Accept Refuse

EUR-Lex Access to European Union law

This document is an excerpt from the EUR-Lex website

Document 32011R0677

Verordening (EU) nr. 677/2011 van de Commissie van 7 juli 2011 tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de netwerkfuncties voor luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2010 Voor de EER relevante tekst

OJ L 185, 15.7.2011, p. 1–29 (BG, ES, CS, DA, DE, ET, EL, EN, FR, IT, LV, LT, HU, MT, NL, PL, PT, RO, SK, SL, FI, SV)
Special edition in Croatian: Chapter 07 Volume 017 P. 102 - 130

In force

ELI: http://data.europa.eu/eli/reg/2011/677/oj

15.7.2011   

NL

Publicatieblad van de Europese Unie

L 185/1


VERORDENING (EU) Nr. 677/2011 VAN DE COMMISSIE

van 7 juli 2011

tot vaststelling van nadere regels ter uitvoering van de netwerkfuncties voor luchtverkeersbeheer en tot wijziging van Verordening (EU) nr. 691/2010

(Voor de EER relevante tekst)

DE EUROPESE COMMISSIE,

Gezien het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie,

Gezien Verordening (EG) nr. 549/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 tot vaststelling van het kader voor de totstandkoming van het gemeenschappelijke Europese luchtruim (de kaderverordening) (1), en met name artikel 11,

Gezien Verordening (EG) nr. 551/2004 van het Europees Parlement en de Raad van 10 maart 2004 betreffende de organisatie en het gebruik van het gemeenschappelijk Europees luchtruim (de luchtruimverordening) (2), en met name artikel 6,

Overwegende hetgeen volgt:

(1)

Verordening (EG) nr. 551/2004 heeft tot doel het concept van een geleidelijk meer geïntegreerd operationeel luchtruim in het kader van het gemeenschappelijk vervoersbeleid te ondersteunen en gemeenschappelijke procedures vast te stellen voor het ontwerp, de planning en het beheer, om aldus een efficiënte en veilige werking van het luchtverkeersbeheer te waarborgen. Netwerkfuncties moeten gericht zijn op het ondersteunen van initiatieven op nationaal niveau en op het niveau van functionele luchtruimblokken.

(2)

De netwerkfuncties moeten een „dienst van algemeen belang” voor het Europese luchtvaartnetwerk zijn en bijdragen tot de duurzame ontwikkeling van het luchtvervoerssysteem door het vereiste prestatieniveau, de verenigbaarheid en de coördinatie van activiteiten te garanderen, inclusief activiteiten om te garanderen dat schaarse middelen optimaal worden benut.

(3)

Het ontwerp van het Europese routenetwerk en de coördinatie van schaarse middelen overeenkomstig Verordening (EG) nr. 551/2004 dienen de soevereiniteit van de lidstaten over hun luchtruim, alsook de eisen van de lidstaten inzake openbare orde, openbare veiligheid en defensie overeenkomstig Verordening (EG) nr. 549/2004, onverlet te laten.

(4)

Beschikking nr. 676/2002/EG van het Europees Parlement en de Raad van 7 maart 2002 inzake een regelgevingskader voor het radiospectrumbeleid in de Europese Gemeenschap (radiospectrumbeschikking) (3) vormt het beleids- en rechtskader op dat gebied.

(5)

Er moet een onpartijdig bevoegd orgaan (de netwerkbeheerder) worden opgericht om de taken uit te voeren die nodig zijn voor de uitvoering van de in Verordening (EG) nr. 551/2004 vastgestelde netwerkfuncties.

(6)

Het Europese routenetwerk moet zodanig worden ontworpen dat de routes vanuit gate-to-gate-perspectief worden geoptimaliseerd in alle vluchtfasen, waarbij met name rekening wordt gehouden met de efficiëntie van de vluchten en met milieuaspecten.

(7)

De werkzaamheden van de Internationale Burgerluchtvaartorganisatie (ICAO) en Eurocontrol op het gebied van routeontwerp, frequentie en beheer van transpondercodes voor secundaire surveillanceradar (SSR) worden erkend en moeten worden gebruikt als basis voor de optimalisering van de ontwikkeling en werking van het netwerk op Unieniveau.

(8)

De verplichtingen van de lidstaten tegenover de ICAO op het gebied van routeontwerp, frequentie en beheer van SSR-transpondercodes moeten in acht worden genomen en effectiever worden toegepast voor het netwerk, met de coördinatie en steun van de netwerkbeheerder.

(9)

De toewijzing van radiospectrum vindt plaats in het kader van de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU). Het is de verantwoordelijkheid van de lidstaten om de burgerluchtvaartvereisten onder de aandacht te brengen en de aan het algemene luchtverkeer toegewezen middelen vervolgens optimaal te benutten.

(10)

De ICAO heeft richtsnoeren opgesteld voor SSR-transpondercodes en radiofrequentiefuncties en exploiteert een systeem voor het registreren van frequentietoewijzingen voor het algemene luchtverkeer in het Europese ICAO-gebied, thans gefaciliteerd door Eurocontrol.

(11)

Krachtens Verordening (EG) nr. 551/2004 moeten nadere uitvoeringsregels worden vastgesteld voor de coördinatie en harmonisering van de processen en procedures ter verbetering van de doelmatigheid van het luchtvaartfrequentiebeheer, alsook een centrale functie voor de coördinatie van de vroege vaststelling van en tegemoetkoming aan frequentiebehoeften ter ondersteuning van het ontwerp en de werking van het netwerk.

(12)

Aangezien de regeling van de luchtverkeersstromen (air traffic flow management, ATFM) een integrerend onderdeel vormt van de netwerkfuncties, moet op passende wijze worden verwezen naar Verordening (EU) nr. 255/2010 van de Commissie van 25 maart 2010 tot vaststelling van gemeenschappelijke regels inzake de regeling van luchtverkeersstromen (4).

(13)

Aangezien de efficiëntie van het netwerkbeheer afhankelijk is van een onmiddellijke aanvang van de netwerkfuncties, hebben de lidstaten Eurocontrol reeds belast met de uitvoering van de regeling van de luchtverkeersstromen.

(14)

Het strekt tot voordeel om één orgaan te belasten met de coördinatie van de diverse netwerkfuncties, teneinde op netwerkniveau consequente optimaliseringsoplossingen op korte en lange termijn te ontwikkelen, die verenigbaar zijn met de prestatiedoelen. De netwerkfuncties moeten echter worden vervuld door de netwerkbeheerder en op het niveau van de lidstaten en de functionele luchtruimblokken, volgens de in deze verordening genoemde verantwoordelijkheden.

(15)

De netwerkbeheerder moet worden betrokken bij aspecten van de plannen, acties en prestaties inzake luchtverkeersbeheer (ATM) van lidstaten of functionele luchtruimblokken, met name als kan worden verwacht dat dit een tastbaar effect op de prestaties van het netwerk heeft of zou kunnen hebben.

(16)

De gevolgen van de uitbarsting van de vulkaan Eyjafjallajökull in april 2010 hebben aangetoond dat een centrale entiteit moet worden opgericht die de leiding kan nemen bij de coördinatie van het beheer van beperkende maatregelen op lokaal, regionaal en netwerkniveau, teneinde te garanderen dat tijdig wordt gereageerd op toekomstige crisissituaties die gevolgen hebben voor de luchtvaart.

(17)

Er moet coördinatie plaatsvinden ten aanzien van de netwerkfuncties en de activiteiten op het niveau van de functionele luchtruimblokken.

(18)

Op nationaal niveau, op het niveau van de functionele luchtruimblokken en op netwerkniveau dient effectieve raadpleging van de belanghebbenden plaats te vinden.

(19)

Aangezien luchthavens, als punten van binnenkomst in en vertrek uit het netwerk, in belangrijke mate bijdragen tot de prestaties van het netwerk, moeten de netwerkfuncties via het waarnemingscentrum van de Unie voor de luchthavencapaciteit in verbinding staan met luchthavenexploitanten, die optreden als grondcoördinatoren teneinde de capaciteit op de grond te optimaliseren en aldus de algemene capaciteit van het netwerk te verbeteren.

(20)

De uitvoering van netwerkfuncties dient de toepassing van Verordening (EEG) nr. 95/93 van de Raad van 18 januari 1993 betreffende gemeenschappelijke regels voor de toewijzing van slots op communautaire luchthavens (5) onverlet te laten.

(21)

Met het oog op de doeltreffendheid van militaire operaties zijn civiel-militaire samenwerking en coördinatie van het grootste belang bij het nastreven van de vereiste doelen. Beslissingen omtrent de inhoud, de omvang of de uitvoering van militaire operaties en opleidingen in het kader van de operationele luchtverkeersregeling vallen niet onder de bevoegdheid van de Unie, maar vanuit het oogpunt van veiligheid en efficiëntie is het belangrijk dat de interfaces tussen deze operaties en die welke onder deze verordening vallen, wel onder de bevoegdheid van de Unie vallen.

(22)

De netwerkfuncties dienen artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004, dat beoogt essentiële belangen op het gebied van het veiligheids- of defensiebeleid te beschermen, of de toepassing van het in artikel 7 van Verordening (EG) nr. 551/2004 bedoelde flexibele gebruik van het luchtruim, onverlet te laten.

(23)

De netwerkfuncties moeten op kosteneffectieve wijze worden verleend, waarbij met name dubbel werk moet worden vermeden, zodat de eisen inzake financiële en personele middelen met betrekking tot deze functies in de context van deze verordening voor de lidstaten lager, of in elk geval niet hoger zijn in vergelijking met de toestand vóór de benoeming van de netwerkbeheerder.

(24)

De Commissie moet zorgen voor passend toezicht op de netwerkbeheerder.

(25)

Het niveau van de veiligheidseisen voor de netwerkfuncties moet vergelijkbaar zijn met de eisen van het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (het Agentschap) inzake het verlenen van luchtvaartnavigatiediensten. Deze eisen en die met betrekking tot veiligheidstoezicht dienen in deze verordening te worden vastgesteld.

(26)

Het in aanmerking nemen en betrekken van derde landen bij de oprichting en uitvoering van de netwerkfuncties dient bij te dragen tot de pan-Europese dimensie van het gemeenschappelijke Europese luchtruim.

(27)

De netwerkfuncties kunnen worden uitgebreid overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004.

(28)

Met betrekking tot de uitvoering van de netwerkfuncties moeten specifieke prestatiedoelen in acht worden genomen, welke wijzigingen inhouden van Verordening (EU) nr. 691/2010 van de Commissie van 29 juli 2010 tot vaststelling van een prestatieregeling voor luchtvaartnavigatiediensten en netwerkfuncties en tot wijziging van Verordening (EG) nr. 2096/2005 tot vaststelling van de gemeenschappelijke eisen voor de verlening van luchtvaartnavigatiediensten (6). Die specifieke prestatiedoelen kunnen verder worden ontwikkeld op basis van de met de uitvoering van de prestatieregeling opgedane praktijkervaring.

(29)

Verordening (EU) nr. 691/2010 moet daarom dienovereenkomstig worden gewijzigd.

(30)

De in deze verordening vervatte maatregelen zijn in overeenstemming met het advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim,

HEEFT DE VOLGENDE VERORDENING VASTGESTELD:

HOOFDSTUK I

ALGEMENE BEPALINGEN

Artikel 1

Onderwerp en toepassingsgebied

1.   In deze verordening worden nadere regels vastgesteld voor de uitvoering van de netwerkfuncties voor luchtverkeersbeheer (ATM), overeenkomstig artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004, teneinde een optimaal gebruik van het luchtruim in het gemeenschappelijke Europese luchtruim mogelijk te maken en te garanderen dat luchtruimgebruikers voorkeurtrajecten kunnen exploiteren, en tegelijkertijd te zorgen voor maximale toegang tot het luchtruim en luchtvaartnavigatiediensten.

2.   Met het oog op het netwerkbeheer is deze verordening met name van toepassing op de lidstaten, het Europees Agentschap voor de veiligheid van de luchtvaart (hierna „het Agentschap” genoemd), luchtruimgebruikers, verleners van luchtvaartnavigatiediensten, luchthavenexploitanten, luchthavenslotcoördinatoren en exploiterende organisaties op nationaal niveau of op het niveau van functionele luchtruimblokken.

3.   Overeenkomstig artikel 1, lid 3, van Verordening (EG) nr. 551/2004 en onverminderd de exploitatie van staatsluchtvaartuigen krachtens artikel 3 van het Verdrag van Chicago inzake de internationale burgerluchtvaart, passen de lidstaten deze verordening toe in het luchtruim dat onder hun bevoegdheid valt in de EUR- en AFI-regio’s van de ICAO.

4.   Overeenkomstig artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004 belet deze verordening niet dat een lidstaat maatregelen toepast die nodig zijn om essentiële belangen op het gebied van het veiligheidsbeleid of het defensiebeleid te beschermen.

Artikel 2

Definities

Voor de toepassing van deze verordening gelden de definities van artikel 2 van Verordening (EG) nr. 549/2004.

Voorts wordt verstaan onder:

1.   „luchthavenexploitant”: de „luchthavenbeheerder”, zoals gedefinieerd in artikel 2, onder j), van Verordening (EEG) nr. 95/93;

2.   „luchthavenslotcoördinator”: de overeenkomstig Verordening (EEG) nr. 95/93 op gecoördineerde luchthavens ingestelde functie;

3.   „luchtruimontwerp”: een proces om bij te dragen tot de verwezenlijking van netwerkgerelateerde prestatiedoelen, om tegemoet te komen aan de behoeften van luchtruimgebruikers, om het vastgestelde veiligheidsniveau te behouden of te verhogen en om de luchtruimcapaciteit en milieuprestaties te verbeteren door middel van de ontwikkeling en tenuitvoerlegging van geavanceerde navigatiemogelijkheden en -technieken, verbeterde routenetwerken en bijbehorende sectorindelingen, geoptimaliseerde luchtruimstructuren en capaciteitsverbeterende ATM-procedures;

4.   „luchtruimtereservering”: een gedefinieerd luchtruimvolume dat tijdelijk is gereserveerd voor exclusief of specifiek gebruik door categorieën van gebruikers;

5.   „luchtruimbeperking”: een gedefinieerd luchtruimvolume waarin diverse activiteiten die gevaarlijk zijn voor de vlucht van luchtvaartuigen mogen worden uitgevoerd op specifieke tijdstippen (een „gevarengebied”); of het luchtruim boven het grondgebied of de territoriale wateren van een staat waarin de vlucht van luchtvaartuigen is beperkt overeenkomstig bepaalde voorwaarden (een „gebied met beperkingen”); of het luchtruim boven het grondgebied of de territoriale wateren van een staat waarin de vlucht van luchtvaartuigen is verboden (een „verboden gebied”);

6.   „luchtruimstructuur”: een specifiek luchtruimvolume dat is ontworpen om de veilige en optimale exploitatie van luchtvaartuigen te garanderen;

7.   „luchtruimgebruik”: de wijze waarop het luchtruim operationeel wordt gebruikt;

8.   „vertegenwoordiger van de luchtruimgebruikers”: een rechtspersoon of entiteit die de belangen van één of meer categorieën gebruikers van luchtvaartnavigatiediensten vertegenwoordigt;

9.   „luchtvaartfrequentieband”: de notering van een frequentieband in de „ITU Radio Regulations Table of Frequency Allocations”, waarin frequentietoewijzingen worden genoteerd voor het algemene luchtverkeer;

10.   „ATC-sector”: een gedefinieerd luchtruimvolume waarvoor een daartoe aangewezen luchtverkeersleider op een bepaald ogenblik verantwoordelijkheid met betrekking tot de luchtverkeersleiding (ATC) draagt;

11.   „ATS-route”: een specifiek deel van de luchtruimstructuur dat is ontworpen om de verkeersstromen te sturen met het oog op het verlenen van luchtverkeersdiensten (ATS);

12.   „civiel-militaire coördinatie”: de interactie tussen civiele en militaire autoriteiten en de onderdelen van het luchtverkeersbeheer die nodig zijn om het veilige, efficiënte en harmonieuze gebruik van het luchtruim te garanderen;

13.   „voorwaardelijke route”: een ATS-route die alleen onder specifieke voorwaarden beschikbaar is voor vliegplanning en gebruik;

14.   „coöperatieve besluitvorming”: een proces waarbij beslissingen worden genomen op basis van permanente samenwerking met en raadpleging van de lidstaten, operationele belanghebbenden en andere actoren, indien van toepassing;

15.   „netwerkcrisis”: het onvermogen om luchtvaartnavigatiediensten te verlenen op het vereiste niveau, leidend tot een belangrijk verlies aan netwerkcapaciteit of een aanzienlijk gebrek aan evenwicht tussen de netwerkcapaciteit en de vraag, of tot een belangrijke verstoring van de informatiestroom in één of meer delen van het netwerk ten gevolge van een ongewone en onvoorziene situatie;

16.   „plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk”: het plan dat door de netwerkbeheerder, in overleg met de operationele belanghebbenden, is opgesteld en dat de resultaten omvat van zijn operationele activiteiten inzake het ontwerp van het routenetwerk op korte en middellange termijn, overeenkomstig de richtsnoeren van het strategisch netwerkplan;

17.   „vrije luchtcorridor”: een specifiek luchtruim waarin gebruikers hun routes tussen het punt waarop zij dit luchtruim binnenkomen en het punt waarop zij het verlaten, vrij kunnen plannen, zonder verwijzing naar het ATS-routenetwerk;

18.   „frequentietoewijzing”: een door een lidstaat gegeven toestemming om onder bepaalde voorwaarden gebruik te maken van een radiofrequentie of radiofrequentiekanaal;

19.   „gevolgen voor het netwerk”: in de context van de in bijlage II beschreven radiofrequentiefunctie, een situatie waarin een radiofrequentietoewijzing tot gevolg heeft dat één of meer radiofrequentietoewijzingen van het netwerk worden verzwakt, verhinderd of onderbroken of dat het optimale gebruik van luchtvaartfrequentiebanden in het kader van deze verordening wordt verhinderd;

20.   „meervoudige routeopties”: een situatie waarin de luchtruimgebruiker over meer dan één routemogelijkheid op het ATS-routenetwerk beschikt;

21.   „derde landen”: niet-lidstaten die lid zijn van Eurocontrol of met de Unie een overeenkomst hebben gesloten inzake de tenuitvoerlegging van het gemeenschappelijke Europese luchtruim of deelnemen aan een functioneel luchtruimblok;

22.   „netwerkbeheerder”: het krachtens artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 opgerichte orgaan ter uitvoering van de in dat artikel en in deze verordening vastgestelde taken;

23.   „operationeel netwerkplan”: het plan dat door de netwerkbeheerder, in overleg met de operationele belanghebbenden, is opgesteld om zijn operationele activiteiten op korte en middellange termijn te organiseren overeenkomstig de richtsnoeren van het strategisch netwerkplan. Voor het gedeelte van het operationeel netwerkplan dat specifiek betrekking heeft op het ontwerp van het Europese routenetwerk, omvat dit het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk;

24.   „strategisch netwerkplan”: het plan dat door de netwerkbeheerder, in overleg met de lidstaten en de operationele belanghebbenden, is opgesteld in overeenstemming met het Europese ATM-masterplan en waarin de richtsnoeren voor de exploitatie van het netwerk en de langetermijnperspectieven ervan zijn gedefinieerd;

25.   „exploiterende organisatie”: een organisatie die technische en ontwikkelingsdiensten ter ondersteuning van luchtverkeers-, communicatie-, navigatie- of plaatsbepalingsdiensten verleent;

26.   „operationele eisen”: de eisen van het netwerk in termen van veiligheid, capaciteit en efficiëntie;

27.   „operationele belanghebbenden”: de civiele en militaire luchtruimgebruikers, de civiele en militaire verleners van luchtvaartnavigatiediensten, de luchthavenexploitanten, de slotcoördinatoren op luchthavens, de exploiterende organisaties en alle andere belangengroepen die relevant worden geacht voor de individuele functies;

28.   „sectorconfiguratie”: een regeling waarbij sectoren worden gecombineerd die zijn ingericht en het best geplaatst zijn om tegemoet te komen aan de operationele eisen en de beschikbaarheid van het luchtruim;

29.   „door de gebruiker gewenste route”: de route die de exploitanten van een luchtvaartuig in de fase van het ontwerp van het luchtruim wensen om tegemoet te komen aan hun behoeften.

HOOFDSTUK II

ORGANISATIE EN BEHEER VAN NETWERKFUNCTIES

Artikel 3

Oprichting van een netwerkbeheerder

1.   Voor het verrichten van de taken die nodig zijn ter uitvoering van de in artikel 6 van Verordening (EG) nr. 551/2004 en in de bijlagen bij deze verordening beschreven functies, wordt een onpartijdig bevoegd orgaan (de netwerkbeheerder) opgericht.

2.   De ambtstermijn van de netwerkbeheerder valt samen met de in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 691/2010 vastgestelde referentieperiode voor de prestatieregeling. Deze termijn moet voldoende lang zijn om de netwerkbeheerder de gelegenheid te bieden tot volledige ontwikkeling te komen in de uitvoering van deze taken. De termijn bedraagt minstens twee referentieperioden en kan worden verlengd.

3.   De benoeming van de netwerkbeheerder geschiedt uiterlijk drie maanden na de vaststelling van deze verordening in de vorm van een besluit van de Commissie, na raadpleging van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim en in overeenstemming met artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 549/2004. In dat besluit worden de voorwaarden voor de benoeming vermeld, inclusief de financiering en de voorwaarden voor de intrekking ervan. Aan het einde van elke in lid 2 genoemde referentieperiode gaat de Commissie na of aan die voorwaarden is voldaan.

4.   De netwerkbeheerder voert de volgende taken uit:

a)

het ontwerp van het Europese routenetwerk, zoals uiteengezet in bijlage I;

b)

de coördinatie van schaarse middelen, met name:

i)

radiofrequenties in luchtvaartfrequentiebanden die door het algemene luchtverkeer worden gebruikt, zoals uiteengezet in bijlage II, en

ii)

SSR-transpondercodes, zoals uiteengezet in bijlage III.

De Commissie kan aanvullende taken toewijzen aan de netwerkbeheerder, overeenkomstig artikel 6, lid 3, of artikel 6, lid 4, onder c), van Verordening (EG) nr. 551/2004.

5.   De netwerkbeheerder voert tevens de in artikel 6, lid 6, van Verordening (EG) nr. 551/2004 en in Verordening (EU) nr. 255/2010 genoemde functie betreffende de regeling van de luchtverkeersstromen (ATMF) uit.

Artikel 4

Taken van de netwerkbeheerder

1.   Ter ondersteuning van de uitvoering van de in artikel 3 genoemde taken voert de netwerkbeheerder de volgende taken uit, teneinde de netwerkactiviteiten in het gemeenschappelijke Europese luchtruim voortdurend te verbeteren en aldus bij te dragen tot de in Verordening (EU) nr. 691/2010 vastgestelde EU-wijde prestatiedoelen:

a)

het ontwikkelen, in stand houden en uitvoeren van het in artikel 5 nader geregelde strategisch netwerkplan, overeenkomstig de in Verordening (EU) nr. 691/2010 vastgestelde prestatieregeling en het Europese ATM-masterplan, en rekening houdende met de relevante ICAO Air Navigation Plans;

b)

het strategisch netwerkplan in detail uitwerken via een operationeel netwerkplan, zoals nader geregeld in artikel 6, waarin met name EU-wijde prestatiedoelen worden vastgesteld voor een periode van drie tot vijf jaar, een jaar, een seizoen, een week en een dag;

c)

het ontwikkelen van een geïntegreerd ontwerp voor het Europese routenetwerk, zoals uiteengezet in bijlage I;

d)

het vervullen van de centrale functie voor de coördinatie van radiofrequenties, zoals vereist bij artikel 6, lid 4, onder b), van Verordening (EG) nr. 551/2004 en zoals uiteengezet in bijlage II bij deze verordening;

e)

het coördineren van de verbetering van het in bijlage III uiteengezette proces voor de toewijzing van SSR-transpondercodes;

f)

het organiseren van het beheer en de werking van de functies en het uitvoeren van de verplichtingen van de centrale ATMF-eenheid;

g)

zorgen voor een geconsolideerde en gecoördineerde benadering van alle plannings- en operationele activiteiten van het netwerk, inclusief monitoring en verbetering van de algemene prestaties van het netwerk;

h)

het netwerkcrisisbeheer ondersteunen;

i)

de verschillende operationele belanghebbenden bij de uitvoering van de aan hen opgelegde verplichtingen ondersteunen bij de tenuitvoerlegging van systemen en procedures voor het verlenen van luchtverkeersbeheers- en/of luchtvaartnavigatiediensten, overeenkomstig het Europese ATM-masterplan;

j)

de entiteiten ondersteunen die zijn belast met het onderzoek van ongevallen en incidenten in de burgerluchtvaart of, op verzoek van die entiteiten, zijn belast met de analyse van voorvallen, binnen het toepassingsgebied van Verordening (EU) nr. 996/2010 van het Europees Parlement en de Raad (7);

k)

zorgen voor coördinatie met andere regio’s en derde landen die niet deelnemen aan de werkzaamheden van de netwerkbeheerder.

2.   De netwerkbeheerder draagt bij tot de uitvoering van de prestatieregeling overeenkomstig Verordening (EU) nr. 691/2010.

3.   Om zijn taken te vervullen, zorgt de netwerkbeheerder voor:

a)

de beschikbaarheid, werking en verspreiding van instrumenten, processen en consequente gegevens ter ondersteuning van het proces van coöperatieve besluitvorming op netwerkniveau, inclusief, maar niet beperkt tot, systemen voor de verwerking van vliegplannen en het beheer van vliegplangegevens;

b)

de facilitering en coördinatie tussen operationele belanghebbenden en de ondersteuning van deze belanghebbenden bij de totstandbrenging en uitvoering van de plannen en bijbehorende netwerkmaatregelen na de coöperatieve besluitvorming;

c)

passende operationele coördinatie, alsmede optimalisering, interoperabiliteit en interconnectiviteit binnen zijn bevoegdheidsgebied;

d)

de coördinatie van voorstellen voor wijzigingen van de desbetreffende ICAO-documenten die betrekking hebben op de netwerkfuncties;

e)

de rapportering, overeenkomstig artikel 20, van alle operationele prestatieaspecten, inclusief schaarse middelen;

f)

passende aansluitingen op andere vervoerswijzen.

4.   Op verzoek van de Commissie of het Agentschap voldoet de netwerkbeheerder aan op ad-hocverzoeken om informatie, advies, analyses of soortgelijke ondersteunende taken die verband houden met zijn diverse functies.

Artikel 5

Strategisch netwerkplan

1.   Ter wille van de vooruitzichten op lange termijn zorgt de netwerkbeheerder voor de opstelling, actualisering en toepassing van een strategisch netwerkplan, dat wordt afgestemd op de in artikel 7, lid 1, van Verordening (EU) nr. 691/2010 vastgestelde referentieperiode. Dit plan bevat het prestatieplan en de prestatiedoelen voor de volgende referentieperiode en blikt vooruit op toekomstige referentieperioden.

2.   Het strategisch netwerkplan bevat de in bijlage IV vermelde informatie.

3.   Het strategisch netwerkplan is erop gericht de in Verordening (EU) nr. 691/2010 bedoelde prestatiedoelen voor de netwerkfuncties te verwezenlijken.

4.   Indien nodig wordt het strategisch netwerkplan geactualiseerd.

Artikel 6

Operationeel netwerkplan

1.   Om het strategisch netwerkplan op operationeel niveau ten uitvoer te leggen, stelt de netwerkbeheerder een gedetailleerd operationeel netwerkplan op.

2.   Het operationeel netwerkplan bevat de in bijlage V vermelde informatie.

3.   Het operationeel netwerkplan stelt met name maatregelen vast ter verwezenlijking van de in Verordening (EU) nr. 691/2010 bedoelde EU-wijde prestatiedoelen voor een periode van drie tot vijf jaar, een jaar, een seizoen, een week en een dag.

4.   Het operationeel netwerkplan bevat militaire eisen, indien deze door de lidstaten worden verstrekt.

5.   Het operationeel netwerkplan bevat het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk en het gelijkwaardige plan voor radiofrequenties en SSR-transpondercodes.

6.   In het operationeel netwerkplan worden operationele beperkingen en knelpunten geïdentificeerd, alsook verbeterings-, herstel- en risicobeperkende maatregelen.

7.   Verleners van luchtvaartnavigatiediensten, functionele luchtruimblokken en luchthavenexploitanten zien erop toe dat hun operationele plannen zijn afgestemd op het operationeel netwerkplan. De netwerkbeheerder zorgt voor de coherentie van het operationeel netwerkplan.

8.   Het operationeel netwerkplan wordt regelmatig geactualiseerd, rekening houdende met alle relevante ontwikkelingen in de behoeften en vereisten van de netwerkfuncties.

Artikel 7

Bevoegdheden van de netwerkbeheerder

1.   Onverminderd de verantwoordelijkheden van de lidstaten neemt de netwerkbeheerder in het kader van de uitvoering van zijn taken afzonderlijke maatregelen die voortvloeien uit het proces van coöperatieve besluitvorming. De partijen op wie deze maatregelen betrekking hebben, voeren deze uit.

2.   Wanneer de verantwoordelijkheden van de lidstaten beletten dat dergelijke afzonderlijke maatregelen worden vastgesteld, verwijst de netwerkbeheerder dergelijke gevallen voor verder onderzoek door naar de Commissie.

3.   De netwerkbeheerder doet ook aanbevelingen voor maatregelen inzake andere kwesties, voor zover dit nodig is voor de prestaties van het netwerk.

4.   De netwerkbeheerder neemt binnen zijn bevoegdheidsgebied maatregelen om te garanderen dat de in artikel 9 van Verordening (EU) nr. 691/2010 genoemde EU-wijde prestatiedoelen worden verwezenlijkt.

5.   De netwerkbeheerder verzamelt, consolideert en analyseert alle in de bijlagen I tot en met VI vermelde relevante gegevens. Op verzoek verstrekt hij deze gegevens aan de Commissie, het Agentschap of het bij Verordening (EU) nr. 691/2010 opgerichte prestatiebeoordelingsorgaan.

Artikel 8

Betrekkingen met operationele belanghebbenden

1.   Ter uitvoering van zijn taken in verband met toezicht op en verbetering van de algemene prestaties van het netwerk ontwikkelt de netwerkbeheerder passende werkregelingen met operationele belanghebbenden, zoals geregeld in artikel 15.

2.   De operationele belanghebbenden zien erop toe dat de maatregelen die op lokaal niveau of op het niveau van functionele luchtruimblokken ten uitvoer worden gelegd, verenigbaar zijn met de maatregelen die via het proces van coöperatieve besluitvorming zijn genomen op netwerkniveau.

3.   De operationele belanghebbenden verstrekken de netwerkbeheerder de in de bijlagen I tot en met VI vermelde relevante gegevens en voldoen daarbij aan alle uiterste termijnen en eisen inzake volledigheid of nauwkeurigheid die voor de levering van deze gegevens zijn overeengekomen met de netwerkbeheerder.

4.   Operationele belanghebbenden op wie de overeenkomstig artikel 7, lid 1, door de netwerkbeheerder genomen afzonderlijke maatregelen betrekking hebben, kunnen binnen vijf werkdagen na de vaststelling ervan om herziening van dergelijke maatregelen verzoeken. Het verzoek tot herziening leidt niet tot opschorting van de afzonderlijke maatregelen.

5.   De netwerkbeheerder bevestigt of wijzigt de desbetreffende maatregelen binnen vijf werkdagen of, in geval van een netwerkcrisis, binnen 48 uur.

Artikel 9

Betrekkingen met de lidstaten

1.   Bij de uitvoering van zijn taken houdt de netwerkbeheerder rekening met de verantwoordelijkheden van de lidstaten.

2.   De lidstaten stellen de netwerkbeheerder in kennis wanneer hun soevereiniteit en verantwoordelijkheden beletten dat afzonderlijke maatregelen worden genomen krachtens artikel 7, lid 1.

3.   Wanneer lidstaten zijn betrokken bij operationele kwesties met betrekking tot de netwerkfuncties, nemen zij deel aan het proces van coöperatieve besluitvorming en passen zij de in het kader van dit proces bereikte resultaten toe op nationaal niveau.

Artikel 10

Betrekkingen met functionele luchtruimblokken

1.   De lidstaten zorgen voor nauwe samenwerking en coördinatie tussen functionele luchtruimblokken en de netwerkbeheerder, zoals met betrekking tot strategische planning en tactisch beheer van dagelijkse stromen en capaciteit.

2.   Om de operationele interconnectiviteit tussen functionele luchtruimblokken te vergemakkelijken, stelt de netwerkbeheerder, in nauwe samenwerking met alle functionele luchtruimblokken, geharmoniseerde processen, procedures en interfaces vast, inclusief wijzigingen van aspecten die verband houden met de activiteiten van de netwerkbeheerder.

3.   De lidstaten die in een functioneel luchtruimblok samenwerken, zien erop toe dat geconsolideerde standpunten worden geformuleerd met betrekking tot de netwerkfuncties.

4.   De verleners van luchtvaartnavigatiediensten die in een functioneel luchtruimblok samenwerken, zien erop toe dat geconsolideerde standpunten worden geformuleerd met betrekking tot operationele kwesties van de netwerkfuncties.

5.   Vóór de oprichting van een functioneel luchtruimblok werken de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten zodanig samen dat geconsolideerde standpunten worden geformuleerd over aspecten die verband houden met de activiteiten van de netwerkbeheerder.

Artikel 11

Civiel-militaire samenwerking

1.   De netwerkbeheerder zorgt voor passende regelingen om adequate coördinatie met nationale militaire autoriteiten mogelijk te maken en te ondersteunen.

2.   De lidstaten zorgen voor passende militaire betrokkenheid bij alle activiteiten die verband houden met de netwerkfuncties.

3.   De lidstaten zorgen ervoor dat de militaire verleners van luchtvaartnavigatiediensten en de militaire luchtruimgebruikers op passende wijze worden vertegenwoordigd in alle door de netwerkbeheerder vastgestelde operationele en raadplegingsregelingen.

4.   De uitvoering van de functie „Ontwerp van het Europese routenetwerk” laat de reserveringen of beperkingen van een luchtruimvolume voor exclusief of specifiek gebruik door de lidstaten onverlet. De netwerkbeheerder stimuleert en coördineert de beschikbaarheid van voorwaardelijke routes door deze zones, overeenkomstig Verordening (EG) nr. 2150/2005 van de Commissie (8).

Artikel 12

Algemene eisen voor netwerkfuncties

De netwerkbeheerder ziet erop toe dat de in bijlage VI uiteengezette algemene eisen voor netwerkfuncties worden vervuld. Deze eisen zijn van toepassing vanaf de datum van vaststelling van het benoemingsbesluit en de netwerkbeheerder dient uiterlijk twaalf maanden na die datum aan de eisen te voldoen.

HOOFDSTUK III

BEHEER VAN NETWERKFUNCTIES

Artikel 13

Coöperatieve besluitvorming

1.   Netwerkfuncties worden beheerd door middel van coöperatieve besluitvorming.

2.   Een proces van coöperatieve besluitvorming omvat:

a)

het in artikel 14 geregelde raadplegingsproces, en

b)

de in artikel 15 geregelde gedetailleerde werkregelingen en operationele processen.

3.   Met het oog op de vaststelling van maatregelen die verband houden met het beheer van de netwerkfuncties en ter wille van het toezicht op de prestaties van deze functies, richt de netwerkbeheerder de in artikel 16 geregelde netwerkbeheerraad op.

4.   Wanneer de netwerkbeheerder vaststelt dat zijn activiteiten door één of meer partijen worden belemmerd, wordt het geschil ter beslechting doorverwezen naar de netwerkbeheerraad.

Artikel 14

Raadplegingsproces

1.   Er wordt een proces voor passende en regelmatige raadpleging van de lidstaten en de operationele belanghebbenden vastgesteld.

2.   De raadpleging heeft in de eerste plaats betrekking op de in artikel 15 geregelde gedetailleerde werkregelingen, het strategisch netwerkplan, het operationeel netwerkplan, voortgang bij de uitvoering van de plannen, verslagen aan de Commissie en operationele kwesties, voor zover van toepassing.

3.   Het raadplegingsproces kan variëren naargelang van de aard van de individuele netwerkfuncties. Om kwesties van regelgevende aard te kunnen behandelen, moeten waar nodig de lidstaten bij het raadplegingsproces worden betrokken.

4.   Wanneer belanghebbenden niet tevreden zijn met de raadpleging, wordt de kwestie eerst doorverwezen naar de passende raadplegingsregeling op het niveau van de individuele functie. Wanneer de kwestie niet op het niveau van de individuele functie kan worden opgelost, wordt zij ter beslechting doorverwezen naar de netwerkbeheerraad.

Artikel 15

Gedetailleerde werkregelingen en operationele processen

1.   De netwerkbeheerder stelt gedetailleerde werkregelingen en operationele processen vast om plannings- en operationele aspecten te behandelen, met name rekening houdende met de specifieke kenmerken en eisen van de individuele netwerkfuncties, zoals uiteengezet in de bijlagen I tot en met VI.

2.   De netwerkbeheerder ziet erop toe dat de gedetailleerde werkregelingen en operationele processen regels bevatten voor kennisgeving aan betrokken belanghebbende partijen.

3.   Bij het vaststellen van de gedetailleerde werkregelingen en operationele processen dient de scheiding tussen dienstverlening en regelgevende kwesties te worden gerespecteerd; indien nodig dienen de lidstaten te worden betrokken bij het vaststellen van deze gedetailleerde werkregelingen en operationele processen.

Artikel 16

Netwerkbeheerraad

1.   De netwerkbeheerraad heeft de volgende taken:

a)

het strategisch netwerkplan bekrachtigen vóór de vaststelling ervan overeenkomstig artikel 5, lid 3, van Verordening (EG) nr. 549/2004;

b)

de operationele netwerkplannen voor een periode van drie tot vijf jaar en de jaarlijkse operationele netwerkplannen goedkeuren;

c)

de processen van coöperatieve besluitvorming, de raadplegingsprocessen en de gedetailleerde werkregelingen en operationele processen voor de netwerkfuncties goedkeuren na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim;

d)

het reglement van orde van het bij artikel 18, lid 4, opgerichte Europees crisiscoördinatiecentrum voor de luchtvaart goedkeuren na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim;

e)

toezicht houden op de voortgang in de uitvoering van de plannen en handelen naar aanleiding van eventuele afwijkingen van het oorspronkelijke plan;

f)

toezicht houden op de raadpleging van operationele belanghebbenden;

g)

toezicht houden op activiteiten in verband met het beheer van de netwerkfuncties;

h)

toezicht houden op de activiteiten van de netwerkbeheerder in verband met netwerkcrises;

i)

het in artikel 20 genoemde jaarverslag goedkeuren. Dit verslag heeft betrekking op, maar is niet beperkt tot, de uitvoering van het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan;

j)

kwesties behandelen die niet zijn opgelost op het niveau van de individuele netwerkfuncties;

k)

beoordelen of de netwerkbeheerder onpartijdig is en over passende bekwaamheden en middelen beschikt om de hem toegewezen taken, inclusief regelingen inzake beveiliging, aansprakelijkheid en noodgevallen, onafhankelijk uit te voeren;

l)

de jaarbegroting van de netwerkbeheerder bekrachtigen na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim;

m)

zijn reglement van orde goedkeuren na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim;

n)

alle andere relevant geachte thema’s behandelen.

2.   Stemgerechtigde leden van de netwerkbeheerraad zijn:

a)

één vertegenwoordiger van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten per opgericht luchtruimblok of luchtruimblok in oprichting, met in totaal vier stemmen voor alle verleners van luchtvaartnavigatiediensten;

b)

vier vertegenwoordigers van de commerciële en niet-commerciële civiele luchtruimgebruikers;

c)

twee vertegenwoordigers van de luchthavenexploitanten;

d)

twee vertegenwoordigers van de militaire verleners van luchtvaartnavigatiediensten en de militaire luchtruimgebruikers.

3.   Voorts zijn lid van de netwerkbeheerraad:

a)

de voorzitter, op voorstel van de Commissie aangesteld op basis van technische bekwaamheid en deskundigheid, met name op basis van voorstellen van de stemgerechtigde leden van de netwerkbeheerraad, en na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim;

b)

één vertegenwoordiger van de Commissie;

c)

één vertegenwoordiger van Eurocontrol;

d)

één vertegenwoordiger van de netwerkbeheerder.

4.   Elk lid heeft een plaatsvervanger.

5.   De stemgerechtigde leden van de netwerkbeheerraad worden aangesteld op voorstel van hun organisaties, na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim.

6.   De Commissie kan onafhankelijke en erkende deskundigen aanstellen als adviseurs; deze adviseurs nemen op persoonlijke titel zitting en vertegenwoordigen een breed scala aan vakgebieden die betrekking hebben op belangrijke aspecten van de netwerkfuncties. De landen die deelnemen aan de werkzaamheden van de netwerkbeheerder dragen kandidaat-adviseurs voor.

7.   De in lid 3, onder a), b) en c), genoemde leden hebben het recht voorstellen te verwerpen die gevolgen hebben voor:

a)

de soevereiniteit en verantwoordelijkheden van de lidstaten, met name betreffende openbare orde, openbare veiligheid en defensie, zoals genoemd in artikel 13 van Verordening (EG) nr. 549/2004;

b)

de verenigbaarheid van de activiteiten van de netwerkbeheerraad met de doelstellingen van deze verordening;

c)

de onpartijdigheid en billijkheid van de netwerkbeheerraad.

8.   De in lid 1 genoemde documenten worden bij eenvoudige meerderheid van stemmen door de netwerkbeheerraad aangenomen.

9.   Wanneer geen overeenstemming kan worden bereikt over kwesties die van wezenlijk belang zijn voor het netwerk, verwijst de netwerkbeheerraad deze door naar de Commissie. De Commissie stelt het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim in kennis.

Artikel 17

Rol van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim

1.   De netwerkbeheerder verwijst regelgevingskwesties door naar de Commissie, die op haar beurt het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim in kennis stelt.

2.   Het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim brengt advies uit over:

a)

de benoeming van de netwerkbeheerder;

b)

de aanstelling van de voorzitter van de netwerkbeheerraad;

c)

de aanstelling van de stemgerechtigde leden van de netwerkbeheerraad;

d)

het reglement van orde van de netwerkbeheerraad;

e)

het strategisch netwerkplan, en met name de doelstellingen van dit plan in een vroeg stadium;

f)

de jaarbegroting van de netwerkbeheerder;

g)

het reglement van orde van het Europees crisiscoördinatiecentrum voor de luchtvaart;

h)

de processen van coöperatieve besluitvorming, de raadplegingsprocessen en de gedetailleerde werkregelingen en operationele processen voor de netwerkfuncties.

3.   Het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim kan advies uitbrengen aan de Commissie wanneer door de netwerkbeheerraad geen overeenstemming kan worden bereikt over kwesties die van wezenlijk belang zijn voor het netwerk.

HOOFDSTUK IV

NETWERKCRISISBEHEER

Artikel 18

Oprichting van het Europees crisiscoördinatiecentrum voor de luchtvaart

1.   Het beheer van netwerkcrises wordt ondersteund door de oprichting van een Europees crisiscoördinatiecentrum voor de luchtvaart (European Aviation Crisis Coordination Cell, EACCC).

2.   Permanente leden van het EACCC zijn: één vertegenwoordiger van de lidstaat die het voorzitterschap van de Raad bekleedt, één vertegenwoordiger van de Commissie, één vertegenwoordiger van het Agentschap, één vertegenwoordiger van Eurocontrol, één vertegenwoordiger van de militaire sector, één vertegenwoordiger van de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, één vertegenwoordiger van de luchthavens en één vertegenwoordiger van de luchtruimgebruikers.

3.   Het EACCC kan van geval tot geval worden aangevuld met deskundigen, naargelang van de aard van de specifieke crisis.

4.   Het EACCC stelt zijn reglement van orde op, ter goedkeuring door de netwerkbeheerraad.

5.   De netwerkbeheerder stelt de middelen ter beschikking die nodig zijn voor de oprichting en werking van het EACCC.

Artikel 19

Verantwoordelijkheden van de netwerkbeheerder en het EACCC

1.   De netwerkbeheerder is samen met de leden van het EACCC verantwoordelijk voor de activering en deactivering van het EACCC.

2.   De netwerkbeheerder is, met steun van het EACCC, verantwoordelijk voor:

a)

de coördinatie van het beheer van reacties op netwerkcrises, overeenkomstig het reglement van orde van het EACCC, in nauwe samenwerking met overeenkomstige structuren in de lidstaten;

b)

de ondersteuning van de activering en coördinatie van rampenplannen op het niveau van de lidstaten;

c)

de opstelling van beperkende maatregelen op netwerkniveau, teneinde te garanderen dat tijdig wordt gereageerd op netwerkcrises en dat de permanente en veilige werking van het netwerk wordt beschermd en gegarandeerd. Daartoe moet de netwerkbeheerder:

i)

24 uur per dag toezicht houden op de toestand van het netwerk met het oog op netwerkcrises;

ii)

zorgen voor effectief informatiebeheer en effectieve communicatie door middel van de verspreiding van nauwkeurige, tijdige en consequente gegevens, teneinde de toepassing van de beginselen en processen van risicobeheer in de besluitvormingsprocessen te ondersteunen;

iii)

de georganiseerde verzameling en gecentraliseerde opslag van die gegevens faciliteren;

d)

het vestigen van de aandacht van de Commissie, het Agentschap of de lidstaten op mogelijkheden voor aanvullende steun voor het inperken van de crisis, inclusief het leggen van contacten met exploitanten van andere vervoerswijzen die intermodale oplossingen kunnen vinden en toepassen;

e)

toezicht op het herstel en de duurzaamheid van het netwerk, en de rapportering daarover.

HOOFDSTUK V

MONITORING, RAPPORTERING EN TOEZICHT

Artikel 20

Toezicht en rapportering

1.   De netwerkbeheerder stelt een proces vast van permanent toezicht op:

a)

de operationele netwerkprestaties;

b)

de maatregelen van operationele belanghebbenden en staten en de resultaten daarvan;

c)

de effectiviteit en efficiëntie van alle functies waarop deze verordening betrekking heeft.

2.   Het permanente toezicht heeft als doel mogelijke afwijkingen van het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan vast te stellen. De operationele belanghebbenden staan de netwerkbeheerder bij in de uitvoering van die taak door bepaalde taken te verrichten, met inbegrip van, maar niet beperkt tot, het verstrekken van gegevens.

3.   De netwerkbeheerder dient jaarlijks bij de Commissie en het Agentschap een verslag in over de maatregelen die hij heeft genomen om zijn taken te vervullen. Dit verslag heeft betrekking op individuele netwerkfuncties en op de totale situatie van het netwerk, en sluit aan bij de inhoud van het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan. De Commissie stelt het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim in kennis.

Artikel 21

Toezicht op de netwerkbeheerder

De Commissie houdt, met betrekking tot veiligheidsgerelateerde kwesties bijgestaan door het Agentschap, toezicht op de netwerkbeheerder, met name wat betreft de naleving van de eisen van deze verordening en van andere wetgeving van de Unie. De Commissie brengt jaarlijks, of wanneer zij specifiek daarom wordt verzocht, verslag uit bij het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim.

HOOFDSTUK VI

SLOTBEPALINGEN

Artikel 22

Betrekkingen met derde landen

Derde landen en hun operationele belanghebbenden kunnen deelnemen aan de werkzaamheden van de netwerkbeheerder.

Artikel 23

Financiering van de netwerkbeheerder

De lidstaten nemen alle nodige maatregelen voor de financiering van de netwerkfuncties die aan de netwerkbeheerder zijn toevertrouwd, op basis van luchtvaartnavigatieheffingen. De netwerkbeheerder stelt zijn kosten op transparante wijze vast.

Artikel 24

Aansprakelijkheid

De netwerkbeheerder treft regelingen ter dekking van de aansprakelijkheid voor de uitvoering van zijn taken. De toegepaste dekkingsmethode moet aangepast zijn aan de mogelijke verliezen en schade, waarbij rekening wordt gehouden met de rechtspositie van de netwerkbeheerder en de mate waarin dekking door commerciële verzekeringen mogelijk is.

Artikel 25

Evaluatie

De Commissie evalueert de effectiviteit van de uitvoering van de netwerkfuncties uiterlijk op 31 december 2013 en daarna regelmatig, rekening houdende met de in Verordening (EU) nr. 691/2010 vastgestelde referentieperioden voor de prestatieregeling.

Artikel 26

Wijzigingen van Verordening (EU) nr. 691/2010

Verordening (EU) nr. 691/2010 wordt als volgt gewijzigd:

1)

Aan artikel 3, lid 3, wordt het volgende punt m) toegevoegd:

„m)

de beoordeling van het prestatieplan van de netwerkbeheerder, inclusief de samenhang ervan met de EU-wijde prestatiedoelen.”.

2)

Het volgende artikel 5 bis wordt ingevoegd:

„Artikel 5 bis

Netwerkbeheerder

1.   De bij artikel 3 van Verordening (EU) nr. 677/2011 van de Commissie (9) opgerichte netwerkbeheerder voert de volgende taken uit met betrekking tot de prestatieregeling:

a)

de Commissie ondersteunen door vóór de referentieperioden relevante input te verstrekken met het oog op de voorbereiding van EU-wijde prestatiedoelen en het toezicht tijdens de referentieperiode. De netwerkbeheerder vestigt met name de aandacht van de Commissie op aanzienlijke en aanhoudende achteruitgang van de operationele prestaties;

b)

de Commissie toegang verlenen tot alle in bijlage IV vermelde gegevens, overeenkomstig artikel 20, lid 5;

c)

de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten ondersteunen met het oog op het bereiken van hun prestatiedoelen tijdens referentieperioden;

d)

een prestatieplan opstellen, dat vóór het begin van elke referentieperiode wordt vastgesteld als onderdeel van het strategisch netwerkplan. Dit prestatieplan is openbaar en bevat:

i)

een milieuprestatiedoel dat strookt met het EU-wijde prestatiedoel voor de gehele referentieperiode, inclusief jaarwaarden die dienen te worden gebruikt voor toezichtsdoeleinden;

ii)

prestatiedoelen voor andere relevante prestatiegebieden die stroken met het EU-wijde prestatiedoel voor de gehele referentieperiode, inclusief jaarwaarden die dienen te worden gebruikt voor toezichtsdoeleinden;

iii)

een beschrijving van de acties die gepland zijn om de doelstellingen te halen, en

iv)

aanvullende prestatiekernindicatoren en doelstellingen, waar nodig of indien de Commissie daartoe besluit.

3)

In artikel 17 wordt het volgende lid 2 bis ingevoegd:

„2 bis.   De Commissie houdt toezicht op de uitvoering van het prestatieplan van de netwerkbeheerder. Indien tijdens de referentieperiode doelen niet worden bereikt, neemt de Commissie de gepaste in het prestatieplan genoemde maatregelen om de situatie te corrigeren. Daartoe baseert zij zich op de jaarwaarden in het prestatieplan.”.

4)

In bijlage III komen de punten 3 en 4 als volgt te luiden:

„3.   Milieu

Routeontwerp: niet van toepassing tijdens de eerste referentieperiode. Tijdens de tweede referentieperiode: beoordeling van het in het prestatieplan gebruikte proces voor routeontwerp en de samenhang daarvan met het door de netwerkbeheerder ontwikkelde proces voor de opstelling van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk.

4.   Capaciteit

Vertraging: vergelijking van het in het prestatieplan verwachte niveau van vertraging en route in de regeling van de luchtverkeersstromen met een referentiewaarde die voortvloeit uit het capaciteitsplanningsproces van Eurocontrol en is opgenomen in het operationeel prestatieplan van de netwerkbeheerder.”.

Artikel 27

Inwerkingtreding

Deze verordening treedt in werking op de twintigste dag na die van de bekendmaking ervan in het Publicatieblad van de Europese Unie.

Deze verordening is verbindend in al haar onderdelen en is rechtstreeks toepasselijk in elke lidstaat.

Gedaan te Brussel, 7 juli 2011.

Voor de Commissie

De voorzitter

José Manuel BARROSO


(1)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 1.

(2)  PB L 96 van 31.3.2004, blz. 20.

(3)  PB L 108 van 24.4.2002, blz. 1.

(4)  PB L 80 van 26.3.2010, blz. 10.

(5)  PB L 14 van 22.1.1993, blz. 1.

(6)  PB L 201 van 3.8.2010, blz. 1.

(7)  PB L 295 van 12.11.2010, blz. 35.

(8)  PB L 342 van 24.12.2005, blz. 20.

(9)  PB L 185 van 15.7.2011, blz. 1.”.


BIJLAGE I

DE FUNCTIE „ONTWERP VAN HET EUROPESE ROUTENETWERK”

DEEL A

Doelstelling

1.

De functie „Ontwerp van het Europese routenetwerk” heeft tot doel:

a)

een plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk op te stellen, met het oog op de veilige en efficiënte exploitatie van het luchtverkeer, rekening houdende de gevolgen voor het milieu;

b)

in het kader van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk de ontwikkeling te faciliteren van een luchtruimstructuur die zorgt voor het vereiste niveau van veiligheid, capaciteit, flexibiliteit, paraatheid, milieuprestaties en naadloze verlening van snelle luchtvaartnavigatiediensten, rekening houdende met de beveiligings- en defensiebehoeften;

c)

te zorgen voor de regionale interconnectiviteit en interoperabiliteit van het Europese routenetwerk binnen de EUR-regio van de ICAO en met aangrenzende ICAO-regio’s.

2.

De ontwikkeling van een plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk moet gebaseerd zijn op een proces van coöperatieve besluitvorming. Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk vormt het deel van het operationeel netwerkplan dat specifiek betrekking heeft op het ontwerp van het Europese routenetwerk en bevat nadere regels voor de uitvoering van het gedeelte van het strategisch netwerkplan dat betrekking heeft op het ontwerp van het Europese routenetwerk.

3.

De lidstaten blijven verantwoordelijk voor de gedetailleerde ontwikkeling, goedkeuring en oprichting van de luchtruimstructuren met betrekking tot het luchtruim dat onder hun verantwoordelijkheid valt.

DEEL B

Planningsbeginselen

1.

Onverminderd de soevereiniteit van de lidstaten over het luchtruim en de eisen inzake openbare orde, openbare veiligheid en defensie, stellen de netwerkbeheerder, de lidstaten, derde landen, de luchtruimgebruikers, de functionele luchtruimblokken en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel, het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk op, waarbij zij gebruikmaken van een proces van coöperatieve besluitvorming en de in deze bijlage vermelde beginselen inzake luchtruimontwerp toepassen. Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk moet beantwoorden aan de prestatiedoelen die in de prestatieregeling zijn vastgesteld voor de netwerkbeheerder.

2.

Het proces van coöperatieve besluitvorming wordt ondersteund door passende, permanente en gedetailleerde werkregelingen die op deskundigenniveau worden vastgesteld door de netwerkbeheerder, in samenwerking met alle belanghebbenden. De periodiciteit van de raadplegingsregelingen weerspiegelt de behoeften van de functie „Ontwerp van het Europese routenetwerk”.

3.

Om passende connectiviteit van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk te garanderen, betrekken de netwerkbeheerder en de lidstaten derde landen bij het proces van coöperatieve besluitvorming, overeenkomstig artikel 22. Er wordt gezorgd voor passende samenwerking tussen enerzijds de netwerkbeheerder en zijn gedetailleerde werkregelingen op deskundigenniveau, ter ondersteuning van de ontwikkeling van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk, en anderzijds de relevante ICAO-werkregelingen op deskundigenniveau die betrekking hebben op verbeteringen van het routenetwerk aan de interface.

4.

Het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk is een plan in ontwikkeling dat alle elementen weerspiegelt die nodig zijn om te garanderen dat het Europese luchtruim als één entiteit wordt ontworpen en beantwoordt aan de toepasselijke prestatiedoelen.

5.

Dit plan omvat:

a)

gemeenschappelijke algemene beginselen, aangevuld met technische specificaties voor het ontwerp van het luchtruim;

b)

militaire eisen met betrekking tot het luchtruim;

c)

een overeengekomen Europees routenetwerk en, voor zover haalbaar, een luchtruimstructuur met vrije luchtcorridors die ontworpen is om tegemoet te komen aan alle gebruikersbehoeften, met nadere informatie over alle projecten voor wijzigingen van het luchtruimontwerp;

d)

regels inzake het gebruik en de beschikbaarheid van het routenetwerk en de vrije luchtcorridors;

e)

richtsnoeren inzake de aanbevolen ATC-sectorindeling, ter ondersteuning van de ATS-luchtruimstructuur die door de lidstaten moet worden ontworpen, vastgesteld en toegepast;

f)

richtsnoeren inzake het beheer van het luchtruim;

g)

een vastgesteld tijdschema voor de ontwikkeling;

h)

de kalender voor een gemeenschappelijke publicatie- en implementatiecyclus, aan de hand van het operationeel netwerkplan;

i)

een overzicht van de huidige en verwachte netwerksituatie, inclusief verwachte prestaties op basis van actuele en overeengekomen plannen.

6.

De netwerkbeheerder zorgt voor passende regelingen voor alle activiteiten, teneinde civiel-militaire coördinatie van het proces van coöperatieve besluitvorming mogelijk te maken.

7.

De netwerkbeheerder, de lidstaten, de functionele luchtruimblokken en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel, zorgen ervoor dat projecten voor luchtruimontwerp die aan de hand van het proces van coöperatieve besluitvorming zijn overeengekomen, op coherente wijze in het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk worden opgenomen.

8.

De lidstaten en de functionele luchtruimblokken zorgen ervoor dat hun projecten voor luchtruimontwerp, alvorens deze worden uitgevoerd, verenigbaar en stroken met het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk en dat coördinatie heeft plaatsgevonden met de landen die gevolgen van deze plannen ondervinden en met de netwerkbeheerder.

9.

Onder meer de volgende wijzigingen van projecten moeten worden gecontroleerd op compatibiliteit en moeten ter beschikking worden gesteld van de routebeheerder:

a)

wijzigingen van de alignering van routes;

b)

wijzigingen van de richting van routes;

c)

wijzigingen van het doel van routes;

d)

beschrijvingen van vrije luchtcorridors, inclusief de bijbehorende gebruiksregels;

e)

regels voor het gebruik en de beschikbaarheid van routes;

f)

wijzigingen van de verticale of horizontale sectorgrens;

g)

toevoeging of schrapping van belangrijke punten;

h)

wijzigingen in het grensoverschrijdende gebruik van het luchtruim;

i)

wijzigingen van de coördinaten van belangrijke punten;

j)

wijzigingen die gevolgen hebben voor de gegevensoverdracht;

k)

wijzigingen die gevolgen hebben voor gegevens die in luchtvaartgidsen worden gepubliceerd;

l)

wijzigingen die gevolgen hebben voor brieven houdende overeenstemming over het ontwerp en gebruik van het luchtruim.

10.

In het kader van deze bijlage ontwikkelen de netwerkbeheerder en de lidstaten gemeenschappelijke voorstellen voor wijzigingen van de desbetreffende ICAO-documenten, op basis van het proces van coöperatieve besluitvorming. Met name voor wijzigingen van ICAO-documenten inzake ATS-routes over internationale wateren passen de lidstaten de toepasselijke ICAO-coördinatieprocedures toe.

11.

Aan de hand van het proces van coöperatieve besluitvorming beoordelen de netwerkbeheerder, de lidstaten, de luchtruimgebruikers, de luchthavenexploitanten, de functionele luchtruimblokken en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel, permanent het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk teneinde rekening te houden met nieuwe of veranderende eisen met betrekking tot het luchtruim. Er wordt gezorgd voor permanente coördinatie met de militaire autoriteiten.

DEEL C

Beginselen voor luchtruimontwerp

1.

Binnen het proces van coöperatieve besluitvorming en in het kader van de ontwikkeling van het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk passen de netwerkbeheerder, de lidstaten, derde landen, functionele luchtruimblokken en verleners van luchtvaartnavigatiediensten, als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel, de volgende beginselen voor luchtruimontwerp toe:

a)

de vaststelling en configuratie van luchtruimstructuren is gebaseerd op operationele eisen, ongeacht de grenzen van nationale of functionele luchtruimblokken of vluchtinformatiegebieden, en volgt niet noodzakelijk de indeling tussen hoger en lager luchtruim;

b)

het ontwerp van luchtruimstructuren is een transparant proces waarbij beslissingen worden gebaseerd op de eisen van alle gebruikers en tegelijk veiligheids-, capaciteits- en milieuaspecten met elkaar worden verzoend, rekening houdende met militaire en nationale beveiligingsbehoeften;

c)

de huidige en geraamde verkeersvraag, op netwerkniveau en op lokaal niveau, en de prestatiedoelen vormen de input voor het plan voor de verbetering van het Europese routenetwerk, teneinde tegemoet te komen aan de behoeften van de belangrijkste verkeersstromen en luchthavens;

d)

de verticale en horizontale interconnectiviteit moet worden gegarandeerd, met inbegrip van het terminalluchtruim en de luchtruimstructuur aan de interface.

e)

vluchten moeten de mogelijkheid hebben om tijdens de en-route-vluchtfase op of zo dicht mogelijk langs de routes te vliegen die de gebruikers vereisen;

f)

alle voorstellen voor luchtruimstructuren, inclusief vrije luchtcorridors, meervoudige routeopties en voorwaardelijke routes, die worden ingediend door belanghebbenden met een operationeel belang in dat gebied, moeten worden aanvaard voor beoordeling en eventuele verdere ontwikkeling;

g)

bij het ontwerp van luchtruimstructuren, inclusief vrije luchtcorridors en ATC-sectoren, moet rekening worden gehouden met bestaande of voorgestelde luchtruimstructuren die zijn aangewezen voor activiteiten die reservering of beperking van het luchtruim vereisen. Alleen structuren die beantwoorden aan de toepassing van flexibel luchtruimgebruik worden opgericht. Dergelijke structuren worden geharmoniseerd en de samenhang ervan wordt zoveel mogelijk gegarandeerd in het gehele Europese netwerk;

h)

de ontwikkeling van ATC-sectorontwerp begint bij de alignering van de vereiste route of verkeersstroom binnen een iteratief proces dat de compatibiliteit tussen routes of stromen en sectoren garandeert;

i)

ATC-sectoren worden zodanig ontworpen dat zij de constructie van sectorconfiguraties mogelijk maken die beantwoorden aan de verkeersstromen, aanpasbaar zijn en aangepast zijn aan de variabele verkeersvraag;

j)

er worden dienstverleningsovereenkomsten opgesteld in gevallen waarin ATC-sectoren, om operationele redenen, moeten worden ontworpen over nationale grenzen, grenzen van functionele luchtruimblokken of grenzen van vluchtinformatiegebieden heen.

2.

Aan de hand van het proces van coöperatieve besluitvorming zorgen de netwerkbeheerder, de lidstaten, de functionele luchtruimblokken en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten, als onderdeel van functionele luchtruimblokken of individueel, ervoor dat de volgende beginselen worden nageleefd met betrekking tot het gebruik van het luchtruim en het capaciteitsbeheer:

a)

luchtruimstructuren worden gepland om het flexibele en tijdige gebruik en beheer van het luchtruim te faciliteren met betrekking tot routeopties, verkeersstromen, sectorconfiguraties en de configuratie van andere luchtruimstructuren;

b)

luchtruimstructuren moeten de vaststelling van aanvullende routeopties mogelijk maken, en tegelijk de onderlinge compatibiliteit ervan garanderen (capaciteitsoverwegingen en beperkingen inzake sectorontwerp).

DEEL D

Permanent toezicht op de prestaties op netwerkniveau

1.

Om te garanderen dat de prestaties voortdurend verbeteren, voert de netwerkbeheerder, in nauwe samenwerking met landen, functionele luchtruimblokken en operationele belanghebbenden, een regelmatige beoordeling uit van de effectiviteit van de ten uitvoer gelegde luchtruimstructuren.

2.

Deze beoordeling omvat, maar is niet beperkt tot:

a)

de ontwikkeling van de verkeersvraag;

b)

de prestaties inzake capaciteit en vluchtefficiëntie en beperkingen op het niveau van landen, functionele luchtruimblokken of het netwerk;

c)

een beoordeling van de aspecten van het luchtruimgebruik, zowel uit civiel als uit militair oogpunt;

d)

een beoordeling van de sectorindeling en de gebruikte sectorconfiguraties;

e)

een beoordeling van de integriteit en continuïteit van de luchtruimstructuren;

f)

kennisgeving aan de Commissie, wanneer de vereiste corrigerende maatregelen buiten de bevoegdheid van de netwerkbeheerder vallen.


BIJLAGE II

DE FUNCTIE „RADIOFREQUENTIE”

DEEL A

Eisen voor de uitvoering van de functie

1.

De lidstaten benoemen een bevoegde persoon, autoriteit of organisatie tot nationale frequentiebeheerder; het is de verantwoordelijkheid van deze nationale frequentiebeheerder te garanderen dat de frequentietoewijzingen plaatsvinden, worden gewijzigd en worden vrijgegeven overeenkomstig deze verordening. De lidstaten stellen de Commissie en de netwerkbeheerder uiterlijk vier maanden na de vaststelling van deze verordening in kennis van de naam en het adres van hun frequentiebeheerder.

2.

De netwerkbeheerder zorgt voor de voorbereiding en coördinatie van de netwerkgerelateerde aspecten van het strategische spectrum die op passende wijze moeten worden gedocumenteerd in het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan. De netwerkbeheerder ondersteunt de Commissie en de lidstaten bij de voorbereiding van gemeenschappelijke standpunten over luchtvaartthema’s, zodat de lidstaten een gecoördineerde bijdrage kunnen leveren tot internationale fora, met name de Europese Conferentie van post- en telecommunicatieadministraties (CEPT) en de Internationale Telecommunicatie-unie (ITU).

3.

Op verzoek van de nationale frequentiebeheerder(s) neemt de netwerkbeheerder, samen met de Commissie en de CEPT, maatregelen om problemen met andere industriële sectoren te bespreken.

4.

De nationale frequentiebeheerders brengen aan de netwerkbeheerder verslag uit over gevallen van radio-interferentie die gevolgen hebben voor het Europese routenetwerk. De netwerkbeheerder registreert deze gevallen en verleent steun bij de beoordeling ervan. Op verzoek van de nationale frequentiebeheerder(s) verleent de netwerkbeheerder steun voor het oplossen of inperken van dergelijke gevallen of zorgt hij voor de coördinatie van dergelijke steun; dit kan onder meer inhouden dat de netwerkbeheerder maatregelen neemt in samenwerking met de Commissie en de CEPT.

5.

De netwerkbeheerder zorgt voor de opstelling en bijwerking van een centraal register dat bestemd is voor de opslag van alle gegevens inzake radiofrequentietoewijzingen, zoals beschreven in punt 14.

6.

De lidstaten gebruiken dit centrale register om hun administratieve verplichtingen inzake de registratie van frequentietoewijzingen ten overstaan van de ICAO te vervullen.

7.

De netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerders ontwikkelen en verbeteren de procedures voor frequentiebeheer, de planningcriteria, de gegevensreeksen en de processen om het gebruik en de benutting van het radiospectrum door het algemene luchtverkeer te verbeteren. Op verzoek van de lidstaten zal de netwerkbeheerder deze initiatieven ook op regionaal niveau voortzetten.

8.

Wanneer een frequentietoewijzing nodig is, dient de aanvrager een verzoek in bij de desbetreffende nationale frequentiebeheerder, vergezeld van alle relevante gegevens en een motivering.

9.

De nationale frequentiebeheerders en de netwerkbeheerder baseren zich op operationele eisen en overeengekomen criteria voor de beoordeling en prioriteitstoekenning van verzoeken om frequentietoewijzingen. De netwerkbeheerder gaat, in samenwerking met de nationale frequentiebeheerders, ook na welke gevolgen deze verzoeken hebben voor het netwerk. De netwerkbeheerder stelt de bovengenoemde criteria vast in overleg met de nationale frequentiebeheerders, uiterlijk twaalf maanden na de vaststelling van deze verordening, en zorgt daarna ook voor de actualisering en bijwerking van deze criteria, voor zover nodig.

10.

Als het verzoek gevolgen heeft voor het netwerk gaat de netwerkbeheerder na welke frequentie(s) geschikt zijn om aan het verzoek tegemoet te komen, rekening houdende met de volgende eisen:

a)

de noodzaak om een veilige communicatie-, navigatie- en toezichtsstructuur ter beschikking te stellen;

b)

de noodzaak om het eindige radiospectrum optimaal te benutten;

c)

de behoefte aan kosteneffectieve, eerlijke en transparante toegang tot het radiospectrum;

d)

de operationele eisen van de aanvrager(s) en de operationele belanghebbenden;

e)

de voorspelde vraag naar radiofrequenties;

f)

de bepalingen van het Europese handboek voor frequentiebeheer (European Frequency Management Manual) van de ICAO.

11.

Als het verzoek geen gevolgen heeft voor het netwerk gaat de netwerkbeheerder na welke frequentie(s) geschikt zijn om aan het verzoek tegemoet te komen, rekening houdende met de eisen van punt 10.

12.

Wanneer niet tegemoet kan worden gekomen aan een frequentieverzoek, kunnen de nationale frequentiebeheerders de netwerkbeheerder vragen op zoek te gaan naar een specifieke frequentie. Om de nationale frequentiebeheerders te helpen bij het zoeken naar een oplossing, kan de netwerkbeheerder, met de steun van de nationale frequentiebeheerders, een specifiek onderzoek voeren naar het frequentiegebruik in het desbetreffende geografische gebied.

13.

De nationale frequentiebeheerder wijst de overeenkomstig punt 10, 11 of 12 geïdentificeerde geschikte frequenties toe.

14.

De nationale frequentiebeheerder registreert elke toewijzing in het centrale register, met vermelding van de volgende informatie:

a)

de gegevens die zijn gedefinieerd in het Europese handboek voor frequentiebeheer van de ICAO, inclusief relevante bijbehorende technische en operationele gegevens;

b)

verbeterde gegevenseisen ingevolge punt 7;

c)

een beschrijving van het operationele gebruik van de frequentietoewijzing;

d)

de contactgegevens van de operationele belanghebbende die zal gebruikmaken van de toewijzing.

15.

De nationale frequentiebeheerder stelt gebruiksvoorwaarden bij het toewijzen van een frequentie aan de aanvrager. In deze voorwaarden wordt minstens bepaald dat de frequentietoewijzing:

a)

geldig moet blijven zolang zij gebruikt wordt om tegemoet te komen aan de door de aanvrager beschreven operationele eisen;

b)

het voorwerp kan uitmaken van een verzoek om een frequentieverschuiving en dat dergelijke verschuivingen binnen een beperkte tijdspanne ten uitvoer moeten worden gelegd;

c)

kan worden gewijzigd zodra zich wijzigingen voordoen in het door de aanvrager vermelde operationele gebruik.

16.

De nationale frequentiebeheerders zien erop toe dat een vereiste frequentieverschuiving, -wijziging of -vrijgave binnen de overeengekomen tijdspanne plaatsvindt en dat het centrale register dienovereenkomstig wordt aangepast. Als dergelijke acties niet kunnen worden uitgevoerd, moeten de nationale frequentiebeheerders dit op passende wijze motiveren ten aanzien van de netwerkbeheerder.

17.

De nationale frequentiebeheerders zien erop toe dat de in punt 14 vermelde operationele, technische en administratieve bijzonderheden van alle in het Europese routenetwerk gebruikte frequenties uiterlijk op 31 december 2011 beschikbaar zijn in het centrale register.

18.

De netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerder(s) zien toe op en beoordelen de luchtvaartfrequentiebanden en frequentietoewijzingen op basis van transparante procedures, teneinde ervoor te zorgen dat ze correct en efficiënt worden gebruikt. De netwerkbeheerder stelt dergelijke procedures vast in overleg met de nationale frequentiebeheerders, uiterlijk twaalf maanden na de vaststelling van deze verordening, en zorgt daarna ook voor de actualisering en bijwerking van deze criteria, voor zover nodig. De netwerkbeheerder gaat met name na of er verschillen zijn tussen het centrale register, de operationele doelstelling en het werkelijke gebruik van de toegewezen frequenties. Als de netwerkbeheerder dergelijke verschillen vaststelt, deelt hij dit mee aan de nationale frequentiebeheerder, die binnen een overeengekomen termijn een oplossing moet zoeken.

19.

De netwerkbeheerder zorgt ervoor dat gemeenschappelijke instrumenten beschikbaar zijn om de centrale en nationale planning, de coördinatie, de registratie, de audits en de optimalisering te ondersteunen. Er worden met name instrumenten ontwikkeld om de analyse van de gegevens in het centrale register te ondersteunen, om toezicht te houden op de efficiëntie van de functie en om het in punt 7 vermelde proces voor optimalisering van de frequenties te ontwerpen en toe te passen.

DEEL B

Eisen voor de organisatie van de functie

1.

Het proces van coöperatieve besluitvorming tussen nationale frequentiebeheerders en de netwerkbeheerder wordt gebaseerd op regelingen die moeten worden goedgekeurd door de netwerkbeheerraad, overeenkomstig artikel 16 van deze verordening na een positief advies van het Comité voor het gemeenschappelijke luchtruim, overeenkomstig artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004.

2.

In geval van onenigheid over de in punt 1 van deel B bedoelde regelingen leggen de netwerkbeheerder of de betrokken lidstaten de kwestie voor aan de Commissie. De Commissie handelt overeenkomstig de in artikel 5, lid 2, van Verordening (EG) nr. 549/2004 bedoelde procedure.

3.

In deze regelingen wordt minstens het volgende vastgesteld:

a)

de criteria die worden toegepast voor de beoordeling van operationele eisen en de rangorde van deze criteria volgens prioriteit;

b)

minimumtermijnen voor de coördinatie van nieuwe of gewijzigde radiofrequentietoewijzingen;

c)

mechanismen om te garanderen dat de relevante EU-wijde prestatiedoelen door de netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerders worden gehaald;

d)

dat procedures, criteria en processen voor verbeterd frequentiebeheer geen negatieve gevolgen mogen hebben voor de procedures, criteria en processen die door andere landen worden toegepast in het kader van regionale procedures van de ICAO;

e)

eisen om te garanderen dat de lidstaten op passende wijze alle betrokken belanghebbenden op nationaal en Europees niveau raadplegen over nieuwe of gewijzigde beheerregelingen.

4.

De aanvankelijke regelingen voor de coördinatie van radiofrequenties moeten volledig verenigbaar zijn met de bestaande regelingen. Ontwikkelingen van deze regelingen moeten in samenwerking met de nationale frequentiebeheerders worden vastgesteld en de vaste kosten zoveel mogelijk doen afnemen.

5.

Via de regionale werkregelingen van de ICAO worden aangrenzende landen die niet deelnemen aan de werkzaamheden van de netwerkbeheerder geraadpleegd over het strategische en tactische gebruik van radiofrequenties. Dit gebeurt eveneens om deze aangrenzende landen toegang te verschaffen tot de diensten van de netwerkbeheerder.

6.

De netwerkbeheerder en de nationale frequentiebeheerders moeten overeenstemming bereiken over algemene prioriteiten voor de functie, teneinde het ontwerp en de werking van het Europese routenetwerk te verbeteren. Deze prioriteiten worden gedocumenteerd in de vorm van een deel „frequentie” in het strategisch netwerkplan en het operationeel netwerkplan, waarna de belanghebbenden moeten worden geraadpleegd. Bij de vaststelling van de prioriteit kunnen met name specifieke banden, gebieden en diensten worden overwogen.

7.

De lidstaten zien erop toe dat het gebruik van luchtvaartfrequentiebanden door militaire gebruikers op passende wijze wordt gecoördineerd met de nationale frequentiebeheerders en de netwerkbeheerder.


BIJLAGE III

DE FUNCTIE „TRANSPONDERCODE”

DEEL A

Eisen voor de functie „Transpondercode”

1.

De doelstellingen van deze functie zijn:

a)

de robuustheid van het codetoewijzingsproces verbeteren door duidelijke taken en verantwoordelijkheden voor alle betrokken belanghebbenden vast te stellen; bij de toewijzing van codes moeten de algemene prestaties van het netwerk centraal staan;

b)

de transparantie bij de toewijzing en het gebruik van codes vergroten, zodat de efficiëntie van het totale netwerk beter kan worden beoordeeld, en

c)

de basis leggen voor betere handhaving en beter toezicht via vastlegging in regelgeving.

2.

De SSR-transpondercodes worden door de netwerkbeheerder aan de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten toegewezen op een manier die een zo veilig en efficiënt mogelijke spreiding mogelijk maakt, rekening houdende met:

a)

de operationele eisen van alle operationele belanghebbenden;

b)

de werkelijke en voorspelde niveaus van luchtverkeer;

c)

het vereiste gebruik van SSR-transpondercodes overeenkomstig de relevante bepalingen en richtsnoeren van het „ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document”.

3.

De netwerkbeheerder stelt te allen tijde een lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen, met een beschrijving van de volledige en geactualiseerde toewijzingen van SSR-codes in het in artikel 1, lid 3, bedoelde luchtruim ter beschikking van de lidstaten, de verleners van luchtvaartnavigatiediensten en derde landen.

4.

De netwerkbeheerder past een formeel proces toe voor de vaststelling, beoordeling en coördinatie van de eisen voor SSR-transpondercodetoewijzingen, rekening houdende met alle vereiste civiele en militaire toepassingen van SSR-transpondercodes.

5.

Het in punt 4 vermelde formele proces omvat minstens relevante overeengekomen procedures, termijnen en prestatiedoelen voor het voltooien van de volgende activiteiten:

a)

de indiening van aanvragen voor de toewijzing van SSR-transpondercodes;

b)

de beoordeling van aanvragen voor de toewijzing van SSR-transpondercodes;

c)

de coördinatie van voorgestelde wijzigingen van SSR-transpondercodetoewijzingen met lidstaten en derde landen, overeenkomstig de in deel B vastgestelde eisen;

d)

periodieke audits van de SSR-transpondercodetoewijzingen en van de behoefte aan dergelijke toewijzingen, teneinde de situatie te optimaliseren, inclusief nieuwe toewijzingen van bestaande codes;

e)

periodieke aanpassing, goedkeuring en verspreiding van de in punt 3 vermelde lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen;

f)

aanmelding, beoordeling en oplossing van onverwachte conflicten tussen SSR-transpondercodetoewijzingen;

g)

aanmelding, beoordeling en oplossing van verkeerde SSR-transpondercodetoewijzingen die bij coderetentiecontroles worden vastgesteld;

h)

aanmelding, beoordeling en oplossing van onverwachte tekortkomingen bij SSR-transpondercodetoewijzingen;

i)

gegevens- en informatieverstrekking overeenkomstig de in deel C vastgestelde eisen.

6.

De netwerkbeheerder gaat na of aanvragen voor toewijzingen van SSR-transpondercodes die in het kader van het in punt 4 vermelde proces worden ontvangen, beantwoorden aan de eisen inzake formaat en gegevensconventies, volledigheid, nauwkeurigheid, tijdigheid en motivering.

7.

De lidstaten zien erop toe dat SSR-transpondercodes aan luchtvaartuigen worden toegewezen overeenkomstig de in punt 3 genoemde lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen.

8.

De netwerkbeheerder kan namens de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten een gecentraliseerd systeem voor de automatische toewijzing en het beheer van SSR-transpondercodes aan het algemene luchtverkeer toepassen.

9.

De netwerkbeheerder maakt gebruik van procedures en instrumenten voor de regelmatige evaluatie en beoordeling van het werkelijke gebruik van SSR-transpondercodes door de lidstaten en verleners van luchtvaartnavigatiediensten.

10.

De netwerkbeheerder, de lidstaten en de verleners van luchtvaartnavigatiediensten bereiken overeenstemming over plannen en procedures voor de ondersteuning van de periodieke analyse en identificatie van toekomstige eisen inzake SSR-transpondercodes. Deze analyse omvat de identificatie van voorspelde tekortkomingen bij de toewijzing van SSR-transpondercodes die gevolgen kunnen hebben voor de prestaties.

11.

Er worden vluchtuitvoeringshandboeken opgesteld en bijgehouden, welke de nodige instructies en informatie bevatten die het mogelijk maken de netwerkfunctie te vervullen overeenkomstig de eisen van deze verordening. Deze vluchtuitvoeringshandboeken worden verspreid en bijgehouden overeenkomstig passende processen voor kwaliteitsbeheer en documentconfiguratie.

DEEL B

Eisen voor het specifieke raadplegingsmechanisme

1.

De netwerkbeheerder stelt een specifiek mechanisme vast voor de coördinatie van en raadpleging over gedetailleerde regelingen voor de toewijzing van SSR-transpondercodes. Dit mechanisme:

a)

garandeert dat rekening wordt gehouden met het effect van het gebruik van SSR-transpondercodes in derde landen, via deelname aan de regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes die zijn uiteengezet in de relevante bepalingen van het „ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document”;

b)

garandeert dat de in punt 3 van deel A genoemde lijst van SSR-transpondercodetoewijzingen verenigbaar is met het codebeheerplan dat is uiteengezet in de relevante bepalingen van het „ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document”;

c)

voorziet in eisen om te garanderen dat passende raadpleging over nieuwe of gewijzigde regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes wordt gepleegd met de betrokken lidstaten;

d)

voorziet in eisen om te garanderen dat de lidstaten op passende wijze worden geraadpleegd over nieuwe of gewijzigde regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes met alle betrokken belanghebbenden op nationaal niveau;

e)

voorziet in coördinatie met derde landen over het strategische en tactische gebruik van SSR-transpondercodes via de regelingen voor het beheer van SSR-transpondercodes die zijn uiteengezet in de relevante bepalingen van het „ICAO Regional Air Navigation Plan, European Region, Facilities and Services Implementation Document”;

f)

voorziet in minimumtermijnen voor de coördinatie van en de raadpleging over voorstellen voor nieuwe of gewijzigde SSR-transpondercodetoewijzingen;

g)

garandeert dat wijzigingen van de lijst met SSR-transpondercodetoewijzingen worden goedgekeurd door de betrokken lidstaten;

h)

voorziet in eisen om te garanderen dat wijzigingen van de lijst met SSR-transpondercodetoewijzingen onmiddellijk na de goedkeuring ervan aan alle belanghebbenden worden meegedeeld, onverminderd nationale procedures voor de mededeling van informatie over het gebruik van SSR-transpondercodes door militaire autoriteiten.

2.

In overleg met de nationale militaire autoriteiten ziet de netwerkbeheerder erop toe dat de nodige maatregelen worden genomen om te garanderen dat de toewijzing en het gebruik van SSR-transpondercodes voor militaire doeleinden geen negatieve gevolgen heeft voor de veiligheid of het efficiënte verloop van het algemene luchtverkeer.

DEEL C

Eisen inzake gegevensverstrekking

1.

Aanvragen voor nieuwe of gewijzigde toewijzingen van SSR-transpondercodes moeten beantwoorden aan de in punt 4 van deel A vastgestelde eisen inzake formaat en gegevensconventies, volledigheid, nauwkeurigheid, tijdigheid en motivering.

2.

Voor zover vereist verstrekken de lidstaten, binnen de door de netwerkbeheerder voorgeschreven termijnen, de volgende informatie aan de netwerkbeheerder, ter ondersteuning van de verlening van de netwerkfunctie voor SSR-transpondercodes:

a)

geactualiseerde gegevens betreffende de toewijzing en het gebruik van alle SSR-transpondercodes in het gebied dat onder hun verantwoordelijkheid valt, onverminderd eventuele veiligheidsbeperkingen met betrekking tot de volledige vrijgage van specifieke militaire codetoewijzingen die niet voor het algemene luchtverkeer worden gebruikt;

b)

een motivering waaruit blijkt dat de bestaande en aangevraagde toewijzingen van SSR-transpondercodes het minimum vormen dat noodzakelijk is om te voorzien in de operationele behoeften;

c)

nadere informatie over toewijzingen van SSR-transpondercodes die niet meer operationeel vereist zijn en die kunnen worden vrijgegeven voor nieuwe toewijzing in het netwerk;

d)

verslagen van alle onverwachte tekortkomingen bij de toewijzing van SSR-transpondercodes;

e)

bijzonderheden van wijzigingen in de installatieplanning of de operationele status van systemen of componenten die gevolgen kunnen hebben voor de toewijzing van SSR-transpondercodes aan vluchten.

3.

Voor zover vereist, verstrekken de verleners van luchtvaartnavigatiediensten de volgende informatie aan de netwerkbeheerder, binnen de door de netwerkbeheerder voorgeschreven termijnen, ter ondersteuning van de verlening van de netwerkfunctie voor SSR-transpondercodes:

a)

verbeterde positieverslagen die verband houden met systemen voor het beheer van de tactische verkeersstromen en die toewijzingen van SSR-transpondercodes bevatten voor algemene vluchten volgens instrumentvliegregels, en

b)

verslagen van alle onverwachte conflicten of gevaren ten gevolge van een feitelijke operationele toewijzing van een SSR-transpondercode, inclusief informatie over de wijze waarop het conflict is opgelost.

4.

In reacties van lidstaten en verleners van luchtvaartnavigatiediensten op de coördinatie van voorgestelde wijzigingen van toewijzingen van SSR-transpondercodes en actualiseringen van de lijst met toewijzingen van SSR-transpondercodes moet minstens:

a)

worden nagegaan of conflicten tussen toewijzingen van SSR-transpondercodes kunnen worden verwacht;

b)

worden bevestigd of de operationele eisen of de efficiëntie nadelig zullen worden beïnvloed;

c)

worden bevestigd of wijzigingen van toewijzingen van SSR-transpondercodes overeenkomstig de vereiste termijnen ten uitvoer kunnen worden gelegd.


BIJLAGE IV

MODEL VOOR HET STRATEGISCH NETWERKPLAN

Het strategisch netwerkplan moet zijn gebaseerd op de volgende structuur:

1.   INLEIDING

1.1.

Toepassingsgebied van het strategisch netwerkplan (geografisch en in de tijd)

1.2.

Voorbereiding van het plan en valideringsproces

2.   ALGEMENE CONTEXT EN EISEN

2.1.

Beschrijving van de huidige en geplande netwerksituatie, onder meer met betrekking tot het ontwerp van het Europese routenetwerk, de regeling van de luchtverkeersstromen, de luchthavens en de schaarse middelen

2.2.

Uitdagingen en kansen in verband met het tijdschema van het plan (inclusief prognose van de verkeersvraag en wereldwijde ontwikkelingen)

2.3.

Door de diverse belanghebbenden kenbaar gemaakte prestatiedoelen en bedrijfsvereisten en de EU-wijde prestatiedoelen

3.   STRATEGISCHE VISIE

3.1.

Beschrijving van de strategische ontwikkeling en vooruitgang van het netwerk, teneinde met succes tegemoet te komen aan de prestatiedoelen en bedrijfsvereisten

3.2.

Naleving van de prestatieregeling

3.3.

Naleving van het Europese ATM-masterplan

4.   STRATEGISCHE DOELSTELLINGEN

4.1.

Beschrijving van de strategische doelstellingen van het netwerk:

inclusief de coöperatieve aspecten van de deelnemende operationele belanghebbenden in termen van taken en verantwoordelijkheden;

aangeven hoe de strategische doelstellingen tegemoet zullen komen aan de vereisten;

nagaan hoe de vooruitgang bij de verwezenlijking van deze doelstellingen zal worden gemeten;

aangeven hoe de strategische doelstellingen gevolgen zullen hebben voor de sector en de andere betrokken gebieden.

5.   PRESTATIEPLANNING

Het prestatieplan moet zijn gebaseerd op de volgende structuur:

1.   Inleiding

1.1.

Een beschrijving van de situatie (toepassingsgebied van het plan, functies waarop het plan betrekking heeft enz.)

1.2.

Een beschrijving van het macro-economische scenario voor de referentieperiode met inbegrip van algemene ramingen (verkeersprognose enz.)

1.3.

Een beschrijving van de resultaten van de raadpleging van de belanghebbende partijen ter voorbereiding van het prestatieplan (belangrijkste door de deelnemers vermelde punten van zorg en zo mogelijk overeengekomen compromissen)

2.   Prestatiedoelen op het niveau van de netwerkbeheerder

2.1.

Prestatiedoelen in elk relevant prestatiekerngebied, vastgesteld voor elke relevante prestatiekernindicator, voor de volledige duur van de referentieperiode, met jaarlijkse waarden ten behoeve van monitoring en stimulering

2.2.

Een beschrijving van en toelichting bij het effect van de prestatiedoelen van de netwerkbeheerder op de EU-wijde prestatiedoelen

3.   Bijdrage van elke functie

3.1.

Individuele prestatiedoelen voor elke functie (regeling van de luchtverkeersstromen, ontwerp van het Europese routenetwerk, SSR-transpondercodes, frequenties)

4.   Militaire dimensie

4.1.

Een beschrijving van de civiel-militaire dimensie van het plan, met een uiteenzetting van de prestaties van de toepassing van flexibel luchtruimgebruik om de capaciteit te vergroten met inachtneming van de doeltreffendheid van militaire operaties, en indien dat nodig wordt geacht, relevante prestatie-indicatoren en -doelstellingen, in overeenstemming met de indicatoren en doelstellingen van het prestatieplan

5.   Analyse van gevoeligheid en vergelijking met voorgaande prestatieplannen

5.1.

Gevoeligheid voor externe hypothesen

5.2.

Vergelijking met het vorige prestatieplan

6.   Uitvoering van het prestatieplan

6.1.

Een beschrijving van de maatregelen die door de netwerkbeheerraad ten uitvoer zijn gelegd, zoals:

monitoringsmechanismen om te garanderen dat de veiligheidsactiviteiten en bedrijfsplannen van de luchtvaartnavigatiediensten ten uitvoer worden gelegd;

maatregelen voor het toezicht op en de rapportage over de uitvoering van de prestatieplannen, inclusief de te volgen aanpak wanneer doelstellingen tijdens de referentieperiode niet worden bereikt.

6.   STRATEGISCHE PLANNING

6.1.

Beschrijving van de planning op korte/middellange termijn:

de prioriteiten voor elk van de strategische doelstellingen;

de uitvoering van elk van de strategische doelstellingen in termen van de vereiste inzet van technologie, gevolgen voor de architectuur, menselijke aspecten, kosten, baten en de behoefte aan beheer, middelen en regelgeving;

de vereiste deelname van operationele belanghebbenden aan elk element van het plan, inclusief hun taken en verantwoordelijkheden;

het overeengekomen niveau van betrokkenheid van de netwerkbeheerder ter ondersteuning van de uitvoering van elk element van het plan voor elke individuele functie.

6.2.

Beschrijving van de planning op lange termijn:

het voornemen om alle strategische doelstellingen te verwezenlijken in termen van vereiste technologie en overeenkomstige O&O-aspecten, gevolgen voor de architectuur, menselijke aspecten, business case, noodzaak aan beheer en regelgeving, en de bijbehorende motivering voor deze investeringen vanuit economisch en veiligheidsoogpunt;

de vereiste deelname van operationele belanghebbenden aan elk element van het plan, inclusief hun taken en verantwoordelijkheden.

7.   RISICOBEOORDELING

7.1.

Beschrijving van de risico’s van de uitvoering van het plan

7.2.

Beschrijving van het monitoringproces (inclusief potentiële afwijkingen van initiële doelstellingen)

8.   AANBEVELINGEN

8.1.

Identificatie van de maatregelen die de Unie en de lidstaten moeten nemen om de uitvoering van het plan te ondersteunen.


BIJLAGE V

MODEL VOOR HET OPERATIONEEL NETWERKPLAN

Het operationeel netwerkplan moet op de volgende structuur zijn gebaseerd (die wordt afgestemd op de diverse individuele functies en de tijdshorizon van het operationeel netwerkplan, teneinde een weerspiegeling te vormen van het voortschrijdend karakter van het plan en de perioden van drie tot vijf jaar, een jaar, een seizoen, een week en een dag):

1.   INLEIDING

1.1.

Toepassingsgebied van het operationeel netwerkplan (geografisch en in de tijd)

1.2.

Voorbereiding van het plan en valideringsproces

2.   BESCHRIJVING VAN HET OPERATIONEEL NETWERKPLAN EN DE OPERATIONELE DOELSTELLINGEN

inclusief de coöperatieve aspecten van de deelnemende operationele belanghebbenden in termen van taken en verantwoordelijkheden,

aangeven hoe de operationele doelstellingen aan bod zullen komen in de tactische, pretactische, kortetermijn- en middellangetermijnfasen van het operationeel netwerkplan en andere prestatiedoelen die in het kader van de prestatieregeling zijn vastgesteld,

vastgestelde prioriteiten en benodigde middelen voor de planningperiode,

aangeven welke de gevolgen zijn voor de ATM-sector en andere betrokken gebieden.

3.   ALGEMEEN PROCES VOOR OPERATIONELE NETWERKPLANNING

beschrijving van het algemene proces voor operationele netwerkplanning,

beschrijving van de strategische wijze waarop het operationeel netwerkplan zich zal ontwikkelen teneinde met succes tegemoet te komen aan de operationele prestatievereisten en andere in het kader van de prestatieregeling vastgestelde prestatiedoelen,

beschrijving van de gebruikte instrumenten en gegevens.

4.   ALGEMENE CONTEXT EN OPERATIONELE EISEN

4.1.

Beknopte samenvatting van de voorbije operationele prestaties van het netwerk

4.2.

Uitdagingen en kansen met betrekking tot het tijdschema van het plan

4.3.

Netwerkverkeersprognoses overeenkomstig de aanhangsels 1 en 2, onder meer:

netwerkprognoses,

prognoses met betrekking tot verleners van luchtvaartnavigatiediensten, functionele luchtruimblokken en verkeersleidingscentra,

prognoses met betrekking tot de belangrijkste luchthavens,

analyse van de verkeersraming, inclusief diverse scenario’s,

analyse van de gevolgen van bijzondere gebeurtenissen.

4.4.

Eisen inzake de operationele prestaties van het netwerk, onder meer:

algemene eisen inzake netwerkcapaciteit,

capaciteitseisen met betrekking tot verleners van luchtvaartnavigatiediensten, functionele luchtruimblokken en verkeersleidingscentra,

luchthavencapaciteit,

analyse van de capaciteitseisen,

algemene eisen inzake netwerkomgeving/vluchtefficiëntie,

algemene eisen inzake netwerkveiligheid,

vereisten inzake noodgevallen en continuïteit van diensten die gevolgen hebben voor het netwerk.

4.5.

Operationele behoeften, zoals gemeld door diverse belanghebbenden, inclusief de militaire sector

5.   PLANNEN VOOR DE VERBETERING VAN DE OPERATIONELE NETWERKPRESTATIES EN ACTIES OP NETWERKNIVEAU

beschrijving van de plannen en acties die naar verwachting ten uitvoer zullen worden gelegd op netwerkniveau, onder meer wat het luchtruim, de schaarse middelen en de regeling van de luchtverkeersstromen betreft,

beschrijving van de bijdrage van alle plannen en acties tot de operationele prestaties.

6.   PLANNEN VOOR DE VERBETERING VAN DE OPERATIONELE PRESTATIES EN ACTIES OP LOKAAL NIVEAU

inclusief een beschrijving van alle plannen en acties die naar verwachting ten uitvoer zullen worden gelegd op lokaal niveau,

beschrijving van de bijdrage van alle plannen en acties tot de operationele prestaties,

beschrijving van de betrekkingen met derde landen en de werkzaamheden waar de ICAO bij betrokken is.

7.   BIJZONDERE GEBEURTENISSEN

overzicht van bijzondere gebeurtenissen met significante gevolgen voor de luchtverkeersleiding,

afzonderlijke bijzondere gebeurtenissen en de afhandeling ervan vanuit netwerkperspectief,

belangrijke militaire oefeningen.

8.   EISEN MET BETREKKING TOT HET MILITAIRE LUCHTRUIM

8.1.

Militaire verleners van luchtverkeersleidingsdiensten die verantwoordelijk zijn voor gereserveerde of gescheiden gebieden van het luchtruim, wisselen via de relevante luchtruimbeheerscel de onderstaande informatie uit, overeenkomstig nationale regels:

beschikbaarheid van het luchtruim; standaarddagen/-tijdstippen waarop het gereserveerde luchtruim beschikbaar is,

ad-hocverzoeken om ongepland gebruik van het gereserveerde luchtruim, en

vrijgave van het gereserveerde luchtruim voor civiel gebruik, al dan niet vereist, waarbij dit zo vroeg mogelijk wordt bekendgemaakt.

9.   GECONSOLIDEERDE PROGNOSES EN ANALYSE VAN DE OPERATIONELE PRESTATIES VAN HET NETWERK

doelstellingen en prognoses inzake vertragingen/capaciteit binnen het netwerk, verleners van luchtvaartnavigatiediensten, functionele luchtruimblokken en verkeersleidingscentra,

operationele prestaties van luchthavens,

prestatiedoelen en prognoses inzake netwerkomgeving/vluchtefficiëntie,

gevolgen van bijzondere gebeurtenissen,

analyse van de operationele prestatiedoelen en prognoses.

10.   IDENTIFICATIE VAN OPERATIONELE KNELPUNTEN EN RISICOBEPERKINGSMAATREGELEN OP NETWERK- EN LOKAAL NIVEAU

identificatie van operationele knelpunten (veiligheid, capaciteit, vluchtefficiëntie) en potentiële knelpunten, de oorzaken ervan en overeengekomen oplossingen of risicobeperkingsmaatregelen, inclusief opties voor het herstellen van het evenwicht tussen vraag en aanbod.

Aanhangsel 1

Luchtverkeersleidingscentra

Het operationeel netwerkplan bevat per luchtverkeersleidingscentrum een gedetailleerde beschrijving van de geplande maatregelen voor operationele verbetering, de projecten voor de periode, de verkeersprognose, de doelstelling en prognose inzake vertragingen, de belangrijke gebeurtenissen die gevolgen kunnen hebben voor het verkeer, de operationele contacten.

De netwerkbeheerder voegt voor elk luchtverkeersleidingscentrum daaraan de volgende informatie toe:

verkeersprognose,

een analyse van de actuele operationele prestaties,

een gekwantificeerde beoordeling van de bereikte capaciteit (capaciteitsbasislijn),

een gekwantificeerde beoordeling van de vereiste capaciteit voor diverse scenario’s van de verkeersontwikkeling (vereist capaciteitsprofiel),

een gekwantificeerde beoordeling van de geplande operationele verbeteringsmaatregelen op het niveau van de luchtverkeersleidingscentra, zoals overeengekomen met de verleners van luchtvaartnavigatiediensten,

doelstellingen en prognoses inzake vertragingen, en

een analyse van de verwachte operationele prestaties (veiligheid, capaciteit, milieu).

Elke verlener van luchtvaartnavigatiediensten verstrekt de volgende informatie aan de netwerkbeheerder, die moet worden opgenomen in de individuele beschrijving van het luchtverkeersleidingscentrum:

lokale doelstelling inzake vertragingen,

beoordeling/bevestiging van de verkeersprognose, rekening houdende met de lokale kennis,

aantal beschikbare sectoren: sectorconfiguratie/openingsregeling per seizoen/dag van de week/tijdstip,

capaciteit/monitoringwaarden voor alle sectoren/verkeersvolumes per configuratie/openingsregeling,

geplande of gekende bijzondere gebeurtenissen, inclusief data/tijdstippen en bijbehorend effect op de operationele prestaties,

bijzonderheden van geplande operationele verbeteringsmaatregelen, de uitvoeringsregeling daarvan en het bijbehorende negatieve/positieve effect op de capaciteit en/of efficiëntie,

bijzonderheden van voorgestelde en bevestigde wijzigingen van de luchtruimstructuur en van het gebruik van het luchtruim,

aanvullende, met de netwerkbeheerder overeengekomen maatregelen,

operationele contacten van het luchtverkeersleidingscentrum.

Aanhangsel 2

Luchthavens

Het operationeel netwerkplan bevat voor de belangrijkste Europese luchthavens een gedetailleerde beschrijving van de geplande maatregelen voor operationele verbetering, de projecten voor de periode, de prognose inzake verkeer en vertragingen, de belangrijke gebeurtenissen die gevolgen kunnen hebben voor het verkeer, de operationele contacten.

De netwerkbeheerder voegt daaraan voor elke belangrijke luchthaven de volgende informatie toe:

verkeersprognose,

een analyse van de verwachte operationele prestaties (veiligheid, capaciteit, milieu).

Elke in het operationeel netwerkplan opgenomen luchthaven verstrekt de netwerkbeheerder de onderstaande informatie, die moet worden opgenomen in de individuele beschrijving van de luchthaven:

beoordeling/bevestiging van de verkeersprognose, rekening houdende met de lokale kennis,

baancapaciteit voor elke baanconfiguratie, actuele en geraamde aankomsten en vertrekken,

de duur van de nachtperiode en een capaciteitsspecificatie voor deze periode, voor zover relevant,

bijzonderheden van geplande operationele verbeteringsmaatregelen, de uitvoeringsregeling daarvan en het bijbehorende negatieve/positieve effect op de capaciteit en/of efficiëntie,

geplande of gekende bijzondere gebeurtenissen, inclusief data/tijdstippen en bijbehorend effect op de operationele prestaties,

andere geplande capaciteitsverbeterende factoren,

aanvullende, met de netwerkbeheerder overeengekomen maatregelen.


BIJLAGE VI

ALGEMENE EISEN VOOR NETWERKFUNCTIES

1.   ORGANISATIESTRUCTUUR

De netwerkbeheerder zorgt voor de opzet en het beheer van zijn organisatie, overeenkomstig een structuur die de veiligheid van de netwerkfuncties ondersteunt.

In de organisatiestructuur wordt het volgende vermeld:

a)

de autoriteit, taken en verantwoordelijkheden van de aangewezen functionarissen, met name van het leidinggevend personeel dat bevoegd is voor veiligheid, kwaliteit, beveiliging en personeel;

b)

de relatie en rapportagelijnen tussen de verschillende delen en processen van de organisatie.

2.   VEILIGHEID

De netwerkbeheerder beschikt over een veiligheidsbeheersysteem dat betrekking heeft op alle netwerkfuncties die hij vervult en gebaseerd is op de onderstaande beginselen. Dit systeem:

a)

beschrijft de algemene opvattingen en beginselen van de organisatie op het gebied van veiligheid, teneinde zoveel mogelijk tegemoet te komen aan de behoeften van relevante belanghebbenden (hierna „het beleid” genoemd);

b)

voert een functie voor de monitoring van de naleving in, welke procedures omvat om te verifiëren dat alle functies worden vervuld overeenkomstig de toepasselijke eisen, normen en procedures; de controle op de naleving omvat een systeem voor het geven van feedback over bevindingen aan de verantwoordelijke managers, teneinde te garanderen dat corrigerende maatregelen effectief en tijdig ten uitvoer worden gelegd, voor zover nodig;

c)

toont het functioneren van het beheersysteem aan door middel van handboeken en controledocumenten;

d)

benoemt vertegenwoordigers van het management om erop toe te zien dat procedures met het oog op veilige en efficiënte operationele praktijken worden gevolgd en dat deze toereikend zijn;

e)

beoordeelt het gebruikte beheersysteem en neemt zo nodig corrigerende maatregelen;

f)

beheert de veiligheid van alle netwerkfuncties die aan het systeem zijn toegewezen. Daarbij stelt het formele interfaces vast met alle relevante belanghebbenden, teneinde de gevaren van zijn activiteiten voor de luchtvaartveiligheid te identificeren en te evalueren en de bijbehorende risico’s op passende wijze te beheren;

g)

bevat procedures voor het beheer van de veiligheid bij het invoeren van nieuwe of het wijzigen van bestaande functionele systemen.

3.   BEVEILIGING

De netwerkbeheerder beschikt over een beveiligingsbeheersysteem dat betrekking heeft op alle netwerkfuncties die hij vervult en gebaseerd is op de onderstaande beginselen. Dit systeem:

a)

garandeert de beveiliging van zijn faciliteiten en personeel, ter voorkoming van wederrechtelijke daden die gevolgen kunnen hebben voor de veiligheid van de netwerkfuncties die hij beheert;

b)

garandeert de beveiliging van de door hem ontvangen, verschafte of op andere wijze gebruikte operationele gegevens, zodat deze alleen voor bevoegden toegankelijk zijn;

c)

omschrijft de procedures voor de beoordeling en beperking van veiligheidsrisico’s, waarnemingstaken voor veiligheid en verspreiding van ervaringen;

d)

omschrijft de methoden om lekken in de beveiliging op te sporen en het personeel adequaat te waarschuwen;

e)

omschrijft de methoden om de gevolgen van lekken in de beveiliging te beperken en om herstel- en schadebeperkingprocedures vast te stellen teneinde herhaling te voorkomen.

4.   VLUCHTUITVOERINGSHANDBOEKEN

De netwerkbeheerder zorgt voor de opstelling en actualisering van vluchtuitvoeringshandboeken, voor gebruik door en aansturing van vluchtuitvoeringspersoneel. Hij ziet erop toe dat:

a)

de vluchtuitvoeringshandboeken de instructies en informatie bevatten die het vluchtuitvoeringspersoneel voor zijn werkzaamheden nodig heeft;

b)

de relevante delen van de vluchtuitvoeringshandboeken toegankelijk zijn voor het betrokken personeel;

c)

het vluchtuitvoeringspersoneel onmiddellijk wordt geïnformeerd over wijzigingen in het vluchtuitvoeringshandboek die hun werkzaamheden betreffen en over de inwerkingtreding ervan.

5.   PERSONELE VEREISTEN

De netwerkbeheerder neemt adequaat opgeleid personeel in dienst om een veilige, efficiënte, permanente en ononderbroken vervulling van de aan hem toevertrouwde functies te garanderen. Hij stelt hiertoe een opleidingsbeleid voor zijn personeel vast.

6.   RAMPENPLANNEN

De netwerkbeheerder stelt voor alle door hem vervulde functies rampenplannen op, in geval van gebeurtenissen die een ernstige verslechtering of onderbreking van zijn activiteiten tot gevolg hebben.

7.   RAPPORTERINGSEISEN

Overeenkomstig artikel 20 stelt de netwerkbeheerder een jaarverslag van zijn activiteiten op. Dit verslag heeft betrekking op zijn operationele prestaties en op belangrijke activiteiten en ontwikkelingen, met name op veiligheidsgebied.

Het jaarverslag omvat ten minste:

een beoordeling van de prestaties van de door hem beheerde netwerkfuncties,

een vergelijking van de prestaties met de in het strategisch netwerkplan vastgestelde prestatiedoelen en een vergelijking van de prestaties met de in het operationeel netwerkplan vastgestelde prestatiedoelen op basis van de in dat plan vastgestelde prestatie-indicatoren,

een uitleg voor de verschillen ten opzichte van de doelstellingen en de identificatie van maatregelen voor het wegwerken van eventuele hiaten tijdens de referentieperiode als bedoeld in artikel 11 van Verordening (EG) nr. 549/2004,

ontwikkelingen in de activiteiten en de infrastructuur,

informatie over de formele raadplegingsprocedure met de gebruikers en belanghebbenden,

informatie over het personeelsbeleid.

8.   WERKMETHODEN EN OPERATIONELE PROCEDURES

De netwerkbeheerder moet in staat zijn aan te tonen dat zijn werkmethoden en operationele procedures beantwoorden aan de overige wetgeving van de Unie, en met name aan Verordening (EU) nr. 255/2010.


Top