EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0652

Verordening (EU) nr. 652/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad

OJ L 189, 27.6.2014, p. 1–32 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 14/12/2019

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/652/oj

27.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 189/1


VERORDENING (EU) Nr. 652/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 mei 2014

tot vaststelling van bepalingen betreffende het beheer van de uitgaven in verband met de voedselketen, diergezondheid en dierenwelzijn, alsmede in verband met plantgezondheid en teeltmateriaal, tot wijziging van de Richtlijnen 98/56/EG, 2000/29/EG en 2008/90/EG van de Raad, de Verordeningen (EG) nr. 178/2002, (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad, Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG van de Raad

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 43, lid 2, en artikel 168, lid 4, onder b),

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio’s,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Het recht van de Unie omvat voorschriften voor levensmiddelen en diervoeders, alsmede de veiligheid ervan, in alle stadia van de productie, met inbegrip van voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen en consumenten te informeren. Het omvat tevens voorschriften voor de preventie en bestrijding van overdraagbare ziekten bij dieren en van zoönosen, alsmede voorschriften voor dierenwelzijn, dierlijke bijproducten, plantgezondheid en teeltmateriaal, de bescherming van plantenrassen, genetisch gemodificeerde organismen, het in de handel brengen en het gebruik van gewasbeschermingsmiddelen en het duurzaam gebruik van pesticiden. Het recht van de Unie voorziet tevens in officiële controles en andere officiële activiteiten om toe te zien op de doeltreffende uitvoering en de naleving van die voorschriften.

(2)

De algemene doelstelling van het Unierecht op die gebieden is bij te dragen tot een hoog niveau van gezondheid voor mensen, dieren en planten in de hele voedselketen, tot een hoog niveau van bescherming en voorlichting van consumenten en tot een hoog niveau van milieubescherming, terwijl tegelijkertijd het concurrentievermogen en het scheppen van banen worden bevorderd.

(3)

Voor de verwezenlijking van die algemene doelstelling zijn passende financiële middelen nodig. Daarom is het nodig voor de Unie bij te dragen tot de financiering van maatregelen die op de verschillende met die algemene doelstelling samenhangende gebieden worden genomen. Om die middelen doeltreffend te kunnen toewijzen, moeten bovendien specifieke doelstellingen worden vastgesteld, alsmede indicatoren waarmee de verwezenlijking van die doelstellingen kan worden beoordeeld.

(4)

In het verleden heeft de Unie uitgaven in verband met levensmiddelen en diervoeders gefinancierd in de vorm van subsidies, plaatsing van opdrachten en betalingen aan internationale organisaties die op dit terrein werkzaam zijn. Het is aangewezen deze financiering op dezelfde manier voort te zetten.

(5)

De Uniefinanciering kan door de lidstaten ook worden aangewend voor ondersteuning van hun maatregelen op gebied van gezondheid van planten en dieren, ter beheersing, preventie of uitroeiing van plaagorganismen of dierziekten, die worden uitgevoerd door op deze gebieden werkzame organisaties.

(6)

Omwille van de begrotingsdiscipline moet in deze verordening de lijst worden vastgesteld van subsidiabele maatregelen die voor een bijdrage van de Unie in aanmerking kunnen komen, alsook de subsidiabele kosten en toepasselijke percentages.

(7)

Rekening houdend met Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 (3) moet het maximale bedrag voor uitgaven in verband met levensmiddelen en diervoeders 1 891 936 000 EUR bedragen voor de hele periode van 2014 tot 2020.

(8)

Bovendien moet financiering op Unieniveau worden geboden om het hoofd te bieden aan uitzonderlijke omstandigheden, zoals noodsituaties in verband met de gezondheid van dieren en planten, wanneer de kredieten van rubriek 3 van de begroting ontoereikend zijn maar noodmaatregelen nodig zijn. Een financieringsbron moet worden aangesproken om aan dergelijke crises het hoofd te bieden, bijvoorbeeld door een beroep te doen op het flexibiliteitsinstrument, overeenkomstig het Interinstitutioneel Akkoord van 2 december 2013 tussen het Europees Parlement, de Raad en de Commissie betreffende de begrotingsdiscipline, de samenwerking in begrotingszaken en een goed financieel beheer (4).

(9)

Het thans geldende recht kent een vast vergoedingspercentage voor sommige subsidiabele kosten. Voor andere kosten voorziet het recht geen beperking op de vergoeding. Om het systeem te rationaliseren en te vereenvoudigen, moet een vast maximumpercentage voor vergoedingen worden vastgesteld. Het is passend dat percentage vast te stellen op het gebruikelijke niveau voor subsidies. Tevens moet de mogelijkheid worden geboden om dat maximumpercentage in bepaalde omstandigheden te verhogen.

(10)

Gezien het belang van de verwezenlijking van de doelstellingen van deze verordening, moet voor bepaalde acties 100 % van de subsidiabele kosten worden vergoed, op voorwaarde dat de uitvoering van die acties ook niet-subsidiabele kosten meebrengt.

(11)

De Unie heeft tot taak ervoor te zorgen dat de middelen op behoorlijke wijze worden besteed, en maatregelen te nemen om haar uitgavenprogramma’s te vereenvoudigen, zodat de administratieve lasten en de kosten voor de begunstigden van de middelen en alle betrokken actoren, overeenkomstig de mededeling van de Commissie aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s van 8 oktober 2010, getiteld „Slimme regelgeving in de Europese Unie”, afnemen.

(12)

Het recht van de Unie verplicht de lidstaten bepaalde maatregelen te nemen als bepaalde ziekten of zoönosen optreden of zich verspreiden. Daarom moet de Unie voorzien in een financiële bijdrage voor dergelijke noodmaatregelen.

(13)

Tevens moet het aantal uitbraken van dierziekten en zoönosen die een risico voor de gezondheid van mensen en dieren vormen, door middel van passende uitroeiings-, bestrijdings- en monitoringmaatregelen worden beperkt en moeten dergelijke uitbraken worden voorkomen. Daarom moet financiering van de Unie worden verleend voor nationale programma’s voor de uitroeiing, bestrijding en monitoring van die ziekten en zoönosen.

(14)

Omwille van de organisatie en de doelmatigheid van de verstrekking van financiering op het gebied van de gezondheid van dieren en planten, is het passend voorschriften vast te stellen voor de inhoud, indiening, evaluatie en goedkeuring van nationale programma’s, met inbegrip van programma’s die worden uitgevoerd in de ultraperifere gebieden van de Unie als bedoeld in artikel 349 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU). Om dezelfde redenen moeten ook uiterste termijnen voor de verslaglegging en de indiening van betalingsverzoeken worden vastgesteld.

(15)

Krachtens Richtlijn 2000/29/EG van de Raad (5) moeten de lidstaten bepaalde noodmaatregelen nemen om voor planten en plantaardige producten schadelijke organismen („plaagorganismen”) uit te roeien. De Unie moet een financiële bijdrage voor de uitroeiing van die plaagorganismen verlenen. Onder bepaalde voorwaarden moet ook een financiële bijdrage van de Unie beschikbaar zijn voor noodmaatregelen gericht op het inperken van de plaagorganismen die zeer ernstige gevolgen voor de Unie hebben en die in bepaalde gebieden niet kunnen worden uitgeroeid, alsook voor preventiemaatregelen tegen die plaagorganismen.

(16)

Noodmaatregelen tegen plaagorganismen moeten in aanmerking komen voor medefinanciering van de Unie, op voorwaarde dat die maatregelen een toegevoegde waarde voor de hele Unie hebben. Daartoe moet een financiële bijdrage van de Unie beschikbaar worden gesteld voor plaagorganismen die in bijlage I, deel A, rubriek I, en bijlage II, deel A, rubriek I, van Richtlijn 2000/29/EG zijn opgenomen onder het kopje „schadelijke organismen die voor zover bekend in de Unie niet voorkomen en die risico’s opleveren voor de gehele Unie”. Voor plaagorganismen waarvan bekend is dat zij in de Unie voorkomen, moet gelden dat alleen maatregelen tegen de plaagorganismen die zeer ernstige gevolgen voor de Unie hebben in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Unie. Zulke plaagorganismen omvatten met name de plaagorganismen die vallen onder de maatregelen uit hoofde van de richtlijnen van de Raad 69/464/EEG (6), 93/85/EEG (7), 98/57/EG (8) of 2007/33/EG (9). Er moet ook een financiële Uniebijdrage beschikbaar worden gesteld voor die plaagorganismen die niet zijn opgenomen in de lijst van bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG die onder nationale maatregelen vallen en die voorlopig in aanmerking komen voor opname in de lijst van bijlage I, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG of bijlage II, deel A, rubriek I, bij die richtlijn. Maatregelen in verband met plaagorganismen waarvoor noodmaatregelen van de Unie gelden met het oog op uitroeiing ervan, moeten ook voor een financiële bijdrage van de Unie in aanmerking komen.

(17)

De aanwezigheid van bepaalde plaagorganismen moet tijdig worden opgespoord. Onderzoeken naar zulke aanwezigheid die de lidstaten hiertoe uitvoeren zijn essentieel om uitbraken van die plaagorganismen onmiddellijk te kunnen uitroeien. Onderzoeken van individuele lidstaten zijn essentieel om het grondgebied van alle andere lidstaten te beschermen. De Unie kan in het algemeen een bijdrage leveren aan de financiering van die onderzoeken, mits de draagwijdte daarvan ten minste twee van de kritische categorieën van plaagorganismen omvat, namelijk plaagorganismen waarvan niet bekend is dat zij in de Unie voorkomen, en de organismen waarvoor noodmaatregelen van de Unie gelden.

(18)

Uniefinanciering op gebied van gezondheid van plant en dier moet de specifieke subsidiabele kosten dekken. In uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen moeten daardoor ook de kosten worden gedekt die door de lidstaten gemaakt worden bij de uitvoering van andere noodzakelijke maatregelen. Tot zulke maatregelen is bijvoorbeeld de uitvoering van verscherpte bioveiligheidsmaatregelen te rekenen in geval van uitbraak van ziekten of aanwezigheid van plaagorganismen, de vernietiging en het transport van karkassen tijdens uitroeiingsprogramma’s en de kosten van schadeloosstelling van eigenaars als gevolg van noodinentingscampagnes.

(19)

De ultraperifere gebieden van lidstaten ondervinden moeilijkheden door hun afgelegen ligging en hun afhankelijkheid van een klein aantal producten. Het is wenselijk dat de Unie de lidstaten een financiële bijdrage verleent voor programma’s die zij uitvoeren om plaagorganismen in die ultraperifere gebieden te bestrijden overeenkomstig de doelstellingen van Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad (10). Omdat sommige ultraperifere gebieden niet onder de Unieregels vallen van Richtlijn 2000/29/EG, maar in de plaats daarvan onder nationale regels die specifiek voor die gebieden getroffen zijn, moet die financiële bijdrage van Unie op de in die gebieden geldende regels van toepassing zijn, ongeacht of het om Unieregels of nationale regels gaat.

(20)

Officiële controles door de lidstaten zijn een essentieel hulpmiddel om te verifiëren en monitoren of de toepasselijke voorschriften van de Unie worden toegepast, nageleefd en gehandhaafd. Een doeltreffend en doelmatig systeem van officiële controles is cruciaal om een hoog niveau van veiligheid voor mensen, dieren en planten in de hele voedselketen te behouden en tegelijkertijd een hoog niveau van milieubescherming te waarborgen. Voor dergelijke controlemaatregelen moet financiële steun van de Unie beschikbaar worden gesteld. In het bijzonder moet een financiële bijdrage voor de referentielaboratoria van de Unie beschikbaar zijn, teneinde deze laboratoria de kosten als gevolg van de uitvoering van de door de Commissie goedgekeurde werkprogramma’s te helpen dragen. Aangezien de doeltreffendheid van officiële controles ook afhangt van de beschikbaarheid voor de controleautoriteiten van goed opgeleid personeel, met behoorlijke kennis van het recht van de Unie, moet de Unie kunnen bijdragen aan de opleiding van dat personeel en aan relevante uitwisselingsprogramma’s die de bevoegde autoriteiten opzetten.

(21)

Om de officiële controles doelmatig te kunnen beheren, is een snelle uitwisseling van gegevens en informatie op dit gebied vereist. Bovendien is een behoorlijke en geharmoniseerde toepassing van de desbetreffende voorschriften alleen mogelijk als er efficiënte systemen worden ingesteld met betrokkenheid van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. Daarom moeten ook financiële bijdragen kunnen worden verleend voor de oprichting en exploitatie van databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen voor die doeleinden.

(22)

De Unie moet financiering beschikbaar stellen voor de technische, wetenschappelijke, coördinatie- en communicatieactiviteiten die nodig zijn voor een correcte toepassing van het recht van de Unie en voor de aanpassing van het recht aan wetenschappelijke, technologische en maatschappelijke ontwikkelingen. Er moet ook financiering beschikbaar zijn voor projecten ter verbetering van de doeltreffendheid en doelmatigheid van de officiële controles.

(23)

Krachtens artikel 3 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad (11) moeten in elk bij de wetgevende autoriteit ingediend voorstel dat afwijkingen bevat van de bepalingen van die verordening, die afwijkingen worden vermeld en de specifieke redenen worden genoemd die deze afwijkingen rechtvaardigen. Gezien de specifieke aard van enkele doelstellingen van deze verordening en omdat de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in de beste positie verkeren om de met die doelstellingen samenhangende activiteiten uit te voeren, moeten die autoriteiten voor de toepassing van artikel 128, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 worden beschouwd als de kenbaar gemaakte begunstigden. Daarom moet het mogelijk zijn zonder voorafgaande publicatie van oproepen tot het indienen van voorstellen subsidies aan die autoriteiten te verlenen.

(24)

In afwijking van artikel 86 van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 en bij wijze van uitzondering op het beginsel van niet-terugwerkende kracht zoals voorzien in artikel 130 van die verordening, moeten de kosten van noodmaatregelen die onder de artikelen 7 en 17 van deze verordening vallen, vanwege de dringende en onvoorzienbare aard van die maatregelen subsidiabel zijn vanaf de datum waarop de lidstaat een uitbraak van een ziekte of de aanwezigheid van een plaagorganisme aan de Commissie meldt. De Commissie moet de desbetreffende begrotingsvastleggingen en betalingen voor de subsidiabele uitgaven doen nadat de betalingsaanvragen van de lidstaten zijn beoordeeld.

(25)

Het is van het grootste belang dat dergelijke noodmaatregelen onmiddellijk worden uitgevoerd. Daarom zou het contraproductief zijn om kosten die vóór indiening van de subsidieaanvraag zijn gemaakt, van financiering uit te sluiten, aangezien dit in de hand zou werken dat de lidstaten hun onmiddellijke inspanningen richten op de opstelling van een subsidieaanvraag, in plaats van op de uitvoering van noodmaatregelen.

(26)

Gezien de reikwijdte van het geldende recht van de Unie betreffende de uitvoering van uitroeiings- en surveillancemaatregelen en de technische beperkingen ten aanzien van andere beschikbare deskundigheid, moeten de onder deze verordening vallende maatregelen grotendeels door de bevoegde autoriteiten van de lidstaten worden uitgevoerd. Daarom moet in bepaalde gevallen medefinanciering worden verleend voor de loonkosten van het personeel van nationale overheden.

(27)

Programmering maakt coördinatie en prioriteitstelling mogelijk en draagt daardoor bij tot een doeltreffend gebruik van de financiële middelen van de Unie. Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van werkprogramma’s voor de uitvoering van bepaalde maatregelen waarin deze verordening voorziet.

(28)

Om toe te zien op een verantwoord en doeltreffend gebruik van de financiële middelen van de Unie, moet de Commissie door middel van controles ter plaatse of controles van documenten kunnen nagaan of de financiering van de Unie doeltreffend wordt gebruikt voor de uitvoering van subsidiabele maatregelen.

(29)

De financiële belangen van de Unie moeten gedurende de gehele uitgavencyclus worden beschermd, bijvoorbeeld door onregelmatigheden te voorkomen, op te sporen en te onderzoeken en door verloren gegane, ten onrechte betaalde of slecht bestede middelen terug te vorderen.

(30)

De lijst van dierziekten die in aanmerking komen voor financiering in het kader van noodmaatregelen wordt als bijlage aan deze verordening gehecht, en bevat een opsomming van de dierziekten bedoeld in artikel 3, lid 1, artikel 4, lid 1, artikel 6, lid 2, en artikel 14, lid 1, van Beschikking 2009/470/EG van de Raad (12). Om rekening te houden met de dierziekten die overeenkomstig Richtlijn 82/894/EEG van de Raad (13) moeten worden gemeld en met de ziekten die een nieuwe bedreiging voor de Unie kunnen vormen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling van die lijst.

(31)

De lijsten van dierziekten en zoönosen die in aanmerking komen voor financiering in het kader van de uitroeiings-, bestrijdings- en surveillanceprogramma’s worden als bijlage aan deze verordening gehecht en bevatten een opsomming van de dierziekten en zoönosen bedoeld in bijlage I bij Beschikking 2009/470/EG. Om rekening te houden met de situaties die door die dierziekten ontstaan en die aanzienlijke gevolgen voor de veeteelt of handel hebben, de verspreiding van zoönosen die een bedreiging voor mensen vormen, of nieuwe wetenschappelijke of epidemiologische ontwikkelingen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ter aanvulling van die lijsten.

(32)

Wanneer zij gedelegeerde handelingen op grond van deze verordening vaststelt, is het van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(33)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend met betrekking tot de vaststelling van de jaarlijkse en meerjaarlijkse werkprogramma’s, de financiële bijdragen voor noodmaatregelen of voor responsmogelijkheden op onvoorziene ontwikkelingen, de procedures voor indiening van aanvragen door de lidstaten, en verslagen en betalingsverzoeken voor de subsidies. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (14).

(34)

Regelgeving van de Unie moet op zodanige wijze worden toegepast dat de beoogde voordelen worden verwezenlijkt, rekening houdend met de opgedane ervaring. Daarom is het wenselijk dat de Commissie de werking en doeltreffendheid van deze verordening evalueert en de resultaten aan de andere instellingen meedeelt.

(35)

Bij de uitvoering van de onder deze verordening vallende bestaande regels van de Unie wordt de Commissie thans bijgestaan door verscheidene comités, in het bijzonder de comités die zijn ingesteld bij Besluiten 66/399/EEG (15), en 76/894/EEG van de Raad (16), Richtlijnen 98/56/EG (17), en 2008/90/EG van de Raad (18) en Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (19). Het is wenselijk de comitéprocedure op dit gebied te stroomlijnen. Het bij artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde comité dient te worden belast met de taak de Commissie bij te staan bij de uitoefening van haar uitvoeringsbevoegdheden in verband met de uitgaven op de betrokken gebieden, en de naam van dat comité dient te worden veranderd zodat deze aansluit bij de uitgebreidere taken. Bijgevolg moeten de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG worden ingetrokken en moeten de Richtlijnen 98/56/EG en 2008/90/EG en Verordening (EG) nr. 178/2002 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(36)

Deze verordening vervangt de bepalingen van Beschikking 2009/470/EG. Bovendien vervangt deze verordening artikel 13 quater, lid 5, en de artikelen 22 tot en met 26 van Richtlijn 2000/29/EG, artikel 66 van Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad (20), hoofdstuk VII van Verordening (EG) nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad (21), artikel 22 van Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad (22) en artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad (23). Bijgevolg moeten Richtlijn 2000/29/EG, de Verordeningen (EG) nr. 882/2004 en (EG) nr. 396/2005, Richtlijn 2009/128/EG en Verordening (EG) nr. 1107/2009 dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(37)

De invoering van medefinanciering door de Unie van door de lidstaten gemaakte kosten voor compensatie van exploitanten voor de waarde van vernietigde planten, plantaardige producten of andere materialen die vallen onder de in artikel 16 van Richtlijn 2000/29/EG bedoelde maatregelen maakt nodig dat er richtsnoeren worden uitgewerkt voor de vaststelling van de marktwaardebeperkingen van de betrokken gewassen en bomen. Deze medefinanciering kan derhalve pas met ingang van 1 januari 2017 gelden,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

TITEL I

GEMEENSCHAPPELIJKE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I

Onderwerp, toepassingsgebied en definities

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

Deze verordening stelt bepalingen vast betreffende het beheer van de uitgaven uit de algemene begroting van de Europese Unie op de gebieden die vallen onder de regelgeving van de Unie:

a)

betreffende levensmiddelen en voedselveiligheid, in elk stadium van de productie, verwerking, distributie en verwijdering van levensmiddelen, met inbegrip van de voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen, de belangen van de consument te beschermen en consumenten te informeren, alsook betreffende de vervaardiging en het gebruik van materialen en voorwerpen die bestemd zijn om met levensmiddelen in contact te komen;

b)

betreffende diervoeders en de veiligheid van diervoeders, in elk stadium van de productie, verwerking, distributie, verwijdering en gebruik van diervoeders, met inbegrip van de voorschriften om eerlijke handelspraktijken te waarborgen, de belangen van de consument te beschermen en consumenten te informeren;

c)

tot vaststelling van diergezondheidsvoorschriften;

d)

tot vaststelling van dierenwelzijnsvoorschriften;

e)

betreffende beschermende maatregelen tegen voor planten of voor plantaardige producten schadelijke organismen, zoals gedefinieerd in artikel 2, lid 1, onder e), van Richtlijn 2000/29/EG („plaagorganismen”);

f)

betreffende de productie, met het oog op het in de handel brengen, en het in de handel brengen van teeltmateriaal;

g)

tot vaststelling van voorschriften voor het in de handel brengen van gewasbeschermingsmiddelen en het duurzaam gebruik van pesticiden;

h)

gericht op het voorkomen en tot een minimum beperken van de risico’s voor de gezondheid van mensen en dieren als gevolg van dierlijke bijproducten en daarvan afgeleide producten;

i)

betreffende de doelbewuste introductie van genetisch gemodificeerde organismen in het milieu;

j)

betreffende de bescherming van intellectuele-eigendomsrechten in verband met plantenrassen en het behoud en de uitwisseling van plantaardige genetische hulpbronnen.

Artikel 2

Doelstellingen

1.   De in artikel 1 bedoelde uitgaven zijn gericht op de verwezenlijking van:

a)

de algemene doelstelling om in de hele voedselketen, alsook op aanverwante gebieden bij te dragen tot een hoog niveau van gezondheid voor mensen, dieren en planten, door ziekten en plaagorganismen te voorkomen en te bestrijden en door een hoog niveau van bescherming voor consumenten en van het milieu te waarborgen, terwijl tegelijkertijd het concurrentievermogen van de levensmiddelen- en diervoederindustrie van de Unie wordt versterkt en het scheppen van banen wordt bevorderd;

b)

de volgende specifieke doelstellingen:

i)

bijdragen tot een hoog niveau van veiligheid van levensmiddelen en voedselproductiesystemen, alsook van andere producten die van invloed kunnen zijn op de voedselveiligheid, terwijl tegelijkertijd de duurzaamheid van de voedselproductie wordt vergroot;

ii)

bijdragen tot het realiseren van meer diergezondheid in de Unie en de verbetering van het dierenwelzijn ondersteunen;

iii)

bijdragen tot de tijdige opsporing van plaagorganismen en hun uitroeiing in geval van insleep in de Unie;

iv)

bijdragen tot een verbetering van de doeltreffendheid, doelmatigheid en betrouwbaarheid van officiële controles en andere activiteiten die worden uitgevoerd met het oog op de doeltreffende uitvoering en naleving van de in artikel 1 bedoelde regelgeving van de Unie.

2.   De verwezenlijking van de in lid 1, onder b), vermelde specifieke doelstellingen wordt gemeten aan de hand van de volgende indicatoren:

a)

voor de in lid 1, onder b), i), vermelde specifieke doelstelling: een afname van het aantal aan voedselveiligheid of zoönosen gerelateerde ziektegevallen bij mensen in de Unie;

b)

voor de in lid 1, onder b), ii), vermelde specifieke doelstelling:

i)

een toename van het aantal lidstaten of regio’s van lidstaten die vrij zijn van dierziekten in verband waarmee een financiële bijdrage wordt verleend;

ii)

een algemene afname van ziekteparameters als incidentie, prevalentie en aantal uitbraken;

c)

voor de in lid 1, onder b), iii), vermelde specifieke doelstelling:

i)

de dekking van het grondgebied van de Unie met onderzoeken naar plaagorganismen, in het bijzonder plaagorganismen die voor zover bekend niet op het grondgebied van de Unie voorkomen en plaagorganismen die voor het grondgebied van de Unie het gevaarlijkst worden geacht;

ii)

de tijd en het slagingspercentage voor de uitroeiing van die plaagorganismen;

d)

voor de in lid 1, onder b), iv), vermelde specifieke doelstelling: een gunstige tendens in de resultaten van controles voor bijzondere gebieden van zorg, door deskundigen van de Commissie in de lidstaten uitgevoerd en gerapporteerd.

HOOFDSTUK II

Vormen van financiering en algemene financiële bepalingen

Artikel 3

Vormen van financiering

1.   De financiering van de Unie voor de in artikel 1 bedoelde uitgaven wordt uitgevoerd overeenkomstig Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012.

2.   Wanneer subsidies worden toegekend aan de bevoegde instanties van de lidstaten, worden die instanties beschouwd als kenbaar gemaakte begunstigden in de zin van artikel 128, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012. Dergelijke subsidies mogen worden verleend zonder oproep tot het indienen van voorstellen.

3.   De financiële bijdrage van de Unie voor de in deze verordening bedoelde maatregelen kan ook worden verleend in de vorm van vrijwillige betalingen aan internationale organisaties die werkzaam zijn op de gebieden die onder de in artikel 1 bedoelde regelgeving vallen en waarvan de Unie lid is of aan de werkzaamheden waaraan de Unie deelneemt.

Artikel 4

Begroting

1.   Het plafond voor de uitgaven bedoeld in artikel 1 voor de periode van 2014 tot en met 2020 bedraagt 1 891 936 000 EUR in lopende prijzen.

2.   Het in artikel 1 bedoelde plafond kan ook uitgaven dekken die betrekking hebben op activiteiten op het gebied van voorbereiding, monitoring, controle, audit en evaluatie, die nodig zijn voor het beheer van de in artikel 1 bedoelde uitgaven en de verwezenlijking van de doelstellingen ervan, in het bijzonder betreffende studies en vergaderingen van deskundigen, de uitgaven voor IT-netwerken waarbij de nadruk ligt op informatieverwerking en -uitwisseling, en alle andere kosten voor technische en administratieve bijstand die de Commissie voor het beheer van die uitgaven maakt.

3.   Het plafond kan ook de kosten voor technische en administratieve bijstand dekken die gemaakt moeten worden met het oog op de overgang van acties die voor de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld naar acties die na de inwerkingtreding van deze verordening zijn vastgesteld. Indien nodig kunnen in de begroting voor de jaren na 2020 kredieten worden opgenomen om vergelijkbare uitgaven te dekken, zodat maatregelen die per 31 december 2020 nog niet zijn voltooid verder kunnen worden beheerd.

Artikel 5

Maximumpercentages van subsidies

1.   Wanneer de financiële bijdrage van de Unie de vorm van een subsidie aanneemt, bedraagt deze niet meer dan 50 % van de subsidiabele kosten.

2.   Het in lid 1 bedoelde maximumpercentage kan tot 75 % van de subsidiabele kosten worden verhoogd ten aanzien van:

a)

grensoverschrijdende activiteiten die door twee of meer lidstaten gezamenlijk ten uitvoer worden gelegd met het oog op de bestrijding, voorkoming of uitroeiing van plaagorganismen of dierziekten;

b)

lidstaten waarvan het bruto nationaal inkomen per inwoner volgens de meest recente gegevens van Eurostat lager is dan 90 % van het gemiddelde van de Unie.

3.   Het in lid 1 bedoeld maximumpercentage kan tot 100 % van de subsidiabele kosten worden verhoogd wanneer de activiteiten waarvoor de bijdrage van de Unie wordt verleend betrekking hebben op de preventie en bestrijding van ernstige risico’s voor de gezondheid van mensen, dieren en planten in de Unie, en:

a)

bedoeld zijn om menselijke slachtoffers of grote economische ontwrichtingen voor de Unie als geheel te voorkomen;

b)

specifieke taken zijn die onontbeerlijk voor de Unie als geheel zijn, zoals door de Commissie is aangegeven in het overeenkomstig artikel 36, lid 1, vastgestelde werkprogramma, of

c)

in derde landen ten uitvoer worden gelegd.

TITEL II

FINANCIËLE BEPALINGEN

HOOFDSTUK I

Gezondheid van dieren

Afdeling 1

Noodmaatregelen

Artikel 6

Subsidiabele maatregelen

1.   Ingevolge de bevestiging dat een van de ingevolge artikel 7 in een lijst opgenomen dierziekten zich heeft voorgedaan, kunnen, tot de in artikel 5, leden 1 tot 3, vastgestelde maximumpercentages, aan lidstaten subsidies voor de genomen maatregelen worden toegekend, op voorwaarde dat de maatregelen onmiddellijk zijn toegepast en dat de toepasselijke bepalingen van het desbetreffende recht van de Unie zijn nageleefd. Dergelijke subsidies kunnen ook kosten omvatten die werden gemaakt ingevolge het zich vermoedelijk voordoen van zulke ziekte, mits het zich voordoen van de ziekte naderhand is bevestigd.

2.   Na de bevestiging dat een van de ingevolge artikel 7 in een lijst opgenomen dierziekten zich voordoet, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend als twee of meer lidstaten nauw samenwerken om de epidemie te bestrijden.

3.   Wanneer de gezondheidsstatus van de Unie rechtstreeks in gevaar komt doordat een van de ingevolge artikel 7 of artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen zich voordoet of zich verspreidt op het grondgebied van een derde land of een lidstaat, kunnen subsidies voor beschermende maatregelen worden toegekend aan lidstaten, derde landen en internationale organisaties.

4.   Wanneer de Commissie op verzoek van een lidstaat besluit dat lidstaten voorraden biologische producten moeten aanleggen voor de bestrijding van de ingevolge artikel 7 of artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend.

5.   Wanneer het optreden of de verspreiding van een van de ingevolge artikel 7 of artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen in een derde land of in een lidstaat een bedreiging voor de Unie kan vormen, kan een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor het aanleggen van voorraden biologische producten of de aankoop van vaccindoses.

Artikel 7

Lijst van dierziekten

1.   De lijst van dierziekten in verband waarmee uit hoofde van artikel 6 financiering kan worden verleend, is opgenomen in bijlage I.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 40 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter aanvulling van de in lid 1 bedoelde lijst van dierziekten, waarbij zij rekening houdt met de dierziekten die overeenkomstig Richtlijn 82/894/EEG moeten worden gemeld en met de ziekten die waarschijnlijk een nieuwe bedreiging voor de Unie vormen omdat zij aanzienlijke gevolgen hebben voor:

a)

de menselijke gezondheid;

b)

de gezondheid of het welzijn van dieren, of

c)

de landbouw- of aquacultuurproductie of aanverwante sectoren van de economie.

Artikel 8

Subsidiabele kosten

1.   De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de in artikel 6, lid 1, bedoelde maatregelen maken, kunnen in aanmerking komen voor financiering uit hoofde van dat lid:

a)

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun geslachte of geruimde dieren, beperkt tot de marktwaarde van dergelijke dieren als zij niet door de ziekte waren getroffen;

b)

kosten voor het slachten of ruimen van de dieren en de daaraan gerelateerde transportkosten;

c)

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun vernietigde producten van dierlijke oorsprong, beperkt tot de marktwaarde van die producten onmiddellijk voordat een vermoeden van de ziekte ontstond of werd bevestigd;

d)

kosten voor de reiniging, desinsectie en ontsmetting van het bedrijf en de apparatuur, op basis van de epidemiologie en de eigenschappen van de ziekteverwekker;

e)

kosten voor het vervoer en de destructie van besmet diervoeder en, voor zover dat niet kan worden ontsmet, van besmette apparatuur;

f)

kosten voor de aankoop, opslag, toediening of distributie van vaccins en aasvaccins, alsook de kosten voor de inoculatie zelf, als de Commissie daartoe besluit of dat toestaat;

g)

kosten voor het vervoer en de verwijdering van kadavers;

h)

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: eventuele overige kosten die essentieel zijn voor de uitroeiing van de ziekte, overeenkomstig het in artikel 36, lid 4, van deze verordening bedoelde financieringsbesluit.

2.   Zoals bedoeld in artikel 130, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, zijn kosten subsidiabel vanaf de datum waarop de lidstaten de Commissie melden dat de ziekte zich voordoet. Dergelijke kosten kunnen ook kosten omvatten die reeds waren gemaakt ingevolge het zich vermoedelijk voordien van zulke ziekte, mits het zich voordoen van de ziekte naderhand is bevestigd.

3.   Nadat de betalingsaanvragen van de lidstaten zijn beoordeeld, doet de Commissie de desbetreffende begrotingsvastleggingen en betaalt ze de subsidiabele uitgaven.

Afdeling 2

Programma’s voor de uitroeiing, bestrijding en surveillance van dierziekten en zoönosen

Artikel 9

Subsidiabele programma’s

Er kunnen subsidies worden verleend voor de jaarlijkse of meerjarige nationale programma’s van lidstaten voor de uitroeiing, bestrijding en surveillance van de krachtens artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen („nationale programma’s”).

Artikel 10

Lijst van dierziekten en zoönosen

1.   De lijst van dierziekten en zoönosen in verband waarmee uit hoofde van artikel 9 subsidies kunnen worden verleend is opgenomen in bijlage II.

2.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 40 gedelegeerde handelingen vast te stellen om de lijsten van dierziekten en zoönosen bedoeld in lid 1 van dit artikel aan te vullen, waarbij zij rekening houdt met:

a)

de situatie van dierziekten die aanzienlijke gevolgen voor de veeteelt of handel hebben;

b)

de verspreiding van zoönosen die een bedreiging voor mensen vormen, of

c)

nieuwe wetenschappelijke of epidemiologische ontwikkelingen.

Artikel 11

Subsidiabele kosten

De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de nationale programma’s maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring uit hoofde van artikel 9:

a)

kosten voor de bemonstering van dieren;

b)

kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:

i)

kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van die tests worden gebruikt;

ii)

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van het personeel;

c)

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun geslachte of geruimde dieren, beperkt tot de marktwaarde van dergelijke dieren als zij niet door de ziekte waren getroffen;

d)

kosten voor het slachten of ruimen van de dieren;

e)

kosten voor de compensatie van eigenaars voor de waarde van hun vernietigde producten van dierlijke oorsprong, beperkt tot de marktwaarde van die producten onmiddellijk voordat een vermoeden van de ziekte ontstond of werd bevestigd;

f)

kosten voor de aankoop, opslag, inoculatie, toediening of distributie van voor de programma’s gebruikte vaccindoses of aasvaccins;

g)

kosten voor de reiniging, ontsmetting en desinsectie van het bedrijf en de apparatuur, op basis van de epidemiologie en de eigenschappen van de ziekteverwekker, en

h)

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) tot en met g) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 13, leden 3 en 4, bedoelde subsidiebesluit.

Voor de toepassing van punt c) van de eerste alinea wordt de eventuele restwaarde van de dieren van de vergoeding afgetrokken.

Voor de toepassing van punt d) van de eerste alinea wordt de eventuele restwaarde van niet-uitgebroede eieren die een warmtebehandeling hebben ondergaan, van de vergoeding afgetrokken.

Artikel 12

Inhoud en indiening van de nationale programma’s

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de nationale programma’s in die het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.

Na 31 mei ingediende nationale programma’s komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.

2.   De nationale programma’s omvatten ten minste het volgende:

a)

een beschrijving van de epidemiologische situatie van de dierziekte of zoönose voor de begindatum van het programma;

b)

een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma zal worden uitgevoerd;

c)

de looptijd van het programma;

d)

de uit te voeren maatregelen;

e)

het geraamde budget;

f)

de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en

g)

geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.

In elk meerjarig nationaal programma wordt de onder b), d), en f) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder e) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.

3.   Indien het uitbreken of de verspreiding van een van de krachtens artikel 10 in een lijst opgenomen dierziekten en zoönosen waarschijnlijk een bedreiging voor de gezondheidsstatus van de Unie inhoudt, kunnen de lidstaten, om de Unie tegen de insleep van een van die ziekten of zoönosen te beschermen, in hun nationale programma’s maatregelen opnemen die in samenwerking met de autoriteiten van aangrenzende derde landen op het grondgebied van die landen zullen worden uitgevoerd.

Artikel 13

Evaluatie en goedkeuring van de nationale programma’s

1.   De Commissie evalueert de nationale programma’s en houdt daarbij rekening met de prioriteiten en criteria die worden vastgesteld in de in artikel 36, lid 1, bedoelde jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s.

2.   De Commissie maakt uiterlijk op 30 november van elk jaar het volgende aan de lidstaten bekend:

a)

de lijst van nationale programma’s die technisch zijn goedgekeurd en voor medefinanciering worden voorgedragen;

b)

het voorlopige bedrag dat aan elk programma wordt toegewezen;

c)

het voorlopige maximum van de financiële bijdrage van de Unie voor elk programma, en

d)

eventuele voorlopige voorwaarden die aan de financiële bijdrage van de Unie kunnen worden verbonden;

3.   De Commissie keurt de jaarlijkse nationale programma’s en de financiering ervan elk jaar uiterlijk op 31 januari goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari en 31 december van dat jaar uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten. Na indiening van de tussentijdse verslagen als bedoeld in artikel 14 kan de Commissie die besluiten zo nodig wijzigen voor de hele subsidiabiliteitsperiode.

4.   De Commissie keurt de meerjarige nationale programma’s en de financiering ervan uiterlijk op 31 januari van het eerste uitvoeringsjaar goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari van het eerste uitvoeringsjaar en het eind van de uitvoeringsperiode uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten.

5.   Bij goedkeuring van meerjarige nationale programma’s overeenkomstig lid 4 kunnen de begrotingsvastleggingen in jaartranches worden verdeeld. Wanneer de vastleggingen zo worden verdeeld, legt de Commissie de jaartranches vast en houdt ze daarbij rekening met de voortgang van de programma’s, de geschatte behoeften en het beschikbare budget.

Artikel 14

Verslaglegging

Voor elk goedgekeurd jaarlijks of meerjarig nationaal programma dienen de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een uitvoerig technisch en financieel jaarverslag over het voorgaande jaar bij de Commissie in. Dat verslag vermeldt de bereikte resultaten, gemeten aan de hand van de in artikel 12, lid 2, onder g), bedoelde indicatoren, en een gedetailleerd overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten.

Daarnaast dienen de lidstaten voor elk goedgekeurd jaarlijks nationaal programma jaarlijks uiterlijk op 31 augustus een tussentijds financieel verslag in.

Artikel 15

Betalingen

Het betalingsverzoek voor een nationaal programma voor een bepaald jaar wordt uiterlijk op 30 april van het volgende jaar door de lidstaat bij de Commissie ingediend.

De Commissie betaalt de financiële bijdrage van de Unie voor de subsidiabele kosten na behoorlijke verificatie van de in artikel 14 bedoelde verslagen.

HOOFDSTUK II

Gezondheid van planten

Afdeling 1

Noodmaatregelen

Artikel 16

Subsidiabele maatregelen

1.   Aan lidstaten kunnen, tot de in artikel 5, leden 1 tot 3, vastgestelde maximumpercentages, subsidies voor de volgende maatregelen tegen plaagorganismen worden toegekend onder de in artikel 17 bepaalde voorwaarden:

a)

maatregelen om een plaagorganisme in een besmet gebied uit te roeien, genomen door de bevoegde autoriteiten op grond van artikel 16, leden 1 en 2, van Richtlijn 2000/29/EG of op grond van de overeenkomstig artikel 16, lid 3, van die richtlijn vastgestelde maatregelen van de Unie;

b)

maatregelen om een plaagorganisme in te perken waartegen op grond van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG inperkingsmaatregelen van de Unie zijn genomen, in een besmet gebied waar dat plaagorganisme niet kan worden uitgeroeid, indien die maatregelen essentieel zijn om de Unie tegen verdere verspreiding van het plaagorganisme te beschermen. Als vastgesteld is dat het plaagorganisme in de bufferzone aanwezig is, betreffen die maatregelen uitsluitend de uitroeiing van dat plaagorganisme in die bufferzone;

c)

aanvullende beschermende maatregelen tegen de verspreiding van een plaagorganisme waartegen op grond van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG andere maatregelen van de Unie zijn genomen dan de onder a) bedoelde uitroeiingsmaatregelen en de onder b) bedoelde inperkingsmaatregelen, indien die maatregelen essentieel zijn om de Unie tegen verdere verspreiding van dat plaagorganisme te beschermen.

Er mogen ook subsidies worden toegekend voor de onder a) en b) van de eerste alinea bedoelde maatregelen die zijn getroffen ingevolge de vermoedelijke aanwezigheid van dergelijk plaagorganisme, mits die aanwezigheid naderhand is bevestigd.

2.   Wanneer op het grondgebied van een lidstaat de in lid 1 bedoelde plaagorganismen niet aanwezig zijn, maar in die lidstaat toch maatregelen tegen de insleep ervan zijn genomen omdat de plaagorganismen in een aangrenzende lidstaat of een aangrenzend derde land voorkomen, kunnen de in lid 1 bedoelde subsidies ook aan een dergelijke lidstaat worden toegekend.

3.   Na de bevestiging dat een van de in artikel 17 bedoelde plaagorganismen aanwezig is, kunnen subsidies aan lidstaten worden toegekend als twee of meer lidstaten nauw samenwerken om de maatregelen bedoeld in lid 1 uit te voeren.

4.   Ook aan internationale organisaties mogen subsidies worden toegekend voor de in lid 1, eerste alinea, onder a) tot en met c), bedoelde maatregelen.

Artikel 17

Voorwaarden

De in artikel 16 bedoelde maatregelen kunnen voor subsidies in aanmerking komen op voorwaarde dat zij onmiddellijk zijn toegepast, dat de toepasselijke bepalingen van de desbetreffende wetgeving van de Unie zijn nageleefd en dat de maatregelen aan een of meer van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij betreffen plaagorganismen die vermeld zijn in de lijst van bijlage I, deel A, rubriek I, en van bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG;

b)

zij betreffen plaagorganismen die vallen onder een maatregel die de Commissie krachtens artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG heeft vastgesteld.

c)

zij betreffen plaagorganismen waarvoor maatregelen zijn vastgesteld op grond van de Richtlijnen 69/464/EEG, 93/85/EEG, 98/57/EG of 2007/33/EG, of

d)

zij betreffen plaagorganismen, niet vermeld in de lijst in bijlage I of bijlage II bij Richtlijn 2000/29/EG, die onder een maatregel vallen die de bevoegde autoriteit van een lidstaat krachtens artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/29/EG heeft vastgesteld, en die voorlopig in aanmerking komen voor opname in de lijst van bijlage I, deel A, rubriek I, of van bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG.

Als de maatregelen aan de voorwaarde van punt b) van de eerste alinea voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de maatregel die de Commissie krachtens artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG heeft vastgesteld.

Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van punt d) van de eerste alinea voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die later zijn gemaakt dan twee jaar na de inwerkingtreding van de maatregel die de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat heeft vastgesteld of die na het verstrijken van die maatregel zijn gemaakt.

Artikel 18

Subsidiabele kosten

1.   De volgende kosten die lidstaten bij de uitvoering van de in artikel 16 bedoelde maatregelen maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidies uit hoofde van dat artikel:

a)

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de maatregelen, ongeacht de status van het personeel, en kosten voor de huur van apparatuur, voor verbruiksgoederen en voor andere noodzakelijke materialen, voor behandelingsproducten, voor bemonstering en voor laboratoriumtests;

b)

kosten voor dienstencontracten met derden voor de uitvoering van een deel van de maatregelen;

c)

kosten voor het compenseren van de betrokken exploitanten of eigenaars voor de behandeling, vernietiging en daaropvolgende verwijdering van planten, van plantaardige producten en van andere materialen, alsmede voor de reiniging en ontsmetting van bedrijfsgebouwen, grond, water, bodem, groeimedia, faciliteiten, machines en apparatuur;

d)

kosten voor het compenseren van de betrokken eigenaars voor de waarde van de vernietigde planten, plantaardige producten en andere materialen die onder de in artikel 16 van Richtlijn 2000/29/EG bedoelde maatregelen vallen, beperkt tot de marktwaarde van dergelijke planten, plantaardige producten en andere materialen als zij niet door de ziekte waren getroffen; de eventuele restwaarde wordt van de vergoeding afgetrokken, en

e)

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) tot en met d) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 36, lid 4, bedoelde financieringsbesluit.

De onder c) bedoelde compensatie voor eigenaars komt alleen voor subsidie in aanmerking als de maatregelen onder toezicht van de bevoegde autoriteit zijn uitgevoerd.

2.   Zoals bedoeld in artikel 130, lid 1, van Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012, zijn kosten subsidiabel vanaf de datum waarop de lidstaten de Commissie melden dat het plaagorganisme aanwezig is. Dergelijke kosten kunnen ook kosten omvatten die zijn gemaakt ingevolge de vermoedelijke aanwezigheid van dat plaagorganisme, mits die aanwezigheid naderhand is bevestigd.

3.   Nadat de betalingsaanvragen van de lidstaten zijn beoordeeld, doet de Commissie de desbetreffende begrotingsvastleggingen en betalingen voor de subsidiabele uitgaven.

Afdeling 2

Programma’s voor onderzoek naar de aanwezigheid van plaagorganismen

Artikel 19

Subsidiabele programma’s voor onderzoek

Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor door hen uitgevoerde jaarlijkse of meerjarige nationale programma’s voor onderzoek naar de aanwezigheid van plaagorganismen („programma’s voor onderzoek”), op voorwaarde dat die programma’s voor onderzoek aan ten minste een van de volgende voorwaarden voldoen:

a)

zij betreffen plaagorganismen die vermeld zijn in de lijst van bijlage I, deel A, rubriek I, en van bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG;

b)

zij betreffen plaagorganismen die vallen onder een maatregel die de Commissie krachtens artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG heeft vastgesteld.

De programma’s voor onderzoek naar de in punt a) van de eerste alinea van dit artikel bedoelde plaagorganismen worden gebaseerd op een beoordeling van het risico van de insleep, vestiging en verspreiding van die plaagorganismen op het grondgebied van de betrokken lidstaat en moeten ten minste betrekking hebben op de plaagorganismen die de grootste risico’s opleveren en de voornaamste plantensoorten die aan die risico’s blootstaan.

Voor de maatregelen die aan de voorwaarde van punt b) van de eerste alinea van dit artikel voldoen, mag de subsidie geen betrekking hebben op kosten die zijn gemaakt na het verstrijken van de maatregel die de Commissie krachtens artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG heeft vastgesteld.

Artikel 20

Subsidiabele kosten

De volgende kosten die de lidstaten bij de uitvoering van de in artikel 19 bedoelde programma’s voor onderzoek maken, kunnen in aanmerking komen voor subsidies uit hoofde van dat artikel:

a)

bemonsteringskosten;

b)

kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:

i)

kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van de tests worden gebruikt;

ii)

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van dat personeel;

c)

in uitzonderlijke en naar behoren gemotiveerde gevallen: kosten die gemaakt worden bij de uitvoering van andere dan de onder a) en b) bedoelde maatregelen die noodzakelijk blijken, op voorwaarde dat die maatregelen vermeld zijn in het in artikel 22, leden 3 en 4, bedoelde subsidiebesluit.

Artikel 21

Inhoud en indiening van de programma’s voor onderzoek

1.   De lidstaten dienen uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de programma’s voor onderzoek in die in het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.

Na 31 mei ingediende programma’s voor onderzoek komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.

2.   De programma’s voor onderzoek omvatten ten minste het volgende:

a)

de plaagorganismen waarop het programma betrekking heeft;

b)

een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma wordt uitgevoerd en een beschrijving van de status van die gebieden in verband met de aanwezigheid van de betrokken plaagorganismen;

c)

de looptijd van het programma;

d)

het aantal geplande visuele onderzoeken, monsters en tests voor de plaagorganismen en de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen;

e)

het geraamde budget;

f)

de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en

g)

geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.

In elk meerjarig programma voor onderzoek wordt de onder b), d), en f) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder e) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.

Artikel 22

Evaluatie en goedkeuring van de programma’s voor onderzoek

1.   De Commissie evalueert de programma’s voor onderzoek en houdt daarbij rekening met de prioriteiten en criteria die worden vastgesteld in de in artikel 36, lid 1, bedoelde jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s.

2.   De Commissie maakt uiterlijk op 30 november van elk jaar het volgende aan de lidstaten bekend:

a)

de lijst van programma’s voor onderzoek die technisch zijn goedgekeurd en voor medefinanciering worden voorgedragen;

b)

het voorlopige bedrag dat aan elk programma wordt toegewezen;

c)

het voorlopige maximum van de financiële bijdrage van de Unie voor elk programma, en

d)

eventuele voorlopige voorwaarden die aan de financiële bijdrage van de Unie kunnen worden verbonden.

3.   De Commissie keurt de jaarlijkse programma’s voor onderzoek en de financiering ervan elk jaar uiterlijk op 31 januari goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari en 31 december van dat jaar uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten. Na indiening van de tussentijdse verslagen als bedoeld in artikel 23 kan de Commissie die besluiten zo nodig wijzigen voor de hele subsidiabiliteitsperiode.

4.   De Commissie keurt de meerjarige programma’s voor onderzoek en de financiering ervan uiterlijk op 31 januari van het eerste uitvoeringsjaar goed door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari van het eerste uitvoeringsjaar en het eind van de uitvoeringsperiode uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten.

5.   Bij goedkeuring van meerjarige programma’s voor onderzoek overeenkomstig lid 4 kunnen de begrotingsvastleggingen in jaartranches worden verdeeld. Wanneer de vastleggingen zo worden verdeeld, legt de Commissie de jaartranches vast en houdt ze daarbij rekening met de voortgang van de programma’s, de geschatte behoeften en het beschikbare budget.

Artikel 23

Verslaglegging

Voor elk goedgekeurd jaarlijks of meerjarig programma voor onderzoek dienen de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een uitvoerig technisch en financieel jaarverslag over het voorgaande jaar bij de Commissie in. Dat verslag vermeldt de bereikte resultaten, gemeten aan de hand van de in artikel 21, lid 2, onder g), bedoelde indicatoren, en een gedetailleerd overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten.

Daarnaast dienen de lidstaten voor elk goedgekeurd jaarlijks programma voor onderzoek jaarlijks uiterlijk op 31 augustus bij de Commissie een tussentijds financieel verslag in.

Artikel 24

Betalingen

Het betalingsverzoek voor een programma voor onderzoek voor een bepaald jaar wordt uiterlijk op 30 april van het volgende jaar door de lidstaat bij de Commissie ingediend.

De Commissie betaalt de financiële bijdrage van de Unie voor de subsidiabele kosten na behoorlijke verificatie van de in artikel 23 bedoelde verslagen.

Afdeling 3

Programma’s betreffende de bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie

Artikel 25

Subsidiabele maatregelen en subsidiabele kosten

1.   Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor door hen uitgevoerde programma’s ter bestrijding van plaagorganismen in de ultraperifere gebieden van de Unie zoals vermeld in artikel 349 VWEU overeenkomstig de in artikel 2 van Verordening (EU) nr. 228/2013 vastgestelde doelstellingen („programma’s voor de ultraperifere gebieden”). Die subsidies betreffen activiteiten die nodig zijn om te waarborgen dat in die gebieden de toepasselijke Unie- dan wel nationale voorschriften voor de bestrijding van plaagorganismen correct worden toegepast.

2.   De volgende kosten die lidstaten voor programma’s voor de ultraperifere gebieden maken, kunnen in aanmerking komen voor een financiële bijdrage van de Unie:

a)

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de maatregelen, ongeacht de status van dat personeel, alsook kosten voor de huur van apparatuur, voor verbruiksgoederen en voor behandelingsproducten;

b)

kosten voor dienstencontracten met derden voor de uitvoering van een deel van de maatregelen;

c)

bemonsteringskosten;

d)

kosten voor tests, mits deze beperkt zijn tot:

i)

kosten voor testkits, reagentia en verbruiksgoederen die identificeerbaar zijn en specifiek voor de uitvoering van de tests worden gebruikt;

ii)

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de uitvoering van de tests, ongeacht de status van dat personeel.

Artikel 26

Inhoud en indiening van de programma’s voor de ultraperifere gebieden

1.   De lidstaten dienen jaarlijks uiterlijk op 31 mei bij de Commissie de programma’s voor de ultraperifere gebieden in die in het volgende jaar beginnen en waarvoor zij een subsidie wensen aan te vragen.

Na 31 mei ingediende programma’s voor de ultraperifere gebieden komen met betrekking tot het volgende jaar niet in aanmerking voor financiering.

2.   De programma’s voor de ultraperifere gebieden omvatten ten minste het volgende:

a)

de plaagorganismen waarop het programma betrekking heeft;

b)

een beschrijving en afbakening van de geografische en bestuurlijke gebieden waar het programma wordt uitgevoerd en een beschrijving van de status van die gebieden in verband met de aanwezigheid van de betrokken plaagorganismen;

c)

een technische analyse van de fytosanitaire situatie in het gebied;

d)

de looptijd van het programma;

e)

de in het programma opgenomen activiteiten en, in voorkomend geval, het aantal geplande visuele onderzoeken, monsters en tests voor de plaagorganismen en de betrokken planten, plantaardige producten en andere materialen;

f)

het geraamde budget;

g)

de streefdoelen die op de einddatum van het programma moeten zijn bereikt en de verwachte baten ervan, en

h)

geschikte indicatoren om te meten in hoeverre de streefdoelen van het programma zijn gehaald.

In elk meerjarig programma voor de ultraperifere gebieden wordt de onder b), e), en g) van de eerste alinea bedoelde informatie gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft indien sprake is van significante veranderingen ten opzichte van het voorafgaande jaar. De onder f) van die alinea bedoelde informatie wordt gegeven voor elk jaar waarop het programma betrekking heeft.

Artikel 27

Evaluatie en goedkeuring van de programma’s voor de ultraperifere gebieden

1.   Bij de evaluatie van de programma’s voor de ultraperifere gebieden wordt rekening gehouden met de prioriteiten en criteria die worden vastgesteld in de in artikel 36, lid 1, bedoelde jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s.

2.   De Commissie maakt uiterlijk op 30 november van elk jaar het volgende aan de lidstaten bekend:

a)

de lijst van programma’s voor de ultraperifere gebieden die technisch zijn goedgekeurd en voor medefinanciering worden voorgedragen;

b)

het voorlopige bedrag dat aan elk programma wordt toegewezen;

c)

het voorlopige maximum van de financiële bijdrage van de Unie voor elk programma, en

d)

eventuele voorlopige voorwaarden die aan de financiële bijdrage van de Unie kunnen worden verbonden.

3.   Jaarlijkse programma’s voor de ultraperifere gebieden en de financiering ervan worden elk jaar uiterlijk op 31 januari goedgekeurd door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari en 31 december van dat jaar uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten. Na indiening van de tussentijdse verslagen als bedoeld in artikel 28 kan de Commissie die besluiten zo nodig wijzigen voor de hele subsidiabiliteitsperiode.

4.   Meerjarige programma’s voor de ultraperifere gebieden en de financiering ervan worden uiterlijk op 31 januari van het eerste uitvoeringsjaar goedgekeurd door middel van een subsidiebesluit betreffende de tussen 1 januari van het eerste uitvoeringsjaar en het eind van de uitvoeringsperiode uitgevoerde maatregelen en gemaakte kosten.

5.   Bij goedkeuring van meerjarige programma’s voor de ultraperifere gebieden overeenkomstig lid 4 kunnen de begrotingsvastleggingen in jaartranches worden verdeeld. Wanneer de vastleggingen zo worden verdeeld, legt de Commissie de jaartranches vast en houdt ze daarbij rekening met de voortgang van de programma’s, de geschatte behoeften en het beschikbare budget.

Artikel 28

Verslaglegging

Voor elk goedgekeurd jaarlijks of meerjarig programma voor de ultraperifere gebieden dienen de lidstaten jaarlijks uiterlijk op 30 april een uitvoerig technisch en financieel jaarverslag over het voorgaande jaar bij de Commissie in. Dat verslag omvat de bereikte resultaten, gemeten aan de hand van de in artikel 26, lid 2, eerste alinea, onder h), bedoelde indicatoren, en een gedetailleerd overzicht van de gemaakte subsidiabele kosten.

Daarnaast dienen de lidstaten voor elk goedgekeurd jaarprogramma voor de ultraperifere gebieden ieder jaar uiterlijk op 31 augustus bij de Commissie een tussentijds financieel verslag in.

Artikel 29

Betalingen

Het betalingsverzoek voor een programma voor de ultraperifere gebieden voor een bepaald jaar wordt uiterlijk op 30 april van het volgende jaar door de lidstaat bij de Commissie ingediend.

De Commissie betaalt de financiële bijdrage van de Unie voor de subsidiabele kosten na behoorlijke verificatie van de in artikel 28 bedoelde verslagen.

HOOFDSTUK III

Financiële steun aan officiële controles en andere activiteiten

Artikel 30

Referentielaboratoria van de Europese Unie

1.   Er kunnen subsidies aan de in artikel 32 van Verordening (EG) nr. 882/2004 bedoelde referentielaboratoria van de Europese Unie worden verleend voor de kosten die zij maken bij de uitvoering van de door de Commissie goedgekeurde werkprogramma’s.

2.   De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor subsidiëring uit hoofde van lid 1:

a)

kosten voor personeel dat rechtstreeks betrokken is bij de activiteiten van de laboratoria die zij in hun hoedanigheid van referentielaboratorium van de Unie uitvoeren, ongeacht de status van dat personeel;

b)

kosten voor kapitaalgoederen;

c)

kosten voor verbruiksgoederen;

d)

kosten voor de verzending van monsters, dienstreizen, vergaderingen en opleidingsactiviteiten.

Artikel 31

Opleiding

1.   De Unie kan financiering verlenen voor de in artikel 51 van Verordening (EG) nr. 882/2004 bedoelde opleiding van het personeel van de bevoegde autoriteiten dat belast is met officiële controles, teneinde een geharmoniseerde aanpak van de officiële controles en andere officiële activiteiten te ontwikkelen om een hoog niveau van bescherming van de gezondheid van mensen, dieren en planten te waarborgen.

2.   De Commissie ontwikkelt opleidingsprogramma’s voor het bepalen van de prioriteiten voor ingrijpen op basis van de vastgestelde risico’s voor de volksgezondheid, de diergezondheid en het dierenwelzijn en de plantgezondheid.

3.   Om voor de in lid 1 bedoelde financiering door de Unie in aanmerking te komen, zorgen de bevoegde autoriteiten ervoor dat de kennis die met de in dat lid bedoelde opleidingsactiviteiten wordt opgedaan, waar nodig wordt verspreid en op passende wijze wordt gebruikt in de nationale opleidingsprogramma’s.

4.   De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor de in lid 1 bedoelde financiële bijdrage:

a)

kosten voor de organisatie van de opleiding, met inbegrip van opleiding die openstaat voor deelnemers uit derde landen, of voor uitwisselingsactiviteiten;

b)

reis-, en verblijfskosten van en dagvergoedingen voor het personeel van de bevoegde autoriteiten dat aan de opleiding deelneemt.

Artikel 32

Deskundigen uit de lidstaten

Er kan een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor de reis- en verblijfskosten en dagvergoedingen die deskundigen van de lidstaten maken doordat zij door de Commissie zijn aangewezen om haar deskundigen bij te staan, overeenkomstig artikel 45, lid 1, en artikel 46, lid 1, van Verordening (EG) nr. 882/2004.

Artikel 33

Gecoördineerde controleplannen en gegevensverzameling

1.   Er kunnen subsidies aan lidstaten worden verleend voor kosten die zij maken voor de uitvoering van de in artikel 53 van Verordening (EG) nr. 882/2004 bedoelde gecoördineerde controleplannen en voor gegevensverzameling.

2.   De volgende kosten kunnen in aanmerking komen voor zulke subsidies:

a)

kosten voor bemonstering en laboratoriumtests;

b)

kosten voor apparatuur die nodig is om de taken voor de officiële controles en gegevensverzameling te verrichten.

HOOFDSTUK IV

Andere maatregelen

Artikel 34

Informatiesystemen

1.   De Unie financiert de oprichting en exploitatie van de databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen die door de Commissie worden beheerd en die nodig zijn om de in artikel 1 bedoelde regelgeving doeltreffend en doelmatig toe te passen.

2.   Er kan een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor de oprichting en het beheer van databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen van derden, met inbegrip van internationale organisaties, op voorwaarde dat die databanken en geautomatiseerde informatiebeheersystemen:

a)

een bewezen toegevoegde waarde hebben voor de Unie als geheel en in de hele Unie voor alle belanghebbende gebruikers beschikbaar zijn, en

b)

nodig zijn om de in artikel 1 bedoelde regelgeving doeltreffend en doelmatig toe te passen.

Artikel 35

Toepassing en aanpassing van de regelgeving

1.   De Unie kan technische en wetenschappelijke werkzaamheden, met inbegrip van studies en coördinatieactiviteiten, financieren die nodig zijn om de regelgeving betreffende de in artikel 1 bedoelde gebieden correct toe te passen en aan de wetenschappelijke, technische en maatschappelijke ontwikkelingen aan te passen.

Er kan ook een financiële bijdrage van de Unie worden verleend aan de lidstaten of internationale organisaties die op de in artikel 1 bedoelde gebieden werkzaam zijn om activiteiten te verrichten ter ondersteuning van de ontwikkeling en toepassing van de regelgeving betreffende die gebieden.

2.   Er kunnen subsidies worden verleend aan projecten die door een of meer lidstaten worden georganiseerd om de doelmatigheid van de officiële controles te vergroten door gebruik te maken van innovatieve technieken en protocollen.

3.   Er kan ook een financiële bijdrage van de Unie worden verleend voor de ondersteuning van initiatieven van de Unie en de lidstaten op het gebied van voorlichting en bewustmaking die gericht zijn op beter, correct en duurzaam gedrag bij de toepassing van de regelgeving betreffende de in artikel 1 bedoelde gebieden.

TITEL III

PROGRAMMERING, UITVOERING EN CONTROLE

Artikel 36

Werkprogramma’s en financiële bijdragen

1.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast ter bepaling van gemeenschappelijke of afzonderlijke jaarlijkse of meerjarige werkprogramma’s voor de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in titel II, met uitzondering van hoofdstuk I, afdeling 1, en hoofdstuk II, afdeling 1 van die titel. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   In de in lid 1 bedoelde werkprogramma’s worden de beoogde operationele doelstellingen, die in overeenstemming moeten zijn met de algemene en specifieke doelstellingen genoemd in artikel 2, de verwachte resultaten, de wijze van uitvoering en het totaalbedrag vermeld. Zij bevatten ook een omschrijving van de te financieren maatregelen, een indicatie van het voor elke maatregel toegewezen bedrag en een indicatief tijdschema voor de uitvoering. Met betrekking tot subsidies worden daarin de prioritaire acties, de evaluatiecriteria en het financieringspercentage vermeld alsmede de indicatieve lijst van subsidiabele maatregelen en kosten, overeenkomstig artikel 3 van deze verordening.

3.   De werkprogramma’s voor de uitvoering van de maatregelen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 2, en in hoofdstuk II, afdelingen 2 en 3, worden vastgesteld uiterlijk op 30 april van het jaar dat aan de uitvoering ervan voorafgaat, mits de ontwerpbegroting dan is aangenomen. Die werkprogramma’s geven de prioriteiten weer zoals deze zijn bepaald in bijlage III bij deze verordening.

4.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met zijn besluit over de financiële bijdrage, ten aanzien van de uitvoering van de noodmaatregelen als bedoeld in titel II, hoofdstuk I, afdeling 1, en titel II, hoofdstuk II, afdeling 1, of wanneer het nodig is om te reageren op niet te voorziene ontwikkelingen. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast met de procedures voor indiening van aanvragen, rapporten en betalingsverzoeken voor de in titel II, hoofdstuk I, afdeling 1 en 2, en titel II, hoofdstuk II, afdeling 1, 2 en 3, bedoelde subsidies. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 41, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 37

Controles ter plaatse door de Commissie

De Commissie kan controles ter plaatse in de lidstaten en in de gebouwen van de begunstigden houden, in het bijzonder om te verifiëren:

a)

of de maatregelen waarvoor de financiële bijdrage van de Unie wordt verleend, doeltreffend worden uitgevoerd;

b)

of de administratieve werkwijzen in overeenstemming zijn met voorschriften van de Unie;

c)

of de voorgeschreven bewijsstukken bestaan en overeenkomen met de maatregelen waarvoor een bijdrage van de Unie wordt verleend.

Artikel 38

Toegang tot informatie

De lidstaten en begunstigden stellen alle informatie ter beschikking van de Commissie die nodig is om de uitvoering van de maatregelen te controleren en nemen alle passende maatregelen om de controles te vergemakkelijken die de Commissie in verband met het beheer van de financiering van de Unie passend acht, met inbegrip van controles ter plaatse.

Artikel 39

Bescherming van de financiële belangen van de Unie

1.   De Commissie neemt passende maatregelen om ervoor te zorgen dat bij de uitvoering van uit hoofde van deze verordening gefinancierde maatregelen de financiële belangen van de Unie worden beschermd door preventieve maatregelen tegen fraude, corruptie en andere onwettige activiteiten te nemen, doeltreffende controles te verrichten en, indien onregelmatigheden worden ontdekt, de ten onrechte betaalde bedragen terug te vorderen en, indien passend, doeltreffende, evenredige en afschrikkende sancties op te leggen.

2.   De Commissie, of haar vertegenwoordigers, en de Rekenkamer kunnen, op basis van documenten of ter plaatse, audits uitvoeren bij alle subsidiebegunstigden, uitvoeringsorganen en contractanten en subcontractanten die op grond van deze verordening Uniemiddelen hebben ontvangen.

Het Europees Bureau voor fraudebestrijding (OLAF) is bevoegd overeenkomstig de procedures van Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad (24) controles en verificaties ter plaatse bij de direct of indirect bij de financiering betrokken economische subjecten uit te voeren om vast te stellen of er sprake is van fraude, corruptie of andere onwettige activiteiten in verband met een subsidieovereenkomst of -besluit of een contract betreffende financiering door de Unie, waardoor de financiële belangen van de Unie zijn geschaad.

Onverminderd de eerste en de tweede alinea verlenen de uit deze verordening voortvloeiende samenwerkingsovereenkomsten met derde landen en internationale organisaties, subsidieovereenkomsten en -besluiten en contracten de Commissie, de Rekenkamer en OLAF uitdrukkelijk de bevoegdheid om dergelijke audits en controles en verificaties ter plaatse uit te voeren.

TITEL IV

ALGEMENE EN SLOTBEPALINGEN

Artikel 40

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, lid 2, en 10, lid 2, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zeven jaar met ingang van 30 juni 2014. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het verstrijken van de termijn van zeven jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking maakt een einde aan de delegatie van de bevoegdheid die in het besluit wordt vermeld. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 7, lid 2, en artikel 10, lid 2, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 41

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Wanneer het advies van het comité via een schriftelijke procedure dient te worden verkregen, wordt die procedure zonder gevolg beëindigd indien, binnen de termijn voor het uitbrengen van het advies, door de voorzitter van het comité daartoe wordt besloten of door een eenvoudige meerderheid van de leden van het comité daarom wordt verzocht.

Artikel 42

Evaluatie

1.   Uiterlijk op 30 juni 2017 stelt de Commissie een tussentijds evaluatieverslag op en legt ze dat voor aan het Europees Parlement en de Raad, over de vraag of de in titel II, hoofdstukken I en II, en hoofdstuk III, artikelen 30 en 31, bedoelde maatregelen, wat betreft hun resultaten en effecten, de in artikel 2, lid 1, vermelde doelstellingen verwezenlijken, ten aanzien van de doelmatigheid van het gebruik van middelen en de toegevoegde waarde ervan op het niveau van de Unie. In het evaluatieverslag wordt ook aandacht besteed aan de mogelijkheden voor vereenvoudiging, de vraag of alle doelstellingen relevant blijven en de bijdrage die de maatregelen leveren aan de verwezenlijking van de prioriteiten van de Unie op het gebied van slimme, duurzame en inclusieve groei. In de evaluatie wordt rekening gehouden met de resultaten van evaluaties van het langetermijneffect van de eerdere maatregelen. Het verslag gaat zo nodig vergezeld van een wetgevingsvoorstel ter wijziging van deze verordening.

2.   Uiterlijk op 30 juni 2022 verricht de Commissie in nauwe samenwerking met de lidstaten een evaluatie achteraf van de in lid 1 van dit artikel bedoelde maatregelen. In die evaluatie achteraf worden de doeltreffendheid en doelmatigheid van de in artikel 1 bedoelde uitgaven en de effecten ervan onderzocht.

3.   Bij de in de leden 1 en 2 van dit artikel bedoelde evaluaties wordt de geboekte vooruitgang aan de hand van de in artikel 2, lid 2, vermelde indicatoren beoordeeld.

4.   De Commissie deelt de conclusies van de in de leden 1 en 2 bedoelde evaluaties mee aan het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio’s.

Artikel 43

Informatie, communicatie en publiciteit

1.   De begunstigden en de betrokken lidstaten zien erop toe dat aan de financiële bijdragen in het kader van deze verordening, in voorkomend geval, passende bekendheid wordt gegeven om het publiek te informeren over de rol van de Unie bij de financiering van de maatregelen.

2.   De Commissie legt informatie- en communicatieacties over de gefinancierde maatregelen en resultaten ten uitvoer. Het budget voor communicatie uit hoofde van deze verordening dekt tevens de institutionele communicatie over de politieke prioriteiten van de Unie.

Artikel 44

Intrekking

1.   De Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG en Beschikking 2009/470/EG worden ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar de Besluiten 66/399/EEG en 76/894/EEG gelden als verwijzingen naar artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002.

3.   Verwijzingen naar Beschikking 2009/470/EG gelden als verwijzingen naar deze verordening.

Artikel 45

Overgangsbepalingen

1.   De in artikel 12, lid 1, van deze verordening bedoelde nationale programma’s van lidstaten die aan de Commissie zijn voorgelegd in 2012 voor uitvoering in 2013, die zijn voorgelegd in 2013 voor uitvoering in 2014, en die uiterlijk op 30 april 2014 zijn voorgelegd voor uitvoering in 2015, komen, indien zij worden goedgekeurd, in aanmerking voor financiering door de Unie op grond van artikel 27 van Beschikking 2009/470/EG.

Voor nationale programma’s die in 2013 en 2014 zijn uitgevoerd, blijft artikel 27, leden 7 en 8, van die beschikking van toepassing.

Voor nationale programma’s die in 2015 worden uitgevoerd, blijft artikel 27, lid 2, van die beschikking van toepassing.

2.   De in artikel 21, lid 1, van deze verordening bedoelde programma’s voor onderzoek van lidstaten die uiterlijk op 30 april 2014 aan de Commissie zijn voorgelegd voor uitvoering in het jaar 2015, komen in aanmerking voor financiering door de Unie op grond van artikel 23, lid 6, van Richtlijn 2000/29/EG. Voor die programma’s voor onderzoek blijft artikel 23, lid 6, van die richtlijn van toepassing.

3.   Voor aanvragen van lidstaten voor financiering door de Unie van noodmaatregelen bedoeld in artikel 16 van deze verordening, die uiterlijk op 30 april 2014 bij de Commissie zijn ingediend, blijven de artikelen 22 tot en met 24 van Richtlijn 2000/29/EG van toepassing.

Artikel 46

Wijziging van Richtlijn 98/56/EG

Richtlijn 98/56/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 17, lid 1, wordt vervangen door:

„1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (25). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (26).

(25)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1)."

(26)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).”."

2)

In artikel 18, lid 1, wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie wordt bijgestaan door het bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 ingestelde Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.”.

Artikel 47

Wijziging van Richtlijn 2000/29/EG

Richtlijn 2000/29/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 13 quater, lid 5, wordt geschrapt.

2)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 15 bis

De lidstaten bepalen dat eenieder die weet heeft van de aanwezigheid van een van de in bijlage I of bijlage II opgesomde plaagorganismen of een plaagorganisme dat onder een maatregel valt op grond van artikel 16, lid 2 of lid 3, of die reden heeft zulke aanwezigheid te vermoeden, binnen tien kalenderdagen de bevoegde autoriteit schriftelijk moet verwittigen en op verzoek van die autoriteit alle in zijn bezit zijnde informatie over die aanwezigheid moet verstrekken.”.

3)

De artikelen 22 tot en met 26 worden geschrapt.

Artikel 48

Wijziging van Verordening (EG) nr. 178/2002

In artikel 58 van Verordening (EG) nr. 178/2002 wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders, hierna „het comité” genoemd. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (27). Het comité wordt onderverdeeld in afdelingen voor de behandeling van alle betrokken vraagstukken.

Alle verwijzingen in het Unierecht naar het Permanent Comité voor de voedselketen en de diergezondheid gelden als verwijzingen naar het in de eerste alinea bedoelde comité.

Artikel 49

Wijziging van Verordening (EG) nr. 882/2004

Artikel 66 van Verordening (EG) nr. 882/2004 wordt geschrapt.

Artikel 50

Wijziging van Verordening (EG) nr. 396/2005

Hoofdstuk VII van Verordening (EG) nr. 396/2005 wordt geschrapt.

Artikel 51

Wijziging van Richtlijn 2008/90/EG

In artikel 19 van Richtlijn 2008/90/EG wordt lid 1 vervangen door:

„1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders ingesteld bij artikel 58, lid 1, van Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad (28). Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (29).

Artikel 52

Wijziging van Richtlijn 2009/128/EG

Artikel 22 van Richtlijn 2009/128/EG wordt geschrapt.

Artikel 53

Wijziging van Verordening (EG) nr. 1107/2009

Artikel 76 van Verordening (EG) nr. 1107/2009 wordt geschrapt.

Artikel 54

Inwerkingtreding en toepassing

Deze verordening treedt in werking op de derde dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Zij is van toepassing met ingang van 30 juni 2014.

Artikel 18, lid 1, onder d), en artikel 47, punt 2), zijn evenwel met ingang van 1 januari 2017 van toepassing.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 15 mei 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 166.

(2)  Standpunt van Europees Parlement van 2 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 mei 2014.

(3)  Verordening (EU, Euratom) nr. 1311/2013 van de Raad van 2 december 2013 tot bepaling van het meerjarig financieel kader voor de jaren 2014-2020 (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 884)

(4)  PB C 373 van 20.12.2013, blz. 1.

(5)  Richtlijn 2000/29/EG van de Raad van 8 mei 2000 betreffende de beschermende maatregelen tegen het binnenbrengen en de verspreiding in de Gemeenschap van voor planten en voor plantaardige producten schadelijke organismen (PB L 169 van 10.7.2000, blz. 1).

(6)  Richtlijn 69/464/EEG van de Raad van 8 december 1969 betreffende de bestrijding van de wratziekte (PB L 323 van 24.12.1969, blz. 1).

(7)  Richtlijn 93/85/EEG van de Raad van 4 oktober 1993 betreffende de bestrijding van aardappelringrot (PB L 259 van 18.10.1993, blz. 1).

(8)  Richtlijn 98/57/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende de bestrijding van Ralstonia solanacearum (Smith) Yabuuchi et al. (PB L 235 van 21.8.1998, blz. 1).

(9)  Richtlijn 2007/33/EG van de Raad van 11 juni 2007 betreffende de bestrijding van het aardappelcysteaaltje en houdende intrekking van Richtlijn 69/465/EEG (PB L 156 van 16.6.2007, blz. 12).

(10)  Verordening (EU) nr. 228/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 13 maart 2013 houdende specifieke maatregelen op landbouwgebied ten behoeve van de ultraperifere gebieden van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG) nr. 247/2006 van de Raad (PB L 78 van 20.3.2013, blz. 23).

(11)  Verordening (EU, Euratom) nr. 966/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 25 oktober 2012 tot vaststelling van de financiële regels van toepassing op de algemene begroting van de Unie en tot intrekking van Verordening (EG, Euratom) nr. 1605/2002 van de Raad (PB L 298 van 26.10.2012, blz. 1).

(12)  Beschikking 2009/470/EG van de Raad van 25 mei 2009 betreffende bepaalde uitgaven op veterinair gebied (PB L 155 van 18.6.2009, blz. 30).

(13)  Richtlijn 82/894/EEG van de Raad van 21 december 1982 inzake de melding van dierziekten in de Gemeenschap (PB L 378 van 31.12.1982, blz. 58).

(14)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(15)  Besluit 66/399/EEG van de Raad van 14 juni 1966 houdende de instelling van een permanent comité voor teeltmateriaal voor land-, tuin- en bosbouw (PB 125 van 11.7.1966, blz. 2289/66).

(16)  Besluit 76/894/EEG van de Raad van 23 november 1976 tot instelling van een Permanent Plantenziektekundig Comité (PB L 340 van 9.12.1976, blz. 25).

(17)  Richtlijn 98/56/EG van de Raad van 20 juli 1998 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van siergewassen (PB L 226 van 13.8.1998, blz. 16).

(18)  Richtlijn 2008/90/EG van de Raad van 29 september 2008 betreffende het in de handel brengen van teeltmateriaal van fruitgewassen, alsmede van fruitgewassen die voor de fruitteelt worden gebruikt (PB L 267 van 8.10.2008, blz. 8).

(19)  Verordening (EG) nr. 178/2002 van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2002 tot vaststelling van de algemene beginselen en voorschriften van de levensmiddelenwetgeving, tot oprichting van een Europese Autoriteit voor voedselveiligheid en tot vaststelling van procedures voor voedselveiligheidsaangelegenheden (PB L 31 van 1.2.2002, blz. 1).

(20)  Verordening (EG) nr. 882/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 29 april 2004 inzake officiële controles op de naleving van de wetgeving inzake diervoeders en levensmiddelen en de voorschriften inzake diergezondheid en dierenwelzijn (PB L 165 van 30.4.2004, blz. 1).

(21)  Verordening (EG) Nr. 396/2005 van het Europees Parlement en de Raad van 23 februari 2005 tot vaststelling van maximumgehalten aan bestrijdingsmiddelenresiduen in of op levensmiddelen en diervoeders van plantaardige en dierlijke oorsprong en houdende wijziging van Richtlijn 91/414/EEG van de Raad (PB L 70 van 16.3.2005, blz. 1).

(22)  Richtlijn 2009/128/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 tot vaststelling van een kader voor communautaire actie ter verwezenlijking van een duurzaam gebruik van pesticiden (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 71).

(23)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen en tot intrekking van de Richtlijnen 79/117/EEG en 91/414/EEG van de Raad (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(24)  Verordening (Euratom, EG) nr. 2185/96 van de Raad van 11 november 1996 betreffende de controles en verificaties ter plaatse die door de Commissie worden uitgevoerd ter bescherming van de financiële belangen van de Europese Gemeenschappen tegen fraudes en andere onregelmatigheden (PB L 292, 15.11.1996, blz. 2).


BIJLAGE I

Dierziekten en zoönoses als bedoeld in artikel 7

Runderpest

Pest bij kleine herkauwers

Vesiculaire varkensziekte

Blauwtong

Teschener-ziekte

Schapenpokken en geitenpokken

Riftvalleykoorts

Nodulaire dermatose

Afrikaanse paardenpest

Vesiculaire stomatitis

Venezolaanse virale paarde-encefalomyelitis

Enzoötische hemorragische ziekte bij herten

Klassieke varkenspest

Afrikaanse varkenspest

Besmettelijke bovine pleuropneumonie

Aviaire influenza (vogelgriep)

Ziekte van Newcastle

Mond- en klauwzeer

Epizoötische hematopoïetische necrose bij vissen (EHN)

Epizoötisch ulceratief syndroom bij vissen (EUS)

Besmetting met Bonamia exitiosa

Besmetting met Perkinsus marinus

Besmetting met Microcytos mackini

Taura-syndroom bij schaaldieren

Yellowhead-ziekte bij schaaldieren.


BIJLAGE II

Dierziekten en zoönoses als bedoeld in artikel 10

Rundertuberculose

Runderbrucellose

Schapen- en geitenbrucellose (B. melitensis)

Blauwtong in gebieden waar de ziekte enzoötisch is of hoogrisicogebieden

Afrikaanse varkenspest

Vesiculaire varkensziekte

Klassieke varkenspest

Miltvuur

Besmettelijke bovine pleuropneumonie

Aviaire influenza (vogelgriep)

Hondsdolheid

Echinococcose

Overdraagbare spongiforme encefalopathieën (TSE)

Campylobacteriose

Listeriose

Salmonellose (zoönotische salmonella)

Trichinellose

Verotoxische E. coli

Virale hemorragische septicaemie (VHS)

Infectieuze hematopoëtische necrose (IHN)

Koi-herpesvirus (KHV)

Infectieuze anemie bij zalm (ISA)

Besmetting met Marteilia refringens

Besmetting met Bonamia ostreae

Ichthyophthiriasis bij schaaldieren.


BIJLAGE III

Prioriteiten voor de werkprogramma’s van de Commissie, bedoeld in Titel II, Hoofdstuk I, Afdeling 2, en Titel II, Hoofdstuk II, Afdelingen 2 en 3

Prioriteiten voor financiële steun van de Unie, voor wat betreft de oriëntatie van nationale programma’s voor de uitroeiing, bestrijding en surveillance van dierziekten en zoönosen:

ziekten met gevolgen voor de gezondheid van de mens,

ziekten met gevolgen voor de gezondheid van dieren, waarbij het verspreidingspotentieel en de ziekte- en sterftecijfers in de dierpopulatie in aanmerking worden genomen,

ziekten en zoönosen die uit derde landen naar het grondgebied van de Unie dreigen te worden ingevoerd of opnieuw te worden ingevoerd,

ziekten die potentieel een crisissituatie kunnen opleveren, met ernstige economische gevolgen,

ziekten die gevolgen voor de handel met derde landen en het handelsverkeer binnen de Unie hebben.

Prioriteiten voor financiële steun van de Unie, voor wat betreft de oriëntatie van nationale programma’s voor onderzoek naar plaagorganismen ter bescherming van het grondgebied van de Unie:

plaagorganismen die vermeld zijn in de lijst van bijlage I, deel A, rubriek I, of van bijlage II, deel A, rubriek I, bij Richtlijn 2000/29/EG als voor zover bekend niet voorkomende binnen het grondgebied van de Unie,

plaagorganismen vallende onder maatregelen van de Unie die zijn vastgesteld uit hoofde van artikel 16, lid 3, van Richtlijn 2000/29/EG,

plaagorganismen die niet zijn vermeld in Richtlijn 2000/29/EG en direct gevaar opleveren voor het grondgebied van de Unie,

plaagorganismen die potentieel een crisissituatie kunnen opleveren, met ernstige economische en ecologische gevolgen,

plaagorganismen die gevolgen voor de handel met derde landen en het handelsverkeer binnen de Unie hebben.

Prioriteiten voor financiële steun van de Unie, voor wat betreft de oriëntatie van nationale programma’s voor ultraperifere gebieden:

maatregelen tegen plaagorganismen die samenhangen met invoer naar en het klimaat in die gebieden,

methoden voor bestrijding van die plaagorganismen,

maatregelen tegen plaagorganismen die zijn vermeld ingevolge de in die gebieden van kracht zijnde regelgeving inzake plaagorganismen van planten.


VERKLARING VAN DE COMMISSIE

betreffende de procedures voor de goedkeuring van veterinaire en fytosanitaire programma’s

Teneinde de lidstaten beter te informeren, zal de Commissie jaarlijks een vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders organiseren die vooral gericht zal zijn op het resultaat van de evaluatieprocedure van programma’s.

Die vergadering zal uiterlijk op 30 november van het jaar voorafgaande aan de uitvoering van de programma’s plaatsvinden.

In samenhang met die vergadering zal de Commissie een lijst voorleggen van de programma’s die technisch goedgekeurd en voor medefinanciering voorgesteld zijn. Zowel de financiële als de technische details zullen met de nationale delegaties besproken worden, en er zal rekening worden gehouden met hun opmerkingen.

Daarnaast zal de Commissie, alvorens een definitieve beslissing daarover te nemen, op een vergadering van het Permanent Comité voor planten, dieren, levensmiddelen en diervoeders in januari de lidstaten de definitieve lijst van voor medefinanciering geselecteerde programma’s mededelen, met het voor ieder programma toegewezen bedrag.

De voorbereidende werkzaamheden voor het ontwerp van het werkprogramma voor de tenuitvoerlegging van de in de artikelen 9, 19 en 25 bedoelde maatregelen zullen samen met deskundigen van de lidstaten worden verricht aan het begin van februari van ieder jaar, teneinde de lidstaten de relevante informatie te kunnen verstrekken voor het opzetten van de uitroeiings- en bewakingsprogramma’s.


Top