Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014R0342

Gedelegeerde verordening (EU) nr. 342/2014 van de Commissie van 21 januari 2014 tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor de toepassing van de berekeningsmethoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële conglomeraten Voor de EER relevante tekst

OJ L 100, 3.4.2014, p. 1–9 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg_del/2014/342/oj

3.4.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 100/1


GEDELEGEERDE VERORDENING (EU) Nr. 342/2014 VAN DE COMMISSIE

van 21 januari 2014

tot aanvulling van Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad en Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad ten aanzien van technische reguleringsnormen voor de toepassing van de berekeningsmethoden voor kapitaaltoereikendheidsvereisten voor financiële conglomeraten

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EU) Nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (1), en met name artikel 49, lid 6, derde alinea,

Gezien Richtlijn 2002/87/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2002 betreffende het aanvullende toezicht op kredietinstellingen, verzekeringsondernemingen en beleggingsondernemingen in een financieel conglomeraat en tot wijziging van de Richtlijnen 73/239/EEG, 79/267/EEG, 92/49/EEG, 92/96/EEG, 93/6/EEG en 93/22/EEG van de Raad en van de Richtlijnen 98/78/EG en 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad (2), en met name artikel 21 bis, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Voor financiële conglomeraten die aanzienlijke bank- of beleggingsactiviteiten en verzekeringsactiviteiten uitoefenen moet meervoudig gebruik van elementen die in aanmerking komen voor de berekening van het eigen vermogen op het niveau van het financieel conglomeraat, dat wil zeggen meervoudige hefboomwerking alsook elke ongepaste schepping van eigen vermogen binnen de groep, worden uitgesloten teneinde nauwkeurig de beschikbaarheid te weerspiegelen van het eigen vermogen van conglomeraten om verliezen te absorberen en aanvullende kapitaaltoereikendheid op het niveau van het financieel conglomeraat te garanderen.

(2)

Het is belangrijk te garanderen dat het eigen vermogen dat het eigen vermogen overschrijdt dat nodig is om aan de sectorale solvabiliteitsvereisten te voldoen op het niveau van een financieel conglomeraat alleen wordt meegeteld als er geen belemmeringen zijn voor de overdracht van activa of de terugbetaling van passiva tussen verschillende entiteiten van financiële conglomeraten, daaronder begrepen tussen sectoren.

(3)

Een financieel conglomeraat moet in de berekening van zijn eigen vermogen het eigen vermogen dat de sectorale solvabiliteitsvereisten overschrijdt alleen meetellen als dat eigen vermogen tussen de entiteiten binnen het financieel conglomeraat overdraagbaar is.

(4)

Middels passende regels moet er rekening mee worden gehouden dat sectorspecifieke eigenvermogensvereisten bestemd zijn om risico's betreffende die sector te dekken en niet om risico's buiten die sector te dekken.

(5)

Om consistente toepassing van de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheid te garanderen, moeten de sectorale vereisten die met het oog hierop solvabiliteitsvereisten omvatten, worden opgesomd. Die vereisten moeten de sectorale bepalingen onverlet laten betreffende de maatregelen die moeten worden genomen na een inbreuk op sectorale solvabiliteitsvereisten. Met name indien op het niveau van een financieel conglomeraat een tekort ontstaat als gevolg van een inbreuk op het gecombineerde buffervereiste ingevolge hoofdstuk 4 van titel VII van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (3), moeten de vereiste maatregelen gebaseerd zijn op die welke in dat hoofdstuk zijn vastgesteld.

(6)

Bij de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereiste van een financieel conglomeraat moet voor niet-gereglementeerde financiële entiteiten binnen het financieel conglomeraat zowel een notioneel solvabiliteitsvereiste als een notioneel niveau van eigen vermogen worden berekend.

(7)

In deel II van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG zijn drie technische methoden vastgesteld voor het berekenen van de kapitaaltoereikendheidsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat: „methode op basis van consolidatie van jaarrekeningen” (methode 1), „aftrek en aggregatie” (methode 2) en „combinatiemethode” (methode 3), waarbij methode 1 en methode 2 kunnen worden gecombineerd. De technische berekeningsmethoden 1 en 2 moeten worden gespecificeerd teneinde de consistente toepassing ervan te verzekeren. Bovendien moeten de omstandigheden voor het gebruik van methode 3 worden gespecificeerd en moet ervoor worden gezorgd dat de bevoegde autoriteiten het gebruik van die methode in vergelijkbare omstandigheden toelaten, gemeenschappelijke criteria toepassen en vereisen dat de methode op een voor alle financiële conglomeraten consistente wijze wordt toegepast. De bevoegde autoriteiten mogen de toepassing van methode 3 alleen toelaten indien een financieel conglomeraat kan aantonen dat het redelijkerwijs niet doenbaar is om alleen methode 1 of 2 toe te passen. Het gebruik van methode 3 moet in de tijd consistent zijn om gelijkwaardige voorwaarden te garanderen. Aangezien de technische berekeningsmethoden overeenkomstig de technische beginselen als bedoeld in deel I van bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG worden uitgevoerd, is het noodzakelijk die beginselen eveneens te specificeren.

(8)

Methode 1 voor het berekenen van de solvabiliteit van de groep, als vastgesteld in Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) en methode 1 voor het berekenen van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten, als vastgesteld in Richtlijn 2002/87/EG, moeten als gelijkwaardig worden beschouwd aangezien beide methoden consistent zijn met de hoofddoelstellingen van het aanvullend toezicht. Beide methoden garanderen de uitsluiting van de schepping van eigen vermogen binnen de groep en de berekening van eigen vermogen overeenkomstig de definities en grenzen die in de betrokken sectorale regels zijn vastgesteld.

(9)

De machtiging om technische reguleringsnormen vast te stellen in artikel 49, lid 6, van Verordening (EU) nr. 575/2013 houdt nauw verband met de machtiging in artikel 21 bis, lid 3, van Richtlijn 2002/87/EG, aangezien beide betrekking hebben op consistente toepassing van de methoden van berekening die in de bijlage bij die richtlijn zijn neergelegd. Om voor coherentie te zorgen in de methoden van berekening die ten behoeve van die wetgevingshandelingen zijn gespecificeerd en een volledig beeld ervan en compacte toegang ertoe te vergemakkelijken voor personen die aan die verplichtingen onderworpen zijn, is het wenselijk de ingevolge die machtigingen vastgestelde technische reguleringsnormen in één verordening neer te leggen.

(10)

Deze verordening moet gebaseerd zijn op de nieuwe sectorale solvabiliteitsregelingen die in de Unie zijn ingesteld om de meest consistente toepassing van de berekeningsmethoden te waarborgen. Deze verordening mag derhalve niet gelden vóór de datum van toepassing van Verordening (EU) nr. 575/2013. De regels die afhankelijk zijn van de toepassing van Richtlijn 2009/138/EG moeten ingaan op de datum van toepassing van die richtlijn. De bestaande nationale tenuitvoerlegging van de berekening van aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten moet dan ook verder worden gebruikt op die gebieden welke niet door deze verordening zijn geharmoniseerd in de periode vóór deze volledig geldt, en onderliggende berekeningen die gebaseerd zijn op de sectorale verzekeringsregels moeten gebaseerd zijn op de sectorale verzekeringsregels welke gelden op het tijdstip van de berekening.

(11)

Deze verordening is gebaseerd op de ontwerpen van technische reguleringsnormen die gezamenlijk door de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit)(EBA), de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen) (Eiopa) en de Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten) (ESMA) aan de Commissie zijn voorgelegd.

(12)

De EBA, Eiopa en ESMA hebben openbare publieksraadplegingen gehouden over de ontwerpen van technische reguleringsnormen waarop deze verordening is gebaseerd, de mogelijke betrokken kosten en baten geanalyseerd, overeenkomstig artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (5), artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad (6) en artikel 10 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7), en het advies ingewonnen van de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 opgerichte Stakeholdergroep Bankwezen, de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1094/2010 opgerichte Stakeholdergroep Verzekeringen en de overeenkomstig artikel 37 van Verordening (EU) nr. 1095/2010 opgerichte Stakeholdergroep Effecten en Markten,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

VOORWERP EN DEFINITIES

Artikel 1

Voorwerp

Deze verordening specificeert de technische beginselen en technische berekeningsmethoden die zijn opgesomd in bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG ten behoeve van de alternatieven voor aftrek als bedoeld in artikel 49, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013 en ten behoeve van de berekening van het eigen vermogen en het aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereiste als vastgesteld in artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening wordt verstaan onder:

1.   „een sterk door verzekeringen bepaald financieel conglomeraat”: een financieel conglomeraat waarvan de belangrijkste financiële sector de sector verzekeringen is, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG;

2.   „een sterk door bankieren of beleggen bepaald financieel conglomeraat”: een financieel conglomeraat waarvan de belangrijkste financiële sector de banksector of de sector beleggingsdiensten is, overeenkomstig artikel 3, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG.

HOOFDSTUK II

TECHNISCHE BEGINSELEN

Artikel 3

Uitsluiting van meervoudige hefboomwerking en de schepping van eigen vermogen binnen een groep

Eigen vermogen dat rechtstreeks of onrechtstreeks uit transacties binnen de groep resulteert wordt niet meegeteld bij het berekenen van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten op het niveau van een financieel conglomeraat.

Artikel 4

Overdraagbaarheid en beschikbaarheid van eigen vermogen

1.   Op het niveau van een gereglementeerde entiteit in de boeken verantwoord eigen vermogen dat het eigen vermogen overschrijdt dat nodig is om aan sectorale solvabiliteitsvereisten te voldoen als gespecificeerd in artikel 9, wordt in de berekening van het eigen vermogen van een financieel conglomeraat, of van de som van het eigen vermogen van elke gereglementeerde en niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector in een financieel conglomeraat niet meegeteld, tenzij er geen actuele of verwachte praktische of juridische belemmering is voor de overdracht van het vermogen tussen entiteiten in het financieel conglomeraat.

2.   De entiteit als bedoeld in de vijfde alinea van artikel 6, lid 2, van Richtlijn 2002/87/EG belast zich bij het indienen van de resultaten van de berekening en de betrokken gegevens voor de berekening als bedoeld in die alinea bij de coördinator met het bevestigen en verstrekken van bewijs aan de coördinator dat aan lid 1 is voldaan.

Artikel 5

Sectorspecifiek eigen vermogen

1.   Eigen vermogen als bedoeld in lid 2 dat beschikbaar is op het niveau van een gereglementeerde entiteit komt in aanmerking voor de dekking van risico's die voortvloeien uit de sector die dat eigen vermogen in de boeken verantwoordt en komt niet in aanmerking voor de dekking van risico's van andere financiële sectoren.

2.   Eigen vermogen als bedoeld in lid 1 is eigen vermogen dat niet het volgende is:

a)

tier 1-kernkapitaal, aanvullend tier 1- of tier 2-bestanddelen in de zin van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

kernvermogensbestanddelen van ondernemingen die onderworpen zijn aan de vereisten van Richtlijn 2009/138/EG, indien die bestanddelen worden ingedeeld bij tier 1 of bij tier 2 overeenkomstig artikel 94, leden 1 en 2, van die richtlijn.

Artikel 6

Tekort aan eigen vermogen op het niveau van het financieel conglomeraat

1.   Indien er een tekort aan eigen vermogen is op het niveau van het financieel conglomeraat, worden alleen eigenvermogensbestanddelen die ingevolge de sectorale regels voor zowel de banksector als de verzekeringssector in aanmerking komen, gebruikt om het tekort te dekken.

2.   Het eigen vermogen als bedoeld in lid 1 is het volgende:

a)

tier 1-kernkapitaal als omschreven in artikel 50 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

b)

kernvermogensbestanddelen indien die bestanddelen bij tier 1 zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG en het opnemen van die bestanddelen niet beperkt is door de overeenkomstig artikel 99 van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen;

c)

aanvullend tier 1-kapitaal als omschreven in artikel 61 van Verordening (EU) nr. 575/2013;

d)

kernvermogensbestanddelen indien die bestanddelen bij tier 1 zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 94, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG en het opnemen van die bestanddelen beperkt is door de overeenkomstig artikel 99 van die richtlijn vastgestelde gedelegeerde handelingen;

e)

tier 2-kapitaal als omschreven in artikel 71 van Verordening (EU) nr. 575/2013, en

f)

kernvermogensbestanddelen indien die bestanddelen bij tier 2 zijn ingedeeld overeenkomstig artikel 94, lid 2, van Richtlijn 2009/138/EG.

3.   Eigenvermogensbestanddelen die gebruikt worden om het tekort te dekken, voldoen aan artikel 4, lid 1.

Artikel 7

Consistentie

De gereglementeerde entiteiten of de gemengde financiële holding in een financieel conglomeraat passen de berekeningsmethode op consistente wijze toe in de tijd.

Artikel 8

Consolidatie

Met betrekking tot sterk door verzekeringen bepaalde financiële conglomeraten wordt methode 1 voor het berekenen van de solvabiliteit van de groep van verzekerings- en herverzekeringsondernemingen, als vastgesteld in de artikelen 230, 231 en 232 van Richtlijn 2009/138/EG, als gelijkwaardig beschouwd aan methode 1 voor het berekenen van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten van de gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat, als vastgesteld in bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG, op voorwaarde dat het toepassingsgebied van de groeptoezicht ingevolge titel III van Richtlijn 2009/138/EG niet materieel verschilt van het toepassingsebied van het aanvullend toezicht ingevolge hoofdstuk II van Richtlijn 2002/87/EG.

Artikel 9

Solvabiliteitsvereisten

1.   Indien de regels voor de verzekeringssector moeten worden toegepast, wordt het solvabiliteitskapitaalvereiste als bedoeld in de artikelen 100 en 218 van Richtlijn 2009/138/EG, daaronder begrepen elke opslagfactor van het kapitaalvereiste die wordt toegepast overeenkomstig artikel 37 van die richtlijn, dat volgt uit artikel 216, lid 4, artikel 231, lid 7, artikel 232, artikel 233, lid 6, artikel 238, leden 2 en 3, van die richtlijn als de solvabiliteitsvereisten beschouwd ten behoeve van de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten.

2.   Indien de regels voor de sector bank- of beleggingsdiensten moeten worden toegepast, worden eigenvermogensvereisten als vastgesteld in hoofdstuk 1 van titel I van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013 en vereisten ingevolge die verordening of ingevolge Richtlijn 2013/36/EU om eigen vermogen te bezitten boven die vereisten, daaronder begrepen een vereiste die voortvloeit uit het intern beoordelingsproces van de kapitaaltoereikendheid in artikel 73 van die richtlijn, elk vereiste dat door een bevoegde autoriteit wordt opgelegd ingevolge artikel 104, lid 1, onder a), van die richtlijn, het gecombineerde buffervereiste als omschreven in artikel 128, lid 6, van die richtlijn, en ingevolge de artikelen 458 of 459 van Verordening (EU) nr. 575/2013 vastgestelde vereisten als de solvabiliteitsvereisten beschouwd ten behoeve van de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten.

Artikel 10

Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten van het financieel conglomeraat

1.   Behoudens de leden 7, 8 en 9 van artikel 14 worden de eigenvermogens- en solvabiliteitsvereisten van het financieel conglomeraat berekend overeenkomstig de definities en grenzen die in de betrokken sectorale regels zijn vastgesteld.

2.   Het eigen vermogen van vermogensbeheerders wordt berekend overeenkomstig artikel 2, lid 1, onder l) van Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad (8). De solvabiliteitsvereisten van vermogensbeheerders zijn de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 7, lid 1, onder a), van die richtlijn.

3.   Het eigen vermogen van beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen wordt berekend overeenkomstig artikel 4, lid 1, ad), van Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad (9). De solvabiliteitsvereisten van beheerders van alternatieve beleggingsfondsen zijn de vereisten die zijn vastgesteld in artikel 9 van die richtlijn.

Artikel 11

Behandeling van sector overschrijdende deelnemingen

1.   Indien een entiteit in een sterk door bankieren of beleggen bepaald financieel conglomeraat een deelneming heeft in een entiteit uit de financiële sector die tot de verzekeringssector behoort en die wordt afgetrokken ingevolge de artikelen 14, lid 3 of 15, lid 3, ontstaat geen aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereiste met betrekking tot die deelneming op het niveau van het financieel conglomeraat.

2.   Indien de toepassing van lid 1 resulteert in een directe wijziging van de verwachte verliespost ingevolge de internetratingbenadering in de zin van hoofdstuk 3 van titel II van deel drie van Verordening (EU) nr. 575/2013, wordt een bedrag gelijk aan die wijziging aan het eigen vermogen van het financieel conglomeraat toegevoegd.

Artikel 12

Notioneel eigen vermogen en notionele solvabiliteitsvereisten voor niet-gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector

1.   Indien een gemengde financiële holding een deelneming heeft in een niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector worden het notioneel eigen vermogen en de notionele solvabiliteitsvereisten voor die entiteit berekend overeenkomstig de sectorale regels van de belangrijkste sector in het financieel conglomeraat.

2.   Voor een niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector anders dan een entiteit als bedoeld in lid 1 worden het notioneel eigen vermogen en de notionele solvabiliteitsvereisten berekend overeenkomstig de sectorale regels van de meest vergelijkbare financiële sector van de niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector. Het bepalen van de meest vergelijkbare financiële sector gebeurt op basis van het geheel van activiteiten van de betrokken entiteit en de mate waarin zij die activiteiten uitvoert. Als de meest vergelijkbare financiële sector niet duidelijk kan worden aangewezen, worden de sectorale regels van de belangrijkste sector in het financieel conglomeraat gebruikt.

Artikel 13

Sectorale overgangs- en grandfatheringregelingen

De sectorale regels die gelden bij de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten omvatten alle overgangs- of grandfatheringbepalingen die op sectoraal niveau gelden.

HOOFDSTUK III

TECHNISCHE BEREKENINGSMETHODEN

Artikel 14

Specificatie van de technische berekening volgens methode 1 ingevolge Richtlijn 2002/87/EG

1.   Het eigen vermogen van een financieel conglomeraat wordt berekend op basis van de geconsolideerde rekeningen overeenkomstig het betrokken kader voor financiële verslaggeving dat geldt voor het toepassingsgebied van het aanvullende toezicht volgens Richtlijn 2002/87/EG en rekening houdend in voorkomend geval met lid 5.

2.   Met betrekking tot sterk door bankieren of beleggen bepaalde financiële conglomeraten gelden de volgende behandelingen voor niet-geconsolideerde beleggingen bij berekening van het eigen vermogen van het financieel conglomeraat:

a)

niet-geconsolideerde aanzienlijke beleggingen die worden aangehouden in een entiteit uit de financiële sector, in de zin van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 575/2013, die tot de verzekeringssector behoort, worden volledig van het eigen vermogen van het conglomeraat afgetrokken.

b)

niet-geconsolideerde beleggingen, anders dan die als bedoeld in punt a), die worden aangehouden in een entiteit uit de financiële sector die tot de verzekeringssector behoort, worden volledig afgetrokken van het eigen vermogen van het conglomeraat overeenkomstig artikel 46 van Verordening (EU) nr. 575/2013.

3.   Behoudens lid 2 wordt alle eigen vermogen dat door een entiteit in een financieel conglomeraat is uitgegeven en door een andere entiteit in dat financiële conglomeraat wordt aangehouden van het eigen vermogen van het conglomeraat afgetrokken als het bij het proces van consolidatie van jaarrekeningen niet reeds is uitgesloten.

4.   Een onderneming die voor de toepassing van het betrokken kader voor jaarrekening een entiteit is waarover gezamenlijke de zeggenschap wordt uitgeoefend, wordt behandeld overeenkomstig de sectorale regels inzake proportionele consolidatie of opneming van de proportionele delen.

5.   Indien een entiteit binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2009/138/EG deel uitmaakt van een financieel conglomeraat, gebeurt de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten op het niveau van het financieel conglomeraat op basis van de waardering van de activa en passiva berekend overeenkomstig afdeling 1 en 2 van hoofdstuk VI van titel I van Richtlijn 2009/138/EG.

6.   Indien de waarde van een actief of passief onderworpen is aan prudentiële filters en aftrekken overeenkomstig titel I van deel 2 van Verordening (EU) nr. 575/2013 zijn de waarde van een actief of passief die gebruikt worden ten behoeve van de berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten die welke toe te rekenen zijn aan de betrokken entiteiten ingevolge die verordening, met uitsluiting van aan andere entiteiten van het financieel conglomeraat toe te rekenen activa en passiva.

7.   Indien berekening van een drempel of grens vereist is volgens de sectorale regels, wordt de drempel of de grens op het niveau van het conglomeraat berekend op basis van de geconsolideerde gegevens van het financieel conglomeraat en na de aftrekken die vereist zijn volgens de leden 2 en 3.

8.   Ten behoeve van de berekening van drempels of grenzen worden gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat die binnen het toepassingsgebied van de geconsolideerde situatie van een instelling vallen ingevolge afdeling 1 van hoofdstuk 2 van titel II van deel 1 van Verordening (EU) nr. 575/2013 samen in aanmerking genomen.

9.   Ten behoeve van de berekening van drempels of grenzen worden gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat die binnen het toepassingsgebied van groepstoezicht overeenkomstig titel III van Richtlijn 2009/138/EG vallen samen in aanmerking genomen.

10.   Ten behoeve van de berekening van drempels of grenzen op het niveau van de gereglementeerde entiteit berekenen gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat waarvoor noch lid 8 noch lid 9 geldt, hun betrokken drempels en grenzen op individuele basis overeenkomstig de sectorale regels van de gereglementeerde entiteit.

11.   Bij het optellen van de betrokken sectorale solvabiliteitsvereisten zijn er geen andere aanpassingen dan die welke vereist zijn bij artikel 11 of als gevolg van aanpassingen aan sectorale drempels en grenzen ingevolge lid 7.

Artikel 15

Specificatie van de technische berekening volgens methode 2 ingevolge Richtlijn 2002/87/EG

1.   Indien het eigen vermogen van een gereglementeerde entiteit onderworpen is aan een prudentieel filter ingevolge de betrokken sectorale regels, is een van de volgende behandelingen van toepassing:

a)

het gefilterde bedrag, zijnde het nettobedrag dat in aanmerking zal worden genomen bij de berekening van het eigen vermogen van deelnemingen, wordt aan de boekwaarde van de deelnemingen overeenkomstig alinea 2 van artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2002/87/EG toegevoegd als het gefilterde bedrag het toetsingsvermogen verhoogt;

b)

het gefilterde bedrag als bedoeld in punt a), wordt van de boekwaarde van de deelnemingen overeenkomstig alinea 2 van artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2002/87/EC afgetrokken als het gefilterde bedrag het toetsingsvermogen verlaagt.

2.   Voor sterk door bankieren of beleggen bepaalde financiële conglomeraten wordt een aanzienlijke belegging in een entiteit uit de financiële sector in de zin van artikel 43 van Verordening (EU) nr. 575/2013 die tot de verzekeringssector behoort en die geen deelneming is volledig afgetrokken van de eigenvermogensbestanddelen van de entiteit die het instrument bezit, overeenkomstig de sectorale regels die voor die entiteit gelden.

3.   Beleggingen binnen de groep in kapitaalinstrumenten die in aanmerking komen als eigen vermogen overeenkomstig de sectorale regels worden, rekening houdend met de betrokken sectorale grenzen, afgetrokken of van de berekening van het eigen vermogen uitgesloten.

4.   De berekening van aanvullende kapitaalvereisten wordt uitgevoerd overeenkomstig de formule in de bijlage.

Artikel 16

Specificatie van de omstandigheden voor het gebruik van methode 3 ingevolge Richtlijn 2002/87/EG

1.   De bevoegde autoriteiten mogen de toepassing van methode 3 als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG alleen in een van de volgende omstandigheden toelaten:

a)

het is redelijkerwijs niet doenlijk methode 1 als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG op alle entiteiten toe te passen of methode 2 als bedoeld in bijlage I bij Richtlijn 2002/87/EG op alle entiteiten binnen een financieel conglomeraat toe te passen, met name omdat methode 1 niet voor een of meer entiteiten kan worden gebruikt omdat zij buiten het bereik van de consolidatie vallen, of omdat een gereglementeerde entiteit in een derde land is gevestigd en het niet mogelijk is voldoende informatie te verkrijgen om een van de methoden op die entiteit toe te passen;

b)

de entiteiten die een van de methoden zouden toepassen, zijn gezamenlijk van te verwaarlozen belang met betrekking tot de doelstellingen van het toezicht op gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat.

2.   Methode 1 of methode 2 worden gebruikt door alle gereglementeerde entiteiten in een financieel conglomeraat dat niet bedoeld is in lid 1.

3.   De toepassing van methode 3 die door een bevoegde autoriteit met betrekking tot een financieel conglomeraat is toegelaten, is consistent in de tijd.

HOOFDSTUK IV

SLOTBEPALINGEN

Artikel 17

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5, artikel 6, lid 2, artikel 8, artikel 9, lid 1, en artikel 14, leden 5 en 9, zijn van toepassing vanaf de datum van toepassing als bedoeld in artikel 309, lid 1, van Richtlijn 2009/138/EG.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 21 januari 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1.

(2)  PB L 35 van 11.2.2003, blz. 1.

(3)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(4)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1.)

(5)  Verordening EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(6)  Verordening (EU) nr. 1094/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor verzekeringen en bedrijfspensioenen), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/79/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 48).

(7)  Verordening (EU) nr. 1095/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Autoriteit voor effecten en markten), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/77/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 84).

(8)  Richtlijn 2009/65/EG van het Europees Parlement en de Raad van 13 juli 2009 tot coördinatie van de wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen betreffende bepaalde instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) (PB L 302 van 17.11.2009, blz. 32).

(9)  Richtlijn 2011/61/EU van het Europees Parlement en de Raad van 8 juni 2011 inzake beheerders van alternatieve beleggingsinstellingen en tot wijziging van de Richtlijnen 2003/41/EG en 2009/65/EG en van de Verordeningen (EG) nr. 1060/2009 en (EU) nr. 1095/2010 (PB L 174 van 1.7.2011, blz. 1).


BIJLAGE

Berekeningsmethodologie voor methode 2 ingevolge Richtlijn 2002/87/EG

Aftrek en aggregatie

De berekening van de aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten volgens methode 2 wordt uitgevoerd op basis van het toepasselijk kader voor financiële verslaggeving van elk van de entiteiten in de groep volgens de onderstaande formule:

Formula

Formula

waarbij van het eigen vermogen (OF i) zijn uitgesloten de groepsinterne kapitaalinstrumenten die in aanmerking komen als eigen vermogen in overeenstemming met de sectorale regels.

De aanvullende kapitaaltoereikendheidsvereisten (scar) worden aldus berekend als het verschil tussen:

1.

de som van het eigen vermogen (OF i) van elke gereglementeerde en niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector (i) in het financieel conglomeraat; in aanmerking komende elementen zijn die welke toegelaten zijn overeenkomstig de betrokken sectorale regels, en

2.

de som van de solvabiliteitsvereisten (REQi) voor elke gereglementeerde en niet-gereglementeerde entiteit uit de financiële sector (i) in de groep (G); de solvabiliteitsvereisten worden berekend overeenkomstig de betrokken sectorale regels; en de boekwaarde (BVj) van de deelnemingen in andere sectoren (j) van de groep.

Bij niet-gereglementeerde entiteiten uit de financiële sector wordt een notioneel solvabiliteitsvereiste berekend overeenkomstig artikel 12. Het eigen vermogen en de solvabiliteitsvereisten worden voor hun proportionele deel in aanmerking genomen (x) krachtens artikel 6, lid 4, van Richtlijn 2002/87/EG en in overeenstemming met bijlage I bij die richtlijn.

Het verschil mag niet negatief zijn.


Top