiten in verband met de onderlinge evaluaties, door een maximale termijn vast te stellen die niet meer mag bedragen dan drie maanden nadat de onderling evaluerende lidstaten overeenkomstig lid 1 de namen en contactgegevens van hun vertegenwoordigers hebben verstrekt;

c)

andere organisatorische voorschriften in verband met het proces van onderlinge evaluatie.

De lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie moet worden onderworpen, informeert het samenwerkingsnetwerk over hetgeen is overeengekomen.

Artikel 10

Uitvoering van de onderlinge evaluatie

1.   De betrokken lidstaten voeren de onderlinge evaluatie gezamenlijk uit. De vertegenwoordigers van de lidstaten kiezen uit hun midden één vertegenwoordiger om de onderlinge evaluatie te coördineren.

2.   De lidstaten waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie wordt onderworpen, verstrekken de onderling evaluerende lidstaten het aanmeldingsformulier dat bij de Commissie is ingediend, of een beschrijving van het stelsel overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014, als het betrokken stelsel voor elektronische identificatie nog niet is aangemeld. Alle ondersteunende documenten en aanvullende relevante gegevens worden ook verstrekt.

3.   Onderlinge evaluatie kan een of meer van de volgende maatregelen omvatten, maar hoeft niet daartoe te worden beperkt:

a)

de evaluatie van relevante documentatie;

b)

onderzoek van processen;

c)

technische seminars, en

d)

overweging van een beoordeling door een onafhankelijke derde.

4.   De onderling evaluerende lidstaten mogen vragen om extra documentatie in verband met de kennisgeving. De lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan een onderlinge evaluatie wordt onderworpen, verstrekt die informatie, tenzij:

a)

hij niet over die informatie beschikt en het verkrijgen daarvan een onredelijke administratieve last zou veroorzaken;

b)

die informatie aangelegenheden van openbare of nationale veiligheid betreft;

c)

die informatie bedrijfs- of beroepsgeheimen betreft.

Artikel 11

Uitkomst van de onderlinge evaluatie

De onderling evaluerende lidstaten stellen binnen één maand na het einde van het proces van onderlinge evaluatie een verslag op en dienen dat in bij het samenwerkingsnetwerk. Leden van het samenwerkingsnetwerk kunnen aanvullende informatie of verduidelijking vragen van de lidstaat waarvan het stelsel voor elektronische identificatie aan onderlinge evaluatie is onderworpen, of van de onderling evaluerende lidstaten.

HOOFDSTUK IV

HET SAMENWERKINGSNETWERK

Artikel 12

Oprichting en werkmethoden

Er wordt een netwerk opgericht om de samenwerking overeenkomstig artikel 12, leden 5 en 6 van Verordening (EU) nr. 910/2014 te bevorderen (hierna „het samenwerkingsnetwerk” genoemd). Het samenwerkingsnetwerk voert zijn werkzaamheden uit door middel van vergaderingen en schriftelijke procedures.

Artikel 13

Ontwerp van het aanmeldingsformulier

Wanneer de aanmeldende lidstaat de beschrijving van zijn stelsel voor elektronische identificatie verstrekt overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 verstrekt hij aan het samenwerkingsnetwerk het naar behoren ingevulde ontwerp van het aanmeldingsformulier en alle noodzakelijke begeleidende documentatie als bedoeld in artikel 9, lid 1, van Verordening (EU) nr. 910/2014 en in de in artikel 9, lid 5, van Verordening (EU) nr. 910/2014 bedoelde uitvoeringshandeling.

Artikel 14

Taken

Het samenwerkingsnetwerk wordt gemachtigd om:

a)

de samenwerking tussen de lidstaten met betrekking tot de opzet en het functioneren van het interoperabiliteitskader overeenkomstig artikel 12, leden 5 en 6, van Verordening (EU) nr. 910/2014 te vergemakkelijken door de uitwisseling van informatie;

b)

methoden vast te stellen voor de efficiënte uitwisseling van informatie met betrekking tot alle aangelegenheden in verband met elektronische identificatie;

c)

de relevante ontwikkelingen in de sector van de elektronische identificatie te onderzoeken en goede werkwijzen inzake interoperabiliteit en beveiliging van stelsels voor elektronische identificatie te bespreken en te ontwikkelen;

d)

adviezen vast te stellen ten aanzien van ontwikkelingen in verband met het in artikel 12, leden 2, 3 en 4 van Verordening (EU) nr. 910/2014 bedoelde interoperabiliteitskader;

e)

adviezen vast te stellen ten aanzien van ontwikkelingen op het gebied van de minimale technische specificaties, normen en procedures betreffende betrouwbaarheidsniveaus die zijn vastgesteld in de uitvoeringshandeling die overeenkomstig artikel 8, lid 3, van Verordening (EU) nr. 910/2014 is vastgesteld, en de richtsnoeren waarvan die uitvoeringshandeling vergezeld gaat;

f)

richtsnoeren vast te stellen over de werkingssfeer van de onderlinge evaluatie en de voorschriften daarvoor;

g)

de uitkomst te onderzoeken van de onderlinge evaluaties overeenkomstig artikel 11;

h)

het ingevulde ontwerpaanmeldingsformulier te onderzoeken;

i)

adviezen vast te stellen over de wijze waarop een aan te melden stelsel voor elektronische identificatie waarvan de beschrijving overeenkomstig artikel 7, onder g), van Verordening (EU) nr. 910/2014 is verstrekt, voldoet aan de eisen van artikel 7, artikel 8, leden 1 en 2, en artikel 12, lid 1, van die verordening en de in artikel 8, lid 3, van die verordening bedoelde uitvoeringshandeling.

Artikel 15

Lidmaatschap

1.   De lidstaten en de landen van de Europese Economische Ruimte zijn lid van het samenwerkingsnetwerk.

2.   Vertegenwoordigers van toetredende landen worden door de voorzitter uitgenodigd om de vergaderingen van het samenwerkingsnetwerk als waarnemers bij te wonen met ingang van de datum van ondertekening van het toetredingsverdrag.

3.   De voorzitter kan deskundigen van buiten het samenwerkingsnetwerk die een specifieke competentie hebben op het gebied van een onderwerp dat op de agenda staat, uitnodigen om, na overleg met het samenwerkingsnetwerk, ad hoc deel te nemen aan de werkzaamheden van het samenwerkingsnetwerk of een subgroep daarvan. Daarnaast kan de voorzitter, na overleg met het samenwerkingsnetwerk, de status van waarnemer verlenen aan personen en organisaties.

Artikel 16

Werking

1.   De vergaderingen van het samenwerkingsnetwerk worden door de Commissie voorgezeten.

2.   In overleg met de Commissie kan het samenwerkingsnetwerk subgroepen oprichten om specifieke vragen te onderzoeken op basis van een mandaat dat door het samenwerkingsnetwerk wordt vastgesteld. Dergelijke subgroepen worden opgeheven zodra hun opdracht is vervuld.

3.   De leden van het samenwerkingsnetwerk, alsook gastdeskundigen en waarnemers, zijn onderworpen aan de bij de Verdragen en de uitvoeringsregels ervan vastgestelde verplichting tot geheimhouding, alsook aan de veiligheidsvoorschriften van de Commissie betreffende de bescherming van gerubriceerde EU-informatie die zijn neergelegd in de bijlage bij Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie (2). Bij niet-nakoming van die verplichtingen mag de Commissie alle passende maatregelen nemen.

4.   Het samenwerkingsnetwerk houdt zijn vergaderingen in de gebouwen van de Commissie. De diensten van de Commissie verzorgen het secretariaat.

5.   Het samenwerkingsnetwerk maakt zijn overeenkomstig artikel 14, onder i), vastgestelde adviezen bekend op een speciale website. Wanneer een dergelijk advies vertrouwelijke informatie bevat, keurt het samenwerkingsnetwerk een niet-vertrouwelijke versie van dat advies goed voor publicatie.

6.   Het samenwerkingsnetwerk stelt met gewone meerderheid van zijn leden zijn reglement van orde vast.

Artikel 17

Kosten van vergaderingen

1.   De Commissie biedt degenen die betrokken zijn bij de activiteiten van het samenwerkingsnetwerk geen vergoeding voor hun diensten.

2.   De reiskosten van de deelnemers aan de vergaderingen van het samenwerkingsnetwerk kunnen door de Commissie worden vergoed. Vergoeding vindt plaats overeenkomstig de binnen de Commissie geldende bepalingen en binnen de grenzen van de beschikbare kredieten die aan de diensten van de Commissie zijn toegewezen op grond van de jaarlijkse procedure voor de toewijzing van middelen.

Artikel 18

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Gedaan te Brussel, 24 februari 2015.

Voor de Commissie

De voorzitter

Jean-Claude JUNCKER


(1)  PB L 257 van 28.8.2014, blz. 73.

(2)  Besluit 2001/844/EG, EGKS, Euratom van de Commissie van 29 november 2001 tot wijziging van haar reglement van orde (PB L 317 van 3.12.2001, blz. 1).


Top