EUR-Lex Access to European Union law

Back to EUR-Lex homepage

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32012D0119

2012/119/EU: Uitvoeringsbesluit van de Commissie van 10 februari 2012 tot vaststelling van richtsnoeren voor het verzamelen van gegevens, alsook voor het opstellen van BBT-referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan als bedoeld in Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies (Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 613) Voor de EER relevante tekst

OJ L 63, 2.3.2012, p. 1–39 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 15 Volume 012 P. 273 - 311

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/dec_impl/2012/119/oj

2.3.2012   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 63/1


UITVOERINGSBESLUIT VAN DE COMMISSIE

van 10 februari 2012

tot vaststelling van richtsnoeren voor het verzamelen van gegevens, alsook voor het opstellen van BBT-referentiedocumenten en het waarborgen van de kwaliteit ervan als bedoeld in Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad inzake industriële emissies

(Kennisgeving geschied onder nummer C(2012) 613)

(Voor de EER relevante tekst)

(2012/119/EU)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Richtlijn 2010/75/EU van het Europees Parlement en de Raad van 24 november 2010 inzake industriële emissies (geïntegreerde preventie en bestrijding van verontreiniging) (1), met name artikel 13, lid 3,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU schrijft voor dat de Commissie een uitwisseling van informatie over industriële emissies organiseert tussen zichzelf, de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, teneinde het opstellen van BBT-referentiedocumenten als bepaald in artikel 3, lid 11, van die richtlijn te vergemakkelijken.

(2)

Overeenkomstig artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU heeft de uitwisseling van informatie onder andere betrekking op de milieuprestaties van installaties en technieken, de daarmee samenhangende monitoring en de beste beschikbare technieken en de technieken in opkomst.

(3)

Bij het besluit van de Commissie van 16 mei 2011 tot oprichting van een forum voor de uitwisseling van informatie overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU inzake industriële emissies (2) is een forum opgericht dat bestaat uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming.

(4)

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU heeft de Commissie op 13 september 2011 het advies (3) van dat forum ingewonnen over richtsnoeren voor het verzamelen van gegevens, de opstelling van BBT-referentiedocumenten en de kwaliteitsborging ervan, inclusief de geschiktheid van de inhoud en de structuur van die documenten, en heeft zij dat voor het publiek toegankelijk gemaakt.

(5)

De in dit besluit vastgestelde maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité,

HEEFT HET VOLGENDE BESLUIT VASTGESTELD:

Artikel 1

De richtsnoeren over het verzamelen van gegevens, alsook over de opstelling van BBT-referentiedocumenten en over de kwaliteitsborging ervan, inclusief de geschiktheid van de inhoud en de structuur van de documenten als bedoeld onder c) en d) van artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU zijn in de bijlage bij dit besluit opgenomen.

Artikel 2

Dit besluit is gericht tot de lidstaten.

Gedaan te Brussel, 10 februari 2012.

Voor de Commissie

Janez POTOČNIK

Lid van de Commissie


(1)  PB L 334 van 17.12.2010, blz. 17.

(2)  PB C 146 van 17.5.2011, blz. 3.

(3)  http://circa.europa.eu/Public/irc/env/ied/library?l=/ied_art_13_forum/opinions_article.


BIJLAGE

RICHTSNOEREN

betreffende de praktische regelingen voor de informatie-uitwisseling als bedoeld in artikel 13, lid 3, onder c) en d), van Richtlijn 2010/75/EU, met inbegrip van het verzamelen van gegevens en het opstellen van BBT-referentiedocumenten en de kwaliteitsborging daarvan

HOOFDSTUK 1: PROCEDURE VOOR HET OPSTELLEN EN HET EVALUEREN VAN EEN REFERENTIEDOCUMENT (BREF) VOOR BESTE BESCHIKBARE TECHNIEKEN (BBT)

1.1.

Context

1.1.1.

Definitie en doel van BREF’s

1.1.2.

„Horizontale” en „verticale” BREF’s

1.2.

Procedure voor het opstellen en het evalueren van BREF’s

1.2.1.

Algemene procedure voor het opstellen van een nieuw BREF

1.2.2.

Algemene procedure voor de evaluatie van een BREF

1.2.3.

Doelstelling van de evaluatie van een BREF

1.2.4.

Typische workflow voor het opstellen en het evalueren van BREF’s

1.3.

Advies van het bij artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde forum

1.4.

Vaststelling van de BBT-conclusies en publicatie van het BREF

HOOFDSTUK 2: INHOUD EN TOEPASSINGSGEBIED VAN BREF’S

2.1.

Inleiding

2.2.

Structuur van een BREF

2.3.

Inhoud van BREF’s

2.3.1.

Algemene informatie over de inhoud van BREF’s

2.3.2.

Voorwoord

2.3.3.

Toepassingsgebied

2.3.4.

Algemene informatie over de betrokken bedrijfstak

2.3.5.

Toegepaste processen en technieken

2.3.6.

Huidige emissies en verbruiksniveaus

2.3.7.

Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT

2.3.7.1.

Algemene informatie over de te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT

2.3.7.2.

Voor elke techniek te verstrekken informatie

2.3.7.2.1.

Beschrijving

2.3.7.2.2.

Technische beschrijving

2.3.7.2.3.

Gerealiseerde milieuvoordelen

2.3.7.2.4.

Milieuprestaties en bedrijfsgegevens

2.3.7.2.5.

Cross-media-effecten

2.3.7.2.6.

Technische overwegingen inzake toepasselijkheid

2.3.7.2.7.

Economische aspecten

2.3.7.2.8.

Stimulansen voor ingebruikneming

2.3.7.2.9.

Voorbeeldinstallaties

2.3.7.2.10.

Referentieliteratuur

2.3.8.

Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)

2.3.9.

Technieken in opkomst

2.3.10.

Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden

2.3.11.

Bronnen

2.3.12.

Verklarende woordenlijst

2.3.13.

Bijlagen

HOOFDSTUK 3: BBT-CONCLUSIES

3.1.

Inleiding

3.2.

Elementen van een individuele BBT-conclusie

3.2.1.

Algemeen

3.2.2.

Beschrijving van technieken

3.2.3.

Informatie voor het beoordelen van de toepasselijkheid van technieken

3.3.

Individuele BBT-conclusies met geassocieerde milieuprestatieniveaus

3.3.1.

Individuele BBT-conclusies met geassocieerde emissieniveaus

3.3.2.

Individuele BBT-conclusies met andere geassocieerde milieuprestatieniveaus dan emissieniveaus

3.4.

Individuele BBT-conclusies zonder met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus

HOOFDSTUK 4: ORGANISATIE VAN DE INFORMATIE-UITWISSELING

4.1.

Inleiding

4.2.

De rol van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité

4.3.

De rol van het bij artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde forum

4.4.

De rol van de technische werkgroepen (TWG’s)

4.4.1.

Oprichting van TWG’s

4.4.2.

Verantwoordelijkheden en taken van de TWG

4.4.3.

TWG-subgroepen

4.4.4.

Bezoeken ter plaatse

4.4.5.

Betrokkenheid van leveranciers van apparatuur bij de informatie-uitwisseling

4.5.

De rol van het EIPPCB

4.6.

Mijlpalen in de informatie-uitwisseling

4.6.1.

Opstelling van de „verlanglijst”

4.6.2.

Vergaderingen van de TWG

4.6.2.1.

Algemeen

4.6.2.2.

Eerste vergadering

4.6.2.3.

Slotvergadering TWG

4.6.2.3.1.

Algemeen

4.6.2.3.2.

Afwijkende meningen

4.6.3.

Eerste gegevensverzamelingsronde na de eerste vergadering

4.6.4.

Verzoeken om aanvullende informatie (RAI)

4.6.5.

BREF-werkdocumenten en formele ontwerpen

4.6.5.1.

Formele ontwerpen

4.6.5.2.

Concept-ontwerpen

4.6.6.

Opmerkingen over formele ontwerpen van BREF’s

4.7.

Instrumenten voor informatie-uitwisseling

4.7.1.

BBT-informatiesysteem (BATIS)

4.7.2.

Website van het EIPPCB

4.8.

Beveiliging van persoonsgegevens

HOOFDSTUK 5: VERZAMELEN EN INDIENEN VAN GEGEVENS

5.1.

Inleiding

5.2.

Algemene beginselen voor het verzamelen en indienen van gegevens voor het opstellen en evalueren van BREF’s

5.2.1.

Soort gegevens

5.2.2.

Structuur van de gegevens

5.2.3.

Kwaliteit van de gegevens

5.3.

Vertrouwelijkheid

5.4.

Milieuprestatie- en bedrijfsgegevens vereist voor de BREF-hoofdstukken „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” en „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)”

5.4.1.

Algemene informatie over milieuprestaties en bedrijfsgegevens

5.4.2.

Verbruik

5.4.2.1.

Algemene informatie over verbruik

5.4.2.2.

Verbruik van grondstoffen en hulpstoffen

5.4.2.3.

Watergebruik

5.4.2.4.

Energiegebruik

5.4.3.

Emissies in water

5.4.4.

Luchtemissies

5.4.5.

Residuen/afval

5.4.6.

Overige informatie

5.4.7.

Vereiste referentie-informatie bij de emissiegegevens

5.4.7.1.

Algemeen

5.4.7.2.

Monitoring

5.4.7.3.

Gemiddelden, bandbreedten en verdeling van emissiewaarden

5.5.

Specifieke kwesties onder de verantwoordelijkheid van elke technische werkgroep

HOOFDSTUK 6: KWALITEITSBORGING VAN HET OPSTELLEN EN EVALUEREN VAN DE BREF’S

AANHANGSEL 1: SYSTEEM TER BEPALING VAN DE GEGEVENSKWALITEIT

AANHANGSEL 2: TYPISCHE WORKFLOW VOOR HET OPSTELLEN EN EVALUEREN VAN BREF’S

HOOFDSTUK 1

Procedure voor het opstellen en het evalueren van een referentiedocument (BREF) voor beste beschikbare technieken (BBT)

1.1.   Context

1.1.1.   Definitie en doel van BREF’s

Op grond van artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU moet de Commissie een informatie-uitwisseling organiseren tussen haarzelf, de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming, teneinde BBT-referentiedocumenten (hierna „BREF’s” genoemd) op te stellen, te evalueren en waar nodig te actualiseren.

Volgens artikel 13, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU dient deze uitwisseling van informatie met name betrekking te hebben op:

a)

de prestaties van installaties en technieken wat betreft emissies uitgedrukt als gemiddelden over de korte en de lange termijn, naar gelang van het geval, en de daarmee samenhangende referentieomstandigheden, verbruik en aard van de grondstoffen, waterverbruik, energieverbruik en afvalproductie;

b)

de toegepaste technieken, de daarmee samenhangende monitoring, de cross-media-effecten, de economische en technische levensvatbaarheid en de ontwikkelingen daarin;

c)

beste beschikbare technieken en technieken in opkomst die worden vastgesteld na bestudering van de onder a) en b) vermelde punten.

De definitie van een referentiedocument voor beste beschikbare technieken (BREF), dat het resultaat is van die informatie-uitwisseling, is vastgesteld in artikel 3, lid 11, van Richtlijn 2010/75/EU. Het betreft een document dat is opgesteld voor welomschreven activiteiten en dat met name een beschrijving geeft van toegepaste technieken, huidige emissies en verbruiksniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van beste beschikbare technieken (BBT’s), alsmede BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst, met bijzondere aandacht voor de in bijlage III van Richtlijn 2010/75/EU vermelde criteria. Een BREF is per definitie dus een beschrijvend document. Het schrijft geen verplicht gebruik van bepaalde technieken of een specifieke technologie voor en is geen uitlegging van Richtlijn 2010/75/EU.

Beste beschikbare technieken (BBT) worden in artikel 3, lid 10, van Richtlijn 2010/75/EU gedefinieerd als het meest doeltreffende en geavanceerde ontwikkelingsstadium van de activiteiten en exploitatiemethoden waarbij de praktische bruikbaarheid van speciale technieken om het uitgangspunt voor de emissiegrenswaarden en andere vergunningsvoorwaarden te vormen is aangetoond, met het doel emissies en effecten op het milieu in zijn geheel te voorkomen of, wanneer dat niet mogelijk is, te beperken:

a)

de term „technieken” omvat zowel de toegepaste technieken als de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld;

b)

„beschikbare technieken” betekent technieken die op zodanige schaal zijn ontwikkeld dat zij, kosten en baten in aanmerking genomen, economisch en technisch haalbaar in de betrokken industriële context kunnen worden toegepast, onafhankelijk van de vraag of die technieken al dan niet op het grondgebied van de betrokken lidstaat worden toegepast of geproduceerd, mits zij voor de exploitant op redelijke voorwaarden toegankelijk zijn;

c)

„beste” betekent het meest doeltreffend voor het bereiken van een hoog algemeen niveau van bescherming van het milieu in zijn geheel.

In artikel 3, lid 12, van Richtlijn 2010/75/EU wordt voorts de term „BBT-conclusies” gedefinieerd als de delen van een BREF met de conclusies over BBT, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de BBT geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden verbruiksniveaus en, in voorkomend geval, toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen. De BBT-conclusies worden vastgesteld volgens de in artikel 75, lid 2, van Richtlijn 2010/75/EU bedoelde procedure. Zij vormen het ijkpunt voor de vaststelling van de vergunningsvoorwaarden voor installaties die onder Richtlijn 2010/75/EU vallen.

Een BREF heeft in de eerste plaats ten doel BBT vast te stellen en ongelijkheid in de Unie inzake emissieniveaus van industriële activiteiten te beperken. BREF’s moeten de bevoegde autoriteiten van de lidstaten, industriële exploitanten, de Commissie en het brede publiek informeren over de BBT en technieken in opkomst voor de activiteiten die onder Richtlijn 2010/75/EU vallen. De procedure voor het vaststellen van BBT en technieken in opkomst moet transparant en objectief zijn en stoelen op betrouwbare technische en economische informatie. Een BREF moet ook een stimulans vormen voor betere milieuprestaties in de hele Unie.

Met het oog op het voornaamste doel en de gebruikersvriendelijkheid van een BREF moet de inhoud ervan beperkt blijven tot informatie die nodig is voor het vaststellen van BBT en de daarmee geassocieerde milieuprestatieniveaus als bedoeld in hoofdstuk 3 (1) en technieken in opkomst in het kader van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2010/75/EU. Een BREF is geen handboek over technieken waarmee verontreiniging kan worden voorkomen en bestreden. Het onderwerp komt uitgebreid aan bod in de literatuur, waarnaar indien nodig in het BREF kan worden verwezen. Het is echter essentieel dat BREF’s informatie bevatten over de voornaamste technieken die de technische werkgroep (TWG) (zie punt 4.4 (2)) in aanmerking heeft genomen bij de vaststelling van de BBT, alsook over de grondslagen van de door de TWG geformuleerde BBT-conclusies.

1.1.2.   „Horizontale” en „verticale” BREF’s

BREF’s kunnen uitsluitend betrekking hebben op vraagstukken in verband met specifieke industriële activiteiten („verticale” BREF’s), dan wel betrekking hebben op transsectorale vraagstukken („horizontale” BREF’s (3)).

Gezien hun complementaire aard dienen zowel „horizontale” als „verticale” BREF’s te worden opgesteld met het oog op de vaststelling van vergunningsvoorwaarden voor installaties die onder Richtlijn 2010/75/EU vallen. „Verticale” BREF’s kunnen informatie over technieken bevatten die TWG’s kan helpen BBT voor andere bedrijfstakken af te leiden. „Horizontale” BREF’s bevatten algemene informatie die gebruikt kan worden voor vele activiteiten die binnen het toepassingsgebied van Richtlijn 2010/75/EU vallen. Informatie moet in „horizontale” BREF’s worden opgenomen indien deze een aanvulling vormt op in „verticale” BREF’s vermelde informatie over aspecten die betrekking hebben op meerdere industriële bedrijfstakken. Daarbij mogen de „verticale” en de „horizontale” BREF’s niet met elkaar in strijd zijn. Teneinde het complementaire gebruik van „verticale” en „horizontale” BREF’s te vergemakkelijken, moeten in BREF’s passende kruisverwijzingen naar andere relevante „verticale” en „horizontale” BREF’s worden opgenomen.

1.2.   Procedure voor het opstellen en het evalueren van BREF’s

De Commissie organiseert en coördineert de uitwisseling van informatie middels het Europees IPPC-bureau (EIPPCB) (binnen DG Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek) en DG Milieu. De in artikel 13, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU genoemde partijen die betrokken zijn bij de informatie-uitwisseling (lidstaten, betrokken bedrijfstakken, milieu-ngo’s en de Commissie) zien toe op het proces in het kader van het overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU opgerichte forum. Zij nemen deel aan de technische werkgroepen (TWG’s) en dragen zo bij aan de opstelling en de evaluatie van de BREF’s. Meer informatie over de rol van de belanghebbenden en de werking van het forum en de TWG’s is te vinden in hoofdstuk 4.

De Commissie neemt de beslissing om een BREF op te stellen of te evalueren. Overeenkomstig artikel 13, lid 3, onder b), houdt zij rekening met het advies van het forum over het werkprogramma voor de informatie-uitwisseling.

1.2.1.   Algemene procedure voor het opstellen van een nieuw BREF

Aangezien in bijlage I van Richtlijn 2010/75/EU een aantal activiteiten worden genoemd die niet in bijlage I van Richtlijn 2008/1/EG van het Europees Parlement en de Raad (4) waren opgenomen, moeten nieuwe BREF’s worden opgesteld.

De workflow voor het opstellen van een nieuw BREF lijkt sterk op de workflow voor de evaluatie van een BREF als beschreven in punt 1.2.4. De belangrijkste verschillen zijn dat er voor nieuwe BREF’s niet altijd een „verlanglijst” nodig is, dat méér informatie moet worden verzameld en dat er doorgaans twee formele ontwerpen van het BREF worden verwacht voordat de slotvergadering van de TWG wordt gehouden.

1.2.2.   Algemene procedure voor de evaluatie van een BREF

Gezien het dynamische karakter van BBT is de evaluatie van BREF’s een permanente opdracht. Er kunnen bijvoorbeeld nieuwe maatregelen en technieken tot ontwikkeling komen, de wetenschappelijke en technologische vooruitgang gaat onafgebroken voort en nieuwe processen en processen in opkomst worden met succes in de industrie in gebruik genomen. Teneinde dergelijke ontwikkelingen en de gevolgen daarvan voor de BBT in aanmerking te nemen, moeten BREF’s op gezette tijden worden geëvalueerd en indien nodig dienovereenkomstig geactualiseerd. Dit onderwerp komt uitdrukkelijk aan bod in overweging 13 van Richtlijn 2010/75/EU, volgens welke de Commissie ernaar moet streven de BREF’s uiterlijk acht jaar na de publicatie van de vorige versie te hebben bijgewerkt.

Bij de beslissing om een BREF te evalueren, dient rekening te worden gehouden met de informatie in het hoofdstuk „Technieken in opkomst” en het punt „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” van het BREF (zie punt 2.2), alsook met andere factoren, zoals aanwijzingen dat nieuwe technieken beschikbaar zijn, de behoefte aan een verruiming van het toepassingsgebied van het BREF en de noodzaak om producten, stoffen of processen in aanmerking te nemen die nog niet in het BREF waren opgenomen.

1.2.3.   Doelstelling van de evaluatie van een BREF

De evaluatie van een BREF heeft ten doel ontwikkelingen op het gebied van BBT vast te stellen. Daartoe worden in de eerste plaats de onderdelen van het BREF met de conclusies over BBT onder de loep genomen en, indien nieuwe informatie beschikbaar is die dat mogelijk maakt, geëvalueerd of geactualiseerd.

Bij een evaluatie wordt een BREF dan ook niet volledig herschreven noch van begin tot einde aangepast. Er wordt evenwel erkend dat bij de eerste evaluaties van BREF’s in bepaalde gevallen aanzienlijk meer wijzigingen moeten worden aangebracht dan bij latere evaluaties.

Het is duidelijk dat de meest relevante informatie die moet worden gevonden, verzameld en ingediend in het kader van de informatie-uitwisseling voor de evaluatie van een BREF, informatie is die zou kunnen leiden tot een herziening of actualisering van BBT-conclusies. Daarbij is het essentieel dat de gegevens verzameld worden overeenkomstig de in hoofdstuk 5 vastgestelde richtsnoeren.

Bij de evaluatie van een BREF moet voorts:

1.

oude achtergrondinformatie worden geactualiseerd en aangevuld met meer recente gegevens;

2.

verouderde en achterhaalde informatie worden verwijderd;

3.

fouten worden gecorrigeerd en eventuele inconsistenties met andere BREF’s worden verwijderd.

De evaluatie van een BREF is vooral toegespitst op de hoofdstukken „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT”, „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” en „Technieken in opkomst” van het BREF, alsook, zij het in mindere mate, op de hoofdstukken „Toegepaste processen en technieken” (in geval van vergaande veranderingen in dit hoofdstuk) en „Huidige emissies en verbruiksniveaus” van het BREF. De evaluatie van de overige hoofdstukken van het BREF is minder prioritair.

Er moet in het algemeen voor worden gezorgd dat alle informatie in het BREF zo actueel, consequent en nauwkeurig is als redelijkerwijs mogelijk is.

1.2.4.   Typische workflow voor het opstellen en het evalueren van BREF’s

De belangrijkste mijlpalen in een typische workflow voor het opstellen en het evalueren van BREF’s (zie aanhangsel 2) zijn een eerste vergadering, één of twee formele ontwerpen van het BREF en een slotvergadering van de TWG (zie punt 4.6.2.3). Naargelang het gaat om de opstelling van een nieuw BREF of de evaluatie van een bestaand BREF zijn de volgende workflowvarianten mogelijk:

1.

voor een nieuw BREF of de evaluatie van een BREF waarvan het toepassingsgebied aanzienlijk wordt uitgebreid, worden doorgaans twee formele ontwerpen noodzakelijk geacht. Het volledige proces neemt in dergelijke gevallen 31 tot 39 maanden in beslag;

2.

voor de eerste evaluatie van een BREF zonder een aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied kunnen twee formele ontwerpen nodig zijn, maar doorgaans wordt één formeel ontwerp van het BREF voldoende geacht. Het hele proces neemt doorgaans 24 tot 29 maanden in beslag (in geval van één formeel ontwerp) of 29 tot 39 maanden (in geval van twee formele ontwerpen);

3.

voor latere evaluaties van een BREF zonder een aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied is één formeel ontwerp normaal gezien voldoende en neemt het volledige proces 24 tot 29 maanden in beslag.

Deze workflowvarianten zijn ijkpunten voor de TWG’s. Het EIPPCB kan ze na raadpleging van de TWG aanpassen aan de specifieke kenmerken van een bepaald BREF, met inachtneming van de ervaring die is opgedaan met het opstellen en het evalueren van andere BREF’s. De belangrijkste stappen voor het opstellen en het evalueren van BREF’s en de tijdschaal van die processen worden nader beschreven in tabel 1.

Bij die stappen wordt rekening gehouden met de in overweging 13 van Richtlijn 2010/75/EU vastgestelde doelstelling, ervoor te zorgen dat BREF’s uiterlijk acht jaar na de publicatie van de vroegere versie worden bijgewerkt.

De hierboven vermelde tijdschalen zijn representatief voor een typisch „verticaal” BREF (zie punt 1.1.2).

De precieze stappen en tijdstippen van de werkzaamheden voor elk BREF hangen af van meerdere factoren, waaronder het toepassingsgebied van het BREF (en de mogelijke uitbreiding daarvan in het geval van BREF-evaluaties), het aantal en de complexiteit van de te behandelen thema’s, de middelen van het EIPPCB (gezien de centrale rol van het bureau in de informatie-uitwisseling) en vooral de mate waarin de TWG actief en effectief aan de werkzaamheden deelneemt. De workflow kan aan de specifieke kenmerken van een bepaald BREF worden aangepast, onverminderd de algemene doelstelling de werkzaamheden binnen de bovengenoemde termijnen te voltooien.

In beginsel houdt de TWG in de loop van een BREF-evaluatie twee plenaire vergaderingen (de eerste vergadering en de slotvergadering (zie punt 4.6.2)). In bepaalde uitzonderlijke gevallen (bv. wanneer een grote hoeveelheid nieuwe informatie is aangeleverd of wanneer de vaststelling van BBT bijzonder controversieel is) kan de TWG een extra plenaire vergadering houden. Met het oog op een vlotter verloop van de werkzaamheden kunnen in aanvulling op de plenaire vergaderingen van de TWG vergaderingen voor kleinere groepen worden georganiseerd (zie punt 4.4.3).

In beginsel wordt voor de plenaire slotvergadering van de TWG (zie punt 4.6.2.3) één formeel ontwerp van het BREF gepubliceerd, behalve wanneer het gaat om een nieuw BREF of een bijzonder ingewikkelde evaluatie, inclusief onder meer een evaluatie met een aanzienlijke uitbreiding van het toepassingsgebied, in welk geval een tweede formeel ontwerp noodzakelijk is. Naast één of meer formele ontwerpen kunnen ook concept-ontwerpen worden verspreid om de werkzaamheden te vergemakkelijken (zie punt 4.6.5).

Met het oog op een zo efficiënt mogelijk gebruik van de middelen van alle partijen die bij de opstelling of de evaluatie van een BREF betrokken zijn, moet voor de indiening van het gros van de in de conclusies van de eerste vergadering beloofde of vastgestelde informatie een specifieke uiterste datum worden bepaald (zie punt 4.6.2.2). Informatie die na die datum wordt ingediend, wordt slechts in uitzonderlijke omstandigheden na raadpleging van de TWG aanvaard en wordt slechts door het EIPPCB in acht genomen wanneer deze een aanzienlijke bijdrage levert aan de opstelling of actualisering van de BBT-conclusies.

Indien nodig verzoekt het EIPPCB de TWG om aanvullende informatie, teneinde belangrijke ontbrekende informatie te verkrijgen die met name nodig wordt geacht voor het trekken van BBT-conclusies overeenkomstig de in de hoofdstukken 3 en 5 vastgestelde richtsnoeren (zie punt 4.6.4).

Tabel 1

Belangrijkste stappen voor het opstellen en het evalueren van een BREF

Stap nr.

Stap BREF-evaluatie

Verwachte duur van de stap

(maanden)

Totale duur

(maanden)

Commentaar

0

Voorbereiding van de evaluatie

 

 

Na de voltooiing van een BREF houdt het EIPPCB het BATIS-forum voor het betrokken BREF actueel (zie punt 4.7.1), met name wat betreft follow-upmaatregelen van de in het BREF geformuleerde aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden (zie punt 2.3.10) en met het oog op de toekomstige evaluatie van het BREF. BATIS doet dienst als forum voor overleg en informatie-uitwisseling en heeft ten doel de volgende evaluatie te vergemakkelijken.

1

(Re)activering van de TWG en oproep tot het bekendmaken van „verlanglijst”

2

2

Het EIPPCB (re)activeert de TWG (verzoek tot bevestiging van lidmaatschap en contactgegevens). In het geval van een BREF-evaluatie vraagt het EIPPCB de leden van de TWG mee te delen welke informatie zij in het evaluatieproces in aanmerking willen nemen en wijzigingen of verbeteringen te melden die zij in de bestaande tekst wensen aan te brengen (zie punt 4.6.1).

2

Eerste vergadering

3

5

In het geval van een BREF-evaluatie stelt het EIPPCB een lijst op met alle uitgedrukte wensen, ordent het deze en stelt het indien nodig standaardstructuren vast voor elk thema van de lijst, zodat de TWG op een gestructureerde en efficiënte wijze direct bruikbare informatie kan verschaffen.

Het EIPPCB roept de TWG bijeen (zie punt 4.6.2.2) om het proces te verduidelijken, de verlanglijst te bespreken (bij een BREF-evaluatie) en overeenstemming te bereiken over de reikwijdte van de evaluatie, de te verzamelen gegevens en de structuur daarvan overeenkomstig de in hoofdstuk 5 vastgestelde richtsnoeren voor gegevensverzameling.

De TWG komt op basis van algemene richtsnoeren van het EIPPCB een procedure overeen voor aangelegenheden als vertrouwelijke bedrijfsinformatie, volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie, belangenconflicten en andere daarmee verband houdende kwesties.

3

Nieuwe informatie (uiterste datum)

6

11

De TWG verzamelt de in de conclusies van de eerste vergadering beloofde of vastgestelde informatie en stelt deze ter beschikking. Vlot toegankelijke informatie wordt onverwijld aan het EIPPCB verstrekt, zodat het bureau zo snel mogelijk na de eerste vergadering met het opstellen van het ontwerp kan beginnen.

In deze fase kan het EIPPCB:

deelnemen aan bezoeken ter plaatse, die eventueel worden overeengekomen tijdens of na de eerste vergadering (zie punt 4.6.2.2);

informatie onderzoeken;

het opstelwerk beginnen op basis van de beschikbare, vroeg ingediende informatie.

De door de leden van de TWG ingediende en door het EIPPCB verzamelde informatie wordt overeenkomstig de punten 4.7.1 en 5.3 via BATIS in real time met de leden van de TWG gedeeld. De leden van de TWG kunnen opmerkingen geven over de verstrekte informatie en deze opmerkingen op BATIS delen.

4

Opstelling van het eerste formele ontwerp

4-6

15 - 17

Het EIPPCB stelt een eerste formeel ontwerp van het BREF op (of van de gewijzigde delen van het BREF in het geval van een evaluatie), waarover de TWG officieel wordt geraadpleegd (zie hoofdstuk 2 en de punten 4.6.5.1 en 4.6.6).

Normaal gezien biedt de binnen de raadplegingstermijn verstrekte informatie de nodige achtergrond voor een ruime eensgezindheid over de hoofdstukken „Huidige emissies en verbruiksniveaus” (zie punt 2.3.6) en „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” (zie punt 2.3.7) van het BREF, waarbij het hoofdstuk „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” van het BREF (zie punt 2.3.8) in het eerste formele ontwerp van een BREF-evaluatie wordt opgenomen.

5

Opmerkingen van de TWG

2-3

17 - 20

De TWG dient zijn opmerkingen over het ontwerp binnen een termijn van twee maanden over te maken. Wanneer deze raadpleging gepland is in de zomermaanden of in de eindejaarsperiode, kan de termijn tot maximaal drie maanden worden verlengd.

6

Opstelling van het tweede formele ontwerp

(optioneel)

3-7

[20 - 27]

Het EIPPCB houdt rekening met alle opmerkingen en alle verstrekte informatie. Het EIPPCB stelt een ontwerp op van een achtergronddocument, met inbegrip van een evaluatie van de belangrijkste ontvangen opmerkingen, en een tweede formeel ontwerp met op zijn minst een bijgewerkte versie van het hoofdstuk „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” van het BREF en de nieuwste versie van de hoofdstukken „Huidige emissies en verbruiksniveaus” (zie punt 2.3.6) en „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” (zie punt 2.3.7) van het BREF.

7

Opmerkingen van de TWG

(optioneel)

2-3

[22 - 30]

Het tweede formele ontwerp wordt voor officiële raadpleging aan de TWG overgemaakt, zodat deze binnen een termijn van twee maanden zijn opmerkingen kan meedelen. Wanneer deze raadpleging gepland is in de zomermaanden of in de eindejaarsperiode, kan de raadplegingstermijn tot maximaal drie maanden worden verlengd.

8

Slotvergadering

3-5

20 - 25

[25 - 35]

Het EIPPCB onderzoekt alle opmerkingen en bereidt een slotvergadering van de TWG voor. Het EIPPCB stelt een ontwerp op van een achtergronddocument, met inbegrip van een evaluatie van de belangrijkste ontvangen opmerkingen (zie punt 4.6.6) en op zijn minst de meest recente versie van de hoofdstukken „Huidige emissies en verbruiksniveaus” (zie punt 2.3.6), „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” (zie punt 2.3.7) en „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” (zie punt 2.3.8) van het BREF.

Tijdens deze slotvergadering streeft de TWG naar een consensus over een definitief ontwerp (zie punt 4.6.2.3).

9

Definitief ontwerp

4

24 - 29

[29 - 39]

Na het opstellen van het definitieve ontwerp is er een korte periode waarin de TWG opmerkingen kan meedelen. Deze opmerkingen moeten betrekking hebben op de naar aanleiding van de conclusies van de slotvergadering aangebrachte wijzigingen. Het EIPPCB laat de TWG weten op welke wijze het met die opmerkingen rekening heeft gehouden.

Het bijgewerkte definitieve ontwerp en de evaluatie van de ontvangen slotopmerkingen worden ten minste acht weken voor de forumbijeenkomst ter beschikking van het forum gesteld.

10

Presentatie op een forumbijeenkomst

 

 

Het bijgewerkte definitieve ontwerp wordt gepresenteerd aan het forum, dat gevraagd wordt een advies af te geven over het document (zie punt 1.3).

De Commissie maakt het advies van het forum openbaar.

NB: de tijdaanduidingen tussen vierkante haken verwijzen naar gevallen waarin twee formele ontwerpen worden verspreid.

Met het oog op een zo efficiënt mogelijke voorbereiding van de werkzaamheden stelt het EIPPCB het forum zo vroeg als redelijkerwijs mogelijk is in kennis van de data en de termijnen waarvoor een TWG moet worden bijeengeroepen of samengesteld (zie punt 4.3). Evenzo licht het EIPPCB de leden van de TWG zo snel mogelijk in over de volgende stappen en eventuele in acht te nemen termijnen.

1.3.   Advies van het bij artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde forum

Na de voltooiing van de werkzaamheden binnen de TWG wordt het bijgewerkte definitieve ontwerp van een BREF naar het op grond van artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde forum gezonden (zie punt 4.3), dat verzocht wordt een advies af te geven over het document. Het document wordt besproken op een bijeenkomst van het forum. Aan de leden van het forum wordt gevraagd al hun opmerkingen over het definitieve ontwerp van het BREF schriftelijk voor de bijeenkomst over te maken.

Het forum kan zich onder meer uitlaten over:

1.

door de TWG opgeworpen vraagstukken waarover de afwijkende mening van het TWG-lid niet correct in het definitieve ontwerp van de tekst is weergegeven;

2.

met redenen omklede voorstellen van forumleden om het afwijkende standpunt van hun eigen vertegenwoordiger in de TWG te schrappen of te wijzigen;

3.

verduidelijking van tekstdelen die onduidelijk zijn als gevolg van stuntelig taalgebruik in het Engelstalige definitieve ontwerp;

4.

tekstwijzigingen die de tekst nauwer op de conclusies van de TWG doen aansluiten;

5.

verbeteringen van typografische fouten in het definitieve ontwerp;

6.

voorstellen om belangrijke vraagstukken die al in de kerntekst van het BREF zijn aangehaald, op te nemen in het punt „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” (zie punt 2.3.10).

Overeenkomstig artikel 13, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU maakt de Commissie het advies van het forum over de voorgestelde inhoud van het BREF toegankelijk voor het publiek en houdt zij er rekening mee bij de procedures voor de vaststelling van besluiten over de BBT-conclusies en in het definitieve gepubliceerde BREF.

1.4.   Vaststelling van de BBT-conclusies en publicatie van het BREF

De Commissie legt het ontwerpbesluit over de BBT-conclusies (zie punt 2.3.8 en hoofdstuk 3) voor aan het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde bedoelde comité, dat een advies afgeeft volgens de in artikel 75, lid 2, van de Richtlijn 2010/75/EU bedoelde procedure (zie punt 4.2).

Na de vaststelling van het besluit over de „BBT-conclusies” past het EIPPCB indien nodig het BREF aan het vastgestelde besluit over de BBT-conclusies aan en maakt het de Engelstalige versie van het definitieve BREF onverwijld openbaar. De besluiten over de BBT-conclusies worden in het Publicatieblad bekendgemaakt in de officiële talen van de Unie.

HOOFDSTUK 2

Inhoud en toepassingsgebied van BREF’s

2.1.   Inleiding

Een BREF is een technisch document met feitelijke technische en economische informatie. Het is het resultaat van de overeenkomstig artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU georganiseerde uitwisseling van informatie en bevat de nodige elementen voor de vaststelling van de BBT-conclusies over de betrokken activiteiten.

Wanneer een TWG problemen vaststelt die buiten het toepassingsgebied van het BREF of Richtlijn 2010/75/EU vallen, worden deze niet in het BREF opgenomen.

Bedrijven (met name installaties en leveranciers), handelsnamen, personen die een bijdrage hebben geleverd en leden van de TWG kunnen in een BREF bij naam worden genoemd indien een dergelijke vermelding specifiek ten doel heeft de lezer te helpen nadere informatie over een thema te vinden en niet in strijd is met het mededingingsrecht.

2.2.   Structuur van een BREF

Volgens de in artikel 3, lid 11, van Richtlijn 2010/75/EU vastgestelde definitie van een BREF geeft een BREF met name een beschrijving van toegepaste technieken, huidige emissies en verbruiksniveaus, technieken die in overweging worden genomen voor de bepaling van de beste beschikbare technieken, alsmede BBT-conclusies en eventuele technieken in opkomst.

Een BREF omvat normaliter de in de onderstaande tabel genoemde delen:

 

Voorwoord

 

Toepassingsgebied

 

Hoofdstuk: Algemene informatie over de betrokken bedrijfstak

 

Hoofdstuk: Toegepaste processen en technieken

 

Hoofdstuk: Huidige emissies en verbruiksniveaus

 

Hoofdstuk: Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT

 

Hoofdstuk: Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)

 

Hoofdstuk: Technieken in opkomst

 

Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden

 

Bronnen

 

Verklarende woordenlijst

 

Bijlagen (afhankelijk van de relevantie voor de bedrijfstak en de beschikbaarheid van informatie)

De structuur van alle BREF’s moet overeenstemmen met de in dit punt vastgestelde algemene beginselen. De hier vermelde volgorde van de hoofdstukken is echter slechts een voorbeeld. De structuur van een BREF kan worden aangepast wanneer het onderwerp van het BREF dat vereist. „Horizontale” BREF’s (zie punt 1.1.2) kunnen sterk van deze basisstructuur afwijken en bepaalde hoofdstukken zijn mogelijk zelfs helemaal niet relevant. Toch moet de TWG ook voor „horizontale” BREF’s proberen overeenstemming te bereiken over BBT-conclusies voor zover deze relevant zijn en kunnen worden getrokken.

Indien een BREF betrekking heeft op verschillende deelbedrijfstakken of duidelijk onderscheiden stappen van een proces binnen een bedrijfstak, kan het aangewezen zijn voor elk van die bedrijfstakken of stappen van het proces een afzonderlijk hoofdstuk te voorzien dat volgens de voornoemde structuur is opgebouwd („Algemene informatie” tot „Technieken in opkomst”).

2.3.   Inhoud van BREF’s

2.3.1.   Algemene informatie over de inhoud van BREF’s

Bij het opstellen en het evalueren van BREF’s wordt gestreefd naar beknoptheid, wordt prioritair gekeken naar de BBT-conclusies en wordt het beschrijvende deel zo kort mogelijk gehouden. Teneinde herhaling van informatie tot een minimum te beperken, kunnen kruisverwijzingen naar andere BREF’s (of daarin besproken thema’s) worden opgenomen.

2.3.2.   Voorwoord

In het beknopte standaardonderdeel „Voorwoord” van het BREF wordt de structuur van het document beschreven, wordt de wettelijke achtergrond kort geschetst (zonder Richtlijn 2010/75/EU uit te leggen) en wordt bondig beschreven hoe het document tot stand is gekomen (bv. hoe informatie is verzameld en beoordeeld). De tekst wordt aangepast aan de individuele structuur van elk BREF.

2.3.3.   Toepassingsgebied

In het doorgaans beknopte onderdeel „Toepassingsgebied” van het BREF wordt zo nauwkeurig mogelijk beschreven op welke activiteiten het document betrekking heeft.

Daarbij wordt op zijn minst verwezen naar de desbetreffende in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU genoemde activiteiten. In voorkomend geval wordt nadere informatie opgenomen over de productie- en deelprocessen waarop het document betrekking heeft.

In dit punt worden ook aangegeven welke activiteiten en processen bewust van het toepassingsgebied van het BREF worden uitgesloten, alsmede de redenen voor die uitsluiting. Tevens wordt melding gemaakt van de voornaamste daarmee „rechtstreeks samenhangende” activiteiten waarop het document betrekking heeft, zelfs wanneer het geen in bijlage I genoemde activiteiten betreft.

Wanneer de vermelding van andere relevante BREF’s nodig wordt geacht, wordt een kruisverwijzing naar de betrokken BREF’s (of daarin besproken thema’s) opgenomen.

Het toepassingsgebied van een BREF moet duidelijk worden afgebakend wanneer het ruimer of enger is dan het toepassingsgebied van de overeenkomstige in bijlage I genoemde activiteit of activiteiten op grond van Richtlijn 2010/75/EU. De omschrijving van het toepassingsgebied van een BREF vormt geen juridische uitlegging van de in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU beschreven activiteiten.

Voor „horizontale” BREF’s worden de behandelde punten beschreven, alsook de toepasselijkheid daarvan met betrekking tot de in bijlage I bij Richtlijn 2010/75/EU genoemde activiteiten.

2.3.4.   Algemene informatie over de betrokken bedrijfstak

Het korte inleidende hoofdstuk „Algemene informatie over de betrokken bedrijfstak” van het BREF bevat recente algemene informatie over de bedrijfstak waarop het BREF betrekking heeft, met name het aantal installaties en de omvang, de geografische spreiding, de productiecapaciteit en de economische aspecten daarvan. Het geeft een idee van de belangrijkste milieuproblemen in de bedrijfstak, met waar mogelijk algemene emissie- en verbruiksgegevens (met betrekking tot de belangrijkste milieuproblemen) als achtergrondinformatie.

Bij het opstellen of het evalueren van een BREF hoeft aan dit inleidende hoofdstuk geen bijzondere aandacht te worden besteed.

2.3.5.   Toegepaste processen en technieken

In het hoofdstuk „Toegepaste processen en technieken” van het BREF worden kort de productieprocessen beschreven die momenteel worden toegepast in de industriële bedrijfstak(ken) waarop het BREF betrekking heeft en worden de technieken aangehaald waarmee emissies worden voorkomen en verminderd.

De in bijlage I bij de richtlijn genoemde activiteiten worden behandeld alsook de daarmee „rechtstreeks samenhangende activiteiten”, waarbij op de toepasselijkheid van andere BREF’s op bepaalde aspecten van sommige van die daarmee „samenhangende activiteiten” wordt gewezen. Er worden varianten van processen beschreven, alsmede nieuwe tendensen en alternatieve processen voor zover deze relevant zijn voor de vaststelling van BBT. Om de beschrijving zo beknopt mogelijk te houden, wordt ook gebruikgemaakt van diagrammen en stroomschema’s.

In dit hoofdstuk worden de opeenvolgende stappen in een typische productie-eenheid uiteengezet. Daarbij worden enkele of alle van de onderstaande punten aangehaald (met eventuele aanpassingen om rekening te houden met de specifieke kenmerken van verwerkingseenheden of landbouwbedrijven), aangezien zij van belang kunnen zijn voor de vaststelling van BBT:

gebruikte grondstoffen (inclusief secundaire en gerecycleerde grondstoffen) en hulpstoffen, inclusief water en energie;

gebruikte hulpstoffen en -materialen;

bereiding van grondstoffen (inclusief opslag en hantering);

materiaalverwerking;

productvervaardiging;

productafwerking;

toegepaste technieken ter voorkoming of vermindering van emissies;

opslag en hantering van halffabricaten en afgewerkte producten;

hantering en bestemming van bijproducten en afval of residuen.

Er wordt een beschrijving gegeven van de werkelijke of mogelijke verbanden en koppelingen tussen de verschillende activiteiten en processen, met name wanneer deze de algemene milieuprestaties kunnen beïnvloeden (bijvoorbeeld wanneer bijproducten, afval of residuen van een bepaalde activiteit kunnen worden gebruikt als grondstof voor een andere).

2.3.6.   Huidige emissies en verbruiksniveaus

In het hoofdstuk „Huidige emissies en verbruiksniveaus” van het BREF wordt ingegaan op de bandbreedte van de huidige emissies en verbruiksniveaus voor het volledige proces of de volledige processen en de deelprocessen daarvan, met vermelding van de toegepaste technieken. De informatie van de in punt 5.2 bedoelde gegevensverzamelingen kan daartoe worden gebruikt. Om een idee te kunnen geven van de relatieve milieuprestaties van vergelijkbare activiteiten, is informatie over de productieniveaus vereist, zodat de emissie- en verbruiksniveaus per productie-eenheid kunnen worden uitgedrukt.

De informatie omvat het huidige verbruik van energie, water en grondstoffen. De gegevens hebben betrekking op de emissies van de belangrijkste lucht- en waterverontreinigende stoffen en de productie van afval of residuen als gevolg van de activiteiten, alsmede op geluids- en geuremissies, indien van toepassing. Voor zover de informatie beschikbaar is, worden ook de input en de output van deelprocessen gespecificeerd, zodat de uit milieuoogpunt belangrijke deelprocessen in de verf worden gezet en een overzicht wordt gegeven van de mogelijkheden voor recycling en hergebruik van materialen binnen het volledige proces of in een bredere context. De in dit hoofdstuk opgenomen informatie en gegevens leggen de basis voor de evaluatie van de voornaamste cross-media-effecten en interdependenties.

De in dit hoofdstuk van het BREF opgenomen emissie- en verbruiksgegevens worden zoveel mogelijk onderbouwd met gedetailleerde informatie over de bedrijfsomstandigheden (bv. percentage van de volledige capaciteit, inachtneming of uitsluiting van andere dan normale bedrijfsomstandigheden, referentieomstandigheden enz.) en de bemonsterings- en analytische methoden. Daarbij kan cijfermateriaal grafisch worden weergegeven (bv. gemiddelden, maxima, minima en bandbreedten).

2.3.7.   Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT

2.3.7.1.   Algemene informatie over de te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT

Het hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF is essentieel voor de BBT-conclusies. Het geeft een overzicht van de technieken en de daarbij horende monitoring die worden gebruikt om:

emissies in lucht, water (inclusief grondwater) en bodem te voorkomen of, indien dat onmogelijk is, te verminderen;

afvalproductie te voorkomen of te verminderen.

De in dit hoofdstuk van het BREF beschreven technieken zijn de meest relevante voor de vaststelling van BBT voor de betrokken activiteiten. De beschrijvingen vermelden niet alleen de toegepaste technologie, maar ook de wijze waarop de installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld.

Er worden technieken beschreven die het verbruik van grondstoffen, water en energie verminderen, alsmede maatregelen die de negatieve gevolgen van ongevallen en incidenten voor het milieu voorkomen of beperken en terreinsaneringsmaatregelen. Ook maatregelen die worden toegepast om verontreiniging in andere dan normale bedrijfsomstandigheden te voorkomen of te beperken, zoals opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging, worden in het hoofdstuk opgenomen.

Verouderde technieken worden niet besproken.

Aangezien BREF’s geen handboek zijn over technieken om verontreiniging te voorkomen en te bestrijden, worden de technieken in dit hoofdstuk slechts kort beschreven.

Indien een techniek al voldoende uitgebreid is beschreven in een ander BREF, kan naar het BREF in kwestie worden verwezen. Eventuele bedrijfstakspecifieke variaties worden in het punt „Technische beschrijving” van het te actualiseren BREF vermeld. Het BREF omvat ook bedrijfstakspecifieke informatie in de punten „Milieuprestaties en bedrijfsgegevens”, „Toepasselijkheid” en „Voorbeeldinstallaties”.

Deze verzameling mogelijke technieken omvat technieken voor zowel het voorkomen als het bestrijden van verontreiniging, waarbij wordt erkend dat emissiepreventie, indien praktisch uitvoerbaar, de voorkeur heeft boven emissiereductie. Er wordt aandacht besteed aan goede exploitatiepraktijken en (preventieve) onderhoudssystemen, procesbeheersingsmethoden en voorzieningen voor onvoorziene gebeurtenissen. Technieken die in de bedrijfstak ingang beginnen te vinden en in andere bedrijfstakken al geruime tijd worden toegepast, worden indien relevant eveneens vermeld.

Dit hoofdstuk van het BREF moet alle nodige informatie verschaffen om te kunnen beoordelen of een techniek, afzonderlijk dan wel in combinatie met andere technieken, kan worden gezien als een BBT voor de desbetreffende bedrijfstak en of deze in de bedrijfstak kan worden toegepast. Technieken worden in dit hoofdstuk opgenomen zonder dat eerst wordt nagegaan of zij wel aan alle BBT-criteria voldoen (zie artikel 3, lid 10, en bijlage III van Richtlijn 2010/75/EU).

Bij elke techniek wordt aangegeven of deze van toepassing is op bestaande installaties, uitsluitend op nieuwe installaties dan wel op nieuwe en bestaande installaties. Er wordt gepoogd zowel technieken die weinig kosten met zich brengen als technieken die hoge kosten met zich brengen in de verzameling op te nemen.

2.3.7.2.   Voor elke techniek te verstrekken informatie

De over alle technieken te verstrekken informatie omvat bij voorkeur alle elementen uit de onderstaande tabel.

 

Beschrijving

 

Technische beschrijving

 

Gerealiseerde milieuvoordelen

 

Milieuprestaties en bedrijfsgegevens

 

Cross-media-effecten

 

Technische overwegingen inzake toepasselijkheid

 

Economische aspecten

 

Stimulansen voor ingebruikneming

 

Voorbeeldinstallaties

 

Referentieliteratuur

De algemene beginselen voor het verzamelen van gegevens, inclusief de bovengenoemde informatie, zijn te vinden in hoofdstuk 5.

2.3.7.2.1.   Beschrijving

Er wordt een korte beschrijving van de techniek gegeven, die in de BBT-conclusies zal worden gebruikt (zie punt 3.2).

2.3.7.2.2.   Technische beschrijving

Een meer gedetailleerde doch bondige technische beschrijving, waarin eventueel chemische en andere vergelijkingen, afbeeldingen, diagrammen en stroomschema’s worden opgenomen.

2.3.7.2.3.   Gerealiseerde milieuvoordelen

In dit punt worden de belangrijkste mogelijke milieuvoordelen van de techniek opgesomd (inclusief een daling van het energieverbruik, van de emissies in water, lucht en bodem en van het grondstoffenverbruik, alsmede een stijging van de productieopbrengst, een daling van de afvalproductie enz.).

2.3.7.2.4.   Milieuprestaties en bedrijfsgegevens

In dit punt worden reële prestatiegegevens opgenomen van specifieke installaties (5) (inclusief emissies (6), verbruiksniveaus - van grondstoffen, water en energie - en geproduceerde hoeveelheden residuen of afval) die met de techniek werken en goed presteren op milieugebied in het algemeen. Deze gegevens worden aangevuld met relevante achtergrondinformatie als bedoeld in punt 5.4.

Alle andere nuttige informatie over de volgende elementen wordt eveneens opgenomen:

de wijze waarop de techniek wordt ontworpen, geëxploiteerd, onderhouden, gecontroleerd en ontmanteld (zie ook punt 5.4);

emissiemonitoringkwesties in verband met de toepassing van de techniek (zie ook punt 5.4.7);

gevoeligheid en duurzaamheid van de techniek;

aspecten van milieuongevallenpreventie.

Verbanden tussen input (bv. aard van en hoeveelheid grondstoffen en brandstof, energie en water) en output (emissies, residuen of afval en producten) worden beklemtoond, met name wanneer deze van belang zijn voor een beter begrip van de verschillende milieugevolgen en hun onderlinge wisselwerking, bijvoorbeeld wanneer een afweging is gemaakt tussen verschillende outputs, waardoor bepaalde milieuprestatieniveaus niet tegelijkertijd kunnen worden gehaald.

Emissie- en verbruiksgegevens worden zoveel mogelijk onderbouwd met gedetailleerde informatie over de bedrijfsomstandigheden (bv. percentage van de volledige capaciteit, inaanmerkingneming of uitsluiting van andere dan normale bedrijfsomstandigheden, referentieomstandigheden enz.), bemonsterings- en analytische methoden en statistieken (bv. korte- en langetermijngemiddelden, maxima, bandbreedten en verdelingen; zie met name punt 5.4.7).

Er wordt ook informatie gegeven over voorwaarden of omstandigheden die ertoe leiden dat de (emissies verminderende) techniek niet optimaal kan worden gebruikt en/of dat de (emissies verminderende) techniek geheel of gedeeltelijk moet worden omzeild, alsmede over genomen maatregelen die de benutting van de volledige capaciteit van de (emissies verminderende) techniek weer mogelijk maakt.

De in dit deel van het BREF opgenomen informatie is essentieel voor de afleiding van met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus (zie punt 3.3).

2.3.7.2.5.   Cross-media-effecten

In dit punt worden de relevante negatieve milieueffecten van toepassing van de techniek vermeld, zodat technieken met elkaar kunnen worden vergeleken en de impact ervan op het milieu in zijn geheel kan worden beoordeeld. Het kan onder meer gaan om thema’s als:

verbruik en aard van grondstoffen en water;

energieverbruik en bijdrage aan de klimaatverandering;

mogelijke bijdrage aan het afbreken van de ozonlaag in de stratosfeer;

vermogen tot fotochemische ozonvorming;

verzuring ten gevolge van emissies in de lucht;

vaste deeltjes in de lucht (inclusief microdeeltjes en metalen);

eutrofiëring van bodem en water als gevolg van emissies in lucht of water;

vermogen tot zuurstofdepletie in water;

persistente, toxische of bio-accumuleerbare stoffen (inclusief metalen);

productie van residuen of afval;

beperking van het vermogen om residuen of afval te hergebruiken of te recycleren;

geluidsoverlast en geurhinder;

verhoogd ongevallenrisico.

Het Reference Document on Economics and Cross-media Effects (referentiedocument betreffende economische aspecten en cross-media-effecten) moet in aanmerking worden genomen wanneer sprake is van aanzienlijke cross-media-effecten.

2.3.7.2.6.   Technische overwegingen inzake toepasselijkheid

Indien de techniek kan worden toegepast in de hele industriële bedrijfstak waarop het BREF betrekking heeft (zie punt 2.3.3), wordt daar uitdrukkelijk op gewezen. Zo niet worden de belangrijkste algemene technische beperkingen op het gebruik van de techniek in de bedrijfstak vermeld.

De belangrijkste bedrijfstakspecifieke beperkingen die wellicht worden aangehaald zijn:

een vermelding van het type installaties of processen in de bedrijfstak waarop de techniek niet kan worden toegepast;

voorwaarden voor de toepassing van de techniek in bepaalde algemene gevallen, met inachtneming van bv.:

het feit dat het om een nieuwe of een bestaande installatie gaat, rekening houdend met factoren die een rol spelen bij de modernisering van bestaande installaties (bv. beschikbare ruimte) en wisselwerkingen met reeds toegepaste technieken;

de omvang, de capaciteit (groot of klein) en de belastingsfactor van de installatie;

de hoeveelheid, het type en de kwaliteit van het vervaardigde product;

de gebruikte brandstof- of grondstofsoort;

dierenwelzijn;

de klimatologische omstandigheden.

Deze beperkingen dienen ook met redenen te worden omkleed.

Deze beperkingen zijn geen opsomming van de mogelijke plaatselijke omstandigheden die de toepasselijkheid van de techniek in een individuele installatie kunnen beïnvloeden.

2.3.7.2.7.   Economische aspecten

In dit punt wordt informatie gegeven over de kosten van technieken (kapitaal/investering, exploitatie en onderhoud, inclusief gedetailleerde informatie over hoe deze kosten zijn berekend of geschat), mogelijke besparingen als gevolg van de toepassing ervan (bv. lager verbruik van grondstoffen, minder afvalkosten en een kortere terugverdientijd dan bij andere technieken) en inkomsten of andere voordelen, inclusief gedetailleerde informatie over de wijze waarop deze zijn berekend of geschat.

Gegevens over kosten worden bij voorkeur uitgedrukt in euro (EUR). Indien een andere valuta wordt omgerekend, worden de gegevens in de oorspronkelijke valuta alsmede het jaar waarin de gegevens zijn verzameld eveneens vermeld. Dat is belangrijk, omdat wisselkoersen in de tijd variëren. Bij de prijs en de kosten van de apparatuur of de dienst wordt het jaar van aankoop vermeld.

Gegevens over kosten worden bij voorkeur uitgedrukt als marginale kosten om de verandering in de totale kosten te kunnen beoordelen.

Indien beschikbaar wordt marktinformatie gegeven voor de bedrijfstak, zodat de kosten van technieken in perspectief kunnen worden geplaatst.

Er dient informatie over zowel nieuwe als bestaande installaties te worden opgenomen, zodat waar mogelijk een analyse kan worden gemaakt van de economische levensvatbaarheid van de techniek voor de bedrijfstak en van de mogelijke economische beperkingen op de toepasselijkheid ervan.

Er moet informatie over de kosteneffectiviteit van de techniek (bv. in EUR per minder uitgestoten massa verontreinigende stof) worden verstrekt indien deze van belang is voor de beoordeling van de economische levensvatbaarheid, overeenkomstig artikel 3, lid 10, onder b), van Richtlijn 2010/75/EU.

Het Reference Document on Economics and Cross-media Effects (ECM) en het Reference Document on the General Principles of Monitoring (MON) dienen in aanmerking te worden genomen voor respectievelijk de economische aspecten en de monitoringkosten.

Problemen in verband met vertrouwelijkheid dienen te worden opgelost overeenkomstig punt 5.3.

2.3.7.2.8.   Stimulansen voor ingebruikneming

In voorkomend geval wordt vermeld welke specifieke plaatselijke omstandigheden, voorschriften (bv. wetgeving en veiligheidsmaatregelen) of niet-milieugerelateerde prikkels (bv. hogere opbrengst, beter productkwaliteit, economische stimulansen, zoals subsidies en belastingverminderingen enz.) exploitanten tot op heden hebben aangemoedigd of ertoe gebracht de techniek toe te passen.

Dit deel van het BREF moet erg kort worden gehouden en bestaat uit een puntsgewijze opsomming.

Voorbeelden van informatie die in deze context moet worden vermeld, zijn:

informatie over het type en de kwaliteit van de ontvangende wateren (bv. temperatuur en zoutgehalte);

informatie over milieukwaliteitsnormen;

informatie over een toename van de productie of een stijging van de productiviteit.

2.3.7.2.9.   Voorbeeldinstallaties

Er wordt een lijst gegeven van de installaties waarin de techniek wordt toegepast en waarover informatie werd verzameld die voor de opstelling van het punt van het BREF over de desbetreffende techniek werd gebruikt. Daarbij wordt ook aangegeven in welke mate de techniek in de Unie of de wereld wordt toegepast.

De vermelding van namen van installaties in dit punt van het BREF wordt als erg nuttig beschouwd en levert doorgaans geen problemen op in verband met vertrouwelijkheid (zie punt 5.3).

2.3.7.2.10.   Referentieliteratuur

Er wordt verwezen naar de literatuur en ander referentiemateriaal (bv. boeken, verslagen en studies) die bij het opstellen van het punt zijn gebruikt en die nadere informatie bevatten over de techniek. Wanneer het referentiemateriaal een groot aantal bladzijden telt, wordt verwezen naar de desbetreffende bladzijden of hoofdstukken.

Referentieliteratuur wordt indien mogelijk ter beschikking gesteld op BATIS.

2.3.8.   Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)

In het hoofdstuk „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” van het BREF worden de conclusies vastgesteld over wat de BBT zijn voor de bedrijfstak, op basis van de informatie-uitwisseling als beschreven in de voorgaande hoofdstukken en met inaanmerkingneming van de in artikel 3, lid 10, vastgestelde definitie van „beste beschikbare technieken” en de in bijlage III bij Richtlijn 2010/75/EU genoemde criteria. Bij de opstelling van deze BBT-conclusies worden de milieuprestaties van de technieken, inclusief de cross-media-effecten ervan, alsook de aan de technieken verbonden kosten voor de betrokken industriële bedrijfstak in overweging genomen.

Dit hoofdstuk wordt zo opgesteld dat het zonder ingrijpende wijzigingen kan worden opgenomen in een document dat kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Richtlijn 2010/75/EU en kan worden gebruikt als „BBT-conclusies” overeenkomstig de definitie in artikel 3, lid 12, van Richtlijn 2010/75/EU.

Het dient te worden opgemerkt dat bewijsmateriaal (met name betrouwbare technische en economische informatie) dat als basis dient voor de erkenning van een techniek als BBT van één of meer installaties kan komen die de techniek ergens ter wereld toepassen. Indien de informatie over de techniek slechts van één installatie en/of uitsluitend van in derde regio’s gevestigde installaties komt, voert de TWG een grondige analyse uit van de toepasselijkheid ervan in de bedrijfstak.

Meer informatie over de BBT-conclusies en de elementen die daar overeenkomstig artikel 3, lid 12, van Richtlijn 2010/75/EU in moeten worden opgenomen, is te vinden in hoofdstuk 3.

2.3.9.   Technieken in opkomst

In artikel 3, lid 14, van Richtlijn 2010/75/EU wordt een „techniek in opkomst” gedefinieerd als een nieuwe techniek voor een industriële activiteit die, als zij commercieel wordt ontwikkeld, hetzij een hoger algemeen beschermingsniveau voor het milieu hetzij ten minste hetzelfde beschermingsniveau voor het milieu en grotere kostenbesparingen kan opleveren dan de bestaande beste beschikbare technieken.

In het hoofdstuk „Technieken in opkomst” van het BREF worden dergelijke technieken in opkomst vastgesteld. Daarbij dient erover te worden gewaakt dat enkel technieken worden opgenomen die reeds voldoende zijn ontwikkeld, zodat er een gerede kans bestaat dat zij in de (nabije) toekomst BBT worden.

Voor elke techniek in opkomst dient op zijn minst de volgende informatie te worden verstrekt: een beschrijving van de techniek, de potentiële prestaties ervan ten opzichte van bestaande beste beschikbare technieken, een voorlopige raming van de kosten en de baten alsook een indicatie van de termijn waarbinnen de techniek commercieel „beschikbaar” zou kunnen worden.

In dit hoofdstuk kunnen ook technieken worden opgenomen die milieuproblemen aanpakken die in de desbetreffende bedrijfstak nog maar recent in de belangstelling zijn gekomen.

Reeds op industriële schaal toegepaste technieken worden besproken in het hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF (zie punt 2.3.7) en niet in het hoofdstuk „Technieken in opkomst”.

2.3.10.   Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden

In het korte punt „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” van het BREF worden de begindatum en de duur vastgesteld van het opstellings- of evaluatieproces van het BREF, alsook de belangrijkste mijlpalen (bv. bijeenkomsten van de TWG en afgeleverde formele ontwerpdocumenten).

Er wordt een overzicht gegeven van de instellingen en de organisaties die in de TWG vertegenwoordigd zijn en actief hebben bijgedragen aan de informatie-uitwisseling, alsmede van de belangrijkste informatiebronnen waarop het BREF is gebaseerd, met bijzondere aandacht voor opmerkelijke verslagen of bijdragen die het vertrouwen in de resultaten hebben bevorderd.

De mate waarin eensgezindheid heerste in de informatie-uitwisseling wordt aangegeven met de vermelding van de verschillende geldige (7) standpunten van de TWG-leden en de mate waarin deze door de overige TWG-leden werden gesteund.

In dit punt wordt voorts verwezen naar het advies van het forum over de voorgestelde inhoud van het BREF en eventuele problemen die tijdens de goedkeuringsprocedure van de BBT-conclusies moesten worden opgelost.

Er wordt een overzicht gegeven van onopgeloste vraagstukken en kennisleemten. Er worden ook aanbevelingen geformuleerd inzake verder onderzoek of het verzamelen van informatie met het oog op de volgende evaluatie van het document.

2.3.11.   Bronnen

Het punt „Bronnen” van het BREF bevat een lijst van de informatiebronnen die het EIPPCB heeft geraadpleegd voor de opstelling van het ontwerp, met name van de documenten die de leden van de TWG hebben verstrekt in het kader van de informatie-uitwisseling. Deze documenten worden op BATIS ter beschikking gesteld van de leden van de TWG (zie punt 4.7.1), tenzij deze vertrouwelijke informatie bevatten (zie punt 5.3) of niet verder mogen worden verspreid als gevolg van auteursrechten.

2.3.12.   Verklarende woordenlijst

In het punt „Verklarende woordenlijst” van het BREF, dat een standaardstructuur en -inleiding heeft, worden de specifieke technische termen opgesomd en gedefinieerd en worden alle in het document gebruikte acroniemen uitgelegd.

2.3.13.   Bijlagen

Afhankelijk van de relevantie voor de bedrijfstak en de beschikbaarheid van informatie kunnen bij het hoofdgedeelte van het BREF bijlagen worden gevoegd met aanvullende informatie uit de literatuur en/of gevalsstudies.

Er worden geen samenvattingen van wetgeving in het BREF opgenomen. Samenvattingen van door TWG-leden verstrekte nationale wetteksten die als referentie zijn gebruikt, kunnen eventueel op de website van het EIPPCB worden geplaatst.

HOOFDSTUK 3

BBT-conclusies

3.1.   Inleiding

„BBT-conclusies” zijn in artikel 3, lid 12, van Richtlijn 2010/75/EU gedefinieerd als „een document bestaande uit die delen van een BBT-referentiedocument met de conclusies over beste beschikbare technieken, de beschrijving ervan, gegevens ter beoordeling van de toepasselijkheid ervan, de met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus, de daarmee verbonden monitoring, de daarmee verbonden verbruiksniveaus en, in voorkomend geval, toepasselijke terreinsaneringsmaatregelen”.

Het hoofdstuk „Conclusies over beste beschikbare technieken (BBT)” wordt dan ook zo opgesteld dat alle voornoemde aspecten aan bod komen en dat het zonder al te ingrijpende wijzigingen kan worden opgenomen in een document dat kan worden vastgesteld overeenkomstig artikel 13, lid 5, van Richtlijn 2010/75/EU en als BBT-conclusies kan worden gebruikt overeenkomstig de definitie in artikel 3, lid 12, van het Richtlijn 2010/75/EU (zie punt 2.3.8).

Voor de duidelijkheid worden de activiteiten waarop de BBT-conclusies betrekking hebben op ondubbelzinnige wijze in het document omschreven. Bovendien wordt er uitdrukkelijk op gewezen dat de lijst met in de BBT-conclusies beschreven technieken prescriptief noch volledig is. Andere technieken mogen worden toegepast indien zij minstens een gelijkwaardig niveau van milieubescherming bieden. Voorts kunnen ook bedrijfstakspecifieke definities van „nieuwe installatie” en „bestaande installatie” worden gegeven.

De BBT-conclusies omvatten een aantal individuele conclusies die aangeven welke technieken of combinaties van technieken BBT vormen voor het halen van een bepaalde milieudoelstelling. Die technieken dienen te zijn besproken in het hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF.

Voor elke individuele BBT wordt al dan niet een milieuprestatieniveau vermeld. Dergelijke milieuprestatieniveaus zijn ofwel een emissieniveau ofwel een andere soort prestatieniveau.

Indien de bevoegde autoriteiten en exploitanten dat nuttig achten, kan in de BBT-conclusies ook worden aangegeven wanneer bepaalde technieken geen BBT zijn en bijgevolg bewust van de BBT-conclusies zijn uitgesloten om redenen als zwakke of ongeloofwaardige milieuprestaties, beperkte beschikbaarheid, economische factoren, technische en/of economische overwegingen betreffende de modernisering van installaties, cross-media-effecten of bedrijfszekerheid.

Overeenkomstig artikel 3, lid 12, van Richtlijn 2010/75/EU moet ook monitoring van de BBT in de BBT-conclusies worden aangesneden (monitoringfrequentie en -methoden). Dit kan in afzonderlijke conclusies over monitoring dan wel in het kader van andere conclusies, zoals conclusies waarin een milieuprestatiebandbreedte wordt vastgesteld.

BBT-conclusies dienen ook rekening te houden met andere dan normale bedrijfsomstandigheden (zoals opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging) wanneer deze van belang zijn voor de bescherming van het milieu.

Wanneer zulks passend wordt geacht, worden de individuele BBT-conclusies in groepen onderverdeeld op basis van gemeenschappelijke kenmerken, zoals milieuproblemen, stappen in het productieproces of eindproduct(en).

3.2.   Elementen van een individuele BBT-conclusie

3.2.1.   Algemeen

Iedere individuele BBT-conclusie dient te worden opgesteld volgens een standaardstructuur, die in wezen afhangt van het feit of al dan niet een milieuprestatieniveau met de BBT is geassocieerd.

Alle individuele BBT-conclusies worden genummerd, om verwijzingen te vergemakkelijken, en vermelden eerst de beoogde milieudoelstellingen en -voordelen (bv. stofemissies of waterverbruik of afvalproductie voorkomen dan wel verminderen). Vervolgens wordt aangegeven welke techniek of combinatie van technieken kan worden toegepast om die doelstellingen te halen.

Elke BBT-conclusie bevat een beschrijving van de techniek(en) of combinatie van technieken waarmee de genoemde milieudoelstellingen en -voordelen kunnen worden gerealiseerd, alsmede informatie aan de hand waarvan de toepasselijkheid in de betrokken bedrijfstak kan worden beoordeeld.

3.2.2.   Beschrijving van technieken

De beschrijving van de technieken is kort, maar bevat voldoende nuttige informatie voor de bevoegde autoriteiten en exploitanten. Het gebruik van onverklaarde letterwoorden en technisch jargon wordt vermeden. De korte beschrijvingen van de in het hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF (zie punt 2.3.7) moeten de basis vormen van de beschrijvingen in de BBT-conclusies.

In voorkomend geval komen in de beschrijving ook elementen van de definitie van de term „BBT” aan bod (bv. onderhoud, ontwerp, exploitatie en ontmanteling).

3.2.3.   Informatie voor het beoordelen van de toepasselijkheid van technieken

Tenzij anders is vastgesteld, kunnen de in de BBT-conclusies genoemde technieken in het algemeen worden toegepast op de betrokken activiteit. Eventuele beperkingen op de toepasselijkheid van een bepaalde techniek worden uitdrukkelijk vermeld. De informatie in het hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF (zie punt 2.3.7), vooral de in de punten „Technische overwegingen inzake toepasselijkheid”, „Economische aspecten” en „Cross-media-effecten” opgenomen informatie) moet de basis vormen voor de vermelding in de BBT-conclusies van eventuele toepasselijkheidsproblemen.

Informatie voor het beoordelen van de toepasselijkheid van bepaalde technieken omvat met name de volgende elementen, indien relevant: „nieuwe” tegenover „bestaande” installaties, omvang van de installatie, gebruikt procestype, gebruikte brandstof of grondstof, verbruiksniveaus, belastingsfactor, opbrengst of productiviteit, klimatologische omstandigheden en ruimtevereisten. Er worden geen cross-media-effecten vermeld, tenzij deze de toepasselijkheid beperken.

3.3.   Individuele BBT-conclusies met geassocieerde milieuprestatieniveaus

Mogelijke met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus zijn:

emissieniveaus;

verbruiksniveaus;

andere niveaus (bv. mate waarin emissies worden verminderd).

Er wordt een milieuprestatieniveau met een BBT geassocieerd wanneer daar een gegronde reden voor is. Het milieuprestatieniveau wordt bepaald op basis van de door de TWG uitgewisselde informatie, met inachtneming van de hoeveelheid en de kwaliteit van de gegevens over specifieke installaties die in het kader van de informatie-uitwisseling werd ontvangen.

De met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus worden uitgedrukt in bandbreedten veeleer dan in exacte waarden. Een bandbreedte kan de verschillen weerspiegelen (bv. verschillen in de zuiverheid en de kwaliteit van het eindproduct, alsmede verschillen in ontwerp, bouw, omvang en capaciteit van de installatie) die binnen eenzelfde installatietype tot variabele milieuprestaties bij de toepassing van BBT leiden.

Een echte bandbreedte verdient de voorkeur boven vermeldingen van het type „<X”, die minder informatie geven. Vermeldingen van het type „<X tot Y” (met „<X” voor de benedengrens van de bandbreedte en Y voor de bovengrens) zijn aanvaardbaar indien de benedengrens van de bandbreedte niet nauwkeurig kan worden bepaald, bv. omdat de in de informatie-uitwisseling verstrekte gegevens in de buurt liggen van de detectiegrens.

Het EIPPCB en de TWG analyseren de tijdens de informatie-uitwisseling verzamelde gegevens (zie hoofdstuk 5) om de beneden- en de bovengrens van de bandbreedte af te leiden.

Voor de vaststelling van de benedengrens moet gekeken worden naar de prestaties van installaties die de BBT die de beste milieuprestaties levert in normale bedrijfsomstandigheden toepast, zoals gemeld in de informatie-uitwisseling (hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF), tenzij de TWG die prestaties van de bandbreedte uitsluit. In dat geval wordt in het BREF toegelicht waarom de prestaties werden uitgesloten, aangezien de installatie die voor een bepaalde milieu-indicator het beste presteert niet noodzakelijk de beste prestaties levert voor andere indicatoren.

De bovengrens van het met de BBT geassocieerde milieuprestatiebandbreedte wordt afgeleid van de bandbreedte van de prestaties die worden behaald met de toepassing van de BBT (8) in normale bedrijfsomstandigheden.

Bij de vaststelling van de met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus kunnen afgeronde waarden worden gebruikt om rekening te houden met beperkingen inzake gegevensvergaring of technische problemen (bv. gebruik van verschillende monitoringmethoden en meetonzekerheid).

3.3.1.   Individuele BBT-conclusies met geassocieerde emissieniveaus

In artikel 3, lid 13, van Richtlijn 2010/75/EU worden „met de beste beschikbare technieken geassocieerde emissieniveaus” gedefinieerd als „de bandbreedte van emissieniveaus verkregen in normale bedrijfsomstandigheden met gebruikmaking van een beste beschikbare techniek of een combinatie van beste beschikbare technieken, uitgedrukt als een gemiddelde over een bepaalde periode, in specifieke referentieomstandigheden”.

„Emissie” wordt in artikel 3, lid 4, van Richtlijn 2010/75/EU gedefinieerd als „de directe of indirecte uitstoot, uit puntbronnen of diffuse bronnen van de installatie, van stoffen, trillingen, warmte of geluid in de lucht, het water of de bodem”.

In artikel 14, lid 1, onder f), worden opstarten en stilleggen, lekken, storingen en korte stilleggingen vermeld als voorbeelden van „andere dan normale bedrijfsomstandigheden”.

Een individuele BBT-conclusie met daarmee geassocieerde emissieniveaus (BBT-GEN’s) bevat een in cijfers uitgedrukte bandbreedte van emissieniveaus. De eenheden, de referentieomstandigheden (bv. zuurstofgehalte van rookgas, temperatuur en druk) — indien van toepassing — en het tijdsbestek op basis waarvan de gemiddelden worden berekend (bv. uur-, dag-, week-, maand- of jaargemiddelde) moeten op ondubbelzinnige wijze worden gedefinieerd. BBT-GEN’s kunnen worden opgesplitst in korte- en langetermijngemiddelden, indien dat noodzakelijk wordt geacht en de verstrekte gegevens dat mogelijk maken (zie ook punt 5.4.7).

Er kan informatie worden toegevoegd om uit te leggen in welke omstandigheden de benedengrens van de BBT-GEN’s kan worden bereikt of om verschillende prestaties van verschillende technieken aan te geven.

Er is een voorbeeld van een individuele BBT-conclusie met geassocieerde emissieniveaus voor de betrokken BBT opgenomen in figuur 3.1.

Figuur 3.1

Voorbeeld van een individuele BBT-conclusie waarin ook met de BBT geassocieerde emissieniveaus zijn opgenomen (BBT-GEN’s)

42.

Eén of meerdere van de onderstaande technieken worden gebruikt om de VOS-emissies van proces AA te verminderen.

 

Techniek

Beschrijving

Toepasselijkheid

a

Aa

[beschrijving]

nieuwe installaties

b

Bb

 

bestaande installaties

c

Cc

 

 

De BBT-GEN’s voor VOS zijn:

voor nieuwe installaties: een dagelijks gemiddelde van 10 - 20 mg C/Nm3 in referentieomstandigheden xx, yy, …;

voor bestaande installaties: een dagelijks gemiddelde van 20 - 30 mg C/Nm3 in referentieomstandigheden xx, yy, …

BBT-GEN’s kunnen naargelang de beschikbare informatie op één of meer wijzen worden uitgedrukt, inclusief de hieronder genoemde mogelijkheden:

als concentraties (massa uitgestoten verontreinigende stof per volume). Emissieniveaus worden doorgaans op deze wijze uitgedrukt, maar de referentieomstandigheden en het tijdsbestek op basis waarvan de gemiddelde waarden worden berekend zijn essentieel voor de onderlinge vergelijkbaarheid van de niveaus;

als specifieke massa (massa uitgestoten verontreinigende stof per massa vervaardigd product of massa gebruikte grondstof). In bepaalde gevallen zijn specifieke massa’s een betere prestatie-indicator dan concentraties, bijvoorbeeld wanneer de concentraties van verontreinigende stoffen stijgen door maatregelen ter vermindering van de afvalwaterproductie en het energieverbruik, zoals het sluiten van waterkringlopen. Daarbij is ook het tijdsbestek op basis waarvan de gemiddelden worden berekend essentieel voor de onderlinge vergelijkbaarheid.

3.3.2.   Individuele BBT-conclusies met andere geassocieerde milieuprestatieniveaus dan emissieniveaus

Er kunnen andere milieuprestatieniveaus dan emissieniveaus met bepaalde BBT geassocieerd worden. Voorbeelden zijn onder meer verbruik van materiaal, water of energie, afvalproductie, de mate waarin de emissie van verontreinigende stoffen wordt teruggedrongen en de duur van zichtbare emissies.

Met BBT geassocieerde verbruiksniveaus worden bij voorkeur uitgedrukt als het verbruik (bv. van grondstoffen, energie en water) per massa vervaardigd product (bv. in kg/t of MJ/t).

Voor energie- en waterverbruik kunnen de met BBT geassocieerde prestatieniveaus ook worden uitgedrukt als het verbruik per massa grondstof (bv. MJ/t of m3/t).

Wat afvalproductie betreft, worden de met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus bij voorkeur uitgedrukt in massa geproduceerd afval per massa vervaardigd product (bv. in kg/t product). Deze prestatieniveaus kunnen ook op andere manieren worden uitgedrukt, zoals in massa geproduceerd afval per massa grondstof (bv. in kg/t).

Individuele BBT-conclusies met andere geassocieerde milieuprestatieniveaus dan emissieniveaus hebben een soortgelijke structuur als die in figuur 3.1 (met andere milieuprestatieniveaus dan BBT-GEN’s).

3.4.   Individuele BBT-conclusies zonder met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus

Individuele BBT-conclusies zonder met BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus, bv. met betrekking tot monitoring, terreinsanering of milieubeheersystemen, hebben een soortgelijke structuur als die in figuur 3.1, met uitzondering van de informatie over de met de BBT geassocieerde milieuprestatieniveaus.

HOOFDSTUK 4

Organisatie van de informatie-uitwisseling

4.1.   Inleiding

De verschillende stappen van het proces voor de informatie-uitwisseling en de vaststelling van BBT-conclusies die zijn vastgelegd in artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU worden beschreven in punt 1.2.4.

Dit proces van informatie-uitwisseling wordt vaak het „Sevilla-proces” genoemd vanwege het feit dat het wordt gecoördineerd door het te Sevilla, in Spanje, gevestigde EIPPCB.

De rol van de belangrijkste deelnemers aan dit proces wordt beschreven in de punten 4.2 tot 4.5.

Belangrijke mijlpalen van het proces voor informatie-uitwisseling, instrumenten voor informatie-uitwisseling en kwesties met betrekking tot de beveiliging van persoonsgegevens worden beschreven in de punten 4.6 tot 4.8.

4.2.   De rol van het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité

Artikel 75 van Richtlijn 2010/75/EU voorziet in de oprichting van een comité, bestaande uit vertegenwoordigers van alle lidstaten, om de Commissie bij te staan in het kader van de tenuitvoerlegging van Richtlijn 2010/75/EU.

Op grond van artikel 13, lid 5, van de RIE moeten besluiten inzake BBT-conclusies worden aangenomen volgens de in Verordening (EU) nr. 182/2011 van het Europees Parlement en de Raad (9) vastgestelde onderzoeksprocedure. Het bij artikel 75, lid 1, van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde comité dient dan ook betrokken te worden bij het aannemen van besluiten inzake BBT-conclusies die uit de informatie-uitwisseling voortvloeien.

Overeenkomstig artikel 13, lid 3, is dat comité tevens betrokken bij de besprekingen over en het aannemen van de „richtsnoeren over het verzamelen van gegevens” en de „richtsnoeren over de opstelling van BBT-referentiedocumenten en over de kwaliteitsborging ervan, inclusief de geschiktheid van de inhoud en de structuur van de documenten” (namelijk het onderhavige document).

4.3.   De rol van het bij artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde forum

Het bij artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU ingestelde forum is een deskundigengroep bijeengeroepen door en onder voorzitterschap van de Commissie, bestaande uit vertegenwoordigers van de lidstaten, de betrokken bedrijfstakken en niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming. De aanstelling van leden van het forum geschiedt overeenkomstig Besluit 2011/C 146/03 van de Commissie van 16 mei 2011 tot oprichting van het forum (10), waarin ook de taak van het forum is vastgelegd.

De rol van het forum, zoals beschreven in overweging 14 en in artikel 13 van Richtlijn 2010/75/EU, is te zorgen voor een doeltreffende, actieve en transparante uitwisseling van informatie die resulteert in BBT-referentiedocumenten (BREF’s) van hoge kwaliteit, door de praktische regelingen voor de uitwisseling van informatie te bespreken en er advies over uit te brengen.

De belangrijkste taak van het forum is het evalueren van de resultaten van de BBT-informatie-uitwisseling in het licht van deze richtsnoeren en het geven van advies inzake de voorgestelde inhoud van de BREF’s die voortkomen uit de op technisch gebied verrichte werkzaamheden (zie punt 1.3). De leden van het forum zijn belast met de benoeming van hun vertegenwoordigers voor TWG’s (zie met name punt 4.4.2 waarin de taken en het profiel van TWG-leden worden besproken) en dienen gedurende het ontwerpproces contact met hen te onderhouden met het oog op de verwezenlijking van een actieve en doeltreffende informatie-uitwisseling.

Specifiek geeft het forum overeenkomstig artikel 13, lid 3, van Richtlijn 2010/75/EU advies over:

1.

het reglement van orde van het forum;

2.

het werkprogramma voor de informatie-uitwisseling;

3.

richtsnoeren over het verzamelen van gegevens;

4.

richtsnoeren over de opstelling van BBT-referentiedocumenten en over de kwaliteitsborging ervan, inclusief de geschiktheid van de inhoud en de structuur van de documenten.

Op het forum worden tevens algemene kwesties betreffende de informatie-uitwisseling besproken. Via het forum kunnen belanghebbenden hun mening geven over het proces van informatie-uitwisseling. Indien dat nodig wordt geacht kan het forum specifieke aspecten aandragen waaraan tijdens het opstellen of het evalueren van een BREF aandacht moet worden geschonken.

4.4.   De rol van de technische werkgroepen (TWG’s)

4.4.1.   Oprichting van TWG’s

Ten behoeve van het opstellen of het evalueren van een BREF wordt door de Commissie een TWG samengesteld (of opnieuw bijeengeroepen). Elke TWG bestaat uit technische deskundigen die optreden als vertegenwoordigers van de lidstaten, bedrijfstakken, niet-gouvernementele organisaties (ngo’s) die zich inzetten voor milieubescherming en de Commissie.

De benoeming van TWG-leden als deelnemer aan de informatie-uitwisseling is in de eerste plaats gebaseerd op hun deskundigheid op het gebied van techniek, economie, milieu of regelgeving (met name wat betreft vergunningen en inspecties van industriële installaties) evenals op hun vermogen om het perspectief van de eindgebruikers van BREF’s in het proces voor informatie-uitwisseling op te nemen.

De deskundigen voor elke TWG worden benoemd door de vertegenwoordigers van het forum. Hiertoe zenden de forumleden de namen en contactgegevens van hun TWG-kandidaten naar het EIPPCB.

Teneinde de doelmatigheid van de deelname van de betrokken bedrijfstakken aan de TWG’s te vergroten, kan de benoeming van hun leden worden gecoördineerd door de Europese bedrijfstakverenigingen.

4.4.2.   Verantwoordelijkheden en taken van de TWG

De TWG is belast met het opstellen of evalueren van een BREF waarin het resultaat van de informatie-uitwisseling voor een bepaalde bedrijfstak wordt vastgelegd.

De TWG vormt de belangrijkste informatiebron voor het opstellen en evalueren van een BREF. Het is daarom van essentieel belang dat de leden van de TWG actief betrokken zijn bij de informatie-uitwisseling. Leden van de TWG verbinden zich ertoe actief gegevens te verzamelen en deze in te leveren binnen de door de TWG afgesproken of door het EIPPCB voorgestelde termijn, waarbij zij de mededingingsregels in acht nemen.

De leden van de TWG zijn belast met verslaglegging aan het forumlid waardoor ze zijn benoemd, met name als zich problemen voordoen bij de informatie-uitwisseling.

De belangrijkste taken van een TWG-lid zijn:

1.

kennis nemen van de richtsnoeren in dit document en deze doorgronden;

2.

nieuwe/bijgewerkte kerngegevens en kwesties die relevant zijn voor het trekken of actualiseren van BBT-conclusies voor de bedrijfstak identificeren en registreren;

3.

actief gerichte technische en economische gegevens verzamelen die van belang zijn voor het opstellen/evalueren van een BREF, waaronder met name nieuwe/bijgewerkte emissie- en verbruiksniveaugegevens van installaties waarop het BREF betrekking heeft (voor de bedrijfstak/lidstaat die hij/zij vertegenwoordigt), aan de hand van het proces dat door de TWG is vastgesteld op basis van een algemeen richtsnoer van het EIPPCB conform de in hoofdstuk 5 van dit document vastgelegde documenten, eveneens met het oog op de oplossing van aangelegenheden als vertrouwelijke bedrijfsinformatie, volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie, belangenconflicten en andere daarmee verband houdende kwesties;

4.

de kwaliteit van de verzamelde gegevens en informatie verifiëren alvorens ze in te dienen bij het EIPPCB, met name de gegevens uit ingevulde formulieren/vragenlijsten die zijn gebruikt voor het verzamelen van installatiespecifieke informatie (zie punten 5.4 en 5.5);

5.

de verzamelde gegevens delen met andere TWG-leden en het EIPPCB door de informatie rechtstreeks op BATIS te plaatsen (zie punt 4.7.1), mogelijk met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsinformatie of volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie;

6.

tijdig reageren op verzoeken van het EIPPCB om aanvullende inlichtingen of toelichting (zie punt 1.2.4);

7.

binnen de vastgestelde termijnen opmerkingen indienen over formele ontwerpen van BREF’s en andere door het EIPPCB opgestelde documenten;

8.

vergaderingen van de TWG bijwonen en er actief aan deelnemen;

9.

ervaringen uitwisselen met het EIPPCB en andere TWG-leden (bv. tijdens bezoeken ter plaatse);

10.

contacten/netwerken met niet-leden van de TWG (bv. schaduwpanels van deskundigen, bevoegde autoriteiten, exploitanten of groepen exploitanten, nationale groepen) identificeren en opbouwen teneinde meer ervaring op te doen en deze te delen met de rest van de TWG en het EIPPCB.

Leden van de TWG zijn belast met het uploaden naar BATIS van alle informatie die zij hebben verzameld en ingediend in het kader van het proces voor het opstellen of evalueren van BREF’s (zie punt 4.7.1), mogelijk met uitzondering van vertrouwelijke bedrijfsinformatie of volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie (zie punt 5.3) Bij uitzondering kunnen gegevens door middel van een andere elektronische methode worden ingediend, bv. per e-mail.

Naar verwachting zal het meeste werk van TWG-leden plaatsvinden buiten de plenaire vergaderingen, namelijk bij het indienen van informatie en het evalueren van ontwerpversies van documenten. Met name dient de TWG voor een succesvolle ontwikkeling van een BREF binnen een beperkte termijn uitvoerig te reageren op omvangrijke ontwerpdocumenten. Hoewel tijdens alle werkzaamheden wordt gestreefd naar consensus binnen de TWG, is dit geen absolute vereiste en is het de taak van het EIPPCB ervoor te zorgen dat de relevante beschikbare informatie haar weerslag vindt in het BREF.

4.4.3.   TWG-subgroepen

De TWG kan besluiten om met het oog op specifieke elementen van de werkzaamheden subgroepen op te richten voor het verrichten van specifieke taken, zoals het verzamelen, analyseren, structureren en bespreken van informatie en gegevens, het bespreken van opmerkingen over ontwerpteksten of het opstellen en ontwikkelen van sjablonen of documenten. De werking van dergelijke subgroepen wordt op transparante wijze door het EIPPCB beheerd, zodat alle TWG-leden aan de groepen kunnen deelnemen en de werkzaamheden en resultaten van de subgroep kunnen volgen en begrijpen (vergaderagenda’s, -notulen en -verslagen worden bijvoorbeeld tijdig geüpload naar BATIS).

Vergaderingen van TWG-subgroepen kunnen worden gehouden in de gebouwen van de Commissie te Sevilla, in Spanje, of op andere locaties.

Besprekingen en werkzaamheden in de subgroepen vormen geen vervanging voor de plenaire vergaderingen van de TWG waar besluiten met betrekking tot de TWG als geheel worden genomen.

4.4.4.   Bezoeken ter plaatse

Bezoeken ter plaatse kunnen van belang zijn voor het verzamelen en valideren van informatie voor het opstellen en evalueren van BREF’s. TWG-leden kunnen voorstellen voor bezoeken ter plaatse doen aan het EIPPCB en aan andere TWG-leden. Informatie over bezoeken ter plaatse wordt lang genoeg van te voren bekendgemaakt aan de hele TWG, zodat vertegenwoordigers van de plaatselijke bevoegde autoriteiten en belangstellende TWG-leden voor zover mogelijk en met vermijding van belangenconflicten aan de bezoeken kunnen deelnemen. Beknopte verslagen van dergelijke bezoeken worden via BATIS aan de hele TWG ter beschikking gesteld (zie punt 4.7.1).

4.4.5.   Betrokkenheid van leveranciers van apparatuur bij de informatie-uitwisseling

„Leveranciers van apparatuur” die waardevolle technische en economische gegevens kunnen verschaffen voor het opstellen en evalueren van BREF’s moeten worden verzocht actief deel te nemen aan de informatie-uitwisseling, rechtstreeks als TWG-leden dan wel indirect als deskundigen die informatie verstrekken aan het EIPPCB of aan andere TWG-leden.

Het begrip „leveranciers van apparatuur” moet vrij breed worden geïnterpreteerd, teneinde de kennis over de informatie-uitwisseling te vergroten. Het belangrijkste criterium voor de betrokkenheid van „leveranciers van apparatuur” bij het proces voor informatie-uitwisseling is dat ze moeten beschikken over relevante technische en economische kennis/informatie die gunstig zou kunnen zijn voor de informatie-uitwisseling over BBT en de bijbehorende monitoring. De uitsluitend commerciële tussenpersonen (groothandelaars) die tegen winst apparatuur of diensten verkopen aan de exploitanten/eigenaars van de installaties, zonder noodzakelijkerwijs te beschikken over toereikend technisch inzicht in de werking van de „apparatuur” en kennis over de operationele prestaties ervan, zijn in beginsel hiervan uitgesloten.

De technische en economische kennis/informatie van de „leveranciers van apparatuur” kan betrekking hebben op een breed spectrum van activiteiten, zoals ontwikkeling, ontwerp, vergunningverlening, fabricage/bouw, levering, exploitatie, onderhoud, bewaking en ontmanteling van een installatie of een onderdeel daarvan (bv. een proces, systeem of component).

Een vertegenwoordiger van een „leverancier van apparatuur” die is benoemd voor een TWG wordt geacht om de facto op te treden als een vertegenwoordiger van „leveranciers van apparatuur” in het algemeen dan wel van een bepaalde subsector (niet uitsluitend als vertegenwoordiger van het bedrijf waarbij hij/zij in dienst is) teneinde een passende vertegenwoordiging van de bedrijfstak te verwezenlijken.

Daarom wordt aanbevolen om indien mogelijk vertegenwoordigers van verenigingen van leveranciers van apparatuur aan te trekken die informatie van afzonderlijke bedrijven kunnen doorgeven.

4.5.   De rol van het EIPPCB

De rol van het EIPPCB bestaat uit het coördineren van de informatie-uitwisseling en het zorgen voor de verzameling en verwerking van informatie conform de richtsnoeren in dit document met het oog op het opstellen of evalueren van de BREF’s.

Voor elk BREF leidt het wetenschappelijk personeel van het EIPPCB de werkzaamheden van de voor dit doel opgerichte TWG.

Het EIPPCB stuurt de werkzaamheden aan voor het bepalen van BBT zoals omschreven in Richtlijn 2010/75/EU en laat zich daarbij leiden door de beginselen van technische deskundigheid, transparantie en neutraliteit. De werkzaamheden van het bureau omvatten een onafhankelijke toetsing en analyse van de informatie die wordt verzameld ter afleiding van BBT-conclusies.

Als TWG-leden onvolledige of ontoereikende informatie verstrekken, stelt het EIPPCB de TWG en het forum daarvan op de hoogte en vraagt het om aanvullende informatie. Daarnaast tracht het EIPPCB lacunes in de informatie op te vullen door actief te zoeken naar ontbrekende of onvolledige gegevens (bv. gedurende bezoeken ter plaatse - zie punt 4.4.4 - of door contact op te nemen met personen/instellingen die niet rechtstreeks zijn vertegenwoordigd in de TWG). Voorts kan het EIPPCB telefonische vergaderingen of videovergaderingen organiseren als er behoefte bestaat om bepaalde kwesties met betrekking tot het opstellen of evalueren van een BREF te bespreken.

Voor de vervulling van zijn rol voert het EIPPCB met name de volgende taken uit:

1.

actieve deelname aan en ondersteuning van het verzamelen van informatie en opstellen van ontwerp-BREF’s;

2.

controle/toetsing van de ingediende gegevens/informatie en de verstrekker van de gegevens/informatie indien nodig geacht verzoeken om aanvulling/toelichting;

3.

leiding geven aan technische besprekingen in plenaire vergaderingen en vergaderingen van subgroepen van de TWG en deze vergaderingen voorzitten (zie ook punten 4.6.2 en 4.4.3);

4.

zorg dragen voor het algemeen beheer van het samenwerkingsinstrument BATIS (zie punt 4.7.1) teneinde de transparantie van de informatie-uitwisseling te waarborgen;

5.

presentatie van de definitieve ontwerp-BREF’s op vergaderingen van het forum (zie punt 4.3).

Andere door het EIPPCB verrichte taken staan vermeld in andere delen van dit document, met name in punt 4.6 tot 4.7.

Het EIPPCB-personeelslid dat de leiding heeft over de informatie-uitwisseling over een specifiek BREF wordt geacht een zeer grondig inzicht te hebben in procestechniek, milieukwesties, industriële regelgeving, processen voor de afgifte van milieuvergunningen en milieubeleid in de EU alsmede specifieke kennis over en inzicht in de betreffende bedrijfstak.

De vereiste kerncompetenties zijn technische kennis, organisatorische vaardigheden, communicatieve vaardigheden, vaardigheid in het opstellen van documenten, neutraliteit, integriteit en in staat zijn met technische documenten in de Engelse taal te werken en deze te schrijven.

4.6.   Mijlpalen in de informatie-uitwisseling

4.6.1.   Opstelling van de „verlanglijst”

Bij een BREF-evaluatie worden forumleden op het moment dat een TWG opnieuw in werking wordt gesteld, gevraagd om hun TWG-vertegenwoordiger(s) te benoemen en ontvangen de betreffende TWG-leden het verzoek om een „verlanglijst” op te stellen, aan de hand waarvan de besprekingen op de eerste vergadering worden georganiseerd en gestructureerd (zie punt 4.6.2.2).

Voor een doelgerichte evaluatie van het BREF moeten de verlangens voornamelijk betrekking hebben op belangrijke kwesties, zoals:

1.

het toepassingsgebied en de structuur van het BREF (zie punten 2.3.3 en 2.2);

2.

ontbrekende, verouderde, onvolledige of onduidelijke BBT-milieuprestatieniveaus of aan BBT gerelateerde milieuprestatieniveaus (zie punt 2.3.8 en hoofdstuk 3);

3.

de soort en structuur van de installatiespecifieke gegevens die moeten worden verzameld ten behoeve van de evaluatie (zie punt 5.4);

4.

bijwerking van de bandbreedte van de huidige emissies en verbruiksniveaus voor het proces (of de processen) als geheel en voor de bijbehorende subprocessen, samen met een aanduiding van de gebruikte technieken;

5.

nieuwe „te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” alsmede nieuwe „technieken in opkomst” en processen waarvan de toepassing milieu- en/of economische voordelen zouden opleveren voor de bedrijfstak (zie punten 2.3.7 en 2.3.9);

6.

verbeteringen van bestaande technieken en processen met betrekking tot de bescherming van het milieu en/of economische aspecten (zie punt 2.3.7).

Daarom zouden de voorstellen gericht moeten zijn op het gedeelte van het BREF betreffende „Huidige emissies en verbruiksniveaus” (zie punt 2.3.6), maar hoofdzakelijk op de gedeelten „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” (zie punt 2.3.7), „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” (zie punt 2.3.8), „Technieken in opkomst” (zie punt 2.3.9) en „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” (zie punt 2.3.10).

Minder belangrijke kwesties (bv. spelfouten) moeten niet worden opgenomen in de „verlanglijst”. Tijdens de beginperiode van de gegevensverzameling en de periode voor opmerkingen die voor elk ontwerp-BREF worden georganiseerd, hebben TWG-leden de gelegenheid om dergelijke kwesties onder de aandacht te brengen bij de overige TWG-leden.

De „verlanglijst” zou moeten bestaan uit een reeks nieuwe en reeds beschikbare gegevens die de TWG wenst te verzamelen en te verstrekken.

Een „wens” is pas volledig bruikbaar als deze vergezeld gaat van:

1.

een relevante motivatie;

2.

eventueel beschikbare ondersteunende documenten/informatie;

3.

suggesties betreffende de soort en structuur van relevante informatie en hoe de voor de evaluatie nodig geachte informatie kan worden verzameld.

4.6.2.   Vergaderingen van de TWG

4.6.2.1.   Algemeen

Plenaire TWG-vergaderingen (bv. eerste vergaderingen en slotvergaderingen van de TWG) worden georganiseerd en voorgezeten door het EIPPCB en gehouden in de gebouwen van de Commissie in het Spaanse Sevilla. Op deze vergaderingen is Engels de voertaal. Deze TWG-vergaderingen worden ondersteund door een door het EIPPCB opgesteld achtergronddocument waarin de voorstellen voor te bespreken onderwerpen worden vermeld en dat voorafgaand aan de vergadering wordt toegezonden aan alle TWG-leden (zie punt 1.2.4).

Het EIPPCB kan aanvullende ad-hocvergaderingen organiseren met één of meer TWG-leden ter bespreking of toelichting van afzonderlijke kwesties of door TWG-leden gemaakte opmerkingen, met het oog op een geslaagde uitkomst van het proces van informatie-uitwisseling (zie ook punt 4.4.3 over TWG-subgroepen).

Het EIPPCB stelt beknopte notulen of aantekeningen van plenaire en ad-hocvergaderingen van de TWG op, die naar BATIS worden geüpload.

4.6.2.2.   Eerste vergadering

Zoals in punt 4.6.1 vermeld, vormt voor een BREF-evaluatie de lijst van wensen de basis voor het organiseren en structureren van de besprekingen op de eerste vergadering.

Op de eerste vergadering worden met name de hieronder vermelde punten besproken en worden hierover conclusies getrokken.

1.

Het toepassingsgebied en de structuur van het BREF.

2.

De aard en reikwijdte van de tijdens de evaluatie te verzamelen informatie. Met name dienen conclusies te worden getrokken aangaande:

i)

bedrijfstakspecifieke sjabloon/sjablonen voor informatieverzameling en verslaglegging (zie ook punten 5.4 en 5.5) evenals de strategie voor de verspreiding van deze sjablonen, met name om te voorkomen dat exploitanten meerdere verzoeken om gegevens ontvangen en om te voorkomen dat grote hoeveelheden gegevens worden verzameld die onbruikbaar zijn;

ii)

manieren om de representativiteit te waarborgen van de reeks gegevens die nodig is om BBT-conclusies te trekken.

3.

Een proces aan de hand waarvan de TWG indien relevant het volgende kan identificeren en duidelijk maken in het BREF:

i)

wat als „normale” en „andere dan normale” bedrijfsomstandigheden worden beschouwd voor de activiteiten die onder het BREF vallen;

ii)

welke maatregelen bestaan ter voorkoming of, indien dat niet mogelijk is, ter vermindering van de verontreiniging onder andere dan normale bedrijfsomstandigheden (zoals opstarten of stilleggen, omleiden van reductiesystemen; zie ook punt 2.3.7).

4.

Een algemeen tijdschema voor de werkzaamheden, gebaseerd op de typische workflow aangeduid in punt 1.2.4, met name wat betreft de termijn voor ontvangst van het merendeel van de informatie na de eerste vergadering.

5.

De specifieke taken die de TWG moet uitvoeren, waarbij met name wordt vermeld welk TWG-lid heeft beloofd om welke informatie aan te leveren.

6.

De eerste vergadering biedt tevens de gelegenheid om TWG-leden te informeren over kwesties de in verschillende BREF’s op dezelfde wijze moeten worden behandeld, met name:

i)

Hoe kan worden omgegaan met mogelijk vertrouwelijke bedrijfsinformatie, volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie, belangenconflicten en andere daarmee verband houdende kwesties (zie punt 5.3).

ii)

De interacties met andere BREF’s (zowel „horizontaal” als „verticaal”; zie punt 1.1.2).

iii)

Het specifieke instrument dat de TWG gaat gebruiken voor het verzamelen, uitwisselen en analyseren van informatie. Met name wordt het BATIS-systeem (zie punt 4.7.1) gepresenteerd aan de TWG, evenals de procedures voor het indienen van de op de eerste vergadering geïdentificeerde informatie (zie punt 4.6.3).

Een overzicht van de belangrijkste kwesties die op de eerste vergadering besproken zullen worden en van voorstellen van het EIPPCB wordt opgenomen in een achtergronddocument dat ten minste vier weken vóór de vergadering wordt toegezonden aan de leden van de TWG.

4.6.2.3.   Slotvergadering TWG

4.6.2.3.1.   Algemeen

De slotvergadering van de TWG dient voor het oplossen van uitstaande kwesties teneinde de technische besprekingen binnen de TWG af te ronden.

Met name worden de hieronder vermelde punten besproken en worden er conclusies over getrokken:

1.

de inhoud en structuur van de BBT-conclusies (zie hoofdstuk 3);

2.

eventuele wijzigingen aan te brengen in de hoofdstukken „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” (zie punt 2.3.7) en „Technieken in opkomst” (zie punt 2.3.9) van het BREF;

3.

zaken voor vermelding in het punt „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” van het BREF (zie punt 2.3.10).

Een overzicht van de belangrijkste kwesties die op de slotvergadering van de TWG besproken zullen worden en van voorstellen van het EIPPCB wordt opgenomen in een achtergronddocument dat ten minste vier weken vóór de vergadering wordt toegezonden aan de leden van de TWG. Het achtergronddocument bevat in elk geval een beoordeling van de belangrijkste ontvangen opmerkingen (zie punt 4.6.6). Het EIPPCB zal de TWG tevens ten minste de nieuwste versie voorleggen van de hoofdstukken „Huidige emissies en verbruiksniveaus” (zie punt 2.3.6), „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” (zie punt 2.3.7) en „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” (zie punt 2.3.8) van het BREF.

Op de slotvergadering van de TWG wordt gestreefd naar consensus onder de aanwezige TWG-leden aangaande de te trekken conclusies. Eventuele afwijkende meningen worden vastgelegd zoals aangegeven in punt 4.6.2.3.2 verderop.

4.6.2.3.2.   Afwijkende meningen

Het EIPPCB stelt een voorstel op voor BBT en milieuprestatieniveaus (zie punt 3.3) gerelateerd aan BBT op basis van de informatie die beschikbaar is op het moment dat het voorstel naar de leden van de TWG wordt verzonden ten behoeve van de slotvergadering (zie punt 4.6.2.3). Deze informatie kan alle specifieke voorstellen voor BBT of eraan gerelateerde milieuprestatieniveaus omvatten die van de TWG zijn ontvangen.

TWG-leden die het niet eens zijn met de ontwerp-BBT-conclusies worden geacht ter zake doende technische, cross-media- en economische argumenten aan te dragen. Dergelijke argumenten moeten in eerste instantie binnen de vastgestelde consultatietermijn worden ingediend als opmerkingen over het formele ontwerp-BREF (zie punt 1.2.4).

Als de TWG over een bepaalde kwestie uiteindelijk geen consensus bereikt, worden de afwijkende meningen en de argumenten daarvoor vastgelegd in het gedeelte „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” van het BREF, maar alleen mits aan de volgende voorwaarden is voldaan:

1.

de afwijkende mening is gebaseerd op informatie die reeds ten tijde van het opstellen van de ontwerp-BBT-conclusies voor het BREF aan het EIPPCB was verstrekt, dan wel is verstrekt binnen de termijn voor opmerkingen over het betreffende ontwerp;

2.

het betrokken lid/de betrokken leden van de TWG dragen een geldige argumentatie aan voor de afwijkende mening. Het EIPPCB acht een argumentatie geldig als deze wordt ondersteund door technische, cross-media- of economische gegevens of informatie die ter zake doen voor het definiëren van de BBT.

De lidstaten, milieu-ngo’s of bedrijfstakverenigingen die de afwijkende mening aanbrengen of ondersteunen, worden met name in het document genoemd (zie punt 2.3.10).

4.6.3.   Eerste gegevensverzamelingsronde na de eerste vergadering

Met uitzondering van ingevulde sjablonen/vragenlijsten (zie punt 5.4), gaat de informatie die wordt toegezegd of geïdentificeerd in de conclusies van de eerste vergadering (zie punt 4.6.2.2) en ingediend bij het EIPPCB vergezeld van één of meer „information mapping sheets” waarin wordt aangegeven op welke onderdelen van het BREF de ingediende informatie betrekking heeft.

Bij voorkeur moet de informatie vergezeld gaan van concrete voorstellen in de vorm van ontwerpteksten voor het BREF, alsmede de plaats waar deze moeten worden ingevoegd. Deze tekstvoorstellen dienen te voldoen aan de vereisten van deze richtsnoeren, met name die in punt 2.3.

De informatie wordt bij voorkeur in het Engels ingediend, ten behoeve van de toegankelijkheid voor de verschillende TWG-leden.

Het EIPPCB beoordeelt de ingediende „information mapping sheets” en geeft de TWG feedback, met name wat betreft de vraag of en hoe met de informatie rekening is gehouden in het BREF. Het EIPPCB geeft deze feedback op het moment dat het eerste ontwerp van het BREF uitkomt. Als de door een TWG-lid aangeleverde gegevens niet in aanmerking kunnen worden genomen, moet het EIPPCB het betreffende lid hiervan zo snel mogelijk op de hoogte stellen, zodat verbeteringen in de verstrekte informatie kunnen worden aangebracht.

4.6.4.   Verzoeken om aanvullende informatie (RAI)

RAI worden door het EIPPCB naar de TWG verzonden met het oog op het verzamelen van informatie die belangrijk is voor het vaststellen van BBT en aan BBT gerelateerde milieuprestatienormen die niet op de eerste vergadering zijn geïdentificeerd (zie punt 4.6.2.2) of die tijdens de eerste gegevensverzamelingsronde niet zijn aangeleverd. Een verzoek om aanvullende informatie zou geen lange gegevensverzamelingsperiode moeten meebrengen. De TWG krijgt feedback over het resultaat van een verzoek om aanvullende informatie.

4.6.5.   BREF-werkdocumenten en formele ontwerpen

4.6.5.1.   Formele ontwerpen

Formele ontwerpen van een nieuw of herzien BREF, zoals voorzien in punt 1.2.4, omvatten alle delen die staan vermeld in punt 2.3, mogelijk met uitzondering van het hoofdstuk „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)” van het BREF en het punt „Slotopmerkingen en aanbevelingen voor toekomstige werkzaamheden” van het BREF.

Een formeel ontwerp dat niet het definitieve formele ontwerp is, gaat vergezeld van een beoordeling van ten minste alle belangrijke opmerkingen die zijn ingediend over het eerdere formele ontwerp (zie punt 4.6.6). Het EIPPCB geeft de TWG feedback over alle ingediende opmerkingen (zowel de belangrijke als de minder belangrijke) alvorens het BREF aan het forum te presenteren zoals aangegeven in punt 4.6.6.

Elk formeel ontwerp van een herzien BREF krijgt de vorm van een geconsolideerde versie, waarin de nieuwe informatie en wijzigingen zijn gemarkeerd in vergelijking met:

1.

de vorige gepubliceerde versie van het BREF;

2.

de informatie in het eerdere ontwerp of de eerdere ontwerpen die tijdens het evaluatieproces is/zijn uitgewerkt.

Formele ontwerpen worden door het EIPPCB aan de TWG-leden toegezonden met het oog op collegiale toetsing van het document en het verzamelen van ontbrekende informatie. Opmerkingen dienen binnen een vastgestelde termijn (zie punten 1.2.4 en 4.6.6) en in een specifieke structuur te worden ingediend bij het EIPPCB.

4.6.5.2.   Concept-ontwerpen

Naast de formele ontwerpen van een BREF, en met het oog op een grotere transparantie van de voortgang van het werk tijdens het opstellen/evalueren van een BREF, kan het EIPPCB besluiten om een concept-ontwerp van het BREF of van delen van het BREF toe te zenden als werkdocument met het oog op het inlichten en raadplegen van de TWG. In dit geval kunnen leden op vrijwillige basis opmerkingen indienen.

Het EIPPCB dient echter duidelijk te vermelden over welke punten om opmerkingen wordt gevraagd en ook expliciet aangeven dat het een informele raadpleging betreft, die niet ter vervanging van het formele raadplegingsproces dient. Een dergelijke informele raadpleging kan bijvoorbeeld worden aangewend om te wijzen op mogelijke lacunes in de gegevens en om verzameling van nadere informatie te vragen. Het is de verantwoordelijkheid van de TWG-leden om andere deskundigen te raadplegen als zij dit nodig achten.

Voor de BBT-conclusies (zie punt 2.3.8) wordt deze werkwijze niet gebruikt en mag alleen de voorgestelde structuur (inhoudsopgave) worden verspreid alvorens het formele ontwerp te doen uitgaan.

4.6.6.   Opmerkingen over formele ontwerpen van BREF’s

Na de verspreiding van elk formeel ontwerp van een BREF volgt een termijn voor opmerkingen van ten minste acht weken, zodat TWG-leden hun opmerkingen en suggesties met betrekking tot het document kunnen indienen (zie punt 1.2.4). Dit geldt niet voor definitieve ontwerpen die zijn opgesteld na de slotvergadering van de TWG (zie punt 4.6.2.3). Hiervoor wordt een termijn voor opmerkingen van ten minste vier weken georganiseerd, hoofdzakelijk met betrekking tot de wijzigingen die worden doorgevoerd als gevolg van de conclusies van de slotvergadering.

De belangrijkste doelstelling van de raadpleging is om TWG-leden uit te nodigen voor collegiale toetsing en validatie van de in het document opgenomen informatie, evenals om lacunes in de informatie op te vullen door het indienen van aanvullende gegevens. In uitzonderlijke en gerechtvaardigde gevallen, waarbij meer gedetailleerde informatie moet worden verzameld ter ondersteuning van de ingediende opmerkingen, moet dit duidelijk worden aangegeven bij de opmerkingen en moet de betreffende informatie uiterlijk drie maanden na de einddatum voor het indienen van opmerkingen worden ingediend.

Teneinde de evaluatie van het BREF toe te spitsen en te versnellen, worden de over het eerste ontwerp ingediende opmerkingen (of over een eerste en tweede ontwerp, zie punt 1.2.4) verdeeld in twee groepen:

1.

de eerste groep omvat opmerkingen die door het TWG-lid als „belangrijk” worden aangemerkt (d.w.z. opmerkingen die relevant zijn voor de BBT-conclusies, voor het toepassingsgebied van het BREF of voor de structuur van het BREF);

2.

de tweede groep omvat „minder belangrijke” opmerkingen (bv. typfouten, opmerkingen die geen gevolgen hebben voor de BBT-conclusies).

De TWG-leden delen alle gemaakte opmerkingen in een van deze twee groepen in alvorens de opmerkingen naar het EIPPCB te sturen. Op basis van dat onderscheid stelt het EIPPCB vervolgens statistieken op en worden deze verspreid om een ruwe indicatie te geven van de betrokken werklast en om te trachten belangrijke kwesties vroeg in het proces te identificeren.

De als „belangrijk” beschouwde opmerkingen worden prioritair door het EIPPCB behandeld en in aanmerking genomen voordat het volgende formele ontwerp uitkomt. De als „minder belangrijk” beschouwde opmerkingen worden mogelijk niet volledig weerspiegeld in het volgende formele ontwerp. Beide soorten opmerkingen worden echter volledig in aanmerking genomen voordat een definitief ontwerp wordt opgesteld.

Het EIPPCB geeft de TWG gedetailleerde feedback over hoe de belangrijke opmerkingen in overweging zijn genomen, bij het versturen van een nieuw formeel ontwerp dan wel op het moment dat het achtergronddocument voor de slotvergadering van de TWG wordt verzonden (zie punt 4.6.2). Het EIPPCB geeft de TWG gedetailleerde feedback over hoe alle opmerkingen in overweging zijn genomen voordat het BREF wordt gepresenteerd aan het forum (zie punt 4.3).

4.7.   Instrumenten voor informatie-uitwisseling

4.7.1.   BBT-informatiesysteem (BATIS)

BATIS is een op het internet gebaseerde softwaretoepassing ter facilitering van de informatie-uitwisseling over BBT en over het binnen het EIPPCB gevolgde proces voor het opstellen of evalueren van BREF’s. Naast het personeel van het EIPPCB hebben alleen benoemde forum- en TWG-leden toegang tot BATIS. Contactgegevens van TWG-leden zijn opgenomen in BATIS met het oog op het vergemakkelijken van de informatie-uitwisseling binnen elke TWG.

De kerndoelstelling van het systeem is het ondersteunen van het EIPPCB bij het ordenen en beheren van informatie in verband met BREF’s, het bevorderen van transparantie en het produceren van hoogwaardige BREF’s.

BATIS helpt de transparantie te handhaven bij het proces voor het opstellen en evalueren van BREF’s. Hiertoe wordt alle informatie die wordt verzameld in het kader van het opstellen of evalueren van een BREF op BATIS ter beschikking gesteld, met uitzondering van vertrouwelijke of gevoelige informatie (zie punt 5.3).

Het EIPPCB is verantwoordelijk voor het algemene beheer van informatie op BATIS. Het EIPPCB structureert de informatie/documenten op BATIS (uiteindelijk door het verplaatsen van rechtstreeks door TWG-leden geüploade documenten), zodat ze gemakkelijk te vinden zijn, met name door TWG- en forumleden.

Het EIPPCB is met name belast met het op BATIS ter beschikking stellen van informatie over TWG-vergaderingen en subgroepvergaderingen (bv. achtergronddocumenten, notulen, op vergaderingen gebruikte dia’s) en over opmerkingen over ontwerp-BREF’s ontvangen van de TWG en de feedback op die opmerkingen van het EIPPCB (zie punt 4.6.6).

TWG-leden zijn verantwoordelijk voor het uploaden van hun eigen bijdragen op BATIS. Gebruikers van BATIS kunnen een online-gebruikershandleiding op BATIS inzien. Als het gebruik van BATIS voor het indienen van informatie onpraktisch of onmogelijk is (bv. als een boek naar het EIPPCB wordt toegezonden), kunnen andere methoden voor het indienen van informatie bij het EIPPCB worden gebruikt (bv. gewone post, fax). Naar verwachting zal dit over het algemeen echter niet het geval zijn en informatie die in elektronische vorm beschikbaar is, moet zoals hierboven vermeld rechtstreeks op BATIS worden geüpload.

BATIS heeft een functie waardoor TWG-leden automatisch (d.w.z. dagelijks) te weten kunnen komen of nieuwe informatie is geüpload en of leden van de groep de afgelopen 24 uur de geüploade informatie hebben ingezien.

De tijdens het opstellen of evalueren van een BREF verzamelde informatie wordt via BATIS ter beschikking gesteld (zie punt 4.7.1).

4.7.2.   Website van het EIPPCB

De website van het EIPPCB (http://eippcb.jrc.ec.europa.eu) vormt het belangrijkste instrument voor het verspreiden van de BREF’s en de ontwerp-BREF’s. De website bevat:

1.

algemene informatie over Richtlijn 2010/75/EU en het EIPPCB;

2.

toegang tot aangenomen BREF’s en informatie over de status ervan (bv. aangenomen, onder herziening);

3.

toegang tot definitieve en formele ontwerp-BREF’s;

4.

toegang tot richtsnoeren van het comité (zoals dit richtsnoer);

5.

adviezen en documenten van het forum;

6.

kennisgeving van RIE-gebeurtenissen en vergaderingen van het EIPPCB;

7.

ruwe EIPPCB-werkschema’s voor het opstellen en evalueren van de BREF’s;

8.

informatie over vacatures binnen het EIPPCB;

9.

toegang tot de elektronische werkruimte van BATIS voor TWG- en forumleden.

4.8.   Beveiliging van persoonsgegevens

De persoonsgegevens van TWG- en forumleden, bestaande uit de naam en contactgegevens van elk lid, worden door het EIPPCB verzameld na hun aanstelling als TWG- of forumlid, uitsluitend met het oog op het beheer door het EIPPCB van de deelname van TWG- en forumleden aan het opstellen/evalueren van een BREF en teneinde TWG- en forumleden toegang te bieden tot beheersinstrumenten voor het bewerken en herzien van BREF’s en andere documenten.

De Commissie staat garant voor de bescherming van de persoonsgegevens van gebruikers. Het beleid inzake „de bescherming van natuurlijke personen in verband met de verwerking van persoonsgegevens” is gebaseerd op Verordening (EG) nr. 45/2001 van het Europees Parlement en de Raad (11). Nadere inlichtingen kunnen TWG- en forumleden vinden in een privacyverklaring op de website van het EIPPCB. Uit dit oogpunt publiceert het EIPPCB geen contactgegevens van TWG-leden op zijn website.

De Commissie, zijnde de instelling belast met de verwerking van de bovengenoemde persoonsgegevens, bewaart de gegevens.

TWG- en forumleden kunnen op elk gewenst moment hun recht van toegang en rectificatie uitoefenen door zich te wenden tot het secretariaat van het EIPPCB op:

e-mail: jrc-ipts-eippcb@ec.europa.eu

Tel. +34 954488284

Fax +34 954488426.

HOOFDSTUK 5

Verzamelen en indienen van gegevens

5.1.   Inleiding

Dit hoofdstuk biedt richtsnoeren voor het verzamelen van gegevens ten behoeve van de informatie-uitwisseling krachtens Richtlijn 2010/75/EU, als bedoeld in artikel 13, lid 3, onder c), van die richtlijn.

5.2.   Algemene beginselen voor het verzamelen en indienen van gegevens voor het opstellen en evalueren van BREF’s

De te verzamelen en bij het EIPPCB in te dienen gegevens betreffende de milieuprestaties van installaties en de toegepaste technieken, alsmede de technische en economische haalbaarheid daarvan, moeten het mogelijk maken om de BREF’s en de daarin opgenomen BBT-conclusies zoals omschreven in hoofdstuk 3 op te stellen, te evalueren en indien noodzakelijk te actualiseren.

Hieronder volgt een overzicht van de algemene beginselen die TWG-leden volgen bij het verzamelen en indienen van gegevens.

1.

Gegevensverzamelingen op het niveau van individuele installaties, met betrekking tot zowel de verwezenlijkte milieuprestaties als de hiervoor gebruikte technieken, zijn van essentieel belang voor het vaststellen van BBT.

2.

Het is daarom van cruciaal belang dat TWG-leden volledige gegevensverzamelingen aanleveren, minimaal op het niveau van installaties, zoals nader omschreven in punt 5.4. Samengevoegde gegevens van meerdere installaties zijn gewoonlijk niet toereikend voor het trekken van conclusies over BBT en/of aan BBT gerelateerde milieuprestatieniveaus (zie punten 3.3.1 en 3.3.2). In uitzonderlijke gevallen kan het in het kader van vertrouwelijke informatie of volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie vereist zijn dat het EIPPCB de informatie op adequate wijze (bv. geanonimiseerd) verwerkt ten behoeve van de verslaglegging in het BREF (zie ook de alinea over geheimhoudingskwesties in punt 5.3 verderop).

3.

Zowel „in-process”- als „end-of-pipe”-technieken die in de fabriek/installatie worden ingezet om de invloed ervan op het milieu tot een minimum te beperken, moeten worden vermeld en gedocumenteerd. Indien relevant wordt een volledige omschrijving van de techniek(en) ingediend (tezamen met de gegevensverzamelingen) volgens de 10 punten structuur zoals omschreven in punt 2.3.7.

4.

Bij de ingediende gegevens moet duidelijk worden vermeld of ze betrekking hebben op normale of andere dan normale bedrijfsomstandigheden (zoals opstarten en stilleggen, lekkage, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging). Zie punt 4.6.2.2.

5.2.1.   Soort gegevens

De belangrijkste gegevens/informatie moeten worden verzameld op in elk geval de schaal van de installatie of op een nog kleinere schaal (bv. productielijn, unit, proces, smeltoven), met duidelijke vermelding van de toegepaste techniek(en). Eventueel beschikbare gegevens/informatie die reeds voor andere doeleinden zijn verzameld, moeten opnieuw worden gebruikt.

Informatie die een algemeen overzicht biedt van de bedrijfstak (bv. met betrekking tot industriële capaciteit, productieniveaus, marktinformatie, prijzen en andere mogelijk gevoelige informatie) kan in samengevoegde vorm worden aangeleverd, maar zal voornamelijk nuttig zijn voor het ontwikkelen of actualiseren van de hoofdstukken „Algemene informatie” en „Huidige emissies en verbruiksniveaus” van het BREF (zie punten 2.3.4 en 2.3.6).

In de informatie over technieken moeten zoveel mogelijk alle aspecten worden besproken die zijn vermeld in punt 5.4, ten behoeve van het opstellen van het hoofdstuk „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” van het BREF (zie punt 2.3.7). De prestaties van technieken moeten in context worden geplaatst en met name worden ondersteund door de relevante operationele en economische gegevens (zie punt 5.4).

Er moet informatie worden verstrekt over installaties die worden aangemerkt als „best presterend” (met betrekking tot het milieu als geheel). Voor deze installaties moet de informatie als bedoeld in punt 5.4 voldoende gedetailleerd zijn, met het oog op het verkrijgen van inzicht in hoe de geconstateerde hoge milieuprestaties zijn bereikt. Dit houdt niet in dat alleen informatie over best presterende installaties verzameld en ingediend moet worden. Voor het actualiseren van hoofdstuk 3 van het BREF, „Huidige emissies en verbruiksniveaus” (zie punt 2.3.6), moet informatie worden ingediend over de bandbreedte van de huidige emissies en verbruiksniveaus voor het proces als geheel en voor de subprocessen.

5.2.2.   Structuur van de gegevens

Informatie op het niveau van de installaties wordt voornamelijk bij het EIPPCB ingediend aan de hand van een gemeenschappelijk sjabloon dat door de TWG wordt overeengekomen, zonder daarmee een beperking op te leggen op het indienen van aanvullende ondersteunende documenten als dat nuttig wordt geacht. Om het werk voor het invullen van dit sjabloon tot een minimum te beperken wordt de TWG gevraagd om rekening te houden met periodieke verslagleggingsvereisten en de beschikbaarheid van gegevens. Sjablonen zijn met name nuttig voor het verzamelen van een grote hoeveelheid informatie, om het vergelijken van gegevens mogelijk te maken alsmede om lacunes en anomalieën te identificeren. Dit sluit niet uit dat aanvullende gegevens (bv. gevalsstudies of technische en financiële gegevens betreffende specifieke technieken) kunnen worden gebruikt als dit van belang wordt geacht voor het trekken van BBT-conclusies.

De essentiële gegevens/informatie die een sjabloon voor het verzamelen van volledige gegevensverzamelingen op het niveau van de installaties (of op kleinere schaal) moet bevatten, zijn vermeld in punt 5.4 (met details betreffende de vereiste milieuprestaties en bedrijfsgegevens).

5.2.3.   Kwaliteit van de gegevens

De ingediende informatie moet voldoende gedetailleerd zijn ten behoeve van de beoordeling ervan en vergelijking met andere gegevens en om ten slotte te kunnen dienen voor het trekken van conclusies over BBT (zie hoofdstuk 3). Hoewel het bij de informatie-uitwisseling hoofdzakelijk gaat om beschikbare gemeten gegevens, wordt aanbevolen om het systeem voor bepaling van de gegevenskwaliteit in aanhangsel 1 in overweging te nemen teneinde de kwaliteit van geschatte gegevens te waarborgen.

De verstrekte gegevens (met name emissie- en verbruiksgegevens) moeten betrekking hebben op recente jaren.

Alle ingediende cijfers moeten worden vermeld in SI-eenheden of in eenheden die gangbaar zijn in de bedrijfstak en waarover in de TWG overeenstemming is bereikt, bij voorkeur op de eerste vergadering.

Alle gegevens, met name de informatie in ingevulde sjablonen, moeten voordat ze worden ingediend bij het EIPPCB zorgvuldig worden gecontroleerd teneinde de volledigheid te waarborgen en fouten en tegenstrijdigheden te corrigeren. Ingediende sjablonen die grotendeels onvolledig worden geacht of die teveel fouten bevatten, worden niet in overweging genomen door het EIPPCB.

5.3.   Vertrouwelijkheid

In het algemeen doen zich geen problemen voor wat betreft vertrouwelijke bedrijfsinformatie en volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie, aangezien de informatie-uitwisseling primair betrekking heeft op emissiegegevens die deel uitmaken van het publieke domein, zoals kan worden afgeleid uit artikel 24, lid 3 en 4, van Richtlijn 2010/75/EU en artikel 4 van Richtlijn 2003/4/EG van het Europees Parlement en de Raad (12).

Soms kan vertrouwelijke bedrijfsinformatie en volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie echter vereist/nuttig zijn voor de beoordelingen van het EIPPCB (bv. kosten, productievolume).

Als informatie bij het EIPPCB wordt ingediend die wordt beschouwd als vertrouwelijke bedrijfsinformatie of volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie en daarom niet in het BREF vermeld mag worden, moet dit duidelijk worden aangegeven op het moment dat de informatie wordt verzonden, onder vermelding van de reden/rechtvaardiging voor de vertrouwelijkheid/gevoeligheid.

Vertrouwelijke bedrijfsinformatie of volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie wordt niet vermeld in het BREF, tenzij de informatie een belangrijke grond vormt voor BBT-conclusies en de verstrekker van de informatie, onder meer door vooraf na te gaan of hiermee geen schending van het mededingingsrecht ontstaat, het EIPPCB specifiek machtigt om de informatie in het BREF te vermelden.

Er zijn verschillende manieren waarop in BREF’s kan worden omgegaan met vertrouwelijke/gevoelige gegevens, zoals het samenvoegen of anonimiseren van informatie. Zo nodig kan het EIPPCB hiervoor zorgen met medewerking van degene die de informatie heeft verstrekt.

De periode waarin een sjabloon wordt ontwikkeld (zie punten 4.6.2.2 en 5.4) is de aangewezen tijd om in detail te bespreken welke informatie vereist is, de eventuele mate van vertrouwelijkheid van de aangevraagde gegevens en de praktische regelingen voor het omgaan met mogelijk vertrouwelijke bedrijfsgegevens, volgens het mededingingsrecht gevoelige informatie, belangenconflicten en andere daarmee verband houdende kwesties, op grond van de op de eerste vergadering besproken procedure.

5.4.   Milieuprestatie- en bedrijfsgegevens vereist voor de BREF-hoofdstukken „Te overwegen technieken voor de vaststelling van de BBT” en „Conclusies over de beste beschikbare technieken (BBT)”

5.4.1.   Algemene informatie over milieuprestaties en bedrijfsgegevens

In dit punt komen milieuprestaties en bedrijfsgegevens aan bod. Voor het opstellen, evalueren en indien nodig actualiseren van BBT-conclusies worden alle technieken die in overweging moeten worden genomen bij het BBT-besluitvormingsproces echter gepresenteerd in het BREF volgens de standaardstructuur genoemd in punt 2.3.7, waarin andere gegevens die vereist zijn voor het trekken van BBT-conclusies (met name betreffende economische aspecten, cross-media-effecten en technische overwegingen) worden vermeld.

Er kan een gemeenschappelijke vragenlijst worden opgesteld, maar hierin kunnen slechts algemene kwesties worden besproken zonder teveel in technische details te treden: er bestaat momenteel geen overeengekomen gemeenschappelijk sjabloon voor het verzamelen van gegevens en vanwege de verscheidenheid van de activiteiten die onder Richtlijn 2010/75/EU vallen, kon slechts een elementair gemeenschappelijk sjabloon worden uitgewerkt. Daarom moet tijdens de eerste vergadering van de TWG worden besloten over de structuur en de overige inhoud van het sjabloon voor de bedrijfstak die door de TWG wordt behandeld (zie punten 4.6.2.2 en 5.5).

Wel bevatten de volgende punten een overzicht van de belangrijkste soorten milieuprestaties en bedrijfsgegevens die moeten worden opgenomen in een sjabloon voor het verzamelen van installatiespecifieke gegevens.

5.4.2.   Verbruik

5.4.2.1.   Algemene informatie over verbruik

De ingediende informatie moet gegevens omvatten betreffende het gebruik van grondstoffen en hulpstoffen, water en energie in de relevante processen.

5.4.2.2.   Verbruik van grondstoffen en hulpstoffen

De informatie moet, voor zover dat relevant is voor de betrokken activiteiten, het volgende omvatten:

1.

de hoeveelheid gebruikte grondstoffen en hulpstoffen (inclusief secundaire en gerecycleerde materialen) en de samenstelling ervan;

2.

een indicatie van de technieken die worden gebruikt (met inbegrip van zowel de gebruikte technologie en de wijze waarop de installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld) voor een zo efficiënt mogelijk gebruik van middelen.

5.4.2.3.   Watergebruik

In de ingediende informatie moet onderscheid worden gemaakt tussen koelwater en proceswater en moet worden vermeld of water wordt hergebruikt, en zo ja, in welke mate. Gegevens/informatie moeten, indien relevant voor de betrokken activiteiten, de hieronder genoemde punten omvatten.

1.

Informatie over de herkomst van het gebruikte water en over het ontvangende water (bv. naam, soort — regenwater, oppervlaktewater, d.w.z. meer, rivier, beek, zee, dan wel grondwater; indien relevant eveneens temperatuur, debiet, kwaliteit).

2.

Of de behandeling van toegevoerd water ter plaatse geschiedt en een indicatie van de soort uitgevoerde behandeling (bv. ontzilting, filtratie).

3.

Een indicatie van de gebruikte technieken (met inbegrip van zowel de gebruikte technologie als de wijze waarop de installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld) om het waterverbruik te beperken. Als de inspanningen ter vermindering van het waterverbruik resulteren in effluenten met een sterkere concentratie, wordt dit eveneens vermeld, evenals de maatregelen getroffen om de milieugevolgen van sterker geconcentreerde effluenten tot een minimum te beperken.

5.4.2.4.   Energiegebruik

De ingediende informatie moet het volgende omvatten, indien relevant voor de betrokken activiteiten:

1.

Input:

i)

De soort en hoeveelheid van de gebruikte brandstof/energie (bv. stookolie, lpg, aardgas, stoom, elektriciteit, afval, biogas, biobrandstof of biomassa gebruikt als brandstof), met inbegrip van koelgassen en technische gassen (bv. N2, O2). Als stoom wordt gebruikt, worden de temperatuur en druk van de stoom vermeld.

ii)

Brandstof-/energieverbruik (per soort), waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen thermische en elektrische energie.

2.

Output:

i)

Of energie wordt gegenereerd (bv. opwekking van elektriciteit) en hoeveel. Als stoom wordt geproduceerd, worden de temperatuur en druk van de stoom vermeld.

ii)

Of energie wordt verkocht, of de thermische energie ter plaatse of elders wordt gebruikt (bv. wijkverwarming).

3.

Overige

i)

Of sprake is van teruggewonnen energie en in welk onderdeel van de installatie, in welke vorm en hoeveel.

ii)

Of zich exotherme reacties voordoen, in welk onderdeel van de installatie en hoeveel.

iii)

Warmteverlies in welk onderdeel van de installatie en hoeveel.

iv)

Of gebruik wordt gemaakt van energiebenchmarking.

Systeemgrenzen (meegerekende gedeelten van een installatie) en referentieomstandigheden moeten worden vermeld bij de presentatie van energieverbruiks-/efficiëntiewaarden.

Energiegegevens moeten worden uitgedrukt in kWh of MJ per massa van het product (of per massa van de grondstoffen), met vermelding of netto- of bruto-energiewaarden zijn gebruikt voor de bepaling hiervan.

Bij het verzamelen en melden van energiegegevens moet het BBT-referentiedocument betreffende energie-efficiëntie (ENE) in overweging worden genomen.

5.4.3.   Emissies in water

In de ingediende informatie moet onderscheid worden gemaakt tussen koelwater en proceswater en moet worden vermeld of water wordt hergebruikt, en zo ja, in welke mate. De gegevens/informatie moeten de hieronder vermelde punten omvatten, voor zover relevant voor de betrokken activiteiten.

1.

De hoeveelheid en het debiet van afgevoerd procesafvalwater alsmede de vermelding of uitzonderlijke afvoer hierbij is inbegrepen.

2.

Een indicatie van de bronnen (bv. unit-processen) van afgevoerd proceswater.

3.

De hoeveelheid, het debiet en de temperatuur van afgevoerd koelwater.

4.

Of regenwater wordt opgevangen en behandeld in de installatie, en hoeveel.

5.

Of afvalwater afkomstig uit andere installaties (met inbegrip van gemeentelijk afvalwater) wordt behandeld in de installatie, en hoeveel.

6.

De emissieniveaus (als concentraties en/of (specifieke) massa indien relevant geacht (13), zie punt 3.3.1) van afgevoerde verontreinigende stoffen voor elke in overweging genomen afvalwaterstroom en of het afvalwater rechtstreeks of indirect wordt afgevoerd naar het ontvangende water. In de informatie wordt ook vermeld of andere dan normale bedrijfsomstandigheden (zoals opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging) zijn inbegrepen. Deze informatie moet worden ingediend tezamen met de relevante referentie-informatie vermeld in punt 5.4.7.

7.

Een vermelding of de watereffluenten worden behandeld in een afvalwaterzuiveringsinstallatie (AWZI) die zich op de locatie van de installatie bevindt, dan wel elders (bv. gemeentelijke of centrale installatie voor een industrielocatie als geheel).

8.

Een indicatie van de gebruikte technieken (met inbegrip van zowel de gebruikte technologie als de wijze waarop de installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld) ter voorkoming, en indien dit niet haalbaar is, ter vermindering van emissies in water.

9.

De hoeveelheid verontreinigende stof(fen) voor en na de (reductie-)techniek(en), ter bepaling van de mate van vermindering van de emissie.

10.

Informatie over toestanden/omstandigheden die het gebruik van de (reductie-)techniek op volle capaciteit belemmeren en/of het noodzakelijk maken om de afvoerstroom volledig of gedeeltelijk om de (reductie-)techniek heen te leiden, evenals getroffen maatregelen om de volledige (reductie-)capaciteit te herstellen.

5.4.4.   Luchtemissies

De gegevens/informatie moeten de hieronder vermelde punten omvatten, indien relevant voor de betrokken sector.

1.

De emissieniveaus (als concentraties en/of (specifieke) massa indien beschikbaar; zie punt 3.3.1) van de uitgestoten verontreinigende stoffen, waarbij onderscheid wordt gemaakt tussen gekanaliseerde emissies (bv. uit schoorsteen) en niet-gekanaliseerde emissies (bv. diffuus/vluchtig) evenals een vermelding of emissies onder andere dan normale bedrijfsomstandigheden (zoals opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging) zijn inbegrepen. Voor specifieke-massagegevens dient nauwkeurig te worden gedefinieerd om welk product het gaat. Deze informatie moet worden ingediend tezamen met de relevante referentie-informatie vermeld in punt 5.4.7.

2.

Een vermelding of de gaseffluenten worden behandeld in een centrale afvalgasbehandelingsinstallatie ter plaatse dan wel elders.

3.

Een vermelding van de bronnen (bv. unit-processen) van zowel diffuse/vluchtige emissies als emissies uit schoorstenen.

4.

Rookgasdebiet.

5.

Referentieomstandigheden (zo verwijzen concentratiegegevens naar droge afvalgassen — zo niet wordt dat vermeld — en wordt het referentiezuurstofgehalte vermeld, indien van toepassing).

6.

Een indicatie van de gebruikte technieken (met inbegrip van zowel de gebruikte technologie als de wijze waarop de installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld) om luchtemissies te voorkomen en indien dat niet haalbaar is, te verminderen.

7.

De hoeveelheid verontreinigende stof(fen) voor en na de (reductie-)techniek(en), ter bepaling van de mate van vermindering van de emissie.

8.

Informatie over toestanden/omstandigheden die het gebruik van de (reductie-)techniek op volle capaciteit belemmeren en/of het noodzakelijk maken om de afvoerstroom volledig of gedeeltelijk om de (reductie-)techniek heen te leiden, evenals getroffen maatregelen om de volledige (reductie-)capaciteit te herstellen.

5.4.5.   Residuen/afval

De informatie moet, indien relevant voor de betrokken sector, de hieronder vermelde punten omvatten.

1.

De soort(en) en hoeveelheden van residuen/afval (bv. slib) die bij de activiteit worden gegenereerd.

2.

De (fysische/chemische) kenmerken van tijdens de activiteit gegenereerde/geproduceerde residuen/afval (bv. metaalgehalte, gemiddeld gehalte droge vaste stoffen).

3.

Het soortelijk gewicht van afgevoerde organische en anorganische residuen/afval en het soortelijk gewicht dat intern dan wel extern wordt gerecycled/hergebruikt.

4.

Een indicatie van de gebruikte technieken (met inbegrip van zowel de gebruikte technologie als de wijze waarop de installaties worden ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld) om de generatie van residuen/afval te voorkomen of, indien dat niet haalbaar is, te beperken.

5.4.6.   Overige informatie

De aangeleverde milieuprestatie- en exploitatiegegevens moeten vergezeld gaan van alle relevante algemene informatie zoals, indien van toepassing:

1.

het jaar waarin de installatie is gebouwd en in bedrijf gesteld, alsmede een vermelding van de aard en data van significante aanpassingen;

2.

de gebruikte soorten productieprocessen, katalysatoren, procesapparatuur (bv. walsen, warmtewisselaars en smeltovens);

3.

de belangrijkste bedrijfsomstandigheden van het proces (bv. doorlopende productie of batchproductie, terugkerende processen zoals decoking van smeltovens, katalysatorregeneratie, productiebelasting, procestemperatuur);

4.

de verschillende soorten gefabriceerde producten en de mogelijke invloed van de kwaliteit/samenstelling daarvan op de verbruiks-/emissiecijfers;

5.

getroffen maatregelen ter preventie of, indien dat niet haalbaar is, vermindering van vervuiling tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden (zoals opstarten en stilleggen, lekken, storingen, korte stilleggingen en definitieve bedrijfsbeëindiging);

6.

getroffen maatregelen ter verkleining van de waarschijnlijkheid (frequentie) en/of milieueffecten van incidenten/ongevallen.

5.4.7.   Vereiste referentie-informatie bij de emissiegegevens

5.4.7.1.   Algemeen

Voor emissiegegevens moet de ingediende informatie naast de waarde en eenheid van de gemonitorde parameter indien van toepassing het volgende omvatten:

1.

de emissiebron (bv. reactor, smeltoven);

2.

een aanduiding van het soort emissiepatroon (bv. minimum-/maximumwaarden, percentielen of een grafische voorstelling; zie punt 5.4.7.3).

5.4.7.2.   Monitoring

Voor gegevens van emissiemonitoring moet de ingediende informatie indien van toepassing de hieronder vermelde punten omvatten.

1.

De frequentie van de meting/bemonstering/monitoring.

2.

De middelingsperiode gebruikt voor de verslaglegging van de gegevens (zie de gedetailleerde informatie verderop).

3.

De gebruikte soort monitoringmethode (bv. rechtstreekse meting, indirecte meting, massa-/warmtebalansen, emissiefactoren) en een aanduiding van de gebruikte monitoringnorm(en) van EN/ISO (of anders), met inbegrip van de bemonsteringsmethode en de monstervoorbehandeling. Indien beschikbaar worden de aantoonbaarheidsgrens (limit of detection; LOD) en de bepaalbaarheidsgrens (limit of quantification; LOQ) vermeld voor de gemonitorde parameter. Wanneer de gebruikte monitoringnorm niet een EN/ISO-norm is, wordt een omschrijving van de norm gegeven.

4.

Een indicatie van de onzekerheidswaarden van de meting/bemonstering/monitoring.

5.

Details betreffende de gegevensbron, bv. wie de gegevens heeft verzameld, geanalyseerd en ingediend.

6.

Of de gegevens zijn verkregen tijdens normaal bedrijf of onder andere dan normale bedrijfsomstandigheden (bv. opstarten/stilleggen, regulier onderhoud, uitzonderlijke omstandigheden).

Wat betreft de verslaglegging van de monitoringresultaten en de omgang met onzekerheden, rechtstreekse metingen en monitoringvoorschriften moet rekening worden gehouden met het referentiedocument inzake de algemene beginselen van monitoring (MON).

5.4.7.3.   Gemiddelden, bandbreedten en verdeling van emissiewaarden

Bij de verstrekte gegevens van emissiemonitoring moet de periode waarover de waarden zijn verzameld en gemiddeld duidelijk worden vermeld. Informatie verzameld tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden moet apart worden gemeld.

Bij de informatie-uitwisseling moeten de prestaties van installaties wat betreft emissies worden vermeld, uitgedrukt als gemiddelden over zowel de korte als de lange termijn, naar gelang van het geval (zie punt 1.1.1). De beschikbaarheid van beide soorten informatie, de relevantie ervan en de haalbaarheid van het verzamelen en vervolgens analyseren ervan moeten worden besproken op de eerste vergadering (zie punt 4.6.2.2).

Op een gegevensverzameling betreffende gemiddelden over de korte termijn (bv. gemiddelden per half uur, per uur, per dag) die zich uitstrekt over een langere periode (bv. één of meer jaren) kunnen berekeningen worden gebaseerd betreffende gemiddelden over de korte en lange termijn en percentielen. Met name de bandbreedte- en verdelingsfuncties (bv. maximum, gemiddelde, standaardafwijking ten opzichte van de steekproefsgewijze metingen) van gemiddelden per dag of per uur verzameld over een lange periode (bv. een jaar of langer) zijn vereist ter identificatie van het emissiepatroon en mogelijk optredende piekemissies.

Jaargemiddelden geven over het algemeen een goed beeld van de milieuprestaties van een proces/techniek, onafhankelijk van plaatselijke storingen of kortdurende variaties, omdat zij de emissies op installatieniveau omvatten uit alle bronnen en onder alle omstandigheden in de loop van het jaar, d.w.z. voor een relatief stabiele situatie. Jaargemiddelden zijn ook van belang in het licht van mogelijke technieken voor benchmarking. Bij jaargemiddelden is het van belang om te vermelden hoe ze zijn afgeleid of berekend (bv. op grond van doorlopende of steekproefsgewijze metingen en, in het laatste geval, hoeveel) en of ze emissies tijdens andere dan normale bedrijfsomstandigheden omvatten.

5.5.   Specifieke kwesties onder de verantwoordelijkheid van elke technische werkgroep

De voor het opstellen of evalueren van een BREF opgerichte TWG’s moeten zich houden aan de algemene beginselen vermeld in punt 5.4. Ten behoeve van de informatie-uitwisseling, als bedoeld in artikel 13, lid 1 en 2, van Richtlijn 2010/75/EU moeten TWG-leden daarom in elk geval tot op het niveau van activiteiten/installaties informatie verstrekken (met name verbruiks- en emissiegegevens). De TWG bepaalt of gegevens op een nog kleinere schaal vereist zijn (bv. reactor, smeltoven, unit-activiteit, proces). Er kunnen echter samengevoegde gegevens van meerdere installaties worden gebruikt voor de uitwerking van hoofdstuk 3 van het BREF, „Huidige emissies en verbruiksniveaus”.

Bij een BREF-evaluatie dienen TWG-leden een lijst in met hun wensen wat betreft de soort en structuur van bedrijfstakspecifieke gegevens die moeten worden verzameld met het oog op de herziening van het betreffende BREF. In het door het EIPPCB voor de eerste vergadering opgestelde achtergronddocument worden de suggesties van de TWG gepresenteerd en worden concrete voorstellen gedaan voor de algemene structuur van een sjabloon voor de verzameling van bedrijfstakspecifieke gegevens en voor discussies over de soort en structuur van de te verzamelen en in te dienen gegevens.

De TWG moet op de eerste vergadering besluiten of de in dit richtsnoerdocument opgenomen beginselen voor gegevensverzameling voor het betreffende BREF moeten worden aangevuld met bedrijfstakspecifieke aspecten.

De TWG moet één of meer bedrijfstakspecifieke sjablonen voor het verzamelen en bij het EIPPCB indienen van informatie bespreken en ontwikkelen aan de hand van de algemene beginselen in punt 5.2. De TWG moet met name bepalen welke soort gegevens, gemiddelden, bandbreedten, verdelingen, maateenheden en referentieomstandigheden moeten worden gebruikt/ingediend, rekening houdend met de beschikbare gegevens en de door de producenten gebruikte eenheden en referentieomstandigheden. Het bereiken van overeenstemming over deze zaken is daarom een van de doelstellingen van de eerste vergadering, waarvoor voldoende tijd moet worden ingepland.

Belangrijk: de sjablonen moeten een indeling hebben die de compilatie en analyse met behulp van Excel, XML en andere statistische hulpmiddelen vergemakkelijkt. Meerkeuzevragen verdienen de voorkeur. Het gebruik van open vragen dient zoveel mogelijk te worden beperkt, aangezien deze onvermijdelijk leiden tot antwoorden die toelichting vereisen vanwege het gebruik van inconsistente terminologie. Een optie die gegevensvalidatie mogelijk maakt moet in de sjablonen worden ingebouwd. De sjabloon kan mogelijk met het oog op verbetering worden beproefd tijdens bezoeken ter plaatse.

Op de eerste vergadering van de TWG moet het tijdschema worden vastgesteld voor het verzamelen van gegevens en het indienen ervan bij het EIPPCB (in overeenstemming met de typische workflow voor het opstellen en evalueren van BREF’s in punt 1.2.4). Op het allerlaatste moment indienen van gegevens moet worden vermeden, want dit bemoeilijkt collegiale toetsing door de hele TWG. Informatie die wordt ingediend na de vastgestelde einddatum/-data, wordt mogelijk niet in overweging genomen (zie ook punt 1.2.4).

Voor emissiegegevens moet de TWG op grond van de verzamelde concentratie- en (specifieke) massagegevens (indien beide gegevens beschikbaar zijn, moeten ze beide worden ingediend) besluiten of beide soorten gegevens zouden bijdragen aan het trekken van nuttige BBT-conclusies.

Zowel concentratiegegevens als specifieke massa kunnen nuttig zijn voor de BREF’s.

Specifieke massa (d.w.z. massa uitgestoten verontreinigende stof per massa vervaardigd product) maken vergelijking van de milieuprestaties van installaties mogelijk ongeacht verschillende productievolumes. Ook worden deze gegevens niet beïnvloed door vermenging of verdunning.

Concentraties (met vermelding van referentieomstandigheden en middelingsperioden) bieden over het algemeen meer informatie over de prestaties over de korte termijn van afzonderlijke processen of unit-activiteiten en kunnen daarom inzicht geven in schommelingen en piekemissies. Ook worden hiermee de milieuprestaties op een gegeven tijdstip vastgesteld. In combinatie met debietgegevens kan de vervuilingslast op een gegeven tijdstip worden vastgesteld. Bij gebruik van doorlopende metingen kunnen concentraties worden gebruikt om informatie te verkrijgen over de prestaties over een langere periode (bv. een jaar).

HOOFDSTUK 6

Kwaliteitsborging van het opstellen en evalueren van de BREF’s

De kwaliteitsborging van het proces van het opstellen en evalueren van de BREF’s berust hoofdzakelijk op de naleving van de richtsnoeren in dit document, met name betreffende de inhoud en grenzen van het BREF en het verzamelen van gegevens ten behoeve van het opstellen van BBT.

De kwaliteit van een BREF is afhankelijk van zowel de kwaliteit van de deelnemers aan het proces (hoog niveau van technische deskundigheid en betrokkenheid) als van de kwaliteit van het „Sevilla-proces” zelf. Om deze kwaliteit te waarborgen worden lidstaten, betrokken bedrijfstakken, niet-gouvernementele organisaties die zich inzetten voor milieubescherming en de Commissie geacht elk over een kwaliteitssysteem te beschikken dat de volgende zaken omvat:

1.

heldere omschrijvingen van verantwoordelijkheden en de toewijzing van taken;

2.

methoden en procedures;

3.

toewijzing van toereikende middelen (met name personeel);

4.

een intern controlesysteem gericht op continue verbeteringen.

De kwaliteit van het BREF is een dagelijkse activiteit gebaseerd op de persoonlijke inzet van alle betrokkenen bij de informatie-uitwisseling. Individuele TWG-leden staan gewoonlijk aan de oorsprong van de verzamelde informatie en spelen als eerstelijnscontroleur een bijzondere rol bij het waarborgen van de kwaliteit van hun bijdragen.

De EIPPCB-medewerker die de BREF’s opstelt op basis van de bijdragen vanuit de TWG is verantwoordelijk voor de tweedelijnscontrole van de kwaliteit van de ingediende informatie. Het EIPPCB is werkzaam binnen het instituut voor technologische prognose (IPTS) van het Gemeenschappelijk Centrum voor onderzoek (TRC) van de Commissie. Het IPTS heeft ISO 9001-certificering en het GCO is werkzaam binnen de interne controlenormen en het achterliggende kader van de Commissie, die zijn gebaseerd op internationale goede praktijken. Dit biedt nadere zekerheid aangaande het vermogen van het EIPPCB om zijn taken te verrichten.

Er wordt voortdurend toegezien op het kwaliteitsborgingsproces en het forum wordt gevraagd daaraan bij te dragen.


(1)  Tenzij anders wordt vermeld, verwijst de term „hoofdstuk” naar de hoofdstukken van deze bijlage.

(2)  Tenzij anders wordt vermeld, verwijst de term „punt” naar de punten van deze bijlage.

(3)  De Commissie kan bovendien besluiten een aantal richtsnoeren vast te stellen die op termijn bepaalde horizontale BREF’s kunnen vervangen.

(4)  PB L 24 van 29.1.2008, blz. 8.

(5)  Onder de in het mededingingsrecht vastgestelde voorwaarden en met bescherming van vertrouwelijke bedrijfsinformatie (zie punt 5.3).

(6)  Zowel de concentratie als de specifieke massa van de verontreinigende stof(fen) (indien beschikbaar) of de gegevens die nodig zijn om die informatie te kunnen afleiden, met inbegrip van de toegepaste monitoringmethoden en de referentieomstandigheden. Voor specifieke massa’s moet het product waarnaar wordt verwezen duidelijk worden gedefinieerd.

(7)  De term „geldig” verwijst naar de in punt 4.6.2.3.2 uiteengezette benadering.

(8)  Met inbegrip van de gebruikte technologie en de wijze waarop de installatie wordt ontworpen, gebouwd, onderhouden, geëxploiteerd en ontmanteld.

(9)  PB L 55 van 28.2.2011, blz. 13.

(10)  PB C 146 van 17.5.2011, blz. 3.

(11)  PB L 8 van 12.1.2001, blz. 1.

(12)  PB L 41 van 14.2.2003, blz. 26.

(13)  Informatie over massa (bv. massa uitgestoten verontreinigende stoffen per jaar) kan helpen bij het vaststellen van prioriteiten voor de terugdringing van verontreiniging.

Aanhangsel 1

SYSTEEM TER BEPALING VAN DE GEGEVENSKWALITEIT

De onderstaande informatie is overgenomen uit het referentiedocument betreffende economische aspecten en cross-media-effecten (ECM) (punt 2.4.1 van het ECM-referentiedocument aangenomen in juli 2006).

Er zijn systemen ter bepaling van de gegevenskwaliteit gebruikt voor schattingen van emissies, om tot een kwalitatieve indicatie van de betrouwbaarheid van gegevensschattingen te komen. Deze benadering is uitgebreid tot een algemeen systeem ter bepaling van de gegevenskwaliteit. Het volgende systeem ter bepaling van de gegevenskwaliteit wordt aanbevolen voor alle verzamelde gegevens:

A.

een schatting op grond van een grote hoeveelheid informatie die volledig representatief is voor de situaties en waarvoor alle achterliggende aannamen bekend zijn;

B.

een schatting op grond van een significante hoeveelheid informatie die representatief is voor de meeste situaties en waarvoor de meeste achterliggende aannamen bekend zijn;

C.

een schatting op grond van een beperkte hoeveelheid informatie die representatief is voor sommige situaties en waarvoor een beperkte hoeveelheid achterliggende aannamen bekend zijn;

D.

een schatting op grond van een technische berekening afgeleid uit een zeer beperkte hoeveelheid informatie die representatief is voor slechts één of twee situaties en waarvoor weinig achterliggende aannamen bekend zijn;

E.

een schatting op grond van een technische beoordeling, slechts afgeleid uit aannamen.

Gegevens van kwaliteit A of B zijn het best geschikt voor de bepaling van BBT.

Aanhangsel 2

TYPISCHE WORKFLOW VOOR HET OPSTELLEN EN EVALUEREN VAN BREF’S

Image


Top