Choose the experimental features you want to try

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013R0549

Verordening (EU) nr. 549/2013 van het Europees Parlement en de Raad van 21 mei 2013 betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie Voor de EER relevante tekst

PB L 174 van 26.6.2013, pp. 1–727 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, GA, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

Dit document is verschenen in een speciale editie. (HR)

Legal status of the document In force: This act has been changed. Current consolidated version: 01/09/2025

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2013/549/oj

26.6.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 174/1


VERORDENING (EU) Nr. 549/2013 VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 21 mei 2013

betreffende het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Europese Unie

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 338, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van de Europese Centrale Bank (1),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (2),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

De beleidsvorming in de Unie en het toezicht op de economieën van de lidstaten en op de economische en monetaire unie (EMU) vereisen vergelijkbare, actuele en betrouwbare informatie over de structuur van de economie en de ontwikkeling van de economische situatie in iedere lidstaat of regio.

(2)

De Commissie moet een rol vervullen bij het toezicht op de economieën van de lidstaten en op de EMU en moet met name regelmatig aan de Raad verslag uitbrengen over de vooruitgang die lidstaten hebben geboekt bij het nakomen van hun verplichtingen met betrekking tot de EMU.

(3)

De burgers van de Unie hebben economische rekeningen nodig als basisinstrument voor de analyse van de economische situatie van een lidstaat of regio. Ter wille van de vergelijkbaarheid moeten die rekeningen worden opgesteld op basis van dezelfde, niet voor verschillende uitleg vatbare beginselen. De verstrekte informatie moet zo nauwkeurig, volledig en tijdig mogelijk zijn om maximale transparantie in alle sectoren te waarborgen.

(4)

De Commissie dient aggregaten van de nationale en regionale rekeningen te gebruiken voor administratieve doeleinden van de Unie en met name voor budgettaire berekeningen.

(5)

In 1970 werd een administratief document met als titel „Europees stelsel van economische rekeningen (ESER)” gepubliceerd, dat betrekking had op het door deze verordening bestreken gebied. Dit document was enkel en alleen door het Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen en onder zijn uitsluitende verantwoordelijkheid opgesteld en was het resultaat van het werk dat gedurende verscheidene jaren door dit bureau in samenwerking met de nationale bureaus voor de statistiek van de lidstaten was verricht ter uitwerking van een systeem van nationale rekeningen dat beantwoordde aan de behoeften van het economische en sociale beleid van de Europese Gemeenschappen. Het was de Gemeenschapsversie van het systeem van nationale rekeningen van de Verenigde Naties, dat tot dan toe in de Gemeenschappen was gebruikt. In 1979 werd een tweede editie van dat document gepubliceerd, waarin de oorspronkelijke tekst was bijgewerkt (3).

(6)

Bij Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (4) is een systeem van nationale rekeningen opgezet teneinde te voldoen aan de eisen van het economische, sociale en regionale beleid van de Gemeenschap. Dat systeem was in grote lijnen consistent met het toen nieuwe stelsel van nationale rekeningen, welke in februari 1993 door de Statistische Commissie van de Verenigde Naties was vastgesteld (het 1993 SNA), zodat de resultaten in alle lidstaten van de Verenigde Naties internationaal vergelijkbaar zouden zijn.

(7)

Het 1993 SNA is bijgewerkt in de vorm van een nieuw systeem van nationale rekeningen (het 2008 SNA), dat in februari 2009 door de Statistische Commissie van de Verenigde Naties is vastgesteld, teneinde de nationale rekeningen beter af te stemmen op de nieuwe economische context, de vooruitgang op het gebied van methodologisch onderzoek en de behoeften van de gebruikers.

(8)

Teneinde rekening te houden met de ontwikkelingen in het SNA, moet het bij Verordening (EG) nr. 2223/96 vastgestelde Europese systeem van rekeningen (het ESR 95) worden herzien, zodat het herziene Europese systeem van rekeningen, zoals bij deze verordening wordt ingesteld, een aan de economische structuur van de lidstaten aangepaste versie van het 2008 SNA vormt en de gegevens van de Unie vergelijkbaar zijn met die van haar belangrijkste internationale partners.

(9)

Voor het opstellen van milieu-economische rekeningen bij wijze van satellietrekeningen bij het herziene Europese systeem van rekeningen, is in Verordening (EU) nr. 691/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 6 juli 2011 inzake Europese milieu-economische rekeningen (5) een gemeenschappelijk kader voor het verzamelen, samenstellen, toezenden en evalueren van Europese milieu-economische rekeningen vastgelegd.

(10)

Wat de sociale en de milieurekeningen betreft, moet ook ten volle rekening worden gehouden met de Mededeling van de Commissie aan de Raad en het Europees Parlement van 20 augustus 2009 met als titel „Het bbp en verder — Meting van de vooruitgang in een veranderende wereld”. Er is een noodzaak om op een krachtige wijze door te gaan met methodologische studies en gegevenstests, met name ten aanzien van vraagstukken die verband houden met „Het bbp en verder” en de Europa 2020-strategie, met het doel een meetmethode voor welzijn en vooruitgang te ontwikkelen waarbij meer elementen in aanmerking worden genomen, teneinde de bevordering van slimme, duurzame en inclusieve groei te ondersteunen. In dit verband dienen de vraagstukken inzake externe milieufactoren en sociale ongelijkheid te worden aangepakt. De kwestie van veranderingen in de productiviteit moet eveneens in aanmerking worden genomen. Dit moet het mogelijk maken gegevens die de bbp aggregaten aanvullen, zo spoedig mogelijk beschikbaar te maken. De Commissie moet aan het Europees Parlement en de Raad in 2013 een follow-up mededeling aangaande „Het bbp en verder” voorleggen als ook, in voorkomend geval, in 2014 wetgevingsvoorstellen. De gegevens over de nationale en regionale rekeningen moeten worden gezien als één middel voor het verwezenlijken van deze doelstellingen.

(11)

Het gebruik van nieuwe, geautomatiseerde en realtimeverzamelingsmethoden moet worden onderzocht.

(12)

Het herziene Europese systeem van rekeningen, als ingesteld bij deze verordening, (ESR 2010) bevat een methodologie en een leveringsprogramma waarin de rekeningen en tabellen worden gespecificeerd die alle lidstaten binnen de voorgeschreven termijnen moeten indienen. De Commissie moet die rekeningen en tabellen op vaste tijdstippen ter beschikking van de gebruikers stellen, waar nodig volgens een vooraf bekendgemaakt tijdschema, met name met het oog op het toezicht op de economische convergentie en een goede coördinatie van het economische beleid van de lidstaten.

(13)

Een gebruikersvriendelijke aanpak voor het bekendmaken van gegevens moet worden gehanteerd, om zodoende burgers van de Unie en andere belanghebbenden van toegankelijke en bruikbare informatie te voorzien.

(14)

Het ESR 2010 moet geleidelijk in de plaats van alle andere systemen komen als referentiekader voor gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels, dat bestemd is voor de opstelling van de rekeningen van de lidstaten ten behoeve van de doelstellingen van de Unie en waarmee resultaten kunnen worden verkregen die van lidstaat tot lidstaat vergelijkbaar zijn.

(15)

Krachtens Verordening (EG) nr. 1059/2003 van het Europees Parlement en de Raad van 26 mei 2003 betreffende de opstelling van een gemeenschappelijke nomenclatuur van territoriale eenheden voor de statistiek (NUTS) (6) moet voor alle statistieken van de lidstaten die zij aan de Commissie toezenden en die naar territoriale eenheden dienen te worden ingedeeld, de NUTS-nomenclatuur worden gebruikt. Met het oog op de opstelling van vergelijkbare regionale statistieken moeten de territoriale eenheden daarom worden gedefinieerd overeenkomstig de NUTS-nomenclatuur.

(16)

Voor de doorgifte van gegevens, inclusief vertrouwelijke gegevens, door de lidstaten zijn de bepalingen van Verordening (EG) nr. 223/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 11 maart 2009 betreffende de Europese statistiek (7) van toepassing. Dienovereenkomstig dient derhalve ook bij het nemen van maatregelen overeenkomstig de onderhavige verordening de bescherming van vertrouwelijke gegevens te worden gegarandeerd en moet erop worden toegezien dat de productie en verspreiding van Europese statistieken niet leidt tot onwettige openbaarmaking of gebruik voor andere dan statistische doeleinden.

(17)

Er is een taskforce opgericht die de behandeling van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in de nationale rekeningen verder moet onderzoeken, onder meer een voor risico gecorrigeerde methode die risico uitsluit van de IGDFI-berekeningen om de verwachte toekomstige kosten van gerealiseerde risico's weer te geven. Rekening houdend met de bevindingen van de taskforce kan het nodig zijn de methoden voor de berekening en de toerekening van IGDFI door middel van een gedelegeerde handeling te wijzigen teneinde betere resultaten te verkrijgen.

(18)

De uitgaven voor onderzoeks- en ontwikkelingswerk vormen een investering en moeten derhalve als bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd. Het is echter nodig het formaat van de gegevens aangaande onderzoek en ontwikkeling, die als bruto-investeringen in vaste activa moeten worden geregistreerd, door middel van een gedelegeerde handeling te specificeren wanneer in een test waarvoor aanvullende tabellen moeten worden ontwikkeld, wordt aangetoond dat de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid van de gegevens groot genoeg is.

(19)

Richtlijn 2011/85/EU van 8 november 2011 tot vaststelling van voorschriften voor de begrotingskaders van de lidstaten (8) schrijft voor dat relevante informatie wordt bekendgemaakt over voorwaardelijke verplichtingen met potentieel grote gevolgen op de overheidsbegrotingen, met inbegrip van overheidsgaranties, oninbare leningen en uit de exploitatie van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen met vermelding van de omvang ervan. Deze vereisten stellen een aanvullende bekendmaking verplicht naast de uit hoofde van deze verordening vereiste bekendmaking.

(20)

In juni 2012 heeft de Commissie (Eurostat) een taskforce over de gevolgen van Richtlijn 2011/85/EU voor de vergaring en verspreiding van begrotingsgegevens ingesteld, die zich heeft toegespitst op de uitvoering van de voorschriften betreffende de voorwaardelijke verplichtingen en andere relevante informatie die kan wijzen op potentieel grote gevolgen voor de overheidsbegrotingen, met inbegrip van overheidsgaranties, uit de exploitatie van overheidsbedrijven voortvloeiende verplichtingen, publiek-private partnerschappen, oninbare leningen, en overheidsparticipatie in kapitaal van bedrijven. Een volledige uitvoering van het werk van deze taskforce zou bijdragen tot een deugdelijke analyse van de economische betrekkingen die ten grondslag liggen aan de contracten van publiek-private partnerschappen, met inbegrip van bouw-, beschikbaarheids- en vraagrisico's, als toepasselijk, en tot het opvangen van impliciete schulden van buiten de balans vallende publiek-private partnerschappen, en tegelijkertijd grotere transparantie en betrouwbare statistieken over schulden bevorderen.

(21)

Het bij Besluit 74/122/EEG van de Raad (9) ingestelde Comité voor economische politiek (EPC) heeft werk verricht met betrekking tot duurzame pensioenen en pensioenhervormingen. Het is nodig om zowel op nationaal als op Europees niveau het werk van statistici enerzijds en het onder auspiciën van het EPC verrichte werk van experts aangaande vergrijzende bevolkingen anderzijds nauw te coördineren wat betreft de macro-economische aannamen en andere actuariële parameters, met het oog op samenhang en grensoverschrijdende vergelijkbaarheid van de resultaten alsmede efficiënte mededeling van de gegevens en informatie in verband met pensioenen aan de gebruikers en de belanghebbenden. Daarnaast moet worden verduidelijkt dat opgebouwde pensioenrechten in de sociale zekerheid op zich geen maatregel voor duurzame overheidsfinanciën uitmaken.

(22)

Gegevens en informatie over de voorwaardelijke verplichtingen van de lidstaten worden verstrekt in het kader van de werkzaamheden betreffende de procedure voor het multilaterale toezicht in het stabiliteits- en groeipact. Tegen juli 2018 moet de Commissie een verslag indienen waarin wordt beoordeeld of beschikbaarstelling van die gegevens in de context van het ESR 2010 nodig is.

(23)

Het is belangrijk het belang te onderstrepen van regionale rekeningen van de lidstaten voor het regionale beleid, het economische beleid en het beleid inzake sociale cohesie van de Unie, als ook voor de analyse van economische onderlinge afhankelijkheid. Daarnaast wordt erkend dat het noodzakelijk is de transparantie van rekeningen op regionaal niveau, onder meer overheidsrekeningen, te vergroten. De Commissie (Eurostat) dient bijzondere aandacht te besteden aan de regionale begrotingsgegevens van lidstaten met autonome regio's of regeringen.

(24)

Teneinde bijlage A bij deze verordening te wijzigen om te zorgen voor een geharmoniseerde interpretatie en internationale vergelijkbaarheid ervan, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU) handelingen vast te stellen. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passend overleg pleegt, onder meer met het Comité voor het Europees statistisch systeem, dat is opgericht bij Verordening (EG) nr. 223/2009. Het is krachtens artikel 127, lid 4, en artikel 282, lid 5, VWEU bovendien van bijzonder belang dat de Commissie tijdens haar voorbereidende werkzaamheden, waar nodig, overleg pleegt met de Europese Centrale Bank op het gebied waarop deze bevoegd is. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig en op gepaste wijze gelijktijdig worden toegezonden aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(25)

De meeste in het kader van het economisch bestuur van de Unie gebruikte statistische aggregaten, in het bijzonder de buitensporigtekortprocedure en de procedure bij macro-economische onevenwichtigheden, worden bepaald onder verwijzing naar het ESR. Wanneer de Commissie uit hoofde van die procedures gegevens en verslagen verstrekt, dient zij passende informatie te geven over de gevolgen op de desbetreffende aggregaten van de wijzigingen in de methodologie van het ESR 2010 zoals middels gedelegeerde handelingen in overeenstemming met de bepalingen van deze verordening zijn ingevoerd.

(26)

De Commissie zal een beoordeling uitvoeren of de gegevens betreffende onderzoek en ontwikkeling zowel in lopende prijzen als in volume vóór eind mei 2013 een kwaliteitsniveau hebben bereikt dat voor de toepassing in nationale rekeningen volstaat, in nauwe samenwerking met de lidstaten, met als doel de betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid te garanderen van de ESR-gegevens aangaande onderzoek en ontwikkeling.

(27)

Daar de tenuitvoerlegging van deze verordening ingrijpende aanpassingen van de nationale statistische systemen zal vergen, zal de Commissie de lidstaten afwijkingen toestaan. Met name in het programma voor de indiening van gegevens van de nationale rekeningen moet rekening worden gehouden met de ingrijpende politieke en statistische veranderingen die zich in enkele lidstaten gedurende de referentieperiode van het programma hebben voorgedaan. Deze door de Commissie toegestane afwijkingen moeten tijdelijk en voor herziening vatbaar zijn. De Commissie moet de betrokken lidstaten steunen in hun inspanningen om de vereiste aanpassingen aan hun statistische systemen te verwezenlijken zodat deze afwijkingen zo snel mogelijk kunnen worden beëindigd.

(28)

Het verkorten van de indieningstermijnen kan een aanzienlijke last en aanzienlijke kosten voor respondenten en nationale bureaus voor de statistiek in de Unie met zich meebrengen, met het risico dat er gegevens van minder goede kwaliteit worden geproduceerd. De voor- en nadelen moeten daarom worden afgewogen wanneer de termijnen voor de toezending van de gegevens worden vastgesteld.

(29)

Om eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze verordening, moeten aan de Commissie uitvoeringsbevoegdheden worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (10).

(30)

Daar de doelstelling van deze verordening, namelijk de vaststelling van een herzien Europees rekeningenstelsel, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie volgens het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze verordening niet verder dan wat nodig is om deze doelstelling te verwezenlijken.

(31)

Het Comité voor het Europees statistisch systeem is geraadpleegd.

(32)

Het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek dat is opgericht bij Besluit 2006/856/EG van de Raad van 13 november 2006 tot oprichting van een Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek (11) en het Comité bruto nationaal inkomen (BNI-comité) dat is opgericht bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 van de Raad van 15 juli 2003 betreffende de harmonisatie van het bruto nationaal inkomen tegen marktprijzen („BNI-verordening”) (12), zijn geraadpleegd,

HEBBEN DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

Artikel 1

Onderwerp

1.   Bij deze verordening wordt het Europees rekeningenstelsel 2010 („het ESR 2010” of „het ESR”) vastgesteld.

2.   Het ESR 2010 voorziet in:

a)

methoden (bijlage A) betreffende de gemeenschappelijke normen, definities, classificaties en registratieregels die moeten worden gebruikt voor de opstelling van statistische rekeningen en tabellen op vergelijkbare grondslagen ten behoeve van de Unie, en van de resultaten die worden voorgeschreven uit hoofde van artikel 3;

b)

een programma (bijlage B) waarin de termijnen zijn vastgesteld waarbinnen de lidstaten de in overeenstemming met de onder a) bedoelde methoden op te stellen rekeningen en tabellen bij de Commissie (Eurostat) moeten indienen.

3.   Onverminderd de artikelen 5 en 10 is deze verordening van toepassing op alle wetgevingshandelingen van de Unie waarin naar het ESR of naar de definities daarvan wordt verwezen.

4.   Deze verordening verplicht de lidstaten er niet toe om ook voor hun eigen behoeften de rekeningen overeenkomstig het ESR 2010 op te stellen.

Artikel 2

Methodes

1.   De onder artikel 1, lid 2, onder a), bedoelde methoden van het ESR 2010 zijn opgenomen in bijlage A.

2.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot wijzigingen in de methoden van het ESR 2010 teneinde de inhoud nader te bepalen en te verbeteren met als doel de geharmoniseerde interpretatie of de internationale vergelijkbaarheid ervan zeker te stellen, op voorwaarde dat hierdoor de onderliggende concepten zelf niet worden gewijzigd, er voor producenten binnen het Europees statistisch systeem geen extra middelen voor de uitvoering nodig zijn, en de toepassing ervan niet leidt tot een wijziging in de eigen middelen.

3.   Bij twijfel over de correcte toepassing van de registratieregels van het ESR 2010 verzoekt de betrokken lidstaat de Commissie (Eurostat) om verduidelijking. De Commissie (Eurostat) behandelt het verzoek onverwijld en stelt de betrokken lidstaat en alle andere lidstaten onverwijld in kennis van haar advies over de gevraagde verduidelijking.

4.   De lidstaten voeren de berekening en de toerekening van indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) in de nationale rekeningen uit volgens de in bijlage A beschreven methoden. De Commissie is bevoegd vóór 17 september 2013 overeenkomstig artikel 7 gedelegeerde handelingen vast te stellen met betrekking tot een herziene methode voor de berekening en de toerekening van IGDFI. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheid krachtens dit lid ziet de Commissie erop toe dat dergelijke gedelegeerde handelingen niet leiden tot aanzienlijke administratieve lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten.

5.   De uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden door de lidstaten als bruto-investeringen in vaste activa geregistreerd. De Commissie is bevoegd gedelegeerde handelingen overeenkomstig artikel 7 aan te nemen ter waarborging van de betrouwbaarheid en de vergelijkbaarheid van de ESR 2010-gegevens van de lidstaten over onderzoek en ontwikkeling. Bij het uitoefenen van haar bevoegdheid krachtens dit lid ziet de Commissie erop toe dat dergelijke gedelegeerde handelingen niet leiden tot aanzienlijke administratieve lastenverzwaring voor de lidstaten of de respondenten.

Artikel 3

Indiening van de gegevens bij de Commissie

1.   De lidstaten verstrekken de Commissie (Eurostat) de in bijlage B opgenomen rekeningen en tabellen binnen de daarin voor iedere tabel voorgeschreven termijn.

2.   De lidstaten dienen de bij deze verordening voorgeschreven gegevens en metagegevens bij de Commissie in overeenkomstig een gespecificeerde uitwisselingsstandaard en andere praktische regelingen.

De gegevens worden in elektronische vorm bij het centrale punt voor gegevenstoezending bij de Commissie ingediend of geüpload. De uitwisselingsstandaard en andere praktische regelingen voor de toezending van gegevens worden door de Commissie vastgelegd middels uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

Artikel 4

Kwaliteitsbeoordeling

1.   Voor de toepassing van deze verordening zijn de kwaliteitscriteria van artikel 12, lid 1, van Verordening (EG) nr. 223/2009 van toepassing op de overeenkomstig artikel 3 van deze verordening in te dienen gegevens.

2.   De lidstaten dienen bij de Commissie (Eurostat) een verslag in over de kwaliteit van de overeenkomstig artikel 3 in te dienen gegevens.

3.   Bij de toepassing van de in lid 1 bedoelde kwaliteitscriteria op de onder deze verordening vallende gegevens worden de modaliteiten, de structuur, de periodiciteit en de evaluatie-indicatoren van de kwaliteitsverslagen door de Commissie vastgesteld middels uitvoeringshandelingen. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

4.   De Commissie (Eurostat) beoordeelt de kwaliteit van de ingediende gegevens.

Artikel 5

Datum van toepassing en van eerste indiening van de gegevens

1.   Het ESR 2010 wordt voor het eerst toegepast op de overeenkomstig bijlage B opgestelde gegevens die met ingang van 1 september 2014 moeten worden ingediend.

2.   De gegevens worden bij de Commissie (Eurostat) ingediend binnen de in bijlage B vermelde termijnen.

3.   In overeenstemming met lid 1 zenden de lidstaten de Commissie (Eurostat) tot aan de eerste indiening van gegevens volgens het ESR 2010 de rekeningen en tabellen volgens het ESR 95 toe.

4.   Onverminderd artikel 19 van Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 van de Raad van 22 mei 2000 houdende toepassing van Besluit 2007/436/EG, Euratom betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (13), controleren de Commissie en de betrokken lidstaat of deze verordening correct wordt toegepast en leggen zij de resultaten van deze controle voor aan het in artikel 8, lid 1, van deze verordening genoemde comité.

Artikel 6

Afwijkingen

1.   In zoverre voor de toepassing van deze verordening grote aanpassingen van een nationaal statistisch systeem nodig zijn, verleent de Commissie de lidstaten tijdelijke afwijkingen van de toepassing ervan middels uitvoeringshandelingen. Deze afwijkingen verstrijken uiterlijk op 1 januari 2020. Deze uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 8, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

2.   De Commissie staat een afwijking krachtens lid 1 slechts toe voor een periode die toereikend is om de betreffende lidstaat in staat te stellen zijn statistische systeem aan te passen. Het aandeel van de betrokken lidstaat in het bbp van de Unie of de eurozone mag op zich geen motief zijn voor het toestaan van een afwijking. Waar passend, helpt de Commissie de lidstaten in kwestie bij hun inspanningen om de vereiste aanpassingen aan hun statistische systeem te verwezenlijken.

3.   Voor de in de leden 1 en 2 uiteengezette doeleinden, dient de betrokken lidstaat uiterlijk 17 oktober 2013 een met redenen omkleed verzoek in bij de Commissie.

Na raadpleging van het Comité voor het Europees statistisch systeem brengt de Commissie uiterlijk op 1 juli 2018 aan het Europees Parlement en de Raad verslag uit over de toepassing van de toegestane afwijkingen, teneinde na te gaan of zij nog steeds gerechtvaardigd zijn.

Artikel 7

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel vastgestelde voorwaarden.

2.   De in artikel 2, leden 2 en 5, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van vijf jaar met ingang 16 juli 2013. De in artikel 2, lid 4, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van twee maanden met ingang van 16 juli 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van vijf jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De bevoegdheidsdelegatie wordt stilzwijgend met termijnen van dezelfde duur verlengd, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van elke termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 2, leden 2, 4 en 5, bedoelde bevoegdheidsdelegatie te allen tijde intrekken.

Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Zodra de Commissie een gedelegeerde handeling heeft vastgesteld, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een overeenkomstig artikel 2, leden 2, 4 en 5, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement of de Raad binnen een termijn van drie maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad daartegen geen bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad de Commissie voor het verstrijken van die termijn hebben medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met drie maanden verlengd.

Artikel 8

Comité

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het Comité voor het Europees statistisch systeem ingesteld bij Verordening (EG) nr. 223/2009. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011.

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 9

Samenwerking met andere comités

1.   Voor alle aangelegenheden die vallen onder de bevoegdheid van het Comité voor monetaire, financiële en betalingsbalansstatistiek, dat is opgericht bij Besluit 2006/856/EG, vraagt de Commissie dat comité om advies overeenkomstig artikel 2 van dat besluit.

2.   De Commissie verstrekt het Comité bruto nationaal inkomen („BNI-comité”), dat is opgericht bij Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003, alle informatie betreffende de tenuitvoerlegging van deze verordening die het nodig heeft voor de uitvoering van de taken van het BNI-comité.

Artikel 10

Overgangsbepalingen

1.   Ten behoeve van de begroting en de eigen middelen blijft het Europese systeem van rekeningen als bedoeld in artikel 1, lid 1, van Verordening (EG, Euratom) nr. 1287/2003 en de daarmee samenhangende wetgevingshandelingen, met name Verordening (EG, Euratom) nr. 1150/2000 en Verordening (EEG, Euratom) nr. 1553/89 van de Raad van 29 mei 1989 betreffende de definitieve uniforme regeling voor de inning van de eigen middelen uit de belasting over de toegevoegde waarde (14), het ESR 95 zolang Besluit 2007/436/EG, Euratom van de Raad van 7 juni 2007 betreffende het stelsel van eigen middelen van de Europese Gemeenschappen (15) van toepassing is.

2.   Voor de vaststelling van de eigen middelen uit de btw mogen de lidstaten, zolang Besluit 2007/436/EG, Euratom van kracht is, in afwijking van lid 1 ook op het ESR 2010 gebaseerde gegevens gebruiken wanneer de benodigde gedetailleerde ESR 95-gegevens niet beschikbaar zijn.

Artikel 11

Rapportage over impliciete verplichtingen

Uiterlijk 2014 legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een rapport voor met de bestaande informatie over publiek-private partnerschappen en andere impliciete (waaronder ook voorwaardelijke) verplichtingen die buiten de overheidssfeer zijn aangegaan.

Uiterlijk 2018 legt de Commissie voorts aan het Europees Parlement en aan de Raad een rapport voor waarin wordt geëvalueerd in hoeverre de publicatie door de Commissie (Eurostat) van de informatie over verplichtingen representatief is voor alle impliciete (inclusief voorwaardelijke) verplichtingen die buiten de overheidssfeer zijn aangegaan.

Artikel 12

Herziening

Uiterlijk op 1 juli 2018 en daarna om de vijf jaar legt de Commissie aan het Europees Parlement en de Raad een rapport voor over de toepassing van deze verordening.

In het verslag wordt onder meer het volgende beoordeeld:

a)

de kwaliteit van gegevens over nationale en regionale rekeningen;

b)

de doeltreffendheid van deze verordening en het op ESR 2010 toegepaste toezichtsproces, en

c)

de vooruitgang wat betreft gegevens aangaande voorwaardelijke verplichtingen en de beschikbaarheid van ESR 2010-gegevens.

Artikel 13

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Straatsburg, 21 mei 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. CREIGHTON


(1)   PB C 203 van 9.7.2011, blz. 3.

(2)  Standpunt van het Europees Parlement van 13 maart 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 april 2013.

(3)  Commissie (Eurostat): „Europees Stelsel van Economische Rekeningen (ESER)”, 2e editie, Bureau voor de Statistiek van de Europese Gemeenschappen, Luxemburg, 1979 (Nederlandstalige versie van 1984).

(4)   PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1.

(5)   PB L 192 van 22.7.2011, blz. 1.

(6)   PB L 154 van 21.6.2003, blz. 1.

(7)   PB L 87 van 31.3.2009, blz. 164.

(8)   PB L 306 van 23.11.2011, blz. 41.

(9)  Besluit 74/122/EEG van de Raad van 18 februari 1974 tot instelling van een Comité voor economische politiek (PB L 63 van 5.3.1974, blz. 21).

(10)   PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(11)   PB L 332 van 30.11.2006, blz. 21.

(12)   PB L 181 van 19.7.2003, blz. 1.

(13)   PB L 130 van 31.5.2000, blz. 1.

(14)   PB L 155 van 7.6.1989, blz. 9.

(15)   PB L 163 van 23.6.2007, blz. 17.


BIJLAGE A

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE KENMERKEN EN GRONDBEGINSELEN 33
ALGEMENE KENMERKEN 33
Mondialisering 35
GEBRUIK VAN HET ESR 2010 35
Kader voor analyse en beleid 35
Kenmerken van de ESR 2010-begrippen 37
Indeling naar sector 40
Satellietrekeningen 41
ESR 2010 en 2008 SNA 43
ESR 2010 en ESR 95 43
GRONDBEGINSELEN VAN HET ESR 2010 ALS SYSTEEM 44
Statistische eenheden en hun indeling 44
Institutionele eenheden en sectoren 45
Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) en bedrijfstakken 45
Ingezeten en niet-ingezeten eenheden; totale economie en buitenland 45
Stromen en standen 46
Stromen 46
Transacties 46
Kenmerken van transacties 46
Interacties en interne transacties 46
Monetaire en niet-monetaire transacties 46
Transacties met en zonder tegenprestatie 47
Herordende transacties 47
Omleiding 47
Splitsing 47
Vaststelling van de principaal van een transactie 47
Grensgevallen 48
Overige mutaties in activa 48
Overige volumemutaties in activa en passiva 48
Waarderingsverschillen 48
Standen 48
Het rekeningenstelsel en de aggregaten 49
Registratieregels 49
Terminologie voor beide zijden van de rekeningen 49
Dubbele registratie/viervoudige registratie 49
Waardering 49
Bijzondere waarderingsmethoden voor producten 50
Waardering in constante prijzen 50
Moment van registratie 50
Consolidatie en saldering 50
Consolidatie 50
Saldering 51
Rekeningen, saldi en aggregaten 51
Het rekeningenstelsel 51
Goederen-en-dienstenrekening 51
Buitenlandrekening 51
Saldi 52
Aggregaten 54
Bbp: een aggregaat van cruciaal belang 54
Het input-outputsysteem 54
Aanbod- en gebruiktabellen 55
Symmetrische input-outputtabellen 55

HOOFDSTUK 2

EENHEDEN EN INDELING VAN EENHEDEN 56
AFBAKENING VAN DE NATIONALE ECONOMIE 56
INSTITUTIONELE EENHEDEN 58
Hoofdkantoren en holdings 59
Groepen ondernemingen 59
Entiteiten voor specifieke doeleinden 60
Financiële instellingen binnen concernverband 60
Kunstmatige dochterondernemingen 60
Voor specifieke doeleinden opgerichte eenheden van de overheid 61
INSTITUTIONELE SECTOREN 61
Niet-financiële vennootschappen (S.11) 65
Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001) 66
Subsector nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002) 66
Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003) 66
Financiële instellingen (S.12) 67
Financiële intermediairs 67
Financiële hulpbedrijven 68
Financiële instellingen m.u.v. financiële intermediairs en financiële hulpbedrijven 68
Institutionele eenheden die tot de sector financiële instellingen behoren 68
Subsectoren van financiële instellingen 68
Combinaties van subsectoren van financiële instellingen 69
Onderverdeling van subsectoren van financiële instellingen in financiële instellingen in handen van de overheid, nationale financiële instellingen in handen van de particuliere sector en financiële instellingen in handen van het buitenland 69
Centrale bank (S.121) 70
Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) 70
GMF's (S.123) 71
Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124) 71
Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) 72
Lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's) 72
Handelaren in effecten en derivaten, financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, en gespecialiseerde financiële instellingen 72
Financiële hulpbedrijven (S.126) 73
Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) 73
Verzekeringsinstellingen (S.128) 74
Pensioenfondsen (S.129) 75
Overheid (S.13) 76
Centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311) 76
Deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312) 76
Lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313) 77
Socialezekerheidsfondsen (S.1314) 77
Huishoudens (S.14) 77
Werkgevers en zelfstandigen (S.141 en S.142) 78
Werknemers (S.143) 78
Huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441) 78
Huishoudens met pensioeninkomen (S.1442) 78
Huishoudens met overige overdrachten (S.1443) 78
Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15) 79
Buitenland (S.2) 79
Sectorindeling van de productie-eenheden naar gangbare rechtsvorm 80
EENHEDEN VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU (LOKALE EEA'S) EN BEDRIJFSTAKKEN 82
Eenheid van economische activiteit op lokaal niveau 82
Bedrijfstak 83
Indeling van bedrijfstakken 83
HOMOGENE PRODUCTIE-EENHEDEN EN HOMOGENE BRANCHES 83
Homogene productie-eenheid 83
Homogene branche 83

HOOFDSTUK 3

TRANSACTIES IN PRODUCTEN EN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA 84
TRANSACTIES IN PRODUCTEN IN HET ALGEMEEN 84
PRODUCTIE EN OUTPUT 85
Hoofd-, neven- en hulpactiviteiten 86
Output (P.1) 87
Institutionele eenheden: onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt” 89
Moment van registratie en waardering van de output 92
Producten van landbouw, bosbouw en visserij (sectie A) 93
Industriële producten (sectie C); Bouwwerken — Bouwnijverheid (sectie F) 93
Groot- en detailhandel; reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen (sectie G) 93
Vervoer en opslag (sectie H) 94
Verschaffen van accommodatie en maaltijden (sectie I) 95
Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): output van de centrale bank 95
Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): financiële diensten in het algemeen 95
Tegen directe betaling verleende financiële diensten 95
Financiële diensten waarvoor rentekosten in rekening worden gebracht 96
Financiële diensten bestaande uit de aan- of verkoop van financiële activa en passiva op financiële markten 96
Financiële diensten verleend in het kader van verzekerings- en pensioenregelingen waarbij de activiteit uit verzekeringspremies en het rendement op spaargelden wordt gefinancierd 96
Exploitatie van en handel in onroerend goed (sectie L) 98
Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische diensten (sectie M); Administratieve en ondersteunende diensten (sectie N) 98
Openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen (sectie O) 99
Onderwijs (sectie P); Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke diensten (sectie Q) 99
Kunst, amusement en recreatie (sectie R); Andere diensten (sectie S) 99
Particuliere huishoudens als werkgever (sectie T) 99
INTERMEDIAIR VERBRUIK (P.2) 99
Moment van registratie en waardering van het intermediair verbruik 101
CONSUMPTIE (P.3, P.4) 101
Consumptieve bestedingen (P.3) 101
Werkelijke consumptie (P.4) 103
Moment van registratie en waardering van de consumptieve bestedingen 105
Moment van registratie en waardering van de werkelijke consumptie 106
BRUTO-INVESTERINGEN (P.5) 106
Bruto-investeringen in vaste activa (P.51g) 106
Moment van registratie en waardering van bruto-investeringen in vaste activa 109
Verbruik van vaste activa (P.51C) 110
Veranderingen in voorraden (P.52) 110
Moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden 111
Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53) 112
IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN (P.6 EN P.7) 113
In- en uitvoer van goederen (P.61 en P.71) 113
In- en uitvoer van diensten (P.62 en P.72) 115
TRANSACTIES IN BESTAANDE GOEDEREN 118
SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (NP) 119

HOOFDSTUK 4

VERDELINGSTRANSACTIES 121
BELONING VAN WERKNEMERS (D.1) 121
Lonen (D.11) 121
Lonen in geld 121
Lonen in natura 122
Sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12) 123
Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) 123
Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122) 124
BELASTINGEN OP PRODUCTIE EN INVOER (D.2) 126
Productgebonden belastingen (D.21) 126
Belasting over de toegevoegde waarde (btw) (D.211) 126
Belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212) 127
Overige productgebonden belastingen (D.214) 127
Niet-productgebonden belastingen op productie (D.29) 128
Belastingen op productie en invoer, betaald aan de instellingen van de Europese Unie 128
Belastingen op productie en invoer: moment van registratie en te registreren bedragen 129
SUBSIDIES (D.3) 129
Productgebonden subsidies (D.31) 130
Subsidies op invoer (D.311) 130
Overige productgebonden subsidies (D.319) 130
Niet-productgebonden subsidies op productie (D.39) 131
INKOMEN UIT VERMOGEN (D.4) 132
Rente (D.41) 133
Rente op deposito's en leningen 133
Rente op schuldbewijzen 133
Rente op wissels en vergelijkbare kortlopende financiële verhoudingen 133
Rente op obligaties 133
Renteswaps en rentetermijncontracten 134
Rente op financiële lease 134
Overige rentebetalingen 134
Moment van registratie 134
Winstuitkeringen (D.42) 135
Dividenden (D.421) 135
Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen (D.422) 136
Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43) 137
Overig inkomen uit beleggingen (D.44) 137
Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders (D.441) 137
Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten (D.442) 138
Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen (D.443) 138
Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen (D.45) 139
Inkomen uit grond 139
Inkomen uit minerale hulpbronnen 139
BELASTINGEN OP INKOMEN, VERMOGEN ENZ. (D.5) 139
Belastingen op inkomen (D.51) 139
Belastingen op vermogen enz. (D.59) 140
SOCIALE PREMIES EN UITKERINGEN (D.6) 141
Sociale premies (netto) (D.61) 143
Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.611) 143
Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.612) 144
Werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens (D.613) 145
Aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens (D.614) 145
Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62) 146
Uitkeringen sociale zekerheid in geld (D.621) 146
Uitkeringen overige sociale verzekering (D.622) 146
Uitkeringen sociale voorziening in geld (D.623) 146
Sociale overdrachten in natura (D.63) 147
Sociale overdrachten in natura — niet-marktproducten van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens (D.631) 147
Sociale overdrachten in natura — door de overheid en izw's t.b.v. huishoudens aangekochte marktproducten (D.632) 147
OVERIGE INKOMENSOVERDRACHTEN (D.7) 148
Premies schadeverzekering (netto) (D.71) 148
Uitkeringen schadeverzekering (D.72) 149
Inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73) 150
Inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking (D.74) 150
Overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.75) 151
Inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens (D.751) 151
Inkomensoverdrachten tussen huishoudens (D.752) 151
Andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.759) 151
Boetes 151
Loterijen en kansspelen 152
Schadeloosstellingen 152
Eigen middelen van de EU op basis van btw en bni (D.76) 153
CORRECTIE VOOR MUTATIES IN PENSIOENRECHTEN (D.8) 153
KAPITAALOVERDRACHTEN (D.9) 154
Vermogensheffingen (D.91) 154
Investeringsbijdragen (D.92) 155
Overige kapitaaloverdrachten (D.99) 156
AANDELENOPTIES VOOR WERKNEMERS 157

HOOFDSTUK 5

FINANCIËLE TRANSACTIES 159
ALGEMENE KENMERKEN VAN FINANCIËLE TRANSACTIES 159
Financiële activa, financiële aanspraken en financiële passiva 159
Voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva 159
Categorieën financiële activa en passiva 160
Balansen, financiële rekening en overige stromen 161
Waardering 161
Netto- en brutoregistratie 162
Consolidatie 162
Saldering 162
Registratieregels voor financiële transacties 163
Een financiële transactie met een inkomens- of kapitaaloverdracht als tegenboeking 163
Een financiële transactie met inkomen uit vermogen als tegenboeking 164
Moment van registratie 164
Een financiële rekening van-wie-aan-wie 165
CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES IN CATEGORIEËN 166
Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.1) 166
Monetair goud (F.11) 166
Bijzondere trekkingsrechten — SDR's (F.12) 167
Chartaal geld en deposito's (F.2) 168
Chartaal geld (F.21) 168
Deposito's (F.22 en F.29) 168
Girale deposito's (F.22) 168
Overige deposito's (F.29) 169
Schuldbewijzen (F.3) 169
Hoofdkenmerken van schuldbewijzen 170
Indeling naar oorspronkelijke looptijd en valuta 170
Indeling naar soort rentevoet 170
Schuldbewijzen met vaste rente 171
Schuldbewijzen met variabele rente 171
Schuldbewijzen met gemengde rente 171
Onderhandse plaatsingen 172
Securitisatie 172
Gedekte obligaties 172
Leningen (F.4) 173
Hoofdkenmerken van leningen 173
Classificatie van leningen naar oorspronkelijke looptijd, valuta en doel 173
Onderscheid tussen transacties in leningen en transacties in deposito's 173
Onderscheid tussen transacties in leningen en transacties in schuldbewijzen 173
Onderscheid tussen transacties in leningen, handelskredieten en handelswissels 174
Effectenleningen en retrocessieovereenkomsten 174
Financiële leases 175
Andere soorten leningen 175
Financiële activa die niet tot de leningen behoren 175
Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5) 176
Deelnemingen (F.51) 176
Aandelencertificaten 176
Beursgenoteerde aandelen (F.511) 176
Niet-beursgenoteerde aandelen (F.512) 176
Beursintroductie, notering aanvragen, notering beëindigen, aandelenterugkoop 177
Financiële activa die niet als aandelenbewijzen worden geclassificeerd 177
Overige deelnemingen (F.519) 177
Waardering van transacties in deelnemingen 178
Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.52) 178
Aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen (GMF's) (F.521) 178
Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (F.522) 179
Waardering van transacties in aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen 179
Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (F.6) 179
Technische voorzieningen schadeverzekering (F.61) 179
Levensverzekerings- en lijfrenterechten (F.62) 179
Pensioenrechten (F.63) 180
Voorwaardelijke pensioenrechten 180
Aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders (F.64) 180
Rechten op niet-pensioenuitkeringen (F.65) 181
Voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (F.66) 181
Standaardgaranties en eenmalige garanties 181
Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (F.7) 182
Financiële derivaten (F.71) 182
Opties 182
Termijncontracten 182
Opties tegenover termijncontracten 183
Swaps 183
Rentetermijncontracten 183
Kredietderivaten 183
Kredietverzuimswaps 184
Niet onder financiële derivaten begrepen financiële instrumenten 184
Aandelenopties voor werknemers (F.72) 184
Waardering van transacties in financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers 185
Overige vorderingen/schulden (F.8) 185
Handelskredieten en voorschotten (F.81) 186
Overige transitorische posten (F.89) 186

BIJLAGE 5.1 —

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES 187
Indeling van financiële transacties in categorieën 187
Indeling van financiële transacties naar verhandelbaarheid 188
Gestructureerde effecten 189
Classificatie van financiële transacties naar soort inkomen 189
Classificatie van financiële transacties naar soort rentevoet 189
Classificatie van financiële transacties naar looptijd 190
Korte en lange looptijd 190
Oorspronkelijke looptijd en resterende looptijd 190
Classificatie van financiële transacties naar valuta 190
Monetaire aggregaten 190

HOOFDSTUK 6

OVERIGE STROMEN 191
INLEIDING 191
OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA EN PASSIVA 191
Overige volumemutaties in activa en passiva (K.1 tot en met K.6) 191
Economisch ontstaan van activa (K.1) 191
Economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.2) 192
Verlies door rampen (K.3) 192
Niet-gecompenseerde confiscaties (K.4) 193
Overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd (K.5) 193
Wijzigingen in classificaties (K.6) 194
Wijzigingen in sectorclassificatie en structuur van de institutionele eenheden (K.61) 194
Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.62) 194
Nominale waarderingsverschillen (K.7) 195
Neutrale waarderingsverschillen (K.71) 196
Reële waarderingsverschillen (K.72) 196
Waarderingsverschillen per type financieel actief of passief 197
Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1) 197
Chartaal geld en deposito's (AF.2) 197
Schuldbewijzen (AF.3) 197
Leningen (AF.4) 198
Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5) 198
Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6) 198
Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7) 198
Overige vorderingen/schulden (AF.8) 198
Activa in vreemde valuta 199

HOOFDSTUK 7

BALANSEN 200
SOORTEN ACTIVA EN PASSIVA 201
Definitie van actief 201
UITSLUITINGEN VAN DE ACTIVA EN PASSIVA 201
CATEGORIEËN ACTIVA EN PASSIVA 201
Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1) 201
Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2) 202
Financiële activa en passiva (AF) 202
WAARDERING VAN BALANSPOSTEN 205
Algemene waarderingsbeginselen 205
NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN) 206
Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1) 206
Vaste activa (AN.11) 206
Intellectuele eigendommen (AN.117) 206
Kosten eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa (AN.116) 207
Voorraden (AN.12) 207
Kostbaarheden (AN.13) 207
Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2) 207
Natuurlijke hulpbronnen (AN.21) 207
Grond (AN.211) 207
Minerale en energiereserves (AN.212) 207
Overige natuurlijke hulpbronnen (AN.213, AN.214 en AN.215) 207
Contracten, leases en vergunningen (AN.22) 208
Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva (AN.23) 208
FINANCIËLE ACTIVA EN PASSIVA (AF) 208
Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1) 208
Chartaal geld en deposito's (AF.2) 208
Schuldbewijzen (AF.3) 208
Leningen (AF.4) 209
Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5) 209
Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6) 210
Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7) 210
Overige vorderingen/schulden (AF.8) 210
FINANCIËLE BALANSEN 210
PRO-MEMORIEPOSTEN 211
Duurzame consumptiegoederen (AN.m) 211
Buitenlandse directe investeringen (AF.m1) 211
Niet-renderende leningen (AF.m2) 211
Registratie van niet-renderende leningen 212

BIJLAGE 7.1

BEKNOPTE OMSCHRIJVING VAN ALLE CATEGORIEËN ACTIVA 213

BIJLAGE 7.2

EEN OVERZICHT VAN DE BEGINBALANS TOT EN MET DE EINDBALANS 222

HOOFDSTUK 8

HET REKENINGENSTELSEL 226
INLEIDING 226
Het rekeningenstelsel 226
REKENINGENSTELSEL 230
Lopende rekeningen 230
Productierekening (I) 230
Inkomensverdelings- en inkomensbestedingsrekeningen (II) 232
Primaire inkomensverdelingsrekeningen (II.1) 232
Inkomensvormingsrekening (II.1.1) 232
Rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2) 236
Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1) 242
Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2) 242
Secundaire inkomensverdelingsrekening (II.2) 249
Tertiaire inkomensverdelingsrekening (II.3) 249
Inkomensbestedingsrekening (II.4) 256
Rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen (II.4.1) 256
Rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen (II.4.2) 256
Accumulatierekeningen (III) 259
Kapitaalrekening (III.1) 259
Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (III.1.1) 259
Kapitaalvormingsrekening (III.1.2) 259
Financiële rekening (III.2) 259
Rekening voor overige mutaties in activa (III.3) 268
Rekening voor overige volumemutaties in activa (III.3.1) 268
Herwaarderingsrekening (III.3.2)) 268
Rekening voor neutrale waarderingsverschillen (III.3.2.1) 268
Rekening voor reële waarderingsverschillen (III.3.2.2) 268
Balansen (IV) 282
Beginbalans (IV.1) 282
Balansmutaties (IV.2) 282
Eindbalans (IV.3) 282
BUITENLANDREKENINGEN (V) 290
Lopende rekeningen 290
Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland (V.I) 290
Rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (V.II) 290
Accumulatierekeningen van het buitenland (V.III) 290
Kapitaalrekening (V.III.1) 290
Financiële rekening (V.III.2) 291
Rekening voor overige mutaties in activa (V.III.3) 291
Balansen (V.IV) 291
GOEDEREN-EN-DIENSTENREKENING (0) 303
INTEGRAAL REKENINGENSTELSEL 303
AGGREGATEN 315
Bruto binnenlands product tegen marktprijzen (bbp) 315
Exploitatieoverschot van de totale economie 315
Gemengd inkomen van de totale economie 315
Inkomen uit bedrijfsuitoefening van de totale economie 315
Nationaal inkomen (tegen marktprijzen) 315
Nationaal beschikbaar inkomen 315
Besparingen 316
Saldo lopende transacties van het buitenland 316
Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) van de totale economie 316
Vermogenssaldo van de totale economie 316
Uitgaven en inkomsten van de overheid 316

HOOFDSTUK 9

DE AANBOD- EN GEBRUIKTABELLEN EN HET INPUT-OUTPUTSYSTEEM 318
INLEIDING 318
BESCHRIJVENDE FUNCTIE 322
STATISTISCH INSTRUMENT 322
ANALYSE-INSTRUMENT 323
MEER BIJZONDERHEDEN OVER DE AANBOD- EN GEBRUIKTABELLEN 323
Classificaties 323
Waarderingsprincipes 325
Handels- en vervoersmarges 326
Saldo belastingen en subsidies op productie en invoer 328
Andere basisbegrippen 330
Aanvullende informatie 331
GEGEVENSBRONNEN EN HET IN EVENWICHT BRENGEN 331
ANALYSE-INSTRUMENT EN AANVULLINGEN 332

HOOFDSTUK 10

HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUMEMUTATIES 335
TOEPASSINGSGEBIED VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS IN NATIONALE REKENINGEN 336
Het geïntegreerde systeem van prijs- en volume-indexcijfers 336
Andere prijs- en volume-indexcijfers 337
ALGEMENE BEGINSELEN VOOR HET METEN VAN PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS 337
Definitie van prijzen en volumes voor marktproducten 337
Kwaliteit, prijs en homogene producten 338
Prijzen en volume 339
Nieuwe producten 340
Uitgangspunten voor niet-marktdiensten 341
Beginselen voor de toegevoegde waarde tegen basisprijzen en het bbp 342
SPECIFIEKE PROBLEMEN BIJ DE TOEPASSING VAN DE BEGINSELEN 343
Productgebonden belastingen en subsidies en invoer 343
Niet-productgebonden belastingen en subsidies op productie 344
Verbruik van vaste activa 344
Beloning van werknemers 344
Kapitaalgoederenvoorraad en voorraden vlottende activa 344
BEREKENING VAN HET REËLE INKOMEN VOOR DE TOTALE ECONOMIE 345
INTERNATIONALE PRIJS- EN VOLUME-INDEXCIJFERS 346

HOOFDSTUK 11

BEVOLKING EN INPUT VAN ARBEID 347
TOTALE BEVOLKING 347
ECONOMISCH ACTIEVE BEVOLKING 348
WERKGELEGENHEID 348
Werknemers 349
Zelfstandigen 349
Werkzame personen en ingezetenschap 350
WERKLOOSHEID 351
BANEN 351
Banen en ingezetenschap 352
DE VERBORGEN ECONOMIE 352
TOTAAL AANTAL GEWERKTE UREN 352
Vaststelling van de werkelijk gewerkte uren 352
ARBEIDSJAREN 354
INPUT VAN ARBEID VAN WERKNEMERS BIJ CONSTANTE BELONING 354
PRODUCTIVITEITSMETINGEN 354

HOOFDSTUK 12

NATIONALE KWARTAALREKENINGEN 355
INLEIDING 355
BIJZONDERE KENMERKEN VAN NATIONALE KWARTAALREKENINGEN 356
Tijdstip van registratie 356
Onderhanden werk 356
Activiteiten die in bepaalde perioden binnen een jaar zijn geconcentreerd 357
Weinig frequente betalingen 357
Flash-ramingen 357
Het in evenwicht brengen van posten en benchmarking voor de nationale kwartaalrekeningen 357
Het in evenwicht brengen van posten 358
Consistentie tussen kwartaal- en jaarrekeningen — benchmarking 358
Kettingindexcijfers voor prijs- en volumemutaties 358
Correcties voor seizoens- en werkdaginvloeden 359
Volgorde van berekening van voor seizoensinvloeden gecorrigeerde kettingindexcijfers voor het volume 360

HOOFDSTUK 13

REGIONALE REKENINGEN 361
INLEIDING 361
REGIONAAL GEBIED 362
EENHEDEN EN REGIONALE REKENINGEN 362
Institutionele eenheden 362
Lokale EEA's en regionale productieactiviteiten per bedrijfstak 363
METHODEN VOOR REGIONALISATIE 363
AGGGREGATEN VOOR PRODUCTIEACTIVITEITEN 365
Bruto toegevoegde waarde en bruto binnenlands product per regio 365
De toerekening van de IGDFI aan bedrijfstakken die van deze diensten gebruikmaken 365
Werkzame personen 365
Beloning van werknemers 365
Overgang van regionale bruto toegevoegde waarde naar regionaal bbp 365
Volumegroeipercentages van de regionale bruto toegevoegde waarde 366
REGIONALE REKENINGEN VAN HET INKOMEN VAN DE HUISHOUDENS 366

HOOFDSTUK 14

INDIRECT GEMETEN DIENSTEN VAN FINANCIËLE INTERMEDIAIRS (IGDFI) 369
HET BEGRIP IGDFI EN DE GEVOLGEN VAN DE TOEREKENING VAN IGDFI AAN DE GEBRUIKENDE SECTOREN VOOR DE BELANGRIJKSTE AGGREGATEN 369
BEREKENING VAN DE IGDFI-OUTPUT VAN DE SECTOREN S.122 EN S.125 370
Benodigde statistische gegevens 370
Referentietarieven 370
Intern referentietarief 371
Externe referentietarieven 371
Gedetailleerde uitsplitsing van de IGDFI naar institutionele sector 371
Uitsplitsing van de aan huishoudens toegerekende IGDFI in intermediair verbruik en consumptie 372
BEREKENING VAN DE INVOER VAN IGDFI 373
HET VOLUME VAN DE IGDFI 373
BEREKENING VAN DE IGDFI PER BEDRIJFSTAK 374
DE OUTPUT VAN DE CENTRALE BANK 374

HOOFDSTUK 15

CONTRACTEN, LEASES EN VERGUNNINGEN 375
INLEIDING 375
HET ONDERSCHEID TUSSEN OPERATIONELE LEASE, LEASE VAN HULPBRONNEN EN FINANCIËLE LEASE 375
Operationele leases 377
Financiële leases 377
Lease van hulpbronnen 378
Vergunningen om natuurlijke hulpbronnen te gebruiken 379
Vergunningen om specifieke activiteiten uit te oefenen 380
Publiek-private partnerschappen 382
Concessieovereenkomsten voor diensten 382
Verhandelbare operationele leases (AN.221) 382
Exclusief recht op toekomstige goederen en diensten (AN.224) 382

HOOFDSTUK 16

VERZEKERINGEN 383
INLEIDING 383
Directe verzekering 383
Herverzekering 384
De betrokken eenheden 385
OUTPUT VAN DIRECTE VERZEKERING 385
Verdiende premies 385
Premieaanvullingen 386
Gecorrigeerde ontstane schaden en verschuldigde uitkeringen 386
Gecorrigeerde ontstane schaden bij schadeverzekeringen 386
Verschuldigde uitkeringen levensverzekering 387
Verzekeringstechnische voorzieningen 387
Vaststelling van de verzekeringsoutput 388
Schadeverzekering 388
Levensverzekering 389
Herverzekering 389
TRANSACTIES DIE SAMENHANGEN MET SCHADEVERZEKERING 389
Toerekening van de output van verzekering aan de gebruikers 389
Verzekeringsdiensten aan en uit het buitenland 389
Boekingsposten 390
LEVENSVERZEKERINGSTRANSACTIES 392
TRANSACTIES DIE SAMENHANGEN MET HERVERZEKERING 394
TRANSACTIES DIE SAMENHANGEN MET VERZEKERINGSHULPBEDRIJVEN 395
LIJFRENTE 395
REGISTRATIE VAN ONTSTANE SCHADEN BIJ SCHADEVERZEKERINGEN 396
Behandeling van gecorrigeerde ontstane schaden 396
Behandeling van verlies door rampen 396

HOOFDSTUK 17

SOCIALE VERZEKERING EN PENSIOENEN 397
INLEIDING 397
Socialeverzekeringsregelingen, sociale voorzieningen en individuele verzekeringsovereenkomsten 397
Sociale uitkeringen 398
Door de overheid verstrekte sociale uitkeringen 399
Door andere institutionele eenheden verstrekte sociale uitkeringen 399
Pensioenen en andere uitkeringsvormen 399
NIET-PENSIOENUITKERINGEN SOCIALE VERZEKERING 399
Niet-pensioenregelingen sociale zekerheid 399
Overige werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen 400
Registratie van standen en stromen per soort niet-pensioenregeling sociale verzekering 400
Socialezekerheidsregelingen 400
Overige werkgerelateerde niet-pensioenregelingen sociale verzekering 400
PENSIOENEN 401
Soorten pensioenregelingen 401
Pensioenregelingen sociale zekerheid 402
Overige werkgerelateerde pensioenregelingen 402
Toegezegdepremieregelingen 403
Toegezegde-uitkeringsregelingen 403
Fictieve toegezegdepremieregelingen en hybride regelingen 403
Toegezegde-uitkeringsregelingen vergeleken met toegezegdepremieregelingen 403
Pensioenadministrateur, pensioenbeheerder, pensioenfonds en pensioenregeling voor meer dan één werkgever 404
Registratie van standen en stromen per soort pensioenregeling sociale verzekering 405
Transacties voor pensioenregelingen sociale zekerheid 405
Transacties voor overige werkgerelateerde pensioenregelingen 406
Transacties voor toegezegdepremieregelingen 406
Overige stromen in verband met toegezegdepremieregelingen 408
Transacties voor toegezegdepremieregelingen 409
AANVULLENDE TABEL VOOR VERWORVEN PENSIOENRECHTEN IN DE SOCIALE VERZEKERING 412
Opzet van de aanvullende tabel 412
De kolommen van de tabel 414
De rijen van de tabel 415
Begin- en eindbalans 416
Mutaties in pensioenrechten a.g.v. van transacties 416
Mutaties in pensioenrechten a.g.v. overige economische stromen 418
Bijbehorende indicatoren 419
Actuariële veronderstellingen 420
Tot heden opgebouwde pensioenrechten 420
Disconteringsvoet 420
Loonontwikkelingen 420
Demografische veronderstellingen 421

HOOFDSTUK 18

BUITENLANDREKENINGEN 422
INLEIDING 422
ECONOMISCH GEBIED 423
Ingezetenschap 423
INSTITUTIONELE EENHEDEN 423
BIJKANTOREN IN DE INTERNATIONALE REKENINGEN VAN DE BETALINGSBALANS 423
FICTIEVE INGEZETEN EENHEDEN 424
ONDERNEMINGEN DIE ACTIEF ZIJN IN VERSCHILLENDE GEBIEDEN 424
GEOGRAFISCHE UITSPLITSING 424
DE INTERNATIONALE REKENINGEN VAN DE BETALINGSBALANS 425
SALDI IN DE LOPENDE REKENINGEN VAN DE INTERNATIONALE REKENINGEN 425
DE REKENINGEN VOOR DE SECTOR BUITENLAND EN HUN RELATIE MET DE INTERNATIONALE REKENINGEN VAN DE BETALINGSBALANS 426
Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland 426
Waardering 429
Veredeling 429
Transitohandel 430
Goederen die onder transitohandel vallen 430
Invoer en uitvoer van IGDFI 431
Rekening voor primaire en secundaire inkomens van het buitenland 432
Rekening voor primair inkomen 433
Inkomen uit directe investeringen 433
De rekening voor secundaire inkomens (inkomensoverdrachten) van het BPM 6 433
De kapitaalrekening van het buitenland 434
Financiële rekening van het buitenland en internationale investeringspositie 435
BALANSEN VOOR DE SECTOR BUITENLAND 437

HOOFDSTUK 19

EUROPESE REKENINGEN 439
INLEIDING 439
VAN NATIONALE TOT EUROPESE REKENINGEN 439
Conversie van gegevens in verschillende valuta’s 440
Europese instellingen 440
De rekening van het buitenland 441
Het in evenwicht brengen van transacties 442
Het meten van prijs- en volumemutaties 442
Balansen 442
„Van-wie-aan-wie”-matrices 442

BIJLAGE 19.1. —

DE REKENINGEN VAN EUROPESE INSTELLINGEN 443
Middelen 443
Bestedingen 444
Consolidatie 444

HOOFDSTUK 20

OVERHEIDSREKENINGEN 445
INLEIDING 445
DEFINITIE VAN DE SECTOR OVERHEID 445
Eenheden binnen de sector overheid 445
Overheidsinstellingen 445
Bij de sector overheid ingedeelde izw's 446
Overige overheidsinstellingen 446
Zeggenschap van de overheid 447
Afbakening tussen markt- en niet-marktproducenten 447
Het begrip economisch significante prijzen 447
Criterium „de afnemer van de output van een overheidsproducent” 448
De output wordt hoofdzakelijk aan vennootschappen en huishoudens verkocht 448
De output wordt alleen aan de overheid verkocht 448
De output wordt aan de overheid en aan anderen verkocht 448
De markt-/niet-markttoets 448
Financiële intermediairs en afbakening van de overheid 449
Grensgevallen 449
Hoofdkantoren van overheidsondernemingen 449
Pensioenfondsen 449
Quasivennootschappen 449
Herstructureringsbureaus 450
Bureaus voor privatisering 450
Afsplitsingsstructuren 450
Entiteiten voor specifieke doeleinden 451
Joint ventures 451
Marktregulerende instellingen 451
Supranationale autoriteiten 452
Subsectoren van de sector overheid 452
Centrale overheid 452
Deelstaatoverheid 452
Lagere overheid 453
Socialezekerheidsfondsen 453
DE PRESENTATIE VAN STATISTIEKEN OVER DE OVERHEIDSFINANCIËN 453
Kader 453
Inkomsten 455
Belastingen en sociale premies 455
Verkoop 455
Overige inkomsten 458
Uitgaven 458
Beloning van werknemers en intermediair verbruik 458
Uitgaven in verband met sociale uitkeringen 459
Rente 459
Overige lopende uitgaven 459
Kapitaaluitgaven 459
Koppeling met de consumptieve bestedingen (P.3) van de overheid 460
Overheidsuitgaven naar functie (COFOG) 460
Saldi 461
Het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) (B.9) 461
Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten (B.101) 461
Financiering 461
Transacties in activa 462
Transacties in financiële passiva 463
Overige economische stromen 463
Herwaarderingsrekening 463
Rekening voor overige volumemutaties in activa 464
Balansen 464
Consolidatie 465
REGISTRATIEVRAAGSTUKKEN IN VERBAND MET DE OVERHEID 466
Belastinginkomsten 466
Aard van de belastinginkomsten 466
Belastingkortingen 467
Te registreren bedragen 467
Oninbare bedragen 467
Moment van registratie 467
Registratie op transactiebasis 467
Registratie van belastingen op transactiebasis 467
Rente 468
Obligaties met disagio en nulcouponobligaties 469
Indexeffecten 469
Financiële derivaten 469
Rechterlijke uitspraken 469
Defensie-uitgaven 469
Betrekkingen van de overheid met overheidsondernemingen 470
Deelnemingen in overheidsondernemingen en winstuitkeringen 470
Deelnemingen 470
Kapitaalinjecties 470
Subsidies en kapitaalinjecties 470
Regels bij bijzondere omstandigheden 471
Begrotingstransacties 471
Winstuitkeringen door overheidsondernemingen 471
Dividenden en onttrekking van deelnemingen 471
Belastingen en onttrekking van deelnemingen 472
Privatisering en nationalisatie 472
Privatisering 472
Indirecte privatiseringen 472
Nationalisatie 472
Transacties met de centrale bank 473
Herstructureringen, fusies en herclassificaties 473
Schuldtransacties 473
Overname, kwijtschelding en afschrijving van schuld 473
Overname en kwijtschelding van schuld 473
Overname van schuld met overdracht van niet-financiële activa 474
Afschrijving of afwaardering van schulden 474
Overige schuldsanering 475
Aankoop van schuld boven de marktwaarde 475
Defeasance en bailouts 475
Schuldgaranties 476
Garanties van het type derivaat 476
Standaardgaranties 477
Eenmalige garanties 477
Securitisatie 477
Definitie 477
Criteria voor een verkoop 477
Registratie van stromen 478
Overige vraagstukken 478
Pensioenverplichtingen 478
Betaling van een bedrag ineens 478
Publiek-private partnerschappen 479
Draagwijdte van publiek-private partnerschappen 479
Economische eigendom en toerekening van activa 479
Vraagstukken in verband met de registratie 480
Transacties met internationale en supranationale organisaties 481
Ontwikkelingshulp 482
DE PUBLIEKE SECTOR 483
Zeggenschap in de publieke sector 483
Centrale banken 484
Quasivennootschappen in handen van de overheid 485
Entiteiten voor specifieke doeleinden en niet-ingezetenen 485
Joint ventures 485

HOOFDSTUK 21

VERBANDEN TUSSEN BEDRIJFSBOEKHOUDINGEN EN NATIONALE REKENINGEN, EN HET METEN VAN ONDERNEMINGSACTIVITEITEN 486
ENKELE SPECIFIEKE REGELS EN METHODEN VAN DE BEDRIJFSBOEKHOUDING 486
Moment van registratie 486
Dubbele en viervoudige registratie 486
Waardering 486
Winst-en-verliesrekening en balans 487
NATIONALE REKENINGEN EN BEDRIJFSBOEKHOUDINGEN: PRAKTISCHE KWESTIES 487
DE OMZETTING VAN BEDRIJFSBOEKHOUDINGEN NAAR NATIONALE REKENINGEN: HET VOORBEELD VAN EEN NIET-FINANCIËLE ONDERNEMING 488
Conceptuele correcties 488
Correcties ten behoeve van de consistentie met de rekeningen van overige sectoren 488
Voorbeelden van correcties ten behoeve van de volledigheid 488
SPECIFIEKE KWESTIES 488
Waarderingsverschillen 488
Mondialisering 489
Fusies en overnames 489

HOOFDSTUK 22

SATELLIETREKENINGEN 490
INLEIDING 490
Functionele classificaties 493
HOOFDKENMERKEN VAN SATELLIETREKENINGEN 496
Functionele satellietrekeningen 496
Speciale sectorrekeningen 499
Opname van niet-monetaire gegevens 503
Grotere mate van detail en aanvullende begrippen 503
Verschillende basisbegrippen 504
Gebruik van modellen en experimentele resultaten 504
Opzet en samenstelling van satellietrekeningen 505
NEGEN SPECIFIEKE SATELLIETREKENINGEN 506
Landbouwrekeningen 507
Milieurekeningen 507
Zorgrekeningen 518
Rekeningen voor de productie van huishoudens 520
Arbeidsrekeningen en socialerekeningenmatrices (SAM) 523
Productiviteits- en groeirekeningen 525
Kennismodule 526
Rekeningen van de sociale bescherming 528
Satellietrekeningen voor toerisme 531

HOOFDSTUK 23

CLASSIFICATIES 533
INLEIDING 533
CLASSIFICATIE VAN INSTITUTIONELE SECTOREN (S) 533
CLASSIFICATIE VAN TRANSACTIES EN OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA 535
Transacties in producten (P) 535
Transacties in niet-geproduceerde niet-financiële activa (NP-codes) 536
Verdelingstransacties (D) 537
Inkomensoverdrachten in geld en in natura (D.5-D.8) 538
Transacties in financiële activa en passiva (F) 539
Overige mutaties in activa (K) 541
CLASSIFICATIE VAN SALDI EN VERMOGENSSALDI (B) 541
CLASSIFICATIE VAN BALANSPOSTEN (L) 542
CLASSIFICATIE VAN ACTIVA (A) 542
Niet-financiële activa (AN) 542
Financiële activa (AF) 544
CLASSIFICATIE VAN AANVULLENDE POSTEN 545
Niet-renderende leningen 545
Kapitaaldiensten 546
Pensioentabel 546
Duurzame consumptiegoederen 548
Buitenlandse directe investeringen 548
Voorwaardelijke posities 548
Chartaal geld en deposito’s 549
Classificatie van schuldbewijzen volgens vervaldatum 549
Beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde schuldbewijzen 549
Langlopende leningen met een resterende looptijd van minder dan één jaar en langlopende leningen met hypotheekgarantie 549
Beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen in beleggingsfondsen 550
Achterstallige rente en terugbetalingen 550
Individuele overdrachten en totaal van de overdrachten 550
SAMENVOEGING EN CODERING VAN BEDRIJFSTAKKEN (A) EN PRODUCTEN (P) 550
CLASSIFICATIE VAN OVERHEIDSFUNCTIES (COFOG) 565
CLASSIFICATIE VAN INDIVIDUELE VERBRUIKSFUNCTIES (COICOP) 568
CLASSIFICATIE VAN DE FUNCTIES VAN INSTELLINGEN ZONDER WINSTOOGMERK TEN BEHOEVE VAN HUISHOUDENS (COPNI) 570
CLASSIFICATIE VAN DE UITGAVEN VAN PRODUCENTEN NAAR FUNCTIE (COPP) 571

HOOFDSTUK 24

DE REKENINGEN 573

Tabel 24.1

Rekening 0: Goederen-en-dienstenrekening 573

Tabel 24.2

Complete rekeningenreeks voor de totale economie 573

Tabel 24.3

Complete rekeningenreeks voor niet-financiële vennootschappen 593

Tabel 24.4

Complete rekeningenreeks voor financiële instellingen 607

Tabel 24.5

Complete rekeningenreeks voor de overheid 622

Tabel 24.6

Complete rekeningenreeks voor huishoudens 638

Tabel 24.7

Complete rekeningenreeks voor instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishouden 654

 

HOOFDSTUK 1

ALGEMENE KENMERKEN EN GRONDBEGINSELEN

ALGEMENE KENMERKEN

1.01

Het Europese systeem van rekeningen (hierna het „ESR 2010” of het „ESR” genoemd) is een internationaal compatibel boekhoudkundig raamwerk voor een systematische en uitvoerige beschrijving van een totale economie (een regio, land of groep landen), de elementen waaruit deze economie is opgebouwd en haar betrekkingen met andere totale economieën.

1.02

Het vóór het ESR 2010 toegepaste systeem, het Europese systeem van rekeningen 1995 (het ESR 95), werd gepubliceerd in 1996 (1). De ESR 2010-methoden, zoals vastgelegd in deze bijlage, hebben voor de eerste dertien hoofdstukken dezelfde structuur als de ESR 95-publicatie, maar bevatten daarnaast elf nieuwe hoofdstukken waarin aspecten van het systeem worden uitgewerkt die uitdrukking geven aan ontwikkelingen in het meten van moderne economieën of in het gebruik van het ESR 95 in de Europese Unie (de EU).

1.03

Deze handleiding heeft de volgende structuur. Hoofdstuk 1 gaat over het begrippenapparaat dat ten grondslag ligt aan het systeem, en beschrijft de beginselen van het ESR alsook de fundamentele statistische eenheden en hun indeling. Voorts bevat het een overzicht van het rekeningenstelsel en een korte beschrijving van de belangrijkste aggregaten, de rol van de aanbod- en gebruiktabellen en het input-outputsysteem. Hoofdstuk 2 beschrijft de institutionele eenheden die bij het meten van de economie worden gebruikt, en hoe deze eenheden in sectoren en andere groepen worden ingedeeld om analysen mogelijk te maken. Hoofdstuk 3 beschrijft alle transacties in producten (goederen en diensten) en niet-geproduceerde activa in het systeem. Hoofdstuk 4 beschrijft alle transacties in de economie waarbij inkomen en vermogen worden verdeeld en herverdeeld. Hoofdstuk 5 beschrijft de financiële transacties in de economie. Hoofdstuk 6 beschrijft de mutaties die zich in de waarde van activa kunnen voordoen als gevolg van niet-economische gebeurtenissen of prijsveranderingen. Hoofdstuk 7 beschrijft balansen en het schema voor de classificatie van activa en passiva. In hoofdstuk 8 worden het rekeningenstelsel en de saldi van de afzonderlijke rekeningen beschreven. Hoofdstuk 9 beschrijft de aanbod- en gebruiktabellen en de functie die zij vervullen om de aggregaten voor inkomen, output en uitgaven in de economie met elkaar in overeenstemming te brengen. In dat hoofdstuk worden ook de input-outputtabellen beschreven die uit de aanbod- en gebruiktabellen kunnen worden afgeleid. Hoofdstuk 10 beschrijft de begripsmatige grondslag voor het meten van prijs- en volumemutaties in relatie tot de nominale waarden die in de rekeningen worden gebruikt. Hoofdstuk 11 beschrijft de maatstaven voor bevolking en arbeidsmarkt, die bij economische analysen met de maatstaven van de nationale rekeningen kunnen worden gebruikt. Hoofdstuk 12 bevat een korte beschrijving van de nationale kwartaalrekeningen en van de accentverschillen ten opzichte van de jaarrekeningen.

1.04

Hoofdstuk 13 beschrijft de doelstellingen en begrippen van een systeem van regionale rekeningen en de problemen die verband houden met de opstelling van die rekeningen. Hoofdstuk 14 betreft het meten van financiële diensten die door financiële intermediairs worden verstrekt en uit nettorenteontvangsten worden gefinancierd. Het hoofdstuk is het resultaat van jaren onderzoek en ontwikkeling door de lidstaten om een solide berekeningswijze te vinden die voor alle lidstaten geharmoniseerd is. Hoofdstuk 15 over contracten, leases en vergunningen is nodig om in de nationale rekeningen een onderdeel van toenemend belang te kunnen beschrijven. In de hoofdstukken 16 en 17 over verzekering, sociale verzekering en pensioenen wordt beschreven hoe deze stelsels in de nationale rekeningen worden behandeld, omdat herverdelingskwesties door de vergrijzing steeds belangrijker worden. Hoofdstuk 18 handelt over de buitenlandrekeningen, die in de nationale rekeningen het equivalent zijn van de rekeningen van het meetsysteem voor de betalingsbalans. Hoofdstuk 19 over de Europese rekeningen is ook nieuw en behandelt aspecten van de nationale rekeningen waarvoor als gevolg van Europese institutionele en handelsregelingen problemen ontstaan die een geharmoniseerde aanpak vereisen. Hoofdstuk 20 beschrijft de rekeningen voor de sector overheid — een sector van bijzonder belang aangezien kwesties met betrekking tot een prudent begrotingsbeleid van de lidstaten essentieel blijven voor een economisch beleid in de EU. In hoofdstuk 21 worden de verbanden tussen bedrijfsboekhoudingen en nationale rekeningen beschreven, een gebied van groeiend belang vanwege een steeds groter aandeel van multinationale ondernemingen in het bruto binnenlands product (bbp) in alle landen. Hoofdstuk 22 beschrijft het verband tussen satellietrekeningen en de belangrijkste nationale rekeningen. De hoofdstukken 23 en 24 dienen voor referentiedoeleinden: hoofdstuk 23 bevat de classificaties die in het ESR 2010 zijn gebruikt voor de sectoren, activiteiten en producten, terwijl in hoofdstuk 24 de complete rekeningenreeks voor elke sector is opgenomen.

1.05

De structuur van het ESR 2010 is consistent met de mondiale richtlijnen voor de nationale rekeningen, als bepaald in het Systeem van nationale rekeningen 2008 (System of National Accounts 2008 — 2008 SNA), afgezien van bepaalde verschillen in presentatie en de hogere precisiegraad van sommige ESR 2010-begrippen die voor specifieke EU doeleinden worden gebruikt. Deze richtsnoeren zijn opgesteld onder de gemeenschappelijke verantwoordelijkheid van de Verenigde Naties (VN), het Internationaal Monetair Fonds (IMF), het Bureau voor de statistiek van de Europese Unie (Eurostat), de Organisatie voor Economische Samenwerking en Ontwikkeling (OESO) en de Wereldbank. Het ESR 2010 is gericht op de situatie en informatiebehoeften in de EU. Evenals het 2008 SNA is het ESR 2010 in overeenstemming gebracht met de begrippen en classificaties die in veel andere sociale en economische statistieken worden gebruikt (bv. werkgelegenheidsstatistieken, industriestatistieken en statistieken van de buitenlandse handel). Het ESR 2010 fungeert dan ook als het centrale referentiekader voor de sociale en economische statistiek van de EU en haar lidstaten.

1.06

Het ESR raamwerk bestaat uit twee belangrijke reeksen tabellen:

a)

de institutionele sectorrekeningen;

b)

het input-outputsysteem en de rekeningen per bedrijfstak.

1.07

De sectorrekeningen geven voor elk van de institutionele sectoren een systematische beschrijving van de verschillende fasen van het economische proces: productie, inkomensvorming, inkomensverdeling en -herverdeling, inkomensbesteding en financiële en niet-financiële accumulatie. De sectorrekeningen omvatten ook balansen voor een beschrijving van de standen van activa en passiva, en het vermogenssaldo aan het begin en het eind van de verslagperiode.

1.08

Door middel van de aanbod- en gebruiktabellen worden in het input-outputsysteem het productieproces (kostenstructuur, inkomensvorming en werkzame personen) en de goederen- en dienstenstromen (output, in- en uitvoer, finale consumptie, intermediair verbruik en investeringen per productgroep) uitvoerig beschreven. In dit systeem komen twee belangrijke boekhoudkundige identiteiten tot uiting: de som van de in een bedrijfstak gegenereerde inkomens is gelijk aan de door die bedrijfstak gegenereerde toegevoegde waarde, en voor elk product of elke productgroep is het aanbod gelijk aan de vraag.

1.09

Het ESR 2010 bevat begrippen voor bevolking en werkzame personen. Deze begrippen zijn van belang voor de sectorrekeningen, de rekeningen per bedrijfstak en het aanbod- en gebruikssysteem.

1.10

Het ESR 2010 is niet beperkt tot de nationale jaarrekeningen, maar strekt zich ook uit tot de kwartaalrekeningen en de rekeningen voor kortere of langere perioden. Het geldt ook voor de regionale rekeningen.

1.11

Het ESR 2010 bestaat naast het 2008 SNA wegens het gebruik dat in de EU van de meetwaarden in de nationale rekeningen wordt gemaakt. De lidstaten zijn zelf verantwoordelijk voor het verzamelen en presenteren van hun nationale rekeningen ter beschrijving van de economische situatie van hun land. Zij stellen ook een set van rekeningen samen die in het kader van een bij verordening vastgesteld leveringsprogramma bij de Commissie (Eurostat) worden ingediend ten behoeve van belangrijke toepassingen op het gebied van sociaal, economisch en begrotingsbeleid in de Unie. Tot die toepassingen behoren onder meer het vaststellen van de bijdragen van de lidstaten aan de EU-begroting via de „vierde middelenbron”, de steun aan de regio's van de EU via het structuurfondsenprogramma, en het toezicht op de economische prestaties van de lidstaten in het kader van de procedure bij buitensporige tekorten en van het stabiliteits- en groeipact.

1.12

Om ervoor te zorgen dat heffingen en voordelen worden verdeeld op basis van meetwaarden die op strikt consistente wijze zijn samengesteld en gepresenteerd, moeten de voor deze doeleinden gebruikte economische statistieken volgens dezelfde definities en regels worden samengesteld. Het ESR 2010 is een verordening waarin de regels, afspraken, definities en classificaties zijn vastgesteld die moeten worden toegepast bij het samenstellen van de nationale rekeningen in de lidstaten die onder het in bijlage B bij deze verordening beschreven programma voor de indiening van gegevens vallen.

1.13

Gezien de zeer grote geldsommen die gemoeid zijn met het in de EU functionerende systeem van bijdragen en voordelen, is het van essentieel belang dat het meetsysteem in alle lidstaten op consistente wijze wordt toegepast. In dergelijke omstandigheden is het belangrijk te kiezen voor een voorzichtige aanpak bij ramingen waarvoor geen direct waarneembare gegevens op de markt beschikbaar zijn; daarbij moet het gebruik van op modellen gebaseerde procedures voor de raming van meetwaarden in de nationale rekeningen worden vermeden.

1.14

De ESR 2010-begrippen zijn op diverse punten specifieker en preciezer dan die van het 2008 SNA, teneinde een zo groot mogelijke consistentie te garanderen tussen de uit de nationale rekeningen afgeleide meetwaarden van de lidstaten. Uitgaande van dit essentiële vereiste om over solide consistente ramingen te kunnen beschikken, is een kernsysteem van nationale rekeningen in de EU vastgesteld. Wanneer de metingen van de lidstaten niet consistent genoeg zijn, worden deze ramingen over het algemeen opgenomen in het zogenaamde „niet-kernsysteem”, dat betrekking heeft op aanvullende tabellen en satellietrekeningen.

1.15

Een voorbeeld van een gebied waar men het voor het ontwerp van het ESR 2010 nodig achtte om voorzichtig te werk te gaan, zijn de pensioenverplichtingen. Er zijn sterke argumenten voor het meten van deze verplichtingen ter ondersteuning van economische analysen, maar het cruciale vereiste in de EU om rekeningen te produceren die in tijd en ruimte consistent zijn, noopte tot een voorzichtige aanpak.

Mondialisering

1.16

Door de toenemende mondialisering van economische activiteiten is het internationale handelsverkeer in al zijn vormen toegenomen en wordt het voor landen moeilijker om hun binnenlandse economie in de nationale rekeningen te registreren. Mondialisering is het dynamische en multidimensionale proces waarbij de nationale hulpbronnen internationaal mobieler worden, terwijl de nationale economieën steeds afhankelijker van elkaar worden. Het aspect van de mondialisering dat mogelijk de meeste meetproblemen voor de nationale rekeningen veroorzaakt, is het toenemende aandeel van internationale transacties verricht door multinationale ondernemingen, waarbij grensoverschrijdende transacties plaatsvinden tussen moedermaatschappijen, dochtermaatschappijen en filialen. Er zijn echter nog andere dataproblemen, zoals blijkt uit onderstaande, meer uitputtende lijst:

1)

verrekenprijzen tussen gelieerde ondernemingen (waardering van invoer en uitvoer);

2)

het toenemende gebruik van verwerking tegen vergoeding („toll processing”), waarbij goederen over internationale grenzen heen worden verhandeld zonder verandering van eigenaar (veredeling), en van transitohandel;

3)

de internationale handel via internet, zowel voor ondernemingen als voor huishoudens;

4)

de handel in en het gebruik van intellectuele eigendom over de hele wereld;

5)

werknemers die in het buitenland werken en aanzienlijke bedragen overmaken aan hun gezin in het land van herkomst (geldzendingen door werknemers, als deel van de individuele overdrachten);

6)

multinationale ondernemingen die hun activiteiten over nationale grenzen heen organiseren om zo efficiënt mogelijk te produceren en de totale belastingdruk zo laag mogelijk te houden. Daardoor kunnen kunstmatige ondernemingsstructuren ontstaan die de economische realiteit niet weergeven;

7)

het gebruik van offshorefinancieringsentiteiten (entiteiten voor specifieke doeleinden (SPE's) en andere vormen) om de financiering van wereldwijde activiteiten te regelen;

8)

de wederuitvoer van goederen, en in de EU het vervoer van goederen tussen lidstaten nadat zij in de Unie zijn binnengebracht (quasidoorvoer);

9)

een toenemende vervlechting van buitenlandse directe investeringen, en de noodzaak om stromen van directe investeringen te identificeren en in te delen.

1.17

Al deze steeds vaker voorkomende aspecten van mondialisering maken het voor nationale statistici moeilijker om grensoverschrijdende stromen in kaart te brengen en nauwkeurig te meten. Zelfs met een uitgebreid en solide verzamel- en meetsysteem voor de posten in de sector buitenland (en bijgevolg ook in de internationale rekeningen in de betalingsbalans) zullen als gevolg van de mondialisering nog extra inspanningen nodig zijn om de kwaliteit van de nationale rekeningen voor alle economieën en groepen van economieën te handhaven.

GEBRUIK VAN HET ESR 2010

Kader voor analyse en beleid

1.18

Het ESR-kader kan worden gebruikt voor analyse en beoordeling van:

a)

de structuur van een totale economie. Voorbeelden van gebruikte typen van metingen zijn:

1.

toegevoegde waarde en werkzame personen per bedrijfstak;

2.

toegevoegde waarde en werkzame personen per regio;

3.

inkomensverdeling naar sector;

4.

invoer en uitvoer per productgroep;

5.

consumptieve bestedingen per functionele rubriek en productgroep;

6.

investeringen in vaste activa en kapitaalgoederenvoorraad per bedrijfstak;

7.

samenstelling van de standen en stromen van financiële activa naar soort actief en sector;

b)

specifieke delen of aspecten van een economie. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1.

het bank- en financieringswezen in de nationale economie;

2.

de rol van de overheid en haar financiële positie;

3.

de economie van een bepaalde regio (in vergelijking met die van het land als geheel);

4.

de besparingen en schulden van huishoudens;

c)

de ontwikkeling van een economie in de loop der tijd. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1.

de analyse van de groei van het bbp;

2.

de analyse van de inflatie;

3.

de analyse van seizoensinvloeden op de uitgaven van huishoudens op basis van kwartaalrekeningen;

4.

de analyse van veranderingen in het belang van bepaalde soorten financiële instrumenten in de loop der tijd, bijvoorbeeld het toegenomen belang van financiële derivaten;

5.

de vergelijking van de industriële structuren van de nationale economie op lange termijn;

d)

een totale economie in vergelijking met andere economieën. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1.

de vergelijking van de rollen en de omvang van de overheid in de lidstaten van de EU;

2.

de analyse van de onderlinge afhankelijkheid van de economieën van de EU, waarbij rekening wordt gehouden met de lidstaten en hun regio's;

3.

de analyse van de samenstelling en de bestemming van de uitvoer van de EU;

4.

de vergelijking van de groeicijfers voor het bbp of het beschikbare inkomen per hoofd van de bevolking in de EU en andere ontwikkelde economieën.

1.19

De cijfers uit het ESR-kader spelen een belangrijke rol bij de vorming van en het toezicht op het sociale en economische beleid van de EU en haar lidstaten.

Uit de volgende voorbeelden blijkt waarvoor het ESR-kader onder meer wordt gebruikt:

a)

het toezien op en het aansturen van de macro-economische en de monetaire beleidsvorming in de eurozone, en het vaststellen van convergentiecriteria voor de economische en monetaire unie (EMU) op basis van de maatstaven van de nationale rekeningen (bv. groeicijfers voor het bbp);

b)

de vaststelling van criteria voor de procedure bij buitensporige tekorten: hoogte van het overheidstekort en de overheidsschuld;

c)

de toekenning van financiële steun aan de regio's in de EU: voor de toewijzing van financiële middelen aan de regio's wordt gebruikgemaakt van de statistieken van de regionale rekeningen;

d)

de vaststelling van de eigen middelen op de EU-begroting. Deze zijn op drie manieren afhankelijk van de cijfers uit de nationale rekeningen:

1.

de totale middelen van de EU worden vastgesteld als percentage van de som van de bruto nationale inkomens (bni) van de lidstaten;

2.

het derde eigen middel van de EU is gebaseerd op de btw. De bijdragen van de lidstaten in het kader van dit middel worden grotendeels bepaald door de cijfers uit de nationale rekeningen, want deze cijfers worden gebruikt voor de berekening van het gemiddelde btw-tarief;

3.

de hoogte van de bijdragen van de lidstaten in het kader van het vierde eigen middel van de EU is gebaseerd op een raming van hun bruto nationaal inkomen. Deze ramingen vormen de grondslag voor de meeste betalingen van de lidstaten.

Kenmerken van de ESR 2010-begrippen

1.20

Om een evenwicht tot stand te brengen tussen de behoeften aan gegevens en de mogelijkheid deze gegevens te leveren, hebben de begrippen in het ESR 2010 verscheidene belangrijke kenmerken. De kenmerken bestaan hierin dat de rekeningen:

a)

internationaal compatibel zijn;

b)

geharmoniseerd zijn met andere systemen voor sociale en economische statistieken;

c)

onderling samenhangend zijn;

d)

operationeel zijn, wat betekent dat zij in de praktijk kunnen worden gemeten;

e)

afwijken van de meeste administratieve begrippen;

f)

duurzaam en onveranderlijk zijn gedurende een lange periode;

g)

gericht zijn op het beschrijven van het economische proces in monetaire en gemakkelijk waarneembare grootheden;

h)

in verschillende situaties en voor verschillende doeleinden bruikbaar zijn.

1.21

De begrippen in het ESR 2010 zijn internationaal compatibel omdat:

a)

de begrippen in het ESR 2010 consistent zijn met die in de mondiale richtlijnen voor de nationale rekeningen (2008 SNA);

b)

het ESR 2010 voor de lidstaten de standaard is voor de indiening van gegevens uit de nationale rekeningen bij alle internationale organisaties.

c)

internationale compatibiliteit van de begrippen van wezenlijk belang is wanneer statistieken van verschillende landen met elkaar worden vergeleken.

1.22

De begrippen in het ESR 2010 zijn geharmoniseerd met de begrippen in andere sociale en economische statistieken, omdat het ESR 2010 gebruikmaakt van begrippen en classificaties (bv. de statistische classificatie van economische activiteiten — NACE Rev. 2 (2)) die ook worden gebruikt voor andere sociale en economische statistieken van de lidstaten; zo is bijvoorbeeld in de industriestatistiek, de statistiek van de buitenlandse handel en de werkgelegenheidsstatistiek het aantal begripsmatige verschillen tot een minimum beperkt. Bovendien zijn de begrippen en classificaties in het ESR 2010 geharmoniseerd met die van de Verenigde Naties.

Deze harmonisatie met sociale en economische statistieken is een steun bij de koppeling aan en vergelijking met deze cijfers, waardoor de kwaliteit van de cijfers in de nationale rekeningen kan worden gegarandeerd. Bovendien kan de informatie in deze specifieke statistieken beter worden gerelateerd aan de algemene statistieken over de nationale economie.

1.23

Dankzij de gemeenschappelijke begrippen die in het gehele systeem van nationale rekeningen en in de andere systemen voor sociale en economische statistieken worden gebruikt, kunnen consistente meetwaarden worden afgeleid. Zo kunnen bijvoorbeeld de volgende verhoudingscijfers worden berekend:

a)

productiviteitscijfers, zoals de toegevoegde waarde per gewerkt uur (hiertoe moeten de begrippen toegevoegde waarde en gewerkte uren consistent te zijn);

b)

nationaal beschikbaar inkomen per hoofd van de bevolking (hiertoe moeten de begrippen nationaal beschikbaar inkomen en maatstaven voor de bevolking consistent zijn);

c)

investeringen in vaste activa als percentage van de kapitaalgoederenvoorraad (hiertoe moeten de definities van deze stromen en standen consistent zijn);

d)

overheidstekort en overheidsschuld als percentage van het bruto binnenlands product (hiertoe moeten de begrippen overheidstekort, overheidsschuld en bruto binnenlands product consistent zijn).

Dankzij de interne consistentie van de begrippen kunnen ramingen worden gemaakt door bepaalde posten van elkaar af te trekken: zo kunnen de besparingen worden geraamd als het verschil tussen het beschikbare inkomen en de consumptieve bestedingen.

1.24

Bij de toepassing van de begrippen in het ESR 2010 wordt er rekening mee gehouden dat de gegevens moeten kunnen worden verzameld en gemeten. Het operationele karakter blijkt op diverse manieren uit de aanwijzingen voor het opstellen van de rekeningen:

a)

activiteiten of posten worden alleen beschreven indien zij significant van omvang zijn. Zo mag de productie van goederen in eigen beheer door huishoudens zoals weven en pottenbakken niet als productie worden geregistreerd, omdat deze vormen van productie voor de landen van de EU niet significant zijn;

b)

bij sommige begrippen wordt aangegeven hoe hiervan een raming moet worden gemaakt. Zo wordt bij de definitie van verbruik van vaste activa verwezen naar de lineaire afschrijvingsmethode. Voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad moet de „perpetual inventory method” worden toegepast wanneer directe informatie over de kapitaalgoederenvoorraad ontbreekt. Een ander voorbeeld is de waardering van de productie in eigen beheer, die in beginsel tegen basisprijzen wordt gewaardeerd, maar zo nodig kan de waardering tegen basisprijzen worden benaderd door de verschillende kosten bij elkaar op te tellen;

c)

er zijn enkele afspraken gemaakt. Zo worden door de overheid verstrekte collectieve diensten altijd als consumptieve bestedingen ingedeeld.

1.25

De voor de statistieken van de nationale rekeningen benodigde gegevens kunnen echter niet altijd gemakkelijk rechtstreeks worden verzameld, omdat de onderliggende begrippen gewoonlijk afwijken van de begrippen die aan de basis van administratieve gegevensbronnen liggen. Voorbeelden van administratieve bronnen zijn bedrijfsboekhoudingen, gegevens voor bepaalde soorten belastingen (btw, inkomstenbelasting, invoerheffingen enz.), socialezekerheidsgegevens en gegevens van toezichthoudende organen voor het bank- en verzekeringswezen. Deze administratieve gegevens worden gebruikt voor het opstellen van de nationale rekeningen. Over het algemeen worden zij in overeenstemming gebracht met de begrippen in het ESR.

De begrippen in het ESR verschillen gewoonlijk van hun administratieve equivalenten in de volgende opzichten:

a)

administratieve begrippen verschillen van land tot land, zodat er aan de hand van administratieve begrippen geen internationale compatibiliteit mogelijk is;

b)

administratieve begrippen veranderen in de loop der tijd, zodat er aan de hand van administratieve begrippen geen vergelijkingen in de tijd kunnen worden gemaakt;

c)

ten aanzien van de begrippen die aan de basis van de administratieve bronnen liggen, heerst gewoonlijk geen consistentie tussen de verschillende administratieve systemen, zodat koppeling en vergelijking van gegevens, wat van essentieel belang is voor de opstelling van nationale rekeningen, niet mogelijk is;

d)

de administratieve begrippen zijn over het algemeen niet bijzonder geschikt voor economische analysen en de beoordeling van economisch beleid.

1.26

Niettemin beantwoorden administratieve bronnen heel goed aan de behoefte aan gegevens voor de nationale rekeningen en andere statistieken, omdat:

a)

begrippen en classificaties die oorspronkelijk voor statistische doeleinden werden vastgesteld, ook voor administratieve doeleinden worden gebruikt, bijvoorbeeld de indeling van de overheidsuitgaven naar soort;

b)

bij administratieve bronnen expliciet rekening wordt gehouden met de (hiervan losstaande) behoefte aan gegevens voor statistische doeleinden; dit geldt bijvoorbeeld voor het Intrastat-systeem, dat informatie verstrekt over het goederenverkeer tussen de lidstaten.

1.27

De belangrijkste begrippen in het ESR zijn duurzaam en onveranderlijk gedurende een lange periode, omdat:

a)

zij zijn goedgekeurd als de internationale standaard voor vele jaren;

b)

heel weinig van de onderliggende begrippen in de achtereenvolgende internationale richtlijnen voor het opstellen van nationale rekeningen verandering ondergaan.

Door deze begripsmatige continuïteit behoeven minder vaak tijdreeksen te worden herberekend. Bovendien zijn de begrippen minder gevoelig voor nationale en internationale politieke druk. Daarom kunnen de cijfers uit de nationale rekeningen dienen als objectieve bron van gegevens voor economisch beleid en economische analysen.

1.28

De begrippen in het ESR 2010 zijn gericht op het beschrijven van het economisch proces in monetaire en gemakkelijk waarneembare grootheden. Standen en stromen die niet gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt of die geen duidelijk monetair equivalent hebben, worden niet in het ESR geregistreerd.

Dit beginsel is niet strikt toegepast, omdat ook rekening dient te worden gehouden met de vereiste consistentie en de behoeften van gebruikers. Zo is het ter wille van de consistentie noodzakelijk de waarde van collectieve overheidsdiensten als output te registreren omdat de beloning van werknemers en de aanschaf van allerlei goederen en diensten door de overheid gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden vastgesteld. Dankzij de beschrijving van de collectieve overheidsdiensten in relatie tot de rest van de nationale economie zijn de nationale rekeningen als geheel tevens van meer nut voor economisch onderzoek en beleid.

1.29

De reikwijdte van de begrippen in het ESR kan worden toegelicht aan de hand van een aantal belangrijke grensgevallen.

De volgende vormen van productie worden binnen de productiegrens van het ESR geregistreerd (zie de punten 3.07, 3.08 en 3.09):

a)

de productie van individuele en collectieve overheidsdiensten;

b)

de productie in eigen beheer van woondiensten door bewoners van een eigen huis;

c)

de productie van goederen voor eigen finale consumptie, bijvoorbeeld landbouwproducten;

d)

het in eigen beheer produceren van bouwwerken, ook indien dit door huishoudens wordt gedaan;

e)

de productie van diensten door betaald huishoudelijk personeel;

f)

het kweken van vis in viskwekerijen;

g)

illegale productie, mits alle bij de transactie betrokken eenheden daar vrijwillig aan deelnemen;

h)

productie waarvan de opbrengst niet volledig bij de belastingdienst wordt opgegeven, zoals clandestiene textielproductie.

1.30

De volgende vormen van productie vallen buiten de productiegrens en mogen niet in het ESR worden geregistreerd:

a)

huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd en geconsumeerd binnen hetzelfde huishouden, zoals schoonmaken, het bereiden van maaltijden of de verzorging van zieken of bejaarden;

b)

vrijwilligerswerk dat niet resulteert in de productie van goederen, zoals gratis verzorging en schoonmaken;

c)

natuurlijke toename van de visstand in de open zee.

1.31

Het ESR registreert alle output die het resultaat is van productie binnen de productiegrens. De output van hulpactiviteiten wordt evenwel niet geregistreerd. Alle input die een hulpactiviteit verbruikt, wordt behandeld als input in de activiteit die zij ondersteunt. Indien een bedrijf dat uitsluitend hulpactiviteiten verricht, statistisch waarneembaar is doordat afzonderlijke rekeningen voor zijn productie gemakkelijk beschikbaar zijn, of indien het geografisch op een andere plaats gevestigd is dan de bedrijven waarvoor het werkt, moet het zowel in de nationale als in de regionale rekeningen als afzonderlijke eenheid worden geregistreerd en opgenomen in de bedrijfsclassificatie die met zijn hoofdactiviteit overeenstemt. Wanneer geen geschikte basisgegevens beschikbaar zijn, kan de output van de hulpactiviteit worden geraamd door de kosten op te tellen.

1.32

Indien een activiteit als productie wordt beschouwd en de output ervan wordt geregistreerd, worden de inkomens, de werkzame personen, de finale consumptie enz. die hierop betrekking hebben, ook geregistreerd. Omdat bijvoorbeeld de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis als productie wordt geregistreerd, worden ook het inkomen en de consumptieve bestedingen die hierdoor voor deze bewoners worden gegenereerd, geregistreerd. Wat werkzame personen betreft, wordt niets geregistreerd, aangezien er bij de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis per definitie geen input van arbeid is. Daardoor blijft het ESR consistent met het systeem van de arbeidsstatistiek, waarin voor woningbezit geen werkzame personen worden geregistreerd. Het omgekeerde doet zich voor wanneer activiteiten niet als productie worden beschouwd: huishoudelijke diensten die binnen hetzelfde huishouden worden geproduceerd en verbruikt, genereren geen inkomen en consumptieve bestedingen, zodat degenen die deze diensten verrichten, niet tot de werkzame personen behoren.

1.33

Het ESR bevat ook afspraken, zoals:

a)

waardering van de output van de overheid;

b)

waardering van de output van verzekeringsdiensten en van de indirect gemeten diensten van financiële intermediairs;

c)

de registratie van alle collectieve overheidsdiensten als consumptieve bestedingen en niet als intermediair verbruik.

Indeling naar sector

1.34

Sectorrekeningen worden gecreëerd door eenheden in sectoren onder te brengen, zodat transacties en saldi van de rekeningen naar sector kunnen worden gepresenteerd. Door de presentatie naar sector worden veel belangrijke meetwaarden voor economisch en begrotingsbeleid aangereikt. De belangrijkste sectoren zijn huishoudens, overheid, vennootschappen (financiële instellingen en niet-financiële vennootschappen), instellingen zonder winstoogmerk (izw's) ten behoeve van huishoudens, en het buitenland.

Het onderscheid tussen markt- en niet-marktactiviteiten is van groot belang. Een entiteit in handen van de overheid die een marktgerichte vennootschap blijkt te zijn, wordt in de sector vennootschappen ingedeeld, buiten de sector overheid. Op die manier maken de tekorten en schulden van de vennootschap geen deel uit van het tekort en de schuld van de overheid.

1.35

Het is belangrijk dat duidelijke, deugdelijke criteria voor de classificatie van entiteiten in sectoren worden vastgesteld.

De publieke sector bestaat uit alle in de economie ingezeten institutionele eenheden waarover de overheid zeggenschap heeft. De particuliere sector bestaat uit de overige ingezeten eenheden.

In tabel 1.1 zijn de criteria aangegeven die worden gebruikt om het onderscheid te maken tussen de publieke en de particuliere sector, en in de publieke sector tussen de sector overheid en de sector vennootschappen in handen van de overheid, en in de particuliere sector tussen de sector izw's t.b.v. huishoudens en de sector particuliere vennootschappen.

Tabel 1.1

Criteria

In handen van de overheid

(publieke sector)

In particuliere handen

(particuliere sector)

Niet-marktoutput

Overheid

Izw's t.b.v. huishoudens

Marktoutput

Vennootschappen in handen van de overheid

Particuliere vennootschappen

1.36

Zeggenschap wordt gedefinieerd als de bevoegdheid om het algemene beleid of programma van een institutionele eenheid te bepalen. Verdere bijzonderheden in verband met de definitie van zeggenschap worden gegeven in punten 2.35 tot en met 2.39.

1.37

Het onderscheid tussen markt en niet-markt en bijgevolg, voor entiteiten van de publieke sector, de indeling ervan in de sector overheid of in de sector vennootschappen, wordt bepaald door de volgende regel:

Een activiteit wordt als marktactiviteit beschouwd wanneer de desbetreffende goederen en diensten onder de volgende voorwaarden worden verhandeld:

1)

verkopers streven naar winstmaximalisatie op lange termijn en verkopen daartoe vrijwillig op de markt goederen en diensten aan wie bereid is de gevraagde prijs te betalen;

2)

kopers streven, rekening houdend met hun schaarse middelen, naar nutsmaximalisatie door zich bij hun aankopen te laten leiden door de vraag welke producten tegen de aangeboden prijs het best aan hun behoeften voldoen;

3)

van een effectieve markt is sprake wanneer verkopers en kopers toegang tot en informatie over de markt hebben. Er kan ook dan sprake zijn van een effectieve markt wanneer niet volledig aan deze voorwaarden wordt voldaan.

1.38

Dankzij de specificaties van het begrippensysteem van het ESR is flexibiliteit mogelijk: enkele begrippen zijn niet expliciet in het systeem opgenomen, maar kunnen niettemin gemakkelijk hieruit worden afgeleid. Zo kunnen er nieuwe sectoren worden gevormd door in het ESR gedefinieerde subsectoren te herschikken.

1.39

Flexibiliteit wordt ook geboden door de mogelijkheid om aanvullende criteria in te voeren die niet in strijd zijn met de logica van het systeem. Aan de hand van deze criteria kunnen bijvoorbeeld subsectorrekeningen worden opgesteld die gebaseerd zijn op het aantal werkzame personen in productie-eenheden of de hoogte van het inkomen van huishoudens. Wat de werkzame personen betreft, kan nog een onderverdeling worden gemaakt naar opleidingsniveau, leeftijd en geslacht.

Satellietrekeningen

1.40

Voor sommige gegevensbehoeften moeten aparte satellietrekeningen worden opgesteld:

Dit geldt bijvoorbeeld voor:

a)

socialerekeningenmatrices (Social Accounting Matrix — SAM);

b)

de rol van het toerisme in de nationale economie;

c)

de analyse van de kosten en de financiering van de gezondheidszorg;

d)

onderzoeks- en ontwikkelingswerk dat wordt erkend als investering in intellectuele eigendom;

e)

de erkenning van menselijk kapitaal als activa in de nationale economie;

f)

de analyse van het inkomen en de uitgaven van huishoudens op basis van micro-economische benaderingen van inkomen en uitgaven;

g)

de wisselwerking tussen milieu en economie;

h)

de productie binnen huishoudens;

i)

de analyse van veranderingen in de welvaart;

j)

de analyse van de verschillen tussen de cijfers in de nationale rekeningen en de bedrijfsboekhoudingen, en de invloed ervan op effecten- en valutabeurzen;

k)

de raming van belastingopbrengsten.

1.41

Satellietrekeningen komen aan dergelijke gegevensbehoeften tegemoet door:

a)

gedetailleerdere informatie te verstrekken waar dat noodzakelijk is en overbodige details achterwege te laten;

b)

het bereik van het boekhoudkundig raamwerk te vergroten met niet-monetaire informatie, bijvoorbeeld over vervuiling en milieuthema's;

c)

sommige basisbegrippen aan te passen, bijvoorbeeld door het begrip investeringen uit te breiden met de uitgaven voor onderwijs.

1.42

Een socialerekeningenmatrix (SAM) is een matrixpresentatie waarin de verbanden tussen de aanbod- en gebruiktabellen en de sectorrekeningen worden gelegd. Een SAM geeft extra informatie over het niveau en de samenstelling van werkgelegenheid door middel van een onderverdeling van de beloning van werknemers naar type werkzame persoon. Deze onderverdeling geldt zowel voor het gebruik van arbeid per bedrijfstak, zoals weergegeven in de gebruiktabellen, als voor het aanbod van arbeid per sociaaleconomische subgroep, zoals weergegeven in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van subsectoren van de sector huishoudens. Op deze wijze worden het aanbod en het gebruik van de verschillende arbeidscategorieën systematisch getoond.

1.43

In satellietrekeningen moeten alle basisbegrippen en -classificaties van het centrale systeem van het ESR 2010 worden gebruikt. Er mogen alleen wijzigingen in de begrippen worden aangebracht wanneer de satellietrekening hiervoor bedoeld is. In zo'n geval bevat de satellietrekening ook een tabel waarin het verband tussen de belangrijkste aggregaten van de satellietrekening en die van het centrale systeem wordt gelegd. Op deze wijze blijft het centrale systeem het referentiekader en wordt tevens tegemoetgekomen aan meer specifieke behoeften.

1.44

In het centrale systeem worden in de regel geen standen en stromen gemeten die niet gemakkelijk in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt (of die geen duidelijke monetaire tegenwaarde hebben). Vanwege de aard van dergelijke standen en stromen kunnen voor de analyse ervan vaak ook niet-monetaire statistieken worden opgesteld, bijvoorbeeld:

a)

de productie binnen huishoudens kan worden beschreven aan de hand van de daaraan bestede uren;

b)

onderwijs kan worden beschreven aan de hand van soorten onderwijs, aantal leerlingen, gemiddeld aantal schooljaren voor het behalen van een diploma enz.;

c)

de gevolgen van vervuiling kunnen worden beschreven aan de hand van wijzigingen in het aantal levende soorten, de gezondheid van bossen, het afvalvolume, het koolmonoxidegehalte, het stralingsniveau enz.

1.45

Satellietrekeningen maken het mogelijk dergelijke statistieken in niet-monetaire eenheden te relateren aan het centrale systeem van nationale rekeningen. Het verband kan worden gelegd door in dergelijke niet-monetaire statistieken de in het centrale systeem gehanteerde classificaties te gebruiken, bijvoorbeeld de indeling naar type huishouden of naar bedrijfstak. Zo wordt een consistent, uitgebreid systeem opgebouwd, dat basisgegevens kan verschaffen voor de analyse en beoordeling van interacties tussen de variabelen in het centrale systeem en die in de uitbreiding ervan.

1.46

Het centrale systeem en zijn belangrijkste aggregaten beschrijven geen veranderingen in de welvaart. De rekeningen kunnen worden uitgebreid met informatie waaraan een waarde in monetaire eenheden is toegerekend, zoals:

a)

huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd en geconsumeerd in hetzelfde huishouden;

b)

veranderingen in vrijetijdsbesteding;

c)

voor- en nadelen van het leven in de stad;

d)

ongelijkheden in de inkomensverdeling.

1.47

In de uitgebreide rekeningen kunnen finale bestedingen van onaangename maar noodzakelijke producten, zoals defensie, ook worden heringedeeld onder intermediair verbruik, dus niet bijdragend tot een verhoging van de welvaart. Zo kan ook de schade door overstromingen en andere natuurrampen worden ingedeeld als intermediair verbruik, namelijk als een verlaging van het (absolute) welvaartsniveau. Op deze wijze kan worden getracht een zeer ruwe en zeer onvolledige indicator voor veranderingen in de welvaart samen te stellen. Welvaart heeft echter vele dimensies, waarvan de meeste beter niet in monetaire eenheden kunnen worden uitgedrukt. Het verdient dan ook de voorkeur om bij het meten van de welvaart voor ieder aspect een afzonderlijke indicator en meeteenheid te gebruiken. Indicatoren zijn bijvoorbeeld kindersterfte, levensverwachting, alfabetisme onder volwassenen en nationaal inkomen per hoofd van de bevolking. Dergelijke indicatoren kunnen in een satellietrekening worden opgenomen.

1.48

Om een consistent en internationaal compatibel raamwerk te verkrijgen, worden in het ESR geen administratieve begrippen gebruikt. Toch kunnen cijfers die op dergelijke begrippen zijn gebaseerd, voor allerlei nationale doeleinden zeer nuttig zijn. Voor een raming van de belastinginkomsten zijn bijvoorbeeld statistieken over het belastbaar inkomen noodzakelijk. Dergelijke statistieken kunnen worden verkregen door enkele wijzigingen aan te brengen in de statistieken van de nationale rekeningen.

1.49

Een soortgelijke benadering is mogelijk voor bij het nationale economische beleid gehanteerde begrippen als:

a)

inflatie, gebruikt voor de verhoging van pensioenen, werkloosheidsuitkeringen of ambtenarensalarissen;

b)

belastingen, sociale premies, overheidssector en collectieve sector, gebruikt in de discussie over de optimale omvang van de collectieve sector;

c)

„strategische” sectoren/bedrijfstakken, ten behoeve van het nationale economische beleid of het economische beleid van de EU;

d)

„bedrijfsinvesteringen”, ten behoeve van het nationale economische beleid;

e)

een tabel met een volledige registratie van pensioenen.

Satellietrekeningen of aanvullende tabellen kunnen aan dergelijke gegevensbehoeften voldoen.

ESR 2010 en 2008 SNA

1.50

Het ESR 2010 is gebaseerd op de begrippen van het 2008 SNA, dat richtlijnen geeft voor het opstellen van nationale rekeningen voor alle landen ter wereld. Niettemin zijn er diverse verschillen tussen het ESR 2010 en het 2008 SNA:

a)

verschillen in presentatie:

1.

in het ESR 2010 zijn er afzonderlijke hoofdstukken voor de transacties in producten, de verdelingstransacties en de financiële transacties. In het 2008 SNA worden deze transacties toegelicht in hoofdstukken die zijn gerangschikt naar rekening, bijvoorbeeld productierekening, primaire inkomensverdelingsrekening, kapitaalrekening en buitenlandrekening;

2.

het ESR 2010 beschrijft een begrip met behulp van een definitie en een opsomming van wat wel en wat niet onder het begrip valt. Het 2008 SNA beschrijft begrippen gewoonlijk in algemenere termen en verklaart de grondgedachte achter de gemaakte afspraken;

b)

de ESR 2010-begrippen zijn soms specifieker en nauwkeuriger dan die van het 2008 SNA:

1.

het 2008 SNA bevat geen specifieke criteria om bij de indeling van output het onderscheid te maken tussen marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en niet-marktoutput. Daarom zijn in het ESR gedetailleerdere richtsnoeren opgenomen om een uniforme werkwijze te garanderen;

2.

het ESR 2010 gaat ervan uit dat diverse soorten productie door huishoudens, zoals de vervaardiging van weefsels en meubelen, in de lidstaten niet significant zijn en derhalve niet behoeven te worden geregistreerd;

3.

het ESR 2010 verwijst naar institutionele regelingen in de EU, zoals het Intrastat-systeem voor de registratie van goederenstromen binnen de EU en de bijdragen van de lidstaten aan de EU;

4.

het ESR 2010 bevat specifieke EU-classificaties, bijvoorbeeld de statistische classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (CPA) (3) voor producten en de NACE Rev. 2 voor bedrijfstakken (beide zijn geharmoniseerd met de overeenkomstige classificaties van de VN);

5.

het ESR 2010 bevat een extra classificatie voor alle transacties met het buitenland: zij worden ingedeeld in transacties tussen ingezetenen van de EU en transacties met ingezetenen van derde landen;

6.

het ESR 2010 bevat een herschikking van de subsectoren van het 2008 SNA voor de sector financiële instellingen om tegemoet te komen aan de behoeften van de Europese Monetaire Unie. Het ESR 2010 kan soms specifieker zijn dan het 2008 SNA, omdat het ESR in de eerste plaats van toepassing is op de lidstaten. Ook voor de gegevensbehoeften van de Unie dient het ESR specifieker te zijn.

ESR 2010 EN ESR 95

1.51

Het ESR 2010 verschilt zowel in reikwijdte als qua begrippen van het ESR 95. De meeste verschillen komen overeen met die tussen het 1993 SNA en het 2008 SNA. De grootste verschillen zijn:

a)

de erkenning van onderzoeks- en ontwikkelingswerk als investering die leidt tot activa in de vorm van intellectuele eigendom. Deze verandering wordt in een satellietrekening geregistreerd en pas in de standaardrekeningen opgenomen wanneer kan worden vastgesteld dat de meetwaarden voldoende solide zijn en in voldoende mate zijn geharmoniseerd tussen de lidstaten;

b)

de uitgaven voor wapensystemen die voldoen aan de algemene definitie van activa, zijn ingedeeld als investeringen in vaste activa en niet meer als intermediaire uitgaven;

c)

het analytische begrip kapitaaldiensten is ingevoerd voor marktproductie, zodat een aanvullende tabel kan worden geproduceerd waarin zij als bestanddeel van de toegevoegde waarde worden weergegeven;

d)

het begrip financiële activa is verruimd en omvat nu een breder scala aan contracten betreffende financiële derivaten;

e)

nieuwe regels voor de registratie van pensioenrechten. Er is een aanvullende tabel in de rekeningen ingevoerd, zodat ramingen voor alle socialeverzekeringsrechten, al dan niet met fondsvorming, kunnen worden geregistreerd. Alle voor een omvattende analyse nodige informatie wordt verstrekt in deze tabel, waarin de rechten en daaraan gerelateerde stromen voor alle particuliere en overheidspensioenregelingen, al dan niet met fondsvorming, en inclusief de pensioenregelingen van de sociale zekerheid, zijn weergegeven;

f)

de regels over verandering van eigendom van goederen zijn nu universeel van toepassing, hetgeen resulteert in veranderingen van de registratie van de transitohandel en van goederen die worden verzonden voor veredeling, zowel naar het buitenland als in de binnenlandse economie. Dit heeft tot gevolg dat goederen die voor veredeling naar het buitenland worden verzonden, netto worden geregistreerd, en niet langer bruto zoals in het 1993 SNA en het ESR 95. Deze verandering heeft aanzienlijke gevolgen voor de registratie van dergelijke activiteiten in het aanbod- en gebruikssysteem;

g)

er worden meer richtsnoeren verstrekt betreffende financiële instellingen in het algemeen en entiteiten voor specifieke doeleinden (SPE's) in het bijzonder. De behandeling van in het buitenland gevestigde SPE's in handen van de overheid is gewijzigd om ervoor te zorgen dat de door de SPE's aangegane verplichtingen worden weergegeven in de overheidsrekeningen;

h)

de behandeling van superdividenden betaald door vennootschappen in handen van de overheid is verduidelijkt, dat wil zeggen dat zij als uitzonderlijke betalingen en onttrekkingen aan het eigen vermogen moeten worden behandeld;

i)

de beginselen voor de behandeling van publiek-private partnerschappen zijn opgenomen en de behandeling van herstructureringsbureaus is uitgebreid;

j)

de transacties tussen overheid en vennootschappen in handen van de overheid, en met securitisatievehikels, zijn verduidelijkt met het oog op een betere registratie van posten die de overheidsschuld in aanzienlijke mate kunnen beïnvloeden;

k)

de behandeling van leninggaranties is verduidelijkt, en er is een nieuwe behandeling geïntroduceerd voor gestandaardiseerde leninggaranties, zoals exportkredietgaranties en studentenleninggaranties. De nieuwe behandeling houdt in dat in de rekeningen een financieel actief en passief ten belope van de waarschijnlijke claim op de garanties moet worden opgenomen.

1.52

De wijzigingen in het ESR 2010 in vergelijking tot het ESR 95 blijven niet beperkt tot begripsmatige wijzigingen. Er zijn grote verschillen in reikwijdte, met nieuwe hoofdstukken over satellietrekeningen, overheidsrekeningen en buitenlandrekeningen. Voorts zijn ook de hoofdstukken over kwartaalrekeningen en regionale rekeningen aanzienlijk uitgebreid.

GRONDBEGINSELEN VAN HET ESR 2010 ALS SYSTEEM

1.53

De hoofdkenmerken van het systeem zijn:

a)

statistische eenheden en hun indeling;

b)

stromen en standen;

c)

het rekeningenstelsel en de aggregaten;

d)

het input-outputsysteem.

Statistische eenheden en hun indeling

1.54

Het ESR 2010-systeem gebruikt twee soorten eenheden en twee overeenkomstige indelingen van de economie, die geheel van elkaar verschillen en elk voor bepaalde analytische doeleinden bestemd zijn.

1.55

Aan het eerste doel, namelijk de beschrijving van inkomens-, bestedings- en financiële stromen en balansen, wordt voldaan door institutionele eenheden op basis van hun hoofdfuncties, gedrag en doelstellingen tot sectoren samen te voegen.

1.56

Aan het tweede doel, namelijk de beschrijving van productieprocessen en het maken van input-outputanalysen wordt voldaan door eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) op basis van de aard van hun activiteit tot bedrijfstakken samen te voegen. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van producten, een productieproces en een output van producten.

Institutionele eenheden en sectoren

1.57

Institutionele eenheden zijn economische entiteiten die zelfstandig goederen en activa kunnen bezitten, verplichtingen kunnen aangaan en economische activiteiten en transacties met andere eenheden kunnen verrichten. Voor het ESR-systeem zijn de institutionele eenheden ingedeeld in vijf elkaar uitsluitende binnenlandse institutionele sectoren:

a)

niet-financiële vennootschappen;

b)

financiële instellingen;

c)

overheid;

d)

huishoudens;

e)

instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens.

De vijf sectoren vormen tezamen de totale binnenlandse economie. Iedere sector is onderverdeeld in subsectoren. Dankzij het ESR 2010-systeem kan een volledig rekeningenstelsel (inclusief balansen) worden samengesteld voor iedere sector en subsector, alsmede voor de totale economie. Niet-ingezeten eenheden kunnen betrekkingen aangaan met deze vijf binnenlandse sectoren; de interacties worden in dat geval weergegeven tussen de binnenlandse sectoren en een zesde institutionele sector, de sector buitenland.

Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA's) en bedrijfstakken

1.58

Wanneer institutionele eenheden meer dan één activiteit verrichten, worden zij opgesplitst op basis van de aard van de economische activiteit. Lokale EEA's maken deze presentatie mogelijk.

Een lokale EEA omvat alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent die op één enkele locatie of op een paar dicht bijeen gelegen locaties zijn gevestigd en die bijdragen aan de uitvoering van een activiteit op viercijferniveau (klassen) van de NACE Rev. 2.

1.59

Voor elke nevenactiviteit wordt een lokale EEA gecreëerd; indien voor een afzonderlijke beschrijving van een dergelijke activiteit de benodigde boekhouding ontbreekt, zal een lokale EEA meerdere nevenactiviteiten combineren. Alle lokale EEA's die dezelfde of soortgelijke activiteiten verrichten, vormen tezamen een bedrijfstak.

Een institutionele eenheid omvat één of meer lokale EEA's; een lokale EEA behoort steeds tot slechts één institutionele eenheid.

1.60

Voor de analyse van het productieproces wordt gebruikgemaakt van een analytische productie-eenheid. Deze eenheid is alleen waarneembaar wanneer een lokale EEA één soort product voortbrengt, zonder dat zij nevenactiviteiten verricht. Deze eenheid wordt homogene productie-eenheid genoemd. Door deze eenheden samen te voegen, worden homogene branches verkregen.

Ingezeten en niet-ingezeten eenheden; totale economie en buitenland

1.61

De gehele economie bestaat uit de ingezeten eenheden. Een in een land ingezeten eenheid heeft een economisch hoofdbelangencentrum in het economische gebied van dat land — d.w.z. zij verricht gedurende een periode van minimaal één jaar economische activiteiten in dat gebied. De in punt 1.57 genoemde institutionele sectoren zijn groepen ingezeten institutionele eenheden.

1.62

Ingezeten eenheden kunnen transacties aangaan met niet-ingezeten eenheden (d.w.z. eenheden die ingezetene zijn van een andere economie). Gesproken wordt dan van transacties met het buitenland, die in de buitenlandrekening worden opgenomen. Het buitenland speelt dus een rol die overeenkomt met die van een institutionele sector; niet-ingezeten eenheden worden echter alleen geregistreerd voor zover zij betrokken zijn bij transacties met ingezeten institutionele eenheden.

1.63

Fictieve ingezeten eenheden, die in het ESR 2010-systeem als institutionele eenheden worden beschouwd, zijn:

a)

die delen van niet-ingezeten eenheden die een economisch hoofdbelangencentrum hebben in het economische gebied van het land (dat wil gewoonlijk zeggen dat zij daar voor minimaal één jaar economische transacties uitvoeren);

b)

niet-ingezeten eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond of gebouwen in het economische gebied van het land, maar alleen voor zover het transacties met betrekking tot deze grond en gebouwen betreft.

Stromen en standen

1.64

Er worden twee basissoorten informatie geregistreerd: stromen en standen.

Stromen hebben betrekking op acties en gevolgen van gebeurtenissen die tijdens een bepaalde periode plaatsvinden, terwijl standen betrekking hebben op momentopnamen.

Stromen

1.65

Stromen weerspiegelen het ontstaan, transformeren, ruilen, overdragen of teloorgaan van economische waarden. Zij hebben betrekking op veranderingen in de waarde van de activa of passiva van een institutionele eenheid. Er zijn twee soorten economische stromen: transacties en overige mutaties in activa.

Transacties komen voor in alle rekeningen en tabellen waar ook stromen voorkomen, behalve in de rekening voor overige volumemutaties in activa en de herwaarderingsrekening. Alleen in deze twee rekeningen worden overige mutaties in activa geregistreerd.

Elementaire transacties en andere stromen worden naargelang van hun aard ingedeeld in een betrekkelijk klein aantal soorten.

Transacties

1.66

Een transactie is een economische stroom, d.w.z. een interactie met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden of een actie binnen een institutionele eenheid, waarvan het zinvol is deze als transactie te beschouwen, omdat de eenheid in twee verschillende hoedanigheden functioneert. Transacties worden in vier hoofdgroepen ingedeeld:

a)

transacties in producten: beschrijven de oorsprong (binnenlandse output of invoer) en het gebruik van producten (intermediair verbruik, finale consumptie, investering — waaronder het verbruik van vaste activa valt — of uitvoer);

b)

verdelingstransacties: beschrijven hoe de bij de productie gegenereerde toegevoegde waarde over arbeid, kapitaal en overheid wordt verdeeld, en hoe inkomen en vermogen worden herverdeeld (inkomsten- en vermogensbelasting, en andere overdrachten);

c)

financiële transacties: beschrijven de mutaties van de financiële activa en passiva voor elk type financieel instrument. Dergelijke transacties komen niet alleen voor als tegenhanger van niet-financiële transacties, maar ook als transacties met uitsluitend financiële instrumenten;

d)

overige transacties: saldo van aan- en verkopen van niet-geproduceerde niet-financiële activa.

Kenmerken van transacties

Interacties en interne transacties

1.67

De meeste transacties zijn interacties tussen twee of meer institutionele eenheden. In het ESR 2010-systeem worden bepaalde acties binnen een institutionele eenheid echter ook als transactie geregistreerd. Met de registratie van deze interne transacties wordt beoogd een analytisch bruikbaarder beeld van output, finaal gebruik en kosten te geven.

1.68

Het verbruik van vaste activa, in het ESR 2010-systeem geregistreerd als kosten, is een interne transactie. De meeste andere interne transacties zijn transacties in producten, die worden geregistreerd wanneer een institutionele eenheid die zowel producent als finale consument is, een deel van haar output zelf verbruikt. Dit is vaak het geval bij huishoudens en de overheid.

1.69

Alle output van een institutionele eenheid voor eigen finaal gebruik wordt geregistreerd. Output die voor eigen intermediair verbruik bestemd is, mag daarentegen alleen worden geregistreerd wanneer de productie en het intermediair verbruik in verschillende lokale EEA's van de institutionele eenheid plaatsvinden. Output van een lokale EEA voor eigen intermediair verbruik mag niet worden geregistreerd.

Monetaire en niet-monetaire transacties

1.70

Transacties zijn monetaire transacties wanneer de betrokken eenheden geld betalen of ontvangen, dan wel in geld uitgedrukte verplichtingen aangaan of activa verwerven.

Transacties die geen overdracht van contant geld, noch in geld luidende activa of verplichtingen behelzen, zijn niet-monetaire transacties. Interne transacties zijn niet-monetair. Niet-monetaire transacties tussen twee of meer institutionele eenheden komen voor bij de transacties in producten (ruil), verdelingstransacties (beloning in natura, overdrachten in natura enz.) en overige transacties (ruil van niet-geproduceerde, niet-financiële activa). Het ESR 2010-systeem registreert alle transacties in monetaire termen. De waarde van niet-monetaire transacties moet derhalve indirect worden gemeten of anderszins worden geraamd.

Transacties met en zonder tegenprestatie

1.71

Er zijn twee soorten transacties waarbij meer dan één eenheid betrokken is. Het kan gaan om „iets voor iets”-transacties, d.w.z. bilaterale transacties, of om „iets voor niets”-transacties, d.w.z. unilaterale transacties. Bij bilaterale transacties worden goederen, diensten of activa tussen institutionele eenheden uitgewisseld in ruil voor een tegenprestatie, bijvoorbeeld geld. Unilaterale transacties zijn betalingen in contant geld of in natura van een institutionele eenheid aan een andere zonder tegenprestatie. Bilaterale transacties komen voor in alle vier groepen transacties, terwijl unilaterale transacties voornamelijk verdelingstransacties zijn, bijvoorbeeld belastingen, sociale bijstandsuitkeringen of giften. Dergelijke unilaterale transacties worden overdrachten genoemd.

Herordende transacties

1.72

Transacties worden op dezelfde wijze geregistreerd als zij zich aan de betrokken institutionele eenheden voordoen. Sommige transacties worden echter herordend om de onderliggende economische relaties beter te doen uitkomen. Dit kan op drie manieren: omleiding, splitsing en vaststelling van de principaal van een transactie.

Omleiding

1.73

Een transactie die voor de betrokken eenheden rechtstreeks plaatsvindt tussen de eenheden A en C, kan in de rekeningen worden geregistreerd alsof deze indirect, via een derde eenheid B, plaatsvindt. De enkelvoudige transactie tussen A en C wordt dan geregistreerd in twee transacties: één tussen A en B, en één tussen B en C. In dit geval wordt de transactie omgeleid.

1.74

Een voorbeeld van omleiding is de wijze waarop sociale premies ten laste van werkgevers, die door dezen rechtstreeks aan socialeverzekeringsfondsen worden afgedragen, in de rekeningen worden geregistreerd. Dergelijke betalingen worden als twee transacties geregistreerd: werkgevers betalen de sociale premies t.l.v. werkgevers aan hun werknemers, en de werknemers betalen dezelfde premies aan de socialeverzekeringsfondsen. Zoals dit voor alle vormen van omleiding geldt, is deze registratiewijze bedoeld om de economische realiteit achter de transactie aan het licht te brengen; in dit geval wordt getoond dat de door werkgevers afgedragen sociale premies worden betaald ten bate van hun werknemers.

1.75

Een andere vorm van omleiding betreft de registratie van transacties tussen twee of meer institutionele eenheden, hoewel er volgens de betrokken partijen in het geheel geen transactie heeft plaatsgevonden. Een voorbeeld is de behandeling van inkomen uit vermogen dat wordt verdiend op bepaalde verzekeringsfondsen, en dat door de verzekeringsmaatschappijen wordt ingehouden. Het systeem registreert dit inkomen uit vermogen alsof het door verzekeringsmaatschappijen is betaald aan de polishouders, die vervolgens hetzelfde bedrag als aanvullende premie terugbetalen aan de verzekeringsmaatschappijen.

Splitsing

1.76

Wanneer een in de ogen van de betrokken partijen enkelvoudige transactie wordt geregistreerd als twee of meer verschillend ingedeelde transacties, is er sprake van splitsing. Splitsing van transacties impliceert niet dat andere eenheden bij de transacties betrokken zijn.

1.77

De betaling van schadeverzekeringspremies is een typisch voorbeeld van een gesplitste transactie. Polishouders en verzekeraars zullen dergelijke betalingen als één enkele transactie beschouwen, maar in het ESR 2010-systeem worden deze in twee geheel verschillende transacties gesplitst: betalingen voor verleende schadeverzekeringsdiensten, en nettoschadeverzekeringspremies. Een ander voorbeeld van splitsing is de registratie van de verkoop van een product als de verkoop van het product en de verkoop van een handelsmarge.

Vaststelling van de principaal van een transactie

1.78

Wanneer een eenheid een transactie verricht ten behoeve van een andere eenheid (de principaal) en door die eenheid wordt gefinancierd, wordt de transactie uitsluitend in de rekeningen van de principaal geregistreerd. Men moet bij de toepassing van dit beginsel niet te ver gaan door bijvoorbeeld te proberen op grond van bepaalde veronderstellingen belastingen of subsidies toe te rekenen aan de uiteindelijke betalers of begunstigden.

Een voorbeeld hiervan is de inning van belastingen door een overheidseenheid namens een andere overheidseenheid. Een belasting wordt toegerekend aan de overheidseenheid die bevoegd is de belasting op te leggen (hetzij als principaal, hetzij via de gedelegeerde bevoegdheid van de principaal) en in laatste instantie beslist over de vaststelling van het belastingtarief en van uiteenlopende tarieven.

Grensgevallen

1.79

De definitie van een transactie gaat ervan uit dat een interactie tussen institutionele eenheden met wederzijdse instemming plaatsvindt. Dit impliceert dat de institutionele eenheden er kennis van hadden en er toestemming voor gaven. De betaling van belastingen, schadevergoedingen en boetes geschiedt met wederzijdse instemming in die zin dat de betaler een aan de wet van het land onderworpen burger is. Niet-gecompenseerde confiscaties van activa worden echter niet als transactie beschouwd, ook al zijn zij wettelijk voorgeschreven.

Illegale economische activiteiten moeten als transactie worden beschouwd wanneer alle betrokken eenheden met wederzijdse instemming aan de activiteiten deelnemen. Koop, verkoop of ruil van verboden verdovende middelen of van gestolen goederen zijn derhalve transacties, maar diefstal is dat niet.

Overige mutaties in activa

1.80

Onder overige mutaties in activa vallen mutaties die niet het gevolg zijn van transacties. Het betreft:

a)

overige volumemutaties in activa en passiva, of

b)

waarderingsverschillen.

Overige volumemutaties in activa en passiva

1.81

Overige volumemutaties in activa en passiva worden verdeeld in drie hoofdcategorieën:

a)

normaal ontstaan en verlies van activa, anders dan via transacties;

b)

mutaties in activa en passiva door uitzonderlijke, onverwachte gebeurtenissen die niet van economische aard zijn;

c)

wijzigingen in classificatie en structuur.

1.82

Voorbeelden van mutaties die vallen onder de categorie als bedoeld in punt 1.81, onder a), zijn de ontdekking of uitputting van minerale reserves en de natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen. Voorbeelden van wijzigingen in de categorie als bedoeld in punt 1.81, onder b), zijn verliezen van activa door natuurrampen, oorlog of ernstige misdrijven. Eenzijdige kwijtschelding van schulden en niet-gecompenseerde confiscaties van activa behoren eveneens tot categorie b). Een voorbeeld van een wijziging in de categorie als bedoeld in punt 1.81, onder c), is de herclassificatie van een institutionele eenheid in een andere sector.

Waarderingsverschillen

1.83

Waarderingsverschillen doen zich voor bij veranderingen van de prijzen van activa. Zij komen voor bij alle soorten financiële en niet-financiële activa, en bij passiva. Voor de bezitters van activa en passiva ontstaan waarderingsverschillen uitsluitend als gevolg van het enige tijd in bezit hebben van activa of passiva, zonder dat zij deze transformeren.

1.84

Waarderingsverschillen die worden gemeten aan de hand van de geldende marktprijzen, worden nominale waarderingsverschillen genoemd. Deze kunnen worden onderverdeeld in neutrale waarderingsverschillen, die veranderingen in het algemene prijsniveau weerspiegelen, en reële waarderingsverschillen, die veranderingen in de prijzen van de activa bovenop de algemene prijsverandering weergeven.

Standen

1.85

Standen zijn de activa en passiva die op een bepaald moment in het bezit van een eenheid zijn. Standen worden geregistreerd aan het begin en aan het einde van elke verslagperiode. Rekeningen die standen registreren, worden balansen genoemd.

1.86

Er worden ook standen geregistreerd voor de bevolking en de werkzame personen. Dergelijke standen worden echter geregistreerd als gemiddelde voor de verslagperiode. Standen worden geregistreerd voor alle activa die binnen het kader van het systeem vallen, d.w.z. voor financiële activa en passiva en voor niet-financiële activa, zowel geproduceerde als niet-geproduceerde. Wel worden alleen activa in aanmerking genomen die voor een economische activiteit worden gebruikt en waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend.

1.87

Er worden dus geen standen geregistreerd van activa zoals menselijk kapitaal en van natuurlijke hulpbronnen die geen eigenaar hebben.

Het ESR 2010-systeem omvat, binnen zijn grenzen, alle stromen en standen. Alle balansmutaties kunnen daarom volledig worden verklaard aan de hand van de geregistreerde stromen.

Het rekeningenstelsel en de aggregaten

Registratieregels

1.88

Een rekening registreert veranderingen in waarde die voor een eenheid of sector ontstaan naargelang van de aard van de economische stromen die in de rekening worden weergegeven. Een rekening is een tabel met twee kolommen. De lopende rekeningen zijn de rekeningen waarin de productie, de inkomensvorming en -bestemming, de inkomensverdeling en -herverdeling en de inkomensbesteding worden weergegeven. De accumulatierekeningen zijn de kapitaalrekening, de financiële rekeningen en de rekening voor overige volumemutaties.

Terminologie voor beide zijden van de rekeningen

1.89

In het ESR 2010-systeem staan de „middelen” aan de rechterzijde van de lopende rekeningen, waar transacties worden opgenomen die de economische waarde van een eenheid of sector verhogen. Aan de linkerzijde van de rekeningen staan de „bestedingen” — transacties die de economische waarde verminderen. Aan de rechterzijde van de accumulatierekeningen staan de „mutaties in passiva en vermogenssaldo”, en aan de linkerzijde de „mutaties in activa”. Balansen worden gepresenteerd met de „passiva en vermogenssaldo” (het vermogenssaldo is het verschil tussen activa en passiva) aan de rechterzijde en de „activa” aan de linkerzijde. Vergelijking van twee opeenvolgende balansen resulteert in de mutaties in passiva en vermogenssaldo, en de mutaties in activa.

1.90

In het ESR wordt een onderscheid gemaakt tussen juridische eigendom en economische eigendom. Het criterium voor de registratie van de overdracht van goederen van een eenheid aan een andere is dat de economische eigendom overgaat van de ene op de andere. De juridische eigenaar is de eenheid die volgens de wet recht heeft op de voordelen van het bezit. Een juridische eigenaar kan echter met een andere eenheid overeenkomen dat laatstgenoemde de risico's en de voordelen van het gebruik van de goederen bij de productie aanvaardt in ruil voor een overeengekomen vergoeding. Bij deze overeenkomst gaat het om financiële lease, waarbij de betalingen alleen betrekking hebben op de beschikbaarstelling van het actief door de verstrekker aan de lener. Wanneer bijvoorbeeld een bank de juridische eigenaar van een vliegtuig is, maar met een luchtvaartmaatschappij een financiëleleaseovereenkomst voor de exploitatie van het vliegtuig sluit, wordt de luchtvaartmaatschappij als eigenaar van het vliegtuig beschouwd voor zover het transacties in de rekeningen betreft. Op het moment dat de luchtvaartmaatschappij als koper van het vliegtuig wordt opgevoerd, wordt een lening van de bank aan de luchtvaartmaatschappij toegerekend voor de bedragen die in de toekomst voor het gebruik van het vliegtuig verschuldigd zijn.

Dubbele registratie/viervoudige registratie

1.91

Voor een bepaalde eenheid of sector zijn de nationale rekeningen gebaseerd op het beginsel van dubbele registratie. Iedere transactie moet tweemaal worden opgenomen, eenmaal bij de middelen (of de mutaties in passiva) en eenmaal bij de bestedingen (of de mutaties in activa). Het totaal van de transacties die als middelen of als mutatie in passiva worden geregistreerd, moet gelijk zijn aan het totaal van de transacties die als bestedingen of als mutaties in activa worden geregistreerd, zodat de consistentie binnen het rekeningenstelsel kan worden gecontroleerd.

1.92

De nationale rekeningen moeten — voor alle eenheden en sectoren — gebaseerd zijn op het beginsel van viervoudige registratie, omdat bij de meeste transacties twee institutionele eenheden betrokken zijn. Elke transactie wordt tweemaal geregistreerd bij beide betrokken eenheden. Zo wordt een sociale uitkering in geld, betaald door een overheidseenheid aan een huishouden, in de rekeningen van de overheid als een besteding onder overdrachten en als een onttrekking van activa onder chartaal geld en deposito's geregistreerd; in de rekeningen van de sector huishoudens wordt zij geregistreerd als middel onder overdrachten en als verwerving van activa onder chartaal geld en deposito's.

1.93

Transacties binnen eenzelfde eenheid (zoals de consumptie van eigen output) vereisen slechts twee boekingen, waarvan de waarde moet worden geraamd.

Waardering

1.94

Met uitzondering van enkele variabelen betreffende bevolking en arbeid geeft het ESR 2010-systeem alle stromen en standen in monetaire termen weer. Stromen en standen worden gemeten naar hun ruilwaarde, d.w.z. de waarde waartegen stromen en standen feitelijk zijn of kunnen worden ingewisseld voor geld. Waardebepaling vindt in het ESR derhalve plaats op basis van marktprijzen.

1.95

Bij monetaire transacties en activa en passiva in geld zijn de gezochte waarden direct beschikbaar. In de meeste andere gevallen is de beste waarderingsmethode de methode die gebaseerd is op marktprijzen voor vergelijkbare goederen, diensten of activa. Deze methode wordt bijvoorbeeld gebruikt bij ruilhandel en bij de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis. Indien er geen marktprijzen voor vergelijkbare producten beschikbaar zijn, bijvoorbeeld in geval van door de overheid geproduceerde niet-marktdiensten, vindt de waardering plaats door de productiekosten op te tellen. Indien er geen marktprijs is waarop de waardering kan worden gebaseerd en de kosten niet beschikbaar zijn, kunnen stromen en standen worden gewaardeerd tegen de contante waarde van verwachte opbrengsten in de toekomst. Laatstgenoemde methode mag alleen als laatste hulpmiddel worden toegepast.

1.96

Standen worden gewaardeerd tegen de geldende prijzen op het moment waarop de balans betrekking heeft, niet die op het moment van productie of aankoop van de goederen of activa waarop de stand betrekking heeft. Het is noodzakelijk standen te waarderen tegen hun geraamde gedeprecieerde aankoopwaarde of productiekosten in lopende prijzen.

Bijzondere waarderingsmethoden voor producten

1.97

Als gevolg van de vervoerskosten, de handelsmarges en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies geven de producent en de gebruiker gewoonlijk een verschillende waarde aan een bepaald product. Teneinde zo dicht mogelijk aan te sluiten bij de perceptie van de betrokken partijen, registreert het ESR 2010-systeem alle bestedingen tegen aankoopprijzen, d.w.z. inclusief vervoerskosten, handelsmarges en het saldo van productgebonden belastingen en subsidies, terwijl de output wordt geregistreerd tegen basisprijzen, waarbij deze elementen buiten beschouwing blijven.

1.98

In- en uitvoer van producten moeten worden geregistreerd tegen de waarde aan de grens. Alle invoer en uitvoer wordt gewaardeerd aan de grens van het land van uitvoer of „free on board” (fob). Door buitenlandse ondernemingen verleende vervoers- en verzekeringsdiensten voor het traject tussen de grens van het land van uitvoer en het land van invoer zijn niet begrepen in de waarde van de goederen, maar worden als diensten geregistreerd. Aangezien het soms niet mogelijk is fob-waarden te verkrijgen voor gedetailleerde productindelingen, geven de tabellen met uitvoerige gegevens over de buitenlandse handel de invoer tegen de prijs vanaf de grens van het land van invoer (cif-waarde). Alle vervoers- en verzekeringsdiensten tot aan de grens van het land van invoer zijn dan begrepen in de waarde van de ingevoerde goederen. Wanneer het hierbij gaat om door binnenlandse ondernemingen verleende diensten, wordt in de presentatie een globale cif/fob-correctie aangebracht.

Waardering in constante prijzen

1.99

Een waardering in constante prijzen betekent dat de stromen en standen in een bepaalde verslagperiode worden gewaardeerd tegen de prijzen van een voorgaande periode, om zo veranderingen in de waarde van stromen en standen in de loop der tijd te ontleden in prijsveranderingen en volumeveranderingen. Bij de beschrijving van stromen en standen in constante prijzen wordt de term volume gebruikt.

1.100

Veel stromen en standen, zoals inkomen, hebben zelf geen prijs- en volumecomponent. De koopkracht van dergelijke variabelen kan echter worden verkregen door de lopende waarde te defleren aan de hand van een geschikt prijsindexcijfer, bijvoorbeeld dat van de nationale finale bestedingen exclusief veranderingen in voorraden. Bij de beschrijving van gedefleerde stromen en standen wordt de term reëel gebruikt. Een voorbeeld is het reëel beschikbaar inkomen.

Moment van registratie

1.101

Stromen worden op transactiebasis geregistreerd, d.w.z. op het moment dat de economische waarde tot stand komt, wordt gewijzigd of verloren gaat, dan wel op het moment dat aanspraken en verplichtingen tot stand komen, worden getransformeerd of worden geannuleerd.

1.102

De output van goederen en diensten wordt geregistreerd op het moment van productie en niet wanneer een koper ervoor betaalt. De verkoop van een actief wordt geregistreerd op het moment dat het bezit overgaat en niet wanneer betaling plaatsvindt. Rente wordt geregistreerd in de verslagperiode waarin deze wordt gevormd, ongeacht of de rente in die periode wordt uitbetaald. Registratie op transactiebasis wordt toepast op alle stromen, zowel monetaire als niet-monetaire stromen en zowel stromen binnen een eenheid als stromen tussen eenheden.

1.103

Het kan nodig zijn deze aanpak te versoepelen voor belastingen en andere stromen betreffende de overheid, die in de overheidsrekeningen vaak op kasbasis worden geregistreerd. Het kan moeilijk zijn dergelijke stromen op kasbasis exact om te zetten in stromen op transactiebasis, en daarom mag een benaderende methode worden toegepast.

1.104

Bij wijze van uitzondering op de algemene regels voor de registratie van aan de overheid verschuldigde belastingen en sociale premies kunnen deze worden geregistreerd zonder het gedeelte dat waarschijnlijk niet zal worden geïnd; indien dit gedeelte wel is inbegrepen, wordt dit in dezelfde verslagperiode geneutraliseerd door een kapitaaloverdracht van de overheid naar de desbetreffende sectoren.

1.105

Stromen worden voor alle betrokken institutionele eenheden en in alle rekeningen op hetzelfde moment geregistreerd. Institutionele eenheden passen niet altijd dezelfde registratieregels toe. Ook wanneer zij dit wel doen, kunnen er in de praktijk nog verschillen optreden in de feitelijke registratie, bijvoorbeeld door vertragingen in de communicatie. Daarom kunnen transacties door de betrokken partijen op verschillende tijdstippen worden geregistreerd. Dergelijke discrepanties worden verwijderd door correcties.

Consolidatie en saldering

Consolidatie

1.106

Consolidatie is de eliminatie, zowel bij de middelen als bij de bestedingen, van transacties tussen eenheden wanneer die eenheden worden samengevoegd, alsmede de eliminatie van onderlinge vorderingen en verplichtingen. Dit komt vaak voor wanneer de rekeningen van subsectoren van de overheid worden gecombineerd.

1.107

Als beginsel dienen stromen en standen tussen samenstellende eenheden binnen subsectoren of sectoren niet te worden geconsolideerd.

1.108

Er kunnen wel geconsolideerde rekeningen worden opgesteld voor aanvullende tabellen en analysen. Informatie over de transacties van dergelijke (sub)sectoren met andere sectoren en de daarmee overeenstemmende „externe” financiële positie kan relevanter zijn dan brutocijfers.

1.109

Bovendien geven de rekeningen en tabellen betreffende de crediteur/debiteurrelatie een gedetailleerd beeld van de financiering van de economie en bieden zij een zeer goed inzicht in de kanalen waarlangs de financieringsoverschotten zich bewegen van uiteindelijke geldverschaffers naar uiteindelijke geldnemers.

Saldering

1.110

Individuele eenheden of sectoren kunnen dezelfde soort transactie zowel aan de bestedingen- als aan de middelenzijde hebben (bv. zij betalen en ontvangen rente); ook kunnen zij hetzelfde soort financieel instrument als actief en als passief hebben. In het ESR is gekozen voor brutoregistratie, afgezien van het niveau van saldering dat inherent is aan de classificaties zelf.

1.111

Saldering is per definitie begrepen in diverse transactiecategorieën, met als bekendste voorbeeld de „veranderingen in voorraden”, waarbij het analytisch relevante aspect van de totale investeringen beter uitkomt dan bij het dagelijks noteren van toevoegingen en onttrekkingen. In de financiële rekening en in de rekening voor overige mutaties in activa wordt de toename van activa en passiva, op een paar uitzonderingen na, netto geregistreerd, zodat een beeld wordt verkregen van het eindresultaat van deze stromen aan het einde van de verslagperiode.

Rekeningen, saldi en aggregaten

1.112

Voor eenheden of groepen eenheden worden in diverse rekeningen transacties geregistreerd die verband houden met een aspect van de economie (bv. productie). Voor de productierekening zullen de transacties geen evenwicht tussen bestedingen en middelen te zien geven wanneer geen saldopost is ingevoerd. Zo moet ook een saldopost (vermogenssaldo) worden ingevoerd tussen het totaal aan activa en het totaal aan passiva van een institutionele eenheid of sector. Saldi zijn op zichzelf belangrijk bij het meten van economische prestaties. Indien zij voor de gehele economie worden gesommeerd, zijn zij relevante aggregaten.

Het rekeningenstelsel

1.113

Het ESR 2010-systeem is opgebouwd uit een reeks onderling verbonden rekeningen. Een volledig rekeningenstelsel voor de institutionele eenheden en sectoren bestaat uit lopende rekeningen, accumulatierekeningen en balansen.

1.114

De lopende rekeningen behandelen de productie, de inkomensvorming, de inkomensverdeling en -herverdeling, en de besteding van dergelijk inkomen in de vorm van finale consumptie. Accumulatierekeningen hebben betrekking op de mutaties in activa en passiva en in het vermogenssaldo (het verschil tussen de activa en passiva van een institutionele eenheid of groep eenheden). Balansen geven de stand van activa en passiva en het vermogenssaldo weer.

1.115

Het rekeningenstelsel voor lokale EEA's en bedrijfstakken is beperkt tot de eerste lopende rekeningen: productierekening en inkomensvormingsrekening, waarvan het exploitatieoverschot het saldo is.

Goederen-en-dienstenrekening

1.116

De goederen-en-dienstenrekening geeft, voor de gehele economie of voor productgroepen, een beeld van de totale middelen (output en invoer) en bestedingen van goederen en diensten (intermediair verbruik, finale consumptie, veranderingen in voorraden, bruto-investeringen in vaste activa, saldo van aan- en verkopen van kostbaarheden, en uitvoer). Deze rekening is geen rekening in dezelfde zin als de andere rekeningen in het stelsel en levert geen saldo op dat wordt overgebracht naar de volgende rekening in het stelsel. Het is veeleer de presentatie in tabelvorm van een boekhoudkundige identiteit, volgens welke voor alle producten en productgroepen in de economie het aanbod gelijk is aan de vraag.

Buitenlandrekening

1.117

De buitenlandrekening betreft de transacties tussen ingezeten en niet-ingezeten institutionele eenheden, en de hiermee verband houdende standen aan activa en passiva.

Aangezien het buitenland in de rekeningenstructuur een soortgelijke rol speelt als een institutionele sector, wordt de buitenlandrekening opgesteld vanuit het oogpunt van het buitenland. Middelen voor het buitenland zijn bestedingen voor de totale economie en omgekeerd. Indien een saldo positief is, betekent dit een overschot voor het buitenland en een tekort voor het betrokken land, en vice versa.

De buitenlandrekening verschilt van de andere sectorrekeningen doordat zij niet alle boekhoudkundige transacties in het buitenland weergeeft, maar alleen die waarbij een van de betrokken partijen deel uitmaakt van de binnenlandse economie die wordt gemeten.

Saldi

1.118

Een saldo wordt verkregen door van de totale waarde van de posten aan de ene zijde van een rekening de totale waarde van de posten aan de andere zijde af te trekken.

Saldi bevatten veel informatie en behoren tot de belangrijkste posten in de rekeningen, zoals de volgende voorbeelden van saldi aantonen: toegevoegde waarde, exploitatieoverschot, beschikbaar inkomen, besparingen en vorderingenoverschot (+) c.q. –tekort (–).

Hieronder is het rekeningenstelsel in de vorm van een stroomschema weergegeven — elk saldo is vet aangegeven.

Schema van het rekeningenstelsel

Image 1

Productierekening

Toegevoegde waarde

Inkomensvormingsrekening

Exploitatieoverschot/gemengd inkomen

Rekening voor bestemming van primaire inkomens

Saldo primaire inkomens

Secundaire inkomensverdelingsrekening

Beschikbaar inkomen

Tertiaire inkomensverdelingsrekening

Alternatief beschikbaar inkomen

Rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen

Besparingen

Rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen

Besparingen

Begin-balans Vermogenssaldo

Kapitaalrekening

Vorderingenoverschot (+) c.q.

-tekort (–)

Financiële rekening

Vorderingenoverschot (+) c.q.

-tekort (–)

Rekening voor overige volumemutaties Volumemutaties in activa

Rekening voor nominale waarderingsverschillen Nominale waarderingsverschillen

Eindbalans Vermogenssaldo

1.119

De eerste rekening in het stelsel is de productierekening, waarin de output en de input van het productieproces worden geregistreerd, met de toegevoegde waarde als saldo.

1.120

De toegevoegde waarde wordt overgebracht naar de volgende rekening, de inkomensvormingsrekening. In deze rekening worden de beloning van werknemers in het productieproces en de uit hoofde van de productie aan de overheid verschuldigde belastingen geregistreerd, zodat voor elke sector het exploitatieoverschot (of het gemengde inkomen van de zelfstandigen in de sector huishoudens) als saldo kan worden afgeleid. Deze stap is noodzakelijk om de toegevoegde waarde, die in de producerende sector als exploitatieoverschot of gemengd inkomen wordt overgehouden, te kunnen meten.

1.121

Daarna wordt de toegevoegde waarde, verdeeld over beloning van werknemers, belastingen en exploitatieoverschot/gemengd inkomen, overgebracht naar de rekening voor bestemming van primaire inkomens. Door deze uitsplitsing kan elk factorinkomen worden toegerekend aan de ontvangende sector, in tegenstelling tot de producerende sector. Zo wordt de beloning van werknemers verdeeld over de sector huishoudens en de sector buitenland, terwijl het exploitatieoverschot blijft in de sector vennootschappen waar het werd gegenereerd. In deze rekening worden ook de inkomensstromen uit vermogen naar en uit de sector geregistreerd, zodat het saldo wordt gevormd door het saldo primaire inkomens die naar de sector stromen.

1.122

In de volgende rekening wordt de herverdeling van deze inkomens door overdrachten geregistreerd — de secundaire inkomensverdelingsrekening. De belangrijkste herverdelingsinstrumenten zijn de overheidsbelastingen en de sociale uitkeringen die door de sector huishoudens worden betaald respectievelijk ontvangen. Het saldo is het beschikbaar inkomen.

1.123

De volgende stap in de hoofdas van het rekeningenstelsel is de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen; dit is een voor de sector huishoudens relevante rekening omdat hierin de finale bestedingen van huishoudens worden geregistreerd, met als saldo de besparingen van huishoudens.

1.124

Tegelijkertijd wordt een parallelle rekening gecreëerd, de tertiaire inkomensverdelingsrekening. Deze rekening is specifiek bedoeld om de sociale overdrachten in natura als toegerekende overdracht van de overheid aan de sector huishoudens weer te geven, zodat het inkomen van huishoudens kan stijgen met de waarde van de door de overheid verstrekte individuele diensten. In de volgende rekening (de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen) wordt de besteding van het beschikbaar inkomen door huishoudens met hetzelfde bedrag verhoogd, alsof de sector huishoudens de door de overheid verstrekte individuele diensten had gekocht. Deze twee toerekeningen compenseren elkaar, zodat het saldo wordt gevormd door de besparingen, die identiek zijn aan de besparingen in de hoofdas van het rekeningenstelsel.

1.125

De besparingen worden overgebracht naar de kapitaalrekening, waar zij worden gebruikt om investeringen te financieren, waardoor kapitaaloverdrachten naar en uit de sectoren mogelijk worden. Onderbesteding of overbesteding bij de verwerving van reële activa resulteert in het saldo vorderingenoverschot (+) c.q. –tekort (–). Het vorderingenoverschot is een overschot dat is uitgeleend, en het vorderingentekort is de financiering van een tekort.

1.126

Ten slotte zijn er de financiële rekeningen, waarin de verstrekte en de opgenomen gelden voor elke sector in detail worden weergegeven zodat als saldo het vorderingenoverschot (+) c.q. –tekort (–) wordt verkregen. Dit moet precies overeenstemmen met het saldo vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) van de kapitaalrekening; eventuele verschillen moeten verschillen in meting zijn tussen de reële en de financiële registratie van economische activiteit.

1.127

In de onderste rij van het schema is de rekening links de beginbalans, waarin de stand van alle activa en passiva, zowel reële als financiële, aan het begin van een bepaalde periode wordt weergegeven. Het vermogen van een economie wordt gemeten aan de hand van het vermogenssaldo (activa minus passiva) dat onderaan in de balans staat.

1.128

Rechts van de beginbalansen worden de verschillende mutaties in activa en passiva geregistreerd die zich in de verslagperiode voordoen. De kapitaalrekening en de financiële rekening geven de mutaties als gevolg van respectievelijk transacties in reële activa en financiële activa en passiva weer. Zonder andere effecten zou onmiddellijk de eindpositie kunnen worden berekend door optelling van de mutaties bij de beginpositie.

1.129

Er kunnen zich echter veranderingen voordoen buiten de economische kringloop van productie en consumptie, en dergelijke veranderingen zullen van invloed zijn op de waarden van activa en passiva aan het einde van de periode. Onder die veranderingen vallen onder meer volumemutaties in activa — reële mutaties in vaste activa die worden teweeggebracht door gebeurtenissen die geen deel uitmaken van de economie. Een voorbeeld daarvan is een verlies als gevolg van een natuurramp — een zware aardbeving waarbij een aanzienlijk deel van de activa wordt vernietigd zonder dat dit het gevolg is van een economische transactie in de vorm van ruil of overdracht. Dit verlies moet in de rekening voor overige volumemutaties worden geregistreerd als verklaring voor de lagere dan louter op basis van economische activiteiten te verwachten stand van de activa. Een tweede manier waarop activa (en passiva) in waarde kunnen veranderen zonder dat dit het gevolg is van een economische transactie, is door een verandering in prijs die leidt tot waarderingsverschillen in de stand van de activa. Deze verandering wordt in de herwaarderingsrekening geregistreerd. Door rekening te houden met deze twee extra effecten op de waarden van de stand van activa en passiva kunnen de waarden van de eindbalans worden geraamd als de beginpositie gecorrigeerd voor de mutaties in de stroomrekeningen in de onderste rij van het schema.

Aggregaten

1.130

Aggregaten zijn samengestelde waarden die de resultaten van de activiteit van de totale economie meten: output, toegevoegde waarde, beschikbaar inkomen, finale consumptie, besparingen, investeringen enz. Hoewel de berekening van de aggregaten niet het enige doel van het ESR is, zijn zij belangrijk als beknopte indicatoren voor macro-economisch onderzoek en vergelijkingen in tijd en ruimte.

1.131

Er worden twee soorten aggregaten onderscheiden:

a)

aggregaten die rechtstreeks betrekking hebben op transacties in het ESR 2010-systeem, zoals de output van goederen en diensten, de finale consumptie, de bruto-investeringen in vaste activa, de beloning van werknemers enz.;

b)

aggregaten die saldi van een rekening zijn, zoals het bbp tegen marktprijzen, het exploitatieoverschot van de gehele economie, het bni, het nationaal beschikbaar inkomen, de besparingen, het saldo lopende transacties van het buitenland en het vermogenssaldo van de gehele economie (nationaal vermogen).

1.132

Er zijn belangrijke toepassingen voor de uit de nationale rekeningen afgeleide waarden per hoofd van de bevolking. Voor grote aggregaten als het bbp, het nationaal inkomen of de finale consumptie van huishoudens, is de meest gebruikelijke noemer de totale (ingezeten) bevolking. Bij de opsplitsing van de rekeningen of van een deel van de rekeningen van de sector huishoudens in rekeningen voor subsectoren worden gegevens over het aantal huishoudens en het aantal personen in iedere subsector gebruikt.

Bbp: een aggregaat van cruciaal belang

1.133

Het bbp is een van de belangrijkste aggregaten van het ESR. Het is een maatstaf voor de totale economische activiteit in een economisch gebied die leidt tot een output waarmee aan de finale behoeften van de economie wordt voldaan. Er zijn drie methoden om het bbp tegen marktprijzen te meten:

1)

op basis van de productie, als de som van de waarden die worden toegevoegd door alle activiteiten waarbij goederen en diensten worden geproduceerd, plus productgebonden belastingen minus productgebonden subsidies;

2)

op basis van de bestedingen, als het totaal van alle finale bestedingen — hetzij voor het verbruik van de finale output van de economie, hetzij om het vermogen te vermeerderen —, plus de uitvoer minus de invoer van goederen en diensten;

3)

op basis van het inkomen, als het totaal van alle inkomens die zijn verdiend bij het produceren van goederen en diensten, plus belastingen op productie en invoer minus subsidies.

1.134

Deze drie methoden voor het meten van het bbp laten ook zien dat de componenten van het bbp vanuit verschillende oogpunten kunnen worden bekeken. De toegevoegde waarde kan worden uitgesplitst naar institutionele sector en naar soort activiteit of bedrijfstak die aan het totaal bijdraagt, bijvoorbeeld landbouw, industrie, bouwnijverheid, diensten enz.

De finale bestedingen kunnen worden uitgesplitst naar soort: bestedingen door huishoudens, finale bestedingen door izw's t.b.v. huishoudens, finale bestedingen door de overheid, veranderingen in voorraden, investeringen in vaste activa en uitvoer minus invoer.

Het totaal van de verdiende inkomens kan worden uitgesplitst naar soort inkomen — beloning van werknemers en exploitatieoverschot.

1.135

Om de beste raming van het bbp te verkrijgen, is het een goede praktijk de elementen van deze drie methoden in een aanbod- en gebruikssysteem op te nemen. Op die manier kunnen de ramingen van de toegevoegde waarde en het inkomen naar bedrijfstak met elkaar in overeenstemming worden gebracht en kunnen de vraag naar en het aanbod van producten met elkaar in evenwicht worden gebracht. Met deze geïntegreerde aanpak wordt gezorgd voor consistentie tussen de componenten van het bbp en voor een betere raming van het bbp dan met slechts een van de drie methoden. Door het bbp te verminderen met het verbruik van vaste activa, wordt het netto binnenlands product (nbp) tegen marktprijzen verkregen.

Het input-outputsysteem

1.136

Het input-outputsysteem combineert componenten van de bruto toegevoegde waarde, de input en output van de bedrijfstakken, de vraag naar en het aanbod van producten, en de samenstelling van bestedingen en middelen voor de verschillende institutionele sectoren van de economie. In dit systeem wordt de economie uitgesplitst en worden voor alle goederen en diensten de transacties tussen bedrijfstakken en finale consumenten gedurende een bepaalde periode (bv. een kwartaal of een jaar) weergegeven. De informatie kan op twee manieren worden gepresenteerd:

a)

aanbod- en gebruiktabellen,

b)

symmetrische input-outputtabellen.

Aanbod- en gebruiktabellen

1.137

De aanbod- en gebruiktabellen geven een beeld van de hele economie per bedrijfstak (bv. de auto-industrie) en per product (bv. sportartikelen). De tabellen leggen verbanden tussen componenten van de bruto toegevoegde waarde, de input en output van de bedrijfstakken en de vraag naar en het aanbod van producten. Aanbod- en gebruiktabellen koppelen verschillende institutionele sectoren van de economie (bv. vennootschappen in handen van de overheid) aan elkaar en verstrekken gegevens over de in- en uitvoer van goederen en diensten, de overheidsuitgaven, de bestedingen door huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens, en de investeringen.

1.138

Door aanbod- en gebruiktabellen samen te stellen kan binnen een enkel gedetailleerd raamwerk worden nagegaan of de componenten van de nationale rekeningen consistent en coherent zijn, en door de componenten van de drie methoden voor het meten van het bbp (d.w.z. productie, inkomen en bestedingen) in dat raamwerk op te nemen kan een enkele raming van het bbp worden vastgesteld.

1.139

Wanneer de aanbod- en gebruiktabellen op geïntegreerde wijze worden samengesteld, garanderen zij ook coherentie en consistentie bij het aan elkaar koppelen van de componenten van de volgende drie rekeningen:

1.

de goederen-en-dienstenrekening;

2.

de productierekening (naar bedrijfstak en naar institutionele sector), en

3.

de inkomensvormingsrekening (naar bedrijfstak en naar institutionele sector).

Symmetrische input-outputtabellen

1.140

Symmetrische input-outputtabellen worden afgeleid van de gegevens in de aanbod- en gebruiktabellen en andere aanvullende bronnen; zij vormen de theoretische basis voor latere analysen.

1.141

Deze tabellen bevatten symmetrische (product per product of bedrijfstak per bedrijfstak) tabellen, de Leontief-inverse en andere diagnostische analysen zoals outputmultipliers. In deze tabellen wordt het verbruik van in het binnenland geproduceerde en ingevoerde goederen en diensten afzonderlijk weergegeven, waardoor een theoretisch raamwerk wordt geboden voor een verdergaande structurele analyse van de economie, met inbegrip van de samenstelling alsook het effect van veranderingen in de finale vraag op de economie.

(1)  Verordening (EG) nr. 2223/96 van de Raad van 25 juni 1996 inzake het Europees systeem van nationale en regionale rekeningen in de Gemeenschap (PB L 310 van 30.11.1996, blz. 1).

(2)  Verordening (EG) nr. 1893/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 20 december 2006 tot vaststelling van de statistische classificatie van economische activiteiten NACE Rev. 2 (PB L 393 van 30.12.2006, blz. 1).

(3)  Verordening (EG) nr. 451/2008 van het Europees Parlement en de Raad van 23 april 2008 tot vaststelling van een nieuwe statistische classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten (CPA) (PB L 145 van 4.6.2007, blz. 65).

 

HOOFDSTUK 2

EENHEDEN EN INDELING VAN EENHEDEN

2.01

De economie van een land is een systeem van interactie tussen instellingen en mensen die goederen, diensten en betaalmiddelen (bv. geld) met elkaar uitwisselen en aan elkaar overdragen om goederen en diensten te produceren en te consumeren.

In de economie zijn de met elkaar in wisselwerking staande eenheden economische entiteiten die in staat zijn activa te bezitten, verplichtingen in de vorm van financiële passiva aan te gaan, economische activiteiten uit te oefenen en transacties met andere entiteiten te verrichten. Zij worden institutionele eenheden genoemd.

Het definiëren van de in de nationale rekeningen gebruikte eenheden dient meer dan één doel. Ten eerste zijn zij de essentiële bouwstenen voor de geografische afbakening van economieën, bijvoorbeeld landen, regio's, en groepen landen zoals monetaire of politieke unies. Ten tweede zijn zij de essentiële bouwstenen voor de indeling van eenheden in institutionele sectoren. Ten derde zijn zij van essentieel belang om te bepalen welke stromen en standen worden geregistreerd. Transacties tussen verschillende delen van dezelfde institutionele eenheid worden in principe niet in de nationale rekeningen geregistreerd.

2.02

Eenheden en groepen van eenheden die in het kader van de nationale rekeningen worden gebruikt, worden gedefinieerd op grond van de economische analyse waarvoor ze bestemd zijn, en niet op grond van de soort eenheden die gewoonlijk bij de statistische waarneming worden gebruikt. Het is mogelijk dat de tweede soort eenheden (bv. bedrijven, holdings, eenheden met economische activiteit, lokale eenheden, overheidsinstellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens enz.) niet geschikt zijn voor de nationale rekeningen, omdat zij gebaseerd zijn op criteria van juridische, administratieve en boekhoudkundige aard.

Statistici moeten rekening houden met de in het ESR 2010 gebruikte definities van de analytische eenheden, zodat in de enquêtes waarmee gegevens worden verzameld, geleidelijk alle informatie-elementen worden opgenomen die nodig zijn voor het samenstellen van gegevens op basis van de analytische eenheden van het ESR 2010.

2.03

Het ESR 2010 wordt gekenmerkt door het gebruik van soorten eenheden die behoren bij drie onderverdelingen van de economie:

1)

voor de analyse van stromen en standen is het van belang eenheden te kiezen die het mogelijk maken de gedragsrelaties tussen economische subjecten te bestuderen;

2)

voor de analyse van het productieproces is het van belang eenheden te kiezen die de technisch-economische relaties tot uitdrukking brengen of die lokale activiteiten weergeven;

3)

voor regionale analysen zijn eenheden nodig die economische activiteiten op lokaal niveau weergeven.

Institutionele eenheden worden gedefinieerd om aan het eerstgenoemde doel te voldoen. Voor de in punt 1) beschreven gedragsrelaties zijn eenheden nodig die hun volledige institutionele economische activiteit weergeven.

Voor de in de punten 2) en 3) bedoelde productieprocessen, technisch-economische relaties en regionale analysen zijn eenheden nodig zoals lokale EEA's. Deze eenheden worden verderop in dit hoofdstuk beschreven.

Voordat de in het ESR 2010 gebruikte eenheden worden gedefinieerd, moeten echter de grenzen van de nationale economie worden afgebakend.

AFBAKENING VAN DE NATIONALE ECONOMIE

2.04

De eenheden die de economie van een land vormen en waarvan de stromen en standen in het ESR 2010 worden geregistreerd, zijn de eenheden die in het land ingezeten zijn. Een institutionele eenheid is ingezetene in een land indien deze haar belangrijkste economische belangencentrum in het economische gebied van dat land heeft. Dergelijke eenheden worden aangeduid als ingezeten eenheden, ongeacht hun nationaliteit, rechtsvorm of aanwezigheid in het economische gebied op het ogenblik dat zij een transactie verrichten.

2.05

Het economische gebied bestaat uit:

a)

het geografische gebied onder het daadwerkelijke bestuur en de economische controle van één overheid;

b)

vrijhandelsgebieden, inclusief entrepots en bedrijven onder douanecontrole;

c)

het nationale luchtruim, de territoriale wateren en het continentaal plat in de internationale wateren waarover het land exclusieve rechten kan doen gelden;

d)

territoriale enclaves, d.w.z. geografische gebieden in het buitenland die, krachtens internationale verdragen of overeenkomsten tussen staten, door overheidsinstellingen van het land worden gebruikt (zoals ambassades, consulaten, militaire en wetenschappelijke bases enz.);

e)

vindplaatsen van aardolie, aardgas enz., gelegen in de internationale wateren buiten het continentaal plat van het land, die worden geëxploiteerd door ingezeten eenheden van het onder a) tot en met d) gedefinieerde gebied.

Vissersschepen, andere schepen, drijvende platforms en luchtvaartuigen worden in het ESR behandeld als mobiele werktuigen in eigendom van en/of geëxploiteerd door ingezeten eenheden, dan wel in eigendom van niet-ingezetenen en geëxploiteerd door ingezeten eenheden. Transacties met betrekking tot de eigendom (bruto-investeringen in vaste activa) en exploitatie (verhuur, verzekering enz.) van mobiele werktuigen worden gerekend tot de economie van het land waarvan de eigenaar en/of de exploitant ingezetene(n) is (zijn). Bij financiële lease wordt de eigendom geacht in andere handen over te gaan.

Het economische gebied kan groter of kleiner zijn dan het hierboven gedefinieerde gebied. Een voorbeeld van een groter gebied is een muntunie zoals de Europese Monetaire Unie; een voorbeeld van een kleiner gebied is een deel van een land, zoals een regio.

2.06

Economisch gebied omvat geen extraterritoriale enclaves.

Ook uitgesloten zijn de delen van het geografische gebied van een land die door de volgende organisaties worden gebruikt:

a)

overheidsinstellingen van andere landen;

b)

instellingen en organen van de Europese Unie, en

c)

uit hoofde van internationale verdragen tussen staten: internationale organisaties.

De gebieden die door de instellingen en organen van de Europese Unie en door internationale organisaties worden gebruikt, zijn afzonderlijke economische gebieden. Een kenmerk van deze gebieden is dat de enige ingezetenen de instellingen zijn.

2.07

Belangrijkst economisch belangencentrum geeft aan dat er in het economische gebied van een land een locatie bestaat waar een eenheid voor onbepaalde tijd of gedurende een vastgestelde lange periode (één jaar of langer) economische activiteiten en transacties van voldoende omvang verricht. Van eigenaars van grond en gebouwen in een economisch gebied wordt aangenomen dat zij daar een belangrijkst economisch belangencentrum hebben.

Ondernemingen zijn bijna altijd met slechts één economie verbonden. In verband met fiscale en andere wettelijke voorschriften wordt doorgaans voor elk rechtsgebied gebruikgemaakt van een afzonderlijke juridische entiteit voor de in dat rechtsgebied te verrichten transacties. Bovendien wordt voor statistische doeleinden een afzonderlijke institutionele eenheid vastgesteld wanneer een enkele juridische entiteit aanmerkelijke transacties in twee of meer gebieden verricht (bv. in het geval van filialen, grondeigendom, en in meerdere gebieden gevestigde ondernemingen). Door de splitsing van dergelijke juridische entiteiten is de vestigingsplaats van elk van de aldus vastgestelde ondernemingen duidelijk. Belangrijkst economisch belangencentrum betekent niet dat entiteiten met aanmerkelijke transacties in twee of meer gebieden niet hoeven te worden gesplitst.

Indien een onderneming geen fysieke dimensie heeft, wordt de vestigingsplaats ervan bepaald volgens het economische gebied waarvan de wetgeving van toepassing is op de oprichting of registratie van de onderneming.

2.08

Eenheden die als ingezetenen van een land worden beschouwd, kunnen als volgt worden ingedeeld:

a)

eenheden die zich bezighouden met productie, financiering, verzekering of herverdeling, voor al hun transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen;

b)

eenheden met consumptie als hoofdfunctie, voor al hun transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen;

c)

alle eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en gebouwen, met uitzondering van eigenaars van extraterritoriale enclaves die deel uitmaken van het economische gebied van andere landen of die onafhankelijke staten zijn.

2.09

Bij andere eenheden dan huishoudens kan voor alle transacties, met uitzondering van die welke betrekking hebben op de eigendom van grond en gebouwen, het volgende onderscheid worden gemaakt:

a)

de activiteit wordt uitsluitend in het economische gebied van het land uitgeoefend: de eenheden zijn in dat geval ingezeten eenheden van het land;

b)

de activiteit wordt gedurende één jaar of langer in het economische gebied van diverse landen uitgeoefend: alleen het gedeelte van de eenheid dat een belangrijkst economisch belangencentrum heeft in het economische gebied van het land, wordt als ingezeten eenheid van dat land beschouwd.

Een ingezeten institutionele eenheid kan een fictieve ingezeten eenheid zijn met betrekking tot de activiteit die gedurende één jaar of langer door een niet-ingezeten eenheid in het land werd uitgeoefend. Wanneer de activiteit gedurende minder dan één jaar wordt verricht, blijft zij deel uitmaken van de activiteiten van de producerende institutionele eenheid en wordt geen afzonderlijke institutionele eenheid erkend. Wanneer de activiteit van gering belang is, ook al duurt zij langer dan één jaar, en voor installatiewerkzaamheden in het buitenland wordt geen afzonderlijke eenheid erkend en worden de activiteiten geregistreerd als activiteiten van de producerende institutionele eenheid.

2.10

Huishoudens, met uitzondering van hun hoedanigheid als eigenaar van grond en gebouwen, zijn ingezeten eenheden van het economische gebied waar zij een belangrijkst economisch belangencentrum hebben. Zij zijn ingezeten, ongeacht de in het buiten doorgebrachte perioden van minder dan één jaar. Tot dergelijke huishoudens moeten in het bijzonder worden gerekend:

a)

grensarbeiders, die worden gedefinieerd als personen die de landsgrens dagelijks overschrijden om in een buurland arbeid te verrichten;

b)

seizoenarbeiders, die worden gedefinieerd als personen die het land verlaten om, naargelang van het seizoen, voor een periode van enkele maanden, maar korter dan een jaar, in een ander land arbeid te verrichten;

c)

in het buitenland verblijvende toeristen, patiënten, studenten, ambtenaren op dienstreis, zakenlieden, handelsreizigers, kunstenaars en bemanningsleden van schepen of luchtvaartuigen;

d)

ter plaatse in dienst genomen personeel dat in de extraterritoriale enclaves van buitenlandse overheden werkzaam is;

e)

personeel van de instellingen van de Europese Unie en van civiele of militaire internationale organisaties die hun zetel in een extraterritoriale enclave hebben;

f)

ambtelijke, civiele of militaire regeringsvertegenwoordigers van een land die (met hun gezin) in een territoriale enclave wonen.

Studenten worden altijd als ingezetenen beschouwd, ongeacht de duur van hun studie in het buitenland.

2.11

Alle eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en/of gebouwen die deel uitmaken van het economische gebied, zijn ingezeten eenheden of fictieve ingezeten eenheden van het land waar deze grond en/of gebouwen gelegen zijn.

INSTITUTIONELE EENHEDEN

2.12

Definitie: een institutionele eenheid is een economische entiteit die wordt gekenmerkt door zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar hoofdfunctie. Een ingezeten eenheid wordt beschouwd als een institutionele eenheid in het economische gebied waar zij haar belangrijkste economische belangencentrum heeft wanneer zij zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezit en een volledige boekhouding voert dan wel in staat is een volledige boekhouding op te stellen.

Een eenheid heeft zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van haar hoofdfunctie indien zij:

a)

het recht heeft zelf goederen en andere activa te bezitten; zij kan door middel van transacties met andere institutionele eenheden goederen en andere activa van eigenaar laten veranderen;

b)

economische beslissingen kan nemen en economische activiteiten kan uitoefenen waarvoor zij verantwoordelijk en wettelijk aansprakelijk is;

c)

op eigen naam verplichtingen in de vorm van financiële passiva, andere verplichtingen of verdere verbintenissen kan aangaan en contracten kan afsluiten;

d)

een volledige boekhouding bestaande uit boekhoudkundige documenten betreffende al haar transacties tijdens de verslagperiode, alsook een balans van activa en passiva kan opstellen.

2.13

De volgende beginselen zijn van toepassing op een entiteit die niet de kenmerken van een institutionele eenheid bezit:

a)

huishoudens worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid bij de uitoefening van hun hoofdfunctie te bezitten en zijn derhalve toch institutionele eenheden, ook al voeren zij geen volledige boekhouding;

b)

entiteiten zonder volledige boekhouding die niet in staat zijn om op verzoek een volledige boekhouding op te stellen, zijn geen institutionele eenheid;

c)

entiteiten met een volledige boekhouding die geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezitten, maken deel uit van de eenheden die er zeggenschap over hebben;

d)

entiteiten hoeven hun boekhouding niet openbaar te maken om een institutionele eenheid te zijn;

e)

entiteiten met een volledige boekhouding die deel uitmaken van een groep van productie-eenheden, worden als institutionele eenheid beschouwd, ook al hebben zij een gedeelte van hun zelfstandige beslissingsbevoegdheid overgedragen aan de centrale organisatie (het hoofdkantoor) die de algemene leiding van de groep heeft; het hoofdkantoor zelf wordt ten opzichte van de eenheden waarover het zeggenschap heeft, als een afzonderlijke institutionele eenheid beschouwd;

f)

quasivennootschappen zijn entiteiten met een volledige boekhouding die geen rechtspersoonlijkheid hebben. Hun economisch en financieel gedrag verschilt van dat van hun eigenaars en lijkt op dat van vennootschappen. Zij worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten en worden als afzonderlijke institutionele eenheden beschouwd.

Hoofdkantoren en holdings

2.14

Hoofdkantoren en holdings zijn institutionele eenheden die als volgt worden omschreven:

a)

Een hoofdkantoor is een eenheid die zeggenschap over het beheer van haar dochterondernemingen heeft. Hoofdkantoren worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen die bij hun dochterondernemingen domineert; wanneer al hun dochterondernemingen of de meeste ervan financiële instellingen zijn, worden zij behandeld als financiële hulpbedrijven (S.126) in de sector financiële instellingen.

Indien er sprake is van een combinatie van niet-financiële en financiële dochterondernemingen, wordt het hoofdkantoor ingedeeld bij de sector met de grootste toegevoegde waarde.

Hoofdkantoren worden in de herziening van de Internationale industriële standaardclassificatie van alle takken van economische bedrijvigheid (International Standard Industrial Classification of All Economic Activities Revision — ISIC Rev. 4), sectie M, klasse 7010 (NACE Rev. 2, M 70.10) als volgt omschreven:

Deze klasse omvat het toezicht op en het beheer van andere eenheden van de onderneming; de strategische of organisatorische planning en de besluitvorming van de onderneming; de operationele controle en het beheer van de dagelijkse werkzaamheden van hun verbonden eenheden.

b)

Een holding die de activa van dochterondernemingen in bezit heeft, maar geen beheersactiviteiten verricht, is een financiële instelling binnen concernverband (S.127) en wordt als financiële instelling ingedeeld.

Holdings worden in de ISIC Rev. 4, sectie K, klasse 6420 (NACE Rev. 2, K 64.20) als volgt omschreven:

Deze klasse omvat de activiteiten van holdings, d.w.z. eenheden die de activa bezitten van (een zeggenschapsbelang bezitten in) een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep. De holdings in deze klasse verlenen geen andere diensten aan de ondernemingen waarin zij een belang hebben, d.w.z. zij besturen of beheren geen andere eenheden.

Groepen ondernemingen

2.15

Er ontstaan grote groepen ondernemingen wanneer een moederonderneming zeggenschap heeft over meerdere dochterondernemingen, die op hun beurt zeggenschap kunnen hebben over hun eigen dochterondernemingen, enzovoort. Elk lid van de groep dat aan de definitie van een institutionele eenheid beantwoordt, wordt als afzonderlijke institutionele eenheid behandeld.

2.16

De reden waarom groepen ondernemingen niet als één institutionele eenheid worden behandeld, is dat groepen niet altijd in de tijd stabiel zijn en in de praktijk niet gemakkelijk te identificeren zijn. Het kan moeilijk zijn om gegevens te verkrijgen over groepen waarvan de activiteiten niet sterk geïntegreerd zijn. Veel groepen zijn te groot en heterogeen om als eenheid te worden behandeld, en hun omvang en samenstelling kunnen na verloop van tijd veranderen als gevolg van fusies en overnames.

Entiteiten voor specifieke doeleinden

2.17

Een entiteit voor specifieke doeleinden (Special Purpose Entity — SPE, of special purpose vehicle — SPV) is in de regel een vennootschap met beperkte aansprakelijkheid of een commanditaire vennootschap die met scherpomlijnde, specifieke of tijdelijke doelstellingen wordt opgericht om een financieel risico, een bepaalde belasting of een wet- en regelgevingsrisico af te zonderen.

2.18

Er bestaat geen algemeen gangbare definitie van een SPE, maar de volgende kenmerken zijn typerend:

a)

SPE's hebben geen werknemers en geen niet-financiële activa;

b)

er zijn weinig fysieke tekenen die wijzen op het bestaan van een SPE, behalve een naamplaat of een uithangbord ter bevestiging van de plaats van registratie ervan (brievenbusentiteit);

c)

zij zijn altijd verbonden met een andere onderneming, vaak als een dochteronderneming;

d)

zij zijn ingezeten in een ander gebied dan het gebied waar de verbonden ondernemingen gevestigd zijn. Indien een onderneming geen fysieke aanwezigheid heeft, wordt de vestigingsplaats ervan bepaald volgens het economische gebied waarvan de wetgeving van toepassing is op de oprichting of registratie van de onderneming;

e)

zij worden beheerd door werknemers van een andere onderneming, die er al dan niet mee verbonden kan zijn. De SPE betaalt een vergoeding voor de aan haar verstrekte diensten en rekent op haar beurt de moederonderneming of een andere verbonden onderneming een vergoeding aan om deze kosten te dekken. Dit is de enige productie waarbij de SPE betrokken is, hoewel zij namens haar eigenaar vaak verplichtingen zal aangaan en gewoonlijk inkomsten uit investeringen en waarderingsverschillen op de activa in haar bezit zal ontvangen.

2.19

Ongeacht of een eenheid al deze kenmerken of geen enkel ervan bezit, en of zij als SPE of met een soortgelijke term wordt aangeduid, wordt zij op dezelfde wijze behandeld als elke andere institutionele eenheid en volgens haar hoofdactiviteit in een sector en bedrijfstak ingedeeld, tenzij zij niet bevoegd is om zelfstandig op te treden.

2.20

Derhalve worden financiële instellingen binnen concernverband, kunstmatige dochterondernemingen en instellingen van de overheid voor specifieke doeleinden die niet bevoegd zijn om zelfstandig op te treden, ingedeeld in de sector waartoe de instelling behoort die er zeggenschap over heeft. Dit is niet het geval wanneer zij niet ingezeten zijn; in dat geval worden zij gescheiden van de instelling die er zeggenschap over heeft, behandeld. In het geval van de overheid echter worden de activiteiten van dochterondernemingen in de overheidsrekeningen opgenomen.

Financiële instellingen binnen concernverband

2.21

Een holding die alleen de activa van dochterondernemingen bezit, is een voorbeeld van een financiële instelling binnen concernverband. Voorbeelden van andere eenheden die ook als financiële instelling binnen concernverband worden behandeld, zijn eenheden met de kenmerken van SPE's zoals hierboven beschreven, met inbegrip van beleggings- en pensioenfondsen en eenheden die worden gebruikt voor het in bezit hebben en beheren van het vermogen van particulieren of families, het uitgeven van schuldbewijzen namens verbonden ondernemingen (een dergelijke onderneming kan een doorstroomlichaam worden genoemd) en het uitvoeren van andere financiële taken.

2.22

De mate van onafhankelijkheid van de instelling ten opzichte van de moederonderneming wordt bepaald door de zeggenschap die de instelling heeft over haar activa en passiva; deze zeggenschap kan zover gaan dat zij zelf de risico's draagt en de baten int die aan de activa en passiva verbonden zijn. Dergelijke eenheden worden in de sector financiële instellingen ingedeeld.

2.23

Wanneer een dergelijke entiteit niet onafhankelijk van de moederonderneming kan optreden en enkel een passieve bezitter van activa en passiva is, wordt zij niet als afzonderlijke institutionele eenheid behandeld, tenzij zij ingezeten is in een andere economie dan die van de moederonderneming. Is zij ingezeten in dezelfde economie als de moedermaatschappij, dan wordt zij behandeld als „kunstmatige dochteronderneming”, zoals hierna beschreven.

Kunstmatige dochterondernemingen

2.24

Een dochteronderneming die volledig in het bezit is van een moederonderneming, kan worden opgericht voor de verlening van diensten aan de moederonderneming of aan andere ondernemingen in dezelfde groep, om op die manier belastingen te vermijden, de verplichtingen bij een faillissement tot een minimum te beperken, en andere technische voordelen te verkrijgen overeenkomstig het belasting- of vennootschapsrecht dat in een bepaald land van kracht is.

2.25

Over het algemeen beantwoorden dergelijke typen van entiteiten niet aan de definitie van een institutionele eenheid, omdat zij niet beschikken over de bevoegdheid om onafhankelijk van de moederonderneming op te treden en omdat zij onderworpen kunnen zijn aan beperkingen van hun bevoegdheid om het bezitsrecht uit te oefenen over de in hun balans opgenomen activa of om deze activa te verhandelen. De omvang van hun output en de prijs die zij ervoor ontvangen, worden bepaald door de moederonderneming die (eventueel samen met andere ondernemingen in dezelfde groep) hun enige afnemer is. Zij worden derhalve niet als afzonderlijke institutionele eenheid behandeld, maar als integrerend deel van de moederonderneming, en hun rekeningen worden geconsolideerd met die van de moederonderneming, tenzij zij ingezeten zijn in een economisch gebied dat verschilt van dat waar de moederonderneming ingezeten is.

2.26

Er moet een onderscheid worden gemaakt tussen de hierboven beschreven kunstmatige dochterondernemingen en eenheden die alleen hulpactiviteiten uitoefenen. Hulpactiviteiten blijven beperkt tot het soort dienstverleningsfuncties waaraan praktisch alle ondernemingen in zekere mate behoefte hebben, zoals het schoonmaken van gebouwen, het beheer van de loonlijst of het voorzien in de IT-infrastructuur voor de onderneming (zie hoofdstuk 1, punt 1.31).

Voor specifieke doeleinden opgerichte eenheden van de overheid

2.27

De overheid kan ook eenheden voor specifieke doeleinden oprichten met soortgelijke kenmerken en functies als die van financiële instellingen binnen concernverband en kunstmatige dochterondernemingen. Dergelijke eenheden hebben niet de bevoegdheid om zelfstandig op te treden en zijn beperkt wat betreft de soorten transacties die zij kunnen verrichten. Zij dragen niet de risico's en innen niet de baten die verbonden zijn aan de activa en passiva die zij in bezit hebben. Indien deze eenheden ingezeten zijn, worden zij als integrerend deel van de overheid en niet als afzonderlijke eenheden behandeld. Indien zij niet ingezeten zijn, worden zij als afzonderlijke eenheden behandeld. De door hen in het buitenland verrichte transacties zijn terug te vinden in overeenkomstige transacties met de overheid. Een eenheid die in het buitenland een lening aangaat, wordt dan geacht hetzelfde bedrag aan de overheid te lenen op dezelfde voorwaarden als die van de oorspronkelijke lening.

2.28

Kortom, de rekeningen van SPE's die niet bevoegd zijn om zelfstandig op te treden, worden geconsolideerd met die van de moederonderneming, tenzij zij ingezeten zijn in een andere economie dan die van de moederonderneming. Er is één uitzondering op deze algemene regel, namelijk wanneer een niet-ingezeten SPE door de overheid wordt opgericht.

2.29

Onder fictieve ingezeten eenheden van een land worden verstaan:

a)

onderdelen van niet-ingezeten eenheden die een belangrijkst economisch belangencentrum hebben in het economische gebied van het land (in de meeste gevallen eenheden die er gedurende één jaar of langer een economische activiteit op productiegebied uitoefenen);

b)

niet-ingezeten eenheden in hun hoedanigheid van eigenaar van grond en/of gebouwen in het economische gebied van het land, maar alleen voor zover het transacties met betrekking tot deze grond of gebouwen betreft.

Fictieve ingezeten eenheden worden, ook al voeren zij slechts een gedeeltelijke boekhouding en hebben zij geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid, als institutionele eenheid behandeld.

2.30

De volgende eenheden worden als institutionele eenheid beschouwd:

a)

eenheden met zelfstandige beslissingsbevoegdheid en een volledige boekhouding zoals:

1.

particuliere en overheidsondernemingen;

2.

coöperatieve verenigingen en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid;

3.

overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent;

4.

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid, en

5.

instellingen van de overheid;

b)

eenheden met een volledige boekhouding die geacht worden zelfstandig te kunnen beslissen, hoewel zij ten opzichte van de moederonderneming niet als aparte onderneming zijn opgericht: quasivennootschappen;

c)

eenheden die niet noodzakelijkerwijs beschikken over een volledige boekhouding, maar die geacht worden zelfstandig te kunnen beslissen, namelijk:

1.

huishoudens;

2.

fictieve ingezeten eenheden.

INSTITUTIONELE SECTOREN

2.31

Bij macro-economische analysen worden niet de activiteiten van elke institutionele eenheid afzonderlijk beschouwd, maar de geaggregeerde activiteiten van soortgelijke instellingen. Daarom worden eenheden gegroepeerd in zogenaamde institutionele sectoren, die soms worden onderverdeeld in subsectoren.

Tabel 2.1 —   Sectoren en subsectoren

Sectoren en subsectoren:

 

In handen van de overheid

Nationaal, in handen van de particuliere sector

In handen van het buitenland

Niet-financiële vennootschappen

S.11

S.11001

S.11002

S.11003

Financiële instellingen

S.12

 

 

 

Monetaire financiële instellingen (MFI's)

Centrale bank

S.121

 

 

 

Overige monetaire financiële instellingen (OMFI's)

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

S.122

S.12201

S.12202

S.12203

Geldmarktfondsen (GMF's)

S.123

S.12301

S.12302

S.12303

Financiële instellingen m.u.v. MFI's en verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's)

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's

S.124

S.12401

S.12402

S.12403

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen

S.125

S.12501

S.12502

S.12503

Financiële hulpbedrijven

S.126

S.12601

S.12602

S.12603

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

S.127

S.12701

S.12702

S.12703

VIPF's

Verzekeringsinstellingen

S.128

S.12801

S.12802

S.12803

Pensioenfondsen

S.129

S.12901

S.12902

S.12903

Overheid

S.13

 

 

 

Centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen)

S.1311

 

 

 

Deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen)

S.1312

 

 

 

Lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen)

S.1313

 

 

 

Socialezekerheidsfondsen

S.1314

 

 

 

Huishoudens

S.14

 

 

 

Werkgevers en zelfstandigen

S.141 + S.142

 

 

 

Werknemers

S.143

 

 

 

Huishoudens met inkomen uit vermogen en overdrachten

S.144

 

 

 

Huishoudens met inkomen uit vermogen

S.1441

 

 

 

Huishoudens met pensioeninkomen

S.1442

 

 

 

Huishoudens met overige overdrachten

S.1443

 

 

 

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens

S.15

 

 

 

Buitenland

S.2

 

 

 

Lidstaten en instellingen en organen van de Europese Unie

S.21

 

 

 

Lidstaten van de Europese Unie

S.211

 

 

 

Instellingen en organen van de Europese Unie

S.212

 

 

 

Niet-lidstaten en internationale organisaties die niet in de EU gevestigd zijn

S.22

 

 

 

2.32

Elke sector en subsector brengt de institutionele eenheden samen die worden gekenmerkt door een gelijksoortig economisch gedrag.

Schema 2.1 —   Indeling van eenheden in sectoren

Image 2

Is de eenheid ingezeten?

Neen

Ja

Buitenland

Huishoudens

Is de eenheid een huishouden?

Is de eenheid een niet-marktproducent?

Produceert de eenheid financiële diensten?

Heeft de overheid zeggenschap over de eenheid?

Izw's t.b.v. huishoudens

Overheid

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Heeft de overheid zeggenschap over de eenheid?

Heeft de overheid zeggenschap over de eenheid?

Niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid

Particuliere niet-financiële vennootschappen

Particuliere financiële instellingen

Financiële instellingen in handen van de overheid

Neen

Ja

Neen

Ja

Neen

Neen

Neen

Neen

Ja

Ja

Ja

Ja

2.33

De institutionele eenheden worden in sectoren ingedeeld op basis van het type producent dat zij zijn, en op basis van hun hoofdactiviteit of -functie; de genoemde kenmerken worden als indicatief voor hun economisch gedrag beschouwd.

2.34

Schema 2.1 geeft weer hoe eenheden in de hoofdsectoren worden ingedeeld. Om de sector te bepalen van een ingezeten eenheid die geen huishouden is, moet volgens het schema worden bepaald of zij al dan niet onder zeggenschap van de overheid staat en of zij marktproducent of niet-marktproducent is.

2.35

Zeggenschap over een financiële instelling of een niet-financiële vennootschap wordt gedefinieerd als de bevoegdheid om het algemene ondernemingsbeleid te bepalen, bijvoorbeeld door zo nodig geschikte directieleden te benoemen.

2.36

Een institutionele eenheid — een andere onderneming, een huishouden, een instelling zonder winstoogmerk of een overheidsinstelling — heeft zeggenschap over een onderneming of quasivennootschap wanneer zij in het bezit is van meer dan de helft van de stemgerechtigde aandelen of op een andere wijze meer dan de helft van de stemrechten van aandeelhouders kan uitoefenen.

2.37

Om meer dan de helft van de stemrechten van aandeelhouders te kunnen uitoefenen, hoeft een institutionele eenheid niet zelf aandelen met stemrecht te bezitten. Een gegeven onderneming, onderneming C, kan een dochteronderneming zijn van onderneming B waarvan de meerderheid van de aandelen met stemrecht in handen is van een derde onderneming A. Onderneming C wordt als dochteronderneming van onderneming B beschouwd wanneer onderneming B meer dan de helft van de aandelen met stemrecht in onderneming C in handen heeft of wanneer onderneming B aandeelhouder van C is met het recht een meerderheid van de directieleden van C te benoemen of af te zetten.

2.38

De overheid heeft zeggenschap over een onderneming op grond van een speciale wet, besluit of verordening waarbij de overheid wordt gemachtigd het ondernemingsbeleid te bepalen. De volgende indicatoren zijn de voornaamste factoren waarmee rekening moet worden gehouden om te bepalen of de overheid zeggenschap over een onderneming heeft:

a)

meer dan de helft van de stemgerechtigde aandelen is in het bezit van de overheid;

b)

de overheid heeft zeggenschap in de raad van bestuur of een ander bestuursorgaan;

c)

de overheid heeft zeggenschap bij de benoeming en het ontslag van belangrijke personeelsleden;

d)

de overheid heeft zeggenschap in belangrijke comités van de entiteit;

e)

de overheid heeft een gouden aandeel;

f)

er is speciale regelgeving;

g)

de overheid is hoofdafnemer;

h)

de overheid heeft leningen verstrekt.

Een enkele indicator kan voldoende zijn om te besluiten dat er sprake is van zeggenschap, maar in andere gevallen kunnen meerdere indicatoren tezamen wijzen op zeggenschap.

2.39

Voor instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid moeten de volgende vijf indicatoren voor zeggenschap in aanmerking worden genomen:

a)

de benoeming van functionarissen;

b)

de bepalingen van bevoegdheid verlenende instrumenten;

c)

contractuele overeenkomsten;

d)

de mate van financiering;

e)

de risicogrootte voor de overheid.

Zoals bij ondernemingen kan één enkele indicator in sommige gevallen voldoende zijn om te besluiten dat er sprake is van zeggenschap; in andere gevallen kunnen meerdere indicatoren tezamen wijzen op zeggenschap.

2.40

Om het onderscheid te maken tussen markt en niet-markt en dus om overheidsentiteiten in te delen in de sector overheid of de sector ondernemingen, geschiedt op basis van de criteria van punt 1.37.

2.41

Een sector wordt in subsectoren onderverdeeld volgens criteria die voor die sector relevant zijn; de overheid kan bijvoorbeeld worden uitgesplitst in centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid en socialezekerheidsfondsen. Hierdoor is een nauwkeuriger omschrijving van het economisch gedrag van de eenheden mogelijk.

De rekeningen van sectoren en subsectoren geven alle activiteiten — hoofdactiviteit en nevenactiviteiten — weer van de institutionele eenheden die onder de desbetreffende sector vallen.

Iedere institutionele eenheid valt onder slechts één sector of subsector.

2.42

Om een institutionele eenheid die tot hoofdfunctie heeft goederen en diensten voort te brengen, in een sector te kunnen indelen, moet eerst worden bepaald tot welk type producent zij behoort.

2.43

Tabel 2.2 geeft een overzicht van het type producent en de hoofdactiviteiten of -functies waardoor iedere sector wordt gekenmerkt.

Tabel 2.2 —   Type producent en hoofdactiviteiten of -functies per sector

Type producent

Hoofdactiviteit of -functie

Sector

Marktproducent

Productie van goederen en niet-financiële diensten voor de markt

Niet-financiële vennootschappen (S.11)

Marktproducent

Financiële intermediatie, incl. verzekering

Financiële hulpdiensten

Financiële instellingen (S.12)

Niet-marktproducent in handen van de overheid

Productie en levering van niet-marktoutput voor collectieve en individuele consumptie, en uitvoering van transacties, bedoeld om het nationaal inkomen en vermogen te herverdelen

Overheid (S.13)

Marktproducent of particuliere producent voor eigen finaal gebruik

Consumptie

Productie van marktoutput en output voor eigen finaal gebruik

Huishoudens (S.14)

in hun hoedanigheid van consument

in hun hoedanigheid van ondernemer

Particuliere niet-marktproducent

Productie en levering van niet-marktoutput voor individuele consumptie

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15)

2.44

De sector buitenland (S.2) betreft stromen en standen tussen ingezeten en niet-ingezeten eenheden — de niet-ingezeten eenheden worden niet gekenmerkt door vergelijkbare doelen en gedragingen, maar worden slechts in de rekeningen opgenomen vanwege hun stromen en standen ten opzichte van ingezeten eenheden.

Niet-financiële vennootschappen (s.11)

2.45

Definitie: de sector niet-financiële vennootschappen (S.11) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten. De sector niet-financiële vennootschappen omvat tevens niet-financiële quasivennootschappen (zie punt 2.13, onder f)).

2.46

Het betreft de volgende institutionele eenheden:

a)

particuliere en overheidsondernemingen die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

b)

coöperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

c)

overheidsproducenten met rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

d)

instellingen of verenigingen zonder winstoogmerk ten behoeve van niet-financiële vennootschappen, die rechtspersoonlijkheid bezitten en die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten;

e)

hoofdkantoren met zeggenschap over een groep ondernemingen die marktproducent zijn, waarbij de voornaamste activiteit van de groep als geheel — gemeten op basis van de toegevoegde waarde — bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten;

f)

SPE's waarvan de hoofdactiviteit bestaat in de levering van goederen of het verstrekken van niet-financiële diensten;

g)

particuliere quasivennootschappen en quasivennootschappen in handen van de overheid die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten.

2.47

Niet-financiële quasivennootschappen zijn alle entiteiten die marktproducent zijn met als hoofdfunctie de productie van goederen en niet-financiële diensten en die aan de voorwaarden voor quasivennootschappen voldoen (zie punt 2.13, onder f)).

Niet-financiële quasivennootschappen moeten voldoende informatie bewaren om een volledige boekhouding te kunnen opstellen; zij worden bestuurd als vennootschappen. De feitelijke relatie met de eigenaar is als die van een vennootschap met haar aandeelhouders.

Niet-financiële quasivennootschappen die eigendom zijn van huishoudens, overheidsinstellingen of instellingen zonder winstoogmerk, behoren samen met de niet-financiële vennootschappen tot de sector niet-financiële vennootschappen, en niet tot de sector waartoe de eigenaar behoort.

2.48

Het feit dat een marktproducent over een volledige boekhouding, inclusief een balans, beschikt, volstaat niet om hem als een institutionele eenheid zoals een quasivennootschap te behandelen. Personenvennootschappen en overheidsproducenten, m.u.v. die welke worden genoemd in punt 2.46, onder a), b), c) en f), alsmede eenmanszaken zijn — ook al voeren zij een volledige boekhouding — in het algemeen geen afzonderlijke institutionele eenheden, omdat zij geen zelfstandige beslissingsbevoegdheid bezitten; het beheer van deze eenheden valt namelijk onder de zeggenschap van de huishoudens, instellingen zonder winstoogmerk of overheden waarvan zij eigendom zijn.

2.49

Tot de niet-financiële vennootschappen worden fictieve ingezeten eenheden gerekend die als quasivennootschappen worden behandeld.

2.50

De sector niet-financiële vennootschappen valt in drie subsectoren uiteen:

a)

niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001);

b)

nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002);

c)

niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003).

2.51

Definitie: de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van de overheid (S.11001) bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen, quasivennootschappen en instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en waarover overheidsinstellingen zeggenschap hebben.

2.52

Quasivennootschappen in handen van de overheid zijn quasivennootschappen die rechtstreeks eigendom zijn van overheidsinstellingen.

Subsector nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002)

2.53

Definitie: de subsector nationale niet-financiële vennootschappen in handen van de particuliere sector (S.11002) bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen, quasivennootschappen en instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en waarover de overheid of niet-ingezeten institutionele eenheden geen zeggenschap hebben.

Deze subsector omvat verder vennootschappen en quasivennootschappen met buitenlandse directe investeringen, die niet zijn ingedeeld in de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003).

Subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003)

2.54

Definitie: de subsector niet-financiële vennootschappen in handen van het buitenland (S.11003) bestaat uit alle niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen waarover niet-ingezeten institutionele eenheden zeggenschap hebben.

Deze subsector omvat:

a)

alle dochterondernemingen van niet-ingezeten vennootschappen;

b)

alle vennootschappen waarover een niet-ingezeten institutionele eenheid die zelf geen vennootschap is, bijvoorbeeld een buitenlandse overheid, zeggenschap heeft; ook vennootschappen waarover een gezamenlijk optredende groep niet-ingezeten eenheden zeggenschap heeft, vallen eronder;

c)

alle bijkantoren of andere agentschappen zonder rechtspersoonlijkheid van niet-ingezeten vennootschappen of producenten zonder rechtspersoonlijkheid die fictieve ingezeten eenheden zijn.

Financiële instellingen (s.12)

2.55

Definitie: de sector financiële instellingen (S.12) bestaat uit institutionele eenheden met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn en van wie de hoofdactiviteit bestaat in de productie van financiële diensten. Tot dergelijke institutionele eenheden behoren alle vennootschappen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met:

a)

financiële intermediatie (financiële intermediairs), en/of

b)

financiële hulpdiensten (financiële hulpbedrijven).

Ook behoren daartoe institutionele eenheden die financiële diensten verstrekken en die het merendeel van hetzij hun activa hetzij hun passiva niet op open markten verhandelen.

2.56

Onder financiële intermediatie wordt verstaan de activiteit waarbij een institutionele eenheid door het verrichten van transacties op de financiële markt voor eigen rekening financiële activa verwerft en verplichtingen aangaat. De activa en passiva van financiële intermediairs worden in het proces van financiële intermediatie getransformeerd of herverpakt wat betreft bijvoorbeeld looptijd, omvang, risico et cetera.

Financiële hulpdiensten zijn diensten die verband houden met financiële intermediatie, maar die zelf geen financiële intermediatie betreffen.

Financiële intermediairs

2.57

Bij financiële intermediatie worden financiële middelen overgeheveld van derden met een overschot aan middelen naar die met een tekort aan middelen. Een financiële intermediair treedt niet alleen als tussenpersoon voor andere institutionele eenheden op, maar neemt zelf risico's door voor eigen rekening financiële activa te verwerven en verplichtingen aan te gaan.

2.58

Bij financiële intermediatie kunnen alle categorieën financiële passiva een rol spelen; een uitzondering geldt voor passiva in de categorie handelskredieten en transitorische posten (AF.8). De financiële activa waarop de financiële intermediatie betrekking heeft, kunnen activa uit alle categorieën zijn met uitzondering van verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6), maar met inbegrip van de categorie handelskredieten en transitorische posten. Financiële intermediairs kunnen investeren in niet-financiële activa, waaronder onroerend goed. Om als financieel intermediair te worden beschouwd, moet een instelling verplichtingen op de financiële markt aangaan en financiële middelen transformeren. Vastgoedmakelaars zijn geen financiële intermediairs.

2.59

De functie van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen is het poolen van risico's. De passiva van dergelijke instellingen zijn verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6). Tegenover de passiva staan beleggingen van verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen, die daarmee als financiële intermediairs optreden.

2.60

Beleggingsfondsen, hierna geldmarktfondsen (GMF's) en beleggingsfondsen m.u.v. GMF's genoemd, gaan voornamelijk verplichtingen in de vorm van financiële passiva aan door de uitgifte van aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.52). Zij zetten dergelijke fondsen om in financiële activa en/of onroerend goed. Beleggingsfondsen worden ingedeeld als financiële intermediairs. Elke wijziging in de waarde van hun activa en passiva, afgezien van hun eigen aandelen, heeft invloed op de omvang van hun eigen vermogen (zie punt 7.07). Aangezien de omvang van het eigen vermogen van een beleggingsfonds gelijk is aan de totale waarde van de uitstaande aandelen of rechten van deelneming, wordt elke wijziging in de waarde van de activa en passiva van het fonds zichtbaar in de marktwaarde van dergelijke aandelen of rechten van deelneming. Beleggingsfondsen die in onroerend goed beleggen, zijn financiële intermediairs.

2.61

Financiële intermediatie beperkt zich tot het verwerven van activa en het aangaan van verplichtingen in de vorm van financiële passiva ten opzichte van het grote publiek of een specifiek en relatief groot deel ervan. Indien de activiteit beperkt blijft tot kleine groepen van personen of families, is er geen sprake van financiële intermediatie.

2.62

Er kunnen uitzonderingen zijn op de algemene regel dat financiële intermediatie beperkt is tot financiële transacties op de markt. Voorbeelden hiervan zijn gemeentelijke kredietbanken en spaarbanken die steunen op de betrokken gemeente, of financiëleleasemaatschappijen die voor de verwerving of uitzetting van middelen afhankelijk zijn van een moederonderneming. Om tot de financiële intermediairs te worden gerekend, moeten zij onafhankelijk van de gemeente resp. moederonderneming middelen kunnen aantrekken en uitzetten.

Financiële hulpbedrijven

2.63

Het verlenen van financiële hulpdiensten omvat ondersteunende activiteiten met betrekking tot het verrichten van transacties in financiële activa en passiva of het transformeren of herverpakken van financiële middelen. Financiële hulpbedrijven nemen zelf geen risico's door financiële activa te verwerven of verplichtingen in de vorm van financiële passiva aan te gaan, maar ondersteunen een goed verloop van de financiële intermediatie. Hoofdkantoren waarvan de meeste of alle dochterondernemingen financiële instellingen zijn, zijn financiële hulpbedrijven.

Financiële instellingen m.u.v. financiële intermediairs en financiële hulpbedrijven

2.64

Financiële instellingen m.u.v. financiële intermediairs en financiële hulpbedrijven zijn institutionele eenheden die financiële diensten verlenen waarbij hetzij hun activa hetzij hun passiva voor het merendeel niet op open markten worden verhandeld.

Institutionele eenheden die tot de sector financiële instellingen behoren

2.65

De sector financiële instellingen (S.12) omvat de volgende institutionele eenheden:

a)

particuliere instellingen of instellingen in handen van de overheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

b)

coöperatieve verenigingen en personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

c)

overheidsproducenten met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten;

d)

instellingen zonder winstoogmerk met rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, alsmede instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van financiële instellingen;

e)

hoofdkantoren waarvan de meeste of alle dochterondernemingen zich als financiële instelling hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten. Deze hoofdkantoren worden als financiële hulpbedrijven (S.126) ingedeeld;

f)

holdings met als hoofdfunctie het in bezit hebben van de activa van een groep dochterondernemingen. De opzet van de groep kan financieel of niet-financieel zijn — dit heeft geen invloed op de indeling van holdings als financiële instellingen binnen concernverband (S.127);

g)

SPE's waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verlenen van financiële diensten;

h)

beleggingsfondsen zonder rechtspersoonlijkheid, inclusief beleggingsportefeuilles die eigendom zijn van de groep van deelnemers en die in de regel beheerd worden door andere financiële instellingen. Dergelijke fondsen zijn afzonderlijke institutionele eenheden, afgescheiden van de financiële instellingen die het beheer uitoefenen;

i)

eenheden zonder rechtspersoonlijkheid met als hoofdfunctie financiële intermediatie die aan reglementering en toezicht onderworpen zijn (meestal ingedeeld als deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank, verzekeringsinstellingen of pensioenfondsen), worden geacht zelfstandige beslissingsbevoegdheid te bezitten, alsmede een bestuursvorm die gescheiden is van die van hun eigenaars; hun economisch en financieel gedrag is vergelijkbaar met dat van financiële instellingen. In dat geval worden zij als afzonderlijke institutionele eenheden behandeld. Voorbeelden hiervan zijn bij kantoren van niet-ingezeten financiële instellingen.

Subsectoren van financiële instellingen

2.66

De sector financiële instellingen wordt onderverdeeld in de volgende subsectoren:

a)

centrale bank (S.121);

b)

deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122);

c)

geldmarktfondsen (GMF's) (S.123);

d)

beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124);

e)

overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125);

f)

financiële hulpbedrijven (S.126);

g)

financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127);

h)

verzekeringsinstellingen (S.128), en

i)

pensioenfondsen (S.129).

Combinaties van subsectoren van financiële instellingen

2.67

Onder monetaire financiële instellingen (MFI's), zoals gedefinieerd door de ECB, vallen alle institutionele eenheden in de subsectoren centrale bank (S.121), deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) en GMF's (S.123).

2.68

Onder overige monetaire financiële instellingen vallen de financiële intermediairs via welke de effecten van het monetaire beleid van de centrale bank (S.121) worden doorgegeven naar de overige entiteiten van de economie. Het betreft de deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) en de GMF's (S.123).

2.69

Financiële intermediairs die zich bezighouden met het poolen van risico's, zijn verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's). Zij bestaan uit de subsectoren verzekeringsinstellingen (S.128) en pensioenfondsen (S.129).

2.70

Onder financiële instellingen m.u.v. MFI's en VIPF's vallen de subsectoren beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124), overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125), financiële hulpbedrijven (S.126) en financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127).

Onderverdeling van subsectoren van financiële instellingen in financiële instellingen in handen van de overheid, nationale financiële instellingen in handen van de particuliere sector en financiële instellingen in handen van het buitenland

2.71

Met uitzondering van subsector S.121 wordt iedere subsector onderverdeeld in:

a)

financiële instellingen in handen van de overheid;

b)

nationale financiële instellingen in handen van de particuliere sector, en

c)

financiële instellingen in handen van het buitenland.

Voor deze onderverdeling gelden dezelfde criteria als voor de onderverdeling van niet-financiële vennootschappen (zie de punten 2.51 tot en met 2.54).

Tabel 2.3 —   Sector financiële instellingen en subsectoren

Sectoren en subsectoren

In handen van de overheid

Nationaal, in handen van de particuliere sector

In handen van het buitenland

Financiële instellingen

S.12

 

 

 

Monetaire financiële instellingen (MFI's)

Centrale bank

S.121

 

 

 

Overige monetaire financiële instellingen (OMFI's)

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank

S.122

S.12201

S.12202

S.12203

GMF's

S.123

S.12301

S.12302

S.12303

Financiële instellingen m.u.v. MFI's en verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's)

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's

S.124

S.12401

S.12402

S.12403

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen:

S.125

S.12501

S.12502

S.12503

Financiële hulpbedrijven

S.126

S.12601

S.12602

S.12603

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband

S.127

S.12701

S.12702

S.12703

Verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (VIPF's)

Verzekeringsinstellingen

S.128

S.12801

S.12802

S.12803

Pensioenfondsen

S.129

S.12901

S.12902

S.12903

Centrale bank (S.121)

2.72

Definitie: de subsector centrale bank (S.121) omvat alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie de uitgifte van betaalmiddelen, handhaving van de interne en externe waarde van de valuta en het aanhouden van alle of een gedeelte van de internationale reserves van het land.

2.73

In subsector S.121 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld:

a)

de nationale centrale bank, ook als deze deel uitmaakt van een Europees systeem van centrale banken;

b)

de in hoofdzaak door de overheid opgerichte centrale monetaire instellingen die beschikken over een volledige boekhouding en zelfstandige beslissingsbevoegdheid ten opzichte van de centrale overheid (bv. instellingen voor deviezenverrekening of voor de uitgifte van betaalmiddelen). Indien de activiteiten van dergelijke instellingen hetzij door de centrale overheid hetzij door de centrale bank zelf worden uitgeoefend, is er geen sprake van afzonderlijke institutionele eenheden.

2.74

Subsector S.121 omvat geen instellingen, andere dan de centrale bank, die belast zijn met de reglementering van of het toezicht op financiële instellingen of financiële markten. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122)

2.75

Definitie: de subsector deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank (S.122) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen, m.u.v. die welke in de subsectoren centrale bank en GMF's worden ingedeeld, die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie en waarvan de activiteiten erin bestaan deposito's en/of daarmee vergelijkbare financiële titels van andere institutionele eenheden, en derhalve niet alleen van MFI's, in ontvangst te nemen en voor eigen rekening leningen toe te kennen en/of beleggingen in effecten te verrichten.

2.76

Deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank kunnen niet gewoon „banken” worden genoemd omdat er ook financiële instellingen toe kunnen behoren die zich geen bank noemen of financiële instellingen die zich in bepaalde landen geen bank mogen noemen, terwijl er anderzijds ook financiële instellingen zijn die zich wel bank noemen, maar die in feite geen deposito-instelling zijn. In subsector S.122 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld:

a)

handelsbanken en algemene banken;

b)

spaarbanken (inclusief spaar- en kredietverenigingen);

c)

postcheque- en girodiensten, postbanken, girobanken;

d)

landbouwkredietinstellingen;

e)

coöperatieve kredietinstellingen, kredietverenigingen;

f)

gespecialiseerde banken (bv. merchant banken, emissiebanken, particuliere banken), en

g)

instellingen voor elektronisch geld die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie.

2.77

De volgende financiële intermediairs worden in subsector S.122 ingedeeld indien zij hun middelen verkrijgen via opeisbare schuldtitels, ongeacht of dat geschiedt in de vorm van deposito's of in andere vormen, zoals via de doorlopende uitgifte van langlopende schuldbewijzen:

a)

hypotheekverlenende instellingen (met inbegrip van bouwkassen, hypotheekbanken en hypothecair-kredietinstellingen);

b)

gemeentelijke kredietinstellingen.

Anders worden zij in subsector S.124 ingedeeld.

2.78

Subsector S.122 omvat niet:

a)

hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over andere eenheden van een groep die hoofdzakelijk bestaat uit deposito-instellingen m.u.v. de centrale bank, maar die zelf geen deposito-instelling zijn. Dergelijke hoofdkantoren worden ingedeeld in subsector S.126;

b)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan deposito-instellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126, en

c)

instellingen voor elektronisch geld die zich niet hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie.

GMF's (S.123)

2.79

Definitie: de subsector GMF's (S.123) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen, m.u.v. die welke in de subsectoren centrale bank en kredietinstellingen worden ingedeeld, die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie. Hun activiteiten bestaan erin aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen uit te geven die met deposito's van institutionele eenheden vergelijkbare financiële titels zijn, en voor eigen rekening beleggingen te verrichten, hoofdzakelijk in aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen, kortlopende schuldbewijzen, en/of deposito's.

2.80

In subsector S.123 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld: beleggingsfondsen, met inbegrip van beleggingsmaatschappijen, „unit trusts” en andere collectieve-beleggingsprogramma's waarvan de aandelen of rechten van deelneming met deposito's vergelijkbare financiële titels zijn.

2.81

Subsector S.123 omvat niet:

a)

hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit GMF's, maar die zelf geen GMF zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

b)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan GMF's, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124)

2.82

Definitie: de subsector beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124) bestaat uit alle collectieve-beleggingsprogramma's, m.u.v. die welke in de subsector GMF's worden ingedeeld, die zich hoofdzakelijk bezighouden met financiële intermediatie. Hun activiteiten bestaan erin aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen uit te geven die geen met deposito's van institutionele eenheden vergelijkbare financiële titels zijn, en voor eigen rekening beleggingen te verrichten, hoofdzakelijk in andere financiële activa dan kortlopende financiële activa en in niet-financiële activa (gewoonlijk onroerend goed).

2.83

Beleggingsfondsen m.u.v. GMF's omvatten beleggingsmaatschappijen, „unit trusts” en andere collectieve beleggingsprogramma's waarvan de aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen niet worden beschouwd als met deposito's vergelijkbare financiële titels.

2.84

In subsector S.124 worden de volgende financiële intermediairs ingedeeld:

a)

open-end beleggingsfondsen, waarvan de aandelen of rechten van deelneming op verzoek van de houders direct of indirect uit de activa van de onderneming worden ingekocht of afgelost;

b)

closed-end beleggingsfondsen met vast aandelenkapitaal, waarbij beleggers die tot het fonds toetreden of eruit treden, bestaande aandelen moeten kopen of verkopen;

c)

vastgoedfondsen;

d)

beleggingsfondsen die in andere fondsen beleggen („dakfondsen”);

e)

hedgefondsen, die een groep collectieve-beleggingsprogramma's omvatten, met hoge minimaal te beleggen bedragen werken, aan weinig regelgeving onderworpen zijn en een scala aan beleggingsstrategieën hanteren.

2.85

Subsector S.124 omvat niet:

a)

pensioenfondsen die tot de subsector pensioenfondsen behoren;

b)

overheidsfondsen voor specifieke doeleinden, staatsinvesteringsfondsen genoemd. Een overheidsfonds voor specifieke doeleinden wordt ingedeeld als financiële instelling binnen concernverband indien het een financiële instelling is. Of een „overheidsfonds voor specifieke doeleinden” hetzij in de sector overheid hetzij in de sector financiële instellingen wordt ingedeeld, wordt bepaald aan de hand van de criteria met betrekking tot voor specifieke doeleinden opgerichte eenheden van de overheid, zoals vastgesteld in punt 2.27;

c)

hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit beleggingsfondsen m.u.v. GMF's, maar die zelf geen beleggingsfonds zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

d)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan beleggingsfondsen m.u.v. GMF's, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125)

2.86

Definitie: de subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door het aangaan van verplichtingen, andere dan in chartaal geld, deposito's, aandelen in beleggingsfondsen of in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen, bij institutionele eenheden.

2.87

Subsector S.125 omvat financiële intermediairs die zich voornamelijk bezighouden met langlopende financieringen. Deze overwegend lange looptijd van de financieringen vormt in de meeste gevallen het onderscheid met de OMFI's-subsectoren (S.122 en S.123). Op basis van het ontbreken van verplichtingen in de vorm van aandelen in beleggingsfondsen die niet als met financiële titels vergelijkbare deposito's worden beschouwd, of van verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen kan de scheidslijn met de subsectoren beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (S.124), verzekeringsinstellingen (S.128) en pensioenfondsen (S.129) worden getrokken.

2.88

De subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) is op zijn beurt onderverdeeld in subsectoren die bestaan uit lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten, handelaren in effecten en derivaten, financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen en gespecialiseerde financiële instellingen. Dit wordt in tabel 2.4 weergegeven.

Tabel 2.4 —   Subsector overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen (S.125) en de onderverdeling ervan

Overige financiële intermediairs m.u.v. verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen

lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's);

handelaren in effecten en derivaten;

financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, en

gespecialiseerde financiële instellingen.

2.89

Subsector S.125 omvat geen instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan overige financiële intermediairs, maar die zich zelf niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's)

2.90

Definitie: lege financiële instellingen die securitisatietransacties verrichten (LFI's) zijn ondernemingen die securitisatietransacties tot stand brengen. LFI's die voldoen aan de criteria om als institutionele eenheid te worden beschouwd, worden in S.125 ingedeeld; zo niet, dan worden zij als integrerend deel van de moederonderneming behandeld.

Handelaren in effecten en derivaten, financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, en gespecialiseerde financiële instellingen

2.91

Handelaren in effecten en derivaten (voor eigen rekening) zijn financiële intermediairs voor eigen rekening.

2.92

Financiële instellingen die zich bezighouden met het verstrekken van leningen, omvatten bijvoorbeeld financiële intermediairs die zich bezighouden met:

a)

financiële leasing;

b)

huurkoop en de verlening van consumenten- of handelskrediet, of

c)

factoring.

2.93

Gespecialiseerde financiële instellingen zijn financiële intermediairs, zoals:

a)

risicokapitaal- en ontwikkelingskapitaalmaatschappijen;

b)

export-/importfinancieringsmaatschappijen, of

c)

financiële intermediairs die uitsluitend bij monetaire financiële instellingen deposito's en/of met deposito's vergelijkbare financiële titels verwerven of leningen aangaan; deze financiële intermediairs omvatten ook als centrale tegenpartij optredende clearinginstellingen die transacties met retrocessieovereenkomsten tussen MFI's verrichten.

2.94

Hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep dochterondernemingen met als hoofdfunctie financiële intermediatie en/of het verlenen van financiële hulpdiensten, worden ingedeeld in subsector S.126.

Financiële hulpbedrijven (S.126)

2.95

Definitie: de subsector financiële hulpbedrijven (S.126) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich hoofdzakelijk bezighouden met activiteiten die nauw verband houden met financiële intermediatie, maar zelf geen financiële intermediairs zijn.

2.96

De volgende financiële instellingen en quasivennootschappen worden in subsector S.126 ingedeeld:

a)

assurantietussenpersonen, bergings- en schadeafwikkelingsbedrijven, verzekerings- en pensioenadviseurs enz.;

b)

leningmakelaars, effectenmakelaars, beleggingsadviseurs enz.;

c)

instellingen die de uitgifte van effecten verzorgen;

d)

instellingen met als hoofdfunctie het garanderen van wissels e.d. door middel van endossement;

e)

instellingen die zich bezighouden met de organisatie van transacties in derivaten en afdekkingsinstrumenten zoals swaps, opties en futures (maar deze niet zelf uitgeven);

f)

instellingen die de infrastructuur voor financiële markten verzorgen;

g)

centrale toezichthoudende organen voor financiële intermediairs en financiële markten, voor zover deze als afzonderlijke institutionele eenheden kunnen worden aangemerkt;

h)

beheerders van pensioenfondsen, beleggingsinstellingen enz.;

i)

effectenbeurs- en verzekeringsbeursinstellingen;

j)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten aan financiële instellingen verlenen, maar die zich niet bezighouden met financiële intermediatie (zie punt 2.46, onder d));

k)

betalingsinstellingen (die betalingen tussen koper en verkoper vergemakkelijken).

2.97

Subsector S.126 omvat ook hoofdkantoren waarvan de dochterondernemingen allemaal of voor het merendeel financiële instellingen zijn.

Financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127)

2.98

Definitie: de subsector financiële instellingen en kredietverstrekkers binnen concernverband (S.127) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen die zich noch met financiële intermediatie, noch met het verlenen van financiële hulpdiensten bezighouden en waarvan het merendeel van hetzij de activa hetzij de passiva niet op open markten wordt verhandeld.

2.99

Met name de volgende financiële instellingen en quasivennootschappen worden in subsector S.127 ingedeeld:

a)

eenheden met rechtspersoonlijkheid zoals trusts, nalatenschappen, derdenrekeningen, of brievenbusmaatschappijen;

b)

holdings die een zeggenschapsbelang bezitten in een groep dochterondernemingen en waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het bezitten van de groep zonder dat andere diensten worden verleend aan de ondernemingen waarin zij dat belang bezitten, m.a.w. zij besturen of beheren geen andere eenheden;

c)

SPE's die als institutionele eenheden worden aangemerkt en op open markten financiële middelen aantrekken ten behoeve van hun moederonderneming;

d)

eenheden die uitsluitend met eigen financiële middelen of met door een sponsor verstrekte middelen financiële diensten verlenen aan een reeks cliënten en die het financiële risico van het in gebreke blijven van de schuldenaar op zich nemen. Dit zijn bijvoorbeeld kredietverstrekkers, instellingen die leningen aan studenten of voor buitenlandse handel verstrekken en daarvoor gebruikmaken van financiële middelen die zij van een sponsor zoals een overheidsinstelling of een instelling zonder winstoogmerk hebben ontvangen, en pandhuizen die zich hoofdzakelijk bezighouden met het verstrekken van leningen;

e)

overheidsfondsen voor specifieke doeleinden, gewoonlijk staatsinvesteringsfondsen genoemd, indien zij als financiële instelling worden ingedeeld.

Verzekeringsinstellingen (S.128)

2.100

Definitie: de subsector verzekeringsinstellingen (S.128) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van risico's, hoofdzakelijk in de vorm van directe verzekering of herverzekering (zie punt 2.59).

2.101

Verzekeringsinstellingen verlenen diensten bestaande in:

a)

levens- en schadeverzekering aan individuele eenheden of groepen eenheden;

b)

herverzekering aan andere verzekeringsinstellingen.

2.102

Schadeverzekeringsdiensten kunnen de volgende vorm aannemen:

a)

brandverzekering (bv. voor commercieel en particulier eigendom);

b)

aansprakelijkheidsverzekering (ongevallenverzekering);

c)

motorrijtuigverzekering (casco en wettelijke aansprakelijkheid);

d)

zee-, luchtvaart- en transportverzekering (met inbegrip van energierisico's);

e)

ongevallen- en ziektekostenverzekering, of

f)

financiële verzekering (verstrekking van garanties of borgstellingen).

Financiëleverzekerings- of kredietverzekeringsinstellingen, ook garantiebanken genoemd, verstrekken garanties of borgstellingen om securitisatie- en andere kredietproducten te dekken.

2.103

Verzekeringsinstellingen zijn doorgaans naamloze vennootschappen of onderlinge maatschappijen. Als naamloze vennootschap zijn zij in handen van aandeelhouders; vaak betreft het beursgenoteerde bedrijven. Onderlinge maatschappijen zijn in handen van hun polishouders en keren hun winst door middel van dividenden of bonussen uit aan de „winstgerechtigde” of „participerende” polishouders. Verzekeraars „binnen concernverband” zijn normaliter in handen van een niet-financiële vennootschap en verzekeren meestal de risico's van hun aandeelhouders.

Kader 2.1 —   Soorten verzekeringen

Soort verzekering

Sector/subsector

Directe verzekering

Levensverzekering

De polishouder verricht regelmatig of eenmalig betalingen aan een verzekeraar, in ruil waarvoor de verzekeraar garandeert de polishouder op een vastgestelde datum of eerder een overeengekomen bedrag of een lijfrente uit te keren

Verzekeringsinstellingen

Schadeverzekering

Verzekering ter dekking van risico's zoals ongevallen, ziekte, brand, krediet enz

Verzekeringsinstellingen

Herverzekering

Verzekering genomen door een verzekeraar om zichzelf te beschermen tegen een onverwacht groot aantal claims of buitengewoon hoge claims

Verzekeringsinstellingen

Sociale verzekering

Sociale zekerheid

Deelnemers worden door de overheid verplicht zich te verzekeren tegen bepaalde sociale risico's

Socialezekerheidspensioenen

Socialezekerheidsfondsen

Overige sociale zekerheid

Andere werkgerelateerde sociale verzekering dan sociale zekerheid

Werkgevers kunnen als voorwaarde in de arbeidsovereenkomst opnemen dat werknemers zich verzekeren tegen bepaalde sociale risico's

Werkgerelateerde pensioenen

Sector werkgever, verzekeringsinstellingen en pensioenfondsen of instelling zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens

Overige werkgerelateerde sociale verzekering

2.104

Subsector S.128 omvat niet:

a)

institutionele eenheden die aan elk van beide in punt 2.117 vermelde criteria voldoen. Zij worden ingedeeld in subsector S.1314;

b)

hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit verzekeringsinstellingen, maar die zelf geen verzekeringsinstelling zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

c)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan verzekeringsinstellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Pensioenfondsen (S.129)

2.105

Definitie: de subsector pensioenfondsen (S.129) bestaat uit alle financiële instellingen en quasivennootschappen met als hoofdfunctie financiële intermediatie door middel van het poolen van sociale risico's en behoeften van de verzekerden (sociale verzekering). Pensioenfondsen als socialeverzekeringsregelingen verschaffen een inkomen aan gepensioneerden en vaak uitkeringen bij overlijden en invaliditeit.

2.106

Subsector S.129 bestaat uitsluitend uit de socialeverzekeringspensioenfondsen die als institutionele eenheden losstaan van de eenheden waardoor ze zijn opgericht. Deze fondsen hebben zelfstandige beslissingsbevoegdheid en beschikken over een volledige boekhouding. Niet-zelfstandige pensioenfondsen zijn geen institutionele eenheden en blijven onderdeel van de institutionele eenheid waardoor ze zijn opgericht.

2.107

Voorbeelden van deelnemers aan pensioenfondsregelingen zijn de werknemers van een enkele onderneming of een groep ondernemingen, de werknemers uit een branche of bedrijfstak, dan wel personen met hetzelfde beroep. De uitkeringen die ingevolge het verzekeringscontract worden verstrekt, kunnen zijn:

a)

uitkeringen bij overlijden van de verzekerde aan de weduwe/weduwnaar en kinderen;

b)

pensioenuitkeringen, of

c)

invaliditeitsuitkeringen aan de verzekerde.

2.108

In sommige landen kunnen al deze soorten risico's zowel bij levensverzekeringsinstellingen als bij pensioenfondsen worden verzekerd. In andere landen moeten sommige van deze risico's bij levensverzekeringsinstellingen worden verzekerd. In tegenstelling tot levensverzekeringsinstellingen zijn pensioenfondsen wettelijk beperkt tot specifieke groepen werknemers en zelfstandigen.

2.109

Pensioenfondsregelingen kunnen door werkgevers of door de overheid worden georganiseerd; zij kunnen ook door verzekeringsinstellingen namens werknemers worden georganiseerd; bovendien kunnen er afzonderlijke institutionele eenheden worden opgericht voor het in bezit hebben en beheren van de activa die worden gebruikt om de pensioenrechten te honoreren en de pensioenen uit te keren.

2.110

Subsector S.129 omvat niet:

a)

institutionele eenheden die aan elk van beide in punt 2.117 vermelde criteria voldoen. Zij worden ingedeeld in subsector S.1314;

b)

hoofdkantoren die toezicht uitoefenen op en het beheer hebben over een groep die hoofdzakelijk bestaat uit pensioenfondsen, maar die zelf geen pensioenfonds zijn. Zij worden ingedeeld in subsector S.126;

c)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die diensten verlenen aan verzekeringsinstellingen, maar zich niet bezighouden met financiële intermediatie. Zij worden ingedeeld in subsector S.126.

Overheid (S.13)

2.111

Definitie: de sector overheid (S.13) bestaat uit institutionele eenheden die niet-marktproducenten zijn waarvan de output voor individueel of collectief verbruik is bestemd, en die worden gefinancierd uit verplichte betalingen door eenheden die tot andere sectoren behoren, en institutionele eenheden die zich in hoofdzaak bezighouden met de herverdeling van het nationale inkomen en vermogen.

2.112

Tot sector S.13 behoren bijvoorbeeld de volgende institutionele eenheden:

a)

instellingen van de overheid die bij wet zijn ingesteld om juridisch gezag uit te oefenen over andere eenheden in het economische gebied, en die een geheel van activiteiten, hoofdzakelijk bestaande in de levering van niet-marktgoederen en -diensten, ten behoeve van de samenleving beheren en financieren;

b)

ondernemingen of quasivennootschappen waarvan de output hoofdzakelijk niet-marktoutput is en waarover een overheidsinstelling zeggenschap heeft;

c)

instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid die niet-marktproducent zijn en waarover de overheid zeggenschap heeft;

d)

zelfstandige pensioenfondsen, mits er een wettelijke verplichting is om bij te dragen en de overheid het fonds beheert wat de vaststelling en goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft.

2.113

De sector overheid is onderverdeeld in vier subsectoren:

a)

centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311);

b)

deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312);

c)

lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313);

d)

socialezekerheidsfondsen (S.1314).

Centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311)

2.114

Definitie: de subsector centrale overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1311) omvat alle bestuursinstellingen van de staat en andere centrale organen waarvan de bevoegdheid zich gewoonlijk over het gehele economische gebied uitstrekt, met uitzondering van socialezekerheidsfondsen.

Subsector S.1311 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk waarover de centrale overheid zeggenschap heeft en waarvan de bevoegdheid zich over het gehele economische gebied uitstrekt.

Marktregulerende instellingen die uitsluitend of hoofdzakelijk subsidies verdelen, worden in subsector S.1311 ingedeeld. Marktregulerende instellingen die uitsluitend of hoofdzakelijk landbouwproducten of levensmiddelen aankopen, opslaan en verkopen, worden in subsector S.11 ingedeeld.

Deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312)

2.115

Definitie: de subsector deelstaatoverheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1312) bestaat uit die typen van bestuursinstellingen die afzonderlijke institutionele eenheden zijn en die bepaalde overheidsfuncties, met uitzondering van het beheer van sociale zekerheidsfondsen, uitoefenen op een lager niveau dan de centrale overheid en op een hoger niveau dan de institutionele eenheden van de lagere overheid.

Subsector S.1312 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk waarover de deelstaatoverheid zeggenschap heeft en waarvan de bevoegdheid beperkt is tot het economische gebied van de deelstaat.

Lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313)

2.116

Definitie: de subsector lagere overheid (m.u.v. socialezekerheidsfondsen) (S.1313) omvat de instellingen van openbaar bestuur waarvan de bevoegdheid zich slechts tot een lokaal gedeelte van het economische gebied uitstrekt, met uitzondering van de plaatselijke instellingen van socialezekerheidsfondsen.

Subsector S.1313 omvat ook de instellingen zonder winstoogmerk waarover de lagere overheid zeggenschap heeft en waarvan de bevoegdheid beperkt is tot het economische gebied van de lagere overheid.

Socialezekerheidsfondsen (S.1314)

2.117

Definitie: de subsector socialezekerheidsfondsen (S.1314) omvat de institutionele eenheden op centraal, deelstaat- en lokaal niveau waarvan de hoofdactiviteit bestaat in het verstrekken van sociale uitkeringen en die aan elk van de volgende twee criteria voldoen:

a)

bepaalde bevolkingsgroepen zijn bij wet- of regelgeving verplicht aan de regeling deel te nemen dan wel premies te betalen, en

b)

de overheid is verantwoordelijk voor het beheer van de instelling wat de vaststelling of goedkeuring van de premies en uitkeringen betreft, ongeacht haar rol als toezichthoudend orgaan of werkgever.

Gewoonlijk is er geen rechtstreeks verband tussen de hoogte van een door een individu betaalde premie en het risico waaraan hij is blootgesteld.

Huishoudens (S.14)

2.118

Definitie: de sector huishoudens (S.14) bestaat uit personen of groepen van personen in hun hoedanigheid van consument en personen of groepen van personen die als ondernemer goederen en al dan niet financiële diensten voor de markt produceren (marktproducenten), voor zover de goederen en diensten niet worden geproduceerd door afzonderlijke entiteiten die als quasivennootschap worden aangemerkt. Deze sector omvat ook personen of groepen van personen die als producent uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen.

Huishoudens in hun hoedanigheid van consument kunnen worden gedefinieerd als kleine groepen van personen die dezelfde woning delen, die hun inkomen en vermogen samenvoegen en die bepaalde soorten goederen en diensten, voornamelijk huisvesting en voedsel, gezamenlijk verbruiken.

De voornaamste middelen van huishoudens zijn:

a)

beloning van werknemers;

b)

inkomen uit vermogen;

c)

inkomensoverdrachten van andere sectoren;

d)

opbrengsten uit de verkoop van marktproducten, en

e)

toegerekende opbrengsten uit de productie voor eigen consumptie.

2.119

De sector huishoudens omvat:

a)

personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie;

b)

personen die permanent in instellingen wonen en die weinig of geen bevoegdheid hebben zelfstandig op te treden of beslissingen te nemen in economische aangelegenheden (bv. leden van religieuze orden die in kloosters wonen, chronisch zieken in ziekenhuizen, langgestraften in gevangenissen, permanente bewoners van verzorgingstehuizen). Deze personen worden als één institutionele eenheid, d.w.z. als één huishouden, beschouwd;

c)

personen of groepen van personen met consumptie als hoofdfunctie, die uitsluitend voor eigen finaal gebruik goederen en niet-financiële diensten voortbrengen; in het systeem zijn slechts twee categorieën diensten voor eigen consumptie inbegrepen: diensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten door betaald huishoudelijk personeel;

d)

eenmanszaken en personenvennootschappen zonder rechtspersoonlijkheid, voor zover zij niet als quasivennootschappen worden behandeld, die marktproducent zijn, en

e)

instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van huishoudens, die geen rechtspersoonlijkheid bezitten, of die wel rechtspersoonlijkheid bezitten, maar die van geringe betekenis zijn.

2.120

In het ESR 2010 is de sector huishoudens onderverdeeld in de volgende subsectoren:

a)

werkgevers (S.141) en zelfstandigen (S.142);

b)

werknemers (S.143);

c)

huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441);

d)

huishoudens met pensioeninkomen (S.1442);

e)

huishoudens met overige overdrachten (S.1443).

2.121

Bij de indeling van de huishoudens in subsectoren wordt uitgegaan van de voornaamste inkomensbron (inkomen uit zelfstandige bedrijfsuitoefening, beloning van werknemers enz.) van het huishouden in zijn geheel. Indien door een huishouden meer dan één inkomen van dezelfde categorie wordt ontvangen, wordt bij de indeling rekening gehouden met het totale inkomen van het huishouden in elk van de categorieën.

Werkgevers en zelfstandigen (S.141 en S.142)

2.122

Definitie: de subsector werkgevers en zelfstandigen (S.141 en S.142) bestaat uit de huishoudens waarvoor het (gemengde) inkomen (B.3) dat de eigenaars van tot het huishouden behorende ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid uit hun activiteit als producent van marktgoederen en -diensten (al dan niet met betaalde werknemers) ontvangen, de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is, zelfs al is dat niet meer dan de helft van het totale inkomen van het huishouden.

Werknemers (S.143)

2.123

Definitie: de subsector werknemers (S.143) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit de beloning van werknemers (D.1) de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441)

2.124

Definitie: de subsector huishoudens met inkomen uit vermogen (S.1441) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit vermogen (D.4) de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met pensioeninkomen (S.1442)

2.125

Definitie: de subsector huishoudens met pensioeninkomen (S.1442) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit pensioenen de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Huishoudens met pensioeninkomen zijn huishoudens waarvan het grootste bron van het inkomen bestaat uit ouderdoms- of andere pensioenen, inclusief pensioenen van vorige werkgevers.

Huishoudens met overige overdrachten (S.1443)

2.126

Definitie: de subsector huishoudens met overige overdrachten (S.1443) bestaat uit de huishoudens waarvoor het inkomen uit overige overdrachten de voornaamste bron van inkomsten voor het huishouden in zijn geheel is.

Onder overige overdrachten worden verstaan alle lopende inkomsten behalve inkomen uit vermogen, pensioenen en inkomen van personen die blijvend in instellingen wonen.

2.127

Indien geen informatie over de relatieve bijdragen van de bronnen van inkomsten van een huishouden in zijn geheel beschikbaar is voor de indeling in subsectoren, wordt het inkomen van de referentiepersoon gebruikt voor de indeling. De referentiepersoon van een huishouden is degene met het hoogste inkomen. Indien dit niet bekend is, wordt de indeling gebaseerd op het inkomen van de persoon die verklaart de referentiepersoon te zijn.

2.128

Er kunnen andere criteria worden gebruikt voor de indeling van huishoudens in subsectoren, bijvoorbeeld naar de activiteit van huishoudens in hun hoedanigheid van ondernemer: agrarische huishoudens en niet-agrarische huishoudens.

Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens (S.15)

2.129

Definitie: de sector instellingen zonder winstoogmerk izw's) ten behoeve van huishoudens (S.15) bestaat uit izw's met rechtspersoonlijkheid die werken ten behoeve van huishoudens en die particuliere niet-marktproducent zijn. De voornaamste middelen van deze instellingen zijn vrijwillige bijdragen, in geld of in natura, van huishoudens in hun hoedanigheid van consument, betalingen door de overheid en inkomen uit vermogen.

2.130

Indien dergelijke instellingen van geringe betekenis zijn, worden zij niet tot de sector izw's t.b.v. huishoudens, maar tot de sector huishoudens (S.14) gerekend, omdat hun transacties niet te onderscheiden zijn van de transacties van eenheden in die sector. Niet-markt-izw's t.b.v. huishoudens waarover de overheid zeggenschap heeft, worden ingedeeld in de sector overheid (S.13).

De sector izw's t.b.v. huishoudens omvat met name de volgende instellingen die niet-marktgoederen en -diensten aan huishoudens leveren:

a)

vakbonden, beroepsorganisaties, wetenschappelijke verenigingen, consumentenverenigingen, politieke partijen, kerkgenootschappen en religieuze organisaties (inclusief die welke door de overheid worden gefinancierd, maar waarover de overheid geen zeggenschap heeft), sociale, culturele, recreatieve en sportverenigingen, en

b)

liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties die worden gefinancierd door vrijwillige bijdragen in geld of in natura van andere institutionele eenheden.

Sector S.15 omvat liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties ten behoeve van niet-ingezeten eenheden, maar geen entiteiten waarvan de leden een recht hebben op een van te voren vastgesteld pakket goederen en diensten.

Buitenland (S.2)

2.131

Definitie: onder de sector buitenland (S.2) wordt een groep eenheden verstaan die niet worden gekenmerkt door hun functie of inkomensbron. Het omvat niet-ingezeten eenheden, voor zover deze transacties plegen met ingezeten institutionele eenheden of andere economische banden hebben met ingezeten eenheden. De buitenlandrekeningen geven een overzicht van de economische betrekkingen tussen de nationale economie en het buitenland. De instellingen van de EU en internationale organisaties behoren ook hiertoe.

2.132

Het buitenland is geen sector waarvoor een volledig rekeningenstelsel moet worden samengesteld, maar wordt gemakshalve als sector behandeld. Sectoren worden verkregen door opsplitsing van de totale economie in homogene groepen van ingezeten institutionele eenheden die wat hun economisch gedrag, doelstellingen en functies betreft, bepaalde overeenkomsten vertonen. Dit geldt niet voor de sector buitenland: onder deze sector vallen de transacties en overige stromen van niet-financiële vennootschappen, financiële instellingen, instellingen zonder winstoogmerk, huishoudens en overheid enerzijds met niet-ingezeten institutionele eenheden anderzijds, alsmede andere economische betrekkingen tussen ingezetenen en niet-ingezetenen, bijvoorbeeld vorderingen van ingezetenen op niet-ingezetenen.

2.133

De buitenlandrekeningen omvatten uitsluitend transacties tussen ingezeten institutionele eenheden en niet-ingezeten eenheden, met de volgende uitzonderingen:

a)

door ingezeten eenheden verleende vervoerdiensten (tot de grens van het land van uitvoer) in verband met de invoer van goederen worden in de buitenlandrekeningen geregistreerd als fob-invoer, ook al worden zij door ingezeten eenheden geproduceerd;

b)

transacties in buitenlandse activa tussen ingezetenen die in de binnenlandse economie tot verschillende sectoren behoren, worden opgenomen in de gedetailleerde financiële buitenlandrekeningen. Deze transacties hebben geen invloed op de financiële positie van het land ten opzichte van het buitenland; zij leiden tot wijzigingen in de financiële verhoudingen van de afzonderlijke sectoren met het buitenland;

c)

transacties met betrekking tot de financiële passiva van het land tussen niet-ingezetenen die tot verschillende geografische gebieden behoren, worden opgenomen bij de geografische opsplitsing van de buitenlandrekeningen; hoewel deze transacties de totale financiële passiva van het land jegens het buitenland niet beïnvloeden, leiden zij toch tot een wijziging in de financiële passiva jegens de verschillende delen van de wereld.

2.134

De sector buitenland (S.2) wordt onderverdeeld in:

a)

lidstaten en instellingen en organen van de Europese Unie (S.21):

1.

lidstaten van de Europese Unie (S.211);

2.

instellingen en organen van de Europese Unie (S.212);

b)

niet-lidstaten en internationale organisaties die niet in de EU gevestigd zijn (S.22).

Sectorindeling van de productie-eenheden naar gangbare rechtsvorm

2.135

Het volgende overzicht en de punten 2.31 tot en met 2.44 vatten de beginselen van de sectorindeling van de productie-eenheden samen, waarbij wordt uitgegaan van de gangbare benamingen van de voornaamste soorten instellingen.

2.136

Particuliere en overheidsondernemingen die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a)

indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b)

indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen).

2.137

Coöperaties en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a)

indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b)

indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen).

2.138

Overheidsproducenten die op grond van een bijzonder statuut rechtspersoonlijkheid bezitten en marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a)

indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b)

indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen).

2.139

Overheidsproducenten zonder rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a)

indien zij quasivennotschappen zijn:

1.

indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

2.

indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen);

b)

indien zij geen quasivennootschap zijn: in sector S.13 (overheid) omdat zij integrerend deel blijven uitmaken van de eenheden die er zeggenschap over hebben.

2.140

Instellingen zonder winstoogmerk (verenigingen en stichtingen) met eigen rechtspersoonlijkheid worden als volgt ingedeeld:

a)

indien zij marktproducent zijn en de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

b)

indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen);

c)

indien zij geen marktproducent zijn:

1.

in sector S.13 (overheid) indien zij overheidsproducent zijn waarover de overheid zeggenschap heeft;

2.

sector S.15 (instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens) indien zij particulier producent zijn.

2.141

Eenmanszaken en personenvennootschappen zonder eigen rechtspersoonlijkheid die marktproducent zijn, worden als volgt ingedeeld:

a)

indien zij quasivennootschap zijn:

1.

indien de hoofdfunctie bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen);

2.

indien de hoofdfunctie bestaat in financiële intermediatie en het verlenen van financiële hulpdiensten: in sector S.12 (financiële instellingen);

b)

indien zij geen quasivennootschap zijn: in sector S.14 (huishoudens).

2.142

Hoofdkantoren worden als volgt ingedeeld:

a)

indien de hoofdfunctie van de groep ondernemingen die marktproducent zijn, in haar geheel bestaat in de productie van goederen en niet-financiële diensten: in sector S.11 (niet-financiële vennootschappen) (zie punt 2.46, onder e));

b)

indien de hoofdfunctie van de groep ondernemingen in haar geheel bestaat in financiële intermediatie: in sector S.12 (financiële instellingen) (zie punt 2.65, onder e)).

Holdings die activa van een groep dochterondernemingen bezitten, worden altijd als financiële instelling behandeld. Holdings bezitten de activa van een groep ondernemingen, maar verrichten geen beheersactiviteiten ten aanzien van de groep.

2.143

Tabel 2.5 geeft een schematisch overzicht van de verschillende gevallen die hierboven zijn opgesomd.

Tabel 2.5 —   Sectorindeling van de productie-eenheden naar gangbare rechtsvorm

Type producent

Gangbare benaming

Marktproducenten (goederen en niet-financiële diensten)

Marktproducenten (financiële intermediatie)

Niet-marktproducenten

Overheidsproducenten

Particuliere producenten

Particuliere en overheidsondernemingen

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Coöperaties en personenvennootschappen met eigen rechtspersoonlijkheid

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overheidsproducenten met een bijzonder statuut dat hun rechtspersoonlijkheid verleent

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overheidsproducenten zonder eigen rechtspersoonlijkheid

met de kenmerken van quasivennootschappen

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overige

 

 

S.13 Overheid

 

Instellingen zonder winstoogmerk met eigen rechtspersoonlijkheid

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

S.13 Overheid

S.15 Instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens

Personenvennootschappen zonder eigen rechtspersoonlijkheid

Eenmanszaken

Met de kenmerken van quasivennootschappen

S.11 Niet-financiële vennootschappen

S.12 Financiële instellingen

 

 

Overige

S.14 huishoudens

S.14 huishoudens

 

 

Hoofdkantoren die zeggenschap hebben over een groep ondernemingen wier activiteit in overwegende mate de productie behelst van:

goederen en niet-financiële diensten

S.11 Niet-financiële vennootschappen

 

 

 

financiële diensten

 

S.12 Financiële instellingen

 

 

EENHEDEN VAN ECONOMISCHE ACTIVITEIT OP LOKAAL NIVEAU (LOKALE EEA'S) EN BEDRIJFSTAKKEN

2.144

De meeste institutionele eenheden die goederen en diensten produceren, oefenen meerdere activiteiten tegelijkertijd uit. Zij kunnen naast een hoofdactiviteit ook enkele nevenactiviteiten en hulpactiviteiten uitoefenen.

2.145

Een activiteit is het gecombineerde gebruik van middelen (kapitaalgoederen, arbeid, procedés, informatienetwerken, producten) om bepaalde goederen of diensten voort te brengen. Een activiteit wordt gekenmerkt door een input van producten, een productieproces en een output van producten.

De activiteiten kunnen worden bepaald aan de hand van een specifiek niveau van de NACE Rev. 2.

2.146

Indien binnen een eenheid verschillende activiteiten worden uitgeoefend, worden deze — voor zover het niet om hulpactiviteiten (zie hoofdstuk 3, punt 3.12) gaat — gerangschikt naar de omvang van de bruto toegevoegde waarde die zij genereren. Op basis van de omvang van de bruto toegevoegde waarde die zij genereren, wordt dan een onderscheid gemaakt tussen hoofdactiviteit en nevenactiviteiten.

2.147

Voor een analyse van de stromen die zich voordoen bij het productieproces en bij het gebruik van goederen en diensten, moeten eenheden worden gekozen die de technisch-economische relaties belichten. Dit betekent dat institutionele eenheden moeten worden gesplitst in kleinere eenheden, die qua aard van de productie homogener zijn. Eenheden van economische activiteit op lokaal niveau zijn bedoeld om, als operationele benadering, hieraan tegemoet te komen.

Eenheid van economische activiteit op lokaal niveau

2.148

Definitie: de eenheid van economische activiteit op lokaal niveau (lokale EEA) is het deel van een eenheid van economische activiteit (EEA) dat overeenkomt met een lokale eenheid. Een lokale EEA wordt in het 2008 SNA en de ISIC Rev. 4 „establishment” genoemd. Tot een EEA behoren alle delen van een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent die bijdragen tot de uitoefening van een activiteit op viercijferniveau (klassen) van de NACE Rev. 2. De EEA valt samen met één of meer operationele onderdelen van de institutionele eenheid. Van de lokale EEA's moeten door het informatiesysteem van de institutionele eenheid ten minste de volgende gegevens kunnen worden verstrekt of geraamd: productiewaarde, intermediair verbruik, beloning van werknemers, exploitatieoverschot, werkzame personen en bruto-investeringen in vaste activa.

De lokale eenheid is een goederen of diensten producerende institutionele eenheid of een deel daarvan, gelegen op een geografisch bepaalde plaats.

Een lokale EEA kan overeenkomen met een institutionele eenheid in haar hoedanigheid van producent; zij kan daarentegen nooit tot twee verschillende institutionele eenheden behoren.

2.149

Indien een goederen of diensten producerende institutionele eenheid een hoofdactiviteit en één of meer nevenactiviteiten uitoefent, wordt zij in even zo vele EEA's onderverdeeld, en wel zodanig dat de nevenactiviteiten onderscheiden worden van de hoofdactiviteit. Hulpactiviteiten worden niet van de hoofdactiviteit of de nevenactiviteiten afgesplitst. EEA's die bij een bepaalde activiteit zijn ingedeeld, kunnen evenwel ook producten voortbrengen die niet tot de betrokken homogene productgroep behoren, maar voortvloeien uit nevenactiviteiten waarover uit de beschikbare boekhoudkundige bescheiden geen afzonderlijke gegevens kunnen worden afgeleid. Een EEA kan dus één of meer nevenactiviteiten uitvoeren.

Bedrijfstak

2.150

Definitie: een bedrijfstak bestaat uit een groep lokale EEA's die dezelfde of overeenkomstige activiteiten uitoefenen. Op het meest gedetailleerde niveau bestaat een bedrijfstak uit alle lokale EEA's die tot hetzelfde viercijferniveau (klassen) van de NACE Rev. 2 behoren en die derhalve dezelfde activiteit, zoals omschreven in de NACE Rev. 2, uitoefenen.

Bedrijfstakken omvatten zowel lokale EEA's die marktgoederen en -diensten voortbrengen als lokale EEA's die niet-marktgoederen en -diensten voortbrengen. Een bedrijfstak bestaat per definitie uit een groep lokale EEA's die dezelfde productieactiviteit uitoefenen, ongeacht of de institutionele eenheden waartoe zij behoren markt- of niet-marktoutput voortbrengen.

2.151

Bedrijfstakken worden in drie categorieën onderverdeeld:

a)

bedrijfstakken die marktgoederen en -diensten (marktbedrijfstakken) en goederen en diensten voor eigen finaal gebruik produceren. Diensten voor eigen finaal gebruik zijn woondiensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel;

b)

bedrijfstakken die niet-marktgoederen en -diensten van de overheid produceren: niet-marktbedrijfstakken van de overheid;

c)

bedrijfstakken die niet-marktgoederen en -diensten van instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens produceren: niet-marktbedrijfstakken van izw's t.b.v. huishoudens.

Indeling van bedrijfstakken

2.152

De indeling van lokale EEA's in bedrijfstakken geschiedt op basis van de NACE Rev. 2.

HOMOGENE PRODUCTIE-EENHEDEN EN HOMOGENE BRANCHES

2.153

Voor de analyse van het productieproces is de homogene productie-eenheid de meest geschikte eenheid. Deze eenheid oefent één enkele activiteit uit, die wordt bepaald door de input, het productieproces en de output.

Homogene productie-eenheid

2.154

Definitie: een homogene productie-eenheid oefent één enkele activiteit uit, die wordt gekenmerkt door de input, het productieproces en de output. De verbruikte en voortgebrachte producten worden ingedeeld op grond van hun fysieke eigenschappen, de mate van bewerking en de toegepaste productietechniek. Hiervoor wordt gebruikgemaakt van een classificatie van producten Classification of Products by Activity — CPA). De CPA is een classificatie van producten, waarvan de onderdelen zijn onderverdeeld op basis van de industriële oorsprong, zoals gedefinieerd in de NACE Rev. 2.

Homogene branche

2.155

Definitie: de homogene branche bestaat uit een groep homogene productie-eenheden. Het geheel van activiteiten uitgeoefend door een homogene branche, wordt beschreven aan de hand van een classificatie van producten. De homogene branche produceert uitsluitend de in de classificatie omschreven goederen en diensten.

2.156

Homogene branches zijn eenheden bestemd voor economische analyse. Omdat de homogene productie-eenheden in het algemeen niet direct kunnen worden waargenomen, moeten gegevens die tijdens statistische enquêtes door de eenheden worden verstrekt, worden herschikt om homogene branches samen te stellen.

 

HOOFDSTUK 3

TRANSACTIES IN PRODUCTEN EN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA

TRANSACTIES IN PRODUCTEN IN HET ALGEMEEN

3.01

Definitie: producten zijn alle goederen en diensten die worden voortgebracht binnen de productiegrens. Productie wordt gedefinieerd in punt 3.07.

3.02

Het ESR onderscheidt de volgende hoofdcategorieën van transacties in producten:

Categorieën transacties

Code

Output

P.1

Intermediair verbruik

P.2

Consumptieve bestedingen

P.3

Werkelijke consumptie

P.4

Bruto-investeringen

P.5

Uitvoer van goederen en diensten

P.6

Invoer van goederen en diensten

P.7

3.03

Transacties in producten worden als volgt geregistreerd:

a)

in de goederen-en-dienstenrekening worden de output en de invoer onder de middelen en de overige transacties in producten onder de bestedingen geregistreerd;

b)

in de productierekening wordt de output onder de middelen en het intermediair verbruik onder de bestedingen geregistreerd; de bruto toegevoegde waarde is het saldo van deze twee transacties in producten;

c)

in de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen worden de consumptieve bestedingen onder de bestedingen geregistreerd;

d)

in de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen wordt de werkelijke consumptie onder de bestedingen geregistreerd;

e)

in de kapitaalrekening worden de bruto-investeringen onder de bestedingen (als mutatie in de niet-financiële activa) geregistreerd;

f)

in de rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland wordt de invoer van goederen en diensten onder de middelen en de uitvoer van goederen en diensten onder de bestedingen geregistreerd.

Veel belangrijke saldi in de rekeningen, zoals toegevoegde waarde, bruto binnenlands product, nationaal inkomen en beschikbaar inkomen, worden gedefinieerd in termen van transacties in producten. De definitie van transacties in producten definieert deze saldi.

3.04

In de aanbodtabel (zie punt 1.136) worden de output en de invoer als aanbod geregistreerd. In de gebruiktabel worden het intermediair verbruik, de bruto-investeringen, de consumptieve bestedingen en de uitvoer als gebruik geregistreerd. In de symmetrische input-outputtabel worden de output en de invoer als aanbod geregistreerd en de andere transacties in producten als gebruik.

3.05

Het aanbod van producten wordt tegen basisprijzen (gedefinieerd in punt 3.44) gewaardeerd en het gebruik tegen aankoopprijzen (gedefinieerd in punt 3.06). Voor sommige soorten aanbod en gebruik, bijvoorbeeld voor de in- en uitvoer van goederen, worden speciale waarderingsregels gehanteerd.

3.06

Definitie:

De aankoopprijs is de prijs die de koper voor de producten betaalt. De aankoopprijs omvat:

a)

het saldo van productgebonden belastingen en subsidies (maar exclusief aftrekbare productgebonden belastingen zoals de btw);

b)

door de koper apart betaalde vervoerskosten voor levering op een bepaalde plaats en tijd;

c)

de aftrek van eventuele kortingen op de normale prijzen of kosten bij aankopen in het groot of buiten een piekperiode.

De aankoopprijs omvat niet:

a)

rente of vergoedingen voor verleende diensten in verband met een kredietregeling;

b)

extra kosten in verband met te late betaling, waarbij te late betaling betekent dat niet binnen de bij de aankoop vastgestelde periode is betaald.

Indien het moment van gebruik niet samenvalt met het moment van aankoop, worden correcties aangebracht om rekening te houden met tussentijdse prijsveranderingen (op soortgelijke wijze als bij veranderingen in de prijzen van voorraden). Dergelijke correcties zijn belangrijk indien de prijzen van de betrokken producten binnen een jaar aanmerkelijk fluctueren.

PRODUCTIE EN OUTPUT

3.07

Definitie: productie is een activiteit die wordt uitgeoefend onder toezicht, verantwoordelijkheid en beheer van een institutionele eenheid die arbeid, kapitaal en goederen en diensten als input gebruikt om een output van goederen en diensten voort te brengen.

Natuurlijke processen waarbij de mens niet is betrokken en waaraan hij geen richting geeft, zoals de ongecontroleerde toename van de visstand in internationale wateren, vallen niet onder productie, maar het kweken van vis wel.

3.08

Productie omvat:

a)

de voortbrenging van alle individuele of collectieve goederen en diensten die aan andere eenheden dan de producent zelf worden geleverd;

b)

de voortbrenging in eigen beheer van alle goederen voor eigen consumptie of voor bruto-investeringen in vaste activa van de producent zelf.

Bij de voortbrenging in eigen beheer van goederen voor bruto-investeringen in vaste activa kan het onder meer gaan om de productie van vaste activa zoals gebouwen, de ontwikkeling van computerprogrammatuur en de exploratie van minerale reserves voor bruto-investeringen in vaste activa. Het begrip bruto-investeringen in vaste activa wordt beschreven in de punten 3.124-3.138.

Het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens betreft in het algemeen:

1.

het in eigen beheer bouwen van woningen;

2.

het produceren en opslaan van landbouwproducten;

3.

het verwerken van landbouwproducten zoals het produceren van meel door graan te malen, het conserveren van fruit door dit te drogen of in te maken, het produceren van zuivelproducten als boter en kaas en het produceren van bier, wijn en gedistilleerde dranken;

4.

het produceren van andere basisproducten zoals het winnen van zout of water en het steken van turf;

5.

andere activiteiten zoals weven, pottenbakken en het vervaardigen van meubelen;

c)

het produceren van woondiensten door bewoners van een eigen huis;

d)

huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel;

e)

vrijwilligerswerk waarbij goederen worden voortgebracht. Voorbeelden hiervan zijn het bouwen van een woning, een kerk of een ander gebouw. Vrijwilligerswerk waarbij geen goederen worden voortgebracht, bijvoorbeeld verzorging en schoonmaken zonder betaling, blijft buiten beschouwing.

De hierboven onder a) tot en met e) genoemde activiteiten worden ook als productie in aanmerking genomen indien ze illegaal plaatsvinden of wanneer ze niet geregistreerd zijn bij de belastingdienst, de sociale zekerheid, de statistische dienst of bij andere overheidsinstellingen.

Het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens wordt alleen geregistreerd indien de productie significant is, d.w.z. indien de geproduceerde hoeveelheid een groot aandeel uitmaakt van het totale aanbod van dat goed in een land.

Alleen het bouwen van woningen en het produceren, opslaan en verwerken van landbouwproducten worden in aanmerking genomen als het in eigen beheer voortbrengen van goederen door huishoudens.

3.09

Het voortbrengen van huishoudelijke en persoonlijke diensten die binnen hetzelfde huishouden worden geproduceerd en verbruikt, wordt niet als productie beschouwd. Voorbeelden van door huishoudens zelf geproduceerde huishoudelijke diensten die buiten beschouwing blijven, zijn:

a)

reiniging, decoratie en onderhoud van de woning, voor zover deze activiteiten gewoonlijk ook door huurders worden verricht;

b)

reiniging, onderhoud en reparatie van duurzame consumptiegoederen;

c)

bereiden en opdienen van maaltijden;

d)

verzorgen en opvoeden van kinderen;

e)

verzorgen van zieken, gebrekkigen en bejaarden, en

f)

vervoer van leden van het huishouden of van hun goederen.

Huishoudelijke en persoonlijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel en de woondiensten van bewoners van een eigen huis worden wel in de productie opgenomen.

Hoofd-, neven- en hulpactiviteiten

3.10

Definitie: de hoofdactiviteit van een lokale EEA is de activiteit waarvan de toegevoegde waarde groter is dan die van enige andere binnen dezelfde eenheid uitgeoefende activiteit. De hoofdactiviteit wordt geclassificeerd aan de hand van de NACE Rev. 2, eerst op het hoogste classificatieniveau en vervolgens op gedetailleerdere niveaus.

3.11

Definitie: een nevenactiviteit is een activiteit die binnen eenzelfde lokale EEA naast de hoofdactiviteit wordt uitgeoefend. De output van een nevenactiviteit is een nevenproduct.

3.12

Definitie: een hulpactiviteit is een activiteit waarvan de output voor gebruik binnen een onderneming bestemd is.

Een hulpactiviteit is een ondersteunende activiteit die binnen een onderneming wordt uitgeoefend om het mogelijk te maken de hoofd- of nevenactiviteiten van lokale EEA's uit te oefenen. Alle input die een hulpactiviteit verbruikt — materialen, arbeid, verbruik van vaste activa enz. —, wordt behandeld als input van de hoofd- of nevenactiviteit die zij ondersteunt.

Voorbeelden van hulpactiviteiten zijn:

a)

inkoop;

b)

verkoop;

c)

marketing;

d)

boekhouding;

e)

gegevensverwerking;

f)

vervoer;

g)

opslag;

h)

onderhoud;

i)

reiniging, en

j)

beveiliging.

Ondernemingen hebben de keus tussen het zelf uitvoeren van een hulpactiviteit of het kopen van dergelijke diensten van gespecialiseerde producenten.

De productie van goederen ten behoeve van eigen investeringen is geen hulpactiviteit.

3.13

Hulpactiviteiten mogen niet worden afgezonderd om separate entiteiten te vormen of worden gescheiden van de hoofdactiviteiten of secundaire activiteiten die zij ondersteunen. Zij moeten daarom worden geïntegreerd in de lokale EEA die zij ondersteunen.

Hulpactiviteiten kunnen worden uitgeoefend op een andere plaats, zelfs in een andere regio dan de lokale EEA die zij ondersteunen. Strikte toepassing van de in de voorgaande alinea genoemde regel voor de geografische toerekening van hulpactiviteiten zou leiden tot een onderschatting van de aggregaten in de regio's waar zij zijn geconcentreerd. In overeenstemming met het vestigingsbeginsel moeten hulpactiviteiten daarom worden toegerekend aan de regio waar zij plaatsvinden; zij blijven echter tot dezelfde bedrijfstak behoren als de lokale EEA die zij ondersteunen.

Output (P.1)

3.14

Definitie: output is het totaal aan producten dat tijdens de verslagperiode is voortgebracht.

Voorbeelden van output zijn:

a)

goederen en diensten die door de ene lokale EEA worden geleverd aan een andere lokale EEA die tot dezelfde institutionele eenheid behoort;

b)

de door een lokale EEA geproduceerde goederen die aan het eind van de periode waarin zij zijn geproduceerd, in voorraad blijven, ongeacht het latere gebruik. Goederen en diensten die binnen eenzelfde verslagperiode binnen eenzelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt, worden niet afzonderlijk geïdentificeerd. Ze worden dan ook niet geregistreerd als deel van de output of het intermediair verbruik van die lokale EEA.

3.15

Wanneer een institutionele eenheid uit meer dan één lokale EEA bestaat, is de output van de institutionele eenheid de totale output van de lokale EEA's waaruit zij bestaat, met inbegrip van hun onderlinge leveringen.

3.16

Het ESR 2010 kent drie soorten output:

a)

marktoutput (P.11);

b)

output voor eigen finaal gebruik (P.12);

c)

niet-marktoutput (P.13).

Dit onderscheid wordt ook gemaakt bij lokale EEA's en institutionele eenheden:

a)

marktproducenten;

b)

producenten voor eigen finaal gebruik;

c)

niet-marktproducenten.

Het onderscheid tussen markt, voor eigen finaal gebruik en niet-markt is van fundamenteel belang, omdat:

a)

het gevolgen heeft voor de waardering van output en aanverwante begrippen, zoals toegevoegde waarde, bruto binnenlands product en consumptieve bestedingen van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens;

b)

het gevolgen heeft voor de indeling van institutionele eenheden naar sector, bijvoorbeeld welke eenheden wel deel uitmaken van de sector overheid en welke niet.

Het onderscheid is bepalend voor de waarderingsregels die op de output van toepassing zijn. Marktoutput en output voor eigen finaal gebruik worden gewaardeerd tegen basisprijzen. De totale output van niet-marktproducenten wordt gewaardeerd door de productiekosten op te tellen. De output van een institutionele eenheid wordt gewaardeerd als de som van de output van haar lokale EEA's en hangt dus ook af van het onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”.

Dit onderscheid wordt ook gebruikt om de institutionele eenheden naar sector in te delen. Niet-marktproducenten worden in de sectoren overheid en instellingen zonder winstoogmerk t.b.v. huishoudens ingedeeld.

Het onderscheid wordt „top-down” gemaakt, d.w.z. eerst op het niveau van de institutionele eenheden, vervolgens op dat van de lokale EEA's en ten slotte op dat van hun output.

Op productniveau wordt output ingedeeld als marktoutput, output voor eigen finaal gebruik en niet-marktoutput overeenkomstig de kenmerken van de institutionele eenheid en de lokale EEA die de output voortbrengen.

3.17

Definitie: marktoutput bestaat uit de output die op de markt wordt afgezet of waarvoor dit de bedoeling is.

3.18

De marktoutput omvat:

a)

producten die tegen een economisch significante prijs worden verkocht;

b)

producten die worden geruild;

c)

producten die worden gebruikt voor betalingen in natura (inclusief beloning van werknemers in natura en gemengd inkomen in natura);

d)

producten die door de ene lokale EEA worden geleverd aan een andere lokale EEA binnen dezelfde institutionele eenheid om door deze te worden gebruikt als intermediaire input of voor finaal gebruik;

e)

aan de voorraad gereed product en onderhanden werk toegevoegde producten die zijn bestemd voor een van bovengenoemde vormen van gebruik (inclusief de natuurlijke groei van dieren en gewassen en onvoltooide bouwwerken waarvan de koper nog onbekend is).

3.19

Definitie: economisch significante prijzen zijn prijzen die een aanzienlijke invloed hebben op de hoeveelheden producten die producenten willen leveren of die kopers willen kopen. Dergelijke prijzen komen tot stand wanneer aan beide van de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

de producent wordt gestimuleerd om het aanbod aan te passen hetzij met het doel om op lange termijn winst te maken, hetzij ten minste kapitaal- en andere kosten te dekken, en

b)

consumenten hebben de vrijheid wel of niet te kopen, en kiezen op basis van de gevraagde prijzen.

Economisch niet-significante prijzen zullen worden gevraagd om nog enige inkomsten te genereren of om de vraag, die wellicht te groot zou zijn wanneer de diensten volledig gratis worden verstrekt, enigszins in te dammen.

De economisch significante prijs van een product wordt gedefinieerd in relatie tot de institutionele eenheid en de lokale EEA die de output hebben voortgebracht. Zo wordt bijvoorbeeld de gehele output van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens, die aan andere institutionele eenheden wordt verkocht, geacht tegen een economisch significante prijs te worden verkocht, en daarom als marktoutput beschouwd. Voor de output van andere institutionele eenheden wordt met name met behulp van een kwantitatief criterium (het 50 %-criterium), waarbij gebruik wordt gemaakt van de verhouding tussen verkopen en productiekosten, nagegaan of zij in staat zijn tegen economisch significante prijzen een marktactiviteit uit te oefenen. Om een marktproducent te zijn, moet de eenheid over een ononderbroken periode van meerdere jaren ten minste 50 % van haar kosten door verkopen dekken.

3.20

Definitie: output voor eigen finaal gebruik bestaat uit goederen en diensten voor eigen consumptie of voor investeringen door dezelfde institutionele eenheid als die welke die goederen en diensten heeft geproduceerd.

3.21

Producten voor eigen consumptie kunnen alleen door de sector huishoudens worden geproduceerd. Voorbeelden van producten voor eigen consumptie zijn:

a)

landbouwproducten die de landbouwers zelf houden;

b)

woondiensten die door bewoners van een eigen huis worden geproduceerd;

c)

huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel.

3.22

Producten die worden gebruikt voor eigen investeringen, kunnen door alle sectoren worden geproduceerd. Voorbeelden van dergelijke producten zijn:

a)

gereedschapswerktuigen die door technische ondernemingen worden geproduceerd;

b)

woningen, of uitbreidingen van woningen, die door huishoudens worden geproduceerd;

c)

in eigen beheer geproduceerde bouwwerken, ook indien deze door groepen huishoudens gezamenlijk worden geproduceerd;

d)

in eigen beheer geproduceerde computerprogrammatuur;

e)

in eigen beheer uitgevoerd onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Uitgaven voor onderzoek en ontwikkeling worden alleen als investeringen in vaste activa behandeld wanneer bij de ramingen in alle lidstaten een voldoende hoog niveau van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid wordt bereikt.

3.23

Definitie: niet-marktoutput betreft output die gratis of tegen economisch niet-significante prijzen aan andere eenheden wordt geleverd.

Niet-marktoutput (P.13) wordt ingedeeld in betalingen voor niet-marktoutput (P.131), bestaande uit diverse vergoedingen en bijdragen, en niet-marktoutput, overige (P.132), bestaande uit output die gratis wordt geleverd.

Er zijn twee redenen om niet-marktoutput te produceren:

a)

het kan technisch onmogelijk zijn om personen voor collectieve diensten te laten betalen omdat hun verbruik van dergelijke diensten niet kan worden gevolgd en gecontroleerd. De productie van collectieve diensten wordt door overheidsinstellingen georganiseerd en uit andere fondsen gefinancierd dan uit de verkoop, namelijk uit belastingen of andere overheidsinkomsten;

b)

overheidsinstellingen en izw's t.b.v. huishoudens kunnen ook goederen of diensten produceren die zij tegen betaling aan individuele huishoudens hadden kunnen verstrekken, maar die zij in het kader van sociaal of economisch beleid gratis verstrekken. Voorbeeld hiervan is het gratis of tegen economisch niet-significante prijzen verstrekken van onderwijs- of gezondheidsdiensten.

3.24

Definitie: marktproducenten zijn lokale EEA's of institutionele eenheden waarvan het grootste deel van de output marktoutput is.

Wanneer een lokale EEA of een institutionele eenheid marktproducent is, is de output van zijn hoofdactiviteit per definitie marktoutput, aangezien het begrip marktoutput gedefinieerd is nadat het onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt” is toegepast op de lokale EEA en de institutionele eenheid die de output hebben voortgebracht.

3.25

Definitie: producenten voor eigen finaal gebruik zijn lokale EEA's of institutionele eenheden die het grootste deel van de output voor eigen finaal gebruik binnen dezelfde institutionele eenheid aanwenden.

3.26

Definitie: niet-marktproducenten zijn lokale EEA's of institutionele eenheden die het grootste deel van de output gratis of tegen economisch niet-significante prijzen leveren.

Institutionele eenheden: onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”

3.27

Voor institutionele eenheden in hun hoedanigheid van producent geeft tabel 3.1 een overzicht van het onderscheid tussen „markt”, „voor eigen finaal gebruik” en „niet-markt”. Ook de indeling per sector wordt vermeld.

Tabel 3.1 —   Onderscheid tussen marktproducenten, producenten voor eigen finaal gebruik en niet-marktproducenten voor institutionele eenheden

Aard van de institutionele eenheid

Classificatie

Particulier of in handen van de overheid?

 

Izw of niet?

Marktproducent?

Type producent

Sector(en)

1.

Particuliere producenten

1.1

Ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens (exclusief quasivennootschappen in eigendom van huishoudens)

 

 

1.1 = Markt of voor eigen finaal gebruik

Huishoudens

 

1.2

Overige particuliere producenten (inclusief quasivennootschappen in eigendom van huishoudens)

1.2.1

Particuliere izw’s

1.2.1.1

Ja

1.2.1.1 = Markt

Vennootschappen

 

 

 

1.2.1.2

Neen

1.2.1.2 = Niet-markt

Izw's t.b.v. huishoudens

 

 

1.2.2

Overige particuliere producenten die geen izw zijn

 

1.2.2 = Markt

Vennootschappen

2.

Overheidsproducenten

 

 

2.1

Ja

2.1 = Markt

Vennootschappen

 

 

 

2.2

Neen

2.2 = Niet-markt

Overheid

3.28

Uit tabel 3.1 blijkt dat er om te bepalen of een institutionele eenheid als marktproducent, als producent voor eigen finaal gebruik of als niet-marktproducent moet worden ingedeeld, diverse criteria na elkaar worden toegepast. Het eerste onderscheid is het onderscheid tussen particuliere en overheidsproducenten. Overheidsproducenten staan onder zeggenschap van de overheid, conform de in punt 2.38 bedoelde definitie van zeggenschap.

3.29

Tabel 3.1 laat zien dat in alle sectoren behalve bij de overheid particuliere producenten voorkomen. Overheidsproducenten, daarentegen, komen alleen voor in de sector niet-financiële vennootschappen, de sector financiële instellingen en de sector overheid.

3.30

Een speciale categorie particuliere producenten wordt gevormd door de ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die eigendom zijn van huishoudens. Dit zijn marktproducenten of producenten voor eigen finaal gebruik. In het laatste geval gaat het om de productie van woondiensten door bewoners van een eigen huis en om de productie van goederen in eigen beheer. Alle ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die eigendom zijn van huishoudens, worden bij de sector huishoudens ingedeeld, met uitzondering van quasivennootschappen die eigendom zijn van huishoudens. Hierbij gaat het om marktproducenten die worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

3.31

Voor andere particuliere producenten wordt een onderscheid gemaakt tussen de particuliere instellingen zonder winstoogmerk en de overige particuliere producenten.

Definitie: een particuliere instelling zonder winstoogmerk (izw) wordt gedefinieerd als een juridische of sociale eenheid die ten doel heeft goederen en diensten te produceren, maar die een zodanige status heeft dat het haar niet is toegestaan als bron van inkomen, winst of andere financiële verdiensten te fungeren voor de eenheden die haar hebben opgericht, of die zeggenschap over haar uitoefenen of haar financieren. Wanneer de productieve activiteiten overschotten genereren, kunnen andere institutionele eenheden zich deze niet toe-eigenen.

Een particuliere izw die marktproducent is, wordt ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

Een particuliere izw die niet-marktproducent is, wordt ingedeeld in de sector izw's t.b.v. huishoudens, tenzij zij onder zeggenschap van de overheid staat. Een particuliere izw onder zeggenschap van de overheid staat, wordt ingedeeld in de sector overheid.

Alle andere particuliere producenten die geen izw zijn, zijn marktproducent. Zij worden ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

3.32

Om een onderscheid te maken tussen markt- en niet-marktoutput en tussen markt- en niet-marktproducenten, worden verschillende criteria gebruikt. De desbetreffende markt-/niet-marktcriteria (zie punt 3.19 voor de definitie van economisch significante prijzen) zijn bedoeld om te beoordelen of er sprake is van marktomstandigheden en of de producent voldoende marktgedrag vertoont. Volgens het kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium moet ten minste het merendeel van de productiekosten worden gedekt door de verkoop van producten die tegen een economisch significante prijs worden verkocht.

3.33

Bij de toepassing van dit kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium worden verkopen en productiekosten als volgt gedefinieerd:

a)

verkopen betekent de verkopen met uitzondering van de productgebonden belastingen, maar inclusief alle betalingen van de overheid of van de instellingen van de Unie, die deze toekennen aan alle producenten die dezelfde activiteit uitoefenen. Alle betalingen die verband houden met het volume of de waarde van de output, zijn dus inbegrepen, terwijl betalingen ter dekking van een algemeen tekort of om schulden te betalen buiten beschouwing blijven.

Deze definitie van verkopen is in overeenstemming met die van de output tegen basisprijzen, maar met de volgende uitzonderingen:

1.

output tegen basisprijzen wordt pas vastgesteld nadat is besloten of het bij de output om markt- of niet-marktoutput gaat: de verkopen worden alleen gebruikt voor de waardering van de marktoutput; de niet-marktoutput wordt tegen de kostprijs gewaardeerd;

2.

de betalingen van de overheid ter dekking van een algemeen tekort van vennootschappen en quasivennootschappen in handen van de overheid maken deel uit van de overige productgebonden subsidies, zoals gedefinieerd in punt 4.35, onder c). Bijgevolg omvat de marktoutput tegen basisprijzen de betalingen van de overheid ter dekking van een algemeen tekort;

b)

verkopen sluiten andere bronnen van inkomsten uit, zoals waarderingsverschillen (hoewel deze een normaal en verwacht onderdeel van de bedrijfsinkomsten kunnen zijn), investeringsbijdragen, overige kapitaaloverdrachten (bv. schuldaflossing) en de aankoop van deelnemingen;

c)

voor de toepassing van dit criterium zijn de productiekosten gelijk aan de som van het intermediair verbruik, de beloning van werknemers, het verbruik van vaste activa en de niet-productgebonden belastingen op productie plus de kapitaalkosten. Andere subsidies op productie worden niet afgetrokken. Om de consistentie van de begrippen „verkoop” en „productiekosten” bij de toepassing van het kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium te waarborgen, mogen de kosten in verband met de in eigen beheer geproduceerde investeringen niet in de productiekosten worden opgenomen. Gemakshalve mogen de kapitaalkosten in het algemeen worden benaderd aan de hand van de werkelijke nettorentebetalingen. Voor producenten van financiële diensten worden de rentekosten in aanmerking genomen, d.w.z. er wordt gecorrigeerd voor indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (Financial intermediation services indirectly measured — IGDFI).

Bij de toepassing van het kwantitatieve markt-/niet-marktcriterium wordt naar de situatie over een aantal jaren gekeken. Geringe fluctuaties in de omvang van de verkopen van het ene jaar op het andere maken een herclassificatie van de institutionele eenheden (en hun lokale EEA's en output) niet noodzakelijk.

3.34

Verkopen kunnen diverse vormen aannemen. In het geval van de gezondheidszorg door een ziekenhuis kunnen zij bijvoorbeeld overeenkomen met:

a)

aankopen door werkgevers, die moeten worden geregistreerd als aan hun werknemers betaald inkomen in natura en consumptieve bestedingen van deze werknemers;

b)

aankopen door particuliere verzekeringsmaatschappijen;

c)

aankopen door socialezekerheidsfondsen en de overheid, die moeten worden geregistreerd onder de sociale uitkeringen in natura;

d)

aankopen door huishoudens die niet worden vergoed (consumptieve bestedingen).

Alleen overige subsidies op productie en giften (bv. van een charitatieve instelling) worden niet als verkopen behandeld.

Ook de verkoop van vervoerdiensten door een onderneming is een goed voorbeeld; deze kan bestaan uit intermediair verbruik door producenten, inkomen in natura dat wordt verstrekt door werkgevers, sociale uitkeringen in natura die worden verstrekt door de overheid en aankopen door huishoudens die niet worden vergoed.

3.35

Particuliere instellingen zonder winstoogmerk ten behoeve van bedrijven vormen een geval apart. Gewoonlijk worden zij gefinancierd uit de contributies of andere bijdragen van de groep betrokken ondernemingen. De bijdragen worden niet als overdracht beschouwd, maar als betaling voor verleende diensten, d.w.z. als verkopen. Deze izw's worden daarom als marktproducent ingedeeld in de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen.

3.36

Wanneer het criterium inzake het vergelijken van de verkopen en de productiekosten van particuliere izw's en izw's in handen van de overheid wordt toegepast, kan in bepaalde gevallen het opnemen in de verkopen van alle betalingen die gekoppeld zijn aan het volume van de output, misleidend zijn. Dit kan bijvoorbeeld het geval zijn met betrekking tot de financiering van particuliere en openbare scholen. Betalingen van de overheid kunnen gekoppeld zijn aan het aantal leerlingen, terwijl er toch met de overheid over onderhandeld kan worden. In een dergelijk geval worden deze betalingen niet als verkopen geregistreerd, hoewel zij expliciet gekoppeld kunnen zijn aan een meetwaarde betreffende het volume van de output (het aantal leerlingen). Dit betekent dat een school die hoofdzakelijk door middel van dergelijke betalingen wordt gefinancierd, een niet-marktproducent is.

3.37

Overheidsproducenten kunnen marktproducent of niet-marktproducent zijn. Marktproducenten worden ingedeeld bij de sector niet-financiële vennootschappen of de sector financiële instellingen. Indien de institutionele eenheid een niet-marktproducent is, wordt zij ingedeeld in de sector overheid.

3.38

Lokale EEA's die tot de marktproducenten of de producenten voor eigen finaal gebruik behoren, kunnen geen niet-marktoutput leveren. Hun output kan dus alleen als marktoutput of als output voor eigen finaal gebruik worden geregistreerd en moet dienovereenkomstig worden gewaardeerd (zie de punten 3.42 tot en met 3.53).

3.39

Lokale EEA's die tot de niet-marktproducenten behoren, kunnen als nevenactiviteit ook marktoutput en output voor eigen finaal gebruik produceren. De output voor eigen finaal gebruik bestaat uit in eigen beheer geproduceerde investeringen. Of er sprake is van marktoutput moet in beginsel worden bepaald door de kwalitatieve en kwantitatieve markt-/niet-marktcriteria op de afzonderlijke producten toe te passen. Marktoutput van nevenactiviteiten door niet-marktproducenten kan zich bijvoorbeeld voordoen wanneer door de overheid gefinancierde ziekenhuizen voor sommige van hun diensten economisch significante prijzen in rekening brengen.

3.40

Andere voorbeelden zijn de verkoop van reproducties door staatsmusea en de verkoop van weersverwachtingen door meteorologische instituten.

3.41

Ook kunnen niet-marktproducenten inkomsten hebben uit de verkoop van hun niet-marktoutput tegen economisch niet-significante prijzen, bijvoorbeeld de inkomsten van een museum uit de verkoop van toegangskaarten. Deze inkomsten vallen onder de niet-marktoutput. Indien beide soorten inkomsten (die uit de kaartverkoop en die uit de verkoop van posters en kaarten) echter moeilijk te scheiden zijn, kunnen ze in hun totaliteit worden behandeld als hetzij inkomsten uit marktoutput, hetzij inkomsten uit niet-marktoutput. De keuze tussen beide registratiemogelijkheden moet worden gebaseerd op het vermoedelijke relatieve belang van beide soorten inkomsten (uit de kaartverkoop of uit de verkoop van posters en kaarten).

Moment van registratie en waardering van de output

3.42

De output moet worden geregistreerd en gewaardeerd op het moment dat deze in het productieproces ontstaat.

3.43

Alle output moet worden gewaardeerd tegen basisprijzen, maar er zijn specifieke afspraken voor:

a)

de waardering van de niet-marktoutput;

b)

de waardering van de totale output van een niet-marktproducent (lokale EEA);

c)

de waardering van de totale output van een institutionele eenheid waarvan een lokale EEA een niet-marktproducent is.

3.44

Definitie: de basisprijs is de prijs die de producent van de koper voor een eenheid van de geproduceerde goederen of diensten ontvangt, minus de voor het produceren of verkopen van die eenheid verschuldigde belasting (d.w.z. productgebonden belastingen), plus de daarvoor ontvangen subsidie (d.w.z. productgebonden subsidies). Door de producent afzonderlijk in rekening gebrachte vervoerskosten zijn niet inbegrepen. Ook waarderingsverschillen op financiële en niet-financiële activa zijn niet inbegrepen.

3.45

De output voor eigen finaal gebruik (P.12) wordt gewaardeerd tegen de basisprijs van soortgelijke, op de markt verkochte producten. Hierdoor ontstaat een netto-exploitatieoverschot of een gemengd inkomen voor die output. Woondiensten door bewoners van een eigen huis leiden bijvoorbeeld tot een netto-exploitatieoverschot. Indien er geen basisprijzen van soortgelijke producten beschikbaar zijn, moet de output voor eigen finaal gebruik worden gewaardeerd tegen de productiekosten plus een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor een netto-exploitatieoverschot of gemengd inkomen.

3.46

Toevoegingen aan onderhanden werk worden gewaardeerd tegen de geldende basisprijs van het gereed product.

3.47

Om vooraf de waarde van als onderhanden werk behandelde output te ramen, wordt de waarde gebaseerd op grond van de gemaakte werkelijke kosten plus een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor het geraamde exploitatieoverschot of gemengd inkomen. De voorlopige ramingen worden naderhand vervangen door ramingen die het resultaat zijn van de verdeling van de werkelijke waarde van het gereed product (zodra bekend) over de periode waarin het werk onderhanden was.

De waarde van de output van het gereed product is de som van de waarde van:

a)

het verkochte of geruilde gereed product;

b)

het aan de voorraden toegevoegde gereed product, minus het hieraan onttrokken gereed product;

c)

het door de producent gebruikte gereed product.

3.48

Voor in onvoltooide staat verworven gebouwen en bouwwerken wordt een waarde geraamd op basis van de reeds gemaakte kosten, plus een toeslag voor het exploitatieoverschot of het gemengd inkomen. Deze toeslag wordt verkregen wanneer de waarde kan worden geraamd op basis van de prijzen van soortgelijke gebouwen en bouwwerken. De bedragen van eventuele termijnbetalingen kunnen worden gebruikt voor een benadering van de waarde van de door de koper tijdens elke termijn gerealiseerde bruto-investeringen in vaste activa, ervan uitgaande dat er geen sprake is van achterstallige of vooruitbetalingen.

Wanneer de bouw van een in eigen beheer geproduceerd bouwwerk niet binnen één enkele verslagperiode wordt voltooid, wordt de waarde van de output op de volgende manier geraamd. De verhouding tussen de in de lopende periode gemaakte kosten en de totale kosten over de gehele bouwperiode wordt berekend. Dit verhoudingscijfer wordt toegepast op de raming van de totale output tegen de lopende basisprijs. Indien het niet mogelijk is de waarde van het voltooide bouwwerk tegen de lopende basisprijs te ramen, wordt dit gewaardeerd tegen de totale productiekosten plus een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor een netto-exploitatieoverschot of gemengd inkomen. Indien de arbeid geheel of gedeeltelijk gratis is verricht, wat het geval kan zijn bij door huishoudens gemeenschappelijk uitgevoerde bouwwerkzaamheden, wordt als onderdeel van de geraamde totale productiekosten aan de hand van het loontarief voor dergelijke arbeid een raming gemaakt van wat betaalde arbeid zou hebben gekost.

3.49

De totale output van een niet-marktproducent (een lokale EEA) wordt gewaardeerd tegen de totale productiekosten, d.w.z. de som van:

a)

intermediair verbruik (P.2);

b)

beloning van werknemers (D.1);

c)

verbruik van vaste activa (P.51c);

d)

niet-productgebonden belastingen op productie (D.29) minus de niet-productgebonden subsidies op productie (D.39).

Rentebetalingen (uitgezonderd IGDFI) worden niet als kosten van niet-marktproductie beschouwd. De kosten van de niet-marktproductie omvatten ook geen toerekening van een nettorendement op kapitaal, noch een toerekening van de huurwaarde van bedrijfsgebouwen in eigendom, die voor niet-marktproductie worden gebruikt.

3.50

De totale output van een institutionele eenheid is de som van de totale output van de EEA's die er deel van uitmaken. Dit geldt ook voor institutionele eenheden die tot de niet-marktproducenten behoren.

3.51

Indien niet-marktproducenten als nevenactiviteit geen marktoutput voortbrengen, moet de niet-marktoutput tegen de productiekosten worden gewaardeerd. Indien zij als nevenactiviteit wel marktoutput voortbrengen, wordt de niet-marktoutput gewaardeerd als restpost, d.w.z. als de totale productiekosten minus hun inkomsten uit de marktoutput.

3.52

De marktoutput van niet-marktproducenten wordt tegen basisprijzen gewaardeerd. De totale output van een lokale EEA die niet-marktproducent is, en die marktoutput, niet-marktoutput en output voor eigen finaal gebruik voortbrengt, wordt gewaardeerd tegen de som van de productiekosten. De waarde van haar marktoutput komt overeen met de opbrengst van de verkoop van marktproducten, terwijl de waarde van haar niet-marktoutput als restpost wordt verkregen door van de waarde van de totale output die van de marktoutput en van de output voor eigen finaal gebruik af te trekken. De waarde van haar inkomsten uit de verkoop van niet-marktgoederen en -diensten tegen prijzen die economisch niet-significant zijn, komen in deze berekeningen niet voor — zij maken deel uit van de waarde van haar niet-marktoutput.

3.53

Hieronder wordt een lijst van uitzonderingen en toelichtingen voor het moment van registratie en de waardering van de output gegeven per CPA-secties.

Producten van landbouw, bosbouw en visserij (sectie A)

3.54

De output van landbouwproducten wordt geregistreerd alsof deze gestaag over de gehele productieperiode tot stand komt (en niet alleen wanneer de gewassen geoogst of de dieren geslacht worden).

Gewassen te velde, staand hout en teelt van vis en andere dieren voor de voedselproductie worden gedurende het groeiproces behandeld als voorraden onderhanden werk; deze worden omgezet in voorraden gereed product wanneer het groeiproces is voltooid.

Veranderingen in niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, bijvoorbeeld de groei van dieren, vogels, in het wild levende vis of niet in cultuur gebrachte bossen, worden niet in de output opgenomen.

Industriële producten (sectie C); Bouwwerken — Bouwnijverheid (sectie F)

3.55

Wanneer de bouw van een bouwwerk een aantal verslagperioden beslaat, wordt de output van elke periode behandeld alsof deze aan het eind van de periode aan de koper verkocht is, d.w.z. als behorend tot de investeringen in vaste activa van de koper en niet tot het onderhanden werk van de bedrijfstak bouwnijverheid. De output wordt behandeld alsof deze in fasen aan de koper is verkocht. Wanneer in het contract sprake is van een betaling in termijnen, kan de waarde van de output bij benadering worden berekend aan de hand van de waarde van de termijnbetalingen voor elke verslagperiode. Wanneer er geen zekerheid over de uiteindelijke koper bestaat, wordt de gedurende elke verslagperiode geproduceerde onvoltooide output als onderhanden werk geregistreerd.

Groot- en detailhandel; reparatie van motorvoertuigen en motorfietsen (sectie G)

3.56

De output van groot- en detailhandelsdiensten wordt gemeten aan de hand van de handelsmarges op de voor wederverkoop ingekochte goederen.

Definitie: de handelsmarge is het verschil tussen de werkelijke of toegerekende verkoopprijs die is gerealiseerd op een voor wederverkoop ingekocht goed en de prijs die door de handelaar zou moeten worden betaald om het goed te vervangen op het moment dat het wordt verkocht of anderszins wordt afgestoten.

De handelsmarge die op sommige goederen wordt gerealiseerd, kan negatief zijn, indien de goederen worden afgeprijsd. De handelmarge op goederen die niet worden verkocht, maar verloren gaan of worden gestolen, is ook negatief. De handelsmarge op goederen die als beloning in natura aan werknemers worden gegeven, of die door de eigenaar voor eigen verbruik aan de voorraad worden onttrokken, is gelijk aan nul.

Waarderingsverschillen zijn niet in de handelsmarge begrepen.

De output van een groot- of detailhandelaar wordt als volgt uitgedrukt:

 

de waarde van de output =

 

de waarde van de verkopen

 

plus de waarde van de goederen die voor wederverkoop zijn ingekocht en voor intermediair verbruik of als beloning van werknemers in natura of gemengd inkomen in natura worden gebruikt

 

minus de waarde van de voor wederverkoop ingekochte goederen

 

plus de waarde van toevoegingen aan voorraden van handelsgoederen

 

minus de waarde van goederen die aan voorraden handelsgoederen zijn onttrokken

 

minus de waarde van periodieke verliezen als gevolg van verlies, diefstal of schade in gebruikelijke mate.

Vervoer en opslag (sectie H)

3.57

De output van vervoerdiensten wordt gemeten aan de hand van de waarde van de voor het vervoer van goederen of personen ontvangen bedragen. Eigen vervoer binnen een lokale EEA wordt als hulpactiviteit aangemerkt en niet afzonderlijk geïdentificeerd en geregistreerd.

3.58

De output van opslagdiensten wordt gemeten als een toevoeging aan onderhanden werk. Prijsstijgingen van goederen in voorraad moeten niet als onderhanden werk of productie worden beschouwd, maar als waarderingsverschillen worden behandeld. Indien de waardestijging het gevolg is van een prijsstijging zonder dat de kwaliteit verandert, is er tijdens de verslagperiode naast de opslagkosten of de expliciete aankoop van een opslagdienst geen sprake van verdere productie. In drie gevallen wordt de waardestijging echter wel als productie beschouwd:

a)

de kwaliteit van een goed kan in de loop der tijd verbeteren, bijvoorbeeld bij wijn; alleen wanneer rijping deel uitmaakt van het gebruikelijke productieproces, wordt de kwaliteitsverbetering van een goed als productie beschouwd;

b)

seizoensgebonden factoren die vraag en aanbod van een bepaald goed beïnvloeden en door het jaar heen tot regelmatige, voorspelbare prijsvariaties leiden, ook al zijn de fysieke kwaliteiten van het goed niet veranderd;

c)

het productieproces is lang genoeg om disconteringsfactoren toe te passen op werk dat significant lang voor levering is uitgevoerd.

3.59

De meeste veranderingen in de prijs van goederen in voorraad zijn geen toevoegingen aan onderhanden werk. Om de stijging van de waarde van opgeslagen goederen, na aftrek van de opslagkosten, te ramen, kan gebruik worden gemaakt van de verwachte waardestijging na verrekening van de algemene prijsontwikkeling over een vooraf vastgestelde periode. Stijgingen buiten de vooraf vastgestelde periode worden nog steeds als een waarderingsverschil geregistreerd.

Opslagdiensten omvatten geen prijsveranderingen als gevolg van het in bezit hebben van financiële activa, kostbaarheden of andere niet-financiële activa zoals grond en gebouwen.

3.60

De output van reisbureaudiensten wordt gemeten aan de hand van de waarde van de door hen ontvangen vergoedingen (provisies of commissies) en niet op basis van het volledige door de reizigers aan het reisbureau betaalde bedrag, dat ook de kosten van vervoer door derden omvat.

3.61

De output van diensten van reisorganisatoren wordt gemeten op basis van het volledige door de reizigers aan de reisorganisator betaalde bedrag.

3.62

Het onderscheid tussen diensten van reisbureaus en diensten van reisorganisatoren is dat een reisbureau enkel een tussenpersoon ten behoeve van de reiziger is, terwijl een reisorganisator een nieuw product, reis genoemd, voortbrengt dat uit verschillende onderdelen betreffende het reizen zelf, het onderdak en de recreatie bestaat.

Verschaffen van accommodatie en maaltijden (sectie I)

3.63

De waarde van de output van diensten van hotels, restaurants en cafés is inclusief de waarde van de geconsumeerde voedingsmiddelen, dranken enz.

Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): output van de centrale bank

De centrale bank verleent de volgende diensten:

a)

monetair beleid;

b)

financiële intermediatie;

c)

toezicht op financiële instellingen.

De output van de centrale bank wordt gemeten als de som van de door haar gemaakte kosten.

Financiële diensten en verzekeringen (sectie K): financiële diensten in het algemeen

Tot de financiële diensten behoren:

a)

financiële intermediatie (inclusief verzekerings- en pensioendiensten);

b)

diensten van financiële hulpbedrijven, en

c)

overige financiële diensten.

3.64

Financiële intermediatie is financieel risicobeheer en de transformatie van financiële middelen. Instellingen die zich met deze activiteiten bezighouden, verkrijgen middelen bijvoorbeeld door deposito's aan te trekken en wissels, obligaties en andere effecten uit te geven. Zij gebruiken deze middelen alsmede hun eigen middelen om financiële activa te verwerven door leningen aan anderen te verstrekken en door wissels, obligaties en effecten te kopen. Financiële intermediatie omvat ook verzekerings- en pensioendiensten.

3.65

Financiële hulpactiviteiten ondersteunen financieel risicobeheer en de transformatie van financiële middelen. Financiële hulpbedrijven handelen namens andere eenheden en nemen zelf geen risico's door als onderdeel van de intermediatie vorderingen (financiële passiva) aan te gaan of financiële activa te verwerven.

3.66

Tot de overige financiële diensten behoren toezichtdiensten zoals het toezicht op de aandelen- en obligatiemarkt, beveiligingsdiensten zoals het in bewaring nemen van kostbare sieraden en belangrijke documenten, en handelsdiensten zoals de handel in vreemde valuta en effecten.

3.67

Wegens het strenge toezicht op financiële diensten worden deze vrijwel uitsluitend door financiële instellingen verleend. Indien een detailhandelaar zijn klanten bijvoorbeeld kredietfaciliteiten wil bieden, worden deze gewoonlijk aangeboden door een financiële instelling die een dochteronderneming van de detailhandelaar is, of door een andere gespecialiseerde financiële instelling.

3.68

Financiële diensten kunnen direct of indirect worden betaald. Sommige transacties in financiële activa kunnen zowel directe als indirecte kosten meebrengen. Financiële diensten worden hoofdzakelijk op vier manieren verleend en in rekening gebracht:

a)

tegen directe betaling verleende financiële diensten;

b)

financiële diensten waarvoor rentekosten in rekening worden gebracht;

c)

financiële diensten in verband met de aan- of verkoop van financiële activa en passiva op de financiële markten;

d)

financiële diensten op het gebied van verzekerings- en pensioenregelingen waarbij de activiteit uit verzekeringspremies en het rendement op spaargelden wordt gefinancierd.

Tegen directe betaling verleende financiële diensten

3.69

Allerlei typen financiële instellingen verlenen een heel scala aan financiële diensten, waarvoor expliciet kosten in rekening worden gebracht. De volgende voorbeelden illustreren de aard van de diensten die direct in rekening worden gebracht:

a)

banken brengen huishoudens kosten in rekening voor het afsluiten van een hypotheek, het beheer van een beleggingsportefeuille en het beheer van onroerend goed;

b)

gespecialiseerde instellingen brengen niet-financiële vennootschappen kosten in rekening voor het regelen van een overname of het beheer van een herstructurering van een groep vennootschappen;

c)

creditcardorganisaties brengen eenheden die creditcards accepteren, gewoonlijk een percentage van elke verkoop in rekening;

d)

aan een creditcardhouder wordt gewoonlijk elk jaar voor de creditcard een expliciete vergoeding in rekening gebracht.

Financiële diensten waarvoor rentekosten in rekening worden gebracht

3.70

Een voorbeeld van de in hoofde genoemde financiële dienst is financiële intermediatie: een financiële instelling, zoals een bank, aanvaardt deposito's van eenheden die rente willen ontvangen op middelen die zij niet onmiddellijk nodig hebben, en leent geld aan eenheden die onvoldoende middelen hebben om in hun behoeften te voorzien. De bank voorziet aldus in een mechanisme waardoor de ene eenheid aan de andere eenheid geld kan lenen. Beide partijen betalen de bank een vergoeding voor de verleende dienst: de eenheid die de middelen verstrekt, accepteert een rentepercentage dat lager is dan het referentierentetarief, terwijl de eenheid die middelen leent, betaalt door een rentepercentage te accepteren dat hoger is dan het referentierentetarief. Het verschil tussen het rentetarief dat door geldnemers aan banken wordt betaald, en het rentetarief dat daadwerkelijk aan deposanten wordt betaald, is de vergoeding voor IGDFI.

3.71

Het komt zelden voor dat het bedrag aan door een financiële instelling verstrekte leningen exact overeenkomt met het bedrag aan door haar ontvangen deposito's. Zo kan geld zijn ingelegd maar nog niet zijn uitgeleend. Ook kunnen leningen uit de eigen middelen van de bank worden gefinancierd en niet uit deposito's. Ongeacht de financieringsbron wordt voor leningen en deposito's een dienst verleend. De IGDFI worden aan alle leningen en deposito's toegerekend. Deze indirecte kosten zijn alleen van toepassing op leningen en deposito's die door financiële instellingen zijn verstrekt of bij hen zijn ingelegd.

3.72

Het referentietarief ligt tussen de rentetarieven van de bank voor deposito's en voor leningen. Het komt niet overeen met een rekenkundig gemiddelde van beide tarieven. Het tarief dat voor interbancaire leningen wordt gehanteerd, is een geschikte keuze. Er zijn echter verschillende referentietarieven nodig voor elke valuta waarin leningen en deposito's luiden, met name wanneer hierbij een niet-ingezeten financiële instelling betrokken is.

IGDFI worden nader toegelicht in hoofdstuk 14.

Financiële diensten bestaande uit de aan- of verkoop van financiële activa en passiva op financiële markten

3.73

Wanneer een financiële instelling effecten (bv. een wissel of een obligatie) te koop aanbiedt, wordt een vergoeding voor de dienstverlening geheven. De aankoopprijs (laatkoers) is gelijk aan de geraamde marktwaarde van het effect plus een marge. Bij de verkoop van een effect wordt een andere vergoeding geheven; hierbij is de prijs die aan de verkoper wordt geboden (biedkoers) gelijk aan de marktwaarde minus een marge. Marges tussen aan- en verkoopprijs zijn ook van toepassing op deelnemingen, aandelen in beleggingsfondsen en vreemde valuta. Deze marges hebben betrekking op de verlening van financiële diensten.

Financiële diensten verleend in het kader van verzekerings- en pensioenregelingen waarbij de activiteit uit verzekeringspremies en het rendement op spaargelden wordt gefinancierd

3.74

Onder de in hoofde genoemde financiële diensten vallen de volgende activiteiten, die alle tot een herverdeling van middelen leiden.

a)

Schadeverzekeringen. Uit hoofde van een schadeverzekeringspolis accepteert de verzekeringsmaatschappij van een klant een premie die zij in bezit houdt tot aanspraak op de verzekering wordt gemaakt of de verzekeringsperiode afloopt. De verzekeringsmaatschappij investeert de premie, en het hieruit voortvloeiende inkomen uit vermogen is een extra middelenbron. Het inkomen uit vermogen staat voor door de klant gederfd inkomen en wordt als een impliciete aanvulling op de werkelijke premie behandeld. De verzekeringsmaatschappij stelt het niveau van de werkelijke premies zodanig vast dat de som van de premies plus het hiermee verdiende inkomen uit vermogen minus de verwachte schaden een marge biedt die de verzekeringsmaatschappij als haar output inhoudt.

De output van de schadeverzekering wordt als volgt berekend:

 

het totaal van de verdiende premies

 

plus impliciete premieaanvullingen (gelijk aan het inkomen uit vermogen dat op de technische voorzieningen is verdiend)

 

minus correctie ontstane schaden.

De verzekeringsinstelling beschikt over voorzieningen die bestaan uit niet-verdiende premies (werkelijke premies voor de volgende verslagperiode) en openstaande aanspraken. Openstaande aanspraken zijn aanspraken die nog niet zijn aangemeld, die zijn aangemeld maar nog niet zijn afgewikkeld of die zijn aangemeld en afgewikkeld maar nog niet zijn uitbetaald. Deze voorzieningen worden technische voorzieningen genoemd en worden gebruikt om inkomen uit beleggingen te genereren. Waarderingsverschillen zijn geen inkomen uit beleggingen van de verzekeringstechnische voorzieningen. Verzekeringstechnische voorzieningen kunnen in nevenactiviteiten van de verzekeringsmaatschappij worden belegd, zoals de verhuur van woningen of kantoren. Het netto-exploitatieoverschot uit deze nevenactiviteiten is inkomen uit de belegging van verzekeringstechnische voorzieningen.

Het passende niveau van aanspraken dat voor de berekening van de output wordt gebruikt, wordt „gecorrigeerde schaden” genoemd; deze kunnen op twee manieren worden vastgesteld. Bij de op de verwachting gebaseerde methode wordt het niveau van de gecorrigeerde schaden geraamd aan de hand van een model dat op het bestaande patroon van door de verzekeringsinstelling betaalde schaden is gebaseerd. Bij de tweede methode wordt boekhoudkundige informatie gebruikt: de gecorrigeerde schaden worden ex post afgeleid als werkelijke ontstane schaden plus de mutatie in egalisatievoorzieningen, d.w.z. de middelen die zijn gereserveerd voor onverwacht hoge schaden. Wanneer de egalisatievoorzieningen onvoldoende zijn om de gecorrigeerde schaden tot een normaal niveau terug te brengen, worden bijdragen uit de eigen middelen aan de gecorrigeerde schaden toegevoegd. Een belangrijk kenmerk van beide methoden is dat onverwacht hoge aanspraken niet tot onzekere en negatieve outputramingen leiden.

Mutaties in de technische voorzieningen en de egalisatievoorzieningen in verband met veranderingen in de financiële regelgeving worden geregistreerd als overige volumemutaties in activa en zijn irrelevant voor de berekening van de output. Indien wegens het ontbreken van informatie geen van beide methoden voor de raming van gecorrigeerde schaden kan worden gebruikt, kan het nodig zijn de output in plaats daarvan te ramen aan de hand van de som van de kosten met inbegrip van een normale winstmarge.

In geval van een verzekering met winstdeling wordt de mutatie in de voorzieningen voor die winstdeling afgetrokken om de output te verkrijgen.

b)

Een levensverzekeringspolis is een soort spaarregeling. Gedurende een aantal jaren betaalt de polishouder de verzekeringsinstelling een premie voor de toezegging in de toekomst uitkeringen te krijgen. Deze uitkeringen kunnen worden uitgedrukt in een aan de betaalde premie gerelateerde formule of kunnen afhangen van de mate van succes waarmee de verzekeringsinstelling haar middelen heeft geïnvesteerd. De methode om de output voor levensverzekeringen te berekenen is op dezelfde algemene beginselen gebaseerd als voor schadeverzekeringen. Gezien de tijdspanne tussen het moment waarop de premie wordt ontvangen en dat waarop de uitkering wordt betaald, moeten speciale regelingen worden getroffen voor mutaties in de technische voorzieningen. De output van levensverzekeringen wordt als volgt berekend:

 

verdiende premies

 

plus premieaanvullingen, minus gerealiseerde uitkeringen

 

minus stijgingen (plus dalingen) van de technische voorzieningen voor levensverzekeringen.

De premies voor levensverzekeringen worden op exact dezelfde wijze gedefinieerd als die voor schadeverzekeringen. Premieaanvullingen zijn voor levensverzekeringen relevanter dan voor schadeverzekeringen. Uitkeringen worden geregistreerd wanneer zij worden toegekend of uitbetaald. Het is bij levensverzekeringen niet nodig een gecorrigeerde raming van de uitkeringen te berekenen, aangezien er bij de betalingen uit hoofde van een levensverzekering geen sprake is van dezelfde niet te voorspellen onzekerheid. De technische voorzieningen voor levensverzekeringen stijgen jaarlijks als gevolg van nieuwe betaalde premies en nieuw aan de polishouders toegerekend (maar niet door hen opgenomen) inkomen uit beleggingen, en dalen als gevolg van betaalde uitkeringen. Het outputniveau van levensverzekeringen kan daarom worden uitgedrukt als het verschil tussen het totaal verdiende inkomen uit investering van de technische voorzieningen minus het deel van dit inkomen uit investering dat werkelijk aan de polishouders is toegerekend en aan de technische voorzieningen is toegevoegd.

Indien deze methode bij gebrek aan gegevens niet toepasbaar is of geen zinvolle resultaten oplevert, wordt de output van levensverzekeringen ook berekend als de som van de productiekosten plus een normale winstmarge.

c)

De output van herverzekering moet op exact dezelfde wijze worden vastgesteld als voor schadeverzekeringen, ongeacht of het levens- of schadeverzekeringspolissen zijn die worden herverzekerd.

d)

De output van het beheer van een socialeverzekeringsregeling is afhankelijk van de manier waarop de regeling is georganiseerd. De onderstaande voorbeelden illustreren hoe deze regelingen georganiseerd zijn:

1.

socialezekerheidsregelingen zijn socialeverzekeringsregelingen die de gehele samenleving dekken; zij worden door de overheid opgelegd en staan onder toezicht van de overheid. Doel hiervan burgers uitkeringen te verstrekken waarmee wordt voldaan aan de behoeften die ontstaan als gevolg van ouderdom, invaliditeit of overlijden, ziekte, arbeidsletsel, werkloosheid, gezin en gezondheidszorg enz. Indien aparte eenheden worden onderscheiden, wordt hun output op dezelfde manier vastgesteld als alle niet-marktoutput, namelijk als de som van de kosten. Indien geen aparte eenheden worden onderscheiden, wordt de output van de sociale zekerheid opgenomen in de output van het overheidsniveau waarop de sociale zekerheid functioneert;

2.

wanneer een werkgever een eigen socialeverzekeringsregeling uitvoert, wordt de waarde van de output vastgesteld als de som van de kosten met inbegrip van een raming van het rendement van eventuele vaste activa die voor de uitvoering van de regeling worden gebruikt. De waarde van de output wordt op dezelfde manier gemeten wanneer de werkgever voor het beheer van de regeling een apart pensioenfonds opzet;

3.

wanneer een werkgever een verzekeringsinstelling gebruikt om namens hem de regeling te beheren, is de waarde van de output de vergoeding die de verzekeringsinstelling in rekening brengt;

4.

voor een regeling voor meer dan een werkgever wordt de waarde van de output op dezelfde manier gemeten als voor levensverzekeringspolissen: het inkomen uit beleggingen dat in het kader van de regelingen wordt ontvangen, minus het bedrag dat aan de voorzieningen is toegevoegd.

e)

Het meten van de output van standaardgarantieregelingen voor leningen hangt af van het type producent dat hierbij betrokken is. Indien een standaardgarantieregeling voor leningen als marktproducent functioneert, wordt de waarde van de output op dezelfde manier berekend als voor schadeverzekeringen. Indien de regeling als een niet-marktproducent functioneert, wordt de waarde van de output berekend als de som van de kosten.

Exploitatie van en handel in onroerend goed (sectie L)

3.75

De output van woondiensten door bewoners van een eigen huis wordt gewaardeerd tegen de geraamde waarde van de huur die een huurder voor dezelfde accommodatie zou moeten betalen; hierbij moet rekening worden gehouden met factoren als ligging, faciliteiten in de buurt enz., alsook met de grootte en kwaliteit van de woning zelf. Voor een door de eigenaar voor consumptieve doeleinden gebruikte garage die op een andere plaats dan zijn woning gelegen is, moet eenzelfde toerekening worden gemaakt. De huurwaarde van een door de eigenaar bewoonde woning in het buitenland (bv. een vakantiewoning) moet niet als deel van de binnenlandse output worden geregistreerd, maar als invoer van diensten en het desbetreffende netto-exploitatieoverschot als uit het buitenland ontvangen primair inkomen. Door niet-ingezetenen bewoonde eigen huizen worden op soortgelijke wijze geregistreerd. In geval van timesharing van appartementen wordt een evenredig deel van de vergoeding voor de dienstverlening geregistreerd.

3.76

Om de waarde van woondiensten door bewoners van een eigen huis te ramen, wordt de stratificatiemethode gebruikt. De totale woningvoorraad wordt gestratificeerd naar ligging, woningtype en andere factoren die op de huur van invloed zijn. Om de huurwaarde van de totale woningvoorraad te ramen, wordt informatie over de werkelijke huren van huurwoningen gebruikt. De gemiddelde werkelijke huur per stratum wordt voor alle woningen in dat stratum gebruikt. Wanneer de informatie over huur uit steekproefenquêtes wordt afgeleid, heeft de extrapolatie naar de huur van de totale voorraad betrekking op zowel een deel van de huurwoningen als alle eigen woningen. De huur per stratum wordt voor een bepaald basisjaar nauwkeurig berekend, waarna het resultaat naar de latere perioden wordt geëxtrapoleerd.

3.77

De huur die bij de stratificatiemethode voor door de eigenaar bewoonde woningen moet worden toegepast, wordt gedefinieerd als de huur die op de particuliere markt verschuldigd is voor het gebruiksrecht op een ongemeubileerde woning. Voor de bepaling van de toegerekende huren worden de huren voor ongemeubileerde woningen in alle contracten van de particuliere woningmarkt gebruikt. Ook huren op de particuliere markt die dankzij overheidsmaatregelen laag worden gehouden, worden in aanmerking genomen. Als de informatie van de huurder afkomstig is, wordt de waargenomen huur verhoogd met specifieke huursubsidies die rechtstreeks aan de verhuurder worden betaald. Wanneer de steekproefomvang voor de waargenomen huren, zoals hierboven gedefinieerd, niet groot genoeg is, kunnen waargenomen huren voor gemeubileerde woningen voor de toerekening worden gebruikt, mits die worden gecorrigeerd voor de meubilering. In uitzonderlijke gevallen kunnen ook verhoogde huren voor woningen van de overheid worden gebruikt. Lage huren voor woningen die aan familieleden of werknemers worden verhuurd, moeten buiten beschouwing blijven.

3.78

De stratificatiemethode wordt gebruikt voor ophoging naar het volledige huurwoningenbestand. De kans bestaat dat voor toerekening gebruikte gemiddelde huur voor sommige segmenten van de huurmarkt niet geschikt is. Zo zijn verlaagde huren voor gemeubileerde woningen of verhoogde huren voor woningen van de overheid niet geschikt voor de respectieve werkelijk gehuurde woningen. In dat geval zijn afzonderlijke strata voor werkelijk gehuurde gemeubileerde of sociale woningen in combinatie met passende gemiddelde huren noodzakelijk.

3.79

Indien een voldoende grote huurmarkt met accommodatie die kenmerkend is voor de categorie van door de eigenaar bewoonde woningen, ontbreekt, wordt voor deze categorie van woningen de gebruikerskostenmethode toegepast.

Bij de gebruikerskostenmethode komt de output van de woondiensten overeen met de som van het intermediair verbruik, het verbruik van vaste activa, het saldo van niet-productgebonden belastingen op productie en niet-productgebonden subsidies op productie, en het netto-exploitaiteoverschot.

Het netto-exploitatieoverschot wordt berekend door toepassing van een constant reëel rendement per jaar op de nettowaarde van alle door de eigenaar bewoonde woningen tegen lopende prijzen (vervangingskosten).

3.80

De output van de exploitatie en de verhuur van bedrijfsgebouwen wordt gemeten op basis van de waarde van de betaalde huur.

Vrije beroepen en wetenschappelijke en technische diensten (sectie M); Administratieve en ondersteunende diensten (sectie N)

3.81

De output van operationeleleasediensten (bv. verhuur van machines of apparatuur) wordt gemeten aan de hand van de betaalde leasesom. Operationele lease verschilt van financiële lease: bij financiële lease wordt de aankoop van vaste activa gefinancierd doordat de leasegever de leasenemer een lening verstrekt. Betalingen in het kader van financiële lease bestaan uit terugbetalingen van de hoofdsom en rentebetalingen met geringe kosten voor directe dienstverlening (zie hoofdstuk 15: Contracten, leases en vergunningen).

3.82

Onderzoek en ontwikkeling (O&O) is creatief werk dat systematisch wordt ondernomen ter vergroting van de hoeveelheid kennis en om deze kennis te gebruiken voor de ontdekking of ontwikkeling van nieuwe producten, met inbegrip van betere versies of een betere kwaliteit van bestaande producten, of voor de ontdekking of ontwikkeling van nieuwe of efficiëntere productieprocessen. O&O van significante omvang in verhouding tot de hoofdactiviteit wordt als nevenactiviteit van een lokale EEA geregistreerd. Waar mogelijk wordt een aparte lokale EEA onderscheiden voor O&O.

3.83

De output van O&O-diensten wordt als volgt gemeten:

a)

O&O door gespecialiseerde commerciële onderzoekslaboratoria of -instituten wordt op de gebruikelijke wijze gewaardeerd tegen de inkomsten uit verkopen, contracten, commissies, honoraria enz.;

b)

de output van O&O voor gebruik in dezelfde onderneming wordt gewaardeerd op basis van de geraamde basisprijs die zou worden betaald indien het onderzoek was uitbesteed. Bij het ontbreken van een markt voor de uitbesteding van O&O van soortgelijke aard wordt deze output gewaardeerd als de som van de productiekosten vermeerderd met een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor een netto-exploitatieoverschot of gemengd inkomen;

c)

O&O door overheidsinstellingen, universiteiten en onderzoeksinstellingen zonder winstoogmerk wordt gewaardeerd als de som van de productiekosten. Inkomsten uit de verkoop van O&O door niet-marktproducenten van O&O moeten worden geregistreerd als inkomen uit marktproductie als nevenactiviteit.

O&O-uitgaven worden onderscheiden van uitgaven voor onderwijs en opleiding. O&O-uitgaven omvatten niet de kosten van het ontwikkelen van computerprogrammatuur als hoofd- of als nevenactiviteit.

Openbaar bestuur en defensie, verplichte sociale verzekeringen (sectie O)

3.84

De diensten van openbaar bestuur, defensie en verplichte sociale verzekering worden verleend als niet-marktdiensten en worden dienovereenkomstig gewaardeerd.

Onderwijs (sectie P); Menselijke gezondheidszorg en maatschappelijke diensten (sectie Q)

3.85

Bij onderwijs en gezondheidszorg wordt een precies onderscheid gemaakt tussen marktproducenten en niet-marktproducenten en tussen marktoutput en niet-marktoutput. Zo worden voor bepaalde soorten onderwijs en bepaalde medische behandelingen door overheidsinstellingen (of met speciale subsidies ook door andere instellingen) soms symbolische bijdragen verlangd, terwijl voor andere vormen van onderwijs en speciale medische behandelingen commerciële tarieven in rekening worden gebracht. Een ander voorbeeld is dat dezelfde soort dienst (bv. hoger onderwijs) enerzijds door de overheid wordt verstrekt en anderzijds door commerciële instellingen.

O&O-activiteiten blijven bij onderwijs en gezondheidszorg buiten beschouwing. Onderwijs op het gebied van gezondheidszorg, bijvoorbeeld in academische ziekenhuizen, valt niet onder gezondheidszorg.

Kunst, amusement en recreatie (sectie R); Andere diensten (sectie S)

3.86

Het produceren van boeken, muziekopnamen, films, computerprogrammatuur, banden, platen enz. geschiedt in twee fasen en wordt dienovereenkomstig gemeten:

1)

de output van de productie van originelen — een intellectuele-eigendomsproduct — wordt bij verkoop gemeten op basis van de betaalde prijs. Indien de output niet wordt verkocht, wordt deze gemeten aan de hand van de basisprijs die betaald wordt voor soortgelijke originelen, de productiekosten (inclusief een toeslag voor een netto-exploitatieoverschot) of de contante waarde van de toekomstige opbrengsten die worden verwacht wanneer de originelen in productie worden gebruikt;

2)

de eigenaar van deze activa kan ze direct gebruiken of er in latere perioden kopieën van produceren. Indien de eigenaar andere producenten een licentie heeft verleend om bij een productie gebruik te maken van het origineel, vormen de honoraria, commissies, royalty's enz., die voor deze licenties worden ontvangen, de output van diensten. De verkoop van het origineel is daarentegen een negatieve investering in vaste activa.

Particuliere huishoudens als werkgever (sectie T)

3.87

De output van huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald personeel, wordt gewaardeerd op basis van de beloning van dit personeel; dit is inclusief beloningen in natura als kost en inwoning.

INTERMEDIAIR VERBRUIK (P.2)

3.88

Definitie: het intermediair verbruik bestaat uit goederen en diensten die als input in een productieproces worden gebruikt, met uitzondering van de vaste activa, waarvan het verbruik als verbruik van vaste activa wordt geregistreerd. De goederen en diensten worden tijdens het productieproces verwerkt in andere producten of worden volledig verbruikt.

3.89

Het intermediair verbruik omvat de volgende gevallen:

a)

goederen en diensten die als input voor hulpactiviteiten worden gebruikt. Dit betreft bijvoorbeeld inkoop, verkoop, marketing, boekhouding, gegevensverwerking, vervoer, opslag, onderhoud, beveiliging enz. Deze goederen en diensten worden niet onderscheiden van die welke worden verbruikt ten behoeve van de hoofd- (of neven-)activiteiten van een lokale EEA;

b)

goederen en diensten die worden ontvangen van een andere lokale EEA behorend tot dezelfde institutionele eenheid;

c)

de huur van vaste activa, bijvoorbeeld de operationele lease van machines, auto's, programmatuur of originelen op het gebied van amusement;

d)

vergoedingen voor kortlopende contracten, leases en vergunningen die als niet-geproduceerde activa worden geregistreerd; dit omvat niet de rechtstreekse aankoop van dergelijke niet-geproduceerde activa;

e)

de aan bedrijfsorganisaties zonder winstoogmerk betaalde contributies, bijdragen enz. (zie punt 3.35);

f)

posten die niet als bruto-investeringen worden behandeld, zoals:

1.

goedkoop gereedschap dat voor gangbare werkzaamheden wordt gebruikt, zoals zagen, spaden, messen, bijlen, hamers, schroevendraaiers, steeksleutels, bahco's en ander handgereedschap, alsmede zakrekenmachines en dergelijke kleine apparaten. Alle uitgaven voor dergelijke duurzame goederen worden als intermediair verbruik geregistreerd;

2.

het regelmatige onderhoud en de reparatie van bij de productie gebruikte vaste activa;

3.

personeelsopleiding, marktonderzoek en dergelijke activiteiten, aangekocht van een derde of verricht door een afzonderlijke lokale EEA van dezelfde institutionele eenheid;

4.

uitgaven voor O&O worden alleen als investeringen in vaste activa behandeld wanneer in de ramingen door de lidstaten een voldoende hoog niveau van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid wordt bereikt;

g)

door de werkgever vergoede uitgaven van werknemers voor artikelen die nodig zijn voor het productieproces van de werkgever, zoals bij een contractuele verplichting tot het aanschaffen van gereedschap of veiligheidskleding voor eigen rekening;

h)

uitgaven van werkgevers die zowel aan hen zelf als aan hun werknemers ten goede komen, omdat ze nodig zijn voor het productieproces. Dit geldt bijvoorbeeld voor:

1.

vergoeding van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten van werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden;

2.

het treffen van voorzieningen op de werkplek.

In de punten over de beloning van werknemers (D.1) is een lijst van relevante uitgaven opgenomen (zie punt 4.07);

i)

door lokale EEA's betaalde vergoeding voor schadeverzekeringsdiensten (zie hoofdstuk 16: Verzekeringen). Om alleen de vergoeding voor de geleverde dienst als intermediair verbruik te registreren, worden de betaalde premies verminderd met bijvoorbeeld de uitkeringen en de nettomutatie van de actuariële reserves. De nettomutatie van de actuariële reserves wordt proportioneel met de betaalde premies aan de lokale EEA's toegerekend;

j)

IGDFI die door ingezeten producenten zijn gekocht;

k)

het niet-marktgedeelte van de output van de centrale bank moet volledig aan het intermediair verbruik van de andere financiële intermediairs worden toegerekend.

3.90

In het intermediair verbruik zijn niet begrepen:

a)

posten die als bruto-investeringen worden beschouwd, bijvoorbeeld:

1.

kostbaarheden;

2.

exploratie van natuurlijke hulpbronnen;

3.

belangrijke verbeteringen, die verder gaan dan wat nodig is om de vaste activa bedrijfsklaar te houden, bijvoorbeeld renovaties, verbouwingen of uitbreidingen;

4.

gekochte of in eigen beheer geproduceerde computerprogrammatuur;

5.

militaire wapens en de hiervoor benodigde dragersystemen;

b)

uitgaven die worden behandeld als aankoop van niet-geproduceerde activa. Voorbeelden hiervan zijn langlopende contracten, leases en vergunningen (zie hoofdstuk 15);

c)

uitgaven van werkgevers die worden behandeld als lonen in natura;

d)

gebruik van door de overheid verleende collectieve diensten door eenheden die marktproducten voortbrengen of die producten in eigen beheer voortbrengen (behandeld als uitgaven voor collectief verbruik van de overheid);

e)

goederen en diensten die binnen eenzelfde verslagperiode binnen dezelfde lokale EEA worden geproduceerd en verbruikt (deze worden ook niet als output geregistreerd);

f)

betalingen aan de overheid voor vergunningen enz., die als niet-productgebonden belastingen op productie worden behandeld;

g)

betalingen voor vergunningen voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen (bv. grond) die worden behandeld als inkomen uit grond en minerale reserves, d.w.z. als een betaling van inkomen uit vermogen.

Moment van registratie en waardering van het intermediair verbruik

3.91

Producten die intermediair worden verbruikt, worden geregistreerd en gewaardeerd op het moment waarop zij in het productieproces worden gebruikt. Zij worden gewaardeerd tegen de aankoopprijzen die op het moment van gebruik voor soortgelijke goederen of diensten gelden.

3.92

Producerende eenheden registreren het gebruik van goederen in het productieproces niet rechtstreeks. Zij registreren de aankoop van goederen die als input zullen worden gebruikt, minus de toename van de voorraden van deze goederen.

CONSUMPTIE (P.3, P.4)

3.93

Er worden twee begrippen „consumptie” gehanteerd:

a)

consumptieve bestedingen (P.3);

b)

werkelijke consumptie (P.4).

Consumptieve bestedingen zijn uitgaven voor consumptiegoederen en -diensten die door huishoudens, izw's t.b.v. huishoudens en de overheid worden gebruikt om individuele en collectieve behoeften te bevredigen. De werkelijke consumptie daarentegen betreft de verwerving van consumptiegoederen en -diensten. Het verschil tussen deze begrippen is gelegen in de behandeling van bepaalde goederen en diensten die door de overheid of een izw t.b.v. huishoudens worden gefinancierd, maar aan de huishoudens worden geleverd als sociale overdrachten in natura.

Consumptieve bestedingen (P.3)

3.94

Definitie: consumptieve bestedingen zijn uitgaven van ingezeten institutionele eenheden voor goederen en diensten die worden gebruikt voor de rechtstreekse bevrediging van individuele behoeften of wensen of van de collectieve behoeften van leden van de samenleving.

3.95

De consumptieve bestedingen van huishoudens omvatten bijvoorbeeld:

a)

woondiensten door bewoners van een eigen huis;

b)

inkomen in natura, zoals:

1.

goederen en diensten die werknemers ontvangen als inkomen in natura;

2.

goederen of diensten die zijn geproduceerd door ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom van huishoudens en voor consumptie door leden van het huishouden zijn bestemd. Voorbeelden zijn voedsel en andere landbouwproducten, woondiensten door bewoners van een eigen huis en huishoudelijke diensten die worden geproduceerd door het in dienst hebben van betaald huishoudelijk personeel (bedienden, koks, tuinlieden, chauffeurs enz.);

c)

posten die niet als intermediair verbruik worden behandeld, zoals:

1.

materiaal voor kleine reparaties aan en de inrichting van woningen, voor zover deze zowel door huurders als door eigenaren worden verricht;

2.

materiaal voor reparaties en onderhoud van duurzame consumptiegoederen, inclusief voertuigen;

d)

posten die niet als investeringen worden behandeld, met name duurzame consumptiegoederen, die gedurende diverse verslagperioden in gebruik blijven; hiertoe behoort ook de eigendomsoverdracht van bepaalde duurzame goederen door een onderneming aan een huishouden;

e)

rechtstreeks in rekening gebrachte financiële diensten en het gedeelte van de IGDFI dat door huishoudens wordt verbruikt;

f)

verzekeringsdiensten ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst;

g)

diensten van pensioenfondsen ter waarde van de impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst;

h)

betalingen door huishoudens voor vergunningen enz., die als aankoop van diensten worden beschouwd (zie de punten 4.79 en 4.80);

i)

de aankoop van output tegen een economisch niet-significante prijs, bijvoorbeeld toegangskaarten voor een museum.

3.96

Tot de consumptieve bestedingen van de huishoudens behoren niet:

a)

sociale overdrachten in natura, zoals uitgaven die in eerste instantie door huishoudens worden gedaan, maar die naderhand door de sociale verzekering worden vergoed, bijvoorbeeld bepaalde uitgaven voor gezondheidszorg;

b)

posten die worden behandeld als intermediair verbruik of als bruto-investeringen, zoals:

1.

uitgaven van huishoudens die een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid in eigendom hebben, wanneer deze uitgaven voor zakelijke doeleinden zijn gedaan, bijvoorbeeld voor duurzame goederen als voertuigen, meubelen of elektrische apparatuur (bruto-investeringen in vaste activa) of voor niet-duurzame goederen als brandstof (behandeld als intermediair verbruik);

2.

uitgaven van een bewoner van een eigen huis voor decoratie, onderhoud en reparatie van de woning, die gewoonlijk niet door een huurder worden gedaan (behandeld als intermediair verbruik bij het produceren van woondiensten);

3.

de aankoop van woningen (behandeld als bruto-investeringen in vaste activa);

4.

uitgaven voor kostbaarheden (behandeld als bruto-investeringen);

c)

posten die worden behandeld als aankopen van niet-geproduceerde activa, met name de aankoop van grond;

d)

alle betalingen door huishoudens die worden beschouwd als belastingen (zie de punten 4.79 en 4.80);

e)

door huishoudens aan izw's t.b.v. huishoudens, zoals vakbonden, beroepsorganisaties, consumentenorganisaties, kerken en sociale, culturele, ontspannings- en sportverenigingen, betaalde contributies, bijdragen enz.;

f)

vrijwillige overdrachten in geld of in natura van huishoudens aan liefdadigheidsinstellingen en hulporganisaties.

3.97

De consumptieve bestedingen van izw's t.b.v. huishoudens omvatten twee categorieën:

a)

de waarde van door de izw's t.b.v. huishoudens zelf geproduceerde goederen en verstrekte diensten, voor zover het niet gaat om in eigen beheer geproduceerde investeringen of om uitgaven van huishoudens en andere eenheden;

b)

uitgaven door izw's t.b.v. huishoudens voor door marktproducenten voortgebrachte goederen en diensten die — zonder verdere bewerking — als sociale overdrachten in natura voor verbruik aan huishoudens worden verstrekt.

3.98

De consumptieve bestedingen (P.3) van de overheid omvatten twee categorieën, te vergelijken met die van de izw's t.b.v. huishoudens:

a)

de waarde van door de overheid zelf geproduceerde goederen en diensten (P.1), voor zover het niet gaat om in eigen beheer geproduceerde investeringen (die overeenkomen met P.12), om marktoutput (P.11) of om betalingen voor niet-marktoutput (P.131);

b)

aankopen door de overheid van door marktproducenten voortgebrachte goederen en diensten die — zonder verdere bewerking — als sociale overdrachten in natura (D.632) aan huishoudens worden verstrekt. De overheid betaalt voor deze goederen en diensten die de verkopers aan huishoudens leveren.

3.99

Ondernemingen met rechtspersoonlijkheid doen geen consumptieve bestedingen. Hun aankopen van goederen en diensten die ook huishoudens voor consumptie gebruiken, worden door hen hetzij voor intermediair verbruik aangewend hetzij aan hun werknemers verstrekt als beloning in natura, d.w.z. aan de huishoudens toegerekende consumptieve bestedingen.

Werkelijke consumptie (P.4)

3.100

Definitie: de werkelijke consumptie bestaat uit de goederen of diensten die door ingezeten institutionele eenheden worden verworven voor de rechtstreekse bevrediging van individuele of collectieve menselijke behoeften.

3.101

Definitie: goederen en diensten voor individuele consumptie (individuele goederen en diensten) zijn goederen en diensten die door een huishouden worden verworven en voor de bevrediging van de behoeften en wensen van leden van dat huishouden worden gebruikt. Individuele goederen en diensten hebben de volgende kenmerken:

a)

het is mogelijk de verwerving van de goederen en diensten door een individueel huishouden of een lid daarvan alsmede het moment van verwerving waar te nemen en te registreren;

b)

het huishouden heeft ingestemd met de verstrekking van de goederen en diensten en neemt de nodige stappen om deze goederen en diensten te verbruiken, bijvoorbeeld door een school te bezoeken of naar een ziekenhuis te gaan;

c)

de goederen en diensten zijn van dien aard dat de verwerving ervan door één huishouden of persoon, of door een groep personen, verwerving ervan door andere huishoudens of personen uitsluit.

3.102

Definitie: Collectieve diensten zijn diensten voor collectief gebruik die gelijktijdig aan alle leden van de samenleving of aan alle leden van een bepaald deel van de samenleving, zoals alle huishoudens in een bepaalde regio, worden verleend. Collectieve diensten hebben de volgende kenmerken:

a)

ze kunnen gelijktijdig worden verstrekt aan ieder lid van de samenleving of aan een bepaald deel van de samenleving, zoals degenen die in een bepaalde regio of plaats wonen;

b)

het gebruik van de diensten is doorgaans passief en vergt geen instemming of actieve medewerking van alle betrokkenen;

c)

het verlenen van een collectieve dienst aan één individu vermindert het voor anderen in dezelfde samenleving of hetzelfde deel van de samenleving beschikbare bedrag niet.

3.103

Bij alle consumptieve bestedingen van huishoudens gaat het om individuele bestedingen. Ook alle door izw's t.b.v. huishoudens verstrekte goederen en diensten worden tot de individuele bestedingen gerekend.

3.104

Voor de door de overheid verstrekte goederen en diensten wordt de grens tussen goederen en diensten voor individuele of collectieve consumptie getrokken op basis van de classificatie van overheidsfuncties (Classification of the Functions of Government — COFOG).

Alle onder een van de volgende rubrieken vallende consumptieve bestedingen van de overheid worden behandeld als individuele consumptieve bestedingen:

a)

7.1

Medische producten, apparaten en toestellen

7.2

Extramurale gezondheidszorg

7.3

Diensten van ziekenhuizen

7.4

Diensten in de openbare gezondheidszorg

b)

8.1

Diensten op het gebied van recreatie en sport

8.2

Diensten op het gebied van cultuur

c)

9.1

Kleuter- en primair onderwijs

9.2

Secundair onderwijs

9.3

Postsecundair niet-tertiair onderwijs

9.4

Tertiair onderwijs

9.5

Onderwijs dat niet naar niveau kan worden ingedeeld

9.6

Onderwijsondersteunende diensten

d)

10.1

Ziekte en arbeidsongeschiktheid

10.2

Ouderdom

10.3

Nabestaanden

10.4

Gezin en kinderen

10.5

Werkloosheid

10.6

Huisvesting

10.7

Sociale uitsluiting, niet elders geclassificeerd (n.e.g.)

3.105

Uitgaande van de classificatie van individuele verbruiksfuncties (Classification of Individual Consumption by Purpose — COICOP) komen de individuele consumptieve bestedingen van de overheid overeen met afdeling 14 van die classificatie, die de volgende groepen omvat:

14.1

Huisvesting (komt overeen met COFOG-groep 10.6)

14.2

Gezondheid (komt overeen met de COFOG-groepen 7.1 tot en met 7.4)

14.3

Recreatie en cultuur (komt overeen met de COFOG-groepen 8.1 en 8.2)

14.4

Onderwijs (komt overeen met de COFOG-groepen 9.1 tot en met 9.6)

14.5

Sociale bescherming (komt overeen met de COFOG-groepen 10.1 tot en met 10.5 en groep 10.7)

3.106

De rest van de consumptieve bestedingen van de overheid bestaat uit collectieve consumptieve bestedingen.

Dit betreft de volgende COFOG-groepen:

a)

Algemeen overheidsbestuur (afdeling 1)

b)

Defensie (afdeling 2)

c)

Openbare orde en veiligheid (afdeling 3)

d)

Economische zaken (afdeling 4)

e)

Milieubescherming (afdeling 5)

f)

Huisvesting en gemeenschappelijke voorzieningen (afdeling 6)

g)

Algemeen bestuur, regelgeving, verspreiding van algemene informatie en statistiek (alle afdelingen)

h)

Onderzoek en ontwikkeling (alle afdelingen)

3.107

De relaties tussen de verschillende begrippen op het gebied van consumptie worden in tabel 3.2 weergegeven.

Tabel 3.2 —   Sector die uitgaven doet

 

Overheid

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Totaal verwervingen

Individuele consumptie

X (= sociale overdrachten in natura)

X (= sociale overdrachten in natura)

X

Werkelijke individuele consumptie van de huishoudens

Collectieve consumptie

X

0

0

Werkelijke collectieve consumptie van de overheid

Totaal

Consumptieve bestedingen van de overheid

Consumptieve bestedingen van izw’s t.b.v. de huishoudens

Consumptieve bestedingen van de huishoudens

Werkelijke consumptie = totale consumptieve bestedingen

X: van toepassing

0: niet van toepassing

3.108

Alle consumptieve bestedingen van izw's t.b.v. huishoudens zijn individuele bestedingen. De totale werkelijke consumptie is gelijk aan de som van de werkelijke consumptie van de huishoudens en de werkelijke consumptie van de overheid.

3.109

Er zijn geen sociale overdrachten in natura naar en van het buitenland (wel in geld). De totale werkelijke consumptie is gelijk aan de totale consumptieve bestedingen.

Moment van registratie en waardering van de consumptieve bestedingen

3.110

De uitgaven voor een goed worden geregistreerd op het moment dat het goed van eigenaar verandert; de uitgaven voor een dienst worden geregistreerd op het moment dat de dienstverlening voltooid is.

3.111

Uitgaven voor goederen die door middel van huurkoop of een vergelijkbare kredietovereenkomst, of door middel van financiële lease zijn aangeschaft, worden geregistreerd op het moment dat de goederen worden geleverd, ook al is er op dat moment nog geen sprake van verandering van eigendom.

3.112

Consumptie van in eigen beheer geproduceerde producten wordt geregistreerd op het moment dat de voor eigen consumptie bestemde output wordt geproduceerd.

3.113

Consumptieve bestedingen van huishoudens worden geregistreerd tegen de aankoopprijs. Dit is de prijs die de koper op het moment van de aankoop feitelijk voor de producten betaalt. Zie punt 3.06 voor een nauwkeuriger definitie.

3.114

Goederen en diensten die als beloning in natura aan werknemers worden verstrekt, worden gewaardeerd tegen de basisprijs wanneer ze door de werkgever worden geproduceerd, en tegen de aankoopprijs voor de werkgever wanneer ze door hem zijn gekocht.

3.115

Voor eigen consumptie bestemde goederen en diensten worden tegen de basisprijs gewaardeerd.

3.116

De consumptieve bestedingen van de overheid of van izw's t.b.v. huishoudens aan door hen zelf voortgebrachte producten worden geregistreerd op het moment dat deze producten worden geproduceerd; dit is tevens het moment waarop de producten door de overheid of de izw's t.b.v. huishoudens worden geleverd. De consumptieve bestedingen voor goederen en diensten die via marktproducenten worden verstrekt, worden geregistreerd op het moment van levering.

3.117

De consumptieve bestedingen (P.3) van de overheid of van izw's t.b.v. huishoudens zijn gelijk aan hun totale output (P.1), plus de uitgaven voor producten die via marktproducenten aan de huishoudens worden geleverd — deel van de sociale overdrachten in natura (D.632) —, minus de betalingen door andere eenheden — marktoutput (P.11) en de betalingen voor niet-marktoutput (P.131) —, minus de in eigen beheer geproduceerde investeringen (P.12).

Moment van registratie en waardering van de werkelijke consumptie

3.118

Goederen en diensten worden door institutionele eenheden verworven wanneer zij de nieuwe eigenaar van de goederen worden en wanneer de verstrekking van de diensten aan hen voltooid is.

3.119

Aankopen (werkelijke consumptie) worden voor de eenheden die de uitgaven doen, gewaardeerd tegen de aankoopprijs.

3.120

Overdrachten in natura, met uitzondering van de sociale overdrachten in natura van de overheid en de izw's t.b.v. huishoudens, worden behandeld als overdrachten in geld. De waarde van de goederen of diensten wordt dan ook geregistreerd als uitgaven van de institutionele eenheden of sectoren die de goederen of diensten verwerven.

3.121

De waarde van de totale consumptieve bestedingen is gelijk aan die van de totale werkelijke consumptie. De door ingezeten huishoudens door sociale overdrachten in natura verworven goederen en diensten worden gewaardeerd tegen dezelfde prijs als die waartegen zij in de aggregaten van de bestedingen worden gewaardeerd.

BRUTO-INVESTERINGEN (P.5)

3.122

De bruto-investeringen omvatten:

a)

bruto-investeringen in vaste activa (P.51g);

1.

verbruik van vaste activa (P.51c);

2.

netto-investeringen in vaste activa (P.51n);

b)

veranderingen in voorraden (P.52);

c)

saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53).

3.123

Bruto-investeringen worden gemeten zonder aftrek voor verbruik van vaste activa. Netto-investeringen worden berekend door het verbruik van vaste activa van de bruto-investeringen af te trekken.

Bruto-investeringen in vaste activa (P.51g)

3.124

Definitie: de bruto-investeringen in vaste activa (P.51) bestaan uit het saldo van de gedurende een bepaalde periode door ingezeten producenten verrichte aan- en verkopen van vaste activa, plus bepaalde toevoegingen aan de waarde van niet-geproduceerde activa die zijn gerealiseerd door de productieve activiteit van producerende of institutionele eenheden. Vaste activa zijn voortgebrachte activa die langer dan één jaar in de productie worden gebruikt.

3.125

De bruto-investeringen in vaste activa omvatten zowel positieve als negatieve elementen:

a)

positieve elementen:

1.

aankopen van nieuwe of bestaande vaste activa;

2.

voor eigen gebruik geproduceerde vaste activa (ook indien die nog niet voltooid of volgroeid zijn);

3.

nieuwe of bestaande vaste activa die door ruil zijn verworven;

4.

nieuwe of bestaande vaste activa die als kapitaaloverdrachten in natura zijn ontvangen;

5.

nieuwe of bestaande vaste activa die door middel van financiële lease zijn verworven;

6.

belangrijke verbeteringen aan vaste activa en historische monumenten;

7.

aanwas van natuurlijke activa met regelmatige opbrengst;

b)

negatieve elementen (d.w.z. het afstoten van vaste activa, geregistreerd als negatieve aankoop):

1.

verkopen van bestaande vaste activa;

2.

bestaande vaste activa die door ruil zijn afgestaan;

3.

bestaande vaste activa die zijn geleverd in het kader van een kapitaaloverdracht.

3.126

Het afstoten van vaste activa omvat niet:

a)

verbruik van vaste activa (waaronder normale te verwachten schade valt);

b)

uitzonderlijke verliezen, bijvoorbeeld door droogte of andere natuurrampen, die als overige volumemutatie in activa worden geregistreerd.

3.127

De volgende soorten bruto-investeringen in vaste activa worden onderscheiden:

1)

woningen;

2)

overige bouwwerken; dit omvat ook belangrijke grondverbeteringen;

3)

machines en apparatuur, zoals schepen, auto's en computers;

4)

wapensystemen;

5)

in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (bv. bomen en vee);

6)

kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa, zoals grond, contracten, leases en vergunningen;

7)

O&O, inclusief de productie van vrij beschikbaar O&O. Uitgaven voor O&O worden alleen als investeringen in vaste activa behandeld wanneer bij de ramingen door de lidstaten een voldoende hoog niveau van betrouwbaarheid en vergelijkbaarheid wordt bereikt;

8)

exploratie en evaluatie van minerale reserves;

9)

computerprogrammatuur en databanken;

10)

originelen op het gebied van woord, beeld en geluid;

11)

overige intellectuele-eigendomsrechten.

3.128

Belangrijke verbeteringen van grond zijn:

a)

landwinning door de aanleg van dijken, zeeweringen of dammen;

b)

kappen van bossen, verwijderen van rotsen enz., zodat grond voor de eerste keer in productie kan worden genomen;

c)

droogleggen van moerassen en irrigeren van woestijnen door de aanleg van dijken, sloten en irrigatiekanalen; voorkomen van overstromingen of erosie door de zee of door rivieren door de bouw van pieren, zeeweringen of stormvloedkeringen.

Deze activiteiten kunnen leiden tot het ontstaan van omvangrijke nieuwe bouwwerken als zeeweringen, stormvloedkeringen en dammen; deze bouwwerken worden niet gebruikt voor het produceren van andere goederen en diensten, maar om meer of betere grond te krijgen en het is deze grond, behorend tot de niet-geproduceerde activa, die voor het productieproces wordt gebruikt. Zo heeft een voor de elektriciteitsproductie gebouwde dam een ander doel dan een dam die als zeewering is gebouwd. Alleen de bouw van dit laatste type dam wordt als verbetering van grond geclassificeerd.

3.129

De bruto-investeringen in vaste activa omvatten de volgende grensgevallen:

a)

aanschaf van woonboten, aken, woonwagens en caravans die door huishoudens als woning worden gebruikt, alsmede allerlei hiermee verbonden bouwwerken zoals garages;

b)

bouwwerken en voorzieningen die door de strijdkrachten worden gebruikt;

c)

door niet-militaire eenheden gebruikte lichte wapens en pantservoertuigen;

d)

veranderingen in de veestapel die jaar na jaar voor productieve doeleinden wordt gebruikt, zoals fokvee, melkvee, voor de wol gehouden schapen en trekdieren;

e)

veranderingen in gecultiveerde bomen met een regelmatige opbrengst, zoals fruitbomen, wijnstokken, rubberbomen, palmbomen enz.;

f)

verbeteringen aan bestaande vaste activa, die verder gaan dan gewoon onderhoud en gewone reparaties;

g)

aanschaf van vaste activa door middel van financiële lease;

h)

kosten in verband met de beëindiging van activiteiten, d.w.z. omvangrijke verwijderingskosten, bijvoorbeeld kosten voor de ontmanteling van een kerncentrale of kosten voor de sanering van een afvalstortplaats.

3.130

Niet onder de bruto-investeringen in vaste activa vallen:

a)

transacties die tot het intermediair verbruik behoren, zoals:

1.

aankoop van klein gereedschap voor productiedoeleinden;

2.

gewoon onderhoud en gewone reparaties;

3.

aanschaf van vaste activa, bestemd voor gebruik in het kader van operationele lease (zie ook hoofdstuk 15: Contracten, leases en vergunningen). Voor de onderneming die de vaste activa gebruikt, wordt de huur behandeld als intermediair verbruik. Voor de eigenaar ervan worden de kosten van de aanschaf geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa;

b)

transacties die als veranderingen in voorraden worden geregistreerd:

1.

slachtvee, inclusief pluimvee;

2.

voor de houtproductie bestemde bomen (onderhanden werk);

c)

machines en apparatuur die door huishoudens voor consumptie zijn aangeschaft;

d)

waarderingsverschillen op vaste activa;

e)

verliezen op vaste activa door rampen, bijvoorbeeld vernietiging van in cultuur gebrachte activa en vee door het uitbreken van een ziekte die gewoonlijk niet door een verzekering wordt gedekt, of schade door abnormaal hoge waterstanden, storm of bosbranden;

f)

middelen die worden gereserveerd zonder dat er een verplichting bestaat voor de werkelijke aankoop of bouw van een specifiek kapitaalgoed, bijvoorbeeld een overheidsfonds voor infrastructuur.

3.131

Bruto-investeringen in vaste activa in de vorm van verbeteringen aan bestaande vaste activa worden als aankopen van nieuwe vaste activa van dezelfde soort geregistreerd.

3.132

Intellectuele-eigendomsproducten zijn het resultaat van onderzoek en ontwikkeling, opsporing of innovatie die tot kennis leiden, waarvan het gebruik door de wet of een andere vorm van bescherming wordt beperkt.

Voorbeelden van intellectuele-eigendomsactiva zijn:

a)

resultaten van O&O;

b)

resultaten van de exploratie van minerale reserves, gemeten als de kosten van feitelijke proefboringen, luchtkartering en topografisch onderzoek, vervoer enz.;

c)

computerprogrammatuur en grote databanken die gedurende meer dan één jaar in het productieproces worden gebruikt;

d)

originelen op het gebied van woord, beeld en geluid (manuscripten, modellen, films, geluidsopnamen enz.);

3.133

Zowel voor vaste activa als voor niet-geproduceerde niet-financiële activa bestaan de ten laste van de nieuwe eigenaar komende kosten van de eigendomsoverdracht uit:

a)

kosten voor de oplevering van (nieuwe of bestaande) activa op de vereiste plaats en tijd, zoals vervoer-, installatie- en oprichtingskosten enz.;

b)

gemaakte kosten of betaalde vergoedingen voor deskundige bijstand, zoals honoraria voor landmeters, ingenieurs, advocaten, taxateurs enz., en commissies betaald aan makelaars, veilingmeesters enz.;

c)

door de nieuwe eigenaar verschuldigde belastingen op de eigendomsoverdracht van de activa. Deze belastingen zijn belastingen op de diensten van de intermediairs en belastingen op eigendomsoverdracht, maar geen belastingen op de gekochte activa.

Al deze kosten moeten worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa door de nieuwe eigenaar.

Moment van registratie en waardering van bruto-investeringen in vaste activa

3.134

Bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd wanneer de eigendom van de vaste activa wordt overgedragen aan de institutionele eenheid die ze voor productieve doeleinden wil gebruiken.

Van deze regel wordt afgeweken voor:

a)

financiële lease, wanneer een fictieve eigendomsoverdracht van de leasegever aan de leasenemer wordt verondersteld;

b)

in eigen beheer geproduceerde bruto-investeringen in vaste activa, die bij de productie ervan worden geregistreerd.

3.135

Bruto-investeringen in vaste activa worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen, met inbegrip van installatiekosten en andere kosten in verband met de eigendomsoverdracht. In eigen beheer geproduceerde investeringen worden gewaardeerd tegen de basisprijzen van soortgelijke vaste activa of, indien deze prijzen niet beschikbaar zijn, tegen de productiekosten vermeerderd met een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor het netto-exploitatieoverschot of het gemengd inkomen.

3.136

De aanschaf van intellectuele-eigendomsproducten wordt op uiteenlopende wijze gewaardeerd:

a)

exploratie van minerale reserves: tegen de kosten van de feitelijke proefboringen en de kosten die zijn gemaakt om proeven mogelijk te maken (zoals voor luchtkartering en topografisch onderzoek);

b)

computerprogrammatuur: tegen aankoopprijzen wanneer de programmatuur op de markt is gekocht, of tegen de geraamde basisprijs, of indien de basisprijs niet beschikbaar is tegen de productiekosten vermeerderd met een toeslag voor het netto-exploitatieoverschot (behalve voor niet-marktproducenten) wanneer de programmatuur zelf ontwikkeld is;

c)

originelen op het gebied van woord, beeld en geluid: tegen de door de koper betaalde prijs wanneer het origineel wordt verkocht; indien het origineel niet wordt verkocht, mogen de volgende ramingsmethoden worden toegepast:

i)

tegen de basisprijs die voor soortgelijke originelen is betaald;

ii)

tegen de som van de productiekosten vermeerderd met een toeslag (behalve voor niet-marktproducenten) voor het netto-exploitatieoverschot, of

iii)

de contante waarde van de verwachte opbrengsten.

3.137

De verkoop van bestaande vaste activa wordt gewaardeerd tegen de basisprijs na aftrek van eventuele kosten van eigendomsoverdracht voor de verkoper.

3.138

Zowel bij de eigendomsoverdracht van geproduceerde activa, inclusief vaste activa, als bij die van niet-geproduceerde activa, zoals grond, kunnen kosten worden gemaakt.

Bij geproduceerde activa maken deze kosten deel uit van de aankoopprijs. In het geval van grond en andere niet-geproduceerde activa worden zij gescheiden van de koop en verkoop zelf en bij de classificatie van de bruto-investeringen in vaste activa in een afzonderlijke rubriek geregistreerd.

Verbruik van vaste activa (P.51c)

3.139

Definitie: het verbruik van vaste activa (P.51c) is de waardevermindering van vaste activa in eigendom als gevolg van normale slijtage en economische veroudering. De raming van de waardevermindering omvat een voorziening voor verlies van vaste activa ten gevolge van niet-voorzienbare verzekerbare schade. Het verbruik van vaste activa omvat ook verwachte kosten in verband met de beëindiging van activiteiten, zoals kosten voor de ontmanteling van kerncentrales of boorplatforms of kosten voor de sanering van afvalstortplaatsen. Dergelijke kosten in verband met de beëindiging van activiteiten worden geregistreerd als het verbruik van vaste activa aan het einde van de levensduur, wanneer dergelijke kosten als bruto-investeringen in vaste activa worden geregistreerd.

3.140

Het verbruik van vaste activa wordt geregistreerd voor alle vaste activa (behalve dieren), met inbegrip van intellectuele-eigendomsrechten, belangrijke grondverbeteringen en overdrachtskosten op transacties in niet-geproduceerde activa.

3.141

Verbruik van vaste activa is niet hetzelfde als fiscale of commerciële afschrijvingen. Het wordt geraamd op basis van de kapitaalgoederenvoorraad en de verwachte gemiddelde economische levensduur van de verschillende soorten goederen. Voor de berekening van de kapitaalgoederenvoorraad wordt de „perpetual inventory method” (PIM) toegepast voor het geval rechtstreekse informatie hierover ontbreekt. De kapitaalgoederenvoorraad wordt gewaardeerd tegen de aankoopprijzen in de lopende verslagperiode.

3.142

Bij de berekening van de gemiddelde levensduur van vaste activa wordt rekening gehouden met verlies ervan ten gevolge van niet-voorzienbare verzekerbare schade. Voor de economie als geheel wordt ervan uitgegaan dat de niet-voorzienbare schade binnen een bepaalde verslagperiode gelijk is aan het gemiddelde of dit benadert. Voor afzonderlijke eenheden en groepen eenheden kan de werkelijk geleden niet-voorzienbare schade afwijken van het gemiddelde. In zo'n geval wordt, voor de betreffende sectoren, het verschil geregistreerd onder overige volumemutaties in vaste activa.

3.143

Het verbruik van vaste activa wordt berekend volgens de lineaire methode, waarbij de waarde van de vaste activa gelijkmatig over de hele levensduur van de goederen wordt afgeschreven.

3.144

In sommige gevallen moet gezien het tempo waarin een vast actief minder doelmatig wordt, de „meetkundige afschrijvingsmethode” worden gebruikt.

3.145

In het rekeningenstelsel komt het verbruik van vaste activa tot uitdrukking door alle saldi zowel bruto als netto weer te geven. „Bruto” betekent vóór aftrek van verbruik van vaste activa, „netto” wil zeggen na aftrek van verbruik van vaste activa.

Veranderingen in voorraden (P.52)

3.146

Definitie: veranderingen in voorraden worden gemeten door op de waarde van de toevoegingen aan de voorraden de waarde van de onttrekkingen en de waarde van eventuele periodieke verliezen aan in voorraad gehouden goederen in mindering te brengen.

3.147

Periodieke verliezen als gevolg van fysiek bederf, niet-voorzienbare schade of diefstal zijn mogelijk bij alle soorten in voorraad gehouden goederen, zoals:

a)

verliezen aan grondstoffen en halffabricaten;

b)

verliezen aan onderhanden werk;

c)

verliezen aan gereed product;

d)

verliezen aan handelsgoederen (bv. als gevolg van winkeldiefstal).

3.148

De voorraden bestaan uit onderstaande categorieën:

a)

grondstoffen en halffabricaten:

grondstoffen en halffabricaten zijn alle producten die in voorraad worden gehouden met de bedoeling ze in het productieproces als intermediaire input te gebruiken; dit geldt ook voor producten die door de overheid in voorraad worden gehouden. Artikelen als goud, diamanten enz. zijn inbegrepen wanneer ze voor industrieel gebruik zijn bestemd of anderszins in het productieproces zullen worden gebruikt;

b)

onderhanden werk:

onderhanden werk bestaat uit de nog niet voltooide output. Het wordt geregistreerd bij de voorraden van de producent. Het kan diverse vormen aannemen, zoals:

1.

gewassen te velde;

2.

nog niet tot wasdom gekomen bomen en vee;

3.

onvoltooide bouwwerken (met uitzondering van die welke in het kader van een vooraf gesloten verkoopcontract of in eigen beheer worden geproduceerd; beide worden als investeringen in vaste activa behandeld);

4.

andere onvoltooide vaste activa, bijvoorbeeld schepen en boorplatforms;

5.

onvoltooid onderzoek in het kader van juridische of adviesdossiers;

6.

gedeeltelijk voltooide filmproducties;

7.

gedeeltelijk voltooide computerprogramma's.

Ieder productieproces dat aan het eind van de verslagperiode niet is voltooid, wordt als onderhanden werk geregistreerd. Dit is van belang voor kwartaalrekeningen, met als voorbeeld landbouwgewassen die niet binnen een kwartaal volgroeid zijn.

Het onderhanden werk neemt af wanneer het productieproces wordt voltooid. Op dat moment wordt al het onderhanden werk omgezet in gereed product;

c)

gereed product:

gereed product als deel van de voorraden bestaat uit de output die de producent niet voornemens is voor de aflevering aan andere institutionele eenheden verder te bewerken;

d)

handelsgoederen:

handelsgoederen zijn goederen die zijn verworven om ze in de staat waarin zij zich bevinden, onveranderd verder te verkopen.

Moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden

3.149

Het moment van registratie en waardering van veranderingen in voorraden is in overeenstemming met dat van andere transacties in producten. Dit geldt met name voor het intermediair verbruik (bv. voor grondstoffen en halffabricaten), de output (bv. onderhanden werk en output uit de opslag van landbouwproducten) en de bruto-investeringen in vaste activa (bv. onderhanden werk). Goederen die in het buitenland worden verwerkt en daarbij van eigenaar veranderen, moeten in de uitvoer (en naderhand in de invoer) worden opgenomen. De uitvoer gaat samen met een vermindering van de voorraden en de latere overeenkomstige invoer wordt als een toename van de voorraden geregistreerd, mits de goederen niet onmiddellijk worden gebruikt of verkocht.

3.150

Bij het meten van veranderingen in voorraden worden de goederen gewaardeerd op het moment dat zij aan de voorraden worden toegevoegd of hieraan worden onttrokken.

3.151

Bij de waardering van veranderingen in voorraden worden de volgende prijzen voor de goederen gehanteerd:

a)

de output van gereed product dat aan de voorraden van de producent wordt toegevoegd, wordt gewaardeerd als werden zij op dat tijdstip verkocht, namelijk tegen lopende basisprijzen;

b)

toevoegingen aan onderhanden werk worden gewaardeerd naar rato van het aandeel in de geraamde geldende basisprijs van het gereed product;

c)

verminderingen van onderhanden werk als gevolg van onttrekkingen aan de voorraden wanneer het productieproces is voltooid, worden gewaardeerd tegen geldende basisprijzen van het onafgewerkt product;

d)

voor de verkoop aan de voorraden onttrokken goederen worden gewaardeerd tegen basisprijzen;

e)

handelsgoederen die aan de voorraden van groot- en detailhandelaren enz. worden toegevoegd, worden gewaardeerd tegen de werkelijke of de geraamde aankoopprijs die door de handelaar is betaald;

f)

aan de voorraden onttrokken handelsgoederen worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs waartegen zij op het moment van onttrekking kunnen worden vervangen, en niet tegen de prijs op het moment van aankoop.

3.152

Verliezen ten gevolge van fysiek bederf, niet-voorzienbare verzekerbare schade of diefstal worden als volgt geregistreerd en gewaardeerd:

a)

grondstoffen en halffabricaten: alsof ze aan de voorraden waren onttrokken om in het productieproces te worden gebruikt (intermediair verbruik);

b)

onderhanden werk: wordt afgetrokken van toevoegingen aan de in dezelfde periode gerealiseerde productie;

c)

gereed product en handelsgoederen: alsof ze aan de voorraden waren onttrokken tegen de lopende prijs van de overgebleven goederen.

3.153

Indien informatie ontbreekt, worden voor de raming van veranderingen in voorraden de volgende benaderingsmethoden gebruikt:

a)

wanneer er regelmatig veranderingen in de omvang van de voorraden plaatsvinden, is een aanvaardbare benaderingsmethode het vermenigvuldigen van de verandering met de gemiddelde prijs voor de periode. Voor voorraden bij gebruikers of bij groot- en detailhandel worden aankoopprijzen gebruikt; voor voorraden bij producenten worden basisprijzen gebruikt;

b)

wanneer de prijs van de betrokken goederen constant blijft, blijft bij schommelingen in de omvang van de voorraden de methode waarbij voor de raming van de verandering de omvang van de verandering met de gemiddelde prijs wordt vermenigvuldigd, bruikbaar;

c)

indien zowel de omvang als de prijs van de voorraden gedurende de verslagperiode sterk veranderen, zijn verfijndere methoden voor een benadering noodzakelijk, bijvoorbeeld een driemaandelijkse waardering van de veranderingen in voorraden of het gebruik van informatie over de verdeling van de schommelingen binnen de verslagperiode (zo kunnen deze het grootst zijn aan het eind van het kalenderjaar, tijdens de oogst enz.);

d)

indien alleen informatie over de waarde aan het begin en het eind van de periode beschikbaar is (bv. bij de groot- en de detailhandel waar de voorraden vaak uit een groot aantal verschillende producten bestaan), maar afzonderlijke informatie over prijs en volume ontbreekt, worden de volumeveranderingen tussen het begin en het eind van de periode geraamd. Een van de methoden om de volumeverandering te ramen is het ramen van de constante omzet per type product.

Seizoenschommelingen in de prijzen kunnen het gevolg zijn van kwaliteitsverschillen, bijvoorbeeld opruimingsprijzen of prijzen voor groenten en fruit buiten het seizoen. Deze kwaliteitsverschillen worden als volumemutaties behandeld.

Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden (P.53)

3.154

Definitie: kostbaarheden zijn niet-financiële goederen die niet hoofdzakelijk voor productieve of consumptieve doeleinden worden gebruikt, die onder normale omstandigheden niet aan slijtage onderhevig zijn en die vooral als beleggingsobject worden verworven en bewaard.

3.155

Kostbaarheden omvatten de volgende soorten goederen:

a)

edelstenen en edele metalen, zoals diamanten, niet-monetair goud, platina, zilver enz.;

b)

antiquiteiten en kunstobjecten, zoals schilderijen, beeldhouwwerken enz.;

c)

andere kostbaarheden, zoals sieraden van edelstenen en edele metalen en verzamelobjecten.

3.156

Dergelijke goederen worden in de volgende voorbeelden als aankoop of verkoop van kostbaarheden geregistreerd:

a)

aankoop of verkoop van niet-monetair goud, zilver enz. door centrale banken en andere financiële intermediairs;

b)

aankoop of verkoop van deze goederen door ondernemingen waarvan de hoofd- of nevenactiviteit niet het produceren van of de handel in dergelijke goederen is. Dergelijke aan- of verkopen zijn niet begrepen in het intermediair verbruik of in de investeringen in vaste activa van deze ondernemingen;

c)

aankoop of verkoop van dergelijke goederen door huishoudens. Dergelijke aankopen zijn niet in de consumptieve bestedingen van de huishoudens begrepen.

Volgens afspraak worden in het ESR ook de volgende gevallen als aan- of verkopen van kostbaarheden geregistreerd:

a)

aankoop of verkoop van deze goederen door juweliers en kunsthandelaren (volgens de algemene definitie van kostbaarheden zou de aankoop van deze goederen door juweliers en kunsthandelaren als veranderingen in voorraden moeten worden geregistreerd);

b)

aankoop of verkoop van deze goederen door musea (volgens de algemene definitie van kostbaarheden zou de aankoop van deze goederen door musea als investeringen in vaste activa moeten worden geregistreerd).

Dankzij deze afspraak kan het veelvuldige herclassificeren tussen de drie belangrijkste soorten investeringen — saldo aan- en verkopen van kostbaarheden, investeringen in vaste activa en veranderingen in voorraden — worden vermeden (bv. bij transacties in dergelijke goederen tussen huishoudens en kunsthandelaren).

3.157

Het produceren van kostbaarheden wordt gewaardeerd tegen basisprijzen. Alle andere vormen van verwerving van kostbaarheden worden gewaardeerd tegen de ervoor betaalde aankoopprijs, inclusief eventuele honoraria en commissies voor tussenpersonen en de handelsmarge, indien de kostbaarheden bij een handelaar zijn gekocht. De verkoop van kostbaarheden wordt gewaardeerd tegen de door de verkoper ontvangen prijs, na aftrek van eventueel aan tussenpersonen betaalde honoraria en commissies. De totale aankopen en de totale verkopen tussen ingezeten sectoren compenseren elkaar, waarbij alleen de marges voor de tussenpersonen en de handelaren resten.

IN- EN UITVOER VAN GOEDEREN EN DIENSTEN (P.6 EN P.7)

3.158

Definitie: de uitvoer van goederen en diensten bestaat uit de goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil en giften) van ingezetenen naar niet-ingezetenen.

3.159

Definitie: de invoer van goederen en diensten bestaat uit de goederen- en dienstenstromen (verkoop, ruil en giften) van niet-ingezetenen naar ingezetenen.

3.160

De in- en uitvoer van goederen en diensten omvat niet:

a)

„establishment trade”, d.w.z.:

1.

leveringen aan niet-ingezetenen door niet-ingezeten filialen van ingezeten ondernemingen, bijvoorbeeld verkopen in het buitenland door buitenlandse filialen van een multinationale onderneming die eigendom is of onder zeggenschap staat van ingezetenen;

2.

leveringen aan ingezetenen door ingezeten vestigingen van niet-ingezeten ondernemingen, bijvoorbeeld verkopen door binnenlandse filialen van buitenlandse multinationale ondernemingen;

b)

primair-inkomensstromen naar en uit het buitenland, zoals beloning van werknemers, rente en inkomen uit directe investeringen. De opbrengsten uit directe investeringen kunnen ook niet af te splitsen vergoedingen omvatten voor het verlenen van allerlei diensten, bijvoorbeeld opleiding van werknemers, managementdiensten en het gebruik van octrooien en handelsmerken;

c)

de grensoverschrijdende koop of verkoop van financiële activa of niet-geproduceerde activa, zoals grond.

3.161

De in- en uitvoer van goederen en diensten wordt onderscheiden in:

a)

transacties tussen lidstaten van de EU;

b)

invoer in en uitvoer uit de EU.

Beide worden hier in- en uitvoer genoemd.

In- en uitvoer van goederen (P.61 en P.71)

3.162

In- en uitvoer van goederen vindt plaats wanneer de economische eigendom van goederen door een ingezetene wordt overgedragen aan een niet-ingezetene of andersom, ongeacht of er sprake is van een fysieke grensoverschrijdende goederenbeweging.

3.163

Voor leveringen tussen geaffilieerde bedrijven (bijkantoor of dochteronderneming, of buitenlands filiaal) wordt aangenomen dat een eigendomsoverdracht heeft plaatsgevonden wanneer goederen door een onderneming aan een geaffilieerde onderneming worden geleverd. Dit is alleen van toepassing wanneer de onderneming die de goederen ontvangt, verantwoordelijk is voor beslissingen over de omvang van de leveringen en de hoogte van de prijzen waartegen de output ervan aan de markt wordt geleverd.

3.164

In de volgende gevallen vindt uitvoer van goederen plaats zonder dat er sprake is van grensoverschrijding:

a)

goederen die door in internationale wateren opererende ingezeten eenheden worden geproduceerd, en die direct aan niet-ingezetenen in het buitenland worden verkocht. Voorbeelden zijn aardolie, aardgas, visserijproducten, berging van schepen op zee enz.;

b)

vervoermiddelen en ander bewegend materieel dat niet aan een vaste plaats gebonden is;

c)

goederen die na de eigendomsoverdracht verloren raken of tenietgaan voordat ze de grens van het land van uitvoer hebben overschreden;

d)

transitohandel, d.w.z. de aankoop van een goed door een ingezetene van een niet-ingezetene waarna het goed wordt doorverkocht aan een andere niet-ingezetene zonder dat het goed de economie van de handelaar binnenkomt.

Voor de invoer van goederen doen zich soortgelijke gevallen voor.

3.165

De in- en uitvoer van goederen omvat transacties tussen ingezetenen en niet-ingezetenen in:

a)

niet-monetair goud;

b)

ongemunt zilver, diamanten en andere edele metalen en edelstenen;

c)

geld (papiergeld en munten) dat niet in omloop is en niet-uitgegeven effecten (gewaardeerd als goederen en niet tegen de nominale waarde);

d)

elektriciteit, gas en water;

e)

vee dat over de grens wordt gedreven;

f)

pakketpost;

g)

uitvoer door de overheid, inclusief de uitvoer van goederen die met een overdracht of een lening van de overheid zijn gefinancierd;

h)

goederen waarvan de eigendom overgaat naar of van een organisatie die een buffervoorraad aanhoudt;

i)

goederen die een ingezeten onderneming aan haar niet-ingezeten filialen levert, uitgezonderd goederen voor verwerking;

j)

goederen die een ingezeten onderneming ontvangt van haar niet-ingezeten filialen, uitgezonderd goederen voor verwerking;

k)

smokkelwaar of producten die niet voor belastingen zoals invoerrechten en btw zijn geregistreerd;

l)

overige niet-geregistreerde zendingen, zoals giften en zendingen beneden een bepaalde minimumwaarde.

3.166

De in- en uitvoer van goederen omvat niet de volgende goederen, ook al overschrijden zij de nationale grens:

a)

goederen die via een land worden doorgevoerd;

b)

goederen die worden verzonden naar of vanuit een ambassade, militaire basis of andere enclave van een land op het grondgebied van een ander land;

c)

vervoermiddelen en ander bewegend materieel die een land tijdelijk verlaten zonder dat een eigendomsoverdracht plaatsvindt, bijvoorbeeld bouwwerktuigen voor installatie- of bouwwerkzaamheden in het buitenland;

d)

apparatuur en andere goederen die voor bewerking, onderhoud of reparatie naar het buitenland worden gezonden. Dit geldt ook voor goederen die in het buitenland worden veredeld en daarbij een aanzienlijke fysieke verandering ondergaan;

e)

andere goederen die een land tijdelijk verlaten, maar in de regel binnen een jaar in de oorspronkelijke staat en zonder overdracht van economische eigendom terugkeren.

Voorbeelden zijn goederen die voor een tentoonstelling of recreatieve doeleinden naar het buitenland worden gezonden, goederen die in het kader van operationele lease naar het buitenland gaan (ook al betreft het een lease voor verscheidene jaren) en goederen die worden teruggezonden zonder dat ze aan een niet-ingezetene zijn verkocht;

f)

in consignatie verzonden goederen die verloren raken of tenietgaan nadat ze een grens overschreden hebben, maar voordat er sprake is van eigendomsoverdracht.

3.167

De in- en uitvoer van goederen wordt geregistreerd wanneer de eigendom van de goederen wordt overgedragen. De eigendomsoverdracht wordt geacht plaats te vinden op het moment dat de bij de transactie betrokken partijen deze in hun boeken of rekeningen opnemen. Dit behoeft niet samen te vallen met de verschillende fasen van de overeenkomst, zoals:

a)

het moment waarop de verbintenis wordt gesloten (contractdatum);

b)

het moment waarop de goederen en diensten worden geleverd en er een aanspraak op betaling ontstaat (datum van overdracht);

c)

het moment waarop die aanspraak wordt gehonoreerd (betaaldatum).

3.168

De in- en uitvoer van goederen moet worden gewaardeerd tegen de fob-waarde („free on board”) aan de grens van het land van uitvoer. Deze waarde is:

a)

de waarde van de goederen tegen basisprijzen;

b)

plus de kosten van vervoer en distributie van die goederen tot aan de grens, inclusief de kosten voor het laden op een vervoermiddel voor verder transport;

c)

plus het saldo van belastingen en subsidies op de uitgevoerde goederen; voor leveringen binnen de EU betreft dit onder meer de btw en de overige productgebonden belastingen die in het land van uitvoer zijn betaald.

In de aanbod- en gebruiktabellen en de symmetrische input-outputtabel wordt de invoer van goederen voor afzonderlijke productgroepen echter gewaardeerd tegen de cif-waarde („cost-insurance-freight”) aan de grens van het land van invoer.

3.169

Definitie: de cif-prijs is de prijs van een goed aan de grens van het land van invoer, of de prijs van een dienst die verleend is aan een ingezetene, exclusief invoerrechten, overige belastingen op invoer en handels- en vervoersmarges in het land van invoer.

3.170

Onder bepaalde omstandigheden kan een benadering of een vervangende maatstaf voor de fob-waarde nodig zijn:

a)

geruilde goederen worden gewaardeerd tegen de basisprijs die bij verkoop tegen contante betaling zou zijn ontvangen;

b)

voor transacties tussen geaffilieerde ondernemingen geldt als regel dat de werkelijke overdrachtswaarde wordt gehanteerd. Indien deze echter afwijkt van de marktprijs, wordt het geraamde marktprijsequivalent geregistreerd;

c)

goederen die in het kader van een financiële lease worden overgedragen, worden gewaardeerd op basis van de door de leasegever betaalde aankoopprijs en niet op basis van de cumulatieve waarde van de leasesommen;

d)

invoer van goederen die wordt geraamd op basis van douanegegevens (voor extra-EU-handel) of Intrastat-informatie (voor intra-EU-handel). Geen van beide bronnen hanteert een fob-waardering; de eerste hanteert de cif-waarde aan de EU-grens en de tweede die aan de nationale grens. Aangezien fob-waarden alleen op het meest geaggregeerde niveau bekend zijn en cif-waarden op productgroepniveau worden gehanteerd, worden deze wijzigingen op het meest geaggregeerde niveau toegepast, waarbij de wijziging als cif/fob-correctie bekendstaat;

e)

in- en uitvoer van goederen die wordt geraamd op basis van bij enquêtes of ad hoc verzamelde informatie. In dergelijke gevallen wordt de totale waarde van de verkopen, uitgesplitst naar producten, verkregen. De raming is op de aankoopprijzen en niet op de fob-waarden gebaseerd.

In- en uitvoer van diensten (P.62 en P.72)

3.171

Definitie: de uitvoer van diensten omvat alle diensten die door ingezetenen aan niet-ingezetenen worden verleend.

3.172

Definitie: de invoer van diensten omvat alle diensten die door niet-ingezetenen aan ingezetenen worden verleend.

3.173

De uitvoer van diensten omvat de volgende gevallen:

a)

vervoer van uitgevoerde goederen na grensoverschrijding van het land van uitvoer, wanneer deze dienst wordt verstrekt door ingezeten vervoerbedrijven (zie tabel 3.3, voorbeelden 2 en 3);

b)

vervoer van ingevoerde goederen door een ingezeten vervoerbedrijf:

1.

tot aan de grens van het land van uitvoer bij een fob-waardering van de goederen, ter compensatie van de in de fob-waarde begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.4, voorbeeld 3);

2.

tot aan de grens van het land van invoer bij een cif-waardering van de goederen, ter compensatie van de in de cif-waarde begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.4, voorbeelden 3 en 2 cif);

c)

goederenvervoer door ingezetenen in opdracht van niet-ingezetenen zonder dat er sprake is van invoer of uitvoer van de goederen (bv. het vervoer van goederen die het land niet als uitvoer verlaten of het vervoer van goederen buiten het grondgebied van het betrokken land);

d)

personenvervoer van niet-ingezetenen door ingezeten vervoerbedrijven;

e)

bewerkingen en reparaties in opdracht van niet-ingezetenen. Deze activiteiten moeten netto worden geregistreerd, d.w.z. als uitvoer van diensten exclusief de waarde van de bewerkte of gerepareerde goederen;

f)

installatie van machines en apparatuur in het buitenland, voor zover het gaat om een project dat door zijn aard van beperkte duur is;

g)

financiële diensten door ingezetenen aan niet-ingezetenen inclusief de expliciet en impliciet in rekening gebrachte vergoeding voor de dienst, zoals IGDFI;

h)

door ingezetenen aan niet-ingezetenen verleende verzekeringsdiensten ter waarde van de impliciete vergoeding voor de diensten;

i)

uitgaven van niet-ingezeten toeristen en personen op zakenreis. De uitgaven worden ingedeeld als diensten; voor de aanbod- en gebruiktabel en de symmetrische input-outputtabel is een indeling naar componenten noodzakelijk;

j)

uitgaven van niet-ingezetenen voor medische en onderwijsdiensten verleend door ingezetenen, ongeacht of deze diensten op het grondgebied van het betrokken land of in het buitenland worden verleend;

k)

woondiensten door niet-ingezeten bewoners van een eigen vakantiewoning (zie punt 3.77);

l)

door niet-ingezetenen aan ingezetenen betaalde royalty's en licenties waarvan de ontvangst gekoppeld is aan toestemming voor het gebruik van intellectuele-eigendomsrechten, zoals octrooien, auteursrechten, handelsmerken, industriële procedés, franchises enz., en aan het gebruik, via licentieovereenkomsten, van geproduceerde originelen of prototypen, zoals manuscripten, schilderijen enz.

3.174

Er is een soortgelijke lijst voor de invoer van diensten die het spiegelbeeld is van die voor de uitvoer van diensten in punt 3.173 en alleen de volgende typen invoer van diensten behoeven een nadere omschrijving.

3.175

De invoer van vervoerdiensten omvat de volgende gevallen:

a)

vervoer van uitgevoerde goederen tot aan de grens van het land van uitvoer door een niet-ingezeten vervoerbedrijf ter compensatie van de in de fob-waarde van de uitgevoerde goederen begrepen waarde van het vervoer (zie tabel 3.3, voorbeeld 4);

b)

vervoer van ingevoerde goederen door een niet-ingezeten vervoerbedrijf:

1.

vanaf de grens van het land van uitvoer als afzonderlijke vervoerdienst bij een fob-waardering van de ingevoerde goederen (zie tabel 3.4, voorbeelden 4 en 5 fob);

2.

vanaf de grens van het land van invoer als afzonderlijke vervoerdienst bij een cif-waardering van de ingevoerde goederen (in dit geval is de waarde van de vervoerdienst tussen de grens van het land van uitvoer en die van het land van invoer al in de cif-waarde van de goederen begrepen, zie tabel 3.4, voorbeeld 4);

c)

goederenvervoer door niet-ingezetenen in opdracht van ingezetenen zonder dat er sprake is van invoer of uitvoer van goederen (bv. vervoer van goederen in doorvoer of vervoer buiten het grondgebied van het betrokken land);

d)

binnenlands of grensoverschrijdend personenvervoer van ingezetenen door niet-ingezeten vervoerbedrijven.

Invoer van vervoerdiensten omvat niet het vervoer van uitgevoerde goederen na overschrijding van de grens van het land van uitvoer, wanneer deze dienst wordt verstrekt door een niet-ingezeten vervoerbedrijf (zie tabel 3.3, voorbeelden 5 en 6). Voor de uitvoer van goederen wordt een fob-waardering toegepast en dergelijke vervoerdiensten worden daarom beschouwd als transacties tussen niet-ingezetenen, namelijk tussen een niet-ingezeten vervoerbedrijf en een niet-ingezeten importeur. Dit geldt indien deze vervoerdiensten in het kader van een cif-uitvoercontract door de exporteur worden betaald.

3.176

De invoer in verband met rechtstreekse aankopen door ingezetenen in het buitenland omvat alle goederen en diensten die ingezetenen tijdens zakelijke of privéreizen in het buitenland hebben gekocht. Er moeten twee categorieën worden onderscheiden, die om een verschillende behandeling vragen:

a)

alle zakelijke uitgaven van zakenreizigers worden geregistreerd als intermediair verbruik;

b)

alle andere uitgaven, ongeacht of ze van zakenreizigers of andere reizigers zijn, worden geregistreerd als consumptieve bestedingen van huishoudens.

3.177

De in- en uitvoer van diensten wordt geregistreerd op het moment dat de diensten worden verleend. Dit valt samen met het moment waarop zij worden geproduceerd. De invoer van diensten wordt gewaardeerd tegen aankoopprijzen en de uitvoer van diensten tegen basisprijzen.

Tabel 3.3 —   Behandeling van het vervoer van uitgevoerde goederen

Grondgebied van het betrokken land

Grondgebied van tussenliggende landen

Grondgebied van het land van invoer

1.

ingezeten vervoerbedrijf

Image 3

2.

ingezeten vervoerbedrijf

Image 4

3.

ingezeten vervoerbedrijf

Image 5

4.

niet ingezeten vervoerbedrijf

Image 6

5.

niet ingezeten vervoerbedrijf

Image 7

6.

niet ingezeten vervoerbedrijf

Image 8

 

Uitvoer van goederen (fob)

Uitvoer van diensten

Invoer van goederen (cif/fob)

Invoer van diensten

1.

x

2.

x

3.

x

4.

x

x

5.

6.

3.178

Toelichting op de tabel: het eerste deel van de tabel laat zien dat er zes mogelijkheden van vervoer van uitgevoerde goederen zijn. Enerzijds kan er onderscheid worden gemaakt naar het al dan niet ingezetene zijn van de vervoerder. Anderzijds is het afhankelijk van de plaats waar het vervoer plaatsvindt: van een plaats op het grondgebied van het land van uitvoer naar de grens van het land van uitvoer, van de grens van het land van uitvoer naar de grens van het land van invoer of van de grens van het land van invoer naar een plaats in het land van invoer. In het tweede deel van de tabel wordt voor elk van de zes mogelijkheden aangegeven of de vervoerskosten geregistreerd moeten worden als uitvoer van goederen, uitvoer van diensten, invoer van goederen of invoer van diensten.

Tabel 3.4 —   Behandeling van het vervoer van ingevoerde goederen

Grondgebied van het betrokken land

Grondgebied van tussenliggende landen

Grondgebied van het land van uitvoer

1.

ingezeten vervoerbedrijf

Image 9

2.

ingezeten vervoerbedrijf

Image 10

3.

ingezeten vervoerbedrijf

Image 11

4.

niet ingezeten vervoerbedrijf

Image 12

5.

niet ingezeten vervoerbedrijf

Image 13

6.

niet ingezeten vervoerbedrijf

Image 14

 

Waardering van ingevoerde goederen

Invoer van goederen

Invoer van diensten

Uitvoer van goederen (FOB)

Uitvoer van diensten

1.

Cif/fob

2.

Fob

cif

x

x

3.

Cif/fob

x

x

4.

Cif/fob

x

5.

Fob

cif

x

x

6.

Cif/fob

x

3.179

Toelichting op de tabel: het eerste deel van de tabel laat zien dat er zes mogelijkheden van vervoer van ingevoerde goederen zijn. Enerzijds kan er onderscheid worden gemaakt naar het al dan niet ingezetene zijn van de vervoerder. Anderzijds is het afhankelijk van de plaats waar het vervoer plaatsvindt: van een plaats in het land van uitvoer naar de grens van het land van uitvoer, van de grens van het land van uitvoer naar de grens van het land van invoer en van de grens van het land van invoer naar een plaats op het grondgebied van het land van invoer. In het tweede deel van de tabel wordt voor elk van de zes mogelijkheden aangegeven of de vervoerkosten geregistreerd moeten worden als invoer van goederen, invoer van diensten, uitvoer van goederen of uitvoer van diensten. In sommige gevallen (voorbeelden 2 en 5) is de registratie afhankelijk van de waarderingsregel die is toegepast op de ingevoerde goederen. De overgang van een cif- naar een fob-waardering van ingevoerde goederen bestaat uit:

a)

een cif/fob-correctie, d.w.z. van 2 cif naar 2 fob (waardoor de totale in- en uitvoer vermindert);

b)

een cif/fob-herclassificatie, d.w.z. van 5 cif naar 5 fob (waardoor de totale in- en uitvoer ongewijzigd blijft).

TRANSACTIES IN BESTAANDE GOEDEREN

3.180

Definitie: bestaande goederen zijn goederen die al een gebruiker hebben gehad (met uitzondering van voorraden).

3.181

Tot de bestaande goederen behoren:

a)

gebouwen en andere vaste activa die door een producerende eenheid aan andere eenheden zijn verkocht:

1.

om als zodanig opnieuw te worden gebruikt;

2.

om te worden gesloopt; de producten die hierbij ontstaan, worden vervolgens grondstoffen (bv. schroot) voor de productie van nieuwe goederen (bv. staal);

b)

kostbaarheden die door de ene eenheid aan een andere worden verkocht;

c)

duurzame consumptiegoederen die door huishoudens aan andere eenheden zijn verkocht:

1.

om als zodanig opnieuw te worden gebruikt;

2.

om te worden gesloopt en in sloopmateriaal te worden omgezet;

d)

niet-duurzame goederen (bv. papierafval, lompen, oude kleding, lege flessen) die door ongeacht welke eenheid worden verkocht om hetzij opnieuw te worden gebruikt, hetzij als grondstof te worden gebruikt voor de vervaardiging van nieuwe goederen.

De overdracht van bestaande goederen wordt geregistreerd als een negatieve uitgave (aankoop) voor de verkoper en een positieve uitgave (aankoop) voor de koper.

3.182

Deze definitie van bestaande goederen heeft de volgende gevolgen:

a)

wanneer de verkoop van bestaande vaste activa of kostbaarheden plaatsvindt tussen twee ingezeten producenten, compenseren de voor de bruto-investeringen in vaste activa geregistreerde positieve en negatieve waarden elkaar op het niveau van de gehele economie, met uitzondering evenwel van de kosten van de eigendomsoverdracht;

b)

wanneer bestaande onroerende vaste activa (bv. een gebouw) aan een niet-ingezetene worden verkocht, wordt de niet-ingezetene behandeld als koper van financiële activa — namelijk de deelneming in een fictieve ingezeten eenheid. Deze fictieve ingezeten eenheid wordt dan geacht de vaste activa te kopen. De koop en verkoop van de vaste activa vindt tussen ingezeten eenheden plaats;

c)

wanneer bestaande roerende vaste activa (bv. een schip of een vliegtuig) worden uitgevoerd, wordt in de economie geen positieve bruto-investering in vaste activa geregistreerd om de negatieve bruto-investering in vaste activa van de verkoper te compenseren;

d)

duurzame goederen, zoals voertuigen, kunnen als vaste activa of als duurzame consumptiegoederen worden geclassificeerd naargelang van de eigenaar en het doel waarvoor ze worden gebruikt. Indien de eigendom van een dergelijk goed door een onderneming voor consumptie aan een huishouden wordt overgedragen, wordt voor de onderneming een negatieve bruto-investering in vaste activa geregistreerd en voor het huishouden een positieve consumptieve besteding. Wanneer de eigendom van een dergelijk goed door een huishouden wordt overgedragen aan een onderneming, wordt voor het huishouden een negatieve consumptieve besteding geregistreerd en voor de onderneming een positieve bruto-investering in vaste activa;

e)

transacties in bestaande kostbaarheden moeten worden geregistreerd als de aankoop van een kostbaarheid (positieve bruto-investeringen) door de koper en de verkoop van een kostbaarheid (negatieve bruto-investeringen) door de verkoper. Bij een transactie met het buitenland moet de invoer of uitvoer van een goed worden geregistreerd. De verkoop van een kostbaarheid door een huishouden moet niet als negatieve consumptieve besteding worden geregistreerd;

f)

wanneer gebruikte duurzame militaire goederen door de overheid aan het buitenland worden verkocht, wordt deze verkoop geregistreerd als een uitvoer van goederen en als negatieve investering in vaste activa door de overheid.

3.183

Transacties in gebruikte goederen worden geregistreerd op het moment van de eigendomsoverdracht. De waarderingsregels voor het soort transacties in de betrokken producten worden toegepast.

SALDO AAN- EN VERKOPEN VAN NIET-GEPRODUCEERDE ACTIVA (NP)

3.184

Definitie: niet-geproduceerde activa bestaan uit activa die niet die binnen de productiegrens zijn geproduceerd en die bij de productie van goederen en diensten kunnen worden gebruikt.

3.185

Er worden binnen het saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa drie categorieën onderscheiden:

a)

saldo aan- en verkopen van natuurlijke hulpbronnen (NP.1);

b)

saldo aan- en verkopen van contracten, leases en vergunningen (NP.2);

c)

saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva (NP.3).

3.186

Natuurlijke hulpbronnen omvatten de volgende categorieën:

a)

grond;

b)

minerale en energiereserves;

c)

niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen;

d)

waterreserves;

e)

radiospectra;

f)

overige natuurlijke hulpbronnen.

Natuurlijke hulpbronnen omvatten niet het geproduceerde actief „in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen”. De aan- of verkoop van in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen wordt niet als saldo aan- en verkopen van natuurlijke hulpbronnen geregistreerd, maar als investeringen in vaste activa. Ook betalingen voor het tijdelijke gebruik van natuurlijke hulpbronnen worden niet als aankoop van natuurlijke hulpbronnen geregistreerd, maar als inkomen uit grond en minerale reserves, d.w.z. als inkomen uit vermogen (zie hoofdstuk 15: Contracten, leases en vergunningen).

3.187

Grond wordt gedefinieerd als de bodem zelf, met inbegrip van bodembedekking en bijbehorend oppervlaktewater. Het oppervlaktewater omvat alle binnenwateren — reservoirs, meren, rivieren enz. — waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend.

3.188

Grond omvat niet:

a)

bouwwerken die zich op of in de grond bevinden (bv. wegen en tunnels);

b)

wijngaarden, boomgaarden of andere aanplant van bomen of gewassen enz.;

c)

minerale reserves;

d)

niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen;

e)

grondwater.

De posten a) en b) zijn geproduceerde vaste activa en de posten c), d) en e) behoren tot de niet-geproduceerde activa.

3.189

Aan- en verkopen van grond en andere natuurlijke hulpbronnen worden gewaardeerd tegen de geldende marktprijzen op het moment dat de aan-/verkopen plaatsvinden. Transacties in natuurlijke hulpbronnen worden in de rekeningen van koper en verkoper tegen dezelfde waarde geregistreerd. Deze waarde is exclusief de kosten van de overdracht van de eigendom van de natuurlijke hulpbron. Deze kosten worden als bruto-investeringen in vaste activa behandeld.

3.190

Als niet-geproduceerde activa bevatten contracten, leases en vergunningen de volgende klassen:

a)

verhandelbare operationele leases;

b)

vergunningen om natuurlijke hulpbronnen te gebruiken, bijvoorbeeld vangstquota;

c)

vergunningen om specifieke activiteiten te ondernemen, bijvoorbeeld emissierechten en vergunningen om in een bepaald gebied een beperkt aantal casino's of taxi's te exploiteren;

d)

exclusieve rechten op toekomstige goederen en diensten, bijvoorbeeld contracten van voetballers of het exclusieve recht van een uitgever om nieuwe werken van een bepaalde schrijver uit te geven.

3.191

Als categorie niet-geproduceerde activa omvatten contracten, leases en vergunningen niet de operationele lease van dergelijke activa; betalingen voor de operationele lease worden als intermediair verbruik geregistreerd.

Tot de waarde van de aangekochte of verkochte contracten, leases en vergunningen behoren niet de kosten van de eigendomsoverdracht. Deze maken deel uit van de bruto-investeringen in vaste activa.

3.192

Definitie: de waarde van goodwill en marketingactiva is het verschil tussen de prijs die is betaald voor een gevestigde onderneming en het saldo van haar activa en passiva. Om de totale waarde van het saldo van activa en passiva te berekenen, wordt elk actief en passief afzonderlijk vastgesteld en gewaardeerd.

3.193

Goodwill wordt alleen geregistreerd wanneer de waarde uit een markttransactie blijkt, bijvoorbeeld door de verkoop van de hele vennootschap. Wanneer vastgestelde marketingactiva afzonderlijk worden verkocht en niet samen met de hele vennootschap, wordt een dergelijke verkoop onder deze post geregistreerd.

3.194

Het saldo van aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa wordt geregistreerd in de kapitaalrekening van elke sector, van de totale economie en van het buitenland.

 

HOOFDSTUK 4

VERDELINGSTRANSACTIES

4.01

Definitie: verdelingstransacties zijn transacties waarbij de door het productieproces gegenereerde toegevoegde waarde wordt verdeeld over arbeid, kapitaal en overheid, en transacties waarbij herverdeling van inkomen en vermogen plaatsvindt.

Er wordt onderscheid gemaakt tussen inkomens- en kapitaaloverdrachten; bij laatstgenoemde overdrachten worden de besparingen of het vermogen herverdeeld en niet het inkomen.

BELONING VAN WERKNEMERS (D.1)

4.02

Definitie: de beloning van werknemers (D.1) omvat de totale vergoeding, in geld of in natura, die door een werkgever aan een werknemer verschuldigd is voor de arbeid die deze tijdens een verslagperiode heeft verricht.

De beloning van werknemers bestaat uit de volgende componenten:

a)

lonen (D.11):

lonen in geld;

lonen in natura.

b)

sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12):

werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121)

werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1211);

werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1212);

toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122):

toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1221);

toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1222).

Lonen (D.11)

Lonen in geld

4.03

De lonen in geld omvatten de ten laste van de werknemer komende sociale premies, belastingen op inkomen en overige betalingen, ook indien deze door de werkgever worden ingehouden en ten behoeve van de werknemer rechtstreeks aan socialeverzekeringsregelingen, de belastingdienst enz. worden betaald.

De lonen in geld bestaan uit:

a)

periodiek verschuldigde basislonen;

b)

toeslagen, bijvoorbeeld voor overwerk, nachtdienst, werk in het weekend, werk onder onaangename of gevaarlijke omstandigheden;

c)

toeslagen voor kosten van levensonderhoud en ontheemdingstoeslagen;

d)

premies of andere uitzonderlijke uitkeringen die samenhangen met het algemene resultaat van de onderneming in het kader van stimuleringsprogramma's; productiviteitspremies, winstuitkeringen, kerst- en nieuwjaarsgratificaties met uitzondering van sociale uitkeringen aan werknemers (zie punt 4.07, onder c)); „dertiende en veertiende maand” (ook „jaarlijkse extra uitkering” genoemd);

e)

vergoedingen voor het woon-werkverkeer, met uitzondering van toeslagen voor of vergoedingen van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten die werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden maken (zie punt 4.07, onder a));

f)

beloning voor niet-gewerkte officiële feestdagen en betaalde vakantie;

g)

aan werknemers betaalde commissies, fooien, presentiegelden en tantièmes;

h)

uitkeringen van werkgevers aan hun werknemers in het kader van spaarregelingen;

i)

bijzondere uitkeringen aan werknemers die de onderneming verlaten, die niet zijn vastgelegd in een collectieve arbeidsovereenkomst;

j)

huisvestingstoelagen die door werkgevers aan hun werknemers worden uitbetaald.

Lonen in natura

4.04

Definitie: de lonen in natura omvatten goederen en diensten of andere voordelen in natura die gratis of tegen gereduceerde prijzen door werkgevers worden verstrekt en waarvan de werknemers in hun eigen tijd en naar eigen goeddunken gebruik kunnen maken ter bevrediging van hun behoeften of die van de andere leden van hun huishouden.

4.05

Voorbeelden van lonen in natura:

a)

maaltijden en dranken, inclusief die tijdens zakenreizen, met uitzondering van speciale maaltijden of dranken in verband met uitzonderlijke werkomstandigheden. Prijsreducties in gratis of gesubsidieerde kantines worden opgenomen bij lonen in natura;

b)

woon- of accommodatiediensten, in eigen beheer verzorgd of van derden gekocht, ten behoeve van alle leden van het huishouden waartoe de werknemer behoort;

c)

uniformen of andere speciale kleding die werknemers niet alleen op het werk, maar ook regelmatig buiten de werkplek dragen;

d)

diensten met betrekking tot vervoermiddelen of andere duurzame consumptiegoederen die voor privégebruik beschikbaar worden gesteld aan de werknemers;

e)

goederen en diensten die in het eigen productieproces van de werkgever worden geproduceerd, zoals vrij reizen voor werknemers bij spoorweg- of luchtvaartmaatschappijen, gratis steenkool voor mijnwerkers of gratis voedsel voor werknemers in de landbouw;

f)

sport-, vrijetijds- of vakantiefaciliteiten voor werknemers en hun gezinnen;

g)

vervoer naar en van het werk, behalve wanneer dit tijdens werktijd plaatsvindt; het ter beschikking stellen van parkeerplaatsen terwijl hiervoor anders zou moeten worden betaald;

h)

kinderopvang voor de kinderen van werknemers;

i)

betalingen ten behoeve van werknemers, door werkgevers aan ondernemingsraden of soortgelijke organen;

j)

gratis aan werknemers verstrekte aandelen;

k)

leningen aan werknemers tegen een gereduceerd rentetarief. De waarde van dit voordeel wordt geraamd op het bedrag dat de werknemer zou moeten betalen indien een rente tegen marktvoorwaarden in rekening was gebracht, verminderd met het bedrag van de werkelijk betaalde rente. Het voordeel wordt in de inkomensvormingsrekening geregistreerd onder lonen; de dienovereenkomstige toegerekende rentebetaling door de werknemer aan de werkgever wordt in de primaire inkomensverdelingsrekening geregistreerd;

l)

aandelenopties, waarbij een werkgever een werknemer de optie biedt om op een latere datum aandelen tegen een bepaalde prijs te kopen (zie punten 4.168 tot en met 4.178);

m)

inkomsten uit niet-waargenomen economische activiteiten in het bedrijfsleven die worden doorgegeven aan de werknemers die aan dergelijke activiteiten deelnemen voor privégebruik.

4.06

Goederen en diensten die aan werknemers als loon in natura worden verstrekt, worden gewaardeerd tegen de basisprijs indien zij worden geproduceerd door de werkgever, en tegen de aankoopprijs indien de werkgever ze heeft aangeschaft. Bij gratis verstrekking wordt de totale waarde van de lonen in natura berekend aan de hand van de basisprijzen (of aankoopprijzen indien de werkgever ze heeft aangeschaft) van de desbetreffende goederen en diensten. Op deze waarde wordt, wanneer de goederen en diensten niet gratis maar tegen lagere prijzen zijn verstrekt, het door de werknemer betaalde bedrag in mindering gebracht.

4.07

De lonen omvatten niet:

a)

uitgaven van werkgevers die noodzakelijk zijn voor hun productieproces. Het betreft bijvoorbeeld:

1.

toelagen voor of vergoeding van reis-, verblijf-, verhuis- en representatiekosten die werknemers in het kader van de uitoefening van hun werkzaamheden maken;

2.

uitgaven ter veraangenaming van de werkomgeving, voor medisch onderzoek dat nodig is wegens de aard van het werk en voor verstrekking van werkkleding die in verband met het werk wordt gedragen;

3.

uitgaven voor accommodatie op de werkplek die niet kan worden benut door de huishoudens waartoe de werknemers behoren, bijvoorbeeld barakken, slaapzalen, arbeiderspensions en kleine provisorische woningen;

4.

speciale maaltijden of dranken die wegens uitzonderlijke werkomstandigheden nodig zijn;

5.

toelagen aan werknemers voor de aankoop van gereedschap, materialen of speciale kleding die noodzakelijk zijn voor het werk, of het gedeelte van hun loon dat werknemers krachtens hun arbeidsovereenkomst verplicht zijn aan dergelijke aankopen te besteden. Voor zover werknemers die krachtens hun arbeidsovereenkomst verplicht zijn tot de aankoop van gereedschap, materialen of speciale kleding enz., de desbetreffende kosten niet volledig vergoed krijgen, worden de door hen gedragen kosten afgetrokken van het bedrag dat zij als loon ontvangen en wordt het intermediair verbruik van de werkgever dienovereenkomstig verhoogd.

Uitgaven voor goederen en diensten, die werkgevers aan hun werknemers moeten verstrekken om hen in staat te stellen hun werk uit te voeren, worden beschouwd als intermediair verbruik van de werkgever;

b)

lonen die werkgevers tijdelijk aan hun werknemers betalen bij ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit enz. Dergelijke betalingen worden behandeld als niet-pensioenuitkeringen overige sociale verzekering (D.6222), terwijl hetzelfde bedrag ook wordt geregistreerd onder de toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1222);

c)

overige werkgerelateerde uitkeringen sociale verzekering, in de vorm van kinder-, partner- en gezinstoelagen, vergoedingen voor onderwijs of andere vergoedingen met betrekking tot van de werknemer afhankelijke personen en in de vorm van gratis medische diensten (met uitzondering van medisch onderzoek dat nodig is wegens de aard van het werk) aan werknemers en hun gezinnen;

d)

belastingen ten laste van de werkgever over de salarissen, bijvoorbeeld een belasting over de loonsom. Dergelijke belastingen worden geheven in de vorm van hetzij een deel van het betaalde loon hetzij een vast bedrag per werknemer. Zij worden beschouwd als niet-productgebonden belastingen op productie;

e)

stukloon betaald aan thuiswerkers. Wanneer het door de thuiswerker ontvangen inkomen ongeacht de hoeveelheid verricht werk afhankelijk is van de waarde van de output van enig productieproces waarvoor hij verantwoordelijk is, impliceert een dergelijke beloning dat de werker zelfstandige is.

Sociale premies t.l.v. werkgevers (D.12)

4.08

Definitie: sociale premies t.l.v. werkgevers zijn sociale premies die werkgevers aan socialezekerheidsregelingen of andere werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen moeten betalen om sociale uitkeringen ten behoeve van hun werknemers te waarborgen.

Een bedrag gelijk aan de waarde van de sociale premies die ten laste van de werkgevers komen om het recht van hun werknemers op sociale uitkeringen te waarborgen, wordt geregistreerd als beloning van werknemers. Bij de sociale premies t.l.v. werkgevers kan het om werkelijke of toegerekende premies gaan.

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121)

4.09

Definitie: de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) bestaan uit de bedragen die werkgevers ten behoeve van hun werknemers betalen aan de verzekeraars (socialezekerheidsregelingen, alsmede andere werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen). Dergelijke betalingen betreffen de wettelijke, de op collectieve arbeidsovereenkomsten berustende, de contractuele en de vrijwillige premies voor verzekering tegen sociale risico's en behoeften.

Hoewel dergelijke werkgeverspremies rechtstreeks door de werkgevers aan de verzekeraars worden betaald, worden zij beschouwd als bestanddeel van de beloning van de werknemers. Vervolgens worden de premies geregistreerd als zijnde door de werknemers aan de verzekeraars betaald.

Er zijn twee categorieën van werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers: de pensioenpremies en de premies voor andere uitkeringen, die afzonderlijk worden geregistreerd in de volgende rubrieken:

a)

werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1211);

b)

werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1212).

De werkelijke niet-pensioenpremies ten laste van werkgevers komen overeen met premies in verband met andere sociale risico's en behoeften dan pensioenen, zoals ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit, ontslag enz. van hun werknemers.

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122)

4.10

Definitie: de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.622) staan voor de tegenwaarde van de uitkeringen overige sociale verzekering (minus eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) die rechtstreeks door werkgevers aan hun werknemers of voormalige werknemers en andere rechthebbenden worden verstrekt, zonder tussenkomst van enige verzekeringsmaatschappij of zelfstandig pensioenfonds, en zonder de oprichting van een speciaal fonds of een afzonderlijke voorziening voor dit doel.

De toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers zijn onderverdeeld in twee categorieën:

a)

toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1221)

Socialeverzekeringsregelingen op het gebied van pensioenen worden ingedeeld als toegezegdepremieregelingen of als toegezegde-uitkeringsregelingen.

Bij een toegezegdepremieregeling wordt de hoogte van de uitkeringen bepaald door de premiebetalingen aan de regeling en het rendement van de belegging van de fondsen. Op het moment van pensionering gaat het risico voor de te betalen uitkeringen op de werknemer over. Dergelijke regelingen kennen geen toegerekende premies, tenzij de werkgever de regeling zelf uitvoert. In dat geval worden de kosten voor het uitvoeren van de regeling beschouwd als toegerekende premie die aan de werknemer als deel van diens beloning moet worden betaald. Dit bedrag wordt tevens geregistreerd als consumptieve besteding van huishoudens voor financiële diensten.

Bij een toegezegde-uitkeringsregeling wordt de hoogte van de aan de deelnemers te betalen uitkeringen bepaald door de voorschriften van de regeling zelf, d.w.z. door het gebruik van een formule om vast te stellen welk bedrag of welk minimumbedrag moet worden betaald. Normaal gesproken betalen bij een dergelijke regeling zowel de werkgever als de werknemer premies, waarbij de werknemersbijdrage verplicht is en uitgedrukt is in een percentage van het huidige loon. De kosten om in de genoemde uitkeringen te voorzien, komen voor rekening van de werkgever. Deze draagt het risico voor het verstrekken van de uitkeringen.

Bij een toegezegde-uitkeringsregeling is er een toegerekende premie ten laste van de werkgever die als volgt wordt berekend:

de toegerekende premie t.l.v. de werkgever is gelijk aan:

de toename van de uitkering vanwege de lopende periode van dienstverband

minus

de som van de werkelijke premies t.l.v. de werkgever

minus

de som van premies t.l.v. de werknemer

plus

de kosten voor de uitvoering van de regeling.

Van sommige regelingen kan worden gezegd dat zij niet op premiebetaling berusten omdat noch de werkgever noch de werknemer een werkelijke premie betalen. Niettemin wordt er een toegerekende premie t.l.v. de werkgever berekend en toegerekend als zojuist omschreven.

Wanneer in regelingen voor werknemers van de overheid voorziene pensioenrechten niet in de standaardrekeningen worden geregistreerd, moeten de toegerekende pensioenpremies t.l.v. de overheid als werkgever worden geraamd op basis van actuariële berekeningen. Daar waar deze berekeningen geen voldoende betrouwbare resultaten opleveren, en enkel in dergelijke gevallen, kunnen de toegerekende pensioenpremies t.l.v. de overheid als werkgever worden geraamd aan de hand van een van de twee volgende benaderingen:

1.

op basis van een aannemelijk percentage van de lonen van de werknemers in actieve dienst, of

2.

als het verschil tussen de huidige betaalde uitkeringen en de werkelijk betaalde bijdragen (door zowel de werknemers als de overheid in haar hoedanigheid van werkgever);

b)

toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.1222)

Hoewel sommige sociale uitkeringen rechtstreeks door de werkgevers worden verstrekt en niet via een socialezekerheidsfonds of een andere verzekeraar, worden zij toch als sociale uitkeringen geregistreerd. Omdat de kosten van dergelijke uitkeringen voor de werkgever een deel van de loonkosten vormen, worden zij bij de beloning van werknemers opgenomen. Voor de betrokken werknemers wordt er derhalve een toegerekende beloning berekend die overeenkomt met het bedrag aan sociale premies dat nodig is om de rechten op de sociale uitkeringen die zij opbouwen, veilig te stellen. Bij dergelijke bedragen wordt rekening gehouden met de werkelijke door de werkgever of werknemer betaalde premies, en de hoogte ervan is niet alleen afhankelijk van de omvang van de huidige betaalde uitkeringen, maar ook van de wijze waarop de verplichtingen van de werkgevers ingevolge dergelijke regelingen zich in de toekomst waarschijnlijk zullen ontwikkelen als gevolg van factoren als wijzigingen van het aantal werknemers en de leeftijdsopbouw en levensverwachting van de huidige en voormalige werknemers. De waarde van de toegerekende premies is gebaseerd op dezelfde soort actuariële berekeningen als die waardoor de hoogte van door verzekeringsmaatschappijen in rekening gebrachte premies wordt bepaald.

In de praktijk kan een precieze berekening van de hoogte van de toegerekende premies echter moeilijk zijn. Mocht de werkgever voor de berekening van zijn toekomstige betalingsverplichtingen zelf ramingen maken, eventueel aan de hand van de premies die voor soortgelijke regelingen met fondsvorming zijn betaald, dan mogen deze worden gebruikt. Een andere aanvaardbare methode is het gebruik van een aannemelijk percentage van de lonen van de werknemers in actieve dienst. Anders is het enige praktische alternatief dat de niet-pensioenuitkeringen zonder fondsvorming die de werkgever tijdens dezelfde verslagperiode betaalt, worden gebruikt als raming van de toegerekende beloning die voor de dekking van de toegerekende premies noodzakelijk is. De werkelijk betaalde uitkeringen in de lopende periode leveren een aanvaardbare raming van deze premies en de hiermee samenhangende toegerekende beloning op.

4.11

In de sectorrekeningen komen de uitgaven voor rechtstreekse sociale uitkeringen eerst voor onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening, namelijk als bestanddeel van de beloning van werknemers, en ten tweede als sociale uitkeringen onder de bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening. Om laatstgenoemde rekening in evenwicht te brengen, wordt aangenomen dat de huishoudens van de werknemers aan de sectoren waartoe hun werkgevers behoren, toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers betalen die (samen met de eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) de financiering vormen van de rechtstreekse sociale uitkeringen die de werkgevers hun verstrekken. Deze fictieve kringloop is analoog aan die bij de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers, die eveneens via de rekeningen van de huishoudens lopen en geacht worden door deze huishoudens aan de verzekeraars te worden betaald.

4.12

Moment van registratie van de beloning van werknemers:

a)

de lonen (D.11) worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht. Incidentele premies of andere uitzonderlijke uitkeringen als „13e maand”-uitkeringen worden echter geregistreerd op het moment dat ze verschuldigd zijn. De registratie van aandelenopties wordt gespreid over de periode tussen de toekenningsdatum en de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend. Indien de gegevens ontoereikend zijn, wordt de waarde van de optie geregistreerd per laatstgenoemde datum;

b)

de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.121) worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht;

c)

de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.122) worden geregistreerd in de volgende categorieën:

1.

de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers die de tegenwaarde vormen van verplichte rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht;

2.

de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers die de tegenwaarde vormen van vrijwillige rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd op het moment waarop deze uitkeringen worden verstrekt.

4.13

De beloning van werknemers omvat de volgende componenten:

a)

de beloning van ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers;

b)

de beloning van ingezeten werknemers door niet-ingezeten werkgevers;

c)

de beloning van niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers.

De onder a), b) en c) genoemde componenten worden als volgt geregistreerd:

1.

de beloning van ingezeten en niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers omvat de onder a) en c) genoemde elementen en wordt geregistreerd onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de sectoren en bedrijfstakken waartoe de werkgevers behoren;

2.

de beloning van ingezeten werknemers door ingezeten en niet-ingezeten werkgevers omvat de onder a) en b) genoemde elementen en wordt geregistreerd onder de middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de huishoudens;

3.

voor wat betreft het onder b) bedoelde element, de beloning van ingezeten werknemers door niet-ingezeten werkgevers, wordt geregistreerd onder de bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

4.

voor wat betreft het onder c) bedoelde element, de beloning van niet-ingezeten werknemers door ingezeten werkgevers, wordt geregistreerd onder de middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

BELASTINGEN OP PRODUCTIE EN INVOER (D.2)

4.14

Definitie: belastingen op productie en invoer (D.2) omvatten verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die door de overheid of door de instellingen van de Europese Unie worden opgelegd in verband met de productie of de invoer van goederen en diensten, het in dienst hebben van arbeidskrachten en de eigendom of het gebruik van grond, gebouwen of andere activa die in het productieproces worden aangewend. Dergelijke belastingen zijn verschuldigd ongeacht gemaakte winst.

4.15

De belastingen op productie en invoer omvatten de volgende componenten:

a)

productgebonden belastingen (D.21):

1.

belasting over de toegevoegde waarde (btw) (D.211);

2.

belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212);

invoerrechten (D.2121);

overige belastingen op invoer (D.2122);

3.

overige productgebonden belastingen (D.214);

b)

niet-productgebonden belastingen op productie (D.29).

Productgebonden belastingen (D.21)

4.16

Definitie: productgebonden belastingen (D.21) zijn belastingen die moeten worden betaald per eenheid van een bepaald goed dat of bepaalde dienst die is geproduceerd of verhandeld. De belasting kan een bepaald bedrag per kwantitatieve eenheid van een goed of een dienst zijn, of worden berekend als een bepaald percentage van de prijs per eenheid of van de waarde van de geproduceerde of verhandelde goederen en diensten. Belastingen die op een product worden geheven, worden, ongeacht de institutionele eenheid die deze belastingen betaalt, opgenomen onder de productgebonden belastingen, tenzij zij specifiek in een andere rubriek zijn opgenomen.

Belasting over de toegevoegde waarde (btw) (D.211)

4.17

Definitie: de belasting over de toegevoegde waarde (btw) is een belasting op goederen of diensten, die in etappes door ondernemingen wordt geïnd en uiteindelijk volledig ten laste komt van de eindgebruiker.

Deze rubriek omvat de belasting over de toegevoegde waarde die door de overheid wordt geheven en die geldt voor binnenlandse en ingevoerde producten. Hieronder vallen eveneens andere aftrekbare belastingen die op grond van soortgelijke regels als voor de btw worden geheven. Al deze belastingen over de toegevoegde waarden worden hierna „btw” genoemd. Kenmerk van btw is dat producenten aan de overheid alleen het verschil hoeven te betalen tussen de btw op hun verkopen en de btw op hun aankopen ten behoeve van intermediair verbruik en bruto-investeringen in vaste activa.

De btw wordt netto geregistreerd in de zin dat:

a)

de output en de invoer van goederen en diensten worden gewaardeerd exclusief de in rekening gebrachte btw;

b)

de aankoop van goederen en diensten wordt geregistreerd inclusief niet-aftrekbare btw. De btw wordt toegerekend aan de kopers, niet de verkopers, en wel alleen aan de kopers die de btw niet kunnen aftrekken. Het grootste gedeelte van de btw wordt geregistreerd als zijnde betaald over het finaal gebruik, voornamelijk over de consumptie door huishoudens.

Voor de totale economie is de btw gelijk aan het verschil tussen de totale in rekening gebrachte btw en de totale aftrekbare btw (zie punt 4.27).

Belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212)

4.18

Definitie: de belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212) omvatten de verplichte betalingen die door de overheid of door de instellingen van de Europese Unie worden geheven op ingevoerde goederen, exclusief de btw, teneinde deze goederen vrij te maken voor verkeer in het economische gebied, alsmede op diensten aan ingezeten eenheden die worden verstrekt door niet-ingezeten eenheden.

Deze verplichte betalingen omvatten:

a)

invoerrechten (D.2121): deze bestaan uit douanerechten of andere invoerheffingen die overeenkomstig de douanetariefregeling voor bepaalde goederen verschuldigd zijn wanneer deze binnenkomen in het economische gebied van het land van gebruik;

b)

overige belastingen op invoer (D.2122).

Onder deze rubriek vallen:

1.

heffingen op ingevoerde landbouwproducten;

2.

monetaire compenserende bedragen, geheven op ingevoerde producten;

3.

accijnzen en bijzondere belastingen op bepaalde ingevoerde producten, mits deze voor soortgelijke producten van binnenlandse oorsprong door de producerende branche zelf worden betaald;

4.

algemene verkoopbelastingen op de invoer van goederen en diensten;

5.

belastingen op bepaalde diensten die niet-ingezeten ondernemingen verstrekken aan in het economische gebied gevestigde eenheden;

6.

aan de staat afgedragen winsten van overheidsondernemingen die het monopolie bezitten op de invoer van bepaalde goederen of diensten.

De nettobelastingen op invoer (exclusief btw) worden verkregen door de belastingen op invoer (exclusief btw) (D.212) te verminderen met de subsidies op invoer (D.311).

Overige productgebonden belastingen (D.214)

4.19

Definitie: de overige productgebonden belastingen (D.214) omvatten belastingen op goederen en diensten die verschuldigd zijn als gevolg van de productie, uitvoer, verkoop, overdracht, lease of levering van die goederen en verstrekking van die diensten, of als gevolg van het gebruik ervan voor eigen consumptie of investeringen in eigen beheer.

4.20

Onder deze rubriek vallen met name:

a)

accijnzen en verbruiksbelastingen (met uitzondering van die welke zijn opgenomen onder de belastingen op invoer);

b)

zegelrechten op de verkoop van producten als alcoholische dranken of tabak en op officiële akten of cheques;

c)

belastingen op financiële en kapitaaltransacties, te betalen bij de aan- of verkoop van financiële en niet-financiële activa, inclusief wisseltransacties. Zij moeten worden betaald bij de overdracht van eigendom van grond of andere activa, behalve wanneer er sprake is van kapitaaloverdrachten (voornamelijk erfenissen en schenkingen). Zij worden beschouwd als belastingen op de diensten van intermediairs;

d)

belastingen op de registratie van voertuigen;

e)

vermakelijkheidsbelastingen;

f)

belastingen op loterijen, kansspelen en weddenschappen voor zover ze niet drukken op de spelwinst;

g)

belastingen op verzekeringspremies;

h)

andere belastingen op specifieke diensten: hotels of andere accommodatie, woondiensten, restaurants, vervoer, communicatie, reclame;

i)

algemene belastingen op verkopen, alsmede omzetbelastingen (met uitzondering van de btw): deze omvatten belastingen op groot- en detailhandelsverkopen en aankoopbelastingen;

j)

winsten van fiscale monopolies die aan de staat worden afgedragen, met uitzondering van die van ondernemingen die het monopolie bezitten op de invoer van een bepaald goed of een bepaalde dienst (opgenomen onder D.2122). Fiscale monopolies zijn overheidsondernemingen die het wettige monopolie hebben gekregen op de productie of distributie van een bepaald soort goederen of diensten om inkomsten te genereren en niet ter bevordering van het economische of sociale beleid. Wanneer een overheidsonderneming het monopolie heeft gekregen als gevolg van weloverwogen economisch of sociaal beleid vanwege de bijzondere aard van de goederen, diensten of productietechnologie — bijvoorbeeld waterleidings- en energiebedrijven, posterijen en telecommunicatiebedrijven, spoorwegen enz. —, wordt dit niet als een fiscaal monopolie beschouwd;

k)

uitvoerrechten en monetaire compenserende bedragen die bij uitvoer worden geheven.

4.21

De netto productgebonden belastingen worden verkregen door de productgebonden belastingen (D.21) te verminderen met de productgebonden subsidies (D.31).

Niet-productgebonden belastingen op productie (D.29)

4.22

Definitie: de niet-productgebonden belastingen op productie (D.29) omvatten alle belastingen die ondernemingen moeten betalen voor hun productieactiviteit, ongeacht de hoeveelheid of de waarde van de geproduceerde of verkochte goederen en diensten.

Niet-productgebonden belastingen op productie kunnen belastingen betreffen op grond, vaste activa of werknemers die bij het productieproces zijn betrokken, dan wel belastingen op bepaalde activiteiten of transacties.

4.23

Niet-productgebonden belastingen op productie (D.29) omvat:

a)

belastingen op eigendom of gebruik van grond of bouwwerken die door ondernemingen in het productieproces worden gebruikt (incl. bewoners van een eigen huis);

b)

belastingen op het gebruik van vaste activa (bv. vervoermiddelen, machines en apparatuur) voor productiedoeleinden, ongeacht of de gebruiker deze activa in eigendom heeft of dat deze worden gehuurd;

c)

belastingen over de totale loonsom en over het aantal werknemers;

d)

belastingen op internationale transacties (bv. buitenlandse reizen, buitenlandse betalingsopdrachten of soortgelijke transacties met niet-ingezetenen) voor productiedoeleinden;

e)

belastingen die ondernemingen betalen voor bedrijfs- en beroepsvergunningen, indien deze automatisch worden afgegeven na betaling van de verschuldigde bedragen. In dit geval zijn de vergunningen waarschijnlijk enkel een middel tot inkomstenverwerving, al kan de overheid als tegenprestatie een certificaat of vergunning verstrekken. Indien zij de vergunningen echter hanteert als middel om op enigerlei wijze regulerend op te treden, bijvoorbeeld wanneer zij als voorwaarde voor de toekenning van een dergelijke vergunning onderzoek verricht naar de geschiktheid of veiligheid van de bedrijfsgebouwen, naar de betrouwbaarheid of veiligheid van de uitrusting, naar de deskundigheid van de betrokken werknemers of naar de kwaliteit of het niveau van de geproduceerde goederen of diensten, dan worden de betalingen gezien als aankoop van geleverde diensten, tenzij de voor de vergunningen in rekening gebrachte bedragen in geen enkele verhouding staan tot de kosten van het door de overheid verrichte onderzoek;

f)

milieuheffingen op productieactiviteiten. Het gaat hier om heffingen op de uitstoot of lozing in het milieu van schadelijke gassen, vloeistoffen of andere schadelijke substanties. Hiertoe behoren geen betalingen voor het verzamelen en verwijderen van afvalstoffen of schadelijke substanties door de overheid; dergelijke betalingen behoren tot het intermediair verbruik van ondernemingen;

g)

ondercompensatie van btw als gevolg van het forfaitaire stelsel dat in de landbouw vaak van toepassing is.

4.24

Niet-productgebonden belastingen op productie omvat niet belastingen op het persoonlijk gebruik van voertuigen enz. door huishoudens; die worden geboekt onder belastingen op inkomen, vermogen enz.

Belastingen op productie en invoer, betaald aan de instellingen van de Europese Unie

4.25

De belastingen op productie en invoer, betaald aan de instellingen van de Europese Unie, omvatten de volgende door de nationale overheden namens de instellingen van de Europese Unie geïnde belastingen: ontvangsten op grond van het gemeenschappelijk landbouwbeleid: heffingen op ingevoerde landbouwproducten, monetaire compenserende bedragen bij in- en uitvoer, productieheffingen op suiker, belasting op isoglucose en medeverantwoordelijkheidsheffingen op melk en granen; ontvangsten op grond van de handel met derde landen: douanerechten op basis van het geïntegreerde tarief van de Europese Gemeenschappen (TARIC);

De aan de instellingen van de Europese Unie betaalde belastingen op productie en invoer omvatten niet het derde, op de btw gebaseerde eigen middel, dat valt onder overige inkomensoverdrachten in de rubriek „Eigen middelen van de EU op basis van btw en bni” (D.76) (zie punt 4.140).

Belastingen op productie en invoer: moment van registratie en te registreren bedragen

4.26

Registratie van belastingen op productie en invoer: belastingen op productie en invoer worden geregistreerd op het moment dat zich activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen voordoen die verplichten tot het betalen van belastingen.

4.27

Sommige economische activiteiten, transacties of gebeurtenissen op grond waarvan een plicht tot belastingbetaling ontstaat, ontsnappen aan de opmerkzaamheid van de belastingdienst. Dergelijke activiteiten, transacties of gebeurtenissen genereren geen financiële activa of passiva in de vorm van nog te ontvangen of nog te betalen posten. De bedragen worden alleen geregistreerd indien zij duidelijk blijken uit belastingsaanslagen of -aangiften of uit andere instrumenten die leiden tot passiva in de vorm van betalingsverplichtingen van belastingbetalers. Er vindt geen toerekening plaats van belastingen die niet uit belastingaanslagen blijken.

De in de rekeningen geregistreerde bedragen aan belastingen worden ontleend aan twee bronnen: kohiers en aangiften, of kasgegevens.

a)

Indien bedragen uit kohiers en aangiften worden gebruikt, dan wordt op die bedragen een coëfficiënt toegepast, teneinde rekening te houden met bedragen die wel in de kohiers en aangiften zijn opgenomen, maar nooit zijn of worden geïnd. Als alternatieve handelwijze wordt een kapitaaloverdracht (D.995, zoals omschreven in punt 4.165, onder j)) naar de betrokken sectoren geregistreerd, waarvan het bedrag overeenkomt met de bedoelde aanpassing. De hoogte van de coëfficiënten wordt vastgesteld op basis van de opgedane ervaringen en de huidige verwachtingen met betrekking tot de geraamde niet-geïnde bedragen. Zij zijn specifiek voor de verschillende soorten belastingen.

b)

Indien kasgegevens als bron worden gebruikt, dan wordt een correctie in de tijd toegepast om ervoor te zorgen dat de bedragen worden toegerekend aan de periode waarin de activiteit die tot de belastingplicht heeft geleid, heeft plaatsgevonden. Deze correctie wordt gebaseerd op het gemiddelde tijdsverloop tussen de activiteit en de inning van het bedrag.

4.28

Het totaalbedrag van de geregistreerde belastingen omvat de rente die in rekening is gebracht voor achterstallige betalingen van verschuldigde belastingen en de boetes die door de belastingdienst zijn opgelegd, wanneer deze rente en boetes als zodanig niet afzonderlijk kunnen worden onderscheiden. Het totaalbedrag aan belastingen omvat de kosten die ten laste van de belastingbetaler worden gebracht in verband met de inning of het verhaal van uitstaande belastingbedragen. Het totaalbedrag wordt verminderd met het bedrag van alle belastingverlichtingen die de overheid toestaat op grond van haar economische beleid, alsmede met het bedrag van alle belastingrestituties als gevolg van te veel betaalde bedragen.

4.29

In het rekeningenstelsel worden de belastingen op productie en invoer (D.2) geregistreerd als volgt:

a)

onder de bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie;

b)

onder de middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sector overheid en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Productgebonden belastingen worden als middelen geregistreerd in de goederen-en-dienstenrekening van de totale economie. Hierdoor kunnen de middelen aan goederen en diensten — gewaardeerd exclusief productgebonden belastingen — in evenwicht worden gebracht met de bestedingen, waarvan de waarde inclusief dergelijke belastingen is vastgesteld.

Niet-productgebonden belastingen op productie (D.29) worden geregistreerd als bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de bedrijfstakken of sectoren die de belastingen verschuldigd zijn.

SUBSIDIES (D.3)

4.30

Definitie: subsidies (D.3) zijn betalingen om niet die door de overheid of de instellingen van de Europese Unie worden gedaan aan ingezeten producenten.

Doelstellingen van subsidieverlening zijn bijvoorbeeld:

a)

de productieniveaus te beïnvloeden;

b)

de prijzen van producten te beïnvloeden, of

c)

de beloning van de productiefactoren te beïnvloeden.

Niet-marktproducenten kunnen slechts niet-productgebonden subsidies op productie ontvangen indien deze betalingen gebaseerd zijn op algemene regelingen die voor zowel markt- als niet-marktproducenten gelden.

Er worden geen productgebonden subsidies geregistreerd voor niet-marktoutput (P.13).

4.31

De door de instellingen van de Europese Unie toegekende subsidies hebben alleen betrekking op rechtstreeks door hen verrichte inkomensoverdrachten naar ingezeten productie-eenheden.

4.32

Subsidies zijn ingedeeld in:

a)

productgebonden subsidies (D.31):

1.

subsidies op invoer (D.311);

2.

overige productgebonden subsidies (D.319);

b)

niet-productgebonden subsidies op productie (D.39).

Productgebonden subsidies (D.31)

4.33

Definitie: productgebonden subsidies (D.31) zijn subsidies uitgekeerd per geproduceerde of ingevoerde eenheid van een goed of een dienst.

Het bedrag aan productgebonden subsidies kan op de volgende manieren worden gespecificeerd:

a)

als een bepaald bedrag per kwantitatieve eenheid van een goed of een dienst;

b)

als een bepaald percentage van de prijs per eenheid;

c)

als het verschil tussen een bepaalde richtprijs en de prijs die een koper werkelijk op de markt betaalt.

Een productgebonden subsidie wordt gewoonlijk uitgekeerd wanneer het product wordt gemaakt, verkocht of ingevoerd, maar eventueel ook onder andere omstandigheden zoals wanneer een goed wordt overgedragen, geleased, afgeleverd of voor eigen verbruik of eigen investeringen wordt gebruikt.

Productgebonden subsidies hebben alleen betrekking op marktoutput (P.11) of op output voor eigen finaal gebruik (P.12).

Subsidies op invoer (D.311)

4.34

Definitie: subsidies op invoer (D.311) omvatten subsidies op goederen en diensten, die worden verleend wanneer de goederen de grens passeren voor gebruik in het economische gebied of wanneer de diensten worden verleend aan ingezeten institutionele eenheden.

Tot de subsidies op invoer behoren ook verliezen van handelsorganisaties in handen van de overheid die, in het kader van een gericht overheidsbeleid, tot taak hebben producten van niet-ingezetenen te kopen om deze vervolgens tegen lagere prijzen te verkopen aan ingezetenen.

Overige productgebonden subsidies (D.319)

4.35

De overige productgebonden subsidies (D.319) betreffen:

a)

subsidies voor in eigen land gebruikte producten: dit zijn subsidies aan ingezeten producenten met betrekking tot de productie die binnen het eigen economische gebied wordt ge- of verbruikt;

b)

verliezen van handelsorganisaties in handen van de overheid die, in het kader van een gericht economisch of sociaal overheidsbeleid, tot taak hebben producten van ingezeten producenten te kopen om deze vervolgens tegen lagere prijzen aan ingezetenen of niet-ingezetenen te verkopen;

c)

subsidies aan vennootschappen en quasivennootschappen in handen van de overheid ter compensatie van voortdurende verliezen op hun productieactiviteiten als gevolg van een prijsstelling die wegens een gericht nationaal of Europees economisch en sociaal beleid onder de gemiddelde productiekosten ligt;

d)

rechtstreekse uitvoersubsidies die direct aan ingezeten producenten worden uitgekeerd wanneer de goederen het economische gebied verlaten of de diensten aan niet-ingezetenen worden verstrekt — met uitzondering van terugbetalingen bij de douane van reeds betaalde productgebonden belastingen en kwijtscheldingen van belastingen die verschuldigd zouden zijn indien de goederen waren verkocht of gebruikt binnen het eigen economische gebied.

Niet-productgebonden subsidies op productie (D.39)

4.36

Definitie: niet-productgebonden subsidies op productie (D.39) omvatten subsidies, met uitzondering van productgebonden subsidies, die ingezeten productie-eenheden kunnen ontvangen in het kader van hun productieactiviteiten.

Niet-marktproducenten kunnen voor hun niet-marktoutput alleen niet-productgebonden subsidies op productie ontvangen indien deze betalingen door de overheid gebaseerd zijn op algemene regelingen die voor zowel markt- als niet-marktproducenten gelden.

4.37

Niet-productgebonden subsidies op productie (D.39) zijn bijvoorbeeld:

a)

subsidies op de loonsom of het aantal werknemers: d.w.z. subsidies op de totale loonsom of het totaal aantal werknemers, dan wel op het in dienst hebben van bepaalde categorieën personen, zoals personen met een lichamelijke handicap of langdurig werklozen, of subsidies op de kosten van door ondernemingen georganiseerde of gefinancierde opleidingsprogramma's;

b)

milieusubsidies: subsidies die zijn bestemd voor een volledige of gedeeltelijke dekking van de kosten van maatregelen om de lozing van vervuilende stoffen in het milieu te beperken of te stoppen;

c)

rentesubsidies aan ingezeten productie-eenheden, ook al hebben zij de stimulering van investeringen ten doel. Wanneer een subsidie tegelijkertijd dient voor schuldaflossing en voor de betaling van rente op het geleende kapitaal en het niet mogelijk is deze twee bestanddelen te scheiden, wordt het gehele bedrag geregistreerd als investeringsbijdrage. Rentesubsidies vormen inkomensoverdrachten om de exploitatielasten van de producenten te verlichten. Zij worden geregistreerd als subsidies aan de begunstigde producenten, ook al wordt het renteverschil door de overheid rechtstreeks uitgekeerd aan de kredietinstelling die de lening heeft toegekend;

d)

overcompensatie van btw als gevolg van het forfaitaire stelsel dat bijvoorbeeld in de landbouw vaak van toepassing is.

4.38

Niet als subsidies worden aangemerkt (D.3):

a)

inkomensoverdrachten van de overheid aan huishoudens in hun hoedanigheid van consument. Deze worden ofwel tot de sociale uitkeringen (D.62 of D.63), ofwel tot de overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.75) gerekend;

b)

inkomensoverdrachten tussen instellingen van de overheid onderling als producent van niet-marktgoederen en -diensten, met uitzondering van niet-productgebonden subsidies op productie (D.39). De betreffende inkomensoverdrachten worden geregistreerd als inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73);

c)

investeringsbijdragen (D.92);

d)

buitengewone betalingen aan socialeverzekeringsinstellingen, voor zover dergelijke betalingen bestemd zijn voor een verhoging van de actuariële reserves van deze instellingen. Dergelijke betalingen worden geregistreerd als overige kapitaaloverdrachten (D.99);

e)

overdrachten van de overheid aan niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen ter dekking van geaccumuleerde verliezen van verschillende boekjaren of van uitzonderlijke verliezen die zijn toe te schrijven aan oorzaken waar de onderneming geen vat op heeft. Dergelijke overdrachten worden geregistreerd als overige kapitaaloverdrachten (D.99);

f)

kwijtschelding van schulden van productie-eenheden aan de overheid (bv. als gevolg van leningen van een overheidsinstelling aan een niet-financiële onderneming in verband met exploitatieverliezen die de onderneming verscheidene boekjaren achtereen heeft geleden). Dergelijke overdrachten worden in de rekeningen behandeld als overige kapitaaloverdrachten (D.99);

g)

betalingen van de overheid of het buitenland wegens schade aan of verlies van kapitaalgoederen als gevolg van oorlogshandelingen, andere politieke gebeurtenissen of nationale rampen. Dergelijke betalingen worden geregistreerd als overige kapitaaloverdrachten (D.99);

h)

aandelen en overige deelnemingen van de overheid in het kapitaal van een onderneming, die worden opgenomen in de rubriek deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5);

i)

betalingen door een instelling van de overheid die de verantwoordelijkheid op zich heeft genomen voor abnormale pensioenlasten van een overheidsonderneming. Dergelijke betalingen worden geregistreerd als overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.75);

j)

betalingen van de overheid aan marktproducenten als gehele of gedeeltelijke vergoeding voor goederen en diensten die die marktproducenten in verband met sociale risico's en behoeften (zie punt 4.84) rechtstreeks en individueel leveren aan huishoudens en waarop deze huishoudens recht hebben. De betalingen behoren tot de individuele consumptieve bestedingen van de overheid (P.31), de sociale overdrachten in natura — door overheidsinstellingen en izw's t.b.v. huishoudens aangekochte marktproducten (D.632) en de werkelijke individuele consumptie van huishoudens (P.41).

4.39

Moment van registratie: subsidies (D.3) worden geregistreerd op het moment waarop de transactie of de gebeurtenis (productieproces, verkoop, invoer enz.) die aanleiding geeft tot de subsidie, plaatsvindt.

Bijzondere gevallen zijn de volgende:

a)

subsidies in de vorm van het verschil tussen de aankoopprijs en de verkoopprijs die door een handelsorganisatie in handen van de overheid in rekening wordt gebracht, worden geregistreerd op het moment waarop de goederen door de organisatie worden aangekocht;

b)

subsidies die zijn bedoeld als dekking van een door een producent geleden verlies, worden geregistreerd op het moment waarop de instelling van de overheid besluit het verlies te compenseren.

4.40

Subsidies (D.3) worden geregistreerd als:

a)

negatieve bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de totale economie;

b)

negatieve middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sector overheid en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Productgebonden subsidies worden als negatieve middelen in de goederen-en-dienstenrekening van de totale economie geregistreerd.

Niet-productgebonden subsidies op productie (D.39) worden geregistreerd als middelen in de inkomensvormingsrekening van de bedrijfstakken of sectoren die de subsidies ontvangen.

Gevolgen van een differentieel koersstelsel voor de belastingen op productie en invoer en de subsidies: meervoudige koersen worden niet vaak toegepast tussen de lidstaten. In een dergelijk stelsel worden:

a)

impliciete belastingen op invoer behandeld als overige belastingen op invoer (D.2122);

b)

impliciete belastingen op uitvoer behandeld als overige productgebonden belastingen (D.214);

c)

impliciete invoersubsidies behandeld als subsidies op invoer (D.311);

d)

impliciete uitvoersubsidies behandeld als overige productgebonden subsidies (D.319).

INKOMEN UIT VERMOGEN (D.4)

4.41

Definitie: inkomen uit vermogen (D.4) ontstaat wanneer de eigenaren van financiële activa of van natuurlijke hulpbronnen deze ter beschikking stellen aan andere institutionele eenheden. Het inkomen dat voor het gebruik van financiële activa verschuldigd is, wordt inkomen uit beleggingen genoemd, terwijl het inkomen dat voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen verschuldigd is, inkomen uit natuurlijke hulpbronnen wordt genoemd. Inkomen uit vermogen is de som van inkomen uit beleggingen en inkomen uit natuurlijke hulpbronnen.

Inkomen uit vermogen wordt ingedeeld als volgt:

a)

rente (D.41);

b)

winstuitkeringen (D.42):

1.

dividenden (D.421);

2.

inkomen onttrokken aan quasivennootschappen (D.422);

c)

herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43);

d)

overig inkomen uit beleggingen (D.44):

1.

inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders (D.441);

2.

inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten (D.442);

3.

inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve beleggingsfondsen (D.443);

e)

inkomen uit natuurlijke hulpbronnen (D.45).

Rente (D.41)

4.42

Definitie: rente (D.41) is inkomen uit vermogen dat wordt ontvangen door eigenaren voor het ter beschikking stellen van financiële activa aan een andere institutionele eenheid. Het geldt voor de volgende financiële activa:

a)

deposito's (AF.2);

b)

schuldbewijzen (AF.3);

c)

leningen (AF.4);

d)

overige vorderingen (AF.8).

Inkomen in verband met aangehouden of toegewezen bijzondere trekkingsrechten en in verband met niet-toegewezen goudrekeningen wordt als rente behandeld. De financiële activa waarover rente verschuldigd is, zijn vorderingen van crediteuren op debiteuren. Crediteuren lenen middelen aan debiteuren, waardoor een van bovenstaande vormen van financiële verhoudingen tot stand komt.

Rente op deposito's en leningen

4.43

De rente op leningen en deposito's die wordt betaald aan en wordt ontvangen van financiële instellingen omvat een correctie voor een marge die een impliciete betaling vertegenwoordigt voor de diensten die de financiële instellingen verlenen bij het verstrekken van leningen en het in ontvangst nemen van deposito's. De rentebetalingen of -ontvangsten worden gesplitst in een deel dat betrekking heeft op de dienst en een deel dat betrekking heeft op het in de nationale rekeningen bedoelde begrip rente. De werkelijke betalingen aan of ontvangsten van financiële instellingen, bankrente genoemd, moeten zodanig worden gesplitst dat het in de nationale rekeningen bedoelde begrip rente en de vergoedingen voor de dienst los van elkaar worden geregistreerd. De door leners aan financiële instellingen betaalde nationalerekeningenrente is lager dan de bankrente: het verschil is de geraamde waarde van de impliciete dienstverlening. Anderzijds is de door crediteuren ontvangen nationalerekeningenrente hoger dan de bankrente; de waarde van de dienst wordt als verkoop van diensten geregistreerd in de productierekeningen van financiële instellingen en als bestedingen in de rekeningen van hun cliënten.

Rente op schuldbewijzen

4.44

Onder rente op schuldbewijzen valt rente op wissels en vergelijkbare kortlopende financiële verhoudingen alsmede rente op obligaties.

Rente op wissels en vergelijkbare kortlopende financiële verhoudingen

4.45

In het verschil tussen de nominale waarde en de werkelijk betaalde prijs bij uitgifte (d.w.z. het disconto) komt de rente gedurende de looptijd van de wissel tot uitdrukking. De stijging van de waarde van een wissel als gevolg van de gecumuleerde rente is geen waarderingsverschil, omdat zij is toe te schrijven aan een toename van de uitstaande hoofdsom en niet aan een verandering in de prijs van dit actief. Andere wijzigingen in de waarde van de wissel worden wel beschouwd als waarderingsverschillen.

Rente op obligaties

4.46

Obligaties zijn langlopende effecten die de houder ervan het onvoorwaardelijke recht geven op een vast of contractueel vastgelegd variabel inkomen in de vorm van couponbetalingen, dan wel op een bepaald vast geldbedrag op de aflossingsdatum of -data, of op beide.

a)

Nulcouponobligaties: er vinden geen couponbetalingen plaats. De rente, die is gebaseerd op het verschil tussen de aflossingswaarde en de uitgifteprijs, dient te worden verdeeld over de jaren die de obligatie uitstaat. De jaarlijkse rente wordt door de obligatiehouder in de desbetreffende obligatie herbelegd. De tegenwaarde van de opgebouwde rente wordt daarom in de financiële rekening geregistreerd als aangroei van de obligatie bij de obligatiehouder en als aangroei van de desbetreffende schuld bij de emittent of debiteur. Het gaat hierbij dus om een toename van het „volume” van de oorspronkelijke obligatie.

b)

Overige obligaties, met inbegrip van „deep-discounted” obligaties. De rente bestaat uit twee bestanddelen:

1.

het bedrag van het inkomen dat op iedere couponvervaldag wordt ontvangen;

2.

het rentebedrag dat het verschil vertegenwoordigt tussen de aflossingswaarde en de uitgifteprijs; dit verschil wordt op dezelfde wijze berekend als bij nulcouponobligaties.

c)

Indexobligaties:

1.

de bedragen van de couponbetalingen en/of de uitstaande hoofdsom zijn gekoppeld aan een algemeen prijsindexcijfer. Een wijziging in de waarde van de uitstaande hoofdsom tussen het begin en het eind van een bepaalde verslagperiode als gevolg van de ontwikkeling van het indexcijfer wordt beschouwd als in die periode opgebouwde rente, naast de verschuldigde rente voor diezelfde periode;

2.

de op de vervaldagen te betalen bedragen zijn gekoppeld aan een smalle index waarin waarderingsverschillen zijn verwerkt. De opgebouwde rente moet worden bepaald door vaststelling van het opbouwpercentage op de datum van uitgifte. De rente is derhalve gelijk aan het verschil tussen de uitgifteprijs en de marktverwachting, bij uitgifte, van alle betalingen die de debiteur zal moeten doen. Dit bedrag wordt geregistreerd als gedurende de looptijd van de financiële verhouding opgebouwde rente. Bij deze benadering wordt als inkomen het bruto actuarieel rendement bij de uitgifte geregistreerd, waarin de indexeringsresultaten zijn opgenomen die werden voorzien op het moment waarop de financiële verhouding ontstond. Afwijkingen van de onderliggende index van het oorspronkelijk verwachte verloop leidt tot waarderingsverschillen die gedurende de looptijd van de financiële verhouding normaal gesproken niet worden geneutraliseerd.

De als gevolg van de indexering opgebouwde rente wordt in de obligatie herbelegd en moet in de financiële rekening van de obligatiehouder en de emittent worden opgenomen.

Renteswaps en rentetermijncontracten

4.47

Betalingen die voortvloeien uit swapovereenkomsten van welke aard dan ook worden in de financiële rekening als transacties in financiële derivaten geregistreerd, en niet als rente onder inkomen uit vermogen. Transacties in het kader van rentetermijncontracten worden als transacties in financiële derivaten in de financiële rekening geregistreerd, en niet als inkomen uit vermogen.

Rente op financiële lease

4.48

Financiële lease is een wijze van financiering van bijvoorbeeld de aankoop van machines en apparatuur. De leasegever koopt het materiaal en de leasenemer verplicht zich contractueel tot het betalen van leasesommen die het de leasegever mogelijk maken tijdens de looptijd van het contract de kosten te dekken die hij heeft moeten maken, met inbegrip van de rente op het voor de aankoop van het materiaal gebruikte geld.

De leasegever wordt geacht een krediet aan de leasenemer te hebben verstrekt ter waarde van de aankoopprijs van het actief; het krediet wordt tijdens de looptijd van de leasenemer afgelost. De leasesom die de leasenemer periodiek betaalt, bestaat dan ook uit twee elementen: aflossing van de hoofdsom en betaling van rente. Het rentetarief voor de toegerekende lening wordt bepaald door het totale leasebedrag dat tijdens de looptijd van de lease wordt betaald enerzijds en de aankoopprijs van het actief anderzijds. Het aandeel van de rente in de leasesom neemt af naarmate de hoofdsom wordt afgelost. De oorspronkelijke lening van de leasenemer en de achtereenvolgende aflossingen van de hoofdsom worden in de financiële rekening van de leasegever en de leasenemer geregistreerd. De rentebetalingen worden als rente in de primaire inkomensverdelingsrekening geregistreerd.

Overige rentebetalingen

4.49

De overige rentebetalingen omvatten:

a)

rente die in rekening wordt gebracht voor kredieten in rekeningen-courant;

b)

extra rente op deposito's die langer dan de oorspronkelijk overeengekomen looptijd worden aangehouden, en

c)

betalingen aan bepaalde obligatiehouders die bij loting worden aangewezen.

Moment van registratie

4.50

Rente wordt geregistreerd op transactiebasis, d.w.z. rente wordt geregistreerd naar rato van de periode waarin de hoofdsom heeft uitgestaan. De aldus aangegroeide rente moet in elke verslagperiode worden geregistreerd, ongeacht of zij werkelijk is betaald of is toegevoegd aan de uitstaande hoofdsom. Wanneer de rente niet is betaald, wordt de toename van de hoofdsom in de financiële rekening opgenomen in de vorm van een actief bij de crediteur en een even groot passief bij de debiteur.

4.51

Rente wordt geregistreerd vóór aftrek van eventuele belastingen over de rente. Ontvangen en betaalde rente wordt geregistreerd met inbegrip van rentesubsidies, ongeacht of deze rechtstreeks worden uitgekeerd aan de financiële instellingen of aan begunstigden (zie punt 4.37).

Omdat de waarde van de diensten van financiële intermediairs aan hun cliënten wordt toegerekend, worden de werkelijke rentebetalingen of -ontvangsten aan respectievelijk van financiële intermediairs gecorrigeerd om de marges die de impliciet in rekening gebrachte kosten van financiële intermediairs vertegenwoordigen, te elimineren. Van de door de debiteuren aan de financiële intermediairs betaalde rentebedragen moet de geraamde waarde van de te betalen kosten worden afgetrokken; de door crediteuren ontvangen rentebedragen, daarentegen, moeten worden verhoogd. De waarde van de kosten wordt behandeld als aankoop van diensten bij financiële intermediairs en niet als rentebetaling.

4.52

In het rekeningenstelsel wordt rente geregistreerd onder:

a)

middelen en bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de desbetreffende sectoren;

b)

middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Winstuitkeringen (D.42)

Dividenden (D.421)

4.53

Definitie: dividenden (D.421) zijn een vorm van inkomen uit vermogen waarop bezitters van aandelen (AF.5) recht krijgen wanneer zij bijvoorbeeld middelen ter beschikking van vennootschappen hebben gesteld.

Het aantrekken van eigen vermogen door de uitgifte van aandelen is een manier om middelen te verkrijgen. Anders dan vreemd vermogen zorgt eigen vermogen niet voor een passiefpost, vastgelegd in monetaire eenheden; het geeft de aandeelhouders van een vennootschap geen recht op een vast of op voorhand bepaald inkomen. Dividenden zijn alle winstuitkeringen door vennootschappen aan hun aandeelhouders of eigenaren.

4.54

Dividenden omvatten eveneens:

a)

aandelen die aandeelhouders ontvangen als dividendbetaling over het desbetreffende boekjaar. Niet inbegrepen is de uitgifte van bonusaandelen, die de kapitalisatie van eigen vermogen in de vorm van reserves en niet-uitgekeerde winsten vormen en waarmee aandeelhouders nieuwe aandelen kunnen verwerven naar rato van hun aandelenbezit;

b)

het inkomen dat aan de overheid wordt betaald door overheidsondernemingen met rechtspersoonlijkheid, die geen vennootschap zijn;

c)

inkomsten uit niet-waargenomen activiteiten die worden overgedragen aan de eigenaren van vennootschappen die aan dergelijke activiteiten deelnemen voor privégebruik.

4.55

Onder dividenden (D.421) vallen geen superdividenden.

Superdividenden zijn dividenden die gezien het recente dividend- en winstniveau hoog zijn. Om te beoordelen of dit het geval is, wordt het begrip „uitkeerbare winst” gebruikt. De uitkeerbare winst van een onderneming is gelijk aan de ondernemingswinst plus alle te ontvangen inkomensoverdrachten minus alle te betalen inkomensoverdrachten minus de correctie voor de wijziging van de pensioenrechten. De ratio dividend/uitkeerbare winst in het recente verleden wordt gebruikt om te beoordelen of het dividendniveau plausibel is. Indien het aangekondigde dividendniveau veel hoger is, moet het overschot worden behandeld als een financiële transactie, „superdividend” genoemd. Dergelijk superdividend wordt behandeld als een onttrekking van kapitaal aan de onderneming (F.5). Deze behandeling geldt voor vennootschappen en quasivennootschappen, ongeacht of de zeggenschap erover in binnenlandse of buitenlandse handen is.

4.56

In het geval van overheidsondernemingen zijn superdividenden hoge, onregelmatige uitkeringen of uitkeringen die het inkomen uit bedrijfsuitoefening over de betreffende verslagperiode overschrijden; zij worden bekostigd uit opgebouwde reserves of de verkoop van activa. Superdividenden van overheidsondernemingen moeten worden geregistreerd als onttrekking van deelnemingen (F.5) ter hoogte van het verschil tussen de betrokken uitkeringen en het inkomen uit bedrijfsuitoefening over de betreffende verslagperiode (zie punt 20.206).

Interim-dividend wordt beschreven in punt 20.207.

4.57

Tijdstip van registratie: hoewel een dividend een inkomensbestanddeel is dat in de loop der tijd is gegenereerd, wordt het niet op transactiebasis geregistreerd. Gedurende een korte periode nadat een dividend is aangekondigd, maar voordat het werkelijk betaalbaar is, kunnen aandelen „ex dividend” worden verkocht, wat inhoudt dat het dividend nog steeds moet worden uitgekeerd aan degene die eigenaar was op de datum waarop het dividend werd aangekondigd, en niet aan de eigenaar op de datum van betaalbaarstelling. Een aandeel dat „ex dividend” wordt verkocht, is derhalve minder waard dan een aandeel dat zonder deze beperking wordt verkocht. Het tijdstip van registratie van een dividend is het moment vanaf hetwelk de aandelenprijs wordt genoteerd op een ex-dividendbasis en niet inclusief het dividend.

Dividenden worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de vennootschappen behoren;

b)

middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de aandeelhouders behoren;

c)

bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen (D.422)

4.58

Definitie: inkomen onttrokken aan quasivennootschappen (D.422) komt overeen met de bedragen die de eigenaren van deze quasivennootschappen voor eigen gebruik aan de winsten ervan onttrekken.

Dergelijke onttrekkingen worden geregistreerd voor aftrek van belastingen op inkomen, vermogen enz. die steeds geacht worden ten laste te komen van de eigenaren van deze bedrijven.

Wanneer een quasivennootschap een exploitatiewinst maakt, kan de eenheid die eigenaar van deze quasivennootschap is, deze winsten geheel of gedeeltelijk in het bedrijf laten, met name voor investeringsdoeleinden. Dit ter beschikking van het bedrijf blijvende inkomen vormt een besparing van de quasivennootschap; alleen de werkelijk door de eigenaar opgenomen winsten worden geregistreerd onder de rubriek inkomen onttrokken aan quasivennootschappen.

4.59

Indien in het buitenland winsten worden gemaakt door bijkantoren, agentschappen enz. van ingezeten ondernemingen en deze bijkantoren enz. als niet-ingezeten eenheden worden beschouwd, worden winstreserves geregistreerd als herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43). Alleen werkelijk naar de moederonderneming overgemaakt inkomen wordt geregistreerd als inkomen onttrokken aan quasivennootschappen uit het buitenland. Dezelfde regels gelden voor de betrekkingen tussen bijkantoren, agentschappen enz. die in het economische gebied werken en hun niet-ingezeten moederonderneming.

4.60

Tot het inkomen onttrokken aan quasivennootschappen behoort ook het netto-exploitatieoverschot dat ingezetenen ontvangen als eigenaren van grond en gebouwen in het buitenland, of niet-ingezetenen als eigenaren van grond en gebouwen in het desbetreffende economische gebied. Bij grond- en gebouwentransacties van niet-ingezeten eenheden in het economische gebied van een land worden fictieve ingezeten eenheden gecreëerd waarvan de niet-ingezeten eigenaren het nettoactief bezitten.

De huurwaarde van woningen in het buitenland die door de eigenaar zelf worden bewoond, wordt geregistreerd als invoer van diensten en het desbetreffende netto-exploitatieoverschot als primair inkomen ontvangen uit het buitenland; de huurwaarde van woningen in het binnenland, die door de niet-ingezeten eigenaar zelf worden bewoond, wordt geregistreerd als uitvoer van diensten en het desbetreffende netto-exploitatieoverschot als primair inkomen betaald aan het buitenland.

Tot de onttrekkingen aan het inkomen van quasivennootschappen behoort ook inkomen uit niet-waargenomen activiteiten van quasivennootschappen dat wordt overgedragen aan de eigenaren die aan dergelijke activiteiten deelnemen voor privégebruik.

4.61

Onder inkomen onttrokken aan quasivennootschappen vallen niet de bedragen die de eigenaren ervan ontvangen uit:

a)

de verkoop van bestaande kapitaalgoederen;

b)

de verkoop van grond en andere niet-geproduceerde activa;

c)

de terugtrekking van deelnemingen.

Dergelijke bedragen worden in de financiële rekening geregistreerd als onttrekking van deelnemingen, daar zij neerkomen op een gedeeltelijke of volledige beëindiging van de deelneming in de quasivennootschap. Indien de quasivennootschap eigendom is van de overheid en voortdurend exploitatieverliezen lijdt als gevolg van een gericht economisch en sociaal overheidsbeleid, worden alle regelmatige overdrachten van de overheid aan de vennootschap ter dekking van haar verliezen geregistreerd als subsidies.

4.62

Tijdstip van registratie: inkomen onttrokken aan quasivennootschappen wordt geregistreerd op het moment dat de eigenaren hiertoe overgaan.

4.63

In het rekeningenstelsel komt inkomen onttrokken aan quasivennootschappen voor onder de:

a)

bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de quasivennootschappen behoren;

b)

middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de sectoren waartoe de eigenaren behoren;

c)

middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43)

4.64

Definitie: de herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43) zijn gelijk aan het exploitatieoverschot van de buitenlandse directe investeringsmaatschappij,

plus

ontvangen inkomen uit vermogen of inkomensoverdrachten

minus

betaald inkomen uit vermogen of inkomensoverdrachten, met inbegrip van werkelijke betalingen aan directe investeerders uit het buitenland en van belastingen op inkomen, vermogen enz., die door de buitenlandse directe investeringsmaatschappij moeten worden betaald.

4.65

Een buitenlandse directe investeringsmaatschappij is een onderneming met of zonder rechtspersoonlijkheid, waarin een investeerder uit een andere economie ten minste 10 % van het gewone aandelenkapitaal of van de stemrechten bezit, voor een onderneming met rechtspersoonlijkheid, of het equivalent daarvan, voor een onderneming zonder rechtspersoonlijkheid. Tot de buitenlandse directe investeringsmaatschappijen behoren dochtermaatschappijen, partnerschappen en filialen. In een dochtermaatschappij bezit de investeerder meer dan 50 % van het gewone aandelenkapitaal of van de stemrechten of het equivalent daarvan; in partnerschappen bezit de investeerder ten hoogste 50 %. Filialen zijn ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid waarvan de moederonderneming eigenaar of mede-eigenaar is. De verhoudingen bij buitenlandse directe investeringen kunnen direct of indirect zijn, naargelang van de betrokken eigendomsketen. „Buitenlandse directe investeringsmaatschappijen” is een ruimer begrip dan „ondernemingen in handen van het buitenland”.

4.66

Uit het inkomen uit bedrijfsuitoefening van buitenlandse directe investeringsmaatschappijen kunnen werkelijke uitkeringen worden gedaan in de vorm van dividenden of inkomen onttrokken aan quasivennootschappen. Bovendien worden de ingehouden winsten geregistreerd alsof zij zijn uitgekeerd en overgedragen aan de buitenlandse directe investeerders, en wel voor een bedrag dat gelijk is aan hun aandeel in het vermogen van de onderneming, en vervolgens opnieuw in de onderneming zijn belegd door ze in de financiële rekening toe te voegen aan de deelnemingen. Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen kunnen positief of negatief zijn.

4.67

Tijdstip van registratie: herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen worden geregistreerd op het moment dat zij worden gerealiseerd.

In het rekeningenstelsel worden ingehouden winsten op buitenlandse directe investeringen geregistreerd als:

a)

bestedingen en middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de desbetreffende sectoren;

b)

bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Overig inkomen uit beleggingen (D.44)

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders (D.441)

4.68

Definitie: inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders (D.441) is gelijk aan de som van de primaire inkomens ontvangen uit de belegging van de verzekeringstechnische voorzieningen. Dit zijn voorzieningen ten aanzien waarvan een verzekeringsinstelling erkent dat zij een overeenkomstige verplichting jegens de polishouders heeft.

Verzekeringstechnische voorzieningen worden door verzekeringsmaatschappijen belegd in financiële activa of grond (waaruit zij een netto-inkomen uit vermogen ontvangen, d.w.z. na aftrek van betaalde rente), dan wel in gebouwen (die netto-exploitatieoverschotten genereren).

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders wordt afzonderlijk geregistreerd voor houders van schadeverzekeringspolissen en houders van levensverzekeringspolissen.

Wat schadeverzekeringen aangaat, heeft de verzekeringsinstelling een verplichting jegens de polishouder ter hoogte van het bedrag van de bij de instelling gestorte maar nog niet verdiende premies, van de waarde van uitstaande claims en van een voorziening voor nog niet ingediende of al wel ingediende maar nog niet afgewikkelde claims. Met het oog op deze verplichting houdt de verzekeringsinstelling technische voorzieningen aan. Het inkomen uit de beleggingen van deze voorzieningen wordt in de rekening voor bestemming van primaire inkomens geregistreerd als inkomen toe te rekenen aan en vervolgens ook uitgekeerd aan de polishouders, en in de secundaire inkomensverdelingsrekening als een premieaanvulling die aan de verzekeringsinstelling is terugbetaald.

Voor een institutionele eenheid die tegen vergoeding een gestandaardiseerde garantieregeling voor leningen uitvoert, kan er ook sprake zijn van inkomen uit de belegging van de voorzieningen van de regeling; dit moet ook worden opgenomen als uitgekeerd aan de eenheden die de vergoedingen betalen (dit kunnen andere eenheden zijn dan die welke voordeel bij de garanties hebben) en in de secundaire inkomensverdelingsrekening als aanvullende vergoedingen worden geregistreerd.

Voor levensverzekeringen en lijfrentes hebben de verzekeringsinstellingen jegens de polishouders en de lijfrentetrekkers verplichtingen ter hoogte van de huidige waarde van de verwachte aanspraken. De verzekeringsinstellingen hebben in verband met deze passiva middelen die toebehoren aan de polishouders en die bestaan uit de aangekondigde winstdeling bij verzekeringen met recht op winstdeling en uit voorzieningen voor polishouders en lijfrentetrekkers voor de betaling van toekomstige winstdeling en andere aanspraken. Deze middelen worden in een aantal financiële en niet-financiële activa belegd.

De aangekondigde uitkeringen aan de houders van levensverzekeringspolissen worden geregistreerd als door de polishouders te ontvangen inkomen uit beleggingen, en worden behandeld als door de polishouders aan de verzekeringsinstellingen betaalde premieaanvullingen.

Het inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan houders van levensverzekeringspolissen wordt in de rekening voor bestemming van primaire inkomens geregistreerd als uit te keren door de verzekeringsmaatschappij en te ontvangen door de huishoudens. Anders dan voor schadeverzekeringen of pensioenen wordt het bedrag opgenomen onder besparingen en geregistreerd als een financiële transactie, in het bijzonder als een toename van de passiva van de levensverzekeringsinstellingen, in aanvulling op de nieuwe premies minus de vergoeding voor de dienst en de te betalen uitkeringen.

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten (D.442)

4.69

Pensioenrechten vloeien voort uit een van de twee soorten pensioenregelingen: toegezegdepremieregelingen en toegezegde-uitkeringsregelingen.

Bij een toegezegdepremieregeling worden premies van zowel werkgevers als werknemers belegd namens de werknemers als toekomstige pensioengerechtigden. Er is geen andere bron voor de financiering van de pensioenen en er wordt van de fondsen geen ander gebruikgemaakt. Het inkomen uit beleggingen dat is verschuldigd over rechten uit hoofde van toegezegdepremieregelingen is gelijk aan het inkomen uit de investering van de fondsen plus het inkomen uit de verhuur van grond of gebouwen waarvan het fonds eigenaar is.

Bij een toegezegde-uitkeringsregeling wordt de hoogte van de betalingen aan de pensioengerechtigden aan de hand van een formule bepaald. Daardoor kan de hoogte van de rechten worden bepaald als de contante waarde van alle toekomstige betalingen, berekend met behulp van actuariële veronderstellingen over de levensduur en economische veronderstellingen over de rente- of disconteringsvoet. De contante waarde van de rechten aan het begin van het jaar neemt toe omdat de datum waarop zij moeten worden gehonoreerd een jaar dichterbij is. Deze toename wordt bij een toegezegde-uitkeringsregeling beschouwd als inkomen uit beleggingen dat wordt toegerekend aan de pensioengerechtigden. Voor de omvang van de toename is het niet relevant of de pensioenregeling werkelijk voldoende middelen bezit om aan alle verplichtingen te voldoen, en ook niet om wat voor soort toename van de middelen het gaat, bijvoorbeeld of het inkomen uit beleggingen of waarderingsverschillen betreft.

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen (D.443)

4.70

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen (inclusief onderlinge fondsen en „unit trusts”) bestaat uit de volgende afzonderlijke componenten:

dividenden toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen (D.4431);

ingehouden winsten toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen (D.4432).

De dividendcomponent wordt op exact dezelfde wijze geregistreerd als dividend voor individuele vennootschappen, zoals hierboven beschreven. Bij de ingehouden-winstencomponent worden dezelfde beginselen als die welke zijn beschreven voor buitenlandse directe investeringsmaatschappijen aangehouden, maar buiten beschouwing blijven de herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen. De resterende ingehouden winsten worden toegerekend aan de aandeelhouders van het beleggingsfonds (waardoor er in het fonds geen besparing resteert), waarna dezen de winsten weer aan het fonds toevoegen met een transactie die in de financiële rekening wordt geregistreerd.

Het inkomen uit vermogen dat een onderling fonds ontvangt, wordt geregistreerd als inkomen uit vermogen van de aandeelhouders, ook al wordt het niet uitgekeerd maar namens hen herbelegd.

Aandeelhouders betalen indirect — vanuit hun aandelen in een fonds — aan de beheermaatschappijen voor het beheren van hun beleggingen. Deze vergoeding voor diensten is een uitgave van aandeelhouders, en niet een uitgave van het fonds.

Tijdstip van registratie: overig inkomen uit beleggingen wordt geregistreerd wanneer dit toeneemt.

4.71

In het rekeningenstelsel wordt overig inkomen uit beleggingen geregistreerd als:

a)

middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de polishouders en de aandeelhouders van beleggingsfondsen;

b)

bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de verzekeraars, pensioenfondsen en beleggingsfondsen;

c)

bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen (D.45)

4.72

Definitie: inkomen uit natuurlijke hulpbronnen is het inkomen dat de eigenaar van een natuurlijke hulpbron ontvangt voor het ter beschikking stellen van die hulpbron aan een andere institutionele eenheid.

Er zijn twee verschillende soorten van inkomen uit natuurlijke hulpbronnen: inkomen uit grond en inkomen uit minerale hulpbronnen. Inkomen uit andere natuurlijke hulpbronnen zoals radiospectra volgt hetzelfde stramien.

Het verschil tussen inkomen uit grond en minerale hulpbronnen en inkomen uit lease is, dat inkomen uit grond en minerale hulpbronnen een vorm van inkomen uit vermogen is en er bij lease sprake is van betalingen voor diensten. Bij inkomen uit lease vinden betalingen plaats uit hoofde van een operationele lease voor het gebruik van een vast actief dat aan een andere eenheid toebehoort. Bij inkomen uit grond en minerale hulpbronnen vinden betalingen plaats uit hoofde van een lease waarbij toegang tot die natuurlijke hulpbron wordt verleend.

Inkomen uit grond

De pacht die een grondeigenaar van een pachter ontvangt, is een vorm van inkomen uit vermogen. Tot inkomen uit grond behoren eveneens de pachtsommen die aan de eigenaren van binnenwateren en rivieren moeten worden betaald voor het recht op exploitatie van deze wateren voor recreatieve of andere doeleinden, met inbegrip van visserij.

Een grondeigenaar betaalt grondbelasting en heeft onderhoudskosten, omdat hij de grond in eigendom heeft. Dergelijke belastingen en kosten worden geacht te worden betaald door degene die de grond mag exploiteren en die geacht wordt deze lasten af te trekken van de pachtsom die hij anders aan de grondeigenaar zou moeten betalen. De pachtsom waarop aldus de belastingen en andere uitgaven die voor rekening van de grondeigenaar komen, in mindering zijn gebracht, wordt „pacht na belasting” genoemd.

4.73

In de pacht is niet de huur van onroerend goed op het terrein begrepen; de huur van woningen en andere gebouwen wordt beschouwd als de betaling voor een marktdienst die door de eigenaar is verleend aan de huurder van het gebouw of de woning, en wordt in de rekeningen geregistreerd als intermediair verbruik of consumptie van de huurder. Indien er geen objectieve basis is voor de splitsing van de betaling in grondpacht en huur voor de gebouwen op het terrein, wordt het volledige bedrag geregistreerd als pacht indien de grondwaarde hoger dan de waarde van de gebouwen wordt geraamd, en anders als huur voor de gebouwen.

Inkomen uit minerale hulpbronnen

4.74

Deze rubriek omvat het aandeel in de opbrengst dat toekomt aan de eigenaren van minerale of fossiele reserves (steenkool, aardolie en aardgas), ongeacht of dit particuliere of overheidseenheden zijn, die andere institutionele eenheden vergunning verlenen om deze reserves gedurende een bepaalde periode te exploreren of te exploiteren.

4.75

Tijdstip van registratie: inkomen uit grond en minerale hulpbronnen wordt geregistreerd in het tijdvak waarin het verschuldigd is.

4.76

In het rekeningenstelsel wordt inkomen uit grond en minerale hulpbronnen geregistreerd onder de:

a)

middelen en bestedingen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de desbetreffende sectoren;

b)

middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

BELASTINGEN OP INKOMEN, VERMOGEN ENZ. (D.5)

4.77

Definitie: belastingen op inkomen, vermogen enz. (D.5) zijn alle verplichte betalingen om niet, in geld of in natura, die regelmatig door de overheid en door het buitenland over het inkomen en het vermogen van institutionele eenheden worden geheven, alsmede enkele periodieke belastingen die noch over het inkomen, noch over het vermogen worden geheven.

De belastingen op inkomen, vermogen enz. worden ingedeeld in:

a)

belastingen op inkomen (D.51);

b)

belastingen op vermogen enz. (D.59).

Belastingen op inkomen (D.51)

4.78

Definitie: belastingen op inkomen (D.51) omvatten de belastingen op inkomens, winsten en kapitaalwinsten. Zij worden bepaald op basis van het werkelijke of veronderstelde inkomen van individuen, huishoudens, ondernemingen of izw's. Tot de belastingen op inkomen behoren ook belastingen op eigendom van vermogen, grond of onroerend goed, indien op basis daarvan het inkomen van de eigenaren wordt geraamd.

De belastingen op inkomen omvatten:

a)

belastingen op het inkomen van individuen of huishoudens (bv. inkomen uit arbeid, eigendom, ondernemerschap, pensioenen enz.), met inbegrip van belastingen die door werkgevers worden ingehouden (bv. loonbelastingen). Hieronder vallen ook belastingen op het inkomen van eigenaren van ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid;

b)

belastingen op het inkomen of de winsten van ondernemingen;

c)

belastingen op waarderingsverschillen;

d)

belastingen op winsten uit loterijen of kansspelen, die dienen te worden betaald over de door de winnaars ontvangen bedragen. Deze belastingen moeten worden onderscheiden van de belastingen over de omzet van de organisatoren van de loterijen of kansspelen, die worden beschouwd als productgebonden belastingen.

Belastingen op vermogen enz. (D.59)

4.79

Onder de belastingen op vermogen enz. (D.59) vallen:

a)

belastingen op kapitaal, bestaande uit belastingen op het eigendom of het gebruik van grond of onroerende goederen door de eigenaren ervan, en belastingen op het nettovermogen en andere activa (bv. juwelen) — met uitzondering van de belastingen genoemd in D.29 (die door ondernemingen worden betaald voor hun productieactiviteit) en D.51 (belastingen op inkomen);

b)

personele belastingen per volwassene of per huishouden, onafhankelijk van het inkomen of het vermogen;

c)

verbruiksbelastingen, te betalen over de totale uitgaven van personen of huishoudens;

d)

betalingen door huishoudens voor vergunningen voor het bezit of het gebruik voor niet-zakelijke doeleinden van voer-, vaar- en vliegtuigen, of voor jacht-, schiet- of visvergunningen enz. voor recreatiedoeleinden. Het onderscheid tussen belastingen en aankopen van overheidsdiensten wordt gemaakt aan de hand van dezelfde criteria als bij betalingen door ondernemingen, namelijk indien het verlenen van een vergunning voor de overheid weinig of geen werk inhoudt, omdat zij automatisch wordt afgegeven tegen betaling van het verschuldigde bedrag, is zij waarschijnlijk slechts een eenvoudig middel tot inkomensverwerving, zelfs indien de overheid als tegenprestatie een certificaat afgeeft of een vergunning verstrekt; in dergelijke gevallen wordt de betaling voor de vergunning beschouwd als belasting. Indien de overheid evenwel de afgifte van vergunningen echter gebruikt als middel om op enigerlei wijze regulerend op te treden (verificatie van de competentie of de kwalificaties van de betrokkene), worden de betalingen geregistreerd als aankoop van diensten van de overheid in plaats van als belastingen, tenzij het bedrag buitensporig hoog is in vergelijking met de kosten van de verleende diensten;

e)

belastingen op internationale transacties (bv. buitenlandse reizen, internationale betalingsopdrachten, investeringen in het buitenland enz.), met uitzondering van de belastingen die door producenten en de invoerrechten die door huishoudens moeten worden betaald.

4.80

Onder de rubriek belastingen op inkomen, vermogen enz. vallen geen:

a)

successie- en schenkingsrechten, die worden geacht te zijn geheven op het vermogen van de begunstigden en die worden geregistreerd onder vermogensheffingen (D.91);

b)

niet-periodieke of buitengewone heffingen op kapitaal of vermogen, die worden geregistreerd onder vermogensheffingen (D.91);

c)

belastingen op grond, gebouwen of andere activa die ondernemingen bezitten of huren en voor hun productieactiviteiten gebruiken; dergelijke belastingen vallen onder de niet-productgebonden belastingen op productie (D.29);

d)

betalingen door huishoudens voor andere vergunningen dan die voor het gebruik van voer-, vaar- en vliegtuigen of jacht-, schiet- en visvergunningen voor recreatiedoeleinden: rij-, vaar- of vliegbewijzen, vuurwapenvergunningen en heffingen van de overheid zoals entreegelden voor musea, contributies aan bibliotheken, heffingen voor het ophalen van afval, betalingen voor paspoorten, luchthavenbelastingen, gerechtskosten enz., die meestal als aankopen van door de overheid verleende diensten worden geregistreerd, mits zij voldoen aan de criteria van punt 4.79, onder d), om als diensten te worden geregistreerd.

4.81

Het totaalbedrag aan belastingen omvat de rente die bij achterstallige betalingen van verschuldigde belastingen in rekening is gebracht en de boetes die door de belastingdienst zijn opgelegd, indien er geen gegevens zijn aan de hand waarvan deze rente en boetes afzonderlijk kunnen worden geraamd; het omvat kosten die in rekening zijn gebracht in verband met de vaststelling en inning van uitstaande belastingen, verminderd met kortingen die de overheid heeft verleend op grond van haar economische beleid en met eventuele terugbetalingen als gevolg van te veel betaalde belasting.

Het komt steeds vaker voor dat subsidies en sociale uitkeringen via het belastingsysteem in de vorm van belastingkortingen beschikbaar worden gesteld en dat betalingssystemen aan het systeem voor belastingheffing worden gekoppeld. Belastingkortingen zijn een vorm van belastingverlaging en verminderen de belastingschuld van de begunstigde.

Leidt het systeem van belastingkortingen ertoe dat de begunstigde het saldo ontvangt wanneer de belastingverlaging groter is dan de belastingschuld, dan betreft het een systeem van te betalen belastingkortingen. Bij een dergelijk systeem kunnen betalingen zowel aan niet-belastingbetalers als aan belastingbetalers worden gedaan. Het volledige bedrag van de belastingkortingen wordt dan geregistreerd als overheidsuitgave, en niet als een verlaging van belastinginkomen.

Bij sommige systemen van belastingkortingen behoeven daarentegen geen betalingen te worden verricht, omdat belastingkortingen maximaal de hoogte van de belastingschuld bedragen. In dat geval maken alle belastingkortingen deel uit van het belastingstelsel en verlagen deze het belastinginkomen van de overheid.

4.82

Belastingen op inkomen, vermogen enz. worden geregistreerd op het moment dat de activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen die leiden tot de betalingsverplichtingen, plaatsvinden.

Sommige economische activiteiten, transacties of gebeurtenissen, op grond waarvan de betrokken eenheden ingevolge de belastingwetgeving belasting moeten betalen, ontsnappen echter voortdurend aan de aandacht van de belastingdienst. Het getuigt niet van realiteitszin indien wordt aangenomen dat dergelijke activiteiten, transacties of gebeurtenissen financiële activa of passiva genereren in de vorm van nog te ontvangen of nog te betalen posten. De bedragen worden alleen geregistreerd indien zij duidelijk blijken uit belastingsaanslagen of -aangiften of uit andere instrumenten die leiden tot passiva in de vorm van duidelijke betalingsverplichtingen van belastingbetalers. Er vindt geen toerekening plaats van ontbrekende belastingen die niet uit belastingaanslagen blijken.

De in de rekeningen geregistreerde bedragen aan belastingen worden ontleend aan twee bronnen: kohiers en aangiften, en kasgegevens.

a)

Indien bedragen uit kohiers en aangiften worden gebruikt, dan wordt op die bedragen een coëfficiënt toegepast, teneinde rekening te houden met bedragen die wel in de kohiers en aangiften zijn opgenomen, maar nooit zijn of worden geïnd. Als alternatieve handelwijze wordt een kapitaaloverdracht naar de betrokken sectoren geregistreerd, waarvan het bedrag overeenkomt met de bedoelde aanpassing. De hoogte van de coëfficiënten wordt vastgesteld op basis van de opgedane ervaringen en de huidige verwachtingen met betrekking tot de geraamde niet-geïnde bedragen. Zij zijn specifiek voor de verschillende soorten belastingen.

b)

Indien kasgegevens als bron worden gebruikt, dan wordt een correctie in de tijd toegepast om ervoor te zorgen dat de bedragen worden toegerekend aan de periode waarin de activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen die tot de belastingplicht hebben geleid, hebben plaatsgevonden (of, voor bepaalde soorten inkomstenbelasting, aan de periode waarin het belastingbedrag werd vastgesteld). Deze correctie wordt gebaseerd op het gemiddelde tijdsverloop tussen de activiteiten, transacties of andere gebeurtenissen (of de vaststelling van de te betalen belasting) en de inning van het bedrag.

Wanneer belastingen op inkomen, vermogen enz. door een werkgever aan de bron worden ingehouden, worden ze in de lonen begrepen, ook al heeft de werkgever ze niet aan de overheid doorgegeven. Het volledige bedrag wordt geregistreerd alsof de sector huishoudens dat aan de sector overheid heeft betaald. De in werkelijkheid niet-betaalde bedragen worden onder D.995 geneutraliseerd door een kapitaaloverdracht van de overheid aan de sectoren waartoe de werkgevers behoren.

Soms kan de verplichting tot het betalen van inkomstenbelasting nog niet worden vastgesteld in de verslagperiode waarin het inkomen tot stand is gekomen, maar pas naderhand. Er dient derhalve enige soepelheid te worden betracht wat betreft het tijdstip waarop dergelijke belastingen worden geregistreerd. Bij de bron ingehouden belastingen op inkomen, zoals loonbelastingen en regelmatige voorschotten op de inkomstenbelasting, kunnen worden geregistreerd in de periode waarin ze worden betaald, terwijl eindafrekeningen kunnen worden geregistreerd in de periode waarin de belastingverplichting is vastgesteld.

De belastingen op inkomen, vermogen enz. worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren waartoe de belastingbetalers behoren;

b)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de overheid;

c)

bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

SOCIALE PREMIES EN UITKERINGEN (D.6)

4.83

Definitie: sociale uitkeringen zijn inkomensoverdrachten in geld of in natura, die via collectieve regelingen of, buiten dergelijke regelingen om, door overheidseenheden en izw's t.b.v. huishoudens aan huishoudens worden verstrekt, teneinde de financiële lasten te verlichten die voor die huishoudens voortvloeien uit een aantal risico's en behoeften. Zij omvatten ook betalingen van de overheid aan producenten voor goederen en diensten die in het kader van sociale risico's en behoeften individueel aan huishoudens ten goede komen.

4.84

De lijst van de risico's en behoeften die aanleiding kunnen geven tot het verstrekken van sociale uitkeringen, is als volgt:

a)

ziekte;

b)

invaliditeit, handicap;

c)

arbeidsongeval of beroepsziekte;

d)

ouderdom;

e)

nabestaanden;

f)

moederschap;

g)

gezin;

h)

bevordering arbeidsdeelname;

i)

werkloosheid;

j)

huisvesting;

k)

onderwijs;

l)

algemene behoeftigheid.

Bij huisvesting zijn huursubsidies van de overheid sociale uitkeringen, met uitzondering van bijzondere uitkeringen door de overheid in haar hoedanigheid van werkgever.

4.85

Sociale uitkeringen omvatten:

a)

regelmatige en eenmalige inkomensoverdrachten op grond van regelingen waarbij premies worden ontvangen, die de gehele bevolking of grote delen hiervan bestrijken, die zijn ingesteld door de overheid en waarover toezicht wordt uitgeoefend door overheidsinstellingen (socialezekerheidsregelingen);

b)

regelmatige en eenmalige inkomensoverdrachten op grond van regelingen die door werkgevers zijn ingesteld ten behoeve van hun werknemers, ex-werknemers of personen te hunnen laste (overige werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen). De premies kunnen ten laste komen van werknemers en/of werkgevers, maar kunnen ook door zelfstandigen worden opgebracht;

c)

regelmatige inkomensoverdrachten door overheidsinstellingen en izw's t.b.v. huishoudens, zonder dat daarvoor de voorwaarde geldt dat vooraf premie is betaald, terwijl in het algemeen wordt vastgesteld wat het beschikbare inkomen is. Dergelijke overdrachten worden vaak sociale voorzieningen genoemd.

4.86

Sociale uitkeringen omvatten geen:

a)

verzekeringsuitkeringen die zijn gebaseerd op verzekeringscontracten die uitsluitend op eigen initiatief van de verzekerde zijn afgesloten, onafhankelijk van zijn werkgever of de overheid;

b)

verzekeringsuitkeringen die zijn gebaseerd op verzekeringscontracten die uitsluitend zijn afgesloten om een korting te verkrijgen, ook indien dergelijke polissen voortvloeien uit een collectieve overeenkomst.

4.87

Een afzonderlijke verzekeringsovereenkomst wordt als onderdeel van een socialeverzekeringsregeling beschouwd indien de verzekerde gebeurtenissen of omstandigheden overeenkomen met de in punt 4.84 genoemde risico's en behoeften; bovendien moet aan ten minste één van onderstaande voorwaarden zijn voldaan:

a)

deelname aan de regeling is hetzij wettelijk verplicht, hetzij verplicht op grond van het arbeidscontract van een werknemer of een groep werknemers;

b)

het betreft een collectieve regeling ten bate van een bepaalde categorie werkers, ongeacht of het gaat om werknemers, zelfstandigen of niet-werkenden, en deelname is beperkt tot leden van die groep;

c)

de werkgever draagt (werkelijke of toegerekende) premies af voor een werknemer, ongeacht of de werknemer ook zelf een premie betaalt.

4.88

Definitie: socialeverzekeringsregelingen zijn regelingen waarbij deelnemers zich verplicht, dan wel gestimuleerd door hun werkgever of de overheid, verzekeren tegen bepaalde gebeurtenissen en omstandigheden die hun welzijn of dat van personen te hunnen laste nadelig kunnen beïnvloeden. Bij dergelijke regelingen worden sociale premies betaald door werknemers of anderen, dan wel door werkgevers namens hun werknemers, met het oogmerk voor werknemers of andere premiebijdragers, dan wel personen te hunnen laste of hun nabestaanden, het recht op socialeverzekeringsuitkeringen in de lopende of daarop volgende perioden te waarborgen.

Socialeverzekeringsregelingen worden georganiseerd voor groepen werkers of zijn van rechtswege toegankelijk voor alle of voor aangewezen categorieën werkers, waaronder zowel niet-werkenden als werknemers. Het gaat van particuliere regelingen voor bepaalde groepen werknemers van een enkele werkgever tot socialezekerheidsregelingen waaronder de gehele beroepsbevolking van een land valt. Soms kunnen de betrokken werkers op vrijwillige basis deelnemen aan dergelijke regelingen, maar het komt vaker voor dat deelname verplicht is. Zo kan bijvoorbeeld deelname aan door individuele werkgevers ingestelde regelingen vereist zijn op grond van de tussen werkgevers en hun werknemers gesloten collectieve arbeidsovereenkomst.

4.89

Er zijn twee typen socialeverzekeringsregelingen:

a)

socialezekerheidsregelingen ten behoeve van de hele bevolking of grote delen daarvan, die worden opgelegd, beheerd en gefinancierd door overheidsinstellingen. Pensioenen die op grond van dergelijke regelingen worden uitgekeerd, kunnen al dan niet verband houden met het loonniveau van de begunstigde of met zijn arbeidsverleden. Niet-pensioenuitkeringen houden minder vaak verband met het loonniveau;

b)

overige werkgerelateerde regelingen. Bij dergelijke regelingen vormt een werkgever-werknemerverhouding de grondslag voor pensioenverstrekking en honorering van eventuele andere in het arbeidscontract neergelegde rechten, en is niet de overheid op grond van socialezekerheidsbepalingen verantwoordelijk voor de verstrekking van uitkeringen.

4.90

Socialeverzekeringsregelingen die door overheidseenheden zijn ingesteld voor hun eigen werknemers, en niet voor de beroepsbevolking in het algemeen, worden als overige werkgerelateerde regelingen en niet als socialezekerheidsregelingen geclassificeerd.

Sociale premies (netto) (D.61)

4.91

Definitie: sociale premies (netto) (D.61) zijn de werkelijke of toegerekende premies die huishoudens aan socialeverzekeringsregelingen bijdragen om voorzieningen te treffen voor sociale uitkeringen. Sociale premies (netto) (D.61) bestaan uit:

werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.611)

plus

toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.612)

plus

werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens (D.613)

plus

aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens (D.614)

minus

vergoeding voor diensten in het kader van de socialeverzekeringsregeling (D.61SC).

De vergoeding voor de socialeverzekeringsregeling is de door de eenheden die de regelingen uitvoeren in rekening gebrachte vergoeding voor hun diensten. Zij worden hier vermeld als onderdeel van de berekening van sociale premies (netto) (D.61); het zijn geen herverdelingstransacties maar zij maken deel uit van de output en de consumptieve bestedingen.

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.611)

4.92

De werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.611) komen overeen met D.121.

De werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers worden door de werkgevers betaald aan socialezekerheidsregelingen en de overige werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen om de sociale uitkeringen ten behoeve van hun werknemers te waarborgen.

Aangezien de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers hun werknemers ten goede komen, wordt de waarde ervan geregistreerd als bestanddeel van de beloning van werknemers, samen met de lonen in geld en in natura. De sociale premies worden vervolgens geregistreerd als inkomensoverdrachten van de werknemers aan de socialezekerheidsregelingen en de overige werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen.

Deze rubriek is onderverdeeld in twee categorieën:

a)

werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.6111); deze komen overeen met D.1211;

b)

werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.6112); deze komen overeen met D.1212.

4.93

Betalingen van werkelijke sociale premies kunnen wettelijk of bestuursrechtelijk verplicht zijn, of zij kunnen worden betaald uit hoofde van een collectieve arbeidsovereenkomst voor een bedrijfstak, een overeenkomst tussen de werkgever en diens werknemers op ondernemingsniveau of op basis van een individuele arbeidsovereenkomst. In bepaalde gevallen kunnen de premies vrijwillig worden betaald.

Dergelijke vrijwillige premies betreffen:

a)

sociale premies die personen die daartoe niet wettelijk verplicht zijn, betalen aan een socialezekerheidsfonds;

b)

sociale premies die aan verzekeringsmaatschappijen (of aan pensioenfondsen in dezelfde sector) worden betaald in het kader van aanvullende verzekeringsregelingen ingesteld door bedrijven ten bate van hun werknemers, waarbij laatstgenoemden zich vrijwillig kunnen aansluiten;

c)

premies die worden betaald aan „provident”-verzekeringsregelingen voor onderlinge bijstand, waarvan werknemers of zelfstandigen lid kunnen worden.

4.94

Tijdstip van registratie: de werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers (D.611) worden geregistreerd op het moment dat het werk dat verplicht tot het betalen van de premies, is verricht.

4.95

De in de rekeningen geregistreerde bedragen aan de sector overheid verschuldigde sociale premies worden ontleend aan twee bronnen: kohiers en aangiften, of kasgegevens.

a)

Indien bedragen uit kohiers en aangiften worden gebruikt, dan wordt op die bedragen een coëfficiënt toegepast, teneinde rekening te houden met bedragen die wel in de kohiers en aangiften zijn opgenomen, maar nooit zijn of worden geïnd. Als alternatieve handelwijze kan een kapitaaloverdracht naar de betrokken sectoren worden geregistreerd, waarvan het bedrag overeenkomt met de bedoelde aanpassing. De hoogte van de coëfficiënten wordt vastgesteld op basis van de opgedane ervaringen en de huidige verwachtingen met betrekking tot de geraamde niet-geïnde bedragen. Zij zijn specifiek voor de verschillende soorten sociale premies.

b)

Indien kasgegevens als bron worden gebruikt, dan wordt een correctie in de tijd toegepast om ervoor te zorgen dat de bedragen worden toegerekend aan de periode waarin de activiteit die tot de socialepremieverplichting heeft geleid, heeft plaatsgevonden (of aan de periode waarin de verplichting ontstond). Deze correctie kan worden gebaseerd op het gemiddelde tijdsverloop tussen de activiteit (of het ontstaan van de verplichting) en de inning van het bedrag.

Wanneer aan de sector overheid verschuldigde sociale premies door de werkgever aan de bron worden ingehouden, worden ze in de lonen begrepen, ongeacht of de werkgever ze aan de overheid heeft doorgegeven. Het volledige bedrag wordt dan geregistreerd alsof de sector huishoudens het aan de sector overheid had betaald. De in werkelijkheid niet-betaalde bedragen worden onder D.995 geneutraliseerd door een kapitaaloverdracht van de overheid aan de sectoren waartoe de werkgevers behoren.

4.96

De werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens;

b)

bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten huishoudens);

c)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten verzekeraars of werkgevers;

d)

middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten verzekeraars of werkgevers).

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.612)

4.97

Definitie: de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.612) vertegenwoordigen de tegenhanger van de sociale uitkeringen (minus eventuele sociale premies t.l.v. werknemers) die rechtstreeks door de werkgevers (d.w.z. onafhankelijk van de werkelijke premies t.l.v. werkgevers) aan hun werknemers of voormalige werknemers en andere rechthebbenden worden verstrekt.

Zij komen overeen met D.122 zoals beschreven onder de beloning van werknemers. Hun waarde moet actuarieel of op basis van een aannemelijk percentage van de lonen van de werknemers in actieve dienst worden vastgesteld, dan wel worden gelijkgesteld aan de door de onderneming in dezelfde verslagperiode betaalde niet-pensioenuitkeringen zonder fondsvorming.

De toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers (D.612) zijn onderverdeeld in twee categorieën:

a)

toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.6121); deze komen overeen met D.1221;

b)

toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers (D.6122); deze komen overeen met D.1222.

4.98

Tijdstip van registratie: de toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers, die de tegenhanger vormen van de verplichte rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd in het tijdvak waarin de arbeid is verricht. Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers die de tegenhanger vormen van vrijwillige rechtstreekse sociale uitkeringen, worden geregistreerd op het moment dat de uitkeringen worden verstrekt.

4.99

De toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

b)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren waartoe de werkgevers of ingezeten verzekeraars behoren en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens (D.613)

4.100

Definitie: de werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens (D.613) zijn sociale premies die werknemers, zelfstandigen en niet-werkenden te eigen behoeve aan socialeverzekeringsregelingen moeten betalen.

De werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens (D.6131) zijn onderverdeeld in twee categorieën:

a)

werkelijke pensioenpremies t.l.v. huishoudens (D.6131);

b)

werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. huishoudens (D.6132).

Tijdstip van registratie: de werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens worden geregistreerd op transactiebasis. Voor werkenden geschiedt dit op het moment dat het werk dat verplicht tot het betalen van de premies, wordt verricht. Voor niet-werkenden geschiedt dit op het moment waarop de premies moeten worden betaald.

In het rekeningenstelsel worden de werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens geregistreerd onder de:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

b)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren waartoe de werkgevers behoren en in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens (D.614)

4.101

Definitie: aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens (D.614) bestaan uit het inkomen uit vermogen dat in de verslagperiode is verdiend met het bezit aan pensioenrechten en niet-pensioenrechten.

Aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens zijn onderverdeeld in twee categorieën:

a)

aanvullende pensioenpremies t.l.v. huishoudens (D.6141);

b)

aanvullende niet-pensioenpremies t.l.v. huishoudens (D.6142). Rubriek D.6142 komt overeen met aanvullende premies t.l.v. huishoudens in verband met andere sociale risico's en behoeften dan pensioenen, zoals ziekte, zwangerschap, arbeidsongeval, invaliditeit, ontslag enz.

De aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens worden in de rekening voor bestemming van primaire inkomens opgenomen bij het inkomen uit vermogen dat de beheerders van pensioenfondsen aan huishoudens moeten betalen (inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten D.442).

Aangezien dit inkomen in de praktijk door de beheerders van de pensioenfondsen wordt ingehouden, wordt het in de secundaire inkomensverdelingsrekening geregistreerd alsof het door de huishoudens aan de pensioenfondsen is terugbetaald in de vorm van aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens.

Tijdstip van registratie: de aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens worden geregistreerd op transactiebasis.

Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62)

4.102

Rubriek D.62 is onderverdeeld in drie subrubrieken:

 

uitkeringen sociale zekerheid in geld (D.621);

 

uitkeringen overige sociale verzekering (D.622);

 

uitkeringen sociale voorziening in geld (D.623).

Uitkeringen sociale zekerheid in geld (D.621)

4.103

Definitie: uitkeringen sociale zekerheid in geld (D.621) zijn uitkeringen sociale verzekering die door socialezekerheidsfondsen in geld worden betaald aan huishoudens. Vergoedingen vallen hier niet onder; deze worden geregistreerd als sociale overdrachten in natura (D.632).

Dergelijke uitkeringen worden krachtens socialezekerheidsregelingen verstrekt.

Zij kunnen worden onderverdeeld in:

pensioenuitkeringen sociale zekerheid in geld (D.6211);

niet-pensioenuitkeringen sociale zekerheid in geld (D.6212).

Uitkeringen overige sociale verzekering (D.622)

4.104

Definitie: uitkeringen overige sociale verzekering (D.622) zijn uitkeringen die werkgevers moeten betalen in het kader van overige werkgerelateerde socialeverzekeringsregelingen. Overige werkgerelateerde socialeverzekeringsuitkeringen zijn sociale uitkeringen (in geld of in natura) te betalen op grond van socialeverzekeringsregelingen, m.u.v. socialezekerheidsregelingen, aan premiebijdragers aan de regelingen, personen te hunnen laste of hun nabestaanden.

Kenmerkende gevallen zijn:

a)

doorbetaling van het normale loon, of een gedeelte ervan, tijdens perioden van afwezigheid van het werk wegens ziekte, ongeval, zwangerschap enz.;

b)

verstrekking van gezins-, onderwijs- of andere toelagen ten behoeve van personen die ten laste van de werknemers komen;

c)

betaling van ouderdoms- of nabestaandenpensioen aan voormalige werknemers of hun nabestaanden en uitkeringen aan werknemers of hun nabestaanden in geval van ontslag, arbeidsongeschiktheid, ongeval met dodelijke afloop enz. (in relatie met een collectieve arbeidsovereenkomst);

d)

algemene medische diensten die geen verband houden met het werk;

e)

revalidatie- en bejaardenhuizen.

De uitkeringen overige sociale verzekering (D.622) kunnen worden onderverdeeld in:

pensioenuitkeringen overige sociale verzekering (D.6221);

niet-pensioenuitkeringen overige sociale verzekering (D.6222).

Uitkeringen sociale voorziening in geld (D.623)

4.105

Definitie: uitkeringen sociale voorziening in geld (D.623) zijn inkomensoverdrachten die aan huishoudens worden betaald door overheidsinstellingen of izw's t.b.v. huishoudens, teneinde tegemoet te komen aan dezelfde behoeften als in geval van uitkeringen sociale verzekering; deze uitkeringen vinden echter niet plaats in het kader van een socialeverzekeringsregeling waaraan normaal gesproken met sociale premies moet worden bijgedragen.

Zij omvatten derhalve niet de door socialezekerheidsfondsen betaalde uitkeringen. Uitkeringen sociale voorziening kunnen worden betaald in de volgende omstandigheden:

a)

er is geen socialeverzekeringsregeling om de betrokken omstandigheden te dekken;

b)

hoewel er wellicht één of meer socialeverzekeringsregelingen bestaan, nemen de betrokken huishoudens hieraan niet deel en komen zij niet in aanmerking voor uitkeringen sociale verzekering;

c)

de uitkeringen sociale verzekering worden ontoereikend geacht om de betrokken behoeften te dekken en de uitkeringen sociale voorziening worden in aanvulling daarop betaald;

d)

om redenen van algemeen sociaal beleid.

Tot deze uitkeringen behoren geen inkomensoverdrachten in verband met gebeurtenissen of omstandigheden die gewoonlijk niet door socialeverzekeringsregelingen worden gedekt (bv. overdrachten na natuurrampen, die onder overige inkomensoverdrachten of onder overige kapitaaloverdrachten worden geregistreerd).

4.106

Tijdstip van registratie van sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62):

a)

uitkeringen in geld worden geregistreerd op het moment dat hierop aanspraak wordt verkregen;

b)

uitkeringen in natura worden geregistreerd op het moment dat de diensten worden verleend, of dat de eigendom van de goederen die niet-marktproducenten rechtstreeks aan huishoudens leveren, overgaat op deze huishoudens.

4.107

Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) (D.62) worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren die de uitkeringen verstrekken;

b)

bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (indien de uitkeringen worden verstrekt door het buitenland);

c)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens;

d)

middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (indien de uitkeringen worden verstrekt aan niet-ingezeten huishoudens).

Sociale overdrachten in natura (D.63)

4.108

Definitie: sociale overdrachten in natura (D.63) bestaan uit afzonderlijke goederen en diensten die door overheidsinstellingen en izw's t.b.v. huishoudens gratis of tegen economisch niet-significante prijzen aan individuele huishoudens worden verstrekt, ongeacht of deze goederen en diensten op de markt zijn aangeschaft of als niet-marktoutput door de overheidsinstellingen en izw's t.b.v. huishoudens zijn voortgebracht. Zij worden gefinancierd uit de belastingopbrengst, uit andere overheidsinkomsten of uit socialezekerheidspremies, dan wel uit schenkingen en inkomen uit vermogen in het geval van izw's t.b.v. huishoudens.

Diensten die gratis of tegen economisch niet-significante prijzen aan huishoudens worden verleend, worden beschouwd als individuele diensten, teneinde ze te onderscheiden van collectieve diensten die aan de hele bevolking of aan grote delen ervan worden verleend, zoals defensie en straatverlichting. Individuele diensten betreffen voornamelijk onderwijs- en gezondheidsdiensten, al worden ook vaak andere diensten verleend, zoals culturele, recreatieve en huisvestingsdiensten.

4.109

Sociale overdrachten in natura (D.63) is onderverdeeld in:

 

Sociale overdrachten in natura — niet-marktproducten van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens (D.631)

Definitie: sociale overdrachten in natura — niet-marktproducten van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens (D.631) zijn afzonderlijke goederen en diensten die door niet-marktproducenten rechtstreeks aan de begunstigden worden geleverd. Indien er sprake is van betalingen door de huishoudens zelf, moeten deze op de bedoelde overdrachten in mindering worden gebracht;

 

Sociale overdrachten in natura — door de overheid en izw's t.b.v. huishoudens aangekochte marktproducten (D.632)

Definitie: sociale overdrachten in natura — door de overheid en izw's t.b.v. huishoudens aangekochte marktproducten (D.632) zijn afzonderlijke goederen en diensten:

a)

in de vorm van vergoedingen door socialezekerheidsfondsen van goedgekeurde uitgaven van huishoudens voor bepaalde goederen of diensten, of

b)

van goederen en diensten die rechtstreeks aan de begunstigden worden geleverd door de marktproducenten waarvan de overheid deze goederen en diensten koopt.

Indien er sprake is van betalingen door de huishoudens zelf, moeten deze op de bedoelde overdrachten in mindering worden gebracht.

Wanneer een huishouden een goed of een dienst koopt en een socialezekerheidsfonds deze aankoop vervolgens geheel of gedeeltelijk vergoedt, kan het huishouden worden geacht namens het fonds te hebben gehandeld. In feite verstrekt het huishouden een kortlopend krediet aan het socialezekerheidsfonds, dat wordt afgelost zodra het de vergoeding heeft ontvangen.

Het bedrag van de vergoeding wordt geregistreerd alsof de uitgaven rechtstreeks zijn gedaan door het socialezekerheidsfonds op het moment dat het huishouden de aankoop doet. Alleen het eventuele verschil tussen de betaalde aankoopprijs en het bedrag dat aan het huishouden werd vergoed, wordt geregistreerd. De vergoedingen worden derhalve niet behandeld als een inkomensoverdracht in geld van de socialezekerheidsfondsen aan de huishoudens.

4.110

Voorbeelden van sociale overdrachten in natura (D.63) zijn medische of tandheelkundige behandelingen, chirurgische ingrepen, ziekenhuisaccommodatie, brillen of contactlenzen, medische hulpmiddelen of voorzieningen en soortgelijke goederen of diensten die verband houden met sociale risico's en behoeften.

Andere voorbeelden die niet onder een socialeverzekeringsregeling vallen, zijn sociale woningen, huisvestingstoelagen, kinderdagverblijven, beroepsopleidingen, kortingen op vervoertarieven (mits er sprake is van een sociale functie) en soortgelijke goederen en diensten in het kader van sociale risico's en behoeften. Goederen en diensten, zoals diensten op het gebied van recreatie, cultuur of sport, die de overheid buiten het kader van sociale risico's of behoeften gratis of tegen economisch niet-significante prijzen verstrekt, worden geregistreerd als sociale overdrachten in natura — niet-marktproducten van de overheid en van izw's t.b.v. huishoudens (D.631).

4.111

Tijdstip van registratie: sociale uitkeringen in natura (D.63) worden geregistreerd op het moment dat de diensten worden verleend, of dat de eigendom van de goederen die de producenten rechtstreeks aan huishoudens leveren, overgaat op deze huishoudens.

Sociale overdrachten in natura (D.63) worden geregistreerd onder de:

a)

bestedingen in de tertiaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren die de uitkeringen verstrekken;

b)

middelen in de tertiaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens.

De consumptie van de overgedragen goederen en diensten wordt geregistreerd in de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen.

Er zijn geen sociale overdrachten in natura naar/uit het buitenland (deze worden geregistreerd onder D.62: sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura)).

OVERIGE INKOMENSOVERDRACHTEN (D.7)

Premies schadeverzekering (netto) (D.71)

4.112

Definitie: premies schadeverzekering (netto) (D.71) zijn premies uit hoofde van verzekeringscontracten die door institutionele eenheden zijn afgesloten. De verzekeringscontracten van individuele huishoudens zijn door henzelf afgesloten op eigen initiatief en te eigen behoeve, onafhankelijk van hun werkgevers of van de overheid en buiten enige socialeverzekeringsregeling om. De premies schadeverzekering (netto) omvatten zowel de door de polishouders betaalde werkelijke premies om gedurende de verslagperiode verzekerd te zijn (verdiende premies) als de aanvullende premies te betalen uit het aan de polishouders toegerekende inkomen uit vermogen, na aftrek van de vergoeding voor de dienstverlening door de betrokken verzekeringsmaatschappijen.

Premies schadeverzekering (netto) zijn de bedragen die beschikbaar zijn voor dekking van diverse door de natuur of door menselijk toedoen veroorzaakte gebeurtenissen of ongevallen die leiden tot schade aan goederen of eigendommen en/of letsel aan personen, zoals brand, overstromingen, neerstorten van vliegtuigen, aanrijdingen, diefstal, geweld, ongevallen, ziekte enz., of van financiële schade als gevolg van gebeurtenissen als ziekte, werkloosheid, ongevallen enz.

Premies schadeverzekering (netto) worden onderverdeeld in twee categorieën:

a)

premies directe schadeverzekering (netto) (D.711);

b)

premies schadeherverzekering (netto) (D.712).

4.113

Tijdstip van registratie: premies schadeverzekering (netto) worden geregistreerd op het moment dat zij worden verdiend.

De verzekeringspremies, waarop de vergoeding voor de verzekeringsdienst in mindering wordt gebracht, betreffen het deel van de totale premieopbrengsten dat in de lopende of in voorgaande verslagperiodes is betaald om risico's in de lopende periode te dekken.

Premies die in de lopende verslagperiode worden verdiend, moeten worden onderscheiden van premies die in die periode in rekening zijn gebracht. Deze laatste dekken waarschijnlijk niet alleen risico's voor de lopende periode, maar ook voor toekomstige perioden.

De premies schadeverzekering (netto) worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten polishouders;

b)

bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten polishouders);

c)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten verzekeringsmaatschappijen;

d)

middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten verzekeringsmaatschappijen).

Uitkeringen schadeverzekering (D.72)

4.114

Definitie: uitkeringen schadeverzekering (D.72) zijn uitkeringen die worden verricht ingevolge een schadeverzekeringsovereenkomst, d.w.z. bedragen die verzekeringsmaatschappijen moeten uitkeren ter compensatie van letsel van personen of schade aan goederen (inclusief vaste activa).

Uitkeringen schadeverzekering zijn onderverdeeld in twee categorieën:

a)

uitkeringen directe schadeverzekering (D.721);

b)

uitkeringen schadeherverzekering (D.722).

4.115

Uitkeringen schadeverzekering omvatten geen sociale uitkeringen.

De afwikkeling van een schadeverzekeringsaanspraak wordt geregistreerd als een inkomensoverdracht aan de verzekerde. Dergelijke betalingen worden beschouwd als inkomensoverdrachten, ook als het gaat om grote bedragen als gevolg van het verlies van vaste activa of van ernstig lichamelijk letsel.

Uitzonderlijk hoge uitkeringen, bijvoorbeeld na een ramp, kunnen worden beschouwd als kapitaaloverdracht en niet als inkomensoverdracht (zie punt 4.165, onder k)).

De door de verzekerden ontvangen bedragen zijn gewoonlijk niet voor enig bijzonder doel bestemd en beschadigde of verloren gegane goederen of activa behoeven niet noodzakelijkerwijs te worden hersteld of vervangen.

Uitkeringen zijn een gevolg van beschadiging van eigendommen of lichamelijk letsel van derden waarvoor de polishouder verantwoordelijk is. In dergelijke gevallen worden uitkeringen geregistreerd als rechtstreekse betalingen door de verzekeringsmaatschappij aan de gedupeerde derde en niet als betalingen via de verzekerde.

4.116

Premies en uitkeringen herverzekering (netto) worden op exact dezelfde wijze berekend als premies en uitkeringen schadeverzekering. Aangezien de herverzekeringsbusiness in een beperkt aantal landen is geconcentreerd, worden de meeste herverzekeringsovereenkomsten met niet-ingezeten eenheden gesloten.

Sommige eenheden, met name die van de overheid, kunnen een garantie afgeven tegen een niet-nakomende debiteur onder voorwaarden met dezelfde kenmerken als schadeverzekeringen. Dit komt voor wanneer veel garanties van dezelfde soort worden afgegeven en er een realistische inschatting van de totale omvang van niet-nakoming kan worden gemaakt. In dergelijke gevallen worden de betaalde vergoedingen (en het inkomen uit vermogen dat daarmee wordt verdiend) op dezelfde wijze als premies schadeverzekering geregistreerd, en worden de claims op grond van standaardgaranties voor leningen geregistreerd op dezelfde wijze als uitkeringen schadeverzekering.

4.117

Tijdstip van registratie: uitkeringen schadeverzekering worden geregistreerd op het moment dat het ongeval of een andere door de verzekering gedekte gebeurtenis zich voordoet.

Zij worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van ingezeten verzekeringsmaatschappijen;

b)

bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten verzekeringsmaatschappijen);

c)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sectoren van de begunstigden;

d)

middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten begunstigden).

Inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73)

4.118

Definitie: inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73) omvatten overdrachten tussen de subsectoren van de overheid (centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid en socialezekerheidsfondsen) met uitzondering van belastingen, subsidies, investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten.

Inkomensoverdrachten binnen de overheid (D.73) omvatten geen transacties ten behoeve van een andere eenheid; deze worden slechts eenmaal geregistreerd, namelijk bij de middelen van de begunstigde eenheid ten behoeve waarvan de transactie is verricht (zie punt 1.78). Dit geval doet zich onder andere voor wanneer een overheidsinstelling (bv. een centrale-overheidsdienst) belastingen int die in hun geheel of gedeeltelijk automatisch worden overgedragen aan een andere overheidsinstelling (bv. een lagere overheid). In dat geval wordt het deel van de belastingontvangsten dat voor de andere overheidsinstelling bestemd is, geregistreerd als rechtstreeks door deze overheidsinstelling geheven belastingen en niet als een inkomensoverdracht binnen de overheid. De oplossing geldt in het bijzonder bij belastingen in de vorm van opcenten op aan de centrale overheid te betalen belastingen, die voor een andere overheidsinstelling bestemd zijn. Vertragingen bij de overdracht van de belastingen naar deze andere overheidsinstelling worden in de financiële rekening geregistreerd onder „overige vorderingen/schulden”.

De inkomensoverdrachten binnen de overheid omvatten overdrachten van belastingopbrengsten in de vorm van een algemene overdracht van middelen van de centrale overheid aan andere overheidsinstellingen. Dergelijke overdrachten komen namelijk niet overeen met een specifieke categorie belastingen en vinden niet automatisch plaats, maar in principe via bepaalde fondsen (bv. provincie- of gemeentefonds) en volgens een verdeelsleutel die door de centrale overheid is vastgesteld.

4.119

Tijdstip van registratie: inkomensoverdrachten binnen de overheid worden geregistreerd op het moment dat deze volgens de geldende voorschriften dienen plaats te vinden.

4.120

Inkomensoverdrachten binnen de overheid worden geregistreerd als bestedingen en middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de subsectoren van de overheid. Inkomensoverdrachten binnen de overheid zijn stromen binnen de sector overheid die verdwijnen wanneer een geconsolideerde rekening voor de sector als geheel wordt opgesteld.

Inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking (D.74)

4.121

Definitie: inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking (D.74) omvatten alle overdrachten in geld of in natura tussen de overheid en overheden of internationale organisaties in het buitenland, met uitzondering van investeringsbijdragen en overige kapitaaloverdrachten.

4.122

Rubriek D.74 omvat:

a)

bijdragen van de overheid aan internationale organisaties (met uitzondering van belastingafdrachten die overheden uit hoofde van hun lidmaatschap van supranationale organisaties verschuldigd zijn);

b)

inkomensoverdrachten die de overheid van de onder a) bedoelde instellingen of organisaties ontvangt. Rechtstreekse inkomensoverdrachten van de instellingen van de Europese Unie aan ingezeten marktproducenten, worden geregistreerd onder de door het buitenland betaalde subsidies;

c)

inkomensoverdrachten die overheden elkaar verstrekken in de vorm van betalingen in geld (bv. ter financiering van begrotingstekorten van andere landen of van overzeese gebiedsdelen) of van giften in natura (bv. de tegenwaarde van voedselhulp, militaire uitrusting, noodhulp na natuurrampen in de vorm van voedsel, kleding, medicijnen enz.);

d)

lonen die door een overheid, een instelling van de Europese Unie of een internationale organisatie worden betaald aan adviseurs en technisch deskundigen die ter beschikking van ontwikkelingslanden worden gesteld.

De inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking omvatten ook overdrachten tussen de overheid en internationale organisaties die in haar economische gebied zijn gevestigd, aangezien internationale organisaties niet worden beschouwd als ingezeten institutionele eenheden van het land waar zij zijn gevestigd.

4.123

Tijdstip van registratie: het moment waarop volgens de geldende voorschriften de overdrachten dienen plaats te vinden (in geval van verplichte overdrachten), dan wel het moment waarop de overdrachten werkelijk plaatsvinden (in geval van vrijwillige overdrachten).

4.124

De inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking worden geregistreerd als:

a)

bestedingen en middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de overheidssector;

b)

bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.75)

Inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens (D.751)

4.125

Definitie: inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens (D.751) omvatten alle vrijwillige bijdragen (met uitzondering van legaten), lidmaatschapsgelden en financiële steun die deze instellingen ontvangen van huishoudens (met inbegrip van niet-ingezeten huishoudens) en in mindere mate van andere eenheden.

4.126

Tot de inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens behoren:

a)

periodieke bijdragen van huishoudens aan vakbonden, sportverenigingen en politieke, culturele, religieuze en soortgelijke organisaties die behoren tot de sector izw's t.b.v. huishoudens;

b)

vrijwillige bijdragen (met uitzondering van legaten) van huishoudens, ondernemingen en het buitenland aan izw's t.b.v. huishoudens, met inbegrip van overdrachten in natura in de vorm van schenkingen van voedsel, kleding, dekens, medicijnen enz. aan liefdadigheidsinstellingen ter verdeling onder ingezeten en niet-ingezeten huishoudens. Dergelijke behandeling is van toepassing op consumptiegoederen, daar overdrachten van grote schenkingen (kostbaarheden geregistreerd als niet-financiële activa) worden geregistreerd onder overige kapitaaloverdrachten (D.99) (zie punt 4.165, onder e)).

Schenkingen van ongewenste of gebruikte artikelen van huishoudens worden niet geregistreerd als overdrachten;

c)

bijstand en schenkingen van de overheid, met uitzondering van overdrachten die met name ten doel hebben kapitaaluitgaven te financieren; deze worden onder de investeringsbijdragen geregistreerd.

Niet inbegrepen onder de inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens zijn de betalingen van lidmaatschapsgelden of bijdragen aan izw's t.b.v. bedrijven, zoals kamers van koophandel of beroepsverenigingen, die worden geregistreerd als betalingen voor verleende diensten.

4.127

Tijdstip van registratie: de inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens worden geregistreerd op het moment waarop zij plaatsvinden.

4.128

De inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de betalende sectoren;

b)

bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland;

c)

middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de sector izw's t.b.v. huishoudens.

Inkomensoverdrachten tussen huishoudens (D.752)

4.129

Definitie: inkomensoverdrachten tussen huishoudens (D.752) omvatten alle inkomensoverdrachten in geld of in natura, betaald (of ontvangen) door ingezeten huishoudens aan (of van) andere ingezeten of niet-ingezeten huishoudens. Het gaat met name om bedragen die door emigranten of permanent (of voor een periode van ten minste één jaar) in het buitenland werkzame personen aan familieleden in hun land van herkomst of door ouders aan hun elders verblijvende kinderen worden overgemaakt.

4.130

Tijdstip van registratie van inkomensoverdrachten tussen huishoudens: het moment waarop de overdracht plaatsvindt.

4.131

De inkomensoverdrachten tussen huishoudens worden geregistreerd als:

a)

bestedingen en middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens;

b)

bestedingen en middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.759)

Boetes

4.132

Definitie: boetes die door rechtbanken of door semirechterlijke organen aan institutionele eenheden worden opgelegd, worden beschouwd als andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.759).

4.133

Onder andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g. (D.759) vallen geen:

a)

boetes die door de belastingdienst worden opgelegd voor het ontwijken of te laat betalen van belastingen, indien zij niet afzonderlijk van de belastingen zelf kunnen worden onderscheiden en ingedeeld blijven bij de belastingen;

b)

betalingen voor het verkrijgen van vergunningen; dergelijke betalingen zijn ofwel belastingen ofwel vergoedingen voor diensten die door overheidsinstellingen worden verleend.

4.134

Tijdstip van registratie: boetes worden geregistreerd op het moment dat de verplichting ontstaat.

Loterijen en kansspelen

4.135

Definitie: de bedragen die worden betaald voor loten of bij weddenschappen bestaan uit twee elementen: de betaling van een vergoeding voor de dienst aan de eenheid die de loterij of het kansspel organiseert, en een residuele inkomensoverdracht die wordt uitbetaald aan de winnaars.

De vergoeding voor de dienst kan hoog zijn en kan kansspelbelasting omvatten. In het ESR worden de overdrachten geacht rechtstreeks plaats te vinden tussen de deelnemers aan de loterij of het kansspel, d.w.z. tussen huishoudens. Wanneer ook niet-ingezeten huishoudens deelnemen, kunnen aanzienlijke netto-overdrachten tussen de sector huishoudens en het buitenland ontstaan.

Tijdstip van registratie: residuele inkomensoverdrachten worden geregistreerd op het moment waarop zij plaatsvinden.

Schadeloosstellingen

4.136

Definitie: schadeloosstellingen zijn inkomensoverdrachten die door institutionele eenheden aan andere institutionele eenheden worden betaald ter compensatie van letsel aan personen of schade aan eigendommen, met uitzondering van betalingen uit hoofde van schadeverzekeringen. Schadeloosstellingen zijn gerechtelijk afgedwongen betalingen dan wel vrijwillige betalingen die buiten justitie om zijn overeengekomen. Deze rubriek dekt vrijwillige betalingen van overheidsinstellingen of izw's t.b.v. huishoudens als schadeloosstelling voor door natuurrampen veroorzaakte schade of letsels voor zover deze betalingen niet worden ingedeeld bij de kapitaaloverdrachten.

4.137

Tijdstip van registratie: schadeloosstellingen worden geregistreerd op het moment waarop deze plaatsvinden (vrijwillige betalingen) of moeten worden verricht (verplichte betalingen).

4.138

Overige vormen van inkomensoverdrachten, n.e.g.:

a)

inkomensoverdrachten van izw's t.b.v. huishoudens aan de overheid, die geen belastingen zijn;

b)

betalingen van de overheid aan overheidsondernemingen die tot de sector niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen behoren, ter dekking van buitengewone pensioenlasten;

c)

reisbeurzen en prijzen die door de overheid of door izw's t.b.v. huishoudens worden toegekend aan ingezeten of niet-ingezeten huishouden;

d)

spaarpremies die periodiek door de overheid worden toegekend aan huishoudens als beloning voor door hen tijdens die periode verrichte besparingen;

e)

terugbetaling door huishoudens van uitgaven die bijstandsinstellingen ten behoeve van hen hebben gedaan;

f)

inkomensoverdrachten van izw's t.b.v. huishoudens aan het buitenland;

g)

sponsoring door ondernemingen, indien dergelijke betalingen niet kunnen worden beschouwd als verwerving van publicitaire of andere diensten (bv. overdrachten voor een goed doel, studiebeurzen);

h)

inkomensoverdrachten van de overheid aan huishoudens in hun hoedanigheid van consument, indien ze niet zijn geregistreerd als sociale uitkeringen;

i)

de overdracht van de centrale bank aan MFI's (S.122 en S.125), die de tegenhanger vormt van het intermediair verbruik van het indirect toegerekende deel van de output van de centrale bank (zie hoofdstuk 14: Indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI)).

4.139

Tijdstip van registratie: de in punt 4.138 genoemde overdrachten worden geregistreerd op het moment waarop zij plaatsvinden, met uitzondering van de overdrachten van of aan de overheid, die worden geregistreerd wanneer de verplichting tot overdracht ontstaat.

Overige inkomensoverdrachten verschijnen onder de:

a)

middelen en bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van alle sectoren;

b)

middelen en bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

Eigen middelen van de EU op basis van btw en bni (D.76)

4.140

Definitie: de derde en vierde bron van eigen middelen van de EU (D.76), op basis van btw en bni, zijn inkomensoverdrachten van de overheid van iedere lidstaat aan de instellingen van de Europese Unie.

De op de btw (D.761) en het bni (D.762) gebaseerde derde resp. vierde bron van eigen middelen van de EU zijn bijdragen aan de begroting van de instellingen van de Unie. De hoogte van de bijdrage van elke lidstaat is gebaseerd op diens btw- respectievelijk bni-niveau.

Rubriek D.76 omvat tevens diverse niet-belastingbijdragen van de overheid aan de instellingen van de Europese Unie (D.763).

Tijdstip van registratie: de btw- en bni-afdrachten aan de Europese Unie worden geregistreerd op het moment dat deze verschuldigd zijn.

De btw- en bni-afdrachten aan de Europese Unie worden geregistreerd als:

a)

bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de overheid;

b)

middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland.

CORRECTIE VOOR MUTATIES IN PENSIOENRECHTEN (D.8)

4.141

Definitie: de correctie voor mutaties in pensioenrechten (D.8) is bedoeld om de mutaties in de pensioenrechten die aan huishoudens toebehoren, in de besparingen van de huishoudens tot uitdrukking te brengen. De mutaties in pensioenrechten vloeien voort uit het feit dat premies en uitkeringen in de secundaire inkomensverdelingsrekening worden geregistreerd.

4.142

Aangezien huishoudens in de financiële rekeningen en de balansen van het systeem als eigenaar van de pensioenrechten worden beschouwd, is een correctiepost noodzakelijk om te voorkomen dat een eventueel overschot aan pensioenpremies ten opzichte van de pensioenuitkeringen van invloed is op het niveau van de besparingen van huishoudens.

Om dit effect te neutraliseren, wordt in de inkomensbestedingsrekening van de huishoudens vóór de besparingen op het beschikbaar inkomen, of het alternatief beschikbaar inkomen, een correctie aangebracht die gelijk is aan:

het totaal van de in het kader van pensioenregelingen werkelijk betaalde en toegerekende sociale pensioenpremies die aan huishoudens toebehoren

plus

het totaal van de premieaanvullingen die worden betaald uit het inkomen uit vermogen toegerekend aan begunstigden van pensioenregelingen

minus

de waarde van hiermee verband houdende vergoedingen voor de verzekeringsdienst

minus

de totale waarde van pensioenen die worden uitbetaald als socialeverzekeringsuitkeringen op basis van pensioenregelingen.

Aldus blijven de besparingen van de huishoudens op hetzelfde niveau als het zou zijn wanneer de pensioenpremies en -uitkeringen niet als inkomensoverdrachten in de secundaire inkomensverdelingsrekening zouden zijn opgenomen. Deze correctiepost is noodzakelijk om de besparingen van de huishoudens in overeenstemming te brengen met de mutaties in hun pensioenrechten, die worden geregistreerd in de financiële rekening van het systeem. Uiteraard zijn tegenovergestelde correcties noodzakelijk in de inkomensbestedingsrekening van de voor de uitbetaling van de pensioenen verantwoordelijke eenheden.

4.143

Tijdstip van registratie: de correctie voor de mutaties in pensioenrechten wordt geregistreerd wanneer de stromen waaruit zij bestaat, zich voordoen.

4.144

De correctie voor de mutaties in pensioenrechten wordt geregistreerd als:

a)

bestedingen in de inkomensbestedingsrekening van de sectoren waarbij de voor de uitbetaling van de pensioenen verantwoordelijke eenheden zijn ingedeeld;

b)

bestedingen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten instellingen);

c)

middelen in de inkomensbestedingsrekening van de sector huishoudens;

d)

middelen in de rekening voor inkomenstransacties van het buitenland (voor niet-ingezeten huishoudens).

KAPITAALOVERDRACHTEN (D.9)

4.145

Definitie: voor kapitaaloverdrachten (D.9) moet er sprake zijn van het verwerven dan wel afstoten van activa door ten minste een van de bij de transactie betrokken partijen. Ongeacht of de transactie plaatsvindt in geld of in natura, heeft dit een overeenkomstige verandering in de financiële of niet-financiële activa op de balans van een of van beide bij de transactie betrokken partijen tot gevolg.

4.146

Bij een kapitaaloverdracht in natura is sprake van de overdracht van eigendom van activa (geen voorraden of geld) of de kwijtschelding van een verplichting door een crediteur, zonder dat hier enige tegenprestatie tegenover staat.

Een kapitaaloverdracht in geld bestaat uit de overdracht van geld dat een partij verkrijgt door het afstoten van activa (geen voorraden), of dat een tweede partij geacht wordt, dan wel dient, aan te wenden voor het verwerven van activa (geen voorraden). De ontvangende partij is verplicht het geld aan te wenden voor de aankoop van activa als voorwaarde voor de overdracht.

De overdrachtswaarde van een niet-financieel actief wordt vastgesteld aan de hand van de geraamde prijs waartegen het actief, ongeacht of dit nieuw is of gebruikt, op de markt zou kunnen worden verkocht plus de vervoer-, installatie- en andere kosten voor de gever in verband met de eigendomsoverdracht, maar exclusief dergelijke kosten voor de ontvanger. Overdrachten van financiële activa worden op dezelfde wijze gewaardeerd als andere wijzen van verwerven of afstoten van financiële activa of passiva.

4.147

Kapitaaloverdrachten omvatten vermogensheffingen (D.91), investeringsbijdragen (D.92) en overige kapitaaloverdrachten (D.99).

Vermogensheffingen (D.91)

4.148

Definitie: vermogensheffingen (D.91) omvatten niet-periodieke belastingen die met ruime tussenpozen worden geheven op de waarde van de activa of het vermogenssaldo van institutionele eenheden of op de waarde van activa die tussen institutionele eenheden worden overgedragen als gevolg van legaten, schenkingen of andere overdrachten.

4.149

Vermogensheffingen (D.91) omvatten:

a)

belastingen op kapitaaloverdrachten: successie- en schenkingsrechten, die worden geheven op het vermogen van de begunstigden. Belastingen op de verkoop van activa zijn hier niet onder begrepen;

b)

vermogensheffingen n.e.g.: buitengewone heffingen op activa of het vermogenssaldo van institutionele eenheden. Hiertoe behoren ook belastingen op de waardestijging van landbouwgronden als gevolg van een vergunning om het land te gebruiken voor commerciële doeleinden of voor woningbouw.

Belastingen op vermogenswinsten worden niet geregistreerd als vermogensheffingen, maar als belastingen op inkomen, vermogen enz.

4.150

De in de rekeningen geregistreerde bedragen aan belastingen worden ontleend aan twee bronnen: kohiers en aangiften, of kasgegevens.

a)

Indien bedragen uit kohiers en aangiften worden gebruikt, dan wordt op die bedragen een coëfficiënt toegepast, teneinde rekening te houden met bedragen die wel in de kohiers en aangiften zijn opgenomen, maar nooit zijn of worden geïnd. Als alternatieve handelwijze wordt een kapitaaloverdracht naar de betrokken sectoren geregistreerd, waarvan het bedrag overeenkomt met de bedoelde aanpassing. De hoogte van de coëfficiënten wordt vastgesteld op basis van de opgedane ervaringen en de huidige verwachtingen met betrekking tot de geraamde niet-geïnde bedragen. Zij zijn specifiek voor de verschillende soorten belastingen.

b)

Indien kasgegevens als bron worden gebruikt, dan wordt een correctie in de tijd toegepast om ervoor te zorgen dat de bedragen worden toegerekend aan de periode waarin de activiteit die tot de belastingplicht heeft geleid, heeft plaatsgevonden, dan wel, indien dit niet bekend is, aan de periode waarin het belastingbedrag werd vastgesteld. Deze correctie wordt gebaseerd op het gemiddelde tijdsverloop tussen de activiteit (of de vaststelling van de te betalen belasting) en de inning van het bedrag.

4.151

Vermogensheffingen worden geregistreerd als:

a)

mutaties in passiva en vermogenssaldo (–) van de kapitaalrekening van de sectoren waartoe de belastingbetalers behoren;

b)

mutaties in passiva en vermogenssaldo (+) van de kapitaalrekening van de overheid;

c)

mutaties in passiva en vermogenssaldo van de kapitaalrekening van het buitenland.

Investeringsbijdragen (D.92)

4.152

Definitie: investeringsbijdragen (D.92) omvatten kapitaaloverdrachten in geld of in natura van de overheid of het buitenland aan andere ingezeten of niet-ingezeten institutionele eenheden ter volledige of gedeeltelijke financiering van de aankoop van vaste activa.

Tot de investeringsbijdragen uit het buitenland behoren de bijdragen die rechtstreeks door de instellingen van de Europese Unie worden betaald (bv. overdrachten van het Europees Landbouwgarantiefonds (ELGF) en het Europees Landbouwfonds voor plattelandsontwikkeling (Elfpo)).

4.153

Investeringsbijdragen in natura zijn overdrachten van vervoermiddelen, machines en apparatuur door de overheid aan andere ingezeten of niet-ingezeten eenheden, alsmede de rechtstreekse terbeschikkingstelling van bouwwerken aan ingezeten of niet-ingezeten eenheden.

4.154

De waarde van de door de overheid ten behoeve van andere sectoren van de economie verrichte investeringen wordt onder investeringsbijdragen geregistreerd wanneer de begunstigde aanwijsbaar is en eigenaar van de investeringen wordt. In dergelijke gevallen worden de investeringen geregistreerd als mutaties in activa in de kapitaalrekening van de begunstigde, terwijl de investeringsbijdrage als mutatie in passiva en vermogenssaldo in dezelfde rekening wordt geregistreerd.

4.155

Investeringsbijdragen (D.92) omvatten zowel eenmalige betalingen voor de financiering van investeringen in dezelfde periode, als in de tijd gespreide betalingen die betrekking hebben op investeringen die in een vorige periode hebben plaatsgevonden. Het deel van de jaarlijkse betalingen van de overheid aan ondernemingen dat betrekking heeft op de aflossing van schulden die de ondernemingen zijn aangegaan voor de uitvoering van investeringsprojecten van de overheid, worden behandeld als investeringsbijdragen.

4.156

Tot de investeringsbijdragen behoren geen door de overheid toegekende rentesubsidies. Het overnemen van een gedeelte van de rentelast door de overheid vormt een inkomensverdelingstransactie. Wanneer een bijdrage echter terzelfder tijd betrekking heeft op de financiering van de aflossing van de aangegane schuld en op de betaling van de rente op het geleende kapitaal en het niet mogelijk is beide elementen te scheiden, wordt de totale bijdrage geregistreerd als investeringsbijdrage.

4.157

Investeringsbijdragen aan niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen omvatten niet alleen de aan particuliere ondernemingen toegekende bijdragen, maar ook de kapitaalinbreng in overheidsondernemingen met rechtspersoonlijkheid, voor zover de overheidsinstelling die de middelen verstrekt, geen vordering op de overheidsonderneming krijgt.

4.158

Investeringsbijdragen aan de sector huishoudens omvatten enerzijds bijdragen aan de uitrusting en modernisering van andere ondernemingen dan vennootschappen en quasivennootschappen, en anderzijds de subsidies die aan huishoudens worden verstrekt voor de bouw, aankoop en verbetering van woningen.

4.159

Investeringsbijdragen aan de overheid omvatten betalingen (met uitzondering van rentesubsidies) aan subsectoren van de overheid die tot doel hebben investeringen te financieren. Investeringsbijdragen binnen de overheid vormen interne stromen binnen de sector overheid, die verdwijnen wanneer een geconsolideerde rekening voor de gehele sector wordt opgesteld. Voorbeelden van investeringsbijdragen binnen de overheid zijn overdrachten van de centrale overheid aan lagere overheden die uitdrukkelijk het financieren van hun bruto-investeringen in vaste activa tot doel hebben. Overdrachten ten behoeve van velerlei onbepaalde doeleinden worden geregistreerd onder de inkomensoverdrachten binnen de overheid, ook al worden zij gebruikt voor investeringsuitgaven.

4.160

Investeringsbijdragen van de overheid en van het buitenland aan izw's worden aan de hand van de in punt 4.159 neergelegde criteria onderscheiden van inkomensoverdrachten aan izw's.

4.161

Tot de investeringsbijdragen aan het buitenland worden alleen overdrachten gerekend die uitdrukkelijk tot doel hebben investeringen van niet-ingezeten eenheden te financieren. Zij hebben bijvoorbeeld betrekking op niet-terugvorderbare overdrachten voor de bouw van bruggen, wegen, fabrieken, ziekenhuizen of scholen in ontwikkelingslanden of voor de bouw van voor internationale organisaties bestemde gebouwen. Het kunnen zowel eenmalige betalingen als in de tijd gespreide betalingen zijn. Gratis leveringen of leveringen tegen een verlaagde prijs van vaste activa moeten eveneens onder deze rubriek worden opgenomen.

4.162

Tijdstip van registratie: investeringsbijdragen in geld worden geregistreerd op het moment dat betaling verschuldigd is. Investeringsbijdragen in natura worden geregistreerd op het moment dat de eigendom van de activa wordt overgedragen.

4.163

Investeringsbijdragen worden geregistreerd als:

a)

mutaties in passiva en vermogenssaldo (–) van de kapitaalrekening van de overheid;

b)

mutaties in passiva en vermogenssaldo (+) van de kapitaalrekening van de sectoren van de begunstigden;

c)

mutaties in passiva en vermogenssaldo van de kapitaalrekening van het buitenland.

Overige kapitaaloverdrachten (D.99)

4.164

Definitie: overige kapitaaloverdrachten (D.99) omvatten alle overdrachten — met uitzondering van investeringsbijdragen en vermogensheffingen — die, hoewel zij geen inkomensverdelingstransacties vormen, toch een herverdeling van de besparingen of het vermogen tussen de verschillende sectoren of subsectoren van de economie of ten opzichte van het buitenland tot resultaat hebben. Zij kunnen plaatsvinden in geld of in natura (schuldovername of -kwijtschelding) en komen overeen met vrijwillige vermogensoverdrachten.

4.165

Tot de overige kapitaaloverdrachten (D.99) behoren:

a)

betalingen door de overheid of door het buitenland aan eigenaren van kapitaalgoederen die als gevolg van oorlogshandelingen, andere politieke gebeurtenissen of natuurrampen (overstromingen e.d.) zijn vernietigd of beschadigd;

b)

overdrachten van de overheid aan niet-financiële vennootschappen en quasivennootschappen ter dekking van gecumuleerde verliezen over verschillende boekjaren of van uitzonderlijke verliezen die aan oorzaken buiten de onderneming zijn toe te schrijven (zelfs in het geval van een kapitaalinjectie);

c)

overdrachten tussen subsectoren van de overheid die ten doel hebben het hoofd te bieden aan onverwachte uitgaven of bestemd zijn om gecumuleerde tekorten te dekken. Deze overdrachten tussen subsectoren van de overheid zijn interne stromen van de sector overheid, die verdwijnen wanneer een geconsolideerde rekening voor de gehele sector wordt opgesteld;

d)

eenmalige spaarpremies die de overheid aan huishoudens betaalt als premie op door hen gedurende een aantal jaren verrichte besparingen;

e)

legaten en grote schenkingen tussen personen en tussen eenheden die tot verschillende sectoren behoren, met inbegrip van legaten of grote schenkingen aan izw's. Voorbeelden van schenkingen aan izw's zijn schenkingen aan universiteiten ter dekking van de bouwkosten van nieuwe faculteitsgebouwen, bibliotheken, laboratoria enz.;

f)

de tegenboeking van een kwijtschelding van schulden met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden die tot verschillende sectoren of subsectoren behoren (bv. kwijtschelding van een schuld van een ander land door de overheid, garantie-uitkeringen waardoor een in gebreke gebleven schuldenaar van zijn verplichtingen wordt ontheven) - behalve in het bijzondere geval van aan de sector overheid verschuldigde belastingen en sociale premies (zie punt j)). Dergelijke kwijtscheldingen met wederzijdse instemming worden beschouwd als een kapitaaloverdracht van de crediteur aan de debiteur ter waarde van de uitstaande schuld op het moment van kwijtschelding. Ook de tegenboeking van een schuldovername, en van andere soortgelijke transacties (honorering van garanties die verband houden met niet-standaardgarantieregelingen, of schuldsanering waarbij een deel van de schulden wordt gedelgd of overgenomen), wordt geregistreerd als een kapitaaloverdracht. Uitgezonderd zijn evenwel:

1.

kwijtschelding van financiële aanspraken op en overname van schulden van quasivennootschappen door de eigenaar van de quasivennootschap. Deze worden behandeld als een transactie in deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5);

2.

kwijtschelding en overname van schulden van een overheidsonderneming door de overheid, wanneer de onderneming als institutionele eenheid uit het systeem verdwijnt. Deze worden geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa (K.5);

3.

kwijtschelding en overname van schulden van een overheidsonderneming door de overheid in het kader van de privatisering van de onderneming op korte termijn. Deze worden behandeld als transacties in deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5).

De afschrijving van een schuld is geen transactie tussen institutionele eenheden en wordt derhalve noch in de kapitaalrekening noch in de financiële rekening geregistreerd. Indien de crediteur tot een dergelijke afschrijving besluit, wordt deze geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa van de crediteur en de debiteur. Voorzieningen voor dubieuze debiteuren worden beschouwd als interne boekingsposten van de institutionele productie-eenheid en worden niet geregistreerd, tenzij er sprake is van verwachte verliezen op dubieuze leningen, die in de balans als memorieposten worden geregistreerd. De eenzijdige niet-erkenning van een schuld door een debiteur is evenmin een transactie, zodat ook deze niet wordt geregistreerd;

g)

het gedeelte van gerealiseerde kapitaalwinsten (of -verliezen) dat aan een andere sector wordt uitgekeerd, zoals bijvoorbeeld kapitaalwinsten die door verzekeringsinstellingen aan huishoudens worden uitgekeerd. De tegenboeking van een indirecte overdracht aan de overheid van de opbrengst uit een privatisering (bv. via een holding) wordt echter geregistreerd als een financiële transactie in deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5). Dit heeft geen invloed op het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) van de overheid;

h)

omvangrijke vergoedingen voor schade die of letsel dat niet door verzekeringen worden gedekt (met uitzondering van betalingen door de overheid of door het buitenland als genoemd onder punt a)). De betalingen vloeien voort uit een gerechtelijke beslissing of een buitengerechtelijke schaderegeling. Voorbeelden zijn schadeloosstellingen in verband met grote explosies, olievervuiling, bijwerkingen van geneesmiddelen enz.;

i)

buitengewone betalingen aan socialeverzekeringsfondsen door werkgevers (inclusief de overheid) of door de overheid (in het kader van zijn sociale taken), voor zover deze betalingen bestemd zijn voor een verruiming van de actuariële reserves van deze fondsen. De desbetreffende correctie van de socialeverzekeringsfondsen naar de huishoudens wordt ook geregistreerd onder de overige kapitaaloverdrachten (D.99);

j)

wanneer aan de sector overheid verschuldigde belastingen en sociale premies op basis van kohiers en aangiften worden geregistreerd, wordt het gedeelte dat waarschijnlijk niet zal worden geïnd, in dezelfde verslagperiode geneutraliseerd. Dit wordt gedaan door middel van een overige kapitaaloverdracht (D.99), op een speciale regel D.995, tussen de overheid en de desbetreffende sectoren. Deze stroom D.995 wordt onderverdeeld aan de hand van de codes van de verschillende belastingen en sociale premies;

k)

verzekeringsuitkeringen na een ramp: na een ramp wordt de totale waarde van de daarop betrekking hebbende aanspraken, zoals verkregen uit informatie van de verzekeringssector, geregistreerd als een kapitaaloverdracht van de verzekeringsinstellingen aan de polishouders. Wanneer de verzekeringssector de informatie niet kan verschaffen, worden de met de ramp verband houdende uitkeringen geraamd op het verschil tussen de werkelijke en de gecorrigeerde uitkeringen in de rampperiode;

l)

door een gemeenschap opgebouwde activa wanneer de overheid voor het onderhoud verantwoordelijk is.

4.166

Het tijdstip van registratie wordt bepaald als volgt:

a)

de overige kapitaaloverdrachten in geld worden geregistreerd op het moment dat betaling verschuldigd is;

b)

de overige kapitaaloverdrachten in natura worden geregistreerd op het moment dat de eigendom van de activa wordt overgedragen of dat de verplichting door de crediteur wordt kwijtgescholden.

4.167

Overige kapitaaloverdrachten verschijnen onder de mutaties in passiva en vermogenssaldo in de kapitaalrekening van de verschillende sectoren en van het buitenland.

AANDELENOPTIES VOOR WERKNEMERS

4.168

Opties vormen een bijzondere vorm van inkomen in natura, inhoudende dat een werkgever een werknemer de mogelijkheid biedt om tegen een bepaalde prijs op een latere datum effecten (aandelen) te kopen. Een aandelenoptie voor werknemers is vergelijkbaar met een financieel derivaat: de werknemer zal de optie niet altijd willen uitoefenen, hetzij omdat de prijs van het aandeel op de vastgestelde datum lager is dan de prijs waartegen hij de optie kan uitoefenen, hetzij omdat hij niet langer bij die werkgever werkt en zijn optie daarom vervalt.

4.169

Doorgaans informeert een werkgever zijn werknemers over het besluit om na een bepaalde tijd onder bepaalde voorwaarden (bv. dat de werknemer nog altijd in dienst is van de onderneming, of afhankelijk van de prestaties van de onderneming) tegen een bepaalde prijs (de uitoefenprijs) aandelenopties beschikbaar te stellen. Het tijdstip van registratie van de aandelenopties voor werknemers in de nationale rekeningen moet zorgvuldig worden gespecificeerd. De „toekenningdatum” is de datum waarop de optie aan de werknemer wordt verleend; de „datum vanaf wanneer de optie kan worden uitgeoefend” is de datum waarop zij ten vroegste kan worden uitgeoefend en de „uitoefendatum” is de datum waarop de optie werkelijk wordt uitgeoefend (of afloopt).

4.170

Voor de verslaglegging beveelt de International Accounting Standards Board (IASB) aan dat de onderneming voor de opties een redelijke waarde op de toekenningdatum bepaalt, door de uitoefenprijs van de aandelen op dat tijdstip te vermenigvuldigen met het aantal opties dat op de datum vanaf wanneer zij kunnen worden uigeoefend, naar verwachting ook zal worden uitgeoefend, gedeeld door het aantal dienstjaren dat naar verwachting tot laatstgenoemde datum zal zijn vervuld.

4.171

In het ESR kan, indien er geen marktprijs beschikbaar is en de vennootschap ook geen raming overeenkomstig de zojuist genoemde aanbevelingen kan maken, de waarde van de opties worden geraamd aan de hand van een optiewaarderingsmodel. Dergelijke modellen beogen twee effecten in de optiewaarde te verwerken. Het eerste effect is een projectie van het bedrag waarmee de marktprijs van de betrokken aandelen de uitoefenprijs op de datum vanaf wanneer de optie kan worden uitgeoefend, zal overschrijden. Het tweede effect houdt rekening met de verwachting dat de prijs tussen laatstgenoemde datum en de uitoefendatum verder zal stijgen.

4.172

Voordat de optie wordt uitgeoefend, heeft de regeling tussen de werkgever en de werknemer de aard van een financieel derivaat en wordt zij als zodanig weergegeven in de financiële rekeningen van beide partijen.

4.173

De waarde van de aandelenopties voor werknemers moet op de toekenningsdatum worden geraamd. Dit bedrag moet indien mogelijk worden opgenomen als onderdeel van de beloning van werknemers, gespreid over de periode tussen de toekenningsdatum en de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend. Indien dit niet mogelijk is, moet de waarde van de optie worden geregistreerd op de datum vanaf wanneer deze kan worden uitgeoefend.

4.174

De kosten voor het beheer van aandelenopties voor werknemers worden gedragen door de werkgever en geregistreerd als deel van het intermediair verbruik, net als kosten voor andere administratieve taken in verband met de beloning van werknemers.

4.175

Hoewel de waarde van de aandelenoptie als inkomen wordt geregistreerd, is er geen inkomen uit beleggingen in verband met aandelenopties voor werknemers.

4.176

In de financiële rekening komt de verwerving van aandelenopties voor werknemers door huishoudens overeen met het dienovereenkomstige deel van de beloning van werknemers en een daarmee overeenstemmende passiefpost voor de werkgever.

4.177

In beginsel moet elke verandering in waarde tussen de toekenningsdatum en de datum vanaf wanneer de optie kan worden uitgeoefend, worden geregistreerd als deel van de beloning van werknemers, terwijl een verandering in waarde tussen die datum en de uitoefendatum niet als beloning van werknemers, maar als een waarderingsverschil wordt geregistreerd. In de praktijk is het hoogst onwaarschijnlijk dat ramingen van de werkgeverskosten van aandelenopties voor werknemers tussen de toekennings- en de uitoefendatum worden herzien. Om praktische redenen wordt derhalve de volledige stijging tussen de toekennings- en de uitoefendatum geregistreerd als een waarderingsverschil. Een stijging van de prijs van het aandeel boven de toekenningsprijs is een ongunstig waarderingsverschil voor de werkgever en een gunstig waarderingsverschil voor de werknemer en vice versa.

4.178

Wanneer een aandelenoptie voor werknemers wordt uitgeoefend, verdwijnt de post van de balans en wordt deze vervangen door de waarde van de verworven effecten (aandelen). Deze classificatiewijziging vindt plaats via transacties in de financiële rekeningen en niet via de rekening voor overige volumemutaties in activa.

 

HOOFDSTUK 5

FINANCIËLE TRANSACTIES

5.01

Definitie: financiële transacties (F) zijn transacties in financiële activa (AF) en passiva tussen ingezeten institutionele eenheden onderling en tussen ingezeten en niet-ingezeten institutionele eenheden.

5.02

Een financiële transactie tussen institutionele eenheden is een gelijktijdige vorming of afwikkeling van een financieel actief en het overeenkomstige financiële passief, dan wel de overdracht van een financieel actief of passief aan een andere partij.

ALGEMENE KENMERKEN VAN FINANCIËLE TRANSACTIES

Financiële activa, financiële aanspraken en financiële passiva

5.03

Definitie: financiële activa bestaan uit alle financiële aanspraken, deelnemingen en de component ongemunt goud van monetair goud.

5.04

Financiële activa zijn waardeobjecten die baten of reeksen baten vertegenwoordigen die een economische eigenaar ontvangt door de activa gedurende een periode aan te houden of te gebruiken. Het zijn middelen om waarden over te boeken van de ene verslagperiode naar de volgende. Baten komen tot stand door middel van betalingen, gewoonlijk in de vorm van chartaal geld (AF.21) en girale deposito's (AF.22).

5.05

Definitie: een financiële aanspraak is het recht van een crediteur om een betaling of een reeks betalingen van een debiteur te ontvangen.

Financiële aanspraken zijn financiële activa waar financiële passiva tegenover staan. Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5) worden behandeld als een financieel actief waar een financieel passief tegenover staat, ook al is de financiële aanspraak van de houder jegens de vennootschap geen vast bedrag.

5.06

Definitie: financiële passiva worden vastgesteld wanneer een debiteur verplicht is een betaling of een reeks betalingen aan een crediteur te verrichten.

5.07

De component ongemunt goud van monetair goud, dat door monetaire autoriteiten als reserve wordt aangehouden, wordt als financieel actief behandeld, ook al heeft de houder geen aanspraken jegens andere aangewezen eenheden. Er staat geen financieel passief tegenover ongemunt goud.

Voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva

5.08

Definitie: voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva zijn overeenkomsten waarbij de ene partij slechts verplicht is een betaling of een reeks betalingen aan een andere eenheid te doen indien aan een aantal specifieke voorwaarden is voldaan.

Omdat voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva niet leiden tot onvoorwaardelijke verplichtingen, worden zij niet als financiële activa en financiële passiva beschouwd.

5.09

Voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva omvatten:

a)

eenmalige betalingsgaranties door derden, aangezien betaling alleen verplicht is als de debiteur in gebreke blijft;

b)

toegezegde leningen met de garantie dat gelden beschikbaar zullen worden gesteld, maar waarbij geen financieel actief bestaat totdat de gelden daadwerkelijk worden verstrekt;

c)

wissels die beloften inhouden dat een betaling zal worden verricht mits zekere contractueel gespecificeerde documenten worden overgelegd;

d)

kredietlijnen die beloften zijn om tot een vastgestelde limiet leningen aan een gespecificeerde klant te verstrekken;

e)

gegarandeerde „note issuance facilities” (NIF's) met de garantie dat een potentiële debiteur kortlopende schuldbewijzen die bekendstaan als „notes”, kan verkopen en dat de bank die de NIF's uitgeeft, alle niet op de markt verkochte „notes” zal overnemen of een gelijkwaardig bedrag zal verstrekken, en

f)

pensioenrechten uit hoofde van pensioenregelingen van overheidswerkgevers met vaste uitkering zonder kapitaaldekking of pensioenfondsen in het kader van de sociale zekerheid. Dergelijke pensioenrechten worden alleen in de aanvullende tabel inzake verworven pensioenrechten in de sociale verzekering en niet in de basisrekeningen geregistreerd.

5.10

Voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva omvatten niet:

a)

voorzieningen van verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6);

b)

financiële derivaten (AF.7) waarvan de overeenkomsten zelf een marktwaarde hebben omdat zij verhandelbaar zijn of op de markt kunnen worden gecompenseerd.

5.11

Hoewel voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva niet in de rekeningen worden geregistreerd, zijn ze toch belangrijk voor beleids- en analysedoeleinden. Er dienen daarom inlichtingen daarover te worden verzameld en als aanvullende gegevens te worden gepresenteerd. Hoewel het mogelijk is dat uit voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva uiteindelijk geen verplichte betalingen voortvloeien, kan een hoog niveau van voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva duiden op een ongewenst hoog risico voor de eenheden die ze aanbieden.

Kader 5.1 —   Behandeling van garanties in het systeem

B5.1.1.

Definitie: garanties zijn overeenkomsten waarbij de borg zich er tegenover een leninggever toe verbindt om, als een leningnemer in gebreke blijft, de schade te vergoeden die de leninggever anders zou lijden.

Vaak moet voor het afgeven van een garantie een vergoeding worden betaald.

B5.1.2.

Er worden drie soorten garanties onderscheiden. Deze gelden alleen voor garanties die worden afgegeven in het geval van financiële activa. Er wordt geen speciale behandeling voorgesteld voor garanties zoals fabrieksgaranties en dergelijke. De drie soorten garanties zijn:

a)

garanties die worden afgegeven door middel van een financieel derivaat, zoals een kredietverzuimswap. Dergelijke derivaten zijn gebaseerd op het risico van wanbetaling op financiële referentieactiva en zijn niet aan afzonderlijke leningen of schuldbewijzen gekoppeld;

b)

standaardgaranties die in grote aantallen worden afgegeven, meestal voor vrij kleine bedragen. Voorbeelden zijn exportkredietgaranties en studieleninggaranties. Hoewel de waarschijnlijkheidsgraad dat op één specifieke standaardgarantie een beroep wordt gedaan onzeker is, betekent het feit dat er vele soortgelijke garanties bestaan dat een betrouwbare schatting kan worden gemaakt van het aantal beroepen dat op de garantie kan worden gedaan. Bij de behandeling van standaardgaranties wordt ervan uitgegaan dat zij aanleiding geven tot financiële activa en niet tot voorwaardelijke activa;

c)

eenmalige garanties, waarbij het bijbehorende risico niet met enige mate van nauwkeurigheid te berekenen valt omdat vergelijkbare gevallen ontbreken. De verlening van een eenmalige garantie wordt als een voorwaardelijk actief of voorwaardelijk passief beschouwd en wordt niet als een financieel actief of een financieel passief geregistreerd.

Categorieën financiële activa en passiva

5.12

Er worden acht categorieën financiële activa onderscheiden:

AF.1

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's);

AF.2

Chartaal geld en deposito's;

AF.3

Schuldbewijzen;

AF.4

Leningen;

AF.5

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen;

AF.6

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen;

AF.7

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers;

AF.8

Overige vorderingen/schulden.

5.13

Tegenover elk financieel actief staat een financieel passief, behalve voor de component ongemunt goud van monetair goud dat door monetaire autoriteiten wordt aangehouden als reserve die in de categorie monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (F.1) is ingedeeld. Op deze uitzondering na worden er acht categorieën financiële passiva onderscheiden, in overeenstemming met de categorieën financiële activa die hiertegenover staan.

5.14

De indeling van de financiële transacties komt overeen met die van de financiële activa en passiva. Er worden acht categorieën financiële transacties onderscheiden:

F.1

Transacties in monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's);

F.2

Transacties in chartaal geld en deposito's;

F.3

Transacties in schuldbewijzen;

F.4

Transacties in leningen;

F.5

Transacties in deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen;

F.6

Transacties in verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen;

F.7

Transacties in financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers;

F.8

Transacties in overige vorderingen/schulden.

5.15

Omwille van de symmetrie tussen financiële aanspraken en passiva wordt de term „instrument” gebruikt met betrekking tot zowel het activa- als het passiva-aspect van financiële transacties. Het gebruik van deze term houdt niet in dat de reikwijdte van financiële activa en passiva wordt uitgebreid tot posten buiten de balans die in monetaire en financiële statistieken soms als financiële instrumenten worden aangeduid.

Balansen, financiële rekening en overige stromen

5.16

De op een bepaald moment bestaande financiële activa en passiva worden in de balans geregistreerd. Financiële transacties leiden tot verschillen tussen de beginbalans en de eindbalans. Verschillen tussen de beginbalans en de eindbalans kunnen echter ook het gevolg zijn van andere stromen, die geen interacties met wederzijdse instemming tussen institutionele eenheden zijn. De overige stromen met betrekking tot financiële activa en passiva worden uitgesplitst in herwaarderingen van financiële activa en passiva, en in volumemutaties in financiële activa en passiva die niet aan financiële transacties zijn toe te schrijven. Herwaarderingen worden in de herwaarderingsrekening geregistreerd, terwijl volumemutaties in de rekening voor overige volumemutaties in activa worden geregistreerd.

5.17

De financiële rekening is de laatste rekening in de reeks rekeningen waarin transacties worden geregistreerd. Het saldo ervan wordt niet naar een volgende rekening overgebracht. Het saldo van de financiële rekening, d.w.z. het saldo van de mutaties van de financiële activa en de financiële passiva, is het vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–) (B.9F).

5.18

Het saldo van de financiële rekening is in theorie identiek aan dat van de kapitaalrekening. In de praktijk is er echter gewoonlijk een verschil tussen beide saldi omdat zij op basis van verschillende statistische gegevens worden berekend.

Waardering

5.19

Financiële transacties worden geregistreerd tegen transactiewaarde, d.w.z. de op basis van commerciële motieven bepaalde waarde in nationale valuta waartegen de betrokken financiële activa en/of passiva tot stand komen of afgewikkeld, geruild of overgenomen worden tussen institutionele eenheden.

5.20

Financiële transacties en de financiële of niet-financiële transacties die hiertegenover staan, worden tegen dezelfde transactiewaarde geregistreerd. Er zijn drie mogelijkheden:

a)

de financiële transactie geeft aanleiding tot een betaling in nationale valuta: de transactiewaarde is gelijk aan het uitgewisselde bedrag;

b)

de financiële transactie is een transactie in vreemde valuta en de transactie die hiervan de tegenhanger is, is geen transactie in nationale valuta: de transactiewaarde is gelijk aan het bedrag in nationale valuta tegen de op het moment van de betaling geldende marktwisselkoers, en

c)

de financiële transactie noch de tegenhanger ervan is een transactie in geld of door middel van andere betaalmiddelen: de transactiewaarde is de actuele marktwaarde van de betrokken financiële activa en/of passiva.

5.21

De transactiewaarde heeft betrekking op een bepaalde financiële transactie en de tegenhanger ervan. In principe moet de transactiewaarde worden onderscheiden van een waarde gebaseerd op marktprijzen, een redelijke marktprijs of een prijs waarmee wordt beoogd de prijs voor een categorie soortgelijke financiële activa en/of passiva in het algemeen weer te geven. Wanneer de tegenhanger van de financiële transactie echter bijvoorbeeld een overdracht is en de financiële transactie bijgevolg mogelijk op grond van andere dan zuiver commerciële motieven wordt aangegaan, wordt de transactiewaarde gelijkgesteld aan de actuele marktwaarde van de betrokken financiële activa en/of passiva.

5.22

Bij de bepaling van de transactiewaarde blijven de vergoeding voor de dienstverlening, honoraria, commissies of vergelijkbare betalingen voor diensten in verband met de uitvoering van de transactie buiten beschouwing; dergelijke eenheden moeten als betalingen voor diensten worden geregistreerd. Ook belastingen op financiële transacties blijven buiten beschouwing; zij worden behandeld als belastingen op diensten binnen de productgebonden belastingen. Wanneer een financiële transactie betrekking heeft op een nieuwe emissie van financiële passiva, is de transactiewaarde gelijk aan het bedrag van de aangegane verplichting met uitzondering van eventueel vooraf betaalde rente. Ook wanneer een verplichting wordt afgelost, moet de transactiewaarde zowel voor de crediteur als voor de debiteur met de vermindering van het financiële passief overeenstemmen.

Netto- en brutoregistratie

5.23

Definitie: nettoregistratie van financiële transacties betekent dat verworven financiële activa worden weergegeven na aftrek van afgestoten financiële activa en dat aangegane verplichtingen in de vorm van financiële passiva worden weergegeven na aftrek van terugbetaalde verplichtingen.

Financiële transacties kunnen netto worden weergegeven voor financiële activa met verschillende kenmerken en met verschillende debiteuren of crediteuren, mits ze tot dezelfde categorie of subcategorie behoren.

5.24

Definitie: brutoregistratie van financiële transacties betekent dat verworven en afgestoten financiële activa afzonderlijk worden weergegeven, evenals aangegane en terugbetaalde verplichtingen in de vorm van financiële passiva.

Brutoregistratie van financiële transacties resulteert in hetzelfde vorderingentekort of -overschot als wanneer financiële transacties netto worden geregistreerd.

Financiële transacties moeten in geval van gedetailleerde analysen van de financiële markt bruto worden geregistreerd.

Consolidatie

5.25

Definitie: in de financiële rekening wordt met consolidatie het proces bedoeld waarbij transacties in financiële activa voor een bepaalde groep institutionele eenheden worden verrekend met de overeenkomstige transacties in financiële passiva voor dezelfde groep institutionele eenheden.

Consolidatie kan worden uitgevoerd op het niveau van de totale economie, van institutionele sectoren en van subsectoren. De financiële rekening van het buitenland wordt per definitie geconsolideerd omdat alleen transacties van de niet-ingezeten institutionele eenheden met ingezeten institutionele eenheden worden geregistreerd.

5.26

Voor verschillende soorten analyse worden verschillende consolidatieniveaus gehanteerd. Bij consolidatie van de financiële rekening op het niveau van de totale economie bijvoorbeeld ligt de nadruk op de financiële transacties van de economie met niet-ingezeten institutionele eenheden, aangezien alle financiële transacties tussen ingezeten institutionele eenheden bij de consolidatie worden gesaldeerd. Consolidatie op het niveau van de sectoren maakt het mogelijk de totale financiële transacties tussen sectoren met een vorderingenoverschot en sectoren met een vorderingentekort te traceren. Consolidatie van financiële instellingen op subsectorniveau kan veel meer details opleveren over financiële intermediatie en het bijvoorbeeld mogelijk maken de transacties van monetaire financiële instellingen met andere financiële instellingen aan te wijzen, alsmede die met andere ingezeten sectoren en met niet-ingezeten institutionele eenheden. Een ander gebied waarop consolidatie op het niveau van de subsector instructief kan zijn, is binnen de sector overheid, aangezien transacties tussen subsectoren van de overheid niet worden geëlimineerd.

5.27

In de regel worden de posten in het ESR 2010 niet geconsolideerd omdat een geconsolideerde financiële rekening informatie vereist over de daartegenover staande groep van institutionele eenheden. Hiervoor zijn van-wie-aan-wiegegevens over financiële transacties vereist. Voor de compilatie van geconsolideerde financiële passiva van de overheid is het bijvoorbeeld nodig dat bij de houders van financiële passiva van de overheid onderscheid wordt gemaakt tussen de overheid en andere institutionele eenheden.

Saldering

5.28

Definitie: saldering is consolidatie op het niveau van één en dezelfde institutionele eenheid waarbij posten aan beide zijden van de rekening voor dezelfde transactie tegen elkaar worden verrekend. Saldering moet worden vermeden, tenzij brongegevens ontbreken.

5.29

Er kunnen verschillende gradaties van saldering worden onderscheiden, waarbij transacties in financiële passiva in mindering worden gebracht op transacties in financiële activa voor dezelfde categorie of subcategorie van financiële activa.

5.30

Wanneer een afdeling van een institutionele eenheid obligaties koopt die door een andere afdeling van dezelfde institutionele eenheid zijn uitgegeven, wordt in de financiële rekening van de eenheid de transactie niet als de verwerving van een aanspraak van de ene afdeling op een andere geregistreerd. De transactie wordt geregistreerd als een aflossing van passiva in plaats van een verwerving van consoliderende activa. Dergelijke financiële instrumenten worden als gesaldeerd aangemerkt. Saldering moet worden vermeden als het noodzakelijk is om het financiële instrument zowel aan de activa- als aan de passivazijde weer te geven teneinde de wettelijk voorgeschreven presentatie in acht te nemen.

5.31

Saldering kan onvermijdelijk zijn voor transacties van een institutionele eenheid in financiële derivaten, omdat afzonderlijke gegevens over transacties in activa en passiva in dat geval gewoonlijk niet beschikbaar zijn. Het verdient aanbeveling deze transacties te salderen omdat de waarde van een positie in financiële derivaten kan veranderen van plus naar min, d.w.z. van een actief kan veranderen in een passief, wanneer de waarde van het instrument dat aan het derivatencontract ten grondslag ligt, verandert ten opzichte van de contractprijs.

Registratieregels voor financiële transacties

5.32

Viervoudige registratie is een boekhoudkundige praktijk waarbij elke transactie met twee institutionele eenheden door elk van beide betrokken eenheden tweemaal wordt geregistreerd. Zo zal het uitwisselen van goederen voor geld door ondernemingen resulteren in boekingen in zowel de productierekening als de financiële rekening van elke eenheid. Viervoudige registratie waarborgt de symmetrie van de verslaggeving door de betrokken institutionele eenheden en aldus de consistentie binnen de rekeningen.

5.33

Tegenover een financiële transactie staat altijd een andere transactie. Die tegenboeking kan een andere financiële transactie of een niet-financiële transactie zijn.

5.34

Indien een transactie en de tegenboeking ervan beide financiële transacties zijn, verandert hierdoor de samenstelling van de portefeuille financiële activa en passiva en eventueel ook de totalen van zowel financiële activa als financiële passiva van de betrokken institutionele eenheden, maar niet het vorderingenoverschot/-tekort of het vermogenssaldo.

5.35

De tegenboeking van een financiële transactie kan een niet-financiële transactie zijn, zoals een transactie in producten, een verdelingstransactie of een transactie in niet-geproduceerde niet-financiële activa. Als het bij de tegenboeking van een financiële transactie niet om een financiële transactie gaat, zal het vorderingenoverschot/-tekort van de betrokken institutionele eenheden veranderen.

Een financiële transactie met een inkomens- of kapitaaloverdracht als tegenboeking

5.36

De tegenboeking van een financiële transactie kan een overdracht zijn. In een dergelijk geval leidt de financiële transactie tot een overdracht van een financieel actief, tot een overname van een financieel passief als debiteur (schuldovername) of tot de gelijktijdige afwikkeling van een financieel actief en het overeenkomstige financiële passief (schuldkwijtschelding). Schuldovername en schuldkwijtschelding zijn kapitaaloverdrachten (D.9) en worden in de kapitaalrekening geregistreerd.

5.37

Indien de eigenaar van een quasivennootschap financiële passiva van de quasivennootschap overneemt of financiële aanspraken op de quasivennootschap kwijtscheldt, is de tegenboeking van de schuldovername of schuldkwijtschelding een transactie in deelnemingen (F.51). Echter, als de transactie is bedoeld om geaccumuleerde verliezen of een uitzonderlijk groot verlies te dekken, of wordt uitgevoerd in verband met voortdurende verliezen, wordt de transactie als niet-financiële transactie — kapitaaloverdracht of inkomensoverdracht — geclassificeerd.

5.38

Indien de overheid een schuld overneemt of kwijtscheldt van een overheidsbedrijf dat als institutionele eenheid uit het systeem verdwijnt, wordt er in de kapitaalrekening of in de financiële rekening geen transactie geregistreerd. In dat geval wordt een stroom geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa.

5.39

Indien de overheid een schuld van een overheidsbedrijf overneemt of kwijtscheldt in het kader van een privatiseringsproces dat op korte termijn moet worden voltooid, is de tegenboeking een transactie in deelnemingen (F.51) van ten hoogste de totale privatiseringsopbrengst. Dit betekent dat de overheid door de overname of kwijtschelding van schuld van het overheidsbedrijf wordt geacht tijdelijk haar deelneming in die onderneming te vergroten. Privatisering betekent dat de zeggenschap over het overheidsbedrijf wordt opgegeven door de afstoting van deelnemingen. Een dergelijke schuldkwijtschelding of -overname leidt tot een toename van het eigen vermogen van het overheidsbedrijf, ook zonder een uitgifte van aandelen.

5.40

De volledige afschrijving van oninbare vorderingen door crediteuren en de eenzijdige annulering van een financieel passief door een debiteur (niet-erkenning van een schuld) zijn geen transacties, omdat er geen onderling overeengekomen actie tussen institutionele eenheden heeft plaatsgevonden. De afschrijving van oninbare vorderingen door crediteuren wordt geregistreerd in de rekening voor overige volumemutaties in activa.

Een financiële transactie met inkomen uit vermogen als tegenboeking

5.41

De tegenboeking van een financiële transactie kan inkomen uit vermogen zijn.

5.42

Rente (D.41) wordt ontvangen door crediteuren en betaald door debiteuren van bepaalde soorten financiële aanspraken uit de categorieën monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (AF.1), chartaal geld en deposito's (AF.2), schuldbewijzen (AF.3), leningen (AF.4) en overige vorderingen/schulden (AF.8).

5.43

Rente die op het bedrag van de uitstaande hoofdsom aan de crediteur wordt vergoed, wordt geregistreerd alsof zij continu in de tijd aangroeit. De tegenboeking van rente (D.41) is een financiële transactie die leidt tot een financiële aanspraak van de crediteur op de debiteur. De opgebouwde rente wordt in de financiële rekening geregistreerd bij het financiële instrument waarop de rente betrekking heeft. Het gevolg van deze financiële transactie is dat de rente wordt herbelegd. De eigenlijke rentebetaling wordt niet als rente (D.41) geregistreerd, maar als transactie in chartaal geld en deposito's (F.2) met als tegenboeking een gelijkwaardige terugbetaling van het desbetreffende actief die de financiële nettoaanspraak van de crediteur op de debiteur vermindert.

5.44

Indien opgebouwde rente niet wordt betaald wanneer deze verschuldigd is, is er sprake van achterstallige rente. Omdat de opgebouwde rente wordt geregistreerd, wordt door de achterstallige rente het totaal aan financiële activa en passiva niet gewijzigd.

5.45

Winst van vennootschappen omvat dividenden (D.421), inkomen onttrokken aan quasivennootschappen (D.422), herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (D.43) en ingehouden winsten van binnenlandse ondernemingen. Het effect van de tegenboeking is in het geval van ingehouden winsten dat het inkomen uit vermogen wordt herbelegd in de directe-investeringsonderneming.

5.46

Dividenden worden geregistreerd als inkomen uit beleggingen op het moment dat de aandelen ex dividend genoteerd staan. Dit geldt ook voor inkomen onttrokken aan quasivennootschappen. Buitengewoon grote dividenden of onttrekkingen die afwijken van recente ervaringen met het voor uitkering aan de eigenaren van de vennootschap beschikbaar inkomen worden op andere wijze geregistreerd. Een dergelijke extra-uitkering wordt in de financiële rekening als onttrekking van deelnemingen geregistreerd en niet als inkomen uit beleggingen.

5.47

Inkomen uit vermogen dat beleggingsfondsen ontvangen en dat, onder aftrek van een deel van de beheerskosten, aan de aandeelhouders wordt toegewezen – zonder dat het wordt uitgekeerd –, wordt geregistreerd onder inkomen uit vermogen met een tegenboeking in de financiële rekening onder aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen. Het gevolg is dat het aan aandeelhouders toegewezen maar niet uitgekeerde inkomen als herbelegd in het fonds wordt behandeld.

5.48

Het overige inkomen uit beleggingen (D.44) wordt toegerekend aan polishouders, houders van pensioenrechten en aandeelhouders van beleggingsfondsen. Ongeacht het werkelijk door de verzekeringsmaatschappij, het pensioenfonds of het beleggingsfonds uitgekeerde bedrag, wordt het gehele bedrag van het inkomen uit beleggingen dat de verzekeringsmaatschappij of het fonds heeft ontvangen, als uitgekeerd aan de polishouders of aandeelhouders geregistreerd. Het niet werkelijk uitgekeerde bedrag wordt in de financiële rekening als herbelegging geregistreerd.

Moment van registratie

5.49

Financiële transacties en de transacties die hiervan de tegenboeking vormen, worden op hetzelfde moment geregistreerd.

5.50

Wanneer de tegenboeking van een financiële transactie een niet-financiële transactie is, worden beide geregistreerd op het moment dat de niet-financiële transactie plaatsvindt. Wanneer bijvoorbeeld voor de verkoop van goederen of diensten een handelskrediet wordt verleend, moet deze financiële transactie worden geregistreerd op het moment dat de registratie in de desbetreffende niet-financiële rekening plaatsvindt, wanneer de eigendom van de goederen wordt overgedragen of wanneer de dienst wordt verleend.

5.51

Wanneer de tegenboeking van een financiële transactie ook een financiële transactie is, zijn er drie mogelijkheden:

a)

beide financiële transacties zijn transacties in geld of andere betaalmiddelen: ze worden geregistreerd op het moment van de eerste betaling;

b)

slechts een van beide financiële transacties is een transactie in geld of andere betaalmiddelen: ze worden geregistreerd op het moment dat de betaling plaatsvindt, en

c)

geen van beide financiële transacties is een transactie in geld of andere betaalmiddelen: ze worden geregistreerd op het moment dat de eerste financiële transactie plaatsvindt.

Een financiële rekening van-wie-aan-wie

5.52

De financiële rekening van-wie-aan-wie of financiële rekening naar debiteur/crediteur is een aanvulling op de niet-geconsolideerde financiële rekening. Het betreft een driedimensionale presentatie van financiële transacties waarbij zowel beide partijen bij een transactie worden aangegeven, als de aard van het financiële instrument waarop de transactie betrekking heeft.

Een dergelijke presentatie verschaft informatie over de debiteuren/crediteurenverhoudingen, in overeenstemming met een financiële balans van-wie-aan-wie. Er wordt geen informatie verschaft over de institutionele eenheden waaraan financiële activa zijn verkocht of waarvan financiële activa zijn gekocht. Dat geldt ook voor de overeenkomstige transacties in financiële passiva. De financiële rekening van-wie-aan-wie staat ook bekend als de „flow of funds matrix”.

5.53

Op basis van het beginsel van viervoudige registratie heeft een financiële rekening van-wie-aan-wie drie dimensies: de categorie van het financiële instrument, de sector van de debiteur en de sector van de crediteur. Bij een financiële rekening van-wie-aan-wie zijn driedimensionale tabellen vereist voor de uitsplitsing naar financieel instrument, debiteur en crediteur. Dergelijke tabellen geven de financiële transacties zowel per debiteurensector als per crediteurensector weer, zoals afgebeeld in tabel 5.1.

5.54

De tabel voor de categorie schuldbewijzen laat zien dat als gevolg van transacties in de verslagperiode, de door huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens (275) verworven schuldbewijzen, minus verkopen, aanspraken vertegenwoordigen jegens niet-financiële vennootschappen (65), financiële instellingen (43), de overheid (124) en het buitenland (43). Uit de tabel blijkt dat als gevolg van transacties in de verslagperiode, niet-financiële vennootschappen passiva (minus aflossingen) zijn aangegaan in de vorm van schuldbewijzen voor 147: hun financiële passiva in deze vorm jegens andere niet-financiële vennootschappen zijn toegenomen met 30, jegens financiële instellingen met 23, jegens de overheid met 5, jegens huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens met 65 en jegens het buitenland met 24. Door huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens zijn geen schuldbewijzen uitgegeven. Wegens de geconsolideerde presentatie van het buitenland worden er geen transacties weergegeven tussen niet-ingezeten institutionele eenheden. Voor alle categorieën financiële instrumenten kunnen soortgelijke tabellen worden samengesteld.

Tabel 5.1 —   Een financiële rekening van-wie-aan-wie voor schuldbewijzen

Debiteurensector

Crediteurensector

Nettotoename van het aantal schuldbewijzen van

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens

Nationale economie

Buitenland

Totaal

Nettotoename van het aantal schuldbewijzen van

Niet-financiële vennootschappen

30

11

67

 

108

34

142

Financiële instellingen

23

22

25

 

70

12

82

Overheid

5

2

6

 

13

19

32

Huishoudens en izw's t.b.v. huishoudens

65

43

124

 

232

43

275

Nationale economie

123

78

222

 

423

108

531

Buitenland

24

28

54

 

106

 

106

Totaal

147

106

276

 

529

108

637

5.55

De financiële rekening van-wie-aan-wie maakt het mogelijk te analyseren wie wie financiert, voor welk bedrag en met welk type financieel actief. Zij biedt antwoorden op vragen zoals:

a)

welke sectoren zijn de tegenhangers van de financiële activa die per saldo zijn verworven door, of van de passiva die per saldo zijn aangegaan door een institutionele sector?

b)

in welke vennootschappen participeert de overheidssector?

c)

welke bedragen (minus verkopen) besteden ingezeten sectoren en de sector buitenland aan de aankoop van schuldbewijzen die zijn uitgegeven (minus aflossingen) door de overheid, financiële instellingen of niet-financiële vennootschappen, en het buitenland?

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES IN CATEGORIEËN

Hierna volgen definities en beschrijvingen van financiële instrumenten. Bij registratie van een transactie wordt een F-code gebruikt. Bij registratie van de onderliggende stand van of positie in een actief of passief wordt een AF-code gehanteerd.

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.1)

5.56

De categorie monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.1) bestaat uit twee subcategorieën:

a)

monetair goud (F.11), en

b)

bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (F.12).

Monetair goud (F.11)

5.57

Definitie: monetair goud (F.11) is goud dat eigendom is van monetaire autoriteiten en dat als bestanddeel van de reserves wordt aangehouden.

Het omvat ongemunt goud en niet-toegewezen goudrekeningen die worden aangehouden bij niet-ingezetenen en die recht geven levering van het goud te vorderen.

5.58

Tot de monetaire autoriteiten behoren de centrale bank en instellingen van de centrale overheid die operaties verrichten die gewoonlijk met de functie van de centrale bank samenhangen. Dergelijke operaties omvatten met name de uitgifte van chartaal geld en het aanhouden en beheren van reserves en het besturen van wisselkoersstabilisatiefondsen.

5.59

„Onderworpen zijn aan het feitelijke beheer van monetaire autoriteiten” betekent:

a)

dat de ingezeten eenheden transacties in deze aanspraken met niet-ingezetenen alleen kunnen verrichten op grond van door de monetaire autoriteiten bepaalde voorwaarden of met hun uitdrukkelijke goedkeuring;

b)

dat de monetaire autoriteiten op verzoek toegang hebben tot deze aanspraken op niet-ingezetenen om aan financieringsbehoeften voor de betalingsbalans en andere daarmee verband houdende doeleinden te voldoen, en

c)

dat er al een wet of andere bindende overeenkomst bestaat waarin de punten a) en b) hierboven worden bevestigd.

5.60

Al het monetaire goud maakt deel uit van reserves of wordt aangehouden door internationale financiële organisaties. De componenten van monetair goud zijn:

a)

ongemunt goud (inclusief monetair goud dat op toegewezen goudrekeningen wordt aangehouden), en

b)

niet-toegewezen goudrekeningen bij niet-ingezetenen.

5.61

Ongemunt goud dat tot het monetaire goud behoort, is het enige financiële actief waar geen financieel passief tegenover staat. Het heeft de vorm van munten, staven of baren met een zuiverheid van ten minste 995/1 000. Ongemunt goud dat niet als reserve wordt aangehouden, is een niet-financieel actief en behoort tot het niet-monetaire goud.

5.62

Toegewezen goudrekeningen leveren het bewijs van de eigendom van een bepaald stuk goud. De eigendom van het goud blijft berusten bij de eenheid die het in bewaring geeft. Dergelijke rekeningen bieden gewoonlijk faciliteiten voor aankoop, bewaring en verkoop. Wanneer toegewezen goudrekeningen als reserve worden aangehouden, worden zij als monetair goud, en dus als financiële activa, geclassificeerd. Wanneer toegewezen goudrekeningen als reserve worden aangehouden, vertegenwoordigen zij de eigendom van een goed, namelijk van niet-monetair goud.

5.63

In tegenstelling tot toegewezen goudrekeningen, vertegenwoordigen niet-toegewezen goudrekeningen een aanspraak op de rekeningbeheerder om goud te leveren. Wanneer niet-toegewezen goudrekeningen als reserve worden aangehouden, worden zij als monetair goud, en dus als financiële activa, geclassificeerd. Niet-toegewezen goudrekeningen die niet als reserve worden aangehouden, worden als deposito's geclassificeerd.

5.64

Transacties in monetair goud bestaan voornamelijk uit aan- en verkopen van monetair goud tussen monetaire autoriteiten of bepaalde internationale financiële organisaties. Er zijn geen transacties in monetair goud mogelijk waarbij andere dan die institutionele eenheden betrokken zijn. In de financiële rekening van de monetaire autoriteiten worden aankopen van monetair goud als toename van de financiële activa en verkopen als daling van de financiële activa geregistreerd. De tegenboekingen worden als respectievelijk een daling van de financiële activa of een toename van de financiële activa van het buitenland geregistreerd.

5.65

Indien monetaire autoriteiten niet-monetair goud aan hun reserves aan monetair goud toevoegen (bv. door op de markt goud te kopen), dan wel monetair goud uit hun reserves vrijmaken voor niet-monetaire doeleinden (bv. door het op de markt te verkopen), worden zij geacht goud te hebben gemonetiseerd resp. gedemonetiseerd. Monetisatie of demonetisatie van goud geeft geen aanleiding tot registratie in de financiële rekening, maar tot registratie van een wijziging in de classificatie van activa en passiva in de rekening voor overige volumemutaties in activa: goud als kostbaarheid (AN.13) wordt heringedeeld als monetair goud (AF.11) (punten 6.22 tot en met 6.24). Demonetisatie van goud is herindeling van monetair goud als kostbaarheid.

5.66

In goud uitgedrukte deposito's, leningen en effecten worden behandeld als andere financiële activa dan monetair goud en tezamen met soortgelijke financiële activa in vreemde valuta's in de desbetreffende categorie ingedeeld. Goudswaps zijn vormen van retrocessieovereenkomsten (repo's) die op monetair goud of niet-monetair goud betrekking hebben. Ze houden in dat goud wordt geruild voor een deposito met de afspraak om het goud op een overeengekomen datum in de toekomst tegen een overeengekomen goudprijs terug te kopen (omgekeerde transactie). Volgens de algemene praktijk voor de registratie van omgekeerde transacties registreert de goudnemer het goud niet op zijn balans, terwijl de goudverstrekker het goud niet van zijn balans verwijdert. Goudswaps worden door beide partijen geregistreerd als leningen tegen onderpand, waarbij het onderpand goud is. Swaps met monetair goud worden uitgevoerd tussen monetaire autoriteiten onderling of tussen monetaire autoriteiten en andere partijen, terwijl swaps met niet-monetair goud soortgelijke transacties zijn waarbij geen monetaire autoriteiten betrokken zijn.

5.67

Goudleningen bestaan uit de levering van goud voor een bepaalde periode. Evenals bij andere omgekeerde transacties wordt de wettelijke eigendom van het goud overgedragen, maar blijven de risico's en voordelen van wijzigingen in de goudprijs bij de leninggever berusten. Goudleningnemers gebruiken deze transacties vaak om verkopen aan derden af te dekken in perioden van goudschaarste. Voor het gebruik van het goud wordt aan de oorspronkelijke eigenaar ervan een vergoeding betaald, die afhankelijk is van de waarde van het onderliggende actief en de duur van de omgekeerde transactie.

5.68

Monetair goud is een financieel actief; de vergoedingen voor goudleningen zijn derhalve betalingen voor het ter beschikking stellen van een financieel actief aan een andere institutionele eenheid. Vergoedingen in verband met leningen van monetair goud worden als rente behandeld. Ter vereenvoudiging geldt deze afspraak ook voor vergoedingen die voor leningen van niet-monetair goud worden betaald.

Bijzondere trekkingsrechten — SDR's (F.12)

5.69

Definitie: SDR's (F.12) zijn door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gecreëerde internationale reserves, die als aanvulling op bestaande reserves aan de leden van het Fonds worden toegewezen.

5.70

De SDR-afdeling van het IMF beheert reserves door aan de lidstaten van het IMF en aan bepaalde internationale organisaties, gezamenlijk de deelnemers genoemd, SDR's toe te kennen.

5.71

De creatie van SDR's door toekenning ervan en de vernietiging van hen door annulering ervan zijn transacties. Toekenningen van SDR's worden in de financiële rekeningen van de monetaire autoriteiten van de individuele deelnemer bruto geregistreerd als verwerving van een actief en als toename van de passiva van het buitenland.

5.72

SDR's zijn uitsluitend in het bezit van officiële houders, d.w.z. centrale banken en bepaalde internationale organisaties, en kunnen alleen aan deelnemers en andere officiële houders worden overgedragen. SDR's vertegenwoordigen het gegarandeerde en onvoorwaardelijke recht van iedere houder ervan om andere categorieën reserves, met name deviezen, van andere IMF-leden te verkrijgen.

5.73

SDR's zijn activa waar passiva tegenover staan, maar de activa vertegenwoordigen aanspraken op de gezamenlijke deelnemers, niet op het IMF. Een deelnemer mag zijn SDR's geheel of gedeeltelijk aan een andere deelnemer verkopen en kan in ruil daarvoor andere reserves, met name deviezen, ontvangen.

Chartaal geld en deposito's (F.2)

5.74

Definitie: chartaal geld en deposito's (F.2) zijn chartaal geld in omloop en deposito's, zowel in nationale als in vreemde valuta's.

5.75

Er zijn drie subcategorieën financiële transacties in relatie tot chartaal geld en deposito's:

a)

chartaal geld (F.21);

b)

girale deposito's (F.22), en

c)

overige deposito's en spaartegoeden (F.29).

Chartaal geld (F.21)

5.76

Definitie: chartaal geld (F.21) bestaat uit bankbiljetten en munten die door monetaire autoriteiten zijn uitgegeven of toegelaten.

5.77

Chartaal geld omvat:

a)

bankbiljetten en munten in omloop die door de ingezeten monetaire autoriteiten als nationaal chartaal geld zijn uitgegeven en in het bezit zijn van ingezetenen en niet-ingezetenen, en

b)

bankbiljetten en munten in omloop die door niet-ingezeten monetaire autoriteiten als buitenlands chartaal geld zijn uitgegeven en in het bezit zijn van ingezetenen.

5.78

Chartaal geld omvat niet:

a)

de niet in omloop gebrachte bankbiljetten en munten, bijvoorbeeld de eigen voorraad of noodvoorraden bankbiljetten van een centrale bank, en

b)

herdenkingsmunten die niet algemeen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen. Deze worden als kostbaarheden geclassificeerd.

Kader 5.2 —   Chartaal geld uitgegeven door het Eurosysteem

B5.2.1.

Door het Eurosysteem uitgegeven eurobankbiljetten en -munten vormen het nationale chartaal geld van de lidstaten in de eurozone. Hoewel eurocontanten als nationaal chartaal geld worden behandeld, zijn chartale euro's in het bezit van ingezetenen van elke deelnemende lidstaat slechts financiële passiva van de ingezeten nationale centrale bank ten belope van haar theoretische aandeel in de totale uitgifte, dat op haar aandeel in het kapitaal van de ECB is gebaseerd. Een gevolg hiervan is dat in de eurozone, uit nationaal gezichtspunt, een deel van het door de ingezetenen aangehouden nationale chartaal geld een financiële aanspraak op niet-ingezetenen kan zijn.

B5.2.2.

Door het Eurosysteem uitgegeven chartaal geld omvat bankbiljetten en munten. De bankbiljetten worden uitgegeven door het Eurosysteem; munten worden uitgegeven door de centrale overheden in de eurozone, hoewel zij volgens afspraak worden behandeld als financiële passiva van de nationale centrale banken die als een tegenpartij een fictieve aanspraak op de overheid hebben. Zowel ingezetenen als niet-ingezetenen van de eurozone kunnen eurobankbiljetten en -munten bezitten.

Deposito's (F.22 en F.29)

5.79

Definitie: deposito's (F.22 en F.29) zijn niet-verhandelbare standaardcontracten met het grote publiek, die door deposito-instellingen en, in sommige gevallen, de centrale overheid als debiteuren worden aangeboden en die de plaatsing en latere opneming van de hoofdsom door de crediteur toestaan. Bij deposito's geeft de debiteur gewoonlijk de volledige hoofdsom aan de belegger terug.

Girale deposito's (F.22)

5.80

Definitie: girale deposito's (F.22) zijn deposito's die op verzoek a pari in chartaal geld kunnen worden omgezet en die onmiddellijk, zonder enige beperking of boete, kunnen worden gebruikt voor het verrichten van betalingen met een cheque, bank- of giro-opdracht, automatische incasso/creditering of andere vormen van directe betaling.

5.81

Girale deposito's vertegenwoordigen hoofdzakelijk financiële passiva van ingezeten deposito-instellingen, in sommige gevallen van de centrale overheid, en van niet-ingezeten institutionele eenheden. Girale deposito's omvatten onder meer:

a)

interbancaire posities die monetaire financiële instellingen onderling aanhouden;

b)

deposito's die deposito-instellingen naast de verplicht aan te houden reserves bij de centrale bank aanhouden en waarover zij zonder voorafgaande opzegging en zonder beperkingen kunnen beschikken;

c)

deposito's van andere monetaire financiële instellingen bij de centrale bank in de vorm van niet-toegewezen goudrekeningen die geen monetair goud vormen, alsook overeenkomstige deposito's in de vorm van rekeningen met edele metalen;

d)

valutadeposito's in het kader van swapovereenkomsten;

e)

de reservepositie bij het IMF dat het „reservedeel” vormt, d.w.z. de SDR's of bedragen in vreemde valuta's die een lidstaat op korte termijn bij het IMF kan opnemen, en de overige aanspraken op het IMF die direct voor de lidstaat beschikbaar zijn, inclusief de leningen van het betrokken land aan het IMF uit hoofde van de „General Arrangements to Borrow” (GAB) en de „New Arrangements to Borrow” (NAB).

5.82

Girale depositorekeningen kunnen voorzien zijn van faciliteiten inzake overdispositie. Als de rekening een negatief saldo vertoont, is de onttrekking van gelden tot nul de onttrekking van een deposito en de onttrekking van de overdispositie het verlenen van een lening.

5.83

Alle ingezeten sectoren en het buitenland kunnen girale deposito's bezitten.

5.84

Girale deposito's kunnen naar valuta worden onderverdeeld in girale deposito's in de nationale valuta en in vreemde valuta's.

Overige deposito's (F.29)

5.85

Definitie: overige deposito's (F.29) zijn andere deposito's dan girale deposito's. Overige deposito's kunnen niet worden gebruikt voor het verrichten van betalingen, behalve op de vervaldatum of na een overeengekomen opzegtermijn, en kunnen niet in chartaal geld of girale deposito's worden omgezet zonder enige aanzienlijke beperking of boete.

5.86

Overige deposito's omvatten onder meer:

a)

termijndeposito's, d.w.z. deposito's die niet onmiddellijk beschikbaar zijn maar op een overeengekomen vervaldatum beschikbaar komen. Zij komen beschikbaar na een vaste termijn of een opzegtermijn. Hiertoe behoren ook de deposito's die deposito-instellingen als verplichte reserves bij de centrale bank aanhouden en die niet zonder voorafgaande opzegging of zonder beperkingen kunnen worden gebruikt;

b)

spaardeposito's, spaarbankboekjes, niet-verhandelbare spaarbewijzen of niet-verhandelbare depositobewijzen;

c)

deposito's die voortvloeien uit een spaarplan of -overeenkomst. Dergelijke deposito's houden vaak een verplichting van de spaarder in om gedurende een bepaalde periode regelmatig stortingen te verrichten; het ingelegde kapitaal vermeerderd met de opgebouwde rente komt niet eerder dan na afloop van een bepaalde termijn beschikbaar. Soms, bijvoorbeeld bij de aankoop of bouw van een woning, worden dergelijke deposito's aan het einde van de spaarperiode gecombineerd met de verstrekking van een lening die aan de gecumuleerde spaargelden is gerelateerd;

d)

depositobewijzen van spaar- en kredietfondsen, bouwfondsen, kredietverenigingen enz., die soms aandelen worden genoemd en die op aanvraag of met een betrekkelijk korte opzegtermijn opeisbaar zijn, maar die niet overdraagbaar zijn;

e)

terug te betalen margestortingen die samenhangen met financiële derivaten, voor zover deze stortingen financiële passiva van monetaire financiële instellingen zijn;

f)

kortlopende retrocessieovereenkomsten (repo's), voor zover deze financiële passiva van monetaire financiële instellingen zijn, en

g)

passiva jegens het IMF die bestanddelen van de internationale reserves zijn en niet blijken uit leningen; zij bestaan uit het beroep op kredieten van het Fonds binnen diens „General Resources Account”. Deze post geeft weer hoeveel valuta van het lid bij het IMF het lid verplicht is terug te kopen.

5.87

Overige deposito's omvatten geen verhandelbare depositocertificaten of verhandelbare spaarbewijzen. Deze behoren tot de schuldbewijzen (AF.3).

5.88

Overige deposito's kunnen naar valuta worden onderverdeeld in overige deposito's in de nationale valuta en in vreemde valuta's.

Schuldbewijzen (F.3)

5.89

Definitie: schuldbewijzen (F.3) zijn verhandelbare financiële instrumenten die als bewijs van schuld dienen.

Hoofdkenmerken van schuldbewijzen

5.90

Schuldbewijzen hebben de volgende kenmerken:

a)

een uitgiftedatum waarop het schuldbewijs wordt uitgegeven;

b)

een uitgifteprijs waarvoor beleggers de schuldbewijzen bij eerste uitgifte kopen;

c)

een aflossings- of vervaldatum waarop de laatste contractueel overeengekomen terugbetaling van de hoofdsom moet plaatsvinden;

d)

een aflossingsprijs of nominale waarde, d.w.z. het bedrag dat op de vervaldatum door de emittent aan de houder moet worden betaald;

e)

een oorspronkelijke looptijd, d.w.z. de periode van de uitgiftedatum tot de laatste contractueel overeengekomen betaling;

f)

een resterende looptijd, d.w.z. de periode van de referentiedatum tot de laatste contractueel overeengekomen betaling;

g)

een couponrente die de emittent aan houders van schuldbewijzen betaalt; de couponbetaling kan vaststaan gedurende de looptijd van het schuldbewijs of variëren met de inflatie, rentevoeten of de prijzen van activa. Wissels en schuldbewijzen met een nulcoupon bieden geen couponrente;

h)

coupondata waarop de emittent de coupon aan de houders van schuldbewijzen betaalt;

i)

de uitgifteprijs, aflossingsprijs en couponrente, die in de nationale valuta of in vreemde valuta's kunnen zijn uitgedrukt (of worden vereffend), en

j)

de kredietrating waarmee de kredietwaardigheid van afzonderlijke uitgiften van schuldbewijzen wordt uitgedrukt. Ratingcategorieën worden toegekend door erkende agentschappen.

Wat betreft het gegeven als bedoeld in de eerste alinea, onder c), kan de vervaldatum samenvallen met de conversie van een schuldbewijs in een aandeel. In deze context houdt converteerbaarheid in dat de houder zijn schuldbewijs in gewone aandelen van de emittent kan omzetten. Inwisselbaarheid betekent dat de houder zijn schuldbewijs kan ruilen voor aandelen van een andere vennootschap dan de emittent. Eeuwigdurende effecten, die geen vastgelegde vervaldatum hebben, worden als schuldbewijzen geclassificeerd.

5.91

Schuldbewijzen omvatten ook financiële activa en passiva die volgens verschillende indelingen kunnen worden beschreven — naar looptijd, bezit en uitgiftesector en -subsector, valuta en rentepercentagesoort.

Indeling naar oorspronkelijke looptijd en valuta

5.92

Transacties in schuldbewijzen worden volgens hun oorspronkelijke looptijd in twee subcategorieën ingedeeld:

a)

kortlopende schuldbewijzen (F.31), en

b)

langlopende schuldbewijzen (F.32).

5.93

Schuldbewijzen kunnen in de nationale valuta of in vreemde valuta's worden uitgedrukt. Een onderverdeling van schuldbewijzen in verschillende vreemde valuta's kan wenselijk zijn en verschilt naargelang van het relatieve belang van de afzonderlijke vreemde valuta's voor een economie.

5.94

Schuldbewijzen waarvan zowel hoofdsom als coupon aan een vreemde valuta is gekoppeld, worden ingedeeld alsof ze in die vreemde valuta luiden.

Indeling naar soort rentevoet

5.95

Schuldbewijzen kunnen worden ingedeeld naar soort rentevoet. Er worden drie groepen schuldbewijzen onderscheiden:

a)

schuldbewijzen met vaste rente;

b)

schuldbewijzen met variabele rente, en

c)

schuldbewijzen met gemengde rente.

Schuldbewijzen met vaste rente

5.96

Schuldbewijzen met vaste rente omvatten:

a)

eenvoudige schuldbewijzen, die a pari worden uitgegeven en afgelost;

b)

schuldbewijzen die met agio of disagio worden uitgegeven. Voorbeelden zijn schatkistpapier, „commercial paper”, promessen, wisselaccepten, wisselendossementen en depositocertificaten;

c)

„deep discount”-obligaties, te weten obligaties met kleine rentebetalingen die ver beneden de nominale waarde worden uitgegeven;

d)

nulcouponobligaties; dit zijn in één keer betaalde schuldbewijzen zonder couponbetalingen. De obligatie wordt beneden pari verkocht en de hoofdsom wordt op de vervaldatum of soms in tranches afgelost. Nulcouponobligaties kunnen worden afgeleid van schuldbewijzen met vaste rente door de coupons „te strippen”, d.w.z. door de coupons te scheiden van de laatste aflossing van de hoofdsom van het schuldbewijs en deze apart te verhandelen;

e)

gestripte schuldbewijzen, d.w.z. effecten waarvan de rente- en hoofdsomgedeelten zijn gescheiden („gestript”) en vervolgens apart kunnen worden verkocht;

f)

eeuwigdurende, opeisbare en terugbetaalbare schuldbewijzen en schuldbewijzen met „sinking fund”-regeling;

g)

converteerbare obligaties, die naar keuze van de houder in een deelneming in de emittent kunnen worden omgezet, waarna ze als aandelen worden geclassificeerd, en

h)

omwisselbare obligaties, met een daarin besloten optie om deze op een latere datum en op overeengekomen voorwaarden te ruilen voor een aandeel in een andere vennootschap dan de emittent, meestal een dochteronderneming van de emittent of een onderneming waarin deze een belang bezit.

5.97

Schuldbewijzen met vaste rente omvatten ook andere schuldbewijzen, zoals obligaties met warrant, achtergestelde obligaties, preferente niet-winstdelende aandelen waarop een vast inkomen wordt betaald maar die niet voorzien in een aandeel in de restwaarde van een vennootschap bij liquidatie, en aangehechte instrumenten.

Schuldbewijzen met variabele rente

5.98

Bij schuldbewijzen met variabele rente zijn de rentebetalingen en/of aflossingen van de hoofdsom gekoppeld aan:

a)

een algemene prijsindex voor goederen en diensten (zoals het indexcijfer van de consumptieprijzen);

b)

een rentevoet, of

c)

de prijs van een actief.

5.99

Schuldbewijzen met variabele rente worden gewoonlijk als langlopende schuldbewijzen geclassificeerd, tenzij de oorspronkelijke looptijd ervan niet meer dan één jaar bedraagt.

5.100

Tot de aan de inflatie en activaprijzen gekoppelde schuldbewijzen behoren ook schuldbewijzen die als aan de inflatie gekoppelde obligaties en als aan goederen gekoppelde obligaties worden uitgegeven. De coupons en/of aflossingswaarde van een aan een goed gekoppelde obligatie zijn aan de prijs van een bepaald goed gekoppeld. Schuldbewijzen waarvan de uitgekeerde rente aan de kredietrating van een andere leningnemer is gekoppeld, worden als indexschuldbewijzen geclassificeerd, omdat kredietratings niet voortdurend veranderen in reactie op marktomstandigheden.

5.101

Bij aan rentevoeten gekoppelde schuldbewijzen variëren de contractuele nominale rente en/of de aflossingswaarde naargelang van de nationale valuta. Op de uitgiftedatum kan de emittent niet weten wat de waarde van de rentebetalingen en van de aflossing van de hoofdsom zal zijn.

Schuldbewijzen met gemengde rente

5.102

Schuldbewijzen met gemengde rente kennen gedurende hun looptijd zowel een vaste als een variabele couponrente en worden als schuldbewijzen met variabele rente geclassificeerd. Zij omvatten schuldbewijzen met:

a)

een vaste coupon naast een variabele coupon;

b)

een vaste of variabele coupon tot een referentiepunt en daarna een variabele of vaste coupon vanaf het referentiepunt tot de vervaldatum, of

c)

couponbetalingen die vooraf zijn vastgesteld voor de looptijd van de schuldbewijzen, maar die in de loop van de tijd niet gelijk blijven. Dergelijke schuldbewijzen worden getrapte schuldbewijzen genoemd.

Onderhandse plaatsingen

5.103

Tot de schuldbewijzen behoren ook onderhandse plaatsingen. Bij een onderhandse plaatsing verkoopt een emittent de schuldbewijzen rechtstreeks aan een klein aantal beleggers. De kredietwaardigheid van de emittent van deze schuldbewijzen wordt gewoonlijk niet door ratingbureaus beoordeeld en de schuldbewijzen worden meestal niet doorverkocht of herprijsd, waardoor er sprake is van een beperkte secundaire markt. De meeste onderhandse plaatsingen voldoen echter aan het criterium van verhandelbaarheid en worden als schuldbewijzen geclassificeerd.

Securitisatie

5.104

Definitie: securitisatie is de uitgifte van schuldbewijzen waarvan de coupon- of hoofdsombetalingen door gespecificeerde activa of door toekomstige inkomstenstromen worden gedekt. Diverse activa of toekomstige inkomstenstromen kunnen worden gesecuritiseerd, zoals onder meer hypothecaire leningen voor zakelijke en woondoeleinden, consumptieve kredieten, bedrijfskredieten, staatsleningen, verzekeringscontracten, kredietderivaten, en toekomstige inkomsten.

5.105

Securitisatie van activa of toekomstige inkomstenstromen is een belangrijke financiële innovatie die heeft geleid tot de oprichting en uitgebreide gebruikmaking van nieuwe financiële instellingen voor het creëren, op de markt brengen en uitgeven van schuldbewijzen. Securitisatie wordt ingegeven door verschillende overwegingen. Voor vennootschappen zijn dat onder andere: goedkopere financiering dan die welke via bancaire faciliteiten beschikbaar is, vermindering van de wettelijke kapitaalvereisten, overdracht van verschillende soorten risico's, zoals het kredietrisico of het verzekeringsrisico, en diversificatie van de financieringsbronnen.

5.106

Securitisatieregelingen lopen sterk uiteen binnen en tussen de markten voor schuldbewijzen. Deze regelingen kunnen globaal in twee soorten worden onderverdeeld:

a)

een financiële instelling is bij de securitisatie van de activa betrokken en er vindt een overdracht van de door de oorspronkelijke houder als zekerheid verschafte activa plaats. Dit staat bekend als een „true-sale”, en

b)

securitisatieregelingen waarbij een financiële instelling bij de securitisatie van de activa betrokken is en waarbij met behulp van kredietverzuimswaps alleen het kredietrisico wordt overgedragen — de oorspronkelijke eigenaar behoudt de activa maar geeft het kredietrisico door. Dit staat bekend als synthetische securitisatie.

5.107

Wat betreft de regeling als bedoeld in punt 5.106, onder a), wordt een securitisatie-instelling opgericht als houder van gesecuritiseerde activa of van andere, door de oorspronkelijke houder gesecuritiseerde activa, en als emittent van schuldbewijzen waarvoor deze activa het onderpand zijn.

5.108

Het van essentieel belang dat, in het bijzonder, wordt vastgesteld of de bij de securitisatie van activa betrokken financiële instelling haar portefeuille actief beheert door de uitgifte van schuldbewijzen en niet louter optreedt als trust die slechts passief activa beheert of schuldbewijzen aanhoudt. Indien de financiële instelling de juridische eigenaar van een activaportefeuille is, schuldbewijzen uitgeeft die een belang in die portefeuille vertegenwoordigen en over een volledige boekhouding beschikt, treedt zij op als een financiële intermediair die bij de overige financiële intermediairs is geclassificeerd. Financiële instellingen die zich met de securitisatie van activa bezighouden, worden onderscheiden van eenheden die uitsluitend worden opgericht om bepaalde portefeuilles financiële activa en passiva aan te houden. Deze laatstgenoemde eenheden worden gecombineerd met hun moederonderneming als zij in hetzelfde land als de moederonderneming zijn gevestigd. Als zij niet-ingezeten eenheden zijn, worden zij echter als afzonderlijke institutionele eenheden behandeld en als financiële instellingen binnen concernverband geclassificeerd.

5.109

In het geval van een securitisatieregeling als bedoeld in punt 5.106, onder b), draagt de oorspronkelijke eigenaar van de activa, of protectienemer, door middel van kredietverzuimswaps het aan een groep van gediversifieerde referentieactiva verbonden kredietrisico over aan een securitisatievennootschap maar behoudt hij de activa zelf. De opbrengst van de uitgifte van schuldbewijzen wordt in een deposito of een andere veilige belegging, zoals AAA-obligaties, ondergebracht en de opgebouwde rente op het deposito wordt samen met de premie van de kredietverzuimswaps gebruikt om de rente op de uitgegeven schuldbewijzen te financieren. Wanneer zich een wanbetaling voordoet, wordt de hoofdsom die aan de houders van de door activa gedekte schuldbewijzen is verschuldigd, verminderd, te beginnen met de kleinere schijven. Om het verlies uit kredietverzuim op te vangen, kunnen de betalingen van de coupons en van de hoofdsom ook worden verschoven van de beleggers in de schuldbewijzen naar de oorspronkelijke eigenaar van het onderpand.

5.110

Door activa gedekte schuldbewijzen („asset-backed securities”, ABS) zijn schuldbewijzen waarvan de hoofdsom en/of de rente uitsluitend wordt betaald uit de kasstroom die wordt geproduceerd door een gespecificeerde groep van financiële en niet-financiële activa.

Gedekte obligaties

5.111

Definitie: gedekte obligaties zijn schuldbewijzen die zijn uitgegeven door een financiële instelling of die volledig door een financiële instelling worden gegarandeerd. In geval van wanbetaling door de financiële instelling die de obligaties heeft uitgegeven of gegarandeerd, hebben de obligatiehouders naast hun oorspronkelijke aanspraak op de financiële instelling ook een prioritaire aanspraak op de groep van onderliggende activa.

Leningen (F.4)

5.112

Definitie: leningen (F.4) ontstaan wanneer crediteuren middelen lenen aan debiteuren.

Hoofdkenmerken van leningen

5.113

Leningen vertonen de volgende kenmerken:

a)

de leningsvoorwaarden worden ofwel vastgesteld door de financiële instelling die de lening toekent, ofwel rechtstreeks of via een tussenpersoon tussen geldgever en geldnemer overeengekomen;

b)

het initiatief voor de lening komt gewoonlijk van de geldnemer, en

c)

een lening is een onvoorwaardelijke schuld aan de crediteur; zij moet op de vervaldatum of -data worden afgelost en er moet rente over het geleende bedrag worden betaald.

5.114

Leningen kunnen financiële activa of passiva zijn van alle ingezeten sectoren en het buitenland. Deposito-instellingen registreren kortlopende financiële passiva doorgaans als deposito's, niet als leningen.

Classificatie van leningen naar oorspronkelijke looptijd, valuta en doel

5.115

Transacties in leningen kunnen naar oorspronkelijke looptijd in twee categorieën worden ingedeeld:

a)

kortlopende leningen (F.41) met een korte oorspronkelijke looptijd, met inbegrip van leningen die op verzoek direct moeten worden afgelost, en

b)

langlopende leningen (F.42) met een lange oorspronkelijke looptijd.

5.116

Leningen mogen voor analysedoeleinden als volgt worden onderverdeeld:

a)

leningen die in de nationale valuta luiden, en

b)

leningen die in vreemde valuta's luiden.

Voor huishoudens is een volgende onderverdeling zinvol:

a)

leningen voor consumptieve doeleinden;

b)

leningen voor de aankoop van een woning, en

c)

overige leningen.

Onderscheid tussen transacties in leningen en transacties in deposito's

5.117

Het verschil tussen transacties in leningen (F.4) en transacties in deposito's (F.22) is dat een debiteur bij een lening een niet-verhandelbaar standaardcontract aanbiedt en bij een deposito niet.

5.118

Kortlopende leningen aan deposito-instellingen worden geclassificeerd als girale deposito's of als overige deposito's, terwijl kortlopende leningen die door andere institutionele eenheden dan deposito-instellingen worden aanvaard, als kortlopende leningen worden geclassificeerd.

5.119

Plaatsing van middelen tussen deposito-instellingen wordt altijd als deposito geregistreerd.

Onderscheid tussen transacties in leningen en transacties in schuldbewijzen

5.120

Het verschil tussen transacties in leningen (F.4) en transacties in schuldbewijzen (F.3) is dat leningen niet-verhandelbare financiële instrumenten en schuldbewijzen verhandelbare financiële instrumenten zijn.

5.121

Leningen blijken in de meeste gevallen uit een enkel document en transacties in leningen vinden plaats tussen één crediteur en één debiteur. Emissies van schuldbewijzen bestaan daarentegen uit een groot aantal identieke documenten, elk voor een bepaald rond bedrag. Tezamen vormen deze het totale geleende bedrag.

5.122

Er bestaat een secundaire markt voor leningen. Als leningen verhandelbaar worden op een georganiseerde markt, moeten zij worden overgebracht van de categorie leningen naar de categorie schuldbewijzen, mits er bewijs is van handel op de secundaire markt (onder meer door het bestaan van marktmakers) en van een regelmatige notering van het financiële actief (bv. door het bestaan van spreads tussen bied- en laatkoers). Gewoonlijk vindt er een expliciete omzetting van de lening plaats.

5.123

Financiële instellingen bieden meestal gestandaardiseerde leningen aan, die vaak aan huishoudens worden toegekend. Financiële instellingen bepalen de voorwaarden en huishoudens hebben enkel de keuze deze te nemen of te laten. De voorwaarden van niet-gestandaardiseerde leningen zijn echter gewoonlijk de uitkomst van onderhandelingen tussen de crediteur en de debiteur. Dit is een belangrijk criterium, waarmee onderscheid kan worden gemaakt tussen niet-gestandaardiseerde leningen en schuldbewijzen. Bij openbare emissies worden de uitgiftevoorwaarden door de geldnemer bepaald, eventueel na overleg met de bank/„lead-manager”-bank van het emissiesyndicaat. Bij onderhandse plaatsingen van effecten daarentegen onderhandelen crediteur en debiteur over de uitgiftevoorwaarden.

Onderscheid tussen transacties in leningen, handelskredieten en handelswissels

5.124

Handelskrediet is krediet dat door de aanbieders van goederen en diensten rechtstreeks aan hun cliënten wordt verstrekt. Handelskrediet ontstaat wanneer de betaling van goederen en diensten niet plaatsvindt op het tijdstip van de eigendomsoverdracht van een goed of de verlening van een dienst.

5.125

Handelskrediet verschilt van leningen ter financiering van handel, die als leningen worden geclassificeerd. Handelswissels die door een leverancier van goederen en diensten op een cliënt worden getrokken en vervolgens door de leverancier bij een financiële instelling worden verdisconteerd, worden een aanspraak van een derde op de cliënt.

Effectenleningen en retrocessieovereenkomsten

5.126

Definitie: een effectenlening is de tijdelijke overdracht van effecten door de effectengever aan de effectennemer. De effectennemer kan worden verplicht activa in de vorm van geld of effecten als zekerheid aan de effectengever te verschaffen. De juridische eigendom wordt aan beide zijden van de transactie overgedragen, zodat de geleende effecten en de zekerheid verkocht of verder uitgeleend kunnen worden.

5.127

Definitie: een retrocessieovereenkomst is een regeling waarbij effecten, zoals schuldbewijzen of aandelen, worden geleverd in ruil voor geld of andere betaalmiddelen met de toezegging om dezelfde of soortgelijke effecten tegen een vastgestelde prijs terug te kopen. De toezegging om terug te kopen kan gelden voor een bepaalde datum in de toekomst, dan wel een „open” looptijd hebben.

5.128

Effectenleningen met geldelijke zekerheid en retrocessieovereenkomsten (repo's) zijn verschillende termen voor financiële regelingen met hetzelfde economische effect, namelijk dat van een gegarandeerde lening, omdat bij beide effecten als zekerheid voor een lening of deposito worden verschaft wanneer een deposito-instelling de effecten in het kader van een dergelijke financiële regeling verkoopt. De verschillende kenmerken van beide regelingen worden in tabel 5.2 weergegeven.

Tabel 5.2 —   Hoofdkenmerken van effectenleningen en retrocessieovereenkomsten

Kenmerk

Effectenleningen

Retrocessieovereenkomsten

Geldelijke zekerheid

Geen geldelijke zekerheid

Specifieke effecten

Algemene zekerheid

Formele uitwisseling

Uitlenen van effecten met de afspraak dat de effectennemer deze aan de effectengever terugbezorgt

Verkoop van effecten en de toezegging deze terug te kopen volgens de voorwaarden van een raamovereenkomst

Uitwisselingsvorm

Effecten tegen geld

Effecten tegen andere (of geen) zekerheid

Effecten tegen geld

Geld tegen effecten

Rendement wordt betaald aan verschaffer van

Geldelijke zekerheid (effectengever)

Effecten (niet effecten met geldelijke zekerheid)

(de effectennemer)

Geld

Geld

Rendement terug te betalen als

Vergoeding

Vergoeding

Reporente

Reporente

5.129

De economische eigendom van in het kader van effectenleningen en retrocessieovereenkomsten geleverde effecten wordt als ongewijzigd beschouwd omdat de effectengever de begunstigde van het inkomen uit de effecten blijft en de risico's en voordelen van prijswijzigingen van de effecten blijft ondervinden.

5.130

Noch de levering en ontvangst van middelen in het kader van een retrocessieovereenkomst, noch effectenlening met geldelijke zekerheid houdt enige nieuwe emissie van schuldbewijzen in. Dergelijke verstrekkingen van middelen aan andere institutionele eenheden dan monetaire financiële instellingen worden als leningen behandeld; bij deposito-instellingen worden ze als deposito's behandeld.

5.131

Wanneer er bij een effectenlening geen sprake is van de verstrekking van geld, d.w.z. als het ene effect tegen het andere wordt uitgewisseld of als één partij effecten levert zonder zekerheid, vindt er geen transactie in leningen, deposito's of effecten plaats.

5.132

Geldelijke margestortingen in het kader van een repo worden als leningen geclassificeerd.

5.133

Goudswaps zijn vergelijkbaar met retrocessieovereenkomsten, behalve dat de zekerheid goud is. Zij houden in dat goud wordt geruild voor buitenlandse valutadeposito's met de afspraak om het goud op een overeengekomen datum in de toekomst tegen een overeengekomen goudprijs terug te kopen (omgekeerde transactie). De transactie wordt geregistreerd als lening tegen onderpand of als deposito.

Financiële leases

5.134

Definitie: een financiële lease is een contract op grond waarvan de leasegever als juridische eigenaar van een actief de risico's en voordelen van de eigendom van het actief aan de leasenemer overdraagt. In het kader van een financiële lease wordt de leasegever geacht aan de leasenemer een lening te verstrekken waarmee de leasenemer het actief verwerft. Daarna wordt het geleasete actief op de balans van de leasenemer en niet op die van de leasegever vermeld; de bijbehorende lening wordt als actief van de leasegever en als passief van de leasenemer geregistreerd.

5.135

Een financiële lease is te onderscheiden van andere soorten lease omdat de risico's en voordelen van de eigendom van de juridische eigenaar van het goed aan de gebruiker van het goed worden overgedragen. Andere soorten lease zijn de operationele lease en de middelenlease. Contracten, leases en vergunningen, als omschreven in hoofdstuk 15, kunnen ook als leases worden beschouwd.

Andere soorten leningen

5.136

De categorie leningen omvat:

a)

overdisposities in girale depositorekeningen, waarbij het voorschotbedrag niet als een negatief giraal deposito wordt behandeld;

b)

overdisposities in andere rekeningen-courant, bijvoorbeeld saldi van interne verrekeningen binnen een concern van niet-financiële vennootschappen en hun dochterondernemingen, maar exclusief saldi die financiële passiva van monetaire financiële instellingen zijn en die tot een van de subcategorieën van de deposito's behoren;

c)

financiële aanspraken van werknemers vanwege hun deelname in de winst van de vennootschap;

d)

terug te betalen margestortingen in verband met financiële derivaten, voor zover die stortingen financiële passiva van andere institutionele eenheden dan monetaire financiële instellingen zijn;

e)

leningen die de tegenhanger van bankaccepten zijn;

f)

hypothecaire leningen;

g)

consumptieve kredieten;

h)

doorlopende kredieten;

i)

afbetalingskredieten;

j)

waarborgsommen;

k)

depositogaranties in de vorm van financiële aanspraken van herverzekeringsinstellingen op cederende instellingen;

l)

financiële aanspraken op het IMF blijkens leningen binnen diens „General Resources Account”, inclusief leningen uit hoofde van de „General Arrangements to Borrow” (GAB) en de „New Arrangements to Borrow” (NAB), en

m)

financiële passiva jegens het IMF blijkens IMF-kredieten of leningen uit hoofde van de faciliteit voor armoedebestrijding en groei („Poverty Reduction and Growth Facility”, PRGF).

5.137

Het speciale geval van niet-renderende leningen wordt behandeld in hoofdstuk 7.

Financiële activa die niet tot de leningen behoren

5.138

Tot de categorie leningen behoren niet:

a)

overige vorderingen/schulden (AF.8), met inbegrip van handelskredieten en voorschotten (AF.81), en

b)

financiële activa of passiva voortvloeiend uit de eigendom van onroerend goed (zoals grond en bouwwerken) door niet-ingezetenen. Deze zijn ingedeeld bij overige deelnemingen (AF.519).

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5)

5.139

Definitie: deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.5) zijn restaanspraken op de activa van de institutionele eenheden die de aandelen of rechten van deelneming hebben uitgegeven.

5.140

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen worden in twee subcategorieën ingedeeld:

a)

deelnemingen (F.51), en

b)

aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.52).

Deelneming (F.51)

5.141

Definitie: een deelneming (F.51) is een financieel actief die een aanspraak is op de restwaarde van een vennootschap nadat aan alle overige aanspraken is voldaan.

5.142

Eigendom van deelneming in juridische eenheden wordt gewoonlijk gestaafd door aandelen, effecten, aandelencertificaten, deelnemingen, of soortgelijke documenten. Aandelen en effecten hebben dezelfde betekenis.

Aandelencertificaten

5.143

Definitie: aandelencertificaten vertegenwoordigen de eigendom van in andere economieën beursgenoteerde effecten; eigendom van aandelencertificaten wordt behandeld als directe eigendom van de onderliggende effecten. Een bewaarinstelling geeft certificaten uit die aan de ene beurs genoteerd zijn en de eigendom vertegenwoordigen van effecten die aan een andere beurs genoteerd zijn. Aandelencertificaten vergemakkelijken transacties in effecten in andere economieën dan die waar ze beursgenoteerd zijn. De onderliggende effecten kunnen aandelen of schuldbewijzen zijn.

5.144

Deelnemingen zijn in de volgende categorieën onderverdeeld:

a)

beursgenoteerde aandelen (F.511);

b)

niet-beursgenoteerde aandelen (F.512), en

c)

overige deelnemingen (F.519).

5.145

Zowel beursgenoteerde als niet-beursgenoteerde aandelen zijn verhandelbaar en worden beide als aandelenbewijzen beschreven.

Beursgenoteerde aandelen (F.511)

5.146

Definitie: beursgenoteerde aandelen (F.511) zijn aandelenbewijzen die aan een beurs genoteerd zijn. Deze beurs kan zowel een erkende aandelenbeurs als enige andere vorm van secundaire markt zijn. Dat beurskoersen voor beursgenoteerde aandelen bestaan, betekent dat de actuele marktprijzen gewoonlijk onmiddellijk beschikbaar zijn.

Niet-beursgenoteerde aandelen (F.512)

5.147

Definitie: niet-beursgenoteerde aandelen (F.512) zijn aandelenbewijzen die niet aan een beurs genoteerd zijn.

5.148

Aandelenbewijzen omvatten de volgende aandelen die door niet-beursgenoteerde vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid zijn uitgegeven:

a)

kapitaalaandelen die de houders de status van gezamenlijke eigenaars verlenen en hen het recht geven op een aandeel van het totaal van de uitgekeerde winst en in het nettovermogen in geval van liquidatie;

b)

terugbetaalde aandelen, waarop het nominale maatschappelijke kapitaal is terugbetaald maar waarvan de houder de hoedanigheid van deelgerechtigde heeft behouden en die recht geven op een deel van de winst nadat op het maatschappelijk kapitaal dividend is uitgekeerd, alsmede op een eventueel overschot bij liquidatie (nettovermogen verminderd met het maatschappelijk kapitaal);

c)

dividendaandelen, ook oprichtersaandelen en winstaandelen genoemd, die geen deel uitmaken van het maatschappelijk kapitaal. Dividendaandelen verlenen de houders niet de status van gezamenlijke eigenaars — houders hebben derhalve geen recht op een aandeel in de terugbetaling van het maatschappelijk kapitaal, recht op een inkomen uit dit kapitaal, stemrecht tijdens aandeelhoudersvergaderingen enz. Desalniettemin geven ze de houders recht op een evenredig deel van de overwinst na uitkering van dividend op het maatschappelijk kapitaal en op een deel van enig overschot bij liquidatie;

d)

winstdelende preferente aandelen die houders recht geven op een deel van de restwaarde van een vennootschap in ontbinding. De houders hebben ook recht op een deel van de aanvullende dividenden die worden uitgekeerd boven het vaste dividendpercentage. De aanvullende dividenden worden gewoonlijk uitgekeerd in verhouding tot de vastgestelde gewone dividenden. In geval van liquidatie hebben houders van winstdelende preferente aandelen recht op een deel van de resterende opbrengst die gewone aandeelhouders ontvangen en krijgen zij het bedrag terug dat zij voor hun aandelen hebben betaald.

Beursintroductie, notering aanvragen, notering beëindigen, aandelenterugkoop

5.149

Een beursintroductie, ook wel „beursgang” genoemd, is het moment waarop een vennootschap voor het eerst openbaar verhandelbare aandelenbewijzen uitgeeft. Dergelijke openbaar verhandelbare aandelenbewijzen worden vaak uitgegeven door kleinere, jongere vennootschappen die financiering nodig hebben, of door grote ondernemingen die willen dat hun aandelen openbaar verhandelbaar worden. Bij een beursintroductie kan de emittent zich laten bijstaan door een emissie-entiteit, die ondersteuning biedt bij het bepalen van het uit te geven type aandeel, de beste inschrijvingsprijs en het beste tijdstip om het aandeel in de handel te brengen.

5.150

Notering verwijst naar het feit dat de aandelen van de vennootschap zijn opgenomen in de lijst van aandelen die officieel op een effectenbeurs worden verhandeld. Gewoonlijk is de emitterende vennootschap degene die een notering aanvraagt, maar in sommige landen kan de beurs een vennootschap zelf noteren, bijvoorbeeld omdat het aandeel ervan al actief wordt verhandeld via informele kanalen. Tot de eisen die aan beursintroductie zijn verbonden, behoren gewoonlijk een geschiedenis van enkele jaren in de vorm van financiële overzichten, een toereikende omvang van het aandelenkapitaal dat bij het publiek wordt geplaatst (in absolute cijfers en als percentage van het totale uitstaande aandelenkapitaal) en een goedgekeurd prospectus, meestal met adviezen van onafhankelijke beoordelaars. Met het beëindigen van een notering wordt bedoeld dat de aandelen van een vennootschap van een effectenbeurs worden verwijderd. Dit gebeurt wanneer een vennootschap haar activiteiten staakt, failliet wordt verklaard, niet langer aan de noteringsregels van een effectenbeurs voldoet, dan wel een quasivennootschap of onderneming zonder rechtspersoonlijkheid is geworden, meestal als gevolg van een fusie of overname. Het aanvragen van een notering wordt geregistreerd als een emissie van beursgenoteerde aandelen en als een aflossing van niet-beursgenoteerde aandelen, terwijl het beëindigen van een notering wordt geregistreerd als een aflossing van beursgenoteerde aandelen en, in voorkomend geval, een emissie van niet-beursgenoteerde aandelen.

5.151

Vennootschappen kunnen hun eigen aandelen terugkopen; dit staat ook bekend als een wederinkoop van aandelen. Een wederinkoop van aandelen wordt geregistreerd als een financiële transactie die geld oplevert voor de bestaande aandeelhouders in ruil voor een deel van het uitstaande aandelenkapitaal van de vennootschap. Dat wil zeggen dat er geld wordt geruild voor een vermindering van het aantal uitstaande aandelen. De vennootschap trekt de ingekochte eigen aandelen terug of houdt deze aan, zodat ze beschikbaar zijn om opnieuw te worden uitgegeven.

Financiële activa die niet als aandelenbewijzen worden geclassificeerd

5.152

Aandelenbewijzen omvatten niet:

a)

bij de emissie te koop aangeboden aandelen waarop niet is ingeschreven. Deze worden niet geregistreerd;

b)

obligaties en andere in aandelen converteerbare obligaties. Deze worden als schuldbewijzen (AF.3) geclassificeerd tot het moment waarop zij worden geconverteerd;

c)

de deelnemingen van vennoten met onbeperkte aansprakelijkheid in personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid. Deze worden als overige deelnemingen geclassificeerd;

d)

overheidsdeelnemingen in het kapitaal van internationale organisaties die de juridische vorm van kapitaalvennootschappen hebben. Deze worden als overige deelnemingen (AF.519) geclassificeerd;

e)

emissies van bonusaandelen, te weten: nieuwe aandelen die gratis ter beschikking van aandeelhouders worden gesteld naar rato van hun aandelenbezit. Een dergelijke emissie, waardoor noch het financiële passief van de vennootschap tegenover de aandeelhouders wijzigt, noch de verhouding van het actief van iedere aandeelhouder tot het totale aandelenkapitaal van de vennootschap, is geen financiële transactie. Ook aandelensplitsingen worden niet geregistreerd.

Overige deelnemingen (F.519)

5.153

Definitie: overige deelnemingen (F.519) omvatten alle vormen van deelnemingen die niet zijn ingedeeld bij de subcategorieën beursgenoteerde aandelen (AF.511) en niet-beursgenoteerde aandelen (AF.512).

5.154

Overige deelnemingen omvatten:

a)

alle vormen van deelnemingen in vennootschappen, die geen aandelen zijn, met inbegrip van het volgende:

1.

deelneming van vennoten met onbeperkte aansprakelijkheid in personenvennootschappen met rechtspersoonlijkheid;

2.

deelneming in vennootschappen met beperkte aansprakelijkheid waarvan de eigenaars partner en geen aandeelhouder zijn;

3.

deelneming in personenvennootschappen, al dan niet met onbeperkte aansprakelijkheid, indien zij onafhankelijke rechtspersonen zijn;

4.

stichtingskapitaal en ledenrekeningen van coöperatieve verenigingen die als onafhankelijke juridische entiteit zijn erkend;

b)

deelnemingen van de overheid in het kapitaal van overheidsbedrijven waarvan het kapitaal niet in aandelen is verdeeld en die op grond van specifieke wetgeving als onafhankelijke juridische entiteit zijn erkend;

c)

deelneming van de overheid in het kapitaal van de centrale bank;

d)

overheidsdeelnemingen in het kapitaal van internationale en supranationale organisaties, met uitzondering van het IMF, ook indien deze de juridische vorm hebben van een kapitaalvennootschap (bv. de Europese Investeringsbank);

e)

de financiële middelen van de ECB, bijeengebracht door de nationale centrale banken;

f)

de kapitaalinbreng in financiële en niet-financiële quasivennootschappen. Het bedrag ervan komt overeen met het saldo van nieuwe investeringen in geld of in natura en het aan deze quasivennootschappen onttrokken inkomen;

g)

de financiële aanspraken van niet-ingezeten eenheden op fictieve ingezeten eenheden en omgekeerd.

Waardering van transacties in deelnemingen

5.155

Nieuw uitgegeven aandelen worden geregistreerd tegen de emissiewaarde, die gelijk is aan de nominale waarde plus agio.

5.156

Transacties in aandelen die in omloop zijn, worden geregistreerd tegen transactiewaarde. Wanneer de transactiewaarde niet bekend is, wordt deze bij benadering bepaald: bij beursgenoteerde aandelen aan de hand van de beursnotering of de marktprijs, en bij niet-beursgenoteerde aandelen aan de hand van de waarde van marktequivalenten.

5.157

Als dividend uitgegeven aandelen zijn aandelen die worden gewaardeerd tegen de prijs die blijkt uit het voorstel tot dividenduitkering van de emittent.

5.158

Emissies van bonusaandelen worden niet geregistreerd. Indien uit de emissie van bonusaandelen echter een verandering in de totale marktwaarde van de aandelen van een vennootschap voortvloeit, wordt deze verandering in marktwaarde in de herwaarderingsrekening geregistreerd.

5.159

De transactiewaarde van deelnemingen (F.51) is gelijk aan het bedrag dat door de eigenaars aan vennootschappen of quasivennootschappen is verstrekt. Soms worden middelen verstrekt door financiële passiva van de vennootschap of quasivennootschap over te nemen.

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (F.52)

5.160

Definitie: aandelen in beleggingsfondsen zijn aandelen van een beleggingsfonds als het fonds een vennootschapsstructuur heeft. Als het fonds een trust is, worden zij rechten van deelneming genoemd. Beleggingsfondsen zijn collectieve beleggingsinstellingen via welke beleggers middelen bijeenbrengen om in financiële en/of niet-financiële activa te beleggen.

5.161

Beleggingsfondsen worden ook wel beleggingsmaatschappijen, „unit-trusts”, „investment trusts” en instellingen voor collectieve belegging in effecten (icbe's) genoemd, en kunnen „open-end”-, „semi-open”- of „closed-end”-fondsen zijn.

5.162

Aandelen in beleggingsfondsen kunnen beursgenoteerd of niet-beursgenoteerd zijn. Indien zij niet-beursgenoteerd zijn, kunnen zij gewoonlijk op verzoek weer worden teruggenomen tegen een waarde die overeenkomt met het aandeel ervan in het eigen vermogen van de desbetreffende financiële instelling. De waarde van het eigen vermogen wordt regelmatig aan de hand van de marktprijzen van de verschillende vermogensbestanddelen vastgesteld.

5.163

Aandelen in beleggingsfondsen zijn onderverdeeld in:

 

aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen (F.521), en

 

aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (F.522).

Aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen (GMF's) (F.521)

5.164

Definitie: aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen (GMF's) (F.521) zijn aandelen die door geldmarktfondsen worden uitgegeven. Zij kunnen overdraagbaar zijn en worden vaak als vergelijkbaar met deposito's beschouwd.

Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (F.522)

5.165

Definitie: aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. GMF's (F.522) vertegenwoordigen een aanspraak op een deel van de waarde van een beleggingsfonds dat geen GMF is. Dit type van aandelen of rechten van deelneming worden door beleggingsfondsen uitgegeven.

5.166

Niet-beursgenoteerde aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. GMF's worden gewoonlijk op verzoek weer teruggenomen tegen een waarde die overeenkomt met het aandeel ervan in het eigen vermogen van de desbetreffende financiële instelling. De waarde van dergelijk eigen vermogen wordt regelmatig aan de hand van de marktprijzen van de verschillende vermogensbestanddelen vastgesteld.

Waardering van transacties in aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

5.167

Transacties in aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen omvatten de waarde van de nettostortingen bij een dergelijk fonds.

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (F.6)

5.168

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen zijn in zes subcategorieën onderverdeeld:

a)

technische voorzieningen schadeverzekering (F.61);

b)

levensverzekerings- en lijfrenterechten (F.62);

c)

pensioenrechten (F.63);

d)

aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders (F.64);

e)

rechten op niet-pensioenuitkeringen (F.65), en

f)

voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (F.66).

Technische voorzieningen schadeverzekering (F.61)

5.169

Definitie: technische voorzieningen schadeverzekering (F.61) zijn financiële aanspraken van schadeverzekeringspolishouders op schadeverzekeringsinstellingen met betrekking tot niet-verdiende premies en ontstane schaden.

5.170

Transacties in technische voorzieningen schadeverzekering voor niet-verdiende premies en ontstane schaden hebben betrekking op risico's zoals ongevallen, ziekte of brand, en op herverzekering.

5.171

Niet-verdiende premies zijn premies die al zijn betaald maar nog niet zijn verdiend. Premies worden gewoonlijk betaald aan het begin van de door de polis gedekte periode. De premies worden verdiend op transactiebasis gedurende de hele polisperiode, zodat de eerste betaling een vooruitbetaling of een voorschot betreft.

5.172

Te betalen schaden zijn gerealiseerde schade-uitkeringen die nog niet zijn afgewikkeld, inclusief gevallen waarin het bedrag wordt betwist of waarin de gebeurtenis die tot de schade leidt al heeft plaatsgevonden maar nog niet is gemeld. Gerealiseerde maar nog niet afgewikkelde schade-uitkeringen komen overeen met de voorzieningen voor te betalen schaden, d.w.z. bedragen die door verzekeringsinstellingen zijn aangemerkt als dekking voor wat zij verwachten uit te keren als gevolg van gebeurtenissen die al hebben plaatsgevonden maar waarvoor de schaden nog niet zijn afgewikkeld.

5.173

Verzekeraars kunnen ook andere technische voorzieningen, zoals egalisatievoorzieningen, vormen. Deze worden echter alleen als passiva en bijbehorende activa opgenomen wanneer er zich een gebeurtenis voordoet die tot een passief leidt. In andere gevallen zijn egalisatievoorzieningen interne boekhoudkundige registraties van de verzekeraar die besparingen vertegenwoordigen ter dekking van onregelmatig voorkomende gebeurtenissen en vertegenwoordigen zij geen bestaande aanspraken van polishouders.

Levensverzekerings- en lijfrenterechten (F.62)

5.174

Definitie: levensverzekerings- en lijfrenterechten (F.62) zijn financiële aanspraken van levensverzekeringspolishouders en begunstigden van een lijfrente op vennootschappen die levensverzekeringen aanbieden.

5.175

Levensverzekerings- en lijfrenterechten worden gebruikt om op de vervaldatum van de polis in uitkeringen aan polishouders te voorzien of om begunstigden te vergoeden bij het overlijden van polishouders, en worden daarom afgezonderd van de fondsen van aandeelhouders. Voorzieningen voor de uitbetaling van lijfrenten zijn gebaseerd op de actuariële berekening van de contante waarde van de verplichtingen tot betaling van toekomstige inkomsten tot het overlijden van de begunstigden.

5.176

Transacties in levensverzekerings- en lijfrenterechten vertegenwoordigen een saldo van toevoegingen en onttrekkingen.

5.177

De toevoegingen in termen van financiële transacties omvatten:

a)

gedurende de lopende verslagperiode werkelijk verdiende premies, en

b)

aanvullende premies, die gelijk zijn aan het inkomen uit de belegging van de aan polishouders toegerekende rechten na aftrek van de vergoeding voor de dienstverlening.

5.178

De onttrekkingen omvatten:

a)

de bedragen die verschuldigd zijn aan houders van kapitaalverzekeringspolissen en dergelijke, en

b)

de uitkeringen die verschuldigd zijn bij polissen die voor de vervaldag worden afgekocht.

5.179

In het geval van een collectieve verzekering die een vennootschap namens haar werknemers afsluit, zijn de werknemers, en niet de werkgever, de begunstigden, aangezien zij als polishouder worden beschouwd.

Pensioenrechten (F.63)

5.180

Definitie: pensioenrechten (F.63) omvatten financiële aanspraken van huidige en voormalige werknemers op:

a)

hun werkgevers;

b)

een regeling die door de werkgever is aangewezen voor het uitbetalen van pensioenen in het kader van een beloningsovereenkomst tussen de werkgever en de werknemer, of

c)

een verzekeraar.

5.181

Transacties in pensioenrechten vertegenwoordigen een saldo van toevoegingen en onttrekkingen. Waarderingsverschillen met betrekking tot door de pensioenfondsen belegde middelen zijn hierin niet opgenomen.

5.182

De toevoegingen in termen van financiële transacties omvatten:

a)

de gedurende de lopende verslagperiode werkelijk verdiende pensioenpremies die in rekening zijn gebracht aan werknemers, werkgevers, zelfstandigen of andere institutionele eenheden ten behoeve van individuen of huishoudens met aanspraken op de regeling, en

b)

de aanvullende premies, die gelijk zijn aan het inkomen uit de belegging van de aan de deelnemende huishoudens toegerekende pensioenrechten na aftrek van de vergoeding voor de dienstverlening tijdens de beheerperiode.

5.183

De onttrekkingen omvatten:

a)

de sociale uitkeringen die zijn toegekend aan de gepensioneerden of personen die van hen afhankelijk zijn, in de vorm van periodieke betalingen of andere uitkeringen, en

b)

de sociale uitkeringen in de vorm van uitkeringen ineens die zijn toegekend aan personen die met pensioen gaan.

Voorwaardelijke pensioenrechten

5.184

De categorie pensioenrechten omvat geen voorwaardelijke pensioenrechten die zijn gevormd door institutionele eenheden die zijn geclassificeerd als pensioenregelingen van overheidswerkgevers met vaste uitkering zonder kapitaaldekking of als socialezekerheidsfondsen. De transacties daarvan worden niet volledig geregistreerd en de overige stromen en standen daarvan zijn niet opgenomen in de hoofdrekeningen maar in de aanvullende tabel inzake verworven pensioenrechten in de sociale verzekering. Voorwaardelijke pensioenrechten zijn geen financiële passiva van de subsectoren centrale overheid, deelstaatoverheid, lagere overheid of socialezekerheidsfondsen, en geen financiële activa van de verwachte begunstigden.

Aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders (F.64)

5.185

Een werkgever kan een contract met een derde sluiten om het pensioenfonds voor zijn werknemers te administreren. Als de werkgever de voorwaarden van de pensioenregelingen blijft bepalen en de verantwoordelijkheid voor financieringstekorten en het recht op financieringsoverschotten behoudt, wordt de werkgever als pensioenbeheerder beschouwd en de eenheid die de werkzaamheden onder leiding van de pensioenbeheerder verricht als pensioenadministrateur. Als de overeenkomst tussen de werkgever en de derde inhoudt dat de werkgever de risico's en verantwoordelijkheid voor een financieringstekort aan de derde overdraagt in ruil voor het recht van de derde om overschotten te behouden, is de derde zowel pensioenbeheerder als pensioenadministrateur.

5.186

Wanneer de pensioenbeheerder een andere eenheid is dan de pensioenadministrateur en het aan het pensioenfonds toekomende bedrag ten achter blijft bij de toename van de rechten, wordt een aanspraak van het pensioenfonds op de pensioenbeheerder geregistreerd. Indien het aan het pensioenfonds toekomende bedrag de toename van de rechten overtreft, is het pensioenfonds een bedrag verschuldigd aan de pensioenbeheerder.

Rechten op niet-pensioenuitkeringen (F.65)

5.187

Het overschot aan nettopremies ten opzichte van uitkeringen vertegenwoordigt een toename van het financiële passief van de verzekeringsregeling jegens de begunstigden. Dit overschot wordt geregistreerd als correctie in de inkomensbestedingsrekening. Aangezien het om een toename van een financiële passief gaat, wordt het ook in de financiële rekening geregistreerd. Een dergelijke registratie zal waarschijnlijk maar zelden voorkomen; om praktische redenen kunnen mutaties in dergelijke rechten op niet-pensioenuitkeringen bij die voor pensioenen worden opgenomen.

Voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (F.66)

5.188

Definitie: voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (F.66) zijn financiële aanspraken van houders van standaardgaranties op de institutionele eenheden die deze garanties verlenen.

5.189

Voorzieningen met betrekking tot claims in het kader van standaardgaranties zijn vooruitbetaalde nettovergoedingen en voorzieningen voor openstaande claims in het kader van standaardgaranties. Evenals voorzieningen voor vooruitbetaalde verzekeringspremies en openstaande verzekeringsaanspraken, bestaan voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties uit niet-verdiende vergoedingen (premies) en claims (aanspraken) die nog niet zijn afgewikkeld.

5.190

Standaardgaranties zijn garanties die in grote aantallen en op vrijwel identieke wijze worden uitgegeven, meestal voor vrij kleine bedragen. Bij dergelijke regelingen zijn drie partijen betrokken: de geldnemer, de geldgever en de borg. De geldnemer of de geldgever kan met de borg een contract afsluiten voor terugbetaling aan de geldgever als de geldnemer in gebreke blijft. Voorbeelden zijn exportkredietgaranties of studieleninggaranties.

5.191

Hoewel het niet mogelijk is de waarschijnlijkheid te bepalen dat een bepaalde geldnemer in gebreke blijft, is het gebruikelijk om een schatting te maken van het aantal wanbetalers in een groep soortgelijke geldnemers. Net als een schadeverzekeraar zal een commercieel werkende borg verwachten dat alle betaalde vergoedingen, vermeerderd met het inkomen uit vermogen dat op de vergoedingen en voorzieningen wordt verdiend, de verwachte wanbetalingen en bijbehorende kosten dekken en winst opleveren. Daarom worden dergelijke garanties, aangeduid als standaardgaranties, op soortgelijke wijze behandeld als schadeverzekeringen.

5.192

Standaardgaranties behelzen garanties op diverse financiële instrumenten, zoals deposito's, schuldbewijzen, leningen en handelskredieten. Dergelijke garanties kunnen gewoonlijk worden verleend door financiële instellingen, met inbegrip van onder meer verzekeringsinstellingen, maar ook door de overheid.

5.193

Wanneer een institutionele eenheid standaardgaranties verleent, brengt zij vergoedingen in rekening en neemt zij financiële passiva op om aan de claim op de garantie te kunnen voldoen. De waarde van de financiële passiva in de rekening van de borg is gelijk aan de contante waarde van de verwachte claims in het kader van bestaande garanties, na aftrek van betalingen die de borg nog van de in gebreke blijvende geldnemers verwacht te ontvangen. Het financiële passief wordt als voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties aangeduid.

5.194

Een garantie kan gelden voor een periode van meerdere jaren. Een vergoeding kan jaarlijks of van tevoren worden betaald. In beginsel vertegenwoordigt de vergoeding bijdragen die worden verdiend voor elk jaar dat de garantie geldig is, waarbij het financiële passief afneemt naarmate de resterende periode korter wordt (ervan uitgaande dat de geldnemer in termijnen afbetaalt). De registratie gaat derhalve op dezelfde wijze als lijfrenten, waarbij de vergoeding wordt betaald naarmate het toekomstige financiële passief afneemt.

5.195

Uit de aard van een standaardgarantieregeling volgt dat er veel garanties van dezelfde soort bestaan, hoewel ze niet allemaal exact dezelfde looptijd hebben, en ook niet allemaal op dezelfde data beginnen en eindigen.

5.196

Nettovergoedingen worden berekend als het totaal van de ontvangen vergoedingen plus aanvullende vergoedingen (gelijk aan het inkomen uit vermogen dat wordt toegerekend aan de eenheid die de garantievergoeding betaalt), na aftrek van de kosten voor administratie en dergelijke. Dergelijke nettovergoedingen kunnen worden betaald door elke sector van de economie en worden ontvangen door de sector waarin de borg is ingedeeld. Claims in het kader van standaardgarantieregelingen zijn betalingen van de borg en ontvangsten van de geldgever van het gegarandeerde financiële instrument, ongeacht of de vergoeding door de geldgever of de geldnemer is betaald. Financiële transacties zijn het verschil tussen de betaling van vergoedingen voor nieuwe garanties en de claims in het kader van bestaande garanties.

Standaardgaranties en eenmalige garanties

5.197

Standaardgaranties worden op grond van de volgende twee criteria van eenmalige garanties onderscheiden:

a)

standaardgaranties worden getypeerd door vaak herhaalde transacties met soortgelijke kenmerken en pooling van risico's, en

b)

borgen zijn in staat om op basis van beschikbare statistieken het gemiddelde verlies te schatten.

Eenmalige garanties zijn individueel en borgen zijn niet in staat een betrouwbare schatting van het claimrisico te maken. Het verlenen van een eenmalige garantie is een eventualiteit en wordt niet geregistreerd. Uitzonderingen zijn bepaalde garanties die door de overheid worden verleend en in hoofdstuk 20 worden beschreven.

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (F.7)

5.198

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers zijn in twee subcategorieën onderverdeeld:

a)

financiële derivaten (F.71), en

b)

aandelenopties voor werknemers (F.72).

Financiële derivaten (F.71)

5.199

Definitie: financiële derivaten (F.71) zijn financiële instrumenten die aan een specifiek financieel instrument, een specifieke indicator of een specifiek goed zijn gekoppeld en aan de hand waarvan specifieke financiële risico's zelfstandig op financiële markten kunnen worden verhandeld. Financiële derivaten voldoen aan de volgende voorwaarden:

a)

ze zijn aan een financieel of niet-financieel actief, aan een groep activa of aan een index gekoppeld;

b)

ze zijn ofwel verhandelbaar, ofwel compenseerbaar op de markt, en

c)

er wordt geen hoofdsom verschaft die moet worden terugbetaald.

5.200

Financiële derivaten worden voor een aantal doeleinden gebruikt, waaronder risicobeheer, afdekking, arbitrage tussen markten, speculatie en beloning van werknemers. Financiële derivaten stellen partijen in staat specifieke financiële risico's (zoals renterisico, valuta-, aandelen- en grondstofprijsrisico en kredietrisico) te ruilen met andere entiteiten die bereid zijn deze risico's te nemen, gewoonlijk zonder dat er handel in een primair actief plaatsvindt. Financiële derivaten worden daarom secundaire activa genoemd.

5.201

De waarde van een financieel derivaat wordt afgeleid van de prijs van het onderliggende actief: de referentieprijs. De referentieprijs kan betrekking hebben op een financieel of niet-financieel actief, een rentevoet, een wisselkoers, een ander derivaat of een spread tussen twee prijzen. De derivaatovereenkomst kan ook verwijzen naar een index, een mandje van koersen, of naar andere zaken zoals emissiehandel of weersomstandigheden.

5.202

Financiële derivaten kunnen worden ingedeeld naar instrument, zoals opties, termijncontracten en kredietderivaten, of naar marktrisico, zoals valutaswaps, renteswaps enz.

Opties

5.203

Definitie: opties zijn overeenkomsten die de optiehouder het recht geven, maar niet verplichten binnen een bepaalde periode of op een bepaalde datum een actief tegen een van tevoren overeengekomen prijs te kopen van of te verkopen aan de optieschrijver.

Het recht te kopen staat bekend als een calloptie en het recht te verkopen staat bekend als een putoptie.

5.204

De koper van de optie betaalt een premie (de optieprijs) voor de verbintenis van de optieschrijver dat hij de aangegeven hoeveelheid onderliggende activa tegen de overeengekomen prijs zal kopen of verkopen. De premie is een financieel actief van de optiehouder en een financieel passief van de optieschrijver. De premie kan theoretisch worden geacht een vergoeding voor de dienstverlening te omvatten, die afzonderlijk moet worden geregistreerd. Wanneer gedetailleerde gegevens ontbreken, dienen evenwel veronderstellingen zoveel mogelijk te worden vermeden bij het vaststellen van het dienstverleningselement.

5.205

Warrants zijn een soort opties. Ze geven de houder ervan het recht maar verplichten hem niet van de emittent van de warrant gedurende een vastgestelde periode tegen gespecificeerde voorwaarden een bepaald aantal aandelen of obligaties te kopen. Er bestaan ook valutawarrants (die zijn gebaseerd op de hoeveelheid van een bepaalde valuta die nodig is om een andere valuta te kopen) en „cross-currency”-warrants (die aan derde valuta's zijn gekoppeld), alsmede index-, mandje- en commodity-warrants.

5.206

De warrant kan scheidbaar zijn en afzonderlijk van het schuldbewijs worden verhandeld. Het gevolg is dat in beginsel twee afzonderlijke financiële instrumenten worden geregistreerd: de warrant als financieel derivaat en de obligatie als schuldbewijs. Warrants met daarin besloten derivaten worden volgens hun primaire kenmerken ingedeeld.

Termijncontracten

5.207

Definitie: termijncontracten zijn financiële overeenkomsten waarin beide partijen afspreken een bepaalde hoeveelheid van een onderliggend actief op een vastgestelde datum tegen een overeengekomen prijs (de uitoefenprijs) uit te wisselen.

5.208

Futures zijn termijncontracten die op georganiseerde beurzen worden verhandeld. Futures en andere termijncontracten worden over het algemeen, maar niet altijd, afgewikkeld door de betaling van geld of het verstrekken van een ander financieel actief, en niet door levering van het onderliggende actief, en worden daarom afzonderlijk van het onderliggende actief gewaardeerd en verhandeld. Vaak voorkomende soorten termijncontracten zijn swaps en rentetermijncontracten („forward rate agreements”).

Opties tegenover termijncontracten

5.209

Opties verschillen in de volgende zin van termijncontracten:

a)

bij de aanvang is er voor een termijncontract gewoonlijk geen vooruitbetaling verschuldigd, zodat de derivaatovereenkomst begint met een waarde nul; in geval van een optie wordt een premie betaald wanneer het contract wordt gesloten en wordt het contract bij aanvang tegen het premiebedrag gewaardeerd;

b)

doordat marktprijzen, rentevoeten of wisselkoersen tijdens de looptijd van een termijncontract veranderen, kan het contract voor één partij een positieve waarde hebben (als actief) en voor de andere partij een overeenkomstige negatieve waarde (als passief). Naargelang de marktontwikkeling van het onderliggende actief ten opzichte van de uitoefenprijs in het contract kunnen dergelijke posities wisselen tussen de partijen. Dit kenmerk maakt het ondoenbaar om transacties in activa van transacties in passiva te onderscheiden. In tegenstelling tot andere financiële instrumenten worden transacties in termijncontracten daarom gewoonlijk als het saldo van activa en passiva gerapporteerd. In geval van een optie is de koper altijd de crediteur en de schrijver altijd de debiteur;

c)

op de vervaldatum is de aflossing van een termijncontract onvoorwaardelijk, terwijl deze voor een optie door de koper van de optie wordt bepaald. Sommige opties worden automatisch afgelost wanneer ze op de vervaldatum in de plus zijn.

Swaps

5.210

Definitie: swaps zijn overeenkomsten tussen twee partijen die afspreken gedurende een bepaalde tijd en volgens van tevoren vastgestelde regels betalingsstromen op een overeengekomen fictieve hoofdsom te ruilen. De meest voorkomende soorten zijn renteswaps, deviezenswaps en valutaswaps.

5.211

Bij renteswaps is er sprake van een ruil van verschillende soorten rentebetalingen op een fictieve hoofdsom die nooit daadwerkelijk wordt geruild. Voorbeelden van geruilde soorten rentevoeten zijn vaste rentevoeten, variabele rentevoeten en rentevoeten in een bepaalde valuta. De afwikkeling vindt vaak plaats via contante nettobetalingen ten bedrage van het actuele verschil tussen de beide in de overeenkomst omschreven rentevoeten die op de overeengekomen fictieve hoofdsom worden toegepast.

5.212

Deviezenswaps zijn transacties in vreemde valuta's tegen een in de overeenkomst vastgestelde wisselkoers.

5.213

Bij valutaswaps is er sprake van een ruil van kasstromen in verband met rentebetalingen en een ruil van hoofdsommen tegen een overeengekomen wisselkoers aan het einde van de looptijd van de overeenkomst.

Rentetermijncontracten

5.214

Definitie: rentetermijncontracten zijn overeenkomsten waarbij twee partijen, om zich tegen renteschommelingen in te dekken, afspreken op een specifieke afwikkelingsdatum een bedrag aan rente te betalen op een fictieve hoofdsom die nooit daadwerkelijk wordt geruild. Dergelijke termijncontracten worden, net als renteswaps, met contante nettobetalingen afgewikkeld. De betalingen zijn gekoppeld aan het verschil tussen de in het rentetermijncontract overeengekomen rentevoet en de op het moment van afwikkeling geldende marktrente.

Kredietderivaten

5.215

Definitie: kredietderivaten zijn financiële derivaten met als primair doel het verhandelen van kredietrisico.

Kredietderivaten zijn bedoeld voor de handel in het wanbetalingsrisico van leningen en effecten. Kredietderivaten kunnen de vorm aannemen van een soort termijncontract of een soort optiecontract en worden net als andere financiële derivaten vaak opgesteld volgens juridische standaardovereenkomsten die marktwaardering vergemakkelijken. Het kredietrisico wordt in ruil voor een premie overgedragen van de risicoverkoper (protectienemer) aan de risicokoper (protectiegever).

5.216

De risicokoper betaalt geld aan de risicoverkoper in geval van wanbetaling. Een kredietderivaat kan ook worden afgewikkeld door de levering van schuldbewijzen via de eenheid die in gebreke is gebleven.

5.217

Soorten kredietderivaten zijn kredietverzuimopties, kredietverzuimswaps en „total return swaps”. Een index van kredietverzuimswaps weerspiegelt als index van verhandelde kredietderivaten de ontwikkeling van de premies voor kredietverzuimswaps.

Kredietverzuimswaps

5.218

Definitie: kredietverzuimswaps zijn kredietverzekeringscontracten. Ze zijn bedoeld ter dekking van verliezen van de crediteur (een koper van een kredietverzuimswap) indien:

a)

een kredietgebeurtenis plaatsvindt in verband met een referentie-eenheid, en niet in verband met een bepaald schuldbewijs of een bepaalde lening. Een kredietgebeurtenis die van invloed is op de referentie-eenheid kan een niet-nakoming zijn, maar ook een wanbetaling op een (in aanmerking komend) financieel passief dat is verschenen, in gevallen zoals schuldherschikkingen, inbreuken op convenanten en dergelijke;

b)

er sprake is van wanbetaling op een bepaald schuldinstrument, gewoonlijk een schuldbewijs of een lening. Net als bij swapcontracten doet de koper van een kredietverzuimswap (te beschouwen als de risicoverkoper), een reeks premiebetalingen aan de verkoper van een kredietverzuimswap (te beschouwen als de risicokoper).

5.219

Wanneer er geen sprake is van wanbetaling van de zijde van de desbetreffende eenheid of op het schuldinstrument, blijft de risicoverkoper premies betalen tot het einde van de contractduur. Als er wel sprake is van wanbetaling, vergoedt de risicokoper het verlies van de risicoverkoper en houdt de risicokoper op premies te betalen.

Niet onder financiële derivaten begrepen financiële instrumenten

5.220

Financiële derivaten omvatten niet:

a)

het onderliggende instrument dat aan het financiële derivaat ten grondslag ligt;

b)

gestructureerde schuldbewijzen die een schuldbewijs, of een mandje van schuldbewijzen, combineren met een financieel derivaat, of een mandje van financiële derivaten, waarbij de derivaten niet van het schuldbewijs kunnen worden gescheiden en de aanvankelijk belegde hoofdsom groot is in vergelijking met de verwachte rendementen van de financiële derivaten die erin besloten liggen. Financiële instrumenten waarbij in vergelijking met de verwachte rendementen kleine hoofdsommen worden belegd en die volledig risicodragend zijn, worden als financiële derivaten geclassificeerd. Financiële instrumenten waarvan de component schuldbewijs en de component financieel derivaat van elkaar kunnen worden gescheiden, worden als zodanig geclassificeerd;

c)

terug te betalen margestortingen in verband met financiële derivaten worden bij overige deposito's of bij leningen ingedeeld, naargelang de betrokken institutionele eenheden. Niet terug te betalen margestortingen, die de eventueel gedurende de contractduur ontstane activa/passivaposities verkleinen of tenietdoen, worden echter als contractbetalingen behandeld en als transacties in financiële derivaten geclassificeerd;

d)

afgeleide instrumenten die niet verhandelbaar zijn en ook niet op de markt kunnen worden gecompenseerd, en

e)

goudswaps, die soortgelijk van aard zijn als retrocessieovereenkomsten.

Aandelenopties voor werknemers (F.72)

5.221

Definitie: aandelenopties voor werknemers (F.72) zijn overeenkomsten die op een bepaalde datum zijn aangegaan en op grond waarvan een werknemer het recht heeft een bepaald aantal aandelen van de werkgever te kopen tegen een vastgestelde prijs, hetzij op een bepaald tijdstip, hetzij binnen een periode die direct volgt na de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend.

De volgende terminologie wordt gehanteerd:

 

de datum van de overeenkomst is de „toekenningsdatum”;

 

de overeengekomen aankoopprijs is de „uitoefenprijs”;

 

de overeengekomen eerste aankoopdatum is de „datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend”;

 

de periode na de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend en waarin de aankoop kan worden gedaan, is de „uitoefentermijn”.

5.222

Transacties in aandelenopties voor werknemers worden in de financiële rekening geregistreerd als tegenboeking voor de beloning van werknemers die door de waarde van de aandelenoptie wordt vertegenwoordigd. De waarde van de optie wordt gespreid over de periode tussen de toekenningsdatum en de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend; indien gedetailleerde gegevens ontbreken, moeten zij worden geregistreerd op de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend. Daarna worden transacties geregistreerd op de uitoefendatum of, als de opties verhandelbaar zijn en daadwerkelijk worden verhandeld, tussen de datum vanaf wanneer de opties kunnen worden uitgeoefend en het einde van de uitoefentermijn.

Waardering van transacties in financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

5.223

De secundaire handel in opties en het afdekken van opties voordat het tot levering komt, houden financiële transacties in. Komt het wel tot levering, dan kan de optie al dan niet worden uitgeoefend. Wanneer de optie wordt uitgeoefend, kan er sprake zijn van een betaling van de optieschrijver aan de optiehouder ten bedrage van het verschil tussen de geldende marktprijs voor het onderliggende actief en de uitoefenprijs. Ook is het mogelijk dat het onderliggende financiële of niet-financiële actief wordt aangekocht of verkocht. Dit wordt dan geregistreerd tegen de geldende marktprijs, terwijl hiertegenover een betaling staat van de optiehouder aan de optieschrijver ten bedrage van de uitoefenprijs. Het verschil tussen de geldende marktprijs van het onderliggende actief en de uitoefenprijs is in beide gevallen gelijk aan de liquidatiewaarde van de optie, d.w.z. de optieprijs op de einddatum. Wanneer de optie niet wordt uitgeoefend, vindt er geen transactie plaats. Voor de optieschrijver wordt echter een positief en voor de optiehouder een ongunstig waarderingsverschil (in beide gevallen gelijk aan de premie die is betaald toen het contract werd gesloten) in de herwaarderingsrekening geregistreerd.

5.224

Bij financiële derivaten wordt de waarde van de geregistreerde transacties gevormd door de eventuele waarde van de handel in de contracten alsmede het afgewikkelde saldo van de transacties. Ook kan het noodzakelijk zijn transacties te registreren die met de totstandkoming van derivaatovereenkomsten verband houden. De twee partijen zullen in vele gevallen evenwel een derivaatovereenkomst sluiten met gesloten beurzen; in dergelijke gevallen is de waarde van de transactie waartegen de overeenkomst wordt gesloten, nihil en blijft registratie in de financiële rekening achterwege.

5.225

Betalingen aan of door makelaars of andere tussenpersonen die uitdrukkelijk bedoeld zijn als commissie voor het tot stand brengen van optie-, future-, swap- en andere derivaatovereenkomsten worden in de daartoe bestemde rekeningen als betalingen voor diensten geregistreerd. De partijen bij een swap worden niet geacht elkaar een dienst te hebben verleend, maar elke betaling aan een derde die bij de totstandkoming van de swap heeft bemiddeld, wordt wel als een betaling voor dienstverlening behandeld. Als bij een swapovereenkomst hoofdsommen worden geruild, worden de dienovereenkomstige stromen geregistreerd als transacties in de onderliggende waarde; stromen van andere betalingen moeten in de categorie financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (F.7) worden geregistreerd. Hoewel de premie die aan de verkoper van een optie wordt betaald, theoretisch gedeeltelijk als vergoeding voor dienstverlening kan worden beschouwd, is het in de praktijk gewoonlijk onmogelijk dit dienstverleningselement af te zonderen. Daarom moet de volledige prijs als verwerving door de koper van een financieel actief en als het aangaan door de verkoper van een verplichting in de vorm van een financieel passief worden geregistreerd.

5.226

Wanneer de hoofdsommen niet worden geruild, wordt bij aanvang geen transactie geregistreerd. In beide gevallen ontstaat op dat moment impliciet een financieel derivaat met een beginwaarde van nul. Daarna is de waarde van een swap:

a)

voor hoofdsommen, gelijk aan de actuele marktwaarde van het verschil tussen de verwachte toekomstige marktwaarde van de hoofdsommen bij de terugruil en de hoofdsommen die in de overeenkomst zijn gespecificeerd, en

b)

voor andere betalingen, gelijk aan de actuele marktwaarde van de toekomstige stromen zoals gespecificeerd in de overeenkomst.

5.227

In de loop van de tijd optredende veranderingen in de waarde van het financiële derivaat worden in de herwaarderingsrekening geregistreerd.

5.228

Bij de terugruil van de hoofdsommen gelden de voorwaarden van de swapovereenkomst; hierbij kunnen financiële activa worden geruild tegen een prijs die afwijkt van de voor dergelijke activa geldende marktprijs. De betaling hiervan door de partijen bij de swapovereenkomst is geregeld in de overeenkomst. Het verschil tussen de marktprijs en de in de overeenkomst neergelegde prijs is dan gelijk aan de liquidatiewaarde van het actief/passief op de vervaldatum en wordt als transactie in financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (F.7) geregistreerd. In totaal moeten de transacties in financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers in overeenstemming zijn met het totale nominale waarderingsverschil gedurende de looptijd van de swapovereenkomst. Deze behandeling is analoog aan die voor opties die voor de levering worden uitgeoefend.

5.229

Voor een institutionele eenheid wordt een swap of een rentetermijncontract onder financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers aan de actiefzijde geregistreerd wanneer de nettowaarde ervan positief is. Wanneer de nettowaarde negatief is, wordt de swap volgens afspraak ook aan de actiefzijde geregistreerd om heen en weer boeken tussen de actief- en passiefzijde te vermijden. Een negatief saldo van betalingen leidt derhalve tot verhoging van de nettowaarde.

Overige vorderingen/schulden (F.8)

5.230

Definitie: overige vorderingen/schulden (F.8) zijn financiële activa en passiva die ontstaan als tegenboekingen van transacties indien er sprake is van een tijdsverschil tussen deze transacties en de daarmee samenhangende betalingen.

5.231

Overige vorderingen/schulden omvatten transacties in financiële aanspraken die voortvloeien uit betalingen vooraf of achteraf voor transacties in goederen of diensten, verdelingstransacties of financiële transacties op de secundaire markt.

5.232

Financiële transacties in overige vorderingen/schulden omvatten:

a)

handelskredieten en voorschotten (F.81), en

b)

overige transitorische posten (F.89), met uitzondering van handelskredieten en voorschotten.

Handelskredieten en voorschotten (F.81)

5.233

Definitie: handelskredieten en voorschotten (F.81) zijn financiële aanspraken die voortvloeien uit de rechtstreekse kredietverlening door aanbieders van goederen en diensten aan hun klanten, en uit vooruitbetalingen door klanten voor nog niet geleverde goederen en diensten.

5.234

Handelskrediet ontstaat wanneer de betaling van goederen en diensten niet plaatsvindt op het tijdstip van de eigendomsoverdracht van een goed of de verlening van een dienst. Als een betaling wordt verricht vóór de eigendomsoverdracht, is er sprake van een voorschot.

5.235

Verleende maar nog niet betaalde indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) worden opgenomen in het bijbehorende financiële instrument, gewoonlijk rente, en vooruitbetaalde verzekeringspremies worden opgenomen in de technische voorzieningen schadeverzekering (F.61); in geen van beide gevallen vindt registratie plaats onder handelskredieten.

5.236

De subcategorie handelskredieten omvat:

a)

financiële aanspraken in verband met de levering van goederen of diensten waarbij geen betaling heeft plaatsgevonden;

b)

door factormaatschappijen aanvaarde handelskredieten behalve indien deze als leningen worden beschouwd;

c)

nog niet vervallen huursommen voor gebouwen, en

d)

achterstallige betalingen voor goederen en diensten, voor zover er geen sprake is van een lening.

5.237

Handelskredieten moeten worden onderscheiden van handelsfinanciering in de vorm van handelswissels en van kredieten die door derden worden verleend om handel te financieren.

5.238

Leningen ter financiering van handelskredieten zijn geen handelskredieten. Zij worden als leningen geclassificeerd.

5.239

Handelskredieten kunnen op grond van de oorspronkelijke looptijd ervan in kortlopende en langlopende handelskredieten worden onderverdeeld.

Overige transitorische posten (F.89)

5.240

Definitie: overige transitorische posten (F.89) zijn financiële aanspraken die ontstaan uit tijdsverschillen tussen verdelingstransacties of financiële transacties op de secundaire markt en de daarmee samenhangende betalingen.

5.241

Overige transitorische posten omvatten financiële aanspraken die ontstaan als gevolg van het tijdsverschil tussen het moment van toerekening van transacties aan een verslagperiode en de daarmee samenhangende betalingen. Het kan bijvoorbeeld gaan om:

a)

lonen;

b)

belastingen en sociale premies;

c)

dividenden;

d)

huur, en

e)

aankoop en verkoop van effecten.

5.242

Opgebouwde en achterstallige rente wordt geregistreerd bij het financiële actief of passief waarop zij wordt opgebouwd en niet onder overige transitorische posten. Indien de opgebouwde rente niet wordt geregistreerd alsof zij in hetzelfde financiële actief wordt herbelegd, wordt zij onder overige transitorische posten opgenomen.

5.243

Voor vergoedingen voor effecten- en goudleningen, die als rente worden behandeld, worden de overeenstemmende boekingen onder overige transitorische posten opgenomen in plaats van onder het instrument waarop ze betrekking hebben.

5.244

Overige transitorische posten omvatten niet:

a)

statistische discrepanties die geen betrekking hebben op tijdsverschillen tussen transacties in goederen en diensten, verdelingstransacties of financiële transacties en de daarmee samenhangende betalingen;

b)

betalingen vooraf of achteraf bij het ontstaan van financiële activa of de aflossing van financiële passiva die niet onder overige transitorische posten worden geclassificeerd. Deze betalingen vooraf of achteraf worden bij de categorie van het desbetreffende instrument ingedeeld;

c)

bij de onder overige transitorische posten te registreren aan de overheid verschuldigde belastingen en sociale premies blijft het gedeelte van deze belastingen en sociale premies dat waarschijnlijk niet zal worden geïnd en daarom een aanspraak van de overheid zonder waarde vertegenwoordigt, buiten beschouwing.

BIJLAGE 5.1

CLASSIFICATIE VAN FINANCIËLE TRANSACTIES

5.A1.01

Financiële transacties kunnen volgens verschillende criteria worden ingedeeld: naar soort financieel instrument, verhandelbaarheid, soort inkomen, looptijd, valuta en rentesoort.

Indeling van financiële transacties in categorieën

5.A1.02

Financiële transacties worden op de in tabel 5.3 aangegeven wijze in categorieën en subcategorieën ingedeeld. Deze indeling van de transacties in financiële activa en passiva komt overeen met de indeling van financiële activa en passiva.

Tabel 5.3 —   Classificatie van financiële transacties

Categorie

Code

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

F.1

 

 

Monetair goud

 

F.11

 

Bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

 

F.12

 

Chartaal geld en deposito's

F.2

 

 

Chartaal geld

 

F.21

 

Girale deposito's

 

F.22

 

Overige deposito's

 

F.29

 

Schuldbewijzen

F.3

 

 

Kortlopende schuldbewijzen

 

F.31

 

Langlopende schuldbewijzen

 

F.32

 

Leningen

F.4

 

 

Kortlopende leningen

 

F.41

 

Langlopende leningen

 

F.42

 

Deelnemingen en aandelen en rechten van deelneming in beleggingsfondsen

F.5

 

 

Deelnemingen

 

F.51

 

Beursgenoteerde aandelen

 

 

F.511

Niet-beursgenoteerde aandelen

 

 

F.512

Overige deelnemingen

 

 

F.519

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

 

F.52

 

Aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen

 

 

F.521

Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

 

 

F.522

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen

F.6

 

 

Technische voorzieningen schadeverzekering

 

F.61

 

Levensverzekerings- en lijfrenterechten

 

F.62

 

Pensioenrechten

 

F.63

 

Aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders

 

F.64

 

Rechten op niet-pensioenuitkeringen

 

F.65

 

Voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties

 

F.66

 

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

F.7

 

 

Andere financiële derivaten dan aandelenopties voor werknemers

 

F.71

 

Aandelenopties voor werknemers

 

F.72

 

Overige vorderingen/schulden

F.8

 

 

Handelskredieten en voorschotten

 

F.81

 

Overige transitorische posten

 

F.89

 

5.A1.03

De indeling van financiële transacties en van financiële activa en passiva is hoofdzakelijk gebaseerd op de mate van liquiditeit, de verhandelbaarheid en de juridische kenmerken van de financiële instrumenten. De definities van de categorieën staan over het algemeen los van de classificatie van de institutionele eenheden. De classificatie van financiële activa en passiva kan verder worden uitgesplitst door een dwarsindeling naar institutionele eenheid. Een voorbeeld is de dwarsindeling van girale deposito's tussen andere deposito-instellingen dan de centrale bank als interbancaire posities.

Indeling van financiële transacties naar verhandelbaarheid

5.A1.04

Financiële aanspraken kunnen worden onderscheiden op grond van het feit of ze al dan niet verhandelbaar zijn. Een aanspraak is verhandelbaar als de eigendom ervan gemakkelijk kan worden overgedragen van de ene eenheid naar de andere door levering of endossement, of, in geval van financiële derivaten, kan worden gecompenseerd. Hoewel elk financieel instrument in potentie kan worden verhandeld, zijn verhandelbare instrumenten bedoeld om op een georganiseerde beurs of onderhands („over-the-counter”) te worden verhandeld, al is daadwerkelijke handel geen noodzakelijke voorwaarde voor verhandelbaarheid. Noodzakelijke voorwaarden voor verhandelbaarheid zijn:

a)

overdraagbaarheid of, in het geval van financiële derivaten, compenseerbaarheid;

b)

standaardisatie, die vaak blijkt uit verwisselbaarheid of het in aanmerking komen voor een ISIN-code, en

c)

de houder van het actief behoudt geen beroepsrecht jegens de vorige houders.

5.A1.05

Effecten, financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7) zijn verhandelbare financiële aanspraken. Effecten omvatten schuldbewijzen (AF.3), beursgenoteerde aandelen (AF.511), niet-beursgenoteerde aandelen (AF.512) en aandelen in beleggingsfondsen (AF.52). Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers worden niet als effecten geclassificeerd, ook niet als het verhandelbare financiële instrumenten betreft. Zij zijn gekoppeld aan specifieke financiële of niet-financiële activa of indexen via welke financiële risico's zelfstandig op financiële markten kunnen worden verhandeld.

5.A1.06

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1), chartaal geld en deposito's (AF.2), leningen (AF.4), overige deelnemingen (AF.519), verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6) en overige vorderingen/schulden (AF.8) zijn niet verhandelbaar.

Gestructureerde effecten

5.A1.07

Gestructureerde effecten combineren over het algemeen een effect, of een mandje van effecten, met een financieel derivaat, of een mandje van financiële derivaten. Financiële instrumenten die geen gestructureerde effecten zijn, zijn bijvoorbeeld gestructureerde deposito's die kenmerken van deposito's met kenmerken van financiële derivaten combineren. Terwijl schuldbewijzen worden gekenmerkt door het feit dat bij aanvang een terug te betalen hoofdsom moet worden betaald, is dit bij financiële derivaten niet het geval.

Classificatie van financiële transacties naar soort inkomen

5.A1.08

Financiële transacties worden ingedeeld naar het soort inkomen dat ermee wordt gegenereerd. De koppeling van het inkomen met de bijbehorende financiële activa en passiva vergemakkelijkt de berekening van rendementspercentages. In tabel 5.4 is de gedetailleerde indeling per transactie en per soort inkomen weergegeven. Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's), deposito's, schuldbewijzen, leningen en overige vorderingen/schulden genereren rente, terwijl deelnemingen voornamelijk resulteren in de uitbetaling van dividenden, herbelegde winsten of inkomen onttrokken aan quasivennootschappen. Inkomen uit beleggingen moet worden toegerekend aan houders van aandelen in beleggingsfondsen en houders van verzekeringstechnische voorzieningen. De beloning in verband met de deelneming in een financieel derivaat wordt niet als inkomen geregistreerd omdat er geen hoofdsom wordt verschaft.

Tabel 5.4 —   Classificatie van financiële transacties naar soort inkomen

Financiële transacties

Code

Soort inkomen

Code

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

F.1

Rente

D.41

Chartaal geld

F.21

Geen

 

Girale deposito's

F.22

Rente

D.41

Overige deposito's

F.29

Rente

D.41

Schuldbewijzen

F.3

Rente

D.41

Leningen

F.4

Rente

D.41

Deelnemingen

F.51

Winstuitkeringen

D.42

Herbelegde winsten

D.43

Beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde aandelen

F.511

Dividenden

D.421

F.512

Herbelegde winsten

D.43

Overige deelnemingen

F.519

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

D.422

Herbelegde winsten

D.43

Dividenden

D.421

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

F.52

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van beleggingsfondsen

D.443

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen

F.6

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

D.441

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

D.442

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

F.7

Geen

 

Overige vorderingen/schulden

F.8

Rente

D.41

Classificatie van financiële transacties naar soort rentevoet

5.A1.09

Financiële activa en passiva waarop rente aangroeit, kunnen naar soort rentevoet in vaste, variabele en gemengde rentevoeten worden onderverdeeld.

5.A1.10

Voor financiële instrumenten met een vaste rentevoet staan de contractuele nominale rentebetalingen gedurende de looptijd van het financiële instrument of gedurende een bepaald aantal jaren vast wat de valuta betreft. Bij aanvang zijn uit het oogpunt van de debiteur de data en de waarde van rentebetalingen en aflossingen van de hoofdsom bekend.

5.A1.11

Voor financiële instrumenten met een variabele rentevoet zijn de rentebetalingen en de aflossingen van de hoofdsom gekoppeld aan een rentevoet, een algemene prijsindex voor goederen en diensten of de prijs van een actief. De referentiewaarde fluctueert in reactie op de marktomstandigheden.

5.A1.12

Financiële instrumenten met gemengde rente kennen gedurende hun looptijd zowel een vaste als een variabele rentevoet en worden als financiële instrumenten met variabele rente geclassificeerd.

Classificatie van financiële transacties naar looptijd

5.A1.13

Voor een analyse van rentevoeten, rendementen, liquiditeit of leningopnemingscapaciteit kan een onderverdeling van financiële activa en passiva naar looptijden noodzakelijk zijn.

Korte en lange looptijd

5.A1.14

Definitie: een financieel actief of passief met een korte looptijd moet ofwel op verzoek van de crediteur direct worden afgelost, ofwel binnen één jaar. Een financieel actief of passief met een lange looptijd moet worden afgelost op een datum die meer dan een jaar in de toekomst ligt, of heeft geen vastgestelde looptijd.

Oorspronkelijke looptijd en resterende looptijd

5.A1.15

Definitie: de oorspronkelijke looptijd van financiële activa of passiva wordt gedefinieerd als de periode van de emissiedatum tot en met de datum van de laatst geplande betaling. Een resterende looptijd van financiële activa of passiva wordt gedefinieerd als de periode van de referentiedatum tot en met de datum van de laatst geplande betaling.

5.A1.16

Het begrip oorspronkelijke looptijd bevordert het inzicht in de activiteiten met betrekking tot schuldemissies. Daarom worden schuldbewijzen en leningen op grond van hun oorspronkelijke looptijd in kortlopende en langlopende schuldbewijzen en leningen onderverdeeld.

5.A1.17

De resterende looptijd is relevanter voor een analyse van schuldposities en leningopnemingscapaciteiten.

Classificatie van financiële transacties naar valuta

5.A1.18

Veel categorieën, subcategorieën en subposities van de financiële activa en passiva kunnen worden onderverdeeld naar de valuta waarin zij luiden.

5.A1.19

Financiële activa of passiva in vreemde valuta omvatten financiële activa of passiva die in een valutamandje, zoals SDR's, of in goud worden uitgedrukt. Het onderscheid tussen de nationale valuta en vreemde valuta's is vooral nuttig voor chartaal geld en deposito's (AF.2), schuldbewijzen (AF.3) en leningen (AF.4).

5.A1.20

De afwikkelingsvaluta kan afwijken van de valuta waarin het financiële actief of passief luidt. De afwikkelingsvaluta is de valuta waarin de waarde van posities en stromen van financiële instrumenten, zoals effecten, wordt geconverteerd telkens als afwikkeling plaatsvindt.

Monetaire aggregaten

5.A1.21

Voor een analyse van het monetaire beleid kan het noodzakelijk zijn in de financiële rekening monetaire aggregaten, zoals M1, M2 en M3, aan te geven. Monetaire aggregaten zijn niet in het ESR 2010 gedefinieerd.

 

HOOFDSTUK 6

OVERIGE STROMEN

INLEIDING

6.01

Overige stromen zijn mutaties in de waarde van activa en passiva die niet het gevolg zijn van transacties. Deze stromen zijn geen transacties omdat zij niet aan een of meer van de kenmerken van transacties voldoen. Zo is het mogelijk dat de betrokken institutionele eenheden niet in onderlinge overeenstemming handelen, zoals in het geval van een niet-gecompenseerde confiscatie van de activa, of kan de verandering toe te schrijven zijn aan een natuurgebeurtenis zoals een aardbeving in plaats van aan een zuiver economisch verschijnsel. Een ander voorbeeld is wanneer de waarde van actief in vreemde valuta verandert als gevolg van een wijziging in de wisselkoers.

OVERIGE MUTATIES IN ACTIVA EN PASSIVA

6.02

Definitie: overige mutaties in activa en passiva zijn andere economische stromen dan de stromen ten gevolge van transacties die in de kapitaal- en financiële rekeningen worden geregistreerd, en veranderen de waarde van de activa en de passiva.

Er zijn twee types van mutaties. Het eerste type omvat veranderingen in het volume activa en passiva. Het tweede type betreft veranderingen ten gevolge van nominale waarderingsverschillen.

Overige volumemutaties in activa en passiva (K.1 tot en met K.6)

6.03

In de kapitaalrekening kunnen geproduceerde en niet-geproduceerde activa een sector binnenkomen of verlaten als gevolg van de aankoop of verkoop van activa, het verbruik van of toevoegingen aan vaste activa, en onttrekkingen aan en periodieke verliezen op in voorraad gehouden goederen. In de financiële rekening verschijnen de meeste financiële activa en passiva in het systeem wanneer een debiteur jegens een crediteur een betalingsverplichting voor de toekomst aangaat en verdwijnen zij weer uit het systeem wanneer aan die verplichting is voldaan.

6.04

Bij de overige volumemutaties in activa en passiva gaat het onder meer om stromen waardoor activa en passiva op een andere wijze dan via transacties in de rekeningen verschijnen of daaruit verdwijnen; dit betreft bijvoorbeeld de ontdekking, de uitputting en het kwaliteitsverlies van natuurlijke hulpbronnen.

Tot de overige volumemutaties in activa en passiva behoren ook mutaties door uitzonderlijke, onverwachte externe gebeurtenissen die niet economisch van aard zijn, en mutaties die uit een herclassificatie of herstructurering van institutionele eenheden of van activa en passiva voortvloeien.

6.05

De overige volumemutaties in activa en passiva vallen in zes categorieën uiteen:

a)

economisch ontstaan van activa (K.1);

b)

economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.2);

c)

verlies door rampen (K.3);

d)

niet-gecompenseerde confiscaties (K.4);

e)

overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd (K.5), en

f)

wijzigingen in classificatie (K.6).

Economisch ontstaan van activa (K.1)

6.06

Het economisch ontstaan van activa is de volumetoename van geproduceerde en niet-geproduceerde activa, die niet het gevolg is van productie. Hiertoe behoren:

a)

historische monumenten, bijvoorbeeld bouwwerken of locaties van bijzonder archeologisch, historisch of cultureel belang, op het moment dat hun waarde voor het eerst in de balans wordt onderkend;

b)

kostbaarheden als edelstenen, antiquiteiten en kunstobjecten op het moment dat de hoge waarde of artistieke betekenis van het niet eerder in de balans opgenomen object voor het eerst wordt onderkend;

c)

ontdekkingen van exploiteerbare minerale reserves, zoals aantoonbare reserves aan steenkool, aardolie, aardgas, ertsen en niet-metaalhoudende mineralen. Dit omvat ook de positieve herwaardering van reserves wanneer de exploitatie ervan als gevolg van technologische vooruitgang of relatieve prijswijzigingen economisch rendabel wordt;

d)

de natuurlijke aanwas van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, zoals natuurlijke bossen en visbestanden, wanneer de aanwas van dergelijke economische activa niet onder het rechtstreeks toezicht, de verantwoordelijkheid en het beheer van een institutionele eenheid valt en derhalve niet als productie wordt behandeld;

e)

de overgang van andere natuurlijke hulpbronnen naar economische activa: natuurlijke hulpbronnen die van status veranderen en economische activa worden. Dit gebeurt onder meer bij de eerste exploitatie van oerwouden, bij de ontwikkeling van woeste gronden tot grond die voor economische doeleinden kan worden gebruikt, bij landwinning en op het ogenblik dat voor gewonnen water tarieven in rekening worden gebracht. Natuurlijke hulpbronnen kunnen ook waarde krijgen door economische activiteiten in de omgeving, bijvoorbeeld wanneer grond als waardevol wordt beschouwd omdat in de nabijheid een project wordt ontwikkeld of een toegangsweg wordt aangelegd. De kosten van grondverbeteringen worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa, maar het verschil tussen de hogere waarde van de grond en de waarde van de grondverbeteringen wordt als economisch ontstaan geregistreerd;

f)

kwaliteitsveranderingen van natuurlijke hulpbronnen door veranderingen in het economisch gebruik ervan. Kwaliteitsveranderingen worden geregistreerd als volumemutaties. De hier geregistreerde kwaliteitsveranderingen vormen de pendant van veranderingen in economisch gebruik die als classificatiewijzigingen worden weergegeven (zie punt 6.21). Zo kan de herclassificatie van landbouwgrond als bebouwde grond tot een waardevermeerdering en tot een classificatiewijziging leiden. Er is in dit geval al sprake van een actief: het is de verandering van hoedanigheid door een ander economisch gebruik dat als ontstaan van een actief wordt beschouwd. Een ander voorbeeld is de toename van de waarde van melkvee wanneer dit eerder dan verwacht zal worden geslacht;

g)

ontstaan van waarde door de afsluiting respectievelijk verlening van overdraagbare contracten, leases, licenties of vergunningen. De waarde van dergelijke contracten, leases, licenties of vergunningen is een actief wanneer de waarde van het recht dat zij verlenen hoger is dan de te betalen vergoedingen en de houder deze door overdracht aan derden kan realiseren, en

h)

veranderingen in de waarde van goodwill en marketingactiva, die ontstaan wanneer institutionele eenheden worden verkocht tegen een prijs die hoger is dan hun eigen vermogen (zie punt 7.07); het verschil tussen de aankoopprijs en het eigen vermogen wordt aangeduid als aangekochte goodwill en marketingactiva. Goodwill die niet blijkt uit een aankoop/verkoop, wordt niet als een economisch actief beschouwd.

Economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.2)

6.07

Het economisch verlies van niet-geproduceerde niet-financiële activa omvat:

a)

uitputting van natuurlijke hulpbronnen, d.w.z. de vermindering in waarde van de afzettingen van minerale reserves en de uitputting van niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen die tot de activa worden gerekend (zie punt 6.06, onder e)) als gevolg van het oogsten, het rooien van bossen of een niet-duurzame winning. Veel van de mogelijke posten hier zijn tegengesteld aan de posten die zijn omschreven in punten 6.06, onder c) tot en met f);

b)

overig economisch verlies van niet-geproduceerde activa, waartoe behoren:

i)

de afschrijving van de waarde van aangekochte goodwill en marketingactiva, en

ii)

het aflopen van de door overdraagbare contracten, leases, licenties en vergunningen verleende voordelen.

Verlies door rampen (K.3)

6.08

Verlies door rampen, dat wordt geregistreerd als overige volumemutatie, is het gevolg van afzonderlijke en herkenbare grootschalige gebeurtenissen waarbij economische activa worden verwoest.

6.09

Tot dergelijke gebeurtenissen worden gerekend grote aardbevingen, vulkaanuitbarstingen, vloedgolven, uitzonderlijk zware orkanen, droogte en andere natuurrampen, oorlogshandelingen, oproer en andere politieke gebeurtenissen, en milieurampen zoals grote giflozingen of het vrijkomen van radioactiviteit. Voorbeelden hiervan zijn:

a)

verslechtering van de bodemkwaliteit door abnormaal grote overstromingen of door stormschade;

b)

vernietiging van in cultuur gebrachte activa door droogte of ziektes;

c)

verwoesting van gebouwen, apparatuur of kostbaarheden door bosbranden of aardbevingen, en

d)

niet-voorzienbare vernietiging van chartaal geld of van effecten aan toonder als gevolg van natuurrampen of politieke gebeurtenissen, of vernietiging van eigendomsbewijzen.

Niet-gecompenseerde confiscaties (K.4)

6.10

Niet-gecompenseerde confiscaties vinden plaats wanneer de overheid of andere institutionele eenheden beslag leggen op de activa van andere institutionele eenheden, met inbegrip van niet-ingezeten eenheden, zonder volledige compensatie en om andere redenen dan als betaling voor belastingen, boetes of soortgelijke heffingen. De confiscatie van eigendom in verband met criminele activiteiten wordt als boete beschouwd. Het niet-gecompenseerde deel van dergelijke eenzijdige confiscaties wordt geregistreerd als overige volumemutatie.

6.11

Gedwongen verkopen en terugnemingen van activa door crediteuren worden niet als niet-gecompenseerde confiscaties geregistreerd omdat in de overeenkomst tussen de partijen al dan niet expliciet in deze rechtsmogelijkheid is voorzien.

Overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd (K.5)

6.12

Bij overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd (K.5), gaat het om de gevolgen die onverwachte gebeurtenissen kunnen hebben op de economische waarde van activa.

6.13

Voorbeelden van overige volumemutaties van niet-financiële activa, niet elders geclassificeerd, zijn:

a)

onvoorziene veroudering. Tot de veronderstellingen die worden gebruikt om het verbruik van vaste activa af te leiden, behoort niet de onvoorziene veroudering van vaste activa. Het is dus mogelijk dat het voor normale veroudering opgenomen bedrag de werkelijke waardevermindering onvoldoende weergeeft. Daarom moet worden voorzien in registratie van waardevermindering van vaste activa als gevolg van, bijvoorbeeld, de invoering van verbeterde technologieën;

b)

verschillen tussen de in het verbruik van vaste activa ingecalculeerde normale schade en het werkelijke verlies. Het verbruik van vaste activa omvat geen onvoorziene schade en het is mogelijk dat het op grond van de verwachte normale schade geschatte bedrag lager of hoger is dan de werkelijke schade. Correcties moeten derhalve worden toegepast voor de onvoorziene waardevermindering of -vermeerdering van de vaste activa vanwege dergelijke gebeurtenissen. Het verlies waarvoor in dit verband wordt gecorrigeerd, is te gering om als verlies door rampen te worden beschouwd;

c)

kwaliteitsvermindering van vaste activa waarmee geen rekening is gehouden bij het verbruik van vaste activa. Dit omvat de waardevermindering van vaste activa door, bijvoorbeeld, de onvoorziene gevolgen van verzuurde lucht en zure regen voor gebouwen of carrosserieën van voertuigen;

d)

voortijdig opgeven van productiefaciliteiten (vóór het einde van de economische levensduur of zelfs voordat ze economisch in gebruik zijn genomen);

e)

uitzonderlijke voorraadverliezen (bv. door brandschade, diefstal, aantasting van graanvoorraden door insecten) die niet als verlies door rampen worden beschouwd.

6.14

Voorbeelden van overige volumemutaties die niet elders als financiële activa en passiva geclassificeerd zijn:

a)

incidentele verliezen van chartaal geld of van schuldbewijzen aan toonder (bv. door brand of diefstal) die niet als verlies door rampen worden beschouwd, en uit omloop genomen chartaal geld dat niet meer kan worden ingewisseld, exclusief bedragen die ten gevolge van een classificatiewijziging niet meer als chartaal geld maar als kostbaarheden worden beschouwd;

b)

veranderingen in vorderingen ten gevolge van een afschrijving. Deze blijven in de financiële rekening buiten beschouwing omdat hierover geen overeenstemming tussen de partijen bestaat. Een crediteur kan met name besluiten dat een vordering oninbaar is, bijvoorbeeld wegens faillissement of liquidatie, en deze uit zijn balans verwijderen. Wanneer de crediteur erkent dat de vordering oninbaar is, wordt dit als een overige volumemutatie van activa geregistreerd. Dat betekent dat ook het overeenkomstige passief uit de balans van de debiteur moet worden verwijderd, zodat de rekeningen van de totale economie sluitend zijn. Een uitzondering op dat algemene beginsel wordt gemaakt voor aan de overheid verschuldigde belastingen en sociale premies (zie punt 6.15, onder d));

c)

veranderingen in levensverzekerings-, lijfrente- en pensioenrechten als gevolg van veranderingen in demografische veronderstellingen;

d)

voorzieningen voor claims in het kader van standaardgarantieregelingen wanneer de verwachte claims groter zijn dan de verwachte ontvangen en geïnde bedragen.

6.15

Overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd, omvatten niet:

a)

veranderingen in financiële aanspraken ten gevolge van een waardevermindering om de werkelijke marktwaarde van verhandelbare financiële aanspraken weer te geven: deze zijn opgenomen in de herwaarderingsrekening;

b)

kwijtschelding van een schuld in onderling overleg tussen crediteur en debiteur: dit wordt geregistreerd als een transactie tussen de crediteur en de debiteur (zie punt 4.165, onder f));

c)

niet-erkenning van een schuld: met het eenzijdig niet-erkennen van een financieel passief door een debiteur wordt geen rekening gehouden;

d)

aan de overheid verschuldigde belastingen en sociale premies waarvan de overheid eenzijdig erkent dat ze waarschijnlijk niet zullen worden geïnd (zie de punten 1.57, 4.27 en 4.82).

Wijzigingen in classificaties (K.6)

6.16

De wijzigingen in classificatie omvatten wijzigingen in sectorclassificatie en structuur van de institutionele eenheden en wijzigingen in de classificatie van activa en passiva.

Wijzigingen in sectorclassificatie en structuur van de institutionele eenheden (K.61)

6.17

Wanneer een institutionele eenheid in een andere sector wordt geclassificeerd, wordt haar volledige balans naar die andere sector overgeboekt; wanneer bijvoorbeeld een institutionele eenheid in de sector huishoudens financieel gescheiden wordt van haar eigenaar, is het mogelijk dat zij als quasivennootschap kan worden aangemerkt en moet worden overgeboekt naar de sector niet-financiële vennootschappen.

6.18

Bij wijzigingen in sectorclassificatie wordt de volledige balans van een sector of subsector naar een andere sector of subsector overgeboekt. Die overboeking kan resulteren in een consolidatie of deconsolidatie van activa en passiva, die ook in deze categorie wordt opgenomen.

6.19

Bij wijzigingen in de structuur van institutionele eenheden ontstaan en verdwijnen bepaalde financiële activa en passiva ten gevolge van deze herstructurering. Wanneer een onderneming als onafhankelijke rechtspersoon verdwijnt, omdat zij wordt overgenomen door een of meer andere ondernemingen, verdwijnen alle financiële activa en passiva, met inbegrip van aandelen en overige deelnemingen, die bestonden tussen die onderneming en de overnemende onderneming(en) uit het systeem. De verwerving van aandelen en overige deelnemingen door een onderneming in het kader van een fusie wordt echter als een financiële transactie tussen de verwerver en de vroegere eigenaren geregistreerd. De vervanging van bestaande aandelen door aandelen in de verwervende of een nieuwe onderneming wordt geregistreerd als aflossing van bestaande aandelen en de uitgifte van nieuwe aandelen. Financiële activa en passiva die bestonden tussen de overgenomen onderneming en derden, blijven onveranderd en gaan over naar de overnemende onderneming.

6.20

Financiële activa en passiva die ontstaan wanneer een onderneming juridisch wordt gesplitst in twee of meer institutionele eenheden, worden eveneens geboekt als wijzigingen in sectorclassificatie en structuur.

Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva (K.62)

6.21

Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva doen zich voor wanneer activa en passiva in de beginbalans in een andere categorie zijn opgenomen dan in de eindbalans. Voorbeelden zijn wijzigingen in de bestemming van grond of gebouwen, zoals de bestemming van een woning tot bedrijfsgebouw en omgekeerd. In het geval van grond worden beide boekingen — een negatieve voor de oorspronkelijke categorie en een positieve voor de nieuwe — met dezelfde waarde opgenomen. Verandering in de waarde van grond als gevolg van een wijziging in bestemming wordt geregistreerd als een volumemutatie en niet als een waarderingsverschil en vandaar als het economisch ontstaan van activa dan wel als het economisch verlies van niet-geproduceerde activa.

6.22

Monetair goud dat in de vorm van ongemunt goud wordt bewaard, kan niet door middel van een financiële transactie worden geboekt of afgeboekt, maar verschijnt of verdwijnt via een overige volumemutatie in activa in respectievelijk uit het systeem.

6.23

Bij ongemunt goud doet zich een bijzonder geval van wijziging in de classificatie voor. Ongemunt goud kan een financieel actief — monetair goud genoemd — of een kostbaarheid — niet-monetair goud genoemd — zijn, afhankelijk van de houder en de reden waarom het goud wordt gehouden. Monetisatie is de wijziging in de classificatie van ongemunt goud van niet-monetair naar monetair. Demonetisatie is de wijziging in de classificatie van ongemunt goud van monetair naar niet-monetair.

6.24

Verrichtingen met betrekking tot ongemunt goud worden als volgt geregistreerd:

a)

wanneer een monetaire autoriteit ongemunt goud uit haar reserves verkoopt aan een niet-ingezeten institutionele eenheid die geen monetaire autoriteit is of aan een ingezeten institutionele eenheid, wordt een transactie in niet-monetair goud geregistreerd. Bij de wijziging in de classificatie van ongemunt goud van monetair naar niet-monetair vindt de demonetisatie onmiddellijk voor de transactie plaats; de demonetisatie wordt als overige volumemutatie van de activa van de monetaire autoriteit geregistreerd;

b)

wanneer een monetaire autoriteit van een niet-ingezeten of ingezeten institutionele eenheid ongemunt goud koopt voor haar reserves en dat goud niet al een reserveactief is, wordt een transactie in niet-monetair goud geregistreerd. Bij de wijziging in de classificatie van ongemunt goud van niet-monetair naar monetair vindt de monetisatie onmiddellijk na de transactie plaats; de monetisatie wordt als overige volumemutatie van de activa van de monetaire autoriteit geregistreerd;

c)

wanneer koper en verkoper monetaire autoriteiten van verschillende economieën zijn die allebei het ongemunte goud in hun reserves houden, is er sprake van een transactie in ongemunt goud, die in de financiële rekening wordt geregistreerd;

d)

in andere gevallen is ongemunt goud steeds niet-monetair en worden transacties in niet-monetair goud geregistreerd.

Bovengenoemde gevallen met betrekking tot monetaire autoriteiten gelden ook voor internationale financiële organisaties.

6.25

Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva omvatten niet de conversie van schuldbewijzen in aandelen, die als twee financiële transacties wordt geregistreerd.

Nominale waarderingsverschillen (K.7)

6.26

In de herwaarderingsrekening worden de nominale waarderingsverschillen voor eigenaars van activa en passiva gedurende de verslagperiode geregistreerd die het resultaat zijn van veranderingen in het prijsniveau en de prijsstructuur van die activa en passiva. De nominale waarderingsverschillen (K.7) omvatten neutrale waarderingsverschillen (K.71) en reële waarderingsverschillen (K.72).

6.27

Definitie: nominale waarderingsverschillen (K.7), indien gerelateerd aan een actief, zijn de waardevermeerderingen of -verminderingen van dat actief voor de economische eigenaar als gevolg van prijsverhogingen of -verlagingen. Nominale waarderingsverschillen, indien gerelateerd aan een passief, komen overeen met de mate waarin de waarde van het passief als gevolg van prijsverlagingen of prijsverhogingen is afgenomen respectievelijk toegenomen.

6.28

Gunstige waarderingsverschillen zijn het gevolg van een waardevermeerdering van een actief of een waardevermindering van een passief. Ongunstige waarderingsverschillen zijn het gevolg van een waardevermindering van een actief of een waardevermeerdering van een passief.

6.29

De in de herwaarderingsrekening opgenomen waarderingsverschillen betreffen zowel activa als passiva; zij worden ook geregistreerd wanneer ze niet worden gerealiseerd. Een gunstig waarderingsverschil wordt geacht te zijn gerealiseerd wanneer het betreffende actief wordt verkocht, geruild, verbruikt of op andere wijze afgestoten, of wanneer het passief wordt terugbetaald. Een niet-gerealiseerd gunstig waarderingsverschil ontstaat derhalve bij een actief dat aan het eind van de verslagperiode nog in het bezit van de betrokken eenheid is of een passief dat op dat moment nog uitstaat. Onder een gerealiseerd gunstig waarderingsverschil wordt gewoonlijk verstaan het gunstige waarderingsverschil over de gehele periode dat de eenheid het actief in eigendom had of dat het passief uitstond, of deze periode nu samenvalt met de verslagperiode of niet. Omdat waarderingsverschillen op transactiebasis worden geregistreerd, komt het onderscheid tussen gerealiseerde en niet-gerealiseerde waarderingsverschillen niet tot uiting in de classificaties en rekeningen, hoewel dat voor bepaalde doeleinden wel nuttig zou zijn.

6.30

Waarderingsverschillen komen voor bij alle soorten niet-financiële activa, en bij alle soorten financiële activa en passiva. Waarderingsverschillen op voorraden van allerlei goederen bij producenten, met inbegrip van onderhanden werk, zijn derhalve inbegrepen.

6.31

Nominale waarderingsverschillen zijn niet alleen mogelijk bij activa of passiva die in de begin- en/of eindbalans voorkomen, maar ook bij activa of passiva die tijdens de verslagperiode slechts enige tijd in de balans waren opgenomen. Het nominale waarderingsverschil voor de eigenaar van een bepaald actief of passief, of van een bepaalde hoeveelheid van een specifiek soort actief of passief, tussen twee tijdstippen wordt bepaald als de actuele waarde van het betreffende actief of passief op het latere tijdstip minus de actuele waarde van het betreffende actief of passief op het eerdere tijdstip, ervan uitgaande dat het actief of passief zelf intussen kwalitatief noch kwantitatief verandert.

6.32

Het gunstige nominale waarderingsverschil (W) op een bepaalde hoeveelheid h van een actief tussen de tijdstippen o en t kan als volgt worden uitgedrukt:
Formula
,

waarbij po en pt de prijzen van het actief op respectievelijk de tijdstippen o en t zijn. Voor financiële activa en passiva met een vaste actuele waarde in de nationale valuta zijn po en pt per definitie gelijk en is het gunstige nominale waarderingsverschil altijd nul.

6.33

Om de nominale waarderingsverschillen te berekenen, dienen de aan- en verkopen van activa te worden gewaardeerd op de wijze waarop zij in de kapitaal- en de financiële rekening worden geregistreerd, terwijl de voorraden aan activa moeten worden gewaardeerd op de wijze waarop zij in de balans worden geregistreerd. In het geval van vaste activa is de waarde van een aankoop gelijk aan het bedrag dat de koper heeft betaald aan de producent of de verkoper, plus de overdrachtskosten in verband met de aankoop die ten laste van de koper komen. De verkoopwaarde van bestaande vaste activa is gelijk aan het bedrag dat de verkoper van de koper ontvangt, minus de overdrachtskosten die ten laste van de verkoper komen.

6.34

Een uitzondering op de in punt 6.33 beschreven situatie doet zich voor wanneer de betaalde prijs afwijkt van de marktwaarde van het actief. In dat geval wordt een kapitaaloverdracht toegerekend voor het verschil tussen de betaalde prijs en de marktwaarde, en wordt de aankoop tegen marktwaarde geregistreerd. Dit doet zich met name voor bij transacties waarbij niet-marktsectoren betrokken zijn.

6.35

Er zijn vier situaties die aanleiding geven tot nominale waarderingsverschillen:

a)

een actief dat tijdens de gehele verslagperiode aanwezig was: het gunstige nominale waarderingsverschil gedurende de verslagperiode is gelijk aan de waarde in de eindbalans minus de waarde in de beginbalans, minus eventueel verbruik van vaste activa in de verslagperiode. Deze waarden zijn de geraamde waarden van het actief als dat zou worden verworven op het moment dat de balansen worden opgemaakt. Het gunstige nominale waarderingsverschil wordt niet gerealiseerd;

b)

een actief dat in de beginbalans is opgenomen en tijdens de verslagperiode wordt verkocht: het gunstige nominale waarderingsverschil is gelijk aan de waarde bij de verkoop minus de waarde in de beginbalans minus eventueel verbruik van vaste activa in de verslagperiode tot het moment van verkoop. Het gunstige nominale waarderingsverschil wordt gerealiseerd;

c)

een actief dat tijdens de verslagperiode wordt aangeschaft en in de eindbalans is opgenomen: het gunstige nominale waarderingsverschil is gelijk aan de waarde op de eindbalans minus de waarde bij aankoop minus eventueel verbruik van vaste activa in de verslagperiode. Het gunstige nominale waarderingsverschil wordt niet gerealiseerd, en

d)

een actief dat tijdens de verslagperiode wordt verworven en verkocht: het gunstige nominale waarderingsverschil is gelijk aan de waarde bij verkoop minus de waarde bij aankoop minus eventueel verbruik van vaste activa dat in de verslagperiode tussen de aankoop en de verkoop plaatsvindt. Het gunstige nominale waarderingsverschil wordt gerealiseerd.

6.36

Nominale waarderingsverschillen betreffen zowel activa als passiva en worden ook geregistreerd wanneer ze niet worden gerealiseerd. Zij worden opgenomen in de herwaarderingsrekening van de verschillende sectoren, de totale economie en het buitenland.

Neutrale waarderingsverschillen (K.71)

6.37

Definitie: een neutraal waarderingsverschil (K.71) is gerelateerd aan een actief of een passief en is de waarde van het waarderingsverschil dat ontstaat als de prijs van het actief of passief in de loop van de tijd in dezelfde mate verandert als het algemene prijspeil.

6.38

Neutrale waarderingsverschillen worden vastgesteld teneinde de afleiding van reële waarderingsverschillen mogelijk te maken; laatstgenoemde waarderingsverschillen beïnvloeden de (her)verdeling van de werkelijke koopkracht over de verschillende sectoren.

6.39

Stel dat het algemene prijsindexcijfer r is. Dan is het neutrale waarderingsverschil (NW) op een bepaalde hoeveelheid h van een actief tussen de tijdstippen o en t:
Formula
,

waarbij po × h de actuele waarde is van het actief op tijdstip o en rt/ro de vector voor de wijziging in het algemene prijsindexcijfer tussen de tijdstippen o en t. Dezelfde term rt/ro wordt toegepast op alle activa en passiva.

6.40

Voor de berekening van neutrale waarderingsverschillen wordt gebruik gemaakt van het prijsindexcijfer van de finale bestedingen.

6.41

Neutrale waarderingsverschillen worden geregistreerd in de rekening voor neutrale waarderingsverschillen, een subrekening van de herwaarderingsrekening, van de verschillende sectoren, de totale economie en het buitenland.

Reële waarderingsverschillen (K.72)

6.42

Definitie: een reëel waarderingsverschil (K.72) is gerelateerd aan een actief of een passief en is het verschil tussen het nominale en het neutrale waarderingsverschil op dat actief.

6.43

Het reële waarderingsverschil (RW) op een bepaalde hoeveelheid h van een actief tussen de tijdstippen o en t wordt uitgedrukt als:

 

Formula

 

of

Formula
.

6.44

De waarde van reële waarderingsverschillen op activa en passiva hangt bijgevolg af van de prijsontwikkeling van deze activa en passiva gedurende de betrokken periode ten opzichte van de gemiddelde ontwikkeling van andere prijzen, zoals gemeten met behulp van het algemene prijsindexcijfer.

6.45

Reële waarderingsverschillen worden geregistreerd in de rekening voor reële waarderingsverschillen, een subrekening van de herwaarderingsrekening.

Waarderingsverschillen per type financieel actief of passief

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1)

6.46

Aangezien de prijs van monetair goud gewoonlijk in US-dollars wordt genoteerd, is de waarde van monetair goud niet alleen onderhevig aan nominale waarderingsverschillen door veranderingen in de goudprijs, maar ook aan die door veranderingen in de wisselkoers.

6.47

Daar de SDR's een valutamandje vertegenwoordigen, varieert de waarde ervan in nationale valuta en variëren dus ook de waarderingsverschillen in overeenstemming met de wisselkoersen van de valuta's in het mandje ten opzichte van de nationale valuta.

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

6.48

De nominale waarde van chartaal geld en deposito's die in nationale valuta luiden, blijft in de loop van de tijd gelijk. De „prijs” van dergelijke activa verandert niet, terwijl de hoeveelheid wordt bepaald door het aantal eenheden van de valuta waarin zij luiden. De nominale waarderingsverschillen voor dergelijke activa zijn altijd nul. Het verschil in waarde tussen de begin- en de eindstand van deze activa komt daarom, afgezien van overige volumemutaties, volledig overeen met de waarde van de transacties in deze activa. Dit is een van de zeldzame gevallen waarin de transacties gewoonlijk kunnen worden afgeleid uit de mutatie van de balanscijfers.

6.49

De opgebouwde rente op deposito's wordt in de financiële rekening geregistreerd alsof zij op hetzelfde tijdstip weer in deposito's wordt belegd.

6.50

Bij vreemde valuta en deposito's in andere valuta zullen zich nominale waarderingsverschillen voordoen als gevolg van veranderingen van de wisselkoersen.

6.51

Om de neutrale en reële waarderingsverschillen op activa met een vaste nominale waarde te kunnen berekenen, is behalve gegevens over het tijdstip en de waarde van de transacties ook de waarde in de begin- en de eindbalans nodig. Stel bijvoorbeeld dat een deposito binnen dezelfde verslagperiode wordt ingelegd en opgenomen terwijl het algemene prijspeil stijgt. Het neutrale waarderingsverschil op het deposito is dan positief en het reële waarderingsverschil negatief, waarbij de omvang van de verschillen afhankelijk is van de looptijd van het deposito en van de prijsontwikkeling. Het is onmogelijk dergelijke negatieve reële waarderingsverschillen vast te stellen zonder informatie over de waarde van de transacties tijdens de verslagperiode en over de tijdstippen waarop deze werden verricht.

6.52

In het algemeen kan men concluderen dat wanneer de totale absolute waarde van de positieve en negatieve transacties groot is in verhouding tot de waarde volgens de begin- en eindbalans, benaderende ramingen van de neutrale en reële waarderingsverschillen op financiële activa en passiva met een vaste nominale waarde op basis van de balansgegevens alleen doorgaans niet erg bevredigend zijn. Zelfs een brutoregistratie van de waarde van financiële transacties — d.w.z. het registreren van de ingelegde en opgenomen deposito's afzonderlijk in plaats van het saldo van de inleggingen en opnames — kan ontoereikend zijn indien informatie over de looptijd van de deposito's ontbreekt.

Schuldbewijzen (AF.3)

6.53

Wanneer langlopende schuldbewijzen, zoals obligaties, worden uitgegeven met agio of disagio — en ook in het geval van „deep-discounted”- en nulcouponobligaties — is het verschil tussen de prijs van uitgifte en de nominale of aflossingswaarde na afloop van de looptijd onderdeel van de rente die de emittent over de looptijd van het schuldbewijs moet betalen. Deze rente wordt geregistreerd als inkomen uit vermogen, te betalen door de emittent van het langlopende schuldbewijs en te ontvangen door de houder ervan, naast eventuele werkelijk door de emittent op bepaalde tijdstippen tijdens de looptijd van het schuldbewijs betaalde couponrente.

6.54

De opgebouwde rente wordt in de financiële rekening geregistreerd alsof zij op hetzelfde tijdstip weer door de houder van het schuldbewijs in het schuldbewijs wordt belegd. Zij wordt derhalve in de financiële rekening geregistreerd als de verwerving van een actief dat aan het bestaande actief wordt toegevoegd. De geleidelijke toename van de marktwaarde van een langlopend schuldbewijs ten gevolge van het cumuleren van opgebouwde en opnieuw belegde rente weerspiegelt derhalve een toename van de uitstaande hoofdsom, d.w.z. van de omvang van het actief. In wezen gaat het om een kwantitatieve of volumestijging en niet om een prijsstijging. Er ontstaan geen waarderingsverschillen voor de houder of de emittent van het langlopende schuldbewijs. Naarmate de looptijd verstrijkt, verandert de „kwaliteit” van het schuldbewijs en het is van essentieel belang in te zien dat waardestijgingen als gevolg van de accumulatie van opgebouwde rente geen prijsveranderingen zijn en niet leiden tot gunstige waarderingsverschillen.

6.55

De prijzen van vastrentende langlopende schuldbewijzen veranderen echter ook wanneer de marktrente verandert. Deze prijsmutaties zijn tegengesteld aan de rentevoetbewegingen. De gevolgen van een rentevoetwijziging voor de prijs van een langlopend schuldbewijs is geringer naarmate de resterende looptijd van het schuldbewijs korter is. Veranderingen in de prijs van langlopende schuldbewijzen als gevolg van veranderingen in de marktrente zijn prijs- en geen volumemutaties. Hierdoor ontstaan derhalve nominale waarderingsverschillen voor zowel de emittenten als de houders van de schuldbewijzen. Een rentevoetstijging leidt tot een gunstig nominaal waarderingsverschil voor de emittent van het schuldbewijs en een even groot ongunstig nominaal waarderingsverschil voor de houder ervan. Bij een rentevoetdaling geldt het omgekeerde.

6.56

Bij niet-vastrentende schuldbewijzen zijn de couponbetalingen of de aflossingen van de hoofdsom gekoppeld aan een algemeen prijsindexcijfer voor goederen en diensten (zoals het indexcijfer van de consumptieprijzen), aan een rentevoet (zoals de Euribor, de Libor of het rendement van een obligatie) of aan de prijs van activa.

Wanneer de bedragen van de couponbetalingen en/of de uitstaande hoofdsom gekoppeld zijn aan een algemeen of breed prijsindexcijfer, wordt een wijziging van de waarde van de uitstaande hoofdsom tussen begin en eind van een specifieke verslagperiode als gevolg van de ontwikkeling van het betreffende indexcijfer behandeld als in die periode opgebouwde rente, naast de verschuldigde rente voor diezelfde periode.

Wanneer de bedragen die op de vervaldag moeten worden betaald mede zijn geïndexeerd om een gunstig waarderingsverschil te genieten, gewoonlijk bij indexering op basis van één nauwkeurig omschreven artikel, is er, wanneer de ontwikkeling van het onderliggende indexcijfer anders verloopt dan verwacht, sprake van waarderingsverschillen die normaliter niet tijdens de looptijd van het instrument worden geneutraliseerd.

6.57

Bij kortlopende schuldbewijzen kunnen de nominale waarderingsverschillen op dezelfde wijze toenemen als bij langlopende schuldbewijzen. Door de veel kortere looptijd zijn de waarderingsverschillen door rentevoetbewegingen doorgaans echter ook veel kleiner dan bij langlopende schuldbewijzen met dezelfde nominale waarde.

Leningen (AF.4)

6.58

Wat geldt voor chartaal geld en deposito's, geldt ook voor leningen die niet worden verhandeld. Als een bestaande lening echter aan een andere institutionele eenheid wordt verkocht, wordt de afschrijving van de lening, die overeenkomt met het verschil tussen de aflossingsprijs en de transactieprijs, op het moment van de transactie in de herwaarderingsrekening van de verkoper en de koper geregistreerd.

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5)

6.59

Door de uitgifte van bonusaandelen nemen het aantal aandelen en de nominale waarde van het uitstaande aandelenkapitaal toe; de marktwaarde op zich van alle aandelen samen verandert hierdoor echter niet. Hetzelfde geldt voor stockdividend, te weten een evenredige verdeling van extra aandelen van een onderneming onder de houders van het gewone aandelenkapitaal. Bonusaandelen en stockdividend worden niet in de rekeningen opgenomen. Omdat dergelijke emissies bedoeld zijn om de liquiditeit van de aandelen op de markt te verhogen, kan daardoor de totale marktwaarde van de uitgegeven aandelen toenemen; dergelijke veranderingen worden geregistreerd als gunstige nominale waarderingsverschillen.

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6)

6.60

Wanneer de reserves en rechten in verband met verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen in nationale valuta luiden, zijn er net als bij chartaal geld, deposito's en leningen geen nominale waarderingsverschillen. Bij de activa die financiële instellingen gebruiken om aan hun betalingsverplichtingen te voldoen, kunnen waarderingsverschillen optreden.

6.61

De verplichtingen aan polishouders en begunstigden veranderen als gevolg van transacties, overige volumemutaties en herwaarderingen. Herwaarderingen zijn het gevolg van veranderingen van belangrijke modelaannamen bij actuariële berekeningen. Deze aannamen betreffen de disconteringsvoet, de loonontwikkeling en de prijsontwikkeling.

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7)

6.62

De waarde van financiële derivaten kan variëren naargelang van veranderingen in de waarde of in de volatiliteit van de prijs van het onderliggende instrument, dan wel naarmate het moment van uitvoering of de vervaldatum nadert. Al die waardeveranderingen bij financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers moeten als prijsverschillen worden beschouwd en worden als herwaardering geregistreerd.

Overige vorderingen/schulden (AF.8)

6.63

Wat geldt voor binnenlands chartaal geld en binnenlandse deposito's en leningen, geldt ook voor overige vorderingen/schulden die niet worden verhandeld. Als een bestaand handelskrediet echter aan een andere institutionele eenheid wordt verkocht, wordt het verschil tussen de aflossingsprijs en de transactieprijs op het moment van de transactie als herwaardering geregistreerd. Daar een handelskrediet echter meestal een korte looptijd heeft, kan de verkoop ervan de totstandkoming van een nieuw financieel instrument meebrengen.

Activa in vreemde valuta

6.64

De waarde van activa en passiva in vreemde valuta wordt vastgesteld op basis van de actuele marktwaarde in vreemde valuta, tegen de actuele wisselkoers omgerekend in nationale valuta. Zowel uit veranderingen in de prijs van de activa als uit die van de wisselkoers kunnen derhalve nominale waarderingsverschillen voortvloeien. De totale waarde van de in de loop van de verslagperiode ontstane nominale waarderingsverschillen wordt berekend door de waarde van de transacties en overige volumemutaties af te trekken van het verschil tussen de waarde in de beginbalans en die in de eindbalans. Hiertoe worden de transacties in activa en passiva in vreemde valuta omgerekend in nationale valuta tegen de wisselkoers die op het moment van de transactie van kracht is, terwijl de waarde in de begin- en eindbalans wordt omgerekend tegen de wisselkoers op de datum waarop de balansen betrekking hebben. Dit betekent dat de totale waarde van de transacties als nettotoename — saldo van aan- en verkopen —, uitgedrukt in vreemde valuta, in feite wordt omgerekend tegen een gewogen gemiddelde wisselkoers waarbij de gewichten gelijk zijn aan de waarde van de op verschillende tijdstippen uitgevoerde transacties.

 

HOOFDSTUK 7

BALANSEN

7.01

Definitie: een balans is een voor een bepaald moment opgesteld overzicht van de waarde van de economische bezittingen (activa) en van de verplichtingen (financiële passiva) van een institutionele eenheid of van een groep van eenheden.

7.02

De sluitpost van een balans wordt vermogenssaldo (B.90) genoemd. Alle in de balans opgenomen activa en passiva worden gewaardeerd tegen passende prijzen; gewoonlijk zijn dit de marktprijzen die gelden per balansdatum, maar voor sommige categorieën is het de nominale waarde. Er wordt een balans opgesteld voor ingezeten institutionele sectoren en subsectoren, de gehele nationale economie en het buitenland.

7.03

De balans vult het rekeningenstelsel aan en laat het uiteindelijke effect zien van de registraties in de productie-, inkomensverdelings-, inkomensbestedings- en accumulatierekening op het vermogen van een economie.

7.04

Voor institutionele sectoren is de sluitpost van de balans het vermogenssaldo.

7.05

Voor de gehele nationale economie wordt de sluitpost vaak het nationale vermogen genoemd: de totale waarde van de niet-financiële activa en de netto financiële activa ten opzichte van het buitenland.

7.06

De balans van het buitenland wordt op dezelfde manier opgesteld als de balansen voor de ingezeten institutionele sectoren en subsectoren. Zij bestaat volledig uit financiële activa en passiva van niet-ingezetenen ten opzichte van ingezetenen. In BPM6 wordt de overeenkomstige balans, opgesteld vanuit het oogpunt van ingezetenen ten opzichte van niet-ingezetenen, de internationale investeringspositie genoemd.

7.07

Het eigen vermogen is de som van het vermogenssaldo (B.90) en de waarde van deelnemingen en aandelen in beleggingsfondsen (AF.5) als financieel passief in de balans.

7.08

Voor de sectoren niet-financiële vennootschappen en financiële instellingen en de subsectoren daarvan is het eigen vermogen net als het vermogenssaldo een belangrijke indicator voor analysen.

7.09

Het vermogenssaldo van vennootschappen wijkt gewoonlijk af van de waarde van de door hen uitgegeven aandelen en overige deelnemingen. Het vermogenssaldo van quasivennootschappen is nul omdat de waarde van het eigen vermogen van de eigenaar geacht wordt gelijk te zijn aan het saldo van diens activa en passiva (met uitzondering van deelnemingen). Het vermogenssaldo van ingezeten directe-investeringsondernemingen die bijkantoren van niet-ingezeten ondernemingen zijn en daarom als quasivennootschappen worden behandeld, is daarom ook nul.

7.10

De sluitpost van de financiële activa en passiva wordt financieel vermogenssaldo genoemd (BF.90).

7.11

Een balans is een momentopname van de waarde van activa en passiva. Aan het begin en aan het eind van een verslagperiode wordt een balans opgesteld; de beginbalans voor een periode is gelijk aan de eindbalans van de vorige periode.

7.12

Een boekhoudkundige identiteit verbindt de waarde van de stand van een specifiek actief in de beginbalans als volgt met die in de eindbalans:

de waarde van de stand van een specifiek actief in de beginbalans

plus

transacties

de totale waarde van dat actief voor zover gekocht bij transacties tijdens de verslagperiode

minus

de totale waarde van dat actief voor zover verkocht bij transacties tijdens de verslagperiode

minus

het verbruik van vaste activa (indien van toepassing)

plus

overige volumemutaties

andere positieve volumemutaties met betrekking tot dat actief

minus

andere negatieve volumemutaties met betrekking tot dat actief

plus

herwaarderingen

de waarde van de gunstige nominale waarderingsverschillen tijdens de verslagperiode als gevolg van een prijswijziging voor dat actief

minus

de waarde van de ongunstige nominale waarderingsverschillen tijdens de verslagperiode als gevolg van een prijswijziging voor dat actief

is gelijk aan de waarde van de stand van dat actief in de eindbalans.

Er kan ook een tabel worden opgesteld waarbij de waarde van de stand van een specifiek financieel passief in de beginbalans wordt gekoppeld aan de waarde van die stand in de eindbalans.

7.13

De boekhoudkundige verbinding tussen de begin- en de eindbalans als gevolg van transacties, overige volumemutaties in activa en passiva en waarderingsverschillen wordt schematisch weergegeven in bijlage 7.2.

SOORTEN ACTIVA EN PASSIVA

Definitie van actief

7.14

De activa die in de balans worden opgenomen, zijn economische activa.

7.15

Definitie: een economisch actief is een waardeobject waarvan het bezit of gebruik gedurende een bepaalde tijd de economische eigenaar baten oplevert. Het is een middel om waarde mee te nemen van de ene verslagperiode naar de volgende.

7.16

De economische baten bestaan uit primair inkomen, zoals een exploitatieoverschot, wanneer de economische eigenaar het actief zelf gebruikt, of inkomen uit vermogen wanneer hij het anderen laat gebruiken. De baten vloeien voort uit het gebruik van het actief en uit de waarde, met inbegrip van waarderingsverschillen, die wordt gerealiseerd door het actief te verkopen of te liquideren.

7.17

De economische eigenaar van een actief is niet noodzakelijk de juridische eigenaar. De economische eigenaar is de institutionele eenheid die recht heeft op de baten die voortvloeien uit het gebruik van het actief, omdat zij ook de met dit gebruik verbonden risico's aanvaardt.

7.18

Tabel 7.1 geeft een overzicht van de classificatie en de omschrijving van economische activa. Bijlage 7.1 bevat voor elke categorie van activa een gedetailleerde definitie.

UITSLUITINGEN VAN DE ACTIVA EN PASSIVA

7.19

Tot de activa en de passiva behoren niet:

a)

menselijk kapitaal;

b)

natuurlijke hulpbronnen die niet als economische activa worden beschouwd (bv. lucht, rivierwater);

c)

duurzame consumptiegoederen, en

d)

voorwaardelijke activa en passiva, voor zover deze in het systeem niet tot de financiële activa en passiva worden gerekend (zie punt 7.31).

CATEGORIEËN ACTIVA EN PASSIVA

7.20

In de balansen worden twee hoofdcategorieën onderscheiden: niet-financiële activa (aangeduid als AN) en financiële activa en passiva (aangeduid als AF).

7.21

De niet-financiële activa zijn ingedeeld in geproduceerde niet-financiële activa (AN.1) en niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2).

Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1)

7.22

Definitie: geproduceerde niet-financiële activa (AN.1) zijn het resultaat van een productieproces.

7.23

De classificatie van geproduceerde niet-financiële activa (AN.1) onderscheidt de activa naar hun rol in de productie. Zij omvat vaste activa die gedurende meer dan één jaar herhaaldelijk of voortdurend in een productieproces worden gebruikt, voorraden die als intermediair verbruik bij de productie worden verbruikt, dan wel worden verkocht of anderszins worden afgestoten, en kostbaarheden. Kostbaarheden worden niet in de eerste plaats voor productie of consumptie gebruikt, maar als waardeobject aangeschaft en aangehouden.

Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2)

7.24

Definitie: niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2) zijn economische activa die op een andere wijze ontstaan dan als resultaat van een productieproces. Zij bestaan uit natuurlijke hulpbronnen, contracten, leases, vergunningen, goodwill en marketingactiva.

7.25

De niet-geproduceerde activa zijn ingedeeld op basis van hun ontstaanswijze. Sommige van deze activa komen in de natuur voor, terwijl andere, zogenaamde maatschappelijke constructies, tot stand komen via juridische of boekhoudkundige handelingen.

7.26

Welke natuurlijke hulpbronnen in de balans worden opgenomen, wordt overeenkomstig de algemene definitie van een economisch actief bepaald door het feit of over deze hulpbronnen daadwerkelijk economische eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend en of zij hun eigenaars, gegeven de stand van de technologie, kennis, economische mogelijkheden, beschikbare middelen en de relatieve prijs van vervangende producten, economische baten kunnen opleveren. Natuurlijke hulpbronnen waarover geen eigendomsrechten worden uitgeoefend, zoals de open zee of het luchtruim, blijven buiten beschouwing.

7.27

Contracten, leases en vergunningen worden alleen als niet-financiële activa beschouwd wanneer een juridisch bindende overeenkomst de houder meer economische baten toekent dan alleen de uit hoofde van de overeenkomst te betalen bedragen, en de houder dergelijke baten juridisch en in de praktijk kan realiseren door ze aan anderen over te dragen.

Financiële activa en passiva (AF)

7.28

Definitie: financiële activa (AF) zijn economische activa en omvatten alle financiële aanspraken, deelnemingen en de component ongemunt goud van monetair goud (punt 5.03). Financiële passiva worden vastgesteld wanneer debiteuren verplicht zijn een betaling of een reeks betalingen aan crediteuren te verrichten (punt 5.06).

7.29

Financiële activa zijn waardeobjecten; het gaat om één of meerdere baten die de economische eigenaar krijgt wanneer hij de activa gedurende een bepaalde tijd behoudt of gebruikt. Zij vormen een middel om waarde mee te nemen van de ene verslagperiode naar de volgende. Baten worden uitgewisseld door middel van betalingen (punt 5.04).

7.30

In het systeem staat tegenover elk financieel actief een financieel passief (tegenboeking); de enige uitzondering is de component ongemunt goud van monetair goud, die is ingedeeld in de categorie monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1).

7.31

Voorwaardelijke activa en voorwaardelijke passiva zijn overeenkomsten waarbij de ene partij slechts verplicht is een betaling of een reeks betalingen aan een andere eenheid te doen indien aan een aantal specifieke voorwaarden is voldaan (punt 5.08). Het zijn geen financiële activa en passiva.

7.32

De classificatie van de financiële activa en passiva komt overeen met die van de financiële transacties (punt 5.14). De definities van de categorieën en subcategorieën van de financiële activa en passiva en de toelichting daarop worden in hoofdstuk 5 gegeven en hier niet herhaald, maar wel wordt in bijlage 7.1 een overzicht van alle in het systeem gedefinieerde activa en passiva gegeven.

Tabel 7.1 —   Classificatie van de activa

AN

NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN.1 + AN.2)

AN.1

Geproduceerde niet-financiële activa

AN.11

Vaste activa (1)

AN.111

Woningen

AN.112

Overige bouwwerken

AN.1121

Bouwwerken m.u.v. woningen

AN.1122

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken

AN.1123

Grondverbeteringen

AN.113

Vervoermiddelen, machines en apparatuur

AN.1131

Vervoermiddelen

AN.1132

ICT-apparatuur

AN.1139

Overige machines en apparatuur

AN.114

Wapensystemen

AN.115

In cultuur gebrachte biologische hulpbronnen

AN.1151

Dierlijke hulpbronnen met regelmatige opbrengst

AN.1152

Plantaardige hulpbronnen met regelmatige opbrengst

AN.117

Intellectuele eigendommen

AN.1171

Onderzoek en ontwikkeling

AN.1172

Exploratie en evaluatie van minerale reserves

AN.1173

Computerprogrammatuur en databanken

AN.11731

Computerprogrammatuur

AN.11732

Databanken

AN.1174

Originelen op het gebied van woord, beeld en geluid

AN.1179

Overige intellectuele eigendommen

AN.12

Voorraden

AN.121

Grondstoffen en halffabricaten

AN.122

Onderhanden werk

AN.1221

Onderhanden werk van in cultuur gebrachte biologische activa

AN.1222

Overig onderhanden werk

AN.123

Gereed product

AN.124

Militaire voorraden

AN.125

Handelsgoederen

AN.13

Kostbaarheden

AN.131

Edele metalen en edelstenen

AN.132

Antiquiteiten en andere kunstobjecten

AN.133

Overige kostbaarheden

AN.2

Niet-geproduceerde niet-financiële activa

AN.21

Natuurlijke hulpbronnen

AN.211

Grond

AN.2111

Bebouwde grond

AN.2112

Landbouwgrond

AN.2113

Recreatief gebied (inclusief bijbehorend oppervlaktewater)

AN.2119

Overige grond (inclusief bijbehorend oppervlaktewater)

AN.212

Minerale en energiereserves

AN.213

Niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen

AN.214

Waterreserves

AN.215

Overige natuurlijke hulpbronnen

AN.2151

Radiospectra

AN.2159

Overige

AN.22

Contracten, leases en vergunningen

AN.221

Verhandelbare operationele leases

AN.222

Vergunningen om natuurlijke hulpbronnen te gebruiken

AN.223

Vergunningen om specifieke activiteiten te ondernemen

AN.224

Exclusief recht op toekomstige goederen en diensten

AN.23

Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva

AF

FINANCIËLE ACTIVA (2) (AF.1 + AF.2 + AF.3 + AF.4 + AF.5 + AF.6 + AF.7 + AF.8)

AF.1

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

AF.11

Monetair goud

AF.12

Bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

AF.2

Chartaal geld en deposito's

AF.21

Chartaal geld

AF.22

Girale deposito's

AF.29

Overige deposito's

AF.3

Schuldbewijzen

AF.31

Kortlopende schuldbewijzen

AF.32

Langlopende schuldbewijzen

AF.4

Leningen

AF.41

Kortlopende leningen

AF.42

Langlopende leningen

AF.5

Deelnemingen en aandelen en rechten van deelneming in beleggingsfondsen

AF.51

Deelnemingen

AF.511

Beursgenoteerde aandelen

AF.512

Niet-beursgenoteerde aandelen

AF.519

Overige deelnemingen

AF.52

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen

AF.521

Aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen

AF.522

Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen

AF.6

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen

AF.61

Technische voorzieningen schadeverzekering

AF.62

Levensverzekerings- en lijfrenterechten

AF.63

Pensioenrechten

AF.64

Aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders

AF.65

Rechten op niet-pensioenuitkeringen

AF.66

Voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties

AF.7

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

AF.71

Financiële derivaten

AF.72

Aandelenopties voor werknemers

AF.8

Overige vorderingen/schulden

AF.81

Handelskredieten en voorschotten

AF.89

Overige transitorische posten

WAARDERING VAN BALANSPOSTEN

Algemene waarderingsbeginselen

7.33

Elke balanspost wordt gewaardeerd als zijnde verworven per balansdatum. Activa en passiva worden gewaardeerd tegen hun per balansdatum geldende marktprijzen.

7.34

De geregistreerde waarden moeten de prijzen weergeven die per balansdatum op de markt worden waargenomen. Indien er geen marktprijzen kunnen worden waargenomen, bijvoorbeeld omdat er wel een markt is, maar er in het recente verleden geen verkopen van de betrokken activa hebben plaatsgevonden, moeten de marktprijzen van die activa per balansdatum worden geraamd.

7.35

Gewoonlijk zijn er marktprijzen beschikbaar voor tal van financiële activa en passiva, bestaand onroerend goed (bouwwerken met onderliggende grond), bestaande vervoermiddelen, gewassen en vee, alsmede nieuwe vaste activa en voorraden.

7.36

Niet-financiële activa die voor eigen rekening zijn geproduceerd, moeten worden gewaardeerd tegen basisprijzen dan wel, indien geen basisprijzen beschikbaar zijn, tegen basisprijzen van soortgelijke goederen of, indien dat niet mogelijk is, tegen de kostprijs.

7.37

De waarde van niet-financiële activa kan, naast aan de hand van waargenomen marktprijzen of ramingen van prijzen op basis van waargenomen prijzen of gemaakte kosten, ook worden geraamd aan de hand van:

a)

de bepaling en herwaardering van het saldo van aan- en verkopen gedurende de levensduur van de activa, of

b)

de huidige waarde, d.w.z. de contante waarde, van toekomstige economische baten.

7.38

De bepaling van de marktwaarde is het leidende beginsel bij de waardering van standen (en transacties) op het gebied van financiële instrumenten. Financiële instrumenten zijn identiek aan financiële aanspraken. Het zijn financiële activa waartegenover passiva staan. De marktwaarde is de waarde waartegen financiële activa tussen tot een transactie bereid zijnde partijen op basis van uitsluitend commerciële overwegingen worden gekocht of verkocht, met uitzondering van commissies, provisies en belastingen. Bij de vaststelling van de marktwaarde houden handelspartners ook rekening met de opgebouwde rente.

7.39

De nominale waarde wordt berekend als de som van de oorspronkelijk en eventueel later verstrekte bedragen minus terugbetalingen plus opgebouwde rente. Zij moet worden onderscheiden van de faciale waarde.

a)

De nominale waarde in nationale valuta van een financieel instrument dat in vreemde valuta luidt, omvat waarderingsverschillen als gevolg van wisselkoersbewegingen.

De waarde van financiële instrumenten in vreemde valuta moet tegen de wisselkoers per balansdatum worden omgerekend in nationale valuta. Deze koers dient de middenkoers te zijn tussen de contante koersen voor aankoop en verkoop van valuta's.

b)

Voor financiële instrumenten zoals schuldbewijzen die aan een smalle index gekoppeld zijn, kan de nominale waarde ook waarderingsverschillen als gevolg van indexbewegingen omvatten.

c)

De marktwaarde van een financieel instrument kan door herwaarderingen als gevolg van marktprijsmutaties te allen tijde van zijn nominale waarde afwijken. Bewegingen van marktprijzen zijn een gevolg van de algemene marktomstandigheden zoals mutaties in de marktrente, en van specifieke omstandigheden, zoals veranderingen in de waargenomen kredietwaardigheid van de emittent van een schuldbewijs en veranderingen van de marktliquiditeit in het algemeen en van de marktliquiditeit die specifiek is voor schuldbewijzen.

d)

Voor posities geldt daarom de volgende basisvergelijking:

marktwaarde = nominale waarde + herwaarderingen als gevolg van marktprijsmutaties.

7.40

Voor sommige niet-financiële activa loopt de geherwaardeerde oorspronkelijke aankoopprijs gedurende de verwachte economische levensduur van de activa terug tot nul. De waarde van een dergelijk actief op een gegeven moment wordt bepaald door de vervangingswaarde minus de geaccumuleerde waarde van dergelijke verminderingen.

7.41

De meeste vaste activa kunnen in de balans worden geregistreerd tegen de geldende aankoopprijs minus het geaccumuleerde verbruik van vaste activa (afgeschreven vervangingskosten). De som van de verminderde waarden van alle nog in gebruik zijnde vaste activa heet de netto-kapitaalgoederenvoorraad. De bruto-kapitaalgoederenvoorraad omvat ook de waarde van het geaccumuleerde verbruik van vaste activa.

NIET-FINANCIËLE ACTIVA (AN)

Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1)

Vaste activa (AN.11)

7.42

Vaste activa worden zo mogelijk tegen marktprijzen geregistreerd (of tegen basisprijzen in het geval van productie van nieuwe activa in eigen beheer), en anders tegen de aankoopprijs bij de verwerving na aftrek van het geaccumuleerde verbruik van vaste activa. In de balanswaarde worden ook de ten laste van de koper komende overdrachtskosten in verband met deze activa opgenomen, na op correcte wijze te zijn verminderd met het verbruik van vaste activa over de periode die de koper het economische actief denkt te behouden.

Intellectuele eigendommen (AN.117)

7.43

De exploratie en evaluatie van minerale reserves (AN.1172) worden gewaardeerd op basis van de geaccumuleerde bedragen die aan andere institutionele eenheden voor de exploratie en evaluatie zijn betaald, of op basis van de kosten van exploratie indien deze in eigen beheer wordt verricht. In het verleden verrichte exploratie die nog niet volledig is afgeschreven, moet tegen de prijzen of kosten van de lopende verslagperiode worden geherwaardeerd.

7.44

Originelen van intellectuele eigendommen, zoals computerprogrammatuur en originelen op het gebied van woord, beeld en geluid moeten worden gewaardeerd tegen de aankoopprijs wanneer ze op de markt worden verhandeld. De oorspronkelijke waarde wordt geraamd op basis van de productiekosten, correct geherwaardeerd tegen de prijzen van de lopende verslagperiode. Als de waarde niet op deze wijze kan worden vastgesteld, wordt de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengsten als gevolg van het gebruik van het actief geraamd.

Kosten eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa (AN.116)

7.45

De kosten van eigendomsoverdracht voor andere niet-geproduceerde activa dan grond worden afzonderlijk in de kapitaalrekening opgenomen en als bruto-investeringen in vaste activa behandeld, maar in de balans zijn dergelijke kosten begrepen in de waarde van het actief waarop zij betrekking hebben, ook al is dit niet geproduceerd. In de balans worden de kosten van eigendomsoverdracht dus niet afzonderlijk vermeld. De kosten van eigendomsoverdracht voor financiële activa worden als intermediair verbruik behandeld indien de financiële activa door een vennootschap of door de overheid worden verworven, als eindconsumptie indien zij door huishoudens worden verworven en als uitvoer van diensten indien zij door niet-ingezetenen worden verworven.

Voorraden (AN.12)

7.46

Voorraden moeten worden gewaardeerd tegen de per balansdatum geldende prijzen en niet tegen de prijzen op het moment dat de producten in de voorraden werden opgenomen.

7.47

Voorraden grondstoffen en halffabricaten worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen, voorraden gereed product en onderhanden werk tegen basisprijzen. Voorraden handelsgoederen die niet verder worden bewerkt door de distributeurs, worden gewaardeerd tegen de prijs per balansdatum, exclusief vervoerkosten van de groot- of detailhandel. Voor voorraden onderhanden werk wordt de waarde op de eindbalans geraamd door het percentage van de totale productiekosten dat aan het einde van de verslagperiode is gerealiseerd, toe te passen op de basisprijs van een vergelijkbaar gereed product per balansdatum. Als er geen basisprijs voor het gereed product beschikbaar is, wordt deze geraamd aan de hand van de waarde van de productiekosten met een toeslag voor een verwacht netto-exploitatieoverschot of geraamd netto gemengd inkomen.

7.48

Gewassen te velde die slechts één oogst opleveren (met uitzondering van hout) en slachtvee kunnen worden gewaardeerd aan de hand van de prijzen van dergelijke producten op de markt. Bij de waardering van staand hout wordt uitgegaan van de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengst van de houtverkoop tegen lopende prijzen na aftrek van de uitgaven voor het tot wasdom laten komen van het hout, het kappen enz.

Kostbaarheden (AN.13)

7.49

Kostbaarheden zoals kunstwerken, antiek, juwelen, edelstenen, niet-monetair goud en andere edele metalen worden gewaardeerd tegen lopende prijzen. Indien er georganiseerde markten voor dergelijke activa bestaan, moeten ze worden gewaardeerd tegen de werkelijke of geraamde prijs die zij per balansdatum op de markt zouden opbrengen, exclusief honoraria of commissies voor tussenpersonen. In andere gevallen moeten zij worden gewaardeerd tegen aankoopprijzen die geherwaardeerd zijn op grond van het prijsniveau van de lopende verslagperiode.

Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2)

Natuurlijke hulpbronnen (AN.21)

Grond (AN.211)

7.50

In de balans wordt grond gewaardeerd tegen de lopende marktprijs. Uitgaven voor grondverbeteringen worden geregistreerd als bruto-investeringen in vaste activa, terwijl de hierdoor toegevoegde waarde in de balans niet bij de waarde van de grond wordt opgenomen, maar in een aparte categorie voor grondverbeteringen (AN.1123).

7.51

Grond wordt gewaardeerd tegen de geraamde prijs die zou worden verkregen indien de grond op de markt wordt verkocht, exclusief de kosten van eigendomsoverdracht bij een toekomstige verkoop. Wanneer er een overdracht plaatsvindt, wordt deze volgens afspraak geregistreerd als bruto-investering in vaste activa; deze wordt in de balans niet onder de waarde van de grond (AN.211) geboekt, maar als een onder AN.1123 vallend actief. De waarde van deze post wordt door het verbruik van de vaste activa gedurende de periode dat de nieuwe eigenaar de grond denkt te gebruiken, tot nul verminderd.

7.52

Indien de waarde van de grond niet kan worden gescheiden van die van de bouwwerken die erop staan, moeten de activa tezamen worden ingedeeld bij het actief met de hoogste waarde.

Minerale en energiereserves (AN.212)

7.53

Reserves van mineralen aan of onder de aardoppervlakte, die gegeven de huidige technologie en de lopende relatieve prijzen voor vervangende producten economisch exploiteerbaar zijn, worden gewaardeerd tegen de contante waarde van de verwachte netto-opbrengsten van de commerciële exploitatie van de activa.

Overige natuurlijke hulpbronnen (AN.213, AN.214 en AN.215)

7.54

Omdat voor niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (AN.213), waterreserves (AN.214) en overige natuurlijke hulpbronnen (AN.215) waarschijnlijk geen marktprijzen beschikbaar zijn, worden zij gewoonlijk gewaardeerd tegen de contante waarde van de verwachte toekomstige opbrengsten.

Contracten, leases en vergunningen (AN.22)

7.55

Definitie: contracten, leases en vergunningen worden als activa geregistreerd wanneer aan de volgende voorwaarden wordt voldaan:

a)

in de contract-, lease- of vergunningsvoorwaarden wordt een prijs voor het gebruik van een actief of een dienstverlening gespecificeerd die afwijkt van de gangbare marktprijs, en

b)

een van de partijen bij het contract kan het prijsverschil realiseren.

De contracten, leases en vergunningen kunnen worden gewaardeerd met behulp van marktinformatie over de overdrachten van de instrumenten waarbij de rechten worden verleend, of worden geraamd als het verschil tussen de contante waarde van verwachte toekomstige opbrengsten per balansdatum en de situatie bij aanvang van de juridisch bindende overeenkomst.

7.56

Tot deze categorie behoren activa die voortvloeien uit verhandelbare operationele leases, vergunningen voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen, vergunningen voor het ondernemen van specifieke activiteiten en exclusieve rechten op toekomstige goederen en diensten.

7.57

De waarde van het actief is gelijk aan de netto contante waarde van het verschil tussen de gangbare prijs en de in de overeenkomst vastgelegde prijs. Wanneer andere aspecten gelijk blijven, zal deze waarde teruglopen naarmate de duur van de overeenkomst verstrijkt. Veranderingen in de waarde van het actief als gevolg van mutaties in de gangbare prijs worden geregistreerd als nominale waarderingsverschillen.

7.58

Verhandelbare operationele leases worden alleen als activa geregistreerd wanneer een leasenemer zijn recht om het prijsverschil te realiseren, uitoefent.

Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva (AN.23)

7.59

De balanswaarde van goodwill en marketingactiva is gelijk aan het verschil tussen de prijs die bij de verkoop van een institutionele eenheid is betaald en de waarde die voor het eigen vermogen ervan is geregistreerd, geherwaardeerd voor latere verminderingen naarmate de aanvankelijke waarde wordt afgeschreven als een economisch verlies van niet-geproduceerde activa (K.2). Het afschrijvingspercentage is in overeenstemming met de in de handel gebruikelijke boekhoudstandaarden.

7.60

Tot de marketingactiva behoren posten als merknamen, impressums, handelsmerken, logo's en domeinnamen.

FINANCIËLE ACTIVA EN PASSIVA (AF)

7.61

Financiële activa en passiva worden, wanneer het gaat om verhandelbare financiële instrumenten zoals schuldbewijzen, gewone aandelen, aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen en financiële derivaten, gewaardeerd tegen de marktwaarde. Niet-verhandelbare financiële instrumenten worden gewaardeerd tegen de nominale waarde (zie de punten 7.38 en 7.39). De tegenhangende financiële activa en passiva hebben in de balans dezelfde waarde. De waarden omvatten geen commissies, provisies en belastingen. Die worden geregistreerd als diensten voor de uitvoering van de transacties.

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1)

7.62

Monetair goud (AF.11) moet worden gewaardeerd tegen de prijs die wordt vastgesteld op georganiseerde goudmarkten.

7.63

De waarde van bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.12) wordt dagelijks door het IMF bepaald; de koers in nationale valuta is beschikbaar op de valutamarkten.

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

7.64

Chartaal geld (bankbiljetten en munten — AF.21) wordt gewaardeerd tegen de nominale waarde.

7.65

Voor deposito's (AF.22, AF.29) wordt in de balans de nominale waarde geregistreerd.

7.66

Chartaal geld en deposito's in vreemde valuta worden in nationale valuta omgerekend tegen de middenkoers tussen de per balansdatum geldende contante koers voor aankoop en verkoop van valuta's.

Schuldbewijzen (AF.3)

7.67

Schuldbewijzen worden geregistreerd tegen de marktwaarde.

7.68

Kortlopende schuldbewijzen (AF.31) worden gewaardeerd tegen de marktwaarde. Indien geen marktwaarde beschikbaar is, kan deze, tenzij er sprake is van hoge inflatie of hoge nominale rentevoeten, worden benaderd door de nominale waarde van:

a)

kortlopende schuldbewijzen die a pari worden uitgegeven, en

b)

kortlopende met disagio uitgegeven schuldbewijzen.

7.69

Langlopende schuldbewijzen (AF.32) worden gewaardeerd tegen de marktwaarde, of het nu gaat om obligaties waarvoor regelmatig rente wordt betaald, dan wel om „deep-discounted” obligaties of nulcouponobligaties waarop weinig of geen rente wordt uitbetaald.

Leningen (AF.4)

7.70

In de balans van zowel de crediteur als de debiteur moet de nominale waarde worden geregistreerd, ongeacht of de leningen renderend of niet-renderend zijn.

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5)

7.71

Beursgenoteerde aandelen (AF.511) worden gewaardeerd tegen hun marktwaarde. Voor de actiefzijde en de passiefzijde wordt dezelfde waarde geregistreerd, ook al gaat het bij aandelen en overige deelnemingen juridisch gezien niet om een verplichting van de emittent, maar om een eigendomsrecht op een aandeel in de liquidatiewaarde van een vennootschap, waarbij die waarde vooraf niet bekend is.

7.72

Beursgenoteerde aandelen worden gewaardeerd tegen een representatieve middenkoers die op de beurs of een andere georganiseerde financiële markt is waargenomen.

7.73

Omdat niet-beursgenoteerde aandelen (AF.512) niet op een georganiseerde markt worden verhandeld, moet de waarde ervan worden geraamd aan de hand van:

a)

in voorkomend geval, de waarde van beursgenoteerde aandelen;

b)

de waarde van het eigen vermogen, of

c)

door verdiscontering van winstprognoses, waarbij een geschikte ratio marktprijs/winst op de gecorrigeerde recente winstcijfers van de institutionele eenheid wordt toegepast.

Bij deze ramingen wordt evenwel rekening gehouden met verschillen tussen aandelen die wel en aandelen die niet op de beurs zijn genoteerd — met name wat de liquiditeit betreft —, het gedurende het bestaan van de vennootschap opgebouwde vermogenssaldo en de branche waartoe de betrokken vennootschap behoort.

7.74

Welke ramingmethode wordt toegepast, hangt af van de beschikbare basisstatistieken. Er kan bijvoorbeeld rekening worden gehouden met gegevens over fusieactiviteiten waarbij niet-beursgenoteerde aandelen in het spel zijn. Indien de waarde van het eigen vermogen van niet-beursgenoteerde vennootschappen, gemiddeld en in verhouding tot hun nominale kapitaal, op min of meer dezelfde wijze fluctueert als die van soortgelijke vennootschappen met beursgenoteerde aandelen, kan de balanswaarde aan de hand van een verhoudingscijfer worden berekend. Bij dit verhoudingscijfer wordt de waarde van het eigen vermogen van niet-beursgenoteerde vennootschappen vergeleken met die waarde voor beursgenoteerde vennootschappen:

waarde van niet-beursgenoteerde aandelen = marktprijs van soortgelijke beursgenoteerde aandelen × (eigen vermogen van niet-beursgenoteerde vennootschappen)/(eigen vermogen van soortgelijke beursgenoteerde vennootschappen).

7.75

De verhouding tussen de aandelenprijs en het eigen vermogen kan per branche verschillen. Het verdient aanbeveling de lopende prijs van niet-beursgenoteerde aandelen voor elke branche afzonderlijk te berekenen. Ook andere verschillen tussen beursgenoteerde en niet-beursgenoteerde vennootschappen kunnen voor de ramingmethode van belang zijn.

7.76

Overige deelnemingen (AF.519) zijn deelnemingen in een andere vorm dan effecten. Hiertoe kunnen deelnemingen in quasivennootschappen (zoals bijkantoren, trusts, personenvennootschappen met beperkte aansprakelijkheid en andere personenvennootschappen) behoren, alsook vennootschappen in handen van de overheid, fondsen zonder rechtspersoonlijkheid en fictieve eenheden (met inbegrip van fictieve ingezeten eenheden die zijn gecreëerd in verband met de eigendom van onroerend goed en natuurlijke hulpbronnen door niet-ingezeten eenheden). Wanneer de eigendom van internationale organisaties niet in aandelen is gesplitst, wordt deze ingedeeld bij de overige deelnemingen.

7.77

De overige deelnemingen van quasivennootschappen worden gewaardeerd aan de hand van hun eigen vermogen, aangezien hun vermogenssaldo volgens afspraak nul is. Voor andere eenheden moet de meest geschikte van de voor niet-beursgenoteerde aandelen gebruikte methoden worden gebruikt.

7.78

Vennootschappen die aandelen of rechten van deelneming uitgeven, kunnen daarnaast ook overige deelnemingen hebben.

7.79

Beursgenoteerde aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.52) worden gewaardeerd tegen de marktwaarde. Indien zij niet op de beurs genoteerd zijn, kan hun marktwaarde worden geraamd zoals voor niet-beursgenoteerde aandelen. Indien zij aan het fonds zelf kunnen worden terugverkocht, worden zij gewaardeerd tegen de afkoopwaarde.

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6)

7.80

De voor technische voorzieningen schadeverzekering (AF.61) geregistreerde bedragen hebben betrekking op betaalde, maar niet verdiende premies plus de bedragen die zijn gereserveerd voor uitstaande vorderingen. Laatstgenoemde bedragen vertegenwoordigen de contante waarde van de bedragen die naar verwachting moeten worden uitgekeerd in verband met de schaderegeling, onder meer geschillen en een reserve voor vorderingen met betrekking tot ongevallen die al hebben plaatsgevonden maar nog niet zijn gemeld.

7.81

De voor levensverzekerings- en lijfrenterechten (AF.62) geregistreerde bedragen vertegenwoordigen de reserves die nodig zijn om aan alle verwachte toekomstige aanspraken te voldoen.

7.82

De voor pensioenrechten (AF.63) geregistreerde bedragen hangen af van de soort pensioenregeling.

7.83

In pensioenregelingen op basis van vaste toezeggingen wordt de hoogte van de aan de deelnemende werknemers toegezegde pensioenuitkeringen vastgesteld aan de hand van een vooraf overeengekomen formule. De financiële passiva van een dergelijke pensioenregeling zijn gelijk aan de contante waarde van de toegezegde uitkeringen.

7.84

In pensioenregelingen op basis van vaste premies is de hoogte van de uitkeringen afhankelijk van de prestaties van de door de pensioenregeling verworven activa. Bij een dergelijke regeling zijn de financiële passiva gelijk aan de contante marktwaarde van de activa van de fondsen. Het vermogenssaldo van de fondsen is altijd nul.

7.85

De voor voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (AF.66) geregistreerde waarde is het verschil tussen de verwachte hoogte van de claims en de waarde van eventuele verwachte terugontvangen bedragen.

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7)

7.86

Financiële derivaten (AF.71) moeten in de balans worden opgenomen tegen hun marktwaarde. Wanneer voor een financieel derivaat geen marktprijs beschikbaar is, zoals bijvoorbeeld in het geval van „over-the-counter”-opties, moet dit derivaat worden gewaardeerd tegen het voor afkoop of compensatie van het contract vereiste bedrag of tegen het bedrag van de te betalen premie.

7.87

Bij opties wordt de schrijver van de optie geacht een overeenkomstige verplichting te zijn aangegaan ter hoogte van de kosten voor het afkopen van de rechten van de optiehouder.

7.88

De marktwaarde van opties en termijncontracten kan zowel positief (actief) als negatief (passief) zijn, afhankelijk van de prijsbewegingen van de onderliggende posities, en kan daarom zowel voor de schrijver als voor de houder verschuiven van een actief naar een passief en omgekeerd. Sommige opties en termijncontracten gaan gepaard met margebetalingen, waarbij winst of verlies dagelijks wordt vastgesteld; in dat geval bedraagt de balanswaarde nul.

7.89

Aandelenopties voor werknemers (AF.72) worden gewaardeerd aan de hand van de waarde in het economisch verkeer van de verstrekte deelneming. De reële waarde wordt op de toekenningsdatum gemeten aan de hand van de marktwaarde van gelijkwaardige verhandelde opties of, indien dergelijke opties niet beschikbaar zijn, aan de hand van een optiewaarderingsmodel.

Overige vorderingen/schulden (AF.8)

7.90

Handelskredieten en voorschotten (AF.81) en overige transitorische posten (AF.89), die ontstaan als gevolg van tijdsverschillen tussen verdelingstransacties, zoals belastingen, sociale premies, dividenden, inkomen uit natuurlijke hulpbronnen en lonen, en financiële transacties, worden zowel voor de crediteur als voor de debiteur gewaardeerd tegen de nominale waarde. Bij de onder AF.89 te registreren bedragen aan te betalen belastingen en sociale premies moeten bedragen die waarschijnlijk niet zullen worden geïnd buiten beschouwing blijven, omdat dit claims van de overheid zijn die geen waarde hebben.

FINANCIËLE BALANSEN

7.91

In de financiële balans staan links de financiële activa en rechts de financiële passiva. De sluitpost van de financiële balans is het financiële vermogenssaldo (BF.90).

7.92

De financiële balans van een ingezeten sector of subsector kan al dan niet geconsolideerd zijn. De niet-geconsolideerde financiële balans geeft alle financiële activa en passiva weer van de institutionele eenheden in de sector of subsector, met inbegrip van die waarbij de corresponderende activa of passiva in dezelfde sector of subsector worden gehouden. In de geconsolideerde financiële balans worden financiële activa en passiva met corresponderende passiva respectievelijk activa in dezelfde sector of subsector geëlimineerd. De financiële balans van het buitenland wordt per definitie geconsolideerd. In de regel zijn de posten in het ESR niet geconsolideerd. De financiële balans van een ingezeten sector of subsector moet daarom in niet-geconsolideerde vorm worden gepresenteerd.

7.93

De financiële balans van-wie-aan-wie (de balans naar debiteur/crediteur) is een aanvulling op de financiële balans, waarin een uitsplitsing wordt gegeven van de financiële activa naar sector van de debiteur en van de financiële passiva naar sector van de crediteur. Hiermee wordt informatie gegeven over de debiteuren/crediteurenverhoudingen tussen sectoren, in overeenstemming met de financiële rekening naar debiteur/crediteur.

PRO-MEMORIEPOSTEN

7.94

Ten behoeve van meer specifieke analysen voor bepaalde sectoren worden ter ondersteuning in de balans drie soorten pro-memorieposten opgenomen:

a)

duurzame consumptiegoederen (AN.m);

b)

buitenlandse directe investeringen (AF.m1);

c)

niet-renderende leningen (AF.m2).

7.95

Definitie: duurzame consumptiegoederen (AN.m) zijn duurzame goederen die huishoudens gedurende meer dan één jaar regelmatig gebruiken voor consumptie. In de balans worden zij opgenomen als pro-memoriepost. Zij staan niet in de hoofdbalans omdat zij in de inkomensbestedingsrekening van de sector huishoudens onder de bestedingen worden geregistreerd alsof zij in de verslagperiode zijn verbruikt en niet geleidelijk zijn opgebruikt.

7.96

De voorraden aan duurzame consumptiegoederen waarover de huishoudens als eindconsument beschikken — vervoermiddelen (AN.1131) en machines en apparatuur (AN.1139) — worden in de pro-memoriepost gewaardeerd tegen marktprijzen, exclusief de geaccumuleerde lasten voor het verbruik van vaste activa. In hoofdstuk 23 is een volledige lijst van de subgroepen en posten van de duurzame consumptiegoederen opgenomen.

7.97

Duurzame goederen, zoals voertuigen, worden als vaste activa of als duurzame consumptiegoederen geclassificeerd naargelang van de sector waartoe de eigenaar behoort en het doel waarvoor ze worden gebruikt. Een voertuig kan bijvoorbeeld deels door een quasivennootschap voor productiedoeleinden worden gebruikt en deels door een huishouden voor consumptie. De waarden in de balans voor de sector niet-financiële vennootschappen (S.11) moeten betrekking hebben op het gedeelte van het gebruik dat aan de quasivennootschap kan worden toegeschreven. Een soortgelijk voorbeeld bestaat voor de subsector werkgevers (inclusief zelfstandigen) (S.141 + S.142). Het aan de sector huishoudens (S.14) als consumenten toegeschreven gedeelte moet in de pro-memoriepost worden geregistreerd, exclusief de geaccumuleerde lasten voor het verbruik van vaste activa.

Buitenlandse directe investeringen (AF.m1)

7.98

De financiële activa en passiva waaruit de directe investeringen bestaan, worden naargelang van de aard van de investering opgenomen in de categorie leningen (AF.4), deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5) of overige vorderingen/schulden (AF.8). Het bedrag aan directe investeringen voor elk van deze categorieën wordt afzonderlijk als pro-memoriepost geregistreerd.

Niet-renderende leningen (AF.m2)

7.99

Leningen worden tegen de nominale waarde in de balans geregistreerd.

7.100

Leningen waarop al enige tijd niets meer is betaald, worden als pro-memoriepost in de balans van de crediteur opgenomen. Dergelijke leningen worden niet-renderende leningen genoemd.

7.101

Definitie: een lening is niet-renderend wanneer a) er gedurende ten minste 90 dagen na de vervaldatum geen rente is betaald, noch op de hoofdsom is afbetaald; b) rente die al ten minste 90 dagen verschuldigd is, op grond van een overeenkomst is gekapitaliseerd, geherfinancierd of uitgesteld; of c) betalingen weliswaar minder dan 90 dagen over tijd zijn, maar er andere goede redenen zijn (zoals wanneer een debiteur het faillissement heeft aangevraagd) om te betwijfelen of de betalingen volledig zullen plaatsvinden.

7.102

Bij de interpretatie van deze definitie van een niet-renderende lening moet rekening worden gehouden met nationale afspraken ter zake. Wanneer een lening eenmaal als niet-renderend is geclassificeerd, blijft deze lening (of een lening ter vervanging ervan) dit totdat er weer betalingen worden ontvangen of tot de hoofdsom is afgeschreven op deze lening of latere vervangende leningen.

7.103

Voor niet-renderende leningen zijn twee pro-memorieposten nodig:

a)

de nominale waarde van dergelijke leningen, zoals geregistreerd in de hoofdbalans, en

b)

het marktwaarde-equivalent van dergelijke leningen.

7.104

Het marktwaarde-equivalent wordt het dichtst benaderd door de waarde in het economisch verkeer, d.w.z. de waarde die de waarde benadert die bij een markttransactie tussen twee partijen tot stand zou komen. De waarde in het economisch verkeer kan worden vastgesteld aan de hand van transacties in vergelijkbare instrumenten of van de contante waarde van kasstromen; deze gegevens kunnen wellicht worden ontleend aan de balans van de crediteur. Wanneer gegevens over de waarde in het economisch verkeer ontbreken, moet voor de pro-memoriepost de op één na beste benadering worden gekozen: de nominale waarde minus de verwachte verliezen op de lening.

Registratie van niet-renderende leningen

7.105

Niet-renderende leningen van de sectoren overheid en financiële instellingen moeten als pro-memoriepost worden geregistreerd; hetzelfde geldt voor andere sectoren met aanzienlijke bedragen aan niet-renderende leningen. Ook leningen aan of van het buitenland worden, indien het om aanzienlijke bedragen gaat, als pro-memoriepost geregistreerd.

7.106

Onderstaande tabel beschrijft de posten en stromen die voor niet-renderende leningen worden geregistreerd, teneinde een vollediger beeld te geven van de standen, transacties, herclassificeringen en afschrijvingen.

7.107

Het voorbeeld betreft een uitstaand bedrag aan leningen met een nominale waarde van 1 000 op tijdstip t-1; bij 500 ervan gaat het om renderende leningen, terwijl de andere 500 niet-renderend zijn. Het merendeel van de niet-renderende leningen (400) wordt gedekt door voorzieningen voor verliezen op leningen, maar 100 niet. Het tweede deel van de tabel geeft gedetailleerde aanvullende informatie over het marktwaarde-equivalent van de niet-renderende leningen. Dit wordt berekend als het verschil tussen de nominale waarde en de voorzieningen voor verliezen op leningen. Voor tijdstip t-1 wordt de waarde op 375 gesteld. Tussen t-1 en t wordt een deel van de leningen geherclassificeerd, van renderend of nog niet gedekt naar niet-renderend of andersom, of afgeschreven. De stromen worden in de desbetreffende kolommen van de tabel getoond. Voor de voorzieningen voor verliezen op leningen worden ook de nominale waarde en het marktwaarde-equivalent gepresenteerd.

7.108

De voorzieningen voor verliezen op leningen moeten worden beoordeeld volgens de boekhoudstandaarden en overeenkomstig de rechtsvorm en de belastingregels die voor de eenheden van kracht zijn, zodat de resultaten wat het bedrag en de duur van de voorzieningen voor verliezen op leningen betreft vrij heterogeen zullen zijn. Hierdoor is het moeilijk niet-renderende leningen in de hoofdrekeningen te registreren, zodat zij als pro-memoriepost worden geregistreerd. In plaats daarvan verdient het de voorkeur het marktwaarde-equivalent als pro-memoriepost te registreren naast de nominale waarde van de leningen, al dan niet renderend.

Registratie van niet-renderende leningen

Posten

Stand

Transactie

Herclassificatie

Afschrijving

Stand

t-1

periode t-1 tot t

t

Nominale waarde

Leningen

1 000

200

0

–90

1 110

Renderende leningen

500

200

–50

 

650

Niet-renderende leningen

500

 

50

–90

460

Gedekt door voorzieningen voor verliezen op leningen

400

 

70

–90

380

Nog niet gedekt door voorzieningen voor verliezen op leningen

100

 

–20

 

80

Marktwaarde-equivalent

Niet-renderende leningen

375

 

24

–51

348

= Nominale waarde

500

 

50

–90

460

– Voorzieningen voor verliezen op leningen

125

 

26

–39

112

waarvan: nog niet gedekt

100

 

–20

 

80

BIJLAGE 7.1

BEKNOPTE OMSCHRIJVING VAN ALLE CATEGORIEËN ACTIVA

Classificatie van de activa

Beknopte omschrijving

Niet-financiële activa (AN)

Niet-financiële posten waarover eigendomsrechten worden uitgeoefend door institutionele eenheden, afzonderlijk of collectief, en waaruit economische baten kunnen voortvloeien voor degenen die deze eenheden bezitten, gedurende een bepaalde periode gebruiken of door anderen laten gebruiken. Hieronder vallen vaste activa, voorraden, kostbaarheden, maatschappelijke constructies en intellectuele eigendommen.

Geproduceerde niet-financiële activa (AN.1)

Niet-financiële activa die het resultaat van een productieproces zijn. Geproduceerde niet-financiële activa omvatten vaste activa, voorraden en kostbaarheden, als hieronder omschreven.

Vaste activa (AN.11)

Geproduceerde niet-financiële activa die gedurende meer dan één jaar herhaaldelijk of voortdurend in een productieproces worden gebruikt. Vaste activa bestaan uit woningen, overige bouwwerken, vervoermiddelen, machines en apparatuur, wapensystemen, in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen en intellectuele eigendommen, als hieronder omschreven.

Woningen (AN.111)

Gebouwen die geheel of hoofdzakelijk zijn bestemd voor bewoning, met inbegrip van bijbehorende bouwwerken zoals garages en van alle goederen die gewoonlijk nagelvast in woningen zijn geïnstalleerd. Woonboten, aken, woonwagens en caravans die door huishoudens als hoofdverblijf worden gebruikt, behoren er ook toe, evenals openbare monumenten (zie AN.1121) die in de eerste plaats als woningen worden aangemerkt. Bij de waardering zijn de kosten van het bouwrijp maken van de bouwterreinen inbegrepen.

Voorbeelden zijn gebouwen met één of twee wooneenheden en andere gebouwen die zijn bestemd voor permanente bewoning.

Woningen in aanbouw zijn inbegrepen voor zover ze al in het bezit zijn van de uiteindelijke gebruiker, hetzij omdat in eigen beheer wordt gebouwd, hetzij omdat er een koopcontract bestaat. Woningen voor militair personeel zijn inbegrepen omdat deze, evenals woningen die door civiele eenheden worden aangeschaft, worden gebruikt voor de productie van woondiensten.

De waarde van de woningen omvat niet de waarde van de onderliggende grond, die, indien afzonderlijk geclassificeerd, onder „Grond” (AN.211) valt.

Overige bouwwerken (AN.112)

Onder overige bouwwerken vallen gebouwen m.u.v. woningen, alsmede grond-, weg- en waterbouwkundige werken en grondverbeteringen, als hieronder omschreven.

Onvoltooide bouwwerken zijn inbegrepen voor zover ze al in het bezit zijn van de uiteindelijke gebruiker, hetzij omdat in eigen beheer wordt gebouwd, hetzij omdat er een koopcontract bestaat. Bouwwerken voor militaire doeleinden zijn inbegrepen.

De waarde van de overige bouwwerken omvat niet de waarde van de onderliggende grond, die, indien afzonderlijk geclassificeerd, onder „Grond” (AN.211) valt.

Gebouwen m.u.v. woningen (AN.1121)

Andere gebouwen dan woningen, met inbegrip van de goederen, faciliteiten en apparatuur die hiervan integraal deel uitmaken en van de kosten van het bouwrijp maken van de bouwterreinen. Openbare monumenten (zie AN.1122) die in de eerste plaats als bedrijfsgebouwen worden aangemerkt, behoren eveneens tot deze categorie.

Openbare monumenten zijn herkenbaar wegens hun bijzondere historische, nationale, regionale, lokale, religieuze of symbolische betekenis. Zij worden als openbaar aangemerkt omdat zij openstaan voor het publiek, en niet omdat de overheidssector eigenaar is. Bezoekers moeten vaak entreegeld betalen. Voor de berekening van het verbruik van vaste activa bij nieuwe monumenten en grote verbeteringen van bestaande monumenten moet worden uitgegaan van een passende lange levensduur.

Andere voorbeelden van gebouwen m.u.v. woningen zijn opslagplaatsen en fabrieksgebouwen, winkels, gebouwen voor openbaar amusement, hotels, restaurants, scholen, ziekenhuizen.

Grond-, weg- en waterbouwkundige werken (AN.1122)

Onder grond-, weg- en waterbouwkundige werken vallen de kosten van de aanleg van straten en riolering en het bouwrijp maken van de bouwterreinen. Inbegrepen zijn verder openbare monumenten die niet als woning of ander gebouw zijn geclassificeerd, schachten, tunnels en andere bouwwerken in verband met de ontginning van minerale en energiereserves, en de bouw van zeeweringen, dijken, stormvloedkeringen, die bedoeld zijn om nabijgelegen grond, die zelf geen deel van de werken uitmaakt, te verbeteren.

Voorbeelden zijn autowegen, straten en andere wegen, spoorwegen, start- en landingsbanen op vliegvelden, bruggen, verhoogde wegen, tunnels en metrotunnels, waterwegen, havens, dammen en andere waterwerken, pijpleidingen over lange afstand, communicatielijnen en elektriciteitsleidingen, plaatselijke pijpleidingen en kabels, bijkomende werken, bouwwerken voor de mijnbouw en de industrie of voor sport en recreatie.

Grondverbeteringen (AN.1123)

De waarde van activiteiten die leiden tot belangrijke verbeteringen van de kwantiteit, de kwaliteit of de productiviteit van grond of die verslechtering voorkomen.

Voorbeelden zijn de vergroting van de waarde van een actief door het ontginnen of egaliseren van grond, het slaan van waterputten enz.

Hieronder vallen ook de kosten van eigendomsoverdracht van de grond, voor zover deze nog niet zijn afgeschreven.

Vervoermiddelen, machines en apparatuur (AN.113)

Vervoermiddelen, apparatuur op het gebied van informatie- en communicatietechnologie (ICT-apparatuur) en andere machines en werktuigen, zoals hieronder omschreven, die niet door huishoudens voor consumptie zijn aangeschaft.

Gereedschap dat relatief goedkoop is en vrij regelmatig wordt aangeschaft, zoals handgereedschap, kunnen buiten beschouwing blijven. Ook machines en apparatuur die integraal deel uitmaken van gebouwen blijven buiten beschouwing; deze zijn opgenomen onder de woningen en bedrijfsgebouwen.

Onvoltooide machines en apparatuur blijven buiten beschouwing, tenzij zij worden vervaardigd voor eigen gebruik, want de eindgebruiker wordt geacht pas bij levering eigenaar van het actief te worden. Machines en apparatuur voor militaire doeleinden, m.u.v. wapensystemen, vallen onder deze categorie.

Vervoermiddelen, machines en apparatuur als meubelen, keukenapparatuur, computers, communicatieapparatuur enz., die huishoudens voor consumptie aanschaffen, worden niet als actief beschouwd. Zij zijn begrepen in de pro-memoriepost „Duurzame consumptiegoederen” in de balans van de huishoudens. Woonboten, aken, woonwagens en caravans die door huishoudens als hoofdverblijf worden gebruikt, vallen onder woningen.

Vervoermiddelen (AN.1131)

Vervoermiddelen voor personen- en goederenvervoer. Voorbeelden hiervan zijn de producten, met uitzondering van delen, die zijn opgenomen in afdeling 29: auto's, aanhangwagens en opleggers, en in afdeling 30: andere transportmiddelen, van de classificatie van producten gekoppeld aan activiteiten 2008 (CPA 2008).

ICT-apparatuur (AN.1132)

Apparatuur op het gebied van de informatie- en communicatietechnologie (ICT-apparatuur): elektronisch werkende toestellen en de elektronische onderdelen daarvan. Voorbeelden zijn de producten in de groepen 261: elektronische onderdelen en printplaten, en 262: computers en randapparatuur, van de CPA 2008.

Overige machines en apparatuur (AN.1139)

Niet elders geclassificeerde machines en apparatuur. Voorbeelden hiervan zijn de producten, met uitzondering van delen, installatie, reparatie en onderhoud, van de afdelingen 26: informaticaproducten, elektronische en optische producten (behalve de groepen 261 en 262), 27: elektrische apparatuur, 28: machines en apparatuur, niet elders geclassificeerd, 31: meubelen, en 32: andere industrieproducten, van de CPA 2008.

Wapensystemen (AN.114)

Voertuigen en andere uitrusting, zoals oorlogsschepen, onderzeeboten, militaire vliegtuigen, tanks, raketdragers en raketwerpers enz. De meeste daarmee gelanceerde wapens voor eenmalig gebruik worden geregistreerd als militaire voorraden (zie AN.124), maar andere, zoals ballistische raketten met grote vernietigingskracht, die worden geacht agressors blijvend af te schrikken, worden als vaste activa geregistreerd.

In cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (AN.115)

Vee, wijngaarden, boomgaarden en andere aanplant van bomen met een regelmatige opbrengst, die onder rechtstreekse verantwoordelijkheid en onder rechtstreeks toezicht en beheer van institutionele eenheden staan, als hieronder omschreven.

Onvolgroeide of onrijpe in cultuur gebrachte activa blijven buiten beschouwing, tenzij zij worden geproduceerd voor eigen gebruik.

Dierlijke hulpbronnen met regelmatige opbrengst (AN.1151)

Dieren waarvan de natuurlijke groei en regeneratie onder rechtstreekse verantwoordelijkheid en onder rechtstreeks toezicht en beheer van een institutionele eenheid vallen. Hiertoe worden gerekend fok-, broed- en kweekdieren (inclusief vis en gevogelte), melkvee, trekdieren, schapen of andere dieren voor de wolproductie en dieren die voor vervoer, voor races of voor recreatie worden gehouden.

Plantaardige hulpbronnen met regelmatige opbrengst (AN.1152)

Bomen (met inbegrip van druivenstokken en struiken) die worden gekweekt voor de producten die zij jaar na jaar leveren: fruit, noten, sap, hars, bast- en loofproducten, waarvan de natuurlijke groei en regeneratie onder rechtstreekse verantwoordelijkheid en onder rechtstreeks toezicht en beheer van een institutionele eenheid vallen.

Intellectuele eigendommen (AN.117)

Vaste activa bestaande uit de resultaten van onderzoek en ontwikkeling, de exploratie en evaluatie van minerale reserves, computerprogrammatuur en databanken, originelen op het gebied van woord, beeld en geluid en overige intellectuele eigendommen, die bedoeld zijn om gedurende meer dan één jaar te worden gebruikt, als hieronder omschreven.

Onderzoek en ontwikkeling (AN.1171)

Bestaat uit de waarde van uitgaven voor creatief werk dat systematisch wordt ondernomen ter vergroting van de hoeveelheid kennis, inclusief kennis van de mens, cultuur en maatschappij, en het gebruik van deze kennis om nieuwe toepassingen te ontwikkelen.

De waarde wordt bepaald op basis van de economische baten die in de toekomst worden verwacht. Tenzij de waarde redelijk goed kan worden geraamd, wordt de waarde volgens afspraak vastgesteld als de som van de kosten, met inbegrip van de kosten van niet-geslaagd onderzoeks- en ontwikkelingswerk. Onderzoeks- en ontwikkelingswerk dat de eigenaar geen baten zal opleveren, wordt niet als actief, maar als intermediair verbruik geclassificeerd.

Exploratie en evaluatie van minerale reserves (AN.1172)

De waarde van uitgaven voor de exploratie van aardolie, aardgas en andere mineralen, alsmede de aansluitende evaluatie van de vondsten. Deze uitgaven omvatten prelicentie-, licentie- en verwervingskosten, onderzoekskosten en de kosten van testboringen, alsmede de kosten van luchtkartering en ander onderzoek, transportkosten enz., ten behoeve van de uitvoering van tests.

Computerprogrammatuur (AN.11731)

Computerprogramma's, programmabeschrijvingen en ondersteunend materiaal voor systeem- en toepassingsprogrammatuur. Inbegrepen zijn de aanvankelijke ontwikkeling en de latere uitbreidingen van de programmatuur, alsmede de aankoop van kopieën die worden geclassificeerd als onder AN.11731 vallende activa.

Databanken (AN.11732)

Gegevensbestanden die zo zijn georganiseerd dat zij een efficiënte toegang en een efficiënt gebruik van de gegevens mogelijk maken. De waarde van databanken die uitsluitend voor eigen gebruik zijn samengesteld, wordt geraamd aan de hand van de kosten, exclusief de kosten van het beheerssysteem van de databank en van de aankoop van de gegevens.

Originelen op het gebied van woord, beeld en geluid (AN.1174)

Originele films, geluidsopnamen, manuscripten, banden, modellen enz., waarop theaterproducties, radio- en televisieprogramma's, muziekuitvoeringen, sportevenementen, literaire en artistieke werken enz. zijn opgenomen of vormgegeven. Inbegrepen zijn werken die in eigen beheer zijn geproduceerd. In sommige gevallen, zoals bij films, kunnen er meerdere originelen bestaan.

Overige intellectuele eigendommen (AN.1179)

Nieuwe informatie, specialistische kennis enz., niet elders geclassificeerd, waarvan het gebruik in het productieproces is beperkt tot de eenheden die hierover eigendomsrechten hebben verworven of tot andere eenheden die hiertoe van de eigenaren vergunning hebben gekregen.

Voorraden (AN.12)

Geproduceerde activa bestaande uit goederen en diensten die zijn ontstaan in de lopende of in een eerdere periode en die worden aangehouden voor verkoop, gebruik in het productieproces of voor ander gebruik op een later tijdstip. De voorraden omvatten grondstoffen en halffabricaten, onderhanden werk, gereed product en handelsgoederen, als hieronder omschreven.

Hierin begrepen zijn alle voorraden van de overheid, waaronder, onder meer, voorraden van strategische materialen, graangewassen en andere waren die van bijzonder belang zijn voor het land.

Grondstoffen en halffabricaten (AN.121)

Goederen die de eigenaars ervan willen gebruiken als productiemiddel in hun eigen productieproces en die niet bestemd zijn voor wederverkoop.

Onderhanden werk (AN.122)

Goederen en diensten die gedeeltelijk voltooid zijn, maar die gewoonlijk niet zonder verdere bewerking aan andere eenheden worden overgedragen of die nog niet volgroeid zijn en waarvan het productieproces in een volgende periode door dezelfde producent zal worden voortgezet. Buiten beschouwing blijven onvoltooide bouwwerken die de eindgebruiker geacht wordt in eigendom te hebben genomen, omdat het om productie voor eigen gebruik gaat of omdat er een koopcontract bestaat.

Categorie AN.122 omvat onderhanden werk van in cultuur gebrachte biologische activa en overig onderhanden werk, hieronder omschreven.

Onderhanden werk van in cultuur gebrachte biologische activa (AN.1221)

Vee dat wordt gehouden voor producten die slechts bij de slacht baten opleveren, zoals gevogelte en vis die commercieel gekweekt worden, bomen en andere aanplant die alleen producten opleveren bij vernietiging (zoals de kap) en onvolgroeide in cultuur gebrachte activa die herhaaldelijk producten opleveren.

Overig onderhanden werk (AN.1222)

Goederen, met uitzondering van in cultuur gebrachte activa, en diensten die door de producent gedeeltelijk zijn bewerkt, vervaardigd of gemonteerd, maar die gewoonlijk niet worden verkocht, verzonden of aan anderen overhandigd voordat een verdere bewerking heeft plaatsgevonden.

Gereed product (AN.123)

Goederen die gereed zijn voor verkoop of verzending door de producent.

Militaire voorraden (AN.124)

Munitie, raketten, bommen en andere militaire artikelen voor eenmalig gebruik, die worden gelanceerd door wapens en wapensystemen. Exclusief sommige soorten raketten met grote vernietigingskracht (zie AN.114).

Handelsgoederen (AN.125)

Goederen die door ondernemingen zoals groot- en detailhandelsbedrijven zijn aangeschaft met het doel ze zonder verdere bewerking te verkopen (d.w.z. dat er niets aan wordt veranderd en hoogstens de presentatie voor de klanten aantrekkelijk wordt gemaakt).

Kostbaarheden (AN.13)

Geproduceerde activa die niet in de eerste plaats in het productieproces of voor consumptie worden gebruikt, waarvan wordt verwacht dat hun reële waarde zal stijgen, althans niet zal dalen, waarvan de kwaliteit onder normale omstandigheden niet achteruitgaat en die in de eerste plaats worden gekocht en aangehouden als waardeobject. Tot de kostbaarheden behoren edele metalen en edelstenen, antiquiteiten en andere kunstobjecten, en overige kostbaarheden, als hieronder omschreven.

Edele metalen en edelstenen (AN.131)

Edele metalen en edelstenen die niet door ondernemingen als input in een productieproces worden gebruikt.

Antiquiteiten en andere kunstobjecten (AN.132)

Schilderijen, beeldhouwwerken enz., die als kunstwerk zijn erkend, alsmede antiquiteiten.

Overige kostbaarheden (AN.133)

Niet elders geclassificeerde kostbaarheden, zoals collecties en kostbare juwelen gemaakt van edelstenen en edele metalen.

Niet-geproduceerde niet-financiële activa (AN.2)

Niet-financiële activa die op andere wijze ontstaan dan via een productieproces. Niet-geproduceerde activa bestaan uit natuurlijke hulpbronnen, contracten, leases en vergunningen, en goodwill en marketingactiva, als hieronder omschreven.

Natuurlijke hulpbronnen (AN.21)

Niet-geproduceerde activa die in de natuur voorkomen en waarover eigendomsrechten kunnen worden uitgeoefend die ook kunnen worden overgedragen. Natuurlijke hulpbronnen waarover geen eigendomsrechten (kunnen) worden uitgeoefend, zoals de open zee of het luchtruim, blijven buiten beschouwing. Deze categorie omvat grond, minerale en energiereserves, niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen, waterreserves en overige natuurlijke hulpbronnen, als hieronder omschreven.

Grond (AN.211)

De bodem, inclusief bodembedekking en bijbehorend oppervlaktewater, waarover eigendomsrechten worden uitgeoefend. Niet inbegrepen zijn bouwwerken die zich op de grond bevinden of die eroverheen lopen, in cultuur gebrachte gewassen, bomen en dieren, minerale reserves, niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen en ondergrondse waterreserves.

Minerale en energiereserves (AN.212)

Aangetoonde reserves van mineralen aan of onder de aardoppervlakte die met de huidige technologie en gegeven de prijzen voor vervangende producten economisch exploiteerbaar zijn. Eigendomsrechten over minerale reserves worden gewoonlijk gescheiden van de eigendomsrechten over de grond zelf. Categorie AN.212 bestaat uit bekende reserves van steenkool, aardolie, aardgas en andere brandstoffen, van metaalertsen en van niet-metaalhoudende mineralen.

Niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen (AN.213)

Dieren, bomen, gewassen en andere planten die eenmalig of herhaaldelijk opbrengsten opleveren en waarover eigendomsrechten worden uitgeoefend, maar waarvan de natuurlijke groei en/of regeneratie niet onder rechtstreekse verantwoordelijkheid en onder rechtstreeks toezicht en beheer van een institutionele eenheid vallen. Voorbeelden zijn oerbossen en visgronden op het grondgebied van het land. Alleen hulpbronnen die thans of waarschijnlijk op korte termijn economisch kunnen worden geëxploiteerd, moeten in deze categorie worden opgenomen.

Waterreserves (AN.214)

Waterhoudende grondlagen en ander grondwater voor zover de schaarste ervan leidt tot de uitoefening van eigendoms- en/of gebruiksrechten, tot marktwaarde en tot enige mate van economisch beheer.

Overige natuurlijke hulpbronnen (AN.215)

Deze categorie omvat het elektromagnetisch radiospectrum (AN.2151) en de overige niet elders geclassificeerde natuurlijke hulpbronnen (AN.2159).

Radiospectra (AN.2151)

Het elektromagnetisch spectrum. Leases of vergunningen voor het gebruik van het spectrum worden elders (AN.222) geclassificeerd indien zij aan de definitie voor een actief voldoen.

Overige (AN.2159)

Overige niet elders geclassificeerde natuurlijke hulpbronnen.

Contracten, leases en vergunningen (AN.22)

Contractuele overeenkomsten om bepaalde activiteiten uit te oefenen, waarbij de houder meer economische baten verkrijgt dan hij aan vergoeding verschuldigd is en hij deze baten de jure en de facto kan realiseren.

Het onder AN.22 geregistreerde actief vertegenwoordigt het waarderingsverschil dat kan worden gerealiseerd wanneer de marktprijs voor het gebruik van een actief of het verlenen van een dienst hoger is dan de prijs die wordt genoemd in het contract, de lease of de vergunning, dan wel de prijs die bij ontbreken van een contract, lease of vergunning zou worden verkregen. Contracten, leases en vergunningen bestaan uit activa die kunnen voortvloeien uit verhandelbare operationele leases, uit vergunningen voor het gebruik van natuurlijke hulpbronnen of het ondernemen van specifieke activiteiten of uit het exclusieve recht op toekomstige goederen en diensten.

Verhandelbare operationele leases (AN.221)

Bezitsrechten van derden met betrekking tot andere niet-financiële activa dan natuurlijke hulpbronnen, waarbij de leasehouder meer economische baten verkrijgt dan hij aan vergoeding verschuldigd is en hij deze baten de jure en de facto kan realiseren door ze aan een ander over te dragen.

Het onder categorie AN.221 geregistreerde actief is de waarde die de overdracht van de rechten op het gebruik van het onderliggende actief voor de leasehouder vertegenwoordigt, d.w.z. het bedrag waarmee de prijs die hij bij de overdracht kan realiseren het bedrag dat hij aan de verlener van de vergunning moet betalen, overstijgt.

Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin de huurder van een gebouw een vaste huur betaalt, terwijl de marktwaarde van de huur hoger is. Indien de huurder het prijsverschil door onderverhuur kan realiseren, vertegenwoordigen de rechten om de waarde te realiseren een verhandelbaar actief in de vorm van een operationele lease.

Vergunningen om natuurlijke hulpbronnen te gebruiken (AN.222)

Licenties, vergunningen en leases om gedurende een beperkte tijd natuurlijke hulpbronnen te gebruiken zonder dat de economische waarde van het actief volledig wordt opgebruikt, waarbij de houder door de overeenkomst meer economische baten verkrijgt dan hij aan vergoeding verschuldigd is en hij deze baten de jure en de facto kan realiseren, bijvoorbeeld door ze aan een ander over te dragen.

De natuurlijke hulpbron blijft op de balans van de eigenaar staan en er wordt voor de vergunning om de natuurlijke hulpbron te gebruiken een afzonderlijk actief opgenomen, dat de waarde van de overdracht van de rechten op het gebruik van de hulpbron voor de houder van de licentie, vergunning of lease vertegenwoordigt. Het geregistreerde actief is de waarde die de overdracht van de gebruiksrechten voor de vergunninghouder vertegenwoordigt, d.w.z. het bedrag waarmee de overdrachtsprijs het bedrag dat hij aan de verlener van de vergunning moet betalen, overstijgt.

Een voorbeeld hiervan is de situatie waarin de pachter van een stuk grond een vaste pacht betaalt, maar de marktwaarde van de pacht hoger is. Indien de pachter het prijsverschil door onderpacht kan realiseren, vertegenwoordigen de rechten om de waarde te realiseren een actief.

Vergunningen om specifieke activiteiten te ondernemen (AN.223)

Overdraagbare vergunningen, met uitzondering van die om natuurlijke hulpbronnen dan wel een aan de vergunningverlener behorend actief te gebruiken, waardoor het aantal eenheden dat een activiteit uitoefent, wordt beperkt en de vergunninghouders de mogelijkheid krijgen winsten te boeken als hadden zij bijna een monopolie.

Het geregistreerde actief is de waarde die de overdracht van de gebruiksrechten voor de vergunninghouder vertegenwoordigt, d.w.z. het bedrag waarmee de overdrachtprijs het bedrag dat hij aan de verlener van de vergunning moet betalen, overstijgt. De vergunninghouder moet de jure en de facto in staat zijn de rechten die de vergunning hem verleent, aan derden over te dragen.

Exclusieve rechten op toekomstige goederen en diensten (AN.224)

Overdraagbare contractuele rechten op het exclusieve gebruik van goederen of diensten.

Een partij heeft een contract om tegen een vaste prijs goederen of diensten van een tweede partij te kopen en is de jure en de facto in staat de verplichting van de tweede partij over te dragen aan een derde partij.

Voorbeelden zijn de overdraagbare waarde van een voetballer die bij een club onder contract staat en de overdraagbare waarde van exclusieve rechten op de publicatie van literaire werken of muziekuitvoeringen.

Het onder AN.224 geregistreerde actief is de waarde van de overdracht van het recht voor de houder van dat recht.

Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva (AN.23)

Het verschil tussen de prijs die is betaald voor een gevestigde institutionele eenheid en het saldo van haar activa en passiva, waarvan elke post afzonderlijk is vastgesteld en gewaardeerd. De waarde van de goodwill omvat daarom alles wat op lange termijn economisch van belang is en niet afzonderlijk als actief is geïdentificeerd, alsmede een waardering voor het feit dat de activa in combinatie met elkaar worden gebruikt en niet enkel een verzameling afzonderlijke activa vormen. Categorie AN.23 omvat ook geïdentificeerde marketingactiva, zoals merknamen, impressums, handelsmerken, logo's en domeinnamen, wanneer deze individueel en niet samen met een volledige vennootschap worden verkocht.

Financiële activa en passiva (AF)

Financiële activa zijn economische activa; hiertoe behoren financiële aanspraken en de component ongemunt goud van monetair goud. Financiële activa zijn waardeobjecten, te weten baten die de economische eigenaar krijgt wanneer hij ze gedurende een bepaalde tijd behoudt. Zij zijn een middel om waarden van de ene verslagperiode naar de volgende over te brengen. Baten of reeksen baten worden uitgewisseld door middel van betalingen.

Tot de betaalmiddelen behoren monetair goud, bijzondere trekkingsrechten, chartaal geld en girale deposito's.

Financiële aanspraken, ook financiële instrumenten genoemd, zijn financiële activa, waartegenover financiële passiva staan.

Financiële passiva komen tot stand wanneer debiteuren verplicht zijn hun crediteuren betalingen of reeksen betalingen te doen.

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.1)

In het systeem staan tegenover de in deze categorie geclassificeerde financiële activa financiële passiva, behalve voor de component ongemunt goud van monetair goud.

Monetair goud (AF.11)

Goud waarvan de monetaire autoriteiten, of anderen die onder het feitelijke beheer van de monetaire autoriteiten staan, eigenaar zijn en dat als reserveactief wordt aangehouden. Het omvat ongemunt goud (inclusief monetair goud op speciale goudrekeningen) en niet-toegewezen goudrekeningen bij niet-ingezetenen, die aanspraak geven op de levering van goud.

Bijzondere trekkingsrechten (SDR's) (AF.12)

Door het Internationaal Monetair Fonds (IMF) gecreëerde internationale deviezenreserves, die aan de leden van het Fonds worden toegewezen als aanvulling op bestaande reserves.

Chartaal geld en deposito's (AF.2)

Chartaal geld in omloop en deposito's, zowel in nationale als in vreemde valuta's.

Chartaal geld (AF.21)

Chartaal geld bestaat uit bankbiljetten en munten die door monetaire autoriteiten zijn uitgegeven of toegelaten.

Girale deposito's (AF.22)

Deposito's, die op verzoek tegen pari in chartaal geld kunnen worden omgezet en die zonder boete of beperking direct kunnen worden gebruikt voor betalingen per cheque of wissel, giro-overschrijving, automatische incasso, rechtstreeks krediet of andere rechtstreekse betaalmogelijkheden.

Interbancaire posities (AF.221)

Girale deposito's tussen banken.

Overige girale deposito's (AF.229)

Girale deposito's met uitzondering van interbancaire posities.

Overige deposito's (AF.29)

Overige deposito's zijn andere deposito's dan girale deposito's. Overige deposito's kunnen niet worden gebruikt voor het verrichten van betalingen, behalve op de vervaldatum of na een overeengekomen opzegtermijn, en kunnen niet in chartaal geld of girale deposito's worden omgezet zonder enige aanzienlijke beperking of boete.

Schuldbewijzen (AF.3)

Verhandelbare financiële instrumenten die als schuldbewijs dienen. De verhandelbaarheid heeft betrekking op het feit dat de juridische eigendom door levering of endossement zonder meer van de ene eigenaar aan een andere kan worden overgedragen. Om als verhandelbaar te worden aangemerkt, moet een schuldbewijs van dien aard zijn dat deze op een georganiseerde beurs of op de onderhandse markt kan worden verhandeld, hoewel niet hoeft te worden aangetoond dat er ook daadwerkelijk in wordt gehandeld.

Kortlopende schuldbewijzen (AF.31)

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd van één jaar of minder en schuldbewijzen die opeisbaar zijn.

Langlopende schuldbewijzen (AF.32)

Schuldbewijzen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar of met onbepaalde looptijd.

Leningen (AF.4)

Financiële activa die ontstaan op het moment dat crediteuren, hetzij rechtstreeks hetzij via tussenpersonen, middelen uitlenen aan debiteuren, en die niet of in een niet-verhandelbaar document zijn beschreven.

Kortlopende leningen (AF.41)

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van één jaar of minder en leningen die opeisbaar zijn.

Langlopende leningen (AF.42)

Leningen met een oorspronkelijke looptijd van meer dan één jaar of met onbepaalde looptijd.

Deelnemingen en aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.5)

Financiële activa die eigendomsrechten op vennootschappen of quasivennootschappen vertegenwoordigen. Dergelijke financiële activa geven de houder in de regel recht op een aandeel in de winst van deze vennootschappen of quasivennootschappen, alsmede in hun nettovermogen in geval van liquidatie.

Deelnemingen (AF.51)

Financiële activa in de vorm van aanspraken op de restwaarde van een vennootschap of quasivennootschap, nadat is voldaan aan de aanspraken van alle crediteuren.

Beursgenoteerde aandelen (AF.511)

Aandelen die op een beurs genoteerd zijn. Het kan hierbij gaan om een erkende aandelenbeurs of om een andere vorm van secundaire markt. Omdat de aandelen op een beurs genoteerd zijn, zijn de lopende marktprijzen van de aandelen doorgaans direct beschikbaar.

Niet-beursgenoteerde aandelen (AF.512)

Aandelen waarvan de prijs niet op een erkende aandelenbeurs of een andere vorm van secundaire markt genoteerd zijn.

Overige deelnemingen (AF.519)

Alle vormen van deelnemingen die niet onder de subcategorieën AF.511 en AF.512 geclassificeerd worden.

Aandelen/rechten van deelneming in beleggingsfondsen (AF.52)

Aandelen in het geval van vennootschappen en rechten van deelneming bij trusts. Zij worden uitgegeven door beleggingsfondsen: instellingen voor collectieve belegging waar beleggers middelen bijeenbrengen voor beleggingen in financiële en/of niet-financiële activa.

Aandelen/rechten van deelneming in geldmarktfondsen (AF.521)

Aandelen of rechten van deelneming in geldmarktfondsen worden uitgegeven door geldmarktfondsen, zijnde beleggingsfondsen die uitsluitend of hoofdzakelijk beleggen in kortlopende schuldbewijzen zoals schatkistpapier, depositocertificaten en „commercial paper”, en ook in langlopende schuldbewijzen met een korte resterende looptijd. Zij kunnen overdraagbaar zijn en worden vaak als vergelijkbaar met deposito's beschouwd.

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen (AF.522)

Aandelen of rechten van deelneming in beleggingsfondsen m.u.v. geldmarktfondsen vertegenwoordigen een aanspraak op een deel van de waarde van een beleggingsfonds dat geen geldmarktfonds is. Zij worden uitgegeven door beleggingsfondsen die beleggen in allerlei activa, waaronder schuldbewijzen, deelnemingen, aan goederen gerelateerde beleggingen, vastgoed, aandelen in andere beleggingsfondsen en gestructureerde activa.

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen (AF.6)

Financiële activa van polishouders of begunstigden en financiële passiva van verzekeraars, pensioenfondsen of verleners van standaardgaranties.

Technische voorzieningen schadeverzekering (AF.61)

Financiële activa die aanspraken van polishouders jegens schadeverzekeringsmaatschappijen in de vorm van betaalde niet-verdiende premies en schaden vertegenwoordigen.

Levensverzekerings- en lijfrenterechten (AF.62)

Financiële activa die de aanspraken van polishouders en lijfrentehouders op de technische voorzieningen van levensverzekeringsmaatschappijen vertegenwoordigen.

Pensioenrechten (AF.63)

Financiële activa in de vorm van vorderingen die zowel huidige als toekomstige gepensioneerden hebben op hetzij hun pensioenbeheerder, d.w.z. hun werkgever(s), hetzij een door de werkgever(s) aangewezen regeling om pensioenen uit te keren als onderdeel van een beloningsovereenkomst tussen werkgever en werknemer hetzij een levens- of schadeverzekeringsmaatschappij.

Aanspraken van pensioenfondsen op pensioenbeheerders (AF.64)

Financiële activa die de aanspraken van pensioenfondsen op hun pensioenbeheerder vertegenwoordigen voor elk tekort, alsmede financiële activa die de aanspraken van de pensioenbeheerder op de pensioenfondsen voor elk overschot vertegenwoordigen, bijvoorbeeld wanneer het inkomen uit beleggingen groter is dan de toename van de rechten en het verschil aan de pensioenbeheerder moet worden betaald.

Rechten op niet-pensioenuitkeringen (AF.65)

De mate waarin de nettopremies de uitkeringen overtreffen als toename van de financiële passiva van de verzekeringsregeling jegens de begunstigden.

Voorzieningen voor claims in het kader van standaardgaranties (AF.66)

Financiële activa in de vorm van vorderingen die houders van standaardgaranties hebben op vennootschappen die deze verstrekken.

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers (AF.7)

Financiële activa die in verband staan met een financieel of niet-financieel actief of een index, waardoor specifieke financiële risico's zelfstandig op financiële markten kunnen worden verhandeld.

Financiële derivaten (AF.71)

Vorderingen zoals opties, termijncontracten en kredietderivaten.

Opties (AF.711), zowel verhandelbare als „over-the-counter”-opties, zijn contracten die de houders ervan het recht geven, maar niet de verplichting opleggen, financiële of niet-financiële activa (het onderliggende instrument) tegen een tevoren overeengekomen prijs (de uitoefenprijs) binnen een overeengekomen periode (Amerikaanse optie) of op een bepaalde datum (Europese optie) te kopen (een calloptie) van of te verkopen (een putoptie) aan de schrijver van de optie. Op basis van deze basisstrategieën zijn veel gecombineerde strategieën ontwikkeld, zoals bear en bull spreads bij call- en putopties, en butterfly spreads. Van dergelijke opties zijn exotische opties met complexe betalingsstructuren afgeleid.

Termijncontracten (AF.712) zijn onvoorwaardelijke financiële contracten waarbij twee partijen overeenkomen een gespecificeerde hoeveelheid van een onderliggend (financieel of niet-financieel) actief op een bepaalde datum te verhandelen tegen een overeengekomen contractprijs (de uitoefenprijs).

Kredietderivaten hebben de vorm van een termijncontract of een optiecontract dat bovenal ten doel heeft een kredietrisico te verhandelen. Zij zijn bedoeld om een wanbetalingsrisico bij leningen en schuldbewijzen te verhandelen. Evenals andere financiële derivaten worden zij vaak opgesteld overeenkomstig standaardkaderovereenkomsten en wordt zekerheid gesteld en een onderpand verstrekt, waardoor zij een marktwaarde kunnen krijgen. De overdracht van kredietrisico's tussen de verkoper en de koper van het risico is gebaseerd op een premiebetaling. Bij wanbetaling van een debiteur betaalt de koper van het risico een contant bedrag aan de verkoper van het risico.

Aandelenopties voor werknemers (AF.72)

Financiële activa in de vorm van op een bepaalde datum (de toekenningsdatum) gesloten overeenkomsten waarbij de werknemer een bepaald aantal aandelen van de werkgever kan kopen tegen een vastgestelde prijs (de uitoefenprijs), hetzij op een bepaald tijdstip (de datum waarop de opties kunnen worden uitgeoefend), hetzij binnen een bepaalde daarop aansluitende periode.

Overige vorderingen/schulden (AF.8)

Financiële activa die ontstaan als tegenboeking van een financiële of niet-financiële transactie indien er sprake is van een tijdsverschil tussen deze transactie en de daarmee samenhangende betaling.

Handelskredieten en voorschotten (AF.81)

Financiële activa die voortvloeien uit de rechtstreekse kredietverlening door verkopers van goederen en diensten aan hun klanten en uit voorschotten voor onderhanden of nog uit te voeren werk, dan wel vooruitbetalingen voor goederen en diensten die nog niet zijn geleverd.

Overige transitorische posten (AF.89)

Financiële activa die ontstaan uit tijdsverschillen tussen verdelingstransacties of financiële transacties op de secundaire markt en de daarmee samenhangende betaling.

Pro-memorieposten

Het systeem heeft drie pro-memorieposten om activa te kunnen registreren die niet afzonderlijk in de centrale structuur worden geïdentificeerd, maar die van meer specifiek analytisch belang zijn.

Duurzame consumptiegoederen (AN.m)

Duurzame goederen die door huishoudens voor consumptie worden aangeschaft (d.w.z. goederen die niet worden gebruikt als waardeobject door huishoudens of voor productiedoeleinden door ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid die het eigendom zijn van huishoudens).

Buitenlandse directe investeringen (AF.m1)

Langetermijninvesteringen in de vorm van een duurzaam belang van een in de ene economie ingezeten institutionele eenheid („directe investeerder”) in een institutionele eenheid in een andere economie. Het doel van de directe investeerder is aanzienlijke invloed uit te oefenen op de bedrijfsvoering van de eenheid waarin hij heeft geïnvesteerd.

Niet-renderende leningen (AF.m2)

Een lening is niet-renderend wanneer er gedurende ten minste 90 dagen na de vervaldatum geen rente is betaald noch op de hoofdsom is afbetaald, rente die al ten minste 90 dagen verschuldigd is, op grond van een overeenkomst is gekapitaliseerd, geherfinancierd of uitgesteld, of betalingen weliswaar minder dan 90 dagen over tijd zijn, maar er andere goede redenen zijn (zoals wanneer een debiteur het faillissement heeft aangevraagd) om te betwijfelen dat de betalingen volledig zullen plaatsvinden.

BIJLAGE 7.2

EEN OVERZICHT VAN DE BEGINBALANS TOT EN MET DE EINDBALANS

Bijlage 7.2 geeft een overzicht van de beginbalans tot en met de eindbalans met voor elke categorie van activa informatie over de verschillende manieren waarop de balanswaarde verandert: door transacties of overige volumemutaties in activa en waarderingsverschillen.

Classificatie van activa en passiva en het vermogenssaldo

IV.1

Beginbalans

III.1 en III.2

Transacties

III.3.1.

Overige volumemutaties

III.3.2.

Waarderingsverschillen

IV.3

Eindbalans

III.3.2.1

Neutrale waarderingsverschillen

III.3.2.2

Reële waarderingsverschillen

Niet-financiële activa

AN.

P.5, NP

K.1, K.2, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62.

K.71

K.72

AN.

Geproduceerde niet-financiële activa

AN.1

P.5

K.1, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.1

Vaste activa (3)

AN.11

P.51g, P.51c

K.1, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.11

Woningen

AN.111

P.51g, P.51c

K.1, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.111

Overige bouwwerken

AN.112

P.51g, P.51c

K.1, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.112

Vervoermiddelen, machines en apparatuur

AN.113

P.51g, P.51c

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.113

Wapensystemen

AN.114

P.51g, P.51c

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.114

In cultuur gebrachte biologische hulpbronnen

AN.115

P.51g, P.51c

K.1, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.115

Intellectuele eigendommen

AN.117

P.51g, P.51c

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.117

Voorraden naar soort voorraad

AN.12

P.52

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.12

Kostbaarheden

AN.13

P.53

K.1, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.13

Niet-geproduceerde niet-financiële activa

AN.2

NP

K.1, K.21, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.2

Natuurlijke hulpbronnen

AN.21

NP.1

K.1, K.21, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.21

Grond

AN.211

NP.1

K.1, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.211

Minerale en energiereserves

AN.212

NP.1

K.1, K.21, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.212

Niet in cultuur gebrachte biologische hulpbronnen

AN.213

NP.1

K.1, K.21, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.213

Waterreserves

AN.214

NP.1

K.1, K.21, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.214

Overige natuurlijke hulpbronnen

AN.215

NP.1

K.1, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.215

Radiospectra

AN.2151

NP.1

K.1, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.2151

Overige

AN.2159

NP.1

K.1, K.21, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.2159

Contracten, leases en vergunningen

AN.22

NP.2

K.1, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.22

Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva

AN.23

NP.3

K.1, K.22, K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AN.23

Financiële activa en passiva (4)

AF

F

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

AF.1

F.1

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.1

Chartaal geld en deposito's

AF.2

F.2

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.2

Schuldbewijzen

AF.3

F.3

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.3

Leningen

AF.4

F.4

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.4

Deelnemingen en aandelen en rechten van deelneming in beleggingsfondsen

AF.5

F.5

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.5

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen

AF.6

F.6

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.6

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

AF.7

F.7

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.7

Overige vorderingen/schulden

AF.8

F.8

K.3, K.4, K.5, K.61, K.62

K.71

K.72

AF.8

Vermogenssaldo

B.90

B.101

B.102

B.1031

B.1032

B.90


Sluitposten

B.10

Mutaties in het vermogenssaldo

B.101

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten

B.102

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. overige volumemutaties in activa

B.103

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. nominale waarderingsverschillen

B.1031

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. neutrale waarderingsverschillen

B.1032

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. reële waarderingsverschillen

B.90

Vermogenssaldo

Transacties in financiële activa en passiva

F.

Transacties in financiële activa en passiva

F.1

Monetair goud en bijzondere trekkingsrechten (SDR's)

F.2

Chartaal geld en deposito's

F.3

Schuldbewijzen

F.4

Leningen

F.5

Deelnemingen en aandelen en rechten van deelneming in beleggingsfondsen

F.6

Verzekerings-, pensioen- en standaardgarantieregelingen

F.7

Financiële derivaten en aandelenopties voor werknemers

F.8

Overige vorderingen/schulden

Transacties in goederen en diensten

P.5

Bruto-investeringen

P.51g

Bruto-investeringen in vaste activa

P.51c

Verbruik van vaste activa (–)

P.511

Saldo aan- en verkopen van vaste activa

P.5111

Aankopen van nieuwe vaste activa

P.5112

Aankopen van bestaande vaste activa

P.5113

Verkopen van bestaande vaste activa

P.512

Kosten van eigendomsoverdracht voor niet-geproduceerde activa

P.52

Veranderingen in voorraden

P.53

Saldo aan- en verkopen van kostbaarheden

Overige transacties en overige mutaties in activa

NP

Saldo aan- en verkopen van niet-geproduceerde activa

NP.1

Saldo aan- en verkopen van natuurlijke hulpbronnen

NP.2

Saldo aan- en verkopen van contracten, leases en vergunningen

NP.3

Saldo aan- en verkopen van goodwill en marketingactiva

K.1

Economisch ontstaan van activa

K.2

Economisch verlies van niet-geproduceerde activa

K.21

Uitputting van natuurlijke hulpbronnen

K.22

Overig economisch verlies van niet-geproduceerde activa

K.3

Verlies door rampen

K.4

Niet-gecompenseerde confiscaties

K.5

Overige volumemutaties, niet elders geclassificeerd

K.6

Wijzigingen in classificatie

K.61

Wijzigingen in sectorclassificatie en structuur

K.62

Wijzigingen in de classificatie van activa en passiva

K.7

Nominale waarderingsverschillen

K.71

Neutrale waarderingsverschillen

K.72

Reële waarderingsverschillen


(1)  Pro-memoriepost AN.m: duurzame consumptiegoederen.

(2)  Pro-memorieposten AF.m1: buitenlandse directe investeringen; AF.m2: niet-renderende leningen.

(3)  Pro-memoriepost: AN.m: duurzame consumptiegoederen.

(4)  Pro-memorieposten: AF.m1: buitenlandse directe investeringen, AF.m2: niet-renderende leningen.

 

HOOFDSTUK 8

HET REKENINGENSTELSEL

INLEIDING

8.01

In dit hoofdstuk worden de rekeningen en balansen in het nationale rekeningenstelsel gedetailleerd beschreven. Daarnaast worden in hetzelfde stelsel ook de interacties van de binnenlandse economie met het buitenland behandeld. Voorts gaat dit hoofdstuk over de goederen-en-dienstenrekening, waarin de boekhoudkundige identiteit tussen aanbod en gebruik van goederen en diensten tot uiting komt. Ten slotte wordt het stelsel van geïntegreerde economische rekeningen gepresenteerd, waarin in dezelfde rekening de posten voor elke sector in geaggregeerde vorm worden weergegeven.

Het rekeningenstelsel

8.02

Het ESR registreert stromen en standen in een geordend rekeningenstelsel dat de economische kringloop beschrijft vanaf de productie en de inkomensvorming, via de verdeling en herverdeling ervan tot en met de besteding ervan voor consumptie. Ten slotte registreert het ESR het gebruik van wat overblijft in de vorm van besparingen voor de accumulatie van activa, zowel niet-financiële als financiële.

8.03

Iedere rekening toont middelen en bestedingen, die met elkaar in evenwicht worden gebracht door middel van een saldo, gewoonlijk aan de bestedingenzijde van de rekening. Het saldo wordt naar de volgende rekening overgebracht als eerste post aan de middelenzijde.

De gestructureerde registratie van transacties op basis van een logische analyse van de economische werkelijkheid levert de noodzakelijke aggregaten voor de bestudering van een institutionele sector of subsector, of de totale economie. De rekeningen zijn zodanig ingedeeld dat de meest betekenisvolle economische informatie beschikbaar wordt gesteld, en de sluitpost van elke rekening is een cruciaal element in de beschikbaar gestelde informatie.

8.04

Er zijn drie categorieën rekeningen:

a)

lopende rekeningen betreffen de productie en de daarmee verbonden inkomensvorming, -verdeling en -herverdeling, en de besteding van het inkomen in de vorm van consumptie. Het niet direct voor consumptie gebruikte inkomen wordt weergegeven in het saldo besparingen, dat wordt overgebracht naar de accumulatierekeningen als eerste post aan de middelenzijde van de kapitaalrekening;

b)

in de accumulatierekeningen worden de mutaties in activa en passiva van de eenheden geanalyseerd en kunnen mutaties in het vermogenssaldo (het verschil tussen activa en passiva) worden geregistreerd;

c)

balansen tonen het totaal aan activa en passiva aan het begin en het eind van de verslagperiode, tezamen met het vermogenssaldo. De stromen van iedere actief- en passiefpost in de accumulatierekeningen komen weer terug in de rekening voor balansmutaties.

8.05

Het rekeningenstelsel is van toepassing op institutionele eenheden, institutionele sectoren en subsectoren, en de totale economie.

8.06

De sluitposten worden zowel bruto als netto vastgesteld: bruto, indien berekend vóór aftrek van het verbruik van vaste activa, en netto, na aftrek hiervan. Het is betekenisvoller inkomenssaldi netto uit te drukken, daar het verbruik van vaste activa een beroep doet op het beschikbare inkomen waaraan moet worden voldaan om de kapitaalgoederenvoorraad van de economie in stand te houden.

8.07

De rekeningen worden op twee manieren gepresenteerd:

a)

in de vorm van geïntegreerde economische rekeningen, waarbij de rekeningen van alle institutionele sectoren, de totale economie en het buitenland in één enkele tabel worden weergegeven;

b)

in de vorm van een rekeningenstelsel met meer gedetailleerde informatie. De tabellen voor iedere rekening worden in dit hoofdstuk onder „Rekeningenstelsel” gegeven.

8.08

Tabel 8.1 geeft een synoptische presentatie van de rekeningen, de saldi en de belangrijkste aggregaten. De code voor de belangrijkste aggregaten is niet in de tabel vermeld; het is echter dezelfde code als voor de saldi, maar met toevoeging van een asterisk aan het nummer. Voor het saldo primaire inkomens bijvoorbeeld is de code B.5g, terwijl de gelijkwaardige code voor het bruto nationaal inkomen als een van de belangrijkste aggregaten B.5*g is.

8.09

De saldi worden in de tabel in de vorm van een brutowaarde vermeld en als zodanig aangeduid met de letter „g” (gross). Voor elk van die codes is er ook een nettowaarde, die wordt verkregen na aftrek van het geraamde verbruik van vaste activa. Zo heeft bijvoorbeeld de toegevoegde waarde (bruto) de code B.1g, terwijl het netto-equivalent (toegevoegde waarde (netto)), waarvan het verbruik van vaste activa is afgetrokken, de code B.1n heeft.

Tabel 8.1 —   Synoptische presentatie van de rekeningen, de saldi en de belangrijkste aggregaten

Rekeningen

Saldi

Belangrijkste aggregaten

Compleet rekeningenstelsel voor institutionele sectoren

Lopende rekeningen

I.

Productierekening

I.

Productierekening

 

 

 

 

B.1g

Toegevoegde waarde (bruto)

Bruto binnenlands product (bbp)

 

II.

Inkomensverdelings- en inkomensbestedingsrekeningen

II.1

Primaire inkomensverdelingsrekeningen

II.1.1

Inkomensvormingsrekening

 

 

B.2g B.3g

Exploitatieoverschot (bruto) Gemengd inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

II.1.2

Rekening voor bestemming van primaire inkomens

II.1.2.1

Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

B.4g

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

II.1.2.2

Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens

B.5g

Saldo primaire inkomens (bruto)

Bruto nationaal inkomen (bni)

 

 

 

II.2

Secundaire inkomensverdelingsrekening

 

 

 

 

B.6g

Beschikbaar inkomen (bruto)

Bruto nationaal beschikbaar inkomen

 

 

 

II.3

Tertiaire inkomensverdelingsrekening

 

 

 

 

B.7g

Alternatief beschikbaar inkomen (bruto)

 

 

 

 

II.4

Inkomensbestedingsrekening

II.4.1

Rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen

 

 

B.8g

Besparingen (bruto)

Bruto nationale besparingen

 

 

 

 

 

II.4.2

Rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen

 

 

 

 

 

Accumulatierekeningen

III.

Accumulatierekeningen

III.1

Kapitaalrekening

III.1.1.

Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten

 

 

B.101

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten

 

 

 

 

 

 

III.1.2.

Kapitaalvormingsrekening

 

 

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–)

 

 

 

 

III.2

Financiële rekening

 

 

 

 

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–)

 

 

 

 

III.3

Rekening voor overige mutaties in activa

III.3.1.

Rekening voor overige volumemutaties in activa

 

 

B.102

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. overige volumemutaties in activa

 

 

 

 

 

 

III.3.2.

Herwaarderingsrekening

 

 

B.103

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. nominale waarderingsverschillen

 

 

 

 

 

 

 

 

III.3.2.1

Rekening voor neutrale waarderingsverschillen

B.1031

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. neutrale waarderingsverschillen

 

 

 

 

 

 

 

 

III.3.2.2

Rekening voor reële waarderingsverschillen

B.1032

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. reële waarderingsverschillen

 

Balansen

IV.

Balansen

IV.1

Beginbalans

 

 

 

B.90

Vermogenssaldo

Nationaal vermogen

 

 

 

IV.2

Balansmutaties

 

 

 

B.10

Mutaties in het vermogenssaldo, totaal

Mutaties in het nationaal vermogen

 

 

 

IV.3

Eindbalans

 

 

 

B.90

Vermogenssaldo

Nationaal vermogen


Tabel 8.1 —   Synoptische presentatie van de rekeningen, de saldi en de belangrijkste aggregaten (vervolg)

Rekeningen

Saldi

Belangrijkste aggregaten

Transactierekeningen

 

0.

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening (rekening voor transacties van het buitenland)

 

 

 

Lopende rekening

V.

Buitenlandrekening

V.I

Rekening voor goederen- en dienstentransacties van het buitenland

 

 

 

 

B.11

Saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland

Saldo goederen- en dienstentransacties van het buitenland

 

 

 

V.II

Rekening voor inkomenstransacties van het buitenland

 

 

 

 

B.12

Saldo lopende transacties van het buitenland

Saldo lopende transacties van het buitenland

Accumulatierekeningen

 

 

V.III

Rekeningen voor accumulatietransacties van het buitenland

V.III.1

Kapitaalrekening

V.III.1.1

Rekening voor mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. besparingen en kapitaaloverdrachten

B.101

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. het saldo lopende transacties van het buitenland en kapitaaloverdrachten

 

 

 

 

 

 

 

 

V.III.1.2

Kapitaalvormingsrekening

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–)

 

 

 

 

 

 

V.III.2

Financiële rekening

 

 

B.9

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–)

Vorderingenoverschot (+) c.q. -tekort (–)

 

 

 

 

 

V.III.3

Rekening voor overige mutaties in activa

V.III.3.1

Rekening voor overige volumemutaties in activa

B.102

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. overige volumemutaties in activa

 

 

 

 

 

 

 

 

V.III.3.2

Herwaarderingsrekening

B.103

Mutaties in het vermogenssaldo a.g.v. nominale waarderingsverschillen

 

Balansen

 

 

V.IV

Balansen van het buitenland

V.IV.1

Beginbalans

 

 

B.90

Vermogenssaldo

Netto financiële positie van het buitenland

 

 

 

 

 

V.IV.2

Balansmutaties

 

 

B.10

Mutaties in het vermogenssaldo

 

 

 

 

 

 

V.IV.3

Eindbalans

 

 

B.90

Vermogenssaldo

Netto financiële positie van het buitenland

REKENINGENSTELSEL

Lopende rekeningen

Productierekening (I)

8.10

De productierekening (I) toont de transacties met betrekking tot het productieproces. Zij wordt opgesteld voor institutionele sectoren en bedrijfstakken. Tot de middelen behoort de output en tot de bestedingen het intermediair verbruik.

8.11

De productierekening laat een van de belangrijkste saldi in het stelsel zien — de toegevoegde waarde, ofwel de waarde die wordt gegenereerd door een producerende eenheid — alsmede een essentieel aggregaat: het bruto binnenlands product. De toegevoegde waarde is economisch relevant voor zowel institutionele sectoren als bedrijfstakken.

8.12

De toegevoegde waarde (het saldo van deze rekening) kan worden berekend voor of na het verbruik van vaste activa, d.w.z. bruto of netto. Aangezien de output wordt gewaardeerd tegen basisprijzen en het intermediair verbruik tegen aankoopprijzen, omvat de toegevoegde waarde niet het saldo van productgebonden belastingen en subsidies.

8.13

Op het niveau van de totale economie omvat de productierekening aan de middelenzijde, naast de output van goederen en diensten, ook het saldo van productgebonden belastingen en subsidies. De sluitpost van deze rekening is het bruto binnenlands product tegen marktprijzen. De code voor deze sluitpost (een essentieel aggregaat), namelijk de toegevoegde waarde voor de totale economie gecorrigeerd naar marktprijzen, is B.1*g: het bbp tegen marktprijzen. De code voor het netto binnenlands product (nbp) is B.1*n.

8.14

De indirect gemeten diensten van financiële intermediairs (IGDFI) worden als kosten over de gebruikers verdeeld. Daarvoor is het nodig dat een deel van de rentebetalingen aan financiële intermediairs wordt geherclassificeerd als betalingen voor diensten, en als output aan de producenten van financiële intermediatie wordt toegerekend. Een overeenkomstige waarde wordt als verbruik door de gebruikers geregistreerd. De waarde van het bbp wordt beïnvloed door het bedrag aan IGDFI dat is toegerekend voor consumptie, uitvoer en invoer.

Tabel 8.2 —   Rekening I: Productierekening

Gebruik

 

Overeenkomstige registraties in de

S.1

S.15

S.14

S.13

S.12

S.11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Totale economie

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Overheid

Financiële instellingen

Niet-financiële vennootschappen

 

Transacties en saldi

3 604

3 604

 

 

 

 

 

 

 

P.1

Output

3 077

3 077

 

 

 

 

 

 

 

P.11

Marktoutput

147

147

 

 

 

 

 

 

 

P.12

Output voor eigen finaal gebruik

380

380

 

 

 

 

 

 

 

P.13

Niet-marktoutput

1 883

 

 

1 883

17

115

222

52

1 477

P.2

Intermediair verbruik

133

133

 

 

 

 

 

 

 

D.21-D.31

Saldo van productgebonden belastingen en subsidies

1 854

 

 

1 854

15

155

126

94

1 331

B.1g/B.1*g

Toegevoegde waarde (bruto)/binnenlands product (bruto)

222

 

 

222

3

23

27

12

157

P.51c

Verbruik van vaste activa

1 632

 

 

1 632

12

132

99

82

1 174

B.1n/B.1*n

Toegevoegde waarde (netto)/binnenlands product (netto)


Middelen

 

 

S.11

S.12

S.13

S.14

S.15

S.1

Overeenkomstige registraties in de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Transacties en saldi

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens

Izw's t.b.v. huishoudens

Totale economie

Buitenlandrekening

Goederen-en-dienstenrekening

Totaal

P.1

Output

2 808

146

348

270

32

3 604

 

 

3 604

P.11

Marktoutput

2 808

146

0

123

0

3 077

 

 

3 077

P.12

Output voor eigen finaal gebruik

0

0

0

147

0

147

 

 

147

P.13

Niet-marktoutput

 

 

348

 

32

380

 

 

380

P.2

Intermediair verbruik

 

 

 

 

 

 

 

1 883

1 883

D.21-D.31

Saldo van productgebonden belastingen en subsidies

 

 

 

 

 

133

 

 

133

B.1g/B.1*g

Toegevoegde waarde (bruto)/binnenlands product (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

P.51c

Verbruik van vaste activa

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.1n/B.1*n

Toegevoegde waarde (netto)/binnenlands product (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Inkomensverdelings- en inkomensbestedingsrekeningen (II)

8.15

De verdeling en besteding van het inkomen wordt in vier fasen geanalyseerd: de primaire, secundaire en tertiaire inkomensverdeling, en de inkomensbesteding.

De eerste fase betreft de inkomensvorming als rechtstreeks gevolg van het productieproces, en de verdeling ervan over de productiefactoren (arbeid, kapitaal) en de overheid (via belastingen op productie en invoer, en via subsidies). Hiermee kunnen het exploitatieoverschot (of het gemengd inkomen in geval van huishoudens) en het primaire inkomen worden vastgesteld.

De tweede fase heeft betrekking op de herverdeling van inkomen via overdrachten, met uitzondering van sociale overdrachten in natura en kapitaaloverdrachten. Dit geeft als saldo het beschikbaar inkomen.

Voor de derde fase worden door de overheid en izw's t.b.v. huishoudens verstrekte individuele diensten behandeld als deel van de consumptie van huishoudens, en wordt aan huishoudens een overeenkomstig inkomen toegerekend. Dit gebeurt door middel van twee rekeningen met gecorrigeerde posten. Er wordt een rekening geïntroduceerd, de tertiaire inkomensverdelingsrekening, die aan de middelenzijde het toegerekende extra inkomen voor de huishoudens laat zien en als overeenkomstige besteding van de overheid en de izw's t.b.v. huishoudens de toegerekende overdracht door deze sectoren vermeldt. Daaruit resulteert een saldo, het alternatief beschikbaar inkomen, dat gelijk is aan het beschikbaar inkomen voor de totale economie, maar verschilt voor de sectoren huishoudens, overheid en izw's t.b.v. huishoudens.

In de vierde fase wordt het beschikbaar inkomen overgebracht naar de volgende rekening, de rekening voor besteding van het beschikbaar inkomen, die aangeeft hoe het inkomen wordt geconsumeerd, waarna de besparingen als saldo overblijven. Wanneer individuele diensten via de tertiaire inkomensverdelingsrekening zijn erkend als verbruik door huishoudens, laat de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen zien hoe deze gemeten waarde voor het alternatief beschikbaar inkomen door huishoudens wordt besteed aan de van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens ontvangen sociale overdrachten in natura, doordat de waarde van de sociale overdrachten in natura wordt toegevoegd aan de consumptie van huishoudens zodat de werkelijke consumptie wordt verkregen. Voor de overheid en izw's t.b.v. huishoudens wordt het verbruik met hetzelfde maar tegengestelde bedrag verminderd, zodat bij de berekening van de besparingen voor de sectoren overheid, izw's t.b.v. huishoudens en huishoudens de alternatieve behandeling voor elke sector hetzelfde saldo besparingen oplevert als de standaardbehandeling.

Primaire inkomensverdelingsrekeningen (II.1)

Inkomensvormingsrekening (II.1.1)

Zie voor de lay-out van de inkomensvormingsrekening per institutionele sector tabel 8.3.

8.16

In de kolommen van de aanbod- en gebruiktabellen wordt de inkomensvormingsrekening ook per bedrijfstak weergegeven.

8.17

De inkomensvormingsrekening geeft de primaire-inkomenstransacties weer vanuit het standpunt van de sectoren die de bron (en niet de bestemming) van het primaire inkomen zijn.

8.18

De rekening laat zien in hoeverre de toegevoegde waarde de beloning van werknemers en andere belastingen (min subsidies) op productie omvat. Het saldo is het exploitatieoverschot, d.i. het overschot (of tekort) van de productieactiviteiten voordat rekening is gehouden met rente, inkomen uit natuurlijke hulpbronnen of kosten c.q. opbrengsten die de productie-eenheid:

a)

moet betalen voor financiële activa of natuurlijke hulpbronnen die zij heeft geleend of gehuurd;

b)

moet ontvangen voor financiële activa of natuurlijke hulpbronnen waarvan zij eigenaar is.

8.19

Voor ondernemingen zonder rechtspersoonlijkheid in de sector huishoudens omvat het saldo van de inkomensvormingsrekening impliciet een element dat overeenkomt met de beloning voor door de eigenaar of leden van het gezin verricht werk. Dit inkomen uit zelfstandige activiteit heeft kenmerken van loon en kenmerken van winst omdat werkzaamheden in de hoedanigheid van ondernemer zijn uitgevoerd. Dit inkomen, dat niet uitsluitend uit loon of uitsluitend uit winst bestaat, wordt „gemengd inkomen” genoemd.

8.20

Bij het produceren van woondiensten voor eigen gebruik door huishoudens met een eigen woning, is het saldo van de inkomensvormingsrekening een exploitatieoverschot (en geen gemengd inkomen).

Tabel 8.3 —   Rekening II.1.1: Inkomensvormingsrekening

Gebruik

 

Overeenkomstige registraties in de

S.1

S.15

S.14

S.13

S.12

S.11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Totale economie

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Overheid

Financiële instellingen

Niet-financiële vennootschappen

 

Transacties en saldi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.1g/B.1*g

Toegevoegde waarde (bruto)/binnenlands product (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.1n/B.1*n

Toegevoegde waarde (netto)/binnenlands product (netto)

1 150

 

 

1 150

11

11

98

44

986

D.1

Beloning van werknemers

950

 

 

950

6

11

63

29

841

D.11

Lonen

200

 

 

200

5

0

55

5

145

D.12

Sociale premies t.l.v. werkgevers

181

 

 

181

4

0

51

4

132

D.121

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

168

 

 

168

4

0

48

4

122

D.1211

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers

13

 

 

13

0

0

3

0

10

D.1212

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

19

 

 

19

1

0

4

1

13

D.122

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

18

 

 

18

1

0

4

1

12

D.1221

Toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers

1

 

 

1

0

0

0

0

1

D.1222

Toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

235

 

0

235

 

 

 

 

 

D.2

Belastingen op productie en invoer

141

 

0

141

 

 

 

 

 

D.21

Productgebonden belastingen

121

 

0

121

 

 

 

 

 

D.211

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

17

 

0

17

 

 

 

 

 

D.212

Belastingen op invoer (exclusief btw)

17

 

0

17

 

 

 

 

 

D.2121

Invoerrechten

0

 

0

0

 

 

 

 

 

D.2122

Overige belastingen op invoer

3

 

0

3

 

 

 

 

 

D.214

Overige productgebonden belastingen

94

 

0

94

1

0

1

4

88

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

–44

 

0

–44

 

 

 

 

 

D.3

Subsidies

–8

 

0

–8

 

 

 

 

 

D.31

Productgebonden subsidies

0

 

0

0

 

 

 

 

 

D.311

Subsidies op invoer

–8

 

0

–8

 

 

 

 

 

D.319

Overige productgebonden subsidies

–36

 

0

–36

0

–1

0

0

–35

D.39

Niet-productgebonden subsidies op productie

452

 

 

452

3

84

27

46

292

B.2g

Exploitatieoverschot (bruto)

61

 

 

61

 

61

 

 

 

B.3g

Gemengd inkomen (bruto)

214

 

 

214

3

15

27

12

157

P.51c1

Verbruik van vaste activa m.b.t. het bruto-exploitatieoverschot

8

 

 

8

 

8

 

 

 

P.51c2

Verbruik van vaste activa m.b.t. het bruto gemengd inkomen

238

 

 

238

0

69

0

34

135

B.2n

Exploitatieoverschot (netto)

53

 

 

53

 

53

 

 

 

B.3n

Gemengd inkomen (netto)


Tabel 8.3 —   Rekening II.1.1: Inkomensvormingsrekening (vervolg)

Middelen

 

 

S.11

S.12

S.13

S.14

S.15

S.1

Overeenkomstige registraties in de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Transacties en saldi

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens

Izw's t.b.v. huishoudens

Totale economie

Buitenlandrekening

Goederen-en-dienstenrekening

Totaal

B.1g/B.1*g

Toegevoegde waarde (bruto)/binnenlands product (bruto)

1 331

94

126

155

15

1 854

 

 

1 854

B.1n/B.1*n

Toegevoegde waarde (netto)/binnenlands product (netto)

1 174

82

99

132

12

1 632

 

 

1 632

D.1

Beloning van werknemers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.11

Lonen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.12

Sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.121

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.1211

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.1212

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.122

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.1221

Toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.1222

Toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2

Belastingen op productie en invoer

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.21

Productgebonden belastingen

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.211

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.212

Belastingen op invoer (exclusief btw)

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.2121

Invoerrechten

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.2122

Overige belastingen op invoer

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.214

Overige productgebonden belastingen

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.3

Subsidies

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.31

Productgebonden subsidies

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.311

Subsidies op invoer

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.319

Overige productgebonden subsidies

 

 

 

 

 

 

 

0

 

D.39

Niet-productgebonden subsidies op productie

 

 

 

 

 

 

 

0

 

B.2g

Exploitatieoverschot (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.3g

Gemengd inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.2n

Exploitatieoverschot (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.3n

Gemengd inkomen (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2)

8.21

Anders dan in de inkomensvormingsrekening worden de ingezeten eenheden en institutionele sectoren in de rekening voor bestemming van primaire inkomens als ontvangers en niet als producenten van primair inkomen behandeld.

8.22

„Primair inkomen” is het inkomen dat ingezeten eenheden ontvangen voor hun directe deelname aan het productieproces, alsmede het inkomen dat de eigenaar van een financieel actief of een natuurlijke hulpbron ontvangt voor het verstrekken van middelen, dan wel voor het ter beschikking stellen van de natuurlijke hulpbron aan een andere institutionele eenheid.

8.23

Voor de sector huishoudens is de beloning van werknemers (D.1) als middel in de rekening voor bestemming van primaire inkomens niet hetzelfde als de post D.1 als besteding in de inkomensvormingsrekening. In de inkomensvormingsrekening voor huishoudens laat de bestedingspost zien hoeveel is betaald aan personeel in dienst van huishoudens. In de rekening voor bestemming van primaire inkomens voor de sector huishoudens vermeldt de post aan de middelenzijde het totaal van de beloning voor werk die de sector huishoudens heeft verdiend als werknemer in dienst van ondernemingen, de overheid enz. De post op de bestemmingsrekening voor huishoudens is dus veel groter dan de post op de inkomensvormingsrekening voor de sector huishoudens.

8.24

De rekening voor bestemming van primaire inkomens (II.1.2) kan alleen voor institutionele sectoren en subsectoren worden opgesteld, omdat het voor bedrijfstakken onmogelijk is bepaalde stromen in verband met financiering (het verstrekken en aantrekken van kapitaal) en activa te splitsen.

8.25

De rekening voor bestemming van primaire inkomens wordt onderverdeeld in een rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1) en een rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2).

Tabel 8.4 —   Rekening II.1.2: Rekening voor bestemming van primaire inkomens

Gebruik

 

Overeenkomstige registraties in de

S.1

S.15

S.14

S.13

S.12

S.11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Totale economie

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Overheid

Financiële instellingen

Niet-financiële vennootschappen

 

Transacties en saldi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.2g

Exploitatieoverschot (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.3g

Gemengd inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.2n

Exploitatieoverschot (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.3n

Gemengd inkomen (netto)

6

 

6

 

 

 

 

 

 

D.1

Beloning van werknemers

6

 

6

 

 

 

 

 

 

D.11

Lonen

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.12

Sociale premies t.l.v. werkgevers

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.121

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.1211

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.1212

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.122

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.1221

Toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers

0

 

0

 

 

 

 

 

 

D.1222

Toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2

Belastingen op productie en invoer

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.21

Productgebonden belastingen

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.211

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.212

Belastingen op invoer (exclusief btw)

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2121

Invoerrechten

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2122

Overige belastingen op invoer

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.214

Overige productgebonden belastingen

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.3

Subsidies

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.31

Productgebonden subsidies

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.311

Subsidies op invoer

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.319

Overige productgebonden subsidies

0

 

 

 

 

 

 

 

 

D.39

Niet-productgebonden subsidies op productie

435

 

44

391

6

41

42

168

134

D.4

Inkomen uit vermogen

230

 

13

217

6

14

35

106

56

D.41

Rente

79

 

17

62

0

 

 

15

47

D.42

Winstuitkeringen

67

 

13

54

 

 

 

15

39

D.421

Dividenden

12

 

4

8

 

 

 

0

8

D.422

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

14

 

14

0

 

 

 

0

0

D.43

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen

47

 

0

47

 

 

 

47

 

D.44

Overig inkomen uit beleggingen

25

 

0

25

 

 

 

25

 

D.441

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

8

 

0

8

 

 

 

8

 

D.442

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

14

 

0

14

 

 

 

14

 

D.443

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

6

 

0

6

 

 

 

6

 

D.4431

Dividenden toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

8

 

0

8

 

 

 

8

 

D.4432

Ingehouden winsten toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

653

 

 

65

0

27

7

0

31

D.45

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen

1 864

 

 

1 864

4

1 381

198

27

254

B.5g/B.5*g

Saldo primaire inkomens (bruto)/nationaal inkomen (bruto)

1 642

 

 

1 642

1

1 358

171

15

97

B.5n/B.5*n

Saldo primaire inkomens (netto)/nationaal inkomen (netto)


Tabel 8.4 —   Rekening II.1.2: Rekening voor bestemming van primaire inkomens (vervolg)

Middelen

 

 

S.11

S.12

S.13

S.14

S.15

S.1

Overeenkomstige registraties in de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Transacties en saldi

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens

Izw's t.b.v. huishoudens

Totale economie

Buitenlandrekening

Goederen-en-dienstenrekening

Totaal

B.2g

Exploitatieoverschot (bruto)

292

46

27

84

3

452

 

 

452

B.3g

Gemengd inkomen (bruto)

 

 

 

61

 

61

 

 

61

B.2n

Exploitatieoverschot (netto)

135

34

0

69

0

238

 

 

238

B.3n

Gemengd inkomen (netto)

 

 

 

53

 

53

 

 

53

D.1

Beloning van werknemers

 

 

 

1 154

 

1 154

2

 

1 156

D.11

Lonen

 

 

 

954

 

954

2

 

956

D.12

Sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

200

 

200

0

 

200

D.121

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

181

 

181

0

 

181

D.1211

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

168

 

168

0

 

168

D.1212

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

13

 

13

0

 

13

D.122

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

19

 

19

0

 

19

D.1221

Toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

18

 

18

0

 

18

D.1222

Toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

 

 

 

1

 

1

0

 

1

D.2

Belastingen op productie en invoer

 

 

235

 

 

235

 

 

235

D.21

Productgebonden belastingen

 

 

141

 

 

141

 

 

141

D.211

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

 

 

121

 

 

121

 

 

121

D.212

Belastingen op invoer (exclusief btw)

 

 

17

 

 

17

 

 

17

D.2121

Invoerrechten

 

 

17

 

 

17

 

 

17

D.2122

Overige belastingen op invoer

 

 

0

 

 

0

 

 

0

D.214

Overige productgebonden belastingen

 

 

3

 

 

3

 

 

3

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

 

 

94

 

 

94

 

 

94

D.3

Subsidies

 

 

–44

 

 

–44

 

 

–44

D.31

Productgebonden subsidies

 

 

–8

 

 

–8

 

 

–8

D.311

Subsidies op invoer

 

 

0

 

 

0

 

 

0

D.319

Overige productgebonden subsidies

 

 

–8

 

 

–8

 

 

–8

D.39

Niet-productgebonden subsidies op productie

 

 

–36

 

 

–36

 

 

–36

D.4

Inkomen uit vermogen

96

149

22

123

7

397

38

 

435

D.41

Rente

33

106

14

49

7

209

21

 

230

D.42

Winstuitkeringen

10

25

7

20

0

62

17

 

79

D.421

Dividenden

10

25

5

13

0

53

14

 

67

D.422

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

 

 

2

7

 

9

3

 

12

D.43

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen

4

7

0

3

0

14

0

 

14

D.44

Overig inkomen uit beleggingen

8

8

1

30

0

47

0

 

47

D.441

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

5

0

0

20

0

25

0

 

25

D.442

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

 

 

 

8

 

8

0

 

8

D.443

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

3

8

1

2

0

14

0

 

14

D.4431

Dividenden toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

1

3

0

2

0

6

0

 

6

D.4432

Ingehouden winsten toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

2

5

1

0

0

8

0

 

8

D.45

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen

41

3

0

21

0

65

 

 

65

B.5g/B.5*g

Saldo primaire inkomens (bruto)/nationaal inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.5n/B.5*n

Saldo primaire inkomens (netto)/nationaal inkomen (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (II.1.2.1)

8.26

Het doel van de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening is het vaststellen van een saldo dat overeenkomt met het begrip winst vóór winstuitkering en vóór aftrek van belastingen op inkomen, zoals gebruikelijk is in de bedrijfsboekhouding.

8.27

Voor de overheid en de izw's t.b.v. huishoudens worden in deze rekening enkel de transacties die samenhangen met hun marktactiviteiten opgenomen.

8.28

Het inkomen uit bedrijfsuitoefening is gelijk aan het exploitatieoverschot of het gemengd inkomen (aan de middelenzijde):

plus

ontvangen inkomen uit vermogen in verband met financiële en andere activa die de onderneming toebehoren (aan de middelenzijde)

minus

betaalde rente op schulden van de onderneming, betaald overig inkomen uit beleggingen en betaald inkomen uit grond en andere natuurlijke hulpbronnen die door de onderneming zijn gehuurd of gepacht (aan de bestedingenzijde).

Inkomen uit vermogen dat in de vorm van dividenden wordt betaald, inkomen onttrokken aan quasivennootschappen en herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen worden niet van het inkomen uit bedrijfsuitoefening afgetrokken.

Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (II.1.2.2)

8.29

Het doel van de rekening voor bestemming van overige primaire inkomens is terug te keren van het begrip inkomen uit bedrijfsuitoefening naar dat van primair inkomen. Deze rekening omvat derhalve de bestanddelen van het primaire inkomen die niet in de rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening zijn opgenomen:

a)

voor ondernemingen: uitgekeerde dividenden, inkomen onttrokken aan quasivennootschappen en herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen (aan de bestedingenzijde);

b)

voor huishoudens:

1.

betaald inkomen uit vermogen, met uitzondering van rente en inkomen uit natuurlijke hulpbronnen in verband met de bedrijfsuitoefening (aan de bestedingenzijde);

2.

beloning van werknemers (aan de middelenzijde);

3.

ontvangen inkomen uit vermogen, met uitzondering van inkomen in verband met de bedrijfsuitoefening (aan de middelenzijde);

c)

voor de overheid:

1.

betaald inkomen uit vermogen, met uitzondering van inkomen in verband met marktactiviteiten (aan de bestedingenzijde);

2.

belastingen op productie en invoer minus subsidies (aan de middelenzijde);

3.

ontvangen inkomen uit vermogen, met uitzondering van inkomen in verband met marktactiviteiten (aan de middelenzijde).

Tabel 8.5 —   Rekening II.1.2.1: Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening

Gebruik

 

Overeenkomstige registraties in de

S.1

S.15

S.14

S.13

S.12

S.11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Totale economie

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Overheid

Financiële instellingen

Niet-financiële vennootschappen

 

Transacties en saldi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.2g

Exploitatieoverschot (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.3g

Gemengd inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.2n

Exploitatieoverschot (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.3n

Gemengd inkomen (netto)

240

 

 

240

 

 

 

153

87

D.4

Inkomen uit vermogen

162

 

 

162

 

 

 

106

56

D.41

Rente

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.42

Winstuitkeringen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.421

Dividenden

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.422

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.43

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen

47

 

 

47

 

 

 

47

 

D.44

Overig inkomen uit beleggingen

25

 

 

25

 

 

 

25

 

D.441

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

8

 

 

8

 

 

 

8

 

D.442

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

14

 

 

14

 

 

 

14

 

D.443

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

31

 

 

31

 

 

 

0

31

D.45

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen

343

 

 

343

 

 

 

42

301

B.4g

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (bruto)

174

 

 

174

 

 

 

30

144

B.4n

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (netto)


Tabel 8.5 —   Rekening II.1.2.1: Rekening voor inkomen uit bedrijfsuitoefening (vervolg)

Middelen

 

 

S.11

S.12

S.13

S.14

S.15

S.1

Overeenkomstige registraties in de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Transacties en saldi

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens

Izw's t.b.v. huishoudens

Totale economie

Buitenlandrekening

Goederen-en-dienstenrekening

Totaal

B.2g

Exploitatieoverschot (bruto)

292

46

27

84

3

452

 

 

452

B.3g

Gemengd inkomen (bruto)

 

 

 

61

 

61

 

 

61

B.2n

Exploitatieoverschot (netto)

135

34

0

69

0

238

 

 

238

B.3n

Gemengd inkomen (netto)

 

 

 

53

 

53

 

 

53

D.4

Inkomen uit vermogen

96

149

 

 

 

245

 

 

245

D.41

Rente

33

106

 

 

 

139

 

 

139

D.42

Winstuitkeringen

10

25

 

 

 

35

 

 

35

D.421

Dividenden

10

25

 

 

 

35

 

 

35

D.422

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

 

 

 

 

 

0

 

 

0

D.43

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen

4

7

 

 

 

11

 

 

11

D.44

Overig inkomen uit beleggingen

8

8

 

 

 

16

 

 

16

D.441

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

5

 

 

 

 

5

 

 

5

D.442

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

 

 

 

 

 

0

 

 

0

D.443

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

3

8

 

 

 

11

 

 

11

D.45

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen

41

3

 

 

 

44

 

 

44

B.4g

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.4n

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 


Tabel 8.5 —   Rekening II.1.2.2: Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens

Gebruik

 

Overeenkomstige registraties in de

S.1

S.15

S.14

S.13

S.12

S.11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Totale economie

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Overheid

Financiële instellingen

Niet-financiële vennootschappen

 

Transacties en saldi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.4g

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.4n

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (netto)

6

 

6

 

 

 

 

 

 

D.1

Beloning van werknemers

6

 

6

 

 

 

 

 

 

D.11

Lonen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.12

Sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.121

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.122

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2

Belastingen op productie en invoer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.21

Productgebonden belastingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.211

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.212

Belastingen op invoer (exclusief btw)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2121

Invoerrechten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.2122

Overige belastingen op invoer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.214

Overige productgebonden belastingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.3

Subsidies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.31

Productgebonden subsidies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.311

Subsidies op invoer

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.319

Overige productgebonden subsidies

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.39

Niet-productgebonden subsidies op productie

214

 

63

151

6

41

42

15

47

D.4

Inkomen uit vermogen

68

 

13

55

6

14

35

 

 

D.41

Rente

98

 

36

62

 

 

 

15

47

D.42

Winstuitkeringen

54

 

0

54

 

 

 

15

39

D.421

Dividenden

44

 

36

8

 

 

 

 

8

D.422

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

14

 

14

0

 

 

 

 

 

D.43

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.44

Overig inkomen uit beleggingen

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.441

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.442

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

 

 

 

 

 

 

 

 

 

D.443

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

34

 

 

34

0

27

7

 

 

D.45

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen

1 864

 

 

1 864

4

1 381

198

27

254

B.5g/B.5*g

Saldo primaire inkomens (bruto)/nationaal inkomen (bruto)

1 642

 

 

1 642

1

1 358

171

15

97

B.5n/B.5*n

Saldo primaire inkomens (netto)/nationaal inkomen (netto)


Tabel 8.5 —   Rekening II.1.2.2: Rekening voor bestemming van overige primaire inkomens (vervolg)

Middelen

 

 

S.11

S.12

S.13

S.14

S.15

S.1

Overeenkomstige registraties in de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Transacties en saldi

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens

Izw's t.b.v. huishoudens

Totale economie

Buitenlandrekening

Goederen-en-dienstenrekening

Totaal

B.4g

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (bruto)

301

42

 

 

 

343

 

 

343

B.4n

Inkomen uit bedrijfsuitoefening (netto)

144

30

 

 

 

174

 

 

174

D.1

Beloning van werknemers

 

 

 

1 154

 

1 154

2

 

1 156

D.11

Lonen

 

 

 

954

 

954

2

 

956

D.12

Sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

200

 

200

 

 

200

D.121

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

181

 

181

 

 

181

D.122

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

 

 

 

19

 

19

 

 

19

D.2

Belastingen op productie en invoer

 

 

235

 

 

235

 

 

235

D.21

Productgebonden belastingen

 

 

141

 

 

141

 

 

141

D.211

Belasting over de toegevoegde waarde (btw)

 

 

121

 

 

121

 

 

121

D.212

Belastingen op invoer (exclusief btw)

 

 

17

 

 

17

 

 

17

D.2121

Invoerrechten

 

 

17

 

 

17

 

 

17

D.2122

Overige belastingen op invoer

 

 

0

 

 

0

 

 

0

D.214

Overige productgebonden belastingen

 

 

3

 

 

3

 

 

3

D.29

Niet-productgebonden belastingen op productie

 

 

94

 

 

94

 

 

94

D.3

Subsidies

 

 

–44

 

 

–44

 

 

–44

D.31

Productgebonden subsidies

 

 

–8

 

 

–8

 

 

–8

D.311

Subsidies op invoer

 

 

0

 

 

0

 

 

0

D.319

Overige productgebonden subsidies

 

 

–8

 

 

–8

 

 

–8

D.39

Niet-productgebonden subsidies op productie

 

 

–36

 

 

–36

 

 

–36

D.4

Inkomen uit vermogen

 

 

22

123

7

152

38

 

190

D.41

Rente

 

 

14

49

7

70

21

 

91

D.42

Winstuitkeringen

 

 

7

20

0

27

17

 

44

D.421

Dividenden

 

 

5

13

0

18

14

 

32

D.422

Inkomen onttrokken aan quasivennootschappen

 

 

2

7

0

9

3

 

12

D.43

Herbelegde winsten op buitenlandse directe investeringen

 

 

0

3

0

3

0

 

3

D.44

Overig inkomen uit beleggingen

 

 

1

30

0

31

0

 

31

D.441

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan polishouders

 

 

0

20

0

20

0

 

20

D.442

Inkomen uit beleggingen te betalen i.v.m. pensioenrechten

 

 

0

8

0

8

0

 

8

D.443

Inkomen uit beleggingen toe te rekenen aan aandeelhouders van collectieve-beleggingsfondsen

 

 

1

2

0

3

0

 

3

D.45

Inkomen uit natuurlijke hulpbronnen

 

 

0

21

0

21

 

 

21

B.5g/B.5*g

Saldo primaire inkomens (bruto)/nationaal inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.5n/B.5*n

Saldo primaire inkomens (netto)/nationaal inkomen (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Secundaire inkomensverdelingsrekening (II.2)

8.30

De secundaire inkomensverdelingsrekening laat zien hoe het saldo van het primaire inkomen van een institutionele sector wordt herverdeeld door belastingen op inkomen, vermogen enz., sociale premies en uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura) en overige inkomensoverdrachten.

8.31

Het saldo van deze rekening is het beschikbaar inkomen, dat de lopende transacties weergeeft en het voor consumptie of besparingen beschikbare bedrag is.

8.32

De sociale premies worden geregistreerd als bestedingen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en als middelen in de secundaire inkomensverdelingsrekening van de institutionele sectoren die verantwoordelijk zijn voor het beheer van de sociale verzekering. Indien deze premies door de werkgevers voor hun werknemers worden betaald, worden zij als bestedingen in de inkomensvormingsrekening van de werkgever opgenomen onder de rubriek beloning van werknemers, aangezien zij deel uitmaken van de loonkosten; zij worden daarnaast ook geregistreerd als middelen in de rekening voor bestemming van primaire inkomens van de huishoudens onder de rubriek beloning van werknemers, aangezien het baten voor huishoudens betreft.

De sociale premies aan de bestedingenzijde van de secundaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens omvatten niet de beloning voor de dienstverlening door de pensioenfondsen en andere verzekeringsmaatschappijen waarvan de middelen geheel of gedeeltelijk uit werkelijke sociale premies bestaan.

In de tabel is een correctiepost opgenomen voor de vergoeding voor de diensten in het kader van de socialeverzekeringsregeling. Sociale premies (netto) (D.61) worden exclusief deze vergoeding geregistreerd, maar omdat het moeilijk is om de over de componenten van D.61 om te slaan, worden deze bijdragen in de tabel inclusief de vergoeding weergegeven. D.61 is dus de som van zijn componenten, min deze correctiepost.

Tertiaire inkomensverdelingsrekening (II.3)

8.33

De tertiaire inkomensverdelingsrekening geeft een breder beeld van het inkomen van de huishoudens, omdat hierin de stromen zijn opgenomen die overeenkomen met de besteding van individuele goederen en diensten die de huishoudens gratis ontvangen van de overheid en izw's t.b.v. huishoudens, d.w.z. sociale overdrachten in natura. De tertiaire inkomensverdelingsrekening vergemakkelijkt vergelijkingen in de tijd indien er sprake is van verschillen of wijzigingen in de economische en sociale omstandigheden. Tevens vormt zij een aanvulling op de analyse van de rol van de overheid bij de inkomensherverdeling.

8.34

Sociale overdrachten in natura worden geregistreerd aan de middelenzijde van de tertiaire inkomensverdelingsrekening van de huishoudens en aan de bestedingenzijde bij de overheid en de izw's t.b.v. huishoudens.

8.35

Het saldo van de tertiaire inkomensverdelingsrekening is het alternatief beschikbaar inkomen, en dit is de eerste post aan de middelenzijde van de rekening voor besteding van het alternatief beschikbaar inkomen (II.4.2).

Tabel 8.6 —   Rekening II.2: Secundaire inkomensverdelingsrekening

Gebruik

 

Overeenkomstige registraties in de

S.1

S.15

S.14

S.13

S.12

S.11

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Totaal

Goederen-en-dienstenrekening

Buitenlandrekening

Totale economie

Izw's t.b.v. huishoudens

Huishoudens

Overheid

Financiële instellingen

Niet-financiële vennootschappen

 

Transacties en saldi

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.5g/B.5*g

Saldo primaire inkomens (bruto)/nationaal inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.5n/B.5*n

Saldo primaire inkomens (netto)/nationaal inkomen (netto)

1 229

 

17

1 212

7

582

248

277

98

 

Inkomensoverdrachten

213

 

1

212

0

178

0

10

24

D.5

Belastingen op inkomen, vermogen enz.

204

 

1

203

0

176

0

7

20

D.51

Belastingen op inkomen

9

 

 

9

0

2

0

3

4

D.59

Belastingen op vermogen enz.

333

 

0

333

 

333

 

 

 

D.61

Sociale premies (netto)

181

 

0

181

 

181

 

 

 

D.611

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

168

 

0

168

 

168

 

 

 

D.6111

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers

13

 

0

13

 

13

 

 

 

D.6112

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

19

 

0

19

 

19

 

 

 

D.612

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

18

 

0

18

 

18

 

 

 

D.6121

Toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers

1

 

0

1

 

1

 

 

 

D.6122

Toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

129

 

0

129

 

129

 

 

 

D.613

Werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens

115

 

0

115

 

115

 

 

 

D.6131

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. huishoudens

14

 

0

14

 

14

 

 

 

D.6132

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. huishoudens

10

 

0

10

 

10

 

 

 

D.614

Aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens

8

 

0

8

 

8

 

 

 

D.6141

Aanvullende pensioenpremies t.l.v. huishoudens

2

 

0

2

 

2

 

 

 

D.6142

Aanvullende niet-pensioenpremies t.l.v. huishoudens

–6

 

0

–6

 

–6

 

 

 

D.61SC

Vergoeding voor diensten in het kader van de socialeverzekeringsregeling

384

 

0

384

5

0

112

205

62

D.62

Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura)

53

 

0

53

 

 

53

 

 

D.621

Uitkeringen sociale zekerheid in geld

45

 

0

45

 

 

45

 

 

D.6211

Pensioenuitkeringen sociale zekerheid in geld

8

 

0

8

 

 

8

 

 

D.6212

Niet-pensioenuitkeringen sociale zekerheid in geld

279

 

0

279

5

0

7

205

62

D.622

Uitkeringen overige sociale verzekering

250

 

0

250

3

0

5

193

49

D.6221

Pensioenuitkeringen overige sociale verzekering

29

 

0

29

2

0

2

12

13

D.6222

Niet-pensioenuitkeringen overige sociale verzekering

52

 

 

52

 

 

52

 

 

D.623

Uitkeringen sociale voorziening in geld

299

 

16

283

2

71

136

62

12

D.7

Overige inkomensoverdrachten

58

 

2

56

0

31

4

13

8

D.71

Premies schadeverzekering (netto)

44

 

1

43

0

31

4

0

8

D.711

Premies directe schadeverzekering (netto)

14

 

1

13

 

 

 

13

 

D.712

Premies schadeherverzekering (netto)

60

 

12

48

 

 

 

48

 

D.72

Uitkeringen schadeverzekering

45

 

0

45

 

 

 

45

 

D.721

Uitkeringen directe schadeverzekering

15

 

12

3

 

 

 

3

 

D.722

Uitkeringen schadeherverzekering

96

 

0

96

 

 

96

 

 

D.73

Inkomensoverdrachten binnen de overheid

23

 

1

22

 

 

22

 

 

D.74

Inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking

53

 

1

52

2

40

5

1

4

D.75

Overige inkomensoverdrachten, n.e.g.

36

 

0

36

0

29

5

1

1

D.751

Inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens

8

 

1

7

 

7

 

 

 

D.752

Inkomensoverdrachten tussen huishoudens

9

 

0

9

2

4

0

0

3

D.759

Andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g.

9

 

 

9

 

 

9

 

 

D.76

Eigen middelen van de EU op basis van btw en bni

1 826

 

 

1 826

37

1 219

317

25

228

B.6g

Beschikbaar inkomen (bruto)

1 604

 

 

1 604

34

1 196

290

13

71

B.6n

Beschikbaar inkomen (netto)


Tabel 8.6 —   Rekening II.2: Secundaire inkomensverdelingsrekening (vervolg)

Middelen

 

 

S.11

S.12

S.13

S.14

S.15

S.1

Overeenkomstige registraties in de

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Transacties en saldi

Niet-financiële vennootschappen

Financiële instellingen

Overheid

Huishoudens

Izw's t.b.v. huishoudens

Totale economie

Buitenlandrekening

Goederen-en-dienstenrekening.

Totaal

B.5g/B.5*g

Saldo primaire inkomens (bruto)/nationaal inkomen (bruto)

254

27

198

1 381

4

1 864

 

 

1 864

B.5n/B.5*n

Saldo primaire inkomens (netto)/nationaal inkomen (netto)

97

15

171

1 358

1

1 642

 

 

1 642

 

Inkomensoverdrachten

72

275

367

420

40

1 174

55

 

1 229

D.5

Belastingen op inkomen, vermogen enz.

 

 

213

 

 

213

0

 

213

D.51

Belastingen op inkomen

 

 

204

 

 

204

0

 

204

D.59

Belastingen op vermogen enz.

 

 

9

 

 

9

 

 

9

D.61

Sociale premies (netto)

66

212

50

0

5

333

0

 

333

D.611

Werkelijke sociale premies t.l.v. werkgevers

31

109

38

0

3

181

0

 

181

D.6111

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. werkgevers

27

104

35

0

2

168

0

 

168

D.6112

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

4

5

3

0

1

13

0

 

13

D.612

Toegerekende sociale premies t.l.v. werkgevers

12

2

4

0

1

19

0

 

19

D.6121

Toegerekende pensioenpremies t.l.v. werkgevers

12

1

4

0

1

18

0

 

18

D.6122

Toegerekende niet-pensioenpremies t.l.v. werkgevers

0

1

0

0

0

1

0

 

1

D.613

Werkelijke sociale premies t.l.v. huishoudens

25

94

9

0

1

129

0

 

129

D.6131

Werkelijke pensioenpremies t.l.v. huishoudens

19

90

6

0

0

115

0

 

115

D.6132

Werkelijke niet-pensioenpremies t.l.v. huishoudens

6

4

3

0

1

14

0

 

14

D.614

Aanvullende sociale premies t.l.v. huishoudens

 

10

 

 

 

10

0

 

10

D.6141

Aanvullende pensioenpremies t.l.v. huishoudens

 

8

 

 

 

8

0

 

8

D.6142

Aanvullende niet-pensioenpremies t.l.v. huishoudens

 

2

 

 

 

2

0

 

2

D.61SC

Vergoeding voor diensten in het kader van de socialeverzekeringsregeling

2

3

 

1

 

6

0

 

6

D.62

Sociale uitkeringen (exclusief sociale overdrachten in natura)

 

 

 

384

 

384

0

 

384

D.621

Uitkeringen sociale zekerheid in geld

 

 

 

53

 

53

0

 

53

D.6211

Pensioenuitkeringen sociale zekerheid in geld

 

 

 

45

 

45

0

 

45

D.6212

Niet-pensioenuitkeringen sociale zekerheid in geld

 

 

 

8

 

8

0

 

8

D.622

Uitkeringen overige sociale verzekering

 

 

 

279

 

279

0

 

279

D.6221

Pensioenuitkeringen overige sociale verzekering

 

 

 

250

 

250

0

 

250

D.6222

Niet-pensioenuitkeringen overige sociale verzekering

 

 

 

29

 

29

0

 

29

D.623

Uitkeringen sociale voorziening in geld

 

 

 

52

 

52

0

 

52

D.7

Overige inkomensoverdrachten

6

62

104

36

36

244

55

 

299

D.71

Premies schadeverzekering (netto)

 

47

 

 

 

47

11

 

58

D.711

Premies directe schadeverzekering (netto)

 

44

 

 

 

44

 

 

44

D.712

Premies schadeherverzekering (netto)

 

3

 

 

 

3

11

 

14

D.72

Uitkeringen schadeverzekering

6

15

1

35

0

57

3

 

60

D.721

Uitkeringen directe schadeverzekering

6

 

1

35

 

42

3

 

45

D.722

Uitkeringen schadeherverzekering

 

15

 

 

 

15

0

 

15

D.73

Inkomensoverdrachten binnen de overheid

 

 

96

 

 

96

0

 

96

D.74

Inkomensoverdrachten i.v.m. internationale samenwerking

 

 

1

 

 

1

22

 

23

D.75

Overige inkomensoverdrachten, n.e.g.

0

0

6

1

36

43

10

 

53

D.751

Inkomensoverdrachten aan izw's t.b.v. huishoudens

 

 

 

 

36

36

 

 

36

D.752

Inkomensoverdrachten tussen huishoudens

 

 

 

1

 

1

7

 

8

D.759

Andere overige inkomensoverdrachten, n.e.g.

 

 

6

 

 

6

3

 

9

D.76

Eigen middelen van de EU op basis van btw en bni

 

 

 

 

 

 

9

 

9

B.6g

Beschikbaar inkomen (bruto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

B.6n

Beschikbaar inkomen (netto)

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Tabel 8.7 —   Rekening II.3: Tertiaire inkomensverdelingsrekening