Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0376

Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie Voor de EER relevante tekst

OJ L 122, 24.4.2014, p. 18–43 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2014/376/oj

24.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 122/18


VERORDENING (EU) Nr. 376/2014 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 3 april 2014

inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad en tot intrekking van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad en de Verordeningen (EG) nr. 1321/2007 en (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 100, lid 2,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Na raadpleging van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Er moet een hoog niveau van veiligheid in de burgerluchtvaart in de Unie worden gegarandeerd en elke inspanning moet worden gedaan om het aantal ongevallen en incidenten te verminderen teneinde het vertrouwen van het publiek in de luchtvaart te behouden.

(2)

Het aantal dodelijke ongevallen in de burgerluchtvaart is de afgelopen tien jaar redelijk constant gebleven. Niettemin zou het aantal ongevallen in de komende decennia kunnen stijgen door een toename van het luchtverkeer en door een groeiende technische complexiteit van luchtvaartuigen.

(3)

Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad (3) heeft tot doel ongevallen te voorkomen door snelle, efficiënte en kwalitatieve veiligheidsonderzoeken mogelijk te maken. De onderhavige verordening laat de onderzoeken van nationale veiligheidsonderzoeksinstanties naar ongevallen en incidenten als gedefinieerd in Verordening (EU) nr. 996/2010 onverlet. In het geval van een ongeval of een ernstig incident is op de melding van het voorval ook Verordening (EU) nr. 996/2010 van toepassing.

(4)

Bestaande wetgevingshandelingen van de Unie, in het bijzonder Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad (4) en de uitvoeringsverordeningen daarvan, verplichten bepaalde organisaties om systemen voor het melden van voorvallen in te stellen in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem. Naleving van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsverordeningen daarvan dient organisaties niet vrij te stellen van de naleving van onderhavige verordening. Evenzeer mag de naleving van onderhavige verordening organisaties niet ontheffen van de naleving van Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsverordeningen daarvan. Dit mag evenwel niet leiden tot twee parallelle meldingssystemen, en Verordening (EG) nr. 216/2008, de uitvoeringsverordeningen daarvan, en deze verordening moeten als onderling aanvullend worden beschouwd.

(5)

De ervaring leert dat ongevallen vaak worden voorafgegaan door veiligheidsgerelateerde incidenten en tekortkomingen die op het bestaan van gevaren voor de veiligheid wijzen. Veiligheidsinformatie is daarom een belangrijke bron voor het ontdekken van bestaande of mogelijke veiligheidsrisico's. Hoewel het van cruciaal belang is dat lessen kunnen worden getrokken uit ongevallen, is voorts gebleken dat zuiver reactieve systemen slechts van beperkt nut zijn in het aanhoudend aanbrengen van verbeteringen. Reactieve systemen moeten daarom worden aangevuld met proactieve systemen die gebruik maken van andere soorten veiligheidsinformatie, teneinde daadwerkelijke verbeteringen in de luchtvaartveiligheid te bewerkstelligen. De Unie, haar lidstaten, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”) en de organisaties moeten bijdragen aan de verbetering van de luchtvaartveiligheid door meer proactieve en empirisch onderbouwde veiligheidsprocessen in te voeren die de nadruk leggen op het voorkomen van ongevallen door alle relevante veiligheidsinformatie, met inbegrip van informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart, te analyseren.

(6)

Om de luchtvaartveiligheid te kunnen verbeteren, moet relevante informatie over de veiligheid in de burgerluchtvaart worden gemeld, verzameld, opgeslagen, beschermd, uitgewisseld, verspreid en geanalyseerd en moeten passende veiligheidsmaatregelen worden genomen op basis van de verzamelde informatie. Deze proactieve en empirisch onderbouwde benadering moet worden toegepast door de bevoegde luchtvaartveiligheidsautoriteiten van de lidstaten, door organisaties — in het kader van hun veiligheidsbeheersysteem — en door het Agentschap.

(7)

Het opleggen aan organisaties van verplichtingen met betrekking tot het melden van voorvallen dient in verhouding te staan tot de omvang van de desbetreffende organisatie en het bereik van haar activiteiten. Daarom moet het meer bepaald voor kleinere organisaties mogelijk zijn te besluiten om functies in verband met het behandelen van voorvallen binnen de organisatie te combineren of samen te voegen, taken in verband met het melden van voorvallen te delen met andere organisaties van dezelfde aard, dan wel de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over voorvallen aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten uit te besteden. Deze entiteiten moeten voldoen aan de in deze verordening vastgestelde beginselen inzake bescherming en vertrouwelijkheid. De uitbestedende organisatie moet gepaste controle op de uitbestede taken blijven uitoefenen en moet in laatste instantie aansprakelijk en verantwoordelijk zijn voor de toepassing van de bij deze verordening opgelegde voorschriften.

(8)

Er moet voor worden gezorgd dat eerstelijnsluchtvaartprofessionals voorvallen met een belangrijk risico voor de luchtvaartveiligheid melden. Systemen voor vrijwillige melding moeten een aanvulling vormen op de systemen voor verplichte melding, en beide systemen moeten aan individuen de mogelijkheid bieden om bijzonderheden over voorvallen in verband met de luchtvaartveiligheid te melden. Systemen voor verplichte en voor vrijwillige melding moeten worden opgezet in organisaties, het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten. De verzamelde informatie moet worden doorgestuurd aan de autoriteit die bevoegd is voor passende bewaking teneinde de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren. De organisaties moeten die voorvallen met een mogelijke impact op de veiligheid analyseren om de gevaren voor de veiligheid in kaart te brengen en passende corrigerende of preventieve maatregelen te nemen. De organisaties moeten de voorlopige resultaten van hun analyses aan de bevoegde autoriteit van de lidstaten of aan het Agentschap toezenden, evenals de definitieve resultaten als die een feitelijk of potentieel risico voor de luchtvaartveiligheid aan het licht brengen. De bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap moeten voorzien in een soortgelijke procedure voor voorvallen die rechtstreeks aan hen zijn gemeld, en zij moeten de door de organisatie verrichte beoordeling en enigerlei genomen corrigerende of preventieve maatregelen afdoende monitoren.

(9)

Verschillende in de burgerluchtvaart werkzame of anderszins daarbij betrokken categorieën personeel zijn getuige van voorvallen die van belang zijn voor het voorkomen van ongevallen. Zij dienen derhalve toegang te hebben tot instrumenten waarmee zij deze voorvallen kunnen melden en hun bescherming moet gegarandeerd zijn. Om werknemers ertoe aan te zetten voorvallen te melden en hen de positieve gevolgen van die voorvalmeldingen voor de luchtvaartveiligheid beter naar waarde te doen schatten, moeten zij regelmatig worden geïnformeerd over maatregelen die in het kader van systemen voor de melding van voorvallen worden genomen.

(10)

De gevaren en risico's die verband houden met complexe motoraangedreven luchtvaartuigen zijn zeer verschillend van die welke met andere soorten luchtvaartuigen verband houden. Om die reden dienen de bij deze verordening opgelegde verplichtingen, die hoe dan ook op de gehele luchtvaartsector van toepassing moeten zijn, in verhouding te staan tot het activiteitsgebied en de complexiteit van verschillende soorten luchtvaartuigen. Informatie die verzameld werd over voorvallen waarbij andere dan complexe motoraangedreven luchtvaartuigen zijn betrokken, moeten dienovereenkomstig onderworpen zijn aan vereenvoudigde meldingsverplichtingen die beter zijn afgestemd op die tak van de luchtvaart.

(11)

De ontwikkeling van andere middelen om veiligheidsinformatie te verzamelen, in aanvulling op de bij deze verordening vereiste systemen, moet worden aangemoedigd, met het oog op het verzamelen van verdere informatie die kan bijdragen tot het verbeteren van de luchtvaartveiligheid. Indien organisaties reeds beschikken over bestaande en goed functionerende systemen voor het verzamelen van veiligheidsinformatie, moeten zij die systemen kunnen blijven gebruiken naast de systemen die in het kader van deze verordening moeten worden opgezet.

(12)

De veiligheidsonderzoeksinstanties en alle instanties die belast zijn met het reguleren van de veiligheid van de burgerluchtvaart binnen de Unie, moeten volledige toegang hebben tot de bijzonderheden over de verzamelde voorvallen en voorvalmeldingen die door hun lidstaten zijn opgeslagen, om te kunnen beslissen voor welke incidenten een veiligheidsonderzoek nodig is, om te kunnen vaststellen waaruit lessen kunnen worden getrokken in het belang van de luchtvaartveiligheid, en om te kunnen voldoen aan hun toezichtsverplichtingen.

(13)

Het is van wezenlijk belang volledige gegevens van hoge kwaliteit te verzamelen, omdat analyses en trends die afgeleid worden uit onjuiste gegevens misleidende resultaten kunnen opleveren en tot gevolg kunnen hebben dat ongepaste maatregelen worden getroffen. Bovendien kunnen dergelijke onjuiste gegevens tot gevolg hebben dat het vertrouwen in de informatie uit de regelingen voor het melden van voorvallen zoekraakt. Om de kwaliteit van de voorvalmeldingen te garanderen en de volledigheid ervan in de hand te werken, moeten ze bepaalde minimuminformatie bevatten, die kan verschillen naargelang de categorie waartoe het voorval behoort. Bovendien moeten procedures worden toegepast om de kwaliteit van de informatie te controleren en om tegenstrijdigheden tussen een voorvalmelding en de oorspronkelijk verzamelde bijzonderheden over het voorval te voorkomen. Voorts moeten, met de steun van de Commissie, passende richtsnoeren worden opgesteld, met name om de kwaliteit van de gegevens te garanderen en de volledigheid ervan in de hand te werken, en om ervoor te zorgen dat gegevens op samenhangende en uniforme wijze in gegevensbanken worden opgenomen. Er moeten ook workshops worden georganiseerd om voor de nodige ondersteuning te zorgen, met name door de Commissie.

(14)

De Commissie dient een gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem te ontwikkelen teneinde in het geval van individuele veiligheidsvoorvallen met een hoog risico te kunnen bepalen welke maatregelen meteen nodig zijn. Dat systeem moet het ook mogelijk maken belangrijke risicogebieden in kaart te brengen op basis van geaggregeerde informatie. Een dergelijk risicoclassificatiesysteem moet de relevante entiteiten helpen voorvallen te beoordelen en te bepalen op welke punten zij hun inspanningen het best kunnen focussen. Een gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem moet een geïntegreerde en geharmoniseerde aanpak van het risicobeheer in de hele Europese luchtvaart in de hand werken en aldus organisaties, lidstaten, de Commissie en het Agentschap in staat stellen zich te concentreren op geharmoniseerde inspanningen ter verbetering van de veiligheid.

(15)

Een gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem moet bovendien zowel mogelijk maken dat belangrijke risicogebieden in de Europese Unie in kaart worden gebracht op basis van geaggregeerde informatie uit Europees perspectief als steun verlenen aan de werkzaamheden op het gebied van het Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart en het Europees plan voor de veiligheid van de luchtvaart. De Commissie moet passende steun verlenen om te garanderen dat de risicoclassificatie in alle lidstaten samenhangend en uniform is.

(16)

Om de uitwisseling van informatie mogelijk te maken, moeten voorvalmeldingen worden opgeslagen in gegevensbanken die compatibel zijn met het Europees Coördinatiecentrum voor rapportagesystemen van vliegtuigongevallen (Eccairs) (de software die door alle lidstaten en het Europees centraal register wordt gebruikt) en met het ADREP-systeem (de classificatie van de International Civil Aviation Organisation (ICAO) die ook wordt gebruikt voor de Eccairs-software). Het Agentschap en de Commissie moeten technische ondersteuning bieden met het oog op de interoperabiliteit van de systemen.

(17)

Organisaties moeten voorvalmeldingen die zijn afgeleid uit bijzonderheden over voorvallen die zijn verzameld in het kader van het systeem voor verplichte en, indien toepasselijk, vrijwillige melding, in een of meer gegevensbanken opslaan. De complexiteit van de gegevensbank moet in verhouding kunnen staan tot de omvang van de desbetreffende organisatie en/of het belang daarvan met betrekking tot de doelstellingen van deze verordening; de gegevensbank moet ten minste bestaan uit een gegevensbestand dat gemeenschappelijke verplichte gegevensvelden en, indien toepasselijk, specifieke verplichte gegevensvelden bevat.

(18)

Een voorval waarbij een in een lidstaat geregistreerd luchtvaartuig of een luchtvaartuig dat door een in een lidstaat gevestigde organisatie wordt geëxploiteerd, betrokken is, moet worden gemeld, zelfs al heeft het voorval zich buiten het grondgebied van die lidstaat voorgedaan.

(19)

Informatie over voorvallen moet in de Unie worden uitgewisseld om de opsporing van feitelijke of potentiële gevaren te verbeteren. Deze informatie-uitwisseling moet de lidstaten bovendien in staat stellen om toegang te hebben tot alle informatie over voorvallen die zich op hun grondgebied of in hun luchtruim hebben voorgedaan, maar die aan een andere lidstaat zijn gemeld. Zij moet het Agentschap ook toelaten om precieze informatie over voorvallen en toegang tot alle in de Unie verzamelde voorvalmeldingen te verwerven, zodat het indien nodig corrigerende maatregelen kan nemen om een in de Unie vastgesteld risico te ondervangen. Deze informatie-uitwisseling moet de bevoegde autoriteiten van de lidstaten in staat stellen precieze informatie te verwerven over voorvallen in hun luchtruim, en indien nodig corrigerende maatregelen te nemen om een op hun grondgebied vastgesteld risico te ondervangen.

(20)

De doelstelling van de uitwisseling van informatie over voorvallen moet het voorkomen van ongevallen en incidenten in de luchtvaart zijn. De informatie-uitwisseling mag niet worden gebruikt om schuld en aansprakelijkheid toe te wijzen of om criteria vast te stellen voor veiligheidsprestaties.

(21)

De meest efficiënte manier om de uitwisseling van grote hoeveelheden veiligheidsinformatie tussen de lidstaten, de Commissie en het Agentschap te garanderen, wordt geboden door het Europees centraal register, op voorwaarde dat de lidstaten, de Commissie en het Agentschap daartoe volledige toegang hebben.

(22)

Alle in de Unie verzamelde veiligheidsgerelateerde informatie die afgeleid is uit voorvalmeldingen moet tijdig in het Europees centraal register worden opgeslagen. Naast informatie over incidenten moet ook informatie over onderzoeken van ongevallen en ernstige incidenten overeenkomstig Verordening (EU) nr. 996/2010 worden verzameld.

(23)

De onderhavige verordening moet van toepassing zijn op informatie over voorvallen die is opgeslagen in de gegevensbanken van organisaties, de lidstaten en het Agentschap.

(24)

Alle veiligheidsgerelateerde informatie in het Europees centraal register moet beschikbaar zijn voor entiteiten die belast zijn met het reguleren van de veiligheid van de burgerluchtvaart in de Unie, met inbegrip van het Agentschap, en voor de instanties die verantwoordelijk zijn voor het onderzoeken van ongevallen en incidenten in de Unie.

(25)

Het moet voor belanghebbenden mogelijk zijn toegang te vragen tot bepaalde informatie in het Europees centraal register, met inachtneming van de vertrouwelijkheidsvoorschriften met betrekking tot die informatie en van de anonimiteit van de betrokken personen.

(26)

Aangezien nationale contactpunten het best op de hoogte zijn van de in een bepaalde lidstaat gevestigde belanghebbenden, moet het aan elk nationaal contactpunt toekomen om de verzoeken van de op het grondgebied van de eigen lidstaat gevestigde belanghebbenden te behandelen. De Commissie moet verzoeken van belanghebbenden uit derde landen of van internationale organisaties behandelen.

(27)

De informatie in voorvalmeldingen moet worden geanalyseerd en de veiligheidsrisico's moeten worden opgespoord. Daaruit voortvloeiende passende maatregelen voor het verbeteren van de luchtvaartveiligheid moeten tijdig worden vastgesteld en uitgevoerd. De informatie over de analyse en follow-up van voorvallen moet worden verspreid onder organisaties, de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap, aangezien het verstrekken van feedback over gemelde voorvallen een goede stimulans vormt voor individuen om voorvallen te melden. Indien van toepassing en indien mogelijk moet informatie over de analyse en de follow-up van voorvallen ook worden verstrekt aan personen die voorvallen rechtstreeks aan de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap hebben gemeld. Dergelijke feedback dient in overeenstemming te zijn met de voorschriften inzake geheimhouding en bescherming van de melder en van de in de melding genoemde personen, overeenkomstig deze verordening.

(28)

Deze verordening moet de lidstaten, het Agentschap en de organisaties helpen bij het beheren van veiligheidsrisico's in de luchtvaart. De veiligheidsbeheersystemen van organisaties worden aangevuld met de veiligheidsbeheersystemen van de lidstaten en van het Agentschap. Terwijl organisaties veiligheidsrisico's beheren die gepaard gaan met hun specifieke activiteiten, beheren de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap veiligheidsrisico's voor de luchtvaartsystemen van respectievelijk gehele lidstaten en de Unie als geheel, waarbij gemeenschappelijke veiligheidsrisico's voor de luchtvaart in de desbetreffende lidstaat of op het niveau van de Unie worden aangepakt. De verantwoordelijkheden van het Agentschap en van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten mogen organisaties niet ontheffen van hun rechtstreekse verantwoordelijkheden inzake het beheer van de veiligheid van de producten en van de diensten die zij aanbieden. Daartoe dienen organisaties informatie over voorvallen te verzamelen en te analyseren, teneinde gevaren in verband met hun activiteiten op te sporen en te beperken. Zij dienen tevens de daarmee samenhangende veiligheidsrisico's te beoordelen en middelen uit te trekken om onmiddellijk passende maatregelen ter beperking van de veiligheidsrisico's te nemen. Het proces in zijn geheel moet gemonitord worden door de desbetreffende bevoegde autoriteit die, indien nodig, aanvullende maatregelen moet eisen om ervoor te zorgen dat de veiligheidstekortkomingen correct worden verholpen. Anderzijds moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en het Agentschap de veiligheidsbeheersystemen van de organisaties aanvullen, respectievelijk op het niveau van de lidstaten en op Europees niveau.

(29)

Bij het bepalen van de maatregelen die moeten worden opgenomen in hun nationaal veiligheidsprogramma en nationaal veiligheidsplan, en om te garanderen dat deze maatregelen empirisch onderbouwd zijn, moeten de lidstaten gebruik maken van de informatie die is afgeleid uit de verzamelde voorvalmeldingen en van de analyse van die informatie. De nationale veiligheidsprogramma's en de nationale veiligheidsplannen worden op Europees niveau aangevuld met het Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart en het Europees plan voor de veiligheid van de luchtvaart.

(30)

Aangezien de beoogde verbetering van de luchtvaartveiligheid onvoldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt, omdat meldingssystemen die op geïsoleerde wijze door de lidstaten worden toegepast minder efficiënt zijn dan een gecoördineerd netwerk waarbij informatie wordt uitgewisseld die het toelaat eventuele veiligheidsproblemen en belangrijke risicogebieden op het niveau van de Unie op te sporen, moet analyse op nationaal niveau worden aangevuld met analyse en follow-up op het niveau van de Unie, teneinde betere preventie van ongevallen en incidenten in de luchtvaart te garanderen. Deze taak op het niveau van de Unie moet worden uitgevoerd door een netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten in coördinatie met het Agentschap en de Commissie. Het moet voor dat netwerk mogelijk zijn om bij consensus te besluiten waarnemers, waaronder werknemers of vertegenwoordigers van de sector, op zijn vergaderingen uit te nodigen.

(31)

Het Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart en het Europees plan voor de veiligheid van de luchtvaart moeten in het bijzonder voordeel halen uit de werkzaamheden van het netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten om te bepalen welke acties op het niveau van de Unie vanuit een empirisch onderbouwd perspectief moeten worden uitgevoerd.

(32)

Het grote publiek moet algemene geaggregeerde informatie krijgen over het niveau van de luchtvaartveiligheid in de lidstaten en de Unie. Die informatie moet in het bijzonder betrekking hebben op trends en analyses die afgeleid zijn uit de uitvoering van deze verordening door de lidstaten, en ook op geaggregeerde informatie over de inhoud van het Europees centraal register, en kan worden verstrekt door veiligheidsgerelateerde prestatieindicatoren (safety performance indicators — SPIs) bekend te maken.

(33)

Het veiligheidssysteem in de burgerluchtvaart is vastgesteld op basis van feedback en lessen die zijn getrokken uit ongevallen en incidenten. De melding van voorvallen en het gebruik van informatie uit voorvallen ter verbetering van de veiligheid zijn gestoeld op een vertrouwensrelatie tussen de melder en de entiteit die bevoegd is voor de verzameling en beoordeling van de informatie. Dit vereist een strikte toepassing van de regels inzake vertrouwelijkheid. De bescherming van veiligheidsinformatie tegen oneigenlijk gebruik en de beperking van de toegang tot het Europees centraal register tot belanghebbenden die deelnemen aan de verbetering van de veiligheid van de burgerluchtvaart, hebben tot doel te garanderen dat veiligheidsinformatie beschikbaar blijft, zodat passende en tijdige preventieve maatregelen kunnen worden genomen en de veiligheid van de luchtvaart kan worden verbeterd. In dit verband moet gevoelige informatie over veiligheid op passende wijze worden beschermd en moet de verzameling ervan worden gewaarborgd door de vertrouwelijkheid van de informatie te garanderen, de bron te beschermen en het vertrouwen van het in de burgerluchtvaart werkzame personeel in systemen voor de melding van voorvallen te verzekeren. Er dienen passende maatregelen te worden genomen om te verzekeren dat informatie die via regelingen voor de melding van voorvallen is verzameld vertrouwelijk wordt gehouden en dat de toegang tot het Europees centraal register wordt beperkt. In nationale besluiten inzake de vrijheid van informatie moet rekening worden gehouden met de noodzakelijke vertrouwelijkheid van dergelijke informatie. De verzamelde informatie moet afdoende worden beschermd tegen onrechtmatig gebruik of onrechtmatige openbaarmaking. Ze mag alleen worden gebruikt om de luchtvaartveiligheid in stand te houden of te verbeteren, niet om schuld of aansprakelijkheid vast te stellen.

(34)

Om ervoor te zorgen dat werknemers of gecontracteerd personeel vertrouwen hebben in het voorvalmeldingssysteem van de organisatie, moet de in voorvalmeldingen opgenomen informatie passend worden beschermd en mag deze niet worden gebruikt voor andere doeleinden dan het in stand houden of verbeteren van de luchtvaartveiligheid. De interne voorschriften inzake een „cultuur van billijkheid” die organisaties ingevolge deze verordening aannemen, moeten er in het bijzonder toe bijdragen dat dit doel wordt verwezenlijkt. Voorts kan de beperking van het doorsturen van persoonlijke bijzonderheden of informatie op basis waarvan de melder of andere in de voorvalmeldingen genoemde personen kunnen worden geïdentificeerd door een duidelijke scheiding tussen de afdelingen die voorvalmeldingen behandelen en de rest van de organisatie, een efficiënte manier zijn om dit doel te verwezenlijken.

(35)

Een melder of een in voorvalmeldingen genoemde persoon moet op passende wijze worden beschermd. Daarom moeten de voorvalmeldingen worden geanonimiseerd en mogen de gegevens betreffende de identiteit van de melder en van de in de voorvalmeldingen genoemde personen niet in de gegevensbanken worden ingevoerd.

(36)

In de burgerluchtvaart moet ook worden gezorgd voor een „veiligheidscultuur” die spontane melding van voorvallen bevordert en zo bijdraagt tot de ontwikkeling van een „cultuur van billijkheid”. Een „cultuur van billijkheid” is een wezenlijke component van een bredere „veiligheidscultuur”, die de hoeksteen van een solide veiligheidsbeheersysteem vormt. Een omgeving die de beginselen van „veiligheidscultuur” omarmt, mag niet beletten dat maatregelen worden genomen die noodzakelijk zijn om de luchtvaartveiligheid in stand te houden of te verbeteren.

(37)

Een „cultuur van billijkheid” moet personen aanmoedigen om veiligheidsgerelateerde informatie te melden, maar mag hen niet van hun normale verantwoordelijkheden ontheffen. In deze context mogen werknemers en gecontracteerd personeel op generlei wijze nadeel ondervinden van de overeenkomstig deze verordening verstrekte informatie, behalve in gevallen van opzettelijk wangedrag of wanneer er sprake is van manifeste, zware en ernstige verwaarlozing van een kennelijk risico en een fundamenteel tekortschieten in de beroepsverantwoordelijkheid om de in de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid te betrachten, waardoor te voorziene schade wordt veroorzaakt aan een persoon of een eigendom of waardoor het niveau van de luchtvaartveiligheid ernstig wordt aangetast.

(38)

Om het melden van voorvallen aan te moedigen, is het van belang niet alleen melders maar ook in de desbetreffende voorvalmeldingen genoemde personen te beschermen. Een dergelijke bescherming mag die personen echter niet ontheffen van hun meldingsverplichtingen in het kader van deze verordening. In een situatie waarin een in de voorvalmeldingen genoemde persoon zelf verplicht is dat voorval te melden en dit opzettelijk heeft nagelaten, moet deze persoon meer bepaald zijn of haar bescherming verliezen en aan sancties uit hoofde van deze verordening worden onderworpen.

(39)

Onverminderd het nationale strafrecht en de goede rechtsbedeling is het van belang de omvang van de bescherming van de melder en andere in voorvalmeldingen genoemde personen tegen benadeling of vervolging duidelijk af te bakenen.

(40)

Om het vertrouwen van natuurlijke personen in het systeem te versterken, moeten voorvalmeldingen op zodanige wijze worden behandeld dat de geheimhouding van de identiteit van de melder en van andere in voorvalmeldingen genoemde personen uit het oogpunt van het bevorderen van een „cultuur van billijkheid” afdoende gewaarborgd wordt. Waar mogelijk moet de mogelijkheid van het instellen van een onafhankelijk systeem voor het behandelen van voorvallen het streefdoel zijn.

(41)

Personeelsleden van organisaties, van de bevoegde autoriteiten van de lidstaten en van het Agentschap die betrokken zijn bij de evaluatie, de verwerking of de analyse van voorvallen, hebben een belangrijke rol te spelen bij het opsporen van gevaren voor de veiligheid en veiligheidstekortkomingen. De ervaring leert dat wanneer voorvallen worden geanalyseerd vanuit de kennis die na een ongeval is opgedaan, de analyse leidt tot de opsporing van risico's en tekortkomingen die anders wellicht onopgemerkt zouden zijn gebleven. Derhalve is het mogelijk dat personen die betrokken zijn bij de evaluatie, de verwerking of de analyse van voorvallen beducht zijn voor mogelijke gevolgen in de vorm van gerechtelijke vervolging. Onverminderd het nationale strafrechtelijk en de goede rechtsbedeling mogen de lidstaten geen rechtsvervolging instellen tegen personen die bij de bevoegde autoriteiten van de lidstaten betrokken zijn bij de evaluatie, de verwerking of de analyse van voorvallen, met betrekking tot beslissingen die zij in het kader van de uitoefening van hun taken hebben genomen en die, achteraf gezien, verkeerd of niet-effectief blijken te zijn geweest maar die destijds, met de toen beschikbare informatie, evenredig en passend waren.

(42)

Werknemers en gecontracteerd personeel moeten de gelegenheid hebben inbreuken te melden tegen de in deze verordening vastgestelde beginselen die de grenzen van hun bescherming bepalen, en zij mogen voor het melden van dergelijke inbreuken niet worden gestraft. De lidstaten moeten vaststellen welke gevolgen verbonden zijn aan het overtreden van de beginselen van bescherming van de melder en van andere in voorvalmeldingen genoemde personen, en moeten zo nodig herstelmaatregelen of sancties opleggen.

(43)

Het is mogelijk dat individuen worden ontmoedigd om voorvallen te melden omdat ze bang zijn zichzelf te beschuldigen en als gevolg daarvan eventueel gerechtelijk te worden vervolgd. De doelstellingen van deze verordening kunnen worden verwezenlijkt zonder onnodige inmenging in de rechtsstelsels van de lidstaten. Het is derhalve van belang te bepalen dat overtredingen van de wetgeving die onopzettelijk of uit onachtzaamheid zijn begaan en die uitsluitend door melding op grond van deze verordening ter kennis van de autoriteiten van de lidstaten zijn gebracht, niet aan een tuchtrechtelijke, administratieve of gerechtelijke procedure worden onderworpen, tenzij in toepasselijk nationaal strafrecht anders is bepaald. De rechten van derden om een civielrechtelijke procedure in te stellen mag echter niet onder dit verbod vallen, en dient uitsluitend onder het nationale recht te vallen.

(44)

Niettemin dienen de lidstaten de optie te behouden om, in het kader van de totstandbrenging van een „cultuur van billijkheid”, het verbod om voorvalmeldingen in administratieve en tuchtrechtelijke procedures te gebruiken als bewijslast tegen melders, uit te breiden tot civielrechtelijke of strafrechtelijke procedures.

(45)

Bovendien moet de samenwerking tussen veiligheidsautoriteiten en gerechtelijke autoriteiten worden verbeterd en in een formeel kader worden gegoten door vooraf onderlinge regelingen te treffen die moeten zorgen voor een evenwicht tussen de diverse meespelende publieke belangen en die in het bijzonder betrekking moeten hebben op de toegang tot en het gebruik van voorvalmeldingen in de nationale gegevensbanken.

(46)

Ter ondersteuning van de toegenomen verantwoordelijkheden die het Agentschap uit hoofde van deze verordening worden toebedeeld, moet het voldoende middelen krijgen om de hem toegewezen aanvullende taken uit te voeren.

(47)

Teneinde deze verordening aan te vullen of te wijzigen, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(48)

Bij het toepassen van deze verordening moet de Commissie het Agentschap en het in deze verordening bedoelde netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten raadplegen.

(49)

Om eenvormige voorwaarden voor de uitvoering van deze verordening te waarborgen, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend overeenkomstig Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (5).

(50)

De regels inzake gegevensverwerking en de bescherming van natuurlijke personen, als opgenomen in Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (6) en in Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (7), moeten volledig in acht worden genomen bij de toepassing van deze verordening. De regels inzake de toegang tot gegevens, als opgenomen in Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad (8), moeten volledig in acht worden genomen bij de toepassing van deze verordening, behalve met betrekking tot de verspreiding van gegevens en informatie in het Europees centraal register die beschermd zijn krachtens in de onderhavige verordening vastgestelde strengere toegangsregels.

(51)

Sancties moeten in het bijzonder kunnen worden opgelegd aan iedere persoon of entiteit die, in strijd met deze verordening, onjuist gebruik maken van overeenkomstig deze verordening beschermde informatie; die nadeel berokkent aan de melder van een voorval of aan andere in voorvalmeldingen genoemde personen, behalve in de gevallen waarin deze verordening in afwijkingen voorziet; die geen omgeving creëert die bevorderlijk is voor het verzamelen van de bijzonderheden over voorvallen; die de verzamelde informatie niet analyseert of geen maatregelen neemt om opgemerkte feitelijke of potentiële veiligheidstekortkomingen te verhelpen; of die de overeenkomstig deze verordening verzamelde informatie niet deelt.

(52)

Aangezien de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, vanwege de Europese werkingssfeer en gevolgen van deze verordening, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan nodig is om deze doelstellingen te verwezenlijken.

(53)

Verordening (EU) nr. 996/2010 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd.

(54)

Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (9), Verordening (EG) nr. 1321/2007 van de Commissie (10), en Verordening (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie (11) dienen derhalve te worden ingetrokken.

(55)

De Europese toezichthouder voor gegevensbescherming werd overeenkomstig artikel 28, lid 2, van Verordening (EG) nr. 45/2001 geraadpleegd en heeft op 10 april 2013 een advies uitgebracht (12),

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Doelstellingen

1.   Het doel van deze verordening is de veiligheid van de luchtvaart te verbeteren door ervoor te zorgen dat relevante veiligheidsinformatie met betrekking tot de burgerluchtvaart wordt gemeld, verzameld, opgeslagen, beschermd, uitgewisseld, verspreid en geanalyseerd.

Deze verordening garandeert:

a)

dat, in voorkomend geval, tijdig veiligheidsmaatregelen, gestoeld op een analyse van de verzamelde informatie, worden genomen;

b)

de permanente beschikbaarheid van veiligheidsinformatie door middel van het invoeren van regels over vertrouwelijkheid en gepast gebruik van informatie en door de geharmoniseerde en versterkte bescherming van melders en in voorvalmeldingen genoemde personen, en

c)

dat de veiligheidsrisico's in de luchtvaart zowel op het niveau van de Unie als op het nationale niveau worden bekeken en aangepakt.

2.   Het enige doel dat met de melding van voorvallen wordt beoogd, is ongevallen en incidenten te voorkomen en niet de schuld of aansprakelijkheid vast te stellen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „melder”: een natuurlijk persoon die een voorval of andere veiligheidsgerelateerde informatie meldt overeenkomstig deze verordening;

2.   „luchtvaartuig”: een toestel dat in de dampkring kan worden gehouden door krachten die de lucht daarop uitoefent, anders dan de krachten van de lucht tegen het aardoppervlak;

3.   „incident”: een incident in de zin van Verordening (EU) nr. 996/2010;

4.   „ernstig incident”: een ernstig incident in de zin van Verordening (EU) nr. 996/2010;

5.   „ongeval”: een ongeval in de zin van Verordening (EU) nr. 996/2010;

6.   „geanonimiseerde informatie”: uit voorvalmeldingen afkomstige informatie waaruit alle persoonsgegevens, zoals namen of adressen van natuurlijke personen, zijn gewist;

7.   „voorval”: elke veiligheidsgerelateerde gebeurtenis die een luchtvaartuig, de inzittenden of andere personen in gevaar brengt, of, indien niet gecorrigeerd of ondervangen, in gevaar zou kunnen brengen, en die in het bijzonder een ongeval of een ernstig incident omvat;

8.   „organisatie”: elke organisatie die luchtvaartproducten en/of –diensten levert en/of die personen welke overeenkomstig artikel 4, lid 6, gehouden zijn voorvallen te melden, in dienst heeft of inhuurt of van de diensten van die personen gebruik maakt;

9.   „anonimiseren”: het verwijderen uit voorvalmeldingen van alle persoonlijke bijzonderheden met betrekking tot de melder en de in voorvalmeldingen genoemde personen en van alle bijzonderheden, met inbegrip van de naam van de bij het voorval betrokken organisatie(s), die de identiteit van de melder, of van derden, kunnen onthullen of ertoe kunnen leiden dat die informatie uit de voorvalmelding wordt opgemaakt;

10.   „gevaar”: een toestand die of een object dat kan leiden tot overlijden of letsel bij een persoon, tot schade aan uitrusting of een constructie, tot verlies van materiaal, of tot vermindering van het vermogen een voorgeschreven functie te vervullen;

11.   „veiligheidsonderzoeksinstantie”: de permanente nationale instantie voor onderzoek naar de veiligheid in de burgerluchtvaart die veiligheidsonderzoeken uitvoert of toezicht houdt op dergelijke onderzoeken, als bedoeld in artikel 4 van Verordening (EU) nr. 996/2010;

12.   „cultuur van billijkheid”: een cultuur waarbij eerstelijnspersoneel of andere personen niet worden gestraft voor hun acties, nalatigheden of beslissingen die in overeenstemming zijn met hun ervaring en opleiding, maar waarbij grove nalatigheid, opzettelijke overtredingen en destructieve handelingen niet worden getolereerd;

13.   „contactpunt”:

a)

indien een verzoek om informatie wordt gedaan door een belanghebbende die in een lidstaat is gevestigd, de bevoegde autoriteit die overeenkomstig artikel 6, lid 3, door een lidstaat wordt aangewezen;

b)

indien een verzoek om informatie wordt gedaan door een belanghebbende die niet in de Unie is gevestigd, de Commissie;

14.   „belanghebbende”: iedere natuurlijke of rechtspersoon of iedere officiële instantie, al dan niet met een eigen rechtspersoonlijkheid, die in de positie verkeert om bij te dragen tot de verbetering van de luchtvaartveiligheid door het hebben van toegang tot door de lidstaten uitgewisselde informatie over voorvallen en die behoort tot één van de categorieën belanghebbenden als opgenomen in bijlage II;

15.   „nationaal veiligheidsprogramma”: een geïntegreerde reeks rechtshandelingen en activiteiten die erop gericht zijn om in een lidstaat de veiligheid van de burgerluchtvaart te beheren;

16.   „Europees plan voor de veiligheid van de luchtvaart”: de beoordeling van veiligheidskwesties en het bijbehorende actieplan op Europees niveau;

17.   „Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart”: de geïntegreerde reeks verordeningen op het niveau van de Unie, samen met de activiteiten en processen voor het gezamenlijk beheer van de veiligheid van de burgerluchtvaart op Europees niveau;

18.   „veiligheidsbeheersysteem”: een systematische benadering van het beheer van de luchtvaartveiligheid, met inbegrip van de nodige organisatorische structuren, verantwoordingsplicht, beleidsmaatregelen en procedures en met inbegrip van elk beheersysteem dat, onafhankelijk of geïntegreerd in andere beheersystemen van de organisatie, voor het beheer van de veiligheid zorgt.

Artikel 3

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   Deze verordening stelt regels vast betreffende:

a)

de melding van voorvallen die een luchtvaartuig, de inzittenden, andere personen of voor de vluchtuitvoering relevante uitrusting of installaties in gevaar brengen, of althans in gevaar zouden brengen indien ze niet zouden worden gecorrigeerd of ondervangen; en de melding van andere in dat verband relevante veiligheidsgerelateerde informatie;

b)

de analyse en follow-upacties met betrekking tot gemelde voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie;

c)

de bescherming van luchtvaartprofessionals;

d)

het gepast gebruik van verzamelde veiligheidsinformatie;

e)

het opnemen van informatie in het Europees centraal register, en

f)

het verspreiden van geanonimiseerde informatie onder belanghebbenden, met het doel die belanghebbenden te voorzien van de informatie die zij nodig hebben om de luchtvaartveiligheid te verbeteren.

2.   Deze verordening is van toepassing op voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie met betrekking tot burgerluchtvaartuigen, met uitzondering van de luchtvaartuigen bedoeld in bijlage II bij Verordening (EG) nr. 216/2008. De lidstaten kunnen besluiten deze verordening ook toe te passen op voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie met betrekking tot luchtvaartuigen als bedoeld in bijlage II bij die verordening.

Artikel 4

Verplichte melding

1.   Door middel van de systemen voor verplichte melding overeenkomstig dit artikel melden de in lid 6 bedoelde personen de voorvallen die een belangrijk risico voor de luchtvaartveiligheid kunnen inhouden en die tot de hierna vermelde categorieën behoren:

a)

voorvallen in verband met de vluchtuitvoering, zoals:

i)

voorvallen in verband met botsingen;

ii)

voorvallen in verband met starten en landen;

iii)

voorvallen in verband met de brandstof;

iv)

voorvallen tijdens de vlucht;

v)

voorvallen in verband met de communicatie;

vi)

voorvallen in verband met letsel, noodsituaties en andere kritieke situaties;

vii)

voorvallen die verband houden met het arbeidsongeschikt worden van bemanningsleden of die anderszins met bemanningsleden verband houden, en

viii)

voorvallen in verband met weersomstandigheden of in verband met beveiliging;

b)

voorvallen in verband met technische voorschriften, onderhoud en herstelling van luchtvaartuigen, zoals:

i)

constructiefouten;

ii)

storingen in systemen;

iii)

problemen in verband met onderhoud en herstelling;

iv)

problemen in verband met voortstuwing (met inbegrip van motoren, propellers n rotorsystemen), en

v)

problemen in verband met hulpaggregaten;

c)

voorvallen in verband met luchtvaartnavigatiediensten en -faciliteiten, zoals:

i)

botsingen, bijna-botsingen of potentiële botsingen;

ii)

specifieke voorvallen in verband met luchtverkeersbeheer en luchtvaartnavigatiediensten (ATM/ANS);

iii)

operationele ATM/ANS-voorvallen;

d)

voorvallen in verband met luchtvaartterreinen en gronddiensten, zoals:

i)

voorvallen in verband met activiteiten en faciliteiten van luchtvaartterreinen;

ii)

voorvallen in verband met de afhandeling van passagiers, bagage, post en vracht;

iii)

voorvallen in verband met de afhandeling van luchtvaartuigen op de grond en daarmee verband houdende diensten.

2.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie zet een systeem voor verplichte melding op teneinde het verzamelen van de bijzonderheden over de in lid 1 bedoelde voorvallen te faciliteren.

3.   Elke lidstaat zet een systeem voor verplichte melding op teneinde het verzamelen van de bijzonderheden over voorvallen te faciliteren, met inbegrip van het verzamelen van de bijzonderheden over voorvallen die overeenkomstig lid 2 door organisaties zijn verzameld.

4.   Het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart („het Agentschap”) zet een systeem voor verplichte melding op teneinde het verzamelen van de bijzonderheden over voorvallen te faciliteren, met inbegrip van de bijzonderheden over voorvallen die overeenkomstig lid 2 zijn verzameld door organisaties die door het Agentschap zijn gecertificeerd of goedgekeurd.

5.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen een lijst vast met een indeling in categorieën van voorvallen waarnaar moet worden verwezen bij de melding van voorvallen overeenkomstig lid 1. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Door middel van die uitvoeringshandelingen stelt de Commissie een afzonderlijke lijst vast met een indeling in categorieën van voorvallen die van toepassing is op andere luchtvaartuigen dan complexe motoraangedreven luchtvaartuigen. De lijst vormt een vereenvoudigde versie van de in de eerste alinea bedoelde lijst en wordt waar nodig aangepast aan de specifieke kenmerken van die tak van de luchtvaart.

6.   De volgende natuurlijke personen melden de in lid 1 bedoelde voorvallen via het systeem dat overeenkomstig lid 2 is opgezet door de organisatie die de melder in dienst heeft, contracteert of een beroep doet op zijn diensten, of, bij gebreke daarvan, via het systeem dat overeenkomstig lid 3 is opgezet door de lidstaat waar die organisatie gevestigd is of door de staat die het bewijs van bevoegdheid van de piloot heeft afgegeven, gevalideerd of omgezet, of via een systeem dat overeenkomstig lid 4 is opgezet door het Agentschap:

a)

de gezagvoerder of, in gevallen waarin de gezagvoerder niet in staat is het voorval te melden, enig ander op het eerstvolgende lagere niveau van de gezagsstructuur gesitueerd bemanningslid van een luchtvaartuig dat in een lidstaat is geregistreerd of van een luchtvaartuig dat buiten de Unie is geregistreerd maar wordt gebruikt door een exploitant bij wie een lidstaat toezicht op de activiteiten uitoefent, of door een exploitant die in de Unie gevestigd is;

b)

een persoon die zich, onder het toezicht van een lidstaat of onder het toezicht van het Agentschap, bezighoudt met het ontwerp, de fabricage, het monitoren van de permanente luchtwaardigheid, het onderhoud of de modificatie van een luchtvaartuig of de uitrusting of onderdelen daarvan;

c)

een persoon die, onder het toezicht van een lidstaat of van het Agentschap, een certificaat van herbeoordeling van de luchtwaardigheid of een certificaat van vrijgave voor de dienst ondertekent met betrekking tot een luchtvaartuig of de uitrusting of onderdelen daarvan;

d)

een persoon die een functie vervult waarvoor hij door een lidstaat moet worden gemachtigd als een personeelslid van een verlener van luchtverkeersdiensten belast met verantwoordelijkheden inzake luchtvaartnavigatiediensten of als een functionaris inzake het verlenen van vluchtinformatiediensten;

e)

een persoon die een functie vervult in verband met het veiligheidsbeheer van een luchthaven waarop Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad (13) van toepassing is;

f)

een persoon die een functie vervult in verband met installatie, modificatie, onderhoud, herstelling, revisie, vluchtverificatie of inspectie van luchtvaartnavigatiefaciliteiten waarop een lidstaat toezicht houdt;

g)

een persoon die een functie vervult in verband met de afhandeling van het luchtvaartuig op de grond, met inbegrip van tanken, opstelling van de vrachtbrieven, laden, ijsvrij maken en slepen op een luchthaven waarop Verordening (EG) nr. 1008/2008 van toepassing is.

7.   De in lid 6 vermelde personen melden voorvallen binnen 72 uur nadat zij kennis hebben gekregen van het voorval, tenzij buitengewone omstandigheden dit verhinderen.

8.   Elke organisatie die in een lidstaat gevestigd is en die niet onder lid 9 valt, meldt de overeenkomstig lid 2 van dit artikel verzamelde bijzonderheden over voorvallen, nadat een voorval is gemeld, zo spoedig mogelijk en in elk geval niet later dan 72 uur nadat zij kennis van het voorval heeft gekregen bij de in artikel 6, lid 3, bedoelde bevoegde autoriteit van die lidstaat.

9.   Elke organisatie die in een lidstaat gevestigd is en die door het Agentschap is gecertificeerd of goedgekeurd, meldt de overeenkomstig lid 2 verzamelde bijzonderheden over voorvallen, nadat het voorval is gemeld, zo spoedig mogelijk en in elk geval niet later dan 72 uur nadat zij kennis van het voorval heeft gekregen, bij het Agentschap.

Artikel 5

Vrijwillige melding

1.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie zet een systeem voor vrijwillige melding op teneinde het verzamelen te faciliteren van:

a)

bijzonderheden over voorvallen die mogelijks niet in het systeem van verplichte melding worden opgenomen;

b)

andere veiligheidsgerelateerde informatie die door de melder als een feitelijk of potentieel gevaar voor de luchtvaartveiligheid wordt beschouwd.

2.   Elke lidstaat zet een systeem voor vrijwillige melding op teneinde het verzamelen te faciliteren van:

a)

bijzonderheden over voorvallen die mogelijks niet in het systeem van verplichte melding worden opgenomen;

b)

andere veiligheidsgerelateerde informatie die door de melder als een feitelijk of potentieel gevaar voor de luchtvaartveiligheid wordt beschouwd.

Dat systeem omvat ook, doch niet uitsluitend, het verzamelen van de informatie die overeenkomstig lid 6 door organisaties is doorgestuurd.

3.   Het Agentschap zet een systeem voor vrijwillige melding op teneinde het verzamelen te faciliteren van:

a)

bijzonderheden over voorvallen die mogelijks niet in het systeem van verplichte melding worden opgenomen;

b)

andere veiligheidsgerelateerde informatie die door de melder als een feitelijk of potentieel gevaar voor de luchtvaartveiligheid wordt beschouwd.

Dat systeem omvat ook, doch niet uitsluitend, het verzamelen van de informatie die overeenkomstig lid 5 is overgemaakt door organisaties die door het Agentschap zijn gecertificeerd of goedgekeurd.

4.   De systemen voor vrijwillige melding worden gebruikt voor het faciliteren van het verzamelen van bijzonderheden over voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie:

a)

die niet vallen onder de verplichte melding overeenkomstig artikel 4, lid 1;

b)

die worden gemeld door personen die niet in artikel 4, lid 6, zijn opgenomen.

5.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie die door het Agentschap is gecertificeerd of goedgekeurd, meldt het Agentschap tijdig de bijzonderheden over voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie die overeenkomstig lid 1 zijn verzameld en die misschien een feitelijk of potentieel luchtvaartveiligheidsrisico inhouden.

6.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie die niet door het Agentschap is gecertificeerd of goedgekeurd, meldt de overeenkomstig artikel 6, lid 3, aangewezen bevoegde autoriteit van die lidstaat tijdig de bijzonderheden over voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie die zijn verzameld overeenkomstig lid 1 van dit artikel en die misschien een feitelijk of potentieel luchtvaartveiligheidsrisico inhouden. De lidstaten kunnen van elke op hun grondgebied gevestigde organisatie eisen dat deze de bijzonderheden over alle overeenkomstig lid 1 van dit artikel verzamelde voorvallen meldt.

7.   De lidstaten, het Agentschap en organisaties kunnen andere systemen voor het verzamelen en verwerken van veiligheidsinformatie opzetten om de bijzonderheden te verzamelen over voorvallen die mogelijkerwijs niet in de in artikel 4 en in de leden 1, 2 en 3 van het onderhavige artikel bedoelde meldingssystemen worden opgenomen. Die systemen kunnen het melden aan andere entiteiten dan de in artikel 6, lid 3, bepaalde omvatten, en kunnen een actieve deelname behelzen van:

a)

de luchtvaartindustrie;

b)

de beroepsorganisaties van het luchtvaartpersoneel.

8.   Informatie kan in één enkel systeem worden opgenomen, ongeacht of die informatie uit vrijwillige dan wel uit verplichte melding afkomstig is.

Artikel 6

Verzameling en opslag van informatie

1.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie wijst een of meer personen aan die de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over overeenkomstig de artikelen 4 en 5 gemelde voorvallen onafhankelijk verrichten.

De meldingen worden op zodanige wijze behandeld dat het gebruik van informatie voor andere dan veiligheidsdoeleinden wordt voorkomen en dat de vertrouwelijkheid van de identiteit van de melder en van de in voorvalmeldingen genoemde personen uit het oogpunt van het bevorderen van een „cultuur van billijkheid” afdoende gewaarborgd wordt.

2.   Met instemming van de bevoegde autoriteit kunnen kleine organisaties voorzien in een vereenvoudigd mechanisme voor de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over de voorvallen. Zij kunnen die taken delen met soortgelijke organisaties, met inachtneming van de voorschriften inzake vertrouwelijkheid en bescherming overeenkomstig deze verordening.

3.   Elke lidstaat wijst één of meer bevoegde autoriteiten aan teneinde een mechanisme voor het onafhankelijk verrichten van de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 gemelde voorvallen in te stellen.

De meldingen worden op zodanige wijze behandeld dat het gebruik van informatie voor andere dan veiligheidsdoeleinden wordt voorkomen en dat de geheimhouding van de identiteit van de melder en van de in voorvalmeldingen genoemde personen uit het oogpunt van het bevorderen van een „cultuur van billijkheid” afdoende gewaarborgd wordt.

De autoriteiten die krachtens de eerste alinea hetzij tezamen hetzij afzonderlijk kunnen worden aangewezen, zijn:

a)

de nationale burgerluchtvaartautoriteit, en/of

b)

de veiligheidsonderzoeksinstantie, en/of

c)

enig ander in de Unie gebaseerd onafhankelijk orgaan dat of enig andere onafhankelijke in de Unie gebaseerde entiteit die met deze functie is belast.

Indien een lidstaat meer dan één orgaan of entiteit aanwijst, wijst hij één daarvan aan als contactpunt voor het doorgeven van de in artikel 8, lid 2, bedoelde informatie.

4.   Het Agentschap wijst één of meer personen aan teneinde een mechanisme voor het onafhankelijk verrichten van de verzameling, beoordeling, verwerking, analyse en opslag van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 gemelde voorvallen in te stellen.

De meldingen worden op zodanige wijze behandeld dat het gebruik van informatie voor andere dan veiligheidsdoeleinden wordt voorkomen en dat de geheimhouding van de identiteit van de melder en van de in voorvalmeldingen genoemde personen uit het oogpunt van het bevorderen van een „cultuur van billijkheid” afdoende gewaarborgd wordt.

5.   Organisaties slaan de voorvalmeldingen die op basis van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 verzamelde voorvallen werden opgesteld, op in een of meer gegevensbanken.

6.   De op basis van de bijzonderheden over de overeenkomstig de artikelen 4 en 5 verzamelde voorvallen opgestelde voorvalmeldingen worden door de in lid 3 bedoelde bevoegde autoriteiten opgeslagen in een nationale gegevensbank.

7.   Relevante door veiligheidsonderzoeksinstanties verzamelde of verstrekte informatie betreffende ongevallen en ernstige incidenten wordt eveneens in de nationale gegevensbank opgeslagen.

8.   Het Agentschap slaat de voorvalmeldingen die zijn opgesteld op basis van de overeenkomstig artikelen 4 en 5 verzamelde bijzonderheden over de voorvallen, op in een gegevensbank.

9.   Veiligheidsonderzoeksinstanties hebben volledige toegang tot hun respectieve in lid 6 bedoelde nationale databanken ten behoeve van het nakomen van hun verantwoordelijkheden uit hoofde van de in artikel 5, lid 4, van Verordening (EU) nr. 996/2010.

10.   Burgerluchtvaart autoriteiten van de lidstaten hebben volledige toegang tot hun respectieve in lid 6 bedoelde nationale gegevensbank ten behoeve van hun veiligheidsgerelateerde verantwoordelijkheden.

Artikel 7

Kwaliteit en inhoud van voorvalmeldingen

1.   De in artikel 6 bedoelde voorvalmeldingen bevatten ten minste de in bijlage I vermelde informatie.

2.   De in artikel 6, leden 5, 6 en 8, bedoelde voorvalmeldingen bevatten een veiligheidsrisicoclassificatie voor het desbetreffende voorval. Die classificatie wordt herzien en, indien nodig gewijzigd, en vervolgens bekrachtigd door de bevoegde autoriteit van de lidstaat of door het Agentschap, overeenkomstig het in lid 5 van dit artikel bedoelde gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem.

3.   Organisaties, de lidstaten en het Agentschap voeren kwaliteitsprocessen in teneinde de samenhang van de gegevens te verbeteren, met name tussen de aanvankelijk verzamelde informatie en de in de gegevensbank opgeslagen melding.

4.   De in artikel 6, leden 5, 6 en 8, bedoelde gegevensbanken maken gebruik van formats die:

a)

gestandaardiseerd zijn teneinde de uitwisseling van informatie te faciliteren, en

b)

compatibel zijn met de Eccairs-software en met het ADREP-systeem.

5.   De Commissie ontwikkelt in nauwe samenwerking met de lidstaten en het Agentschap via het netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten als bedoeld in artikel 14, lid 2, een gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem teneinde de organisaties, de lidstaten en het Agentschap in staat te stellen voorvallen naar veiligheidsrisico in te delen. Daarbij houdt de Commissie rekening met de behoefte aan compatibiliteit met bestaande risicoclassificatiesystemen.

De Commissie ontwikkelt dat systeem uiterlijk op 15 mei 2017.

6.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen ter omschrijving van het gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem.

7.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de regelingen voor de uitvoering van het gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem vast. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

8.   De Commissie en het Agentschap steunen de bevoegde autoriteiten van de lidstaten bij hun taak tot data-integratie, met inbegrip van bijvoorbeeld:

a)

de integratie van de in lid 1 bedoelde minimuminformatie;

b)

de risicoclassificatie van voorvallen als bedoeld in lid 2, en

c)

het vaststellen van kwaliteitscontroleprocessen als bedoeld in lid 3.

De Commissie en het Agentschap verlenen die steun op een zodanige manier dat hij bijdraagt tot de harmonisering van de gegevensinvoer in alle lidstaten, in het bijzonder door de terbeschikkingstelling aan het personeel dat werkzaam is in de in artikel 6, leden 1, 3 en 4 bedoelde organen of entiteiten, van:

a)

richtsnoeren;

b)

workshops, en

c)

gepaste opleiding.

Artikel 8

Europees centraal register

1.   De Commissie beheert een Europees centraal register waarin alle in de Unie verzamelde voorvalmeldingen worden opgeslagen.

2.   Elke lidstaat actualiseert, in overleg met de Commissie, het Europees centraal register door alle veiligheidsgerelateerde informatie die in de in artikel 6, lid 6, bedoelde nationale gegevensbanken is opgeslagen, naar dit register door te sturen.

3.   Het Agentschap bereikt met de Commissie overeenstemming over de technische protocollen voor het naar het Europees centraal register doorsturen van alle voorvalmeldingen die krachtens Verordening (EG) nr. 216/2008 en de uitvoeringsvoorschriften daarvan door het Agentschap zijn verzameld, in het bijzonder voor voorvallen die zijn opgeslagen in het intern voorvalmeldingssysteem, alsook van de informatie die overeenkomstig artikel 4, lid 9, en artikel 5, lid 5, is verzameld.

4.   De Commissie stelt door middel van uitvoeringshandelingen de regelingen vast voor het beheer van het Europees centraal register, als bedoeld in de leden 1 en 2. Die uitvoeringshandelingen worden vastgesteld volgens de in artikel 19, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure.

Artikel 9

Uitwisseling van informatie

1.   De lidstaten en het Agentschap nemen deel aan een uitwisseling van informatie door alle informatie gerelateerd aan veiligheid die in hun respectieve gegevensbanken is opgeslagen ter beschikking te stellen van de bevoegde autoriteiten van de andere lidstaten, het Agentschap en de Commissie, via het Europees centraal register.

Voorvalmeldingen worden uiterlijk 30 dagen nadat zij in de nationale gegevensbank zijn ingevoerd, naar het Europees centraal register doorgestuurd.

Telkens als dit nodig is, worden voorvalmeldingen geactualiseerd met aanvullende informatie gerelateerd aan veiligheid.

2.   De lidstaten sturen eveneens informatie over ongevallen en ernstige incidenten door naar het Europees centraal register, en wel als volgt:

a)

tijdens een lopend onderzoek, voorlopige feitelijke informatie over ongevallen en ernstige incidenten;

b)

na afloop van het onderzoek:

i)

het definitieve onderzoeksverslag, en

ii)

indien beschikbaar, een samenvatting van het definitieve onderzoeksverslag in het Engels.

3.   Een lidstaat of het Agentschap stuurt alle relevante informatie gerelateerd aan veiligheid zo spoedig mogelijk toe aan de relevante autoriteit van de lidstaat of aan het Agentschap, en verzamelt ondertussen de bijzonderheden over voorvallen, of brengt bij het opslaan van voorvalmeldingen of het verrichten van een analyse overeenkomstig artikel 13, lid 6, veiligheidskwesties in kaart die:

a)

als van belang zijnde voor andere lidstaten of voor het Agentschap worden beschouwd, of

b)

mogelijkerwijs door andere lidstaten of door het Agentschap te nemen veiligheidsmaatregelen vergen.

Artikel 10

Verspreiding van in het Europees centraal register opgeslagen informatie

1.   Alle met het reguleren van de veiligheid van de burgerluchtvaart belaste instanties of veiligheidsonderzoeksinstanties in de Unie hebben beveiligde, volledige onlinetoegang tot de in het Europees centraal register opgenomen informatie over voorvallen.

Op het gebruik van de informatie zijn de artikelen 15 en 16 van toepassing.

2.   De in bijlage II vermelde belanghebbenden kunnen toegang vragen tot bepaalde informatie in het Europees centraal register.

In de Unie gevestigde belanghebbenden richten hun verzoeken om informatie tot het contactpunt in de lidstaat waarin zij zijn gevestigd.

Belanghebbenden die buiten de Unie zijn gevestigd, richten hun verzoek tot de Commissie.

De Commissie stelt de bevoegde autoriteit van de betrokken lidstaat in kennis van de overeenkomstig dit lid ingediende verzoeken.

3.   Onder voorbehoud van artikel 15, lid 2, van Verordening (EU) nr. 996/2010 mag de in het Europees centraal register opgenomen informatie over lopende, overeenkomstig die verordening verrichte veiligheidsonderzoeken niet overeenkomstig het onderhavige artikel ter kennis van belanghebbenden worden gebracht.

4.   Om veiligheidsredenen wordt aan belanghebbenden geen rechtstreekse toegang tot het Europees centraal register verleend.

Artikel 11

Verwerking van verzoeken en besluiten

1.   Verzoeken om in het Europees centraal register opgenomen informatie worden ingediend met behulp van door het contactpunt goedgekeurde formulieren. Die formulieren bevatten ten minste de in bijlage III vermelde punten.

2.   Een contactpunt dat een verzoek ontvangt, gaat na of:

a)

het verzoek afkomstig is van een belanghebbende;

b)

het bevoegd is om dat verzoek te behandelen.

Indien het contactpunt vaststelt dat een andere lidstaat of de Commissie bevoegd is om het verzoek te behandelen, zendt deze het verzoek door naar die lidstaat, respectievelijk naar de Commissie.

3.   Een contactpunt dat een verzoek ontvangt, beoordeelt per geval of het verzoek gerechtvaardigd en uitvoerbaar is.

Een contactpunt kan belanghebbenden informatie verstrekken op papier of via beveiligde elektronische communicatiemiddelen.

4.   Indien het verzoek wordt aanvaard, bepaalt het contactpunt de hoeveelheid en het niveau van de te verstrekken informatie. Onverminderd de artikelen 15 en 16 wordt de informatie beperkt tot hetgeen strikt vereist is voor het doel van het verzoek.

Informatie die geen verband houdt met de uitrusting, de activiteiten of het werkterrein van de belanghebbende zelf, wordt uitsluitend in geaggregeerde of geanonimiseerde vorm verstrekt. Informatie in niet-geaggregeerde vorm mag aan de belanghebbende worden verstrekt indien deze zijn verzoek uitvoerig schriftelijk motiveert. Op het gebruik van die informatie zijn de artikelen 15 en 16 van toepassing.

5.   Het contactpunt verstrekt aan de in bijlage II, onder b), vermelde belanghebbenden alleen informatie met betrekking tot de uitrusting, activiteiten of het werkterrein van de belanghebbende zelf.

6.   Een contactpunt dat een verzoek ontvangt van een in bijlage II, onder a), vermelde belanghebbende kan een algemeen besluit nemen om op regelmatige basis informatie te verstrekken aan die belanghebbende, op voorwaarde dat:

a)

de gevraagde informatie betrekking heeft op de uitrusting, de activiteiten of het werkterrein van de belanghebbende zelf;

b)

het algemeen besluit geen toegang verleent tot de volledige inhoud van de gegevensbank, en

c)

het algemeen besluit alleen betrekking heeft op geanonimiseerde informatie.

7.   De belanghebbende gebruikt de uit hoofde van dit artikel ontvangen informatie onder de volgende voorwaarden:

a)

de belanghebbende gebruikt de informatie alleen voor het in het verzoekformulier vermelde doel, dat verenigbaar dient te zijn met de in artikel 1 vermelde doelstelling van deze verordening, en

b)

de belanghebbende maakt de ontvangen informatie niet openbaar zonder schriftelijke toestemming van de informatieverstrekker en neemt de nodige maatregelen om gepaste vertrouwelijkheid van de ontvangen informatie te garanderen.

8.   Het besluit om informatie te verspreiden overeenkomstig dit artikel blijft beperkt tot hetgeen strikt noodzakelijk is voor de doeleinden van de gebruiker.

Artikel 12

Register van verzoeken en uitwisseling van informatie

1.   Het contactpunt registreert alle ontvangen verzoeken en de overeenkomstig dat verzoek ondernomen actie.

Telkens een verzoek wordt ontvangen en/of actie wordt ondernomen, wordt die informatie tijdig aan de Commissie overgemaakt.

2.   De Commissie stelt de geactualiseerde lijst van door de verschillende contactpunten en de Commissie zelf ontvangen verzoeken en ondernomen actie beschikbaar aan alle contactpunten.

Artikel 13

Analyse en follow-up van voorvallen op nationaal niveau

1.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie ontwikkelt een proces voor het analyseren van de voorvallen die overeenkomstig artikel 4, lid 2, en artikel 5, lid 1, zijn verzameld, teneinde na te gaan welke gevaren voor de veiligheid verbonden zijn aan de vastgestelde voorvallen of groepen voorvallen.

Op basis van die analyse bepaalt elke organisatie welke passende correctieve of preventieve maatregelen er eventueel nodig zijn om de luchtvaartveiligheid te verbeteren.

2.   Indien een in een lidstaat gevestigde organisatie na de in lid 1 bedoelde analyse een passende correctieve of preventieve maatregel vaststelt die nodig is om feitelijke of potentiële luchtvaartveiligheidstekortkomingen te verhelpen, onderneemt zij de volgende stappen:

a)

zij voert die maatregelen tijdig uit, en

b)

zij stelt een proces in om de uitvoering en de effectiviteit van de maatregelen te monitoren.

3.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie stelt zijn werknemers en aangeworven personeel regelmatig in kennis van de informatie inzake de analyse en de follow-up van de voorvallen ten aanzien waarvan preventieve of corrigerende maatregelen zijn genomen.

4.   Indien een in een lidstaat gevestigde organisatie die niet onder lid 5 valt, ten gevolge van haar analyse van de overeenkomstig artikel 4, lid 8, en artikel 5, lid 6, gemelde voorvallen of groep voorvallen een feitelijk of potentieel luchtvaartveiligheidsrisico vaststelt, stelt zij de bevoegde autoriteit van die lidstaat binnen 30 dagen na de datum waarop de melder het voorval heeft gemeld, in kennis van:

a)

de voorlopige resultaten van de eventuele, overeenkomstig lid 1 verrichte analyse, en

b)

de eventueel overeenkomstig lid 2 te nemen maatregelen.

De organisatie rapporteert, indien nodig, de eindresultaten van de analyse zodra deze beschikbaar zijn en in beginsel niet later dan drie maanden na de datum van melding van het voorval.

Een bevoegde autoriteit van een lidstaat mag een organisatie verzoeken om toezending van de voorlopige of de eindresultaten van de analyse van een voorval waarvan zij in kennis is gesteld maar ten aanzien waarvan zij geen follow-up of enkel de voorlopige resultaten heeft ontvangen.

5.   Wanneer een organisatie die in een lidstaat gevestigd is en die door het Agentschap is gecertificeerd of goedgekeurd een feitelijk of potentieel risico voor de luchtvaartveiligheid vaststelt op basis van haar analyse van voorvallen of van een groep voorvallen ingevolge artikel 4, lid 9, en artikel 5, lid 5, stelt zij binnen 30 dagen na de datum waarop de melder het voorval heeft gemeld, het Agentschap in kennis van:

a)

de voorlopige resultaten van de overeenkomstig lid 1 verrichte analyse, indien die voorhanden zijn, en

b)

enige overeenkomstig lid 2 te nemen maatregelen.

De door het Agentschap gecertificeerde of goedgekeurde organisatie stelt het Agentschap, indien nodig, zodra deze beschikbaar zijn en in beginsel niet later dan drie maanden na de datum van melding van het voorval in kennis van de eindresultaten van de analyse.

Het Agentschap mag organisaties verzoeken om toezending van de voorlopige of de eindresultaten van de analyse van een voorval waarvan het in kennis is gesteld maar ten aanzien waarvan het geen follow-up of enkel de voorlopige resultaten heeft ontvangen.

6.   Elke lidstaat en het Agentschap ontwikkelen een proces voor het analyseren van de informatie over voorvallen die overeenkomstig artikel 4, lid 6, en artikel 5, leden 2 en 3, rechtstreeks aan hen zijn gemeld, teneinde na te gaan welke gevaren voor de veiligheid verbonden zijn aan die voorvallen. Op basis van die analyse bepalen zij welke passende correctieve of preventieve maatregelen er nodig zijn om de luchtvaartveiligheid te verbeteren.

7.   Indien een lidstaat of het Agentschap, ten gevolge van de analyse bedoeld in lid 6, enige passende correctieve of preventieve maatregelen vaststelt die nodig zijn om feitelijke of potentiële veiligheidstekortkomingen te verhelpen, onderneemt de lidstaat of het Agentschap de volgende stappen:

a)

de tijdige uitvoering van die maatregelen, en

b)

de instelling van een proces om de uitvoering en de effectiviteit van de maatregelen te monitoren.

8.   Voor elk voorval of elke groep voorvallen waarvoor overeenkomstig de leden 4 of 5 monitoring plaatsvindt, hebben elke lidstaat en het Agentschap toegang tot de verrichte analyse en monitoren zij op passende wijze de maatregelen die worden genomen door de organisaties waarvoor zij respectievelijk verantwoordelijk zijn.

Indien een lidstaat of het Agentschap concludeert dat de gemelde maatregelen niet op passende wijze worden uitgevoerd of ondoeltreffend zijn om de feitelijke of potentiële veiligheidstekortkomingen te verhelpen, zorgt die lidstaat of het Agentschap ervoor dat de organisatie in kwestie aanvullende passende maatregelen neemt en uitvoert.

9.   De eventueel beschikbare informatie met betrekking tot de analyse en de follow-up van individuele voorvallen of groepen voorvallen, verkregen overeenkomstig dit artikel, worden tijdig en uiterlijk twee maanden na de opslag ervan in de nationale gegevensbank overeenkomstig artikel 8, leden 2 en 3, opgeslagen in het Europees centraal register.

10.   De lidstaten gebruiken de uit de analyse van voorvalmeldingen verkregen informatie om te helpen bepalen welke corrigerende maatregelen er eventueel binnen het nationale veiligheidsprogramma moeten worden genomen.

11.   Om het publiek te informeren over het niveau van de veiligheid in de burgerluchtvaart, publiceert elke lidstaat ten minste jaarlijks een veiligheidsoverzicht dat:

a)

met geaggregeerde en geanonimiseerde informatie bevat over het type voorvallen en andere veiligheidsgerelateerde informatie die via hun nationale systemen voor verplichte en voor vrijwillige melding van voorvallen zijn gemeld;

b)

melding maakt van trends, en

c)

melding maakt van de door de lidstaat genomen maatregelen.

12.   De lidstaten kunnen ook geanonimiseerde voorvalmeldingen en resultaten van risicoanalyses publiceren.

Artikel 14

Analyse en follow-up van voorvallen op het niveau van de Unie

1.   De Commissie, het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten nemen regelmatig en in onderlinge samenwerking deel aan de uitwisseling en analyse van de informatie in het Europees centraal register.

Onverminderd de in deze verordening opgenomen vertrouwelijkheidsvereisten kunnen in passende, afzonderlijke gevallen waarnemers worden uitgenodigd.

2.   De Commissie, het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten werken samen door middel van een netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten.

Het netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten draagt bij tot de verbetering van de luchtvaartveiligheid in de Unie, in het bijzonder door veiligheidsanalyses uit te voeren ter ondersteuning van het Europees programma voor de veiligheid van de luchtvaart en het Europees plan voor de veiligheid van de luchtvaart.

3.   Het Agentschap ondersteunt de activiteiten van het netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten, bijvoorbeeld door bijstand te verlenen voor de voorbereiding en organisatie van de vergaderingen van het netwerk.

4.   Het Agentschap neemt informatie over het resultaat van de in lid 1 bedoelde analyse van informatie op in het in artikel 15, lid 4, van Verordening (EG) nr. 216/2008 bedoelde jaarlijkse veiligheidsoverzicht.

Artikel 15

Vertrouwelijkheid en passend gebruik van informatie

1.   De lidstaten en de organisaties, overeenkomstig hun nationale recht, alsook het Agentschap, nemen de nodige maatregelen om een passende vertrouwelijkheid te waarborgen van de bijzonderheden over voorvallen die zij overeenkomstig de artikelen 4, 5 en 10 hebben ontvangen.

Elke lidstaat, elke in een lidstaat gevestigde organisatie of het Agentschap verwerkt persoonsgegevens uitsluitend voor zover dit nodig is voor het doel van deze verordening, en onverminderd de nationale wetgevingshandelingen ter omzetting van Richtlijn 95/46/EG.

2.   Onverminderd het bepaalde inzake de bescherming van veiligheidsinformatie in de artikelen 12, 14 en 15 van Verordening (EU) nr. 996/2010 wordt informatie afgeleid uit voorvalmeldingen uitsluitend gebruikt voor het doel waarvoor die informatie is verzameld.

De lidstaten, het Agentschap en de organisaties stellen de informatie over voorvallen niet ter beschikking of gebruiken deze niet:

a)

om schuld of aansprakelijkheid vast te stellen, of

b)

voor een ander doel dan het in stand houden of verbeteren van de veiligheid van de luchtvaart.

3.   Wanneer de Commissie, het Agentschap en de bevoegde autoriteiten van de lidstaten zich kwijten van de verplichtingen in het kader van artikel 14 met betrekking tot de informatie in het Europees centraal register:

a)

zorgen zij ervoor dat die informatie vertrouwelijk blijft, en

b)

beperken zij het gebruik van die informatie tot hetgeen strikt noodzakelijk is om te voldoen aan hun veiligheidsgerelateerde verplichtingen, zonder schuld of aansprakelijkheid vast te stellen; in die optiek wordt de informatie in het bijzonder gebruikt voor risicobeheer en voor de analyse van veiligheidstrends die kunnen leiden tot veiligheidsaanbevelingen of veiligheidsmaatregelen met het oogmerk feitelijke of potentiële veiligheidstekortkomingen te ondervangen.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun in artikel 6, lid 3, bedoelde bevoegde autoriteiten en hun bevoegde gerechtelijke instanties met elkaar samenwerken door middel van vooraf vastgestelde administratieve regelingen. Die vooraf vastgestelde administratieve regelingen beogen te zorgen voor een juist evenwicht tussen de behoefte aan goede rechtsbedeling enerzijds en de noodzakelijke permanente beschikbaarheid van veiligheidsinformatie anderzijds.

Artikel 16

Bescherming van de informatiebron

1.   Voor de toepassing van dit artikel omvat het begrip „persoonsgegevens” in het bijzonder de namen of adressen van natuurlijke personen.

2.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie zorgt ervoor dat alle persoonsgegevens voor personeelsleden van die organisatie, andere dan overeenkomstig artikel 6, lid 1, aangewezen personen, uitsluitend beschikbaar zijn gesteld indien dat absoluut noodzakelijk is om voorvallen te onderzoeken met het oog op het verbeteren van de luchtvaartveiligheid.

Geanonimiseerde informatie wordt verspreid in de organisatie, voor zover passend.

3.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat geen persoonsgegevens in de in artikel 6, lid 6, bedoelde nationale gegevensbank worden opgeslagen. Dergelijke geanonimiseerde informatie wordt ter beschikking gesteld van alle relevante partijen, bijvoorbeeld om hen in staat te stellen hun verplichtingen met betrekking tot de verbetering van de luchtvaartveiligheid na te komen.

4.   Het Agentschap zorgt ervoor dat geen persoonsgegevens in de in artikel 6, lid 8, bedoelde gegevensbank van het Agentschap worden opgeslagen. Dergelijke geanonimiseerde informatie wordt ter beschikking gesteld van alle relevante partijen, bijvoorbeeld om hen in staat te stellen hun verplichtingen met betrekking tot de verbetering van de luchtvaartveiligheid na te komen.

5.   Niets belet de lidstaten en het Agentschap de met het oog op het in stand houden of verbeteren van de luchtvaartveiligheid noodzakelijke maatregelen te nemen.

6.   Onverminderd het toepasselijke nationale strafrecht, stellen de lidstaten geen procedures in met betrekking tot overtredingen die onopzettelijk of uit onachtzaamheid zijn begaan en welke uitsluitend onder hun aandacht komen omdat er overeenkomstig de artikelen 4 en 5 melding van is gedaan.

De eerste alinea is niet van toepassing op de in lid 10 bedoelde gevallen. De lidstaten kunnen maatregelen blijven toepassen of aannemen om de bescherming te verhogen van melders of van de in voorvalmeldingen genoemde personen. Lidstaten kunnen in het bijzonder deze regel toepassen zonder de in lid 10 bedoelde uitzonderingen.

7.   Indien tuchtrechtelijke of administratieve procedures in het kader van het nationale recht worden ingesteld, wordt de in voorvalmeldingen vervatte informatie niet gebruikt tegen:

a)

de melders, of

b)

de in voorvalmeldingen genoemde personen.

De eerste alinea is niet van toepassing op de in lid 10 bedoelde gevallen.

De lidstaten kunnen maatregelen blijven toepassen of aannemen om de bescherming te verhogen van melders of van de in voorvalmeldingen genoemde personen. De lidstaten kunnen deze bescherming in het bijzonder uitbreiden tot civielrechtelijke of strafrechtelijke procedures.

8.   De lidstaten kunnen wettelijke bepalingen invoeren of handhaven die zorgen voor een hoger niveau van bescherming voor de melders of de in voorvalmeldingen genoemde personen dan het niveau dat in deze verordening is vastgesteld.

9.   Behalve bij toepassing van lid 10 worden werknemers en gecontracteerde personeelsleden die voorvallen melden of die worden genoemd in overeenkomstig de artikelen 4 en 5 verzamelde voorvalmeldingen, door hun werkgever of door de organisatie waarvoor de diensten worden verleend, niet benadeeld op grond van de informatie die door de melder is verstrekt.

10.   De bescherming in het kader van de leden 6, 7 en 9 van dit artikel is niet van toepassing in de volgende gevallen:

a)

opzettelijk wangedrag;

b)

wanneer sprake is van een manifeste, zware en ernstige verwaarlozing van een kennelijk risico en een fundamenteel tekortschieten in de beroepsverantwoordelijkheid om de in de omstandigheden vereiste zorgvuldigheid te betrachten, waardoor te voorziene schade wordt veroorzaakt aan een persoon of eigendom of het niveau van de luchtvaartveiligheid ernstig wordt aangetast.

11.   Elke in een lidstaat gevestigde organisatie stelt, na overleg met haar personeelsvertegenwoordigers, interne regels vast die beschrijven hoe de beginselen van een „cultuur van billijkheid”, en in het bijzonder het in lid 9 bedoelde beginsel, binnen die organisatie worden gewaarborgd en toegepast.

Het overeenkomstig lid 12 aangewezen orgaan kan vragen dat de interne regels van de in zijn lidstaat gevestigde organisaties worden getoetst alvorens aan die interne regels uitvoering wordt gegeven.

12.   Elke lidstaat wijst een orgaan aan dat verantwoordelijk is voor de uitvoering van de leden 6, 9 en 11.

Werknemers en aangeworven personeel kunnen vermeende inbreuken op de in dit artikel vastgestelde regels aan dat orgaan melden. Werknemers en aangeworven personeel worden niet gestraft voor het melden van dergelijke vermeende inbreuken. Werknemers en aangeworven personeel kunnen de Commissie in kennis stellen van dergelijke vermeende inbreuken.

Het aangewezen orgaan verstrekt, wanneer passend, de bevoegde autoriteiten van zijn lidstaat advies omtrent herstelmaatregelen of sancties in toepassing van artikel 21.

13.   Op 15 mei 2019 en nadien om de vijf jaar zendt elke lidstaat de Commissie een verslag toe over de toepassing van dit artikel, en met name over de activiteiten van het overeenkomstig lid 12 aangewezen orgaan. Het verslag bevat geen persoonsgegevens.

Artikel 17

Actualisering van de bijlagen

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen teneinde:

a)

de lijst van de in bijlage I omschreven verplichte gegevensvelden in voorvalmeldingen te actualiseren, wanneer uit de bij de toepassing van deze verordening opgedane ervaring blijkt dat wijzigingen noodzakelijk zijn om de luchtvaartveiligheid te verbeteren;

b)

het in bijlage III vervatte aanvraagformulier voor informatie uit het Europees centraal register te actualiseren om rekening te houden met de opgedane ervaring en met nieuwe ontwikkelingen;

c)

de bijlagen in overeenstemming te brengen met de Eccairs-software en het ADREP-systeem, alsook met andere wetgevingshandelingen van de Unie en met internationale overeenkomsten.

Met het oog op de actualisering van de lijst van verplichte velden, verstrekken het Agentschap en het in artikel 14, lid 2, bedoelde netwerk van luchtvaartveiligheidsanalisten de Commissie passend advies.

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 7, lid 6, en artikel 17 bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang van de datum van inwerkingtreding van deze verordening. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van eenzelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 7, lid 6, en artikel 17 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 7, lid 6, en artikel 17 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben medegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 19

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité ingesteld bij artikel 65 van Verordening (EG) nr. 216/2008. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing. Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 20

Toegang tot documenten en bescherming van persoonsgegevens

1.   Met uitzondering van de artikelen 10 en 11, waarin strengere regels inzake de toegang tot de gegevens en de informatie in het Europees centraal register zijn vastgesteld, is deze verordening van toepassing onverminderd Verordening (EG) nr. 1049/2001.

2.   Deze verordening is van toepassing onverminderd nationale wetgevingshandelingen tot omzetting van Richtlijn 95/46/EG en in overeenstemming met Verordening (EG) nr. 45/2001.

Artikel 21

Sancties

De lidstaten stellen voorschriften vast inzake de sancties die van toepassing zijn bij inbreuken op deze verordening. De vastgestelde sancties moeten doeltreffend, evenredig en afschrikkend zijn. De lidstaten stellen de Commissie in kennis van die bepalingen en delen haar eventuele wijzigingen daarvan mede.

Artikel 22

Wijziging van Verordening (EU) nr. 996/2010

Artikel 19 van Verordening (EU) nr. 996/2010 wordt geschrapt.

Dat artikel blijft evenwel van toepassing tot de datum waarop deze verordening overeenkomstig artikel 24, lid 3, van toepassing wordt.

Artikel 23

Intrekking

Richtlijn 2003/42/EG, Verordening (EG) nr. 1321/2007 en Verordening (EG) nr. 1330/2007 worden ingetrokken. Zij blijven evenwel van toepassing tot de datum waarop deze verordening overeenkomstig artikel 24, lid 3, van toepassing wordt.

Artikel 24

Inwerkingtreding en toepassing

1.   Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

2.   Uiterlijk op 16 november 2020 publiceert de Commissie een evaluatieverslag over de tenuitvoerlegging van deze verordening en legt ze dit voor aan het Europees Parlement en de Raad. In dat verslag wordt in het bijzonder ingegaan op de mate waarin de verordening bijdraagt tot een daling van het aantal luchtvaartongevallen en van het aantal daaraan gerelateerde dodelijke slachtoffers. Indien passend doet de Commissie op basis van dat verslag voorstellen tot wijziging van deze verordening.

3.   Deze verordening is van toepassing met ingang van 15 november 2015, doch niet vóór de inwerkingtreding van de in artikel 4, lid 5, bedoelde uitvoeringsmaatregelen. Artikel 7, lid 2, is van toepassing na de inwerkingtreding van de gedelegeerde handelingen en uitvoeringshandelingen tot nadere bepaling en tot ontwikkeling van het in artikel 7, leden 6 en 7, bedoelde gemeenschappelijk Europees risicoclassificatiesysteem.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 3 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 198 van 10.7.2013, blz. 73.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 26 februari 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 14 maart 2014.

(3)  Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 20 oktober 2010 inzake onderzoek en preventie van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart en tot intrekking van Richtlijn 94/56/EG (PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35).

(4)  Verordening (EG) nr. 216/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 20 februari 2008 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels op het gebied van burgerluchtvaart en tot oprichting van een Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart, houdende intrekking van Richtlijn 91/670/EEG, Verordening (EG) nr. 1592/2002 en Richtlijn 2004/36/EG (PB L 79 van 19.3.2008, blz. 1).

(5)  Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13).

(6)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(7)  Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2000 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens door de communautaire instellingen en organen en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1).

(8)  Verordening (EG) nr. 1049/2001 van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 2001 inzake de toegang van het publiek tot documenten van het Europees Parlement, de Raad en de Commissie (PB L 145 van 31.5.2001, blz. 43).

(9)  Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juni 2003 inzake de melding van voorvallen in de burgerluchtvaart (PB L 167 van 4.7.2003, blz. 23).

(10)  Verordening (EG) nr. 1321/2007 van de Commissie van 12 november 2007 tot vaststelling van uitvoeringsbepalingen om informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart op te nemen in een centraal register overeenkomstig Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 294 van 13.11.2007, blz. 3).

(11)  Verordening (EG) nr. 1330/2007 van de Commissie van 24 september 2007 tot vaststelling van uitvoeringsregels voor de verspreiding onder belanghebbenden van informatie over voorvallen in de burgerluchtvaart als bedoeld in artikel 7, lid 2, van Richtlijn 2003/42/EG van het Europees Parlement en de Raad (PB L 295 van 14.11.2007, blz. 7).

(12)  PB C 358 van 7.12.2013, blz. 19.

(13)  Verordening (EG) nr. 1008/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 24 september 2008 inzake gemeenschappelijke regels voor de exploitatie van luchtdiensten in de Gemeenschap (PB L 293 van 31.10.2008, blz. 3).


BIJLAGE I

LIJST VAN VOORSCHRIFTEN DIE VAN TOEPASSING ZIJN OP DE REGELINGEN VOOR VERPLICHTE EN VOOR VRIJWILLIGE MELDING VAN VOORVALLEN

Noot:

De gevraagde informatie moet verplicht in de gegevensvelden worden ingevuld. Indien de bevoegde autoriteiten van de lidstaten of het Agentschap deze informatie niet kunnen meedelen omdat zij niet is verstrekt door de organisatie of de melder, kan in het gegevensveld de vermelding „onbekend” worden ingevuld. Met het oog op de doorgifte van passende informatie moet de vermelding „onbekend” echter zoveel mogelijk worden vermeden, en moet de melding later, waar mogelijk, met de informatie worden aangevuld.

1.   GEMEENSCHAPPELIJKE VERPLICHTE GEGEVENSVELDEN

Bij het invoeren, in hun respectieve gegevensbanken, van informatie over elk verplicht en, voor zover mogelijk, elk vrijwillig gemeld voorval zorgen de organisaties, de lidstaten en het Agentschap ervoor dat in hun gegevensbanken opgeslagen voorvalmeldingen ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

Headline

Headline

2.

Informatie over het dossier

Verantwoordelijke instantie

Dossiernummer

Status van het voorval

3.

Wanneer

UTC-datum

4.

Waar

Land/gebied van het voorval

Locatie van het voorval

5.

Indeling

Klasse van het voorval

Categorie van het voorval

6.

Beschrijving

Taal van de beschrijving

Beschrijving

7.

Gebeurtenissen

Type gebeurtenis

8.

Risicoclassificatie

2.   SPECIFIEKE VERPLICHTE GEGEVENSVELDEN

2.1.   GEGEVENSVELDEN IN VERBAND MET HET LUCHTVAARTUIG

Bij het invoeren, in hun respectieve gegevensbanken, van informatie over elk verplicht en, voor zover mogelijk, elk vrijwillig gemeld voorval zorgen de organisaties, de lidstaten en het Agentschap ervoor dat in hun gegevensbanken opgeslagen voorvalmeldingen ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

Identificatie van het luchtvaartuig

Land van registratie

Merk/model/reeks

Serienummer van het luchtvaartuig

Registratie van het luchtvaartuig

Roepnaam

2.

Exploitatie van het luchtvaartuig

Exploitant

Type exploitatie

3.

Beschrijving van het luchtvaartuig

Categorie luchtvaartuig

Aandrijvingstype

Massagroep

4.

Geschiedenis van de vlucht

Laatste vertrekpunt

Geplande bestemming

Vluchtfase

5.

Weer

Relevante weersomstandigheden

2.2.   Gegevensvelden met betrekking tot luchtvaartnavigatiediensten

Bij het invoeren, in hun respectieve gegevensbanken, van informatie over elk verplicht en, voor zover mogelijk, elk vrijwillig gemeld voorval zorgen de organisaties, de lidstaten en het Agentschap ervoor dat in hun gegevensbanken opgeslagen voorvalmeldingen ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

Verband met ATM

ATM-bijdrage

Betrokken dienst (effect op ATM-dienst)

2.

Naam ATS-eenheid

2.2.1.   Gegevensvelden in verband met overschrijding van de minimale separatieafstand/separatieverlies en luchtruimschending

Bij het invoeren, in hun respectieve gegevensbanken, van informatie over elk verplicht en, voor zover mogelijk, elk vrijwillig gemeld voorval, zorgen de organisaties, de lidstaten en het Agentschap ervoor dat in hun gegevensbanken opgeslagen voorvalmeldingen ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

Luchtruim

Luchtruimtype

Luchtruimklasse

Naam FIR/UIR

2.3.   Gegevensvelden in verband met het luchtvaartterrein

Bij het invoeren, in hun respectieve gegevensbanken, van informatie over elk verplicht en, voor zover mogelijk, elk vrijwillig gemeld voorval zorgen de organisaties, de lidstaten en het Agentschap ervoor dat in hun gegevensbanken opgeslagen voorvalmeldingen ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

Locatie-indicator (ICAO-indicator van de luchthaven)

2.

Locatie van het luchtvaartterrein

2.4.   Gegevensvelden in verband met schade aan het luchtvaartuig of letsel aan personen

Bij het invoeren, in hun respectieve gegevensbanken, van informatie over elk verplicht gemeld voorval zorgen de organisaties, de lidstaten en het Agentschap ervoor dat in hun gegevensbanken opgeslagen voorvalmeldingen ten minste de volgende informatie bevatten:

1.

Ernst

Grootste schade

Graad van de verwondingen

2.

Letsels aan personen

Aantal verwondingen op de grond (dodelijk, ernstig, licht)

Aantal verwondingen in het luchtvaartuig (dodelijk, ernstig, licht).


BIJLAGE II

BELANGHEBBENDEN

a)

Lijst van belanghebbenden die informatie mogen ontvangen op grond van een besluit per geval in het kader van artikel 11, lid 4, of op grond van een algemeen besluit in het kader van artikel 11, lid 6:

1.

fabrikanten: ontwerpers en fabrikanten van luchtvaartuigen, motoren, propellers en luchtvaartuigonderdelen en -apparatuur, en hun respectieve samenwerkingsverbanden; ontwerpers en fabrikanten van luchtverkeersbeheersystemen en -componenten (air traffic management, ATM); ontwerpers en fabrikanten van systemen en -componenten voor luchtvaartnavigatiediensten (air navigation services, ANS); ontwerpers en fabrikanten van systemen en uitrusting die gebruikt worden aan de luchtzijde van luchtvaartterreinen;

2.

onderhoud: organisaties die zich bezighouden met onderhoud of revisie van luchtvaartuigen, motoren, propellers en luchtvaartuigonderdelen en -apparatuur; met installatie, modificatie, onderhoud, herstelling, revisie, vluchtverificatie of inspectie van luchtvaartnavigatiefaciliteiten; of met onderhoud of revisie van systemen, componenten en uitrusting aan de luchtzijde van luchtvaartterreinen;

3.

exploitanten: luchtvaartmaatschappijen en luchtvaartuigexploitanten, en samenwerkingsverbanden van luchtvaartmaatschappijen en exploitanten; exploitanten van luchtvaartterreinen en samenwerkingsverbanden van exploitanten van luchtvaartterreinen;

4.

aanbieders van luchtvaartnavigatiediensten en aanbieders van specifieke ATM-functies;

5.

aanbieders van luchthavendiensten: organisaties belast met de grondafhandeling van luchtvaartuigen omvattende tanken, opstelling van de vrachtbrieven, laden, ijsvrij maken en slepen op een luchtvaartterrein; reddingsdiensten, brandbestrijding en andere hulpdiensten;

6.

luchtvaartopleidingsorganisaties;

7.

organisaties uit derde landen: officiële luchtvaartinstanties en ongevalsonderzoeksinstanties uit derde landen;

8.

internationale luchtvaartorganisaties;

9.

onderzoek: publieke of particuliere onderzoeklaboratoria, -centra of -organisaties; of universiteiten die zich bezighouden met luchtvaartveiligheidsonderzoek of -studies.

b)

Lijst van belanghebbenden die informatie kunnen ontvangen op basis van een besluit per geval in het kader van artikel 11, leden 4 en 5:

1.

piloten (op persoonlijke basis);

2.

luchtverkeersleiders (op persoonlijke basis) en ander met veiligheidstaken belast ATM/ANS-personeel;

3.

ingenieurs/technici/personeel voor de luchtverkeersveiligheidselektronica/luchtvaartmanagers (of luchtvaartterreinmanagers) (op persoonlijke basis);

4.

beroepsorganisaties van personeel dat veiligheidstaken verricht.


BIJLAGE III

VERZOEKEN OM INFORMATIE UIT HET EUROPEES CENTRAAL REGISTER

1.

Naam:

Functie/positie:

Bedrijf:

Adres:

Telefoon:

E-mail:

Datum:

Aard van de activiteiten:

Categorie van verzoeker (zie bijlage II bij Verordening (EU) nr. 376/2014 van het Europees Parlement en de Raad van 3 april 2014 inzake het melden, onderzoeken en opvolgen van voorvallen in de burgerluchtvaart (1)):

2.

Gevraagde informatie (gelieve zo duidelijk mogelijk te omschrijven, onder vermelding van de betreffende datum/periode waarin u belang stelt):

 

3.

Reden voor het verzoek:

 

4.

Doel waarvoor de informatie zal worden gebruikt:

 

5.

Datum waartegen de informatie wordt gevraagd:

6.

Het ingevulde formulier moet per e-mail worden verstuurd naar: (contactpunt)

7.

Toegang tot informatie

Het contactpunt is niet verplicht de gevraagde informatie te bezorgen. Het mag de informatie alleen ter beschikking stellen indien het er alle vertrouwen in heeft dat het verzoek verenigbaar is met Verordening (EU) nr. 376/2014. De verzoeker verbindt zichzelf en zijn organisatie ertoe de informatie alleen te gebruiken voor het in punt 4 aangegeven doel. Tevens wordt eraan herinnerd dat de naar aanleiding van dit verzoek verstrekte informatie uitsluitend ter beschikking wordt gesteld ten behoeve van de luchtvaartveiligheid als bepaald in Verordening (EU) nr. 376/2014 en niet voor andere doeleinden, zoals in het bijzonder de vaststelling van schuld of aansprakelijkheid, of voor commerciële doeleinden.

Het is de verzoeker niet toegestaan de verstrekte informatie aan wie dan ook bekend te maken zonder schriftelijke toestemming van het contactpunt.

Indien niet aan deze voorwaarden wordt voldaan, kan dit leiden tot een ontzegging van de toegang tot verdere informatie uit het Europees Centraal Register en, in voorkomend geval, tot het opleggen van sancties+.

8.

Datum, plaats en handtekening:


(1)  PB L 122, 24.4.2014, blz. 18.


Top