Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014L0080

Richtlijn 2014/80/EU van de Commissie van 20 juni 2014 tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand Voor de EER relevante tekst

OJ L 182, 21.6.2014, p. 52–55 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/80/oj

21.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 182/52


RICHTLIJN 2014/80/EU VAN DE COMMISSIE

van 20 juni 2014

tot wijziging van bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2006/118/EG van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2006 betreffende de bescherming van het grondwater tegen verontreiniging en achteruitgang van de toestand (1), en met name artikel 8,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Uit de eerste herziening uit hoofde van artikel 10 van Richtlijn 2006/118/EG is gebleken dat er onvoldoende informatie beschikbaar is om in bijlage I bij die richtlijn nieuwe grondwaterkwaliteitsnormen voor verontreinigende stoffen vast te stellen; in bijlage II moet echter wel een aantal technische aanpassingen overeenkomstig artikel 8 van die richtlijn worden aangebracht.

(2)

Er moeten gemeenschappelijke beginselen worden toegepast voor de bepaling van achtergrondconcentraties om de vergelijkbaarheid van drempelwaarden te verbeteren.

(3)

Stikstof en fosfor in het grondwater kunnen een aanzienlijk risico van eutrofiëring opleveren voor bijbehorende oppervlaktewateren en daarvan rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen. Naast nitraten en ammonium, die reeds respectievelijk in bijlage I en bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG zijn opgenomen, moeten lidstaten bij het vaststellen van de drempelwaarden ook rekening houden met nitriet, dat aan totaal stikstof bijdraagt, en totaal fosfor, hetzij als zodanig, hetzij in de vorm van fosfaten.

(4)

De noodzaak om over andere stoffen die een potentieel risico vormen nieuwe informatie te verkrijgen en daarmee rekening te houden, moet worden onderkend. Daarom moet in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie van Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (2) een „watch list” (stoffenlijst) voor verontreinigende stoffen van het grondwater worden vastgesteld met het oog op de betere beschikbaarheid van monitoringsgegevens voor stoffen die een risico of potentieel risico voor grondwaterlichamen opleveren; dit maakt het bovendien makkelijker de stoffen aan te wijzen waarvoor grondwaterkwaliteitsnormen of drempelwaarden moeten worden vastgesteld, waaronder opkomende verontreinigende stoffen.

(5)

Met betrekking tot de eerste stroomgebiedbeheersplannen is de door de lidstaten verstrekte informatie over de verontreinigende stoffen en indicatoren waarvoor drempelwaarden zijn vastgesteld onvoldoende gebleken, met name wat de methodologieën voor de beoordeling van de chemische toestand van grondwater betreft, waardoor de resultaten niet goed konden worden beoordeeld en vergeleken. De toepasselijke eisen voor de te verstrekken informatie moeten met het oog op de transparantie van die evaluatie worden verduidelijkt en aangevuld. Ook zou de verstrekte informatie een betere vergelijking van de resultaten van de beoordeling van de chemische toestand tussen de lidstaten mogelijk maken en bijdragen aan een mogelijke toekomstige harmonisatie van methodologieën voor de vaststelling van drempelwaarden voor de grondwaterkwaliteit.

(6)

Richtlijn 2006/118/EG moet derhalve dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(7)

De in deze richtlijn vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 9 van Richtlijn 2006/118/EG ingestelde comité,

HEEFT DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG wordt gewijzigd overeenkomstig de bijlage bij deze richtlijn.

Artikel 2

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk 24 maanden na de datum van inwerkingtreding aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking ervan naar deze richtlijn verwezen. De regels voor deze verwijzing worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 3

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 4

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 20 juni 2014.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 372 van 27.12.2006, blz. 19.

(2)  Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1).


BIJLAGE

Bijlage II bij Richtlijn 2006/118/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

In deel A wordt punt 3 vervangen door:

„3.

Daar waar hoge achtergrondniveaus van stoffen of ionen of indicatoren daarvan voorkomen ten gevolge van natuurlijke hydrogeologische oorzaken, wordt met deze achtergrondniveaus in het betrokken grondwaterlichaam rekening gehouden bij het vaststellen van de drempelwaarden. Bij het bepalen van de achtergrondniveaus moeten de volgende beginselen in acht worden genomen:

a)

de bepaling van achtergrondniveaus moet worden gebaseerd op de karakterisering van grondwaterlichamen overeenkomstig bijlage II bij Richtlijn 2000/60/EG en op de resultaten van de monitoring van het grondwater overeenkomstig bijlage V bij die richtlijn. Bij de monitoringstrategie en interpretatie van de gegevens moet rekening worden gehouden met het feit dat de grondwaterstroming en -chemie zowel lateraal als verticaal variëren;

b)

wanneer slechts beperkte grondwatermonitoringsgegevens beschikbaar zijn, moeten meer gegevens worden verzameld en in de tussentijd moeten achtergrondniveaus worden bepaald op basis van die beperkte gegevens, in voorkomend geval door een vereenvoudigde benadering met een subset van monsters waarvoor de indicatoren geen invloed van menselijke activiteiten hebben ondergaan. Informatie over de geochemische overdrachten en processen moet, indien beschikbaar, ook in aanmerking worden genomen;

c)

wanneer onvoldoende grondwatermonitoringsgegevens beschikbaar zijn en de informatie over de geochemische overdrachten en processen ontoereikend is, moeten meer gegevens en informatie worden verzameld, en in de tussentijd moeten achtergrondniveaus worden ingeschat, in voorkomend geval op basis van statistische resultaten voor hetzelfde type watervoerende lagen in andere gebieden waarvoor voldoende gegevens voorhanden zijn.”.

2)

Aan punt 1 van deel B worden de volgende vermeldingen toegevoegd:

„Nitriet

Fosfor (totaal)/Fosfaten (1)

(1)  De lidstaten kunnen besluiten om drempelwaarden te bepalen voor fosfor (totaal) of voor fosfaten.”."

3)

Deel C wordt vervangen door:

„Deel C

Door de lidstaten te verstrekken informatie met betrekking tot de verontreinigende stoffen en de indicatoren daarvan waarvoor drempelwaarden zijn bepaald

De lidstaten voegen in het overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG ingediende stroomgebiedbeheersplan informatie bij over de wijze waarop de in deel A van deze bijlage omschreven procedure is gevolgd.

In het bijzonder verstrekken de lidstaten:

a)

gegevens over elk van de grondwaterlichamen of groepen grondwaterlichamen die als gevaarlopend zijn aangemerkt, met inbegrip van:

i)

de omvang van dat lichaam;

ii)

elke verontreinigende stof of indicator van verontreiniging die typisch is voor grondwaterlichamen die als gevaarlopend worden aangemerkt;

iii)

de milieukwaliteitsdoelstellingen waarop het risico betrekking heeft, zoals het werkelijke of mogelijke rechtmatige gebruik of de rechtmatige functies van het grondwaterlichaam en de relaties tussen de grondwaterlichamen en de bijbehorende oppervlaktewateren en daarvan rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen;

iv)

in het geval van natuurlijk voorkomende stoffen, de natuurlijke achtergrondniveaus daarvan in het grondwaterlichaam;

v)

informatie over de overschrijdingen indien de drempelwaarden worden overschreden;

b)

de drempelwaarden die hetzij op nationaal niveau, hetzij op het niveau van het stroomgebieddistrict of het deel van het internationaal stroomgebieddistrict dat binnen het grondgebied van een lidstaat ligt, hetzij voor een grondwaterlichaam of een groep grondwaterlichamen van toepassing zijn;

c)

het verband tussen de drempelwaarden en elk van de volgende gegevens:

i)

in het geval van natuurlijk voorkomende stoffen, de achtergrondniveaus;

ii)

de bijbehorende oppervlaktewateren en daarvan rechtstreeks afhankelijke terrestrische ecosystemen;

iii)

milieukwaliteitsdoelstellingen en andere geldende waterbeschermingsnormen op nationaal, internationaal of EU-niveau;

iv)

alle relevante informatie betreffende toxicologische en ecotoxicologische kenmerken, persistentie en het vermogen tot bioaccumulatie, en de dispersie-eigenschappen van de verontreinigende stoffen;

d)

de methodologie voor het bepalen van de achtergrondniveaus op basis van de beginselen van punt 3 van deel A;

e)

de redenen waarom geen drempelwaarden zijn vastgesteld voor een of meer van de in deel B bedoelde verontreinigende stoffen en indicatoren;

f)

de belangrijkste onderdelen van de beoordeling van de chemische toestand van het grondwater, met inbegrip van het niveau, de methode en de aggregatieperiode van de monitoringsresultaten, de omschrijving van de aanvaardbare mate van overschrijding en de methode voor de berekening ervan, zulks overeenkomstig artikel 4, lid 2, onder c), i), en punt 3 van bijlage III.

Wanneer een van de in punten a) tot en met f) bedoelde gegevens niet is verwerkt in de stroomgebiedbeheersplannen, verstrekt de lidstaat in het plan de redenen hiervoor.”.



Top