EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014O0031

2014/528/EU: Richtsnoer van de Europese Centrale Bank 9 juli 2014 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (ECB/2014/31)

OJ L 240, 13.8.2014, p. 28–38 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force: This act has been changed. Current consolidated version: 18/05/2020

ELI: http://data.europa.eu/eli/guideline/2014/528/oj

13.8.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 240/28


RICHTSNOER VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK

9 juli 2014

inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9

(herschikking)

(ECB/2014/31)

(2014/528/EU)

DE RAAD VAN BESTUUR VAN DE EUROPESE CENTRALE BANK,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, inzonderheid het eerste streepje van artikel 127, lid 2,

Gezien de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank, inzonderheid het eerste streepje van artikel 3.1, artikel 5.1, artikel 12.1, artikel 14.3 en artikel 18.2,

Overwegende:

(1)

Richtsnoer ECB/2013/4 (1) is aanzienlijk gewijzigd. Aangezien verdere wijzigingen zullen volgen, vergt duidelijkheid dat Richtsnoer ECB/2013/4 herschikt wordt.

(2)

Conform artikel 18.1 van de statuten van het Europees Stelsel van centrale banken en van de Europese Centrale Bank mogen de Europese Centrale Bank (ECB) en de nationale centrale banken van de lidstaten die de euro als munt hebben (hierna de „NCB's”) krediettransacties verrichten met kredietinstellingen en andere marktpartijen, waarbij de verleende kredieten worden gedekt door toereikend onderpand. De algemene voorwaarden waaronder de ECB en de NCB's bereid zijn krediettransacties te verrichten, waaronder de beleenbaarheidscriteria van onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem, zijn vastgelegd in bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 (2).

(3)

Op 8 december 2011 en op 20 juni 2012 heeft de Raad van bestuur aanvullende de kredietverleningssteun versterkende maatregelen genomen ter ondersteuning van bancaire kredietverlening en liquiditeit in de geldmarkt van het eurogebied, waaronder de maatregelen in Besluit ECB/2011/25 (3). Bovendien moesten verwijzingen naar de reserveratio in Richtsnoer ECB/2007/9 (4) aangepast worden aan de wijzigingen van Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank (ECB/2003/9) (5) die zijn ingevoerd door Verordening (EU) nr. 1358/2011 van de Europese Centrale Bank (ECB/2011/26) (6).

(4)

Besluit ECB/2012/4 (7) bepaalde dat NCB's niet gehouden moeten zijn als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem beleenbare bankbrieven te aanvaarden, die een lidstaat garandeert uit hoofde van een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds, dan wel beleenbare bankbrieven gegarandeerd door een lidstaat, waarvan de kredietbeoordeling niet voldoet aan de benchmark voor de vaststelling van minimumvereisten van het Eurosysteem voor hoge kredietstandaards.

(5)

Besluit ECB/2012/12 (8) wijzigde tevens de uitzondering op het verbod op nauwe banden, zoals vastgelegd in afdeling 6.2.3.2. van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, zulks met betrekking tot door de overheid gegarandeerde bankbrieven die wederpartijen voor eigen gebruik als onderpand aanbieden.

(6)

Op 2 augustus 2012 werd Besluit ECB/2011/25 vervangen door Richtsnoer ECB/2012/18 (9) dat de NCB's binnen het kader van hun contractuele of wettelijke regelingen implementeerden. Luidens Richtsnoer ECB/2012/18 mochten de aan krediettransacties van het Eurosysteem deelnemende wederpartijen in uitzonderlijke omstandigheden hun niveaus van 3 juli 2012 van de voor eigen gebruik door de overheid gegarandeerde bankbrieven verhogen, op voorwaarde van ex-ante goedkeuring door de Raad van bestuur. Bij de aan Raad van bestuur ter ex-ante goedkeuring ingediende verzoeken moet een financieringsplan zijn gevoegd.

(7)

Richtsnoer ECB/2012/18 werd op 10 oktober 2012 door Richtsnoer ECB/2012/23 (10) gewijzigd, welk richtsnoer tijdelijk de beleenbaarheidscriteria verruimde voor als onderpand in monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem gebruikte activa, door daarbij in Britse pond, yen of US dollars luidende verhandelbare schuldinstrumenten te aanvaarden als beleenbare activa voor monetairebeleidstransacties. Waarderingsverlagingen die de historische volatiliteit van de betrokken wisselkoersen weerspiegelen, werden op dergelijke verhandelbare schuldinstrumenten toegepast.

(8)

Richtsnoer ECB/2013/2 (11) detailleert de procedure voor de vroegtijdige aflossing van langerlopende herfinancieringstransacties door wederpartijen om te waarborgen dat alle NCB's dezelfde voorwaarden toepassen. Met name is de sanctieregeling van appendix 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 van toepassing indien wederpartijen op de door hen verkozen vervaldag voor vroegtijdige aflossing het aan de betrokken NCB af te lossen bedrag niet of gedeeltelijk voldoen.

(9)

Richtsnoer ECB/2012/18 werd voorts gewijzigd om de inhoud van Besluit ECB/2012/34 (12) op te nemen en om ervoor te zorgen dat NCB's niet verplicht worden beleenbare ongedekte bankbrieven als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem te aanvaarden die: a) zijn uitgegeven door de wederpartijen die deze bankbrieven gebruiken of door met de wederpartij nauw verbonden entiteiten, en b) die volledig werden gegarandeerd door een lidstaat waarvan de kredietbeoordeling niet voldoet aan de hoge kredietstandaards van het Eurosysteem en die volgens de Raad van bestuur voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds.

(10)

Voor de duidelijkheid en eenvoud werd Richtsnoer ECB/2012/18 op 20 maart 2013 vervangen door Richtsnoer ECB/2013/4 dat de NCB's binnen het kader van hun contractuele of wettelijke regelingen implementeerden.

(11)

Met het oog op duidelijkheid en eenvoud werd de inhoud van Besluit ECB/2011/4 (13), Besluit ECB/2011/10 (14) en Besluit ECB/2012/32 (15) opgenomen in Richtsnoer ECB/2013/4 met alle overige tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen.

(12)

Richtsnoer ECB/2013/4 werd op 5 juli 2013 door Besluit ECB/2013/22 (16) gewijzigd en op 12 maart 2014 door Richtsnoer ECB/2014/12 (17) om rekening te houden met de eurogebiedlidstaten die naar de mening van de Raad van bestuur voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds, alsook om wijzigingen in het onderpandskader van het Eurosysteem weer te geven. Na opeenvolgende wijzigingen van de lijst van eurogebiedlidstaten die voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds, is een nadere aanpassing van Richtsnoer ECB/2013/4 noodzakelijk.

(13)

Besluit ECB/2013/36 (18) past de surpluspercentages en schuldendienstcontinuïteitsbepalingen aan die van toepassing zijn op effecten op onderpand van activa welke aanvaard werden krachtens aanvullende tijdelijke maatregelen die verband houden met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem, zoals bepaald in Richtsnoer ECB/2013/4 en wijzigt tevens de beleenbaarheidscriteria die toegepast werden op de hierna genoemde aanvullende kredietvorderingen.

(14)

Omwille van duidelijkheid en eenvoud moet de inhoud van Besluit ECB/2013/22 en Besluit ECB/2013/36 in dit richtsnoer opgenomen worden.

(15)

Op 22 mei 2014 besloot de Raad van bestuur dat naast bepaalde in Richtsnoer ECB/2013/4 vastgelegde aanvullende kredietvorderingen, NCB's bepaalde kortlopende door niet-financiële vennootschappen uitgegeven schuldinstrumenten kunnen aanvaarden die niet zouden voldoen aan de beleenbaarheidscriteria van het Eurosysteem voor verhandelbare activa, zulks op voorwaarde dat zij voldoen aan de door de Raad van bestuur vastgestelde beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen. Dit besluit vergt nadere aanpassing van Richtsnoer ECB/2013/4.

(16)

De in dit richtsnoer vastgelegde aanvullende maatregelen moeten tijdelijk van toepassing zijn tot de Raad van bestuur van mening is dat zij niet langer noodzakelijk zijn om een goede doorwerking van het monetaire beleid te verzekeren,

HEEFT HET VOLGENDE RICHTSNOER VASTGESTELD:

Artikel 1

Aanvullende met herfinancieringstransacties en beleenbaar onderpand verband houdende maatregelen

1.   De regels voor het verrichten van monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheidscriteria voor onderpand zoals vastgelegd in dit richtsnoer zijn in samenhang met Richtsnoer ECB/2011/14 van toepassing.

2.   Dit richtsnoer geldt bij een discrepantie tussen dit richtsnoer en Richtsnoer ECB/2011/14, zoals op nationaal niveau door de NCB's uitgevoerd. De NCB's blijven alle bepalingen van Richtsnoer ECB/2011/14 ongewijzigd toepassen, tenzij dit richtsnoer anderszins bepaalt.

3.   Binnen het kader van artikel 6, lid 1 en artikel 8 worden de Helleense Republiek en de Republiek Cyprus beschouwd als eurogebiedlidstaten die voldoen aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds.

Artikel 2

Mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van langerlopende herfinancieringstransacties, dan wel tot beëindiging van deze transacties

1.   Het Eurosysteem kan besluiten dat wederpartijen voor de vervaldag onder bepaalde voorwaarden het bedrag van bepaalde langerlopende herfinancieringstransacties kunnen verlagen, dan wel deze transacties kunnen beëindigen (die vroegtijdige verlaging of beëindiging worden gezamenlijk „vroegtijdige aflossing” genoemd). De tenderaankondiging vermeldt of de mogelijkheid tot verlaging van het bedrag van de betrokken transacties, dan wel de beëindiging van de betrokken transacties, voor de vervaldag van toepassing is, alsook vanaf welke datum die keuzemogelijkheid geëffectueerd kan worden. Deze informatie kan eveneens op een andere door het Eurosysteem passend geachte wijze verstrekt worden.

2.   Een wederpartij kan besluiten voor de vervaldag het bedrag van de langerlopende herfinancieringstransacties te verlagen, dan wel deze transacties te beëindigen, door de betrokken NCB in kennis te stellen van het bedrag dat zij uit hoofde van de procedure tot vroegtijdige aflossing wil voldoen, alsook van de datum waarop zij die vroegtijdige aflossing wil effectueren, zulks tenminste één week voorafgaande aan de datum van vroegtijdige aflossing. Tenzij anders aangegeven door het Eurosysteem, kan vroegtijdige aflossing op elke dag geëffectueerd worden die samenvalt met de afwikkelingsdag van een basis-herfinancieringstransactie van het Eurosysteem, mits de wederpartij de in deze paragraaf aangeduide inkennisstelling tenminste één week voor die datum effectueert.

3.   De in lid 2 genoemde inkennisstelling wordt voor de wederpartij één week voor de voornoemde datum van vroegtijdige aflossing bindend. Indien de wederpartij het op de vervaldag uit hoofde van de procedure voor vroegtijdige aflossing verschuldigde bedrag niet of gedeeltelijk voldoet, kan zulks resulteren in de oplegging van een geldboete zoals vermeld in afdeling 1 van appendix 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. De bepalingen van afdeling 1 van appendix 6 die toepasselijk zijn op het schenden van regels inzake tendertransacties zijn van toepassing, indien een wederpartij op de in lid 2 genoemde datum van vroegtijdige aflossing het dan verschuldigde bedrag niet of gedeeltelijk voldoet. De oplegging van een geldboete geschiedt zonder afbreuk te doen aan het recht van de NCB om ingeval van een tekortkoming in de nakoming de in bijlage II bij Richtsnoer ECB/2011/14 vastgelegde verhaalsmogelijkheden uit te oefenen.

Artikel 3

Aanvullende toelating van bepaalde effecten op onderpand van activa

1.   Naast de uit hoofde van hoofdstuk 6 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 beleenbare effecten op onderpand van activa, komen effecten op onderpand van activa die niet voldoen aan de kredietbeoordelingsvereisten van afdeling 6.3 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, maar voor het overige voldoen aan alle op effecten op onderpand van activa uit hoofde van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 toepasselijke beleenbaarheidscriteria, in aanmerking als onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem, mits zij twee ratings hebben van minstens „triple-B” (19) van enige voor de uitgifte toegelaten externe kredietbeoordelingsinstelling. Zij voldoen tevens aan de volgende voorwaarden:

a)

de kasstroom genererende activa die dienen als onderpand voor de effecten op onderpand van activa behoren tot één van de volgende activacategorieën: i) hypothecair krediet; ii) leningen aan kleine en middelgrote bedrijven (kmo's); iii) commercieel hypothecair krediet; iv) autoleningen; v) ontvangen leasingbedragen; vi) consumentenkrediet; viii) kredietkaartontvangsten

b)

geen vermenging van uiteenlopende activacategorieën bij de kasstroom genererende activa;

c)

de kasstroom genererende activa die dienen als onderpand voor de effecten op onderpand van activa, omvatten geen leningen die:

i)

ten tijde van de uitgifte van de effecten op onderpand van activa oninbaar zijn;

ii)

oninbaar zijn bij de opname onder effecten op onderpand van activa gedurende de looptijd van de effecten op onderpand van activa, bijvoorbeeld middels substitutie of vervanging van de kasstroom genererende activa;

iii)

op enig tijdstip gestructureerd, gesyndiceerd of van hefboomfinanciering voorzien zijn;

d)

de transactiedocumentatie inzake effecten op onderpand van activa omvat schuldendienstcontinuïteitsbepalingen.

2.   Op de in lid 1 genoemde effecten op onderpand van activa die twee ratings hebben van minstens single-A (20) is een surpluspercentage van 10 % van toepassing.

3.   Op de in lid 1 genoemde effecten op onderpand van activa die niet twee ratings hebben van minstens single-A is een surpluspercentage van 22 % van toepassing.

4.   Een wederpartij mag uit hoofde van lid 1 beleenbare effecten op onderpand van activa niet als onderpand aanbieden, indien de wederpartij of enige derde waarmee zij nauwe banden heeft, rentehedging aanbiedt met betrekking tot die effecten op onderpand van activa.

5.   Een NCB kan als onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem effecten op onderpand van activa aanvaarden waarvan de onderliggende activa woninghypotheken omvatten of leningen aan kmo's, of beide, en die niet voldoen aan de kredietbeoordelingsvereisten van afdeling 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, noch aan de in lid 1, onder a) tot en met d), en hiervoor in lid 4 genoemde vereisten, maar voor het overige voldoen aan alle op effecten op onderpand van activa uit hoofde van Richtsnoer ECB/2011/14 toepasselijke beleenbaarheidscriteria en twee ratings hebben van minstens triple B. Dergelijke effecten op onderpand van activa worden beperkt tot effecten op onderpand van activa die voor 20 juni 2012 zijn uitgegeven, waarop een surpluspercentage van 22 % van toepassing is.

6.   Effecten op onderpand van activa met schuldendienstcontinuïteitsbepalingen die voldoen aan Richtsnoer ECB/2013/4 en die voor 1 oktober 2013 op de lijst van beleenbare activa stonden, blijven tot 1 oktober 2014 beleenbaar.

7.   Voor de toepassing van dit artikel gelden de volgende definities:

a)   „woninghypotheek”: afgezien van leningen met woninghypotheken als onderpand, omvat woninghypotheek gegarandeerde leningen voor woningen (zonder een hypotheek) indien de garantie bij verzuim direct verschuldigd is. Dergelijke garanties kunnen verschillende contractuele vormen aannemen, waaronder verzekeringscontracten, mits ze verstrekt worden door een entiteit uit de publieke sector of een financiële instelling die onder publiek toezicht staat. De kredietbeoordeling van de garant ter fine van dergelijke garanties dient gedurende de looptijd van de transactie te voldoen aan kredietkwaliteitsstap 3 van de geharmoniseerde ratingschaal van het Eurosysteem;

b)   „kleine onderneming” en „middelgrote onderneming”: een entiteit die een economische activiteit uitoefent, ongeacht de rechtsvorm, indien de omzet van die entiteit, of indien de entiteit deel is van een geconsolideerde groep, de omzet van de geconsolideerde groep, lager is dan 50 miljoen EUR;

c)   „niet-renderende lening”: omvat leningen met een achterstalligheid van 90 dagen of meer bij interest of hoofdsom en waarbij de debiteur in verzuim is, zoals bepaald in artikel 178 van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (21), of indien gegronde twijfel bestaat aan de volledige voldoening;

d)   „gestructureerde lening”: een structuur met achtergestelde kredietvorderingen;

e)   „syndicaatslening”: een door een groep van leninggevers in een leningssyndicaat verstrekte lening;

f)   „hefboomfinancieringslening”: een lening die wordt verstrekt aan een onderneming met een reeds aanzienlijke schuldenlast, bijvoorbeeld een buy-out of een overnamefinanciering, waarbij de lening strekt tot verkrijging van aandelen van een onderneming die tevens de debiteur van de lening is;

g)   „schuldendienstcontinuïteitsbepalingen”: bepalingen in de juridische documentatie van een effect op onderpand van activa die voorzien in vervanging van de beheerder ofwel voorzien in een facilitator die zorgt voor vervanging van de beheerder (bij gebreke van bepalingen inzake vervanging van de beheerder). Indien er bepalingen inzake een facilitator voor vervanging van de beheerder zijn opgenomen, dient een facilitator voor vervanging van de beheerder benoemd te worden, aan wie wordt opgedragen een geschikte vervanger van de beheerder te vinden, zulks binnen 60 dagen nadat de voorwaarde voor vervanging is vervuld, zulks om tijdige betaling en aflossing van het effect op onderpand van activa te verzekeren. Deze bepalingen dienen ook voorwaarden te bevatten voor de vervanging van de beheerder en de benoeming van een vervanger. Die voorwaarden kunnen al dan niet gebaseerd zijn op ratings, bijvoorbeeld niet-nakoming van verplichtingen door de huidige beheerder.

Artikel 4

Aanvullende toelating van bepaalde kredietvorderingen

1.   Een NCB kan als onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem kredietvorderingen aanvaarden die niet voldoen aan de beleenbaarheidscriteria van het Eurosysteem.

2.   Een NCB die besluit overeenkomstig lid 1 kredietvorderingen te aanvaarden, stelt daartoe beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen op middels geëxpliciteerde afwijkingen van de vereisten van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14. Die beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen omvatten het criterium dat kredietvorderingen zijn onderworpen aan de wetgeving van de lidstaat van de NCB die de beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen opstelt. De beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen zijn onderworpen aan voorafgaande goedkeuring door de Raad van bestuur.

3.   In uitzonderlijke omstandigheden kunnen NCB's, mits verkregen voorafgaande goedkeuring door de Raad van bestuur, kredietvorderingen aanvaarden:

a)

in het kader van toepassing van de beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen die een andere NCB heeft opgesteld op grond van lid 1 en 2, of

b)

die worden beheerst door het recht van een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de accepterende NCB is gevestigd;

c)

die zijn opgenomen in een pool van kredietvorderingen of onroerend goed als onderpand hebben, indien het recht dat van toepassing is op de kredietvordering of de betreffende debiteur (of de garant indien toepasselijk) het recht is van een andere lidstaat dan de lidstaat waarin de accepterende NCB is gevestigd.

4.   Een andere NCB verleent slechts bijstand aan een NCB die overeenkomstig lid 1 kredietvorderingen aanvaardt, indien zulks bilateraal tussen beide NCB's is overeengekomen en mits verkregen voorafgaande goedkeuring door de Raad van bestuur.

Artikel 5

Aanvaarding van bepaalde kortlopende schuldinstrumenten

1.   Een NCB kan als onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem bepaalde kortlopende schuldinstrumenten aanvaarden die niet voldoen aan de beleenbaarheidscriteria van het Eurosysteem voor verhandelbare activa zoals bedoeld in bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14.

2.   NCB's die besluiten kortlopende schuldinstrumenten overeenkomstig lid 1 te aanvaarden, stellen daartoe de beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen op, mits zij voldoen aan de door de Raad van bestuur vastgestelde normen. Die beleenbaarheidscriteria en risicobeheersmaatregelen omvatten de volgende op kortlopende schuldinstrumenten toepasselijke criteria:

a)

zij zijn uitgegeven door in het eurogebied gevestigde niet-financiële vennootschappen (22). De garant van het kortlopende schuldinstrument (indien toepasselijk) moet eveneens een in het eurogebied gevestigde niet-financiële vennootschap zijn, tenzij voor het kortlopende schuldinstrument geen garantie vereist is om aan de hoge kredietstandaards te voldoen, zoals bepaald in alinea d);

b)

zij worden niet toegelaten tot de handel op een markt die het Eurosysteem als aanvaardbaar beschouwt, zoals bedoeld in afdeling 6.2.1.5 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14;

c)

zij luiden in euro;

d)

zij voldoen aan de vereisten van hoge kredietstandaards die de betrokken NCB heeft opgesteld en welke in de plaats treden van de vereisten zoals vastgelegd afdeling 6.3.2 en 6.3.3 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14;

e)

tenzij anders bepaald in alinea a) tot en met d), voldoen zij aan de beleenbaarheidsvereisten van het Eurosysteem voor verhandelbare activa zoals vastgelegd in bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14.

3.   Tenzij uit hoofde van een bilaterale overeenkomst met een andere NCB, kan een NCB uit hoofde van lid 1 en 2 geen kortlopende schuldinstrumenten aanvaarden die in het eurogebied zijn uitgegeven:

a)

bij die andere NCB, of

b)

bij een centrale effectenbewaarinstelling die i) het Eurosysteem positief heeft beoordeeld krachtens standaards en beoordelingsprocedures zoals bedoeld in het „Framework for the assessment of securities settlement systems and links to determine their eligibility for use in Eurosystem credit operations” (23), en ii) is gevestigd in de eurogebiedlidstaat waarin de andere NCB gevestigd is.

4.   Binnen het kader van dit artikel wordt onder „kortlopende schuldinstrumenten” schuldinstrumenten verstaan met een looptijd van hoogstens 365 dagen bij uitgifte en op enig tijdstip daarna.

Artikel 6

Aanvaarding van bepaalde door de overheid gegarandeerde bankbrieven

1.   Een NCB zal niet gehouden zijn beleenbare ongedekte bankbrieven als onderpand voor krediettransacties van het Eurosysteem te aanvaarden:

a)

die niet voldoen aan het Eurosysteemvereiste van hoge kredietstandaards;

b)

die zijn uitgegeven door de wederpartij die deze bankbrieven gebruikt of zijn uitgegeven door met de wederpartij nauw verbonden entiteiten, en

c)

die een lidstaat volledig garandeert:

i)

met een kredietbeoordeling die niet voldoet aan het Eurosysteemvereiste van hoge kredietstandaards voor emittenten en garanten van verhandelbare activa, zoals bedoeld in afdeling 6.3.1 en 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, en

ii)

die naar het oordeel van de Raad van bestuur voldoet aan een programma van de Europese Unie/het Internationaal Monetair Fonds.

2.   NCB's stellen de Raad van bestuur ervan in kennis, dat zij besluiten de in lid 1 omschreven effecten niet als onderpand te aanvaarden.

3.   Wederpartijen mogen ongedekte bankbrieven, die door henzelf of nauw met hun verbonden entiteiten zijn uitgegeven en die een EER-overheidsentiteit, die het recht heeft belastingen te heffen, garandeert, niet als onderpand aanbieden voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem, indien de waarde van de aangeboden bankbrieven hoger is dan de nominale waarde van deze op 3 juli 2012 reeds als onderpand aangeboden obligaties.

4.   Onder uitzonderlijke omstandigheden kan de Raad van bestuur tijdelijke uitzonderingen op het in lid 3 vastgelegde vereiste toestaan, zulks voor maximaal drie jaar. Bij een verzoek tot het toestaan van uitzonderingen wordt een financieringsplan gevoegd dat vermeldt hoe de verzoekende wederpartij het eigen gebruik van ongedekte door de overheid gegarandeerde bankbrieven geleidelijk zal afschaffen, zulks ten laatste drie jaar na het toestaan van de uitzondering. Sinds 3 juli 2012 toegestane uitzonderingen blijven tot hun herzieningsdatum van toepassing.

Artikel 7

Toelating van bepaalde in Britse pond, yen of US dollar luidende activa als beleenbaar onderpand

1.   De in afdeling 6.2.1 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14 beschreven verhandelbare schuldinstrumenten, vormen, indien luidend in Britse pond, yen of US dollar, beleenbaar onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem mits: a) deze in het eurogebied worden uitgegeven en aangehouden/afgewikkeld; b) de emittent is gevestigd in de Europese Economische Ruimte, en c) deze voldoen aan alle overige beleenbaarheidscriteria van afdeling 6.2.1 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14.

2.   Het Eurosysteem past op die verhandelbare schuldinstrumenten de volgende waarderingsverlagingen toe: a) een verlaging van 16 % op in Britse pond of US dollar luidende activa, en b) een verlaging van 26 % op in yen luidende activa.

3.   In lid 1 aangeduide verhandelbare schuldinstrumenten met coupons die gekoppeld zijn aan één geldmarktrente in de denominatievaluta, of aan inflatie-indexen zonder discrete marge, zonder margeaanwas (range accrual), clickcoupons (ratchets) of gelijkaardige complexe structuren voor het betrokken land, zijn eveneens beleenbaar onderpand voor monetairebeleidstransacties van het Eurosysteem.

4.   Na goedkeuring door de Raad van bestuur kan de ECB op haar website www.ecb.europa.eu een lijst openbaar maken van overige benchmark vreemde-valuta rentes als aanvulling op de in lid 3 genoemde.

5.   Op de in vreemde valuta luidende verhandelbare activa zijn slechts de artikelen 1, 3, 6, 7 en 9 van dit richtsnoer van toepassing.

Artikel 8

Opschorting van de vereisten voor kredietkwaliteitsdrempels voor bepaalde verhandelbare instrumenten

1.   De minimumvereisten van het Eurosysteem voor kredietkwaliteitsdrempels, zoals vastgelegd in de regels inzake het kredietbeoordelingskader van het Eurosysteem voor verhandelbare activa, zulks in afdeling 6.3.2 van bijlage I bij Richtsnoer ECB/2011/14, worden overeenkomstig lid 2 opgeschort.

2.   De kredietkwaliteitsdrempel van het Eurosysteem is niet van toepassing op verhandelbare schuldinstrumenten die zijn uitgegeven door dan wel volledig worden gegarandeerd door centrale regeringen van eurogebiedlidstaten, zulks uit hoofde van een programma van de Europese Unie/Internationaal Monetair Fonds, tenzij de Raad van bestuur besluit dat de betrokken lidstaat niet voldoet aan de voorwaarde voor het programma inzake financiële steun en/of het macro-economische programma.

3.   Op door de centrale regering van de Helleense Republiek of de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten zijn de in de bijlagen I en II bij dit richtsnoer vastgelegde surpluspercentages van toepassing.

Artikel 9

Vankrachtwording, implementatie en toepassing

1.   Dit richtsnoer wordt op 9 juli 2014 van kracht.

2.   De NCB's nemen de nodige maatregelen om te voldoen aan artikel 1, lid 3, artikel 3, lid 2, lid 3, lid 5 en lid 6, artikel 3, lid 7, onder g), artikel 4, lid 3, onder c) en artikel 8, lid 3 en passen dit richtsnoer met ingang van 20 augustus 2014 toe. Zij stellen de ECB uiterlijk 6 augustus 2014 in kennis van de teksten en de middelen in verband met artikel 1, lid 3, artikel 3, lid 2, lid 3, lid 5 en lid 6, artikel 3, lid 7, onder g), artikel 4, lid 3, onder c) en artikel 8, lid 3 uiterlijk 6 augustus 2014, en voorts maatregelen in verband met artikel 5 overeenkomstig de door de Raad van bestuur vastgestelde procedures.

3.   Artikel 6 is tot en met 28 februari 2015 van toepassing.

Artikel 10

Wijzigingen van Richtsnoer ECB/2007/9

In deel 5 van bijlage III wordt de alinea na tabel 2 als volgt vervangen:

„Berekening van de vaste aftrek voor controledoeleinden (R6):

Vaste aftrek: de aftrek geldt voor iedere kredietinstelling. Iedere kredietinstelling trekt een maximum vaste aftrek af om de administratieve kosten voor het beheer van zeer geringe reservevereisten terug te dringen. Indien [reservebasis × reserveratio] minder is dan 100 000 EUR, is de vaste aftrek gelijk aan [reservebasis × reserveratio]. Indien [reservebasis × reserveratio] groter is dan of gelijk aan 100 000 EUR, is de vaste aftrek gelijk aan 100 000 EUR. instellingen die het is toegestaan als een groep op geconsolideerde basis statistische gegevens te rapporteren (zoals gedefinieerd in deel 2, afdeling 1 van bijlage III bij Verordening (EG) nr. 25/2009 (ECB/2008/32)) houden minimumreserves aan via een van de instellingen in de groep die uitsluitend als bemiddelende instelling voor deze instellingen optreedt. Overeenkomstig artikel 11 van Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (24), heeft in het laatste geval uitsluitend de groep als geheel recht op de vaste aftrek.

De minimumreserves (of: „vereiste reserves”) worden als volgt berekend:

Minimumreserves (of: „vereiste” reserves) = reservebasis × reserveratio — vaste aftrek

De reserveratio is overeenkomstig Verordening (EG) nr. 1745/2003 (ECB/2003/9) van toepassing.

Artikel 11

Intrekking

1.   Richtsnoer ECB/2013/4 wordt met ingang van 20 augustus 2014 ingetrokken.

2.   Verwijzingen naar Richtsnoer ECB/2013/4 worden geïnterpreteerd als verwijzingen naar dit richtsnoer en worden gelezen overeenkomstig de concordantietabel in bijlage IV.

Artikel 12

Geadresseerden

Dit richtsnoer is gericht tot alle centrale banken van het Eurosysteem.

Gedaan te Frankfurt am Main, 9 juli 2014.

De president van de ECB

Mario DRAGHI


(1)  Richtsnoer ECB/2013/4 van 20 maart 2013 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (PB L 95 van 5.4.2013, blz. 23).

(2)  Richtsnoer ECB/2011/14 van 20 september 2011 betreffende monetaire beleidsinstrumenten en -procedures van het Eurosysteem (PB L 331 van 14.12.2011, blz. 1).

(3)  Besluit ECB/2011/25 van 14 december 2011 inzake aanvullende met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (PB L 341 van 22.12.2011, blz. 65).

(4)  Richtsnoer ECB/2007/9 van 1 augustus 2007 betreffende monetaire statistieken en statistieken inzake financiële instellingen en markten (PB L 341 van 27.12.2007, blz. 1).

(5)  Verordening (EG) nr. 1745/2003 van de Europese Centrale Bank van 12 september 2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (PB L 250 van 2.10.2003, blz. 10).

(6)  Verordening (EU) nr. 1358/2011 van de Europese Centrale Bank van 14 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1745/2003 inzake de toepassing van reserveverplichtingen (ECB/2003/9) (ECB/2011/26) (PB L 338 van 21.12.2011, blz. 51).

(7)  Besluit ECB/2012/4 van 21 maart 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2011/25 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (PB L 91 van 29.3.2012, blz. 27).

(8)  Besluit ECB/2012/12 van 3 juli 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2011/25 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (PB L 186 van 14.7.2012, blz. 38).

(9)  Richtsnoer ECB/2012/18 van 2 augustus 2012 inzake aanvullende tijdelijke maatregelen betreffende herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (PB L 218 van 15.8.2012, blz. 20).

(10)  Besluit ECB/2012/23 van 10 oktober 2012 tot wijziging van Besluit ECB/2012/18 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (PB L 284 van 17.10.2012, blz. 14).

(11)  Besluit ECB/2013/2 van 23 januari 2013 tot wijziging van Besluit ECB/2012/18 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (PB L 34 van 5.2.2013, blz. 18).

(12)  Besluit ECB/2012/34 van 19 december 2012 betreffende tijdelijke wijzigingen van de regels betreffende de beleenbaarheid van in vreemde valuta luidend onderpand (PB L 14 van 18.1.2013, blz. 22).

(13)  Besluit ECB/2011/4 van 31 maart 2011 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Ierse regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten (PB L 94 van 8.4.2011, blz. 33).

(14)  Besluit ECB/2011/10 van 7 juli 2011 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Portugese regering uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten (PB L 182 van 12.7.2011, blz. 31).

(15)  Besluit ECB/2012/32 van 19 december 2012 inzake tijdelijke maatregelen betreffende de beleenbaarheid van door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldbewijzen (PB L 359 van 29.12.2012, blz. 74).

(16)  Besluit ECB/2013/22 van 5 juli 2013 inzake tijdelijke maatregelen betreffende door de Republiek Cyprus uitgegeven of gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten (PB L 195 van 18.7.2013, blz. 27).

(17)  Richtsnoer ECB/2014/12 van 12 maart 2014 tot wijziging van Richtsnoer ECB/2013/4 inzake aanvullende tijdelijke met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen en tot wijziging van Richtsnoer ECB/2007/9 (PB L 166 van 5.6.2014, blz. 42).

(18)  Besluit ECB/2013/36 van 26 september 2013 inzake aanvullende met herfinancieringstransacties van het Eurosysteem en de beleenbaarheid van onderpand verband houdende maatregelen (PB L 301 van 12.11.2013, blz. 13).

(19)  Een „triple-B” rating is een rating van minstens „Baa3” van Moody's, „BBB-” van Fitch of Standard & Poor's of een rating van „BBBL” van DBRS.

(20)  Een „single-A” rating is een rating van minstens „A3”' van Moody's, „A-” van Fitch of Standard & Poor's of een rating van „AL” van DBRS.

(21)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(22)  Niet-financiële vennootschappen zoals bepaald in het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (ESR 95).

(23)  Beschikbaar op de ECB-website: www.ecb.europa.eu.


BIJLAGE I

Overzicht van surpluspercentages die van toepassing zijn op door de Helleense Republiek uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten

Griekse overheidsobligaties (GGB's)

Looptijdsegment

Surpluspercentages voor vastrentende coupons en variabele instrumenten

Surpluspercentages voor nulcoupon

0-1

15,0

15,0

1-3

33,0

35,5

3-5

45,0

48,5

5-7

54,0

58,5

7-10

56,0

62,0

> 10

57,0

71,0

Door de overheid gegarandeerde bankbrieven GGBs en niet-financiële bedrijfsobilgaties

Looptijdsegment

Surpluspercentages voor vastrentende coupons en variabele instrumenten

Surpluspercentages voor nulcoupon

0-1

23,0

23,0

1-3

42,5

45,0

3-5

55,5

59,0

5-7

64,5

69,5

7-10

67,0

72,5

> 10

67,5

81,0


BIJLAGE II

Overzicht van surpluspercentages die van toepassing zijn op door de Republiek Cyprus uitgegeven of volledig gegarandeerde verhandelbare schuldinstrumenten

Overheidsobligaties

Looptijdsegment

Surpluspercentages voor vastrentende coupons en variabele instrumenten

Surpluspercentages voor zero coupon

0-1

14,5

14,5

1-3

27,5

29,5

3-5

37,5

40,0

5-7

41,0

45,0

7-10

47,5

52,5

> 10

57,0

71,0

Door de overheid gegarandeerde bankbrieven en door de overheid gegarandeerde niet-financiële bedrijfsobligaties

Looptijdsegment

Surpluspercentages voor vastrentende coupons en variabele instrumenten

Surpluspercentages voor zero coupon

0-1

23,0

23,0

1-3

37,0

39,0

3-5

47,5

50,5

5-7

51,5

55,5

7-10

58,0

63,0

> 10

68,0

81,5


BIJLAGE III

INGETROKKEN RICHTSNOER EN OPEENVOLGENDE WIJZIGINGEN ERVAN

Richtsnoer ECB/2013/4 (PB L 95 van 5.4.2013, blz. 23).

Richtsnoer ECB/2014/12 (PB L 166 van 5.6.2014, blz. 42).


BIJLAGE IV

CONCORDANTIETABEL

Richtsnoer ECB/2013/4

Dit richtsnoer

Artikelen 1 en 2

Artikelen 1 en 2

Artikel 3, leden 4 en 5

Artikel 3, leden 4 en 5

Artikel 3, lid 6

Artikel 3, lid 7

Artikel 4

Artikel 4

Artikel 3, leden 6 en 1

Artikel 3, lid 7, onder a)

Artikel 3, leden 6 en 2

Artikel 3, lid 7, onder b)

Artikel 3, leden 6 en 3

Artikel 3, lid 7, onder c)

Artikel 3, leden 6 en 4

Artikel 3, lid 7, onder d)

Artikel 3, leden 6 en 5

Artikel 3, lid 7, onder e)

Artikel 3, leden 6 en 6

Artikel 3, lid 7, onder f)

Artikel 5

Artikel 5

Artikel 6

Artikel 6

Artikel 7

Artikel 7

Artikel 8

Artikel 8

Artikel 9

Artikel 9

Artikel 10

Artikel 11

Artikel 11

Artikel 12

Richtsnoer ECB/2014/12

Dit richtsnoer

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 2

Artikel 3, lid 1

Besluit ECB/2013/22

Dit richtsnoer

Artikel 1, lid 1

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 2

Artikel 8, lid 3

Bijlage

Bijlage II

Besluit ECB/2013/36

Dit richtsnoer

Artikel 2, lid 1, onder a)

Artikel 3, lid 2

Artikel 2, lid 1, onder b)

Artikel 3, lid 3

Artikel 2, lid 2

Artikel 3, lid 5

Artikel 3, lid 2

Artikel 3, lid 7, onder g)

Artikel 3, lid 3

Artikel 3, lid 6

Artikel 4, onder c)

Artikel 4, lid 3, onder c)


Top