Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32013L0039

Richtlijn 2013/39/EU van het Europees Parlement en de Raad van 12 augustus 2013 tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid Voor de EER relevante tekst

OJ L 226, 24.8.2013, p. 1–17 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, HR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dir/2013/39/oj

24.8.2013   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 226/1


RICHTLIJN 2013/39/EU VAN HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD

van 12 augustus 2013

tot wijziging van Richtlijn 2000/60/EG en Richtlijn 2008/105/EG wat betreft prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid

(Voor de EER relevante tekst)

HET EUROPEES PARLEMENT EN DE RAAD VAN DE EUROPESE UNIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie, en met name artikel 192, lid 1,

Gezien het voorstel van de Europese Commissie,

Na toezending van het ontwerp van wetgevingshandeling aan de nationale parlementen,

Gezien het advies van het Europees Economisch en Sociaal Comité (1),

Gezien het advies van het Comité van de Regio’s (2),

Handelend volgens de gewone wetgevingsprocedure (3),

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Chemische verontreiniging van het oppervlaktewater vormt een bedreiging voor het aquatische milieu, waarbij effecten optreden als acute en chronische toxiciteit voor in het water levende organismen, accumulatie van verontreinigende stoffen in het ecosysteem en verlies van habitats en biodiversiteit, en het vormt tevens een bedreiging voor de gezondheid van de mens. De oorzaken van de verontreiniging moeten bij voorrang in kaart worden gebracht en de emissies van verontreinigende stoffen moeten bij de bron worden aangepakt op de economisch en vanuit milieuoogpunt meest doeltreffende manier.

(2)

Ingevolge de tweede zin van artikel 191, lid 2, van het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie (VWEU), berust het milieubeleid van de Unie op het voorzorgsbeginsel en het beginsel van preventief handelen, het beginsel dat milieuaantastingen bij voorrang aan de bron dienen te worden bestreden, en het beginsel dat de vervuiler betaalt.

(3)

Het behandelen van afvalwater kan zeer duur zijn. Teneinde een goedkopere en kosteneffectievere behandeling mogelijk te maken, zou het ontwikkelen van innovatieve waterbehandelingstechnologieën kunnen worden gestimuleerd.

(4)

In Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad van 23 oktober 2000 tot vaststelling van een kader voor communautaire maatregelen betreffende het waterbeleid (4) wordt een strategie ter bestrijding van waterverontreiniging geformuleerd. Die strategie houdt in dat op het niveau van de Unie prioritaire stoffen worden geselecteerd uit stoffen die een significant risico vormen voor of via het aquatische milieu. Beschikking nr. 2455/2001/EG van het Europees Parlement en de Raad van 20 november 2001 tot vaststelling van de lijst van prioritaire stoffen op het gebied van het waterbeleid (5) bevat de eerste lijst met 33 stoffen of groepen stoffen die prioriteit hebben gekregen voor maatregelen op Unieniveau voor opname in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG.

(5)

In Richtlijn 2008/105/EG van het Europees Parlement en de Raad van 16 december 2008 inzake milieukwaliteitsnormen op het gebied van het waterbeleid (6) zijn overeenkomstig Richtlijn 2000/60/EG, milieukwaliteitsnormen (MKN) vastgesteld voor de 33 prioritaire stoffen die in Beschikking nr. 2455/2001/EG zijn geselecteerd en voor acht andere verontreinigende stoffen die op Unieniveau al gereguleerd waren.

(6)

Overeenkomstig artikel 191, lid 3, VWEU dient de Unie bij het bepalen van haar milieubeleid rekening te houden met de beschikbare wetenschappelijke en technische gegevens, de milieuomstandigheden in de onderscheiden regio’s van de Unie, de voordelen en lasten die kunnen voortvloeien uit het optreden, of het gebrek aan optreden, de economische en sociale ontwikkeling van de Unie als geheel en de evenwichtige ontwikkeling van haar regio’s. Bij het ontwikkelen van een kostenefficiënt en evenredig beleid betreffende het voorkomen en beheersen van chemische verontreiniging van oppervlaktewateren, ook door het toetsen van de lijst van prioritaire stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG, dient rekening te worden gehouden met wetenschappelijke, milieu- en sociaaleconomische factoren, waaronder factoren met betrekking tot de menselijke gezondheid. Met dit doel voor ogen moet het beginsel dat de vervuiler betaalt, dat ten grondslag ligt aan Richtlijn 2000/60/EG, consequent worden toegepast.

(7)

De Commissie heeft de lijst van prioritaire stoffen getoetst overeenkomstig artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG en artikel 8 van Richtlijn 2008/105/EG, en is daarbij tot de conclusie gekomen dat het gepast is om de lijst met prioritaire stoffen te wijzigen door nieuwe stoffen te selecteren waarvoor prioritaire maatregelen genomen moeten worden op Unieniveau, MKN vast te leggen voor die nieuw geselecteerde stoffen, de MKN voor bepaalde bestaande stoffen te herzien overeenkomstig de wetenschappelijke vooruitgang en MKN voor biota vast te stellen voor bepaalde bestaande en nieuw geselecteerde prioritaire stoffen.

(8)

De toetsing van de lijst van prioritaire stoffen werd ondersteund door een uitgebreide raadpleging van deskundigen van de diensten van de Commissie, de lidstaten, belanghebbenden en het Wetenschappelijk Comité voor gezondheids- en milieurisico’s.

(9)

Met de herziene MKN voor bestaande prioritaire stoffen moet voor het eerst rekening worden gehouden in de stroomgebiedbeheerplannen voor 2015-2021. Met de nieuw geselecteerde prioritaire stoffen en hun MKN, moet rekening worden gehouden bij het vaststellen van aanvullende monitoringprogramma’s en in voorlopige maatregelen programma’s die tegen het eind van 2018 moeten worden ingediend. Met de bedoeling om een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken, dient eind 2021aan de herziene MKN voor bestaande prioritaire stoffen en eind 2027 aan de MKN voor nieuw geselecteerde prioritaire stoffen te zijn voldaan, onverminderd artikel 4, leden 4 tot en met 9, van Richtlijn 2000/60/EG, die onder andere bepalingen bevatten voor verlenging van de termijn waarbinnen de goede chemische toestand van het oppervlaktewater moet zijn bereikt of de minder strenge milieudoelstellingen voor specifieke waterlichamen moeten zijn bereikt op grond van buitensporige kosten en/of sociaaleconomische noodzaak, mits er geen verdere verslechtering optreedt in de toestand van de desbetreffende waterlichamen. Daarom mag het bepalen van de chemische toestand van het oppervlaktewater uiterlijk in 2015, zoals vastgesteld in artikel 4, van Richtlijn 2000/60/EG, alleen gebaseerd zijn op de stoffen en de MKN van Richtlijn 2008/105/EG in de versie die van kracht werd op 13 januari 2009, tenzij deze MKN strenger waren dan ingevolge deze richtlijn herziene MKN, in welk geval de laatstgenoemde van toepassing moeten zijn.

(10)

Sinds de vaststelling van Richtlijn 2000/60/EG zijn vele Uniebesluiten aangenomen die emissiebeheersingsmaatregelen voor individuele prioritaire stoffen inhouden in de zin van artikel 16, lid 6, van die richtlijn. Bovendien vallen veel maatregelen voor milieubescherming binnen de werkingssfeer van ander bestaand Unierecht. Wanneer de doelstellingen van artikel 16, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG effectief door de bestaande instrumenten verwezenlijkt kunnen worden, dient in plaats van de vaststelling van nieuwe maatregelen prioriteit te worden gegeven aan de toepassing en herziening van die bestaande instrumenten. Het opnemen van een stof in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG doet geen afbreuk aan de toepassing van Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (7).

(11)

Met het oog op een betere coördinatie tussen Richtlijn 2000/60/EG, Verordening (EG) nr. 1907/2006 van het Europees Parlement en de Raad van 18 december 2006 inzake de registratie en beoordeling van en de autorisatie en beperkingen ten aanzien van chemische stoffen (REACH), tot oprichting van een Europees Agentschap voor chemische stoffen (8), en relevante sectorale wetgeving, moet worden gezocht naar mogelijke synergieën met het oog op het identificeren van mogelijke gebieden waar via de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG verzamelde gegevens gebruikt kunnen worden ter ondersteuning van REACH en andere relevante stoffenbeoordelingsprocedures en, andersom, gebieden waar ten behoeve van stoffenbeoordelingen in het kader van REACH en relevante sectorale wetgeving gegenereerde gegevens kunnen worden gebruikt ter ondersteuning van de uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG, waaronder de prioritering van stoffen overeenkomstig artikel 16, lid 2, van die richtlijn.

(12)

De geleidelijke vermindering van verontreiniging door prioritaire stoffen en het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen, als voorgeschreven bij Richtlijn 2000/60/EG, kan vaak het meest kostenefficiënt worden gerealiseerd door stoffenspecifieke Uniemaatregelen aan de bron, bijvoorbeeld overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 1907/2006, (EG) nr. 1107/2009, (EU) nr. 528/2012 (9) of Richtlijnen 2001/82/EG (10), 2001/83/EG (11) of 2010/75/EU (12). De samenhang tussen die rechtshandelingen, Richtlijn 2000/60/EG en andere wetgeving ter zake dient derhalve te worden versterkt om ervoor te zorgen dat mechanismen voor aanpak van verontreiniging aan de bron correct worden toegepast. Indien de periodieke evaluatie van bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG en de beschikbare monitoringgegevens aantonen dat de maatregelen op het niveau van de Unie of de lidstaat onvoldoende zijn om voor bepaalde prioritaire stoffen de MKN te bereiken of voor bepaalde prioritaire gevaarlijke stoffen de doelstelling om lozingen, emissies en verliezen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, dienen op het niveau van de Unie of de lidstaat passende maatregelen te worden genomen om de doelstellingen van Richtlijn 2000/60/EG te bereiken, met inachtneming van de risico-evaluaties en de sociaaleconomische en kosten-batenanalysen die in het kader van de toepasselijke wetgeving zijn gemaakt, en eveneens met de beschikbaarheid van alternatieven.

(13)

Sinds voor de 33 prioritaire stoffen van bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG, de MKN zijn afgeleid, zijn er in het kader van Verordening (EEG) nr. 793/93 van de Raad van 23 maart 1993 inzake de beoordeling en de beperking van de risico’s van bestaande stoffen (13), later vervangen door Verordening (EG) nr. 1907/2006, een aantal risicobeoordelingen afgerond. Om een toereikend beschermingsniveau te bieden en de MKN aan te passen aan de meest recente wetenschappelijke en technische kennis over risico’s voor of via het aquatische milieu, moeten de MKN voor bepaalde bestaande stoffen worden herzien.

(14)

Er zijn aanvullende stoffen geïdentificeerd die een significant risico voor of via het aquatische milieu betekenen op Unieniveau, waarvoor de prioriteit bepaald is volgens de aanpak beschreven in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG, en die toegevoegd moeten worden aan de lijst met prioritaire stoffen. Bij het afleiden van de MKN voor die stoffen is de meest recente wetenschappelijke en technische informatie in aanmerking genomen.

(15)

De verontreiniging van water en bodem met farmaceutische residuen is een groeiend milieuprobleem. Bij het beoordelen en het beheersen van het risico van geneesmiddelen voor of via het aquatische milieu, dient voldoende rekening te worden gehouden met de milieudoelstellingen van de Unie. Om aan die bezorgdheid tegemoet te komen, dient de Commissie de risico’s van de milieu-effecten van geneesmiddelen te bestuderen teneinde een analyse te verstrekken over de relevantie en de doeltreffendheid van het bestaande wettelijk kader ter bescherming van het aquatische milieu en, via het aquatische milieu, de menselijke gezondheid.

(16)

Er bestaat gewoonlijk meer onzekerheid bij het afleiden van MKN voor prioritaire gevaarlijke stoffen dan bij het vaststellen van MKN voor prioritaire stoffen, maar zulke MKN vormen nog steeds een ijkpunt om te beoordelen of de doelstelling van een goede chemische toestand van het oppervlaktewater is verwezenlijkt, zoals bepaald in artikel 2, punt 24, en in de punten ii) en iii), van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2000/60/EG. Om een toereikend beschermingsniveau voor het milieu en de menselijke gezondheid te garanderen, dient tevens het stopzetten of geleidelijk beëindigen van lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen, ook te worden beoogd, in overeenstemming met artikel 4, lid 1, onder a), iv), van Richtlijn 2000/60/EG.

(17)

De wetenschappelijke kennis over de routes en de gevolgen van verontreinigende stoffen in water is de afgelopen jaren sterk geëvolueerd. Thans weet men beter in welke compartimenten van het aquatische milieu (water, sediment of biota, hierna „matrix” genoemd) een stof waarschijnlijk kan worden teruggevonden en waar het dus het meest waarschijnlijk is dat de concentratie van een dergelijke stof gemeten kan worden. Sommige zeer hydrofobe stoffen accumuleren in biota en zijn nauwelijks op te sporen in water, zelfs niet met behulp van de meest geavanceerde analysetechnieken. Voor dergelijke stoffen dienen derhalve MKN voor biota te worden vastgesteld. Om voordeel te halen uit hun monitoringstrategie en om die strategie aan te passen aan de plaatselijke omstandigheden, moeten lidstaten echter de flexibiliteit krijgen om een MKN toe te passen voor een alternatieve matrix, of, voor zover relevant, een alternatief biotataxon zoals subphylum Crustacea, paraphylum „vissen”, de klassen Cephalopoda of Bivalvia (mosselen en kokkels), op voorwaarde dat het beschermingsniveau dat wordt geboden door de MKN en het monitoringsysteem dat door de lidstaten wordt toegepast, even hoog is als het beschermingsniveau dat geboden wordt door de MKN en de matrix die in deze richtlijn zijn vastgesteld.

(18)

Nieuwe monitoringmethoden, zoals passieve monstername („passive sampling”) en andere instrumenten, zijn veelbelovend voor de toekomst, en aan hun ontwikkeling zou derhalve moeten worden gewerkt.

(19)

In Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (14), worden minimum prestatiekenmerken vastgelegd voor de analysemethoden die gebruikt worden voor de monitoring van de watertoestand. Die kenmerken zorgen voor zinvolle en relevante monitoringinformatie, aangezien op grond hiervan analysemethoden gebruikt moeten worden die gevoelig genoeg zijn om ervoor te zorgen dat elke overschrijding van een MKN op betrouwbare wijze kan worden opgespoord en gemeten. De lidstaten moeten de mogelijkheid krijgen andere monitoringmatrices of biotataxon dan die welke zijn vastgelegd in deze richtlijn, enkel mits de analysemethode die wordt gebruikt, voldoet aan de minimumprestatiekenmerken die zijn vastgesteld in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG voor de relevante MKN en matrix of biotataxon, of minstens even goed functioneert als de methode die beschikbaar is voor de MKN- en matrix of biotataxon die zijn vastgelegd in deze richtlijn.

(20)

De implementatie van deze richtlijn gaat gepaard met uitdagingen zoals de verscheidenheid aan de mogelijke oplossingen voor wetenschappelijke, technische en praktische vraagstukken, de onvolledige ontwikkeling van monitoringmethoden en de beperkte menselijke en financiële middelen. Om enkele van die uitdagingen te helpen aanpakken, moet de ontwikkeling van monitoringstrategieën en analysemethoden worden ondersteund door het technische werk van deskundigengroepen in het kader van de gemeenschappelijke uitvoeringsstrategie voor Richtlijn 2000/60/EG.

(21)

Persistente, bioaccumulerende en toxische stoffen (PBT’s) en andere stoffen die zich gedragen als PBT’s kunnen nog tientallen jaren terug te vinden zijn in het aquatische milieu in concentraties die een significant risico vormen, zelfs als er reeds uitvoerige maatregelen zijn getroffen om de emissies van dergelijke stoffen te beperken of te beëindigen. Sommige stoffen kunnen zich ook over grote afstanden verplaatsen en zijn nagenoeg alomtegenwoordig in het milieu. Verscheidene van die stoffen behoren tot de bestaande en nieuw geselecteerde prioritaire gevaarlijke stoffen. Voor sommige van die stoffen is er bewijs dat zij overal in het aquatische milieu op Unieniveau langdurig voorkomen, en daarom moet aan deze specifieke stoffen, bijzondere aandacht worden besteed met het oog op de gevolgen die zij hebben voor de presentatie van de chemische toestand conform Richtlijn 2000/60/EG en met het oog op de monitoringvereisten.

(22)

Voor de presentatie van de chemische toestand overeenkomstig punt 1.4.3 van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om de gevolgen op de chemische toestand van stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s weer te geven, zodat verbeteringen van de waterkwaliteit ten aanzien van andere stoffen niet onopgemerkt blijven. In aanvulling op de verplichte kaart die betrekking heeft op alle stoffen, kunnen ook kaarten worden verstrekt die betrekking hebben op stoffen die zich als alomtegenwoordige PBT’s gedragen en, die afzonderlijk betrekking hebben op de overige stoffen.

(23)

De monitoring dient te worden aangepast aan de ruimte- en tijdschaal van de verwachte variatie in de concentraties. Gezien de wijde verspreiding en lange hersteltijd die we mogen verwachten van stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s, moeten de lidstaten de mogelijkheid krijgen om het aantal meetlocaties en/of de meetfrequentie voor die stoffen te beperken tot het laagste niveau waarmee nog een betrouwbare trendanalyse voor de lange termijn mogelijk is, mits voor de monitoring een statistisch robuust referentiekader voorhanden is.

(24)

De bijzondere aandacht voor stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s ontslaat de Unie of de lidstaten niet van de verplichting om maatregelen te treffen ter aanvulling van de reeds getroffen maatregelen, met inbegrip van de op internationaal niveau getroffen maatregelen, om lozingen, emissies en verliezen van die stoffen te beperken of te beëindigen teneinde zo de doelstellingen van artikel 4, lid 1, onder a), van Richtlijn 2000/60/EG te verwezenlijken.

(25)

Ingevolge artikel 10, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG moeten er ingeval op grond van een kwaliteitsdoelstelling of kwaliteitsnorm, vastgesteld overeenkomstig die Richtlijn, de in bijlage IX bij Richtlijn 2000/60/EG genoemde richtlijnen of overeenkomstig andere Uniewetgeving strengere voorwaarden vereist zijn dan die welke zouden voortvloeien uit de toepassing van artikel 10, lid 2, van die richtlijn, dienovereenkomstig strengere emissiebeheersingsmaatregelen worden vastgesteld. Een soortgelijke bepaling is ook opgenomen in artikel 18 van Richtlijn 2010/75/EU. Uit deze artikelen vloeit voort dat de emissiebeheersingsmaatregelen die zijn vastgesteld bij de in artikel 10, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG opgesomde wetgeving, de minimaal toegepaste beheersingsmaatregelen dienen te zijn. Indien die beheersingsmaatregelen niet kunnen garanderen dat aan een MKN is voldaan, bijvoorbeeld in het geval van een stof die zich als een alomtegenwoordige PBT gedraagt, maar ook strengere voorwaarden, zelfs in combinatie met strengere voorwaarden voor andere lozingen, emissies en verliezen die het waterlichaam aantasten, die garantie evenmin bieden, dan mogen die strengere voorwaarden niet worden beschouwd als voorwaarden die vereist zijn om aan die MKN te voldoen.

(26)

Om de risicobeoordelingen ter ondersteuning van de selectie van nieuwe prioritaire stoffen uit te voeren, zijn naast milieutoxicologische en toxicologische gegevens ook hoogwaardige monitoringgegevens nodig. De monitoringgegevens die in de lidstaten worden vergaard, zijn de afgelopen jaren aanzienlijk verbeterd, maar volstaan niet altijd op het vlak van kwaliteit en Uniewijde dekking. De monitoringgegevens schieten in het bijzonder tekort voor veel opkomende verontreinigende stoffen, die kunnen worden omschreven als verontreinigende stoffen die momenteel nog niet zijn opgenomen in de routinemonitoringprogramma’s op Unieniveau, maar die wel een significant risico kunnen inhouden waarvoor regulering vereist is, naar gelang van hun mogelijke ecotoxicologische en toxicologische gevolgen, en van hun concentraties in het (aquatische) milieu.

(27)

Er is een nieuw mechanisme nodig dat de Commissie gerichte hoogwaardige monitoringgegevens verschaft over de concentratie van stoffen in het aquatische milieu en waarbij de nadruk wordt gelegd op opkomende verontreinigende stoffen en stoffen waarvoor de kwaliteit van de beschikbare monitoringgegevens niet volstaat om een risicobeoordeling op te stellen. Het nieuwe mechanisme moet het eenvoudiger maken om informatie te verzamelen in de verschillende stroomgebieden in de Unie, en moet monitoringgegevens van programma’s krachtens artikelen 5 en 8 van Richtlijn 2000/60/EG en van andere betrouwbare bronnen aanvullen. Om de kosten voor monitoring op een redelijk niveau te houden, dient het mechanisme te zijn toegespitst op een beperkt aantal stoffen, die op een tijdelijke aandachtstoffenlijst worden geplaatst, en op een beperkt aantal monitoringlocaties, maar het mechanisme moet echter wel representatieve gegevens opleveren die geschikt zijn voor het prioriteitsbepalingsproces van de Unie. De lijst dient dynamisch te zijn en de geldigheidsduur ervan dient te worden beperkt, opdat nieuwe informatie over mogelijke risico’s van opkomende verontreinigende stoffen in aanmerking zou kunnen worden genomen en vermeden wordt dat stoffen langer dan nodig worden gemonitord.

(28)

Om de verslagleggingsverplichtingen voor de lidstaten te vereenvoudigen en te stroomlijnen en om de samenhang met andere aan het waterbeheer gerelateerde aspecten te versterken, moeten de kennisgevingsvereisten van artikel 3 van Richtlijn 2008/105/EG worden samengevoegd met de algemene rapporteringsverplichtingen van artikel 15 van Richtlijn 2000/60/EG.

(29)

Wat betreft de presentatie van de chemische toestand overeenkomstig punt 1.4.3 van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG moeten de lidstaten voor de actualisering van de maatregelenprogramma’s en van de stroomgebiedbeheerplannen overeenkomstig artikel 11, lid 8, respectievelijk artikel 13, lid 17, van Richtlijn 2000/60/EG, de mogelijkheid krijgen om de effecten op de chemische toestand van nieuw geselecteerde prioritaire stoffen en van bestaande prioritaire stoffen met herziene MKN apart te presenteren, zodat de invoering van nieuwe voorschriften niet ten onrechte wordt geïnterpreteerd als een verslechtering van de chemische toestand van de oppervlaktewateren. Naast de verplichte kaart die betrekking heeft op alle stoffen, kunnen aanvullende kaarten worden verstrekt die betrekking hebben op nieuw geïdentificeerde stoffen en bestaande stoffen met herziene MKN, en, afzonderlijk betrekking hebben op de overige stoffen.

(30)

Het is van belang om het publiek tijdig informatie te verstrekken over de milieutoestand van de oppervlaktewateren van de Europese Unie en over de resultaten van de strategieën tegen chemische verontreiniging. Met het oog op een grotere toegankelijkheid en transparantie moet er in elke lidstaat een centraal portaal met informatie over de stroomgebiedbeheerplannen en de evaluaties en actualiseringen daarvan elektronisch toegankelijk zijn voor het publiek.

(31)

De Commissie heeft dit voorstel goedgekeurd en haar verslag aan het Europees Parlement en de Raad voorgelegd en heeft zo haar eerste herziening van de lijst van prioritaire stoffen, zoals vereist ingevolge artikel 8 van Richtlijn 2008/105/EG, voltooid. Daarbij zijn eveneens de stoffen opgesomd in bijlage III bij die richtlijn getoetst en is een aantal van die stoffen voor aanwijzing als een prioritaire stof geselecteerd. Er is momenteel onvoldoende bewijs voor het prioriteren van de overige stoffen opgesomd in bijlage III. Doordat de mogelijkheid bestaat dat nieuwe informatie over die stoffen beschikbaar wordt, kunnen dergelijke stoffen niet worden uitgesloten van een herziening in de toekomst, zoals het geval is voor de overige stoffen die beoordeeld zijn maar waaraan in deze herziening geen prioriteit is toegekend. Daarom is bijlage III bij Richtlijn 2008/105/EG achterhaald en dient zij geschrapt te worden. Artikel 8 van die richtlijn moet dienovereenkomstig worden aangepast, rekening houdend met de datum van de verslaglegging aan het Europees Parlement en aan de Raad.

(32)

Om tijdig in te spelen op de relevante technische en wetenschappelijke vooruitgang op het gebied waarop deze richtlijn betrekking heeft, moet aan de Commissie de bevoegdheid worden overgedragen om overeenkomstig artikel 290 VWEU handelingen vast te stellen ten aanzien van het bijwerken van de methoden voor de toepassing van MKN die in de richtlijn zijn vastgelegd. Het is van bijzonder belang dat de Commissie bij haar voorbereidende werkzaamheden tot passende raadpleging overgaat, onder meer op deskundigenniveau. De Commissie moet bij de voorbereiding en opstelling van de gedelegeerde handelingen ervoor zorgen dat de desbetreffende documenten tijdig, op gepaste wijze en gelijktijdig aan het Europees Parlement en aan de Raad worden toegezonden.

(33)

Teneinde de beschikbare informatie voor het selecteren van prioritaire stoffen in de toekomst te verbeteren, met name voor opkomende verontreinigende stoffen, moeten voor het opstellen en actualiseren van een aandachtstoffenlijst uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Voorts moeten, teneinde eenvormige voorwaarden te waarborgen voor de uitvoering van deze richtlijn en voor de formats voor het rapporteren van de monitoringsgegevens en -informatie aan de Commissie, uitvoeringsbevoegdheden aan de Commissie worden toegekend. Die bevoegdheden moeten worden uitgeoefend in overeenstemming met Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (15).

(34)

Overeenkomstig de gezamenlijke politieke verklaring van 28 september 2011 van de lidstaten en de Commissie over toelichtende stukken (16) hebben de lidstaten zich ertoe verbonden om in gerechtvaardigde gevallen de kennisgeving van hun omzettingsmaatregelen vergezeld te doen gaan van één of meer stukken waarin het verband tussen de onderdelen van een richtlijn en de overeenkomstige delen van de nationale omzettingsteksten wordt toegelicht. Met betrekking tot deze richtlijn acht de wetgever de toezending van dergelijke stukken gerechtvaardigd.

(35)

Aangezien de doelstelling van deze richtlijn, namelijk het verwezenlijken van een goede chemische toestand van het oppervlaktewater door middel van de vaststelling van MKN voor prioritaire stoffen en bepaalde andere verontreinigende stoffen, niet voldoende door de lidstaten kan worden verwezenlijkt en derhalve, omwille van de nood aan handhaving van hetzelfde beschermingsniveau voor oppervlaktewateren in de hele Unie, beter door de Unie kan worden verwezenlijkt, kan de Unie, overeenkomstig het in artikel 5 van het Verdrag betreffende de Europese Unie neergelegde subsidiariteitsbeginsel, maatregelen nemen. Overeenkomstig het in hetzelfde artikel 5 neergelegde evenredigheidsbeginsel gaat deze richtlijn niet verder dan nodig is voor de verwezenlijking van deze doelstelling.

(36)

De Richtlijnen 2000/60/EG en 2008/105/EG moeten daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd,

HEBBEN DE VOLGENDE RICHTLIJN VASTGESTELD:

Artikel 1

Richtlijn 2000/60/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 16, lid 4, wordt vervangen door:

„4.   De Commissie toetst de vastgestelde lijst van prioritaire stoffen uiterlijk vier jaar na de datum van inwerkingtreding van deze richtlijn en vervolgens ten minste om de zes jaar, en dient zo nodig voorstellen in.”.

2)

Bijlage X wordt vervangen door de tekst in bijlage I bij deze richtlijn.

Artikel 2

Richtlijn 2008/105/EG wordt als volgt gewijzigd:

1)

Artikel 2 wordt vervangen door:

„Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze richtlijn gelden de definities van artikel 2 van Richtlijn 2000/60/EG en van artikel 2 van Richtlijn 2009/90/EG van de Commissie van 31 juli 2009 tot vaststelling van technische specificaties voor de chemische analyse en monitoring van de watertoestand krachtens Richtlijn 2000/60/EG van het Europees Parlement en de Raad (17).

Voorts zijn de volgende definities van toepassing:

1.   „matrix”: een compartiment van het aquatische milieu, dat wil zeggen water, sediment of biota;

2.   „biotataxon”: een specifiek aquatisch taxon met een taxonomische rang van „subphylum”, „klasse” of daaraan gelijkwaardige rang.

2)

Artikel 3 wordt vervangen door:

„Artikel 3

Milieukwaliteitsnormen

1.   Onverminderd lid 1 bis, passen de lidstaten de MKN toe zoals vastgesteld in deel A van bijlage I op oppervlaktewaterlichamen en passen zij die MKN toe overeenkomstig de vereisten bepaald in deel B van bijlage I.

1 bis.   Onverminderd de verplichtingen die voortvloeien uit de op 13 januari 2009 van kracht zijnde versie van deze richtlijn en met name onverminderd het realiseren van een goede chemische toestand van het oppervlaktewater ten aanzien van de in die richtlijn vermelde MKN, implementeren de lidstaten de in deel A van bijlage I vermelde MKN met betrekking tot:

i)

de stoffen met nummer 2, 5, 15, 20, 22, 23, 28 in deel A van bijlage I, waarvoor met ingang van 22 december 2015 herziene MKN zijn vastgesteld, met de bedoeling tegen 22 december 2021 ten aanzien van deze stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken door middel van maatregelenprogramma’s die zijn opgenomen in de stroomgebiedbeheerplannen van 2015 die zijn vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG, en

ii)

de nieuw geselecteerde stoffen met nummer 34 tot en met 45 in deel A van bijlage I, met ingang van 22 december 2018 met de bedoeling tegen 22 december 2027 ten aanzien van die stoffen een goede chemische toestand van het oppervlaktewater te bereiken en te voorkomen dat de chemische toestand van de oppervlaktewaterlichamen ten aanzien van die stoffen verslechtert. Daartoe stellen de lidstaten tegen 22 december 2018 een aanvullend monitoringprogramma en een voorlopig maatregelenprogramma voor die stoffen vast en leggen zij die voor aan de Commissie. Tegen 22 december 2021 wordt een definitief maatregelenprogramma overeenkomstig artikel 11 van Richtlijn 2000/60/EG vastgesteld en wordt dat programma zo spoedig mogelijk na die datum en uiterlijk op 22 december 2024 uitgevoerd en volledig operationeel gemaakt.

Artikel 4, leden 4 tot en met 9, van Richtlijn 2000/60/EG zijn mutatis mutandis van toepassing op de stoffen opgesomd in de punten i) en ii) van de eerste alinea.

2.   Voor de stoffen met nummer 5, 15, 16, 17, 21, 28, 34, 35, 37, 43 en 44 in deel A van bijlage I, passen de lidstaten de MKN voor biota zoals vastgesteld in deel A van bijlage I toe.

Voor de andere dan in de eerste alinea bepaalde stoffen passen de lidstaten de water-MKN zoals vastgesteld in deel A van bijlage I toe.

3.   De lidstaten kunnen ervoor kiezen om ten aanzien van een of meer categorieën oppervlaktewateren een MKN toe te passen voor een andere matrix dan die vermeld in lid 2, of wanneer relevant, voor een andere biotataxon dan die vermeld in deel A van bijlage I.

Lidstaten die gebruikmaken van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid, passen de relevante MKN toe die zijn vastgesteld in deel A van bijlage I, of stellen, indien voor de matrix of biotataxon geen MKN is opgenomen, zelf een MKN vast die minstens hetzelfde beschermingsniveau biedt als de MKN die in deel A van bijlage I is vastgesteld.

De lidstaten kunnen alleen van de in de eerste alinea bedoelde mogelijkheid gebruikmaken indien de voor de gekozen matrix of biotataxon toegepaste analysemethode voldoet aan de in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG vastgestelde minimale prestatiekenmerken. Wanneer voor geen enkele matrix aan deze kenmerken wordt voldaan, zorgen de lidstaten ervoor dat de monitoring wordt uitgevoerd met behulp van de beste beschikbare technieken die geen buitensporige kosten met zich brengen en dat de analysemethode minstens even goed presteert als die welke beschikbaar is voor de in lid 2 van dit artikel vermelde matrix voor de desbetreffende stof.

3 bis.   Indien er een potentieel risico voor of via het aquatische milieu door acute blootstelling is vastgesteld op basis van gemeten of geraamde concentraties of emissies en indien een MKN voor biota of sediment wordt gebruikt, zorgen de lidstaten er voor dat de monitoring van het oppervlaktewater ook wordt uitgevoerd en passen zij de MAC-MKN zoals vastgesteld in deel A van bijlage I bij de onderhavige richtlijn toe, voor zover zulke MKN zijn vastgesteld.

3 ter.   Indien ingevolge artikel 5 van Richtlijn 2009/90/EG de berekende gemiddelde waarde van een meetresultaat, uitgevoerd met behulp van de best beschikbare techniek die geen buitensporige kosten met zich meebrengt, aangemerkt wordt als „lager dan de bepalingsgrens”, en de „bepalingsgrens” van die techniek de MKN overschrijdt, wordt het resultaat voor de stof die wordt gemeten, niet in aanmerking genomen bij de beoordeling van de algemene chemische toestand van dat waterlichaam.

4.   Voor stoffen waarvoor een MKN voor sediment en/of biota wordt toegepast, monitoren de lidstaten de stof gedurende ten minste één keer per jaar in de betrokken matrix, tenzij de technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.

5.   De lidstaten nemen de volgende informatie in de overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen op:

a)

een tabel waarin de bepalingsgrenzen van de toegepaste analysemethode worden weergegeven en informatie over de prestaties van die methoden ten aanzien van de in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG vastgestelde minimale prestatiekenmerken;

b)

voor de stoffen waarvoor de mogelijkheid in lid 3 van dit artikel is gebruikt:

i)

de redenen en de basis voor het gebruik van die mogelijkheid;

ii)

waar relevant, de vastgestelde alternatieve MKN, het bewijs dat die MKN een even hoog beschermingsniveau bieden als de MKN in deel A van bijlage I, met inbegrip van de gegevens en de methode waarmee de MKN zijn afgeleid en de categorieën van oppervlaktewateren waarvoor die MKN zouden gelden;

iii)

ter vergelijking met onder a) van dit lid bedoelde informatie, de bepalingsgrenzen van de analysemethoden voor de in deel A van bijlage I bij deze richtlijn vastgestelde matrices, met inbegrip van informatie over de prestaties van die methoden ten aanzien van de in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG vastgelegde minimale prestatiekenmerken;

c)

de rechtvaardiging voor de in overeenstemming met lid 4 toegepaste meetfrequentie, indien de monitoringsintervallen meer dan een jaar bedragen.

5 bis.   De lidstaten nemen de nodige maatregelen om te verzekeren dat de overeenkomstig artikel 13, lid 7, van Richtlijn 2000/60/EG bijgestelde stroomgebiedbeheerplannen met de resultaten en het effect van de genomen maatregelen ter voorkoming van chemische verontreiniging van oppervlaktewater en het tussentijdse verslag over de vorderingen bij de uitvoering van het geplande maatregelenprogramma overeenkomstig artikel 15, lid 3, van Richtlijn 2000/60/EG, beschikbaar worden gesteld via een centraal portaal dat elektronisch toegankelijk is voor het publiek overeenkomstig artikel 7, lid 1, van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad van 28 januari 2003 inzake de toegang van het publiek tot milieu-informatie (18).

6.   De lidstaten treffen regelingen voor de analyse van langetermijntendensen met betrekking tot de concentraties van de in deel A van bijlage I vermelde prioritaire stoffen die de neiging hebben te accumuleren in sediment en/of biota, en schenken daarbij bijzondere aandacht aan de stoffen met nummer 2, 5, 6, 7, 12, 15, 16, 17, 18, 20, 21, 26, 28, 30, 34, 35, 36, 37, 43 en 44 die zijn opgesomd in deel A van bijlage I, op basis van de monitoring van de oppervlaktewatertoestand, uitgevoerd overeenkomstig artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG. De lidstaten nemen, met inachtneming van artikel 4 van Richtlijn 2000/60/EG, maatregelen die erop gericht zijn dat dergelijke concentraties niet significant toenemen in sediment en/of relevante biota.

De lidstaten stellen de meetfrequentie in sediment en/of biota zodanig vast dat zij voldoende gegevens voor een betrouwbare analyse van langetermijntendensen oplevert. Als richtsnoer geldt dat de monitoring elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.

7.   De Commissie onderzoekt de vooruitgang van techniek en wetenschap, met inbegrip van de uitkomst van de in artikel 16, lid 2, onder a) en b), van Richtlijn 2000/60/EG bedoelde risicobeoordelingen en de informatie uit de registratie van stoffen die overeenkomstig artikel 119 van Verordening (EG) nr. 1907/2006 openbaar wordt gemaakt, en dient zo nodig voorstellen in voor de herziening van de in de deel A van bijlage I bij deze richtlijn vastgestelde MKN, overeenkomstig de procedure van artikel 294 VWEU en in overeenstemming met het tijdsschema van artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG.

8.   De Commissie is bevoegd overeenkomstig artikel 10 gedelegeerde handelingen vast te stellen om indien nodig punt 3 van deel B van bijlage I bij deze richtlijn aan te passen aan wetenschappelijke of technische ontwikkelingen.

8 bis.   Om de implementatie van dit artikel te vergemakkelijken, worden, als onderdeel van de bestaande uitvoering van Richtlijn 2000/60/EG, voor zover mogelijk uiterlijk op 22 december 2014 technische richtsnoeren ontwikkeld met betrekking tot monitoringstrategieën en analysemethoden voor stoffen, waaronder monsterneming en monitoring in biota.

In het bijzonder moeten de richtsnoeren betrekking hebben op:

a)

de monitoring van stoffen in biota overeenkomstig de leden 2 en 3 van dit artikel;

b)

voor nieuw geselecteerde stoffen (nummers 34 tot en met 45 in deel A van bijlage I) en stoffen waarvoor strengere MKN worden vastgesteld (nummers 2, 5, 15, 20, 22, 23 en 28 in deel A van bijlage I): analytische methoden die voldoen aan de minimumprestatiekenmerken in artikel 4 van Richtlijn 2009/90/EG.

8 ter.   Voor stoffen waarvoor uiterlijk op 22 december 2014 geen technische richtsnoeren zijn vastgesteld, worden de in lid 1 bis, onder i), genoemde termijn van 22 december 2015, verlengd tot 22 december 2018 en de in dat punt i) genoemde termijn van 22 december 2021, verlengd tot 22 december 2027.

3)

Artikel 4, lid 4, en artikel 5, lid 6, worden geschrapt.

4)

Het volgende artikel wordt ingevoegd:

„Artikel 7 bis

Coördinatie

1.   Voor prioritaire stoffen die binnen het toepassingsgebied van de Verordeningen (EG) nr. 1907/2006, (EG) nr. 1107/2009 (19), (EU) nr. 528/2012 (20) of Richtlijn 2010/75/EU (21) vallen, beoordeelt de Commissie, als onderdeel van de periodieke herziening van bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG ingevolge artikel 16, lid 4, van die richtlijn, of de bestaande maatregelen op het niveau van de Unie en de lidstaten toereikend zijn ter verwezenlijking van de MKN voor de prioritaire stoffen en de doelstelling om lozingen, emissies en verliezen van prioritaire gevaarlijke stoffen stop te zetten of geleidelijk te beëindigen, in overeenstemming met artikel 4, lid 1, onder a), en artikel 16, lid 6, van Richtlijn 2000/60/EG.

2.   De Commissie brengt aan het Europees Parlement en de Raad overeenkomstig de in artikel 16, lid 4, van Richtlijn 2000/60/EG vastgestelde termijnen verslag uit over het resultaat van de in lid 1 van dit artikel bedoelde beoordeling en doet haar verslag vergezeld gaan van passende voorstellen, met inbegrip van beheersingsmaatregelen.

3.   Indien de resultaten van het verslag uitwijzen dat bijkomende maatregelen op het niveau van de Unie of de lidstaten nodig kunnen zijn om naleving van Richtlijn 2000/60/EG te vergemakkelijken ten aanzien van een specifieke stof die ingevolge Verordening (EG) nr. 1107/2009 of (EU) nr. 528/2012 is goedgekeurd, passen de lidstaten of de Commissie de artikelen 21 of 44 van Verordening (EG) nr. 1107/2009, respectievelijk de artikelen 15 of 48 van Verordening (EU) nr. 528/2012, waar nodig, toe ten aanzien van die stof of producten die die stof bevatten.

Voor stoffen die binnen het toepassingsgebied van Verordening (EG) nr. 1907/2006 vallen, leidt de Commissie indien passend de in de artikelen 59, 61 of 69 van die verordening bedoelde procedure in.

Bij het toepassen van de bepalingen van de verordeningen bedoeld in de eerste en tweede alinea, houden de lidstaten en de Commissie rekening met de op grond van die verordeningen vereiste risico-evaluaties en sociaaleconomische analysen of kosten/batenanalysen, inclusief met betrekking tot de beschikbaarheid van alternatieven.

5)

De artikelen 8 en 9 worden vervangen door:

„Artikel 8

Herziening van bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG

De Commissie brengt verslag uit aan het Europees Parlement en de Raad over het resultaat van de periodieke herziening van bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG overeenkomstig artikel 16, lid 4, van die richtlijn. Zij doet dit verslag, waar passend, vergezeld gaan van wetgevingsvoorstellen tot wijziging van bijlage X, waaronder, in het bijzonder, voorstellen voor het identificeren van nieuwe prioritaire stoffen of prioritaire gevaarlijke stoffen, of voor het identificeren van bepaalde prioritaire stoffen als prioritaire gevaarlijke stoffen en, voor de vaststelling van overeenkomstige MKN voor oppervlaktewateren, sediment of biota, naargelang het geval.

Artikel 8 bis

Specifieke bepalingen voor bepaalde stoffen

1.   De lidstaten kunnen in de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2000/60/EG opgestelde stroomgebiedbeheerplannen aanvullende kaarten opnemen waarin de informatie over de chemische toestand van een of meer van de volgende stoffen afzonderlijk van informatie voor de overige in deel A van bijlage I bij deze richtlijn vermelde stoffen wordt weergegeven, onverminderd de voorschriften van punt 1.4.3 van bijlage V van die richtlijn betreffende de weergave van de algemene chemische toestand en de doelstellingen en verplichtingen vastgelegd in artikel 4, lid 1, onder a), artikel 11, lid 3, onder k), en artikel 16, lid 6, van die richtlijn:

a)

de stoffen met nummer 5, 21, 28, 30, 35, 37, 43 en 44 (stoffen die zich gedragen als alomtegenwoordige PBT’s),

b)

de stoffen met de nummers 34 tot en met 45 (nieuw geselecteerde stoffen),

c)

de stoffen met de nummers 2, 5, 15, 20, 22, 23 en 28 (stoffen waarvoor herziene, strengere MKN zijn vastgesteld).

De lidstaten kunnen in de stroomgebiedbeheerplannen ook de grootte van een afwijking van de MKN-waarde voor de in de eerste alinea, onder a), b en c), bedoelde stoffen weergeven. De lidstaten die dergelijke bijkomende kaarten verstrekken, streven ernaar dat zij op het niveau van het stroomgebied en op Unieniveau onderling vergelijkbaar zijn.

2.   De lidstaten kunnen de stoffen met de nummers 5, 21, 28, 30, 35, 37, 43 en 44 in deel A van bijlage I minder intensief monitoren dan vereist voor prioritaire stoffen krachtens artikel 3, lid 4, van deze richtlijn en bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG, op voorwaarde dat de monitoring representatief is en reeds een statistisch robuust referentiekader beschikbaar is met betrekking tot de aanwezigheid van die stoffen in het aquatische milieu. Als richtsnoer geldt dat de monitoring overeenkomstig de tweede alinea van artikel 3, lid 6, van deze richtlijn, elke drie jaar wordt uitgevoerd, tenzij technische kennis en het oordeel van deskundigen een ander interval rechtvaardigen.

Artikel 8 ter

Aandachtstoffenlijst

1.   De Commissie stelt een aandachtstoffenlijst op van stoffen waarvoor in de gehele Unie monitoringgegevens moeten worden vergaard om toekomstige prioriteitsbepalingen in overeenstemming met artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG te ondersteunen, teneinde onder meer gegevens van analysen en beoordelingen op grond van artikel 5 en van monitoringprogramma’s op grond van artikel 8 van die richtlijn aan te vullen.

De eerste aandachtstoffenlijst bevat maximaal 10 stoffen of groepen van stoffen en vermeldt voor elke stof de monitoringmatrices en de mogelijke analysemethode die geen buitensporige kosten met zich meebrengt. Behoudens de beschikbaarheid van analysemethoden die geen buitensporige kosten met zich brengen, kan de Commissie bij iedere actualisering van de aandachtsstoffenlijst overeenkomstig lid 2 van dit artikel ten hoogste één stof of groep van stoffen toevoegen aan de lijst, en dit tot maximaal 14 stoffen. De in de aandachtstoffenlijst op te nemen stoffen worden geselecteerd uit de stoffen waarvoor de beschikbare informatie erop wijst dat zij op het niveau van de Unie een significant risico voor of via het aquatische milieu kunnen betekenen en waarvoor de monitoringgegevens onvoldoende zijn.

Diclofenac (CAS 15307-79-6), 17-beta-estradiol (E2) (CAS 50-28-2) en 17-alpha-ethinylestradiol (EE2) (CAS 57-63-6) worden op de eerste aandachtstoffenlijst opgenomen met het oog op het verzamelen van monitoringgegevens om de bepaling van passende maatregelen om het risico van die stoffen tegen te gaan, mogelijk te maken.

Bij het selecteren van de stoffen voor de aandachtstoffenlijst houdt de Commissie rekening met alle beschikbare informatie, waaronder:

a)

de resultaten van de meest recente toetsing van bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG overeenkomstig artikel 16, lid 4, van die richtlijn,

b)

onderzoeksprojecten,

c)

aanbevelingen van betrokkenen als bedoeld in artikel 16, lid 5, van Richtlijn 2000/60/EG,

d)

het bepalen van de kenmerken door de lidstaten van stroomgebiedsdistricten en de resultaten van de monitoringprogramma’s op grond van artikel 5 respectievelijk artikel 8 van Richtlijn 2000/60/EG,

e)

productievolumen, gebruikspatronen, intrinsieke eigenschappen (waaronder, in voorkomend geval, de deeltjesgrootte), concentraties in het milieu en gevolgen, met inbegrip van informatie verzameld overeenkomstig de Richtlijnen 98/8/EG, 2001/82/EG (22) en 2001/83/EG (23), en overeenkomstig de Verordeningen (EG) nr. 1907/2006 en (EG) nr. 1107/2009.

2.   De Commissie stelt tegen 14 september 2014 een eerste aandachtstoffenlijst op zoals bedoeld in lid 1 en actualiseert die vervolgens om de 24 maanden. Bij het actualiseren van die aandachtstoffenlijst verwijdert de Commissie elke stof waarvoor een risicobeoordeling als bedoeld in artikel 16, lid 2, van Richtlijn 2000/60/EG kan worden uitgevoerd zonder aanvullende monitoringgegevens. De periode van continue monitoring van een in de aandachtstoffenlijst opgenomen stof, duurt niet langer dan vier jaar.

3.   De lidstaten monitoren elke stof op de aandachtstoffenlijst op geselecteerde representatieve meetstations gedurende ten minste twaalf maanden. Voor de eerste aandachtstoffenlijst begint de monitoringperiode uiterlijk op 14 september 2015 of binnen zes maanden na de opstelling van de aandachtstoffenlijst, indien dat later is. Voor iedere stof die in latere lijsten wordt opgenomen, beginnen de lidstaten met de monitoring binnen zes maanden na de opneming daarvan op de lijst.

Elke lidstaat selecteert ten minste één meetstation, plus één station indien hij meer dan een miljoen inwoners heeft, plus het aantal stations dat gelijk is aan zijn geografische oppervlakte in km2 gedeeld door 60 000 (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal), plus het aantal stations dat gelijk is aan zijn bevolking gedeeld door vijf miljoen (afgerond op het dichtstbijzijnde gehele getal).

Bij het selecteren van representatieve meetstations en het vastleggen van de meetfrequentie en -tijdstippen voor elke stof houden de lidstaten rekening met de gebruikspatronen en het mogelijke voorkomen van de stof. De meetfrequentie mag niet lager liggen dan eenmaal per jaar.

Indien een lidstaat voor een specifieke stof voldoende, vergelijkbare, representatieve en recente uit bestaande monitoringprogramma’s of -studies verkregen monitoringgegevens verstrekt, kan hij besluiten voor die stof geen aanvullende monitoring in het kader van het aandachtstoffenlijstmechanisme uit te voeren, mits ook die stof werd gemonitord volgens een methode die voldoet aan de vereisten van de technische richtsnoeren die door de Commissie overeenkomstig artikel 8 ter, lid 5, zijn ontwikkeld.

4.   De lidstaten melden de resultaten van de eerste overeenkomstig lid 4 uitgevoerde monitoring aan de Commissie. Voor de eerste aandachtstoffenlijst worden de resultaten van de monitoring gemeld binnen 15 maanden na 14 september 2015 of binnen 21 maanden na de opstelling van de aandachtstoffenlijst, indien dat later is, en daarna om de twaalf maanden zolang de stof op de lijst wordt gehouden. Voor elke stof die is opgenomen in de latere lijsten brengen de lidstaten binnen 21 maanden nadat de stof is opgenomen op de aandachtstoffenlijst en elke daaropvolgende twaalf maanden zolang de stof op de lijst wordt gehouden, verslag uit aan de Commissie over de resultaten van de monitoring. Het verslag bevat informatie over de representativiteit van het meetstation en de monitoringstrategie.

5.   De Commissie stelt uitvoeringshandelingen vast houdende de vaststelling en actualisering van de in de leden 1 en 2 bedoelde aandachtstoffenlijst. Zij kan technische formaten vaststellen voor het melden van de resultaten van de monitoring en gerelateerde informatie aan de Commissie. Die uitvoeringshandelingen worden volgens de in artikel 9, lid 2, bedoelde onderzoeksprocedure vastgesteld.

De Commissie ontwikkelt richtsnoeren, met inbegrip van technische specificaties, voor het vergemakkelijken van het monitoren van de stoffen op de aandachtstoffenlijst en wordt verzocht de coördinatie van deze monitoring te bevorderen.

Artikel 8 quater

Specifieke bepalingen voor farmaceutische stoffen

Ingevolge artikel 16, lid 9, van Richtlijn 2000/60/EG, en waar passend op basis van de resultaten van haar studie van 2013 over de risico’s van geneesmiddelen voor het milieu en van andere relevante studies en rapporten, ontwikkelt de Commissie indien mogelijk binnen twee jaar na 13 september 2013 een strategische aanpak voor waterverontreiniging door farmaceutische stoffen. Die strategische aanpak gaat zo nodig vergezeld van voorstellen op basis waarvan, voor zover noodzakelijk, tijdens de procedure voor het in de handel brengen van geneesmiddelen op meer doeltreffende wijze rekening kan worden gehouden met de milieugevolgen van geneesmiddelen. In het kader van die strategische aanpak doet de Commissie, indien passend, uiterlijk op 14 september 2017 een voorstel voor op het niveau van de Unie en/of de lidstaten, te nemen maatregelen met betrekking tot de mogelijke milieu-effecten van farmaceutische stoffen, in het bijzonder die bedoeld in artikel 8 ter, lid 1, met het doel de lozingen, emissies of verliezen van dergelijke stoffen in het aquatische milieu te verminderen, daarbij rekening houdend met de behoeften van de volksgezondheid en de kosteneffectiviteit van de voorgestelde maatregelen.

Artikel 9

Comitéprocedure

1.   De Commissie wordt bijgestaan door het comité dat is ingesteld op grond van artikel 21, lid 1, van Richtlijn 2000/60/EG. Dat comité is een comité in de zin van Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad van 16 februari 2011 tot vaststelling van de algemene voorschriften en beginselen die van toepassing zijn op de wijze waarop de lidstaten de uitoefening van de uitvoeringsbevoegdheden door de Commissie controleren (24).

2.   Wanneer naar dit lid wordt verwezen, is artikel 5 van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Indien door het comité geen advies wordt uitgebracht, neemt de Commissie de ontwerpuitvoeringshandeling niet aan en is artikel 5, lid 4, derde alinea, van Verordening (EU) nr. 182/2011 van toepassing.

Artikel 9 bis

Uitoefening van de delegatie

1.   De bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen wordt aan de Commissie toegekend onder de in dit artikel neergelegde voorwaarden.

2.   De in artikel 3, lid 8, bedoelde bevoegdheid om gedelegeerde handelingen vast te stellen, wordt aan de Commissie toegekend voor een termijn van zes jaar met ingang van 13 september 2013. De Commissie stelt uiterlijk negen maanden voor het einde van de termijn van zes jaar een verslag op over de bevoegdheidsdelegatie. De delegatie van bevoegdheid wordt stilzwijgend verlengd met termijnen van dezelfde duur, tenzij het Europees Parlement of de Raad zich uiterlijk drie maanden voor het einde van een termijn tegen deze verlenging verzet.

3.   Het Europees Parlement of de Raad kan de in artikel 3, lid 8, bedoelde delegatie van bevoegdheid te allen tijde intrekken. Het besluit tot intrekking beëindigt de delegatie van de in dat besluit genoemde bevoegdheid. Het wordt van kracht op de dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie of op een daarin genoemde latere datum. Het laat de geldigheid van de reeds van kracht zijnde gedelegeerde handelingen onverlet.

4.   Wanneer de Commissie een gedelegeerde handeling vaststelt, doet zij daarvan gelijktijdig kennisgeving aan het Europees Parlement en de Raad.

5.   Een volgens artikel 3, lid 8, vastgestelde gedelegeerde handeling treedt alleen in werking indien het Europees Parlement noch de Raad daartegen binnen een termijn van twee maanden na de kennisgeving van de handeling aan het Europees Parlement en de Raad bezwaar heeft gemaakt, of indien zowel het Europees Parlement als de Raad voor het verstrijken van de termijn van twee maanden de Commissie heeft medegedeeld daartegen geen bezwaar te zullen maken. Die termijn wordt op initiatief van het Europees Parlement of de Raad met twee maanden verlengd.

6)

Bijlage I wordt als volgt gewijzigd:

a)

Deel A wordt vervangen door de tekst vastgelegd in bijlage II bij deze richtlijn.

b)

De punten 2 en 3 van deel B worden vervangen door:

„2.

Kolommen 6 en 7 van de tabel: voor elk oppervlaktewaterlichaam wordt onder de toepassing van de MAC-MKN verstaan dat de gemeten concentratie op enig representatief meetpunt in het waterlichaam niet boven de norm ligt.

Overeenkomstig punt 1.3.4 van bijlage V bij Richtlijn 2000/60/EG kunnen de lidstaten evenwel statistische methoden invoeren, zoals een percentielberekening, zodat een aanvaardbaar niveau van betrouwbaarheid en nauwkeurigheid wordt gewaarborgd wanneer wordt bepaald of aan de MAC-MKN is voldaan. Wanneer de lidstaten dat doen, moeten die statistische methoden voldoen aan de nadere regels die overeenkomstig de in artikel 9, lid 2, van deze richtlijn bedoelde onderzoeksprocedure zijn vastgesteld.

3.

De in deze bijlage vastgestelde MKN voor water worden uitgedrukt als totale concentratie in het volledige watermonster.

Bij wijze van uitzondering op de eerste alinea, hebben de MKN voor water in het geval van cadmium, lood, kwik en nikkel (hierna „metalen” genoemd), betrekking op de opgeloste concentratie, d.w.z. de opgeloste fase van een watermonster die wordt verkregen door filtratie over een filter van 0,45 μm of een gelijkwaardige voorbehandeling, of, indien specifiek vermeld, op de biobeschikbare concentratie.

Wanneer de lidstaten de monitoringresultaten vergelijken met de relevante MKN, kunnen zij rekening houden met:

a)

natuurlijke achtergrondconcentraties voor metalen en hun verbindingen, wanneer deze in dergelijke concentraties voorkomen dat zij de naleving van de relevante MKN beletten;

b)

de hardheid, de pH, opgeloste organische koolstof of andere waterkwaliteitsparameters die de biobeschikbaarheid van metalen beïnvloeden, waarbij de biobeschikbare concentratie wordt bepaald met behulp van passende biobeschikbaarheidsmodellen.”.

7)

De bijlagen II en III worden geschrapt.

Artikel 3

1.   De lidstaten doen de nodige wettelijke en bestuursrechtelijke bepalingen in werking treden om uiterlijk op 14 september 2015 aan deze richtlijn te voldoen. Zij delen de Commissie de tekst van die bepalingen onverwijld mee.

Wanneer de lidstaten die bepalingen vaststellen, wordt in die bepalingen zelf of bij de officiële bekendmaking daarvan naar deze richtlijn verwezen. De vorm van de verwijzing wordt vastgesteld door de lidstaten.

2.   De lidstaten delen de Commissie de tekst van de belangrijkste bepalingen van intern recht mee die zij op het onder deze richtlijn vallende gebied vaststellen.

Artikel 4

Deze richtlijn treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Artikel 5

Deze richtlijn is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 12 augustus 2013.

Voor het Europees Parlement

De voorzitter

M. SCHULZ

Voor de Raad

De voorzitter

L. LINKEVIČIUS


(1)  PB C 229 van 31.7.2012, blz. 116.

(2)  PB C 17 van 19.1.2013, blz. 91.

(3)  Standpunt van het Europees Parlement van 2 juli 2013 (nog niet bekendgemaakt in het Publicatieblad) en besluit van de Raad van 22 juli 2013.

(4)  PB L 327 van 22.12.2000, blz. 1.

(5)  PB L 331 van 15.12.2001, blz. 1.

(6)  PB L 348 van 24.12.2008, blz. 84.

(7)  PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1.

(8)  PB L 396 van 30.12.2006, blz. 1.

(9)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(10)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(11)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(12)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).

(13)  PB L 84 van 5.4.1993, blz. 1.

(14)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36.

(15)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(16)  PB C 369 van 17.12.2011, blz. 14

(17)  PB L 201 van 1.8.2009, blz. 36.”.

(18)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.”.

(19)  Verordening (EG) nr. 1107/2009 van het Europees Parlement en de Raad van 21 oktober 2009 betreffende het op de markt brengen van gewasbeschermingsmiddelen (PB L 309 van 24.11.2009, blz. 1).

(20)  Verordening (EU) nr. 528/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 22 mei 2012 betreffende het op de markt aanbieden en het gebruik van biociden (PB L 167 van 27.6.2012, blz. 1).

(21)  Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17).”.

(22)  Richtlijn 2001/82/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor diergeneeskundig gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 1).

(23)  Richtlijn 2001/83/EG van het Europees Parlement en de Raad van 6 november 2001 tot vaststelling van een communautair wetboek betreffende geneesmiddelen voor menselijk gebruik (PB L 311 van 28.11.2001, blz. 67).

(24)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.”.


BIJLAGE I

„BIJLAGE X

LIJST VAN PRIORITAIRE STOFFEN OP HET GEBIED VAN HET WATERBELEID

Nummer

CAS-nummer (1)

EU-nummer (2)

Naam van de prioritaire stof (3)

Aangewezen als prioritaire gevaarlijke stof

(1)

15972-60-8

240-110-8

Alachloor

 

(2)

120-12-7

204-371-1

Antraceen

X

(3)

1912-24-9

217-617-8

Atrazine

 

(4)

71-43-2

200-753-7

Benzeen

 

(5)

niet van toepassing

niet van toepassing

Gebromeerde difenylethers

X (4)

(6)

7440-43-9

231-152-8

Cadmium en cadmiumverbindingen

X

(7)

85535-84-8

287-476-5

Chlooralkanen, C10-13

X

(8)

470-90-6

207-432-0

Chloorfenvinfos

 

(9)

2921-88-2

220-864-4

Chloorpyrifos (chloorpyrifosethyl)

 

(10)

107-06-2

203-458-1

1,2-dichloorethaan

 

(11)

75-09-2

200-838-9

Dichloormethaan

 

(12)

117-81-7

204-211-0

Di(2-ethylhexyl)ftalaat (DEHP)-

X

(13)

330-54-1

206-354-4

Diuron

 

(14)

115-29-7

204-079-4

Endosulfan

X

(15)

206-44-0

205-912-4

Fluoranteen

 

(16)

118-74-1

204-273-9

Hexachloorbenzeen

X

(17)

87-68-3

201-765-5

Hexachloorbutadieen

X

(18)

608-73-1

210-168-9

Hexachloorcyclohexaan

X

(19)

34123-59-6

251-835-4

Isoproturon

 

(20)

7439-92-1

231-100-4

Lood en loodverbindingen

 

(21)

7439-97-6

231-106-7

Kwik en kwikverbindingen

X

(22)

91-20-3

202-049-5

Naftaleen

 

(23)

7440-02-0

231-111-4

Nikkel en nikkelverbindingen

 

(24)

niet van toepassing

niet van toepassing

Nonylfenolen

X (5)

(25)

niet van toepassing

niet van toepassing

Octylfenolen (6)

 

(26)

608-93-5

210-172-0

Pentachloorbenzeen

X

(27)

87-86-5

201-778-6

Pentachloorfenol

 

(28)

niet van toepassing

niet van toepassing

Polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) (7)

X

(29)

122-34-9

204-535-2

Simazine

 

(30)

niet van toepassing

niet van toepassing

Tributyltinverbindingen

X (8)

(31)

12002-48-1

234-413-4

Trichloorbenzenen

 

(32)

67-66-3

200-663-8

Trichloormethaan (chloroform)

 

(33)

1582-09-8

216-428-8

Trifluraline

X

(34)

115-32-2

204-082-0

Dicofol

X

(35)

1763-23-1

217-179-8

Perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten (PFOS)

X

(36)

124495-18-7

niet van toepassing

Quinoxyfen

X

(37)

niet van toepassing

niet van toepassing

Dioxinen en dioxineachtige verbindingen

X (9)

(38)

74070-46-5

277-704-1

Aclonifen

 

(39)

42576-02-3

255-894-7

Bifenox

 

(40)

28159-98-0

248-872-3

Cybutryne

 

(41)

52315-07-8

257-842-9

Cypermethrin (10)

 

(42)

62-73-7

200-547-7

Dichloorvos

 

(43)

niet van toepassing

niet van toepassing

Hexabroomcyclododecaan (HBCDD)

X (11)

(44)

76-44-8/1024-57-3

200-962-3/213-831-0

Heptachloor en heptachloorepoxide

X

(45)

886-50-0

212-950-5

Terbutryn

 


(1)  

CAS: Chemical Abstract Services.

(2)  EU-nummer: Europese inventaris van bestaande chemische handelsstoffen (EINECS) of de Europese lijst van chemische stoffen waarvan kennisgeving is gedaan (ELINCS).

(3)  Wanneer groepen van stoffen zijn geselecteerd, worden, tenzij anders vermeld, typische voorbeelden daarvan gebruikt bij het bepalen van de milieukwaliteitsnormen.

(4)  Alleen tetra-, penta-, hexa- en heptabroomdifenylether (respectievelijk CAS-nummers 40088-47-9, 32534-81-9, 36483-60-0, 68928-80-3).

(5)  Nonylfenol (CAS 25154-52-3, EU 246-672-0) met inbegrip van isomeren 4-nonylfenol (CAS 104-40-5, EU 203-199-4) en 4-nonylfenol (vertakt) (CAS 84852-15-3, EU 284-325-5).

(6)  Octylfenol (CAS 1806-26-4, EU 217-302-5) met inbegrip van isomeer 4-(1,1’,3,3’-tetramethylbutyl)-fenol (CAS 140-66-9, EU 205-426-2).

(7)  Met inbegrip van benzo(a)pyreen (CAS 50-32-8, EU 200-028-5), benzo(b)fluoranteen (CAS 205-99-2, EU 205-911-9), benzo(g,h,i)peryleen (CAS 191-24-2, EU 205-883-8), benzo(k)fluoranteen (CAS 207-08-9, EU 205-916-6), indeno(1,2,3-cd)pyreen (CAS 193-39-5, EU 205-893-2) en met uitzondering van antraceen, fluoranteen en naftaleen, die afzonderlijk worden vermeld.

(8)  Met inbegrip van tributyltin-kation (CAS 36643-28-4).

(9)  Dit betreft de volgende verbindingen:

 

7 polychloordibenzo-p-dioxinen (PCDD’s): 2,3,7,8-T4CDD (CAS 1746-01-6), 1,2,3,7,8-P5CDD (CAS 40321-76-4), 1,2,3,4,7,8-H6CDD (CAS 39227-28-6), 1,2,3,6,7,8-H6CDD (CAS 57653-85-7), 1,2,3,7,8,9-H6CDD (CAS 19408-74-3), 1,2,3,4,6,7,8-H7CDD (CAS 35822-46-9), 1,2,3,4,6,7,8,9-O8CDD (CAS 3268-87-9)

 

10 polychloordibenzofuranen (PCDF’s): 2,3,7,8-T4CDF (CAS 51207-31-9), 1,2,3,7,8-P5CDF (CAS 57117-41-6), 2,3,4,7,8-P5CDF (CAS 57117-31-4), 1,2,3,4,7,8-H6CDF (CAS 70648-26-9), 1,2,3,6,7,8-H6CDF (CAS 57117-44-9), 1,2,3,7,8,9-H6CDF (CAS 72918-21-9), 2,3,4,6,7,8-H6CDF (CAS 60851-34-5), 1,2,3,4,6,7,8-H7CDF (CAS 67562-39-4), 1,2,3,4,7,8,9-H7CDF (CAS 55673-89-7), 1,2,3,4,6,7,8,9-O8CDF (CAS 39001-02-0)

 

12 dioxineachtige polychloorbifenylen (DL-PCB): 3,3’,4,4’-T4CB (PCB 77, CAS 32598-13-3), 3,3’,4’,5-T4CB (PCB 81, CAS 70362-50-4), 2,3,3’,4,4’-P5CB (PCB 105, CAS 32598-14-4), 2,3,4,4’,5-P5CB (PCB 114, CAS 74472-37-0), 2,3’,4,4’,5-P5CB (PCB 118, CAS 31508-00-6), 2,3’,4,4’,5’-P5CB (PCB 123, CAS 65510-44-3), 3,3’,4,4’,5-P5CB (PCB 126, CAS 57465-28-8), 2,3,3’,4,4’,5-H6CB (PCB 156, CAS 38380-08-4), 2,3,3’,4,4’,5’-H6CB (PCB 157, CAS 69782-90-7), 2,3’,4,4’,5,5’-H6CB (PCB 167, CAS 52663 72-6), 3,3’,4,4’,5,5’-H6CB (PCB 169, CAS 32774-16-6), 2,3,3’,4,4’,5,5’-H7CB (PCB 189, CAS 39635-31-9).

(10)  CAS 52315-07-8 betreft een mengsel van isomeren van cypermethrin, alpha-cypermethrin (CAS 67375-30-8), bèta-cypermethrin (CAS 65731-84-2), theta-cypermethrin (CAS 71697-59-1) en zèta-cypermethrin (52315-07-8).

(11)  Dit betreft 1,3,5,7,9,11-hexabroomcyclododecaan (CAS 25637-99-4), 1,2,5,6,9,10-hexabroomcyclododecaan (CAS 3194-55-6), α-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-50-6), β-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-51-7) en γ-hexabroomcyclododecaan (CAS 134237-52-8).”


BIJLAGE II

„BIJLAGE I

MILIEUKWALITEITSNORMEN VOOR PRIORITAIRE STOFFEN EN BEPAALDE ANDERE VERONTREINIGENDE STOFFEN

DEEL A:   MILIEUKWALITEITSNORMEN (MKN)

JG

:

jaargemiddelde

MAC

:

maximaal aanvaardbare concentratie

Eenheid

:

[μg/l] voor de kolommen (4) tot en met (7)

[μg/kg nat gewicht] voor kolom (8)

(1)

(2)

(3)

(4)

(5)

(6)

(7)

(8)

Nr.

Naam van de stof

CAS-nummer (1)

JG-MKN (2)

Landoppervlaktewateren (3)

JG-MKN (2)

Andere oppervlaktewateren

MAC-MKN (4)

Landoppervlaktewateren (3)

MAC-MKN (4)

Andere oppervlaktewateren

MKN

Biota (12)

(1)

Alachloor

15972-60-8

0,3

0,3

0,7

0,7

 

(2)

Antraceen

120-12-7

0,1

0,1

0,1

0,1

 

(3)

Atrazine

1912-24-9

0,6

0,6

2,0

2,0

 

(4)

Benzeen

71-43-2

10

8

50

50

 

(5)

Gebromeerde difenylethers (5)

32534-81-9

 

 

0,14

0,014

0,0085

(6)

Cadmium en cadmiumverbindingen

(afhankelijk van de waterhardheidsklasse) (6)

7440-43-9

≤ 0,08 (klasse 1)

0,08 (klasse 2)

0,09 (klasse 3)

0,15 (klasse 4)

0,25 (klasse 5)

0,2

≤ 0,45 (klasse 1)

0,45 (klasse 2)

0,6 (klasse 3)

0,9 (klasse 4)

1,5 (klasse 5)

≤ 0,45 (klasse 1)

0,45 (klasse 2)

0,6 (klasse 3)

0,9 (klasse 4)

1,5 (klasse 5)

 

(6a)

Tetrachloorkoolstof (7)

56-23-5

12

12

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(7)

C1013-chlooralkanen (8)

85535-84-8

0,4

0,4

1,4

1,4

 

(8)

Chloorfenvinfos

470-90-6

0,1

0,1

0,3

0,3

 

(9)

Chloorpyrifos (chloorpyrifo-sethyl)

2921-88-2

0,03

0,03

0,1

0,1

 

(9a)

Cyclodieenbestrijdingsmiddelen:

 

Aldrin (7)

 

Dieldrin (7)

 

Endrin (7)

 

Isodrin (7)

309-00-2

60-57-1

72-20-8

465-73-6

Σ = 0,01

Σ = 0,005

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(9b)

DDT totaal (7)  (9)

niet van toepassing

0,025

0,025

niet van toepassing

niet van toepassing

 

Parapara-DDT (7)

50-29-3

0,01

0,01

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(10)

1,2-dichloorethaan

107-06-2

10

10

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(11)

Dichloormethaan

75-09-2

20

20

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(12)

Di(2ethylhexyl)ftalaat (DEHP)

117-81-7

1,3

1,3

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(13)

Diuron

330-54-1

0,2

0,2

1,8

1,8

 

(14)

Endosulfan

115-29-7

0,005

0,0005

0,01

0,004

 

(15)

Fluorantheen

206-44-0

0,0063

0,0063

0,12

0,12

30

(16)

Hexachloorbenzeen

118-74-1

 

 

0,05

0,05

10

(17)

Hexachloorbutadieen

87-68-3

 

 

0,6

0,6

55

(18)

Hexachloor-cyclohexaan

608-73-1

0,02

0,002

0,04

0,02

 

(19)

Isoproturon

34123-59-6

0,3

0,3

1,0

1,0

 

(20)

Lood en loodverbindingen

7439-92-1

1,2 (13)

1,3

14

14

 

(21)

Kwik en kwikverbindingen

7439-97-6

 

 

0,07

0,07

20

(22)

Naftaleen

91-20-3

2

2

130

130

 

(23)

Nikkel en nikkelverbindingen

7440-02-0

4 (13)

8,6

34

34

 

(24)

Nonylfenolen

(4-nonylfenol)

84852-15-3

0,3

0,3

2,0

2,0

 

(25)

Octylfenolen

(4-(1,1′,3,3′-tetramethylbutyl)-fenol)

140-66-9

0,1

0,01

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(26)

Pentachloorbenzeen

608-93-5

0,007

0,0007

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(27)

Pentachloor-fenol

87-86-5

0,4

0,4

1

1

 

(28)

Polycyclische aromatische koolwater-stoffen (PAK) (11)

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

niet van toepassing

 

Benzo(a)pyreen

50-32-8

1,7 × 10–4

1,7 × 10–4

0,27

0,027

5

Benzo(b)fluor-anteen

205-99-2

zie voetnoot 11

zie voetnoot 11

0,017

0,017

zie voetnoot 11

Benzo(k)fluor-anteen

207-08-9

zie voetnoot 11

zie voetnoot 11

0,017

0,017

zie voetnoot 11

Benzo(g,h,i)-peryleen

191-24-2

zie voetnoot 11

zie voetnoot 11

8,2 × 10–3

8,2 × 10–4

zie voetnoot 11

Indeno(1,2,3-cd)pyreen

193-39-5

zie voetnoot 11

zie voetnoot 11

niet van toepassing

niet van toepassing

zie voetnoot 11

(29)

Simazine

122-34-9

1

1

4

4

 

(29a)

Tetrachloor-ethyleen (7)

127-18-4

10

10

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(29b)

Trichloor-ethyleen (7)

79-01-6

10

10

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(30)

Tributyltinver-bindingen (Tributyltin-kation)

36643-28-4

0,0002

0,0002

0,0015

0,0015

 

(31)

Trichloorbenzenen

12002-48-1

0,4

0,4

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(32)

Trichloormethaan (chloroform)

67-66-3

2,5

2,5

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(33)

Trifluralin

1582-09-8

0,03

0,03

niet van toepassing

niet van toepassing

 

(34)

Dicofol

115-32-2

1,3 × 10–3

3,2 × 10–5

niet van toepassing (10)

niet van toepassing (10)

33

(35)

Perfluoroctaansulfonzuur en zijn derivaten (PFOS)

1763-23-1

6,5 × 10–4

1,3 × 10–4

36

7,2

9,1

(36)

Quinoxyfen

124495-18-7

0,15

0,015

2,7

0,54

 

(37)

Dioxinen en dioxineachtige verbindingen

Zie voetnoot 10 in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG

 

 

niet van toepassing

niet van toepassing

Som van PCDD + PCDF + PCB-DL

0,0065 μg.kg–1 TEQ (14)

(38)

Aclonifen

74070-46-5

0,12

0,012

0,12

0,012

 

(39)

Bifenox

42576-02-3

0,012

0,0012

0,04

0,004

 

(40)

Cybutryne

28159-98-0

0,0025

0,0025

0,016

0,016

 

(41)

Cypermethrin

52315-07-8

8 × 10–5

8 × 10–6

6 × 10–4

6 × 10–5

 

(42)

Dichloorvos

62-73-7

6 × 10–4

6 × 10–5

7 × 10–4

7 × 10–5

 

(43)

Hexabroom-cyclododecaan (HBCDD)

Zie voetnoot 12 in bijlage X bij Richtlijn 2000/60/EG

0,0016

0,0008

0,5

0,05

167

(44)

Heptachloor en heptachloor-epoxide

76-44-8/1024-57-3

2 × 10–7

1 × 10–8

3 × 10–4

3 × 10–5

6,7 × 10–3

(45)

Terbutryn

886-50-0

0,065

0,0065

0,34

0,034

 


(1)  CAS: Chemical Abstract Services.

(2)  Deze parameter is de MKN uitgedrukt als jaargemiddelde (JG-MKN). Tenzij anders is aangegeven, is deze van toepassing op de totale concentratie van alle isomeren.

(3)  Landoppervlaktewateren omvatten rivieren en meren en de bijbehorende kunstmatige of sterk veranderde waterlichamen.

(4)  Deze parameter is de milieukwaliteitsnorm uitgedrukt als maximaal aanvaardbare concentratie (MAC-MKN). Wanneer voor de MAC-MKN „niet van toepassing” wordt aangegeven, worden de JG-MKN-waarden verondersteld bescherming te bieden tegen kortdurende verontreinigingspieken in continue lozingen, aangezien deze aanzienlijk lager zijn dan de op basis van de acute toxiciteit afgeleide waarde.

(5)  Voor de groep prioritaire stoffen die vallen onder gebromeerde difenylethers (nr. 5), verwijst de MKN naar de som van de concentraties voor de congeneren nr. 28, 47, 99, 100, 153 en 154.

(6)  Voor cadmium en zijn verbindingen (nr. 6) zijn de MKN-waarden afhankelijk van de hardheid van het water, ingedeeld in vijf klassen (klasse 1: < 40 mg CaCO3/l, klasse 2: 40 tot < 50 mg CaCO3/l, klasse 3: 50 tot < 100 mg CaCO3/l, klasse 4: 100 tot < 200 mg CaCO3/l en klasse 5: ≥ 200 mg CaCO3/l).

(7)  Deze stof is geen prioritaire stof, maar een van de andere verontreinigende stoffen waarvoor de MKN identiek zijn aan die welke zijn vastgelegd in de wetgeving die vóór 13 januari 2009 van toepassing was.

(8)  Er wordt geen indicatieve parameter opgegeven voor deze groep van stoffen. De indicatieve parameters moeten worden bepaald door de analysemethoden.

(9)  DDT totaal omvat de som van de isomeren 1,1,1-trichloor2,2-bis(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 50-29-3), EU-nummer 200-024-3); 1,1,1-trichloor-2-(o-chloorfenyl)-2-(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 789-02-6); EU-nummer 212-332-5); 1,1-dichloor2,2-bis(p-chloorfenyl)ethyleen (CAS-nummer 72-55-9); EU-nummer 200-784-6); en 1,1-dichloor-2,2-bis(p-chloorfenyl)ethaan (CAS-nummer 72-54-8); EU-nummer 200-783-0).

(10)  Er is onvoldoende informatie beschikbaar om een MAC-MKN vast te stellen voor deze stoffen.

(11)  Voor de groep prioritaire stoffen die onder polycyclische aromatische koolwaterstoffen (PAK) vallen (nr. 28), is de vermelde biota-MKN en de overeenkomstige JG-MKN voor water de concentratie van benzo(a)pyreen; beide MKN zijn op de toxiciteit van benzo(a)pyreen gebaseerd. Benzo(a)pyreen kan beschouwd worden als een marker voor andere PAK en derhalve dient voor de vergelijking met biota-MKN en de overeenkomstige JG-MKN in water alleen benzo(a)pyreen te worden gemonitord.

(12)  Tenzij anders vermeld, gelden de biota-MKN voor vissen. In plaats daarvan kan een alternatieve biotataxon of een andere matrix worden gemonitord, voor zover de toegepaste MKN een gelijkwaardig beschermingsniveau biedt. Voor de stoffen met nummer 15 (fluorantheen) en 28 (PAK’s), gelden de biota-MKN voor schelp- en weekdieren. Voor de beoordeling van de chemische toestand is de monitoring van fluoranteen en PAK in vissen niet geschikt. Voor stof nummer 37 (dioxinen en dioxineachtige verbindingen) gelden de biota-MKN voor vissen, schelp- en weekdieren; zie afdeling 5.3 van de bijlage bij Verordening (EU) nr. 1259/2011 van de Commissie van 2 december 2011 tot wijziging van Verordening (EG) nr. 1881/2006 wat betreft de maximumgehalten voor dioxinen, dioxineachtige pcb’s en niet-dioxineachtige pcb’s in levensmiddelen (PB L 320 van 3.12.2011, blz. 18).

(13)  Deze MKN hebben betrekking op de biologisch beschikbare concentraties van de stoffen.

(14)  PCDD’s: polychloordibenzo-p-dioxinen; PCDF’s: polychloordibenzofuranen; PCB-DL: dioxineachtige polychloorbifenylen; TEQ’s: toxische equivalenten, overeenkomstig de toxische-equivalentiefactoren (2005) van de Wereldgezondheidsorganisatie.”


Top