Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R0734

Verordening (EU) nr. 734/2013 van de Raad van 22 juli 2013 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag Voor de EER relevante tekst

OJ L 204, 31.7.2013, p. 15–22 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
OJ L 204, 31.7.2013, p. 7–14 (HR)

No longer in force, Date of end of validity: 13/10/2015; opgeheven door 32015R1589

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/734/oj

31.7.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 204/15


VERORDENING (EU) Nr. 734/2013 VAN DE RAAD

van 22 juli 2013

tot wijziging van Verordening (EG) nr. 659/1999 tot vaststelling van nadere bepalingen voor de toepassing van artikel 93 van het EG-Verdrag

(Voor de EER relevante tekst)

DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 109,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Gezien het advies van het Europees Parlement,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

In het kader van een grondige modernisering van de staatssteunvoorschriften als bijdrage aan zowel de tenuitvoerlegging van de Europa 2020-strategie voor groei (1) als de begrotingsconsolidatie, dient artikel 107 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) doeltreffend en eenvormig te worden toegepast in de gehele Unie. Verordening (EG) nr. 659/1999 (2) codificeerde en versterkte de vroegere praktijk van de Commissie om de rechtszekerheid te vergroten en de ontwikkeling van het staatssteunbeleid in een transparante omgeving te ondersteunen. In het licht van de met de toepassing van die verordening opgedane ervaring en van recente ontwikkelingen zoals de uitbreiding van de Unie en de financieel-economische crisis, dienen bepaalde aspecten van Verordening (EG) nr. 659/1999 evenwel te worden gewijzigd om de Commissie in staat te stellen nog doeltreffender te op te treden.

(2)

Ter beoordeling van de verenigbaarheid met de interne markt van aangemelde of onrechtmatige staatssteun, waarvoor de Commissie op grond van artikel 108 van het VWEU uitsluitend bevoegd is, dient ervoor te worden gezorgd dat de Commissie, met het oog op de handhaving van de staatssteunregels, de bevoegdheid heeft een lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging om alle nodige marktinformatie te verzoeken indien zij twijfelt aan de verenigbaarheid van de betrokken maatregel met de Unievoorschriften en om die reden de formele onderzoeksprocedure heeft ingesteld. De Commissie dient deze bevoegdheid met name te gebruiken in gevallen waarin een ingewikkelde inhoudelijke beoordeling nodig lijkt. Bij het besluit deze bevoegdheid te gebruiken, dient de Commissie naar behoren rekening te houden met de duur van het voorlopige onderzoek.

(3)

Ter beoordeling van de verenigbaarheid van een steunmaatregel nadat de formele onderzoeksprocedure is ingesteld, met name inzake technisch complexe zaken die inhoudelijk moeten worden onderzocht, dient de Commissie, indien de door de betrokken lidstaat tijdens het eerste onderzoek geleverde informatie onvoldoende is, door middel van een gewoon verzoek of bij besluit, van een lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging te kunnen verlangen dat zij alle voor de afronding van haar beoordeling noodzakelijke marktinformatie verstrekken, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met name voor het midden- en kleinbedrijf/kleine en middelgrote ondernemingen (het mkb).

(4)

In het licht van de bijzondere verhouding tussen begunstigden van steun en de betrokken lidstaat, dient de Commissie alleen met instemming van de betrokken lidstaat om informatie van een begunstigde van steun te kunnen verzoeken. De verstrekking van informatie door de begunstigde van de betrokken steunmaatregel vormt geen rechtsgrondslag voor bilaterale onderhandelingen tussen de Commissie en de betrokken begunstigde.

(5)

De Commissie dient de adressaten te bepalen van verzoeken om informatie op basis van objectieve criteria, aangepast per geval, en zorgt ervoor dat, indien het verzoek aan een steekproef van ondernemingen of ondernemersverenigingen gericht is, binnen elke categorie een representatieve reeks respondenten is gekozen. De gezochte informatie dient met name te bestaan uit feitelijke bedrijfs- en marktgegevens en een analyse op basis van feiten van het functioneren van de markt.

(6)

Als initiatiefnemer van de procedure is de Commissie verantwoordelijk voor het onderzoek van zowel de informatieoverdracht door de lidstaten, de ondernemingen of de ondernemersverenigingen, als de beweerde vertrouwelijkheid voor de bekendgemaakte informatie.

(7)

De Commissie dient de inachtneming van de aan ondernemingen of ondernemersverenigingen gerichte verzoeken om informatie, waar passend, te kunnen afdwingen door middel van evenredige geldboeten en dwangsommen. Bij het bepalen van de bedragen van de geldboeten en dwangsommen dient de Commissie terdege rekening te houden met de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, met name met betrekking tot het mkb. De rechten van de partijen van wie wordt verlangd dat zij informatie verschaffen, dienen te worden gevrijwaard door hen, voorafgaand aan een besluit waarbij geldboeten of dwangsommen worden opgelegd, in de gelegenheid te stellen hun standpunten uiteen te zetten. Het Hof van Justitie van de Europese Unie dient, overeenkomstig artikel 261 van het VWEU, over volledige rechtsmacht wat betreft de geldboeten of dwangsommen te beschikken.

(8)

Met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, moet de Commissie de mogelijkheid hebben de dwangsommen te verminderen of volledig kwijt te schelden, indien de adressaten van de verzoeken de verzochte informatie verschaffen, zij het na het verstrijken van de termijn.

(9)

Geldboeten en dwangsommen gelden niet voor lidstaten omdat deze, overeenkomstig artikel 4 van het Verdrag betreffende de Europese Unie (VEU) gebonden zijn om loyaal met de Commissie samen te werken, en de Commissie alle informatie te verschaffen die nodig is om haar taken uit hoofde van Verordening (EG) nr. 659/1999 te vervullen.

(10)

Ter bescherming van de rechten van verdediging van de betrokken lidstaat, dient hij afschriften te ontvangen van de informatieverzoeken die aan andere lidstaten, aan ondernemingen of aan ondernemersverenigingen zijn verzonden, en zijn commentaar te kunnen indienen met betrekking tot de ontvangen opmerkingen. Hij dient tevens op de hoogte te worden gesteld van de namen van de ondernemingen en de verenigingen van ondernemingen waaraan een verzoek werd gericht, voor zover die entiteiten geen rechtmatig belang bij de bescherming van hun identiteit hebben aangetoond.

(11)

De Commissie dient naar behoren rekening te houden met het rechtmatige belang van de ondernemingen bij het beschermen van hun bedrijfsgevoelige informatie. Het dient voor de Commissie niet mogelijk te zijn om door respondenten verstrekte vertrouwelijke informatie die niet kan worden geaggregeerd of anderszins geanonimiseerd, in een besluit te gebruiken, tenzij zij vooraf hun toestemming heeft gekregen om deze informatie aan de betrokken lidstaat vrij te geven.

(12)

In gevallen waar als vertrouwelijk aangemerkte informatie niet onder de geheimhoudingsplicht lijkt te vallen, dient een mechanisme te worden uitgewerkt, aan de hand waarvan de Commissie kan besluiten in hoeverre die informatie mag worden vrijgegeven. In het besluit om een bewering dat informatie vertrouwelijk is te verwerpen, dient een termijn te worden vermeld, na afloop waarvan de informatie wordt vrijgegeven, zodat de betrokkene een beroep kan doen op de ter beschikking staande rechterlijke bescherming, inclusief voorlopige maatregelen.

(13)

De Commissie moet de mogelijkheid hebben informatie over onrechtmatige steun, ongeacht de bron ervan, ambtshalve te onderzoeken om de inachtneming van artikel 108 van het VWEU, en met name van de verplichting tot aanmelding en de standstill-bepaling in artikel 108, lid 3, van het VWEU, te waarborgen en om een steunmaatregel op zijn verenigbaarheid met de interne markt te beoordelen. In dat verband zijn klachten een onmisbare bron van informatie voor het opsporen van inbreuken op de staatssteunregels van de Unie.

(14)

Teneinde de kwaliteit te verbeteren van de klachten die bij de Commissie worden ingediend en tegelijk de transparantie en rechtszekerheid te vergroten, dienen de voorwaarden te worden bepaald waaraan een klacht dient te voldoen om de Commissie informatie over mogelijk onrechtmatige steun ter beschikking te stellen en het voorlopige onderzoek te kunnen instellen. Klachten die niet aan deze voorwaarden voldoen, dienen te worden behandeld als algemene marktinformatie en dienen niet noodzakelijk tot ambtshalve onderzoeken te leiden.

(15)

Van klagers dient te worden verlangd dat zij aantonen dat zij belanghebbende zijn in de zin van artikel 108, lid 2, van het VWEU en van artikel 1, onder h), van Verordening (EG) nr. 659/1999. Van hen dient tevens te worden verlangd dat zij een bepaalde hoeveelheid informatie verschaffen via een formulier dat de Commissie door middel van een uitvoeringsbepaling moet kunnen vaststellen. Om mogelijke klagers niet te ontmoedigen, dient in de uitvoeringsbepaling in acht genomen te worden dat de eisen voor het indienen van een klacht door een belanghebbende niet te onereus mogen zijn.

(16)

Ten behoeve van de rechtszekerheid dienen verjaringstermijnen te worden bepaald voor het opleggen en afdwingen van geldboeten en dwangsommen.

(17)

Met het oog op een coherente aanpak door de Commissie van vergelijkbare kwesties voor de gehele interne markt dienen de bestaande bevoegdheden van de Commissie te worden aangevuld, door een specifieke rechtsgrondslag in te voeren om onderzoeken naar bepaalde economische sectoren of bepaalde steuninstrumenten in verscheidene lidstaten in te stellen. Met het oog op de evenredigheidseisen en de zware administratieve last die met dergelijke onderzoeken gepaard gaat, dienen sectorale onderzoeken alleen te worden uitgevoerd indien op grond van de beschikbare informatie een redelijk vermoeden bestaat dat staatssteunmaatregelen in een bepaalde sector de mededinging binnen de interne markt van verscheidene lidstaten materieel kunnen beperken of vervalsen, of dat bestaande steunmaatregelen in een bepaalde sector in verscheidene lidstaten niet of niet langer met de interne markt verenigbaar zijn. Door middel van dergelijke onderzoeken kan de Commissie horizontale staatssteunvraagstukken doelmatig en transparant behandelen en vooraf een totaalbeeld van de betrokken sector verwerven.

(18)

Een coherente toepassing van de staatssteunregels vereist ook dat regelingen worden uitgewerkt voor de samenwerking tussen de rechterlijke instanties van de lidstaten en de Commissie. Deze samenwerking is relevant voor alle rechterlijke instanties van de lidstaten die artikel 107, lid 1, en artikel 108 van het VWEU toepassen. Met name dienen de nationale rechterlijke instanties de mogelijkheid te hebben zich tot de Commissie te wenden om informatie of adviezen over de toepassing van de regels betreffende de staatssteun te verkrijgen. De Commissie dient echter ook de mogelijkheid te hebben schriftelijke of mondelinge opmerkingen in te dienen bij de nationale rechterlijke instanties die artikel 107, lid 1, of artikel 108 van het VWEU moeten toepassen. Als zij de nationale rechterlijke instanties in dit verband ondersteunt, dient de Commissie te handelen overeenkomstig haar verplichting om het algemeen belang te verdedigen.

(19)

De opmerkingen en adviezen van de Commissie dienen artikel 267 van het Verdrag onverlet te laten en de nationale rechterlijke instanties hier niet rechtens door te binden. Zij moeten worden ingediend binnen het kader van de nationale procedures en praktijken, waaronder die welke de rechten van de partijen beschermen, onverminderd de volledige onafhankelijkheid van de nationale rechterlijke instanties. Door de Commissie ambtshalve ingediende opmerkingen dienen beperkt te blijven tot zaken die van belang zijn voor de coherente toepassing van artikel 107, lid 1, of artikel 108 van het VWEU, met name tot zaken die van belang zijn voor de tenuitvoerlegging of de verdere ontwikkeling van de jurisprudentie ter zake van staatssteun van de Unie.

(20)

In het belang van de transparantie en de rechtszekerheid dient informatie over besluiten van de Commissie openbaar te worden gemaakt. Daarom dienen besluiten om geldboeten of dwangsommen op te leggen, te worden bekendgemaakt, omdat zij de belangen van de betrokken bronnen kunnen raken. Bij het bekendmaken van haar besluiten dient de Commissie, overeenkomstig artikel 339 van het VWEU, de regels inzake de geheimhoudingsplicht, waaronder de bescherming van alle vertrouwelijke informatie en persoonsgegevens, na te leven.

(21)

De Commissie dient, in nauw overleg met het Raadgevend Comité inzake overheidssteun, de mogelijkheid te hebben uitvoeringsbepalingen vast te stellen betreffende nadere regels inzake de vorm, inhoud en andere criteria van de overeenkomstig Verordening (EG) nr. 659/1999 ingediende klachten.

(22)

Verordening (EG) nr. 659/1999 dient derhalve dienovereenkomstig te worden gewijzigd,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Verordening (EG) nr. 659/1999 wordt als volgt gewijzigd:

1)

De titel van de verordening wordt vervangen door:

VERORDENING (EG) Nr. 659/1999 VAN DE RAAD VAN 22 MAART 1999 TOT VASTSTELLING VAN NADERE BEPALINGEN VOOR DE TOEPASSING VAN ARTIKEL 108 VAN HET VERDRAG BETREFFENDE DE WERKING VAN DE EUROPESE UNIE”.

2)

De titel van artikel 5 wordt vervangen door:

„Verzoek om informatie aan de aanmeldende lidstaat”.

3)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 6 bis

Verzoek om informatie aan andere bronnen

1.   Na de instelling van de formele onderzoeksprocedure van artikel 6, met name inzake technisch complexe zaken die inhoudelijk moeten worden onderzocht, kan de Commissie, indien de door de betrokken lidstaat tijdens het voorlopige onderzoek verschafte informatie ontoereikend is, een andere lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging verzoeken dat deze alle marktinformatie verstrekt die nodig is om de Commissie in staat te stellen haar beoordeling van de betrokken maatregel af te ronden, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel, met name voor het mkb.

2.   De Commissie kan uitsluitend om informatie verzoeken:

a)

indien die beperkt is tot de formele onderzoeksprocedures waarvan de Commissie heeft vastgesteld dat die tot dan toe ontoereikend zijn, en

b)

wat de begunstigden van steun betreft, indien de betrokken lidstaat met het verzoek instemt.

3.   De ondernemingen of ondernemersverenigingen die, naar aanleiding van een verzoek om marktinformatie van de Commissie, informatie verschaffen op basis van de leden 6 en 7, dienen hun antwoord tegelijk bij de Commissie en de betrokken lidstaat in, voor zover de verschafte stukken geen informatie bevatten die vertrouwelijk is ten opzichte van die lidstaat.

De Commissie beheert en monitort de uitwisseling van informatie tussen de lidstaten, de ondernemingen of de ondernemersverenigingen, en verifieert de beweerde vertrouwelijkheid van de uitgewisselde informatie.

4.   De Commissie verzoekt alleen om informatie die de het verzoek betreffende lidstaten, ondernemingen of ondernemersverenigingen ter beschikking staat.

5.   De lidstaten verstrekken de informatie op grond van een eenvoudig verzoek en binnen een door de Commissie vastgestelde termijn die in de regel niet meer dan één maand mag belopen. Indien een lidstaat de verzochte informatie niet binnen die termijn of onvolledig verschaft, stuurt de Commissie een herinnering.

6.   De Commissie kan door middel van een eenvoudig verzoek informatie van een onderneming of ondernemersvereniging verlangen. Wanneer de Commissie een eenvoudig verzoek om informatie aan een onderneming of ondernemersvereniging toezendt, vermeldt zij de rechtsgrondslag voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke informatie wordt verlangd, en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie moet worden verstrekt. Zij vermeldt ook de geldboeten die in artikel 6 ter, lid 1, zijn bepaald voor het verschaffen van onjuiste of misleidende informatie.

7.   De Commissie kan een onderneming of ondernemersvereniging bij besluit om informatie verzoeken. Indien de Commissie ondernemingen of ondernemersverenigingen bij besluit verzoekt informatie te verstrekken, vermeldt zij de rechtsgrondslag voor en het doel van het verzoek, geeft zij aan welke informatie wordt verlangd en stelt zij een redelijke termijn vast waarbinnen die informatie moet worden verstrekt. Naargelang het geval, vermeldt zij ook de in artikel 6 ter, lid 1, bepaalde geldboeten en vermeldt zij de in artikel 6 ter, lid 2, bepaalde dwangsommen of legt deze op. Zij wijst daarenboven op het recht van de onderneming of ondernemersvereniging om bij het Hof van Justitie van de Europese Unie een rechtsmiddel tegen het besluit in te stellen.

8.   Wanneer de Commissie een verzoek uitbrengt overeenkomstig lid 1 of lid 6 of een besluit vaststelt overeenkomstig lid 7, verschaft zij tegelijk de betrokken lidstaat een afschrift daarvan. De Commissie geeft aan welke criteria zij heeft toegepast om de ontvanger van een verzoek of een besluit te bepalen.

9.   Tot het verstrekken namens de betrokken onderneming van de informatie waarom verzocht wordt of die verlangd wordt zijn gehouden de eigenaren van de ondernemingen of hun vertegenwoordigers of, in het geval van rechtspersonen, vennootschappen of verenigingen zonder rechtspersoonlijkheid, de krachtens de wet of statuten tot vertegenwoordiging bevoegde personen. Naar behoren gemachtigde personen kunnen de informatie verstrekken namens hun opdrachtgevers. De opdrachtgevers blijven niettemin volledig verantwoordelijk indien de verstrekte informatie onjuist, onvolledig of misleidend is.

Artikel 6 ter

Geldboeten en dwangsommen

1.   De Commissie kan, indien nodig of evenredig geacht, bij besluit aan ondernemingen of ondernemersverenigingen geldboeten van ten hoogste 1 % van de in het voorafgaande boekjaar behaalde omzet opleggen, wanneer deze opzettelijk of uit grove onachtzaamheid:

a)

in antwoord op een verzoek in de zin van artikel 6 bis, lid 6, onjuiste of misleidende informatie verstrekken;

b)

in antwoord op een overeenkomstig artikel 6 bis, lid 7, vastgesteld besluit onjuiste, onvolledige of misleidende informatie verstrekken, dan wel de informatie niet binnen de vastgestelde termijn verstrekken.

2.   De Commissie kan bij besluit aan ondernemingen of ondernemersverenigingen dwangsommen opleggen indien een onderneming of ondernemersvereniging verzuimt de volledige en juiste informatie te verstrekken, zoals verlangd bij het overeenkomstig artikel 6 bis, lid 7, door de Commissie vastgestelde besluit.

De dwangsommen belopen ten hoogste 5 % van de gemiddelde dagelijkse omzet van de betrokken onderneming of de betrokken vereniging in het voorafgaande boekjaar voor elke werkdag waarmee de in haar besluit vastgestelde termijn wordt overschreden, berekend vanaf de in het besluit vastgestelde datum, totdat de ondernemingen of ondernemersverenigingen de informatie waarom de Commissie verzoekt of die door haar wordt verlangd, verstrekken op volledige en juiste wijze.

3.   Bij de vaststelling van het bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt met de aard, de zwaarte en de duur van de inbreuk rekening gehouden, met inachtneming van de beginselen van evenredigheid en redelijkheid, met name voor het mkb.

4.   Wanneer de ondernemingen of ondernemersverenigingen de verplichting zijn nagekomen ter afdwinging waarvan de dwangsom was opgelegd, kan de Commissie de uiteindelijk verschuldigde dwangsom verminderen ten aanzien van het bedrag dat voortvloeit uit het oorspronkelijke besluit waarbij dwangsommen werden opgelegd. De Commissie kan de dwangsommen tevens kwijtschelden.

5.   Alvorens de in lid 1 of lid 2 bedoelde besluiten vast te stellen, stelt de Commissie een laatste termijn van twee weken om de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen de ontbrekende marktinformatie te doen verstrekken en stelt zij hen tevens in de gelegenheid hun standpunt kenbaar te maken.

6.   Het Hof van Justitie van de Europese Unie bezit ter zake van een rechtsmiddel tegen door de Commissie opgelegde geldboeten of dwangsommen volledige rechtsmacht in de zin van artikel 261 van het VWEU. Het kan de opgelegde geldboete of dwangsom intrekken, verlagen of verhogen.”.

4)

In artikel 7 worden de volgende leden toegevoegd:

„8.   Alvorens de in de leden 2 tot en met 5 bedoelde besluiten vast te stellen, stelt de Commissie de betrokken lidstaat in de gelegenheid om zijn standpunt binnen een termijn die in de regel ten hoogste één maand beloopt, kenbaar te maken ten aanzien van de op grond van artikel 6 bis, lid 3, door de Commissie ontvangen en aan de betrokken lidstaat verschafte informatie.

9.   De Commissie maakt in een overeenkomstig de leden 2 tot en met 5 vastgesteld besluit alleen gebruik van door respondenten verstrekte vertrouwelijke informatie die niet kan worden geaggregeerd of anderszins geanonimiseerd wanneer zij hun toestemming heeft gekregen om deze informatie vrij te geven aan de betrokken lidstaat. De Commissie kan een met een redenen omkleed besluit vaststellen, dat ter kennis van de betrokken onderneming of ondernemersvereniging wordt gebracht, waarin zij tot de bevinding komt dat de door een respondent verschafte, als vertrouwelijk gemarkeerde informatie niet beschermd is en een datum bepaalt na welke die informatie zal worden vrijgegeven. Die periode mag niet korter dan één maand zijn.

10.   De Commissie houdt naar behoren rekening met het gerechtvaardigde belang van de ondernemingen bij het beschermen van hun bedrijfsgevoelige informatie en andere vertrouwelijke informatie. Een onderneming of een ondernemersvereniging, die informatie verstrekt krachtens artikel 6 bis, en die geen begunstigde van de betrokken steunmaatregel, kan, wanneer bekendmaking schade zou kunnen veroorzaken, verzoeken dat haar identiteit voor de betrokken lidstaat geheim wordt gehouden.”.

5)

In artikel 10 worden de leden 1 en 2 vervangen door:

„1.   Onverminderd artikel 20 kan de Commissie ambtshalve informatie, uit welke bron ook, onderzoeken met betrekking tot mogelijk onrechtmatige steun.

De Commissie onderzoekt een klacht die een belanghebbende overeenkomstig artikel 20, lid 2, heeft ingediend, zo snel mogelijk en zorgt ervoor dat de betrokken lidstaat volledig en regelmatig van de vooruitgang en het resultaat van het onderzoek op de hoogte wordt gehouden.

2.   Zo nodig verzoekt de Commissie de betrokken lidstaat om informatie. Artikel 2, lid 2, en artikel 5, leden l en 2, zijn van overeenkomstige toepassing.

Nadat de formele onderzoeksprocedure is ingesteld, kan de Commissie, op grond van de artikelen 6 bis en 6 ter, die van overeenkomstige toepassing zijn, tevens een andere lidstaat, een onderneming of een ondernemersvereniging om informatie verzoeken.”.

6)

Na artikel 14 wordt het volgende hoofd ingevoegd:

„HOOFDSTUK III BIS

VERJARINGSTERMIJNEN”.

7)

De titel van artikel 15 komt als volgt te luiden:

„Verjaringstermijn voor de terugvordering van steun”.

8)

De volgende artikelen worden ingevoegd:

„Artikel 15 bis

Verjaringstermijn voor het opleggen van geldboeten en dwangsommen

1.   Voor de door artikel 6 ter aan de Commissie verleende bevoegdheden geldt een verjaringstermijn van drie jaar.

2.   De in lid 1 bepaalde termijn gaat in op de dag waarop de in artikel 6 ter bedoelde inbreuk is gemaakt. Bij voortdurende of voortgezette inbreuken gaat de termijn echter pas in op de dag waarop de inbreuk is beëindigd.

3.   Iedere handeling die de Commissie stelt met het oog op het onderzoek van of procedures ten aanzien van een in artikel 6 ter bedoelde inbreuk, stuit de verjaring van de oplegging van geldboeten of dwangsommen, vanaf de dag waarop van de handeling aan de betrokken onderneming of ondernemersvereniging kennis is gegeven.

4.   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen. De verjaring treedt echter ten laatste in op de dag waarop een termijn van zes jaar is verstreken zonder dat de Commissie een geldboete of een dwangsom heeft opgelegd. Die termijn wordt verlengd met de periode gedurende welke de verjaringstermijn in overeenstemming met lid 5 wordt geschorst.

5.   De verjaring ter zake van de oplegging van geldboeten en dwangsommen wordt geschorst zolang het besluit van de Commissie bij het Hof van Justitie van de Europese Unie aanhangig is.

Artikel 15 ter

Verjaringstermijn voor de tenuitvoerlegging van geldboeten en dwangsommen

1.   De verjaringstermijn voor de aan de Commissie verleende bevoegdheden om overeenkomstig artikel 6 ter vastgestelde besluiten ten uitvoer te leggen, beloopt vijf jaar.

2.   De in lid 1 bepaalde termijn gaat in op de dag waarop het krachtens artikel 6 ter genomen besluit in kracht van gewijsde is gegaan.

3.   De in lid 1 bepaalde verjaringstermijn wordt gestuit:

a)

door de kennisgeving van een besluit waarbij het oorspronkelijke bedrag van de geldboete of de dwangsom wordt gewijzigd of waarbij een daartoe strekkend verzoek wordt afgewezen;

b)

door elke handeling van een op verzoek van de Commissie handelende lidstaat of van de Commissie tot inning van de geldboete of de dwangsom.

4.   Na iedere stuiting begint een nieuwe verjaringstermijn te lopen.

5.   De in lid 1 bedoelde verjaringstermijn wordt geschorst zolang:

a)

de respondent betalingsfaciliteiten worden toegestaan;

b)

de tenuitvoerlegging krachtens een beslissing van het Hof van Justitie van de Europese Unie is opgeschort.”.

9)

Artikel 16 komt als volgt te luiden:

„Artikel 16

Misbruik van steun

Onverminderd artikel 23 kan de Commissie in gevallen van misbruik van steun de formele onderzoeksprocedure instellen, overeenkomstig artikel 4, lid 4. De artikelen 6, 6 bis, 6 ter, 7, 9 en 10, artikel 11, lid 1, en de artikelen 12 tot en met 15 zijn van overeenkomstige toepassing.”.

10)

Artikel 20, lid 2, komt als volgt te luiden:

„2.   Elke belanghebbende kan een klacht indienen om de Commissie in kennis te stellen van mogelijk onrechtmatige steun of van mogelijk misbruik van steun. Te dien einde vult de belanghebbende een in een uitvoeringsbepaling als bedoeld in artikel 27 vastgesteld formulier in, en verschaft hij de daarin gevraagde verplichte informatie.

Wanneer de Commissie van oordeel is dat de belanghebbende het verplichte klachtenformulier niet heeft nageleefd of de feiten en juridische argumenten die de belanghebbende heeft aangevoerd, onvoldoende gronden bieden om, op grond van een provisioneel onderzoek, aan te tonen dat er sprake is van onrechtmatige steun of misbruik van steun, stelt zij de belanghebbende partij daarvan in kennis en nodigt zij deze uit om opmerkingen in te dienen binnen een bepaalde termijn die in de regel niet meer dan één maand beloopt. Indien de belanghebbende partij haar standpunten niet binnen die vastgestelde termijn kenbaar maakt, wordt de klacht geacht te zijn ingetrokken. De Commissie stelt de betrokken lidstaat ervan in kennis als een klacht wordt geacht te zijn ingetrokken.

De Commissie stuurt de klager een afschrift van het besluit over een geval dat betrekking heeft op het onderwerp van de klacht.”.

11)

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd na artikel 20:

„HOOFDSTUK VI BIS

ONDERZOEKEN NAAR BEPAALDE SECTOREN VAN DE ECONOMIE EN NAAR STEUNINSTRUMENTEN

Artikel 20 bis

Onderzoeken naar bepaalde sectoren van de economie en naar steuninstrumenten

1.   Wanneer er op grond van de beschikbare informatie een redelijk vermoeden bestaat dat staatssteunmaatregelen in een bepaalde sector of op basis van een bepaald steuninstrument de mededinging binnen de interne markt materieel kunnen beperken of vervalsen, of dat bestaande steunmaatregelen in een bepaalde sector in verscheidene lidstaten niet of niet meer verenigbaar zijn met de interne markt, kan de Commissie in verscheidene lidstaten onderzoek doen naar die sector van de economie of naar het gebruik van het betrokken steuninstrument. In het kader van dat onderzoek kan de Commissie de lidstaten en/of de betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen verzoeken alle informatie te verschaffen die voor de toepassing van de artikelen 107 en 108 van het VWEU noodzakelijk is, met inachtneming van het evenredigheidsbeginsel.

De Commissie motiveert bij alle krachtens dit artikel verstuurde informatieverzoeken het onderzoek en de keuze van de adressaten.

De Commissie maakt een verslag over de uitkomsten van haar onderzoek naar bepaalde sectoren van de economie of bepaalde soorten steuninstrumenten in verscheidene lidstaten bekend en verzoekt de lidstaten en betrokken ondernemingen of ondernemersverenigingen opmerkingen te maken.

2.   De informatie die uit sectorale onderzoeken is verkregen, kan in het kader van procedures krachtens deze verordening worden gebruikt.

3.   De artikelen 5, 6 bis en 6 ter zijn van overeenkomstige toepassing.”.

12)

Het volgende hoofdstuk wordt ingevoegd na artikel 23:

„HOOFDSTUK VII BIS

SAMENWERKING MET DE NATIONALE RECHTERLIJKE INSTANTIES

Artikel 23 bis

Samenwerking met de nationale rechterlijke instanties

1.   De rechterlijke instanties van de lidstaten kunnen naar aanleiding van de toepassing van artikel 107, lid 1, en artikel 108 van het VWEU de Commissie verzoeken informatie te verstrekken waarover zij beschikt, of een advies te geven over vragen betreffende de toepassing van staatssteunregels.

2.   Indien de coherente toepassing van artikel 107, lid 1, of artikel 108 van het VWEU zulks vereist, kan de Commissie, eigener beweging, schriftelijke opmerkingen indienen bij de rechterlijke instanties van de lidstaten die belast zijn met de uitvoering van de regels inzake staatssteun. Met toestemming van de betrokken rechterlijke instantie kan zij ook mondelinge opmerkingen maken.

Voorafgaand aan de formele indiening van haar opmerkingen stelt de Commissie de betrokken lidstaat op de hoogte van haar voornemen daartoe.

Uitsluitend met het oog op de formulering van haar opmerkingen kan de Commissie de toepasselijke rechterlijke instantie van de lidstaat verzoeken om haar alle voor de beoordeling van de aangelegenheid noodzakelijke stukken toe te zenden.”.

13)

Artikel 25 komt als volgt te luiden:

„Artikel 25

Adressaten van besluiten

1.   De op grond van artikel 6 bis, lid 7, artikel 6 ter, leden 1 en 2, en artikel 7, lid 9, vastgestelde besluiten worden gericht tot de betrokken onderneming of ondernemersvereniging. De Commissie stelt de adressaten onverwijld in kennis va de besluiten en geeft de adressaten de gelegenheid om de Commissie mee te delen welke informatie volgens hen onder de geheimhoudingsplicht valt.

2.   Alle overige overeenkomstig de hoofdstukken II, III, IV, V en VII vastgestelde besluiten van de Commissie worden tot de betrokken lidstaat gericht. De Commissie stelt de betrokken lidstaat onverwijld daarvan in kennis en geeft die lidstaat de gelegenheid om de Commissie mee te delen welke informatie volgens hem onder de geheimhoudingsplicht valt.”.

14)

In artikel 26 wordt het volgende lid ingevoegd:

„2 bis.   De Commissie maakt besluiten uit hoofde van artikel 6 ter, leden 1 en 2, bekend in het Publicatieblad van de Europese Unie.”.

15)

Artikel 27 komt als volgt te luiden:

„Artikel 27

Uitvoeringsbepalingen

De Commissie is bevoegd om, volgens de procedure van artikel 29, uitvoeringsbepalingen vast te stellen met betrekking tot:

a)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van aanmeldingen;

b)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van jaarlijkse verslagen;

c)

de vorm, de inhoud en de overige bijzonderheden van de overeenkomstig artikel 10, lid 1, en artikel 20, lid 2, ingediende klachten;

d)

bijzonderheden met betrekking tot verjaringstermijnen en de berekening van verjaringstermijnen, en

e)

het in artikel 14, lid 2, bedoelde rentepercentage.”.

Artikel 2

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 22 juli 2013.

Voor de Raad

De voorzitter

C. ASHTON


(1)  Mededeling van de Commissie, „Europa 2020: Een strategie voor slimme, duurzame en inclusieve groei” van 3 maart 2010, COM(2010) 2020 final.

(2)  PB L 83 van 27.3.1999, blz. 1.


Top