Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32014D0573

Besluit nr. 573/2014/EU van het Europees Parlement en de Raad van 15 mei 2014 betreffende nauwere samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) Voor de EER relevante tekst

OJ L 159, 28.5.2014, p. 32–39 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec/2014/573(2)/oj

28.5.2014   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 159/32


BESLUIT Nr. 573/2014/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 15 mei 2014

betreffende nauwere samenwerking tussen openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's)

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 149,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio's,

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De Europese Raad heeft in zijn conclusies van 17 juni 2010 de Europa 2020-strategie voor banen en slimme, duurzame en inclusieve groei („Europa 2020”) aangenomen. De Europese Raad riep op tot het inzetten van alle instrumenten en beleidsmaatregelen van de Unie om de verwezenlijking van de gemeenschappelijke doelstellingen te ondersteunen en verzocht de lidstaten hun acties beter te coördineren. Openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) spelen een centrale rol in hun bijdrage aan het verwezenlijken van het kerndoel van Europa 2020, namelijk de arbeidsdeelname van vrouwen en mannen in de leeftijdscategorie van 20 tot 64 jaar op 75 % brengen tegen 2020, in het bijzonder door de jeugdwerkloosheid te verminderen.

(2)

Artikel 45 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (het „Verdrag”) stelt het vrije verkeer van werknemers binnen de Unie in, terwijl artikel 46 de maatregelen bevat voor het verwezenlijken daarvan, in het bijzonder door middel van nauwe samenwerking tussen de openbare diensten voor arbeidsvoorziening. Het netwerk van ODA's dat krachtens dit besluit wordt opgericht („het netwerk”), dient, naast de algemene aspecten van geografische mobiliteit, een breed scala aan doelstellingen en initiatieven te omvatten, die als stimuleringsmaatregelen de samenwerking tussen lidstaten op het gebied van werkgelegenheid moeten verbeteren.

(3)

Dit besluit dient de samenwerking tussen de lidstaten op de taakgebieden van de ODA's aan te moedigen. Door dit besluit krijgt de informele samenwerking tussen ODA's die thans via het huidige Europees netwerk van hoofden van de ODA's verloopt en waaraan alle lidstaten volgens hun toezegging zullen deelnemen, een formeel karakter en wordt ze geïntensiveerd. Het volle potentieel van het netwerk berust op de voortgezette deelname van alle lidstaten. Die deelneming dient te worden gemeld aan het secretariaat van het netwerk.

(4)

Overeenkomstig artikel 148, lid 4, van het Verdrag heeft de Raad bij Besluit 2010/707/EU (3) richtsnoeren aangenomen voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten, die behouden zijn voor de jaren 2011-2013. Die geïntegreerde richtsnoeren bieden de lidstaten een leidraad bij het vaststellen van hun nationale hervormingsprogramma's en het doorvoeren van hervormingen. De geïntegreerde richtsnoeren vormen de basis voor landenspecifieke aanbevelingen die de Raad richt tot de lidstaten overeenkomstig artikel 148, lid 4, van het VWEU. De afgelopen jaren behelsden die aanbevelingen ook specifieke aanbevelingen betreffende het functioneren en de capaciteit van de ODA's en betreffende de effectiviteit van het actieve arbeidsmarktbeleid in de lidstaten.

(5)

De landenspecifieke aanbevelingen zouden erbij winnen als zij in verdere mate ondersteund zouden worden met empirische onderbouwde feedback over het succes van de beleidsuitvoering en samenwerking tussen de ODA's van de lidstaten. Hiervoor dient het netwerk concrete initiatieven uit te voeren, zoals gemeenschappelijke, empirisch onderbouwde benchmarkingsystemen, daarmee samenhangende activiteiten inzake wederzijds leren, wederzijdse bijstand tussen leden van het netwerk en de uitvoering van strategische maatregelen tot modernisering van de ODA's. De specifieke kennis van het netwerk en van zijn afzonderlijke leden dient ook te worden gebruikt om, op verzoek van het Europees Parlement, de Raad, de Commissie of het Comité voor de werkgelegenheid (EMCO) het werkgelegenheidsbeleid met empirische gegevens te onderbouwen.

(6)

Meer en gerichtere samenwerking tussen de ODA's dient te leiden tot een betere uitwisseling van beste praktijken. Het netwerk dient bevindingen uit benchmarking en activiteiten inzake wederzijds leren te combineren op een wijze die de ontwikkeling van een systematisch, dynamisch en geïntegreerd benchlearningproces mogelijk maakt.

(7)

Het netwerk dient, ingevolge artikel 150 van het Verdrag, nauw samen te werken met het EMCO en dient aan de werkzaamheden van het EMCO bij te dragen door in feitenmateriaal en rapporten over door de ODA's geïmplementeerd beleid te voorzien. Bijdragen van het netwerk aan het Europees Parlement dienen te worden aangeboden via het secretariaat en bijdragen aan de Raad via het EMCO. Die bijdragen dienen in ongewijzigde vorm te worden aangeboden, en worden zo nodig voorzien van commentaar. In het bijzonder de gecombineerde kennis van het netwerk over de verwezenlijking van het werkgelegenheidsbeleid en de vergelijkende analyses van ODA's kunnen beleidsmakers op zowel Unieniveau als nationaal niveau helpen bij het beoordelen en ontwerpen van werkgelegenheidsbeleid.

(8)

Het netwerk dient, binnen de taakgebieden van de ODA's, bij te dragen tot de uitvoering van beleidsinitiatieven op het gebied van werkgelegenheid, zoals de Aanbeveling van de Raad van 22 april 2013 tot invoering van een jongerengarantie (4). Het netwerk dient tevens initiatieven te ondersteunen die gericht zijn op het beter koppelen van vaardigheden, fatsoenlijk en duurzaam werk, grotere vrijwillige arbeidsmobiliteit en facilitering van de overgang van onderwijs en beroepsopleiding naar werk, onder meer door steun inzake het bieden van leidraad en inzake de verhoging van de transparantie van vaardigheden en kwalificaties. Het netwerk dient zich onder meer bezig te houden met de evaluatie en de beoordeling van actief arbeidsmarktbeleid, onder meer van beleid dat gericht is op kwetsbare sociale groepen en sociale uitsluiting.

(9)

Het netwerk dient de samenwerking tussen zijn leden te versterken en gezamenlijke initiatieven te ontwikkelen die gericht zijn op het uitwisselen van informatie en beste praktijken op alle werkgebieden van de ODA's, op vergelijkende analyses en advies, alsmede op het bevorderen van innoverende benaderingen bij het verstrekken van arbeidsbemiddeling. De oprichting van dit netwerk zal een inclusieve, empirisch onderbouwde en prestatiegerichte vergelijking van alle ODA's mogelijk maken, zodat beste praktijken op de werkgebieden van de ODA's kunnen worden bepaald. Die resultaten zullen bijdragen aan een betere opzet en verstrekking van arbeidsbemiddelingsdiensten binnen de specifieke verantwoordelijkheden van de ODA's. De initiatieven van het netwerk dienen de effectiviteit van de ODA's te verbeteren en een efficiëntere besteding van overheidsgelden mogelijk te maken. Het netwerk dient ook met andere verleners van diensten voor arbeidsvoorziening samen te werken.

(10)

In zijn jaarlijks werkprogramma dient het netwerk de technische bijzonderheden van de ODA-benchmarking en de daarmee samenhangende activiteiten inzake wederzijds leren af te bakenen, in het bijzonder de benchlearningmethode, op basis van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen benchmarkingindicatoren voor de beoordeling van de prestaties van ODA's, de contextvariabelen, de voorschriften voor het verstrekken van gegevens en de leerinstrumenten van het geïntegreerde programma voor wederzijds leren. De domeinen voor benchmarking dienen in dit besluit te worden vastgesteld. De lidstaten blijven bevoegd om te besluiten of zij op vrijwillige basis deelnemen aan bijkomende benchlearningexercities op andere gebieden.

(11)

Aan de Commissie moet de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag handelingen vast te stellen ten aanzien van de wijziging van de bijlage over benchmarkingindicatoren. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau, in het bijzonder van ODA-deskundigen. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(12)

Als gevolg van de verscheidenheid aan ODA-modellen, -taken en vormen van dienstverlening, is het aan de lidstaten om uit het hogere kader van de ODA's één bestuurslid en één plaatsvervanger voor het netwerk voor te dragen („het bestuur”). Indien van toepassing, dient het lid of de plaatsvervanger in het bestuur andere ODA's uit zijn of haar lidstaat te vertegenwoordigen. Indien een lidstaat om grondwettelijke redenen niet in staat is één ODA aan te wijzen, dienen de betreffende ODA's kenbaar te worden gemaakt; hun aantal dient zo klein mogelijk te zijn en de regel dat elke lidstaat één stem in het bestuur van het netwerk heeft, dient onverkort te blijven gelden. De leden van het bestuur dienen alles in het werk stellen om ervoor te zorgen dat de standpunten en ervaringen van lokale en regionale overheden worden meegenomen in de activiteiten van het netwerk, en om dergelijke overheden op de hoogte te houden van die activiteiten. De leden van het bestuur dienen gemachtigd te zijn om beslissingen te nemen namens hun ODA's. Om de betrokkenheid van alle ODA's bij de werkzaamheden van het netwerk te waarborgen, dienen de activiteiten open te staan voor de deelname van ODA's van alle niveaus.

(13)

Om de gemeenschappelijke werkzaamheden van ODA's zo goed mogelijk te kunnen afstemmen op de reële arbeidsmarktsituatie, dient het netwerk te kunnen beschikken over de meest recente werkloosheidscijfers op NUTS 3-niveau.

(14)

Het netwerk dient voort te bouwen op de ervaring en in de plaats te treden van de bestaande informele adviesgroep van het Europees netwerk van hoofden van de ODA's, die de Commissie al sinds 1997 steunt en in de plaats van deze groep te treden, en wier standpunten zijn meegenomen in dit besluit. De belangrijkste actiegebieden welke die adviesgroep heeft aangeduid in haar document, getiteld „PES Strategy 2020”, dienen bij te dragen tot de modernisering en versterking van de ODA's.

(15)

Het netwerk dient wederzijdse bijstand te verlenen ten behoeve van zijn leden en dient zijn leden te helpen om elkaar te ondersteunen bij de modernisering van hun organisatiestructuren en dienstverlening door het verbeteren van de samenwerking, in het bijzonder door kennisoverdracht, studiebezoeken en personeelsuitwisseling.

(16)

Het netwerk en zijn initiatieven dienen te worden gefinancierd uit het onderdeel PROGRESS/werkgelegenheid van het programma voor werkgelegenheid en sociale innovatie van de Europese Unie (het „EaSI-programma”), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad (5) binnen de door het Europees Parlement en de Raad vastgestelde kredieten.

(17)

Voor projecten die door het netwerk worden ontwikkeld of die in het kader van activiteiten inzake wederzijds leren worden vastgesteld en vervolgens door de afzonderlijke ODA's worden uitgevoerd, kunnen de lidstaten een beroep doen op financiering uit het Europees Sociaal Fonds (ESF), het Fonds voor Regionale Ontwikkeling (EFRO) en „Horizon 2020”, het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020), vastgesteld bij Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad (6).

(18)

Het netwerk dient ervoor te zorgen dat zijn activiteiten een aanvulling vormen op en niet in de plaats treden of een doublure vormen van de activiteiten die deel uitmaken van de Europese strategie voor werkgelegenheid in de zin van titel IX van het Verdrag, en met name de activiteiten van het EMCO, en de instrumenten daarvan zoals het gemeenschappelijk evaluatiekader, en het programma voor wederzijds leren. Ter wille van de synergie dient de Commissie er voorts op toe te zien dat het secretariaat van het netwerk nauw samenwerkt met het secretariaat van het EMCO.

(19)

Dit besluit eerbiedigt de grondrechten en neemt de beginselen in acht die met name in het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie worden erkend („het Handvest”). In het bijzonder beoogt dit besluit te bewerkstelligen dat het recht op toegang tot gratis arbeidsbemiddeling volledig gerespecteerd wordt en de toepassing te bevorderen van artikel 29 van het Handvest,

HEBBEN HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

Oprichting van het netwerk

Er wordt een Uniebreed netwerk van openbare diensten voor arbeidsvoorziening (ODA's) opgericht voor de periode vanaf 17 juni 2014 tot en met 31 december 2020 („het netwerk”). Het netwerk voert de in artikel 4 neergelegde initiatieven uit.

Het netwerk bestaat uit:

a)

de door de lidstaten aangewezen ODA's;

b)

de Commissie.

Het EMCO heeft de status van waarnemer.

De lidstaten met autonome subnationale ODA's zorgen ervoor dat deze adequaat vertegenwoordigd zijn in de specifieke initiatieven van het netwerk.

Artikel 2

Definitie van benchlearning

Voor de toepassing van dit besluit en voor de werkzaamheden van het netwerk, wordt onder „benchlearning” het proces verstaan van het creëren van een systematische en geïntegreerde koppeling tussen activiteiten inzake benchmarking en wederzijds leren dat bestaat in het bepalen van goede prestaties met behulp van op indicatoren gebaseerde benchmarkingsystemen, met inbegrip van het verzamelen, valideren, consolideren en beoordelen van gegevens, met behulp van de juiste methodiek, en het benutten van bevindingen voor concrete en empirisch onderbouwde activiteiten inzake wederzijds leren, onder meer modellen voor goede of beste praktijken.

Artikel 3

Doelstellingen

Dit besluit strekt ertoe, via een netwerk de samenwerking inzake werkgelegenheid tussen de lidstaten op de taakgebieden van de ODA's te bevorderen, teneinde bij te dragen aan „Europa 2020” en aan de uitvoering van Uniebeleid ter zake en daarbij ondersteuning te verlenen voor:

a)

de meest kwetsbare maatschappelijke groepen die een hoge werkloosheidsgraad kennen, in het bijzonder oudere werknemers en jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en geen baan hebben;

b)

fatsoenlijk en duurzaam werk;

c)

de betere werking van de arbeidsmarkten in de EU;

d)

het herkennen van vaardigheidstekorten en het verstrekken van informatie over hun omvang en waar ze zich voordoen, alsmede een betere aansluiting tussen de vaardigheden van werkzoekenden bij de behoeften van de werkgevers;

e)

de betere integratie van arbeidsmarkten;

f)

verhoogde vrijwillige geografische en beroepsmobiliteit op een eerlijke manier, teneinde tegemoet te komen aan specifieke arbeidsmarktbehoeften;

g)

de integratie van personen die zijn uitgesloten van de arbeidsmarkt als onderdeel van de bestrijding van sociale uitsluiting;

h)

de evaluatie en beoordeling van actieve arbeidsmarktinitiatieven en het doeltreffend en doelmatig uitvoeren ervan.

Artikel 4

Initiatieven van het netwerk

1.   Op de taakgebieden van de ODA's ontplooit het netwerk meer bepaald de volgende initiatieven:

a)

het ontwikkelen en toepassen van Uniebrede, empirisch onderbouwde benchlearning onder ODA's teneinde met de juiste methode prestaties te vergelijken met betrekking tot hun activiteiten op de volgende gebieden:

i)

bijdragen aan het terugdringen van de werkloosheid voor alle leeftijdsgroepen en voor kwetsbare groepen;

ii)

bijdragen aan het terugdringen van de werkloosheidsduur en aan het terugdringen van inactiviteit, ten einde langdurige en structurele werkloosheid en sociale uitsluiting aan te pakken;

iii)

het vervullen van vacatures (onder meer door vrijwillige arbeidsmobiliteit);

iv)

tevredenheid van klanten over ODA-diensten;

b)

het verlenen van wederzijdse bijstand, in de vorm van „peer-to-peer” activiteiten of in de vorm van groepsactiviteiten, door middel van samenwerking en uitwisseling van informatie, ervaring en personeelsleden tussen de leden van het netwerk, met inbegrip van ondersteuning bij de uitvoering van ODA-gerelateerde landenspecifieke aanbevelingen van de Raad indien de betrokken lidstaat of de betrokken ODA daarom verzoekt;

c)

bijdragen aan de modernisering en versterking van de ODA's op de belangrijkste gebieden, conform de werkgelegenheids- en sociale doelstellingen van Europa 2020;

d)

opstellen van rapporten op verzoek van het Europees Parlement, de Raad of de Commissie, of op eigen initiatief;

e)

bijdragen aan de uitvoering van beleidsinitiatieven ter zake;

f)

zijn jaarlijks werkprogramma vaststellen en uitvoeren, dat de werkmethoden, de te bereiken resultaten en nadere bijzonderheden betreffende de toepassing van benchlearning bevat;

g)

beste praktijken bevorderen en uitwisselen voor het opsporen van jongeren die geen onderwijs of opleiding volgen en geen baan hebben en voor de ontwikkeling van initiatieven om te bewerkstelligen dat die jongeren de vaardigheden verwerven die nodig zijn om een plek op de arbeidsmarkt te verwerven en te behouden.

Met betrekking tot het in punt a) van de eerste alinea neergelegde initiatief, worden bij het benchmarken de in de bijlage vastgestelde indicatoren gebruikt. Tevens neemt het netwerk actief deel aan de tenuitvoerlegging van deze activiteiten door gegevens, kennis en praktijken te delen. De lidstaten blijven bevoegd om te besluiten of zij op vrijwillige basis deelnemen aan nog meer benchlearningexercities op andere gebieden dan dewelke zijn opgelijst in de punten i) tot iv) van punt a).

2.   Het netwerk stelt een verslagleggingsmechanisme vast met betrekking tot de in lid 1 genoemde initiatieven. Met toepassing van dat mechanisme doen de leden van het netwerk jaarlijks verslag aan het bestuur.

Artikel 5

Samenwerking

Het netwerk initieert de samenwerking met belanghebbenden op de arbeidsmarkt, waaronder andere diensten voor arbeidsvoorziening, en, in voorkomend geval, sociale partners, organisaties die werklozen en kwetsbare groepen vertegenwoordigen, op werkgelegenheidsgebied actieve niet-gouvernementele organisaties, regionale en lokale instanties, het Europees netwerk voor beleid betreffende een levenslange begeleiding, en particuliere diensten voor arbeidsvoorziening, door hen te betrekken bij relevante activiteiten en bijeenkomsten van het netwerk en door de onderlinge uitwisseling van informatie en gegevens.

Artikel 6

Functioneren van het netwerk

1.   Het netwerk wordt geleid door een bestuur. Voor het bestuur dragen de lidstaten, uit het hogere kader van hun respectieve ODA's, één lid en één plaatsvervanger voor. Ook de Commissie benoemt één lid en één plaatsvervanger van het bestuur. De plaatsvervangers vervangen hun leden indien nodig.

Het EMCO draagt uit zijn leden en volgens zijn reglement van orde een vertegenwoordiger voor die de status van waarnemer in het bestuur zal hebben, behalve bij de besloten vergaderingen van het bestuur. Het bestuur kan in besloten vergadering bijeenkomen, met deelneming van één lid per lidstaat en één lid van de Commissie, behalve voor agendapunten betreffende het jaarlijkse werkprogramma. Het reglement van orde van het bestuur bevat nadere regels inzake het houden van besloten vergaderingen.

2.   Het bestuur benoemt uit zijn door een lidstaat voorgedragen leden een voorzitter en twee vicevoorzitters. De voorzitter vertegenwoordigt het netwerk. Een vicevoorzitters vervangt de voorzitter indien nodig.

3.   Het bestuur stelt in een met eenparigheid van stemmen genomen besluit zijn reglement van orde vast. Dat reglement van orde omvat, onder meer, de besluitvormingsregeling voor het bestuur, en de bepalingen over de benoeming en de ambtstermijnen van de voorzitter en de vicevoorzitters van het bestuur.

4.   Het bestuur stelt bij meerderheidsbesluit het volgende vast:

a)

het jaarlijks werkprogramma van het netwerk, met inbegrip van de instelling van werkgroepen en de talenregeling voor de netwerkbijeenkomsten;

b)

het technische kader voor de uitvoering van activiteiten inzake benchmarking en wederzijds leren, als onderdeel van het jaarlijks werkprogramma van het netwerk, met inbegrip van de benchlearningmethode op basis van de in de bijlage bij dit besluit opgenomen benchmarking-indicatoren voor het vergelijken van de prestaties van de ODA's, de contextvariabelen, de voorschriften voor het verstrekken van gegevens, en de leerinstrumenten van het geïntegreerde programma voor wederzijds leren;

c)

het jaarverslag van het netwerk. Dat verslag wordt naar het Europees Parlement en de Raad gestuurd, en gepubliceerd.

5.   Het bestuur wordt bijgestaan door een secretariaat dat ter beschikking wordt gesteld door en gehuisvest is binnen de Commissie. Het secretariaat bereidt in samenwerking met de voorzitter en de vicevoorzitters de bijeenkomsten van het bestuur, het jaarlijks werkprogramma en het jaarverslag van het netwerk voor. Het secretariaat werkt nauw samen met het secretariaat van het EMCO.

Artikel 7

Financiële ondersteuning van deze stimuleringsmaatregel

De algemene middelen voor de tenuitvoerlegging van dit besluit worden vastgesteld in het kader van het onderdeel PROGRESS/werkgelegenheid van het EaSI-programma, waarvan de jaarlijkse kredieten door het Europees Parlement en door de Raad worden goedgekeurd binnen de grenzen van het financieel kader.

Artikel 8

Wijziging van de bijdrage over benchmarking-indicatoren

De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 9 gedelegeerde handelingen vast te stellen tot wijziging van de bijlage die de benchmarking-indicatoren vastlegt.

Artikel 9

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 8 bedoelde bevoegdheidsdelegatie wordt aan de Commissie toegekend met ingang van 17 juni 2014 tot en met 31 december 2020.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 8 bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 8 vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de datum van kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar hebben gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van die termijn de Commissie hebben meegedeeld dat zij daartegen geen bezwaar zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of van de Raad met twee maanden verlengd.

Artikel 10

Evaluatie

Uiterlijk op 18 juni 2017 dient de Commissie bij het Europees Parlement, de Raad, het Europees Economisch en Sociaal Comité en het Comité van de Regio's een verslag in over de toepassing van dit besluit. In het verslag wordt in het bijzonder beoordeeld in welke mate het netwerk heeft bijgedragen aan de verwezenlijking van de in artikel 3 genoemde doelstellingen en of het aan zijn taken heeft voldaan. Tevens wordt beoordeeld hoe benchmarking op de in artikel 4, lid 1, onder a), van i) tot iv), bedoelde gebieden door het netwerk zijn ontworpen en toegepast.

Artikel 11

Inwerkingtreding

Dit besluit treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 12

Adressaten

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 15 mei 2014.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

D. KOURKOULAS


(1)  PB C 67 van 6.3.2014, blz. 116.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 16 april 2014 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 8 mei 2014.

(3)  Besluit 2010/707/EU van de Raad van 21 oktober 2010 betreffende de richtsnoeren voor het werkgelegenheidsbeleid van de lidstaten (PB L 308 van 24.11.2010, blz. 46).

(4)  PB C 120 van 26.4.2013, blz. 1.

(5)  Verordening (EU) nr. 1296/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 betreffende een programma van de Europese Unie voor werkgelegenheid en sociale innovatie („EaSI”) en tot wijziging van Besluit nr. 283/2010/EU tot instelling van een Europese Progress-microfinancieringsfaciliteit voor werkgelegenheid en sociale insluiting (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 238).

(6)  Verordening (EU) nr. 1291/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 11 december 2013 tot vaststelling van Horizon 2020 — Het kaderprogramma voor onderzoek en innovatie (2014-2020) en tot intrekking van Besluit nr. 1982/2006/EG (PB L 347 van 20.12.2013, blz. 104).


BIJLAGE

BENCHMARKING-INDICATOREN

A.

De kwantitatieve indicatoren voor de in artikel 4, lid 1, onder a), van i) tot iv), bedoelde gebieden:

1.

Bijdrage aan het terugdringen van de werkloosheid voor alle leeftijdsgroepen en voor kwetsbare groepen:

a)

de overgang van werkloosheid naar werk per leeftijdsgroep, geslacht en kwalificatieniveau, als percentage van het aantal geregistreerde werklozen;

b)

aantal mensen dat verdwijnt uit de werkloosheidsverslagen van de ODA, als percentage van het aantal geregistreerde werklozen.

2.

Bijdrage aan het terugdringen van de werkloosheidsduur en aan het terugdringen van inactiviteit ten einde langdurige en structurele werkloosheid en sociale uitsluiting aan te pakken:

a)

de overgang naar werk binnen, bijvoorbeeld, 6 en twaalf maanden werkloosheid per leeftijdsgroep, geslacht en kwalificatieniveau, als percentage van het aantal overgangen naar werkgelegenheid uit de ODA-registers;

b)

opname van voorheen inactieven in een ODA-register, als percentage van alle in dat ODA-register opgenomen personen, per leeftijdsgroep en geslacht.

3.

Vacaturevervulling (onder meer door vrijwillige arbeidsmobiliteit)

a)

aantal vervulde vacatures;

b)

antwoorden op de arbeidskrachten-enquête van Eurostat over de bijdrage van ODA's aan het vinden van de huidige baan van de respondent.

4.

Tevredenheid van klanten over ODA-diensten:

a)

algemene tevredenheid van werkzoekenden;

b)

algemene tevredenheid van werkgevers.

B.

Benchmarking-domeinen via kwalitatieve interne/externe beoordeling van prestatiefacilitators voor de in artikel 4, lid 1, onder a), van i) tot iv), bedoelde gebieden:

1.

strategisch prestatiebeheer;

2.

ontwerp van operationele processen zoals het effectief naar de arbeidsmarkt leiden/profileren van werkzoekenden en maatwerk bij de inzet van actieve arbeidsmarktinstrumenten;

3.

duurzame activering en beheer van overgangen;

4.

betrekkingen met de werkgevers;

5.

empirisch onderbouwd ontwerp en uitvoering van ODA-diensten;

6.

effectief beheer van partnerschappen met belanghebbenden;

7.

verdeling van middelen van ODA's.


Top