Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014L0049

Richtlijn 2014/49/EU van het Europees Parlement en de Raad van 16 april 2014 inzake de depositogarantiestelsels Voor de EER relevante tekst

OJ L 173, 12.6.2014, p. 149–178 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2014/49/oj

12.6.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 173/149


RICHTLIJN 2014/49/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 16 april 2014

inzake de depositogarantiestelsels

(herschikking)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 53, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad (3) is ingrijpend gewijzigd (4). Aangezien nieuwe wijzigingen nodig zijn, dient deze richtlijn duidelijkheidshalve te worden herschikt.

(2)

Teneinde het opnemen en uitoefenen van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken, is het noodzakelijk sommige verschillen tussen de wetgevingen van de lidstaten inzake de regeling voor depositogarantiestelsels waaraan die kredietinstellingen zijn onderworpen, op te heffen.

(3)

Deze richtlijn vormt met betrekking tot de sector kredietinstellingen, ten aanzien van zowel de vrijheid van vestiging als het vrij verrichten van diensten, het essentiële instrument voor de totstandbrenging van de interne markt en vergroot tevens de stabiliteit van het bankwezen en de bescherming van de spaarders. Met het oog op de kosten van het faillissement van een kredietinstelling voor de economie in zijn geheel en het negatieve effect daarvan op de financiële stabiliteit en het vertrouwen van de deposanten, is het wenselijk om niet alleen een vergoedingsregeling voor deposanten te treffen maar ook om de lidstaten voldoende flexibiliteit te gunnen teneinde de depositogarantiestelsels in staat te stellen maatregelen uit te voeren waardoor toekomstige vorderingen tegen depositogarantiestelsels minder waarschijnlijk worden. Deze maatregelen moeten steeds voldoen aan de staatssteunregels.

(4)

Teneinde rekening te houden met de voortschrijdende integratie in de interne markt, moet derhalve de mogelijkheid worden gecreëerd om depositogarantiestelsels van verschillende lidstaten samen te voegen of om op vrijwillige basis afzonderlijke grensoverschrijdende stelsels op te zetten. De lidstaten dienen ervoor te zorgen dat de stabiliteit toereikend is en dat het geheel van nieuwe en bestaande depositogarantiestelsels evenwichtig samengesteld is. Vermeden moet worden dat de financiële stabiliteit negatief wordt beïnvloed, bijvoorbeeld doordat alleen kredietinstellingen met een hoog risicoprofiel naar een grensoverschrijdend depositogarantiestelsel worden overgeheveld.

(5)

In Richtlijn 94/19/EG is bepaald dat de Commissie, indien nodig, voorstellen tot wijziging van die Richtlijn doet. Deze richtlijn behelst de harmonisatie van de financieringsmechanismen van depositogarantiestelsels, de invoering van op risico gebaseerde bijdragen en de harmonisatie van de reikwijdte van de dekking van producten en deposanten.

(6)

Richtlijn 94/19/EG is gebaseerd op het beginsel van minimumharmonisatie. Bijgevolg bestaan in de Unie tegenwoordig allerlei depositogarantiestelsels met sterk uiteenlopende kenmerken. Doordat in deze richtlijn gemeenschappelijke vereisten zijn neergelegd, moet worden voorzien in een eenvormig beschermingsniveau voor de deposanten in de hele Unie terwijl een gelijke stabiliteit van de depositogarantiestelsels wordt gewaarborgd. Tegelijkertijd zijn die gemeenschappelijke vereisten voor depositogarantiestelsels van het grootste belang voor het wegnemen van marktverstoringen. Deze richtlijn draagt daarom bij aan de voltooiing van de interne markt.

(7)

Als gevolg van deze richtlijn zal de toegang tot depositogarantiestelsels voor deposanten sterk verbeteren, dankzij een breder en inzichtelijker bereik van de dekking, snellere terugbetaling, betere informatie en solide financieringsvereisten. Hierdoor zal in de hele interne markt het consumentenvertrouwen in de financiële stabiliteit verbeteren.

(8)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat hun depositogarantiestelsels over degelijke governancepraktijken beschikken en een jaarverslag over hun activiteiten opstellen.

(9)

Bij de sluiting van een insolvente kredietinstelling moeten de deposanten bij bijkantoren in een andere lidstaat dan die van het hoofdkantoor van de kredietinstelling door hetzelfde depositogarantiestelsels worden beschermd als de overige deposanten van de kredietinstelling.

(10)

Deze richtlijn mag de lidstaten niet beletten om deze richtlijn van toepassing te verklaren op krediet instellingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1), van Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) die vallen buiten het toepassingsgebied van Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad (6) krachtens artikel 2, lid 5, van die richtlijn. De lidstaten moeten kunnen besluiten dat, voor de toepassing van onderhavige richtlijn, het centrale orgaan en alle kredietinstellingen die bij dat centrale orgaan zijn aangesloten als één enkele kredietinstelling worden behandeld.

(11)

Alle kredietinstellingen moeten op grond van deze richtlijn in beginsel aan een depositogarantiestelsel deelnemen. Een lidstaat die bijkantoren van een kredietinstelling met hoofdkantoor in een derde land toelaat, dient te besluiten hoe deze richtlijn op die bijkantoren is toe te passen en dient rekening te houden met de noodzaak de deposanten te beschermen en de integriteit van het financieel stelsel in stand te houden. Deposanten bij zulke bijkantoren dienen volledig op de hoogte te zijn van de garantieregelingen die te hunner aanzien gelden.

(12)

Onderkend moet worden dat er institutionele protectiestelsels (IPS’s) zijn die de kredietinstelling zelf beschermenen die in het bijzonder haar liquiditeit en solvabiliteit waarborgen. Indien een dergelijk stelsel losstaat van een depositogarantiestelsel, moet rekening worden gehouden met het feit dat het bijkomende systeembescherming biedt wanneer de bijdragen van zijn deelnemers aan het depositogarantiestelsel worden bepaald. Het in deze richtlijn voorgeschreven geharmoniseerde niveau van de dekking dient geen gevolgen te hebben voor stelsels die de kredietinstelling zelf beschermen, tenzij deze deposanten terugbetalen.

(13)

Elke kredietinstelling moet deel uitmaken van een krachtens deze richtlijn erkend depositogarantiestelsel, om zo een hoog niveau van consumentenbescherming en gelijke randvoorwaarden voor de kredietinstellingen te garanderen en regelgevingsarbitrage te voorkomen. Een depositogarantiestelsel moet deze bescherming te allen tijde kunnen garanderen.

(14)

De hoofdtaak van een depositogarantiestelsel is het beschermen van de deposanten tegen de gevolgen van de insolventie van een kredietinstelling. Depositogarantiestelsels moeten deze bescherming op verschillende manieren kunnen garanderen. Depositogarantiestelsels moeten in hoofdzaak worden gebruikt voor terugbetalingen aan deposanten uit hoofde van deze richtlijn (fungeren als „paybox”).

(15)

Depositogarantiestelsels moeten ook bijstand verlenen bij het financieren van de afwikkeling van kredietinstellingen, onder de in Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad (7) bepaalde voorwaarden.

(16)

Voor zover zulks krachtens het nationale recht is toegestaan, moet het evenwel voor een depositogarantiestelsel ook mogelijk zijn om meer dan louter een terugbetalingsfunctie te bieden en de beschikbare financiële middelen te gebruiken om een falen van een kredietinstelling te voorkomen en aldus de kosten van terugbetaling aan deposanten en andere negatieve effecten te vermijden. Die maatregelen moeten evenwel binnen een helder afgebakend kader worden uitgevoerd en moeten hoe dan ook voldoen aan de staatssteunregels. Depositogarantiestelsels moeten onder meer beschikken over passende systemen en procedures om die maatregelen te kiezen en uit te voeren en om de daarmee gepaard gaande risico’s te bewaken. Aan het tenuitvoerleggen van die maatregelen moeten door de kredietinstelling te vervullen voorwaarden worden verbonden, die ten minste een strengere risicobewaking en uitgebreidere controlerechten voor de depositogarantiestelsels omvatten. De kosten van de maatregelen om een falen van een kredietinstelling te voorkomen dienen niet hoger te zijn dan de kosten om te voldoen aan de wettelijke of contractuele opdrachten van het betrokken depositogarantiestelsel wat betreft de bescherming van de gedekte deposito’s bij de kredietinstelling of van de kredietinstelling zelf.

(17)

Depositogarantiestelsels moeten ook de vorm van een IPS kunnen aannemen. De bevoegde autoriteiten moeten de mogelijkheid hebben IPS’s als bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013 als depositogarantiestelsels te erkennen indien het aan alle criteria van dat artikel en van deze richtlijn voldoet.

(18)

Deze richtlijn dient niet van toepassing te zijn op contractuele stelsels en IPS’s die niet officieel als depositogarantiestelsels zijn erkend, behoudens wat betreft de beperkte voorschriften inzake tot de deposant gerichte reclame en informatie in het geval dat een kredietinstelling van het stelsel wordt uitgesloten of het stelsel verlaat. Contractuele stelsels en IPS’s moeten te allen tijde voldoen aan de staatssteunregels.

(19)

Tijdens de recente financiële crisis hebben ongecoördineerde verhogingen van de dekking in de gehele Unie er in enkele gevallen toe geleid dat deposanten hun geld overbrachten naar kredietinstellingen in landen met hogere depositogaranties. Die ongecoördineerde verhogingen hebben in een crisissituatie liquiditeit onttrokken aan kredietinstellingen. In een stabiele situatie kan het gebeuren dat uiteenlopende dekkingsniveaus ertoe leiden dat deposanten de hoogste depositobescherming kiezen in plaats van het voor hen meest geschikte depositoproduct. Dergelijke uiteenlopende dekkingsniveaus zouden kunnen leiden tot concurrentieverstoringen in de interne markt. Het is derhalve noodzakelijk dat bij alle erkende depositogarantiestelsels een geharmoniseerd niveau voor de bescherming van deposito’s wordt gewaarborgd, ongeacht waar deze deposito’s zich in de Unie bevinden. Het dient voor een beperkte tijd echter mogelijk te zijn om voor bepaalde deposito’s die betrekking hebben op de persoonlijke situatie van deposanten, dekking te bieden op een hoger dekkingsniveau.

(20)

Voor alle deposanten moet hetzelfde dekkingsniveau gelden, ongeacht of de munt van de lidstaat de euro is of niet. lidstaten die niet de euro als munt hebben, moeten echter de mogelijkheid hebben om de uit de omrekening resulterende bedragen af te ronden, zonder dat dit ten koste gaat van een gelijkwaardige bescherming van de deposanten.

(21)

Enerzijds mag het in deze richtlijn neergelegde dekkingsniveau geen te groot aandeel van de deposito’s onbeschermd laten, zulks in het belang van zowel de bescherming van de consument als de stabiliteit van het financieel stelsel. Anderzijds dient rekening te worden gehouden met de kosten van financiering van de depositogarantiestelsels. Derhalve is het redelijk het geharmoniseerde dekkingsniveau op 100 000 EUR vast te stellen.

(22)

Deze richtlijn handhaaft het beginsel van een geharmoniseerde limiet per deposant en niet per deposito. Derhalve moet rekening worden gehouden met de deposito’s van deposanten die hetzij niet als rekeninghouder worden vermeld hetzij niet de enige rekeninghouder zijn. De limiet moet op iedere identificeerbare deposant van toepassing zijn. Het beginsel dat de limiet op elke identificeerbare deposant moet worden toegepast, dient evenwel niet te gelden voor instellingen voor collectieve belegging, waarvoor bijzondere regels inzake bescherming gelden die voor dergelijke deposito’s niet bestaan.

(23)

Bij Richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad (8) is een vast dekkingsniveau ingevoerd ten bedrage van 100 000 EUR, waardoor sommige lidstaten in een situatie terecht zijn gekomen dat zij zich gedwongen zagen hun dekkingsniveau te verlagen, met het risico dat het beleggersvertrouwen daardoor zou afnemen. Hoewel harmonisatie ook van essentieel belang is om een gelijk speelveld en financiële stabiliteit in de interne markt te garanderen, moet rekening worden gehouden met het risico dat het beleggersvertrouwen afneemt. Daarom moeten de lidstaten die, voordat Richtlijn 2009/14/EG werd toegepast, een hoger dekkingsniveau hanteerden dan het bij de richtlijn bepaalde geharmoniseerde niveau, de mogelijkheid hebben een hoger dekkingsniveau te hanteren. Dat hogere dekkingsniveau moet van beperkte duur en reikwijdte zijn, en de lidstaten in kwestie moeten het streefbedrag alsmede de aan hun depositogarantiestelsels te betalen bijdragen dienovereenkomstig aanpassen. Aangezien het streefbedrag niet kan worden aangepast indien het dekkingsniveau onbeperkt is, is het passend die mogelijkheid alleen te bieden aan lidstaten die per 1 januari 2008 een dekkingsniveau hanteerden binnen een marge tussen 100 000 EUR en 300 000 EUR. Teneinde de gevolgen van uiteenlopende dekkingsniveaus te beperken en gezien het feit dat de Commissie de uitvoering van deze richtlijn uiterlijk op 31 december 2018 opnieuw zal bezien, is het passend te bepalen dat uiterlijk tot laatstgenoemde datum van deze mogelijkheid gebruik kan worden gemaakt.

(24)

Het dient depositogarantiestelsels alleen toegestaan te zijn om de vorderingen van een deposant met diens verplichtingen te verrekenen indien die verplichtingen verschuldigd zijn voorafgaand aan of op de datum van de niet-beschikbaarheid. Die verrekening zou geen afbreuk mogen doen aan het vermogen van depositogarantiestelsels om deposito’s binnen de bij deze richtlijn bepaalde termijn terug te betalen. lidstaten dienen er niet van te worden weerhouden passende maatregelen te nemen met betrekking tot de rechten van depositogarantiestelsels in een procedure tot sanering of liquidatie van een kredietinstelling.

(25)

Het zou mogelijk moeten zijn om deposanten uit te sluiten van terugbetaling met betrekking tot deposito’s waarover de deposant volgens het nationale recht niet kan beschikken omdat de deposant en de kredietinstelling contractueel hebben vastgelegd dat het deposito louter zou dienen tot terugbetaling van een lening voor de aankoop van een particulier onroerend eigendom. Dergelijke deposito’s dienen te worden verrekend met het uitstaande bedrag van de lening.

(26)

De lidstaten moeten ervoor zorgen dat deposito’s die uit bepaalde transacties voortkomen of die bepaalde sociale of andere doelen dienen, gedurende een gegeven termijn een bescherming van meer dan 100 000 EUR genieten. De lidstaten moeten beslissen over een tijdelijk maximumdekkingsniveau voor dergelijke deposito’s en zij moeten daarbij rekening houden met de betekenis van de bescherming voor deposanten en voor de levensomstandigheden in de lidstaten. In alle dergelijke gevallen moet aan de staatssteunregels worden voldaan.

(27)

Het is noodzakelijk de methoden ter financiering van de depositogarantiestelsels te harmoniseren. De kosten voor de financiering van depositogarantiestelsels moeten in beginsel door de kredietinstellingen zelf worden gedragen, enerzijds, en de financieringscapaciteit van deze stelsels moet in verhouding staan tot de op hen rustende verplichtingen, anderzijds. Om ervoor te zorgen dat deposanten in alle lidstaten een vergelijkbaar hoog beschermingsniveau genieten, moet de financiering van depositogarantiestelsels op een hoog niveau worden geharmoniseerd met een uniform ex ante financieel streefbedrag voor alle depositogarantiestelsels.

(28)

In bepaalde omstandigheden oefenen kredietinstellingen wellicht hun werkzaamheden uit in een sterk geconcentreerde markt waar de meeste hunner een zodanige omvang en een zodanige mate van onderlinge verwevenheid kennen dat zij waarschijnlijk niet volgens een normale insolventieprocedure kunnen worden geliquideerd zonder de financiële stabiliteit in gevaar te brengen en derhalve aan een procedure tot ordelijke afwikkeling zullen worden onderworpen. Voor stelsels in die omstandigheden zou een lager streefbedrag kunnen worden gehanteerd.

(29)

Elektronisch geld en gelden die in ruil voor elektronisch geld worden ontvangen, dienen overeenkomstig Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad (9) niet als een deposito te worden behandeld en dienen derhalve niet onder het toepassingsgebied van deze richtlijn te vallen.

(30)

Teneinde de depositobescherming te beperken tot hetgeen nodig is om de rechtszekerheid en de transparantie voor deposanten te waarborgen, en teneinde te voorkomen dat beleggingsrisico’s naar depositogarantiestelsels worden overgedragen, moeten financiële producten van dekking worden uitgesloten, met uitzondering van spaarproducten die worden gestaafd met een op naam gesteld certificaat van deposito.

(31)

Bepaalde deposanten, in het bijzonder overheden en financiële instellingen, dienen niet voor depositobescherming in aanmerking te komen. Het beperkte aantal van dergelijke deposanten in vergelijking met alle andere deposanten vermindert de impact op de financiële stabiliteit indien een kredietinstelling in gebreke blijft. Ook hebben overheden veel gemakkelijker toegang tot krediet dan burgers. De lidstaten moeten evenwel kunnen beslissen dat de deposito’s van lokale overheden met een jaarlijks budget van ten hoogste 500 000 EUR dekking genieten. Niet-financiële bedrijven dienen in beginsel onder de dekking te vallen, ongeacht hun omvang.

(32)

Deposanten wier activiteiten betrekking hebben op het witwassen van geld als bedoeld in artikel 1, lid 2 of lid 3, van Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (10) moeten worden uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel.

(33)

Voor de kredietinstellingen staan de kosten van deelneming aan een depositogarantiestelsel in generlei verhouding tot de kosten die het gevolg zouden zijn van het massaal opnemen van bankdeposito’s, niet alleen bij een in moeilijkheden verkerende instelling maar ook bij gezonde instellingen, als gevolg van een verlies van het vertrouwen in de soliditeit van het bankwezen bij de deposanten.

(34)

Het is noodzakelijk dat de beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels een bepaald streefbedrag belopen en dat er buitengewone bijdragen kunnen worden geïnd. In elk geval moeten depositogarantiestelsels beschikken over een adequaat alternatief financieringsplan op basis waarvan zij kortetermijnfinanciering kunnen verwerven waarmee zij vorderingen kunnen honoreren die tegen hen worden ingesteld. De beschikbare financiële middelen van de depositogarantiestelsels moeten kunnen bestaan in contant geld, deposito’s, betalingsverplichtingen en activa met een laag risico, die op korte termijn geliquideerd kunnen worden. Het bedrag van de bijdragen aan het depositogarantiestelsel moet naar behoren rekening houden met de conjunctuurcyclus, de stabiliteit van de deposito’s in ontvangst nemende sector en de bestaande op het depositogarantiestelsel rustende verplichtingen.

(35)

Depositogarantiestelsels moeten beleggen in activa met een laag risico.

(36)

De bijdragen aan depositogarantiestelsels moeten worden gebaseerd op het bedrag van de gedekte deposito’s en de mate van het risico waaraan de betrokken deelnemer is blootgesteld. Aldus wordt een weergave van de risicoprofielen van individuele kredietinstellingen mogelijk gemaakt, met inbegrip van hun verschillende bedrijfsmodellen. Het moet tevens leiden tot een eerlijke berekening van de bijdragen en tot prikkels voor het hanteren van een minder riskant bedrijfsmodel. Omdat het zaak is dat de bijdragen op de marktomstandigheden en risicoprofielen worden toegesneden, moeten depositogarantiestelsels hun eigen risicogebaseerde methoden kunnen hanteren. Teneinde rekening te houden met naar nationaal recht gereglementeerde sectoren die door een bijzonder laag risico worden gekenmerkt, moeten de lidstaten kunnen bepalen dat de bijdragen dienovereenkomstig worden verlaagd, met dien verstande dat het voor elk stelsel geldende streefbedrag in acht moet worden genomen. De berekeningsmethodes moeten in elk geval door de bevoegde autoriteiten worden goedgekeurd. De bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad (11) opgerichte Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit) („EBA”) moet richtsnoeren afgeven tot nadere bepaling van de methoden voor het berekenen van de bijdrage.

(37)

De bescherming van deposito’s vormt een wezenlijk onderdeel van de voltooiing van de interne markt, alsmede een onmisbare aanvulling op het stelsel van toezicht op kredietinstellingen, wegens de solidariteit die daardoor tussen alle kredietinstellingen op een gegeven financiële markt ontstaat in het geval dat een van die instellingen in gebreke blijft. Daarom moeten de lidstaten depositogarantiestelsels kunnen toestaan elkaar op vrijwillige basis gelden te lenen.

(38)

De bestaande terugbetalingstermijn is strijdig met de noodzaak het vertrouwen van deposanten in stand te houden en voldoet niet aan hun behoeften. De terugbetalingstermijn dient daarom te worden verkort tot zeven werkdagen.

(39)

In veel gevallen ontbreken echter de procedures die vereist zijn voor een korte terugbetalingstermijn. Daarom moet de lidstaten de mogelijkheid worden geboden om gedurende een overgangsperiode de terugbetalingstermijn geleidelijk tot zeven werkdagen terug te brengen. De in deze richtlijn bepaalde maximumterugbetalingstermijn dient depositogarantiestelsels er niet van te weerhouden terugbetalingen vroeger te verrichten. Teneinde ervoor te zorgen dat deposanten gedurende de overgangsperiode niet in financiële moeilijkheden raken in het geval dat hun kredietinstelling in gebreke blijft, moeten deposanten op verzoek toegang tot een passend bedrag van hun gedekte deposito’s kunnen krijgen om in hun kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien. Dergelijke toegang moet uitsluitend op grond van de door de kredietinstelling verstrekte gegevens worden geboden. Omdat de kosten van levensonderhoud van lidstaat tot lidstaat verschillen, moet het bedrag in kwestie door de lidstaten worden bepaald.

(40)

Voor de termijn die noodzakelijk is voor de terugbetaling van deposito’s dient rekening te worden gehouden met de gevallen waarin stelsels moeite hebben met het bepalen van het terug te betalen bedrag en met het bepalen van de rechten van de deposant, in het bijzonder indien de deposito’s ontstaan uit onroerendgoedtransacties voor particuliere, niet-zakelijke doeleinden of uit bepaalde levensgebeurtenissen, indien de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening, of indien het deposito het voorwerp is van een rechtsgeschil, van concurrerende vorderingen op de op de rekening aangehouden bedragen, dan wel van door nationale regeringen of internationale organen opgelegde economische sancties.

(41)

Teneinde de terugbetaling veilig te stellen, moeten de depositogarantiestelsels gesubrogeerd kunnen worden in de rechten van deposanten die een terugbetaling hebben ontvangen en die een vordering hebben jegens een in gebreke gebleven kredietinstelling. De lidstaten moeten het tijdsbestek kunnen beperken waarbinnen deposanten wier deposito’s door het stelsel niet binnen de terugbetalingstermijn zijn terugbetaald of erkend, de terugbetaling van hun deposito’s kunnen vorderen, teneinde depositogarantiestelsels in staat te stellen de rechten waarin zij zijn gesubrogeerd uit te oefenen uiterlijk bij het verstrijken van de termijn waarbinnen die rechten in een insolventieprocedure aangemeld moeten zijn.

(42)

Een depositogarantiestelsel in een lidstaat waarin een kredietinstelling bijkantoren heeft gevestigd, moet deposanten namens het stelsel informeren en terugbetalen in de lidstaat die aan de kredietinstelling vergunning heeft verleend. Waarborgen zijn nodig om zeker te stellen dat het depositogarantiestelsel dat deposanten terugbetaalt, van het depositogarantiestelsel in de lidstaat van herkomst de nodige financiële middelen en instructies ontvangt voorafgaande aan de terugbetaling. Het depositogarantiestelsel dat mogelijk betrokken is, moet vooraf overeenkomsten sluiten om deze taken te faciliteren.

(43)

Voorlichting van de deposant vormt een wezenlijk onderdeel van diens bescherming. Daarom moeten deposanten op hun rekeningafschriften, en potentiële deposanten middels een gestandaardiseerd informatieblad waarvan zij de ontvangst moeten bevestigen, in kennis worden gesteld van hun dekking en het verantwoordelijke depositogarantiestelsel. De inhoud van dergelijke informatie moet voor alle deposanten gelijk zijn. De ongereglementeerde aanwending voor reclamedoeleinden van vermeldingen van het dekkingsniveau en de reikwijdte van het depositogarantiestelsel zou de stabiliteit van het bankwezen of het vertrouwen van de deposanten kunnen ondermijnen. Daarom moeten verwijzingen naar depositogarantiestelsels in reclame beperkt blijven tot korte feitelijke vermeldingen.

(44)

Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad (12) is van toepassing op de verwerking van persoonsgegevens uit hoofde van de onderhavige richtlijn. De depositogarantiestelsels en de bevoegde autoriteiten moeten de gegevens met betrekking tot de afzonderlijke deposito’s met de grootste zorgvuldigheid behandelen en moeten overeenkomstig die richtlijn een hoog niveau van gegevensbescherming bieden.

(45)

Deze richtlijn dient niet te leiden tot aansprakelijkheid van de lidstaten of van hun bevoegde autoriteiten jegens de deposanten indien zij zorg hebben gedragen voor het instellen of de officiële erkenning van een of meer garantiestelsels voor deposito’s of voor kredietinstellingen zelf, die de schadeloosstelling of de bescherming van de deposanten onder de in deze richtlijn vastgestelde voorwaarden garanderen.

(46)

Bij Verordening (EU) nr. 1093/2010 zijn aan de EBA een aantal taken met betrekking tot Richtlijn 94/19/EG toegewezen.

(47)

Met inachtneming van het toezicht van de lidstaten op depositogarantiestelsels moet de EBA haar bijdrage leveren aan de verwezenlijking van de doelstelling om de toegang tot en de uitoefening van de werkzaamheden van kredietinstellingen te vergemakkelijken en tegelijk voor een effectieve bescherming voor deposanten te zorgen en het risico voor de belastingbetalers tot een minimum te beperken. De lidstaten moeten de Commissie en de EBA steeds laten weten welke autoriteit zij hebben aangewezen om te voldoen aan de in deze richtlijn neergelegde vereisten inzake samenwerking met de EBA en aan te wijzen autoriteiten.

(48)

Om een gelijk speelveld te waarborgen en deposanten in geheel de Unie adequaat te beschermen, moeten richtsnoeren inzake financiële diensten worden geïntroduceerd. Dergelijke richtsnoeren moeten worden afgegeven tot nadere bepaling van de methode voor het berekenen van de risicogebaseerde bijdragen.

(49)

Om een efficiënte en effectieve werking van depositogarantiestelsels en een evenwichtige afweging van hun posities in de verschillende lidstaten te waarborgen, moet de EBA geschillen tussen depositogarantiestelsels op bindende wijze kunnen beslechten.

(50)

Aangezien de administratieve praktijken betreffende depositogarantiestelsels van lidstaat tot lidstaat verschillen, moet het aan de lidstaten worden gelaten te beslissen welke autoriteit vaststelt dat deposito’s niet-beschikbaar zijn.

(51)

De bevoegde autoriteiten, de aangewezen autoriteiten, de afwikkelingsautoriteiten, de relevante administratieve autoriteiten en de depositogarantiestelsels moeten onderling samenwerken en hun bevoegdheden overeenkomstig deze richtlijn uitoefenen. Zij moeten van meet af aan samenwerken bij de voorbereiding en uitvoering van de afwikkelingsmaatregelen teneinde het bedrag te bepalen waarvoor het depositogarantiestelsel aansprakelijk is wanneer de financiële middelen ter financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen worden gebruikt.

(52)

Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie bij gedelegeerde handeling het in deze richtlijn vastgestelde dekkingsniveau voor het totaal aan deposito’s van dezelfde deposant op basis van veranderingen in het indexcijfer van de consumptieprijzen aan de inflatie in de Europese Unie aan te passen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet er bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen voor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(53)

Overeenkomstig de Gezamenlijke politieke verklaring van van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (13) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsteksten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van die stukken gerechtvaardigd.

(54)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk het harmoniseren van de regels betreffende de werking van depositogarantiestelsels, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt maar beter op het niveau van de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie maatregelen nemen overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat de onderhavige richtlijn niet verder dan nodig is om die doelstelling te verwezenlijken.

(55)

De verplichting tot omzetting van de onderhavige richtlijn in nationaal recht dient te worden beperkt tot de bepalingen die ten opzichte van de vorige richtlijnen zijn gewijzigd. De verplichting tot omzetting van de ongewijzigde bepalingen vloeit voort uit de vorige richtlijnen.

(56)

De onderhavige richtlijn dient de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht van de aldaar genoemde richtlijnen onverlet te laten,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Voorwerp en toepassingsgebied

1.   Deze richtlijn bevat regels en procedures betreffende de oprichting en de werking van depositogarantiestelsels.

2.   Deze richtlijn is van toepassing op:

a)

bij wet vastgestelde depositogarantiestelsels;

b)

bij overeenkomst vastgestelde depositogarantiestelsels die officieel als depositogarantiestelsels zijn erkend overeenkomstig artikel 4, lid 2;

c)

institutionele protectiestelsels die officieel als depositogarantiestelsels zijn erkend overeenkomstig artikel 4, lid 2;

d)

kredietinstellingen die zijn aangesloten bij de stelsels als bedoeld in dit lid, onder a), b) of c).

3.   Onverminderd artikel 16, lid 5 en lid 7, vallen de volgende stelsels niet onder deze richtlijn:

a)

bij overeenkomst vastgestelde stelsels die niet officieel als depositogarantiestelsels zijn erkend, waaronder stelsels die een bijkomende bescherming bieden bovenop het in artikel 6, lid 1, neergelegde dekkingsniveau;

b)

institutionele protectiestelsels die niet officieel als depositogarantiestelsels zijn erkend;

De lidstaten zorgen ervoor dat de in de stelsels als bedoeld in de eerste alinea, onder a) en b), beschikken over adequate financiële middelen of toepasselijke financiële regelingen om aan hun verplichtingen te voldoen.

Artikel 2

Definities

1.   In deze richtlijn wordt verstaan onder:

1.   „depositogarantiestelsels”: stelsels als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder a), b) of c);

2.   „institutioneel protectiestelsel”: een institutioneel protectiestelsel as bedoeld in artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

3.   „deposito”: een creditsaldo dat wordt gevormd door op een rekening staande gelden of dat tijdelijk uit normale banktransacties voortvloeit, en dat de kredietinstelling onder de toepasselijke wettelijke en contractuele voorwaarden dient terug te betalen, met inbegrip van een termijndeposito en een spaardeposito, maar met uitsluiting van een creditsaldo indien:

a)

het bestaan ervan alleen kan worden aangetoond met een financieel instrument als gedefinieerd in artikel 4, lid 17, van Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad (14), tenzij het een spaarproduct betreft dat wordt gestaafd met een op naam gesteld certificaat van deposito en dat op 2 juli 2014 in een lidstaat al bestond;

b)

de hoofdsom ervan is niet a pari terugbetaalbaar;

c)

de hoofdsom ervan is alleen a pari terugbetaalbaar uit hoofde van een bepaalde door de kredietinstelling of door een derde verstrekte garantie of overeenkomst;

4.   „in aanmerking komende deposito’s”: deposito’s die niet op grond van artikel 5 zijn uitgesloten van bescherming;

5.   „gedekte deposito’s”: het gedeelte van in aanmerking komende deposito’s dat het in artikel 6 neergelegde dekkingsniveau niet te boven gaat;

6.   „deposant”: de houder of, in geval van een gemeenschappelijke rekening, elk van de houders van een deposito;

7.   „gemeenschappelijke rekening”: een rekening die op naam van twee of meer personen is geopend of ten aanzien waarvan twee of meer personen rechten hebben die met de handtekening van een of meer van die personen kunnen worden uitgeoefend;

8.   „niet-beschikbaar deposito”: een deposito dat verschuldigd en betaalbaar is, maar door een kredietinstelling niet onder de toepasselijke wettelijke of contractuele voorwaarden betaald is, waarbij:

a)

de betrokken administratieve autoriteiten hebben vastgesteld dat, naar hun oordeel, de kredietinstelling, om redenen die rechtstreeks verband houden met haar financiële positie, momenteel niet in staat lijkt te zijn de deposito’s terug te betalen en daartoe ook op afzienbare termijn niet in staat lijkt te zijn, of

b)

een rechterlijke instantie, om redenen welke rechtstreeks verband houden met de financiële positie van de kredietinstelling, een uitspraak heeft gedaan die leidt tot schorsing van de rechten van deposanten om vorderingen in te stellen jegens deze kredietinstelling;

9.   „kredietinstelling”: een kredietinstelling als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

10.   „bijkantoor”: een bedrijfsvestiging in een lidstaat welke een juridisch afhankelijk onderdeel vormt van een kredietinstelling en welke rechtstreeks, geheel of gedeeltelijk de handelingen verricht die eigen zijn aan de werkzaamheden van een kredietinstelling;

11.   „streefbedrag”: het bedrag aan beschikbare financiële middelen waarover het depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 10, lid 2, moet beschikken, uitgedrukt als een percentage van de gedekte deposito’s van zijn leden;

12.   „beschikbare financiële middelen”: contant geld, deposito’s en activa met een laag risico die kunnen worden geliquideerd binnen een tijdsbestek dat de in artikel 8, lid 1, bepaalde termijn niet overschrijdt en betalingsverplichtingen tot de in artikel 10, lid 3, gestelde limiet;

13.   „betalingsverplichtingen”: volledig door zekerheden gedekte betalingsverplichtingen van een kredietinstelling jegens een depositogarantiestelsel, op voorwaarde dat de zekerheden:

a)

bestaan uit activa met een laag risico;

b)

niet met rechten van derden zijn bezwaard en voor het depositogarantiestelsel beschikbaar zijn;

14.   „activa met een laag risico”: posten die vallen in de eerste en de tweede categorie als bedoeld in tabel 1 van artikel 336 van Verordening (EU) nr. 575/2013, of activa die door de bevoegde of aangewezen autoriteit in vergelijkbare mate veilig en liquide worden geacht;

15.   „lidstaat van herkomst”: een lidstaat van herkomst als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 43, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

16.   „lidstaat van ontvangst”: een lidstaat van ontvangst als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 44, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

17.   „bevoegde autoriteit”: een nationale bevoegde autoriteit als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 40, van Verordening (EU) nr. 575/2013;

18.   „aangewezen autoriteit”: een orgaan dat een depositogarantiestelsel overeenkomstig deze richtlijn beheert, of, indien het functioneren van het depositogarantiestelsel door een particuliere entiteit wordt beheerd, een overheid die door de betrokken lidstaten is aangewezen om overeenkomstig deze richtlijn toezicht op dat stelsel te houden.

2.   Indien in deze richtlijn naar Verordening (EU) nr. 1093/2010 wordt verwezen, wordt het orgaan dat depositogarantiestelsels beheert of, indien de werkzaamheden van het depositogarantiestelsel door een particuliere entiteit worden uitgevoerd, het overheidsorgaan dat toezicht houdt op dat stelsel, voor de toepassing van die verordening geacht een bevoegde autoriteit als gedefinieerd in artikel 4, lid 2, van die verordening te zijn.

3.   Aandelen van „building societies” in Ierland of het Verenigd Koninkrijk worden als deposito’s behandeld, tenzij het gaat om aandelen met een vermogenskarakter, als bedoeld in artikel 5, lid 1, onder b).

Artikel 3

Relevante administratieve autoriteiten

1.   De lidstaten wijzen in hun lidstaat de betrokken administratieve autoriteit voor de toepassing van artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), aan.

2.   Bevoegde autoriteiten, aangewezen autoriteiten, afwikkelingsautoriteiten en relevante administratieve autoriteiten werken met elkaar samen en oefenen hun bevoegdheden overeenkomstig deze richtlijn uit.

De relevante administratieve autoriteit doet deze vaststelling als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), zo spoedig mogelijk en in ieder geval uiterlijk vijf werkdagen nadat zij voor het eerst hebben geconstateerd dat een kredietinstelling heeft nagelaten verschuldigde en betaalbare deposito’s terug te betalen.

Artikel 4

Officiële erkenning, deelneming en toezicht

1.   Elke lidstaat zorgt ervoor dat op zijn grondgebied een of meer depositogarantiestelsels worden ingevoerd en officieel worden erkend.

Dit vormt geen beletsel voor een fusie van depositogarantiestelsels uit verschillende lidstaten of voor de oprichting van grensoverschrijdende depositogarantiestelsels. Goedkeuring voor zulke grensoverschrijdende of gefuseerde depositogarantiestelsels wordt verkregen van de lidstaten waar de betrokken depositogarantiestelsels worden opgericht.

2.   Bij overeenkomst vastgestelde stelsels als bedoeld in artikel 1, lid 2, onder b), van deze richtlijn kunnen officieel als depositogarantiestelsels worden erkend als zij voldoen aan deze richtlijn.

Institutionele protectiestelsels kunnen officieel als depositogarantiestelsels worden erkend indien zij voldoen aan de criteria van artikel 113, lid 7, van Verordening (EU) nr. 575/2013, alsook aan deze richtlijn.

3.   Het is een kredietinstelling waaraan op grond van artikel 8 van Richtlijn 2013/36/EU vergunning is verleend in een lidstaat, niet toegestaan deposito’s in ontvangst te nemen tenzij zij deelneemt aan een stelsel dat officieel in haar lidstaat van herkomst erkend is overeenkomstig lid 1 van dit artikel.

4.   Indien een kredietinstelling niet voldoet aan de verplichtingen die uit hoofde van haar deelneming aan een depositogarantiestelsel op haar rusten, worden de bevoegde autoriteiten daarvan onverwijld in kennis gesteld en nemen deze, in samenwerking met het depositogarantiestelsel, terstond alle passende maatregelen, zo nodig met inbegrip van sancties, om ervoor te zorgen dat de kredietinstelling haar verplichtingen nakomt.

5.   Indien de kredietinstelling in weerwil van de uit hoofde van lid 4 genomen maatregelen aan haar verplichtingen blijft verzaken, kan het depositogarantiestelsel, onverminderd het nationaal recht en met de uitdrukkelijke toestemming van de bevoegde autoriteiten, met een opzeggingstermijn van ten minste één maand kennis geven van zijn voornemen de kredietinstelling van deelneming aan het depositogarantiestelsel uit te sluiten. Deposito’s die vóór het verstrijken van deze opzeggingstermijn zijn gestort, vallen nog volledig onder de dekking van het depositogarantiestelsel. Indien de kredietinstelling na het verstrijken van de opzeggingstermijn niet aan haar verplichtingen heeft voldaan, sluit het depositogarantiestelsel de kredietinstelling uit.

6.   Deposito’s die worden gehouden op de datum waarop een kredietinstelling van deelneming aan het depositogarantiestelsel wordt uitgesloten, blijven onder de dekking van dat depositogarantiestelsel vallen.

7.   De aangewezen autoriteiten oefenen doorlopend toezicht uit op de naleving van deze richtlijn door de in artikel 1 bedoelde depositogarantiestelsels.

Op grensoverschrijdende depositogarantiestelsels wordt toezicht gehouden door vertegenwoordigers van de aangewezen autoriteiten van de lidstaten waarin aan de aangesloten kredietinstellingen vergunning is verleend.

8.   De lidstaten zorgen ervoor dat een depositogarantiestelsel te allen tijde en op verzoek van het depositogarantiestelsel alle informatie van hun deelnemers ontvangen die nodig is om terugbetalingen aan deposanten voor te bereiden, met inbegrip van de markeringen krachtens artikel 5, lid 4.

9.   De depositogarantiestelsels dragen zorg voor de geheimhouding en de bescherming van de gegevens met betrekking tot de rekeningen van deposanten. De verwerking van die gegevens geschiedt overeenkomstig Richtlijn 95/46/EG.

10.   De lidstaten zorgen ervoor dat de depositogarantiestelsels stresstests op hun systemen uitvoeren en dat de depositogarantiestelsels zo spoedig mogelijk geïnformeerd worden in het geval dat de bevoegde autoriteiten problemen in een kredietinstelling op het spoor komen die waarschijnlijk tot de interventie van een depositogarantiestelsel zullen leiden.

Dergelijke tests vinden ten minste om de drie jaar en indien nodig vaker plaats. De eerste test vindt uiterlijk op 3 juli 2017 plaats.

Op basis van de resultaten van de stresstests voert de EBA ten minste om de vijf jaar toetsingen door deskundigen uit overeenkomstig artikel 30 van Verordening (EU) nr. 1093/2010, teneinde de veerkracht van de depositogarantiestelsels te onderzoeken. Depositogarantiestelsels zijn bij de uitwisseling van informatie met de EBA onderworpen aan de vereisten van het beroepsgeheim overeenkomstig artikel 70 van die verordening.

11.   De depositogarantiestelsels gebruiken de informatie die nodig is om stresstests op hun systemen uit te voeren, alleen voor de uitvoering van die tests en zij bewaren die informatie niet langer dan daartoe noodzakelijk is.

12.   De lidstaten zorgen ervoor dat hun depositogarantiestelsels over degelijke en transparante beheerspraktijken beschikken. De depositogarantiestelsels stellen een jaarverslag over hun activiteiten op.

Artikel 5

Niet in aanmerking komende deposito’s

1.   Van terugbetaling door een depositogarantiestelsel zijn uitgesloten:

a)

in eigen naam en voor eigen rekening door andere kredietinstellingen gestorte deposito’s, onverminderd artikel 7, lid 3, van deze richtlijn;

b)

eigen vermogen als omschreven in artikel 4, lid 1, punt 118), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

c)

deposito’s uit hoofde van transacties in verband waarmee een strafrechtelijke veroordeling is uitgesproken wegens het witwassen van geld als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG;

d)

deposito’s van financiële instellingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 26), van Verordening (EU) nr. 575/2013;

e)

deposito’s van beleggingsondernemingen als gedefinieerd in artikel 4, lid 1, punt 1 van Richtlijn 2004/39/EG;

f)

deposito’s waarvan de houder zich nooit heeft gelegitimeerd krachtens artikel 9, lid 1, van Richtlijn 2005/60/EG, op het moment waarop deze niet-beschikbaar zijn geworden;

g)

deposito’s van verzekeringsondernemingen en herverzekeringsondernemingen als bedoeld in artikel 13, punten 1 tot en met 6, van Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad (15);

h)

deposito’s van instellingen voor collectieve belegging;

i)

deposito’s van pensioenfondsen;

j)

deposito’s van overheden;

k)

door een kredietinstelling uitgegeven schuldbewijzen en schulden die voortvloeien uit eigen accepten en promessen.

2.   In afwijking van lid 1 kunnen de lidstaten ervoor zorgen dat de volgende deposito’s in aanmerking komen tot het in artikel 6, lid 1, van deze richtlijn neergelegde dekkingsniveau:

a)

deposito’s die worden gehouden door persoonlijke pensioenregelingen of bedrijfspensioenregelingen van kleine of middelgrote ondernemingen;

b)

deposito’s die worden gehouden door lokale overheden met een jaarbegroting van ten hoogste 500 000 EUR.

3.   Lidstaten kunnen bepalen dat deposito’s die overeenkomstig het nationaal recht alleen kunnen worden vrijgegeven om een lening op een particulier onroerend eigendom af te betalen die is verstrekt door de kredietinstelling of door een andere instelling die houdster is van het deposito, worden uitgesloten van terugbetaling door een depositogarantiestelsel.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de kredietinstellingen de in aanmerking komende deposito’s zodanig markeren dat die deposito’s onmiddellijk te identificeren zijn.

Artikel 6

Dekkingsniveau

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat het dekkingsniveau voor het totaal van de deposito’s van eenzelfde deposant 100 000 EUR bedraagt wanneer de deposito’s niet-beschikbaar zijn.

2.   In aanvulling op lid 1 zorgen de lidstaten ervoor dat de volgende deposito’s een bescherming van meer dan 100 000 EUR genieten gedurende ten minste drie maanden en ten hoogste twaalf maanden na creditering van het bedrag of vanaf het tijdstip waarop die deposito’s wettelijk kunnen worden overgemaakt:

a)

deposito’s die het resultaat zijn van onroerendgoedtransacties met betrekking tot particuliere woningen;

b)

deposito’s die in het nationaal recht vastgestelde sociale doelen dienen en die verband houden met bepaalde levensgebeurtenissen van een deposant, zoals een huwelijk, een echtscheiding, pensionering, ontslag, ontslag wegens boventalligheid, invaliditeit of overlijden;

c)

deposito’s die in het nationaal recht vastgestelde doelen dienen en gebaseerd zijn op de uitbetaling van verzekeringsuitkeringen of vergoedingen voor schade door criminele activiteiten of onterechte veroordeling.

3.   Het bepaalde in de leden 1 en 2 weerhoudt de lidstaten er niet van stelsels ter bescherming van producten voor de ouderdomsvoorziening en ouderdomspensioenen in stand te houden of in te voeren, mits dergelijke stelsels niet slechts deposito’s beschermen, maar een brede dekking bieden voor alle te dien aanzien relevante producten en situaties.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat de terugbetalingen geschieden in een van de volgende munteenheden:

a)

de munteenheid van de lidstaat waar het depositogarantiestelsel zich bevindt;

b)

de munteenheid van de lidstaat waar de rekeninghouder zijn verblijfplaats heeft;

c)

de euro;

d)

de munteenheid van de rekening;

e)

de munteenheid van de lidstaat waar de rekening zich bevindt.

De deposanten worden in kennis gesteld van de munteenheid waarin de terugbetaling geschiedt.

Indien rekeningen worden aangehouden in een andere munteenheid dan de munteenheid van uitbetaling, wordt de wisselkoers gebruikt die geldt op de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), bedoelde vaststelling door de relevante administratieve autoriteit of van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie.

5.   De lidstaten die het in lid 1 bedoelde bedrag omzetten in hun nationale munteenheid, hanteren bij de eerste omzetting de wisselkoers die geldt op 3 juli 2015.

De lidstaten mogen de bedragen na omzetting afronden, mits de afronding niet leidt tot een verschil groter dan 5 000 EUR.

Onverminderd de tweede alinea passen de lidstaten de in een andere munteenheid omgezette dekkingsniveaus om de vijf jaar aan het in lid 1 van dit artikel bedoelde bedrag. De lidstaten passen de dekkingsniveaus, na het advies van de Commissie te hebben ingewonnen, eerder aan bij onvoorziene gebeurtenissen, zoals wisselkoersschommelingen.

6.   Het in lid 1 bedoelde bedrag wordt regelmatig en ten minste om de vijf jaar door de Commissie getoetst. In voorkomend geval dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een voorstel in voor een richtlijn tot aanpassing van het in lid 1 bedoelde bedrag, in het bijzonder rekening houdende met de ontwikkelingen in de banksector en met de economische en monetaire situatie in de Unie. De eerste toetsing geschiedt niet eerder dan 3 juli 2020 tenzij onvoorziene gebeurtenissen een eerdere toetsing noodzakelijk maken.

7.   De Commissie is bevoegd om overeenkomstig artikel 18 gedelegeerde handelingen vast te stellen om ten minste elke vijf jaar het bedrag als bedoeld in lid 6 aan te passen om rekening te houden met de inflatie in de Unie conform de veranderingen in de door de Commissie gepubliceerde geharmoniseerde consumentenprijsindex sinds de voorgaande aanpassing.

Artikel 7

Bepaling van het terugbetaalbare bedrag

1.   De in artikel 6, lid 1, vastgestelde limiet geldt voor het totaal van de deposito’s bij dezelfde kredietinstelling, ongeacht het aantal deposito’s, de munteenheid en de plaats waar zij zich in de Unie bevinden.

2.   Het aandeel van elke deposant in een gemeenschappelijke rekening wordt in aanmerking genomen bij de berekening van de in artikel 6, lid 1, vastgestelde limiet.

Bij ontstentenis van bijzondere bepalingen wordt de rekening gelijkelijk over de deposanten verdeeld.

De lidstaten mogen bepalen dat deposito’s op een rekening waarop twee of meer personen als leden van een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkende „partnership”, vereniging of andere soortgelijke groepering aanspraak kunnen maken, voor de berekening van de in artikel 6, lid 1, vastgestelde limiet mogen worden samengevoegd en als een door één deposant gestort deposito mogen worden behandeld.

3.   Indien de deposant niet de rechthebbende is van de bedragen op de rekening, wordt de rechthebbende door de garantie gedekt, mits de identiteit van die persoon is vastgesteld of kan worden vastgesteld vóór de datum waarop een relevante administratieve autoriteit tot een in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), bedoelde vaststelling overgaat, of een rechterlijke instantie een uitspraak als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b), doet. Indien er meer dan één rechthebbende is, dan wordt het aandeel van elk van hen uit hoofde van de regeling krachtens welke de middelen worden beheerd, in aanmerking genomen bij de berekening van de in artikel 6, lid 1, vastgestelde limiet.

4.   De referentiedatum voor de berekening van het terugbetaalbare bedrag is de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), bedoelde vaststelling door de relevante administratieve autoriteit of van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie. Bij de berekening van het terugbetaalbare bedrag wordt geen rekening gehouden met verplichtingen van de deposant jegens de kredietinstelling.

5.   De lidstaten kunnen besluiten dat bij de berekening van het terugbetaalbare bedrag rekening wordt gehouden met de verplichtingen van de deposant jegens de kredietinstelling indien die verplichtingen verschuldigd zijn geworden op of voorafgaand aan de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), bedoelde vaststelling door de relevante administratieve autoriteit of van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie, voor zover de verrekening mogelijk is overeenkomstig de wettelijke en contractuele voorwaarden die op het contract tussen de kredietinstelling en de deposant van toepassing zijn.

Indien bij de berekening van het terugbetaalbare bedrag rekening wordt gehouden met de verplichtingen van de deposant jegens de kredietinstelling, wordt de deposant daarvan vóór de sluiting van het contract door de kredietinstelling in kennis gesteld.

6.   De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels kredietinstellingen te allen tijde mogen verzoeken hun het totale bedrag van de in aanmerking komende deposito’s van elke deposant mee te delen.

7.   Het depositogarantiestelsel vergoedt de rente op deposito’s die is aangegroeid maar nog niet gecrediteerd op de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), bedoelde vaststelling van een relevante administratieve autoriteit of van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie. Daarbij wordt de in artikel 6, lid 1, vastgestelde limiet niet overschreden.

8.   De lidstaten mogen besluiten dat met bepaalde categorieën deposito’s die een in het nationaal recht vastgesteld sociaal doel dienen en waarvoor een derde een garantie heeft gegeven die voldoet aan de staatssteunregels, geen rekening wordt gehouden bij de vaststelling van het totaal van de deposito’s van eenzelfde deposant bij dezelfde kredietinstelling, als bedoeld in lid 1 van dit artikel. In dergelijke gevallen blijft de garantie van de derde beperkt tot het in artikel 6, lid 1, vastgestelde dekkingsniveau.

9.   Indien het volgens het nationaal recht is toegestaan dat kredietinstellingen onder verschillende merken als gedefinieerd in artikel 2 van Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad (16) actief zijn, zorgen de lidstaten ervoor dat deposanten er duidelijk van in kennis worden gesteld dat de kredietinstelling onder verschillende merken actief is en dat het in artikel 6, leden 1, 2 en 3, van deze richtlijn vastgelegde dekkingsniveau van toepassing is op het totaal van de deposito’s die de deposant bij de kredietinstelling aanhoudt. Deze informatie wordt opgenomen in de informatie voor de deposant als bedoeld in artikel 16 en bijlage I van deze richtlijn.

Artikel 8

Terugbetaling

1.   Depositogarantiestelsels zorgen ervoor dat het terugbetaalbare bedrag beschikbaar is binnen een termijn van zeven werkdagen, te rekenen vanaf de datum van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), bedoelde vaststelling door een relevante administratieve autoriteiten of van de in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b), bedoelde uitspraak door een rechterlijke instantie.

2.   De lidstaten kunnen gedurende een overgangsperiode tot en met 31 december 2023 echter de volgende terugbetalingstermijnen vaststellen:

a)

tot en met 31 december 2018: maximaal 20 werkdagen;

b)

vanaf 1 januari 2019 tot en met 31 december 2020: maximaal 15 werkdagen;

c)

vanaf 1 januari 2021 tot en met 31 december 2023: maximaal 10 werkdagen.

3.   De lidstaten mogen besluiten dat voor de in artikel 7, lid 3, bedoelde deposito’s een langere terugbetalingstermijn geldt, die niet meer dan drie maanden bedraagt, te rekenen vanaf de datum van een vaststelling door een relevante administratieve autoriteit als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8), onder a), of van een uitspraak van een rechterlijke instantie als bedoeld in artikel 2, lid 1, punt 8), onder b).

4.   Gedurende de overgangsperiode tot en met 31 december 2023 zorgen de depositogarantiestelsels ervoor dat wanneer zij het terugbetaalbare bedrag niet binnen zeven werkdagen beschikbaar kunnen stellen, de deposanten binnen vijf werkdagen na hun verzoek toegang krijgen tot een passend bedrag van hun gedekte deposito’s om in de kosten van levensonderhoud te kunnen voorzien.

De depositogarantiestelsels bieden uitsluitend op basis van de door het depositogarantiestelsel of de kredietinstelling verstrekte gegevens toegang tot het passende bedrag als bedoeld in de eerste alinea.

Het passende bedrag als bedoeld in de eerste alinea wordt van het in artikel 7 bedoelde terugbetaalbare bedrag afgetrokken.

5.   Terugbetaling, als bedoeld in de leden 1 en 4, mag worden uitgesteld wanneer:

a)

het onzeker is of een persoon gerechtigd is een terugbetaling te ontvangen, of het deposito onderwerp is van een rechtsgeschil;

b)

het deposito onderwerp is van beperkende maatregelen die zijn opgelegd door nationale regeringen of internationale organen;

c)

er in afwijking van lid 9 van dit artikel de afgelopen 24 maanden geen transactie heeft plaatsgevonden met betrekking tot het deposito (de rekening slaapt);

d)

het terug te betalen bedrag geacht wordt deel uit te maken van een tijdelijk hoog saldo, zoals omschreven in artikel 6, lid 2, of

e)

het terug te betalen bedrag dient te worden uitbetaald door het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst, in overeenstemming met artikel 14, lid 2.

6.   Het terugbetaalbare bedrag wordt ter beschikking gesteld zonder dat het depositogarantiestelsel daarom hoeft te worden verzocht. Daartoe verstrekt de kredietinstelling de nodige informatie over deposito’s en deposanten zodra het stelsel daarom verzoekt.

7.   Correspondentie tussen het depositogarantiestelsel en de deposant wordt gevoerd:

a)

in de officiële taal van de instellingen van de Unie die door de kredietinstelling waar het gedekte deposito wordt aangehouden, wordt gebruikt om schriftelijk met de deposant te communiceren, dan wel

b)

in de officiële taal of talen van de lidstaat waar het gedekte deposito wordt aangehouden.

Indien een kredietinstelling rechtstreeks in een andere lidstaat actief is zonder er bijkantoren te hebben gevestigd, wordt de informatie verstrekt in de taal die door de deposant bij de opening van de rekening is gekozen.

8.   Indien aan een deposant of aan een persoon die gerechtigd is tot of belang heeft bij op een rekening gehouden bedragen, een misdrijf ten laste is gelegd dat voortvloeit uit of verband houdt met het witwassen van geld als gedefinieerd in artikel 1, lid 2, van Richtlijn 2005/60/EG, mag het depositogarantiestelsel, niettegenstaande de in lid 1 van dit artikel bepaalde termijn, uitkeringen die de deposant in kwestie betreffen, opschorten in afwachting van de beslissing van de rechter.

9.   Er vindt geen terugbetaling plaats indien er de laatste 24 maanden geen transactie met betrekking tot het deposito heeft plaatsgevonden en de waarde van het deposito lager ligt dan de administratiekosten van het depositogarantiestelsel waarmee een dergelijke terugbetaling gepaard zou gaan.

Artikel 9

Vorderingen tegen depositogarantiestelsels

1.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de rechten van deposanten op schadeloosstelling het onderwerp kunnen vormen van een vordering tegen het depositogarantiestelsel.

2.   Onverminderd rechten waarover zij krachtens de nationale wetgeving beschikken, hebben depositogarantiestelsels die in een nationaal kader uitkeringen uit hoofde van de garantie doen, het recht om in een procedure tot liquidatie of sanering gesubrogeerd te worden in de rechten van de deposanten, voor een bedrag gelijk aan het bedrag van hun uitkeringen aan de deposanten. Wanneer een depositogarantiestelsel uitkeringen doet in het kader van een afwikkelingsprocedure, onder meer bij het toepassen van afwikkelingsinstrumenten of het uitoefenen van afwikkelingsbevoegdheden overeenkomstig artikel 11, heeft het depositogarantiestelsel een vordering tegen de betrokken kredietinstelling voor een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van de uitkeringen ervan. Die vordering bekleedt in de rangorde dezelfde plaats als gedekte deposito’s krachtens nationale wetgeving inzake normale insolventieprocedures als gedefinieerd in Richtlijn 2014/59/EU.

3.   De lidstaten mogen het tijdsbestek beperken waarbinnen deposanten wier deposito’s door het stelsel niet binnen de in artikel 8, leden 1 en 3, bepaalde termijnen zijn terugbetaald of erkend, de terugbetaling van hun deposito’s kunnen vorderen.

Artikel 10

Financiering van depositogarantiestelsels

1.   De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels beschikken over adequate systemen ter bepaling van hun potentiële verplichtingen. De beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels staan in verhouding tot die verplichtingen.

Depositogarantiestelsels verwerven de beschikbare financiële middelen door bijdragen die hun deelnemers ten minste jaarlijks betalen. Dit staat bijkomende financiering uit andere bronnen niet in de weg.

2.   De lidstaten dragen er zorg voor dat de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel uiterlijk op 3 juli 2024 ten minste een streefbedrag gelijk aan 0,8 % van het bedrag van de gedekte deposito’s van zijn deelnemers belopen.

Wanneer de financieringscapaciteit achterblijft bij het streefbedrag, wordt de betaling van bijdragen in elk geval hervat totdat het streefbedrag opnieuw is bereikt.

Zijn de beschikbare financiële middelen, nadat het streefbedrag voor het eerst is bereikt, teruggebracht tot minder dan twee derde van het streefbedrag, dan wordt de periodieke bijdrage vastgesteld op een niveau waarbij het streefbedrag binnen zes jaar bereikt kan worden.

In de periodieke bijdrage wordt naar behoren rekening gehouden met de conjunctuurcyclus en met het effect dat procyclische bijdragen kunnen hebben bij de vaststelling van de jaarlijkse bijdragen in het kader van deze bepaling.

De lidstaten kunnen de initiële in de eerste alinea bedoelde termijn met maximaal vier jaar verlengen ingeval het depositogarantiestelsel gecumuleerde uitbetalingen ten bedrage van meer dan 0,8 % van de gedekte deposito’s heeft verricht.

3.   De beschikbare financiële middelen die voor het bereiken van in aanmerking moeten worden genomen, kunnen ook betalingsverplichtingen omvatten. Het totale aandeel van betalingsverplichtingen mag niet groter zijn dan 30 % van het totaalbedrag van de beschikbare financiële middelen die overeenkomstig dit artikel worden bijeengebracht.

Met het oog op een consequente toepassing van deze richtlijn geeft de EBA richtsnoeren inzake betalingsverplichtingen.

4.   Niettegenstaande lid 1 van dit artikel, kan een lidstaat, ter vervulling van zijn verplichtingen krachtens dat lid, de beschikbare financiële middelen bijeenbrengen via de door kredietinstellingen betaalde verplichte bijdragen aan bestaande stelsels van verplichte bijdragen, die door een lidstaat op zijn grondgebied zijn ingesteld ter dekking van de kosten waarmee systeemrisico, in gebreke blijven, en afwikkeling van instellingen gepaard gaan.

Depositogarantiestelsels hebben recht op een bedrag dat gelijk is aan het bedrag van die bijdragen tot het in lid 2 van dit artikel bedoelde streefbedrag, dat de lidstaat op verzoek onmiddellijk ter beschikking van deze depositogarantiestelsels zal stellen en dat uitsluitend voor de bij artikel 11 vastgestelde doeleinden mag worden gebruikt.

Depositogarantiestelsels hebben enkel recht op dit bedrag indien de bevoegde autoriteit van mening is dat zij niet in staat zijn buitengewone bijdragen bij hun leden te innen. Depositogarantiestelsels dienen dit bedrag terug te betalen door middel van de bijdragen van hun leden overeenkomstig artikel 10, leden 1 en 2.

5.   Bijdragen aan afwikkelingsfinancieringsregelingen uit hoofde van titel VII van Richtlijn 2014/59/EU, inclusief beschikbare financiële middelen die in aanmerking genomen moeten worden voor het bereiken van het streefbedrag van de afwikkelingsfinancieringsregelingen krachtens artikel 102, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU, tellen niet mee voor het bereiken van het streefbedrag.

6.   In afwijking van lid 2 kunnen de lidstaten in gemotiveerde gevallen en na goedkeuring door de Commissie een lager minimaal streefbedrag dan het bij lid 2 vastgestelde minimale streefbedrag toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de verlaging berust op de veronderstelling dat het onwaarschijnlijk is dat een aanzienlijk deel van de beschikbare financiële voor andere dan de in artikel 11, leden 2 en 6, omschreven maatregelen ter bescherming van gedekte deposanten zal worden gebruikt, en

b)

de bankensector waarin de bij het depositogarantiestelsel aangesloten kredietinstellingen opereren, kent een sterke concentratie van grote hoeveelheden activa die worden aangehouden door een klein aantal kredietinstellingen of bankgroepen, die onderworpen zijn aan toezicht op geconsolideerde basis, die, gezien hun omvang, wanneer zij in gebreke blijven, waarschijnlijk aan een afwikkelingsprocedure onderworpen zullen worden.

Het verminderde streefbedrag mag niet lager zijn dan 0,5 % van de gedekte deposito’s.

7.   De beschikbare financiële middelen van depositogarantiestelsels worden met laag risico en op voldoende gediversifieerde wijze belegd.

8.   Indien de beschikbare financiële middelen van een depositogarantiestelsel ontoereikend zijn voor de terugbetalingen aan deposanten wanneer deposito’s onbeschikbaar worden, betalen de deelnemers buitengewone bijdragen die per kalenderjaar niet meer bedragen dan 0,5 % van hun gedekte deposito’s. In uitzonderlijke omstandigheden en indien de bevoegde autoriteit toestemming heeft gegeven, kunnen depositogarantiestelsels hogere bijdragen verlangen.

De bevoegde autoriteit kan een betaling door een kredietinstelling van buitengewone achteraf te betalen bijdragen aan het depositogarantiestelsel geheel of gedeeltelijk opschorten als de bijdragen de liquiditeit of de solvabiliteit van de kredietinstelling zouden bedreigen.

Een zodanige opschorting wordt niet verleend voor een periode langer dan zes maanden, maar kan op verzoek van de kredietinstelling worden verlengd.

De uit hoofde van dit lid opgeschorte bijdragen worden betaald op het moment dat de betaling niet langer de liquiditeit of solvabiliteit van de kredietinstelling bedreigt.

9.   De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels over een adequaat alternatief financieringsplan beschikken op basis waarvan zij kortetermijnfinanciering kunnen verkrijgen waarmee vorderingen jegens die depositogarantiestelsels kunnen worden gehonoreerd.

10.   De lidstaten stellen de EBA jaarlijks op 31 maart in kennis van het bedrag van de gedekte deposito’s in hun lidstaat en van het bedrag van de beschikbare financiële middelen van hun depositogarantiestelsels, als berekend per 31 december van het voorgaande jaar.

Artikel 11

Gebruik van middelen

1.   De in artikel 10 bedoelde financiële middelen worden in de eerste plaats gebruikt voor terugbetalingen aan deposanten uit hoofde van deze richtlijn.

2.   De financiële middelen van een depositogarantiestelsel worden gebruikt ter financiering van de afwikkeling van kredietinstellingen overeenkomstig artikel 109 van Richtlijn 2014/59/EU. De afwikkelingsautoriteit stelt na overleg met het depositogarantiestelsel het bedrag vast waarvoor het depositogarantiestelsel aansprakelijk is.

3.   De lidstaten kunnen een depositogarantiestelsel toestaan de beschikbare financiële middelen voor alternatieve maatregelen te gebruiken om het falen van een kredietinstelling te voorkomen, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de afwikkelingsautoriteit heeft geen enkele afwikkelingsmaatregel uit hoofde van artikel 32 van Richtlijn 2014/59/EU genomen;

b)

het depositogarantiestelsel beschikt over passende systemen en procedures om alternatieve maatregelen te kiezen en uit te voeren en om de daarmee gepaard gaande risico’s te bewaken;

c)

de kosten van de maatregelen zijn niet hoger dan de kosten die nodig zijn om de wettelijke of contractuele opdracht van het depositogarantiestelsel te vervullen;

d)

voor het gebruik van alternatieve maatregelen door het depositogarantiestelsel is de kredietinstelling die wordt ondersteund aan voorwaarden onderworpen die minstens een sterkere risicobewaking en uitgebreidere controlerechten van het depositogarantiestelsel omvatten;

e)

voor het gebruik van alternatieve maatregelen door het depositogarantiestelsel doet de kredietinstelling die wordt ondersteund, toezeggingen teneinde toegang tot gedekte deposito’s te verkrijgen;

f)

naar de beoordeling van de bevoegde autoriteit is gegarandeerd dat de aangesloten kredietinstellingen in staat zijn de buitengewone bijdragen in overeenstemming met het gestelde in lid 5 van dit artikel te betalen.

Het depositogarantiestelsel pleegt met de afwikkelingsautoriteit en de bevoegde autoriteit overleg over de aan de kredietinstelling opgelegde maatregelen en voorwaarden.

4.   Alternatieve maatregelen als bedoeld in lid 3 van dit artikel worden niet toegepast indien de bevoegde autoriteit na overleg met de afwikkelingsautoriteit van mening is dat aan de voorwaarden voor een afwikkelingsmaatregel uit hoofde van artikel 27, lid 1, van Richtlijn 2014/59/EU wordt voldaan.

5.   Indien er beschikbare financiële middelen worden gebruikt in overeenstemming met lid 3 van dit artikel, verstrekken de aangesloten kredietinstellingen het depositogarantiestelsel onmiddellijk de voor de alternatieve maatregelen te gebruiken middelen, zo nodig in de vorm van buitengewone bijdragen, indien:

a)

het nodig is de deposanten terug te betalen, en de beschikbare financiële middelen van het depositogarantiestelsel minder dan tweede derde van het streefbedrag bedragen;

b)

de beschikbare financiële middelen beneden 25 % van het streefbedrag komen te liggen.

6.   De lidstaten mogen bepalen dat de beschikbare financiële middelen tevens kunnen worden gebruikt ter financiering van maatregelen voor het veiligstellen van de toegang van deposanten tot gedekte deposito’s, met inbegrip van de overdracht van activa en passiva en de overdracht van depositoportefeuilles, in het kader van nationale insolventieprocedures, mits de door het depositogarantiestelsel gedragen kosten niet hoger zijn dan het nettobedrag voor het vergoeden van gedekte deposanten bij de desbetreffende kredietinstelling.

Artikel 12

Leningen die depositogarantiestelsels aan elkaar verstrekken

1.   De lidstaten kunnen aan depositogarantiestelsels het op vrijwillig basis verstrekken van kredieten aan andere depositogarantiestelsels in de Unie toestaan, mits aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

het inlenende depositogarantiestelsel is niet in staat om aan zijn verplichtingen krachtens artikel 9, lid 1, te voldoen wegens een gebrek aan beschikbare financiële middelen als bedoeld in artikel 10;

b)

het inlenende depositogarantiestelsel heeft de in artikel 10, lid 8, bedoelde buitengewone bijdragen geheven;

c)

het inlenende depositogarantiestelsel gaat de juridische verplichting aan dat de geleende middelen worden gebruikt voor de betaling van vorderingen in het kader van artikel 9, lid 1;

d)

het inlenende depositogarantiestelsel is niet al onderworpen aan een verplichting om een lening bij andere depositogarantiestelsels in het kader van het onderhavige artikel af te lossen;

e)

het inlenende depositogarantiestelsel deelt het gevraagde geldbedrag mee;

f)

het totale geleende bedrag mag niet meer dan 0,5 % van de gedekte deposito’s van het inlenende depositogarantiestelsel belopen;

g)

het inlenende depositogarantiestelsel stelt EBA onverwijld in kennis en deelt haar de redenen mee waarom aan de in dit lid opgenomen voorwaarden is voldaan en welk geldbedrag is gevraagd.

2.   Aan de lening worden de volgende voorwaarden verbonden:

a)

het inlenende depositogarantiestelsel moet de lening binnen vijf jaar aflossen. Het mag de lening in jaarlijkse termijnen aflossen. De rente hoeft pas bij de aflossing te worden betaald;

b)

het rentetarief moet ten minste gelijk zijn aan het rentetarief voor de marginale beleningsfaciliteit van de Europese Centrale Bank tijdens de kredietperiode;

c)

het uitlenende depositogarantiestelsel moet EBA de initiële rente en de duur van de lening meedelen.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de bijdragen die het inlenende depositogarantiestelsel heft, toereikend zijn om het geleende bedrag terug te betalen en het streefbedrag zo spoedig mogelijk weer te bereiken.

Artikel 13

Berekening van bijdragen aan depositogarantiestelsels

1.   De in artikel 10 bedoelde bijdragen aan depositogarantiestelsels worden gebaseerd op het bedrag van de gedekte deposito’s en de mate van het risico dat de respectieve deelnemer loopt.

De lidstaten mogen voorzien in lagere bijdragen voor sectoren met een laag risico die worden gereguleerd uit hoofde van nationaal recht.

De lidstaten mogen bepalen dat deelnemers aan een institutioneel protectiestelsels lagere bijdragen aan depositogarantiestelsels betalen.

De lidstaten kunnen toestaan dat het centrale orgaan en alle kredietinstellingen die blijvend bij het centrale orgaan zijn aangesloten als bedoeld in artikel 10, lid 1, van Verordening (EU) nr. 575/2013, als één geheel worden onderworpen aan het risicogewicht dat voor het centrale orgaan en de daarbij aangesloten instellingen op geconsolideerde basis is bepaald.

De lidstaten kunnen bepalen dat kredietinstellingen, ongeacht het bedrag van hun gedekte deposito’s, een minimumbijdrage betalen.

2.   De depositogarantiestelsels kunnen hun eigen risicogebaseerde methoden gebruiken voor het bepalen en berekenen van de risicogebaseerde bijdragen van hun deelnemers. De berekening van de bijdragen zal evenredig zijn aan het risico van de deelnemers en houdt terdege rekening met de risicoprofielen van de verschillende bedrijfsmodellen. Bij deze methoden kan ook rekening worden gehouden met de activazijde van de balans en risico-indicatoren, zoals kapitaaltoereikendheid, kwaliteit van de activa en liquiditeit.

Elke methode moet worden goedgekeurd door de bevoegde autoriteit, die daarbij samenwerkt met de aangewezen autoriteit. De EBA wordt in kennis gesteld van de methoden die zijn goedgekeurd.

3.   Met het oog op een consequente toepassing van deze richtlijn geeft de EBA uiterlijk op 3 juli 2015 overeenkomstig artikel 16 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 richtsnoeren tot nadere bepaling van de berekeningsmethoden voor de bijdragen aan depositogarantiestelsels overeenkomstig de leden 1 en 2 van dit artikel.

Hiertoe behoren meer bepaald een berekeningsformule, specifieke indicatoren, risicocategorieën voor deelnemers, drempels voor aan specifieke risicocategorieën toe te kennen risicogewichten en andere noodzakelijke elementen.

Uiterlijk op 3 juli 2017, en daarna ten minste om de vijf jaar, verricht de EBA een evaluatie van de richtsnoeren inzake risicogebaseerde of alternatieve, op eigen risico gebaseerde methoden die door de depositogarantiestelsels worden toegepast.

Artikel 14

Samenwerking binnen de Unie

1.   De depositogarantiestelsels dekken de deposanten bij door kredietinstellingen die lid zijn daarvan in andere lidstaten opgerichte bijkantoren.

2.   Deposanten bij bijkantoren die zijn opgericht door kredietinstellingen in een andere lidstaat worden terugbetaald door een depositogarantiestelsel in de lidstaat van ontvangst namens het depositogarantiestelsel in de lidstaat van herkomst. Het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst verricht de terugbetalingen volgens de instructies van het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst. Het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst is in het geheel niet aansprakelijk voor wat betreft handelingen die worden verricht volgens de instructies van het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst. Het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst verstrekt de nodige financiering voordat tot uitbetaling wordt overgegaan en vergoedt de kosten die het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst heeft gemaakt.

Voorts verstrekt het depositogarantiestelsel van de lidstaat van ontvangst de betrokken deposanten namens het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst informatie en is het gerechtigd de correspondentie van deze deposanten namens het depositogarantiestelsel van de lidstaat van herkomst in ontvangst te nemen.

3.   Indien een kredietinstelling niet langer deelneemt aan een depositogarantiestelsel en zich aansluit bij een ander depositogarantiestelsel, worden de bijdragen die in de twaalf maanden vóór de beëindiging van de deelneming zijn betaald, met uitzondering van de buitengewone bijdragen uit hoofde van artikel 10, lid 8, aan het andere depositogarantiestelsel overgedragen. Dit geldt echter niet indien een kredietinstelling overeenkomstig artikel 4, lid 5, van een depositogarantiestelsel is uitgesloten.

Indien sommige deel van de activiteiten van een kredietinstelling naar een andere lidstaat worden overgedragen en zodoende onder een ander depositogarantiestelsel komen te vallen, worden de bijdragen van die kredietinstelling die in de twaalf maanden vóór de overdracht zijn betaald, met uitzondering van de buitengewone bijdragen overeenkomstig artikel 10, lid 8, aan het andere depositogarantiestelsel overgedragen naar rata van het bedrag van de overgedragen gedekte deposito’s.

4.   De lidstaten zorgen ervoor dat depositogarantiestelsels van de lidstaat van herkomst de in artikel 4, lid 7, dan wel in artikel 4, leden 8 en 10, bedoelde informatie uitwisselen met de depositogarantiestelsels in de lidstaten van ontvangst. Daarbij zijn de in dat artikel gestelde beperkingen van toepassing.

Indien een kredietinstelling voornemens is overeenkomstig deze richtlijn van het ene naar het andere depositogarantiestelsel over te stappen, geeft zij ten minste zes maanden van tevoren kennis van dat voornemen. Tijdens die periode blijft de kredietinstelling verplicht tot betaling, van zowel de ex ante bijdragen als de ex post bijdragen aan haar oorspronkelijke depositogarantiestelsel overeenkomstig artikel 10.

5.   Om effectieve samenwerking tussen depositogarantiestelsels te bevorderen, en zulks met name met het oog op het onderhavige artikel en op artikel 12, sluiten de depositogarantiestelsels of, voor zover passend, de aangewezen autoriteiten schriftelijke samenwerkingsovereenkomsten. In die overeenkomsten wordt rekening gehouden met de in van artikel 4, lid 9, vastgelegde vereisten.

De aangewezen autoriteit stelt de EBA in kennis van het bestaan en de inhoud van dergelijke overeenkomsten, en de EBA kan overeenkomstig artikel 34 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 advies daarover verstrekken. Indien de aangewezen autoriteiten of de depositogarantiestelsels geen overstemming kunnen bereiken of indien er een geschil bestaat over de interpretatie van een overeenkomst, kan elke partij overeenkomstig artikel 19 van Verordening (EU) nr. 1093/2010 de zaak aan de EBA voorleggen, en de EBA handelt dan overeenkomstig dat artikel.

Het ontbreken van dergelijke overeenkomsten heeft geen gevolgen voor de vorderingen van deposanten krachtens artikel 9, lid 1, of van kredietinstellingen krachtens lid 3 van het onderhavige artikel.

6.   De lidstaten moeten ervoor zorgen dat er passende procedures bestaan om depositogarantiestelsels in staat te stellen informatie te delen en doeltreffend te communiceren met andere depositogarantiestelsels, hun aangesloten kredietinstellingen en de betrokken bevoegde en aangewezen autoriteiten binnen hun eigen jurisdictie en, waar van toepassing, grensoverschrijdend met andere organen.

7.   De EBA en de bevoegde en de aangewezen autoriteiten werken onderling samen en oefenen hun bevoegdheden uit overeenkomstig het bepaalde in de onderhavige richtlijn en in Verordening (EU) nr. 1093/2010.

Uiterlijk op 3 juli 2015 stellen de lidstaten de Commissie en de EBA in kennis van de identiteit van hun aangewezen autoriteit.

8.   De EBA werkt met het bij Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad (17) ingestelde Europees Comité voor systeemrisico’s (ESRB) samen aan systeemrisicoanalyse in verband met depositogarantiestelsels.

Artikel 15

Bijkantoren van in derde landen gevestigde kredietinstellingen

1.   De lidstaten vergewissen zich ervan dat bijkantoren die op hun grondgebied zijn opgericht door kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Unie, over bescherming beschikken die gelijkwaardig is aan de in deze richtlijn voorgeschreven bescherming.

Is de bescherming niet gelijkwaardig, dan mogen de lidstaten, onverminderd artikel 47, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU, bepalen dat bijkantoren die zijn opgericht door kredietinstellingen met hoofdkantoor buiten de Unie, aan een op hun grondgebied functionerend depositogarantiestelsel moeten deelnemen.

Bij het verrichten van de controle als bedoeld in de eerste alinea van dit lid vergewissen de lidstaten zich er ten minste van dat aan de deposanten hetzelfde dekkingsniveau en dezelfde beschermingsomvang worden geboden als die waarin de onderhavige richtlijn voorziet.

2.   Elk bijkantoor van een kredietinstelling met hoofdkantoor buiten de Unie, die niet deelneemt aan een depositogarantiestelsel in een lidstaat, verstrekt alle nuttige inlichtingen betreffende de garantieregelingen die gelden voor deposito’s van huidige en potentiële deposanten bij dat bijkantoor.

3.   De in lid 2 bedoelde inlichtingen worden op de bij de nationale wetgeving voorgeschreven wijze beschikbaar gesteld in hetzij de taal die door de deposant en de kredietinstelling werd overeengekomen toen de bankrekening geopend werd, hetzij de officiële taal of talen van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd, en worden helder en bevattelijk geformuleerd.

Artikel 16

Informatie voor de deposant

1.   De lidstaten zien erop toe dat de kredietinstellingen aan huidige en potentiële deposanten de informatie ter beschikking stellen die nodig is om te bepalen aan welke depositogarantiestelsels in de Unie de kredietinstelling en haar bijkantoren deelnemen. De lidstaten zien erop toe dat kredietinstellingen huidige en potentiële deposanten informeren over de geldende uitsluitingen van de door het depositogarantiestelsel geboden bescherming.

2.   Vóór de sluiting van een contract inzake het in ontvangst nemen van deposito’s wordt aan deposanten de in lid 1 bedoelde informatie verstrekt. Zij bevestigen de ontvangst van die informatie. Daarvoor wordt het in bijlage I opgenomen model gebruikt.

3.   Deposanten ontvangen op hun rekeningafschrift een bevestiging dat de deposito’s in aanmerking komen, met inbegrip van een verwijzing naar het in bijlage I opgenomen informatieblad. Op het informatieblad wordt de website van het bevoegde depositogarantiestelsel vermeld. Het in bijlage I opgenomen informatieblad wordt ten minste eenmaal per jaar aan de deposant verstrekt.

De website van het depositogarantiestelsel moet de nodige informatie voor deposanten bevatten, met name informatie over de bepalingen inzake de procedure en de voorwaarden die gelden voor depositogaranties overeenkomstig deze richtlijn.

4.   De in lid 1 bedoelde informatie worden op de bij de nationale wetgeving voorgeschreven wijze ter beschikking gesteld in hetzij de taal die door de deposant en de kredietinstelling werd overeengekomen toen de bankrekening werd geopend, hetzij de officiële taal of talen van de lidstaat waar het bijkantoor is gevestigd.

5.   De lidstaten beperken de aanwending voor reclamedoeleinden van de in leden 1, 2 en 3 bedoelde informatie tot het louter vermelden van het depositogarantiestelsel dat een garantie biedt voor het product waarop de reclame betrekking heeft, en tot de aanvullende informatie die bij nationale wetgeving is vereist.

Die informatie mag worden uitgebreid tot een feitelijke beschrijving van de werking van het depositogarantiestelsel, maar zij mag niet vermelden dat deposito’s een ongelimiteerde dekking genieten.

6.   Bij fusies, omzettingen van dochterondernemingen in bijkantoren of soortgelijke operaties worden de deposanten ten minste één maand voordat de rechtsgevolgen ervan ingaan, van de fusie of de omzetting in kennis gesteld, tenzij de bevoegde autoriteit om redenen van zakelijke geheimhouding of financiële stabiliteit een kortere termijn toestaat.

Deposanten krijgen na de kennisgeving van de fusie of de omzetting of soortgelijke operaties gedurende drie maanden de gelegenheid om hun in aanmerking komende deposito’s, inclusief alle aangegroeide rente en winsten, zonder sanctie op te nemen of naar een andere kredietinstelling over te schrijven, voor zover zij hoger zijn dan de dekking krachtens artikel 6 op het moment van de operatie.

7.   De lidstaten zien erop toe dat indien een kredietinstelling niet langer deelneemt aan of wordt uitgesloten van een depositogarantiestelsel, zij binnen één maand na de beëindiging van haar deelname of na haar uitsluiting, haar deposanten daarvan in kennis stelt.

8.   Indien een deposant gebruik maakt van internetbankieren, kan de overeenkomstig deze richtlijn te verstrekken informatie langs elektronische weg worden verstrekt. Indien de deposant daarom verzoekt, wordt de informatie op papier verstrekt.

Artikel 17

Lijst van vergunninghoudende kredietinstellingen

1.   De lidstaten zien erop toe dat de bevoegde autoriteiten in hun kennisgevingen aan de EBA betreffende vergunningen overeenkomstig artikel 20, lid 1, van Richtlijn 2013/36/EU vermelden van welk depositogarantiestelsel elke kredietinstelling lid is.

2.   Bij het bekendmaken en actualiseren van de lijst van vergunninghoudende kredietinstellingen overeenkomstig artikel 20, lid 2, van Richtlijn 2013/36/EU vermeldt de EBA van welk depositogarantiestelsel elke kredietinstelling lid is.

Artikel 18

Uitoefening van de bevoegdheidsdelegatie

1.   De bevoegdheid tot vaststelling van gedelegeerde handelingen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 6, lid 7, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor onbepaalde tijd.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 6, lid 7, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 6, lid 7, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie heeft meegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 19

Overgangsbepalingen

1.   Indien bepaalde deposito’s of bepaalde categorieën deposito’s of andere instrumenten na de omzetting van de onderhavige richtlijn of van Richtlijn 2009/14/EG in nationaal recht niet langer geheel of gedeeltelijk door depositogarantiestelsels worden gedekt, kunnen de lidstaten toestaan dat deposito’s en andere instrumenten die een oorspronkelijke vervaldatum hebben, worden gedekt tot en met hun oorspronkelijke vervaldatum indien zij vóór 2 juli 2014 zijn gestort of uitgegeven.

2.   De lidstaten zorgen ervoor dat deposanten worden geïnformeerd over de deposito’s, de categorieën deposito’s of andere instrumenten die met ingang van 3 juli 2015 niet langer door een depositogarantiestelsel gedekt zullen zijn.

3.   Totdat het streefbedrag voor het eerst is bereikt, kunnen de lidstaten de in artikel 11, lid 5, bedoelde drempelwaarden toepassen met betrekking tot de beschikbare financiële middelen.

4.   In afwijking van artikel 6, lid 1, kunnen de lidstaten die op 1 januari 2008 een dekkingsniveau tussen 100 000 EUR en 300 000 EUR boden, dat hogere dekkingsniveau aanhouden tot en met 31 december 2018. In dat geval worden het streefbedrag en de bijdragen van de kredietinstellingen dienovereenkomstig aangepast.

5.   Uiterlijk op 3 juli 2019, dient de Commissie bij het Europees Parlement en de Raad een verslag en zo nodig een wetgevingsvoorstel in, waarin wordt aangegeven hoe de in de Unie opererende depositogarantiestelsels via een Europees stelsel kunnen samenwerken om risico’s als gevolg van grensoverschrijdende activiteiten te voorkomen en de deposito’s tegen dergelijke risico’s te beschermen.

6.   Uiterlijk op 3 juli 2019 dient de Commissie, met de ondersteuning van de EBA, bij het Europees Parlement en de Raad een verslag in over de vorderingen met de implementatie van deze richtlijn. In dit verslag moet in het bijzonder het volgende worden behandeld:

a)

het streefbedrag op basis van de gedekte deposito’s, met een evaluatie van de gepastheid van het vastgestelde percentage, waarbij rekening wordt gehouden met het faillissement van kredietinstellingen in de Unie in het verleden;

b)

het effect van alternatieve maatregelen overeenkomstig artikel 11, lid 3, inzake de bescherming van deposanten en de samenhang met de liquidatieprocedures in de bankensector;

c)

het effect op de diversiteit van de bankmodellen;

d)

de geschiktheid van het huidige dekkingsniveau voor deposanten, en

e)

of de in deze alinea bedoelde aangelegenheden zijn uitgevoerd op een wijze waardoor de bescherming van deposanten wordt gehandhaafd.

Uiterlijk op 3 juli 2019 brengt de EBA aan de Commissie verslag uit over de berekeningsmodellen en de waarde ervan voor het bedrijfsrisico van de deelnemers. In haar verslag houdt de EBA terdege rekening met de risicoprofielen van de diverse bedrijfsmodellen.

Artikel 20

Omzetting

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 3 juli 2015 aan de artikelen 1 tot en met 4, artikel 5, lid 1, punt d) tot en met punt k), artikel 5, leden 2, 3 en 4 artikel 6, leden 2 tot en met 7, artikel 7, leden 4 tot en met 9, artikel 8, leden 1, 2, 3, 5, 6, 7 en 9, artikel 9, leden 2 en 3, de artikelen 10 tot en met 16, artikel 18 en artikel 19, en bijlage I te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die maatregelen onverwijld mee.

De lidstaten doen uiterlijk 31 mei 2016 de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om te voldoen aan artikel 8, lid 4.

Indien de gepaste autoriteiten na grondige controle tot de vaststelling komen dat een depositogarantiestelsel nog niet in staat is uiterlijk op 3 juli 2015 aan artikel 13 te voldoen, worden de toepasselijke wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen uiterlijk op 31 mei 2016 van toepassing.

Wanneer de lidstaten die maatregelen aannemen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. In de bepalingen wordt tevens vermeld dat verwijzingen in bestaande wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen naar de bij deze richtlijn ingetrokken richtlijnen, gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn. De regels voor die verwijzing en de formulering van die vermelding worden vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijke bepalingen van intern recht mede die zij op het onder de onderhavige richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 21

Intrekking

Richtlijn 94/19/EG, zoals gewijzigd bij de in bijlage II genoemde richtlijnen, wordt met ingang van 4 juli 2019 ingetrokken, onverminderd de verplichtingen van de lidstaten met betrekking tot de in bijlage II genoemde termijnen voor omzetting in nationaal recht en de data van toepassing van de aldaar genoemde richtlijnen.

Verwijzingen naar de ingetrokken richtlijnen gelden als verwijzingen naar de onderhavige richtlijn en worden gelezen volgens de concordantietabel in bijlage III.

Artikel 22

Inwerkingtreding

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5, lid 1, onder a), b) en c), artikel 6, lid 1, artikel 7, leden 1, 2 en 3, artikel 8, lid 8, artikel 9, lid 1, en artikel 17 zijn van toepassing met ingang van 4 juli 2015.

Artikel 23

Addressees

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Straatsburg, 16 april 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 99 van 31.3.2011, blz. 1.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 februari 2012 (PB C 249 E van 30.8.2013, blz. 81) en besluit van de Raad in eerste lezing van 3 maart 2014. Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad).

(3)  Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad van 30 mei 1994 inzake de depositogarantiestelsels (PB L 135 van 31.5.1994, blz. 5).

(4)  Zie bijlage III.

(5)  Verordening (EU) nr. 575/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende prudentiële vereisten voor kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 648/2012 (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 1).

(6)  Richtlijn 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad van 26 juni 2013 betreffende toegang tot het bedrijf van kredietinstellingen en het prudentieel toezicht op kredietinstellingen en beleggingsondernemingen, tot wijziging van Richtlijn 2002/87/EG en tot intrekking van de Richtlijnen 2006/48/EG en 2006/49/EG (PB L 176 van 27.6.2013, blz. 338).

(7)  Richtlijn 2014/59/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende de totstandbrenging van een kader voor het herstel en de afwikkeling van kredietinstellingen en beleggingsondernemingen en tot wijziging van Richtlijn 82/891/EEG van de Raad en de Richtlijnen 2001/24/EG, 2002/47/EG, 2004/25/EG, 2005/56/EG, 2007/36/EG, 2011/35/EU, 2012/30/EU en 2013/36/EU van het Europees Parlement en de Raad en van Verordeningen (EU) nr. 1093/2010 en (EU) nr. 648/2012 van het Europees Parlement en de Raad (zie bladzijde 190 van dit Publicatieblad).

(8)  Richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 tot wijziging van Richtlijn 94/19/EG inzake de depositogarantiestelsels wat dekking en uitbetalingstermijn betreft (PB L 68 van 13.3.2009, blz. 3).

(9)  Richtlijn 2009/110/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 september 2009 betreffende de toegang tot, de uitoefening van en het prudentieel toezicht op de werkzaamheden van instellingen voor elektronisch geld, tot wijziging van de Richtlijnen 2005/60/EG en 2006/48/EG en tot intrekking van Richtlijn 2000/46/EG (PB L 267 van 10.10.2009, blz. 7).

(10)  Richtlijn 2005/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 26 oktober 2005 tot voorkoming van het gebruik van het financiële stelsel voor het witwassen van geld en de financiering van terrorisme (PB L 309 van 25.11.2005, blz. 15).

(11)  Verordening (EU) nr. 1093/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 tot oprichting van een Europese toezichthoudende autoriteit (Europese Bankautoriteit), tot wijziging van Besluit nr. 716/2009/EG en tot intrekking van Besluit 2009/78/EG van de Commissie (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 12).

(12)  Richtlijn 95/46/EG van het Europees Parlement en de Raad van 24 oktober 1995 betreffende de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens en betreffende het vrije verkeer van die gegevens (PB L 281 van 23.11.1995, blz. 31).

(13)  Gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14).

(14)  Richtlijn 2004/39/EG van het Europees Parlement en de Raad van 21 april 2004 betreffende markten voor financiële instrumenten, tot wijziging van de Richtlijnen 85/611/EEG en 93/6/EEG van de Raad en van Richtlijn 2000/12/EG van het Europees Parlement en de Raad en houdende intrekking van Richtlijn 93/22/EEG van de Raad (PB L 145 van 30.4.2004, blz. 1).

(15)  Richtlijn 2009/138/EG van het Europees Parlement en de Raad van 25 november 2009 betreffende de toegang tot en uitoefening van het verzekerings- en het herverzekeringsbedrijf (Solvabiliteit II) (PB L 335 van 17.12.2009, blz. 1).

(16)  Richtlijn 2008/95/EG van het Europees Parlement en de Raad van 22 oktober 2008 betreffende de aanpassing van het merkenrecht der lidstaten (PB L 299 van 8.11.2008, blz. 25).

(17)  Verordening (EU) nr. 1092/2010 van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 betreffende macroprudentieel toezicht van de Europese Unie op het financiële stelsel en tot oprichting van een Europees Comité voor systeemrisico’s (PB L 331 van 15.12.2010, blz. 1).


BIJLAGE I

MODELFORMULIER INFORMATIE VOOR DE DEPOSANT

Basisinformatie over de bescherming van deposito’s

Deposito’s aangehouden bij (naam van de kredietinstelling invullen) worden beschermd door:

[naam van het desbetreffende depositogarantiestelsel invullen] (1)

Limiet van de bescherming:

100 000 EUR per deposant per kredietinstelling (2)

[toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet EUR is]

[indien van toepassing:] De volgende merken maken deel uit van uw kredietinstelling [alle merken invullen die onder dezelfde vergunning opereren]

Indien u verscheidene deposito’s heeft bij dezelfde kredietinstelling:

Al uw deposito’s bij dezelfde kredietinstelling worden bij elkaar opgeteld en op het totaal wordt de limiet van 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is] toegepast (2)

Indien u een gezamenlijke rekening heeft met een andere persoon/andere personen:

De limiet van 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is] is op elke deposant afzonderlijk van toepassing (3)

Termijn voor terugbetaling indien een kredietinstelling niet langer aan haar verplichtingen kan voldoen:

7 werkdagen (4)

[vervangen door een andere termijn, indien van toepassing]

Munteenheid van terugbetaling:

Euro [vervangen door een andere munteenheid, indien van toepassing]

Contact:

[contactgegevens van het betrokken depositogarantiestelsel invullen

(adres, telefoon, e-mail enz.)]

Meer informatie:

[internetadres van het desbetreffende depositogarantiestelsel invullen]

Bevestiging door de deposant:

 

Aanvullende informatie (onderstaande informatie volledig of gedeeltelijk toevoegen)


(1)  [Alleen indien van toepassing:] Uw deposito is gedekt door een contractueel stelsel dat officieel erkend is als depositogarantiestelsel. Indien uw kredietinstelling failliet gaat, worden uw deposito’s terugbetaald tot 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is].

[Alleen indien van toepassing:] Uw kredietinstelling maakt deel uit van een institutioneel beschermingsstelsel dat officieel erkend is als depositogarantiestelsel. Dit houdt in dat alle instellingen die aangesloten zijn bij dit stelsel, elkaar helpen om een faillissement te voorkomen. In het geval van een faillissement worden uw deposito’s terugbetaald tot 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is].

[Alleen indien van toepassing:] Uw deposito is gedekt door een wettelijk depositogarantiestelsel en een contractueel depositogarantiestelsel. Indien uw kredietinstelling failliet gaat, worden uw deposito’s in elk geval terugbetaald tot 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is].

[Alleen indien van toepassing:] Uw deposito is gedekt door een wettelijk depositogarantiestelsel. Uw kredietinstelling maakt daarenboven deel uit van een institutioneel beschermingsstelsel waarin alle leden elkaar helpen om een faillissement te voorkomen. In het geval van een faillissement worden uw deposito’s door het depositogarantiestelsel terugbetaald tot 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is].

(2)  Indien een deposito onbeschikbaar is omdat een kredietinstelling niet aan haar financiële verplichtingen kan voldoen, worden de deposanten terugbetaald door het depositogarantiestelsel. De terugbetaling bedraagt ten hoogste 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is] per kredietinstelling. Dit betekent dat alle deposito’s bij dezelfde kredietinstelling bij elkaar worden opgeteld om te bepalen welk bedrag wordt gedekt. Als een deposant bijvoorbeeld een spaarrekening met 90 000 EUR en een girorekening/zichtrekening met 20 000 EUR heeft, dan ontvangt hij of zij een terugbetaling van slechts 100 000 EUR.

[Alleen indien van toepassing:] Dit geldt ook als een kredietinstelling onder verschillende merknamen actief is. De [naam invullen van de kredietinstelling waar de rekening wordt aangehouden] opereert ook onder de naam [alle andere merknamen van dezelfde kredietinstelling invullen]. Heeft u deposito’s onder deze merknamen, dan zijn deze deposito’s samen gedekt tot 100 000 EUR.

(3)  Bij gezamenlijke rekeningen geldt de limiet van 100 000 EUR voor elke deposant afzonderlijk.

[Alleen indien van toepassing:] Voor deposito’s op een rekening waarop twee of meer personen als leden van een niet over rechtspersoonlijkheid beschikkende „partnership”, vereniging of andere soortgelijke groepering aanspraak kunnen maken, geldt het volgende: voor de berekening van de limiet van 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is] worden deze deposito’s bij elkaar opgeteld en behandeld als deposito’s van één deposant.

In een aantal gevallen [de gevallen vermelden die in het nationaal recht zijn vastgesteld] worden deposito’s van meer dan 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is] beschermd. Verdere informatie kunt u vinden op: [website van het verantwoordelijke depositogarantiestelsel invullen].

(4)  

Terugbetaling [nog aan te passen]

Het verantwoordelijke depositogarantiestelsel is [naam, adres, telefoonnummer, e-mail en internetadres invullen]. Het zal uw deposito’s (tot 100 000 EUR [toepasselijk bedrag invullen indien de munteenheid niet euro is]) uiterlijk [in het nationaal recht voorgeschreven termijn voor terugbetaling invullen] — en vanaf [31 december 2023] binnen [7 werkdagen] — terugbetalen.

[Informatie toevoegen over nooduitbetalingen/tussentijdse terugbetalingen in het geval dat de terug te betalen bedragen niet binnen de 7 werkdagen beschikbaar zijn.]

Als u binnen deze termijn geen terugbetaling heeft ontvangen, moet u zelf contact opnemen met het depositogarantiestelsel; het is namelijk mogelijk dat u uw geld niet meer kunt terugvragen na het verstrijken van een bepaalde termijn. Verdere informatie kunt u vinden op: [internetadres van het verantwoordelijke depositogarantiestelsel invullen].

Overige belangrijke informatie

In het algemeen vallen alle kleine deposanten en bedrijven onder het depositogarantiestelsel. Voor bepaalde deposito’s geldt een uitzondering. Deze worden op de website van het verantwoordelijke depositogarantiestelsel vermeld. Ook zal uw kredietinstelling u op verzoek meedelen of bepaalde producten al dan niet zijn gedekt. Als deposito’s onder de dekking vallen, zal de kredietinstelling dit ook bevestigen op het rekeningafschrift.


BIJLAGE II

DEEL A

Ingetrokken richtlijnen en de achtereenvolgende wijzigingen op die richtlijnen (als bedoeld in artikel 21)

Richtlijn 94/19/EG van het Europees Parlement en de Raad

Richtlijn 2009/14/EG van het Europees Parlement en de Raad

DEEL B

Uiterste omzettingsdata (als bedoeld in artikel 21)

Richtlijn

Uiterste omzettingsdatum

94/19/EG

1.7.1995

2009/14/EG

30.6.2009

2009/14/EG (artikel 1, lid 3, onder i), tweede alinea, artikel 7, lid 1 bis en lid 3, en artikel 10, lid 1, van Richtlijn 94/19/EG als gewijzigd bij Richtlijn 2009/14/EG)

31.12.2010


BIJLAGE III

CONCORDANTIETABEL

Richtlijn 94/19/EG

Richtlijn 2009/14/EG

Onderhavige richtlijn

Artikel 1

 

 

Artikel 2, lid 1, punt 1)

Artikel 1, lid 1

 

Artikel 2, lid 1, punt 3)

 

 

Artikel 2, lid 1, punt 4)

Artikel 1, lid 2

 

Artikel 2, lid 1, punt 7)

Artikel 1, lid 3

Artikel 1, lid 1

Artikel 2, lid 1, punt 8)

Artikel 1, lid 4

 

Artikel 2, lid 1, punt 9)

Artikel 1, lid 5

 

Artikel 2, lid 1, punt 10)

 

 

Artikel 2, lid 1, punten 11) tot en met 18)

 

 

Artikel 2, lid 2

Artikel 1, lid 1

 

Artikel 2, lid 3

 

 

Artikel 3

Artikel 3, lid 1

 

Artikel 4, lid 1

 

 

Artikel 4, lid 2

Artikel 3, lid 1

 

Artikel 4, lid 3

Artikel 3, lid 2

 

Artikel 4, lid 4

Artikel 3, lid 3

 

Artikel 4, leden 5 en 6

 

 

Artikel 4, lid 9

 

 

Artikel 4, leden 10 en 11

Artikel 2

 

Artikel 5, lid 1, onder a), b) en c)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 1

 

Artikel 5, lid 1, onder d)

 

 

Artikel 5, lid 1, onder e)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 10

 

Artikel 5, lid 1, onder f)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 2

 

Artikel 5, lid 1, onder g)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 5

 

Artikel 5, lid 1, onder h)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 6

 

Artikel 5, lid 1, onder i)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punten 3 en 4

 

Artikel 5, lid 1, onder j)

Artikel 7, lid 2, bijlage I, punt 12

 

Artikel 5, lid 1, onder k)

Artikel 7, lid 1

Artikel 1, lid 3, onder a)

Artikel 6, lid 1

 

 

Artikel 6, lid 2 en lid 3

 

 

Artikel 6, lid 4

 

Artikel 1, lid 3, onder a)

Artikel 6, lid 5

Artikel 7, lid 5

 

Artikel 6, lid 6

 

Artikel 1, lid 3, onder d)

Artikel 6, lid 7

Artikel 8

 

Artikel 7, leden 1, 2 en 3

 

 

Artikel 7, leden 4 tot en met 9

Artikel 10, lid 1

Artikel 1, lid 6, onder a)

Artikel 8, lid 1

 

 

Artikel 8, leden 2 tot en met 6

Artikel 10, lid 4

 

Artikel 8, lid 7

Artikel 10, lid 5

 

Artikel 8, lid 8

 

 

Artikel 8, lid 9

Artikel 7, lid 6

 

Artikel 9, lid 1

Artikel 11

 

Artikel 9, lid 2

 

 

Artikel 9, lid 3

 

 

Artikelen 10 tot en met 13

Artikel 4, lid 1

 

Artikel 14, lid 1

 

 

Artikel 14, leden 2 tot en met 8

Artikel 6

 

Artikel 15

Artikel 9, lid 1

Artikel 1, lid 5

Artikel 16, leden 1, 2 en 3

Artikel 9, lid 2

 

Artikel 16, lid 4

 

 

Artikel 16, lid 5

Artikel 13

 

Artikel 17

 

Artikel 1, lid 4

Artikel 18


Top