Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0717

Verordening (EU) nr. 717/2014 van de Commissie van 27 juni 2014 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector

OJ L 190, 28.6.2014, p. 45–54 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/717/oj

28.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 190/45


VERORDENING (EU) Nr. 717/2014 VAN DE COMMISSIE

van 27 juni 2014

inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 108, lid 4,

Gezien Verordening (EG) nr. 994/98 van de Raad van 7 mei 1998 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op bepaalde soorten van horizontale steunmaatregelen (1),

Na bekendmaking van een ontwerp van deze verordening (2),

Na raadpleging van het Adviescomité inzake overheidssteun,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Overheidsfinanciering die aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag voldoet, vormt staatssteun en moet krachtens artikel 108, lid 3, van het Verdrag bij de Commissie worden aangemeld. Op grond van artikel 109 van het Verdrag kan de Raad evenwel bepalen welke soorten steunmaatregelen van die aanmeldingsverplichting zijn vrijgesteld. Overeenkomstig artikel 108, lid 4, van het Verdrag kan de Commissie verordeningen betreffende die soorten staatssteun vaststellen. Bij Verordening (EG) nr. 994/98 heeft de Raad overeenkomstig artikel 109 van het Verdrag besloten dat de-minimissteun een van die soorten kan zijn. Op basis daarvan wordt de-minimissteun, d.w.z. aan één onderneming over een bepaalde periode toegekende steun die een bepaald vastgesteld bedrag niet overschrijdt, geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en valt deze steun bijgevolg niet onder de aanmeldingsprocedure.

(2)

In talrijke besluiten heeft de Commissie het begrip „steun” in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag verduidelijkt. De Commissie heeft ook haar beleid met betrekking tot een de-minimisplafond beneden hetwelk artikel 107, lid 1, van het Verdrag kan worden geacht niet van toepassing te zijn, uiteengezet, eerst in haar mededeling inzake de-minimissteun (3) en vervolgens in de Verordeningen (EG) nr. 69/2001 (4) en (EG) nr. 1998/2006 (5) van de Commissie. Gelet op de bijzondere voorschriften die in de visserij- en aquacultuursector van toepassing zijn, en gezien het risico dat zelfs lage steunniveaus aan de criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag kunnen voldoen, werd de visserij- en aquacultuursector uit de werkingssfeer van die verordeningen gesloten. De Commissie heeft reeds een aantal verordeningen met voorschriften inzake de-minimissteun in de visserij- en aquacultuursector vastgesteld; de recentste daarvan is Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie (6). Op grond van die verordening wordt de totale de-minimissteun die wordt toegekend aan één onderneming die in de visserijsector actief is, beschouwd als steun die niet aan alle criteria van artikel 87, lid 1, van het EG-Verdrag voldoet indien over een periode van drie belastingjaren de steun per begunstigde niet meer bedraagt dan 30 000 EUR en het voor elke lidstaat vastgestelde cumulatieve bedrag ten belope van 2,5 % van de waarde van de jaarlijkse productie van de visserijsector niet wordt overschreden. In het licht van de ervaring die bij de toepassing van Verordening (EG) nr. 875/2007 is opgedaan, is het passend een aantal van de in die verordening vastgestelde voorwaarden te herzien en die verordening te vervangen.

(3)

Het is passend het plafond van 30 000 EUR voor het bedrag aan de-minimissteun dat één onderneming gedurende een periode van drie jaar per lidstaat mag ontvangen, te behouden. Dat plafond blijft nog steeds noodzakelijk om te garanderen dat maatregelen die onder deze verordening vallen, kunnen worden geacht het handelsverkeer tussen de lidstaten niet te beïnvloeden en de mededinging niet te vervalsen of dreigen te vervalsen wanneer het totale steunbedrag dat over een periode van drie jaar aan alle ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, lager is dan het per lidstaat vastgestelde cumulatieve bedrag ten belope van 2,5 % van de jaarlijkse omzet in de visserijsector, d.w.z. de omzet van de vangst-, verwerkings- en aquacultuuractiviteiten (het nationale maximum).

(4)

Een onderneming is, voor de toepassing van de mededingingsregels van het Verdrag, elke entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht haar rechtsvorm en de wijze waarop zij wordt gefinancierd (7). Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft bepaald dat alle entiteiten die (juridisch of feitelijk) onder de zeggenschap staan van dezelfde entiteit, als één onderneming dienen te worden beschouwd (8). Met het oog op rechtszekerheid en om de administratieve rompslomp te verlichten moet in deze verordening een uitputtende lijst van duidelijke criteria worden vastgesteld aan de hand waarvan kan worden bepaald wanneer twee of meer ondernemingen in dezelfde lidstaat als één onderneming moeten worden beschouwd. De Commissie heeft uit de vaststaande criteria voor het definiëren van „verbonden ondernemingen” die zijn opgenomen in de definitie van kleine en middelgrote ondernemingen (hierna „kmo's” genoemd) van Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie (9) en bijlage I bij Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie (10), de criteria gekozen die zinvol zijn voor de toepassing van deze verordening. De criteria, waarmee de overheidsinstanties reeds vertrouwd zijn, moeten, gelet op het toepassingsgebied van deze verordening, van toepassing zijn op zowel kmo's als grote ondernemingen. Die criteria moeten garanderen dat een groep verbonden ondernemingen voor de toepassing van de de-minimisregel als één enkele onderneming wordt beschouwd, maar dat ondernemingen die geen banden met elkaar onderhouden tenzij dat elk van hen een rechtstreekse band met dezelfde overheidsinstantie of -instanties heeft, niet als onderling verbonden worden behandeld. Zo wordt rekening gehouden met de specifieke situatie van ondernemingen die onder de zeggenschap van dezelfde overheidsinstantie of -instanties staan, maar een zelfstandige beslissingsbevoegdheid kunnen hebben.

(5)

Gezien de werkingssfeer van het gemeenschappelijk visserijbeleid en de definitie van visserij- en aquacultuursector die in artikel 5, onder d), van Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad (11) is vastgesteld, moet deze verordening van toepassing zijn op ondernemingen die actief zijn in de productie, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten.

(6)

Het is een algemeen beginsel dat geen steun mag worden verleend in omstandigheden waarin de Uniewetgeving, en in het bijzonder de regels van het gemeenschappelijk visserijbeleid, niet worden nageleefd. Dit beginsel geldt ook voor de-minimissteun.

(7)

Gezien de noodzaak te zorgen voor samenhang met de doelstellingen van het gemeenschappelijk visserijbeleid en het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij, dienen met name steun voor de aankoop van vissersvaartuigen, steun voor de modernisering of de vervanging van de hoofd- of hulpmotoren van vissersvaartuigen of enige andere steun voor concrete acties die niet in aanmerking komen krachtens Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad (12), van het toepassingsgebied van deze verordening te worden uitgesloten.

(8)

Het Hof van Justitie van de Europese Unie heeft verklaard dat de lidstaten zich, zodra de Unie een regeling voor de totstandbrenging van een gemeenschappelijke marktordening in een bepaalde landbouwsector heeft vastgesteld, moeten onthouden van elke maatregel die daarvan zou afwijken of er inbreuk op zou maken (13). Dit beginsel geldt ook voor de visserij- en aquacultuursector. Daarom mag deze verordening niet van toepassing zijn op steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de afgenomen of op de markt gebrachte producten. Evenmin mag zij van toepassing zijn op steun waaraan de verplichting is gekoppeld om deze met primaire producenten te delen.

(9)

Deze verordening mag niet van toepassing zijn op exportsteun of steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse producten in plaats van ingevoerde producten. Met name mag deze verordening niet van toepassing zijn op steun ter financiering van de oprichting en exploitatie van een distributienet in andere lidstaten of in derde landen. Steun voor de financiering van de kosten van deelneming aan handelsbeurzen of van studies of consultancydiensten die noodzakelijk zijn om een nieuw of een bestaand product op een nieuwe markt in een andere lidstaat of een derde land te introduceren, is in de regel geen exportsteun.

(10)

Wanneer een onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector en ook actief is in andere sectoren of andere activiteiten verricht die onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie (14) vallen, moet die verordening van toepassing zijn op steun die voor die andere sectoren of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de visserij- en aquacultuursector geen overeenkomstig die verordening verleende de-minimissteun genieten.

(11)

Wanneer een onderneming zowel in de visserij- en aquacultuursector als in de sector van de primaire productie van landbouwproducten actief is, moet deze verordening van toepassing zijn op steun die voor de eerstgenoemde sector of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de primaire productie van landbouwproducten geen overeenkomstig deze verordening verleende de-minimissteun geniet.

(12)

Bij deze verordening moeten regels worden vastgesteld die garanderen dat de maximale steunintensiteiten die in specifieke verordeningen of in besluiten van de Commissie zijn vastgesteld, niet kunnen worden omzeild. In deze verordening moeten ook duidelijke, gemakkelijk toepasbare regels inzake cumulering worden opgenomen.

(13)

De voor de toepassing van deze verordening in aanmerking te nemen periode van drie jaar moet op voortschrijdende grondslag worden beoordeeld, zodat bij elke nieuwe verlening van de-minimissteun het totale in het betrokken belastingjaar en in de twee voorgaande belastingjaren aan de-minimissteun verleende bedrag in aanmerking wordt genomen.

(14)

Deze verordening sluit niet de mogelijkheid uit dat een maatregel misschien op andere gronden dan die welke in deze verordening worden vastgesteld, niet als staatssteun in de zin van artikel 107, lid 1, van het Verdrag wordt beschouwd, bijvoorbeeld omdat de maatregel voldoet aan het beginsel van de marktdeelnemer in een markteconomie of omdat met de maatregel geen overdracht van staatsmiddelen gemoeid is. Met name vormt centraal door de Commissie beheerde Uniefinanciering die niet direct of indirect onder de controle van de lidstaat staat, geen staatssteun en hoeft die niet in aanmerking te worden genomen wanneer wordt bepaald of het desbetreffende plafond of het nationale maximum in acht wordt genomen.

(15)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en een doelmatige monitoring mag deze verordening slechts van toepassing zijn op de-minimissteun waarvan het brutosubsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd („transparante steun”). Deze precieze berekening kan bijvoorbeeld worden uitgevoerd voor subsidies, rentesubsidies en belastingvrijstellingen waarvoor een maximum geldt, of voor andere instrumenten die in een maximum voorzien dat garandeert dat het betrokken plafond niet wordt overschreden. De vaststelling van een maximum betekent dat de lidstaat, zolang het precieze steunbedrag niet of nog niet bekend is, moet aannemen dat het bedrag gelijk is aan het maximum, om te garanderen dat diverse steunmaatregelen samen het in deze verordening vastgestelde plafond niet overschrijden en om de regels inzake cumulering toe te passen.

(16)

Met het oog op transparantie, gelijke behandeling en correcte toepassing van het de-minimisplafond moeten alle lidstaten dezelfde berekeningsmethode toepassen. Om deze berekening te vergemakkelijken moeten steunbedragen die in een andere vorm dan een subsidie worden verleend, in brutosubsidie-equivalent worden omgerekend. Om het brutosubsidie-equivalent te berekenen voor andere soorten transparante steun dan subsidies en voor steun die in verschillende tranches wordt uitgekeerd, moeten de marktrentepercentages worden gebruikt die van toepassing zijn op het tijdstip waarop die steun wordt verleend. Met het oog op een eenvormige, transparante en eenvoudige toepassing van de staatssteunregels moeten, voor de toepassing van deze verordening, de referentiepercentages die zijn vastgesteld in de mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (15), als marktpercentages gelden.

(17)

Steun vervat in leningen, waaronder ook de-minimisrisicofinancieringssteun in de vorm van leningen, moet als transparante de-minimissteun worden beschouwd indien voor het berekenen van het brutosubsidie-equivalent de marktrentepercentages zijn gebruikt die van toepassing zijn op het tijdstip van de steunverlening. Om de behandeling van kleine, kortlopende leningen te vereenvoudigen moet in deze verordening een duidelijke regel worden opgenomen die gemakkelijk kan worden toegepast en rekening houdt met zowel het bedrag als de looptijd van de lening. Op basis van de ervaring van de Commissie kunnen leningen die zijn afgedekt door zekerheden ten belope van ten minste 50 % van het leningbedrag en die ten hoogste betrekking hebben op ofwel 150 000 EUR en een looptijd van vijf jaar ofwel 75 000 EUR en een looptijd van tien jaar, worden beschouwd als leningen met een brutosubsidie-equivalent dat het de-minimisplafond niet overschrijdt. Gelet op de moeilijkheden die zijn verbonden aan het bepalen van het brutosubsidie-equivalent van steun die wordt verleend aan ondernemingen die wellicht niet in staat zijn de lening terug te betalen, mag deze regel niet op die ondernemingen van toepassing zijn.

(18)

Steun vervat in kapitaalinjecties mag niet worden geacht transparante de-minimissteun te zijn tenzij het totale door de overheid ingebrachte bedrag het de-minimisplafond niet overschrijdt. Steun vervat in risicofinancieringsmaatregelen in de vorm van investeringen in aandelenkapitaal of hybride kapitaal, als bedoeld in de richtsnoeren inzake risicofinanciering (16), mag niet worden geacht transparante de-minimissteun te zijn tenzij het met de betrokken maatregel verstrekte kapitaal het de-minimisplafond niet overschrijdt.

(19)

Steun vervat in garanties, waaronder ook de-minimisrisicofinancieringssteun in de vorm van garanties, moet als transparant worden beschouwd indien het brutosubsidie-equivalent is berekend op basis van de safe-harbour-premies die voor het betrokken soort onderneming in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld (17). Om de behandeling van kortlopende garanties ten behoeve van maximaal 80 % van een betrekkelijk kleine lening te vereenvoudigen, moet deze verordening voorzien in een duidelijke regel, die gemakkelijk kan worden toegepast en rekening houdt met zowel het bedrag als de looptijd van de garantie. Deze regel mag niet gelden voor garanties voor onderliggende transacties niet zijnde een lening, zoals garanties voor eigen-vermogenstransacties. Wanneer de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt, het garantiebedrag niet groter is dan 225 000 EUR en de garantie een looptijd van ten hoogste vijf jaar heeft, kan de garantie worden beschouwd als een garantie met een brutosubsidie-equivalent dat het de-minimisplafond niet overschrijdt. Hetzelfde geldt indien de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt, het garantiebedrag niet groter is dan 112 500 EUR en de garantie een looptijd van ten hoogste tien jaar heeft. Daarnaast kunnen de lidstaten voor het berekenen van het brutosubsidie-equivalent van garanties een methode gebruiken die bij de Commissie is aangemeld op grond van een andere op dat tijdstip toepasselijke verordening van de Commissie op het gebied van staatssteun, en door de Commissie is goedgekeurd als in overeenstemming met de garantiemededeling of een mededeling ter vervanging daarvan, mits de goedgekeurde methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn. Gelet op de moeilijkheden die zijn verbonden aan het bepalen van het brutosubsidie-equivalent van steun die wordt verleend aan ondernemingen die wellicht niet in staat zijn de lening terug te betalen, dient deze regel niet op die ondernemingen van toepassing te zijn.

(20)

Als een de-minimissteunregeling via financiële intermediairs wordt uitgevoerd, moet erop worden toegezien dat de laatstgenoemden geen staatssteun ontvangen. Dit kan bijvoorbeeld door te eisen dat financiële intermediairs die een staatsgarantie genieten, een marktconforme premie betalen of elk voordeel volledig aan de eindbegunstigden doorberekenen of door het de-minimisplafond en andere voorwaarden van deze verordening ook op het niveau van de intermediairs in acht te nemen.

(21)

Bij aanmelding door een lidstaat kan de Commissie nagaan of een maatregel die geen subsidie, lening, garantie, kapitaalinjectie of risicofinancieringsmaatregel in de vorm van een investering in aandelenkapitaal of hybride kapitaal is, een brutosubsidie-equivalent oplevert dat het de-minimisplafond niet overschrijdt, en dus onder het toepassingsgebied van deze verordening kan vallen.

(22)

Het is de plicht van de Commissie erop toe te zien dat de staatssteunregels worden nageleefd en de lidstaten moeten, overeenkomstig het in artikel 4, lid 3, van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde samenwerkingsbeginsel, de vervulling van deze taak vergemakkelijken door de nodige instrumenten uit te werken om te waarborgen dat het totale bedrag aan de-minimissteun dat in het kader van de de-minimisregel aan één onderneming wordt verleend, het totale toelaatbare plafond niet overschrijdt. Daartoe moeten de lidstaten bij het verlenen van de-minimissteun de betrokken onderneming in kennis stellen van het toegekende bedrag aan de-minimissteun en van het feit dat het om de-minimissteun gaat en daarbij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijzen. De lidstaten moeten ertoe worden verplicht de verleende steun te monitoren om ervoor te zorgen dat de plafonds niet worden overschreden en de regels inzake cumulering worden nageleefd. Om aan die monitoringverplichting te voldoen moet de betrokken lidstaat, voordat hij die steun verleent, van de onderneming een verklaring krijgen over andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende het betrokken belastingjaar en de twee voorgaande belastingjaren heeft ontvangen. Bij wijze van alternatief moet het voor de lidstaten mogelijk zijn om aan de monitoringverplichting te voldoen door een centraal register op te zetten met volledige informatie over de verleende de-minimissteun en te controleren of door een nieuwe steunverlening het desbetreffende plafond niet wordt overschreden.

(23)

Elke lidstaat moet zich, voordat hij nieuwe de-minimissteun verleent, ervan vergewissen dat het de-minimisplafond noch het nationale maximum in die lidstaat met de nieuwe de-minimissteun zal worden overschreden en dat aan de overige voorwaarden van deze verordening is voldaan.

(24)

Gezien de ervaring van de Commissie en met name de frequentie waarmee het staatssteunbeleid over het algemeen moet worden herzien, moet de geldigheidsduur van deze verordening worden beperkt. Als de geldigheidsduur van deze verordening verstrijkt zonder dat deze is verlengd, moeten de lidstaten voor onder deze verordening vallende de-minimissteun kunnen beschikken over een aanpassingsperiode van zes maanden,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Toepassingsgebied

1.   Deze verordening is van toepassing op steun die aan ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, met uitzondering van:

a)

steun waarvan het bedrag wordt vastgesteld op basis van de prijs of de hoeveelheid van de afgenomen of op de markt gebrachte producten;

b)

steun voor activiteiten die verband houden met de uitvoer naar derde landen of lidstaten, namelijk steun die direct aan de uitgevoerde hoeveelheden is gerelateerd, steun voor de oprichting en exploitatie van een distributienet of steun voor andere lopende uitgaven in verband met activiteiten op het gebied van uitvoer;

c)

steun die afhangt van het gebruik van binnenlandse in plaats van ingevoerde goederen;

d)

steun voor de aankoop van vissersvaartuigen;

e)

steun voor de modernisering of de vervanging van hoofd- of hulpmotoren van vissersvaartuigen;

f)

steun voor concrete acties die de vangstcapaciteit van het vaartuig vergroten of voor uitrusting die de capaciteit van een vaartuig om vis te vinden vergroot;

g)

steun voor de bouw van nieuwe vissersvaartuigen of de invoer van vissersvaartuigen;

h)

steun voor de tijdelijke of definitieve beëindiging van de visserijactiviteiten, tenzij daarin specifiek is voorzien bij Verordening (EU) nr. 508/2014;

i)

steun voor de experimentele visserij;

j)

steun voor de overdracht van de eigendom van een bedrijf;

k)

steun voor het rechtstreeks uitzetten van vis, behalve als instandhoudingsmaatregel waarin uitdrukkelijk bij een rechtshandeling van de Unie is voorzien of wanneer sprake is van het experimenteel uitzetten van vis.

2.   Wanneer een onderneming actief is in de visserij- en aquacultuursector en ook actief is in één of meer van de onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende sectoren of andere onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende activiteiten verricht, is die verordening van toepassing op steun die voor de laatstgenoemde sectoren of activiteiten wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de visserij- en aquacultuursector geen overeenkomstig die verordening verleende de-minimissteun genieten.

3.   Als een onderneming actief is in zowel de visserij- en aquacultuursector als de primaire productie van landbouwproducten, die onder Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie (18) valt, is deze verordening van toepassing op steun die voor de eerstgenoemde sector wordt verleend, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de primaire productie van landbouwproducten geen overeenkomstig deze verordening verleende de-minimissteun geniet.

Artikel 2

Definities

1.   Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

a)   „ondernemingen in de visserij- en aquacultuursector”: ondernemingen die actief zijn in de productie, verwerking en afzet van visserij- en aquacultuurproducten;

b)   „visserij- en aquacultuurproducten”: de producten als omschreven in artikel 5, onder a) en b), van Verordening (EU) nr. 1379/2013;

c)   „verwerking en afzet”: alle handelingen, met inbegrip van de behandeling, de bewerking, de productie en de distributie, tussen het moment van de aanlanding of oogst en de fase van het eindproduct.

2.   „Eén onderneming” omvat, voor de toepassing van deze verordening, alle ondernemingen die ten minste een van de volgende banden met elkaar onderhouden:

a)

één onderneming heeft de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van een andere onderneming;

b)

één onderneming heeft het recht de meerderheid van de leden van het bestuurs-, leidinggevend of toezichthoudend orgaan van een andere onderneming te benoemen of te ontslaan;

c)

één onderneming heeft het recht een overheersende invloed op een andere onderneming uit te oefenen op grond van een met die onderneming gesloten overeenkomst of een bepaling in de statuten van die laatstgenoemde onderneming;

d)

één onderneming die aandeelhouder of vennoot is van een andere onderneming, heeft op grond van een met andere aandeelhouders of vennoten van die andere onderneming gesloten overeenkomst als enige zeggenschap over de meerderheid van de stemrechten van de aandeelhouders of vennoten van die laatstgenoemde onderneming.

Ondernemingen die via één of meer andere ondernemingen een van de in de eerste alinea, onder a) tot en met d), bedoelde betrekkingen hebben, worden als één onderneming beschouwd.

Artikel 3

De-minimissteun

1.   Steunmaatregelen worden geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en zijn derhalve vrijgesteld van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag, indien zij voldoen aan de voorwaarden die in deze verordening zijn vastgesteld.

2.   Het totale bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat aan één onderneming van de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, mag niet hoger zijn dan 30 000 EUR over een periode van drie belastingjaren.

3.   Het cumulatieve bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat over een periode van drie belastingjaren wordt verleend aan ondernemingen die in de visserij- en aquacultuursector actief zijn, mag niet hoger zijn dan het in de bijlage vastgestelde nationale maximum.

4.   De de-minimissteun wordt geacht te zijn verleend op het tijdstip waarop de onderneming krachtens de toepasselijke nationale wet- en regelgeving een wettelijke aanspraak op de steun verwerft, ongeacht de datum waarop de de-minimissteun aan de onderneming wordt betaald.

5.   Het in lid 2 vastgestelde plafond en het in lid 3 bedoelde nationale maximum zijn van toepassing ongeacht de vorm van de de-minimissteun of het daarmee nagestreefde doel en ongeacht of de door de lidstaat verleende steun geheel of ten dele uit middelen van Unie-oorsprong wordt gefinancierd. De periode van drie belastingjaren wordt vastgesteld op basis van de belastingjaren zoals de onderneming die in de betrokken lidstaat toepast.

6.   Voor de toepassing van het in lid 2 vastgestelde plafond en het in lid 3 bedoelde nationale maximum wordt steun als een subsidiebedrag uitgedrukt. Alle bedragen die worden gebruikt, zijn brutobedragen, dus vóór aftrek van belastingen of andere heffingen. Wanneer steun in een andere vorm dan een subsidie wordt verleend, is het steunbedrag het brutosubsidie-equivalent van de steun.

Van steun die in meerdere tranches wordt betaald, wordt door discontering de waarde op het tijdstip van de toekenning ervan berekend. De rentevoet die bij die discontering wordt gehanteerd, is de disconteringsvoet die op het tijdstip van de steunverlening van toepassing is.

7.   Wanneer het in lid 2 vastgestelde plafond of het in lid 3 bedoelde nationale maximum door de toekenning van nieuwe de-minimisssteun zou worden overschreden, komt deze nieuwe steun in zijn geheel niet in aanmerking voor het voordeel van deze verordening.

8.   In het geval van fusies of overnames wordt alle de-minimissteun die voordien aan een van de fuserende ondernemingen is verleend, in aanmerking genomen om te bepalen of nieuwe de-minimissteun voor de nieuwe of de overnemende onderneming het plafond of het nationale maximum overschrijdt. De-minimissteun die vóór de fusie of overname rechtmatig is verleend, blijft rechtmatig.

9.   Indien één onderneming in twee of meer afzonderlijke ondernemingen wordt opgesplitst, wordt de vóór de splitsing verleende de-minimissteun toegerekend aan de onderneming die de steun genoot; dat is in beginsel de onderneming die de activiteiten overneemt waarvoor de de-minimissteun werd gebruikt. Indien deze toerekening niet mogelijk is, wordt de de-minimissteun evenredig toegerekend op basis van de boekwaarde van het aandelenkapitaal van de nieuwe ondernemingen op het daadwerkelijke tijdstip van de splitsing.

Artikel 4

Berekening van het brutosubsidie-equivalent

1.   Deze verordening is alleen van toepassing op steun waarvan het brutosubsidie-equivalent vooraf precies kan worden berekend zonder dat een risicoanalyse hoeft te worden uitgevoerd (hierna „transparante steun” genoemd).

2.   Steun vervat in subsidies of rentesubsidies wordt als transparante de-minimissteun beschouwd.

3.   Steun vervat in leningen wordt als transparante de-minimissteun beschouwd indien:

a)

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-, en

b)

voor de lening zekerheden zijn gesteld van ten minste 50 % van de lening en het een lening betreft van ofwel 150 000 EUR met een looptijd van vijf jaar ofwel 75 000 EUR met een looptijd van tien jaar; indien een lening wordt toegekend voor een bedrag dat lager ligt dan die bedragen en/of wordt toegekend voor een looptijd van minder dan vijf jaar, respectievelijk tien jaar, wordt het brutosubsidie-equivalent van die lening berekend als een overeenkomstig deel van het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond, of

c)

het brutosubsidie-equivalent is berekend aan de hand van het referentiepercentage dat van toepassing is op het tijdstip van de steunverlening.

4.   Steun vervat in kapitaalinjecties wordt alleen als transparante de-minimissteun beschouwd indien het totale door de overheid ingebrachte bedrag het in artikel 3, lid 2, vastgestelde de-minimisplafond niet overschrijdt.

5.   Steun vervat in risicofinancieringsmaatregelen in de vorm van investeringen in aandelenkapitaal of hybride kapitaal wordt alleen als transparante de-minimissteun beschouwd indien het aan één onderneming verstrekte kapitaal het in artikel 3, lid 2, vastgestelde de-minimisplafond niet overschrijdt.

6.   Steun vervat in garanties wordt als transparante de-minimissteun behandeld indien:

a)

tegen de begunstigde geen collectieve insolventieprocedure loopt en hij niet voldoet aan de criteria volgens het nationale recht om, op verzoek van zijn schuldeisers, aan een collectieve insolventieprocedure te worden onderworpen. In geval van grote ondernemingen verkeert de begunstigde in een situatie die vergelijkbaar is met een kredietrating van ten minste B-, en

b)

de garantie niet meer dan 80 % van de onderliggende lening bedraagt en ofwel het garantiebedrag niet groter is dan 225 000 EUR en de garantie een looptijd van vijf jaar heeft, ofwel het garantiebedrag niet groter is dan 112 500 EUR en de garantie een looptijd van tien jaar heeft; indien het garantiebedrag lager ligt dan die bedragen en/of de garantie wordt toegekend voor een periode van minder dan vijf, respectievelijk tien jaar, wordt het brutosubsidie-equivalent van die lening berekend als een overeenkomstig deel van het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond, of

c)

het brutosubsidie-equivalent wordt berekend op basis van de safe-harbour-premies die in een mededeling van de Commissie zijn vastgesteld, of

d)

voordat zij ten uitvoer wordt gelegd,

i)

de methode voor het berekenen van het brutosubsidie-equivalent van de garantie bij de Commissie is aangemeld op grond van een andere op dat tijdstip toepasselijke verordening van de Commissie op het gebied van staatssteun, en door de Commissie is goedgekeurd als in overeenstemming met de garantiemededeling of een mededeling ter vervanging daarvan, en

ii)

die methode uitdrukkelijk is toegespitst op het soort garanties en het soort onderliggende transacties die in het kader van de toepassing van deze verordening in het geding zijn.

7.   Steun vervat in andere instrumenten wordt als transparante de-minimissteun beschouwd indien het instrument voorziet in een maximum dat garandeert dat het betrokken plafond niet wordt overschreden.

Artikel 5

Cumulering

1.   Wanneer een onderneming actief is in visserij- en aquacultuursector en ook actief is in één of meer van de onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende sectoren of andere onder Verordening (EU) nr. 1407/2013 vallende activiteiten verricht, mag de-minimissteun die overeenkomstig deze verordening voor activiteiten in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, met de-minimissteun voor de laatstgenoemde sector(en) of activiteiten worden gecumuleerd tot het desbetreffende in artikel 3, lid 2, van Verordening (EU) nr. 1407/2013 vastgestelde plafond, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de activiteiten in de visserij- en aquacultuursector geen overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1407/2013 verleende steun genieten.

2.   Wanneer een onderneming zowel in de visserij- en aquacultuursector als in de primaire productie van landbouwproducten actief is, mag de-minimissteun die overeenkomstig Verordening (EU) nr. 1408/2013 wordt verleend, met de-minimissteun die overeenkomstig de onderhavige verordening in de visserij- en aquacultuursector wordt verleend, worden gecumuleerd tot het in deze verordening vastgestelde plafond, mits de betrokken lidstaat, met passende middelen zoals een scheiding van activiteiten of een uitsplitsing van de kosten, ervoor zorgt dat de primaire productie van landbouwproducten geen overeenkomstig de onderhavige verordening verleende steun geniet.

3.   De-minimissteun mag niet worden gecumuleerd met staatssteun voor dezelfde in aanmerking komende kosten of met staatssteun voor dezelfde risicofinancieringsmaatregel indien deze cumulering leidt tot het overschrijden van de hoogste toepasselijke steunintensiteit die of het hoogste toepasselijke steunbedrag dat voor de specifieke omstandigheden van elke zaak door een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie is vastgesteld. De-minimissteun die niet wordt verleend voor of kan worden toegewezen aan specifieke in aanmerking komende kosten, mag worden gecumuleerd met andere staatssteun die krachtens een groepsvrijstellingsverordening of een besluit van de Commissie wordt verleend.

Artikel 6

Monitoring

1.   Wanneer een lidstaat voornemens is overeenkomstig deze verordening de-minimissteun aan een onderneming te verlenen, stelt hij die onderneming schriftelijk in kennis van het voorgenomen steunbedrag, uitgedrukt als brutosubsidie-equivalent, en van het feit dat het om de-minimissteun gaat, waarbij hij uitdrukkelijk naar deze verordening verwijst en de titel en de vindplaats ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie vermeldt. Wanneer overeenkomstig deze verordening in het kader van een regeling de-minimissteun wordt verleend aan verschillende ondernemingen en in het kader van die regeling aan die ondernemingen uiteenlopende bedragen aan individuele steun worden verleend, kan de betrokken lidstaat ervoor kiezen deze verplichting te vervullen door de ondernemingen een vast bedrag mee te delen dat met het in het kader van die regeling maximaal te verlenen steunbedrag overeenstemt. In dat geval wordt het vaste bedrag gebruikt om te bepalen of het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond wordt bereikt en het in artikel 3, lid 3, bedoelde nationale maximum niet wordt overschreden. Voordat de lidstaat de steun verleent, verlangt hij van de betrokken onderneming een schriftelijke of elektronische verklaring over alle andere onder deze verordening of andere de-minimisverordeningen vallende de-minimissteun die deze onderneming gedurende de twee voorgaande belastingjaren en het lopende belastingjaar heeft ontvangen.

2.   Wanneer een lidstaat een centraal register voor de-minimissteun heeft opgezet dat alle gegevens bevat over alle de-minimissteun die door enige autoriteit in die lidstaat is verstrekt, is lid 1 niet meer van toepassing vanaf het tijdstip waarop het register een periode van drie belastingjaren bestrijkt.

3.   Een lidstaat verleent pas nieuwe de-minimissteun overeenkomstig deze verordening nadat hij zich ervan heeft vergewist dat dit het totale bedrag aan de-minimissteun dat aan de betrokken onderneming is verleend, niet zodanig doet toenemen dat het in artikel 3, lid 2, vastgestelde plafond en het in artikel 3, lid 3, bedoelde nationale maximum wordt overschreden, en voorts dat aan alle in deze verordening vastgestelde voorwaarden is voldaan.

4.   De lidstaten leggen dossiers aan die alle informatie bevatten met betrekking tot de toepassing van deze verordening. Deze dossiers bevatten alle informatie die nodig is om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan. De dossiers betreffende individuele de-minimissteun worden gedurende tien belastingjaren vanaf het tijdstip van de steunverlening bewaard. Voor de-minimissteunregelingen worden de dossiers bewaard gedurende tien belastingjaren te rekenen vanaf het tijdstip van de laatste individuele steunverlening op grond van die regeling.

5.   De betrokken lidstaat verstrekt de Commissie op haar schriftelijk verzoek binnen 20 werkdagen, of binnen de langere termijn die in het verzoek is vastgesteld, alle informatie die de Commissie nodig acht om te kunnen nagaan of aan de voorwaarden van deze verordening is voldaan, en met name het totale bedrag aan de-minimissteun in de zin van deze verordening of andere de-minimisverordeningen dat een onderneming heeft ontvangen.

Artikel 7

Overgangsbepalingen

1.   Deze verordening is van toepassing op vóór haar inwerkingtreding verleende steun indien de steun aan alle in deze verordening vervatte voorwaarden voldoet. Steun die niet aan die voorwaarden voldoet, wordt door de Commissie beoordeeld overeenkomstig de desbetreffende kaderregelingen, richtsnoeren, mededelingen en bekendmakingen.

2.   Alle individuele de-minimissteun die tussen 1 januari 2005 en 30 juni 2008 werd verleend en aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 1860/2004 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

3.   Alle tussen 31 juli 2007 en 30 juni 2014 verleende individuele de-minimissteun die aan de voorwaarden van Verordening (EG) nr. 875/2007 voldoet, wordt geacht niet aan alle criteria van artikel 107, lid 1, van het Verdrag te voldoen en is bijgevolg van de aanmeldingsverplichting van artikel 108, lid 3, van het Verdrag vrijgesteld.

4.   Na het verstrijken van de geldigheidsduur van deze verordening blijft elke de-minimissteunregeling die aan de voorwaarden van deze verordening voldoet, nog gedurende zes maanden onder deze verordening vallen.

Artikel 8

Inwerkingtreding en toepassingsperiode

Deze verordening treedt in werking op 1 juli 2014.

Zij is van toepassing tot en met 31 december 2020.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 27 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 142 van 14.5.1998, blz. 1.

(2)  PB C 92 van 29.3.2014, blz. 22.

(3)  Mededeling van de Commissie inzake de-minimissteun (PB C 68 van 6.3.1996, blz. 9).

(4)  Verordening (EG) nr. 69/2001 van de Commissie van 12 januari 2001 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 10 van 13.1.2001, blz. 30).

(5)  Verordening (EG) nr. 1998/2006 van de Commissie van 15 december 2006 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun (PB L 379 van 28.12.2006, blz. 5).

(6)  Verordening (EG) nr. 875/2007 van de Commissie van 24 juli 2007 betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op de-minimissteun in de visserijsector en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1860/2004 (PB L 193 van 25.7.2007, blz. 6).

(7)  Arrest van 10 januari 2006, zaak C-222/04, Ministero dell'Economia e delle Finanze/Cassa di Risparmio di Firenze SpA e.a., Jurispr. 2006, blz. I-289.

(8)  Arrest van 13 juni 2002, zaak C-382/99, Nederland/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-5163.

(9)  Aanbeveling 2003/361/EG van de Commissie van 6 mei 2003 betreffende de definitie van kleine, middelgrote en micro-ondernemingen (PB L 124 van 20.5.2003, blz. 36).

(10)  Verordening (EG) nr. 800/2008 van de Commissie van 6 augustus 2008 waarbij bepaalde categorieën steun op grond van de artikelen 87 en 88 van het Verdrag met de gemeenschappelijke markt verenigbaar worden verklaard (PB L 214 van 9.8.2008, blz. 3).

(11)  Verordening (EU) nr. 1379/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 houdende een gemeenschappelijke marktordening voor visserijproducten en aquacultuurproducten, tot wijziging van de Verordeningen (EG) nr. 1184/2006 en (EG) nr. 1224/2009 van de Raad en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 104/2000 van de Raad (PB L 354 van 28.12.2013, blz. 1).

(12)  Verordening (EU) nr. 508/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 inzake het Europees Fonds voor maritieme zaken en visserij en tot intrekking van de Verordeningen (EG) nr. 2328/2003, (EG) nr. 861/2006, (EG) nr. 1198/2006 en (EG) nr. 791/2007 van de Raad en Verordening (EU) nr. 1255/2011 van het Europees Parlement en de Raad (PB L 149 van 20.5.2014, blz. 1)..

(13)  Arrest van 12 december 2002, zaak C-456/00, Frankrijk/Commissie, Jurispr. 2002, blz. I-11949.

(14)  Verordening (EU) nr. 1407/2013 van de Commissie van 18 december 2013 betreffende de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 1).

(15)  Mededeling van de Commissie over de herziening van de methode waarmee de referentie- en disconteringspercentages worden vastgesteld (PB C 14 van 19.1.2008, blz. 6).

(16)  Communautaire richtsnoeren inzake staatssteun ter bevordering van risicokapitaalinvesteringen in kleine en middelgrote ondernemingen (PB C 194 van 18.8.2006, blz. 2).

(17)  Bijv. de mededeling van de Commissie betreffende de toepassing van de artikelen 87 en 88 van het EG-Verdrag op staatssteun in de vorm van garanties (PB C 155 van 20.6.2008, blz. 10).

(18)  Verordening (EU) nr. 1408/2013 van de Commissie van 18 december 2013 inzake de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie op de-minimissteun in de landbouwsector (PB L 352 van 24.12.2013, blz. 9).


BIJLAGE

Nationaal maximum als bedoeld in artikel 3, lid 3

(EUR)

Lidstaat

Maximaal cumulatief bedrag aan de-minimissteun dat per lidstaat in de visserij- en aquacultuursector mag worden verleend

België

11 240 000

Bulgarije

1 270 000

Tsjechië

3 020 000

Denemarken

51 720 000

Duitsland

55 520 000

Estland

3 930 000

Ierland

20 820 000

Griekenland

27 270 000

Spanje

165 840 000

Frankrijk

112 550 000

Kroatië

6 260 000

Italië

96 310 000

Cyprus

1 090 000

Letland

4 450 000

Litouwen

8 320 000

Luxemburg

0

Hongarije

975 000

Malta

2 500 000

Nederland

22 960 000

Oostenrijk

1 510 000

Polen

41 330 000

Portugal

29 200 000

Roemenië

2 460 000

Slovenië

990 000

Slowakije

860 000

Finland

7 450 000

Zweden

18 860 000

Verenigd Koninkrijk

114 780 000


Top